Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2131(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0301/2007

Ingediende teksten :

A6-0301/2007

Debatten :

PV 25/10/2007 - 2
CRE 25/10/2007 - 2

Stemmingen :

PV 25/10/2007 - 7.16
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0487

Aangenomen teksten
PDF 137kWORD 57k
Donderdag 25 oktober 2007 - Straatsburg
Activiteiten van de Europese ombudsman in 2006
P6_TA(2007)0487A6-0301/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2007 over het jaarverslag over de activiteiten van de Europese ombudsman in 2006 (2007/2131(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het jaarverslag over de activiteiten van de Europese ombudsman in 2006,

–   gelet op de artikelen 195, 230 en 232 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 43 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van 9 maart 1994 van het Europees Parlement inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 september 2001 over de wijziging van artikel 3 van het statuut van de ombudsman(2),

–   gezien de kaderovereenkomst van 15 maart 2006 tussen het Europees Parlement en de ombudsman inzake samenwerking, die op 1 april 2006 van kracht is geworden,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 5 oktober 2005 over "Machtiging tot het aannemen en doorsturen van mededelingen aan de ombudsman en tot het autoriseren van ambtenaren om voor de ombudsman te verschijnen" (SEC(2005)1227),

–   gezien het schrijven van de Europese ombudsman aan de Voorzitter van het Europees Parlement van 11 juli 2006 betreffende de procedure voor de herziening van het statuut,

–   gelet op artikel 195, lid 2, tweede en derde zin van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A6-0301/2007),

A.   overwegende dat het jaarverslag van de Europese ombudsman over 2006 op 12 maart 2007 officieel is aangeboden aan de Voorzitter van het Europees Parlement en dat de ombudsman, Nikiforos Diamandouros, zijn verslag op 2 mei 2007 heeft voorgesteld aan de Commissie verzoekschriften in Brussel,

B.   overwegende dat artikel 41 van het Handvest van de grondrechten bepaalt dat "eenieder (…) er recht op (heeft) dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld",

C.   overwegende dat artikel 195, lid 1 van het EG-Verdrag en artikel 43 van het Handvest van de grondrechten bepalen dat "iedere burger van de Unie of iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat het recht heeft zich tot de ombudsman van de Unie te wenden over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg bij de uitoefening van hun gerechtelijke taak",

D.   overwegende dat het in de context van de verbetering van de participerende democratie in Europa en de communicatie van de Europese Unie met haar burgers van essentieel belang is dat de burgers van de Europese instellingen en organen een snel en zinvol antwoord krijgen op hun vragen, klachten en verzoekschriften, en dat het van essentieel belang is dat de instellingen en organen worden voorzien van de nodige budgettaire middelen en personeel om ervoor te kunnen zorgen dat de burgers daadwerkelijk snelle en zinvolle antwoorden ontvangen,

E.   overwegende dat sinds het Parlement zijn resolutie van 6 september 2001 aangenomen heeft, waarin het zijn goedkeuring hechtte aan de Europese code van goed bestuur van de Europese ombudsman, een zittingsperiode is verstreken en de volgende halfweg is, maar dat de andere grote instellingen van de Unie nog steeds niet zijn ingegaan op het dringende verzoek om zich in hun werkwijze te richten naar de bepalingen van deze gedragscode,

F.   overwegende dat het aantal klachten in 2006 stabiel is gebleven op het reeds zeer hoge niveau van 2004 en dat meer dan driekwart daarvan nog steeds buiten de bevoegdheid van de Europese ombudsman valt, hoofdzakelijk omdat zij niet gericht zijn tegen een communautaire instelling of orgaan,

G.   overwegende dat uit de afgesloten onderzoeken blijkt dat in 95 gevallen (of 26% van de onderzochte klachten) geen wanbeheer kon worden vastgesteld,

H.   overwegende dat de werkzaamheden van de Europese ombudsman en de Commissie verzoekschriften gescheiden moeten blijven en in de regel, om bevoegdheidsconflicten te vermijden, dossiers definitief aan de ene of de andere moeten worden toegewezen,

