Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 25 oktober 2007 over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Servië (2007/2126(INI))
Het Europees Parlement,
– gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad van Jelko Kacin namens de ALDE-Fractie betreffende de betrekkingen tussen de Europese Unie en Servië (B6-0202/2007),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 september 2005 over de verdediging van het multi-etnisch karakter van de Vojvodina(1),
– gezien het verslag van 2 maart 2005 van een onderzoeksmissie ter plaatse door zijn delegatie ad hoc naar Vojvodina en Belgrado,
– gezien de oprichting van de Republiek Servië als opvolger van de statenunie van Servië en Montenegro na een op 21 mei 2006 in Montenegro gehouden referendum waarin de bevolking zich uitsprak voor onafhankelijkheid,
– gezien de nieuwe Servische grondwet die op 28 en 29 oktober 2006 bij referendum werd goedgekeurd,
– gezien het voortgangsverslag over Servië voor 2006 dat de Commissie op 8 november 2006 publiceerde (SEC(2006)1389),
– gezien de toetreding van Servië tot het Partnerschap voor de vrede van de NAVO op 14 december 2006,
– gezien de uitslag van de parlementsverkiezingen in Servië van 21 januari 2007,
– gezien de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 26 februari 2007 in de zaak van Bosnië en Herzegovina v. Servië en Montenegro,
– gezien advies nr. 405/2006 van de Commissie van Venetië van de Raad van Europa over de grondwet van Servië, van 19 maart 2007,
– gezien de vorming van een nieuwe regering in Belgrado op 15 mei 2007,
– gezien de vijf sleuteldoelstellingen die de nieuwe Servische regering op 15 mei 2007 presenteerde,
– gezien de hervatting van de onderhandelingen tussen de EU en Servië over een stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) op 13 juni 2007,
– gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 12 februari en 18 juni 2007 over de westelijke Balkan,
– gezien het door de hoofdaanklager van het Joegoslaviëtribunaal aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voorgelegde verslag van 18 juni 2007 over de samenwerking van Servië met het tribunaal,
– gezien de gedachtewisseling met de hoofdaanklager van het Joegoslaviëtribunaal tijdens de vergadering van de Commissie buitenlandse zaken van het Parlement op 26 juni 2007,
– gezien de overeenkomst tussen de EU en Servië voor een juiste handhaving van eigendomsrechten die gericht is op het bereiken van zowel politieke als economische stabiliteit,
– gelet op artikel 114, lid 3 en artikel 90 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0325/2007),
A. overwegende dat de toekomst van Servië in de Europese Unie ligt,
B. overwegende dat Servië een belangrijke factor voor stabiliteit en welvaart in de regio is en dat het vooruitzicht op het EU-lidmaatschap een belangrijke prikkel voor het doorvoeren van hervormingen is,
C. overwegende dat Servië de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst heeft ondertekend en recentelijk de technische onderhandelingen met betrekking tot de Stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) heeft afgerond; overwegende dat de toetreding van Servië tot de WTO vóór 2008 kan worden voltooid,
D. overwegende dat zeventig procent van de Serviërs die stemden voorstander van het EU-lidmaatschap is en twee derde bij de verkiezingen heeft gestemd voor partijen die tot het democratische kamp behoren,
E. overwegende dat Servië een nieuwe regering heeft, die pro-Europa en hervormingsgezind is,
F. overwegende dat de succesvolle hervatting door Servië van de SAO-onderhandelingen zou kunnen dienen als nog een voorbeeld van de positieve veranderingen op de West-Balkan, die onder meer zijn beïnvloed door de EU,
G. overwegende dat er oprechte pogingen gedaan zijn en zullen verder moeten worden gedaan om de nationalistische verdeeldheid en attitudes uit het verleden te overwinnen en om een Europese toekomst voor de burgers van Servië te bevorderen,
