Resolutie van het Europees Parlement over de mensenrechtensituatie van de Dalits in India
Het Europees Parlement,
– gezien de hoorzitting die de Commissie ontwikkelingssamenwerking heeft gehouden op 18 december 2006,
– gezien zijn resolutie inzake de economische en handelsbetrekkingen van de EU met India van 28 september 2006(1) en zijn jaarlijkse resoluties over de mensenrechten van 2000, 2002, 2003 en 2005,
– gezien de Algemene Aanbeveling XXIX (discriminatie op grond van afkomst) die op 22 augustus 2002 werd aangenomen door de VN-commissie inzake de uitbanning van discriminatie op grond van ras en de 48 maatregelen die door de verdragsluitende partijen dienen te worden genomen,
– gezien het onderzoek dat verricht is door de VN-subcommissie inzake de bevordering en de bescherming van de mensenrechten, waarin ontwerpbeginselen en -richtsnoeren voor de uitbanning van 'discriminatie op grond van werk en afkomst' worden ontwikkeld en met inachtneming van het voorlopig verslag dat is opgesteld door de speciale rapporteurs over discriminatie op grond van werk en afkomst,
– gezien de verscheidene bepalingen in de Grondwet van India ter bescherming en bevordering van de rechten van de Dalits, die betrekking hebben op ten minste 167 miljoen mensen, met o.a.: afschaffing van de praktijk van de onaanraakbaarheid; verbod op discriminatie op grond van kaste; gelijke kansen op overheidsbetrekkingen; positieve discriminatie op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid en politiek door voorbehouden plaatsen in overheidsinstanties en vertegenwoordigende lichamen; alsmede gezien de talrijke wetgevende maatregelen tot afschaffing van enkele van de ernstigste praktijken van onaanraakbaarheid en kastendiscriminatie, met inbegrip van schuldarbeid, het met de hand ruimen van menselijke uitwerpselen en wreedheden tegen Dalits,
– gezien de nationale mensenrechtencommissie, de Nationale en overheidscommissies voor geregistreerde kasten (kastelozen) en de Nationale Safai Karamchari-commissie (die zich bezighoudt met de problematiek van het met de hand ruimen van menselijke uitwerpselen),
– gelet op artikel 91 en artikel 90, lid 4 van zijn Reglement,
A. overwegende dat India de grootste functionerende democratie ter wereld is waar iedere burger een gelijk stemrecht heeft, de vorige president van India een Dalit was en het staatshoofd een Dalit was en dat Dalits minister zijn geweest; dat er Hindoe-denkrichtingen zijn die kastendiscriminatie verwerpen en uitsluiting zien als een aberratie van hun geloof,
B. overwegende dat Dalits en vergelijkbare groepen ook worden aangetroffen in Nepal, Pakistan en Bangladesh,
C. overwegende dat de nationale mensenrechtencommissie van India heeft bericht dat de implementatie van de wet inzake geregistreerde kasten en stammen (ter voorkoming van wreedheden) zeer onbevredigend blijft en dat zij vele aanbevelingen heeft gedaan om dit probleem aan te pakken;
D. overwegende dat er dagelijks zevenentwintig officieel gerapporteerde wreedheden worden begaan tegen Dalits maar dat politieagenten Dalits de toegang tot politiebureaus ontzeggen en weigeren aangiften van Dalits aan te nemen en zich regelmatig schuldig maken aan het straffeloos martelen van Dalits;
E. overwegende dat, ondanks het feit dat vele Dalits geen aangifte doen uit angst voor represailles van dominante kasten, uit officiële politiestatistieken blijkt dat er de afgelopen vijf jaar wekelijks gemiddeld dertien Dalits zijn vermoord, dat er wekelijks vijf bezittingen of woningen van Dalits zijn verbrand, dat er wekelijks zes Dalit-kinderen zijn ontvoerd, dat er dagelijks drie Dalit-vrouwen worden verkracht, dat er dagelijks elf Dalits in elkaar worden geslagen en dat er elke achttien minuten een Dalit slachtoffer is van een misdrijf(2);