I.   overwegende dat het aantal gevallen van wanbeheer waarin een minnelijke schikking is getroffen in 2006 aanzienlijk is gedaald, maar dat anderzijds het aantal onderzoeken dat met een kritische opmerking is afgerond even aanzienlijk is toegenomen, terwijl ontwerpaanbevelingen minder vaak overgenomen en ten uitvoer gelegd werden door de instellingen,

J.   overwegende dat noch de kritische opmerkingen in besluiten ter afronding van gevallen van wanbeheer waarin geen minnelijke schikking getroffen kon worden, noch de aanbevelingen en eventuele speciale verslagen bindend zijn, daar de Europese ombudsman niet zozeer tot taak heeft om wanbeheer ongedaan te maken, maar prikkels te geven voor zelfcorrectie van de instellingen en organen van de Europese Unie,

K.   overwegende dat de indiening van een speciaal verslag bij het Europees Parlement het ultieme middel van de ombudsman blijft om iets te ondernemen wanneer een instelling weigert gevolg te geven aan een aanbeveling van de ombudsman,

L.   overwegende dat sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice het Parlement hetzelfde recht heeft als de lidstaten, de Raad en de Commissie om een zaak op grond van onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvereisten, schending van het EG-Verdrag of enige rechtsregel voor zijn toepassing, of machtsmisbruik aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen,

M.   overwegende dat de Europese ombudsman in 2006 met de voorlegging van twee speciale verslagen(3) aan het Parlement, nadat een ontwerpaanbeveling terzake door de Raad en de Commissie was afgewezen, een bedachtzaam gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden,

N.   overwegende dat de nieuwe benadering van de Commissie door de Europese ombudsman, die erin bestaat een cultuur van dienstverlening te bevorderen als integraal onderdeel van goed bestuur en als middel om een slechte praktijk of gewoonte recht te zetten, over de hele linie toepassing moet vinden op basis van consensus,

O.   overwegende dat de kritische opmerkingen van de Europese ombudsman met betrekking tot 41 gevallen van wanbeheer, als opgenomen in zijn verslag over 2006 (kritische opmerkingen, ontwerpaanbevelingen en speciale verslagen), kunnen dienen als basis om herhaling van fouten en tekortkomingen in de toekomst te voorkomen door ervoor te zorgen dat de instellingen en andere organen van de EU gepaste maatregelen nemen en doorvoeren,

P.   overwegende dat de vrijwillige samenwerking die de Europese ombudsman tot stand heeft gebracht in het kader van het Europees netwerk van ombudsmannen, al meer dan tien jaar functioneert als flexibel instrument voor de uitwisseling van informatie en ervaringen over de beste bestuurspraktijken en als middel om indieners van klachten te verwijzen naar de ombudsmannen of vergelijkbare organen die het best in staat zijn hen te helpen,

Q.   overwegende dat de rol van de Europese ombudsman als beschermer van de Europese burgers sinds zijn installatie meer dan tien jaar geleden is geëvolueerd dankzij zijn autonomie en het democratisch toezicht van het Europees Parlement op de transparantie van zijn werkzaamheden,

R.   overwegende dat de ombudsman heeft verklaard dat hij bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf het initiatief te nemen tot een onderzoek wanneer burgers van een derde land buiten de EU een klacht tot hem richten die in andere opzichten wel binnen zijn mandaat valt,

S.   overwegende dat de ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming op 30 november 2006 een gemeenschappelijke intentieverklaring ondertekend hebben betreffende samenwerking en de modaliteiten van de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden,

T.   overwegende dat de democratische gelijkwaardigheid van alle Europese burgers zonder discriminatie naar nationaliteit of taal een van de kernbeginselen van de Europese integratie vormt en dat er nog steeds veel klachten worden ingediend door Europese burgers, verenigingen en bedrijven die bij communautaire aanbestedingsprocedures of vergelijkende onderzoeken de gewenste informatie niet in hun eigen taal hebben ontvangen,