H. overwegende dat in 2006 de Servische economie een sterke groei heeft vertoond (ongeveer 5,8%) evenals een groeiend volume van de buitenlandse directe investeringen; overwegende echter dat er bezorgdheid blijft bestaan over het tekort op de lopende rekening, dat blijft toenemen, en het hoge werkeloosheidscijfer (circa 20,9% in 2006),
I. overwegende dat corruptie nog steeds een ernstig probleem is in Servië, en overwegende dat Servië op de Corruption Perceptions Index van Transparency International in 2006 een gemiddelde score behaalde van 3,0 (op een schaal van 0 "zeer corrupt" tot 10 "niet corrupt"),
J. overwegende dat van de zes van oorlogsmisdaden beschuldigde personen die voortvluchtig zijn en door het Joegoslaviëtribunaal worden gezocht, er onlangs twee zijn gearresteerd en naar Den Haag overgebracht, terwijl de overige vier, waaronder Ratko Mladić en Radovan Karadžić, nog steeds op vrije voeten zijn,
K. overwegende dat de bevolking van Servië onvoldoende is geïnformeerd over de ernst van de misdaden die in de recente oorlogen zijn gepleegd, in het bijzonder in Srebrenica,
L. overwegende dat de oorlogen in Joegoslavië het sociale netwerk van Servië ingrijpend hebben gewijzigd en onder andere veel leden van de politieke en intellectuele elite hebben doen besluiten om te emigreren en voor een instroom hebben gezorgd van vluchtelingen en personen die in eigen land zijn ontheemd, in combinatie met de terugkeer van veteranen die zijn getraumatiseerd door het geweld van de jaren negentig,
M. overwegende dat de desintegratie van Joegoslavië desastreuze gevolgen heeft gehad in termen van dodelijke slachtoffers en menselijk lijden, waardoor inter-etnische verzoening van cruciaal belang geworden is om de stabiliteit in de regio te waarborgen,
1. is van oordeel dat Servië moet worden geprezen voor de vreedzame uitvoering van een reeks moeilijke uitdagingen waarvoor het land zich het afgelopen jaar gesteld zag, zoals de ontbinding van de statenunie van Servië en Montenegro, het houden van eerlijke en vrije parlementsverkiezingen en de vorming van een nieuwe regering met een pro-Europese instelling;
2. is verheugd over de afronding van de technische onderhandelingen over een SAO tussen de Servische regering en de EU na een onderbreking van 13 maanden; moedigt beide partijen aan al het nodige te doen om technische vertraging vóór de ondertekening van de overeenkomst te voorkomen, zodat ondertekening vóór het einde van 2007 kan plaatsvinden; beschouwt de ondertekening van de SAO als een belangrijke stap op weg naar toetreding tot de EU;
3. is verheugd over de wens van de Servische regering om samen te werken met het Joegoslaviëtribunaal, wat de weg opent naar verdere samenwerking met de EU, maar dringt erop aan dat deze samenwerking op korte termijn meer vruchten moet afwerpen;
4. neemt nota van de briefing van de hoofdaanklager van het Joegoslavië-tribunaal, Carla Del Ponte, tegenover de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen, op 15 oktober 2007 in Luxemburg bijeen; verzoekt Servië de nog openstaande zaken over de volledige medewerking aan het Joegoslavië-tribunaal te regelen i.v.m. het aanstaande bezoek van mevrouw Del Ponte aan Belgrado; verzoekt de Commissie, als deze zaken eenmaal zijn geregeld, de SAO onverwijld op te starten;
5. wenst Servië geluk met de recente vooruitgang die is geboekt in de samenwerking met het Joegoslaviëtribunaal, waardoor de SAO-onderhandelingen hervat konden worden en de hoofdaanklager van het tribunaal, Carla Del Ponte, ten aanzien van die samenwerking een positieve beoordeling heeft kunnen geven; is verheugd over de arrestatie van Zdravko Tolimir en Vlastimir Đorđević, de garantie van premier Koštunica aan Carla Del Ponte dat "er waarschijnlijk meer arrestaties zullen plaatsvinden" (waaronder van de Bosnisch-Servische ex-generaal Ratko Mladić), en over het opzetten van nieuwe structuren die tot doel hebben alle activiteiten voor de arrestatie van voortvluchtige verdachten te centraliseren, hetgeen ook het vergroten van de transparantie van de Nationale Veiligheidsraad omvat; is tevens verheugd over de onderlinge samenwerking van de autoriteiten van Servië, Bosnië-Herzegovina en Montenegro bij de recente overbrenging van verdachten naar Den Haag;