F. overwegende dat uit een recent onderzoek naar onaanraakbaarheid op het platteland van India(3), dat betrekking had op 565 dorpen in elf deelstaten, is gebleken dat in 33% van de dorpen gezondheidswerkers van de overheid weigerden de huizen van Dalits te bezoeken, dat Dalits de toegang tot politiebureaus in 27,6% van de dorpen wordt ontzegd, dat Dalit-kinderen in 37,8% van de overheidsscholen apart moeten zitten, dat Dalits in 23,5% van de dorpen geen post thuis krijgen bezorgd en dat Dalits in 48,4% van de dorpen geen toegang hebben tot waterbronnen vanwege segregatie en onaanraakbaarheidpraktijken;
G. overwegende dat de helft van de Dalit-kinderen in India ondervoed is, dat 21% van hen lijdt aan ernstig ondervoeding en dat 12% van hen sterft voor de vijfde verjaardag(4);
H. overwegende dat onaanraakbaarheid in scholen ertoe heeft geleid dat de percentages voortijdig schoolverlaten en analfabetisme onder Dalit-kinderen vele malen hoger ligt dan gemiddeld, waarbij de 'alfabetisme-kloof' tussen Dalits en niet-Dalits al sinds de onafhankelijkheid van India amper kleiner is geworden en dat slechts 37,8% van de Dalit-vrouwen op het platteland van India niet analfabeet is(5);
I. overwegende dat Dalit-vrouwen, die naast de 'tribale' vrouwen in India tot de armste van de armsten behoren, zowel gebukt gaan onder discriminatie op grond van afkomst als op grond van geslacht, bloot staan aan ernstige schendingen van hun lichamelijke integriteit, met inbegrip van straffeloos seksueel misbruik door dominante kasten, sociaal worden uitgesloten en economisch worden uitgebuit;
J. overwegende dat de nationale commissie voor de geregistreerde kasten onderfinanciering en onderbesteding van de middelen heeft vastgesteld die voor Dalit-welzijn en -ontwikkeling ter beschikking zijn gesteld in het kader van het speciaal componentplan voor de geregistreerde kasten;
K. overwegende dat Dalits het slachtoffer zijn van schuld- en dwangarbeid en dat zij op tal van markten worden gediscrimineerd, zowel op de arbeidsmarkt, de huizenmarkt, de consumentenmarkt, de kapitaalmarkt als de kredietmarkt; dat zij minder loon betaald krijgen en geconfronteerd worden met langere werktijden, trage uitbetaling van lonen en verbale of lichamelijke agressie;
1. is verheugd over de verschillende bepalingen in de Grondwet van India ter bescherming en bevordering van de rechten van Dalits; merkt echter op dat het ondanks deze bepalingen ernstig schort aan de tenuitvoerlegging van de wetgeving ter bescherming van de rechten van de Dalits en dat zij bloot blijven staan aan wreedheden, onaanraakbaarheid, analfabetisme, ongelijke kansen, manueel strontruimen, onderbetaling van lonen, schuldarbeid en landloosheid;
2. uit zijn bezorgdheid over de geringe mate waarin de plegers van dergelijke misdaden worden veroordeeld en dringt er bij de regering van India op aan zijn rechtsstelsel te verbeteren om de registratie van aangiften tegen plegers van misdaden tegen Dalits te vergemakkelijken zodat meer plegers veroordeeld worden, de lengte van juridische procedures aanzienlijk te bekorten, en speciale maatregelen te treffen ter bescherming van Dalit-vrouwen;
3. is verheugd over het recente verbod om kinderen aan te nemen als bedienden en werknemers in eethuisjes, restaurants, theestalletjes e.d. en dringt er bij de Indiase regering op aan verdere maatregelen te treffen om alle vormen van kinderarbeid af te schaffen;
4. dringt er bij de Indiase regering op aan dringend stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de Dalits gelijke toegang krijgen tot politiebureaus en alle overige overheidsinstanties en -faciliteiten, met inbegrip van de instanties die te maken hebben met de democratische structuur, zoals panchayat-gebouwen (lokalen van plaatselijke bestuurslichamen) en stembureaus;
5. is verheugd over het fiscaal beleid van de Indiase planningcommissie en de verschillende ministeries om begrotingsmiddelen beschikbaar te stellen voor het welzijn en de ontwikkeling van de Dalits, en dringt er bij de regering van India op aan om ervoor te zorgen dat alle beleids- en begrotingsmaatregelen die er ten behoeve van het welzijn en de ontwikkeling van de Dalits worden getroffen, ook volledig en binnen de gestelde termijnen worden uitgevoerd, inclusief de volledige implementatie van het speciale componentplan voor de geregistreerde kasten;
