Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 16 november 2006 - Straatsburg
Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EG en Mauritanië *
 Situatie in Gaza
 Biologische en toxinewapens (BTWC), clusterbommen en conventionele wapens (CWC)
 Een strategie voor het Baltische Zeegebied in het kader van de noordelijke dimensie
 De tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie in de context van het EVDB
 Erfopvolging en testamenten
 Vrouwen in de internationale politiek
 Bestrijding van mensenhandel - Geïntegreerde aanpak en voorstellen voor een actieplan
 Jaarverslag van de Europese ombudsman in (2005)
 Witboek inzake een Europees communicatiebeleid
 Ethiopië
 Bangladesh
 Iran

Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EG en Mauritanië *
PDF 191kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de sluiting van een partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië (COM(2006)0506 – C6-0334/2006 – 2006/0168(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2006)0506)(1),

–   gezien de ontwerppartnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië,

–   gelet op artikel 37 en artikel 300, lid 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0334/2006),

–   gelet op artikel 51, artikel 83, lid 7, en artikel 134 van zijn Reglement,

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Islamitische Republiek Mauritanië.

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.


Situatie in Gaza
PDF 125kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Gaza
P6_TA(2006)0492RC-B6-0588/2006

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over het Midden-Oosten, meer in het bijzonder die van 2 februari 2006 over de uitslag van de Palestijnse verkiezingen en de toestand in Oost-Jeruzalem(1), van 1 juni 2006 over de humanitaire crisis in de Palestijnse gebieden en de rol van de EU(2), en van 7 september 2006 over de toestand in het Midden-Oosten(3),

–   gezien de resoluties nrs. 242 (1967) en 338 (1973) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–   gezien het 'stappenplan voor de vrede' van 30 april 2003, afgekondigd door het 'Kwartet',

–   gezien de conclusies van de zittingen van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen van 15 september 2006, 16 en 17 oktober 2006 en 13 november 2006,

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de Israëlische militaire operatie in Gaza sinds juni van dit jaar ruim 350 mensenlevens heeft geëist, waaronder veel burgers, en dat de Israëlische aanval van 8 november 2006 op Beit Hanoun 19 Palestijnen, merendeels vrouwen en kinderen, het leven heeft gekost,

B.   uitermate bezorgd dat de humanitaire crisis rampzalige vormen heeft aangenomen als gevolg van de grootscheepse vernietiging van openbare voorzieningen en privé-woningen, de ontwrichting van ziekenhuizen, klinieken en scholen, het ontzeggen van toegang tot water, voedsel en elektriciteit, de verwoesting van landbouwgronden en de totale blokkade van de Gaza-strook,

C.   overwegende dat de aanvallen rechtstreeks op burgerlijke voorzieningen waren gericht en dat buitensporige of willekeurige aanvallen op de burgerbevolking een flagrante schending van de grondrechten betekenen, zoals neergelegd in het internationaal recht en de Geneefse conventies,

D.   overwegende dat de Israëlische premier Ehud Omert zijn leedwezen heeft betuigd voor wat hij te Beit Hanoun op 8 november 2006 het gevolg noemde van een "technische fout", en het Israëlische leger heeft om een intern onderzoek te starten,

E.   overwegende dat het recht van een staat op zelfverdediging niet elke vorm van buitensporig of willekeurig geweld kan rechtvaardigen, en dat het internationaal humanitair recht elke aanval op de burgerbevolking streng verbiedt,

F.   overwegende dat de nieuwe cyclus van geweld de pogingen van de Palestijnse Nationale Autoriteit om een nieuwe Palestijnse regering van nationale eenheid te vormen in gevaar brengt,

G.   overwegende dat de internationale gemeenschap en de Europese Unie aanzienlijke steun verlenen voor pogingen om de humanitaire crisis in Gaza en op de westelijke Jordaanoever op te lossen, met bijzondere aandacht voor het 'tijdelijk internationaal mechanisme' (TIM), maar dat deze hulp niet aan alle behoeften kan voldoen,

H.   ernstig bezorgd over de gevolgen van de recente benoeming van Avigdor Lieberman als nieuwe vice-premier van Israël,

I.   overwegende dat het vredesproces in het Midden-Oosten in een politieke en diplomatieke impasse verkeert, hoewel een alomvattende en duurzame oplossing van het conflict tussen Israël en Palestina van essentieel belang is om in geheel de regio tot vrede en veiligheid te komen,

J.   overwegende dat de Europese Unie als lid van het Kwartet (dat eveneens de VN, de Verenigde Staten en Rusland omvat) een bijzondere verantwoordelijkheid heeft waar het gaat om vrede en veiligheid in het Midden-Oosten, dat een naburig gebied van Europa is, en dat de instrumenten en methoden voor de coördinatie van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) bijgevolg moeten worden verbeterd, onder meer via de vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt in het kader van het GBVB op basis van de artikelen 15 en 16 van het EU-Verdrag,

1.   geeft uiting aan zijn diepste gevoelens van rouw en medeleven met de families van de slachtoffers van de recente bomaanvallen op Beit Hanoun en met alle andere onschuldige slachtoffers;

2.   spreekt zijn hevige verontwaardiging uit over het bloedbad dat het Israëlische leger in Beit Hanoun en in Gaza heeft aangericht; veroordeelt het gebruik van buitensporig geweld door het Israëlische leger, wat de pogingen ondermijnt om het vredesproces op gang te brengen;

3.   roept de Israëlische regering op om haar militaire operaties in Gaza zonder verder uitstel te staken; stelt nogmaals dat er voor het Israëlisch-Palestijns conflict geen militaire oplossing bestaat;

4.   verzoekt de Palestijnse milities een einde te maken aan het afvuren van raketten op Israëlisch grondgebied dat willekeurig is en bewust op burgers is gericht, het bestand te eerbiedigen en af te zien van verdere escalatie van het conflict; veroordeelt de recente raketaanvallen in Sderot en het doden van onschuldige Israëlische burgers;

5.   spreekt zijn diepe bezorgdheid over de mogelijke ernstige gevolgen van de huidige crisis, waaronder verdere militaire en terreuraanvallen die de kwetsbare politieke toestand in de gehele regio ondermijnen;

6.   neemt er kennis van dat de Verenigde Staten in de VN-Veiligheidsraad een ontwerpresolutie over de toestand in Gaza met een veto hebben tegengehouden, en betreurt dat een duidelijk en krachtig standpunt van de internationale gemeenschap over de lopende crisis ontbreekt;

7.   verzoekt de regering van de Verenigde Staten haar rol in het Kwartet en in het Israëlisch-Palestijns conflict opnieuw te bezien, om haar steun te verlenen aan het staken van het geweld en aan een nieuwe, echte dialoog tussen de partijen;

8.   vraagt de Raad en de lidstaten om een gemeenschappelijk standpunt volgens artikel 15 van het EU-Verdrag in te nemen, om tot een juiste beoordeling van de huidige situatie te komen en steun te bieden voor een ernstige poging om een einde te maken aan het geweld en de partijen aan de onderhandelingstafel te brengen;

9.   verzoekt het Kwartet dringend aan te sturen op hervatting van de onderhandelingen met en tussen de betrokken partijen en op volledige tenuitvoerlegging van het stappenplan in al zijn onderdelen; verklaart in dit specifieke stadium eens te meer dat een oplossing voor het conflict in het Midden-Oosten enkel mogelijk is via onderhandelingen over een degelijk en definitief vredesakkoord zoals beschreven in het stappenplan, zonder voorwaarden vooraf, op basis van het bestaan van twee democratische, soevereine en levensvatbare staten, die vreedzaam naast elkaar leven binnen veilige en internationaal erkende grenzen, en meent dat het aanhoudende verlies van burgerlevens niet kan worden geduld;

10.   herhaalt als zijn zienswijze dat de aanwezigheid van een multilaterale troepenmacht in Libanon als goed voorbeeld kan dienen, dat navolging in Gaza en op de westelijke Jordaanoever verdient om de burgerbevolking aan beide zijden te beschermen; verzoekt de Raad intussen een initiatief te lanceren om internationale militaire waarnemers naar Gaza te sturen, en verzoekt alle partijen een dergelijk voorstel te steunen en er volledig aan mee te werken;

11.   vraagt de Raad om de associatieraad EU-Israël dringend bijeen te roepen om er het standpunt van de Europese Unie na de Israëlische militaire operaties in Gaza te laten horen, vooral met het oog op volledige naleving van artikel 2 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël(4);

12.   verzoekt de Raad om zich, in het kader van de interim-associatieovereenkomst tussen de EU en de Palestijnen(5), tot de nieuwe Palestijnse regering van nationale eenheid te wenden om de kwestie van geweld en veiligheid aan te pakken;

13.   benadrukt dat de mensenrechten volledig geëerbiedigd moeten worden en dat de schending van het internationaal humanitair recht in Gaza en op de westelijke Jordaanoever onmiddellijk moet ophouden;

14.   sluit zich aan bij de verklaring van het EU-voorzitterschap waarin de Israëlische regering met klem wordt verzocht alle provocerende activiteiten in de Palestijnse gebieden te staken, waaronder de bouw van nederzettingen, de bouw van de scheidingsmuur, de willekeurige militaire operaties en de sloop van Palestijnse woningen;

15.   verzoekt de Commissie en de lidstaten extra medische steun aan de Palestijnse ziekenhuizen te verlenen, met name in Gaza;

16.   verheugt zich over het vergelijk dat de president van de Palestijnse autoriteit heeft bereikt om een nationale dialoog tussen de Palestijnse politieke partijen op gang te brengen en een nieuwe Palestijnse eerste minister te benoemen om een nieuwe Palestijnse regering te vormen, die als onderhandelingspartner van de internationale gemeenschap kan optreden; meent dat dit kan leiden tot hervatting van de economische steun aan de Palestijnse Autoriteit;

17.   verzoekt de Raad en de Commissie samen met de internationale gemeenschap essentiële humanitaire hulp voor de Palestijnse bevolking te blijven waarborgen; dringt erop aan dat het tijdelijk internationaal mechanisme wordt versterkt en uitgebreid, zowel in de tijd als wat de middelen betreft; verzoekt de Israëlische regering dringend de overmaking van de ingehouden Palestijnse belasting- en douane-inkomsten te hervatten;

18.   verzoekt Israël om de economische blokkade van Gaza op te heffen, de handel tussen de Palestijnse gebieden, Israël en de rest van de wereld te vergemakkelijken, de economische ontwikkeling in Gaza ten voordele van zowel Palestijnen als Israëli's te bevorderen en om het verkeer van mensen in Rafah, met inachtneming van de Overeenkomst over het verkeer en toegang tot Rafah en EU-Border Assistance Mission, in Karni en bij andere grensposten in Gaza toe te staan; verzoekt de EU om haar volle verantwoordelijkheid te nemen voor de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst;

19.   herhaalt zijn oproep tot onmiddellijke vrijlating van de Palestijnse ministers en vertegenwoordigers van de wetgevende macht die zich in Israëlische gevangenschap bevinden, en van de ontvoerde Israëlische soldaat;

20.   verzoekt de Raad alles in het werk te stellen om een internationale vredesconferentie bijeen te roepen - naar analogie van de Conferentie van Madrid in 1991 - om tot een allesomvattende, duurzame en levensvatbare oplossing van de problemen in het gebied te komen, op basis van de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, en is van oordeel dat een unilaterale aanpak door een van de partijen moet worden verworpen;

21.   acht in dit verband de deelname van de Liga van Arabische landen aan het vredesproces van essentieel belang; beschouwt het "plan van Beiroet" van de Liga van 2002 en het Geneefse initiatief van 2003 als belangrijke bijdragen tot de onderhandelingen, waarmee terdege rekening moet worden gehouden;

22.   verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te laten toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de president van de Palestijnse autoriteit, de Palestijnse wetgevende raad, de Israëlische Knesset en regering, de regeringen en parlementen van de Verenigde Staten en de Russische Federatie, en de secretaris-generaal van de Liga van Arabische landen.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0041.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0237.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0348.
(4) PB L 147 van 21.6.2000, blz. 3.
(5) PB L 187 van 16.7.1997, blz. 1.


Biologische en toxinewapens (BTWC), clusterbommen en conventionele wapens (CWC)
PDF 124kWORD 43k
Resolutie van het Europees Parlement over het Verdrag tot verbod van biologische en toxinewapens (BTWC), clusterbommen en conventionele wapens (CWC)
P6_TA(2006)0493RC-B6-0585/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien de derde toetsingsconferentie van het Verdrag inzake bepaalde conventionele wapens van 1980 (CWV), die van 7 t/m 17 november 2006 in Gèneve plaatsvindt,

–   gezien de zesde toetsingsconferentie van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens uit 1972 (BTWC), die van 20 november t/m 8 december 2006 in Genève wordt gehouden,

–   gezien het gemeenschappelijk optreden 2006/184/GBVB van 27 februari 2006 betreffende de ondersteuning van het BTWC in het kader van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens(1) met als doelstelling de bevordering van het universele karakter van het BTWC en de ondersteuning van de uitvoering daarvan door de staten die partij zijn opdat deze de internationale verplichtingen van het BTWC omzetten in hun nationale wetgeving en bestuursmaatregelen,

–   gezien het parallel met het gemeenschappelijk optreden besliste actieplan inzake het BTWC waarin de lidstaten hebben toegezegd de resultaten van vertrouwenwekkende maatregelen aan de Verenigde Naties voor te leggen en lijsten van geschikte deskundigen en laboratoria bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in te dienen, teneinde onderzoeken naar het vermeende gebruik van chemische en biologische wapens te vergemakkelijken,

–   gezien Gemeenschappelijk standpunt 2006/242/GBVB van de Raad van 20 maart 2006 betreffende de conferentie ter toetsing van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC)(2), waarin als doelstellingen worden genoemd een verdere versterking van het BTWC en de bevordering van een gunstig resultaat van de zesde toetsingsconferentie,

–   gezien de veiligheidsstrategie van de EU en de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens zoals aangenomen door de Europese Raad van Brussel van 12 en 13 december 2003 en gezien zijn resolutie van 17 november 2005 over de rol van het Europees Parlement bij de non-proliferatie van massavernietigingswapens(3),

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het BTWC, dat vanaf 1972 kon worden ondertekend en in 1975 in werking trad, het eerste multilaterale ontwapeningsverdrag is waarmee een gehele wapencategorie wordt verboden en dat momenteel 155 staten partij bij het verdrag zijn, waarbij nog eens 16 staten het verdrag hebben ondertekend, maar nog niet geratificeerd,

B.   overwegende dat de zesde toetsingsconferentie, die van 20 november t/m 8 december 2006 in Genève wordt gehouden, de staten die partij zijn bij dit verdrag de eerste kans zal bieden het functioneren van het verdrag te onderzoeken sinds de in 2002 afgesloten vijfde toetsingsconferentie, en dat het de verdragsluitende partijen de gelegenheid zal geven opnieuw te bevestigen dat zij vastbesloten zijn om tot een volledig verbod van biologische wapens te komen en eventuele problemen of tekortkomingen bij de uitvoering van het verdrag aan te pakken,

C.   overwegende dat het eerste gedeelte van de vijfde toetsingsconferentie in een mislukking eindigde die voornamelijk was te wijten aan het feit dat de regering van de VS zich terugtrok uit de onderhandelingen over de opzet van een juridisch bindend mechanisme om de naleving af te dwingen,

D.   overwegende dat het aantal verdragssluitende partijen gestaag toeneemt ( in januari 2006 hadden 100 landen het voorlopige kaderakkoord ondertekend), maar dat het CWV verre van universeel van aard is en dat het aantal ondertekenaars van de vijf protocols die het corpus voor praktische tenuitvoerlegging van het verdrag vormen nog aanzienlijk lager ligt,

1.   onderstreept dat de Europese Unie ernaar moet streven voort te bouwen op het succes van de BTWC-regeling, het BTWC verder te versterken en een positief resultaat van de zesde toetsingsconferentie te bevorderen;

2.   spreekt zijn voldoening uit over de niet aflatende diplomatieke inspanningen van de Raad en de Commissie het internationale streven naar versterking van het BTWC levend te houden en erkent de rol van de EU bij het bevorderen van het zoeken naar mogelijkheden voor vrijwillige niet-bindende inspecties als "vertrouwenwekkende maatregelen" en bij het versterken van de nationale wetgeving in de voorbereidingsperiode van de toetsingsconferentie;

3.   hecht er daarom groot belang aan dat het functioneren van het BTWC grondig en volledig wordt onderzocht om de maatregelen voor een verdere versterking van het verdrag te kunnen aangeven, bespreken en goedkeuren;

4.   dringt er bij de Raad en de lidstaten op aan een universele toetreding van alle staten tot het BTWC te bevorderen, daarbij ook een beroep te doen op alle staten die geen partij zijn onverwijld tot toetreding over te gaan en te streven naar een verklaring dat het verbod op biologische en toxinewapens een universeel bindende internationale rechtsregels is;

5.   moedigt de EU daarom aan dit punt in de transatlantische fora, met name de NAVO aan de orde te stellen en de regering van de VS ervan te overtuigen dat zij haar unilaterale zienswijze moet laten varen en een bijdrage moet leveren tot het opnieuw opzetten van een verbeterd multilateraal kader,

6.   verzoekt de Raad en de Commissie te bevorderen dat volledig wordt voldaan aan de verplichtingen op grond van het BTWC en dat zonodig wordt overgegaan tot versterking van de nationale uitvoeringsmaatregelen, met inbegrip van de strafwetgeving en de controle op ziekteverwekkers en toxinen in het kader van de BTWC;

7.   verzoekt de Raad en de lidstaten bij te dragen tot verbetering van de mechanismen waarmee de naleving door de verdragsluitende partijen kan worden gecontroleerd door inspanningen om tot meer transparantie te komen te stimuleren met de uitwisseling van meer informatie onder de staten die partij bij het verdrag zijn, waaronder het vaststellen van maatregelen om de landendekking en het nut van de mechanismen waarmee vertrouwen moet worden opgebouwd te beoordelen en te versterken;

8.   verzoekt de Raad en de lidstaten de naleving te bevorderen van de verplichtingen uit hoofde van Resolutie 1540 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, met name ter voorkoming van het risico dat biologische of toxinewapens worden aangeschaft of gebruikt voor terroristische doeleinden en dat terroristen toegang krijgen tot materialen, apparatuur en kennis die kunnen worden gebruikt bij de ontwikkeling en de productie van biologische en toxinewapens;

9.   verzoekt de Raad en de lidstaten te bevorderen dat gekeken wordt naar en dat besluiten worden genomen over verdere maatregelen betreffende de tot dusverre in het programma tussen de bijeenkomsten in de periode 2003 tot 2005 verrichte werkzaamheden en het streven naar bespreking en bevordering van algemeen begrip van en doeltreffende actie op met name de volgende punten: verbetering van de internationale mogelijkheden om te reageren op gevallen van het beweerde gebruik van biologische of toxinewapens of verdachte ziekte-uitbraken, om deze te onderzoeken en de gevolgen ervan op te vangen; intensivering en verbreding van de nationale en internationale inspanningen van instellingen en van de bestaande mechanismen voor het toezicht op, de detectie van, het diagnosticeren en het bestrijden van infectieziekten die mensen, dieren en planten kunnen aantasten; het vaststellen van de inhoud, de verspreiding en aanneming van gedragscodes voor wetenschapsbeoefenaren op gebieden die van belang zijn voor het verdrag om dit meer onder de aandacht te brengen en de desbetreffende actoren te helpen zich aan hun wettelijke, regelgevende en professionele verplichtingen en ethische beginselen te houden;

10.   verzoekt de Raad en de lidstaten hun steun te geven aan een programma ter voortzetting van de werkzaamheden in de periode tussen de zesde en de zevende toetsingsconferentie, specifieke gebieden en procedures te omschrijven om verdere vooruitgang op grond van dit werkprogramma te bereiken en te bevorderen dat de zevende herzieningsconferentie in het kader van het BTWC niet later dan 2011 plaatsvindt;

11.   verzoekt de EU en haar lidstaten zich ervoor in te zetten dat het toepassingsgebied van CWV-protocol III inzake brandwapens wordt uitgebreid om te voorkomen dat witte-fosforgranaten nog langer worden ingezet tegen militaire en burgerdoelen, en om een einde te maken aan het gebruik van (verarmd) uranium bevattende springkoppen;

12.   spreekt zijn waardering uit voor het feit dat het vijfde CWV-protocol inzake ontplofbare overblijfselen van gevechtshandelingen op 12 november 2006 in werking is getreden en daardoor internationaal bindende wetgeving is geworden; wijst erop dat dit betekent dat staten hun grondgebied moeten zuiveren van niet-ontplofte munitie om het aantal burgerslachtoffers na conflicten terug te dringen; wijst er eveneens op dat de voor de overblijfselen verantwoordelijke partijen volgens dit protocol gehouden zijn te helpen bij het opruimen, zelfs als zij in het gebied in kwestie geen zeggenschap hebben; wijst er met klem op dat het protocol geldt voor alle soorten niet-ontplofte munitie, met inbegrip van clustermunitie;

13.   is er niettemin van overtuigd dat veel meer staten het CWV en de bijbehorende vijf protocollen zouden moeten ondertekenen en ratificeren; verzoekt de Raad en de Commissie alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat alle lidstaten het vijfde protocol prompt ondertekenen en ratificeren en dat alle landen die ontwapeningshulp krijgen het protocol ook ondertekenen en ratificeren, zelfs indien zij tot dusverre nog niet tot het CWV toetraden (bijvoorbeeld Libanon);

14.   verzoekt de EU en de lidstaten om in de geest van het doel van het CWV om protocollen over bepaalde wapensystemen vast te stellen als daaraan behoefte is en in afwachting van een specifiek verdrag op dit punt, te verzoeken om vaststelling van een specifiek protocol VI inzake een ondubbelzinnig verbod op productie, opslag, overdracht en gebruik van alle soorten clustermunitie (fragmentatiebommen);

15.   spreekt in dit verband met name zijn waardering uit voor de positieve manier waarop door een coalitie van meer dan 30 staten (waaronder tal van lidstaten, o.m. België, Zweden, Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Denemarken, Spanje en de Tsjechische republiek) is gereageerd op de oproep die Kofi Annan en Jan Egeland aan het begin van de CWV-toetsingsconferentie hebben gedaan onverwijld onderhandelingen te beginnen voor de totstandbrenging van een alomvattend en doelmatig verdrag om clustermunitie overal ter wereld te verbieden, zoals ook is gedaan met betrekking tot antipersoneelmijnen; verzoekt de EU en alle lidstaten dit initiatief zo actief mogelijk te steunen;

16.   dringt er bij de lidstaten, de Raad en de Commissie op aan zich in te spannen om te bewerkstelligen dat zowel het BTWC, als het CWV binnen afzienbare tijd de beschikking krijgen over een permanent secretariaat dat toezicht houdt op de geslaagde tenuitvoerlegging van deze Verdragen, vergelijkbaar met de Organisatie voor het verbod op chemische wapens die voor dit doel in het leven is geroepen door het Chemische Wapensverdrag;

17.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten en aan de parlementen en regeringen van de staten die partij zijn bij het BTWC en het CWV, alsook aan de relevante gespecialiseerde NGO's.

(1) PB L 65 van 7.3.2006, blz. 51.
(2) PB L 88 van 25.3.2006, blz. 65.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0439.


Een strategie voor het Baltische Zeegebied in het kader van de noordelijke dimensie
PDF 131kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement over een strategie voor het Baltische Zeegebied in het kader van de noordelijke dimensie (2006/2171(INI))
P6_TA(2006)0494A6-0367/2006

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 november 2005 over de toekomst van de Noordelijke Dimensie(1),

–   gezien de richtsnoeren voor de opstelling van een politieke verklaring en een beleidskader inzake de Noordelijke Dimensie van 2007, zoals op de ministervergadering van de Noordelijke Dimensie te Brussel van 21 november 2005 goedgekeurd,

–   gezien het jaarlijkse voortgangsverslag 2005 van de Commissie van 2 juni 2006 over de tenuitvoerlegging van het actieplan voor de Noordelijke Dimensie (SEC(2006)0729),

–   gezien het tweede actieplan voor de Noordelijke Dimensie 2004-2006 dat op 16 en 17 oktober 2003 door de Europese Raad in Brussel werd vastgesteld,

–   gezien de besluiten van de voorzitter van de 6e Top van de Baltische staten in Reykjavik op 8 juni 2006,

–   onder verwijzing naar het verslag en de resolutie van het raadgevend comité van de Europese Economische Ruimte, van 25 juni 2006, over het toekomstige beleid inzake de Noordelijke Dimensie,

–   gezien het werk van de Baltische interfractiewerkgroep in het Europees Parlement,

–   gelet op Europa's strategie voor het Baltische Zeegebied die gevolgd wordt door de Baltische interfractiewerkgroep in het Europees Parlement,

–   gezien het werk van de Raad van de Baltische Staten en de Parlementaire Conferentie van de Baltische regio,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0367/2006),

A.   overwegende dat de Noordelijke Dimensie een breed kader vormt dat alle noordelijke regio's – het Baltische Zeegebied, het Barentszzeegebied en het Noordpoolgebied – en alle buitenlandse en binnenlandse beleidsterreinen omvat,

B.   overwegende dat het beleid voor de Noordelijke Dimensie de regionale en grensoverschrijdende samenwerking met het oog op verdere economische groei kan ondersteunen en een gemeenschappelijke aanpak voor gemeenschappelijke uitdagingen kan formuleren, maar tot op heden de verscheidene problemen in de regio nog niet naar vermogen heeft kunnen aanpakken,

C.   overwegende dat het Baltische Zeegebied historisch gezien een belangrijke verbinding tussen het Westen en het Oosten is en als zodanig de kern van het nieuwe beleid voor de Noordelijke Dimensie zou moeten vormen,

D.   overwegende dat de Baltische Zee na de uitbreiding van 2004 bijna een interne zee (mare nostrum) van de Europese Unie is geworden; voorts overwegende dat de strategie voor de Baltische Zee een belangrijke bijdrage kan leveren aan de heroriëntering van het toepassingsgebied en de activiteiten van de Noordelijke Dimensie ter afspiegeling van de veranderingen die deze uitbreiding met zich heeft meegebracht,

E.   overwegende dat de strategie voor de Baltische Zee in belangrijke mate kan bijdragen aan een betere coördinatie tussen de regionale instellingen in het Baltische Zeegebied,

Doel van deze resolutie

1.   wil door middel van deze resolutie:

   a. het beleid voor de Noordelijke Dimensie steunen door het Baltische Zeegebied aan te merken als één van de topprioriteiten, en tegelijkertijd een verdere regionale integratie in het Baltische Zeegebied -dat een veelbelovend en dynamisch onderdeel van de grote Europese economische en politieke arena is-, te bevorderen; beklemtoont zijn blijvende steun voor activiteiten op andere gebieden, met name in de Barentszee en de Arctische gebieden, in samenwerking met partnerlanden Noorwegen, IJsland en Rusland;
   b. de kansen van de dynamische economie in het Baltische Zeegebied optimaal benutten en de regio systematisch naar voor schuiven als een van de meest aantrekkelijke en concurrerende gebieden ter wereld;
   c. bijdragen tot verbetering van de ecologische toestand van de Baltische Zee die momenteel een van de meest vervuilde zeegebieden ter wereld is; vervuiling en eutrofiëring terugdringen en verdere lozing van olie en andere giftige en schadelijke stoffen voorkomen;

stelt tegen deze achtergrond het volgende voor:

2.   verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor een Europese strategie voor de Baltische Zee om de interne pijler van de Noordelijke Dimensie te versterken, de verschillende aspecten van regionale samenwerking naar voren te halen, synergieën te bewerkstelligen en te vermijden dat de werkzaamheden van de verschillende regionale instellingen en organisaties elkaar overlappen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de verantwoordelijkheden van hun administraties aan te passen, zodat deze bij het opzetten en uitvoeren van het beleid inzake de Noordelijke Dimensie een horizontale aanpak kunnen hanteren;

3.   steunt de werkzaamheden van de Raad van de Baltische Zeestaten; stelt voor een jaarlijkse Baltische Zeetop te organiseren vóór de zomerbijeenkomst van de Europese Raad; steunt de werkzaamheden van de Parlementaire Conferentie van de Baltische Zee, de jaarlijkse ontmoeting van de nationale parlementsvoorzitters van de regio en het aanstaande Parlementair Forum van de Noordelijke Dimensie;

4.   onderstreept dat de strategie voor het Baltische Zeegebied zowel maatregelen omvat die alleen door de Europese Unie en haar lidstaten moeten worden uitgevoerd, als maatregelen die in samenwerking met Rusland moeten worden uitgevoerd;

5.   wijst op de noodzaak een volwaardig regionaal kantoor van de Europese Investeringsbank (EIB) in het Baltische-zeegebied te vestigen;

6.   dringt met het oog op de transparantie en coherentie aan op een aparte EU-begrotingslijn voor de strategie voor de Baltische Zee, mogelijk in het kader van het Europese nabuurschaps - en partnerschapsinstrument, als aanvulling op de huidige financiering van de Noordelijke Dimensie door de Europese Unie, lidstaten, derde landen en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, de EIB, de Noordse Investeringsbank, enz.; benadrukt dat voor de strategie voldoende middelen uit hoofde van alle relevante begrotingslijnen moeten worden uitgetrokken om de doelstellingen ervan te kunnen verwezenlijken;

7.   stelt vast dat zowel Rusland als de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de vervuiling van de Baltische Zee; benadrukt dat de bescherming van het zeemilieu, met name met betrekking tot de beperking van eutrofiëring, een van de belangrijkste aspecten is bij de tenuitvoerlegging van de Europese landbouw- en structuurprogramma's in die regio; stelt met voldoening vast dat de Internationale Maritieme Organisatie het grootste gedeelte van het Baltische Zeegebied heeft erkend als Bijzonder Kwetsbaar Zeegebied; stelt voor een netwerk van ecologisch representatieve en waardevolle beschermde gebieden in zee en langs de kust te creëren;