6. herinnert Servië eraan dat aan de ondertekening van de SAO de voorwaarde is verbonden dat het land volledig met het Joegoslaviëtribunaal samenwerkt, en dat deze samenwerking moet leiden tot de arrestatie en overdracht van alle nog voortvluchtige aangeklaagden, en merkt op dat de recente arrestaties aantonen dat de Servische autoriteiten in staat zijn aangeklaagde oorlogsmisdadigers op te sporen en te arresteren; benadrukt dat volledige samenwerking met het Joegoslaviëtribunaal niet alleen een internationale verplichting is maar ook een belangrijke stap naar duurzame verzoening in de regio; doet derhalve een oproep aan het Servische parlement om de verplichtingen na te komen die voor het parlement voortvloeien uit bovengenoemde uitspraak van het Internationaal Gerechtshof en een verklaring aan te nemen waarin het zijn afkeuring uitspreekt over de genocide in Srebrenica;
7. gelooft, gezien het tijdschema voor de sluiting van het Joegoslaviëtribunaal, dat momenteel voorziet in de afsluiting van de processen in 2008, dat het noodzakelijk is te overwegen het mandaat van het tribunaal uit te breiden indien aangeklaagde oorlogsmisdadigers na deze datum gearresteerd worden;
8. merkt op dat de compromisovereenkomst die tijdens de Raad van Europa in Brussel van 21 en 22 juni 2007 werd bereikt de weg plaveit voor een hernieuwde rechtsgrondslag voor de Europese Unie in 2009, en het vereiste institutionele kader creëert voor toekomstige uitbreidingen en de EU en Servië in staat stelt het toetredingsproces dynamisch te laten verlopen op basis van de ontwikkelingen en de verdiensten van Servië;
9. is van oordeel dat een oplossing voor de status van Kosovo zowel de stabiliteit op de westelijke Balkan zal bestendigen als de integratie van deze regio in de Europese Unie zal vergemakkelijken;
10. is verheugd dat Servië sinds 2000 aanzienlijke economische vooruitgang heeft geboekt, waarbij de economie een gemiddelde groei van 5% per jaar vertoonde; constateert echter dat zulks naar het oordeel van het IMF niet tot uiting is gekomen in een vermindering van de armoede of van het hoge werkloosheidspercentage (dat boven de 20% ligt); is van mening dat het oplossen van deze problemen tot de belangrijkste taken van de nieuwe regering behoort; doet daarom een beroep op de Servische regering zich er duidelijker toe te verplichten werkgelegenheid te scheppen en de armoede te verlichten en concrete maatregelen te nemen die gericht zijn op een evenwichtiger economische ontwikkeling in alle districten van het land, waarbij de aandacht in het bijzonder moet uitgaan naar de in economisch opzicht meest onderontwikkelde zuidoostelijke en oostelijke delen van het land;
11. is van mening dat de verdere ontwikkeling van administratieve structuren en procedures het vertrouwen in de rechtsstaat kunnen vergroten, de markteconomie kunnen versterken en de economische groei in Servië kunnen bevorderen; roept de Servische autoriteiten op om het economische klimaat voor buitenlandse investeringen en de transparantie in handelsbetrekkingen te verbeteren;
12. is verheugd dat Servië een nieuwe grondwet heeft die positieve bepalingen inzake mensenrechten bevat; merkt echter op dat het rechtskader voor bescherming van minderheden verder verbeterd dient te worden; is echter bezorgd over twijfelachtige bepalingen aangaande o.a. de procedure voor de benoeming, de bevordering en het ontslag van rechters en openbare aanklagers, alsook over het gebrek aan openbare raadpleging of parlementair debat tijdens de voorbereiding van de grondwet; vraagt de Servische autoriteiten een schaaluitbreiding van de territoriale decentralisatie te overwegen, met name ten aanzien van de regio's Vojvodina;
