Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 24 mei 2007 betreffende de ontwikkeling van een strategisch concept inzake de bestrijding van georganiseerde criminaliteit (2006/2094(INI))
Het Europees Parlement,
– gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad, ingediend door Bill Newton Dunn namens de ALDE-Fractie, over de ontwikkeling van een strategisch concept inzake de bestrijding van georganiseerde criminaliteit (B6-0073/2006),
– gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de "Ontwikkeling van een strategisch concept inzake de bestrijding van georganiseerde criminaliteit" (COM(2005)0232),
– gelet op artikel 114, lid 3, en artikel 90 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0152/2007),
A. overwegende dat er vorderingen zijn gemaakt in de politiële en justitiële samenwerking ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, sinds op dit gebied de eerste stappen zijn gezet, nu al 30 jaar geleden,
B. overwegende dat er met name significante vooruitgang is geboekt op het gebied van de samenwerking tussen de wetshandhavings- en justitiële instanties (zoals blijkt uit de jaarverslagen 2005 van de lidstaten, Europol, Eurojust en de Customs Cooperation Working Group (CCWG)), en dat deze samenwerking de hoeksteen is van een doeltreffend beleid, op Europees niveau, ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit,
C. overwegende dat deze inspanningen die geleid hebben tot een toename van de uitwisseling van informatie en een intensivering van de initiatieven met het oog op de opleiding van de diensten die moeten samenwerken, vruchten hebben opgeleverd en het gebrek aan wederzijds vertrouwen, dat het grootste en steeds terugkerende probleem van elke samenwerking op dit gebied is, hebben doen afnemen,
D. overwegende dat alle instellingen en agentschappen van de EU die betrokken zijn bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit de burgerlijke vrijheden en fundamentele mensenrechten van onderdanen van de EU en derde landen, met inbegrip van de hoogste normen voor gegevensbescherming, ten volle moeten respecteren,
E. overwegende evenwel dat voor verdere vooruitgang op het gebied van de bestrijding van georganiseerde criminaliteit thans een totaal nieuwe benadering nodig is, waarbij een oplossing moet worden gevonden voor de steeds complexere interne problemen, en het hoofd moet worden geboden aan de externe problemen, die exponentieel zijn toegenomen,
F. overwegende dat de georganiseerde criminaliteit zich geografisch heeft uitgebreid en in een Europa dat meer dan ooit open is, reeds maximaal profijt heeft weten te trekken van haar perfecte beheersing van de nieuwe middelen van verplaatsing, uitwisseling en communicatie, terwijl de wetshandhavingsinstanties vaak nog te kampen hebben met een juridische en administratieve logheid, die hun dagelijkse activiteiten belemmert,
G. overwegende dat georganiseerde criminele groeperingen steeds meer de vorm aannemen van complexe en gestructureerde zakelijke organisaties die in staat zijn de economische en financiële markten binnen te dringen en te verstoren bij hun pogingen legale economische ruimten te verwerven waar zij hun illegaal verkregen inkomsten naartoe kunnen sluizen, vaak met behulp van gesofistikeerde witwasoperaties,
H. overwegende dat de oprichting en/of verwerving, vaak door gebruik te maken van "lege vennootschap"-constructies, van bedrijven in sectoren waar zeer grote sommen geld circuleren een van de voornaamste instrumenten is waar georganiseerde criminele groeperingen gebruik van maken,
I. overwegende dat repressieve acties op zich ontoereikend zijn om de georganiseerde criminaliteit te bestrijden en vergezeld moeten gaan van een zorgvuldige analyse van de verspreiding van het fenomeen en de mogelijkheden die maffia-achtige organisaties hebben om een voet aan de grond te krijgen, met name daar waar de sociale structuren zwak zijn,
J. overwegende dat acties ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit ondersteund moeten worden door grondig onderzoek naar de capaciteit voor de accumulatie van kapitaal en naar onderlinge verbanden tussen legale en illegale economische activiteiten op mondiaal niveau, waarbij stappen moeten worden ondernomen om te voorkomen dat de georganiseerde misdaad infiltreert in overheidsinstanties en contacten legt met instellingen, massaorganisaties of politici,
K. overwegende dat de georganiseerde criminaliteit opereert door zich te verzekeren van stilzwijgende acceptatie en door controle te verwerven over een bepaald territorium door middel van illegale activiteiten,
L. overwegende dat georganiseerde criminaliteit terroristische organisaties mogelijkheden kan bieden zich in te laten met smokkelactiviteiten door middel van kanalen, die ze normaal zelf gebruikt, en zo waarmee illegale inkomsten te genereren, die gebruikt kunnen worden voor terroristische activiteiten,