8.   beklemtoont dat een grote olieramp als gevolg van transport, exploratie of exploitatie het einde van de meeste levende wezens in de Baltische Zee kan betekenen; eist een betere coördinatie om dergelijke rampen te vermijden en, indien er toch een plaatsvindt, overeenstemming te bereiken over een gezamenlijke aanpak om de gevolgen ervan te bestrijden; is van mening dat voor de classificatienormen voor olietankers rekening moet worden gehouden met de omstandigheden in de regio, zoals de ijsdikte tijdens de winter;

9.   onderstreept dat het noodzakelijk is de visbestanden in het Baltische Zeegebied te beschermen en te laten aansterken; vraagt de Commissie om een uitgebreid plan voor te bereiden om de natuurlijke zalmbestanden in het watersysteem van de Baltische Zee te behouden en te herstellen door gebruik te maken van alle paaigronden;

10.   benadrukt dat de regio minder afhankelijk moet worden van Russische energie en moedigt de lidstaten in de regio aan de mogelijkheid van een gemeenschappelijke energiemarkt te onderzoeken; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de partners om zich gezien het potentieel voor bio-energie in die regio sterk te maken voor gezamenlijke projecten inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen en om het gebruik van biomassa, zonne-, wind- en waterkrachtenergie te bevorderen; steunt de werkzaamheden van het samenwerkingsverband op het gebied van energie in het Baltische Zeegebied;

11.   eist een aanpak die gebaseerd is op eerlijkheid en gedeelde verantwoordelijkheid bij de uitvoering van het energiebeleid op nationaal niveau, zodat strategische beslissingen als het uitbouwen van nieuwe energienetwerken genomen worden na raadpleging van de partners onder de EU-lidstaten waarop deze beslissingen een effect zouden kunnen hebben;

12.   onderstreept het belang van gedegen milieueffectbeoordelingen voor alle energie-infrastructuurprojecten om ervoor te zorgen dat aan alle internationale milieubeschermingsnormen wordt voldaan; roept Rusland in dit verband op het Verdrag van Espoo inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband te ratificeren;

13.   benadrukt het belang van de eerbiediging van de internationaal erkende principes van duurzame ontwikkeling, goed beleid, transparantie en participatie, gelijkheid van man en vrouw, de rechten van de minderheden en de bescherming van inheemse volken, evenals het belang van een wederzijds versterkend economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid door alle betrokken partners, in de lijn van de Lissabonstrategie voor de EU;

14.   herinnert aan de bindende rol van de Baltische Zee in de regio; suggereert het opstarten van een nieuw programma, dat de naam "Grenzeloze Baltische Zee" moet dragen, om de grensovergangen in de regio vlotter te laten verlopen, inclusief deze tussen de lidstaten en Rusland; steunt de aanleg van een "Baltische watersnelweg" die het Baltische Zeegebied tegen 2010 met de lidstaten in Centraal- en West-Europa zou moeten verbinden;

15.   meent dat de lidstaten het recht moeten hebben om strengere beschermende maatregelen in stand te houden of op te leggen dan deze die worden voorgesteld door de EU, en zo hun verantwoordelijkheid voor het verminderen van de vervuiling van de Baltische Zee kunnen nemen;

16.   onderkent de toename van het verkeer op zee, die voornamelijk door de sterke economische groei van Rusland wordt veroorzaakt; beschouwt veiligheid op zee als een van de grootste zorgpunten van de regio; stelt voor het gemeenschappelijke regel- en informatiesysteem voor het scheepvaartverkeer (VTMIS) geleidelijk uit te breiden van alleen de Finse Golf naar het hele Baltische Zeegebied; onderstreept de noodzaak van een gezamenlijke inzet om ervoor te zorgen dat de Baltische Zee door de Internationale Maritieme Organisatie snel als bijzonder kwetsbaar zeegebied wordt aangemerkt, inclusief een verbod op olietransporten met enkelwandige tankers;

17.   stelt voor het Trans-Europese Netwerk Nordic Triangle uit te breiden naar de hele regio en de wegen en spoorlijnen van de Barentszcorridor en de Botnische corridor in de TEN op te nemen; verzoekt de uitvoering van het Rail Baltica-project en zou graag een hogesnelheidstreinverbinding voor de hele regio hebben;

18.   eist de verwezenlijking van de Via Baltica-snelweg tegen 2013 als een prioritair project dat het Baltische Zeegebied verbindt met de lidstaten in Centraal- en West-Europa; benadrukt het belang van Europese financiering voor de verwezenlijking van het project;

19.   onderkent dat de meeste nationale markten in de regio relatief klein zijn waardoor de concurrentie meestal laag is; benadrukt de uitzonderlijke economische onderlinge afhankelijkheid van de lidstaten in die regio; dringt aan op volledige toepassing van de vier basisvrijheden (vrij verkeer van personen, vrij verkeer van goederen, vrijheid van vestiging en vrij verkeer van kapitaal) zoals die gelden tussen de EU-lidstaten in de regio;

20.   merkt op dat voor de oblast Kalinigrad-enclave, die geheel door de Europese Unie wordt omgeven, een oprechte samenwerking tussen de regionale autoriteiten, de Russische Federatie en de Europese Unie nodig is; verzoekt de Russische Federatie en de Europese Unie de mogelijkheid te onderzoeken om van de oblast Kaliningrad een meer open en minder gemilitariseerde proefregio te maken met een betere toegang tot de interne markt; benadrukt de noodzaak van volledige toepassing van het beginsel van vrijheid van scheepvaart in de Baltische Zee, inclusief de Vistula-lagune en Kaliningradzkij Zaliv, en van vrije doorvaart door Pilava Strait/Baltijskij Proliv;

21.   wijst erop dat het Partnerschap van de Noordelijke Dimensie in Volksgezondheid en Maatschappelijk Welzijn (NDPHS) efficiënter moet worden bij de bestrijding van ernstige ziekten en bij het bevorderen en steunen van gezonde en sociaal verantwoorde levensstijlen; roept de Russische Federatie en de EU op om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de oblast Kaliningrad-enclave daadwerkelijk op te nemen in de activiteiten van de NDPHS;

22.   benadrukt dat de oblast Kaliningrad-enclave nog altijd geplaagd wordt door vele sociale en economische problemen, zoals de grote bedreiging voor het milieu die inherent zijn aan de aanwezigheid van militaire bases en wapens in de regio, het wezenlijke gevaar voor de volksgezondheid en de hoge graad van criminaliteit en drugsverslaving;

23.   roept het Baltische Zeegebied op om actief programma's te steunen die gericht zijn op het creëren van nieuwe kunst- en communicatievormen en multinationale mobiliteit en culturele uitwisselingsprogramma's aan te moedigen;

24.   steunt de studentenuitwisselingen in de regio; stelt de universiteiten in de regio voor een netwerk te vormen en het werk te verdelen zodat er zich centra met specifieke bekwaamheden vormen die op internationaal niveau kunnen meedingen;

25.   is verontrust over het feit dat de oostgrens van de regio als uitvalsplaats voor de georganiseerde misdaad lijkt te fungeren, vooral voor de mensen- en drugshandel; dringt aan op een sterkere betrokkenheid van de Europese Politiedienst (Europol) en een nauwere samenwerking op dit gebied op Europees en intergouvernementeel niveau;

26.   onderstreept dat de inspanningen voor een doeltreffender controle aan de oostelijke grens moeten worden verdubbeld, vooral door de bestaande infrastructuur te verbeteren en door legale grensoverschrijding te bevorderen; wenst dat hiervoor in het voorgestelde Europees fonds voor buitengrenzen voldoende middelen worden vrijgemaakt;

o
o   o

27.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regering van Rusland en het Voorzitterschap van de Raad van de Baltische Staten.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0430.


De tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie in de context van het EVDB
PDF 230kWORD 83k
Resolutie van het Europees Parlement over de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie in de context van het EVDB (2006/2033(INI))
P6_TA(2006)0495A6-0366/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien de op 12 december 2003 door de Europese Raad goedgekeurde Europese veiligheidsstrategie,

–   gezien het op 29 oktober 2004 te Rome ondertekende Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raden van 16 en 17 juni 2005 en 15 en 16 december 2005, met name de verslagen van het voorzitterschap inzake het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 april 2005 over de Europese veiligheidsstrategie(1),

–   gezien de op 9 december 2003 door de Raad goedgekeurde EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens,

–   gezien het verslag van voormalig commissaris Michel Barnier "For a European civil protection force: Europe aid" ("Voor een Europese cívielebeschermingsmacht: Europe aid") van mei 2006,

–   gezien de conclusies van de bijeenkomst van het bestuur van het Europese Defensieagentschap in september 2005,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 2 februari 2006 over het jaarlijks verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen - 2004(2),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0366/2006),

Algemene overwegingen

A.   overwegende dat de Europese veiligheidsstrategie een onderdeel is van het Algemene Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) en EVDB, waarin het hele spectrum van politieke actiemogelijkheden van de EU aan bod kan komen, met inbegrip van de diplomatieke, economische en ontwikkelingsmaatregelen,

B.   overwegende dat uit tien jaar opinieonderzoek consequente publieke steun blijkt, en dat daarbij is aangetoond dat meer dan 60% van de EU-burgers voor een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid is, en meer dan 70% voor een gemeenschappelijk EU-defensiebeleid; overwegende evenwel dat uit andere opinieonderzoeken blijkt dat er geen steun bestaat voor een verhoging van de militaire uitgaven,

C.   overwegende dat veiligheid en de strijd tegen de verbreiding van massavernietigingswapens en het internationale terrorisme worden beschouwd als een prioriteit voor de EU; dat een gezamenlijk antwoord en een gemeenschappelijke strategie in het kader van het EVDB dan ook noodzakelijk zijn,

D.   overwegende dat de controle op de wapenexport door de EU en op mondiaal niveau moet worden versterkt,

1.   beschouwt de Europese veiligheidsstrategie van december 2003, die op een initiatief van het Griekse voorzitterschap gebaseerd is, als een uitstekende analyse van de bedreigingen voor de moderne wereld, waarbij de fundamentele beginselen van het externe beleid van de EU werden geformuleerd; benadrukt echter dat het noodzakelijk is de tenuitvoerlegging ervan regelmatig te controleren, om te kunnen reageren op geopolitieke ontwikkelingen;

2.   merkt op dat, zoals in de Europese veiligheidsstrategie wordt gesteld, internationaal terrorisme, de verspreiding van massavernietigingswapens, regionale conflicten, staatsfalen en de georganiseerde misdaad thans de grootste bedreigingen voor de EU en haar burgers vormen; benadrukt dat de toenemende mondiale concurrentiestrijd voor water en energiebronnen, de gevolgen van natuurrampen en het probleem van de veiligheid aan de buitengrenzen van de EU, moeten worden beschouwd als een strategische doelstelling bij de verdere ontwikkeling van de Europese veiligheidsstrategie; is bezorgd over het vooruitzicht van nieuwe bewapeningswedlopen op mondiaal en regionaal niveau en over de niet aflatende proliferatie van conventionele wapens;

3.   erkent evenwel dat de strijd tegen het internationale terrorisme niet alleen met militaire middelen kan worden gevoerd en dat de preventie en onderdrukking van terrorisme een heel scala aan niet-militaire maatregelen vereist, zoals uitwisseling van geheime informatie, politiële en justitiële samenwerking – wat volledige interinstitutionele en pijleroverschrijdende samenwerking vereist – , alsmede de opbouw van democratische instellingen, infrastructuur en een burgermaatschappij in landen waar het staatsapparaat heeft gefaald of tekortkomingen vertoont; beklemtoont dat de EU met name kan bijdragen tot de preventie van internationaal terrorisme door op doeltreffende wijze democratische instellingen, sociale en economische infrastructuur, goed bestuur en een civil society op te bouwen of herop te bouwen en door racisme en vreemdelingenhaat succesvol te bestrijden;

4.   wijst erop dat het de taak is van het GBVB de burgers van de EU tegen deze bedreigingen te beschermen, de legitieme belangen van de EU te verdedigen en de verwezenlijking van de doelstellingen van het Handvest van de Verenigde Naties te bevorderen, door als actor met een mondiale verantwoordelijkheid voor vrede en democratie op te treden; onderschrijft nadrukkelijk de zienswijze van de Europese veiligheidsstrategie dat deze doelstellingen het best via "doeltreffend multilateralisme", d.w.z. internationale instellingen en internationaal recht, kunnen worden verwezenlijkt;

5.   herhaalt zijn standpunt dat de EU deze taken via het EVDB in de eerste plaats langs civiele en vreedzame weg dient te vervullen en alleen haar toevlucht tot militaire middelen mag nemen wanneer alle mogelijkheden voor onderhandelingen zorgvuldig zijn onderzocht en er een impasse is ontstaan; is van oordeel dat bij de vervulling van deze legitieme taken in de eerste plaats moet worden gelet op de ondubbelzinnige eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden van de burgers binnen en buiten de grenzen van de EU;

6.   is van oordeel dat de geopolitieke uitdagingen aanzienlijk zijn geëvolueerd sinds de Europese veiligheidstrategie in 2003 is goedgekeurd, en dat een herziening van deze strategie uiterlijk in 2008 dan ook noodzakelijk is; is van mening dat de strategie om de vijf jaar moet worden aangepast en behandeld in het Europees Parlement en de parlementen van de lidstaten;

7.   wijst erop dat het van het grootste belang is de civiele en militaire elementen van de crisisrespons van de internationale gemeenschap te coördineren;

8.   dringt er bij de lidstaten op aan de parlementaire dimensie van het EVDB te steunen, daar waar de ontwikkelingen op institutioneel en financieel niveau hand in hand gaan met de uitbreiding van de parlementaire controlerechten; herinnert eraan dat de verantwoordelijkheid voor de parlementaire controle op het EVDB wordt gedeeld door de parlementen van de lidstaten en het Europees Parlement, op basis van hun respectieve rechten en plichten uit hoofde van de relevante verdragen en grondwetten;

9.   pleit voor initiatieven ter versterking van de betrekkingen en intensivering van de uitwisseling van informatie tussen de parlementen van de lidstaten en het Europees Parlement bij EVDB-kwesties, teneinde een beter gestructureerde en regelmatiger dialoog tussen de parlementen mogelijk te maken;

10.   onderstreept dat de EU in staat moet zijn een aanzienlijke bijdrage te leveren, teneinde:

   a) zichzelf te beschermen tegen elke reële en ondubbelzinnige bedreiging voor haar veiligheid;
   b) vrede en stabiliteit te waarborgen, in de eerste plaats in haar geografische omgeving, maar ook in andere delen van de wereld, conform de beginselen van het VN-Handvest;
   c) humanitaire interventie- en reddingsoperaties uit te voeren;
   d) conflicten te voorkomen en te beheren, en democratie en eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen;
   e) regionale en mondiale ontwapening te bevorderen;

11.   benadrukt dat de NAVO, in geval van een aanval door gewapende strijdkrachten van een derde land op het grondgebied van de EU, garant blijft staan voor de collectieve defensie maar dat van de EU wordt verwacht dat zij solidair optreedt en de aangevallen lidstaat alle benodigde hulp biedt in overeenstemming met artikel 51 van het Handvest van de VN; is verheugd over de toename van de NAVO-capaciteiten voor deelname aan operaties buiten het grondgebied van de organisatie, en beschouwt de NAVO als het geschikte forum voor de transatlantische dialoog over veiligheidskwesties;

12.   erkent dat de capaciteiten van de strijdkrachten van de lidstaten en de beschikbaarheid daarvan voor de EU verband houden met het feit dat de meeste lidstaten leden van zowel de EU als de NAVO zijn en militaire eenheden onderhouden die ter beschikking van beide organisaties staan; verlangt derhalve dat de EU intensief blijft samenwerken met de NAVO, met name op het gebied van de capaciteitsopbouw;

13.   onderstreept dat "strategische autonomie" inherent is aan de Europese veiligheidsstrategie, namelijk het vermogen om onafhankelijk van andere actoren onder haar bevoegdheid vallende operaties uit te voeren, hetgeen interoperabiliteit vereist en een duurzamer en betrouwbaarder aanvoerketen die gebaseerd is op wederzijdse bijstand, waarbij overlapping en suboptimaal gebruik van schaarse middelen op Europees niveau of tussen lidstaten wordt vermeden; waarschuwt voor een onnodige verdubbeling van de inspanningen tussen de NAVO en de EU, en tussen de lidstaten en de EU;

14.   is van oordeel dat het EVDB op dit ogenblik slechts beperkte middelen voor civiele en militaire operaties ter beschikking staan; vraagt de EU derhalve - teneinde haar geloofwaardigheid als mondiale actor te ontwikkelen - haar capaciteiten te concentreren op de geografische omgeving, met name de Balkan; overweegt tegelijkertijd om nieuwe capaciteiten te ontwikkelen teneinde de EU ertoe in staat te stellen actief bij te dragen tot conflictoplossing ook in andere delen van de wereld, conform de beginselen van het Handvest van de VN;

Geïntegreerde civiel-militaire samenwerking

15.   juicht het toe dat de EU de nadruk legt op versterking van de civiele en militaire samenwerking bij crisisbeheer, en is van oordeel dat de ontwikkeling van civiele capaciteiten voor crisisbeheer een belangrijke rol speelt en een meerwaarde oplevert in de ontwikkeling van het EVDB en binnen het gehele spectrum van acties op het gebied van conflictpreventie, humanitaire interventie, wederopbouw na conflicten en vredesopbouw; onderstreept de noodzaak om gespecialiseerde internationale en lokale NGO's en hun netwerken daarbij te betrekken; dringt er bij de EU op aan te blijven streven naar de tenuitvoerlegging van een samenhangend conflictpreventiebeleid in de geest van de conclusies van de Europese Raad van Göteborg van 15-16 juni 2001;

16.   is verheugd over de recente pogingen om in het kader van het Civiel Hoofddoel 2008 de tekortkomingen op het gebied van de ontwikkeling van civiele capaciteiten en competenties te verhelpen; is voorts verheugd over het feit dat de Civiel/Militaire Cel en het Operatiecentrum het potentieel hebben om een grote rol te spelen bij de ontwikkeling van de EU-benadering van de geïntegreerde civiel-militaire samenwerking en coördinatie; beveelt derhalve aan dat de Civiel/Militaire Cel en het Operatiecentrum worden opgewaardeerd tot een Europees hoofdkwartier voor de uitvoering van civiel-militaire missies;

17.   erkent dat de sleutelcompetenties op het gebied van satelliet- en luchtverkenningssytemen, geïntegreerde telecommunicatiesystemen en strategisch zee- en luchttransport van cruciaal belang zijn voor civiele zowel als militaire crisisbeheeroperaties; verzoekt het Europees Defensieagentschap (EDA) samen met de Commissie de aanzet te geven tot geïntegreerde onderzoeks- en ontwikkelingsprocessen op gebieden die geïntegreerde en gecoördineerde civiel-militaire benaderingen versterken, met name op het gebied van satelliet- en luchtverkenningssystemen en geïntegreerde telecommunicatiesystemen;

Crisisbeheer

18.   verwelkomt het opzetten van een Global Disaster Alert and Coordination System, dat door de Commissie in nauwe samenwerking met de Verenigde Naties werd gefinancierd; wijst erop dat dit systeem het reactievermogen van de EU aanzienlijk moet verbeteren;

19.   neemt kennis van de activiteiten van de door de Commissie opgezette Health Emergency Operations Facility; onderstreept het belang van deze faciliteit wat betreft zowel haar informatie- en gegevensbestand als haar mogelijkheden om te waarschuwen voor pandemieën en epidemieën, alsmede biologische en chemische bedreigingen; roept de Raad en de Commissie er derhalve toe op de nodige regelingen te treffen om in geval van sanitaire noodsituaties en grensoverschrijdende bioterroristische aanslagen de Commissie bij de coördinatie van de te nemen maatregelen te betrekken;

20.   is verheugd over de inspanningen van de Commissie om een communautaire procedure voor rampenbescherming – ook in geval van zware terroristische aanslag – op te zetten; neemt kennis van het feit dat deze procedure in de eerste plaats steunt op de gegevens van een databank die gedetailleerde informatie bevat over de middelen die op nationaal niveau voor hulpacties ter beschikking staan; stelt vast dat het tijdbesparende effect van deze databank, die tevens synergieën bevordert, aanzienlijk kan worden verbeterd door er de gegevens in op te nemen van de door de militaire staf van de EU opgezette databank, die informatie bevat over alle middelen die voor crisisbeheer ter beschikking staan; roept de Raad en de Commissie bijgevolg op de nodige gesprekken te voeren en de nodige maatregelen te treffen om het overnemen van die gegevens mogelijk te maken;

21.   is verheugd over de inspanningen van de Raad om ervoor te zorgen dat de vele in het kader van het EVDB beschikbare middelen bij rampen snel en doeltreffend kunnen worden ingezet; benadrukt in dit verband dat de leemten op het gebied van de coördinatie van strategisch (lucht)transport dringend moeten worden opgevuld; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan zo snel mogelijk de nodige financiële middelen ter beschikking te stellen om dit probleem op te lossen; verzoekt de Raad tevens de voorstellen van het hogervermelde verslag van Michel Barnier nauwgezet te bestuderen, met name de oprichting van een informele Europese Raad voor civiele veiligheid, een geïntegreerde Europese benadering om op crises te anticiperen, het samenbrengen van de bestaande nationale middelen en de oprichting van Europese consulaten, ten einde EU-burgers in het buitenland bij te staan; verzoekt de Raad en de Commissie samen te werken om deze voorstellen geleidelijk ten uitvoer te leggen;

22.   is van oordeel dat de ontwikkeling van het EVDB heeft bijgedragen tot het ontstaan van "grijze gebieden" wat betreft de bevoegdheden van de Raad en de Commissie inzake de uitvoering van hoofdzakelijk civiele missies; verwacht dat de goedkeuring van het stabiliteitsinstrument het aantal grijze gebieden zal verminderen, zonder dat daarvan een negatief effect uitgaat voor de in de praktijk aangetoonde flexibiliteit van het crisisbeheer;

23.   is verheugd over de vooruitgang die is geboekt in het kader van het Civiel Hoofddoel 2008, met name de ontwikkeling van plannen voor missies van civiele reactieteams en geïntegreerde politiegroepen; neemt tevens kennis van de ontwikkeling van expertise in verband met de bestrijding van georganiseerde misdaad en mensenhandel; verwelkomt daarnaast de oprichting van een crisisplatform bij de Commissie, dat zichzelf tot doel heeft gesteld de opstartfase van EVDB-missies ter plaatse te versnellen; verzoekt de Raad en de Commissie hun inspanningen te coördineren en stelt daarom voor een gemeenschappelijk opleidingsprogramma uit te werken voor het hele personeel dat met de planning van missies belast is;

Binnenlandse veiligheid

24.   wijst erop dat de beveiliging van het eigen grondgebied de belangrijkste taak is van ieder veiligheidsbeleid; beseft dat de Europese burgers van een Europees defensiebeleid in de eerste plaats een substantiële bijdrage aan het waarborgen van hun persoonlijke veiligheid verwachten, met eerbiediging van hun fundamentele mensenrechten;

25.   wijst erop dat de EU haar buitengrenzen moet beveiligen, haar vitale infrastructuur moet beschermen, internationale netwerken voor de financiering van terrorisme uit de weg moet ruimen en de georganiseerde misdaad moet bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband een systeem te ontwikkelen voor het geïntegreerde beheer van de buitengrenzen van de EU, waarbij de eerbiediging van de mensenrechten en de grondrechten en de naleving van het humanitaire recht evenwel niet mogen worden beperkt, met name wat vluchtelingen en asielzoekers betreft;

26.   wijst erop dat de EU:

   - het vrije verkeer van grondstoffen, met name koolwaterstoffen, voor de industrie en de consumenten veilig moet stellen, en dan ook het vervoer ervan per schip of vliegtuig, of via pijpleidingen, moet beveiligen;
   - zichzelf moet verdedigen tegen cyberaanvallen die vitale financiële, communicatie-, en energievoorzieningssystemen kunnen ontwrichten;

Snelle actie op basis van het VN-Handvest

27.   onderschrijft het standpunt dat, aangezien de EU in het licht van nieuwe bedreigingen tot handelen moet kunnen overgaan voordat een crisis uitbreekt en vroegtijdig preventieve maatregelen moet kunnen treffen om conflicten en bedreigingen het hoofd te bieden, de Europese veiligheidsstrategie onvoorwaardelijk moet steunen op het VN-Handvest als het fundamentele kader voor de internationale betrekkingen;

Gedragsregels/opleiding

28.   is er bijzonder over verheugd dat het gedrag van het personeel bij alle EVDB-operaties moet voldoen aan een reeks in documenten vastgelegde richtsnoeren en algemene gedragsregels; verwelkomt de eerste tekenen in deze richtsnoeren en regels van de vereiste de mensenrechtennormen en -regels in acht te nemen; benadrukt dat de naleving van dergelijke regels absoluut verplicht dient te zijn en dat de commandanten te velde verantwoordelijk dienen te worden gesteld voor de discipline en het gedrag van hun personeel, zelfs onder omstandigheden van extreme stress in oorlogssituaties; neemt tevens met tevredenheid kennis van de inspanningen om te garanderen dat de genderdimensie in de diverse beleidsmaatregelen, programma's en initiatieven van het EVDB beter tot haar recht komt;

29.   neemt kennis van het streven van de Raad om de doelgerichte - strategische en operationele - EVDB-opleidingsprogramma's voor het diplomatieke, militaire en civiele personeel verder te ontwikkelen; verwacht dat de deelname van deskundigen van het Europees Parlement aan deze programma's mogelijk zal worden gemaakt; stemt in met de benadering die erin bestaat minimumnormen vast te stellen voor de opleiding van het personeel van EVDB-missies in het veld en verzoekt de Raad samen met de Commissie en de lidstaten te werken aan de standaardisering van alle opleidingsmaatregelen op alle niveaus;

30.   is van mening dat soldaten aan onnodige risico's zullen worden blootgesteld indien de commandostructuur, hun uitrusting of hun bewapening niet voldoet aan de vereisten van de operatie; acht het derhalve van groot belang te garanderen dat de onder EU-commando geplaatste eenheden adequaat uitgerust zijn;

31.   is van mening dat het doeltreffend gebruik van militaire capaciteiten niet zonder een duidelijke versterking van de Europese capaciteiten voor 'power projection', met inbegrip van lucht- en zeetransport, mogelijk zal zijn; erkent in dit verband de inspanningen van verschillende landen om hun capaciteiten op het gebied van luchtvervoer en amfibische operaties uit te breiden, evenals hun plannen om meer vliegdekschepen aan te schaffen;

32.   merkt op dat multinationale acties leiden tot extra kosten en een geringere efficiëntie, doordat de uitrusting en bewapening van de deelnemende eenheden onderling verschillen en vaak niet compatibel zijn; is derhalve van oordeel dat de EU maatregelen dient te bevorderen die erop zijn gericht materieel en bewapening te harmoniseren, teneinde de beschikbare middelen en de effectiviteit van multinationale operaties te optimaliseren;

Inlichtingensystemen

33.   bekritiseert het bijzonder ernstige feit dat de gevechtsgroepen die momenteel worden gevormd niet in dezelfde mate toegang hebben tot lucht- en ruimteverkenning, en betreurt dat de gegevens van de nationale satellietverkenningssystemen Helios, SAR–Lupe en Cosmo-Skymed niet voor alle lidstaten op een gemeenschappelijke basis beschikbaar zijn;

34.   om deze tekortkomingen op te vangen:

   a) vraagt met aandrang dat de gevechtsgroepen die momenteel worden gevormd gemeenschappelijk of op zijn minst compatibel materieel krijgen op het gebied van inlichtingen en telecommunicatie;
   b) vraagt dat de volgende generatie satellietverkenningssystemen wordt geïntegreerd in een Europees systeem waarvan de gegevens ter beschikking worden gesteld voor militaire en politiële doeleinden en voor rampenbeheer, met gebruikmaking van het satellietcentrum in Torrejón;

35.   wijst erop dat de NAVO momenteel het luchtverkenningssysteem Airborne Ground Surveillance (AGS) ontwikkelt, naast de nationale systemen die reeds bestaan of worden ontwikkeld; dringt erop aan dat dit systeem beschikbaar wordt gesteld voor alle EU-lidstaten, met name in de context van de EU-gevechtsgroepen;

36.   is van oordeel dat het op het gebied van telecommunicatie noodzakelijk is een gemeenschappelijk systeem voor het commando over multinationale eenheden te ontwikkelen, en dat het militaire en politiële materieel en het materieel van nooddiensten dan ook aan dezelfde technische normen moeten voldoen, zoals bijvoorbeeld in Finland reeds het geval is;

Grenscontroles

37.   benadrukt het belang van een vergroting van het collectieve vermogen van de EU om haar buitengrenzen te beschermen; blijft uiterst bezorgd over de incompatibiliteit en de kwaliteit van het materieel voor grenscontroles en onderstreept de noodzaak van nieuwe technologie om deze situatie te verhelpen;

Vervoer

38.   is van oordeel dat het, gezien het feit dat vervoer, met name strategisch vervoer, een essentiële tekortkoming is bij alle crisisbeheermaatregelen van de EU, van groot belang is dat een aparte Europese regeling wordt uitgewerkt om de toegang tot conventioneel, civiel en multimodaal vervoer te garanderen, op basis van een geïntegreerde civiel-militaire benadering die schaalvoordelen oplevert voor alle Europese actoren op het gebied van crisisbeheer voor EVDB- en rampenbestrijdingsdoeleinden;

Tekortkomingen in het EVDB-besluitvormingsproces

39.   is van mening dat het politieke besluitvormingsproces in de aanloop naar de goedkeuring van een EVDB-missie een aantal zwakheden vertoont, zoals in het geval van de missie in de Democratische Republiek Kongo duidelijk is geworden; verzoekt de Raad bijgevolg de verschillende stadia van dit proces te herzien en zonodig stappen te ondernemen om die tekortkomingen te verhelpen; herinnert de Raad, en in het bijzonder zijn Politiek en Veiligheidscomité, in dit verband aan zijn verplichting om het Parlement te raadplegen;