13. benadrukt dat de EU-bijstand zo moet worden verleend dat rekening wordt gehouden met de huidige territoriale en administratieve structuur van Servië, en de etnische samenstelling en de traditionele economische en culturele betrekkingen met de betrokken regio's en dat de plaatselijke en regionale autoriteiten hier volledig bij betrokken moeten worden; roept de Commissie, de Raad en zijn bevoegde Commissies op nauwkeurig toe te zien op de organisatie van NUTS-niveau 2 regio's in Servië;
14. zwaait Servië lof toe omdat het functioneren van regering en parlement transparanter is geworden en er sprake is van een goede bestuurlijke capaciteit; prijst Servië voor de goedkeuring van de begrotingswet 2007 en voor de verkiezing van een Ombudsman en een commissaris voor publieksvoorlichting, een president van de centrale bank van Servië en de leden van de raad van de nationale rekenkamer; betreurt het dat de benoeming van rechters voor het constitutioneel hof nog gaande is;
15. is er stellig van overtuigd dat een van de belangrijkste mensenrechtenkwesties eruit bestaat duurzame oplossingen te vinden voor vluchtelingen en mensen die in eigen land ontheemd zijn geraakt, vooral aangezien Servië nog steeds een zeer groot aantal vluchtelingen herbergt, voornamelijk uit Kroatië en deels uit Bosnië en Herzegovina, evenals ontheemden uit Kosovo; betreurt echter ten zeerste dat de uiterste termijn van eind 2006 voor de oplossing van alle nog niet afgehandelde kwesties, zoals voorzien in de op 31 januari 2005 door Kroatië, Bosnië-Herzegovina en Servië-Montenegro ondertekende Verklaring van Sarajevo over de duurzame terugkeer van vluchtelingen en teruggave van eigendom, niet is gehaald en dat sindsdien weinig vooruitgang is geboekt;
16. roept de Servische regering derhalve op haar pogingen tot uitvoering van de bepalingen van de Verklaring van Sarajevo voort te zetten, onder meer door de vaststelling van een duidelijk rechtskader waarin onder andere het recht naar de plaats van herkomst terug te keren en het recht op compensatie voor eigendom wordt geregeld; dringt er bij de Europese Unie, de lidstaten en de internationale gemeenschap op aan zich ertoe te blijven verplichten zich voor de rechten van de vluchtelingen in te zetten en de landen in kwestie te blijven steunen, onder meer door hiervoor voldoende financiële middelen toe te wijzen; onderstreept dat de integratie of herhuisvesting van ontheemden in eigen land niet tot een aanzienlijke verandering van het oorspronkelijke etnisch evenwicht van een gebied of regio mag leiden; vestigt in dit verband de aandacht op de Kaderovereenkomst van de Raad van Europa inzake de bescherming van minderheden van 1 februari 1995;
17. erkent dat met het bestrijden van georganiseerde misdaad en corruptie vooruitgang is geboekt die recentelijk heeft geleid tot veel opzienbarende arrestaties, maar merkt tegelijkertijd op dat corruptie, met name bij politie en rechterlijke macht, nog steeds een ernstig probleem vormt en dat officieel onderzoek naar corruptiezaken vaak politiek gemotiveerd lijkt; wijst erop dat corruptie een grote belemmering vormt voor het aantrekken van meer buitenlandse investeringen en roept de Servische regering op om een alomvattende anticorruptiestrategie uit te voeren; acht het noodzakelijk de strijd tegen de georganiseerde misdaad te blijven voortzetten;
18. is verheugd dat de bevoegdheden voor grensbewaking zijn overgedragen van het leger aan de politie, wat een belangrijke stap is naar het realiseren van conformiteit met EU-normen; dringt er bij Raad en Commissie op aan om door te gaan met het aanmoedigen van de Servische regering om het politieapparaat, de veiligheidsdiensten en het leger ingrijpend te hervormen, welke hervorming ook de vergroting van civiel toezicht op het militaire apparaat moet omvatten; is van oordeel dat er bij de hervorming van de politie rekening mee gehouden moet worden dat politiemachten die minderheidstalen spreken noodzakelijk zijn in regio's die worden bewoond door grote groepen minderheden;
