Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 1 februari 2007 - Brussel
Bescherming van inzittenden tegen de verplaatsing van bagage ***
 Goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft ***
 Overeenkomst EG/Korea voor wetenschappelijke en technologische samenwerking *
 Mainstreaming van duurzaamheid in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2007
 Mensenrechtensituatie van de Dalits in India
 Partnerschapsovereenkomst inzake visserij EG/Gabon *
 Moratorium op de doodstraf
 Bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging: een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten
 Verjaringstermijnen voor grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot persoonlijk letsel en dodelijke ongevallen
 Discriminatie van vrouwen en meisjes in het onderwijs
 Betrekkingen tussen de EU en de eilanden in de Stille Oceaan - strategie voor versterkt partnerschap
 Statuut van de Europese besloten vennootschap

Bescherming van inzittenden tegen de verplaatsing van bagage ***
PDF 194kWORD 32k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het standpunt van de Gemeenschap over het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake de goedkeuring van niet als oorspronkelijke uitrustingsstukken geleverde scheidingssystemen die gebruikt worden om inzittenden tegen de verplaatsing van bagage te beschermen (11523/2006 – C6-0346/2006 – 2006/0035(AVC))
P6_TA(2007)0011A6-0473/2006

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het ontwerpbesluit van de Raad (11523/2006)(1),

–   gezien het verzoek van de Raad om instemming overeenkomstig artikel 4, lid 2, tweede streepje van Besluit 97/836/EG van de Raad(2) (C6-0346/2006),

–   gelet op artikel 75, lid 1 en artikel 43, lid 1 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A6-0473/2006),

1.   stemt in met het voorstel voor een besluit van de Raad;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Nog niet in PB gepubliceerd.
(2) Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen ("Herziene overeenkomst van 1958") (PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78).


Goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft ***
PDF 193kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het standpunt van de Gemeenschap over het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake de goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft (11522/2006 – C6-0347/2006 – 2006/0041(AVC))
P6_TA(2007)0012A6-0472/2006

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien de ontwerpverordening van de Raad (11522/2006)(1),

–   gezien het verzoek van de Raad om instemming overeenkomstig artikel 4, lid 2, tweede streepje van Besluit 97/836/EG van de Raad(2) (C6-0347/2006),

–   gelet op artikel 75, lid 1 en artikel 43, lid 1van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A6-0472/2006),

1.   stemt in met het voorstel voor een verordening van de Raad;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Nog niet in PB gepubliceerd.
(2) Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen ("Herziene overeenkomst van 1958") (PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78).


Overeenkomst EG/Korea voor wetenschappelijke en technologische samenwerking *
PDF 190kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Korea (COM(2006)0422 – C6-0438/2006 – 2006/0141(CNS))
P6_TA(2007)0013A6-0470/2006

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2006)0422)(1),

–   gezien de ontwerpovereenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek Korea,

–   gelet op artikel 170 en artikel 300, lid 2, eerste alinea van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0438/2006),

–   gelet op artikel 51, artikel 83, lid 7 en artikel 43, lid 1 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0470/2006),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Korea.

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.


Mainstreaming van duurzaamheid in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid
PDF 218kWORD 95k
Resolutie van het Europees Parlement over mainstreaming van duurzaamheid in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid (2006/2246(INI))
P6_TA(2007)0014A6-0474/2006

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 177, 178, 179, 180 en 181 van het EG-Verdrag,

–   gezien de vernieuwde EU-strategie inzake duurzame ontwikkeling die op 15-16 juni 2006 in Brussel door de Europese Raad is goedgekeurd, en gelet op de eerdere EU-strategie inzake duurzame ontwikkeling, die in 2001 door de Europese Raad in Gotenburg was goedgekeurd, en op de externe dimensie van de strategie die door de Europese Raad is toegevoegd in Barcelona in 2002,

–   gezien het uitvoeringsplan van Johannesburg dat is goedgekeurd op de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling (WSSD) in 2002,

–   gezien Agenda 21, goedgekeurd op de VN conferentie inzake milieu en ontwikkeling in Rio de Janeiro in 1992,

–   gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds(1), ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000, in het bijzonder de artikelen 19, 23 en 32 daarvan,

–   gezien de Millenniumverklaring aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN in 2000, de daarin neergelegde millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's) en het rapport van de VN uit 2005 inzake investeren in ontwikkeling,

–   gezien de Verklaring van Parijs inzake de effectiviteit van de hulp van 2 maart 2005 van het Parijse forum op hoog niveau,

–   gezien de Monterrey Consensus van 2002 aangenomen tijdens de VN-conferentie over financiering van ontwikkeling,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "EU-bijstand: meer, beter en sneller helpen" (COM(2006)0087), en de conclusies van de Raad (Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen) die daarop gebaseerd is, van 11 april 2006,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: De Europese Consensus(2), ondertekend op 20 december 2005,

–   gelet op de EU-strategie "De EU en Afrika: naar een strategisch partnerschap", goedgekeurd door de Europese Raad op 15 en 16 december 2005 te Brussel bijeen, en de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-Caribisch Partnerschap voor groei, stabiliteit en ontwikkeling" (COM(2006)0086),

–   gelet op de mededeling van de Commissie getiteld "Herziening van de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling: een actieplatform" (COM(2005)0658),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Herziening 2005 van de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling: eerste balans en krachtlijnen voor de toekomst" (COM(2005)0037) en bijlage (SEC(2005)0225)),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken" (COM(2005)0134),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Waterbeheer in ontwikkelingslanden – beleid en prioriteiten in de ontwikkelingssamenwerking van de Europese Unie" (COM(2002) 0132),

–   gezien het Waterinitiatief van de EU (EUWI), aangekondigd op de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling in Johannesburg in 2002,

–   gezien het Europees energie-initiatief, aangenomen op de WSSD, en de mededeling van de Commissie betreffende de toekomstige ontwikkeling van het EU energie-initiatief en de voorwaarden voor de oprichting van een Energiefaciliteit voor de ACS-landen (COM(2004)0711),

–   gezien de economische samenwerkingsovereenkomsten tussen de EU en de zes regio's van de ACS-landen, welke in 2008 in werking zullen treden,

–   gezien het Doha-werkprogramma, dat op 2 augustus 2004 door de Algemene Raad van de WTO is goedgekeurd,

–   gezien het rapport inzake de veertiende vergadering van de VN-commissie voor duurzame ontwikkeling, 22 april 2005 en 1-12 mei 2006,

–   gezien de mededeling van de heer Almunia aan de leden van de Commissie getiteld "Duurzame ontwikkelingsindicatoren voor het monitoren van de implementatie van de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling" (SEC(2005)0161),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "EU-strategie voor Afrika: naar een Europees-Afrikaans pact voor een snellere ontwikkeling van Afrika" (COM(2005)0489),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Sneller vorderingen boeken om de ontwikkelingsdoelstellingen van het millennium te bereiken – Financiering met het oog op de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp" (COM(2005)0133),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken – De bijdrage van de Europese Unie" (COM(2005)0132),

–   gezien de publicatie van de VN-conferentie inzake handel en ontwikkeling getiteld "Economische ontwikkeling in Afrika – een heroverweging van de rol van directe buitenlandse investeringen" uit 2005,

–   gezien het economische rapport over Afrika 2004 getiteld "Unlocking Africa's Trade Potential" van de Economische Commissie voor Afrika van de VN,

–   gezien het rapport van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) uit 2001 getiteld "De DAC-richtlijnen: Strategieën voor duurzame ontwikkeling",

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld "Een beoordeling van de Europese duurzaamheidsstrategie" van 28 april 2004,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Klimaatverandering in de context van ontwikkelingssamenwerking" (COM(2003)0085),

–   gezien het werkdocument van de Commissie over "De integratie van milieuoverwegingen in het beleid op andere gebieden – een inventaris van het proces van Cardiff" (COM(2004)0394),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Bestrijding van plattelandsarmoede - Beleid en maatregelen van de Europese Gemeenschap voor plattelandsontwikkeling en het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen in ontwikkelingslanden" (COM(2002)0429),

–   gezien het syntheserapport van november 2004 inzake de evaluatie van de verordeningen betreffende het milieu en de tropische bossen 2493/2000 en 2494/2000, besteld door de gemeenschappelijke afdeling evaluatie van de Dienst voor Samenwerking Europe Aid, het Directoraat-generaal voor buitenlandse betrekkingen en het Directoraat-generaal Ontwikkeling,

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem op vrijwillige basis voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (COM(2004)0515),

–   gezien het werkdocument van de Commissie getiteld "De integratie van het milieu in economische en ontwikkelingssamenwerking" (SEC(2001)0609),

–   gezien de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen uit 2000,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 januari 1999 over de EU-normen voor in ontwikkelingslanden werkende Europese bedrijven: naar een Europese gedragscode(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 juni 2006 over kleine en middelgrote ondernemingen in de ontwikkelingslanden(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 april 2006 over de doeltreffendheid van hulp en de corruptie in ontwikkelingslanden(5),

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 18 januari 2006 over de milieuaspecten van duurzame ontwikkeling(6) en van 15 juni 2006 over de herziening van de duurzame ontwikkelingsstrategie(7),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0474/2006),

A.   overwegende dat duurzame ontwikkeling zoals gedefinieerd in het rapport-Brundtland uit 1987 van de wereldcommissie milieu en ontwikkeling inhoudt dat aan de behoeften van de huidige generatie tegemoet gekomen moet worden, zonder de kansen van toekomstige generaties daarbij teniet te doen; overwegende dat er met name voor moet worden gezorgd dat de aarde ruimte kan blijven geven aan het leven in al zijn diversiteit, dat de grenzen aan de natuurlijke rijkdommen gerespecteerd worden en dat duurzame productie en consumptie bevorderd worden, zodat de koppeling tussen economische groei en de aantasting van het milieu doorbroken kan worden,

B.   overwegende dat het concept van duurzame ontwikkeling een fundamentele doelstelling is geweest van de EU sinds 1997, toen deze in het Verdrag werd opgenomen als een overkoepelend principe, en dus ten grondslag zou moeten liggen aan al het beleid en alle handelingen van de Europese Unie,

C.   overwegende dat in het concept van duurzame ontwikkeling sociale, milieu- en economische thema's niet als tegenstrijdige thema's worden beschouwd, maar juist als van elkaar afhankelijke en elkaar versterkende zaken,

D.   overwegende dat een van de belangrijkste doelstellingen van de herziene EU-strategie voor duurzame ontwikkeling het actief wereldwijd bevorderen van duurzame ontwikkeling is,

E.   overwegende dat de ontwikkelingssamenwerking van de EU gericht is op het cultiveren van duurzame economische, milieu- en sociale ontwikkeling in ontwikkelingslanden, het zacht en geleidelijk integreren van de ontwikkelingslanden in de wereldeconomie en leveren van een bijdrage aan een campagne voor armoedevermindering in ontwikkelingslanden,

F.   overwegende dat de voortgang van niet-duurzame trends in zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden op vele gebieden, zoals grondpotentieel, transport, klimaatverandering, visserij, verarming van de biodiversiteit of het gebruik van natuurlijke hulpbronnen vooral negatieve gevolgen heeft voor de armen in ontwikkelingslanden,

G.   overwegende dat meer dan een miljard mensen, met name in de minst ontwikkelde landen (MOL), in extreme armoede leven, met minder dan 1 USD per dag te besteden, en dat tussen de 1,5 en 3 miljard mensen onder de armoedegrens van 2 USD per dag leven,

H.   overwegende dat twee derde van de arme wereldbevolking op het platteland leeft en voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van natuurlijke rijkdommen(8), dat 90% van de meer dan een miljard extreem armen afhangt van de aanwezigheid van bossen(9), en dat voor meer dan een miljard mensen ter wereld, voor het merendeel in arme gemeenschappen, vis de bron is van ten minste 30% van hun dierlijke eiwitten(10),

I.   overwegende dat de officiële ontwikkelingshulp (ODA) die voor Afrika bestemd is nog steeds behoorlijk onder de piek van 1990 ligt en dat er volgens een schatting een jaarlijks tekort is dat tussen de 20 en 25 miljard USD ligt,

J.   overwegende dat de EU-lidstaten zich ertoe hebben verbonden om de ODA-doelstelling van een bijdrage van 0,7% van het bruto nationaal inkomen (BNI) te bereiken tegen 2015, en dat de nieuwe lidstaten zich ertoe hebben verbonden om de ODA/BNI-verhouding te verhogen tot een niveau van 0,33% tegen 2015,

K.   overwegende dat het uitroeien van de armoede slechts kan leiden tot duurzame consumptie en duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen in ontwikkelingslanden als het is verankerd in pogingen om het niveau van onderwijs, gezondheidszorg en institutionele capaciteit te verhogen; overwegende dat armoedebestrijding alleen positieve resultaten zal opleveren als ecologische en natuurlijke hulpbronnen op een duurzame manier worden beheerd,

L.   overwegende dat het naleven van democratische standaarden en het oprichten en versterken van transparante en efficiënte staatsinstellingen en in het bijzonder administratieve diensten cruciaal zijn om economische, sociale en milieutechnische problemen in ontwikkelingslanden op een effectieve manier op te lossen,

M.   overwegende dat corruptie de doeltreffendheid van hulp ondermijnt en daarmee ook de ontwikkelingsbeleidsmaatregelen van de EU, en dus een serieuze belemmering vormt voor de ontwikkeling in partnerlanden van de EU,

N.   overwegende dat nieuwe aanpakken nodig zijn om ervoor te zorgen dat markten zodanig functioneren dat duurzame ontwikkeling haalbaar is; net zo moet de particuliere sector zich inzetten om rechtvaardige en duurzame samenlevingen te realiseren,

O.   overwegende dat het ontbreken van een effectief rechtssysteem en van economische en intellectuele eigendomsrechten een ernstige obstakel vormt in het genereren van een investeringsklimaat dat duurzame economische ontwikkeling en daarmee ook sociale vooruitgang in vele van de minst ontwikkelde landen stimuleert,

P.   overwegende dat krachtig ontwikkelingsbeleid en substantiële ontwikkelingshulp belangrijk zijn, maar slechts tot veranderingen zullen leiden als ze efficiënt worden vertaald in coherent ontwikkelingsbeleid in de ontvangende landen en als die de mogelijkheden en bedreigingen in het leefmilieu durven te erkennen en op een duurzame manier durven aan te pakken,

Q.   overwegende dat de reeds aangehaalde publicatie getiteld "Economische ontwikkeling in Afrika – een heroverweging van de rol van directe buitenlandse investeringen" laat zien dat het verbinden van hulp aan milieubescherming armoede werkelijk kan doen verminderen,

R.   overwegende dat illegale houtkap schade toebrengt aan het milieu, de overheden in ontwikkelingslanden miljarden dollars kost aan verloren inkomsten, corruptie bevordert, de rechtsstaat en behoorlijk bestuur ondermijnt en gewapende conflicten financiert,

S.   overwegende dat 2,6 miljard mensen, meer dan 40% van de wereldbevolking, geen toegang hebben tot schoon drinkwater, en dat een miljard mensen onveilige drinkwaterbronnen gebruiken,

T.   overwegende dat als men natuurlijke hulpbronnen blijft vervuilen, aantasten of uitputten, dit kan leiden tot conflictsituaties in vele ontwikkelingslanden,

U.   overwegende dat de economieën van ontwikkelingslanden verzwakt worden door schommelingen in de energieprijzen en lijden onder een gebrek aan energiediversificatie, waarbij dergelijke landen vaak een belangrijk deel van hun handelsoverschotten gebruiken voor de import van energie, hetgeen een negatief effect heeft op de ontwikkeling van de economieën van die landen,

V.   overwegende dat een sterke bevolkingsgroei één van de uitdagingen is voor duurzame ontwikkeling, ten gevolge van het misbruiken van natuurlijke rijkdommen, wat leidt tot ernstige aantasting van het milieu,

1.   is verheugd over het feit dat de herziene EU-strategie voor duurzame ontwikkeling opnieuw benadrukt dat het bevorderen van duurzame ontwikkeling wereldwijd een van de belangrijkste doelstellingen is van de EU;

2.   is verheugd over het feit dat in de reeds aangehaalde Europese consensus inzake ontwikkeling het uitroeien van armoede in de context van duurzame ontwikkeling als hoofd- en overkoepelende doelstelling is geformuleerd van de ontwikkelingssamenwerking van de EU;

3.   is van mening dat het bevorderen van duurzame economische groei en het uitroeien van armoede, terwijl het milieu daarbij beschermd blijft, de belangrijkste uitdagingen vormen van het beleid van de EU inzake ontwikkelingssamenwerking, en dat ze niet bereikt kunnen worden zonder sociale en ecologische doelstellingen te formuleren, zoals bescherming van het milieu, een billijke toegang tot de voordelen van natuurlijke rijkdommen en een eerlijke verdeling ervan;

4.   benadrukt dat een verschuiving naar een gelijkwaardiger toegang tot en verdeling van natuurlijke hulp- en energiebronnen een eerste vereiste is voor duurzame ontwikkeling en een intrinsiek onderdeel vormt van de menselijke waardigheid;

5.   is verheugd over de opname van een thematisch programma voor milieu en duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen en energie, in Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(11);

6.   benadrukt het belang om de drie componenten van duurzame ontwikkeling, namelijk milieubescherming, sociale rechtvaardigheid en cohesie en economische welvaart, fatsoenlijk te integreren en te implementeren in al het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid; verzoekt de Commissie om dit proces regelmatig te evalueren;

7.   bepleit versterkte mechanismen voor het beoordelen van vooruitgang met het oog op het behalen van de doelen die vastgelegd zijn in het reeds aangehaalde uitvoeringsplan van Johannesburg en de MOD's, zoals een sterker engagement voor duurzame ontwikkeling, ervoor zorgen dat economische, sociale en milieuaspecten een vast onderdeel uitmaken van duurzame ontwikkeling en het bevorderen van de rechtsstaat en overheidsinstanties en overige zaken;

8.   herinnert eraan dat duurzame ontwikkeling een thema is dat op meerdere sectoren betrekking heeft en duurzame ontwikkeling slechts op harmonieuze wijze in de praktijk kan worden gebracht als er in alle sectoren een versterking plaats vindt van de beleidscoherentie;