6. dringt er bij de Indiase regering op aan om zich samen met de relevante VN-mensenrechtenorganen meer in te zetten voor de effectieve uitbanning van discriminatie op grond van kaste, met inbegrip van de commissie inzake de uitbanning van rassendiscriminatie en de speciale rapporteurs van de VN die zijn aangesteld om beginselen en richtsnoeren te ontwikkelen voor de uitbanning van discriminatie op grond van werk en afkomst;
7. dringt er bij de Indiase regering op aan het VN-verdrag ter voorkoming van foltering en andere wrede, onmenselijke of mensonterende behandeling of bestraffing te ratificeren en preventieve maatregelen te nemen om het risico te beperken dat Dalits worden blootgesteld aan foltering, om wettelijke maatregelen te treffen om folterpraktijken in India strafbaar te stellen, strafmaatregelen te treffen om politieagenten te vervolgen die zich schuldig hebben gemaakt aan foltering, en slachtoffers van folterpraktijken stelselmatig in aanmerking te laten komen voor rehabilitatie en compensatie en een onafhankelijke klachtenregeling in te stellen voor slachtoffers van foltering die toegankelijk is voor Dalits;
8. merkt met bezorgdheid op dat de EU de Indiase regering, met name in het kader van de EU-India topconferenties, niet dringender aanspreekt op het enorme probleem van kastendiscriminatie;
9. dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de kwestie van de kastendiscriminatie tijdens EU-India-toppen ter sprake te brengen, alsmede tijdens andere bijeenkomsten waar gesproken wordt over politiek, mensenrechten, burgermaatschappij en handel en de betreffende commissies op de hoogte te houden van de vooruitgang en het resultaat van dergelijke bijeenkomsten;
10. dringt er bij de EU-leden van het gezamenlijk actiecomité op aan de dialoog over de problematiek van de kastendiscriminatie op gang te brengen tijdens de beraadslagingen over democratie en mensenrechten, sociaal beleid, werkgelegenheidsbeleid en ontwikkelingssamenwerking;
11. herhaalt dat het ervan uit gaat dat de EU-ontwikkelingsprogramma's in India specifieke maatregelen bevatten om ervoor te zorgen dat minderheden als de Dalits en Adivasis en andere gemarginaliseerde gemeenschappen, stammen en kasten in staat zijn de brede kloof met de rest van de bevolking te overbruggen met betrekking tot de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen;
12. herhaalt zijn eis dat de Raad en de Commissie een hoge prioriteit moeten toekennen aan de bevordering van gelijke kansen op werkgelegenheid in particuliere uit de EU afkomstige bedrijven en dat zij deze bedrijven moeten aanmoedigen de 'Ambedkar-beginselen' toe te passen (Werkgelegenheid en aanvullende beginselen betreffende economische en sociale uitsluiting om buitenlandse bedrijven in Zuid-Azië te helpen de kastendiscriminatie tegen te gaan);
13. is verheugd over de steun van de EU voor de ontwikkeling van de beginselen en richtsnoeren voor de uitbanning van discriminatie op grond van werk en afkomst van de VN-subcommissie inzake de bevordering en de bescherming van de mensenrechten, en dringt er bij de Commissie en de Raad op aan deze steun te handhaven;
14. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten, de president, de regering en het parlement van India, de VN-secretaris-generaal, en de hoofden van de VN-subcommissie inzake de bevordering en de bescherming van de mensenrechten, de Internationale Arbeidsorganisatie, UNICEF, de Wereldbank en het International monetair fonds.
Gebaseerd op cijfers die zijn gepubliceerd in Crime in India, http://ncrb.nic.in/crime2005/home.htm en http://ncrb.nic.in/crime2005/cii-2005/CHAP7.pdf.
National Family Health Survey, commissioned by the Indian Ministery of Health and Family Welfare, 1998-99 (last survey available), p. 11, http://www.nfhsindia.org/data/india/indch6.pdf