19. is van mening dat het bevorderen van de rechtsstaat en de strikte uitvoering van wetsbepalingen een van de hoogste prioriteiten van de regering moet zijn; is verheugd over de maatregelen ten behoeve van de gerechtelijke hervorming die tot nu toe zijn genomen, maar benadrukt de noodzaak dat dit proces wordt voortgezet, vooral wat betreft de snelheid van processen, de getuigenbescherming, de corruptiebestrijding en de onafhankelijkheid van rechters; betreurt dat het constitutioneel hof niet functioneert, en wijst erop dat dit niet bevorderlijk is voor de ontwikkeling van de democratie en de democratische wetgeving in Servië;
20. is blij met de voltooiing van het proces over de moord op premier Zoran Đinđić en ondersteunt een recent initiatief van de speciale openbare aanklager om de politieke motieven achter de moord te achterhalen;
21. is verheugd over het werk van de Servische openbare aanklager voor oorlogsmisdaden, maar betreurt dat binnenlandse processen voor oorlogsmisdaden worden ondergraven door een gebrek aan transparantie en door politieke onwil om niet alleen de directe daders verantwoordelijk te stellen maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid hogerop in de bevelsketen te zoeken, bij de personen die opdracht tot de moorden hebben gegeven en bevelsverantwoordelijkheid dragen; is van mening dat de straffen die het Servische gerechtshof voor oorlogsmisdaden heeft opgelegd aan vier leden van de paramilitaire eenheid "Schorpioenen" voor de executie van zes moslims uit Srebrenica, niet in verhouding staat tot de gruwelijkheid van het misdrijf; merkt op dat de Servische president in het openbaar zijn spijt betuigde over de korte duur van de straffen;
22. is van mening dat de burgers van Servië recht hebben op de waarheid over de politiek van oorlog en genocide die nog maar kort geleden in hun naam werd gevoerd en het recht hebben om de namen te weten van degenen die oorlogsmisdaden hebben gepleegd; gelooft dat Servië zich oprecht met zijn recente verleden moet confronteren om zich verder te kunnen ontwikkelen en dat het leren leven met het verleden een integraal onderdeel is van de weg naar verzoening met de buren van Servië; roept de regering op om de Commissie voor waarheid en verzoening die in 2001 werd ingesteld, haar activiteiten weer te laten hervatten, niet in de laatste plaats om een positief klimaat te bevorderen in die delen van het land die het meest getroffen zijn door een inter-etnische conflict; vraagt de Europese Commissie met klem om initiatieven te bevorderen die de onderlinge contacten van mensen in de regio faciliteren en daarvoor meer middelen beschikbaar te stellen;
23. is verheugd over de excuses van de Servische president aan de Kroatische burgers voor de oorlogsmisdaden die namens Servië in de recente oorlog in Kroatië door Serviërs zijn begaan; beschouwt deze excuses als een teken van grote politieke rijpheid en democratisch leiderschap en concreet bewijs dat de huidige regering streeft naar een beleid van vriendschap en samenwerking met de nabuurlanden;
24. is van mening dat verzoening en rechtvaardigheid onontbeerlijk zijn voor de stabiliteit en ontwikkeling van alle landen in de regio en voor hun integratie in de Europese Unie; dringt er bij de buurlanden van Servië op aan dit voorbeeld te volgen en ieder teken van etnische onverdraagzaamheid en racisme op hun grondgebied te veroordelen;
25. is van mening dat de EU en haar lidstaten programma's zouden moeten initiëren en ondersteunen die gericht zijn op de levering van psychosociale hulp, die in de eerste plaats, maar niet uitsluitend gericht is op vrouwen en kinderen die zijn getraumatiseerd door hun ervaringen voor en tijdens de oorlog;