M. overwegende dat in deze strijd tegen de tijd en de ruimte de bestrijding van georganiseerde criminaliteit een combinatie moet zijn van de dwingende noodzaak de beschikbare middelen en de methoden aan te passen, en een anticipatievermogen dat voornamelijk steunt op een adequate en maximale benutting van de mogelijkheden van de informatiesystemen,
N. overwegende dat alleen een proactief beleid het mogelijk zal maken de realiteit van de uiterst gesofistikeerde samenwerking tussen de diverse criminele groepen het hoofd te bieden en de voornaamste bedreigingen die deze organisaties op onze samenleving doen wegen, te neutraliseren, waarbij een preventiebeleid moet worden gevoerd dat nieuwe actoren impliceert, evenwel steeds met volledige eerbiediging van de grondrechten,
O. overwegende dat er over het algemeen behoefte is aan een beter inzicht in criminele verschijnselen en verspreiding van de kennis terzake onder alle bij de bestrijding van criminaliteit betrokken actoren,
P. overwegende dat de steun van de meestal onvoldoende voorgelichte publieke opinie een van de sleutels is van het succes van deze strijd op middellange en lange termijn,
Q. overwegende dat de beschikbare communautaire instrumenten - zoals EUROPOL en EUROJUST - maar ten volle efficiënt kunnen zijn indien zij werkelijk autonoom hun acties ten uitvoer kunnen leggen, en dat ze dan ook dringend in staat moeten worden gesteld vrijer te handelen dan thans het geval is, waarbij moet worden voorzien in adequate parlementaire controle, teneinde het nut en de werkelijke meerwaarde van hun acties op het gebied van veiligheid, alsmede de volledige naleving van de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vastgelegde grondrechten te evalueren,
R. overwegende dat de dit jaar door EUROPOL gepubliceerde evaluatie van de bedreiging die de georganiseerde criminaliteit vormt (OCTA)(1) de lidstaten een dynamische analyse verschaft die het hun gemakkelijker maakt hun strategische prioriteiten vast te stellen, en dat deze eerste stap de Raad ertoe moet aansporen zich te blijven inzetten voor een adequate structurering van de thans nog sterk uiteenlopende aspecten van de criminaliteitsbestrijding, met name via een verdieping van het door het Oostenrijkse voorzitterschap gelanceerde concept van interne veiligheidsarchitectuur en de operationele ontwikkeling van het interoperabiliteitsbeginsel; is van oordeel dat deze twee elementen, gecombineerd met de toepassing van een inlichtingengestuurde rechtshandhaving (intelligence-led law enforcement) zullen bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe synergieën en de uitroeiing van alle vormen van "parasitaire concurrentie" tussen analysediensten en/of wetshandhavingsinstanties op strategisch, tactisch en operationeel niveau,
1. beveelt de Raad het volgende aan:
a)
verzoekt de Raad alle lidstaten te vragen over te gaan tot ratificatie van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (Verdrag van Palermo) en de bijbehorende protocollen inzake handel in personen en migranten, en toe te zien op de naleving van deze juridische instrumenten;
b)
verzoekt de Raad de lidstaten er sterk toe aan te sporen de programma's voor de opleiding van en de uitwisseling tussen voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit bevoegde diensten en instanties adequaat te blijven steunen, en verzoekt de lidstaten in het kader van de financiële vooruitzichten en het desbetreffende algemene programma, maar ook het hoofdstuk "veiligheid" van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, voor deze programma's te voorzien in voldoende begrotingsmiddelen, teneinde te garanderen dat ze werkelijk doeltreffend zijn, en de beste praktijken ook beschikbaar te stellen voor de andere lidstaten;
c)
wijst de Raad er opnieuw op dat een versterking van de instrumenten voor politiële en justitiële samenwerking thans een aanpassing van de interne structuren vereist die de weerspiegeling is van de drievoudige behoefte aan modelontwikkeling voor de procedures, soepelheid van de kanalen voor informatieoverdracht en verbetering van de kennis over het fenomeen van de georganiseerde criminaliteit;
d)
verzoekt de Raad, teneinde te zorgen voor doeltreffender maatregelen op EU-niveau, erop toe te zien dat de lidstaten hun strafrechtbepalingen in nauwe samenwerking onderling aanpassen, met specifieke verwijzing naar de definitie van begrippen en misdrijven op het gebied van georganiseerde criminaliteit en terrorisme, en te zorgen voor de onderlinge aanpassing van de strafrechtelijke procedures van de lidstaten, met volledige inachtneming van procedurele waarborgen;
e)