9.   benadrukt dat meer inspanningen nodig zijn om de huidige niet-duurzame ontwikkelingen te bestrijden, met name die welke leiden tot de uitstoot van broeikasgassen, het uitputten van de visstand en de verarming van de biodiversiteit; wat het laatstgenoemde betreft verzoekt het Parlement alle betrokken belanghebbenden om de benodigde maatregelen te nemen om werkelijk de doelstelling van het omwerpen van de verarming van de biodiversiteit voor 2010 te behalen;

10.   dringt er bij de Commissie op aan om haar inspanningen inzake milieukwesties, zoals het beheer van natuurlijke rijkdommen, in belangrijke onderdelen van het ontwikkelingsbeleid te "mainstreamen";

11.   verzoekt de Commissie de verlening van de steun in de landen waar zij actief is, af te stemmen op de nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling;

12.   verzoekt de EU om ontwikkelingslanden te adviseren hoe zij instrumenten kunnen ontwikkelen om de ecologische gevolgen van hun beleid inzake (het beheer van) natuurlijke rijkdommen te kunnen meten; deze zouden vervolgens kunnen worden ingezet als onderdeel van de samenwerkingsprogramma's met die landen;

13.   benadrukt nogmaals de noodzaak om de ecologische voetafdruk van de EU in de wereld te monitoren, aangezien het laat zien dat de EU zich inzet om wereldwijd duurzame ontwikkeling te bevorderen;

14.   benadrukt het belang van bescherming van de biodiversiteit en stelt dat dit ofwel als nieuw hoofdpunt moet worden toegevoegd aan de duurzaamheidsstrategie ofwel dat dit thema ten minste bijzondere nadruk krijgt in het onderdeel over het beheer van natuurlijke rijkdommen;

15.   verzoekt de Commissie om met de ACS-landen samen te werken om te vermijden dat giftig afval illegaal gedumpt wordt, zowel door de plaatselijke gemeenschap als door internationale verhandelaars die uit de EU afkomstig zijn en van daaruit opereren;

16.   benadrukt de noodzaak om ontwikkelingslanden te helpen om problemen ten gevolge van klimaatveranderingen te lijf te gaan en om de nodige stappen te ondernemen voor meer steun voor investeringen in schone en efficiënte technologieën in de ontwikkelingslanden; erkent ook dat de EU dringend haar doelstellingen moet halen inzake emissiereductie, en op dat vlak zelfs verder moet gaan, teneinde grenzen te stellen aan een onrustbarende klimaatverandering die de armsten en de ontwikkelingslanden het zwaarst zou treffen;

17.   verlangt dat de EU de nodige initiatieven neemt om onze ontwikkelingspartners te helpen de verbintenissen na te komen die ze tijdens recente onderhandelingen op wereldniveau (Kyoto, Monterrey, Doha, Johannesburg) aangegaan zijn inzake een strategie voor duurzame ontwikkeling, en in het bijzonder inzake de strijd tegen een klimaatverandering waarvan hun bevolking het eerste slachtoffer zal zijn;

18.   pleit voor de ontwikkeling en de verspreiding van alternatieve energietechnologieën en benadrukt de noodzaak om het wereldwijde aandeel van hernieuwbare energiebronnen aanzienlijk te vergroten;

19.   verzoekt de Commissie om projecten te starten met Europese bedrijven die gespecialiseerd zijn in hernieuwbare energie om het transport en de consumptie van milieuvriendelijke energiebronnen voor individueel en bedrijfsgebruik in ontwikkelingslanden mogelijk te maken en te verbeteren;

20.   benadrukt dat infrastructuren een essentieel onderdeel kunnen vormen van duurzame ontwikkeling als ze aan milieu- en sociale vereisten voldoen en roept de Commissie op ervoor te zorgen dat er strategische milieubeoordelingen en milieueffectrapportages uitgevoerd en openbaar gemaakt worden voor elk programma en elk project dat financiële steun van de EU krijgt, in het bijzonder voor het in de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement (COM(2006)0376) voorgestelde EU-Afrika-partnerschap voor infrastructuur, waarmee de EU steun zal worden geboden aan grensoverschrijdende infrastructuurprojecten en kloven in regionale infrastructuurprojecten kunnen worden gedicht, en dat volgens het idee van de reeds aangehaalde Europese consensus inzake ontwikkeling alle lidstaten de mogelijkheid dient te bieden om onafhankelijk van een directe bijdrage projectvoorstellen in te dienen;

21.   wijst erop dat de economische duurzaamheid van elk infrastructuurproject - eventueel in aansluiting op hervormingen van het tariefbeleid - aangetoond moet worden en dat de ecologische duurzaamheid niet in gevaar gebracht mag worden;

22.   is zich bewust van het aantal grensoverschrijdende en gedeelde watervoorraden in Afrika en van de kwetsbaarheid van watervoorraden bij klimaatverandering, overmatige wateronttrekking en vervuiling; verzoekt de Commissie binnen het EU-Afrika-partnerschap voor infrastructuur een geïntegreerd beleid inzake watervoorraden te bevorderen en er zo voor te zorgen dat er voldoende water is om zowel het menselijk comfort als de duurzaamheid van het leefmilieu te garanderen;

23.   beseft dat grote infrastructuurprojecten ernstige sociale en milieugevolgen kunnen hebben; stelt voor beslissingen inzake grote damprojecten te nemen op basis van de criteria van de Wereldcommissie voor dammen, zoals de aanwezigheid van een alternatievenanalyse en inspraak van de burger;

24.   dringt aan op vergroting van het aandeel van de ontwikkelingshulp dat bestemd is voor projecten die gericht zijn op het vergroten van de bewustwording inzake milieu- en gezondheidsthema's;

25.   betreurt dat de externe dimensie van de Europese duurzaamheidsstrategie niet nauwer verbonden is met gezondheidszorgkwesties zoals HIV/AIDS en tuberculose; benadrukt dat deze kwesties zowel binnen de EU als wereldwijd aangepakt moeten worden;

26.   benadrukt dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, NGO's en met name vrouwen bij het debat en het besluitvormingsproces inzake duurzame ontwikkeling essentieel is om bewustwording over dit thema te bereiken; onderstreept het belang van onderwijs om duurzame ecologische keuzes te stimuleren, vooral onder de armere bevolking;

27.   verzoekt de Commissie haar steun te verlenen aan de capaciteitsopbouw binnen en de participatie door plaatselijke gemeenschappen en inheemse volken in ontwikkelingslanden en daarbij te zorgen dat ook zij toegang krijgen tot natuurlijke rijkdommen en deze mede kunnen beheren en controleren;

28.   benadrukt dat het voor een dergelijke grotere participatie nodig is dat de relevante informatie op een doorzichtige wijze beschikbaar is en dat de toegankelijkheid van EU-documenten verbeterd wordt;

29.   dringt aan op duurzame ontwikkelingsindicatoren voor toepassing in verband met het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de EU en op verbeterde meldings- en controlemechanismen inzake biodiversiteit en ecologische duurzaamheid;

30.   dringt aan op een veel serieuzere inzet van oude en nieuwe lidstaten om de doelstelling van 0,7% van het BNI voor ontwikkelingshulp te halen;

31.   benadrukt de noodzaak om compatibiliteit te bereiken tussen multilaterale milieuovereenkomsten zoals het Protocol van Kyoto en het WTO-kader, met name voor wat betreft de toepassing van Artikel XX van het algemeen akkoord inzake tarieven en handel (GATT) inzake algemene uitzonderingen die worden gemaakt voor maatregelen als: (b) maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van mens, dier, plant of gezondheid; en (g) maatregelen inzake de instandhouding van niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, mits dergelijke maatregelen worden getroffen in combinatie met beperkingen van de nationale productie of consumptie; bevestigt in dit verband nogmaals het belang van effectrapportages over de ecologische duurzaamheid met betrekking tot handelsvoorstellen;

32.   roept de Verenigde Staten, China en India op het Protocol van Kyoto te ratificeren en samen met de EU de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor duurzame ontwikkeling overal ter wereld;

33.   benadrukt dat de EU de schadelijke gevolgen van exportsubsidies voor ontwikkelingslanden, en in het bijzonder op de MOL, moet heroverwegen en meer inspanningen moet leveren om deze subsidies af te schaffen door middel van internationaal handelsoverleg;

34.   benadrukt nogmaals het belang van schuldverlichting voor die MOL waarvan de overheden de principes van mensenrechten en behoorlijk bestuur respecteren;

35.   is van mening dat het Europees Netwerk voor duurzame ontwikkeling als focus zou kunnen dienen om ervaringen en best practices uit te wisselen door bijvoorbeeld "peer review"-mechanismen;

36.   is van mening dat de oprichting van een permanent advies- en monitoringsorgaan voor duurzame ontwikkeling, dat de lidstaten en de maatschappelijke organisaties vertegenwoordigt en dat de mainstreaming van het concept in beleidsmaatregelen en programma's van de EU nauwkeurig onderzoekt, met een bijzondere aandacht voor ontwikkelingssamenwerking, van groot belang zou zijn en cruciale steun zou verlenen aan de gemengde ambtelijke werkgroep van de Commissie voor ecologische mainstreaming bij ontwikkelingssamenwerking;

37.   benadrukt dat ontwikkelde landen vooraan zouden moeten staan bij het propageren van het concept van duurzame ontwikkeling;

38.   benadrukt dat duurzame ontwikkeling samengaat met duurzame instellingen, vandaar de behoefte aan beperkende maatregelen, zoals het verbinden van schuldverlichting aan het respecteren van mensenrechten en behoorlijk bestuur; is van mening dat dit tot een donor-donor-dynamiek zou kunnen leiden en tot een vorm van ontwikkelingssamenwerking die gebaseerd is op de principes van gelijkheid, samenwerking en zeggenschap;

39.   benadrukt dat de versterking van het midden- en kleinbedrijf (MKB) zeer belangrijk is voor het bevorderen van ecologische, sociale en economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden; verzoekt daarom om grotere inspanningen, samen met de overheden van de partnerlanden, om beleid, programma's en projecten te ontwikkelen die gunstig zijn voor de ontwikkeling van midden- en kleinbedrijven die werken volgens de principes van duurzame ontwikkeling; herhaalt zijn voorstel om regionale instellingen die het MKB doen groeien te steunen en te financieren;

40.   roept de lidstaten van de OESO op om ontwikkelingslanden te helpen, door ze meer toegang te bieden tot noodzakelijke investeringsstromen en markten en door efficiëntere ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's;

41.   staat positief tegenover een focus op het BBP om de groei van een maatschappij te meten, mits deze gepaard gaat met een gelijkwaardige aandacht voor de kwalitatieve aspecten van de groei, aangezien dit een eerste vereiste is voor duurzame ontwikkeling;

42.   benadrukt de noodzaak om aanvullende maatregelen te treffen zoals duurzame belastingmaatregelen en overheidsopdrachten en de beperking en geleidelijke afschaffing van subsidies die zowel handelsverstorend als schadelijk voor het milieu zijn;

43.   verzoekt de particuliere sector van ontwikkelde en ontwikkelingslanden om over te gaan tot het aannemen en het naleven van gedragscodes voor het bedrijfsleven, waarin hun bijdrage aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling publiek wordt uiteengezet;

44.   verzoekt de Commissie om regelmatig de effectiviteit van de gedragscode voor Europese bedrijven die actief zijn in ontwikkelingslanden te beoordelen en erover te rapporteren, vooral met betrekking tot de toepassing van de vereisten voor duurzame ontwikkeling;

45.   is verheugd over de houding van de Commissie inzake het internationaal propageren van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO); dringt er bij de Commissie echter op aan om MVO een toegevoegde waarde te geven door meer bindende voorschriften op te stellen voor Europese bedrijven die actief zijn in ontwikkelingslanden, met name voor wat de belangrijkste arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en milieubescherming betreft;

46.   herinnert de Commissie aan het belang om haar ontwikkelingsprogramma's te baseren op transparantie en verantwoording, aangezien corruptie in ontwikkelingslanden vaak een versterkend effect heeft op niet-duurzame ontwikkelingen, bijvoorbeeld in het geval van illegale houtkap; benadrukt het belang om het oprichten van onafhankelijke anti-corruptiewaakhonden in ontwikkelingslanden te steunen door voldoende financiële middelen beschikbaar te stellen voor dergelijke projecten;

47.   verzoekt de Commissie om met de lidstaten samen te werken om degenen die zich schuldig gemaakt hebben aan de invoer van illegaal hout en houtproducten, op te sporen en voor het gerecht te brengen, en om de ACS-landen te steunen in hun strijd tegen de handel en afzet van dergelijke producten;

48.   herhaalt het belang van buitenlandse directe investeringen in ontwikkelingslanden en moedigt de Commissie en de lidstaten aan om hun beleid inzake ontwikkelingssamenwerking zodanig uit te stippelen dat de huidige staat van de economische instellingen en het investeringsklimaat in ontwikkelingslanden verbeteren;

49.   wijst erop dat de plaatselijke gemeenschappen in ontwikkelingslanden niet altijd over de nodige financiële middelen beschikken om grootschalige investeringen te doen voor de bouw en het onderhoud van infrastructuurnetwerken, bijvoorbeeld voor watervoorziening of riolering, en dat enkel bijkomend privékapitaal in een publiek-private samenwerking voor voldoende financiering zal zorgen;

50.   herhaalt het verzoek aan de Commissie om duidelijke steun te verlenen aan het FLEGT-vergunningenstelsel en de opgestelde vrijwillige samenwerkingsovereenkomsten (VSO's); is van oordeel dat bijzondere aandacht besteed moet worden aan het overtuigen van partnerlanden om de VSO's te ondertekenen en het vergunningenstelsel te hanteren, waarbij het voor de partnerlanden niet mogelijk mag zijn om dit stelsel te ontwijken door naar derde landen te exporteren waar geen vergunningenstelsels zijn;

51.   benadrukt het belang van een versterking van de sociale dialoog met lokale bedrijven in ontwikkelingslanden om samenwerking en gemeenschappelijke verantwoordelijkheden te bevorderen teneinde tot duurzame consumptie en productie te komen, en om in dit verband uitwisseling van ervaring te ondersteunen tussen landen in het Zuiden en het Noorden, alsook tussen landen in het Zuiden onderling;

52.   verzoekt de Commissie om tijdens de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten bijzondere nadruk te leggen op strategieën die een grotere differentiatie van de export uit ACS-landen bevorderen en groei- en ontwikkelingsmodellen ondersteunen die vanuit een ecologisch perspectief duurzaam en vanuit een sociaal perspectief rechtvaardig zijn;

53.   bevestigt nogmaals dat het voor ontwikkelingslanden van cruciaal belang is dat zij toegang hebben tot energiebronnen; verzoekt daarom om energietoegang te bevorderen via het Europees energie-initiatief en door het belang van energie-efficiëntie in ontwikkelingsprogramma's op te vijzelen;

54.   benadrukt dat in een situatie van chaotische stedelijke groei de vraag van water en riolering in de stad cruciaal is voor verdere ontwikkeling: plaatselijke overheidsdiensten kunnen de kern vormen van een goede gemeentelijke praktijk van democratisch bestuur;

55.   verzoekt de ontwikkelingslanden, met het oog op een duurzame exploitatie van hun watervoorraden, de waterhuishouding op lokaal niveau te decentraliseren om gebruikers en beleidsmakers te betrekken bij de ontwikkeling van een watervoorzieningsbeleid dat zo veel mogelijk rekening houdt met de behoeften van de burgers;

56.   vraagt dat de lokale overheden in de EU gestimuleerd worden om een deel van de gebruikersbijdragen voor toe- en afvoer van water te gebruiken voor gedecentraliseerde samenwerkingsacties teneinde projecten te financieren die bedoeld zijn om de beschikbaarheid van water in ontwikkelingslanden te verbeteren;

57.   verlangt dat de EU bijdraagt tot de ontwikkeling van strategieën voor economische en agrarische ontwikkeling die een hoge waterkwaliteit in stand houden of herstellen, van de bron tot de eindgebruiker;

58.   is van mening dat het noodzakelijk is om het concept van duurzame ontwikkeling te integreren in het onderzoeks- en innovatieproces;

59.   verzoekt alle partijen om concrete duurzame ontwikkelingsdoelstellingen te formuleren voor de korte en lange termijn en om de vooruitgang die wordt geboekt teneinde deze doelen te bereiken te monitoren;

60.   is van mening dat, met het oog op de beleidscoherentie voor ontwikkeling, in verband met immigratie, de lidstaten tot een gemeenschappelijke overeenkomst zullen komen om de met immigratie gepaard gaande uitdagingen aan te gaan; herinnert er in deze context aan dat speciale aandacht zal moeten worden besteed aan overschrijvingen van migrerende arbeiders en het mogelijk omzetten van "brain-drainbeleid" naar brain-gainprocessen; benadrukt dat de EU geen brain-drain mag genereren in ontwikkelingslanden op de lange termijn;

61.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten en de kandidaat-landen.