26. is verheugd over de recente samenwerking tussen Belgrado en Priština bij het zoeken naar vermiste personen in het Kosovo-conflict, vooral de recente gemeenschappelijke inspanningen in het district Raška; roept de Servische regering op een openbaar rapport over Mačkatica uit te geven;
27. roept de Raad en de Commissie op voldoende financiële middelen te bestemmen voor de Internationale Commissie voor Vermiste Personen om deze organisatie in staat te stellen in 2010 haar werk af te ronden, dat bestaat uit het identificeren van alle vermiste personen in het gebied van het voormalige Joegoslavië; is van mening dat het werk van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen een aanzienlijk bijdrage levert aan het proces van waarheid, rechtvaardigheid en verzoening in de regio;
28. merkt op dat volgens een onderzoek dat in 2004 werd uitgevoerd door het Strategische marketingagentschap voor de Studentenunie van Servië, 70% van de Servische studenten nog nooit in het buitenland is geweest; is verheugd over de initiatieven Servische studenten de gelegenheid te bieden in EU-landen te studeren; roept de lidstaten op nieuwe manieren te zoeken om interactie met het Servische volk te bevorderen;
29. merkt op dat Servië met zijn lidmaatschap van talrijke regionale initiatieven, zoals het Stabiliteitspact/Regionale Samenwerkingsraad en CEFTA, actief bijdraagt aan regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap; doet een oproep aan Servië om in de regio een rol te blijven spelen die getuigt van verantwoordelijkheidsgevoel; benadrukt dat het in het eigen belang van Servië is om met haar regionale partners goede relaties te onderhouden, om de effectieve grensoverschrijdende samenwerking te vergroten, en daarbij het potentieel van de nationale minderheden in de grensgebieden volledig te benutten en actief deel te nemen aan bilaterale, regionale en Europese infrastructurele projecten; herhaalt dat de toekomst van alle landen in de regio in de EU ligt;
30. moedigt de Servische regering aan betrekkingen van goed nabuurschap te bevorderen met van Bosnië-Herzegovina;
31. dringt er bij de Servische regering op aan de dialoog met haar buren in Zuidoost-Europa over grenskwesties voort te zetten, aangezien de territoriale grenzen tussen Servië en Kroatië en tussen Servië en Bosnië-Herzegovina nog vastgesteld moeten worden;
32. prijst Servië voor de verbeterde inter-etnische betrekkingen, met name in Vojvodina, waar de inter-etnische incidenten in aantal zijn verminderd, zij het niet geheel verdwenen; roept de Servische autoriteiten op aanvullende maatregelen te nemen ter bevordering van de ontwikkeling van nationale minderheden in het multi-etnische Vojvodina, ter bevordering van een vreedzaam samenleven van deze minderheden en om ervoor te zorgen dat de politie, de justitie en andere overheidsorganen op een etnisch neutrale basis functioneren en, om het benodigde vertrouwen onder de bevolking in die instellingen op te bouwen, ervoor te zorgen dat het personeel van die instellingen een adequate afspiegeling vormt van de etnische samenstelling; dringt er verder bij de Servische autoriteiten op aan zorgvuldig toe te zien op een potentiële instroom van vluchtelingen ter voorkoming van de verstoring van het etnische, culturele, religieuze, economische en politieke evenwicht, teneinde voor een geslaagde integratie in een multicultureel milieu van hen te zorgen; benadrukt het grote belang van programma's die zijn gericht op het aankweken van verdraagzaamheid tussen de gemeenschappen, met name in Vojvodina; is van oordeel dat EU-financiering mede noodzakelijk is voor deze programma's;
33. is verheugd dat aan de recente verkiezingen voor de eerste keer in tien jaar etnische Albanese partijen uit de vallei van Preševo hebben deelgenomen en dat minderheden zowel in de wetgevende als de uitvoerende tak van de overheid zijn vertegenwoordigd; is van mening dat de regio Sandžak nog steeds bijzondere aandacht nodig heeft en roept de regering op om in samenwerking met lokale politieke actoren beleid te ontwikkelen dat moet voorkomen dat de gemeenschap verder radicaliseert en de tweedracht toeneemt;