40.   herhaalt zijn eis om zonder beperkingen bij dit proces te worden betrokken en wijst er nogmaals op dat het krachtens de huidige Verdragen het recht heeft om jaarlijks vooraf te worden geraadpleegd over toekomstige aspecten en opties van het GBVB; verzoekt de Raad met klem ten aanzien van het Parlement een opener en transparanter informatiebeleid te voeren wat het GBVB en het EVDB betreft; bekritiseert in dit verband de huidige procedure voor de toegang van het Europees Parlement tot "vertrouwelijke documenten" van de Raad, die in de meeste gevallen slechts zeer algemene informatie bevatten;

41.   bevestigt andermaal zijn standpunt dat een militaire missie waarbij de EU betrokken is niet mag starten voordat het Parlement naar behoren is geïnformeerd en geraadpleegd;

42.   vraagt dat uitgaven voor militair materieel en bewapening worden goedgekeurd in het kader van begrotingen die aan parlementaire controle worden onderworpen; is derhalve van mening dat parallelle begrotingen en mechanismen, die noch door de nationale parlementen, noch door het Europees Parlement effectief kunnen worden gecontroleerd, moeten worden vermeden;

43.   merkt op dat de begroting van de EU diverse hoofdstukken met veiligheidsaspecten bevat, zoals de kredieten voor crisisbeheer, beveiliging van de buitengrenzen en vitale infrastructuur, veiligheidsonderzoek en de tenuitvoerlegging van de programma's Galileo en Global Monitoring for Environment and Security (GMES);

44.   dringt er in het bijzonder op aan dat de begrotingsmiddelen voor crisisbeheermissies, beveiliging van de buitengrenzen, veiligheidsonderzoek en Galileo verder worden verhoogd, waarbij de kredieten voor veiligheidsonderzoek zich op lange termijn dienen te richten op de door de Groep op hoog niveau voor veiligheidsonderzoek vastgestelde financieringsbehoeften;

45.   vraagt tevens dat militaire crisisbeheeroperaties worden gefinancierd uit de begroting van de EU en dat de lidstaten daartoe extra EU-middelen ter beschikking stellen;

46.   bekritiseert het feit dat wegens het ATHENA-mechanisme en andere ad hoc mechanismen die door de lidstaten of zelfs door het Europees Ontwikkelingsfonds worden gefinancierd, het Europees Parlement niet in staat is enige budgettaire controle uit te oefenen op de militaire EVDB-opeaties; wijst erop dat er tevens behoefte is aan transparantie bij civiel-militaire operaties (zoals politiemissies) die in een grijs gebied tussen ad hoc regelingen en financiering uit de GBVB-begroting vallen;

47.   vraagt dan ook dat een nieuwe begrotingsmethodologie wordt ontwikkeld om de doorzichtigheid van de EVDB-uitgaven te vergroten en de ontwikkeling van de militaire en civiele capaciteiten die nodig zijn om de doelstellingen van de Europese veiligheidsstrategie te verwezenlijken, te steunen:

   a) in een beginfase, die in 2007 aanvangt en niet langer dan twee jaar duurt, stelt de Raad een begrotingsdocument op dat de door de lidstaten gedane toezeggingen weerspiegelt ten aanzien van de verwezenlijking van het Civiel Hoofddoel 2008 en het Militair Hoofddoel 2010, op basis van de bestaande catalogi (de eisencatalogus, de strijdkrachtencatalogus en de voortgangscatalogus);
   b) in een tweede fase verbinden de lidstaten zich tot het EVDB door een virtuele "begroting" waarin zij op meerjarige basis kredieten toezeggen voor de financiering van het voor EVDB-operaties benodigde materieel en personeel. Dit document, dat weliswaar niet juridisch bindend is, kan niettemin een belangrijk politiek document worden naast de EU-begroting, dat aangeeft hoeveel de lidstaten bereid zijn uit te geven voor het EVDB. Het document zal de lastenverdeling over de lidstaten vergemakkelijken omdat het grotere doorzichtigheid van de militaire uitgaven zal garanderen, en zal elk jaar gezamenlijk worden behandeld door het Europees Parlement en de parlementen van de lidstaten;
   c) als onderdeel van het herziene financiële stelsel van de Unie dat voor 2008-2009 wordt overwogen, moeten definitieve besluiten worden genomen over een rationalisatie van de begroting voor het GBVB en het EVDB, waarin ook de nationale uitgaven op EU-niveau op het gebied van veiligheid en defensie worden opgenomen;

Europese markt voor defensiematerieel en coöperatief onderzoek

48.   benadrukt dat de Europese veiligheidsstrategie een sterke en onafhankelijke Europese defensie-industrie veronderstelt alsook autonome technologische onderzoek- en ontwikkelingscapaciteiten waarmee de essentiële veiligheidsbelangen van de EU en de lidstaten naar behoren kunnen worden beschermd; concludeert uit het openbare debat dat internemarktregels moeten worden vastgesteld voor defensiegerelateerde producten die zijn aangepast aan de specifieke kenmerken van deze sector ten einde het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie te bevorderen en een autonome industriële basis te ontwikkelen die de noodzakelijke defensiecapaciteiten biedt; onderstreept dat dergelijke regels de industriële samenwerking en de handel binnen de Gemeenschap moeten vergemakkelijken; herinnert eraan dat de afwijking zoals voorzien in artikel 296 van het EG-Verdrag geen gevolgen heeft voor de taak van de communautaire instellingen om wetgeving op te stellen inzake de ontwikkeling van de interne markt voor defensiegerelateerde uitrusting en diensten, mits deze wetgeving de essentiële veiligheidsbelangen van de lidstaten en de EU beschermt; dringt erop aan dat een hoog niveau van bescherming wordt bereikt;

49.   kijkt derhalve uit naar de interpretatieve mededeling van de Commissie over de toepassing van artikel 296 van het EG-Verdrag, haar voorstel voor een specifieke richtlijn inzake overheidsopdrachten op defensiegebied en het creëren van een bindend rechtsinstrument voor de vergemakkelijking van intracommunautaire overdrachten van defensiegerelateerde producten, dat een vereenvoudigd gemeenschappelijk systeem in de plaats stelt van de bestaande nationale exportlicenties; is van mening dat dit systeem de essentiële veiligheidsbelangen van de EU en de lidstaten dient te beschermen door het vaststellen van de beginselen van een Europees exportbeleid op basis van de gedragscode van de Europese Unie inzake wapenexport;

50.   wijst erop dat bepalingen zoals artikel XXIII van de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten de mogelijkheid erkennen van bescherming van essentiële veiligheidsbelangen die verband houden met overheidsopdrachten op defensiegebied; benadrukt dat de vast te stellen gemeenschappelijke regels ter waarborging van de bescherming van de belangen van de EU en de lidstaten de voorkeur dienen te geven aan defensiegerelateerde producten van Europese oorsprong boven producten uit derde landen, volledig uitvoering dienen te geven aan het wederkerigheidsbeginsel in de handelsbetrekkingen en het gebruik dienen te bevorderen van technologie die wordt beschermd door Europese industriële-eigendomsrechten;

51.   verwelkomt de gedragscode van het Europees Defensieagentschap en roept de lidstaten ertoe op deze te onderschrijven; dringt erop aan dat een einde wordt gemaakt aan het toepassen van compensaties en de "juste retour"; acht het noodzakelijk dat de werkzaamheden van het Europees Defensieagentschap in het kader van het EVDB worden geïntensiveerd;

52.   erkent het belang van coöperatief onderzoek voor het concurrentievermogen van de Europese industrie; vraagt dan ook grotere complementariteit tussen de werkzaamheden van de Commissie en die van het Europees Defensieagentschap, door een efficiëntere dialoog op het gebied van civiel, veiligheids- en defensiegerelateerd onderzoek in Europa; benadrukt dat de EU zich tot doel dient te stellen dual use-technologieën en multifunctionele capaciteiten beschikbaar te stellen en de scheiding tussen onderzoek voor civiele en voor defensiedoeleinden ongedaan moet maken; acht het noodzakelijk, gezien de verscheidenheid van de bedrijfsstructuren in deze sector in vergelijking met andere onderzoekssectoren, dat de definitie van kleine en middelgrote bedrijven op het gebied van het Europees veiligheidsonderzoek wordt aangepast;

53.   wenst dat de gedragscode van 1998 inzake wapenexport kracht van wet krijgt in alle lidstaten en doeltreffend wordt toegepast en uitgevoerd; is van oordeel dat het besluit over de vraag of het land van bestemming voldoet aan de criteria van de gedragscode op gemeenschappelijke basis dient te worden genomen;

MVW/Iran

54.   is zich ervan bewust dat het succes van de pogingen om Iran ervan af te houden verrijkt uranium te produceren dat kan worden gebruikt voor het vervaardigen van wapens, niet kan worden gegarandeerd; beschouwt het gezamenlijke onderhandelingsvoorstel van de EU-3, de Verenigde Staten, Rusland en China evenwel als de beste strategie; verwelkomt de multilaterale benadering die aan dit voorstel ten grondslag ligt; is verheugd over de rol die Europa daarbij heeft gespeeld; betreurt het dat de besprekingen van de Hoge Vertegenwoordiger en de Drie van de EU met Iran tot nog toe geen bevredigende resultaten hebben opgeleverd; stemt er daarom mee in dat de kwestie verder op het niveau van de VN-Veiligheidsraad wordt behandeld; onderstreept dat de besprekingen op elk moment weer hervat kunnen worden, mits er aanwijzingen van Iranese kant zijn dat zij succes kunnen hebben; zou het verwelkomen indien de Verenigde Staten bereid zouden zijn om aan deze onderhandelingen met Iran deel te nemen;

Op weg naar een Veiligheids- en Defensie-Unie

55.   wijst erop dat de EU zich ook aan het ontwikkelen is tot een Veiligheids- en Defensie-Unie die de externe veiligheid zowel als diverse interne aspecten van veiligheid, de bestrijding van het internationale terrorisme in al zijn vormen en het beheer van natuurrampen bestrijkt, en de volgende elementen bevat:

  a) de toezegging van de lidstaten dat zij in staat zijn :
   - binnen 60 dagen 60.000 soldaten in te zetten en gedurende een jaar te onderhouden voor operaties voor vredeshandhaving en vredesopbouw, zoals is besloten op de Europese Raad van Helsinki, en 13 op korte termijn inzetbare gevechtsgroepen op te richten, waarvan er vanaf 2007 twee permanent paraat zullen zijn;
   - capaciteiten te ontwikkelen voor civiel crisisbeheer op het gebied van politiële operaties, rechtsorde, civiele administratie en civiele bescherming, zoals is besloten op de Europese Raad van Santa Maria do Feira van 19-20 juni 2000;
   b) een Europese commandostructuur bestaande uit een Politiek en Veiligheidscomité, een Militair Comité, een Militaire Staf (al deze structuren zijn sinds 2001 operationeel) en een Civiel/Militaire Cel met een in oprichting zijnd Operatiecentrum;
   c) de Europese Gendarmerie die haar hoofdkwartier heeft in Vicenza, en die bij de toekomstige politiële missie in Kosovo zal worden ingezet;
   d) het door de Europese Raad voorgestelde Europees Defensieagentschap, dat sinds 2004 operationeel is;
   e) Europol en het Europees aanhoudingsbevel;
   f) gemeenschappelijke regels voor wapenaankoop en -export;
   g) Europees veiligheidsonderzoek als aparte thematische prioriteit in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek;

56.   is van oordeel dat dit proces dient te worden versterkt door de volgende elementen:

   a) de totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt op het gebied van defensie als een middel om een werkelijk geïntegreerde Europese defensietechnologie te creëren, conform de beginselen van onderlinge afhankelijkheid en specialisatie tussen de EU-lidstaten;
   b) een gemeenschappelijk satelliet- en luchtverkenningssysteem en gemeenschappelijke telecommunicatiestandaarden, ter beschikking van de militaire, politiële en rampenbeheerdiensten;
   c) het opzetten van een permanente Europese zeemacht, met inbegrip van een kustwacht, die actief is in de Middellandse Zee, teneinde de Europese aanwezigheid duidelijk te maken en het crisisbeheerpotentieel van de EU in deze regio, die voor haar veiligheid van het grootste belang is, te versterken;
   d) een Europese begroting die niet alleen de civiele maar ook de militaire veiligheidsaspecten dekt;
   e) een Europees onderminister belast met het veiligheids- en defensiebeleid;;
   f) een groter aantal bijeenkomsten van de EU-ministers van Defensie;
   g) een Europese civielebeschermingsmacht, zoals voorgesteld in het hogervermelde verslag van Michel Barnier van mei 2006, alsmede een Europees Korps voor civiele vrede en het Partnerschap voor vredesopbouw;
   h) een steeds inzetbare Europese lucht- en zeevervoerscapaciteit voor rampenhulp en reddings- en defensieoperaties (multimodaal vervoer, waarbij de adequaatste middelen dienen te worden gecombineerd);
   i) adequate parlementaire controle door de parlementen van de lidstaten en het Europees Parlement;

57.   onderstreept het belang van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, dat aanzienlijke vooruitgang mogelijk zal maken op weg naar de totstandbrenging van een Veiligheids- en Defensie-Unie, met name via :

   a) de benoeming van een Europees minister van Buitenlandse Zaken, die tezelfdertijd vice-voorzitter van de Commissie is;
   b) de solidariteitsclausule voor het geval een lidstaat wordt getroffen door een terroristische aanslag, een natuurramp of een door menselijk handelen veroorzaakte ramp;
   c) een clausule van wederzijdse bijstand tussen lidstaten in geval van gewapende aanval op het grondgebied van een lidstaat;

o
o   o

58.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de secretarissen-generaal van de Verenigde Naties, de NAVO, de OVSE en de Raad van Europa.

(1) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 580.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0037.


Erfopvolging en testamenten
PDF 138kWORD 59k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement met aanbevelingen aan de Commissie betreffende erfopvolging en testamenten (2005/2148(INI))
P6_TA(2006)0496A6-0359/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien het op 1 maart 2005 door de Commissie ingediende Groenboek erfopvolging en testamenten (COM(2005)0065) met bijlage (SEC(2005)0270),

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 oktober 2005(1),

–   gelet op artikel 192, tweede alinea van het EG-Verdrag,

–   gelet op de artikelen 39 en 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0359/2006),

A.   overwegende dat uit een in opdracht van de Commissie door het Deutsches Notarinstitut in 2002 uitgevoerde studie blijkt dat op het grondgebied van de Europese Unie per jaar 50 000 à 100 000 erfopvolgingen met internationale aspecten openvallen,

B.   overwegende dat dit cijfer door de recente toetreding van tien nieuwe lidstaten tot de Europese Unie en de komende uitbreidingen ongetwijfeld zal toenemen,

C.   overwegende dat er momenteel grote verschillen bestaan tussen de stelsels van internationaal privaatrecht en het materieel recht van de lidstaten inzake erfopvolging en testamenten,

D.   overwegende dat deze verschillen voor de rechthebbenden kunnen betekenen dat zij bepaalde moeilijkheden ondervinden bij en kosten moeten maken voor het in het bezit komen van hun erfenis en dat deze verschillen hindernissen kunnen opwerpen bij de uitoefening van het in artikel 39 en 43 van het EG-Verdrag vermelde recht op vrij verkeer en op vrijheid van vestiging, alsmede bij de uitoefening van het recht op eigendom als algemeen beginsel van het communautaire recht(2),

E.   overwegende dat het aangewezen is een instrument van communautair recht uit te werken dat betrekking heeft op het internationaal privaatrecht inzake erfopvolging en testamenten, zoals reeds is aangegeven in het Actieplan van Wenen van 1998(3), het in 2000 door de Raad en de Commissie aangenomen Programma van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(4), het Haags programma van 4 november 2004 voor de versterking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie en het Actieplan van de Raad en de Commissie ter uitvoering van het Haags programma voor de versterking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie(5),

F.   overwegende dat het nemen van wetgevende initiatieven inzake erfopvolging en testamenten strookt met de doelstellingen van het communautair recht dat discriminatie op basis van nationaliteit verbiedt en streeft naar de sociale integratie van alle personen waarvan hoofdverblijfplaats en belangen zich in een van de lidstaten bevinden, ongeacht hun nationaliteit,

G.   overwegende dat de harmonisatie van het materieel recht inzake erfopvolging en testamenten in de lidstaten weliswaar niet tot de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap behoort, maar de goedkeuring van maatregelen ter "bevordering van de verenigbaarheid van in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen" krachtens artikel 65, onder b) van het EG-Verdrag wel,

H.   overwegende dat een communautair besluit inzake erfopvolging en testamenten in overeenstemming met artikel 67, lid 5, tweede streepje van het EG-Verdrag moet worden goedgekeurd volgens de procedure in artikel 251 van het Verdrag,

I.   overwegende dat inzake erfopvolging en testamenten geen afbreuk mag worden gedaan aan de naleving van bepaalde fundamentele beginselen van de openbare orde, die beperkingen inhouden voor de testamentaire vrijheid ten gunste van de gezinsleden van de erflater of andere rechthebbenden,

1.   verzoekt de Commissie om in de loop van 2007 het Parlement een wetgevingsvoorstel voor te leggen op basis van artikel 65, onder b) en artikel 67, lid 5, tweede streepje van het EG-Verdrag inzake erfopvolging en testamenten, dat in het kader van een interinstitutioneel debat en overeenkomstig de uiteengezette gedetailleerde aanbevelingen in de bijlage moet worden uitgewerkt;

2.   verzoekt de Commissie in het kader van de lopende beraadslagingen over het financieringsprogramma voor het civiel recht voor de periode 2007-2013 een oproep te publiceren tot het indienen van voorstellen voor een informatiecampagne betreffende grensoverschrijdende erfopvolging en testamenten, bestemd voor in deze branche gespecialiseerde beoefenaars van juridische beroepen;

3.   verzoekt de Commissie de totstandbrenging van een netwerk van in civiel recht gespecialiseerde beoefenaars van juridische beroepen op de lijst van prioriteiten van het financieringsprogramma voor het civiel recht voor de periode 2007-2013 te plaatsen, met als doel het onderlinge vertrouwen en begrip onder de in deze branche gespecialiseerde beoefenaars van juridische beroepen te bevorderen en de onderlinge informatie en de verspreiding van beste praktijken in de hand te werken;

4.   stelt vast dat de aanbevelingen in de bijlage het subsidiariteitsbeginsel en de grondrechten van de burgers eerbiedigen;

5.   wijst erop dat het verlangde voorstel geen financiële gevolgen voor de communautaire begroting heeft;

6.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de in bijlage gaande uitvoerige aanbevelingen te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

BIJLAGE

UITVOERIGE AANBEVELINGEN VOOR DE INHOUD VAN HET VOORSTEL

Aanbeveling 1 (inzake de minimumnormen voor de vorm en inhoud van het goed te keuren instrument)

Het Europees Parlement is van mening dat het goed te keuren wetgevingsbesluit alle regels moet bevatten inzake erfopvolging in het internationaal privaatrecht en tegelijkertijd moet voorzien in:

   de harmonisatie van de normen betreffende de rechterlijke bevoegdheid, het toepasselijk recht (de "regels inzake jurisdictiegeschillen'of "collisieregels"), de erkenning en uitvoering van buitenlandse beslissingen en openbare akten, met uitzondering van het materieel en formeel recht van de lidstaten;
   de invoering van een "Europese verklaring van erfrecht".

Aanbeveling 2 (inzake bevoegheidscriterium en objectief aanknopingspunt)

Het Europees Parlement is van mening dat het goed te keuren wetgevingsbesluit ervoor moet zorgen dat "forum" (rechtbank) en "ius" (recht) samenvallen waardoor het minder moeilijk wordt het buitenlands recht toe te passen.

Om die reden is het Europees Parlement geneigd de voorkeur te geven aan de gewone verblijfplaats als bevoegdheidscriterium en aanknopingspunt, waarbij met gewone verblijfplaats wordt bedoeld:

   a) de gewone verblijfplaats van de decujus op het tijdstip van zijn overlijden, mits het gedurende ten minste twee jaar voor zijn dood zijn gewone verblijfplaats was, zo neen,
   b) de plaats waar de decujus zijn belangencentrum had op het tijdstip van zijn overlijden.

Aanbeveling 3 (inzake de te erkennen ruimte voor de autonome uitoefening van de individuele wil)

Het Europees Parlement is van mening dat het goed te keuren wetgevingsbesluit ruimte moet laten voor de autonome uitoefening van de individuele wil door:

   de partijen in kwestie de kans te geven om onder bepaalde voorwaarden de bevoegde rechter te kiezen volgens het bepaalde in de artikelen 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(6),
   de erflater de mogelijkheid geeft om aangaande de wet die op de erfopvolging van toepassing is, te kiezen tussen zijn eigen nationale wet en de wet van het land waar hij op het moment van de keuze zijn gewone verblijfplaats heeft; deze keuze moet worden meegedeeld in een verklaring in de vorm van een testamentaire beschikking.

Aanbeveling 4 (inzake het op de vorm van het testament toepasselijk recht)

Het Europees Parlement is van mening dat het goed te keuren wetgevingsbesluit moet voorzien in een passende regeling betreffende het recht dat van toepassing is op testamentaire beschikkingen die, wat de vorm betreft, als rechtsgeldig moeten worden beschouwd indien zij ook als dusdanig worden erkend door de wetgeving van de staat waar de erflater zijn testamentaire beschikking heeft verricht of door de wetgeving van de staat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had op het moment van zijn testamentaire beschikking of van zijn overlijden of door de wetgeving van een van de staten waarvan de erflater de nationaliteit bezat op het moment van zijn testamentaire beschikking of van zijn overlijden;

Aanbeveling 5 (inzake het op de erfovereenkomsten toepasselijk recht)

Het Europees Parlement is van mening dat het goed te keuren wetgevingsbesluit moet voorzien in een passende regeling betreffende het recht dat van toepassing is op de erfovereenkomsten, die moeten worden geregeld:

   a) wanneer zij betrekking hebben op de erfopvolging van een enkele persoon, door de wetgeving van de staat waar deze persoon zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment van de sluiting van de erfovereenkomst;
   b) wanneer zij betrekking hebben op de erfopvolging van meer dan een persoon, door elk van de wetgevingen van de staten waar elk van deze personen zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment van de sluiting van de erfovereenkomst.

Ook wat erfovereenkomsten betreft, zal in het goed te keuren wetgevingsbesluit voldoende ruimte moeten worden gelaten voor de vrije wilsuiting, door de partijen de mogelijkheid te bieden om door middel van een uitdrukkelijke verklaring overeen te komen de erfovereenkomst te onderwerpen ofwel aan de wetgeving van de staat waar de persoon of een van de personen waarop de erfopvolging betrekking heeft zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment van de sluiting van de erfovereenkomst ofwel van de staat waarvan hij op hetzelfde moment de nationaliteit bezit;

Aanbeveling 6 (inzake algemene vraagstukken betreffende het toepasselijk recht)

Het Europees Parlement is van mening dat het goed te keuren wetgevingsbesluit ook moet voorzien in een regeling van de algemene vraagstukken betreffende het toepasselijk recht.

Het Europees Parlement is meer bepaald van mening dat:

   de wet die in het goed te keuren wetgevingsbesluit wordt aangewezen, ongeacht de aard en de plaats van de goederen, de gehele erfopvolging moet regelen, vanaf de opening van de procedure tot de overhandiging van de erfenis aan de rechthebbenden;
   het goed te keuren wetgevingsbesluit een werking erga omnes moet hebben, m.a.w. ook moet gelden wanneer de wetgeving die in het besluit is aangewezen die van een derde land is;
   om het communautaire stelsel van collisieregels inzake successie te coördineren met dat van derde landen, het goed te keuren wetgevingsbesluit moet voorzien in een passende regeling inzake "renvoi" (herverwijzing of doorverwijzing), door te bepalen dat wanneer de op successie toepasselijke wet die is van een derde land en de collisieregels van dat land de wet aanwijzen van een lidstaat of die van een ander derde land dat overeenkomstig het stelsel van het internationaal privaatrecht zijn eigen wetgeving zou toepassen op het geval in kwestie, de wet van die andere lidstaat, respectievelijk de wet van het andere derde land van toepassing is;
   in het goed te keuren wetgevingsbesluit moet worden vastgelegd op welke wijze en met welke middelen de instanties die een buitenlandse wet moeten toepassen de inhoud van die wet moeten vaststellen en welke beroepsmogelijkheden er zijn als wordt verzuimd de inhoud vast te stellen;
   in het goed te keuren wetgevingsbesluit moet worden bepaald dat de regeling van een prejudiciële kwestie wordt onderworpen aan de wet waarnaar wordt verwezen in de relevante collisieregels van de voor erfopvolging toepasselijke wet, met dien verstande dat de oplossing slechts rechtsgeldig zal zijn ten aanzien van de procedure waarin de prejudiciële kwestie is gerezen;
   in het goed te keuren wetgevingsbesluit moet worden bepaald dat de toepassing van een bepaling van de toepasselijke wet kan worden uitgesloten wanneer dit manifest in strijd zou zijn met de openbare orde van het rechtsgebied;
   in het goed te keuren wetgevingsbesluit moet worden bepaald dat wanneer er in een land twee of meer rechtsstelsels of regelgevingen inzake erfopvolging en testamenten bestaan die van toepassing zijn in verschillende rechtsgebieden, elk rechtsgebied moet worden beschouwd als een land bij de bepaling welk recht van toepassing is op de erfopvolging. Voorts moet in het goed te keuren wetgevingsbesluit met betrekking tot dat land worden bepaald dat:
   a) elke verwijzing naar de gewone verblijfplaats in dat land moet worden opgevat als een verwijzing naar de gewone verblijfplaats in een territoriale eenheid;
   b) elke verwijzing naar nationaliteit moet worden opgevat als een verwijzing naar de in de wetgeving van dat land vastgelegde territoriale eenheid. Bij ontstentenis van zulke bepalingen wordt de verwijzing opgevat als een verwijzing naar het rechtsstelsel waarmee de persoon in kwestie de nauwste band had.

Aanbeveling 7 (inzake de Europese verklaring van erfrecht)

Het Europees Parlement is van mening dat het goed te keuren wetgevingsbesluit tot doel moet hebben de vereenvoudiging van de procedures die de erfgenamen en de legatarissen moeten volgen om in het bezit van de goederen uit de nalatenschap te komen, met name door:

   de invoering van regels van internationaal privaatrecht die de rechtsstelsels wat beheer, vereffening en overdracht van de erfenissen en de identificatie van de erfgenamen betreft op doeltreffende wijze moeten coördineren, waarbij wordt bepaald dat deze aspecten van de erfopvolging, ongeacht uitzonderingen op grond van de aard of de plaats van bepaalde goederen, worden geregeld door de op erfopvolging van toepassing zijnde wet; dat wanneer deze wet voorziet in het optreden van een daarin vastgestelde of een dienovereenkomstig aangewezen instantie, de bevoegdheden van deze instantie in alle lidstaten wordt erkend; dat wanneer de op erfopvolging van toepassing zijnde wet die van een lidstaat is, de bevoegdheden van deze instantie zich uitstrekken, tenzij door de erflater anders bepaald, over alle goederen uit de nalatenschap, ongeacht de plaats waar zij zich bevinden, ook wanneer deze bevoegdheden overeenkomstig de op erfopvolging van toepassing zijnde wet beperkt zijn tot de roerende goederen; dat de maatregelen inzake het optreden van de instanties die worden genoemd in de op erfopvolging van toepassing zijnde wet kunnen worden gevraagd aan de rechters van de lidstaat waarvan het recht van toepassing is op de erfopvolging of op het grondgebied waarop de overledene zijn gewone verblijfplaats had op het moment van overlijden, dan wel op het grondgebied waarvan de goederen uit de nalatenschap zich bevinden;
   de invoering van een "Europese verklaring van erfrecht" waarin bindend is vermeld welk recht van toepassing is, wie de begunstigden van de erfenis zijn, welke personen met het beheer ervan belast zijn en wat hun bevoegdheden zijn, alsook welke goederen tot de nalatenschap behoren, af te geven door een autoriteit die overeenkomstig de desbetreffende nationale wetgeving bevoegd is tot de uitgifte of authentificatie van officiële documenten.

Deze verklaring, waarin moet worden aangegeven welke wet op de erfopvolging van toepassing is, moet redactioneel beantwoorden aan een standaardmodel dat in het goed te keuren wetgevingsbesluit wordt omschreven en geldt als een geschikte titel voor de overschrijving van de via erfenis verwerven goederen in de openbare registers van de lidstaat op het grondgebied waarvan de goederen zich bevinden, vanzelfsprekend met inachtneming van de wetgeving van deze lidstaat met betrekking tot het functioneren van deze registers en de gevolgen van de daarin opgeslagen informatie.