(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(2) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(3) PB C 104 van 14.4.1999, blz.180.
(4) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 171.
(5) PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 316.
(6) PB C 287 E van 24.11.2006, blz. 185.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0272.
(8) WWF (2004) EU Aid: Reducing Poverty Through a Sustainable Environment: Why should EU Aid properly address the link between poverty and environment?
(9) World Bank (2002) A Revised Forest Strategy for the World Bank Group, 31.10.2002.
(10) FAO (2002). The State of World Fisheries and Aquaculture. FAO, Rome, Italy.
(11) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2007
PDF 198kWORD 31k
Resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2007 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007: akkoord trialoog van 28 november 2006 - Structuurfondsen, Europees Visserijfonds, Europees Investeringsfonds en Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, Afdeling III - Commissie (5739/2007 – C6-0060/2007 – 2006/2303(BUD))
P6_TA(2007)0015A6-0010/2007

Het Europees Parlement,

–   gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 272, lid 4, voorlaatste alinea daarvan,

–   gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 177 daarvan,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(1), en met name op de artikelen 37 en 38 daarvan,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, definitief vastgesteld op 14 december 2006 ,

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(2),

–   gezien het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2007 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, ingediend door de Commissie op 20 december 2006 (SEC(2006)1776),

–   gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2007, opgesteld door de Raad op 30 januari 2007 (5739/2007 – C6-0060/2007),

–   gelet op artikel 69 en Bijlage IV van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0010/2007),

A.   overwegende dat technische aanpassingen noodzakelijk zijn om het resultaat van de trialoogbijeenkomst van 28 november 2006 in aanmerking te nemen en uit te voeren in de begroting van de Europese Unie voor 2007,

B.   overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2007 opneming van die aanpassingen beoogt,

1.   is ingenomen met het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2007;

2.   hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2007;

3.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 (PB L 390 van 30.12.2006, blz. 1).
(2) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Mensenrechtensituatie van de Dalits in India
PDF 128kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement over de mensenrechtensituatie van de Dalits in India
P6_TA(2007)0016B6-0021/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien de hoorzitting die de Commissie ontwikkelingssamenwerking heeft gehouden op 18 december 2006,

–   gezien zijn resolutie inzake de economische en handelsbetrekkingen van de EU met India van 28 september 2006(1) en zijn jaarlijkse resoluties over de mensenrechten van 2000, 2002, 2003 en 2005,

–   gezien de Algemene Aanbeveling XXIX (discriminatie op grond van afkomst) die op 22 augustus 2002 werd aangenomen door de VN-commissie inzake de uitbanning van discriminatie op grond van ras en de 48 maatregelen die door de verdragsluitende partijen dienen te worden genomen,

–   gezien het onderzoek dat verricht is door de VN-subcommissie inzake de bevordering en de bescherming van de mensenrechten, waarin ontwerpbeginselen en -richtsnoeren voor de uitbanning van 'discriminatie op grond van werk en afkomst' worden ontwikkeld en met inachtneming van het voorlopig verslag dat is opgesteld door de speciale rapporteurs over discriminatie op grond van werk en afkomst,

–   gezien de verscheidene bepalingen in de Grondwet van India ter bescherming en bevordering van de rechten van de Dalits, die betrekking hebben op ten minste 167 miljoen mensen, met o.a.: afschaffing van de praktijk van de onaanraakbaarheid; verbod op discriminatie op grond van kaste; gelijke kansen op overheidsbetrekkingen; positieve discriminatie op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid en politiek door voorbehouden plaatsen in overheidsinstanties en vertegenwoordigende lichamen; alsmede gezien de talrijke wetgevende maatregelen tot afschaffing van enkele van de ernstigste praktijken van onaanraakbaarheid en kastendiscriminatie, met inbegrip van schuldarbeid, het met de hand ruimen van menselijke uitwerpselen en wreedheden tegen Dalits,

–   gezien de nationale mensenrechtencommissie, de Nationale en overheidscommissies voor geregistreerde kasten (kastelozen) en de Nationale Safai Karamchari-commissie (die zich bezighoudt met de problematiek van het met de hand ruimen van menselijke uitwerpselen),

–   gelet op artikel 91 en artikel 90, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat India de grootste functionerende democratie ter wereld is waar iedere burger een gelijk stemrecht heeft, de vorige president van India een Dalit was en het staatshoofd een Dalit was en dat Dalits minister zijn geweest; dat er Hindoe-denkrichtingen zijn die kastendiscriminatie verwerpen en uitsluiting zien als een aberratie van hun geloof,

B.   overwegende dat Dalits en vergelijkbare groepen ook worden aangetroffen in Nepal, Pakistan en Bangladesh,

C.   overwegende dat de nationale mensenrechtencommissie van India heeft bericht dat de implementatie van de wet inzake geregistreerde kasten en stammen (ter voorkoming van wreedheden) zeer onbevredigend blijft en dat zij vele aanbevelingen heeft gedaan om dit probleem aan te pakken;

D.   overwegende dat er dagelijks zevenentwintig officieel gerapporteerde wreedheden worden begaan tegen Dalits maar dat politieagenten Dalits de toegang tot politiebureaus ontzeggen en weigeren aangiften van Dalits aan te nemen en zich regelmatig schuldig maken aan het straffeloos martelen van Dalits;

E.   overwegende dat, ondanks het feit dat vele Dalits geen aangifte doen uit angst voor represailles van dominante kasten, uit officiële politiestatistieken blijkt dat er de afgelopen vijf jaar wekelijks gemiddeld dertien Dalits zijn vermoord, dat er wekelijks vijf bezittingen of woningen van Dalits zijn verbrand, dat er wekelijks zes Dalit-kinderen zijn ontvoerd, dat er dagelijks drie Dalit-vrouwen worden verkracht, dat er dagelijks elf Dalits in elkaar worden geslagen en dat er elke achttien minuten een Dalit slachtoffer is van een misdrijf(2);

F.   overwegende dat uit een recent onderzoek naar onaanraakbaarheid op het platteland van India(3), dat betrekking had op 565 dorpen in elf deelstaten, is gebleken dat in 33% van de dorpen gezondheidswerkers van de overheid weigerden de huizen van Dalits te bezoeken, dat Dalits de toegang tot politiebureaus in 27,6% van de dorpen wordt ontzegd, dat Dalit-kinderen in 37,8% van de overheidsscholen apart moeten zitten, dat Dalits in 23,5% van de dorpen geen post thuis krijgen bezorgd en dat Dalits in 48,4% van de dorpen geen toegang hebben tot waterbronnen vanwege segregatie en onaanraakbaarheidpraktijken;

G.   overwegende dat de helft van de Dalit-kinderen in India ondervoed is, dat 21% van hen lijdt aan ernstig ondervoeding en dat 12% van hen sterft voor de vijfde verjaardag(4);

H.   overwegende dat onaanraakbaarheid in scholen ertoe heeft geleid dat de percentages voortijdig schoolverlaten en analfabetisme onder Dalit-kinderen vele malen hoger ligt dan gemiddeld, waarbij de 'alfabetisme-kloof' tussen Dalits en niet-Dalits al sinds de onafhankelijkheid van India amper kleiner is geworden en dat slechts 37,8% van de Dalit-vrouwen op het platteland van India niet analfabeet is(5);

I.   overwegende dat Dalit-vrouwen, die naast de 'tribale' vrouwen in India tot de armste van de armsten behoren, zowel gebukt gaan onder discriminatie op grond van afkomst als op grond van geslacht, bloot staan aan ernstige schendingen van hun lichamelijke integriteit, met inbegrip van straffeloos seksueel misbruik door dominante kasten, sociaal worden uitgesloten en economisch worden uitgebuit;

J.   overwegende dat de nationale commissie voor de geregistreerde kasten onderfinanciering en onderbesteding van de middelen heeft vastgesteld die voor Dalit-welzijn en -ontwikkeling ter beschikking zijn gesteld in het kader van het speciaal componentplan voor de geregistreerde kasten;

K.   overwegende dat Dalits het slachtoffer zijn van schuld- en dwangarbeid en dat zij op tal van markten worden gediscrimineerd, zowel op de arbeidsmarkt, de huizenmarkt, de consumentenmarkt, de kapitaalmarkt als de kredietmarkt; dat zij minder loon betaald krijgen en geconfronteerd worden met langere werktijden, trage uitbetaling van lonen en verbale of lichamelijke agressie;

1.   is verheugd over de verschillende bepalingen in de Grondwet van India ter bescherming en bevordering van de rechten van Dalits; merkt echter op dat het ondanks deze bepalingen ernstig schort aan de tenuitvoerlegging van de wetgeving ter bescherming van de rechten van de Dalits en dat zij bloot blijven staan aan wreedheden, onaanraakbaarheid, analfabetisme, ongelijke kansen, manueel strontruimen, onderbetaling van lonen, schuldarbeid en landloosheid;

2.   uit zijn bezorgdheid over de geringe mate waarin de plegers van dergelijke misdaden worden veroordeeld en dringt er bij de regering van India op aan zijn rechtsstelsel te verbeteren om de registratie van aangiften tegen plegers van misdaden tegen Dalits te vergemakkelijken zodat meer plegers veroordeeld worden, de lengte van juridische procedures aanzienlijk te bekorten, en speciale maatregelen te treffen ter bescherming van Dalit-vrouwen;

3.   is verheugd over het recente verbod om kinderen aan te nemen als bedienden en werknemers in eethuisjes, restaurants, theestalletjes e.d. en dringt er bij de Indiase regering op aan verdere maatregelen te treffen om alle vormen van kinderarbeid af te schaffen;

4.   dringt er bij de Indiase regering op aan dringend stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de Dalits gelijke toegang krijgen tot politiebureaus en alle overige overheidsinstanties en -faciliteiten, met inbegrip van de instanties die te maken hebben met de democratische structuur, zoals panchayat-gebouwen (lokalen van plaatselijke bestuurslichamen) en stembureaus;

5.   is verheugd over het fiscaal beleid van de Indiase planningcommissie en de verschillende ministeries om begrotingsmiddelen beschikbaar te stellen voor het welzijn en de ontwikkeling van de Dalits, en dringt er bij de regering van India op aan om ervoor te zorgen dat alle beleids- en begrotingsmaatregelen die er ten behoeve van het welzijn en de ontwikkeling van de Dalits worden getroffen, ook volledig en binnen de gestelde termijnen worden uitgevoerd, inclusief de volledige implementatie van het speciale componentplan voor de geregistreerde kasten;

6.   dringt er bij de Indiase regering op aan om zich samen met de relevante VN-mensenrechtenorganen meer in te zetten voor de effectieve uitbanning van discriminatie op grond van kaste, met inbegrip van de commissie inzake de uitbanning van rassendiscriminatie en de speciale rapporteurs van de VN die zijn aangesteld om beginselen en richtsnoeren te ontwikkelen voor de uitbanning van discriminatie op grond van werk en afkomst;

7.   dringt er bij de Indiase regering op aan het VN-verdrag ter voorkoming van foltering en andere wrede, onmenselijke of mensonterende behandeling of bestraffing te ratificeren en preventieve maatregelen te nemen om het risico te beperken dat Dalits worden blootgesteld aan foltering, om wettelijke maatregelen te treffen om folterpraktijken in India strafbaar te stellen, strafmaatregelen te treffen om politieagenten te vervolgen die zich schuldig hebben gemaakt aan foltering, en slachtoffers van folterpraktijken stelselmatig in aanmerking te laten komen voor rehabilitatie en compensatie en een onafhankelijke klachtenregeling in te stellen voor slachtoffers van foltering die toegankelijk is voor Dalits;

8.   merkt met bezorgdheid op dat de EU de Indiase regering, met name in het kader van de EU-India topconferenties, niet dringender aanspreekt op het enorme probleem van kastendiscriminatie;

9.   dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de kwestie van de kastendiscriminatie tijdens EU-India-toppen ter sprake te brengen, alsmede tijdens andere bijeenkomsten waar gesproken wordt over politiek, mensenrechten, burgermaatschappij en handel en de betreffende commissies op de hoogte te houden van de vooruitgang en het resultaat van dergelijke bijeenkomsten;

10.   dringt er bij de EU-leden van het gezamenlijk actiecomité op aan de dialoog over de problematiek van de kastendiscriminatie op gang te brengen tijdens de beraadslagingen over democratie en mensenrechten, sociaal beleid, werkgelegenheidsbeleid en ontwikkelingssamenwerking;

11.   herhaalt dat het ervan uit gaat dat de EU-ontwikkelingsprogramma's in India specifieke maatregelen bevatten om ervoor te zorgen dat minderheden als de Dalits en Adivasis en andere gemarginaliseerde gemeenschappen, stammen en kasten in staat zijn de brede kloof met de rest van de bevolking te overbruggen met betrekking tot de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen;

12.   herhaalt zijn eis dat de Raad en de Commissie een hoge prioriteit moeten toekennen aan de bevordering van gelijke kansen op werkgelegenheid in particuliere uit de EU afkomstige bedrijven en dat zij deze bedrijven moeten aanmoedigen de 'Ambedkar-beginselen' toe te passen (Werkgelegenheid en aanvullende beginselen betreffende economische en sociale uitsluiting om buitenlandse bedrijven in Zuid-Azië te helpen de kastendiscriminatie tegen te gaan);

13.   is verheugd over de steun van de EU voor de ontwikkeling van de beginselen en richtsnoeren voor de uitbanning van discriminatie op grond van werk en afkomst van de VN-subcommissie inzake de bevordering en de bescherming van de mensenrechten, en dringt er bij de Commissie en de Raad op aan deze steun te handhaven;

14.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten, de president, de regering en het parlement van India, de VN-secretaris-generaal, en de hoofden van de VN-subcommissie inzake de bevordering en de bescherming van de mensenrechten, de Internationale Arbeidsorganisatie, UNICEF, de Wereldbank en het International monetair fonds.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0388.
(2) Gebaseerd op cijfers die zijn gepubliceerd in Crime in India, http://ncrb.nic.in/crime2005/home.htm en http://ncrb.nic.in/crime2005/cii-2005/CHAP7.pdf.
(3) Gepubliceerd als Untouchability in Rural India door Shah, Mander Thorat, Deshpande en Baviskar, Sage Publications, India, 2006.
(4) National Family Health Survey, commissioned by the Indian Ministery of Health and Family Welfare, 1998-99 (last survey available), p. 11, http://www.nfhsindia.org/data/india/indch6.pdf
(5) Volkstelling in India van 2001.


Partnerschapsovereenkomst inzake visserij EG/Gabon *
PDF 198kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de sluiting van een partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Gabon (COM(2006)0454 – C6-0303/2006 – 2006/0156(CNS))
P6_TA(2007)0017A6-0477/2006

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een verordening van de Raad (COM(2006)0454)(1),

–   gelet op artikel 300, lid 2, eerste alinea van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0303/2006),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0477/2006),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het voorstel voor een verordening van de Raad, als geamendeerd door het Parlement, alsmede aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Gabon.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis) De financiële tegenprestatie van de EG zal worden gebruikt voor de ontwikkeling van de kustbevolking die afhankelijk is van de visserij, en voor de oprichting van kleine lokale invriezings- en verwerkingsbedrijven.
Amendement 2
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
In het laatste jaar van de geldigheidsduur van het protocol en voordat er een nieuwe overeenkomst wordt gesloten of de geldigheidsduur van de aan deze verordening gehechte overeenkomst wordt verlengd, legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing van de overeenkomst en de omstandigheden waaronder deze ten uitvoer werd gelegd.
Amendement 3
Artikel 3 ter (nieuw)
Artikel 3 ter
De Commissie brengt jaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de resultaten van het meerjarige sectorale programma bedoeld in artikel 7 van het protocol.
Amendement 4
Artikel 3 quater (nieuw)
Artikel 3 quater
Op basis van het door de Commissie ingevolge artikel 3 bis ingediende verslag en na raadpleging van het Europees Parlement, verleent de Raad de Commissie in voorkomend geval een onderhandelingsmandaat met het oog op de sluiting van een nieuw protocol.
Amendement 5
Artikel 3 quinquies (nieuw)
Artikel 3 quinquies
De Commissie beoordeelt elk jaar of lidstaten waarvan de vaartuigen in het kader van de overeenkomst vissen, zich houden aan de aangiftevereisten.

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.


Moratorium op de doodstraf
PDF 113kWORD 34k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement ten gunste van een wereldwijd moratorium op de doodstraf
P6_TA(2007)0018RC-B6-0032/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties over een wereldwijd moratorium op de doodstraf en met name de resoluties van 23 oktober 2003(1), 6 mei 1999(2) en 18 juni 1998(3),

–   gezien de resoluties over het moratorium op de doodstraf die werden aangenomen door diverse VN-organen, zoals de VN-Commissie voor de mensenrechten,

–   gezien de verklaringen van de EU ter ondersteuning van een wereldwijd moratorium op de doodstraf en met name de verklaring over de afschaffing van de doodstraf van 19 december 2006 in de Algemene Vergadering van de VN, die werd ondertekend door 85 landen uit alle delen van de wereld,

–   gezien de richtsnoeren voor het EU-beleid ten aanzien van derde landen over de doodstraf, aangenomen door de Raad Algemene Zaken op 29 juni 1998,

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de doodstraf een wrede en onmenselijke straf is en een schending van het recht op leven;

B.   overwegende dat de afschaffing van de doodstraf een fundamentele waarde van de Europese Unie is en een voorwaarde is om lid te kunnen worden van de EU,

C.   overwegende dat het zorgwekkend is dat de doodstraf nog heden ten dage in de nationale wetgeving van tientallen landen voorkomt en zelfs opnieuw is ingevoerd, met als gevolg dat jaarlijks duizenden mensen worden terechtgesteld;

D.   overwegende dat de doodstraf echter in steeds meer landen wordt afgeschaft, en in dit verband zijn voldoening uitsprekend over de volledige afschaffing van de doodstraf in Liberia, Mexico, de Filippijnen en Moldavië in de afgelopen jaren en over de verwerping door het Peruviaanse Congres van een wetsontwerp tot invoering van de doodstraf voor terroristische misdrijven,

E.   overwegende dat de Europese Unie in het kader van zijn richtsnoeren voor het EU-beleid ten aanzien van derde landen over de doodstraf die werden goedgekeurd, heeft besloten in het kader van internationale organen te streven naar afschaffing van de doodstraf;

F.   overwegende dat de Italiaanse regering en de Raad van Europa op 9 januari 2007 besloten hebben samen te werken bij het vergaren van zoveel mogelijk steun voor een initiatief van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties om te komen tot een wereldwijd moratorium op terechtstellingen, met als uiteindelijk doel de volledige afschaffing van de doodstraf;

G.   overwegende dat op de Italiaanse Kamer van Afgevaardigden op 27 juli 2006 met algemene stemmen een resolutie heeft aangenomen waarin de Italiaanse regering wordt verzocht om op de volgende Algemene Vergadering van de VN, na overleg met de EU-partners, maar zonder dat unanieme instemming van alle lidstaten van de EU nodig is, een voorstel voor een resolutie over een wereldwijd moratorium op de doodstraf voor te leggen met het oog op de volledige afschaffing van de doodstraf in de wereld; dat in de Raad Algemene Zaken van de Europese Unie op 22 januari 2007 overeengekomen is dat het Duitse voorzitterschap van de EU te New York zal nagaan wat de mogelijkheden en modaliteiten zijn om het debat te heropenen en het voorstel voor een wereldwijd moratorium op de doodstraf te bespreken,

H.   de terechtstelling van Saddam Hoessein en het mediaspektakel rond zijn ophanging veroordelend, en de wijze waarop deze werd uitgevoerd betreurend,

1.   bevestigt nogmaals dat het sinds jaar en dag tegenstander is van de doodstraf in alle gevallen en onder alle omstandigheden en spreekt eens te meer als zijn overtuiging uit dat afschaffing van de doodstraf bijdraagt tot de ondersteuning van de menselijke waardigheid en een gestage verbetering van de mensenrechtensituatie;

2.   verlangt een onmiddellijk en onvoorwaardelijk wereldwijd moratorium op de tenuitvoerlegging van de doodstraf met als doel wereldwijde afschaffing ervan, en wel door middel van een resolutie in die zin van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarvan de feitelijke toepassing door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties moet kunnen worden gecontroleerd;

3.   verzoekt het EU-Voorzitterschap om spoedig de nodige stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat een dergelijke resolutie op korte termijn wordt voorgelegd aan de Algemene Vergadering van de VN en verzoekt het EU-Voorzitterschap en de Commissie het Parlement op de hoogte te stellen van de resultaten die in de Algemene Vergadering worden bereikt inzake een wereldwijd moratorium op de doodstraf;

4.   dringt er bij de EU-instellingen en de lidstaten op aan, in de politieke en diplomatieke sfeer alles in het werk te stellen om binnen de Algemene Vergadering van de VN optimale steun voor deze resolutie te verkrijgen;

5.   steunt met kracht het initiatief van de Italiaanse Kamer van Afgevaardigden en de regering van Italië, dat wordt gesteund door de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie en de Raad van Europa;

6.   dringt er met klem bij alle EU-lidstaten op aan om het Tweede Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) met het oog op de volledige afschaffing van de doodstraf onverwijld te ratificeren;

7.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN en aan alle VN-lidstaten.