suggereert de Raad de lidstaten te verzoeken zo spoedig mogelijk de aanwending van bijzondere onderzoekstechnieken te veralgemenen en de oprichting te bevorderen van de gemeenschappelijke onderzoeksteams (joint investigation teams) die werden ingesteld door het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams(2), waarvan de inhoud in ruime mate door de lidstaten werd omgezet(3), en het aspect samenwerking in het veld systematisch te integreren in de diverse handleidingen inzake "beste praktijken" die de betrokken diensten gebruiken als operationeel kader;
f)
wijst de Raad en de lidstaten op de noodzaak regels inzake georganiseerde criminaliteit en terrorisme aan te nemen voor de specifieke bescherming van de rechtsorde en de financiële belangen van de Europese Unie;
g)
wijst de Raad nadrukkelijk op de noodzaak van soepeler informatiekanalen tussen de actoren van de criminaliteitsbestrijding en de behoefte aan significante vorderingen op wetgevingsgebied op specifieke domeinen - zoals verkrijging en toelaatbaarheid van bewijsmateriaal, of de financiële informatie die bestemd is om de opbrengsten van misdrijven te identificeren en vervolgens te neutraliseren -, maar ook ten aanzien van nog hangende principekwesties, zoals het beginsel van beschikbaarheid, dat duidelijk moet worden gedefinieerd en dat waarborgen moet omvatten, met name met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens in het kader van de derde pijler; dringt er hiertoe bij de Raad op aan zo snel mogelijk het voorstel voor een kaderbesluit (COM(2005)0475) inzake gegevensbescherming in de derde pijler goed te keuren, rekening houdend met het standpunt dat bijna unaniem door het Parlement op 27 september 2006(4) is aangenomen;
h)
constateert dat zowel de lidstaten als de EU-instellingen een beroep kunnen doen op de expertise van het pas opgerichte Bureau voor de grondrechten, teneinde de rechten te beschermen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten en onderzoek te doen naar gevallen die zich voordoen bij de samenwerking op het gebied van binnenlandse zaken en justitie; verzoekt de Raad bovendien, indien nodig, met specifieke verwijzing naar artikel 7 van het EG-verdrag van deze mogelijkheid gebruik te maken en dit ook in het geval van de lidstaten te bevorderen;
i)
verzoekt de Raad de lidstaten te wijzen op de noodzaak de onderzoeksstrategieën te versterken en doeltreffende actie te ondernemen ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, door zich systematisch te richten op illegaal verworven economische en financiële middelen;
j)
verzoekt de Raad in het licht van het actieplan van de Commissie voor het meten van de omvang van de criminaliteit en het strafrecht (COM(2006)0437) de inspanningen van de lidstaten te steunen om het inzicht in criminele verschijnselen te verbeteren, door statistische instrumenten te ontwikkelen en op informaticanetwerken beschikbaar te stellen in een dynamisch perspectief (zoals dat reeds het geval is met OCTA) en op basis van gemeenschappelijke indicatoren, zodat de verspreide informatie niet alleen een getrouw beeld geeft van de situatie van de georganiseerde criminaliteit, maar ook vergelijkbaar is en verstaanbare strategieën en aanbevelingen voor acties voorstelt die kunnen worden omgezet door de diensten die in het veld actief zijn;
k)
verzoekt de Raad Europol en Eurojust daadwerkelijk de autonomie te verschaffen die zij nodig hebben, door deze diensten volledig initiatiefrecht te verlenen op de gebieden die tot hun bevoegdheden behoren, zodat zij niet alleen meer de rol vervullen van coördinator, maar ook de motor worden van de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit op Europees niveau, rekening houdend met de noodzaak van passende contacten met de bevoegde nationale autoriteiten, teneinde de activiteiten van deze autoriteiten niet te ondermijnen en geen onevenwichtigheden of overlappingen in de hand te werken; onderstreept dat een dergelijke uitbreiding van hun bevoegdheden gepaard moet gaan met daadwerkelijke parlementaire controle en dat om redenen van legitimiteit en doeltreffendheid alleen het Parlement in staat is deze controletaak correct te vervullen;
l)
verzoekt de Raad te erkennen dat preventie een onderwerp is dat bijzondere aandacht verdient en dat wat dat betreft alle mogelijke oplossingen in aanmerking dienen te worden genomen, met name initiatieven die erop gericht zijn niet alleen slachtoffers, maar ook getuigen van criminele handelingen doeltreffend te beschermen, zodat gebruik kan worden gemaakt van informatiebronnen die anders vaak gedoemd zijn tot zwijgen, vanwege de constant door criminele organisaties uitgeoefende chantage en terreur;
m)
stelt de Raad voor een echt debat te organiseren over de pertinentie van de formele erkenning van de status van "personen die met justitie samenwerken" op Europees niveau en de verenigbaarheid daarvan met onze gemeenschappelijke waarden van eerbiediging van de mensenrechten en de menselijke waardigheid, teneinde de informatiegaring optimaal te maken en te baseren op een vooraf vastgesteld en door iedereen aanvaard rechtskader;
n)