Bovendien moet het goed te keuren wetgevingsbesluit bescherming bieden aan derden die te goeder trouw een overeenkomst onder bezwarende titel hebben gesloten met de persoon die op basis van de verklaring kan beschikken over de goederen uit de nalatenschap, met als doel de verwerving daarvan veilig te stellen, behalve indien deze persoon ervan op de hoogte is dat de gegevens in de verklaring onjuist zijn of dat de bevoegde instantie de verklaring heeft ingetrokken of gewijzigd;

Aanbeveling 8 (inzake de "lex rei sitae" en de "wettelijke erfdelen")

Het Europees Parlement is van mening dat het goed te keuren wetgevingsbesluit:

   de op erfopvolging van toepassing zijnde wet in overeenstemming moet brengen met het recht van de plaats waar de goederen uit de nalatenschap zich bevinden, zodat dit recht met name van toepassing wordt op de procedures om de goederen uit de nalatenschap of enige concrete aanspraken daarop te verwerven, de erfenis te aanvaarden of te weigeren, alsmede op de desbetreffende formaliteiten inzake openbaarmaking;
   moet voorkomen dat de op erfopvolging van toepassing zijnde wet de toepassing belemmert van wetsbepalingen van het land waar zich bepaalde onroerende goederen, ondernemingen of andere speciale categorieën activa bevinden en volgens de wetgeving waarvan dergelijke bezittingen op grond van economische, familiaire of sociale redenen onder een speciaal erfrecht vallen;
   moet voorkomen dat de mogelijkheid om te kiezen welke wet toepasselijk is wordt aangegrepen om de grondbeginselen van toekenning van het wettelijk erfdeel aan de nauwste verwanten, die zijn verankerd in de wet die objectief van toepassing is op de erfopvolging, met voeten te treden;

Aanbeveling 9 (inzake trusts)

Het Europees Parlement wijst erop dat overeenkomstig artikel 295 van het Verdrag de regeling van het eigendomsrecht tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort en verlangt bijgevolg dat het goed te keuren wetgevingsbesluit niet van toepassing is op met het oog op de erfopvolging opgerichte trusts. In het besluit moet echter wel worden bepaald dat wanneer een trust wordt opgericht bij beschikking wegens overlijden, het feit dat de erfopvolging wordt geregeld door de in het besluit aangewezen wet niet verhindert dat een andere wet van toepassing is op de trust en dat omgekeerd de toepassing op de trust van de desbetreffende wet niet verhindert dat de erfopvolging wordt geregeld door de wet die er volgens het goed te keuren wetgevingsbesluit op van toepassing is.

Aanbeveling 10 (inzake de "exequatur")

Het Europees Parlement stelt de Commissie voor om met het oog op de erkenning en de uitvoering van beslissingen in het goed te keuren wetgevingsbesluit het stelsel over te nemen dat bij Verordening (EG) nr. 44/2001 is ingevoerd en dat de exequatur alleen vereist ingeval het vonnis van de rechtbank van een lidstaat de basis vormt van een executoriale procedure in een andere lidstaat.

Wanneer een beslissing in de openbare registers moet worden opgenomen, moet er gezien de onderling sterk verschillende regels van de lidstaten voor worden gezorgd dat de beslissing vergezeld gaat van een "certificaat van overeenstemming" met de openbare orde en het bindend recht van de aangezochte lidstaat, af te geven in een standaardmodel door een lokale gerechtelijke instantie;

Aanbeveling 11 (inzake de openbare akten)

Het Europees Parlement is van mening dat openbare akten inzake erfopvolging zo dienen te worden gereglementeerd dat zij dezelfde gevolgen hebben en dat zij in alle lidstaten moeten worden erkend als bewijs voor de feiten en verklaringen die volgens de bevoegde instantie die ze heeft opgesteld in haar bijzijn zijn opgemaakt, voorzover daarin is voorzien in de wetgeving van de lidstaat van oorsprong.

Krachtens artikel 57 van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad moet de openbare akte beantwoorden aan alle in de lidstaat van oorsprong geldende authenticiteitsvereisten en zal zij niet worden erkend indien de erkenning ervan een effect zou genereren dat manifest indruist tegen de openbare orde van de aangezochte lidstaat.

Bovendien moet worden bepaald dat wanneer een akte in de openbare registers moet worden opgenomen, analoog aan wat is gezegd met betrekking tot rechterlijke beslissingen, de akte vergezeld gaat van een "certificaat van overeenstemming" met de openbare orde en het bindend recht van de aangezochte lidstaat, af te geven in een standaardmodel door de gerechtelijke instantie die normaal de akte zou hebben opgesteld in deze laatste lidstaat;

Aanbeveling 12 (inzake het Europees netwerk van testamentenregisters)

Tot slot hoopt het Europees Parlement dat de creatie van een Europees netwerk van testamentenregisters door de koppeling van de nationale registers het opzoeken en het vaststellen van de laatste wensen van de overledene zal vergemakkelijken.

(1) PB C 28 van 3.2.2006, blz. 1.
(2) Zaak C-368/96, Generics (Verenigd Koninkrijk) en anderen, Jur. 1998, blz. I-7967, punt 79 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie.
(3) PB C 19 van 23.1.1999, blz. 1.
(4) PB C 12 van 15.1.2001, blz. 1.
(5) PB C 198 van 12.8.2005, blz. 1.
(6) PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.


Vrouwen in de internationale politiek
PDF 152kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement over vrouwen in de internationale politiek (2006/2057(INI))
P6_TA(2006)0497A6-0362/2006

Het Europees Parlement,

–   gelet op de beginselen zoals vastgelegd in de artikelen 2, 3, lid 2, 13, 137, lid 1 sub i), en 141 van het EG-Verdrag,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals afgekondigd in 2000(1), inzonderheid artikel 23, waarin staat dat "de gelijkheid van mannen en vrouwen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning. Het beginsel van gelijkheid belet niet dat maatregelen gehandhaafd of genomen worden waarbij specifieke voordelen worden ingesteld ten voordele van het ondervertegenwoordigde geslacht",

–   gelet op het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950,

–   gezien de aanbevelingen van de Raad van Europa en in het bijzonder zijn resolutie en actieplan zoals aangenomen tijdens de op 8 en 9 juni 2006 in Stockholm gehouden 6de Ministeriële Conferentie over gelijkheid tussen vrouwen en mannen, inzonderheid Deel I, punt F, van de bijlage, met betrekking tot de evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan het besluitvormingsproces;

–   gezien de ministeriële Verklaring van Athene van 1992 tijdens de Europese Conferentie over "Vrouwen aan de macht", waarin wordt gesteld dat "vrouwen de helft van het potentiële talent en de potentiële vaardigheden van de mensheid vertegenwoordigen en dat hun ondervertegenwoordiging in het besluitvormingsproces een verlies is voor de gehele samenleving",

–   gezien de ministeriële Verklaring van Parijs van 1999 tijdens de Europese Conferentie over "Vrouwen en mannen aan de macht: een zorgzame samenleving, een dynamische economie, een visie voor Europa",

–   gezien de op 21 november 2003 in Rome aangenomen slotverklaring van de jaarlijkse conferentie van het Netwerk van parlementaire commissies voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen in de Europese Unie (NCEO),

–   gezien de Lissabon-strategie voor groei en werkgelegenheid van maart 2000, in het bijzonder de nadruk die daarin wordt gelegd op de positieve gevolgen die een economisch beleid met aandacht voor genderaspecten zal hebben voor de algehele strategie voor groei en concurrentievermogen van de EU,

–   onder verwijzing naar de resolutie van de Raad van 27 maart 1995(2) en Aanbeveling 96/694/EG van de Raad van 2 december 1996(3) betreffende de evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan het besluitvormingsproces,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 18 januari 2001(4) over het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de bovenvermelde Aanbeveling 96/694/EG van de Raad en van 2 maart 2000 over vrouwen en besluitvorming(5),

–   gezien de ministeriële verklaring van de Conferentie van ministers voor gendergelijkheid, die op 4 februari 2005 werd gehouden in Luxemburg,

–   gezien de routekaart van de Commissie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010 (COM(2006)0092) en in het bijzonder het daarin vervatte voorstel voor ondersteuning van een netwerk van vrouwen in besluitvormingsposities,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties (VN) van 1948,

–   gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van de Verenigde Naties (CEDAW) van 1979, waarin onder meer wordt verklaard dat de partijen bij dit verdrag alle passende maatregelen zullen nemen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven in hun land uit te bannen,

–   gezien het in 1999 aangenomen Facultatief Protocol bij het CEDAW, waarin wordt verklaard dat personen of groepen van personen die stellen slachtoffer te zijn van een schending van in het Verdrag genoemde rechten, daarover mededelingen kunnen doen onder de rechtsmacht van een staat die partij is,

–   gezien het Verdrag inzake de politieke rechten van de vrouw van 1952, met name artikel 25, waarin is vastgelegd dat vrouwen op gelijke voorwaarden moeten worden behandeld als mannen en, zonder enige vorm van discriminatie, gerechtigd zijn om in alle verkiezingen te stemmen en gekozen te worden voor alle openbaar gekozen organen krachtens de nationale wetgeving en alle openbare mandaten en functies mogen bekleden waarin de nationale wetgeving voorziet,

–   gezien het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, in het bijzonder artikel 25, waarin is vastgelegd dat eenieder het recht heeft deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegenheden, hetzij rechtstreeks of door middel van vrijelijk gekozen vertegenwoordigers en te stemmen en gekozen te worden door middel van betrouwbare periodieke verkiezingen,

–   onder verwijzing naar de in september 1995 in Peking gehouden Vierde Wereldconferentie voor vrouwen, naar de in Peking aangenomen Verklaring en het Actieplatform, en naar de slotdocumenten die werden aangenomen tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking +5 en Peking +10 over verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de Verklaring van Peking en het Actieplatform op respectievelijk 9 juni 2000 en 11 maart 2005,

–   gezien de millenniumdoelstellingen (MDG's), in het bijzonder MDG 3 over bevordering van gendergelijkheid en het vergroten van de zeggenschap van vrouwen als eerste vereiste voor het overwinnen van honger, armoede en ziekte, het bereiken van gelijkheid op alle onderwijsniveaus en alle arbeidsterreinen, gelijke zeggenschap over hulpbronnen en gelijke vertegenwoordiging in het openbare en publieke leven,

–   gezien de op 31 oktober 2000 aangenomen resolutie nr. 1325 van de Veiligheidsraad van de VN ("UNSCR 1325 (2000)"), in het bijzonder artikel 1, waarin de lidstaten ertoe worden opgeroepen een ruimere vertegenwoordiging van vrouwen te verzekeren, op alle besluitvormingsniveaus, in nationale, regionale en internationale instellingen alsmede mechanismen voor het voorkomen, beheersen en beslechten van conflicten en mede gezien de verklaring van het voorzitterschap ter gelegenheid van de vijfde verjaardag van de UNSCR 1325 (2000) in oktober 2005,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 30 november 2000 over de rol van vrouwen in de vreedzame conflictregeling(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 juni 2006 over de situatie van de vrouw in gewapende conflicten en haar rol in de wederopbouw en het democratische proces in landen die zich in een postconflictsituatie bevinden(7),

–   gezien de Conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 23 en 24 mei 2005 ten aanzien van het Europees veiligheids- en defensiebeleid, en gezien de ontwerprichtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van UNSCR 1325 (2000) van de Veiligheidsraad van de VN in de context van het EVDB, zoals goedgekeurd door de Europese Raad van 16 december 2005,

–   gezien het besluit van de Noorse Regering om bij wet een quotum van 40% in te stellen wat betreft de vertegenwoordiging van vrouwen in de raden van bestuur van kapitaalvennootschappen;

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0362/2006),

A.  A, gezien de mijlpaal die de Conferentie van Peking in 1995 bereikte door gendergelijkheid, onder andere met betrekking tot de vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek, hoger op de agenda te plaatsen,

B.   overwegende dat een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan het politieke proces en de besluitvorming een nauwkeuriger weergave zal vormen van de samenstelling van de samenleving en essentieel is voor toekomstige generaties en het goed functioneren van democratische samenlevingen,

C.   overwegende dat goed bestuur mede inhoudt dat fundamentele vrijheden worden gerespecteerd en de rechten van vrouwen als fundamentele basisrechten worden beschouwd,

D.   overwegende dat de situatie van vrouwen in de internationale politiek in de eerste plaats afhangt van de situatie van vrouwen nationaal gezien en van de strategieën die op nationaal niveau worden toegepast voor verbetering van de positie van vrouwen,

E.   gezien de belangrijke rol die de secretaris-generaal van de Verenigde Naties speelt door met het personeelsbeleid van de VN een voorbeeld te stellen voor meer genderevenwicht op het politieke toneel wereldwijd,

F.   overwegende dat van de huidige 191 lidstaten van de VN er slechts 47 ondertekenaars en 115 partij zijn van het Verdrag van de politieke rechten van vrouwen van 20 december 1952 en overwegende dat, als gevolg daarvan, in een aantal landen vrouwen niet volledig hun politieke rechten kunnen uitoefenen en uitgesloten worden van deelname aan verkiezingen of van het bekleden van een openbaar ambt,

G.   overwegende dat er, volgens de Interparlementaire Unie, van de 43 961 parlementsleden wereldwijd (lager- en hogerhuis samen) slechts 16,4% vrouw is (namelijk 7195); overwegende dat de Scandinavische landen de meeste vrouwelijke parlementsleden tellen (40%), gevolgd door de beide Amerika's (19,6%) en Europa (OVSE-landen, uitgezonderd de Scandinavische landen) met een gemiddelde van 16,9%, iets boven dat van Afrika beneden de Sahara (16,4%), Azië (16,3%), het Pacifische gebied (12%) en de Arabische landen (8,3%),

H.   overwegende dat deze percentages wijzen op een fundamenteel democratisch in gebreke blijven zowel op Europees niveau als in een wijdere internationale context,

I.   overwegende dat, ondanks de de jure gelijkheid in de meeste Europese landen en wereldwijd, er de facto ongelijkheid blijft bestaan tussen vrouwen en mannen wat betreft de verdeling van macht, verantwoordelijkheden en toegang tot economische, sociale en culturele middelen, vanwege het voortbestaan van prevalerende genderrollen, wat een ongelijke verdeling van gezinsverantwoordelijkheden met zich meebrengt, en voor de meeste vrouwen het combineren van werk en gezin bemoeilijkt,

J.   overwegende dat ondanks de communautaire en nationale wetgeving die gedurende de afgelopen 30 jaar tot stand is gekomen, vrouwen in de EU nog altijd gemiddeld 15% minder betaald krijgen dan mannen voor gelijkwaardige arbeid,

K.   overwegende dat tegenwoordig meer vrouwen dan mannen in het bezit zijn van een universitaire graad,

L.   overwegende dat een eis tot invoering van kieslijsten met een genderevenwicht niet effectief is als vrouwen allemaal onder aan de lijst worden geplaatst en overwegende dat een volledige om-en-om-lijst mogelijk niet het gewenste resultaat oplevert als het land een kiessysteem met een "open lijst" hanteert, waarbij kiezers de volgorde van de kandidaten op de lijst kunnen veranderen,

M.   gezien de cruciale rol die politieke partijen spelen inzake het verhinderen of het bevorderen van een grotere vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek door verschillende middelen die hen ten dienste staan; vaststellend dat, terwijl steeds meer politieke partijen beweren dat er genderevenwicht is wat betreft hun gewone leden, dit zelden terug te vinden is in de hogere kaders van politieke partijen, en slechts 11% van de partijleiders wereldwijd vrouw is,

N.   met grote interesse vaststellend dat er een hele reeks andere instrumenten beschikbaar zijn die kunnen zorgen voor een grotere deelname van vrouwen aan de politiek, zoals positieve-discriminatiemaatregelen die beogen de aanwezigheid en activiteiten van vrouwen in parlementen en op andere gekozen posten veilig te stellen,

O.   benadrukkend dat in landen waar conflicten hebben plaatsgevonden en waar het kiessysteem is ontworpen en de verkiezingen zijn georganiseerd door de VN, de kans groter is dat er meer vrouwen een gekozen ambt bekleden vanwege een door de VN opgelegde evenwichtiger gendervertegenwoordiging;

P.   overwegende het belang van het veranderen van de culturele acceptatie van evenwichtige besluitvorming door bewustwordingscampagnes en overwegende dat het bereiken van een genderevenwicht in de politiek vaak veranderingen vereist in de algemeen heersende opvattingen,

Q.   in het besef dat het delen van gezinsverantwoordelijkheden tussen vrouwen en mannen van invloed is op de volledige deelname van vrouwen aan de politiek,

R.   erkennend dat niet-gouvernementele en vrijwilligersorganisaties een sleutelrol spelen in de pogingen de maatschappij als geheel zo te beïnvloeden dat zij een rechtvaardiger genderevenwicht in de politiek accepteert,

S.   overwegende dat vrouwen een positieve bijdrage kunnen leveren en hebben geleverd aan de totstandkoming van een cultuuromslag ten aanzien van genderkwesties en ten aanzien van algemene essentiële maatschappelijke en politieke kwesties door hun betrokkenheid aan de basis,

T.   overwegende het belang van onderwijs en opleiding vanaf jonge leeftijd om ervoor te zorgen dat vrouwen de kennis, vaardigheden en het zelfvertrouwen ontwikkelen die nodig zijn om volledig deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk en politieke leven,

U.   overwegende dat vrouwen een bijdrage leveren door aandacht te vragen voor de specifieke behoeften van vrouwen, zodat een genderperspectief wordt geïntegreerd in toekomstig beleid, dat daardoor de democratie als geheel beter dient,

V.   benadrukkend dat het essentieel is dat vrouwen van hun gelijken erkenning krijgen voor hun positieve bijdrage aan de internationale politiek om te kunnen komen tot een politieke cultuur met meer genderevenwicht en vaststellend dat slechts 12 van de 92 Nobelprijswinnaars vrouwen zijn geweest,

1.   herinnert eraan dat reeds op Europees niveau is erkend - in zijn bovenvermelde resolutie van 2 maart 2000 - dat een evenwichtige deelname van de beide seksen aan de besluitvorming een onmisbare voorwaarde voor democratie is;

2.   stelt vast dat bij recente verkiezingen in een aantal lidstaten en derde landen vrouwen zijn doorgedrongen tot de hoogste functies als staatshoofd en regeringsleider;

3.   feliciteert de regeringsleiders die objectieve en niet-discriminerende criteria hebben toegepast bij de selectie van leden van hun kabinet;

4.   betreurt ten diepste dat ongelijkheid, genderdiscriminatie en ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politiek in Europa en over de gehele wereld nog steeds voortduren, ondanks een groot aantal politieke verklaringen en aanbevelingen, wereldwijd gesteunde actieprogramma's en specifieke wetgeving op nationaal niveau; stelt in het bijzonder vast dat het percentage vrouwen in het Europees Parlement ligt tussen de 58 en 0 procent, afhankelijk van de lidstaat (met een gemiddelde van iets meer dan 30 procent), en dat het percentage vrouwen in de nationale parlementen van de lidstaten varieert van 45 tot 9 procent;

5.   brengt het feit onder de aandacht dat de lage deelname van vrouwen aan de centra van besluitvorming en bestuur vaak te maken heeft met de moeilijkheid om privé-leven en werk met elkaar te combineren, met de ongelijke verdeling van gezinsverantwoordelijkheden en met discriminatie op het werk en in de beroepsopleiding;

6.   onderstreept de noodzaak verder te kijken dan de cijfers en de blik te richten op de wijze waarop politiek actieve vrouwen de vormgeving van het bestuur en conflictoplossing beïnvloeden, op welke wijze zij ertoe bijdragen dat hervorming van bestuur, verantwoording en de rechtsstaat op nationaal en internationaal niveau hoog op de politieke agenda worden geplaatst;

7.   onderstreept dat de geringe aanwezigheid van vrouwen in de politiek Europa berooft van een kostbaar menselijk potentieel;

8.   steunt het werk dat wordt verricht door de Interparlementaire Unie ten behoeve van een beter genderevenwicht op het politieke toneel;

9.   is ingenomen met de opneming van de kwestie van gelijke participatie van vrouwen en mannen in besluitvormingsprocessen op alle niveaus in het werkprogramma van het CEDAW voor 2006; ziet uit naar de bevindingen en aanbevelingen in dit verband; verzoekt de Commissie en het voorzitterschap van de Raad het Parlement op de hoogte te houden van de voortgang van de CEDAW-onderhandelingen;

10.   betreurt de ondervertegenwoordiging van vrouwen op de posten van speciaal en persoonlijk vertegenwoordiger en gezant of van speciaal en persoonlijk adviseur van de secretaris-generaal van de VN, en op andere hoge posities binnen de VN;

11.   moedigt de secretaris-generaal van de VN ertoe aan meer vrouwen tot Speciaal Vertegenwoordiger, Vertegenwoordiger, Speciale Gezant, of persoonlijk of speciaal adviseur van de secretaris-generaal te benoemen; is van mening dat de lidstaten van de VN naast mannelijke kandidaten ook vrouwelijke kandidaten zouden moeten voordragen wanneer de secretaris-generaal kandidaten zoekt voor dergelijke hoge posten;

12.   moedigt delegaties van de VN-Veiligheidsraad ertoe aan vrouwen op te nemen, teneinde te zorgen voor een genderdimensie in alle vredeshandhavings-, conflictoplossings- en vredesopbouwmissies, en in contact te treden met vrouwenorganisaties op lokaal niveau bij bezoeken aan conflictgebieden;

13.   is ingenomen met het besluit van de Raad om de lidstaten een vragenlijst te sturen waarin wordt verzocht om informatie over de stappen die zij hebben ondernomen in verband met de uitvoering van UNSCR 1325 (2000) van de Veiligheidsraad van de VN; roept de Raad ertoe op zijn bevindingen te delen met het Parlement;

14.   moedigt de opname van vrouwelijke politieagenten alsmede vrouwelijke militairen en burgerpersoneel in vredeshandhavingsmissies van de EU en de VN krachtig aan, teneinde de communicatie met vrouwen in lokale gemeenschappen, en lokale gemeenschappen in het algemeen te verbeteren;

15.   betreurt dat er momenteel maar één vrouw werkt als persoonlijk vertegenwoordiger van de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de EU, terwijl er 14 posten zijn van speciaal vertegenwoordiger/persoonlijk vertegenwoordiger/speciaal gezant of speciaal coördinator(8); roept de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB van de EU ertoe op meer vrouwen te benoemen als speciaal vertegenwoordiger van de secretaris-generaal, vertegenwoordiger of speciaal gezant; roept de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB van de EU ertoe op de lidstaten te verzoeken om bij hem naast mannelijke kandidaten ook vrouwelijke kandidaten voor te dragen wanneer hij kandidaten zoekt voor dergelijke hoge posten;

16.   roept de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB van de EU, de Commissie en alle lidstaten ertoe op meer vrouwen aan te werven als burgerambtenaren, militairen en politiebeambten, alsook om een contactpersoon voor genderkwesties te benoemen bij alle EVDB-missies, zoals voor het eerst is gebeurd bij de EUFOR-missie in de Democratische Republiek Congo;

17.   moedigt genderspecifieke scholing voor alle bij EVDB-missies betrokken personeel krachtig aan; moedigt voorts de publicatie aan van een pakket genderinstrumenten gewijd aan de gevolgen van gender in conflict- en postconflictsituaties voor alle personeel dat betrokken is bij EVDB-operaties;

18.   is verheugd over het grotere aantal vrouwelijke Commissarissen onder Commissievoorzitter Barroso; betreurt dat volledige pariteit, teneinde een voorbeeld te stellen in Europa en wereldwijd, op het niveau van Commissarissen nog niet is bereikt;

19.   is ingenomen met de nieuwe routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen van de Commissie, in het bijzonder met haar besluit tot ondersteuning van een netwerk van vrouwen in besluitvormingsposities;

20.   is verheugd over het feit dat een Europees instituut voor gendergelijkheid zal worden opgericht, dat het initiatief zou moeten nemen om tot een grotere vertegenwoordiging van vrouwen in de internationale politiek te komen;

21.   verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen over de werkzaamheden van de groep van Commissarissen voor fundamentele rechten, bestrijding van discriminatie en gelijke kansen;

22.   betreurt het feit dat in de 107 delegaties en bureaus van de Commissie in derde landen momenteel slechts 7 vrouwen een functie op het niveau van hoofd van een dergelijke delegatie bekleden; dringt er bij de Commissie op aan meer vrouwen in topposities bij externe delegaties te benoemen;

23.   roept de Commissie ertoe op de EU-instrumenten voor externe betrekkingen en ontwikkeling te gebruiken als vectoren voor de bevordering van vrouwen in de politiek, met name de deelname van vrouwen als kiezers en kandidaten in de politiek en de opname van genderkwesties in de programma's van politieke partijen in verkiezingscampagnes, alsook in de contacten met andere regionale organisaties, in het bijzonder met betrekking tot capaciteitsopbouw;

24.   verzoekt de Commissie haar steun voor projecten gericht op het verzekeren van deelname van vrouwen aan het politieke leven binnen en buiten de EU, met name in ontwikkelingslanden, te verhogen;

25.   beveelt aan dat zijn bevoegde commissie permanente en regelmatige samenwerking tussen vrouwelijke parlementariërs van over de hele wereld tot stand brengt; roept ertoe op middelen te verschaffen zodat het Vrouwenforum van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en gelijksoortige "fora" van andere parlementaire vergaderingen waaraan de EU deelneemt, plaats kunnen vinden en gemeenschappelijke initiatieven kunnen ontplooien;

26.   verzoekt de lidstaten en de Commissie , waar nodig, onderwijsprogramma's te bevorderen waarmee mensen en met name jongeren bewust worden gemaakt van de gelijke rechten van vrouwen om vanaf jonge leeftijd volledig deel te nemen aan het politieke leven;

27.   verzoekt het toekomstige Europees Instituut voor gendergelijkheid regelmatig aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over het verzamelen van gegevens en over de invloed van nationale pariteitswetgeving en het beleid van de lidstaten op het gebied van gendergelijkheid en van de beste werkmethoden van Europese en nationale politieke partijen;

28.   verzoekt het toekomstige Europees Instituut voor gendergelijkheid de voortgang te volgen en te evalueren betreffende het bereiken van een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan het politieke en openbare leven in Europa door indicatoren voor het volgen en evalueren aan te geven en toe te passen op basis van internationaal vergelijkbare gendergescheiden gegevens en vervolgens rapporten te publiceren over de genomen maatregelen en de geboekte vooruitgang inzake deelname van vrouwen aan de besluitvorming, en deze rapporten breed onder de aandacht te brengen;

29.   verzoekt het toekomstige Europees Instituut voor gendergelijkheid contact te onderhouden met onafhankelijke organen, bijvoorbeeld organen die toezicht houden op gelijkberechtiging of speciale onafhankelijke nationale bemiddelingsorganen, teneinde het overheidsbeleid op het gebied van een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan het politieke en openbare leven te volgen;

30.   moedigt het toekomstige Europees Instituut voor gendergelijkheid aan samen te werken met onderzoeksinstellingen om verdere studie te doen naar de barrières voor vrouwen wat betreft hun toegang tot hoge publieke benoemingen en het politieke leven, onder andere door onderzoek naar stereotypen van vrouwen in de politiek;

31.   moedigt het toekomstige Europees Instituut voor gendergelijkheid aan om verder te kijken dan de cijfers en ook te meten hoe vrouwen de politieke agenda's beïnvloeden, zowel op nationaal als internationaal niveau, namelijk bij het bevorderen van goed bestuur, verantwoording en de rechtsstaat;

32.   erkent dat staten de belangrijkste motor zijn voor daadwerkelijke veranderingen in politieke vertegenwoordiging; dringt er bij alle staten op aan de verbintenissen krachtens de Verklaring en het Actieplatform, zoals aangenomen in 1995 in Peking en tijdens de Peking +5 en +10-vergaderingen, alsook de verbintenissen krachtens het internationaal recht, in het bijzonder ten aanzien van de tenuitvoerlegging van UNSCR 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad en de Lissabon-strategie, na te komen;

33.   roept alle lidstaten ertoe op vrouwen aan te moedigen zich kandidaat te stellen voor hoge posten op internationaal niveau; dringt er bij de lidstaten op aan om bij internationale onderhandelingen en beleidsvorming, met name in internationale organisaties, naast mannelijke ook vrouwelijke kandidaten voor te dragen voor posten op hoog niveau;

34.   verzoekt de Commissie de beste methoden ten aanzien van internationale en nationale maatregelen gericht op het bevorderen van deelname van vrouwen aan de hoogste posten in de internationale politiek te analyseren en te verbreiden ;

35.  35 roept de lidstaten ertoe op meer vrouwelijke diplomaten aan te trekken, op te leiden en te benoemen voor de diplomatieke dienst en genderevenwicht in hun delegaties bij de Verenigde Naties en andere internationale vergaderingen en conferenties te bevorderen;

36.   roept de regeringen van de lidstaten op om te werken aan de bewustmaking van het publiek in hun land met het oog op het bestrijden van negatieve maatschappelijke attitudes ten aanzien van het vermogen van vrouwen om op gelijke voet deel te nemen aan het politieke proces op nationaal en internationaal niveau; moedigt de lidstaten aan de doelstelling van genderevenwicht in alle openbare functies te bevorderen;

37.   roept de lidstaten ertoe op maatregelen te nemen gericht op het combineren van het sociale, gezins- en beroepsleven in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002 en de Lissabon-strategie en aldus een voorwaardescheppende omgeving te creëren voor de volledige deelname van vrouwen in de politiek;

38.   roept de lidstaten op de daartoe geëigende wettelijke en/of bestuursmaatregelen te nemen om het voor gekozen vertegenwoordigers mogelijk te maken hun publieke en gezinsverantwoordelijkheden te combineren en met name parlementen en lokale en regionale overheden aan te moedigen ervoor te zorgen dat hun roosters en werkmethoden gekozen vertegenwoordigers van beide seksen in staat stellen hun werk en gezinsleven te combineren;

39.   verzoekt de lidstaten vrouwen meer opleidingsmogelijkheden te geven zodat ze voldoende competent zijn voor een loopbaan in de politiek en voor toegang tot hoge posten;

40.   roept de politieke partijen in Europa ertoe op een evenwichtige vertegenwoordiging van de beide seksen op hun kieslijsten te bevorderen;

41.   moedigt politieke partijen in Europa ertoe aan alle barrières weg te nemen die een directe of indirecte belemmering vormen voor de deelname van vrouwen, teneinde te waarborgen dat vrouwen op dezelfde voorwaarden als mannen gerechtigd zijn om op alle besluitvormingsniveaus volledig te participeren in interne beleidsvormingsstructuren, benoemingsprocedures en de leiding van politieke partijen;

42.   moedigt de bevoegde autoriteiten aan om te voorzien in politieke scholing, onder meer in spreken in het openbaar, voor vrouwen en mannen die zich met politiek wensen bezig te houden;

43.   dringt er bij politieke partijen op aan gekwalificeerde vrouwen en mannen op te nemen op hun kieslijsten;

44.   moedigt politieke partijen aan om vrouwen op te roepen deel te nemen aan verkiezingen en te gaan stemmen en de bewustwording van de specifieke behoeften en aspiraties van vrouwen in hun partijprogramma's te versterken;

45.   moedigt zijn interparlementaire delegaties en de missies en delegaties van de commissies ertoe aan om binnen het kader van hun activiteiten rekening te houden met het vraagstuk van gendergelijkheid en een voldoende vertegenwoordiging van vrouwen bij hun institutionele samenwerking;

46.   verklaart opnieuw dat het zich wil inzetten voor een algeheel genderbeleid en voor een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in alle delegaties en missies, waaronder verkiezingswaarnemingsmissies;

47.  47 moedigt door leden van het Parlement geleide verkiezingswaarnemingsmissies ertoe aan in het bijzonder aandacht te schenken aan de kwestie van participatie van vrouwen in politieke campagnes, hetzij als kandidaten hetzij als kiezers;

48.  48 moedigt aan om meer ruimte te geven aan jonge vrouwen in maatschappelijke organisaties teneinde hen in staat te stellen ervaring op te doen en vaardigheden en capaciteiten te ontwikkelen die zij ook op het gebied van politieke deelname kunnen gebruiken;

49.   moedigt de oprichting aan van niet-gouvernementele organisaties, met name organisaties die gericht zijn op het versterken van de rol van vrouwen, die training geven in leiderschap, besluitvorming, spreken in het openbaar, informatiegebruik en communicatietechnologie, in het opbouwen van zelfvertrouwen en het voeren van politieke campagnes;

50.   moedigt de media aan het belang van deelname van vrouwen aan het politieke proces te erkennen, te komen met een eerlijke en evenwichtige verslaggeving over mannelijke en vrouwelijke kandidaten en ook aandacht te geven aan de invloed die partijprogramma's hebben op de bevordering van de behoeften, de rechten en de democratische vertegenwoordiging van vrouwen;

51.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de overige instellingen en organen van de EU, en de regeringen en parlementen van de lidstaten, de leden van de VN, alsook aan de secretaris-generaal van de VN.