(1) PB C 82 E van 1.4.2004, blz. 609.
(2) PB C 279 van 1.10.1999, blz. 421.
(3) PB C 210 van 6.7.1998, blz. 207.


Bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging: een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten
PDF 156kWORD 72k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging: een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten (2006/2231(INI))
P6_TA(2007)0019A6-0450/2006

Het Europees Parlement,

–   gelet op het groenboek van de Commissie (COM(2005)0637),

–   gelet op de wereldstrategie voor voeding, lichaamsbeweging en gezondheid aangenomen op de 57e jaarlijkse bijeenkomst van de lidstaten van de wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 22 mei 2004,

–   gelet op de resolutie van de Raad van 14 december 2000 betreffende gezondheid en voeding(1),

–   gelet op de conclusies van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken van 3 juni 2005 over zwaarlijvigheid, voeding en lichaamsbeweging,

–   gelet op de informele bijeenkomst van de EU-ministers van sport op 19-20 september 2005 tijdens welke de Britse voorzitter heeft voorgesteld om een werkgroep over sport en gezondheid op te richten,

–   gelet op de oproep van wetenschappers tijdens het 10e Internationale Congres over obesitas (ICO 2006) van 3 tot en met 8 september 2006 in Sydney,

–   gezien de conclusies van de conferentie op hoog niveau van experten van het Finse voorzitterschap over volksgezondheid in alle beleidslijnen, gehouden te Kuopio op 20 en 21 september 2006,

–   gelet op artikel 45 van het Reglement,

–   gelet op het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0450/2006),

A.   overwegende dat het aantal personen dat aan obesitas lijdt in de Europese Unie de afgelopen dertig jaar spectaculair is gestegen, dat het groeitempo van het verschijnsel hetzelfde is als in de Verenigde Staten aan het begin van de jaren negentig en dat bijna 27% van de mannen en 38% van de vrouwen in Europa tegenwoordig worden beschouwd als lijdend aan overgewicht of obesitas,

B.   overwegende dat de toenemende prevalentie van obesitas, met name bij kinderen, niet beperkt blijft tot de EU en andere rijke landen, maar ook een dramatische stijging vertoont in verschillende ontwikkelingslanden,

C.   overwegende dat in de EU-27 tevens meer dan vijf miljoen kinderen lijden aan obesitas en dat het toenamepercentage alarmerend is, met bijna 300.000 nieuwe gevallen per jaar,

D.   overwegende dat onderzoek heeft uitgewezen dat gehandicapten een groter obesitasrisico lopen als gevolg van een aantal factoren waaronder pathofysiologische veranderingen van het energiemetabolisme en de constitutie van het lichaam, spieratrofie en gebrek aan lichaamsbeweging,

E.   overwegende dat de energie-inname onder grote groepen van de bevolking sinds de jaren vijftig van de twintigste eeuw stabiel is, maar dat veranderingen in de levensstijl geleid hebben tot een afname van zowel de lichaamsbeweging als het lichamelijke werk en daardoor de energievereisten zijn afgenomen, wat een onbalans heeft veroorzaakt tussen energiebehoeften en energievoorziening,

F.   overwegende dat talrijke projecten en studies hebben bevestigd dat er bij het optreden van obesitas sprake is van vroegtijdige ongelijkheden die verband houden met het sociaaleconomische milieu, dat de ziekte frequenter voorkomt als het gezin beschikt over weinig financiële middelen en een onvoldoende opleidingsniveau,

G.   overwegende dat op passende wijze rekening moet worden gehouden met de verschillende voedingsgewoonten en consumptiepatronen in de lidstaten, wanneer een EU-actieplan voor de bevordering van een gezonde leefstijl wordt vastgesteld,

H.   overwegende dat het rapport van de WHO uit 2005 over de gezondheid in Europa aantoont dat een groot aantal sterfgevallen en ziekten veroorzaakt worden door zeven belangrijke risicofactoren, waarvan zes (hypertensie, cholesterol, een te hoge body mass index, onvoldoende consumptie van groenten en fruit, gebrek aan lichaamsbeweging en overmatig alcoholgebruik) samenhangen met voedingsgewoonten en lichaamsbeweging en dat het dus belangrijk is deze gezondheidsbepalende factoren met dezelfde prioriteit aan te pakken ten einde een aanzienlijk aantal sterfgevallen en ziekten te voorkomen,

I.   overwegende dat gezonde voeding moet worden beschouwd als voeding met bepaalde kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen zoals energie-inhoud die in overeenstemming zijn met individuele behoeften en altijd in overeenstemming zijn met voedingstechnische beginselen,

J.   overwegende echter dat de Europese Unie, krachtens de bevoegdheden die haar worden verleend door de verdragen, een essentiële rol dient te spelen op het gebied van consumentenbescherming via het stimuleren van een gezonde voeding en het eten van groente en fruit, maar dat de maatregelen van de Gemeenschap ter bevordering van lichaamsbeweging en sport uiteraard een aanvulling moeten vormen op de maatregelen die genomen worden door de lidstaten, hun regio's en steden,

K.   overwegende dat aan overgewicht gerelateerde ziekten, die inmiddels tussen de 4 en 7% van de totale kosten van de gezondheidszorg in de lidstaten veroorzaken, aanzienlijke sociaaleconomische gevolgen hebben en dat de totale kosten van obesitas, rekening houdend met de verhoogde risico's van werkeloosheid, arbeidsonderbreking en arbeidsongeschiktheid, niet nauwkeurig wetenschappelijk onderzocht zijn,

L.   overwegende dat de meeste lidstaten beleidsmaatregelen hebben genomen om de obesitasproblematiek aan te pakken en het gezondheidsniveau van hun bevolking te verhogen, waarbij sommige lidstaten verbodsmaatregelen hebben genomen, terwijl andere voor stimulansen hebben gekozen,

M.   overwegende dat bepaalde lidstaten bijvoorbeeld het besluit hebben genomen de aanwezigheid van verkoopautomaten op scholen te reguleren of zelfs af te schaffen wegens de beperkte keuze en het verwaarloosbare aanbod van suikerarme dranken, groente en fruit en zogeheten dieetproducten,

N.   met belangstelling akte nemend - als zijnde een eerste aanzet - van de vrijwillige verbintenissen die recentelijk zijn aangegaan door de Europese fabrikanten van alcoholvrije frisdranken om het aanbod voor kinderen jonger dan 12 jaar te beperken en tegelijkertijd de toegang tot gevarieerdere dranken op scholen te bevorderen en door twee "reuzen" uit de fastfoodsector om een voedingswaardevermelding in te voeren op de verpakkingen van hamburgers en zakjes frites,

O.   ingenomen met de verschillende initiatieven gericht op bevordering van gezonde eetgewoonten die worden genomen door een groot aantal Europese winkelketens, met inbegrip van de ontwikkeling van gezonde productassortimenten, uitgebreide en bevattelijke etikettering van voedingsinformatie, en partnerschappen met overheden, scholen en NGO's om de bewustwording met betrekking tot de voordelen van gezond eten en regelmatige lichaamsbeweging te verbeteren,

P.   overwegende dat het groenboek aansluit bij een alomvattende aanpak die op Europees niveau in gang gezet is en die gericht is op de bestrijding van de factoren die het gevaarlijkst zijn voor de gezondheid, waaronder verkeerde voedingsgewoonten en gebrek aan lichaamsbeweging, die, net als nicotineverslaving en alcoholmisbruik, ten grondslag liggen aan hart- en vaatziekten (de belangrijkste doodsoorzaak zowel voor mannen als voor vrouwen in de Europese Unie), bepaalde soorten kanker, aandoeningen aan de luchtwegen, osteoporose en diabetes type 2, wat de nationale gezondheidsstelsels zwaar onder druk zet,

Q.   overwegende dat de Commissie op 11 september 2006 de resultaten van een opiniepeiling naar aanleiding van het groenboek heeft gepresenteerd, waaruit blijkt dat gepleit wordt voor optreden van de Unie op verschillende communautaire beleidsterreinen met bijzondere aandacht voor kinderen en jongeren,

R.   overwegende dat de Gemeenschap wordt gevraagd een actieve rol te spelen, in het kader van gemeenschappelijk beleid of ter aanvulling van maatregelen die zijn genomen door de 27 lidstaten, voor het voeren van campagnes om de consument te informeren over en meer bewust te maken van het probleem van zwaarlijvigheid, de consumptie van groente en fruit in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te bevorderen, onderzoeksprojecten, educatieve en sportieve projecten te financieren, en nieuwe of herziene wetgeving vast te stellen die een reëel effect heeft voor een gezonde voeding van de Europese burgers,

Obesitas: een politieke prioriteit?

1.   verheugt zich over de inzet van de Commissie ten behoeve van een gezonde voeding (zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin) en lichaamsbeweging en in de strijd tegen obesitas en de belangrijkste voedingsgerelateerde ziekten; roept ertoe op hiervan voortaan een politieke prioriteit te maken zowel op het niveau van de EU als in de lidstaten;

2.   onderkent dat obesitas een probleem met meerdere facetten is en als zodanig een holistische benadering vereist die veel verschillende beleidsterreinen beslaat;

3.   betreurt ten zeerste dat, ondanks de inspanningen van verscheidene lidstaten, een aldoor groeiend deel van de bevolking aan obesitas lijdt en dat indien deze tendens zich voortzet, de - door middel van passende maatregelen vermijdbare - gevolgen in termen van volksgezondheid niet in te schatten zijn;

4.   adviseert alle lidstaten obesitas officieel als chronische ziekte te erkennen om te voorkomen dat zwaarlijvige mensen in welke vorm ook worden gestigmatiseerd of gediscrimineerd en ervoor te zorgen dat zij toegang hebben tot een goede behandeling in het kader van het nationale gezondheidszorgstelsel;

5.   is ingenomen met de aanneming op de Europese ministeriële conferentie van de WHO van 15 tot en met 17 november 2006 in Istanbul van een handvest voor het terugdringen van obesitas en in het bijzonder de totstandbrenging van een ambitieus kader voor maatregelen om deze epidemie onder controle te brengen; verzoekt de Commissie en de lidstaten een tijdschema vast te stellen voor de uitvoering van prioritaire acties in dit kader;

6.   steunt onvoorwaardelijk het in maart 2005 ingestelde het Europese actieplatform op het gebied van voeding, lichaamsbeweging en gezondheid en verwelkomt met tevredenheid de methode die wordt aangehouden door DG SANCO, namelijk die van de permanente dialoog met de industriële sectoren, de nationale autoriteiten en de NGO's;

7.   is ingenomen met de vrijwillige verbintenissen die reeds zijn voorgesteld door de bij het actieplatform betrokken instanties; wijst met nadruk op de noodzaak ervoor te zorgen dat de in het kader van het actieplatform aangegane vrijwillige verbintenissen doeltreffend gemonitord worden en verzoekt de Commissie duidelijke criteria uit te werken voor de beoordeling daarvan; merkt op dat een betrouwbare evaluatie van wezenlijk belang is om te verzekeren dat vooruitgang op een adequate wijze kan worden gemeten en om mogelijk te maken dat verdere EU-maatregelen of -wetgeving in overweging kunnen worden genomen waar dit noodzakelijk is; verzoekt de Commissie het Europees Parlement jaarlijks verslag uit te brengen over de resultaten van het actieplatform;

8.   verzoekt de Commissie effectbeoordelingen met betrekking tot relevante beleidsvoorstellen uit te voeren teneinde de gevolgen daarvan vast te stellen op de doelstellingen op het gebied van volksgezondheid, obesitas en voeding; doet de aanbeveling dat deze "gezondheids- of obesitascheck" met name plaatsvindt met betrekking tot de onderzoekprogramma's van het GLB, energiebeleid, reclame- en voedselbeleid;

9.   merkt op dat weliswaar een breed scala van relevante instanties momenteel bij het actieplatform is betrokken, maar dat die zich vooral concentreren op de "energie-input"-aspecten van het obesitasvraagstuk; verzoekt derhalve betrokkenen die meer te maken hebben met de "energie-output"-aspecten, zoals fabrikanten van computerspelletjes, sportverenigingen en omroeporganisaties, een actievere rol in het debat te spelen en in overweging te nemen om soortgelijke verbintenissen aan te gaan;

10.   beschouwt de tendens die tegenwoordig de overhand heeft in verschillende sectoren van de Europese voedingsmiddelenindustrie om concreet op te treden met het oog op een herevaluatie van het verkoopaanbod aan kinderen en het aanbrengen van een voedingswaarde-etiket op hun voedingsmiddelen en dranken, als een stap in de goede richting;

11.   spoort de lidstaten aan om vast te stellen welke financieel aantrekkelijke mogelijkheden er zijn om hun gezondheidssystemen op een zodanige manier met de industrie af te stemmen dat enerzijds het inzicht van patiënten in en de controle op hun voedingsgewoonten worden verbeterd en anderzijds de economische lasten van obesitas worden verminderd; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan programma's in het kader waarvan rekening wordt gehouden met de behoeften van mensen in sociale en economische achtergestelde gemeenschappen;

12.   verwacht van de Commissie dat zij spoedig in een witboek concrete maatregelen voorlegt om het aantal personen met overgewicht en obesitas uiterlijk vanaf 2015 te verminderen;

De consument informeren van kinds af aan

13.   is van mening dat ieder beleid ter voorkoming en bewaking van obesitas zich dient te richten op de gehele duur van het leven, en dit vanaf de periode vóór de geboorte tot op gevorderde leeftijd; is bovendien van mening dat bijzondere aandacht besteed dient te worden aan de kindertijd, de levensfase waarin een groot deel van de eetgewoonten worden aangenomen;

14.   spoort de lidstaten aan te onderkennen dat voorlichting over voeding en gezondheid van zeer jongs af aan van cruciaal belang is met het oog op de preventie van overgewicht en obesitas;

15.   onderstreept het risico dat men al te hard van stapel loopt met de campagne ter bestrijding van obesitas en is van mening dat de juiste voorbeelden moeten worden gegeven aan kinderen en adolescenten, die gevoelig zijn voor druk vanuit de groep, ter voorkoming van een toename van andere eetstoornissen, zoals anorexia nervosa en boulimie;

16.   is van oordeel dat beroepsbeoefenaren in de gezondheidssector een belangrijke rol spelen bij het promoten van de voordelen van een evenwichtige voeding en regelmatige lichaamsbeweging voor de gezondheid, alsook bij het opsporen van risico's, met name bij personen met een overmatige hoeveelheid abdominaal vet die een groter risico lopen om diabetes type 2 en hart- en vaatziekten, maar ook andere aandoeningen te ontwikkelen; verzoekt de lidstaten om het beroep van voedingsdeskundige te promoten door de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties en het definiëren van voorwaarden voor toegang tot dit beroep, alsmede door het bieden van een wetenschappelijke beroepsopleiding;

17.   herinnert eraan dat de school de plek is waar kinderen het grootste gedeelte van hun tijd doorbrengen en dat de schoolomgeving, met name de schoolkantine, jonge kinderen moet stimuleren om hun smaak te ontwikkelen, de basisvaardigheden van het koken en basiskennis inzake voeding moet bijbrengen en regelmatige lichaamsbeweging en een gezonde levenswijze moet bevorderen, met name als tegenwicht voor het feit dat er in de EU op school steeds minder tijd beschikbaar is voor lichamelijke opvoeding; verzoekt de Commissie derhalve mechanismen te ontwikkelen ter bevordering van beste praktijken op scholen in het kader waarvan rekening wordt gehouden met de meest doeltreffende initiatieven om kinderen voor te lichten over gezonde voedingsgewoonten en kwaliteitsvoeding aan te bieden die gebaseerd is op hoge voedingsnormen;

18.   betreurt de gewoonte van de regeringen van de lidstaten om sportvelden bij scholen te verkopen voor projectontwikkelingsdoeleinden;

19.   roept de lidstaten op voldoende middelen voor catering op scholen uit te trekken teneinde het schoolkantines mogelijk maken om versgeproduceerde maaltijden te serveren, bij voorkeur van biologische of streeklandbouw, en van jongs af aan gezonde voedingsgewoonten te bevorderen;

20.   is van mening dat de lidstaten moeten worden aangemoedigd ervoor te zorgen dat kinderen voldoende mogelijkheden hebben om op school aan sport en lichaamsbeweging te doen; spoort de lidstaten en plaatselijke autoriteiten aan om in overweging te nemen een gezonde en actieve leefstijl te bevorderen bij de planning van de locatie van scholen, zodat deze meer in de nabijheid liggen van de gemeenschappen waarvoor zij bestemd zijn, om kinderen zo de mogelijkheid te geven om naar school te wandelen of te fietsen in plaats van in een auto of een bus te zitten;