U.   overwegende dat de Europese ombudsman in juli 2006 nogmaals om herziening van zijn statuut heeft verzocht en dat een deel van zijn wensen, wat wijziging van artikel 3 van het statuut betreft al door het Europees Parlement is goedgekeurd met de genoemde resolutie van 6 september 2001,

1.   hecht zijn goedkeuring aan het jaarverslag over 2006 dat de Europese ombudsman heeft voorgelegd en spreekt zijn waardering uit voor de opbouw ervan met een synopsis van de verrichte activiteiten en een thematische analyse van de besluiten en de problemen die zich in de verschillende fasen van de procedure hebben voorgedaan; verzoekt de ombudsman evenwel technische middelen aan te wenden om de verschillende hoofdstukken beter leesbaar te maken, bijvoorbeeld het gebruik van tabellen voor de statistieken en samenvattingen voor het analytisch gedeelte;

2.   wenst dat alle Europese instellingen en organen worden voorzien van de nodige budgettaire en personele middelen om ervoor te zorgen dat de burgers een snel en zinvol antwoord krijgen op hun vragen, klachten en verzoekschriften;

3.   is van oordeel dat de ombudsman zijn bevoegdheden steeds op evenwichtige en dynamische wijze uitoefent, zowel wat betreft het onderzoek en de behandeling van klachten en de uitvoering en afronding van onderzoeken als het onderhouden van constructieve betrekkingen met de instellingen en organen van de Europese Unie en de bewustmaking van de burgers van hun rechten tegenover de instellingen en organen;

4.   moedigt de Europese ombudsman aan om zijn inspanningen voort te zetten en zijn werkzaamheden doeltreffend en flexibel te promoten, zodat hij door de burgers wordt gezien als de bewaker van het behoorlijk bestuur in de communautaire instellingen;

5.   onderstreept dat het optreden van de Europese ombudsman in belangrijke mate ten doel heeft om een minnelijke schikking te treffen tussen de indiener van een klacht en de instelling, zodat voorkomen kan worden dat een zaak voor de rechter wordt gebracht,

6.   deelt de uitgebreide interpretatie van "wanbeheer bij het optreden van de communautaire instelllingen of organen" in die zin dat het niet alleen betrekking heeft op een onwettige bestuurlijke handeling of overtreding van een rechtsregel of bindend beginsel, maar bijvoorbeeld ook op gevallen waarin het bestuursorgaan traag, slordig of weinig transparant is opgetreden of andere beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden;

7.   moedigt de Europese ombudsman aan om een echte cultuur van dienstverlening te blijven bevorderen als integraal onderdeel van goed bestuur teneinde ervoor te zorgen dat de openbare bestuursorganen van de Europese Unie open staan voor en bereid zijn een dialoog aan te gaan met de burger-gebruiker, fouten te erkennen, excuses aan te bieden en oplossingen te zoeken die bevredigend zijn voor de indiener van een klacht;

8.   is van mening dat het niet voldoende is dat enkele andere communautaire instellingen of organen, met name de Commissie en de Raad, afzonderlijke codes voor goed bestuur hebben vastgesteld, namelijk de gedragscodes voor de contacten van het personeel met het publiek van 13 september 2000 van de Commissie en die van 25 juni 2001 van de Raad voor de ambtelijke contacten van zijn personeel met het publiek;

9.   onderstreept dat de door de Europese ombudsman voorgestelde "Europese code van goed administratief gedrag" waaraan het Europees Parlement op 6 september 2001 zijn goedkeuring heeft gehecht, betrekking heeft op het personeel van alle communautaire instellingen en organen en is bijgewerkt en bekendgemaakt op de website van de ombudsman, in tegenstelling tot de andere gedragscodes;

10.   onderstreept dat de Europese ombudsman de Voorzitter van het Europees Parlement erop heeft gewezen dat deze gedragscode een algemene geldigheid heeft, en wel in zijn schrijven van 11 maart 2002, dat ook op de website van de ombudsman is gezet; is daarom van mening dat elke andere gedragscode met beperkte werking niet in de plaats kan komen of kan afwijken van de "Europese" gedragscode;