(1) PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.
(2) PB C 168 van 4.7.1995, blz. 3.
(3) PB L 319 van 10.12.1996, blz. 11.
(4) PB C 262 van 18.9.2001, blz. 248.
(5) PB C 346 van 4.12.2000, blz. 82.
(6) PB C 228 van 13.8.2001, blz. 186.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0245).
(8) Annalisa Gianella, Persoonlijk Vertegenwoordiger van Javier Solana inzake non-proliferatie van massavernietigingswapens


Bestrijding van mensenhandel - Geïntegreerde aanpak en voorstellen voor een actieplan
PDF 177kWORD 87k
Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad betreffende de bestrijding van mensenhandel - Geïntegreerde aanpak en voorstellen voor een actieplan (2006/2078(INI))
P6_TA(2006)0498A6-0368/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad door Barbara Kudrycka, namens de PPE-DE-Fractie, over de bestrijding van mensenhandel - een geïntegreerde benadering en voorstellen voor een actieplan (B6-0613/2005),

–   gelet op de Universele Verklaring van de rechten van de mens uit 1948, met name de artikelen 4 en 5 waarin wordt benadrukt dat slavenhandel in alle vormen verboden moet worden,

–   gezien de Verklaring van Beijing van de vierde VN-Wereldconferentie over vrouwen, Beijing +5 en +10 follow-up en zijn resolutie van 10 maart 2005 over de follow-up van de vierde Wereldconferentie over vrouwen - actieplan van (Beijing +10)(1),

–   gelet op de VN-Conventie voor de rechten van het kind uit 1989, met name de artikelen 1, 7, 32, 34 en 35 en het Optionele Protocol uit 2000 bij de Conventie over de rechten van het kind over verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie, met name artikel 3,

–   gelet op de VN-Conventie uit 1979 over afschaffing van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen(2) (CEDAW), en met name de artikelen 5 en 6 daarvan,

–   gelet op het VN-protocol van Palermo van 2000 ter voorkoming, afschaffing en bestraffing van de handel in personen, vooral vrouwen en kinderen, als aanvulling op de VN-Conventie tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaden,

–   gelet op de Conventie van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) nr. 29 over dwangarbeid (1930) en nr. 182 over een verbod op en onmiddellijke actie voor het afschaffen van de ergste vormen van kinderarbeid, goedgekeurd door de conferentie op haar 87ste vergadering (1999),

–   gezien het ILO-rapport uit 2005 "A Global Alliance Against Forced Labour" in het kader van de follow-up van de ILO-verklaring over fundamentele beginselen en rechten op arbeid 2005,

–   gezien het rapport van het US Department of State over "The link between prostitution and sex trafficking"(3),

–   gelet op de Europese Conventie van 1997 over mensenrechten en biogeneeskunde en artikel 22 van het Additioneel Protocol van 2002 over orgaan- en weefseltransplantatie van menselijke herkomst,

–   gelet op de Conventie van de Raad van Europa over actie tegen mensenhandel, goedgekeurd door het Comité van ministers op 3 mei 2005,

–   gezien het rapport van de Raad van Europa van 2005 over georganiseerde misdaad - aandacht voor de dreiging van economische misdaad,

–   gezien de aanbeveling van de Raad van Europa 1611/2003 over orgaanhandel in Europa,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(4), en met name de artikelen 1, 3, 4, 5 en 6 daarvan,

–   gezien de Verklaring van Brussel over het voorkomen en bestrijden van mensenhandel, goedgekeurd op 20 september 2002 op de Europese Conferentie over het voorkomen en bestrijden van mensenhandel - mondiale uitdagingen voor de 21ste eeuw,

–   gezien het programma van Den Haag(5) over vrijheid, veiligheid en recht waarin de Raad en de Commissie wordt verzocht om een plan te ontwikkelen over beste praktijken, normen en instrumenten bij de bestrijding van mensenhandel,

–   gezien de conclusies van de Raad over mensenhandel van de 2725ste zitting van de Raad van ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van 27 en 28 april 2006(6),

–   gezien op Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel(7),

–   gezien Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad van 22 december 2003 ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie(8),

–   gezien Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie(9),

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement op basis van artikel 10 van het Kaderbesluit van de Raad van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel (COM(2006)0187),

–   gezien het EU-plan inzake de beste praktijken, normen en procedures bij de voorkoming en bestrijding van mensenhandel(10) (het actieplan),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 18 oktober 2005 "Bestrijding van de mensenhandel - geïntegreerde aanpak en voorstellen voor een actieplan" (COM(2005)0514),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 januari 2006 over strategieën voor de strijd tegen de handel in vrouwen en seksuele uitbuiting van kwetsbare kinderen(11),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 mei 2000 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over nieuwe maatregelen ter bestrijding van de vrouwenhandel(12),

–   gezien het rapport en de aanbevelingen van 22 december 2004 van het Team van deskundigen over mensenhandel, in 2003 opgericht door de Commissie,

–   gezien de DAPHNE-programma's ter bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen(13),

–   gezien de rapporten van Europol over mensenhandel, vooral het EU-georganiseerde misdaadrapport van 2005(14),

–   gezien de UNICEF Guidelines on Protection of the Rights of Child Victims of Trafficking (2003) (Richtsnoeren inzake de rechtsbescherming van kinderen die slachtoffer van mensenhandel zijn) en de Reference Guide on Protecting the Rights of Child Victims of Trafficking in Europe (2006) (Referentiegids inzake de rechtsbescherming van kinderen die slachtoffer van mensenhandel zijn in Europa),

–   gelet op artikel 114, lid 3 en artikel 94 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0368/2006),

A.   overwegende dat mensenhandel een moderne vorm van slavernij is, een ernstig misdrijf en een ernstige schending van de fundamentele mensenrechten en dat het door dreiging, geweld en vernedering mensen afhankelijk maakt,

B.   overwegende dat mensenhandel een mondiaal probleem is, dat zich zowel binnen als buiten de nationale grenzen afspeelt, ongeacht of het gaat om een herkomst-, doorvoer- of bestemmingsland, en geldt als een van de meest lucratieve vormen van internationale georganiseerde misdaad,

C.   overwegende dat volgens de Raad van Europa mensenhandel de op twee na grootste bron van inkomsten is voor de georganiseerde misdaad(15),

D.   overwegende dat de tot nog toe genomen maatregelen om mensenhandel te verminderen, geen resultaten hebben opgeleverd in de vorm van vermindering van de aantallen slachtoffers; dat mensenhandel daarentegen de snelst groeiende criminele activiteit(16) is in vergelijking met andere vormen van georganiseerde misdaad in de EU,

E.   overwegende dat het daarom nodig is duidelijke, specifieke doelstellingen goed te keuren zoals het halveren van het aantal slachtoffers van mensenhandel in de komende tien jaar, hoewel het allerbelangrijkste doel natuurlijk moet zijn om dit soort misdaad onverwijld volledig de kop in te drukken,

F.   overwegende dat vijf lidstaten nog steeds de Internationale Conventie tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad van de Verenigde Naties niet hebben geratificeerd, dat vijf lidstaten het aanvullend protocol niet hebben geratificeerd ter preventie, onderdrukking en bestraffing van handel in personen, vooral vrouwen en kinderen, dat tien lidstaten nog niet het facultatieve protocol van de VN bij de Conventie over de rechten van het kind hebben geratificeerd over verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie en dat slechts één lidstaat het Europees Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel heeft geratificeerd,

G.   overwegende dat mensenhandel niet slechts wordt bedreven met als doel seksuele uitbuiting, maar ook arbeidsuitbuiting, illegale adopties, gedwongen huiselijke arbeid, verkoop van organen, hetgeen betekent dat bestrijding van mensenhandel verder moet gaan dan bestrijding van gedwongen prostitutie en rekening moet houden met alle verwante vormen van uitbuiting en onderdrukking,

H.   overwegende dat mensenhandel niet noodzakelijkerwijze een genderspecifieke misdaad is, omdat ook mannen, vooral jongens, slachtoffer zijn van seksuele en arbeidsuitbuiting, maar dat de meeste slachtoffers wel vrouwen en meisjes zijn,

I.   overwegende dat vrouwen en kinderen bijzonder kwetsbaar zijn en daarmee een groter risico lopen het slachtoffer te worden van mensenhandel,

J.   overwegende dat de slachtoffers van mensenhandel - vaak minderjarigen - blootstaan aan fysiek en psychisch geweld en misbruik, van hun waardigheid worden beroofd, niet worden gevrijwaard van slavernij, foltering en andere onmenselijke of vernederende behandelingen, dat persoonlijke veiligheid, bewegingsvrijheid en arbeidsrechten hen ontzegd worden en dat zij zich dikwijls blijken te bevinden in een gedwongen en ongewenste afhankelijkheidsrelatie tegenover degenen door wie zij verhandeld worden,

K.   overwegende dat de VN-Conventie voor de rechten van het kind weliswaar stelt dat elk kind onmiddellijk bij de geboorte moet worden ingeschreven, maar dat volgens UNICEF(17) meer dan de helft van alle borelingen in de ontwikkelingslanden - met uitzondering van China - niet wordt aangegeven bij de burgerlijke stand (meer dan 50 miljoen kinderen); dat deze onzichtbare kinderen plus de miljoenen wezen en straatkinderen het meeste gevaar lopen slachtoffer te worden van mensenhandel omdat zij een gemakkelijke prooi zijn voor illegale adoptie of voor gebruik bij de handel in menselijke organen; overwegende dat conflicten, natuurrampen en de situatie na afloop van een conflict of ramp kinderen eveneens blootstellen aan grotere risico's op uitbuiting door mensenhandel,

L.   overwegende dat de oorzaken van illegale immigratie niet dezelfde zijn als die welke mensenhandel veroorzaken en dat deze kwesties daarom afzonderlijk moeten worden behandeld,

M.   overwegende dat het rapport van het US Department of State "Trafficking in Persons - Report 2005" heeft aangetoond dat van de naar schatting 600 000 tot 800 000 mensen die elk jaar worden verhandeld, ongeveer 80% vrouwen en meisjes zijn,

N.   overwegende dat de meeste vrouwen en meisjes die worden verhandeld, worden blootgesteld aan allerlei vormen van uitbuiting, in het bijzonder seksuele uitbuiting, die het voornaamste doel vormen voor de handel, alsook aan dwangarbeid en orgaanhandel,

O.   overwegende dat het rapport van de ILO uit 2005(18) schat dat 80% van de slachtoffers van mensenhandel vrouwen en meisjes zijn; overwegende dat het rapport tevens berekent dat tussen de 40 en 50% van alle slachtoffers kinderen zijn; dat volgens het rapport 56% van de slachtoffers van dwangarbeid, vrouwen en meisjes zijn; dat 98% van degenen die verhandeld zijn voor seksuele uitbuiting, vrouwen en meisjes zijn,

P.   overwegende dat de seksindustrie is gebaseerd op het beginsel van vraag en aanbod; overwegende dat in het rapport over 2003 van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) wordt erkend dat de toenemende vraag ongetwijfeld een van de factoren is die bijdragen aan het verschijnsel dwangarbeid in de seksindustrie,

Q.   overwegende dat in het VN-rapport van de speciale rapporteur over de mensenrechtenaspecten van mensenhandel vooral in vrouwen en kinderen, geheten "Integration of the human rights of women and a gender perspective" wordt verklaard dat de mensenrechten van vrouwen en kinderen bij allerlei vormen van mensenhandel worden geschonden, maar dat sekshandel een speciale vorm van handel is waarbij de mensenrechten van vrouwen en kinderen als vrouwen en kinderen worden geschonden,

R.   overwegende dat toegang tot de arbeidsmarkt van de EU ingewikkeld is of zelfs beperkt en te veel gereguleerd en dat tegelijkertijd de vraag naar arbeidskrachten overduidelijk is, met als resultaat illegale migratie, smokkel en handel,

S.   overwegende dat de aanpak van de kwestie van het aanbieden van diensten de hoogste politieke prioriteit moet krijgen; dat het bestaan van arbeidsuitbuiting vaak door de publieke opinie op grote schaal wordt getolereerd,

T.   overwegende dat er vraag is naar goedkope, gezeglijke werknemers zonder papieren in de EU en dat daardoor de illegale mensenhandel wordt gestimuleerd; dat het bestaan van een dergelijke arbeidsmarkt de kosten weliswaar drukt maar ten koste van de menselijke waardigheid, van de naleving arbeidsvoorschriften, van gezondheids- en veiligheidsmaatregelen, van billijk loon en plaatselijke en/of nationale inkomens omdat er geen belastingen en sociale premies worden afgedragen,

U.   overwegende dat de grote winsten die met mensenhandel worden gemaakt, vaak worden witgewassen waardoor ook andere criminele activiteiten mogelijk worden, o.a. omkoping en fraude en dat de criminelen die zich daaraan schuldig maken, illegale economische, maatschappelijke of zelfs politieke macht verwerven,

V.   overwegende dat de vraag naar diensten die worden geboden door mensen waarin gehandeld is, bij voorbeeld de vraag door mannen die vrouwen en kinderen willen kopen of daadwerkelijk kopen voor seksuele doeleinden, de belangrijkste motor is achter de mensenhandel en dat zonder versterking van de politieke bereidheid en de inspanning om de mensenhandel kapot te maken, het haast onmogelijk zal zijn om er een eind aan te maken of zelfs de mensenhandel een aanzienlijke slag toe te brengen(19),

W.   overwegende dat het ontbreken van duurzame economische en maatschappelijke vooruitzichten, hoge werkloosheid en het perspectief van voortdurend toenemende armoede in sommige landen van herkomst in combinatie met het in Europa bestaande niveau van economische en sociale ontwikkeling bijdragen tot een klimaat waarin het voor criminele organisaties makkelijk is om te profiteren van mensenhandel,

X.   overwegende dat versterking van de wetsnaleving door het criminaliseren van mensenhandelaren en de tussenpersonen van kardinaal belang is bij de bestrijding van mensenhandel; dat naleving van de wet ook de mogelijkheid moet inhouden dat de inkomsten van misdaad worden geconfisqueerd; dat het nodig is om de arbeidsinspecties te versterken, o.a. door het bestraffen van arbeidsuitbuiting en illegale arbeid; dat het opzetten van een netwerk van nationale arbeidsinspecties en harmonisering van de bestraffing van arbeidsuitbuiting kunnen leiden tot vermindering van deze misdrijven; dat het, voor effectief onderzoek en vervolging van mensenhandel, nuttig zou zijn om speciaal toegelichte en opgeleide eenheden op te zetten binnen de nationale politie en het openbaar ministerie,

Y.   overwegende dat een snelle identificatie van slachtoffers van cruciaal belang is bij de strijd bij de mensenhandel,

1.   beveelt de Raad het volgende aan:

   Wetskader en naleving van de wet
   a) mensenhandel moet worden aangepakt met een coherente beleidsbenadering (migratie, werkgelegenheid, maatschappelijk beleid, ontwikkeling, buitenlands beleid, nabuurschap en visumbeleid) en de bijbehorende criminalisering, waarbij tenminste de normen van de EU-wetgeving worden aangehouden in overeenstemming met Kaderbesluit 2002/629/JBZ,
   b) verzoekt de Europese Gemeenschap om het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel zo spoedig mogelijk de ondertekenen en te ratificeren; dringt er bij de Commissie op aan om onverwijld de interne procedure te starten die het de Europese Gemeenschap mogelijk maakt dit Verdrag te ondertekenen en te ratificeren; verzoekt de Raad eveneens het besluit te nemen om dit Verdrag te ondertekenen en te ratificeren;
   c) de Commissie en de lidstaten moeten kiezen voor een strategie voor het implementeren van het actieplan,
   d) de Raad en de lidstaten moeten de op mensenrechten, gendergelijkheid en de centrale rol van het slachtoffer steunende benadering versterken bij het implementeren van het actieplan,
   e) een antidiscriminatiebenadering van mensenhandel is nodig in combinatie met een mensenrechtenaanpak; verwijzingen naar gelijkheid en niet-discriminatie zijn derhalve van het grootste belang,
   f) de lidstaten moeten, wanneer zij dat nog niet hebben gedaan, alle relevante internationale conventies ratificeren en implementeren, o.a. de VN-Conventie tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, het bijbehorend Protocol ter voorkoming, afschaffing en bestraffing van mensenhandel, vooral van vrouwen en kinderen, en het Protocol tegen het smokkelen van migranten over land, zee en door de lucht, het VN facultatief Protocol bij de Conventie over de rechten van het kind over verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie, de VN-Conventie over de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinnen, de Conventie van de Raad van Europa voor actie tegen mensenhandel, de Conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie en de belangrijkste arbeidsnormen, in het bijzonder nr. 29 over dwangarbeid, nr. 182 over een verbod op en onmiddellijke actie voor afschaffing van de ergste vormen van kinderarbeid, en die in verband met de vrijheid van vereniging, arbeidsinspectie en arbeidsbureaus,
   g) de lidstaten moeten zo spoedig mogelijk Kaderbesluit 2002/629/JBZ en Richtlijn 2004/81/EG uitvoeren en er tenminste voor zorgen dat slachtoffers van mensenhandel, ongeacht de vraag of zij al dan niet meewerken met de bevoegde instanties bij onderzoeken en als getuigen in strafzaken, een voorlopige verblijfstitel krijgen en recht hebben op een bezinnings- of herstelperiode van tenminste 30 dagen, toegang tot informatie over wettelijke en bestuursrechtelijke procedures in een voor hen begrijpelijke taal, en kosteloze rechtsbijstand,
   h) de lidstaten moeten volledig gebruikmaken van Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen(20), met name artikel 3, als deel van de bestrijding van mensenhandel,
   i) de lidstaten moeten hun verantwoordelijkheid nemen voor slachtoffers van mensenhandel door hen de gelegenheid te bieden hulp te ontvangen hetzij bij terugkeer naar eigen land als zij dat wensen, hetzij in de Unie(21); zij moeten tevens hulp krijgen en worden gestimuleerd om samen te werken met de bevoegde instanties tijdens het onderzoek en als getuigen bij processen,
   ( j de lidstaten moeten overwegen om mechanismen in te voeren ter aanmoediging, ondersteuning en bescherming van informanten die te maken kunnen krijgen met represailles,
   k) de lidstaten moeten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat slachtoffers van handel, vooral kinderen, kunnen worden geïdentificeerd door hiertoe opgeleid juridisch personeel dat gekwalificeerd is in de preventie van mensenhandel door een consequenter onderscheid te maken tussen mensensmokkel en mensenhandel; overheidsinstanties moeten richtlijnen opstellen opdat bij het ondervragen van migranten zonder papieren de juiste vragen worden gesteld die ervoor moeten zorgen dat slachtoffers van mensenhandel als zodanig worden herkend,
   l) de lidstaten moeten het risico van orgaanhandel in Europa tot een minimum terugbrengen, o.a. door de vraag te verminderen, door het afstaan van organen effectiever te promoten, door strenge wetgeving te handhaven ten aanzien van levende donoren die geen familie zijn, door garanties te bieden voor transparantie van nationale registers en wachtlijsten en door wettelijke aansprakelijkheden vast te leggen voor het opsporen van onregelmatigheden,
   m) de lidstaten moeten de analyse verbeteren van de bestaande situatie door het implementeren van uniforme methodes om vergelijkbare gegevens te verzamelen vooral in verband met de smokkelroutes en het profiel van de slachtoffers overeenkomstig de bestaande protocollen en de communautaire wetgeving inzake bescherming van gegevens,
   n) de lidstaten moeten consequent artikel 4 toepassen van het Kaderbesluit 2002/629/JBZ opdat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor misdrijven die te hunnen bate zijn gepleegd door wie dan ook die hetzij individueel optreedt of als onderdeel van een orgaan van de rechtspersoon, die een leidende positie bekleedt binnen de rechtspersoon in verband met mensenhandel of het gebruik van de diensten van slachtoffers van mensenhandel,
   o) de lidstaten moeten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het ontvoeren of vervoeren van personen, alsook het huisvesten en onderbrengen en het overdragen van de controle over deze personen, in de wet als een misdrijf wordt aangemerkt waarop vrijheidsstraffen staan,
   p) goede bedrijfspraktijken, o.a. de eis dat koppelbazen voldoen aan hun contractuele en wettelijke verplichtingen (de aanvoerketen-naleving), spelen een belangrijke rol bij het terugdringen van de vraag; en de rol van bedrijven alsook van andere sociale spelers is van vitaal belang om ervoor te zorgen dat alle bestaande arbeids- en sociale wetten worden nageleefd en in het bijzonder dat werknemers de voordelen genieten waar zij wettelijk recht op hebben; is verheugd over de Verklaring van Athene die ervoor wil zorgen dat bedrijven geen dwangarbeid gedogen,
   q) er dienen buitengewoon strenge straffen te worden opgelegd aan bedrijven waarvan geconstateerd is dat zij goedkope arbeidskrachten in dienst hebben genomen die worden verstrekt door mensenhandelaars, vooral wanneer de betrokken bedrijven frauduleus hebben gehandeld,
   r) de lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om te garanderen dat de strafrechtelijke of administratieve straffen voor de rechtspersoon die schuldig wordt bevonden aan mensenhandel ook inbeslagname omvatten van de inkomsten uit die handel, zulks met als eerste doel de slachtoffers schadeloos te stellen voor de geleden economische, lichamelijke en psychologische schade,
   s) de lidstaten moeten mechanismen opzetten waarmee geïntegreerde oplossingen worden geboden die het de politie mogelijk maken de internationale handel in vrouwen en kinderen omwille van seksuele uitbuiting aan te pakken, met maatregelen op het gebied van preventie, bewustmaking, onderwijs en opleiding, assistentie aan en bescherming van de slachtoffers en evaluatie van de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze taken,
   t) inspectie- en nalevingsmechanismen in verband met de arbeidswetgeving in alle lidstaten moeten worden versterkt; de lidstaten moeten ervoor zorgen dat zij beschikken over het noodzakelijk juridisch kader hiervoor en dat de relevante mechanismen, opleiding en adequate technische middelen beschikbaar zijn opdat de lidstaten aan hun wettelijke verplichtingen kunnen voldoen, waarbij verantwoordelijkheid wordt gegeven aan ambtenaren van inspectiediensten en deze kunnen beschikken over informatie en bewustzijnstraining om slachtoffers van mensenhandel te herkennen wanneer de arbeid van deze mensen wordt uitgebuit; een grensoverschrijdend netwerk van inspecties ten aanzien van de arbeidsmarkt kan een nuttige rol spelen bij de uitwisseling van beste praktijken en de bestrijding van uitbuiting op de werkplek; de lidstaten moeten de samenwerking en coördinatie op EU-niveau op dit terrein versterken,
   u) de lidstaten moeten de activiteiten beter controleren van arbeidsbemiddelaars en bemiddelaars die seizoenarbeiders aanwerven; de Raad moet overwegen netwerken op te richten van nationale arbeidsinspecties,
   v) lidstaten dienen zgn. job-matchingdiensten te steunen, door toezicht te houden op particuliere arbeidsbureaus, die zich veelal als huwelijks- of reisbureaus voordoen en die misleidende aanwervingspraktijken, en daarmee ook mensenhandel, in de hand werken;
   w) de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de consulaten ervaringen uitwisselen en dat het personeel naar behoren wordt getraind om visumaanvragen te kunnen herkennen die wel eens samen zouden kunnen hangen met mensenhandel; de Raad en de Commissie moeten zo snel mogelijk de ontwikkeling van een gemeenschappelijk visa-informatiestelsel voltooien,
   x) de Raad en de Commissie moeten EU-richtlijnen opstellen voor de bestrijding van mensenhandel als een extra instrument voor de uitvoering van een coherent communautaire beleid inzake mensenrechten en kinderrechten;
   Preventie en vermindering van de vraag
   y) het probleem van de mensenhandel moet op scholen worden besproken en er moet iets worden gedaan ter vermindering van sociale en genderongelijkheid; het verstrekken van informatie aan het publiek en de bewustmaking dat mensenhandel een onaanvaardbaar misdrijf is, moeten worden beschouwd als vitale onderdelen van de bestrijding van mensenhandel , onderwijs op scholen, voorlichting en bewustmaking van het publiek ten aanzien van mensenhandel als een onaanvaardbaar misdrijf moeten worden beschouwd als vitale onderdelen van de bestrijding van mensenhandel; lidstaten moeten steun geven aan de invoering van onderwijs in sociale redzaamheid in alle klaslokalen als methode om handel in kinderen te voorkomen;
   z) de Commissie moet uiterlijk 2007 een onderzoek instellen naar het causale verband tussen het uiteenlopen van de wetgevingen van de lidstaten inzake prostitutie en het aantal slachtoffers van mensenhandel voor seksuele uitbuiting en inzake de oorzakelijke correlatie tussen de migratiewetgeving en het migratiebeleid van de diverse lidstaten en de mensenhandel, zoals voorgesteld door commissaris Frattini op 8 maart 2006; het onderzoek moet op vergelijkbare cijfers zijn gebaseerd om te zorgen dat het wetenschappelijk gezien geloofwaardig is; daarom dient er zo spoedig mogelijk een gestandaardiseerde methode voor verzameling van gegevens worden opgezet en toegepast; de resultaten zouden vervolgens moeten worden gebruikt om de beste praktijk voor de bestrijding van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting algemeen in te voeren;
   aa) initiatieven ter bestrijding van mensenhandel, afkomstig van regeringen of van het maatschappelijk middenveld, en in het bijzonder bewustmakingscampagnes, moeten worden gesteund door de Commissie, de Raad en de lidstaten,
   ab) de Commissie moet de beste praktijken evalueren en verspreiden voor het terugdringen van de vraag in de lidstaten naar diensten die worden verleend door mensen die verhandeld zijn met het oog op arbeids- of seksuele uitbuiting of voor welke andere doeleinden ook,
   ac) de lidstaten moeten op basis van de beste praktijken maatregelen nemen om de vraag te verminderen, om andere oorzaken aan te pakken, zoals marginalisering en gebrek aan gelijke kansen op de arbeidsmarkt en fatsoenlijk werk, en om het bedrijfsleven, vooral de toeristische sector en internetproviders, aan te moedigen gedragscodes te ontwikkelen en deze in praktijk te brengen met het oog op preventie van mensenhandel;
   ad) de Commissie moet een antimensenhandeldag uitroepen op 25 maart, met ingang van 2007, om de afschaffing van de slavernij in veel landen overal in de wereld te herdenken,
   ae) er moeten maatregelen worden getroffen om de juridische instrumenten te verbeteren voor veilige migratie, toegang tot informatie over veilige migratiemogelijkheden en transparantie van procedures als beste manier om de mensenhandel te verminderen,
   af) de Commissie en de lidstaten moeten zich bij hun intern beleid en bij hun nabuurschaps-, ontwikkelings- en hulpbeleid bezinnen over maatregelen die de wortels aanpakken van de mensenhandel in de landen van herkomst, o.a. maatregelen ter versterking van nationale systemen voor kinderbescherming, om het registreren van kinderen te bevorderen zodat zij minder kwetsbaar zijn voor illegale adoptie, gedwongen huwelijken, orgaanhandel en handel in kinderen, ongeacht voor welk doel, waaronder seksuele uitbuiting;
   ag) de Commissie en de lidstaten moeten speciale aandacht schenken aan de preventie van het ongeoorloofde gebruik van nieuwe communicatie- en informatietechnologieën bij de handel in vrouwen en kinderen, en moeten de naleving bevorderen van alle wettelijke en technologische initiatieven die nodig zijn voor de bestrijding van deze problematiek,
   ah) de Commissie moet een voorstel goedkeuren voor een gedragscode voor ambtenaren van de EU-instellingen en organen, vooral wanneer zij op dienstreis zijn in derde landen, naar het voorbeeld van de gedragscode die de Verenigde Naties heeft opgesteld; deze code moet duidelijk afkeuring uitspreken over het kopen van seksuele diensten, andere vormen van seksuele uitbuiting en op geslacht gebaseerd geweld en moet de nodige sancties bevatten in geval van wangedrag; ambtenaren moeten uitgebreid geïnformeerd worden over de inhoud van de gedragscode voordat zij op dienstreis gaan,
   ai) de Raad en de Commissie moeten mensenhandel regelmatig aan de orde stellen bij politieke dialogen met derde landen (met name landen waar veel slachtoffers van mensenhandel vandaan komen(22)), in het kader van de 'essentieel element'-clausule in de handels- en samenwerkingsovereenkomsten van de EU met deze landen,
   aj) de Commissie en de lidstaten moeten het probleem van de mensenhandel in de Unie en in de lidstaten afzonderlijk aanpakken en steun verlenen voor onderzoek naar een beter begrip van dit fenomeen ten behoeve van een geïnformeerde ontwikkeling en tenuitvoerlegging van doeltreffende beleidsmaatregelen;
   ak) de Raad en de Commissie moeten in het kader van de mensenrechtendialoog met derde landen ingaan op alle beschuldigingen over orgaanhandel;
   Bescherming van de slachtoffers
   al) de Commissie en de lidstaten moeten een meertalige hotline instellen met één enkel Europees nummer waar eerste hulp kan worden verleend aan slachtoffers,
   am) de lidstaten moeten actie ondernemen tegen de mensenhandel, maar tegelijkertijd prostituees respecteren en discriminatie tegen hen of hun verdere marginalisatie of stigmatisatie voorkomen, die hun kwetsbaarheid voor mensenhandel en andere vormen van geweld of misbruik vergroten,
   an) de Raad moet de oprichting stimuleren van een Europese website met de gegevens en afbeeldingen van vermiste personen in nauwe samenwerking met de nationale coördinatoren,
   ao) er zijn maatregelen nodig ter bescherming niet alleen van slachtoffers van seksuele uitbuiting maar ook van slachtoffers van arbeidsuitbuiting en andere soorten mensenhandel,
   ap) de Commissie en de lidstaten moeten duidelijke Europese normen en richtlijnen vaststellen en implementeren over hulp aan en bescherming van slachtoffers, los van hun mogelijkheden of bereidheid om als getuige op te treden, o.a. speciale normen voor de bescherming van kinderrechten en een slachtoffer-opsporingsmechanisme dat ervoor garant staat dat het identificeren van slachtoffers een integraal onderdeel vormt van steun en hulpverlening,
   aq) de lidstaten moeten ervoor zorgen dat slachtoffers toegang hebben tot hulpverlening op korte en/of langere termijn; deze steun moet o.a. omvatten: speciale opvangcentra voor de eerste hulpverlening met de mogelijkheid voor huisvesting in een later stadium, medische hulp en advisering, rechtshulp, informatie over hun rechten en de gevolgen wanneer een slachtoffer als getuige optreedt, taal- en beroepsopleidingscursussen, culturele integratiecursussen, financiële hulpverlening en steun bij het zoeken naar werk, met inbegrip van speciale voogdij voor kinderen,
   ar) steun aan de slachtoffers van mensenhandel moet worden afgestemd op hun speciale behoeften, aangezien slachtoffers van mensenhandel geen homogene groep zijn; in dit verband zijn gendergelijkheid, de rechten van kinderen, inheemse bevolkingsgroepen en minderheden buitengewoon belangrijk omdat veel slachtoffers of potentiële slachtoffers van mensenhandel vrouwen, kinderen en individuen zijn die deel uitmaken van etnische en minderheidsgroepen die in hun land van herkomst worden gediscrimineerd,
   as) de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de slachtoffers toegang hebben tot onderwijs, opleidingsprogramma's en de arbeidsmarkt alsook hun rechten beschermen tijdens civiele, criminele en administratieve processen en toegang tot rechtsherstel,
   at) de slachtoffers van mensenhandel moeten niet onmiddellijk worden teruggestuurd naar het land van herkomst wanneer men redelijkerwijs kan verwachten dat zij nog meer schade zullen lijden door stigmatisering en discriminatie of het gevaar van represailles; het belang moet worden benadrukt van een veilige terugkeer, reïntegratie en sociale opvangprogramma's voor slachtoffers met volledige eerbiediging van de rechten van het slachtoffer of veiligheid en privacy, o.a. de verantwoordelijkheid van de staat waar de slachtoffers zijn opgespoord om het risico voor het individu te evalueren voorafgaand aan en tijdens de terugkeer van een slachtoffer,
   au) de lidstaten moeten in hun wetgeving alsook in hun bestuurlijke praktijken recht doen aan de VN-definitie van het kind(23), d.w.z. elk menselijk wezen dat nog geen achttien jaar oud is; besluiten over een oplossing op lange termijn van de handel in kinderen moeten daarom worden genomen door hetzij een autoriteit met een statutaire verantwoordelijkheid voor het welzijn van kinderen hetzij een juridische autoriteit wier eerste verantwoordelijkheid is gelegen in het garanderen van optimale belangen van het kind tijdens het gehele besluitvormingsproces; bij alle maatregelen die kinderen betreffen, ongeacht of zij worden genomen door publieke of particuliere welzijnsinstellingen, rechtbanken, administratieve overheden of wetgevende lichamen, moet het belang van het kind steeds vooropstaan; lidstaten zorgen dat een kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht heeft deze mening vrijelijk te uiten aangaande alle zaken die hem of haar betreffen, en dat aan de mening van het kind het nodige gewicht wordt toegekend al naar gelang de leeftijd en rijpheid van het kind;
   av) lidstaten moeten waarborgen dat kinderen die slachtoffer van mensenhandel zijn, worden beschermd tegen strafvervolging of sancties wegens misdrijven die zij vanwege hun status van slachtoffer van mensenhandel hebben begaan; kinderen die slachtoffer zijn, mag in de regel niet hun vrijheid worden ontnomen, ook niet omdat het kind niet is vergezeld of is gescheiden of vanwege hun migranten- of verblijfsstatus, dan wel het ontbreken daarvan;
   aw) lidstaten moeten erop toezien dat de mensenrechten van kinderen die slachtoffer van mensenhandel zijn en van getuigen van mensenhandel worden gewaarborgd, dat zij speciale bescherming, bijstand en steun ontvangen om bijkomend leed tengevolge van hun deelname aan het gerechtelijke strafproces te voorkomen en om te zorgen dat hun mensenrechten, hun belangen en waardigheid in elk stadium ten volle worden gerespecteerd; lidstaten moeten ook kinderen beschermen tegen de gevolgen van het afleggen van getuigenis ter openbare terechtzitting (artikel 8, lid 4 van het Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure(24));
   ax) er dient uitvoering te worden gegeven aan speciale maatregelen voor kinderen en een kinderbeschermingsbeleid overeenkomstig de "UNICEF Guidelines on Protection of the Rights of Child Victims of Trafficking" (Richtsnoeren inzake de rechtsbescherming van kinderen die slachtoffer van mensenhandel zijn) en de "Reference Guide on Protecting the Rights of Child Victims of Trafficking" (Referentiegids inzake de rechtsbescherming van kinderen die slachtoffer van mensenhandel zijn) in zowel de landen van oorsprong als van bestemming, waaronder meer welzijnswerk op straat, gezinsbijstand, instelling van een veiligheidsnet voor kinderen, meer informatie over de risico's van onveilige migratie, en terugkeer met begeleiding overeenkomstig het inzicht en in het beste belang van het kind;
   ay) de lidstaten moeten de Conventie van Den Haag over bescherming van kinderen en samenwerking op het punt van adoptie tussen landen volledig implementeren om illegale adoptie tegen te gaan,
   az) de lidstaten moeten het publiek-private partnerschap versterken op het terrein van slachtofferbescherming, o.a. door duurzame financiering van hun activiteiten,
   Coördinatie van activiteiten op nationaal en EU-niveau
   ba) de lidstaten moeten nationale antimensenhandel-coördinatiestructuren instellen en versterken en werken aan integratie van deze structuren in een internationaal netwerk,
   bb) het is van belang dat de instellingen van de EU en de lidstaten genderspecifieke preventiestrategieën bevorderen als een belangrijk element om de handel in vrouwen en meisjes te bestrijden, alsook het belang dat zij de principes van gendergelijkheid ten uitvoer leggen en de vraag naar alle vormen van uitbuiting elimineren, met inbegrip van de seksuele uitbuiting en de uitbuiting met het oog op huishoudelijk werk,
   bc) de Commissie moet zich inzetten voor en steun verlenen aan het opstellen en uitwerken van de nationale plannen voor bestrijding van mensenhandel,
   bd) de lidstaten moeten zorgen voor financiële steun aan speciale eenheden die onderzoek verrichten naar gevallen van mensenhandel,
   be) coördinatie en samenwerking tussen landen van herkomst, van doorvoer en van bestemming is van eminent belang; de Raad, de Commissie en de lidstaten moeten strategieën voor de bestrijding van mensenhandel ontwikkelen als aanvulling op het werk van de Verenigde Naties, de Raad van Europa, de OESO, de Internationale Organisatie voor Migratie, het Beijing herzieningsproces, het Stabiliteitspact voor Zuid-Europa en de G8,
   bf) de Raad, de Commissie en de lidstaten dienen steun te blijven geven aan regionale initiatieven die een aanvulling vormen op en een inspiratiebron zijn voor samenwerking op EU-niveau (o.a. de Noords-Baltische task force tegen mensenhandel, het Zuidoost-Europese Samenwerkingsinitiatief, het pan-Europese Boedapest-proces, de "5+5-dialoog" tussen de landen in het westelijk Middellandse-Zeegebied, de mediterrane dialoog over doorgangsmigratie en regionale actieplannen in Afrika, het Midden-Oosten en de regio van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse staten,
   bg) er is weliswaar behoefte aan een specifiek rapport over handel in menselijke organen en weefsels, maar dat neemt niet weg dat de Commissie en de Raad orgaanhandel moeten beschouwen als onderdeel van de algehele strategie tegen mensenhandel, zowel vanuit een oogpunt van intern als van extern beleid,
   bh) de Commissie en haar deskundigenwerkgroep moeten onderzoek entameren, bevorderen en evalueren over nieuwe trends bij mensenhandel, de connecties tussen mensenhandel en de vraag naar goedkope arbeid, mensenhandel en migratie en onderzoek ter evaluatie van de doelmatigheid van bestaande programma's ter bestrijding van mensenhandel, waaronder hun invloed op de bevordering en de verwezenlijking van de rechten van kinderen, vooral met het oog op het EU-actieplan tegen mensenhandel;
   bi) de Commissie en de Raad moeten doordrongen zijn van het belang van vroegtijdige herkenning van slachtoffers van mensenhandel tijdens het proces van ontwikkeling van een gemeenschappelijk visa-informatiestelsel en tegelijkertijd moeten zij de strijd aanbinden binnen de grenzen van elke lidstaat en de EU zelf,
   bj) de lidstaten moeten de samenwerking opvoeren binnen de EU bij het bestrijden van mensenhandel door regelmatig EU-organen in te schakelen zoals Europol, Eurojust en Frontex,
   bk) de Commissie, de Raad en de lidstaten moeten nagaan of de democratische en mensenrechtenclausule wordt toegepast in het kader van de overeenkomsten met derde landen, ook wanneer het gaat om de noodzakelijke aanpassing van wetgeving ter bestrijding en vervolging van mensenhandel,
   bl) de Financiële Task Force, voor de werkgroep Typologie, moet blijven werken aan witwasmethodes in verband met mensenhandel,
   bm) er moet een Europees mensenhandelbestrijdingsnetwerk worden opgezet dat bestaat uit contactpersonen die worden aangewezen door elke lidstaat en de Commissie, met inbegrip van gouvernementele en niet-gouvernementele instanties, en dat zich bezighoudt met preventie, slachtofferhulp, wetsnaleving en politiële en judiciële samenwerking,
   bn) de Commissie en de Duitse regering moeten de informatie inwinnen en analyseren in verband met gedwongen prostitutie en andere vormen van uitbuiting die samenhangen met mensenhandel tijdens de wereldkampioenschappenvoetbal van 2006 en moeten deze ervaringen uitwisselen met het oog op het ontwikkelen van beste praktijken voor toekomstige grote evenementen,
   bo) de Commissie dient het probleem van kinderhandel in de sportsector aan te pakken in de context van het Kaderbesluit 2002/629/JBZ met bijzondere aandacht voor de gevallen waar bepaalde clubs zouden overwegen contracten te verlenen aan zeer jonge kinderen om de regel inzake plaatselijke opleiding te omzeilen;
   bp) de lidstaten moeten overleggen en samenwerken met de NGO's en verenigingen die actief zijn op dit terrein in de landen van oorsprong, doorreis en bestemming, vooral door garanties te bieden voor een duurzame financiering van hun activiteiten;
   bq) de Raad en de lidstaten moeten de samenwerking stimuleren met NGO's die werkzaam zijn in de landen van herkomst, met als doel het verzamelen van gegevens, het implementeren van activiteiten, het opleiden van maatschappelijk werkers, en die moeten samenwerken met de massamedia om het grote publiek bewust te maken van mensenhandel,