21.   verlangt een snelle concretisering van de verbintenissen die de frisdrankfabrikanten in de EU op 20 december 2005 in de gedragscode hebben aangegaan, vooral de toezegging om hun commerciële activiteiten op basisscholen te beperken;

22.   is van mening dat de aanwezigheid van verkoopautomaten op middelbare scholen indien toegestaan dient te voldoen aan de beginselen van gezonde voeding;

23.   hekelt de frequentie en de intensiteit van reclame- en promotiecampagnes op televisie van voedingsmiddelen die uitsluitend bestemd zijn voor kinderen; onderstreept dat deze verkooppraktijken geen gezonde eetgewoonten aanmoedigen en dientengevolge op EU-niveau door middel van de herziening van de richtlijn "televisie zonder grenzen"(2) ingeperkt dienen te worden; onderstreept verder dat er duidelijk bewijs bestaat dat televisiereclame consumptiepatronen van kinderen tussen de 2 en 11 jaar oud op korte termijn beïnvloedt; is echter evenzo van mening dat ouders zelf verantwoordelijk zijn daar zij immers het uiteindelijke besluit nemen te kopen; stelt echter vast dat onderzoek uitwijst dat de meeste ouders willen dat er duidelijke beperkingen worden ingevoerd voor het maken van op kinderen gerichte reclame voor ongezonde voedingsmiddelen;

24.   verzoekt de Commissie in het kader van het actieplatform verbintenissen op basis van vrijwilligheid of zelfregulering vast te stellen om een einde te maken aan het maken van op kinderen gerichte reclame voor voedingsmiddelen met een hoog vet-, suiker- en zoutgehalte, maar dringt er bij de Commissie op aan om te komen met wetgevingsvoorstellen, wanneer zelfregulering geen veranderingen teweegbrengt;

25.   merkt op dat nieuwe vormen van op kinderen gerichte reclame, zoals tekstberichten op mobiele telefoons, online computerspelletjes en sponsoring van speeltuinen, in het kader van dergelijke overwegingen niet buiten schot moeten blijven;

26.   acht de concretisering van een "gentlemen's agreement" tussen de Commissie en de Europese media-industrie op termijn onvermijdelijk, waarin het voor producties bestemd voor kinderen op verschillende mediadragers (televisie, bioscoop, internet en videospelletjes) verplicht wordt gemaakt gezondheids- en ludieke vermeldingen aan te geven die bedoeld zijn om de Europese jeugd ervan bewust te maken hoe belangrijk het is sport te beoefenen en groente en fruit te eten om gezond te blijven;

27.   spreekt zijn waardering uit voor de rol van de Europese Autoriteit voor de voedselveiligheid bij het opstellen van adviezen en aanbevelingen op het gebied van voeding;

28.   is van mening dat de media (televisie, radio, internet) meer dan ooit een pedagogisch instrument zijn dat essentieel is voor kennisvergaring over gezonde voeding, de consument praktische adviezen moet geven om hen in staat te stellen het juiste evenwicht te vinden tussen de dagelijkse consumptie van calorieën en het energieverbruik en hun uiteindelijk keuzevrijheid moet garanderen;

29.   beschouwt Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake de voedingswaarde- en gezondheidsetikettering(3) waardoor de consument eindelijk kan beschikken over betrouwbare, niet-misleidende en samenhangende informatie over de voedingseigenschappen van levensmiddelen, vooral voedingsmiddelen met een hoog gehalte suiker, zout en bepaalde vetten, als een sterk signaal; merkt op dat deze verordening op een zodanige wijze ten uitvoer moet worden gelegd dat de producenten van voedingsmiddelen en (fris)dranken toch worden aangemoedigd en in staat gesteld om hun producten te innoveren en te verbeteren; is derhalve van mening dat in het kader van deze verordening hoge prioriteit moet worden toegekend aan de vaststelling van voedingsprofielen door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, waarbij rekening wordt gehouden met de meest recente beschikbare gegevens, en dat de desbetreffende maatregelen ten uitvoer worden gelegd in nauwe samenwerking met NGO's van consumenten en de voedingsmiddelenindustrie, met inbegrip van de detailhandel;

30.   stelt vast dat er sprake is van toenemende bezorgdheid bij publiek en wetenschappers over de gevolgen van kunstmatige transvetten voor de menselijke gezondheid, en neemt kennis van initiatieven van bepaalde nationale (Canada, Denemarken) en regionale (de stad New York City) autoriteiten om transvetten uit de menselijke voeding te bannen; dringt aan op EU-maatregelen om de inname van transvetten te verminderen;

31.   acht een snelle herziening van Richtlijn 90/496/EEG van de Raad van 24 september 1990 inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen(4) van belang, die in ieder geval de verplichting moet inhouden de aanwezigheid en hoeveelheid van nutriënten te vermelden evenals de aard van de vetten en die zou moeten voldoen aan de doelstellingen van vereenvoudiging en harmonisatie van de Europese wetgeving, en aldus aansluit bij de aanbevelingen van de vertegenwoordigers van de industrie en de consumentenverenigingen;

32.   interesseert zich sterk voor de "food signposting"-systemen die in verschillende lidstaten door levensmiddelenbedrijven, winkelketens en publieke instanties zijn geïntroduceerd om voedingsboodschappen te vereenvoudigen; onderkent het belang van deze "food signposting"-systemen en gezonde-keuslogo's, mits deze een gunstig onthaal bij de consument krijgen en gebruikersvriendelijk zijn; wijst erop dat onderzoek uitwijst dat systemen in het kader waarvan gehalten aan nutriënten worden aangegeven door deze inzichtelijker te maken voor de consument de beste leidraad zijn bij het kiezen van gezondere opties; verzoekt de Commissie gebruik te maken van deze ervaring en onderzoeken met het oog op de ontwikkeling en de introductie van een voor de gehele EU geldend systeem betreffende de etikettering van voedingsmiddelen op de voorkant van verpakkingen en wijst erop dat een consistente boodschap aan de consument een bepaalde mate van harmonisatie op dit gebied vereist en dat deze boodschappen wetenschappelijk gefundeerd moeten zijn;

Voeding en lichaamsbeweging integreren in de overige communautaire beleidslijnen

33.   is van mening dat een wijziging van de samenstelling van producten een krachtig instrument is met het oog op het terugdringen van de inname van vetten, suiker en zout in onze voeding en is ingenomen met de maatregelen die door een aantal fabrikanten en winkelketens worden genomen in die richting; merkt op dat tot op heden slechts 5% van de totale vrijwillige verbintenissen die in het kader van het actieplatform zijn aangegaan betrekking hebben op de ontwikkeling van producten; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de fabrikanten, winkelketens en cateringbedrijven om meer inspanningen te doen om ervoor te zorgen dat fabrikanten, winkelketens en cateringbedrijven het gehalte aan vet, suiker en zout in voedingsmiddelen terugdringen; verzoekt de fabrikanten bij de wijziging van de samenstelling van hun producten niet alleen nieuwe, en soms duurdere merken te lanceren, maar prioriteit toe te kennen aan het verlagen van het gehalte aan vet, suiker en zout in bestaande alledaagse merken;

34.   wijst met nadruk op het belang van het bieden van mogelijkheden aan de individuele consument om een geïnformeerde keuze te maken over wat hij of zij eet en hoeveel lichaamsbeweging hij of zij neemt;

35.   acht het cruciaal dat de bevordering van een gezonde voeding en lichaamsbeweging een politieke prioriteit is, niet alleen voor het DG SANCO, maar tevens voor de directoraten-generaal Landbouw, Vervoer, Werkgelegenheid, Onderzoek, Onderwijs en Sport van de Commissie die communautaire beleidslijnen of programma's uitvoeren die effect hebben op gezonde voeding; verzoekt de Commissie effectbeoordelingen met betrekking tot relevante beleidsvoorstellen uit te voeren teneinde de gevolgen daarvan vast te stellen voor doelstellingen op het gebied van volksgezondheid en voeding, en met name het GLB;

36.   verwelkomt met tevredenheid de financiering voorzien in het huidige communautaire actieprogramma op het gebied van volksgezondheid (2003-2008) voor talrijke projecten inzake obesitas; acht het essentieel de budgetten duurzaam te maken en het accent te leggen op de bevordering van een gezonde levenswijze bij kinderen, jongeren en gehandicapten in het tweede programma (2007-2013);

37.   onderstreept dat informatiecampagnes niet de beste middelen zijn om achtergestelde sociaal-economische groepen te bereiken; is van mening dat acties moeten worden aangepast aan lokale behoeften en een basis in de gemeenschap moeten hebben, dat rechtstreekse contacten moeten worden gelegd en dat nauwe samenwerking nodig is tussen lokale scholen, kinderopvang, huisartsen, kinderartsen en plaatselijke gezondheidsdiensten; merkt op dat evaluatie van dergelijke activiteiten van wezenlijk belang is om te weten te komen of zij het gewenste effect hebben;

38.   roept ertoe op de structuurfondsen te gebruiken voor investeringen in sociaaleconomisch achtergestelde gebieden in infrastructuur die lichaamsbeweging stimuleert en in veilig vervoer zoals fietspaden en moedigt buiten spelen in een veilige omgeving aan; moedigt tegelijkertijd de lidstaten aan in deze doelstellingen te investeren;

39.   verzoekt de Commissie, in samenwerking met de bevoegde ministeries in de lidstaten of de regio's, bij te dragen aan de programma's "Sport op school" in de "test"-instellingen;

40.   spoort de Commissie aan om te beoordelen in hoeverre slechte voeding en mobiliteitsbeperkingen onder bejaarden een probleem vormen en na te gaan welke verdere maatregelen moeten worden genomen om deze belangrijke, maar soms veronachtzaamde groep in de gemeenschap wat dit betreft te helpen;

41.   roept de lidstaten en werkgevers op om hun werknemers, met name werkende vrouwen met monotone taken die kunnen leiden tot chronische ziektes, te stimuleren deel te nemen aan lichamelijke activiteiten om fit te blijven;

42.   onderkent de rol van de werkgevers bij de bevordering van een gezonde leefstijl onder hun werknemers; merkt op dat de gezondheid van werknemers en derhalve de productiviteit onderdeel moeten uitmaken van de strategie van bedrijven met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen; spreekt de hoop uit dat de recentelijk opgerichte Europese alliantie voor maatschappelijk verantwoord ondernemen de uitwisseling van goede praktijken op dit gebied zal bevorderen;

43.   is ingenomen met de oproep uit de wetenschappelijke wereld tijdens het 10e internationale congres over obesitas om het onderzoek te intensiveren teneinde beter inzicht te krijgen in de interactie van genetische factoren en levensstijl en hoe zij aanleiding geven tot ziekten;

44.   is in dit opzicht verheugd over de financiering door de Gemeenschap van negen projecten in het kader van het prioritaire thema "voedselkwaliteit en -veiligheid" van het zesde kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, die nieuwe wegen verkennen om obesitas te bestrijden door zich bijvoorbeeld te concentreren op een specifieke leeftijdsklasse of door de interactie tussen genetische en gedragsfactoren en een toestand van verzadiging te bestuderen;

45.   wenst dat in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling de bestrijding van obesitas niet alleen blijft profiteren van de transnationale samenwerking tussen onderzoekers op het thematische domein van de voeding, de landbouw en de biotechnologie, maar tevens kan worden beschouwd als voorwerp van onderzoek van algemeen belang voor diverse disciplines;

46.   wijst er met nadruk op dat het belangrijk is de beschikking te hebben over een vergelijkbare reeks van indicatoren betreffende de gezondheidssituatie (met inbegrip van gegevens betreffende voedingsinname, lichaamsbeweging en obesitas) en dan met name uitgesplitst naar leeftijdsgroep en sociaal-economische klasse;

47.   is zeer bezorgd over de afname van de consumptie van groente en fruit in Europa, die vooral te merken valt bij Europese gezinnen met een laag inkomen wegens de prijs van de producten en het gebrek aan informatie over de waarde hiervan in de dagelijkse voeding;

48.   verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor een beleid en een regelgevingskader waardoor de beste bronnen van nutriënten en andere goede voedingscomponenten beschikbaar worden gesteld, en waarmee de Europese consumenten keuzemogelijkheden krijgen met betrekking tot de verwezenlijking en de handhaving van een optimale voedingsinname die het best is afgestemd op hun individuele leefstijl en gezondheid;

49.   is bezorgd over berichten volgens welke de voedingswaarde van in Europa geproduceerde groenten en fruit de afgelopen decennia is gedaald en verzoekt de Commissie en de Raad om bij de herziening van het GLB in 2008 de noodzakelijke maatregelen te nemen om voedingswaarde als een belangrijk criterium te beschouwen en de productie van kwaliteitsvoedsel en het stimuleren van het consumeren van gezonde voeding te bevorderen in het kader van het beleid inzake plattelandsontwikkeling;

50.   wenst een grotere samenhang tussen het GLB en het gezondheidsbeleid dat in gang is gezet door de Europese Unie en verzoekt de Commissie zich ervan te vergewissen dat de Europese subsidies die ontvangen zijn door bepaalde industriële sectoren in geen enkel geval dienen om promotionele campagnes te financieren die calorierijke producten in een gunstig daglicht stellen;

51.   acht een hervorming van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit onontkoombaar, waarvan een van de doelstellingen erin zou bestaan de consumptie van dit soort levensmiddelen met een hoge voedingswaarde te stimuleren; is er overigens van overtuigd dat een stimulerend beleid (prijsverlaging, belastingvermindering en andere vormen van subsidie) te verkiezen is boven een systeem dat berust op een hogere belasting van calorierijke producten ("vetbelasting"), dat uiteindelijk vooral de armste Europese huishoudens zou benadelen;

o
o   o

52.   verzoekt de WHO haar huidige inzichten met betrekking tot obesitas aan het Europees Parlement voor te leggen;

53.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de nationale parlementen en regeringen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten evenals aan de WHO.

(1) PB C 20 van 23.1.2001, blz. 1.
(2) Richtlijn 89/552/EEG van de Raad (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23). Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60).
(3) PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9. Rectificatie in PB L 12 van 18.1.2007, blz. 3.
(4) PB L 276 van 6.10.1990, blz. 40. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/120/EG van de Commissie (PB L 333 van 20.12.2003, blz. 51).


Verjaringstermijnen voor grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot persoonlijk letsel en dodelijke ongevallen
PDF 118kWORD 45k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de verjaringstermijnen voor grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot persoonlijk letsel en dodelijke ongevallen (2006/2014(INI))
P6_TA(2007)0020A6-0405/2006

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 192, alinea 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op de artikelen 39 and 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0405/2006),

A.   overwegende dat er binnen Europa verschillen bestaan in de verjaringstermijnen, het tijdstip waarop de termijn begint te lopen, de datum van kennisname, de mogelijkheid van de schorsing en sluiting van de termijn, alsmede van de bewijsvoering en het opwerpen van een exceptie van verjaring,

B.   overwegende dat de omvang van de genoemde verschillen kan zorgen voor ongewenste gevolgen voor de slachtoffers van ongevallen in grensoverschrijdende rechtszaken, omdat er hindernissen worden opgeworpen voor de slachtoffers van letsel bij de uitoefening van hun rechten in lidstaten buiten hun eigen land, en in bepaalde gevallen mogelijk ook in hun eigen land, en zich moeten richten naar buitenlands recht,

C.   overwegende dat met name de volgende problemen zich voordoen in verband met ongevallen met een grensoverschrijdend aspect: in bepaalde landen krijgen minderjarigen en personen met een handicap geen bijzondere bescherming ten aanzien van de verjaringstermijn, zodat ze in geval van letsel in een andere lidstaat dan hun eigen land bepaalde rechten op schadevergoeding kunnen verliezen die ze anders zouden behouden; in bepaalde landen is de enige manier om de verjaring te stuiten het aanhangig maken van een vordering of het uitbrengen van een dagvaarding; in grensoverschrijdende rechtszaken kan een dergelijke benadering voor moeilijkheden zorgen, omdat de onderhandelingen hierover noodzakelijkerwijs meer tijd in beslag nemen en het slachtoffer bij gebrek aan mogelijkheden om de verjaringsklok stil te zetten in de onvoordelige situatie kan geraken dat hij of zij in een vroegtijdig stadium aanzienlijke kosten moet maken door de wederpartij de dagvaarden zonder voldoende gelegenheid te hebben om de onderhandelingen af te ronden,

D.   overwegende dat het gezien de verschillen in de verjaringstermijnen bij grensoverschrijdende letselzaken zinvol zou kunnen zijn dat er minimale basisbeginselen worden vastgesteld,

E.   overwegende dat aan de voorwaarde in artikel 39, lid 2 van het Reglement dat geen voorstel in voorbereiding is, naar behoren is voldaan,

1.   verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen naar de gevolgen van het bestaan van verschillende verjaringstermijnen op de interne markt, met name voor burgers die hun vrijheden uitoefenen in het kader van het Verdrag; deze studie moet met name het aantal gevallen van persoonlijk letsel met een grensoverschrijdend element proberen in kaart te brengen en de problemen en/of moeilijkheden voor de letselpartijen als gevolg van de verschillende verjaringstermijnen beoordelen, waarbij rekening wordt gehouden met de in overweging B genoemde kwesties;

2.   verzoekt de Commissie na de beoordeling van deze studie een verslag over verjaringstermijnen op te stellen, dat met name handelt over mogelijke opties gaande van een beperkte harmonisatie van verjaringstermijnen tot de toepassing van een collisieregel;

3.   verzoekt de Commissie waar nodig, in het licht van het overeenkomstig paragraaf 1 ingestelde onderzoek en na raadpleging van het Parlement, op grond van de artikelen 65, onder c) en 67, lid 5, tweede streepje van het EG-Verdrag een wetgevingsvoorstel aan het Parlement voor te leggen over de verjaring van vorderingen op grond van persoonlijk letsel en dodelijke ongevallen in grensoverschrijdende rechtszaken, aan de hand van bijgaande, gedetailleerde aanbevelingen;

4.   constateert dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met het subsidiariteitsbeginsel en de grondrechten van de burgers; verzoekt de Commissie er zorgvuldig op toe te zien dat het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel strikt worden toegepast; beveelt aan dat er met name op moet worden gelet dat het mildste wetgevingsinstrument wordt gekozen en dat moet worden nagegaan of het probleem niet het best zou kunnen worden opgelost door de invoering van het 'land van oorsprong'-beginsel;

5.   is van oordeel dat het verlangde voorstel geen financiële gevolgen mag hebben;

6.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

BIJLAGE:

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Aanbeveling 1 (over de vorm en het toepassingsbereik van het aan te nemen instrument)

bij rechtszaken waarbij de partijen in verschillende lidstaten wonen of verblijven, waarbij een van de partijen in een derde land woont of verblijft of waarbij tussen het recht van verschillende landen moet worden gekozen.