11.   spoort alle instellingen aan om constructief met de ombudsman samen te werken in alle fasen van de procedure, te streven naar minnelijke schikkingen, gevolg te geven aan kritische opmerkingen en ontwerpaanbevelingen toe te passen;

12.   moedigt de ombudsman aan om jaarlijks een lijst van beste bestuurlijke praktijken en een lijst van praktijken die ingaan tegen zijn besluiten op te stellen en onderzoek te doen naar de resultaten van zijn kritische opmerkingen;

13.   verzoekt alle instanties waaraan kritische opmerkingen zijn gericht, om er gevolg aan te geven door er voortaan rekening mee te houden bij hun optreden, teneinde iedere inconsistentie tussen officiële verklaringen enerzijds en het optreden of de nalatigheid van de bevoegde bestuurlijke diensten anderzijds te voorkomen;

14.   herinnert alle communautaire instellingen en organen aan de verplichtingen die voortvloeien uit Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(4), die daadwerkelijk toegepast moet worden, onder andere om het lopend voorstel tot haar herziening geloofwaardig te maken, en op de plichten die voortvloeien uit Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking en het vrij verkeer van persoonsgegevens(5);

15.   verzoekt de Commissie nogmaals om een correct gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheden tot opening van een niet-nakomingsprocedure op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag dan wel sancties voor te stellen op grond van artikel 228 van het EG-Verdrag en daarbij zorgvuldig alle vertraging of nalatigheid te vermijden, zodat niet in strijd wordt gehandeld met de opdracht van de Commissie om toe te zien op de toepassing van het communautair recht;

16.   is van oordeel dat, als een instelling weigert een aanbeveling in een speciaal verslag van de ombudsman op te volgen hoewel het Parlement de aanbeveling heeft goedgekeurd, het Parlement rechtmatig gebruik kan maken van zijn bevoegdheid om bij het Hof van Justitie een zaak aanhangig te maken betreffende de handeling of nalatigheid waarop de aanbeveling van de ombudsman betrekking heeft ;

17.   roept alle communautaire instellingen en organen en de permanente vertegenwoordigingen van de lidstaten met klem op tot samenwerking om te zorgen dat de in het verslag vermelde regels voor een goed bestuur op transparante wijze worden nageleefd, zonder de verantwoordelijkheid af te wentelen op machtscentra als het voorzitterschap van de Raad of de raad van bestuur van de Europese Scholen, die voor de Europese ombudsman moeilijk te controleren zijn;

18.   roept het Europees Bureau voor personeelsselectie op om de regels en praktijken voor openheid en transparantie van de procedures bij vergelijkende onderzoeken daadwerkelijk en volledig toe te passen, met name wat betreft de toegang van sollicitanten tot henzelf betreffende informatie over gecorrigeerde proeven, een eind te maken aan alle discriminatie om taalredenen en zijn verantwoordelijkheid niet af te wentelen op de besluiten van de jury;

19.   is zeer verheugd over de verklaarde intentie van de Europese ombudsman om zijn bevoegdheid tot onderzoek op eigen initiatief te benutten om de leningsactiviteiten van de Europese investeringsbank (EIB) buiten de EU aan te pakken, en wijst erop dat de ombudsman klachten daaromtrent zal moeten evalueren en zal moeten zorgen voor voldoende interne capaciteit om ze te behandelen;

20.   nodigt de ombudsman uit om te overwegen om een memorandum van overeenstemming op te stellen met de EIB over de modaliteiten van de samenwerking tussen de instellingen met betrekking tot zijn bevoegdheden om klachten aangaande wanbeheer bij de EIB-activiteiten te onderzoeken, en is van oordeel dat de EIB het best geplaatst is om de burgers die betrokken zijn bij door haar gefinancierde projecten actief te informeren over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de ombudsman, ook als het gaat om burgers van derde landen die niet in de EU wonen;

21.   is verheugd over het feit dat de ombudsman onderzoek kan verrichten naar organen die werken onder de derde pijler van de EU;