2.   verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en - ter informatie - aan de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de kandidaat-lidstaten en de toetredingslanden.

(1) PB C 320 E van 15.12.2005, blz. 247.
(2) http://www.un.org/Overview/rights.html.
(3) US Department of State (2004), http://www.humantrafficking.org/countries/eap/united_states/news/2005_05/tip_factsheet_response.html.
(4) PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.
(5) Het Programma van Den Haag werd overgenomen door de Europese Raad van november 2004.
(6) http://www.consilium.europa.eu.
(7) PB L 203 van 1.8.2002, blz. 1.
(8) PB L 13 van 20.1.2004, blz. 44.
(9) PB L 261 van 6.8.2004, blz. 19.
(10) PB C 311 van 9.12.2005, blz. 1.
(11) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0005.
(12) PB C 59 van 23.2.2001, blz. 307.
(13) Besluit nr. 293/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 januari 2000 tot vaststelling van een communautair actieprogramma (het programma Daphne) (2000-2003) betreffende preventieve maatregelen ter bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen (PB L 34 van 9.2.2000, blz. 1-5) en Besluit nr. 803/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van een communautair actieprogramma (2004-2008) ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen en ter bescherming van slachtoffers en risicogroepen (Daphne II-programma) (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 1-8).
(14) www.europol.eu.int
(15) Europees Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel van de Raad van Europa - Explanatory Report, 2005.
(16) "Lost Kids, Lost Futures. The EU's Response for Child Trafficking (2004)".
(17) "The State of the World's Children 2006: Excluded and invisible", UNICEF 2005.
(18) International Labour Organisation (2005), A global alliance against forced labour, http://www.ilo.org/dyn/declaris/DECLARATIONWEB.GLOBALREPORTSLIST?var_language=EN.
(19) Gabal, I. Potírání obchodu s lidmi v ČR a možnosti optimalizace bezpečnostní politiky státu., Werkdocument van het ministerie van binnenlandse zaken van de Tsjechische Republiek, 2006, Praag.
(20) PB L 68 van 15.3.2005, blz. 49.
(21) Overeenkomstig advies PE 362.828 van zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken.
(22) Zie de landen die genoemd worden in het U.S. State Department's Trafficking in Persons Report van 5 juni 2006.
(23) Artikel 1, Conventie van de rechten van het kind, VN, 1989.
(24) PB L 82 van 22.03.2001, blz. 1.


Jaarverslag van de Europese ombudsman in (2005)
PDF 131kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement over het jaarverslag over de activiteiten van de Europese ombudsman in 2005 (2006/2117(INI))
P6_TA(2006)0499A6-0309/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien het jaarverslag over de activiteiten van de Europese ombudsman in 2005,

–   gelet op artikel 195 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 43 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van ombudsman(1),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 5 oktober 2005 over "Machtiging tot het aannemen en doorsturen van mededelingen aan de ombudsman en tot het autoriseren van ambtenaren om voor de ombudsman te verschijnen" (SEC(2005)1227),

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties betreffende de activiteiten van de Europese ombudsman, inzonderheid de resolutie van 4 april 2006 over het speciaal verslag van de Europese ombudsman naar aanleiding van de ontwerpaanbeveling aan de Raad van de Europese Unie in verband met klacht 2395/2003/GG betreffende de openbaarheid van de bijeenkomsten van de Raad wanneer die als wetgever optreedt(2),

–   gelet op artikel 195, lid 2, tweede en derde zin van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A6-0309/2006),

A.   overwegende dat het jaarverslag over de activiteiten van de Europese ombudsman in 2005 op 13 maart 2006 officieel is aangeboden aan de Voorzitter van het Europees Parlement en dat de ombudsman, Nikiforos Diamandouros, zijn verslag op 3 mei 2006 heeft voorgelegd aan de Commissie verzoekschriften,

B.   overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie tijdens de Europese Raad van Nice op 7 december 2000 officieel is afgekondigd en dat de politieke wil bestaat om deze verklaring juridisch bindend te maken,

C.   overwegende dat artikel 41 van het Handvest van de grondrechten bepaalt dat "eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld",

D.   overwegende dat artikel 195 van het EG-Verdrag en artikel 43 van het Handvest van de grondrechten bepalen dat "iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat het recht heeft zich tot de ombudsman van de Unie te wenden over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg bij de uitoefening van hun gerechtelijke taak",

E.   overwegende dat het van essentieel belang is dat de Gemeenschapsinstellingen en organen van de nodige budgettaire middelen worden voorzien om te voldoen aan hun verplichting te garanderen dat de burgers een snel en zinvol antwoord op hun vragen, klachten en verzoekschriften krijgen,

F.   overwegende dat de ombudsman ervoor heeft gepleit dat alle Gemeenschapsinstellingen en organen met betrekking tot de code van goed administratief gedrag en zijn resolutie van 6 september 2001(3) daarover een gemeenschappelijke aanpak volgen,

G.   overwegende dat in 2005 het hoogste aantal klachten tot nog toe bij de Europese ombudsman werd ingediend(4) en in overweging van het feit dat de ombudsman in 2005 in meer dan 75% van alle gevallen waarmee hij zich heeft beziggehouden, inclusief de onontvankelijke klachten, op doeltreffende wijze heeft geholpen door een onderzoek naar de zaak in te stellen of deze naar een bevoegde instantie te verwijzen of door adviezen te geven tot welke instanties burgers zich dienen te richten om tot een snelle en effectieve oplossing voor hun problemen te komen,

H.   overwegende dat niettemin nog altijd bijna 70% van de ontvangen klachten buiten het bevoegdheidsgebied van de Europese ombudsman valt, en dat dit in 93,7% van de gevallen te wijten is aan het feit dat de klachten inhoudelijk niet tot de bevoegdheid van de ombudsman behoort omdat zij niet tegen een instelling of orgaan van de Gemeenschap zijn gericht,

I.   overwegende dat de activiteiten van de Europese ombudsman en de Commissie verzoekschriften elkaar kunnen overlappen wanneer de Europese ombudsman onderzoekt of de Commissie inbreukprocedures tegen een lidstaat in overeenstemming met de algemene beginselen van het EU-recht en goed bestuur heeft doorgevoerd en wanneer de Commissie verzoekschriften tegelijkertijd verzoekschriften onderzoekt over vermeende inbreuken op het Gemeenschapsrecht van diezelfde lidstaat aangaande hetzelfde onderwerp,

J.   overwegende dat de ombudsman in 2005 in totaal 627 onderzoeken heeft behandeld en overwegende dat de resultaten van de afgeronde onderzoeken laten zien dat in 114 gevallen (ofwel 36% van de onderzochte klachten) geen wanbeheer kon worden vastgesteld, voorts overwegende dat 89 gevallen door de betreffende instelling of het betreffende orgaan na een klacht aan de ombudsman zelf in orde werden gebracht en dat 22 minnelijke schikkingen werden voorgesteld;

K.   overwegende dat onderzoeken van de ombudsman vaak tot positieve resultaten voor de klagers leiden en ertoe bijdragen de kwaliteit van het bestuur te verbeteren doordat de betreffende instellingen en organen gepaste maatregelen goedkeuren en ten uitvoer leggen,

L.   overwegende dat de Europese ombudsman in 2005 drie speciale verslagen aan het Parlement heeft voorgelegd en dat het indienen van een speciaal verslag bij het Parlement een waardevol middel is met behulp waarvan de ombudsman het Parlement en zijn Commissie verzoekschriften om politieke steun kan verzoeken teneinde genoegdoening te verkrijgen voor burgers wier rechten zijn geschonden en tevens het niveau van het Europees bestuur verder kan verbeteren,

M.   overwegende dat het grootste aantal onderzoeken naar klachten handelde over een vermeend gebrek aan transparantie en overwegende dat hier sprake is van een probleem met betrekking tot de democratische verantwoordingsplicht van de Unie,

N.   overwegende dat 68% van de onderzoeken van de Europese ombudsman betrekking had op de Commissie; overwegende dat de Commissie op 4 oktober 2005 nieuwe interne procedures heeft aangenomen voor de verdere behandeling van onderzoeken van de ombudsman,

O.   overwegende dat de Europese ombudsman in 2005 de constructieve werkrelaties met andere Europese instellingen en organen door bijeenkomsten en gezamenlijke manifestaties verder heeft opgebouwd; overwegende dat de ombudsman in datzelfde jaar het Europese netwerk van ombudsmannen verder heeft uitgebreid en gestimuleerd door informatie-uitwisselingen en de uitwisseling van beste praktijken te ontwikkelen en overwegende dat de Commissie verzoekschriften deelneemt aan dat netwerk,

P.   overwegende dat de instelling van de Europese ombudsman in 2005 haar tienjarig bestaan vierde en overwegende dat de voorlichtingsactiviteiten van de Europese ombudsman naar aanleiding van dat jubileum ten doel hadden de burgers beter bewust te maken van hun rechten, van de wijze waarop zij die rechten kunnen uitoefenen en zich tot de Europese ombudsman kunnen wenden,

1.   is van oordeel dat de Europese ombudsman zijn werkzaamheden om de effectiviteit van zijn instelling te verbeteren teneinde goed bestuur en de eerbiediging van de rechtsstaat te bevorderen, succesvol heeft voortgezet ;

2.   beschouwt de rol van de Europese ombudsman inzake de verbetering van de openheid en verantwoordingsplicht in de besluitvormingsprocessen en bestuurlijke activiteiten van de Europese Unie als een essentiële bijdrage aan een Unie waarin de besluiten in overeenstemming met artikel 1, alinea 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie "in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen";

3.   wenst een stroomlijning van de interne procedures bij het Parlement om voor de toekomst een snellere behandeling van het jaarverslag van de ombudsman in de Commissie verzoekschriften te waarborgen;

4.   roept ertoe op alle Gemeenschapsinstellingen en organen van de nodige budgettaire middelen te voorzien om te waarborgen dat de burgers snelle en zinvolle antwoorden op hun vragen, klachten en verzoekschriften krijgen;

5.   herhaalt zijn reeds in vroegere resoluties gedane oproep aan alle Gemeenschapsinstellingen en organen om een gemeenschappelijke aanpak te volgen met betrekking tot de code van goed administratief gedrag op basis van zijn voornoemde resolutie van 6 september 2001;

6.   is het met de Europese ombudsman eens dat de wijze waarop een bestuursorgaan ingaat op een gegronde klacht de voornaamste maatstaf is voor de mate van aansluiting van instellingen en organen bij de burgers, en dat er op dit punt nog veel ruimte voor verbeteringen is;

7.   is verheugd dat klagers, ook in gevallen waar geen misstanden rond het bestuurlijk handelen konden worden vastgesteld, verder geholpen zijn, waarbij het onderzoek werd benut als een gelegenheid om de kwaliteit van het bestuurlijk handelen te verbeteren;

8.   uit zijn voldoening over het publieke profiel van de Europese ombudsman, die tot taak heeft het publiek van informatie te voorzien, en is van oordeel dat informatie van hoge kwaliteit kan bijdragen tot een vermindering van het aantal klachten waarvoor de ombudsman niet bevoegd is; roept de Europese ombudsman tegelijkertijd op klachten waarvoor hij niet bevoegd is onmiddellijk via het, vanuit het gezichtpunt van subsidiariteit, meest geschikte netwerk op nationaal of lokaal niveau door te sturen;

9.   verwelkomt de over het algemeen constructieve samenwerking tussen de ombudsman en de instellingen en organen van de Gemeenschap en bevestigt de rol van de ombudsman als extern controlemechanisme en als waardevolle bron van voortdurende verbeteringen in het Europese bestuur;

10.   neemt kennis van het feit dat de ombudsman drie speciale verslagen heeft gepresenteerd, waarvan twee reeds door het Parlement zijn behandeld en de behandeling van het overgebleven verslag over de afronding van gerechtelijke procedures nu kan beginnen;

11.   is van mening dat de noodzakelijke aanpassing van het statuut van de Europese ombudsman van 9 maart 1994, waarom reeds in het vorige verslag van zijn Commissie verzoekschriften over het jaarverslag over 2004 van de ombudsman werd gevraagd, zo snel mogelijk moet worden gerealiseerd en is verheugd over het feit dat de ombudsman op 11 juli 2006 een substantieel voorstel voor een dergelijke aanpassing heeft ingediend bij de Voorzitter van het Parlement;

12.   spreekt zijn waardering uit over de goede samenwerking van de Europese ombudsman met zijn Commissie verzoekschriften;

13.   pleit echter voor een duidelijke afbakening van de rol van de Europese ombudsman ten opzichte van de rol van zijn Commissie verzoekschriften, en roept de ombudsman op om in zijn inspanningen om de burgers van dienst te zijn, de grenzen van zijn bevoegdheden ook in de toekomst niet te overschrijden;

14.   is niettemin van oordeel dat wanneer de ombudsman en zijn Commissie verzoekschriften, in het kader van hun respectievelijke opdrachten en bevoegdheden, elkaar overlappende kwesties onderzoeken, bijvoorbeeld wanneer zij zowel de wijze waarop de Commissie een inbreukprocedure heeft doorgevoerd alsook de vermeende inbreuk zelf nagaan, door samenwerking tot zinvolle synergieën kunnen komen;

15.   roept de Europese ombudsman op om ambtshalve van zijn controlebevoegdheid gebruik te maken waar het gaat om de waarborging van de transparantie en van een reglementair verloop van alle procedures inzake de aanwerving van personeel, of deze nu door het Europees bureau voor personeelsselectie (EPSO) geschiedt of rechtstreeks door de Europese instellingen en organen, met inbegrip van de diensten van de ombudsman zelf;

16.   verwelkomt het speciale verslag over de openbaarheid van de bijeenkomsten van de Raad wanneer die als wetgever optreedt en verzoekt de Raad zijn voornoemde resolutie van 4 april 2006 op te volgen en voortaan in het openbaar en publiek altijd toegankelijk bijeen te komen wanneer hij in zijn wetgevende hoedanigheid optreedt;

17.   wenst dat de toekomstige voorzitterschappen van de Raad in het kader van hun inspanningen voor meer transparantie hun internetpagina's bij voorkeur in alle officiële talen van de Europese Unie aanbieden (in overeenstemming met bijlage I bij de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 15 en 16 juni 2006) om zo veel mogelijk burgers (betere) toegang te geven tot hun werkzaamheden;

18.   stelt daarenboven voor om, in het kader van de inspanningen om meer aansluiting bij de burgers te creëren, het startportaal http://europa.eu in te richten als overkoepelende startsite voor alle Gemeenschapsinstellingen, zodat de burgers via een zo helder en eenvoudig mogelijk overzicht een beter beeld krijgen van de institutionele structuur, de verdeling van de bevoegdheden en de besluitvormingsprocessen binnen de Europese Unie, en onnodige verwarring door parallel naast elkaar bestaande sites wordt voorkomen;

19.   verwelkomt de invoering van nieuwe interne procedures voor de reacties op onderzoeken van de Europese ombudsman bij de Commissie als voornaamste betrokkene, waarbij individuele Commissieleden de verantwoordelijkheid voor een concreet geval op zich nemen, en roept de Commissie op een dergelijke procedure ook in te voeren voor de behandeling van verzoekschriften;

20.   verwelkomt de oprichting van het Europese netwerk van ombudsmannen en de samenwerking van de Europese ombudsman met ombudsmannen en vergelijkbare instellingen op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau in de lidstaten, en pleit voor een verdere versterking van de uitwisseling van beste praktijken;

21.   roept de Europese ombudsman op de Commissie verzoekschriften regelmatig over zijn activiteiten in de lidstaten en zijn contacten met de nationale ombudsmannen te informeren;

22.   verwelkomt in het bijzonder de speciale schriftelijke procedure waarin nationale of regionale ombudsmannen via de Europese ombudsman schriftelijke antwoorden kunnen krijgen op vragen over het Gemeenschapsrecht en de uitleg daarvan, als een waardevolle bijdrage aan een betere omzetting en toepassing van het Gemeenschapsrecht;

23.   roept de Europese ombudsman op om ook in de toekomst groot belang te hechten aan evenementen voor de burgers - en dus de potentiële klagers - zelf, omdat het kennelijk zo is dat de afbakening van bevoegdheden en de besluitvormingsprocessen tussen de Europese, nationale en regionale niveaus voor vele burgers en ondernemingen nog steeds niet doorzichtig genoeg zijn;

24.   spreekt zijn erkenning uit voor de inspanningen van de Europese ombudsman om de burgers beter bewust te maken van hun recht om een klacht bij de Europese ombudsman in te dienen, maar roept hem op om, gezien het grote aantal klachten dat buiten zijn bevoegdheidsgebied ligt, zijn inspanningen te versterken om duidelijke voorlichting te geven over zijn bevoegdheden;

25.   is verheugd over de toenemende medewerking van de media bij de bekendmaking van de werkzaamheden van de Europese ombudsman;

26.   hecht zijn goedkeuring aan het door de Europese ombudsman ingediende jaarverslag over 2005 en spreekt in het bijzonder zijn waardering uit over de gedetailleerde uitsplitsing van de klachten naar gevolgde procedure, type, beweerd wanbeheer, betrokken instelling, enz.;

27.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het verslag van zijn Commissie verzoekschriften te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de Europese ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de ombudsmannen of soortgelijke organen van de lidstaten.