Het Parlement meent dat, voorzover de Gemeenschap op dit gebied wetgevingsbevoegdheid heeft, er passende beginselen voor verjaringstermijnen moeten worden vastgesteld voor schadeclaims

   - die voortvloeien uit of het resultaat zijn van persoonlijk letsel,
   - die door de erfgenamen van het slachtoffer worden ingediend of
   - die door een andere persoon worden ingediend indien het slachtoffer persoonlijk letsel heeft geleden of een dodelijk ongeluk heeft gehad,

Aanbeveling 2 (over de minimale inhoud van het aan te nemen instrument)

Duur, berekening, begindatum, opschorting en onderbreking van de verjaringstermijn

-  De algemene verjaringstermijn moet vier jaar bedragen, ongeacht de aard van de verplichting, de aanleiding voor het geding of de identiteit van de beklaagde, tenzij het recht waaronder de claim valt, in een langere periode voorziet. In het laatste geval moet de eiser bewijzen dat een dergelijke langere periode bestaat. De verjaringstermijn voor de uitvoering van een schadeclaim die bij eindvonnis of bij arbitrage is toegekend, moet tien jaar bedragen. Bij schade die uit terroristische acties, martelingen of slavernij voortvloeit, mag geen sprake zijn van een verjaringstermijn.

-  De verjaringstermijn moet aflopen op het laatste moment van de laatste dag. De termijn moet worden berekend volgens de officiële kalender van de lidstaat waarin de eiser de gerechtelijke stappen heeft ondernomen. Daarbij mag de dag waarop het proces is aangespannen, niet worden meegeteld. Als een verjaringstermijn wordt verlengd, moet de nieuwe verjaringstermijn worden berekend vanaf de einddatum van de voorgaande termijn.

-  De verjaringstermijn moet beginnen:

   1) op de datum waarop het persoonlijk letsel ontstond of (indien later) op de (werkelijke of afgeleide) datum van kennisname door het letselslachtoffer;
   2) in het geval van een door erfgenamen ingediende claim op de overlijdensdatum of (indien later) op de (werkelijke of afgeleide) datum van kennisname door de erfgenamen van de nalatenschap;
   3) in het geval van claims door secundaire slachtoffers op de overlijdensdatum of (indien later) op de datum van (werkelijke of afgeleide) kennisname door het secundaire slachtoffer (dodelijke ongelukken), of op de datum waarop het persoonlijk letsel ontstond of (indien later) op de datum van (werkelijke of afgeleide) kennisname door het letselslachtoffer (niet-dodelijke ongelukken).

-  Een verjaringstermijn moet worden opgeschort indien de verweerder opzettelijk, op oneerlijke of onredelijke wijze of door een fout het bestaan van voor hem belastende feiten of zaken verborgen heeft gehouden. De termijn moet ook tijdens een strafrechtelijke vervolging/onderzoek worden opgeschort, of bij openstaande verzoeken/claims conform Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering)(1).

-  Een verjaringstermijn moet worden onderbroken bij: 1) het aanspannen van een proces 2) een handeling door de eiser waarvan de beklaagde op de hoogte is gesteld en die tot doel heeft een buitengerechtelijke procedure te starten 3) een handeling door de eiser waarvan de beklaagde op de hoogte is gesteld en die tot doel heeft onderhandelingen te beginnen 4) enige andere handeling door de eiser waarvan de beklaagde op de hoogte is gesteld en die de beklaagde in kennis stelt van het feit dat de eiser een schadeclaim heeft ingediend.

Er moet worden voorzien in de nodige bepalingen inzake het doen van een beroep op de verjaringstermijn, de mate waarin de rechtbank de verjaringstermijn naar eigen goeddunken mag toepassen, de gevolgen wanneer met succes een beroep op de verjaringstermijn wordt gedaan en meerdere eisers/beklaagden.

Daarnaast moeten de lidstaten worden verplicht om nationale informatiecentra op te zetten. Deze moeten een bestand bijhouden van alle strafrechtelijke onderzoeken of hangende processen waarbij slachtoffers uit het buitenland betrokken zijn. Zij moeten ook schriftelijk antwoorden op beargumenteerde informatieaanvragen door of namens slachtoffers uit het buitenland.

(1) PB L 181 van 20.7.2000, blz. 65. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2005/14/EG (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 14).


Discriminatie van vrouwen en meisjes in het onderwijs
PDF 136kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement over de discriminatie van vrouwen en meisjes in het onderwijs (2006/2135(INI))
P6_TA(2007)0021A6-0416/2006

Het Europees Parlement,

–   gelet op de beginselen neergelegd in artikel 2, artikel 3, lid 2, artikel 13, artikel 137, lid 1, onder i), en artikel 141 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie afgekondigd in 2000 en met name op artikel 23,

–   gelet op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden uit 1950,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties van 10 december 1948,

–   gezien de millennium-ontwikkelingsdoelstellingen (MOD's), en met name MOD 3 over het bevorderen van gendergelijkheid en de "empowerment" van vrouwen als basisvoorwaarde om onder andere gelijkheid te bewerkstelligen op elk onderwijsniveau en in alle beroepsgroepen,

–   gezien de vierde VN-wereldvrouwenconferentie gehouden te Beijing in september 1995, de verklaring en het actieplatform aangenomen in Beijing alsmede de documenten die later zijn aangenomen op de speciale VN zittingen Beijing +5 en Beijing +10 over verdere acties en initiatieven voor de implementatie van de verklaring van Beijing, aangenomen op 9 juni 2000, en het actieplatform aangenomen op 11 maart 2005,

–   gezien het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van de Verenigde Naties, aangenomen in 1999, dat stelt dat personen of groepen van personen, onder de rechtsmacht van een Staat die partij is, die stellen slachtoffer te zijn van schending door die staat van in het Verdrag genoemde rechten, mededelingen mogen doen aan de Commissie voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen,

–   gezien de "Education For All Global monitoring reports van 2003/2004, 2005 en 2006 van UNESCO,

–   gezien de aanbevelingen van de Europese Raad, en met name zijn resolutie en actieprogramma, aangenomen op de zesde Europese ministeriële conferentie over gelijkheid van vrouwen en mannen, gehouden te Stockholm op 8 en 9 juni 2006,

–   gezien Aanbeveling 2006/143/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 over verdere Europese samenwerking op het gebied van de kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (2006/143/EG)(1),

–   gezien Aanbeveling 98/561/EG van de Raad van 24 september 1998 over Europese samenwerking op het gebied van de kwaliteitsborging in het hoger onderwijs(2),

–   gezien zijn resoluties van 28 april 2005 over de situatie van de Roma in de Europese Unie(3) en van 1 juni 2006 over de situatie van de Roma-vrouwen in de Europese Unie(4),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 4 juli 2006, getiteld "Op weg naar een EU-strategie voor de rechten van het kind" (COM(2006)0367),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 1 maart 2006 over "Een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen - 2006-2010" (COM(2006)0092),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2005 over "Non-discriminatie en gelijke kansen voor iedereen – Een raamstrategie" (COM(2005)0224),

–   gezien de mededelingen van de Commissie van 19 februari 2004 (COM(2004)0115) en van 14 februari 2005 (COM(2005)0044) over gelijkheid tussen mannen en vrouwen,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2003 met als titel "De rol van de universiteiten in het Europa van de kennis" (COM(2003)0058),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2000 getiteld "Naar een communautaire raamstrategie inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen (2001-2005)" (COM(2000)0335),

–   gezien de verklaring van de EU-ministers verantwoordelijk voor het beleid inzake gendergelijkheid gedaan op de conferentie van ministers voor gendergelijkheid gehouden te Luxemburg op 4 februari 2005,

–   gezien de verklaring inzake het decennium van de integratie van de Roma 2005-2015, op 2 februari 2005 te Sofia ondertekend door de eerste ministers van de deelnemende staten uit Centraal- en Zuidoost-Europa,

–   gezien de verklaring van Athene afgegeven tijdens de Europese conferentie over vrouwen aan de macht in 1992, die stelt dat vrouwen de helft van het wereldpotentieel aan talenten en competenties vertegenwoordigen,

–   gezien de rapporten en toespraken van de Commissie Cultuur en Onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0416/2006),

A.   overwegende dat statistieken van de lidstaten uitwijzen dat in verhouding minder vrouwen dan mannen promoveren, en dat is gebleken dat door gendergebonden beperkingen minder vrouwen dan mannen zich bezighouden met levenslang leren,

B.   overwegende dat huishoudelijke en gezinstaken nog steeds grotendeels door vrouwen worden verricht, en dat de tijd die hen ter beschikking staat voor een voortgezette opleiding en levenslang leren bijgevolg beperkt is,

C.   overwegende dat de toegang tot het onderwijs, en met name het hoger onderwijs, vooral moeilijk is voor jonge mensen uit gezinnen met lage inkomens, en dat dit leidt tot een versterking van de traditionele voorkeur voor onderwijs voor jongens,

D.   overwegende dat de opmerkelijke vooruitgang die is geboekt op het gebied van gendergelijkheid in het onderwijs hoofdzakelijk betrekking heeft op positieve kwantitatieve ontwikkelingen, d.w.z. een stijging in het aantal vrouwen die toegang verkrijgt tot alle onderwijsniveaus, terwijl de kwalitatieve verschillen in termen van de keuze voor bepaalde studierichtingen en specialismen op basis van maatschappelijke opvattingen en de traditionele rollen van beide geslachten niet worden weggenomen,

E.   overwegende dat onderwijs een belangrijke Europese waarde en een fundamenteel recht is, en een sleutelinstrument vormt voor sociale insluiting; dat bepaalde vooroordelen over hoogopgeleide vrouwen nog steeds aanwezig zijn in de samenleving, en dat hoogopgeleide vrouwen vaak geen mogelijkheden zien om hun potentieel in het beroepsleven en het openbare leven waar te maken,

F.   overwegende dat in bepaalde culturen nog steeds traditionele en religieuze vooroordelen bestaan die een beperking vormen op de toegang van meisjes en jonge vrouwen tot het onderwijs,

G.   overwegende dat de media, in plaats van bewonderenswaardige voorbeelden die navolging verdienen, zoals Maria Skłodowska-Curie, gendergebonden stereotypen herhaaldelijk bestendigen en dat het traditionele beeld van vrouwen daardoor wordt versterkt,

H.   overwegende dat de toegang tot onderwijs voor meisjes en jonge vrouwen komende uit immigrantengezinnen of behorende tot nationale minderheden, en met name de Roma-minderheid, uitzonderlijk beperkt is en/of vaak gekenmerkt wordt door discriminatie en segregatie in scholen, met inbegrip van inhaalprogramma's, met weinig hulpmiddelen, ongemotiveerd en ongetraind personeel, slechte infrastructuur en ontoereikende onderwijsprogramma's en testmethodes,

I.   overwegende dat het veel lidstaten ontbreekt aan voldoende gefinancierde onderwijsbegrotingen en dat tegelijkertijd het onderwijs grotendeels door vrouwen wordt gegeven,

1.   wijst erop dat onderwijs en opleiding van meisjes en vrouwen een mensenrecht is en een wezenlijke factor is voor het ten volle kunnen uitoefenen van alle andere sociale, economische, culturele en politieke rechten;

2.   verheugt zich over het feit dat acht op de tien meisjes een studie aan een hogere onderwijsinstelling in de lidstaten van de EU voltooien, dat cijfers uitwijzen dat er gelijke kansen bestaan voor beide seksen betreffende het volgen van hoger onderwijs en dat vrouwen inderdaad meer gemotiveerd zijn wanneer zij geen genderbeperkingen ondervinden;

3.   wijst erop dat in het onderwijs en onderzoek meer vrouwen dan mannen afstuderen (59%), maar dat hun vertegenwoordiging consequent daalt naarmate zij hoger op de carrièreladder komen, van 43% gepromoveerden tot slechts 15% hoogleraren;

4.   verheugt zich over het feit dat, als onderdeel van het VN Millennium Project, diverse praktische stappen zijn ondernomen om genderongelijkheid met betrekking tot toegang tot onderwijs terug te dringen en dat de gelijkheid in toegang tot onderwijs voor beide seksen onderwerp is van open debatten in de lidstaten;

5.   verheugt zich over de hervorming van het universitair onderwijssysteem die het gevolg is van de Lissabonstrategie, zeker waar het gaat om levenslang leren, hetgeen de jonge vrouwen de mogelijkheid biedt om hun opleiding voort te zetten;

6.   verwelkomt het in 2000 uitgebrachte verslag van de Commissie over de kwaliteit van het schoolonderwijs, waarin één van de 16 geanalyseerde indicatoren de toegang tot onderwijs vanuit genderstandpunt behelst;

7.   verheugt zich over de oprichting van een Europees instituut voor gendergelijkheid, ook de vinger aan de pols zou moeten houden inzake de toegankelijkheid tot het onderwijs voor beide seksen, niet alleen in de individuele lidstaten maar ook wereldwijd;

8.   beveelt de evaluatie van het beleid inzake gelijke toegang tot onderwijs aan op basis van een beoordeling van genderspecifieke statistieken, om de ongelijkheden die nog bestaan bij het verkrijgen van toegang tot en het behalen van bepaalde hogere academische diploma's beter in kaart te kunnen brengen en te kunnen oplossen, ook op postdoctoraal niveau en in het wetenschappelijk onderzoek, alsmede op het gebied van levenslang leren;

9.   vraagt de lidstaten erop toe te zien dat het vrouwen die voor kinderen zorgen en vrouwen die vanwege het krijgen van kinderen gestopt zijn met hun opleiding makkelijker wordt gemaakt om toegang te krijgen tot onderwijs;

10.   beveelt een dialoog met werkgevers, de sociale partners en andere belanghebbenden aan, om hen te stimuleren gunstige arbeidsvoorwaarden te creëren die de toegang tot het onderwijs en levenslang leren verbeteren voor vrouwen die hun opleiding hebben onderbroken en vrouwen met weinig diploma's;

11.   verwijst naar het feit dat de loonverschillen tussen vrouwen en mannen nog steeds op onaanvaardbaar hoge niveaus liggen en er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat deze worden verminderd; wijst erop dat vrouwen gemiddeld 15% minder verdienen dan mannen als gevolg van zowel het niet naleven van de wetgeving inzake gelijke beloning als van een aantal structurele ongelijkheden, zoals arbeidsmarktsegregatie, verschillen in werkpatronen, toegang tot onderwijs en opleidingen, bevooroordeelde evaluatie- en beloningssystemen en stereotypen;

12.   roept de Commissie en de lidstaten op alle beschikbare middelen aan te wenden voor het uitbannen van gangbare stereotypen die discriminatie van vrouwen op de werkvloer in de hand werken, iets wat in het bijzonder een rol speelt bij wetenschappen en technologie, waar vrouwen erg slecht vertegenwoordigd zijn, en om bijzondere aandacht te verlenen aan gendergebonden zaken en de betreffende gegevens regelmatig te controleren en te evalueren;

13.   roept de lidstaten op de toegang voor vrouwen tot verantwoordelijke en leidinggevende functies bij de overheid en in het bedrijfsleven te stimuleren, waarbij zij in het bijzonder aandacht dienen te besteden aan academische functies;

14.   moedigt de Commissie aan om de beginselen van gelijkheid en gelijke toegang tot het onderwijs voor meisjes in haar betrekkingen met derde landen, en in het bijzonder haar nabuurschaps- en ontwikkelingshulpbeleid, te bevorderen;

15.   dringt erop aan dat de lidstaten de positie versterken van vrouwelijke leerkrachten op hogere niveaus binnen het onderwijssysteem en in centra waar besluiten worden genomen over onderwijszaken, waar hun mannelijke collega's nog steeds in de meerderheid zijn;

16.   benadrukt de noodzaak de leerplannen op alle onderwijsniveaus en de inhoud van schoolboeken te veranderen; beveelt afstemming aan van de opleiding van leraren en overig onderwijspersoneel op de eisen van een evenwichtig genderbeleid, en opname van dat genderbeleid als onderdeel van lerarenopleidingen en aanverwante opleidingen;

17.   beveelt de Commissie en de lidstaten aan om een beleid voor nationale, etnische en culturele minderheden te voeren en, met name voor de Roma-minderheid, dat gericht is op de toegang tot kwaliteitsonderwijs en het scheppen van gelijke onderwijsomstandigheden voor jongens en meisjes, met inbegrip van voorschoolse en nulniveauprogramma's, daarbij met name aandacht bestedend aan een multiculturele benadering die de integratie mogelijk maakt van jonge vrouwen en meisjes van minderheids- en immigrantengroepen in het reguliere onderwijsstelsel, met het oog op het bestrijden van dubbele discriminatie;

18.   roept de Raad, de Commissie en de lidstaten op alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de rechten van geïmmigreerde vrouwen en geïmmigreerde meisjes te beschermen en de discriminatie die zij in hun gemeenschap van herkomst ondervinden te bestrijden door alle vormen van cultureel en religieus relativisme die de fundamentele rechten van vrouwen zouden kunnen schenden, te verwerpen;

19.   beveelt de lidstaten aan om de bewustmaking over gelijke toegang tot onderwijs op alle niveaus, in het bijzonder bij kwetsbare gemeenschappen, aan te moedigen, met als doel om alle vormen van vooroordelen weg te nemen en zodoende de toegang tot onderwijs van meisjes en jonge vrouwen te vergemakkelijken;

20.   beveelt de lidstaten aan hun studieprogramma's aan te passen aan de behoeften van jonge mensen met banen, en van mensen, in het bijzonder meisjes en vrouwen, die voor kleine kinderen zorgen of met zwangerschapsverlof zijn; is van mening dat met de huidige technische mogelijkheden hiervoor doeltreffende oplossingen kunnen worden gevonden;