22.   neemt nota van het feit dat de ombudsman de twee reeds aangehaalde speciale verslagen heeft ingediend, waarvan er een al nut heeft gehad, terwijl het andere door het Parlement behandeld zal worden; steunt de conclusies van de ombudsman aan de Raad betreffende de noodzaak om consequente regels op de taalstelsels toe te passen die gebruikt worden door het voorzitterschap van de Raad, en om de status van het voorzitterschap als onderdeel van de Raad als instelling te verduidelijken;

23.   zou zich verheugen over een verscherping van de interne parlementaire procedures zodat het jaarverslag van de ombudsman in de toekomst sneller door de Commissie verzoekschriften behandeld wordt;

24.  spoort de ombudsman aan om het Parlement alle verzoeken voor te leggen die hij nodig oordeelt om de uitwisseling van informatie tussen de diensten van beide instanties te verbeteren en nauwer samen te werken op grond van artikel 1 van de Kaderovereenkomst voor samenwerking van 15 maart 2006, in het bijzonder op het gebied van communicatie, informatietechnologie en vertaling;

25.   begroet de constructieve betrekkingen die de ombudsman onderhoudt met de Commissie verzoekschriften van het Parlement, zowel door zijn deelname aan de vergaderingen van de commissie als door de eerbiediging van de wederzijdse bevoegdheden en prerogatieven; verzoekt de ombudsman daarom de Commissie verzoekschriften zo snel mogelijk op de hoogte te stellen van zijn bevindingen in de belangrijkste ambtshalve ingestelde onderzoeken teneinde tot zinvolle synergie-effecten te komen;

26.   herhaalt zijn positieve advies van 2001 inzake het verzoek tot wijziging van het statuut van de ombudsman ten aanzien van de toegang tot documenten en het horen van getuigen, met dien verstande dat de vereiste aanpassingen de bevoegdheden van de ombudsman moeten verduidelijken, gezien de steeds grotere eisen die aan de uitoefening van zijn taken worden gesteld en het feit dat de voornaamste Europese instellingen in de praktijk al grotendeels akkoord zijn gegaan;

27.   onderstreept dat dergelijke wijzigingen geen invloed mogen hebben op de oorspronkelijke functie van de ombudsman, namelijk om de belangen van de burgers te beschermen tegenover de openbare bestuursorganen van de Europese Unie;

28.   erkent het nut van het Europees netwerk van ombudsmannen op het vlak van buitengerechtelijke middelen, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel;

29.   pleit voor wederzijdse raadpleging tussen de ombudsman en de Commissie verzoekschriften binnen het Europees netwerk van ombudsmannen voor de oplossing van kwesties die reeds als verzoekschrift behandeld zijn;

30.   is verheugd over het feit dat de media steeds meer bijdragen tot de bekendmaking van het werk van de ombudsman, en heeft alle lof voor de communicatiestrategie die de ombudsman via de verschillende kanalen voor voorlichting en bewustmaking van de burgers heeft gevoerd, daar deze er met vele vormen van dialoog toe bijdraagt de burgers nader tot de instellingen en organen van de Europese Unie te brengen, wat op middellange termijn moet leiden tot een grotere kennis van het geheel van rechten van de burgers en bevoegdheden van de Gemeenschap;

31.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de Europese ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten en hun ombudsmannen of soortgelijke organen.

(1) PB L 113 van 4.5.1994, blz. 15. Besluit gewijzigd bij Besluit 2002/262/EG, EGKS, Euratom (PB L 92 van 9.4.2002, blz. 13).
(2) PB C 72 E van 21.3.2002, blz. 336.
(3) Speciaal Verslag van de Europese Ombudsman aan het Europees Parlement naar aanleiding van de ontwerpaanbeveling aan de Raad van de Europese Unie in klacht 1487/2005/GG en Speciaal Verslag van de Europese Ombudsman naar aanleiding van de ontwerpaanbeveling aan de Europese Commissie in klacht 289/2005/(WP)GG.
(4) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(5) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

Juridische mededeling - Privacybeleid