(1) PB L 113 van 4.5.1994, blz. 15. Besluit gewijzigd bij Besluit 2002/262/EG, EGKS, Euratom (PB L 92 van 9.4.2002, blz. 13).
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0121.
(3) PB C 72 E van 21.3.2002, blz. 331.
(4) In totaal 3 920 klachten, ofwel een stijging van 5% ten opzichte van het voorafgaande jaar. Hierbij moet wel worden vermeld dat 335 klachten over hetzelfde onderwerp gingen en in één enkel onderzoek werden behandeld.


Witboek inzake een Europees communicatiebeleid
PDF 145kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement over het Witboek inzake een Europees communicatiebeleid (2006/2087(INI))
P6_TA(2006)0500A6-0365/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Witboek inzake een Europees communicatiebeleid" (COM(2006)0035),

–   gelet op deel II van het EG-Verdrag,

–   gelet op de artikelen 195, 211 en 308 van het EG-Verdrag,

–   gelet op de artikelen 11, 41, 42 en 44 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(1),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Action Plan to improve communicating Europe by the Commission" (SEC(2005)0985),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Bijdrage van de Commissie aan de periode van bezinning en daarna: Plan-D voor democratie, dialoog en debat" (COM(2005)0494),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2002 over de mededeling van de Commissie betreffende een nieuw kader voor praktische samenwerking in verband met het voorlichtings- en communicatiebeleid van de Europese Unie(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 april 2003 over een voorlichtings- en communicatiestrategie voor de Europese Unie(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 mei 2005 betreffende de tenuitvoerlegging van de voorlichtings- en communicatiestrategie van de Europese Unie(4),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken (A6-0365/2006),

A.   overwegende dat communicatie een belangrijk onderdeel van zowel een vertegenwoordigers- als een participatiedemocratie is,

B.   overwegende dat om deze reden een van de sterke kanten van de democratische elementen in de EU gekoppeld is aan de communicatiestructuren op Europees niveau die de schakel tussen de instellingen en de burgers vormen,

C.   overwegende dat het recht op informatie en de vrijheid van meningsuiting het middelpunt van de democratie in Europa en het fundament van de politieke systemen op Europees en nationaal niveau moeten vormen en dat informatie - voorzover mogelijk - toegankelijk voor het publiek moet worden gemaakt,

D.   overwegende dat de ervaringen met de Europese verkiezingen en referenda hebben geleerd dat degenen die op de hoogte van en geïnteresseerd in Europese aangelegenheden waren, vaker deelnamen, terwijl degenen die informatie tekort kwamen vaker niet deelnamen,

E.   overwegende dat er op dit moment geen geconsolideerde Europese publieke ruimte bestaat, maar wel zeer levendige nationale publieke ruimten; overwegende dat deze nationale publieke ruimten fundamentele verschillen te zien geven ten aanzien van de mate waarin Europese zaken worden bediscussieerd evenals de inhoud van de discussie,

F.   overwegende dat er een belangrijke verbetering tot stand zou komen wanneer Europese aangelegenheden een prominentere rol zouden vervullen in de nationale publieke ruimten,

G.   overwegende dat een eerste stap voor het creëren van een Europese publieke ruimte zou kunnen worden gevormd door het opheffen van het onderlinge isolement tussen de nationale publieke ruimten door middel van Europese communicatieve actie; overwegende dat dit nauw verband houdt met pan-Europese, althans transnationale mediastructuren,

H.   overwegende dat er duidelijke bewijzen bestaan dat de burgers te weinig informatie hebben over Europese aangelegenheden, zoals dit blijkt uit de uitslagen van diverse Eurobarometer-enquêtes,

I.   overwegende dat communicatie ook gekoppeld is aan transparantie, eenvoudige procedures, burgerschap en gemeenschappelijke waarden,

J.   overwegende dat Europese aangelegenheden en de "toegevoegde waarde" van de Europese wetgeving zelden erkenning krijgen in nationale debatten, waar nationale politici vaak met de eer van Europese succesverhalen gaan strijken, maar daarnaast vaak klaarstaan om kritiek op de EU te leveren, niet zelden wegens beleidsontsporingen op nationaal niveau,

K.   overwegende dat de Europese Raad van Brussel van 16 en 17 juni 2006 de kwestie van institutionele hervorming opnieuw op de agenda heeft gezet,

L.   overwegende dat de 'bezinningsperiode' de Unie democratischer en effectiever moet maken en de band met de burgers moet herstellen,

Communicatiebeleid en de Europese publieke ruimte

1.   is verheugd over de presentatie van het Witboek en stemt in met de voornemens van de Commissie om het communicatiebeleid te transformeren tot een autonoom beleid met eigen inhoud;

2.   ziet de noodzaak van verbetering van de communicatie tussen de EU en haar burgers; is derhalve voorstander van het streven naar een totale herziening van de wijze waarop de communicatie met burgers nu georganiseerd is; onderstreept dat betere communicatie weliswaar geen compensatie kan zijn voor tekortschietend beleid, maar wel kan maken dat gevoerd beleid beter wordt begrepen;

3.   juicht het toe dat de Commissie erkent dat communicatie onlosmakelijk verbonden is met de boodschap en een tweerichtingsproces moet zijn, waarbij er naar de burgers wordt geluisterd; betreurt evenwel dat deze beginselen, die aan het begin van het Witboek worden genoemd, geen aanleiding geven tot concrete uitingen; nodigt de Commissie derhalve uit te preciseren hoe zij van plan is rekening te houden met de stem van de burgers, en stelt daartoe voor dat ook plaats wordt ingeruimd voor mogelijke initiatieven van de andere instellingen, bijvoorbeeld "Agora", een orgaan voor overleg met de vertegenwoordigers van de burgermaatschappij dat het Parlement heeft gelanceerd;

4.   verzoekt de Commissie met klem de totstandbrenging te bevorderen van een Europese publieke ruimte, die voornamelijk wordt gestructureerd via nationale, plaatselijke en regionale media, zonder daarbij de belangrijke rol van nationale en regionale kwaliteitskranten en het televisiejournaal bij het inruimen van voldoende plaats voor Europese zaken uit het oog te verliezen; verzoekt de lidstaten daarom de landelijke publieke omroepen aan te moedigen om de burgers passend te informeren over het op het Europese vlak gevoerde beleid;

5.   stelt vast dat een Europees communicatiebeleid niet moet streven naar het creëren van een communicatieruimte die met de nationale publieke ruimten wedijvert, maar veeleer naar het op één lijn brengen van het nationale debat met het debat op EU-niveau;

6.   verzoekt de Commissie met klem om bij het inrichten van het communicatiebeleid rekening te houden met de concrete voorstellen als genoemd in zijn reeds aangehaalde resolutie van 12 mei 2005;

Vaststellen van gemeenschappelijke beginselen

7.   is voorstander van het idee van het opzetten van een tweerichtingscommunicatie tussen de burgers en een EU die in staat en bereid is beter te luisteren naar wat de burgers over Europa te zeggen hebben; wijst er echter op dat het idee dat de burgers zelf de participatie en dialoog zouden moeten aansturen niet redelijk lijkt te zijn, omdat niet de burgers op zoek moeten naar de informatie, maar de informatie naar de burger moet komen;

8.   acht het niet passend het Parlement te onderwerpen aan een gedragscode die voorschrijft hoe het met de Europese burgers moet communiceren;

9.   verzoekt de Commissie een ontwerp voor een interinstitutioneel akkoord in te dienen, waarin gemeenschappelijke beginselen worden vastgelegd ter kanalisering van de samenwerking tussen de Europese instellingen op het gebied van communicatie;

10.   verzoekt de Commissie met klem de mogelijkheden te bezien voor de invoering van een echt communautair programma voor voorlichting en communicatie over, dat de bestaande interinstitutionele partnerschapsmechanismen op dit gebied zou kunnen verbeteren; is van mening dat het Parlement volledig moet worden betrokken bij de vaststelling en afbakening van de precieze inhoud en reikwijdte van een dergelijk programma, wanneer de Commissie inderdaad een voorstel daartoe zou doen;

11.   is van mening dat nadrukkelijker moet worden verwezen naar de in het Handvest van de grondrechten verankerde beginselen en waarden om de reikwijdte van een Europees communicatiebeleid af te bakenen;

12.   herinnert eraan dat het Handvest van de grondrechten de rechten van de burgers met betrekking tot informatie reeds vaststelt, en dat elk mogelijk nieuw instrument de prerogatieven van het Parlement, een gekozen vergadering, moet respecteren, met name het recht van het Parlement zich vrij tot de burgers van heel de Unie te richten; verzoekt zijn Commissie constitutionele zaken de mogelijke aard en inhoud van een dergelijk interinstitutioneel instrument te analyseren;

13.   onderstreept het belang van een Grondwet voor Europa, die de Unie een politieker en democratischer karakter zou verlenen en haar aantrekkelijker zou maken in de ogen van de burgers; herinnert aan de politieke verantwoordelijkheid die het Parlement, de Raad en de Commissie hebben om dit proces te ondersteunen;

De rol van de burgers versterken

14.   is ingenomen met de door de Commissie geuite wens om Europa op alle niveaus uit te dragen, dat wil zeggen om Europese aangelegenheden op nationaal, regionaal en plaatselijke niveau aan de orde te stellen teneinde de boodschap te decentraliseren en onderstreept de noodzaak van communicatie op een zeer regelmatige basis; is ingenomen met het actieplan van de Commissie en verwacht een snelle tenuitvoerlegging daarvan;

15.   is van mening dat de ontwikkeling van een Europees bestuur dichtbij de burger, dat de brede waaier van de huidige ontvangstbalies en informatiepunten over Europese aangelegenheden zou kunnen ondersteunen, ertoe zou bijdragen belangrijke directe contacten te leggen tussen de Unie en haar burgers, met name door de toegang van de burgers tot Europese initiatieven en programma's die hen aanbelangen, te vergemakkelijken; is van mening dat de voorlichtingsbureaus van de Commissie en het Europees Parlement in de lidstaten hierbij een belangrijke rol spelen; is in deze context van mening dat het noodzakelijk is het werk dat tot nu toe is uitgevoerd door deze voorlichtingsbureaus grondig te herbeschouwen, aangezien hun PR-beleid niet de interesse van de burgers wekt en de middelen die hiervoor worden gebruikt veel doeltreffender aangewend zouden kunnen worden; zou dientengevolge graag zien dat zij een actiever (en minder bureaucratisch) karakter zouden hebben;

16.   verwelkomt het in november 2005 door de Commissie gelanceerde transparantie-initiatief, waarin wordt benadrukt dat een grote mate van transparantie deel uitmaakt van de legitimiteit van elk modern bestuur; wijst erop dat het Europese publiek mag verwachten dat openbare instellingen efficiënt werken, rekenschap afleggen en klantgericht zijn;

17.   ziet regio's en steden als de meest geschikte platforms voor het propageren van de Europese idee bij de burger en pleit ervoor het Comité van de Regio's te betrekken bij de tenuitvoerlegging van toekomstig communicatiebeleid;

18.   is voorstander van het idee om de debatten in de nationale en regionale parlementen te versterken;

19.   moedigt de nationale parlementen ertoe aan de rol van toezicht op hun regeringen bij hun optreden in de Raad te versterken, zodat de EU-instellingen duidelijker worden waargenomen en daarbij ook de democratische verantwoordingsplicht van de EU-instellingen scherper in beeld komt;

20.   onderstreept dat nationale parlementen meer aandacht moeten besteden aan Europese wetgevingsprojecten en dat veel vroeger in het besluitvormingsproces;

21.   wijst erop dat in de conclusies van het voorzitterschap van de Conferentie van voorzitters van de parlementen van de Europese Unie (Budapest, 6 en 7 mei 2005) de nationale parlementen ertoe worden opgeroepen ieder jaar en bij voorkeur in hun plenaire vergadering een debat over het jaarlijkse wetgevings- en werkprogramma van de Commissie te houden,

22.   onderstreept het belang van de bijeenroeping van de interparlementaire fora over de toekomst van Europa, waarvan er een bijeen zal komen ter gelegenheid van de 50e verjaardag van de Verdragen van Rome; verzoekt, in het kader van het Europese communicatiebeleid, rekening te houden met de discussies op het niveau van de vertegenwoordigers van de Europese bevolking;

23.   onderstreept het belang van burgereducatie over de Europese integratie; is van mening dat een zekere mate van inzicht in Europa een noodzakelijke voorwaarde vormt voor een geslaagde wederzijdse communicatie met de EU, ook om bij te dragen tot het gevoel van een Europees burgerschap;

24.   betreurt dat de financiering voor sectorale programma's met een groot multipliereffect, zoals Leonardo da Vinci, Socrates en Erasmus, wordt gekort, omdat deze programma's de Europese dimensie beklemtonen en de vorming van transnationale netwerken bevorderen;

25.   is van mening dat het om de burger te kunnen bereiken belangrijk is dat er beter wordt gecommuniceerd en dat de relevantie van de besluiten van de EU voor het dagelijks leven duidelijk wordt gemaakt via samenwerking met regionale en plaatselijke instellingen; pleit ervoor dat meer nadruk wordt gelegd op een geregelde communicatie met de burgers over belangrijke regionale en lokale projecten waaraan de EU deelneemt, om zo te komen tot een gemeenschappelijk Europees project;

26.   is van oordeel dat het debat rekening moet houden met de specifieke behoeften en activiteiten van gehandicapten en minderheden alsmede van nationale en lokale toehoorders en specifieke doelgroepen; wenst dat er meer aandacht moet worden besteed aan het richten van relevante informatie, maar ook van informatie die op de regionale omstandigheden is afgestemd, op een welomschreven doelpubliek, zodat er een direct verband tot stand wordt gebracht tussen Europese vraagstukken en het dagelijks leven van de burgers;

27.   verwelkomt de initiatieven van bepaalde vertegenwoordigingen van de Commissie en nationale bestuursorganen om samen te werken bij voorlichtingscampagnes over Europese onderwerpen; denkt dat een dergelijke samenwerking kan bijdragen tot de vorming van een directere band tussen de burgers en de instellingen;

28.   verzoekt de Commissie om in een vroeg stadium van de beleidsvorming voor overleg met de belanghebbenden en het publiek te zorgen; is van oordeel dat bij uiterst belangrijke voorstellen in een aanvulling op de effectbeoordeling zou kunnen worden ingegaan op de manier waarop bij het opstellen van het voorstel rekening is gehouden met zaken die de burgers na aan het hart liggen; wijst erop dat de effecten van de raadpleging van het publiek voor de besluitvormingsprocedure van de EU duidelijk moeten worden gemaakt;

29.   wenst dat de Commissie een dynamisch en alert communicatiebeleid voert dat zich niet in de meeste gevallen beperkt tot een weergave van de uiteindelijk bereikte consensus maar zich meer richt op de ontwikkeling van besluiten die in de diverse stadia van het besluitvormingsproces worden genomen; is van mening dat het communicatiebeleid van de Unie de burgers een duidelijk inzicht moet verschaffen in de wijze waarop de Europese wetgeving tot stand komt;

Werken met de media en nieuwe technologieën

30.   benadrukt het belang van de media als intermediairs, opiniemakers en overbrengers van boodschappen naar de burger in de Europese publieke ruimte die de Commissie beoogt te ontwikkelen; verzoekt de Commissie daarom met klem om steun te verlenen aan concrete initiatieven zoals discussieforums over Europese culturele en politieke onderwerpen waar documentatie in diverse talen beschikbaar is, zodat vele Europese burgers met elkaar kunnen communiceren en informatie uitwisselen;

31.   benadrukt dat de geïnformeerde burger de basis is van een functionerende participatiedemocratie;

32.   verzoekt de Commissie zo nauwkeurig mogelijk te definiëren welke rol zij aan de media zou willen toekennen en benadrukt de noodzaak om een formule te vinden waarmee de nationale, regionale en plaatselijke media nauwer bij het communicatiebeleid worden betrokken, waarbij ook gedacht moet worden aan de inschakeling van alternatieve media als communicatiekanaal;

33.   is van oordeel dat de grensoverschrijdende samenwerking over Europese beleidsonderwerpen tussen regionale en lokale media moet worden versterkt; is van mening dat Europese samenwerking tussen media en journalisten de berichtgeving over de Europese Unie ten goede komt en verzoekt de Commissie om in het kader van de begroting een "Europees Fonds voor de (onderzoeks)journalistiek" op te richten, dat projecten ondersteunt waarbij journalisten uit meerdere lidstaten samen een Europees thema uitdiepen en vertalen naar de onderscheiden lokale en regionale situaties;

34.   is ingenomen met de intrekking van het voorstel voor de oprichting van een EU-nieuwsagentschap;

35.   beveelt aan dat de Commissie duidelijke en beknopte taal bezigt in haar communicatie met de burgers en de media en daarbij stelselmatig gebruik maakt van de officiële talen van hun lidstaat van herkomst of hun woonplaats; is van mening dat het gebruik van EU-jargon de kloof tussen de EU-instellingen en de burgers vergroot in plaats van deze te dichten;

36.   beveelt aan geregelde meningsuitwisselingen over Europese communicatie te organiseren tussen de Europese instellingen, in het bijzonder het Parlement, en de media;

37.   is van mening dat de taak van de Commissie in het algemeen en de lidstaten in het bijzonder van het geven van objectieve, betrouwbare en onpartijdige informatie over het Europese beleid een grondslag vormt voor een goed geïnformeerd debat; roept de lidstaten in dit verband op om de nationale ambtenaren meer informatie te verstrekken over het op het Europese vlak gevoerde beleid;

38.   is verheugd dat het witboek ten aanzien van de nieuwe technologieën in overeenstemming is met het laatste verslag van het Parlement over de voorlichtings- en communicatiestrategie van de EU;

39.   waardeert de voorstellen van de Commissie om de nieuwe communicatietechnologieën beter te gebruiken, maar wenst dat er maatregelen worden genomen opdat de "digitale kloof" niet nog een groter deel van de burgers van de toegang tot informatie over de Unie uitsluit; onderstreept in dit opzicht dat het goed zou zijn – met het oog op een globale aanpak – de specifieke communicatiemiddelen van de verschillende instellingen, bijvoorbeeld de toekomstige "Web TV" van het Europees Parlement, te integreren, telkens met behoud van de autonomie; onderstreept bovendien dat de traditionele massacommunicatiemiddelen zoals televisie, ten nutte moeten worden gemaakt;

Kennis van de Europese publieke opinie

40.   verzoekt de Commissie het Parlement te informeren over de evaluatie van de door haar verrichte raadpleging;

41.   acht de oprichting van een Centrum voor de studie van de Europese publieke opinie op korte termijn van twijfelachtige verdienste en is van mening dat beter kan worden gezorgd voor meer coördinatie van het gebruik van de reeds beschikbare gegevens en hulpmiddelen voordat een dergelijke stap wordt gezet;

42.   stelt vast dat er geen bevredigend communicatiebeleid kan bestaan zonder nauwkeurige kennis van de lacunes in de informatie waarover de burgers van de Unie beschikken, of het nu gaat om de inhoud van de actie van de Gemeenschap of om de instellingen en procedures die het mogelijk maken deze in praktijk te brengen; verzoekt er dientengevolge om de diensten van de Eurobarometer te belasten met een specifiek en uitputtend opinieonderzoek dat het mogelijk maakt het niveau van de informatie van de burgers van de Gemeenschap nauwkeurig en gedifferentieerd te meten op basis van hun land van herkomst, hun sociaaleconomische categorie en hun politieke voorkeur;

Samenwerking

43.   verzoekt de Commissie concrete voorstellen uit te werken voor de tenuitvoerlegging van het communicatiebeleid en de juridische en financiële gevolgen daarvan te evalueren;

44.   is van mening dat het werk van de Interinstitutionele Groep voor Voorlichting moet worden onderzocht om te bezien of er verbeteringen mogelijk zijn;

45.   benadrukt de noodzaak voor een nauwere betrokkenheid van pan-Europese politieke partijen in de dialoog over EU-aangelegenheden met hun achterban;

46.   hecht bijzonder belang aan de rol die wordt vervuld door de politieke partijen ten behoeve van de parlementaire democratie op alle niveaus; betreurt dat het potentieel van de transnationale politieke partijen onbenut blijft; vindt het jammer dat veel nationale politieke partijen nauwelijks geneigd zijn op coherente en overtuigende wijze een Europese dimensie aan te nemen; verzoekt de politieke partijen dringend bij hun besluitvorming en hun verkiezingscampagne rekening te houden met Europese kwesties en ervoor te zorgen dat echte politieke keuzes met betrekking tot de toekomst van Europa worden aangeboden aan de burgers;

47.   onderstreept dat een communicatiebeleid rekening moet houden met het bijzondere "tempo" van de Europese aangelegenheden, vaak losgekoppeld van de nationale politieke agenda's en zich niet echt kan ontwikkelen los van de beleidslijnen en concrete acties van de Europese Unie, die een onafhankelijke agenda hebben; is derhalve van mening dat de Commissie, de Raad en het Parlement het eens moeten worden over een planning voor de grote dossiers die meer in het bijzonder de Europese publieke opinies aanbelangen, om hun inspanningen op communicatiegebied op deze onderwerpen te kunnen concentreren;

48.   verzoekt de instellingen om te bekijken of het mogelijk is een tweedelijnscoördinatiegroep met vertegenwoordigers van de bevoegde DG's van de verschillende instellingen en van de commissies van het Europees Parlement te vormen, die de concrete acties ter uitvoering van de door de interinstitutionele groep voor voorlichting (IGV) vastgestelde richtsnoeren coördineert;

49.   herhaalt dat de Europese Unie door de burgers, die niet worden geacht de institutionele verschillen te kennen, vaak wordt beschouwd als een eenheid en dat dus het communicatiebeleid van elke afzonderlijke instelling moet worden geïntegreerd in een gemeenschappelijke logica, met inachtneming van de bevoegdheden en de autonomie van elk van deze instellingen; herhaalt zijn verzoek om in die zin jaarlijks, tijdens een plenaire vergadering, een groot interinstitutioneel debat te organiseren met het oog op een gemeenschappelijke verklaring inzake de doelstellingen en middelen van dit beleid;

50.   steunt de ontwikkeling van de dialoog en de door de Europese, nationale en regionale instellingen gemeenschappelijk georganiseerde openbare debatten; onderstreept dat het belangrijk is de communicatie te ondersteunen met communicatieoverbrengers "voor het grote publiek", zoals culturele programma's (literaire prijzen of filmprijzen), sportevenementen, enz.; is van mening dat de communicatie rekening moet houden met een strategische koers die is gericht op de doelgroepen, zoals universiteiten, lokale of regionale overheden of beroepsorganisaties;

51.   is voorstander van de versterking van de rol van de Ombudsman om de transparantie van de EU geloofwaardiger te maken;

52.   stelt vast dat het PRINCE-programma aanvankelijk stoelde op samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten; wijst erop dat het Europees Parlement in zijn recente verslag over de communicatiestrategie van de EU al wees op de noodzaak van parlementaire deelneming aan de vaststelling van de prioriteiten van het PRINCE-programma en is daarom van mening dat de leden van het Parlement ten volle betrokken moeten worden bij de manifestaties die in het kader van dit programma worden georganiseerd;

53.   beveelt aan meer geld uit te trekken voor de bestaande financieringsprogramma's ter verbetering van de communicatie in termen van Europese integratie zoals Levenslang leren, Jongeren, Europa voor de burger, Media en Cultuur, mits de doelstellingen van de afzonderlijke programma's daarbij volledig worden gerespecteerd;

54.   pleit ervoor om de vijf bestaande begrotingslijnen van het PRINCE-programma te vervangen door een enkel programma beheerd door het Directoraat-generaal Communicatie, omdat zo meer flexibiliteit wordt verkregen en een centraal aanspreekpunt;

55.   onderstreept de noodzaak om de grootst mogelijke zichtbaarheid te geven aan de financiële steun die wordt verleend door de Europese Unie en, dientengevolge, de verplichting die iedere instelling, vereniging of activiteit die subsidie ontvangt uit hoofde van een programma van de Unie zou moeten hebben om te zorgen voor de openbaarmaking ervan;

56.   benadrukt dat voor een geslaagde communicatie de actieve deelneming van de lidstaten onmisbaar is en nodigt daarom de lidstaten uit technische en financiële middelen te vinden om aan de gezamenlijke communicatieve inspanningen van de EU bij te dragen;

57.   dringt er bij de lidstaten op aan de Gemeenschapswetgeving op passende wijze en prompt in nationale wetgeving om te zetten om te waarborgen dat alle burgers van de EU aanspraak op rechten hebben van hetzelfde niveau als die welke op grond van de Gemeenschapswetgeving voor hen gelden; doet een beroep op de Commissie er actiever naar te streven dat de bepalingen van het Gemeenschapsrecht worden toegepast; moedigt de Commissie aan om in een partnerschap met de regeringen van de lidstaten de burgers op de hoogte te stellen van hun recht op toegang tot justitie en op een schadevergoeding bij inbreuk op hun rechten;

58.   verzoekt de Commissie haar partnerschappen op het gebied van communicatie beter hiërarchisch in te delen, door bevoorrechte relaties te ontwikkelen met transnationaal gerichte partners, zoals organisaties van het Europees maatschappelijk middenveld, dat zich momenteel in een structureringsfase bevindt, Europese politieke partijen en journalisten; bevestigt dat het van belang is hierin communicatiemiddelen die bestemd zijn voor de jeugd op te nemen met het oog op de versterking van een Europese burgerschapsruimte;

59.   onderstreept de noodzaak om de strategieën en de inhoud van het Witboek aan te nemen en te ontwikkelen op basis van de debatten die gaande zijn in de Europese maatschappij en tussen de lidstaten;

o
o   o

60.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de regio's, het Europees Sociaal en Economisch Comité en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(2) PB C 47 E van 27.2.2003, blz. 400.
(3) PB C 64 E van 12.3.2004, blz. 591.
(4) PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 403.


Ethiopië
PDF 117kWORD 34k
Resolutie van het Europees Parlement over Ethiopië
P6_TA(2006)0501RC-B6-0596/2006

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn vroegere resoluties over de crisis en de ernstige schendingen van de mensenrechten na de verkiezingen in Ethiopië, met name van 7 juli 2005 over de mensenrechten in Ethiopië(1), van 13 oktober 2005 over de situatie in Ethiopië(2) en van 15 december 2005 over de situatie in Ethiopië en het nieuwe grensconflict(3),

–   gelet op artikel 115, lid 5 van zijn Reglement,

A.   verontrust over de arrestatie en de uitwijzing van twee ambtenaren van de Commissie op grond van de beschuldiging te hebben geprobeerd Mevrouw Yalemzewd Bekele, een advocate en vrouwenrechtenactiviste die in Addis Abeba werkzaam is voor de Commissie, te helpen Ethiopië te ontvluchten,

B.   overwegende dat er melding wordt gemaakt van voortdurende arrestaties, pesterijen, willekeurige opsluiting, vernedering en intimidatie van oppositieleden, activisten uit het maatschappelijk middenveld, studenten en andere gewone burgers,

C.   overwegende dat, na een interventie op hoog EU-niveau, Yalemzewd Bekele op 27 oktober 2006 is vrijgelaten na enkele dagen in totale afzondering te zijn opgesloten,

D.   overwegende dat het Ethiopische parlement eind november 2005 met de steun van de regering een enquêtecommissie heeft ingesteld met als opdracht de moordpartijen van juni en november 2005 te onderzoeken,

E.   overwegende dat leden van die enquêtecommissie door de Ethiopische regering onder druk zijn gezet om de bevindingen te wijzigen, en dat drie leden, onder meer de voorzitter en de ondervoorzitter, het land hebben verlaten nadat zij hadden geweigerd bevelen van de regering op te volgen om de bevindingen van het eindrapport te wijzigen,

F.   overwegende dat de leden van de enquêtecommissie het land hebben weten te verlaten met het eindrapport en dat in dit document de regeringsaanpak van de crisis, waarbij tijdens betogingen in juni en november 2005 193 burgers het leven lieten, ten stelligste wordt veroordeeld,

G.   overwegende dat, na de massa-arrestaties van regeringstegenstanders, mensenrechtenactivisten en journalisten tijdens de betogingen van juni en november 2005, 111 leden van de oppositiepartijen, journalisten en mensenrechtenactivisten nog steeds opgesloten zijn en zich voor het gerecht zullen moeten verantwoorden op beschuldiging van overtreding van de Grondwet, het aanzetten tot, het organiseren of het leiden van gewapend verzet, en poging tot volkerenmoord,

H.   overwegende dat de volgende personaliteiten: Hailu Shawel, voorzitter van de coalitie voor eenheid en democratie, Professor Mesfin Woldemariam, voormalig voorzitter van de Ethiopische raad voor de mensenrechten, Dr. Yacob Hailemariam, voormalig speciaal gezant van de VN en voormalig openbare aanklager bij het Internationaal Rwanda-tribunaal, Mevrouw Birtukan Mideksa, voormalig rechter, Dr. Berhanu Nega, de nieuwgekozen burgemeester van Addis Abeba, Netsanet Demissie, directeur van de organisatie voor sociale gerechtigheid in Ethiopië en Daniel Bekele van ActionAid Ethiopië, deel uitmaken van de politieke gevangenen die na de verkiezingen zijn opgepakt,

I.   verontrust over de recente arrestatie van Wassihun Melese en Anteneh Getnet, leden van de Ethiopische lerarenvereniging; overwegende dat deze nieuwe aanhoudingen een reactie lijken te zijn op klachten van de Ethiopische lerarenvereniging over regeringsinmenging in de activiteiten van de vereniging en intimidatie van de leiders van de vereniging,

J.   overwegende dat eerste minister Meles Zenawi een van de gasten van de Commissie is op de Europese Ontwikkelingsdagen van 13-17 november 2006 in Brussel,

K.   overwegende dat Ethiopië de Cotonou-overeenkomst tussen de ACS-landen en de EU heeft ondertekend; dat in de artikelen 9 en 96 daarvan wordt bepaald dat naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden een wezenlijk onderdeel vormt van de samenwerking tussen de ACS en de EU;

1.   juicht de inspanningen van de EU toe om Mevrouw Yalemzewd Bekele vrij te krijgen en betreurt ten zeerste de uitwijzing uit Ethiopië van de twee ambtenaren van de Commissie, Björn Jonsson en Enrico Sborgi;

2.   verzoekt de regering van Ethiopië onverwijld het eindrapport van de enquêtecommissie in zijn geheel en ongewijzigd openbaar te maken; verlangt dat het rapport ter beschikking wordt gesteld van de bevoegde gerechtelijke instanties, opdat deze er rekening mee houden en rechtvaardige processen kunnen worden gewaarborgd;

3.   verzoekt de Ethiopische autoriteiten zich te onthouden van intimidatie en pesterijen jegens nationale leidende personaliteiten zoals rechters en leden van de Ethiopische lerarenvereniging bij de uitoefening van hun beroep;

4.   verzoekt de Ethiopische regering onmiddellijk en onvoorwaardelijk alle politieke gevangenen, zij het journalisten, vakbondsmilitanten, mensenrechtenactivisten of gewone burgers, vrij te laten en haar verplichtingen inzake naleving van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat na te komen;

5.   verzoekt de Ethiopische regering het totale aantal mensen die over het gehele land vastzitten bekend te maken, bezoeken van het Internationale Comité van het Rode Kruis toe te staan en alle gevangenen de mogelijkheid te bieden contact te hebben met hun familie en hun advocaten en elke medische verzorging te ontvangen die hun gezondheidstoestand eventueel vereist;

6.   dringt er op aan dat de Ethiopische regering de Universele Verklaring van de rechten van de mens en het Handvest van de Afrikaanse Unie inzake de rechten van de mens en de volkeren, met inbegrip van het recht op vreedzaam vergaderen en de vrijheid van meningsuiting, en de onafhankelijkheid van het rechtsstelsel;

7.   betreurt ten zeerste dat de Commissie eerste minister Meles Zenawi heeft uitgenodigd om op de Europese Ontwikkelingsdagen het woord te voeren, met name over goed bestuur; meent dat de Commissie hiermee een verkeerd signaal uitstuurt met betrekking tot het EU-beleid inzake naleving van de mensenrechten, de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur;

8.   verzoekt de Raad en de Commissie de situatie in Ethiopië nauwkeurig in het oog te houden en is van mening dat de uitvoering van ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's uit hoofde van de Overeenkomst van Cotonou afhankelijk moet zijn van de eerbiediging van de mensenrechten en van goed bestuur, zoals duidelijk is aangegeven in de artikelen 9 en 96;

9.   verzoekt de Raad en de Commissie na te denken over mogelijkheden om een alomvattende inter-Ethiopische dialoog op gang te brengen, waaraan politieke partijen, organisaties van het maatschappelijk middenveld en alle betrokkenen deelnemen en die moet uitmonden in een duurzame oplossing van de huidige politieke crisis;

10.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Ethiopische regering, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de voorzitter van de Afrikaanse Unie.