34. is verheugd over de bestemming van fondsen in de begroting van 2007 voor projecten die direct gekoppeld zijn aan de Decade of Roma Inclusion; is echter bezorgd over het algehele gebrek aan een methodische beleidsaanpak om leven en levensomstandigheden van de Roma, waaronder in eigen land ontheemde personen en repatrianten, te verbeteren en acht het zorgwekkend dat er nog steeds sprake is van wijdverbreide discriminatie van de Roma;
35. verzoekt de Servische regering de nationale actieplannen voor de invoering van de Decade of Roma Inclusion uit te voeren, zowel in financieel als in institutioneel opzicht, teneinde praktische en duurzame oplossingen voor de Roma-gemeenschap te vinden; herinnert Servië eraan dat de invoering van een omvattende antidiscriminatiewetgeving en duurzame oplossingen in de vorm van repatriëring van nog steeds in kampen levende Roma tot de prioriteiten van het Europees partnerschap met Servië behoren;
36. neemt nota van de oprichting van een Agentschap voor de mensenrechten en de rechten van minderheden, dat rechtsteeks onder de premier ressorteert en in de plaats komt van het voormalige Ministerie voor de mensenrechten en de rechten van minderheden van de Staatsunie; doet een beroep op de premier om een coherent en actief minderhedenbeleid te voeren en ervoor te zorgen dat mensen- en minderhedenrechten een prioriteit zijn op de agenda van de regering; is verheugd over het feit dat de nieuwe Servische grondwet een constitutionele basis vormt voor de Nationale raden van etnische minderheden en dringt aan op invoering van nieuwe wetgeving om een betere regeling voor de status, het werk en de verkiezing van deze raden te bieden; ziet uit naar de invoering van dergelijke wetgeving die een verbeterd rechtskader zal vormen voor de bescherming van de rechten van minderheden en de integratie van alle nationale minderheden in overheidsstructuren;
37. is verheugd over de vaststelling van een uitgebreide nationale strategie om mensenhandel te bestrijden, maar dringt er bij de Servische regering op aan strenger te zijn bij het vervolgen van zaken en ervoor te zorgen dat handelaren gevangenisstraffen krijgen en uitzitten die in overeenstemming zijn met de aard van de overtreding;
38. is van mening dat de omvorming van de Servische radio- en televisieomroep RTS tot een publieke omroep een stap in de goede richting is, maar vestigt de aandacht op het ontbreken van een publiek debat over de wijziging van de omroepwet en op tekortkomingen in de benoemingsprocedure voor leden van de raad van bestuur van RTS; wijst tevens op de noodzaak volledig democratische regels op te stellen om de toewijzing van uitzendconcessies voor radio en televisie te regelen en om vooral de mogelijkheid te bieden in beroep te gaan tegen besluiten van de autoriteit die de concessies verleent; betreurt ten zeerste dat geen vooruitgang is gemaakt met de oplossing van zaken betreffende de moord op journalisten; betreurt de recente moordaanslag op een bekende onderzoeksjournalist die onderzoek doet naar oorlogsmisdrijven en georganiseerde misdaad; eist dat de autoriteiten de daders opsporen en het misdrijf grondig onderzoeken;
39. wijst op het bestaan van een goed ontwikkelde NGO-sector en is verheugd over de pogingen van de autoriteiten om in overleg te treden met vertegenwoordigers uit de civiele sector; is in dit verband met name verheugd over het bijzondere memorandum van samenwerking dat het Servische Bureau voor Europese integratie en diverse NGO's hebben ondertekend, alsook over de instelling van de Raad voor de betrekkingen met het maatschappelijk middenveld door de president van Servië, en over de instelling van de Raad voor buitenlands beleid door de Servische minister van Buitenlandse Zaken, evenals de opneming van NGO-vertegenwoordigers in de Raad voor Europese Integratie van de staat, voorgezeten door de premier; doet een oproep aan het Servische parlement om wetgeving aan te nemen waarmee de rechtspositie van organisaties uit het maatschappelijk middenveld wordt verbeterd;