beschouwt de steun van de publieke opinie op middellange en lange termijn als een van de voorwaarden voor het succes van de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, en verzoekt de Raad dan ook de lidstaten ertoe aan te sporen aanzienlijke inspanningen te leveren om het grote publiek in kennis te stellen van de successen die geboekt worden door de goede samenwerking tussen de diverse justitiële en wetshandhavingsinstanties, en vooral van de rol die de communautaire instrumenten en actoren daarbij spelen, zodat het grote publiek zich bewust wordt van de toegevoegde waarde die de initiatieven van de EU verschaffen in deze materie, die voor de burgers van vitaal belang is;
o)
stelt de Raad voor terdege rekening te houden met de lessen die uit de periodieke enquêtes van Eurobarometer (zoals die van maart 2006 over georganiseerde criminaliteit en corruptie(5)) kunnen worden getrokken, en is van oordeel dat deze enquêtes er tevens op gericht moeten zijn na te gaan hoe de Europese burgers de rol die de EU op dit gebied speelt waarnemen en welke ontwikkelingen zij op Europees niveau wenselijk achten;
p)
acht het dan ook wenselijk dat de Raad bijdraagt aan de uitwerking van een echte strategie op het gebied van de organisatie en verspreiding van deze boodschappen ten behoeve van het grote publiek, uitgaande van het Witboek inzake een Europees communicatiebeleid(6), waarbij het Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie(7) nauw kan worden betrokken, mits zijn bevoegdheden worden uitgebreid;
q)
adviseert de Raad de lidstaten te verzoeken met name op lokaal niveau programma's te bevorderen die erop gericht zijn het publieke bewustzijn ten aanzien van mensenhandel met het oog op seksuele of arbeidsuitbuiting van vooral vrouwen en kinderen, te vergroten;
r)
verzoekt de Raad met aandrang de proactieve benadering van het EU-beleid inzake bestrijding van georganiseerde criminaliteit te integreren in onze samenwerkingsovereenkomsten met derde landen, en tegelijkertijd een vastomlijnd kader te bepalen dat ook bindende garanties inzake grondrechten omvat; onderstreept dat de OCTA wat dat betreft duidelijk de te volgen weg aangeeft, door op pertinente wijze de vinger te leggen op de activiteitensectoren en de connecties van de criminele organisaties waarvan de geografische oorsprong kon worden geïdentificeerd;
s)
raadt de Raad aan, gezien het feit dat het staatsapparaat van sommige grensstaten van de Unie nog al te vaak poreus is voor criminaliteit, een specifieke benadering toe te passen rond een nieuw initiatief inzake doorzichtigheid en bestrijding van corruptie, dat erop gericht is de betrekkingen met derde landen, en inzonderheid de buurlanden van de EU, te structureren;
t)
adviseert de Raad er bij de lidstaten op aan te dringen de hoogste oplettendheid in acht te nemen met betrekking tot mogelijke contacten tussen terroristische organisaties en georganiseerde criminele groeperingen, met name in verband met het witwassen van geld en de financiering van terroristische activiteiten;
u)
verzoekt de Raad bovendien rekening te houden met de fundamentele rol van de coördinator voor terrorismebestrijding van de EU, die verantwoordelijk is voor het toezicht op instrumenten voor terrorismebestrijding en inlichtingen op dit gebied, alsmede voor de coördinatie en vergelijking van informatie die wordt geleverd door politie- en veiligheidsdiensten in de lidstaten;
v)
verzoekt het voorzitterschap van de Raad de onder het Oostenrijkse voorzitterschap geïnitieerde bezinning over de ontwikkeling van een echte "interne-veiligheidsarchitectuur" voort te zetten en te intensiveren;
w)
verzoekt de Raad stappen te ondernemen die er bij voorrang op gericht zijn kapitaalbewegingen te onderscheppen die voortkomen uit witwasoperaties en activa in beslag te nemen die afkomstig zijn van criminele en maffia-achtige activiteiten;
x)
verzoekt de Raad bij alle lidstaten die dat nog niet gedaan hebben, erop aan te dringen het Verdrag van de Verenigde Naties inzake corruptie te ratificeren;
y)
verzoekt de Raad in de lidstaten, met name in regio's waar de culturele en sociale invloed van de georganiseerde criminaliteit het grootst is, de tenuitvoerlegging te bevorderen van projecten die erop gericht zijn de burgers voor te lichten over de naleving van de wetgeving, met name in risicoscholen en -wijken, teneinde de georganiseerde criminaliteit te bestrijden door middel van een groot opgezette voorlichtingscampagne;
z)
verzoekt de Raad de administratieve en bestuurlijke activiteiten te onderzoeken van gekozen instellingen op nationaal, regionaal en lokaal niveau waar politieke figuren lid van zijn die strafrechtelijk zijn vervolgd vanwege banden met de georganiseerde of maffia-achtige criminaliteit;
2. verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Commissie.
Zie het verslag van de Commissie over de juridische omzetting van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams (COM(2004)0858).