(1) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 495.
(2) PB C 233 E van 28.9.2006, blz. 116.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0535.


Bangladesh
PDF 118kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement over Bangladesh
P6_TA(2006)0502RC-B6-0595/2006

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resolutie over Bangladesh en met name zijn resolutie van 14 april 2005 over Bangladesh(1),

–   gelet op het bezoek dat de trojka van regionale directeurs van de Europese Unie van 23 t/m 25 januari 2006 gebracht heeft aan Dhaka,

–   gelet op de verklaring, die het Raadsvoorzitterschap op 16 maart 2006 namens de EU aflegde en waarin de arrestatie werd toegejuicht van twee terroristische leiders door de autoriteiten van Bangladesh,

–   gelet op de verklaring van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 30 oktober 2006 over Bangladesh,

–   gelet op de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh(2) ,

–   gelet op artikel 115, lid 5 van zijn Reglement,

A.   verheugd over het feit dat er een overgangsregering is gevormd, met de taak om de volgende parlementsverkiezingen van Bangladesh voor te bereiden, maar met bezorgdheid opmerkend dat veel van de noodzakelijke voorwaarden om neutraliteit bij de verkiezingsvoorbereidingen te waarborgen nog niet zijn vervuld,

B.   verheugd over het feit dat Bangladesh, een zeer belangrijke partner voor de EU, op economische gebied vooruitgang heeft geboekt; evenwel opmerkend dat het land nog steeds te kampen heeft met ernstige politieke moeilijkheden, corruptie op grote schaal, armoede, wijdverbreide ontevredenheid van het volk en islamistisch activisme,

C.   overwegende dat de opstelling van het kiesregister door waarnemers in het land en door internationale waarnemers aan scherpe kritiek is onderworpen; overwegende dat volgens een raming van de Commissie 13 miljoen ongeldige namen aan het register zijn toegevoegd,

D.   overwegende dat in 2006 drie journalisten werden gedood en tenminste 95 andere het slachtoffer zijn geworden van agressiedaden, dat 55 perscorrespondenten het onderwerp vormden van intimidatie omdat zij artikelen hadden geschreven die "niet-islamitisch" werden geacht en dat, in de loop van dit jaar, meer dan 70 journalisten gedwongen werden om te vluchten vanwege de bedreigingen, dit alles volgens verslagen van de organisatie "Verslaggevers zonder grenzen" over de persvrijheid in Bangladesh,

E.   gelet op het bijzonder schokkende geval van de directeur van het Bengaalse weekblad "Weekly Blitz", Salah Uddin Shoaib Choudhury, een journalist die pleit voor dialoog tussen de godsdiensten en erkenning van Israël en die op 29 november 2003 werd gearresteerd en ter dood dreigt te worden veroordeeld tijdens een proces wegens opruiing, dat op 13 november 2006 moest beginnen,

F.   overwegende dat het geweld van de kant van paramilitaire organisaties van islamistische strekking verminderd is ten gevolge van maatregelen die de vorige regering in het laatste deel van haar mandaatsperiode heeft genomen,

G.   overwegende dat Bangladesh een lange traditie heeft van seculaire democratie, die elementen omvat als respect voor de mensenrechten en de rechten van de vrouw, onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en persvrijheid,

H.   overwegende dat de EU met voldoening kennis heeft genomen van de arrestatie van twee personen die ervan verdacht worden leiders van terroristische organisaties te zijn, hetgeen een belangrijke prestatie is, die aantoont dat Bangladesh een werkelijke inzet aan de dag legt in de strijd tegen het terrorisme,

I.   overwegende dat de regering in het voorjaar van 2006 drastische maatregelen heeft genomen om het extremisme te beteugelen, maar dat islamistische groeperingen voortgaan met openlijke aanvallen op leden van religieuze minderheidsgroeperingen,

1.   betreurt het recent geweld en spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de fysieke aanvallen op journalisten, personeel van NGO's, vakbondsmensen en anderen en het geweld waarmee de komende algemene verkiezingen en de overgangsregelingen gepaard gaan;

2.   erkent het belang van de verkiezingen en dringt aan op een krachtige en besluitvaardige overgangsregering, die maatregelen neemt om de instabiliteit te onderdrukken en om het vertrouwen te bevorderen in vrije en eerlijke parlementsverkiezingen, die aan internationale normen voldoen, waaraan alle partijen kunnen deelnemen en die binnen het geplande tijdschema plaatsvinden;

3.   doet een beroep op de overgangsregering van Bangladesh, geleid door president Iajuddin Ahmed, om onmiddellijke stappen te nemen tot een nieuwe samenstelling van de kiescommissie teneinde te verzekeren dat deze commissie in staat zal zijn om haar werkzaamheden op een werkelijk neutrale wijze te verrichten en hierbij ook zo overkomt;

4.   doet een beroep op de overgangsregering om een klimaat te scheppen waarin alle leden van het electoraat zich werkelijk vrij zullen voelen om gebruik te maken van hun stemrecht, met name door de ontwapening van aanhangers van islamistische groeperingen, die zich schuldig maken aan acties en propaganda welke door religieuze onverdraagzaamheid worden gekenmerkt;

5.   doet een beroep op de kiescommissie om, in samenwerking met nationale en internationale experts, de kwaliteit en betrouwbaarheid van het kiesregister te verbeteren;

6.   doet een beroep op de BNP en de AL en alle andere politieke partijen om tot overeenstemming te komen over alle controversiële kwesties met betrekking tot de verkiezingen, ten einde politiek geweld en instabiliteit te voorkomen en politieke programma's te ontwikkelen, die tot verbetering van de levensstandaard van de bevolking leiden;

7.   eist de herziening van het proces en de vrijspraak van Salah Uddin Shoaib Choudhury, omdat de aanklachten tegen hem van dien aard zijn dat alle normen van het internationale recht en de conventies die schendingen van de persvrijheid veroordelen hierdoor met de voeten worden getreden;

8.   verzoekt de autoriteiten om een einde te maken aan de sfeer van straffeloosheid en om vervolgingen in te stellen tegen de personen die gewelddaden en intimidatie hebben gepleegd tegen journalisten in Bangladesh;

9.   verzoekt de Raad en de Commissie om de situatie van de rechten van de mens, de politieke situatie en de persvrijheid in Bangladesh nauwgezet te volgen en, in het kader van de samenwerking tussen EU en Bangladesh, programma's op te zetten ter bevordering van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting;

10.   verzoekt de overgangsregering om een media-evenwicht te garanderen tijdens de verkiezingscampagne;

11.   bevestigt nog eens zijn gehechtheid aan Bangladesh's unieke traditie van religieuze verdraagzaamheid en secularisme, zoals die verankerd is in de oude culturele tradities van het land en in zijn artistieke erfgoed, zoals dat ook is onderstreept in zijn eerdere resoluties;

12.   is ingenomen met de recente veroordeling door een rechtbank van twee islamitische militanten die een tot het christendom bekeerde persoon hadden vermoord, maar bekritiseert het feit dat in deze zaak de doodstraf werd uitgesproken;

13.   is ingenomen met het besluit van de Commissie om een verkiezingswaarnemingsmissie van de EU te zenden voor waarnemingsactiviteiten bij de komende algemene verkiezingen, en dringt aan op de spoedige oprichting van een verkiezingswaarnemings-missie van het Parlement;

14.   verzoekt de Commissie om haar invloed bij andere donors en de regering van Bangladesh aan te wenden, om de goedkeuring te bevorderen van effectieve maatregelen in de zin van deze resolutie;

15.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de voorlopige regering van Bangladesh, de kiescommissie van Bangladesh en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 594.
(2) PB L 118 van 27.4.2001, blz. 48.


Iran
PDF 139kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement over Iran
P6_TA(2006)0503RC-B6-0597/2006

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties over Iran, met name betreffende de mensenrechten,

–   gelet op de Universele verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Iran allemaal partij is,

–   gezien de dialoog over mensenrechten tussen de EU en Iran,

–   gezien het 8ste jaarlijkse verslag van de EU over mensenrechten (2006) dat door de Raad op 17 oktober 2006 is vastgesteld,

–   gezien de verklaring van 20 december 2005 van het voorzitterschap van de EU over de dialoog over mensenrechten tussen de EU en Iran,

–   gezien de conclusies van de Raad van 10-11 april, 15-16 mei en 17 juli 2006, de verklaring van de Raad van 26 juli 2006 over vrijheid van meningsuiting, de verklaring van de Raad van 5 mei 2006 over mensenrechten in Iran, de verklaring van de Raad van 24 augustus 2006 over de dood van Akbar Mohammadi en de gevangenzetting van Manucher Mohammadi, en de verklaring van de Raad van 5 oktober 2006 over de persvrijheid,

–   gelet op artikel 115, lid 5 van zijn Reglement,

Algemene situatie

A.   overwegende dat de situatie in Iran met betrekking tot de uitoefening van burgerrechten en politieke vrijheden in vergelijking met vorig jaar slechter is geworden, met name sinds de presidentsverkiezingen van juni 2005, hoewel de Iraanse autoriteiten diverse malen hebben toegezegd universele waarden te zullen bevorderen,

B.   overwegende dat Iran zich heeft verplicht de mensenrechten en fundamentele vrijheden overeenkomstig de verschillende internationale instrumenten op dit gebied te bevorderen en te beschermen,

Politieke gevangenen

C.   overwegende dat de Iraanse autoriteiten hebben aangekondigd dat een door de gerechtelijke overheid opgesteld verslag gedetailleerde gegevens had opgeleverd over schendingen van de mensenrechten, o.m. van foltering en mishandeling van personen in gevangenissen en detentiecentra, maar dat daarin eveneens werd bevestigd dat maatregelen waren genomen om de gesignaleerde problemen aan te pakken,

D.   overwegende dat foltering en mishandeling van gevangenen, eenzame opsluiting, clandestiene hechtenis, toepassing van wrede, onmenselijke en vernederende straffen en de straffeloosheid van overheidsambtenaren nog steeds veel voorkomen,

E.   verontrust over het feit dat het Centrum voor de verdediging van de mensenrechten (CDHR) dat mede is opgericht door Shirin Ebadi, aan wie in 2003 de Nobelprijs voor de vrede werd toegekend en die pro bono de verdediging op zich neemt van Zahra Kazemi, Akbar Ganji en Abdoelfatah Soltani, door president Ahmadinejad in augustus 2006 tot een illegale organisatie is bestempeld en dat het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft gedreigd degenen die de activiteiten voortzetten te zullen vervolgen,

Vervolging van jonge misdadigers

F.   ernstig verontrust over het steeds toenemende aantal meldingen van doodvonnissen tegen en terechtstellingen van jeugdige misdadigers en vaststellend dat in Iran meer jongeren terecht worden gesteld dan in enig ander land,

Rechten van minderheden

G.   overwegende dat in de Iraanse grondwet een aantal minderheidsrechten worden erkend zoals het recht op een eigen taal, maar dat deze rechten tegelijkertijd grotendeels niet in de praktijk kunnen worden uitgeoefend; overwegende dat minderheidsgroepen de afgelopen maanden hebben geprotesteerd om dit soort rechten te kunnen uitoefenen, met het gevolg dat deelnemers op grote schaal gevangen zijn gezet,

H.   overwegende dat de Azeri, de grootste etnische minderheid in Iran, in mei 2006 in het openbaar als etnische minderheidsgroepering werden beledigd doordat zij op spotprenten in een dagblad van de overheid werden afgebeeld; overwegende dat andere minderheden nog steeds worden gediscrimineerd en lastig gevallen wegens hun godsdienstige of etnische achtergrond, bij voorbeeld de Koerden en de bewoners van het gebied rond de stad Ahwaz, de provinciehoofdstad van de Khuzestan waar etnische Arabieren de dienst uitmaken - deze worden bij voorbeeld uit hun dorpen verdreven aldus de verklaringen van Miloon Khotari, speciaal VN-rapporteur voor adequate huisvesting; voorts worden sommigen van hen nog steeds gevangen gehouden of zijn ter dood veroordeeld,

Godsdienstvrijheid

I.   overwegende dat naast de islam, alleen het zoroastrisme, het christendom en het jodendom bij wet erkend zijn als godsdiensten; dat de volgelingen van niet erkende godsdiensten worden gediscrimineerd en gewelddadig onderdrukt, zoals de Baha'i en de Soefi's; overwegende dat met name de Baha'i hun godsdienst niet kunnen uitoefenen en dat hen voorts steevast alle burgerrechten worden ontzegd, zoals hun recht op eigendom en hoger onderwijs;

J.   overwegende dat zelfs leden van de clerus die zich verzetten tegen het theocratische bewind in Iran gevaar lopen, zoals blijkt uit de zaak van Ayatollah Sayed Bouroujerdi die in oktober 2006 met zijn volgelingen werd gearresteerd en die nog steeds gevangen zitten,

Persvrijheid

K.   met name verontrust over het steeds toenemende aantal meldingen van willekeurige arrestaties en bedreigingen van journalisten, internetjournalisten en webloggers; overwegende dat sinds het begin van het jaar naar verluidt ten minste 16 journalisten zijn gearresteerd, waardoor Iran een van de landen is waar journalisten het hevigst worden vervolgd en de persvrijheid het hardst wordt aangepakt doordat vrijwel alle kritische dagbladen en online-periodieken worden gesloten; dat in dit verband familieleden worden lastig gevallen, journalisten reisverboden krijgen opgelegd en satellietschotels in beslag worden genomen,

L.   overwegende dat de Iraanse instanties volgens meldingen in toenemende mate Internetsites filteren en de toegang tot enkele tientallen online-publicaties en politieke, sociale en culturele weblogs onmogelijk maken; dat de Iraanse instanties door het vrije gebruik van Internet de kop in te drukken de enige mogelijkheid aanpakken waarover de Iraanse burger beschikt om niet-gecensureerde informatie te verkrijgen,

Vrouwenrechten

M.   overwegende dat Iran nog steeds niet is toegetreden tot het VN-Verdrag tot opheffing van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

N.   overwegende dat demonstraties voor wettelijke hervormingen ter beëindiging van de discriminatie van vrouwen uit elkaar zijn geslagen en dat de deelnemers zijn aangehouden, zij het dat zij vervolgens weer op vrije voeten zijn gesteld,

Schending van andere rechten

O.   overwegende dat president Mahmoud Ahmadinejad in september 2006 in het openbaar heeft aangedrongen op verwijdering van liberale en seculiere geleerden van de universiteiten; overwegende dat de Iraanse overheid steeds meer studenten ervan weerhoudt een hogere opleiding te volgen ondanks het feit dat zij geslaagd zijn voor vergelijkende toelatingsexamens; voorts overwegende dat justitie het afgelopen jaar tal van studenten heeft vervolgd en veroordeeld tot gevangenisstraffen, boetes of geseling,

P.   overwegende dat men nog steeds gevangen kan worden gezet en soms terechtgesteld voor seksuele overtredingen, o.m. seksueel verkeer met wederzijds goedvinden tussen ongehuwde volwassenen en homoseksuelen,

Q.   overwegende dat Iran in 2005 qua terechtstellingen van alle landen op de wereld de tweede plaats innam, met 282 gemelde veroordelingen tot de doodstraf waarvan er 111 werden uitgevoerd tussen oktober 2005 en september 2006; voorts ernstig verontrust over het feit dat met name vrouwen wegens seksueel wangedrag nog steeds kunnen worden veroordeeld tot de dood door steniging, hoewel in december 2002 een moratorium is ingesteld voor steniging,

R.   wijst nogmaals op de aankondiging die het hoofd van het justitieel apparaat van de islamitische republiek Iran in april 2004 heeft gedaan over het op handen zijnde verbod op foltering en de daarop aansluitende hervorming van de wetgeving door het Iraanse parlement die door de Raad van Bewakers in mei 2004 is goedgekeurd,

S.   overwegende dat er in december 2006 verkiezingen zullen plaatshebben voor de "Vergadering van deskundigen", een pijler van de gevestigde geestelijke orde, die de opperste leider kiest en diens werkzaamheden controleert, alsook van de Raad; overwegende dat inzake de raadsverkiezingen wordt gemeld dat kandidaten voor de kiesdistricten Rey en Shemiranat voor registratie geweigerd zijn en dat hervormingsgezinden hebben gedreigd de verkiezing van de Vergadering te boycotten als niet alle kandidaten worden toegelaten,

T.   ernstig verontrust over de niet-naleving van internationale normen in het kader van de rechtsbedeling, het ontbreken van waarborgen voor een behoorlijke procesvoering en het niet-eerbiedigen van internationaal erkende wettelijke waarborgen,

Schending van internationale verplichtingen

U.   overwegende dat Iran niet heeft ingestemd met een volgende ronde van de mensenrechtendialoog met de EU die in 2002 is ingesteld en waaraan Iran sinds de vierde ronde van 14 en 15 juni 2004 niet meer heeft deelgenomen, hoewel de EU vorig jaar en dit jaar herhaaldelijk heeft geprobeerd data voor te stellen voor een vijfde ronde,

V.   overwegende dat de betrekkingen van de EU met Iran gebaseerd zijn op een drievoudige benadering die wordt gekenmerkt door onderhandelingen over een handels- en samenwerkingsovereenkomst, politieke dialoog en dialoog over mensenrechten, en overwegende dat de politieke dialoog is opgeschort ten gevolge van het huidige Iraanse standpunt over het nucleaire programma van het land,

Algemene situatie

1.   maakt zich ernstig zorgen over de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Iran sedert president Ahmadinejad in juni 2005 is aangetreden;

2.   roept Iran op om aan iedereen het recht toe te kennen zijn burgerrechten en politieke vrijheden uit te oefenen en hoopt dat de Iraanse autoriteiten hun verplichtingen zullen nakomen om de universele waarden te bevorderen waartoe Iran verplicht wordt door de internationale conventies die het heeft geratificeerd;

Politieke gevangenen

3.   roept de Iraanse autoriteiten op om vaart te zetten achter het onderzoek naar verdachte overlijdens en moorden op intellectuele en politieke activisten, om de verdachten voor de rechter te brengen en om zonder voorwaarden adequate medische hulp te verlenen aan die gevangenen die in een slechte gezondheid verkeren;

4.   verzoekt de Iraanse autoriteiten om onvoorwaardelijke vrijlating van alle gewetensgevangenen, met name Keyvan Ansari, Keyvan Rafii, Kheirollah Derakhshandi, Abolfazl Jahandar en Koroush Zaim;

5.   is in dit verband verheugd over het feit dat het gewezen lid van het Iraanse parlement Sayed Ali Akbar Mousavi-Kho'ini onlangs is vrijgelaten alsook dat Ramin Jahanbegloo en Akbar Ganji reeds eerder zijn vrijgelaten; verwacht dat de heer Ganji die in oktober was uitgenodigd naar het Europees Parlement te komen, vrijelijk zonder enige belemmering naar Iran zal kunnen terugkeren;

Vervolging jeugdige criminelen

6.   staat ervan versteld dat er nog steeds minderjarigen worden terechtgesteld en veroordeeld tot steniging en dat ondanks verzekeringen van de regering, tenminste twee keer steniging is toegepast;

7.   veroordeelt krachtig de doodstraf als zodanig, veroordeelt in het bijzonder de doodstraffen tegen en terechtstelling van jeugdige criminelen en minderjarigen en roept de Iraanse autoriteiten op om de internaal erkende rechtsnormen inzake minderjarigen na te leven zoals onder de VN-Conventie over de rechten van het kind;

Minderheidsrechten

8.   verzoekt de autoriteiten om de internationaal erkende rechten te eerbiedigen van personen die behoren tot al of niet officieel erkende godsdienstige minderheden; veroordeelt het huidige niet-eerbiedigen van minderheidsrechten en bepleit dat minderheden alle rechten kunnen uitoefenen die hun worden toegekend door de Iraanse grondwet en het internationaal recht; verzoekt de autoriteiten een eind te maken aan alle vormen van discriminatie op godsdienstige of etnische gronden dan wel tegen personen die tot een minderheid behoren, zoals Koerden, Azeri's, Arabieren en Baloechi's;

9.   blijft zich zorgen maken over het lot van de advocaat Saleh Kamrani die Azeri Turken heeft verdedigd bij een proces en die op 14 juni 2006 is verdwenen; roept de Iraanse autoriteiten op om onmiddellijk een eind te maken aan de dreigende terechtstelling van de Arabieren Abdullah Suleymani, Abdulreza Sanawati Zergani, Qasem Salamat, Mohammad Jaab Pour, Abdulamir Farjallah Jaab, Alireza Asakreh, Majed Alboghubaish, Khalaf Derhab Khudayrawi, Malek Banitamim, Sa'id Saki en Abdullah Al-Mansouri;

Persvrijheid

10.   herinnert de regering van Iran aan haar verplichtingen als ondertekenaar van de Internationale Verdragen voor burgerlijke en politieke alsook economische, sociale en culturele rechten, om de fundamentele mensenrechten na te komen, met name de vrijheid van meningsuiting, en roept op om alle gevangen journalisten en web loggers vrij te laten, o.a. Motjaba Saminejad, Ahmad Raza Shiri, Arash Sigarchi en Masoud Bastani;

11.   veroordeelt de arrestaties en het gevangen zetten van cyber journalisten en web loggers en de censuur op verschillende online publicaties, web logs en internetsites omdat dit de minst gecensureerde nieuwsbron is voor het Iraanse volk; veroordeelt tevens de golf van willekeurige arrestaties van journalisten alsook de strenge beperkingen en met name het sluiten van media in Iran;

12.   verzoekt het Iraanse parlement om de Iraanse perswet en het Wetboek van strafrecht aan te passen aan het Internationale Verdrag voor de burgerlijke en politieke rechten en met name alle strafrechtelijke bepalingen te schrappen over vreedzame meningsuiting, ook in de pers;

Godsdienstvrijheid

13.   roept de Iraanse autoriteiten op om alle vormen van discriminatie op godsdienstige gronden te beëindigen; roept met name op om het de facto verbod op het praktiseren van het Baha'i-geloof in te trekken;

14.   maakt zich zorgen over de arrestatie van de twee advocaten Farshid Yadollahi en Omid Behrouzi die gevangenisstraffen hebben gekregen omdat zij betrokken waren bij de verdediging van Soefi's in Qom; maakt zich tevens zorgen over de veiligheid van Ayatollah Sayad Hossein Kazemeyni Boroujerdi die er jarenlang voor heeft gepleit om godsdienst los te koppelen van de politieke grondslag van de staat en die naar verluidt met meer dan 400 van zijn volgelingen opnieuw is gearresteerd;

Vrouwenrechten

15.   maakt zich zorgen over de voortdurende discriminatie in wet en praktijk van vrouwen ondanks enige vooruitgang; veroordeelt het gebruik van geweld en discriminatie tegen vrouwen in Iran, wat nog steeds een ernstig probleem vormt; veroordeelt tevens het gebruik van geweld door het Iraanse politieapparaat tegen vrouwen die eerder dit jaar bijeen waren gekomen om op 8 maart 2006 internationale vrouwendag te vieren; veroordeelt verder de gewelddadige onderbreking door de Iraanse politie van een vreedzame demonstratie van vrouwen en mannen op 12 juni 2006 die opkwamen voor beëindiging van wettelijke discriminatie tegen vrouwen in Iran;

16.   dringt er bij Iran op aan om de conventie te ondertekenen over afschaffing van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen; bepleit voorts om de wettelijke meerderjarigheid voor vrouwen in Iran vast te stellen op 18 jaar;

Schending van andere rechten

17.   veroordeelt krachtig de openlijke oproep door president Ahmadinejad om liberale en seculiere docenten aan universiteiten te zuiveren en pleit ervoor om al de ontslagenen terug te nemen en te laten doceren in overeenstemming met de elementaire rechten van de academische vrijheid;

18.   betreurt ten zeerste het overlijden van de studentenactivist Akbar Mahdavi Mohammadi alsmede van de politieke gevangene Valiollah Feyz als gevolg van hun hongerstaking en bepleit vrijlating van Manoucher Mohammadi; verzoekt studenten niet wegens hun vreedzame politieke activiteiten uit te sluiten van hoger onderwijs;

19.   bepleit dat seksuele betrekkingen tussen instemmende niet-gehuwde volwassenen niet worden vervolgd; bepleit om niemand wegens zijn of haar seksuele geaardheid gevangen te zetten of terecht te stellen;

20.   verzoekt de Iraanse autoriteiten er blijk van te geven dat zij hun uitgeroepen moratorium over steniging ten uitvoer leggen en bepleit onmiddellijke strenge handhaving van het verbod op foltering, zoals afgekondigd door het Iraanse parlement en goedgekeurd door de Raad van Bewakers; wenst bovendien dat het islamitische wetboek van strafrecht zodanig wordt hervormd dat steniging wordt afgeschaft;

21.   maakt zich ernstige zorgen dat bij de komende verkiezingen kandidaten zich weer niet hebben kunnen inschrijven en dat hervormingsgezinden de verkiezingen zullen boycotten vanwege de ondemocratische procedures bij de registratie voor de verkiezingen;

22.   verzoekt de Iraanse autoriteiten alles in het werk te stellen om te zorgen voor volledige toepassing van een eerlijke rechtsgang, transparante procedures door de rechterlijke macht, eerbiediging van rechten van de verdediging en billijke vonnissen in alle instanties;

Europese initiatieven

23.   roept Iran op om opnieuw aan te schuiven bij de EU-Iran mensenrechtendialoog met de Europese Unie en verzoekt de Raad en de Commissie om nauwkeurig de vinger aan de pols te houden van de ontwikkelingen in Iran en om concrete gevallen van mensenrechtenmisbruik aan de orde te stellen als basisvoorwaarde voor vooruitgang bij de economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en Iran;

24.   verzoekt de Commissie om in nauwe samenwerking met het Europees Parlement effectief gebruik te maken van het nieuwe instrument voor democratie en mensenrechten zodat democratie en eerbiediging van de mensenrechten in Iran, zoals steun aan niet-gecensureerde media, vrijuit kunnen functioneren;

25.   verzoekt de Raad om na te gaan hoe het Parlement kan worden ingeschakeld bij de regelmatige bijstelling van het Gemeenschappelijk standpunt nr. 2001/931/GBVB van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme(1), daarbij rekeninghoudend met de ontwikkelingen vanaf 2001;

26.   is verheugd over het eerste bezoek van een Majlis-delegatie aan het Europees Parlement in oktober en spreekt zijn hoop uit dat deze vruchtbare uitwisseling alsook deze resolutie onderdeel kunnen vormen van een continue dialoog die kan leiden tot een geleidelijke toenadering tussen Iran en de Europese Unie op basis van gedeelde waarden zoals verankerd in het VN-Handvest en de VN-Verdragen;

o
o   o

27.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-commissie voor de mensenrechten, het Hoofd van het Opperste Gerechtshof van Iran en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

(1) PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93.

Juridische mededeling - Privacybeleid