21.   roept op tot grotere inspanningen om cognitief begaafde jonge personen, en in het bijzonder meisjes of jonge vrouwen, en jonge personen met leerproblemen, zoals dyslexie, dyspraxie, rekenstoornis en ADHD, te erkennen en hen beter te steunen;

22.   dringt er bij de lidstaten op aan om de gebruikte testmethoden aan een reëvaluatie te onderwerpen, wanneer besloten wordt om kinderen, en in het bijzonder Roma-kinderen, naar scholen voor kinderen met leerproblemen te sturen;

23.   juicht het invoeren en het gebruik toe van onderwijsprogramma's gefinancierd met EU-middelen en andere bronnen - met inbegrip van de non-profitsector - ten bate van onderwijs van meisjes en jonge vrouwen uit sociaal achtergestelde gezinnen; verwelkomt in het bijzonder het gebruik van bestaande programma's en ondersteuningsfondsen, alsook het zoeken naar nieuwe vormen van financiering; benadrukt tegelijkertijd de noodzaak om, met het oog op de toekomst, in alle lidstaten veel meer te investeren in het onderwijs voor jongeren;

24.   stelt de lidstaten voor gebruik te maken van het genderbegrotingsinstrument in hun begroting, die vooral het onderwijsveld ten goede zullen komen, en op die manier een tegenwicht te bieden voor genderspecifieke onrechtvaardigheden;

25.   beveelt de lidstaten aan een nationaal onderwijsbeleid in te stellen dat alle meisjes, alsmede jongens, in staat stelt met het verplichte onderwijs te starten, het te blijven volgen en het af te ronden, en op naleving van dit beleid toe te zien, alsmede er aldus zorg voor te dragen dat zij op school blijven totdat zij de wettelijke minimumleeftijd hebben bereikt voor toetreding tot de arbeidsmarkt;

26.   wijst op het essentiële belang van een nauwkeurige beoordeling van statistische gegevens over gendervraagstukken, evenals over andere aspecten van meervoudige discriminatie zoals etniciteit, vooral omdat er met betrekking tot kinderen en jongeren vaak nog geen specifieke statistische gegevens met een gendergebonden differentiëring voorhanden zijn; herinnert eraan dat dit een van de taken van het nieuwe instituut voor gendergelijkheid is;

27.   roept de lidstaten op om de media te stimuleren een positief beeld van vrouwen en mannen en hun gendereigenschappen te geven door hen op een waardige manier in beeld te brengen, een beeld dat vrij is van bevooroordeelde en vertekende concepten die leiden tot kleinering of onderwaardering van een of beide seksen;

28.   wijst op de noodzaak om nieuwe vormingstechnologieën aan te passen aan de onderwijsbehoefte van vrouwen, zoals de mogelijkheid van leren op afstand met behulp van computertechnologie;

29.   roept de lidstaten en de Commissie op stappen te ondernemen om de digitale genderkloof te dichten als onderdeel van de strategie van Lissabon, met het doel de informatiemaatschappij uit te breiden door maatregelen die de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bevorderen en acties om de toegang voor vrouwen te vergemakkelijken, waarbij de verwerving van e-capaciteiten gestimuleerd wordt en door het uitvoeren van programma's die voorzien in specifieke acties om vrouwen uit kwetsbare groepen te bereiken en gebrek aan evenwicht tussen stedelijke en plattelandsgebieden te compenseren;

30.   beveelt de lidstaten aan flexibelere programma's voor volwassenenonderwijs en levenslang leren te ontwikkelen, zodat werkende vrouwen en moeders hun opleiding kunnen voortzetten in programma's die aansluiten op hun uurroosters, zodat vrouwen een betere toegang hebben tot onderwijs en de mogelijkheid deel te nemen aan alternatieve onderwijsprogramma's, zodat zij onafhankelijker kunnen worden en in staat zijn een betekenisvolle bijdrage te leveren aan de maatschappij, en daarmee de gendergelijkheid verder te bevorderen;

31.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 64 van 4.3.2006, blz. 60.
(2) PB L 270 van 7.10.1998, blz. 56.
(3) PB C 45 E van 23.2.2006, blz. 129.
(4) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 283.


Betrekkingen tussen de EU en de eilanden in de Stille Oceaan - strategie voor versterkt partnerschap
PDF 137kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement over de betrekkingen tussen de EU en de eilanden in de Stille Oceaan: strategie voor een versterkt partnerschap (2006/2204(INI))
P6_TA(2007)0022A6-0325/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 mei 2006, getiteld "Betrekkingen tussen de EU en de eilanden in de Stille Oceaan: strategie voor een versterkt partnerschap" (COM(2006)0248),

–   gezien de conclusies van de Raad inzake een EU-strategie voor de Stille Oceaan, aangenomen door de Raad Algemene Zaken op 17 juli 2006,

–   gezien de op 23 juni 2000 te Cotonou ondertekende Partnerschapsovereenkomst tussen de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) en de Europese Gemeenschap ("Overeenkomst van Cotonou")(1),

–   gelet op artikel 89, lid 1 van de Overeenkomst van Cotonou, waarin wordt gesteld dat er specifieke bepalingen en maatregelen worden vastgesteld om de insulaire ACS-staten te steunen in hun streven de natuurlijke en geografische moeilijkheden en andere belemmeringen die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen,

–   gezien het verslag van het VN-millenniumproject, getiteld "Investing in Development: A Practical Plan to Achieve the Millennium Development Goals (Investeren in ontwikkeling: een praktisch plan om de millenniumontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken)",

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie, betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: De Europese consensus(2),

–   gezien de Verklaring van Parijs inzake doeltreffendheid van steun die op 2 maart 2005 werd aangenomen door de ministers van de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden die verantwoordelijk zijn voor het bevorderen van ontwikkeling, en door de hoofden van de multilaterale en bilaterale ontwikkelingsinstellingen,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 maart 2006 over de invloed van de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) op de ontwikkeling(3),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0325/2006),

A.   overwegende dat de Europese landen historische banden hebben met de regio van de Stille Oceaan,

B.   overwegende dat de meeste eilandstaten in de Stille Oceaan nog niet zo lang onafhankelijk zijn geworden,

C.   overwegende dat de EU in deze regio significant aanwezig is via de overzeese gebieden Nieuw-Caledonië, Frans-Polynesië, Wallis en Futuna (Frankrijk) en de Pitcairneilanden (VK),

D.   overwegende dat de Beweging voor een kernwapenvrij en onafhankelijk Stille-Oceaangebied (NFIP) zich inzet voor de stopzetting van alle kernproeven in de regio en respect voor de waardigheid van de inheemse bevolking,

E.   overwegende dat de EU een belangrijke donor is voor deze regio en dat de door de EU verleende steun sinds de toetreding van de eerste eilandstaten van de Stille Oceaan tot de eerste Overeenkomst van Lomé in 1975 in totaal meer dan 1,8 miljard EUR bedraagt,

F.   overwegende dat de zestien lidstaten van het Pacific Islands Forum een plan voor de Stille Oceaan hebben aangenomen dat gericht is op versterking van de regionale samenwerking en integratie, met het accent op economische groei, duurzame ontwikkeling, goed bestuur en veiligheid via regionalisme, en dat kansen biedt voor nauwere betrekkingen tussen de EU en de regio van de Stille Oceaan,

G.   overwegende dat de eilandstaten in de Stille Oceaan met aanzienlijke problemen te kampen hebben die te wijten zijn aan een sterke bevolkingsgroei, een onvoldoende aanbod aan geschoolde arbeidskrachten, een trage economische groei, etnische spanningen, sociaal-economische ongelijkheden, bestuurlijk falen en de gevolgen van de ontwikkelingen in de wereldeconomie, en dat de armoede en de instabiliteit in de regio daardoor kunnen verergeren, wat grote zorgen baart,

H.   overwegende dat de regio van de Stille Oceaan over aanzienlijke natuurlijke hulpbronnen beschikt, maar dat haar zeer ingewikkelde systemen van grondeigendom in sommige gevallen een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling,

I.   overwegende dat de ACS-landen in de Stille Oceaan volwaardige democratieën zijn, met uitzondering van Tonga, dat een constitutionele monarchie is,

1.   verwelkomt het initiatief van de Commissie om de eerste EU-strategie voor de Stille Oceaan uit te werken, na 30 jaar samenwerking als gevolg van de ondertekening van de eerste Overeenkomst van Lomé in 1975 en de Overeenkomst van Cotonou in juni 2000;

2.   beklemtoont dat de EU als belangrijke donor van deze regio thans de mogelijkheid heeft om een strategie uit te werken die de eilandstaten in de Stille Oceaan zal helpen de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (Millennium Development Goals - MDGs) te verwezenlijken;

3.   wijst met nadruk op de heterogeniteit van deze regio; wenst dan ook dat de strategie van de Commissie flexibel genoeg is om de ontwikkelingshulp te kunnen afstemmen op de nationale en regionale prioriteiten, zodat de meer ontwikkelde zowel als de minder ontwikkelde landen in het Stille-Oceaangebied hiervan optimaal kunnen profiteren;

4.   deelt de mening van de Commissie dat de politieke dialoog met het Pacific Islands Forum, waarvan de leiders een nieuwe overeenkomst hebben gesloten die van het forum een intergouvernementele organisatie onder internationaal recht heeft gemaakt, dient te worden versterkt; beklemtoont terzelfder tijd dat bij een uitbreiding van de dialoog op regionaal niveau de nodige aandacht moet worden besteed aan de behoeften van de armste landen in de regio;

5.   beklemtoont dat bij elke strategie de nodige aandacht moet uitgaan naar de ontwikkelingsbehoeften van alle eilandstaten in de Stille Oceaan, met name de armste, teneinde hen te helpen in hun streven de MDGs te verwezenlijken;

6.   constateert dat de regio van de Stille Oceaan een overvloed aan natuurlijke rijkdommen bezit, vooral vissen, mineralen en bossen, en dat de economie in vele landen van de regio op landbouw en toerisme steunt; beklemtoont derhalve dat duurzame ontwikkeling (in economisch en milieuopzicht) een centrale plaats moet innemen in elke strategie die zich op deze kernsectoren richt; benadrukt dat de exploitatie van natuurlijke rijkdommen inkomsten moet genereren voor de hele bevolking van de eilandstaten in de Stille Oceaan, en met name moet bijdragen aan het terugdringen van de armoede;

7.   erkent het belang van de financiële bijstand van de Europese Unie voor de stimulering van de ontwikkeling van de plaatselijke visserij in de regio, die een belangrijke bron van inkomsten vormt voor de eilandstaten in de Stille Oceaan, en vooral voor staten met een lager bruto nationaal inkomen zoals Kiribati, de Marshalleilanden, Micronesië en Tuvalu;

8.   beklemtoont het belang van een goed beheer in de visserijsector, zodat overbevissing en verwoestende visserijtechnieken worden ontmoedigd en schade aan het milieu door de vernietiging van het leven in zee wordt voorkomen, in het bijzonder als het gaat om de vangst van tonijn, aangezien de tonijnvisgronden van de Stille Oceaan tot de rijkste ter wereld behoren;

9.   verheugt zich over de regionale aanpak door de eilandstaten in de Stille Oceaan van het beheer van de tonijnvisserij in hun regio, en spoort de EU ertoe aan om niet met afzonderlijke staten, maar met de gehele regio over de sluiting van overeenkomsten inzake tonijnvisserij te onderhandelen;

10.   erkent het belang van het opleggen van de betaling van visrechten voor de tonijnvangst in volle zee in de exclusieve economische zones (EEZ's) van staten van de regio, die voor de eilandstaten in de Stille Oceaan een belangrijke bron van inkomsten vormen, vooral voor staten met geringe inkomsten zoals Kiribati, de Marshalleilanden, Micronesia en Tuvalu; constateert echter met bezorgdheid dat maar een klein deel van deze vangsten daadwerkelijk binnen de EEZ's wordt verwerkt, met het verlies aan inkomsten van dien;

11.   verwelkomt het voorstel van de Commissie de inspanningen ter bevordering van duurzaam visserijbeheer op te voeren door ondersteuning te bieden voor het regionale systeem voor toezicht, controle en bewaking en ter versterking van de capaciteit van de regio om illegale, niet aangegeven en niet-gereglementeerde visvangst te bestrijden;

12.   roept de Europese Unie en de eilandstaten in de Stille Oceaan ertoe op het internationale actieplan van de voedsel- en landbouworganisatie ter bestrijding van de illegale, niet-gemelde en niet-gereglementeerde visserij te steunen; is van mening dat dit een prioriteit moet zijn bij de sluiting van visserijovereenkomsten met derde landen;

13.   roept de Europese Unie en de eilandstaten in de Stille Oceaan ertoe op nauw samen te werken om illegale, niet-gemelde en niet-gereglementeerde visserijactiviteiten in de regio uit te bannen, en al het mogelijke te doen om hun verplichtingen als haven- en/of vlaggenstaten na te komen;

14.   beveelt de meer ontwikkelde eilandstaten in de Stille Oceaan aan de lokale verwerking verder te ontwikkelen, ter bevordering van de werkgelegenheid, en de mogelijkheid te onderzoeken dat de Europese Investeringsbank zachte leningen verstrekt aan kleine en middelgrote ondernemingen van de eilandstaten in de Stille Oceaan, teneinde de verwerkingscapaciteit en de inkomsten van de regio te vergroten; verwelkomt de evaluatie van de visbestanden en de vangstcapaciteiten van de regio door de Pacific Forum Fisheries Agency, en vraagt dat de lokale vloten worden uitgebouwd, daar waar capaciteitsuitbreiding mogelijk is;

15.   verzoekt de Commissie de sociale en milieueffecten van illegale en grootschalige industriële houtkap en de daarmee samenhangende handel in de landen in de Stille Oceaan te evalueren;

16.   verzoekt de Commissie het accent te leggen op de spoedige tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake biodiversiteit en verwante overeenkomsten, met name het werkprogramma inzake beschermde gebieden, dat een doeltreffend instrument is ter voorkoming van de verdere vernieling of aantasting van bossen en mariene ecosystemen in de regio van de Stille Oceaan;

17.   verzoekt de Commissie meer steun te verlenen voor ecologisch en sociaal verantwoord bosbeheer en de toepassing van betrouwbare systemen die de Europese consument geloofwaardige garanties bieden dat de op de EU-markt verkochte houtproducten zijn gemaakt van hout afkomstig van duurzame bronnen; onderstreept dat het van belang is dat wordt overgeschakeld van overdreven grootschalige industriële houtkap op ecobosbouwprojecten, teneinde inkomsten voor plaatselijke gemeenschappen te genereren en bij te dragen aan de armoedebestrijding;

18.   verwelkomt het in 2000 ondertekende verdrag inzake de instandhouding en het beheer van over grote afstanden trekkende visbestanden in het westelijke en centrale gedeelte van de Stille Oceaan, dat tot doel heeft een op lange termijn duurzame tonijnvangst mogelijk te maken, als een teken van samenwerking tussen de eilandstaten in de Stille Oceaan en diepzeevisserijlanden;

19.   beklemtoont dat aanzienlijk meer moet worden geïnvesteerd in het beheer van de ertslagen, die voor de meer ontwikkelde zowel als voor de minder ontwikkelde eilandstaten in de Stille Oceaan een vitale bron zijn van handel met het buitenland, teneinde te voorkomen dat deze rijkdommen voortijdig uitgeput raken, zoals in Nauru is gebeurd na 50 jaar onophoudelijke fosfaatwinning;

20.   verzoekt de Commissie er in samenwerking met de eilandstaten in de Stille Oceaan voor te zorgen dat alle olie-, mijnbouw- en gasbedrijven in de regio in de financiële jaarverslagen die zij publiceren volledige openheid geven over de belastingen en accijnzen zij aan de respectieve regeringen afdragen;

21.   wijst op het economische belang van het toerisme voor de regio, aangezien het idyllische landschap een van de grootste troeven van de eilanden in de Stille Oceaan is; beklemtoont dat er bij elke actie ter bevordering van het toerisme in de regio voor moet worden gezorgd dat een groter deel van de toeristische diensten in lokale handen komt, teneinde de duurzaamheid van de toeristische sector te garanderen en de lokale economie daar optimaal van te laten profiteren;

22.   eist een algeheel verbod op kernproeven en acht het van essentieel belang dat de gehele regio kernvrij wordt gemaakt en dat de schade die de kernproef heeft berokkend aan het milieu, de ecosystemen en de volksgezondheid wordt hersteld;

23.   erkent dat de economie van de eilandstaten in de Stille Oceaan baat hebben gehad bij de goedkope luchtvaartlijnen naar de regio en wenst dat alle belemmeringen voor een "open skies"-beleid worden weggenomen, waarbij het luchtvervoer evenwel op rationele wijze dient te worden ontwikkeld, ten einde de emissies en andere milieueffecten van het toegenomen luchtverkeer tot een minimum te beperken;

24.   beklemtoont dat in de meeste gevallen alleen de rijkere landen met een beter ontwikkelde infrastructuur en frequentere luchtverbindingen elk jaar veel toeristen aantrekken; benadrukt dat in deze gevallen de ontwikkelingshulp ook in de toekomst moet worden gebruikt om de infrastructuur te financieren en een duurzaam toerisme te bevorderen;

25.   verzoekt de Commissie bij projecten die ten uitvoer worden gelegd in het kader van het 10de Europees Ontwikkelingsfonds het accent te leggen op ondersteuning van systemen van algemeen en technisch onderwijs in de landen van de regio waar de ontwikkeling wordt belemmerd door lacunes op dit terrein;

26.   erkent het belang van de landbouw als primaire bron van inkomsten, inclusief opbrengsten uit export, en als bestaansmiddel en bron van werkgelegenheid in de regio;

27.   beklemtoont dat de globalisering en het verlies van de preferentiële toegang tot de EU-markt al diepgaande economische gevolgen voor de regio hebben gehad, met name voor Fiji;

28.   onderstreept dat in minder ontwikkelde landen, die vooral van zelfvoorzieningslandbouw leven, moet worden gezorgd voor een geleidelijke overgang van de productie van basisgewassen naar de productie van commerciële gewassen, zodat er meer landbouwproducten kunnen worden uitgevoerd, en dat de levensvatbaarheid van het opzetten van diensten voor de verwerking en verpakking van levensmiddelen moet worden onderzocht;