40. veroordeelt de openlijke kleinering van actoren uit het maatschappelijk middenveld die kritiek uitoefenen op de regering of de aandacht vestigen op gevoelige kwesties zoals oorlogsmisdaden; betreurt de recente stortvloed van politiek gemotiveerde aanvallen en waarschuwt voor het groeiende aantal toespraken in de media waarmee wordt aangezet tot haat en voor het voeren van een politiek die is gericht tegen mensenrechtenactivisten, journalisten en politici;
41. is verheugd over de ondertekening van overeenkomsten betreffende de vereenvoudiging van visumprocedures en de overname van personen op 18 september 2007 en dringt er bij de Raad op aan ervoor te zorgen dat deze vóór eind 2007 in werking treden; is verheugd over de goedkeuring van de wet inzake de reisdocumenten en merkt op dat wetsvoorstellen inzake asiel, staatsgrenzen en buitenlanders momenteel in behandeling zijn; verzoekt de Raad om met ondersteuning van de Commissie een concreet stappenplan op te stellen voor visumvrij reizen en voor ondersteunende maatregelen ter vergroting van de reismogelijkheden voor een groter deel van de burgers en in het bijzonder voor jongeren; benadrukt het belang van mobiliteit voor zowel de politieke als economische ontwikkeling van Servië, aangezien mobiliteit mensen de mogelijkheid geeft uit de eerste hand ervaring met de EU op te doen en ze het Europese integratieproces van Servië vergemakkelijkt; roept op tot het vergroten van de participatie in projecten voor het bevorderen van "levenslang leren" en voor culturele uitwisseling; vraagt de Raad de invoering te overwegen van een gemeenschappelijk beheersysteem voor visumaanvragen dat moet zorgen voor lastenverlichting voor de consulaten waar de meeste aanvragen worden ingediend en moet waarborgen dat aanvragen binnen een redelijke termijn worden afgehandeld;
42. is van mening dat de hervorming van het onderwijssysteem niet alleen verplicht is, maar voor Servië ook de enige manier is om een nieuw waardenstelsel te ontwikkelen voor jongere generaties binnen het huidige democratiseringsproces;
43. doet een oproep aan de Raad, de Commissie en alle lidstaten om zich gezamenlijk in te spannen voor het vergroten van de zichtbaarheid van de EU in Servië en vraagt de Commissie met klem verdere vertragingen te voorkomen bij het aantrekken van personeel voor het kantoor van haar delegatie, waaronder deskundigen voor het beheer van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA);
44. roept de Commissie buitenlandse zaken en de Subcommissie mensenrechten op om de situatie in Vojvodina nauwgezet te volgen, en zo uitvoering te geven aan de conclusies die getrokken zijn in het eindverslag van de onderzoeksmissie door zijn delegatie ad hoc in Vojvodina;
45. roept de Servische autoriteiten op met spoed restitutiewetten aan te nemen die overeenstemmen met de wetten van andere landen, in compensatie die in passende gevallen voorzien in een compensatie van de werkelijke kosten, en niet door middel van staatsobligaties;
46. roept de nieuwe lidstaten op een actieve rol te spelen bij de toetreding van Servië tot de EU, en Servië daarbij in staat te stellen te profiteren van hun ervaringen met hervormingen;
47. roept de Servische autoriteiten op de EU milieuwetgeving en -normen te blijven benaderen en de aangenomen wetgeving in te voeren en ten uitvoer te brengen;
48. is verheugd over het Servische lidmaatschap van het Zevende kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling; roept de Raad op de jumelageprogramma's en de programma's voor technische bijstand uit te breiden, vooral de programma's die zijn gericht op jonge mensen;
49. verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten en Servië.