29.   onderstreept dat geschoolde arbeidskrachten een belangrijke voorwaarde zijn voor de economische groei van de landen in de Stille Oceaan en verzoekt de Commissie nationale beleidskaders in de landen in de Stille Oceaan om de plaatselijke bedrijven te helpen, te steunen, die gericht zijn op het bieden van faciliteiten op het gebied van beroepsopleiding en andere vormen van opleiding;

30.   onderstreept het belang van intraregionale handel en handel tussen de regio van de Stille Oceaan en de EU, inclusief in het kader van regionale handelsakkoorden, zoals de Pacific Island Countries Trade Agreements (PICTA), het voorgestelde Pacific Agreement on Closer Economic Relations (PACER) en de economische partnerschapsovereenkomst (EPO), als een middel om de economische welvaart in het gebied te vergroten;

31.   verzoekt de Commissie passende financiële en technische bijstand te verlenen met het oog op de tijdige en doeltreffende tenuitvoerlegging van dergelijke handelsakkoorden, gezien de kosten van het beheer en de afwikkeling ervan, met inbegrip van de uitvoering van de strategie voor de Stille Oceaan door de eilandstaten in de Stille Oceaan en regionale organisaties zoals het Pacific Forum Secretariat;

32.   is het er met de Commissie over eens dat regionale sleutelactoren zoals Australië, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten en Japan een grote rol spelen in de Stille Oceaan als belangrijke donoren en handelspartners voor deze regio, en dat de bilaterale betrekkingen van de EU met deze landen kunnen profiteren van een sterkere rol van Europa in de Stille Oceaan;

33.   deelt de mening van de Commissie dat nauwere samenwerking met andere partners in de regio, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, de doeltreffendheid van de hulpverlening zou vergroten;

34.   beklemtoont dat de regio van de Stille Oceaan van geopolitiek belang is; uit zijn bezorgdheid over de mogelijkheid dat onderlinge rivaliteit tussen de landen uitmondt in politiek gemotiveerde steun van geringe kwaliteit, ten nadele van de ontwikkeling op langere termijn, de duurzaamheid van de hulpmiddelen en het goede bestuur;

35.   verzoekt de Commissie er rekening mee te houden dat de grondbezitsystemen, met name in Papoea-Nieuw-Guinea, de Salomonseilanden, Vanuatu en Nieuw Caledonië (een Frans overzees gebied) zeer ingewikkeld zijn en reële belemmeringen voor de ontwikkeling vormen; dringt er derhalve bij de Commissie op aan de nationale landhervormingsinitiatieven van die landen en dat overzees gebied te steunen;

36.   verzoekt de Commissie acties te stimuleren om de snelle verspreiding van HIV/aids in het gebied, met name in landen zoals Papoea-Nieuw-Guinea, tegen te gaan;

37.   vestigt de aandacht op de vier landen in de regio die getroffen worden door malaria, namelijk Papoea-Nieuw-Guinea, de Salomonseilanden, Vanuatu en Oost-Timor; dringt er bij de Commissie op aan programma's uit te werken om dit probleem het hoofd te bieden en voor adequate bescherming tegen malaria te zorgen, bijvoorbeeld door de landen in kwestie te voorzien van muskietennetten;

38.   beklemtoont dat het met het oog op een doeltreffende hulpverlening van vitaal belang is dat goed bestuur in de hele regio van de Stille Oceaan wordt bevorderd, teneinde corruptie, een van de grootste obstakels voor het verwezenlijken van de MDG's, te voorkomen en duurzame ontwikkeling tot stand te brengen; beklemtoont dat moet worden gezorgd voor nationale instellingen en transparante, stevige procedures, teneinde te garanderen dat de ontwikkelingshulp terechtkomt bij degenen in de regio voor wie ze is bestemd;

39.   deelt het standpunt van de Commissie dat politieke instabiliteit en conflicten funest kunnen zijn voor de economische ontwikkeling van de regio, met name in termen van verlies aan inkomsten uit het toerisme en vernieling van de economische infrastructuur;

40.   onderstreept dat het versterkte partnerschap tussen de Europese Unie en de eilandstaten in de Stille Oceaan tot uiting moet komen in sterkere ondersteuning van de parlementen van deze staten, teneinde hun capaciteiten en hun rol ter bevordering van politieke stabiliteit in de regio te vergroten;

41.   vestigt de aandacht op de kwetsbaarheid van de eilandstaten in de Stille Oceaan voor natuurrampen en de catastrofale gevolgen van dergelijke rampen voor hun economie, en sluit zich dan ook aan bij de oproep van de Commissie om een regionaal rampenplan uit te werken;

42.   is het er met de Commissie over eens dat het voor de eilandstaten in de Stille Oceaan van groot belang is dat wordt gezocht naar oplossingen voor het probleem van de klimaatverandering, gezien de mogelijke gevolgen van een stijgend zeewaterpeil voor deze regio; neemt kennis van het actieplan "Pacific Islands Framework for Action on Climate Change 2006-2015", als regionaal mechanisme om de klimaatverandering het hoofd te bieden; is van oordeel dat de dialoog tussen de EU en de regio van de Stille Oceaan moet worden versterkt, teneinde oplossingen te vinden voor de klimaatverandering en gerelateerde problemen;

43.   vestigt de aandacht op de situatie in Oost-Timor, waar in mei en juni 2006 het geweld is opgelaaid; spreekt de hoop uit dat de Commissie in nauwe samenwerking met de internationale gemeenschap de leiders van Oost-Timor zal helpen de problemen die aan deze crisis ten grondslag liggen op te lossen: behoefte aan politieke stabiliteit, armoedebestrijding, sociale ontwikkeling en verzoening tussen de verschillende geledingen van de samenleving;

44.   verwelkomt de conclusies van de Raad van 17 juli 2006 over een EU-strategie voor het gebied van de Stille Oceaan en het feit dat armoedebestrijding, de verwezenlijking van de MDG's, de ontwikkeling van menselijke hulpmiddelen en gezondheidskwesties daarin een belangrijke plaats krijgen; betreurt evenwel dat de Raad zijn conclusies aangenomen heeft zonder de bekendmaking van het standpunt van het Parlement af te wachten;

45.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regeringen en parlementen van de eilandstaten in de Stille Oceaan.

(1) Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3).
(2) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(3) PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 121.


Statuut van de Europese besloten vennootschap
PDF 126kWORD 50k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement met aanbevelingen aan de Commissie over het statuut van de Europese besloten vennootschap (2006/2013(INI))
P6_TA(2007)0023A6-0434/2006

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 192, tweede alinea van het EG-Verdrag,

–   gelet op de artikelen 39 en 45 van zijn Reglement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 21 mei 2003 aan de Raad en het Europees Parlement "Modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie – Een actieplan" (COM(2003)0284),

–   gezien de openbare hoorzitting van de Commissie over de toekomstige prioriteiten in het actieplan ter modernisering van het vennootschapsrecht en corporate governance en de resultaten hiervan,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0434/2006),

A.   overwegende dat overeenkomstig artikel 39, lid 2 van het Reglement voldaan is aan de voorwaarde dat er geen voorstel in voorbereiding is,

B.   overwegende dat de openbare hoorzitting van de Commissie juridische zaken van 22 juni 2006 de noodzaak onderstreepte van de rechtsvorm van een Europese besloten vennootschap voor kleine en middelgrote ondernemingen die grensoverschrijdend economisch actief zijn,

C.   overwegende dat een Europese besloten vennootschap (EBV) op het grondgebied van de Gemeenschap zou moeten kunnen worden opgericht door een of meer natuurlijke of rechtspersonen die niet noodzakelijkerwijs in een lidstaat gevestigd zijn, overeenkomstig Gemeenschapsrechtelijke voorschriften en regels die in een verordening moeten worden vastgelegd,

D.   overwegend dat een EBV rechtspersoonlijkheid dient te bezitten en haar aansprakelijkheid voor schulden aan crediteuren beperkt moet zijn tot haar vermogen,

E.   overwegende dat de EBV aan bedrijven, buiten de nationale vennootschapsvormen, een aanvullende, onverplichte keuze van rechtsvorm biedt,

F.   overwegende dat de EBV de mogelijkheid moet hebben hetzij een monistische, hetzij een dualistische structuur te kiezen,

G.   overwegende dat de EBV in het land van haar zetel met een geldig zakenadres, waarop betekeningen rechtsgeldig kunnen gebeuren, dient te worden ingeschreven in het volgens de nationale bepalingen uitgevaardigd overeenkomstig Richtlijn 68/151/EEG daartoe bedoelde register, met inachtneming van de mechanismen voor de controle van de inhoudelijke juistheid en echtheid van de oprichtingsakte,

H.   overwegende dat het toepasselijke acquis communautaire over grensoverschrijdende informatie-, consultatie- en medezeggenschapsrechten van de werknemers en de bestaande medezeggenschapsrechten voor werknemers (Richtlijnen 94/45/EG en 2005/56/EG) onverkort in stand dient te worden gehouden en dat als gevolg daarvan de omvorming van een bedrijf met medezeggenschaps-, informatie- en consultatierechten voor de werknemers tot een EBV niet mag leiden tot het verlies van deze bestaande rechten,

1.   verzoekt de Commissie het Parlement in de loop van 2007, op basis van artikel 308 van het EG-Verdrag, een wetgevingsvoorstel voor te leggen over het statuut van de Europese besloten vennootschap, en dit voorstel uit te werken in het kader van het interinstitutioneel overleg en overeenkomstig de in de bijlage hierbij gedane gedetailleerde aanbevelingen;

2.   constateert dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met het subsidiariteitsbeginsel en de grondrechten van de burger;

3.   is van oordeel dat het verlangde voorstel geen financiële gevolgen heeft;

4.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

BIJLAGE:

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Aanbeveling 1 (over de gemeenschappelijke basis van de ondernemingsvorm)

Het Europees Parlement is van mening dat het statuut van de EBV zoveel mogelijk op communautaire rechtsregels moet gebaseerd zijn en dienovereenkomstig geen verwijzingen naar het nationale recht zou mogen bevatten. Het moet dus als een uniform en afgerond statuut worden ontworpen. Daarom moeten de vennootschapsrechtelijke bepalingen uit de verordening over het statuut van de EBV exclusief worden toegepast en de gebieden die in deze verordening worden geregeld, aan de toepassing van het recht van de lidstaten worden onttrokken. Dit geldt voor rechtskarakter, rechtsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid, oprichting, wijziging van de oprichtingsakte, omvorming en ontbinding, naam of handelsnaam, organisatiestructuur, vertegenwoordigingsbevoegdheid van de organen, verwerving en verlies van lidmaatschap en de hieraan verbonden rechten en plichten en aansprakelijkheid van de vennootschap, de zaakvoerders, de leden van de bedrijfsorganen en de vennoten voor de schulden van de vennootschap, alsmede minimumnormen voor de plichten van de zaakvoering tegenover de vennootschap; voorts moet het statuut regels omvatten over de werking van de vennootschapsorganen, meerderheden bij stemmingen en overleg tussen de vennoten, alsmede bepalingen betreffende aan- en verkoop van aandelen in de vennootschap; deze regelingen moeten individueel volgens de behoeften van de vennootschap kunnen worden geformuleerd. Op andere gebieden wordt in principe het statuut toegepast en louter subsidiair verdergaande regels, in deze volgorde: andere communautaire voorschriften; bepalingen inzake vergelijkbare vennootschapsvormen van de lidstaat waarin de vennootschap haar statutaire zetel heeft. De vergelijkbare relevante vennootschapsvormen in de desbetreffende lidstaten dienen in een bijlage te worden vermeld.

Aanbeveling 2 (over de oprichting)

Het Europees Parlement is van mening dat een EBV ex nihilo moet kunnen worden opgericht, ofwel vanuit een bestaande vennootschap dan wel als gevolg van een bedrijfsfusie of in het kader van een gemeenschappelijke dochteronderneming. Voorts dient de EBV te kunnen worden omgezet in een Europese vennootschap.

Aanbeveling 3 (over het maatschappelijk kapitaal)

Het Europees Parlement is van mening dat het maatschappelijk kapitaal van de EBV moet worden opgedeeld in aandelen met een bepaalde nominale waarde; dat de waarde van de aandelen van de vennoten in hele euro's moet worden uitgedrukt; dat het minimumkapitaal 10 000 EUR moet bedragen of de tegenwaarde daarvan in een andere valuta op het moment van inschrijving; en dat het minimumkapitaal niet noodzakelijkerwijze hoeft te worden gestort en de mate van aansprakelijkheid van de vennoten bepaalt.

Aanbeveling 4 (over de organisatie)

Het Europees Parlement stelt voor dat de EBV tenminste één zaakvoerder heeft en dat de eerste zaakvoerders door een besluit van de vennoten of middels de statuten van de vennootschap worden aangesteld; dat de functie van zaakvoerder niet mag worden uitgeoefend door iemand wie het overeenkomstig een beslissing van de rechter of een administratieve overheid van een lidstaat is verboden een met de functie van zaakvoerder vergelijkbare positie te bekleden.

Aanbeveling 5 (over de inhoud van de statuten van de vennootschap)

Het Europees Parlement stelt voor in de statuten van de vennootschap bepalingen op te nemen omtrent de rechtsvorm en de firmanaam van de vennootschap; de duur van de vennootschap, voor zover die begrensd is; het doel van de onderneming; de statutaire zetel van de vennootschap; het maatschappelijk kapitaal en het orgaan of de organen die de vennootschap kunnen vertegenwoordigen tegenover derden of voor de rechter; en de van elke vennoot verlangde inbreng in ruil voor de door hem verworven aandelen.

Aanbeveling 6 (over de aansprakelijkheid van de zaakvoerder)

Het Europees Parlement is van mening dat de zaakvoerder of zaakvoerders van de EBV afzonderlijk of solidair tegenover de vennootschap aansprakelijk behoren te zijn voor alle handelingen die in strijd zijn met de op de vennootschap toepasselijke civiel- en strafrechtelijke voorschriften.

Aanbeveling 7 (over de aansprakelijkheid van zaakvoerders en vennoten bij vermogensvermindering)

Het Europees Parlement is van mening dat de ondernemingsorganen solidair aansprakelijk behoren te zijn voor de schade die aan de EBV wordt toegebracht wanneer door de handelwijze van de onderneming het vermogen van de EBV wordt aangetast ten gunste van een ondernemingsorgaan, een vennoot of iemand die met hem nauwe banden onderhoudt; dat de ontvanger van een onrechtmatige betaling door de onderneming aansprakelijk is voor de terugbetaling; dat aansprakelijkheid alleen volgt indien de handeling niet in het welbegrepen belang van de EBV was; dat er in het bijzonder geen aansprakelijkheid is, als de EBV opereert in het kader van een coherent groepsbeleid en eventuele nadelen gecompenseerd worden door het feit dat de vennootschap tot de groep behoort; dat aansprakelijkheid van de zaakvoerder of vennoten volgens andere rechtsvoorschriften onverminderd van kracht moet blijven.

Aanbeveling 8 (over bijlagen bij de verordening)

Het Europees Parlement stelt voor de volgende bijlagen aan de verordening toe te voegen:

   a) modelstatuten die de vennoten geheel of gedeeltelijk kunnen overnemen;
   b) voor iedere lidstaat de vennootschapsvormen waaraan de EBV gelijkgesteld is voor wat betreft de niet in deze verordening geregelde zaken, met name voor wat betreft het toepassen van voorschriften op het gebied van het boekhoudrecht, het strafrecht, het sociaal recht en het arbeidsrecht;
   c) de benamingen voor de organen van de vennootschap in de afzonderlijke officiële talen van de Europese Unie.

Aanbeveling 9 (over de jaarrekeningen)

Het Europese Parlement is van mening dat de EBV onderworpen behoort te zijn aan de geharmoniseerde voorschriften inzake rekening en verantwoording (opgenomen in Richtlijn 78/660/EEG(1) en 83/349/EEG(2)) die in elke lidstaat voor de vergelijkbare vennootschapsvorm gelden.

Aanbeveling 10 (over mogelijkheden tot omvorming)

Het Europees Parlement is van oordeel dat een EBV de mogelijkheid moet hebben tot fusie(3), wijziging van de statutaire zetel, opsplitsing en omvorming tot een Europese vennootschap(4), en wel, voor zover dat bestaat, overeenkomstig al geharmoniseerd Gemeenschapsrecht; waar dat recht niet bestaat dienen de voorschriften van de lidstaten voor vergelijkbare rechtsvormen te gelden; dat in dit verband de medezeggenschapsregelingen in de staat van het hoofdkantoor tezamen met het Gemeenschapsrecht moeten worden toegepast; dat met inachtneming van de bestaande rechten van werknemers ook de omvorming van nationale vennootschappen in EBV mogelijk worden gemaakt; dat hetzelfde geldt voor het opnieuw omvormen van een EBV in een nationale rechtsvorm.

Aanbeveling 11 (over ontbinding, vereffening, insolventie en staking van betalingen)

Het Europees Parlement is van mening dat de zaakvoerders van een EBV verplicht behoren te zijn bij insolventie of een te grote schuldenlast van de vennootschap onverwijld, uiterlijk echter na drie weken, het in gang zetten van een insolventieprocedure aan te vragen; dat ze bij het verwaarlozen van deze plicht tegenover schuldeisers die daarvan schade ondervinden direct en solidair aansprakelijk behoren te zijn; dat voor het overige de EBV voor wat betreft de ontbinding of vereffening, insolventie, het staken van de betalingen of vergelijkbare zaken onderworpen dient te zijn aan de voorschriften die van toepassing zijn op vennootschappen waaraan ze in elke lidstaat door deze verordening worden gelijkgesteld; wat betreft insolventie moeten de bepalingen worden toegepast die gelden in de lidstaat waar het hoofdkantoor is gevestigd.

(1) Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g) van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PB L 222 van 14.8.1978, blz.11). Richtiljn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 224 van 16.8.2006, blz. 1).
(2) Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PB L 193 van 18.7.1983, blz.1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/99/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 137).
(3) Richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen (PB L 310 van 25.11.2005, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (PB L 294 van 10.11.2001, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

Juridische mededeling - Privacybeleid