Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 23 mei 2007 - Straatsburg
Financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de transeuropese netwerken voor vervoer en energie ***II
 Roaming op publieke mobiele netwerken ***I
 Tweede aanvullend protocol bij de overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking EG/Mexico, teneinde de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU in aanmerking te nemen *
 Impact en gevolgen van uitsluiting van gezondheidsdiensten uit de richtlijn betreffende diensten op de interne markt
 Impact en gevolgen van het structuurbeleid voor de samenhang in de EU
 Handelsgebonden hulpverlening van de Europese Unie
 Economische partnerschapsovereenkomsten
 Jaarverslag 2005 over het GBVB
 Bevordering van waardig werk voor iedereen

Financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de transeuropese netwerken voor vervoer en energie ***II
PDF 196kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 mei 2007 betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de transeuropese netwerken voor vervoer en energie (17032/2/2006 – C6-0101/2007 – 2004/0154(COD))
P6_TA(2007)0198A6-0169/2007

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (17032/2/2006 – C6-0101/2007)(1),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2004)0475),

–   gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2006)0245),

–   gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Begrotingscommissie (A6-0169/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.   constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.   verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 103 E van 8.5.2007, blz. 26.
(2) PB C 272 E van 9.11.2006, blz. 404.


Roaming op publieke mobiele netwerken ***I
PDF 195kWORD 39k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 mei 2007 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende roaming op publieke mobiele netwerken binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (COM(2006)0382 – C6-0244/2006 – 2006/0133(COD))
P6_TA(2007)0199A6-0155/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0382),

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0244/2006),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0155/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 mei 2007 betreffende roaming op publieke mobiele netwerken binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten

P6_TC1-COD(2006)0133


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 717/2007.)


Tweede aanvullend protocol bij de overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking EG/Mexico, teneinde de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU in aanmerking te nemen *
PDF 203kWORD 38k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 mei 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een tweede aanvullend protocol bij de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie (16522/2006 – COM(2006)0777 – C6-0077/2007 – 2006/0259(CNS))
P6_TA(2007)0200A6-0138/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2006)0777)(1),

–   gezien het besluit van de Raad betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van een tweede aanvullend protocol bij de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie (16522/2006),

–   gelet op artikel 57, lid 2, artikel 71, artikel 80, lid 2, artikel 133, lid 1, artikel 133, lid 5, en artikel 181 juncto artikel 300, lid 2, eerste en tweede volzin van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0077/2007),

–   gelet op het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,

–   gelet op artikel 51, artikel 83, lid 7 en artikel 35 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A6-0138/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de tekst van de Raad, als geamendeerd door het Parlement, en hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Mexicaanse Staten.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Visum 1
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 57, lid 2, artikel 71, artikel 80, lid 2, artikel 133, lid 1 en lid 5 en artikel 181, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste en tweede volzin, en artikel 300, lid 3, eerste alinea
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 57, lid 2, artikel 71, artikel 80, lid 2, artikel 133, lid 1 en lid 5 en artikel 181, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste en tweede volzin, en artikel 300, lid 3, tweede alinea

(1) Nog niet gepubliceerd in het PB.


Impact en gevolgen van uitsluiting van gezondheidsdiensten uit de richtlijn betreffende diensten op de interne markt
PDF 153kWORD 77k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 mei 2007 over de impact en gevolgen van uitsluiting van gezondheidsdiensten uit de richtlijn betreffende diensten op de interne markt (2006/2275(INI))
P6_TA(2007)0201A6-0173/2007

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 16, 49 en 50, artikel 95, lid 1 en artikel 152 van het EG-Verdrag;

–   gelet op artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

–   gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ("Hof van Justitie") van 28 april 1998 in de zaak C-120/95 Decker(1), van 28 april 1998 in de zaak C-158/96 Kohll(2), van 12 juli 2001 in de zaak C-157/99 Geraets-Smits en Peerbooms(3), van 12 juli 2001 in de zaak C-368/98 Vanbraekel(4), van 25 februari 2003 in de zaak C-326/00 IKA(5), van 13 mei 2003 in de zaak C-385/99 Müller-Fauré en Van Riet(6), van 23 oktober 2003 in de zaak C-56/01 Inizan(7), van 18 maart 2004 in de zaak C-8/02 Leichtle(8) en van 16 mei 2006 in de zaak C-372/04 Watts(9),

–   gelet op Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt(10), en in het bijzonder artikel 2, lid 2, punt f), en overwegingen 22 en 23,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 26 september 2006 met de titel "Raadpleging over communautaire maatregelen op het gebied van gezondheidsdiensten" (SEC(2006)1195/4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 juni 2005 over de mobiliteit van patiënten en ontwikkelingen in de gezondheidszorg in de Europese Unie(11),

–   gezien de conclusies van de Raad betreffende de gemeenschappelijke waarden en beginselen van de gezondheidsstelsels van de Europese Unie(12),

–   gelet op artikel 152, lid 5 van het Verdrag, waarin het subsidiariteitsbeginsel op het gebied van de volksgezondheid is verankerd, en gelet op Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(13), Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(14),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0173/2007),

A.   overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de organisatie, het beheer, de verstrekking en financiering van de zorgstelsels, die per lidstaat verschillend zijn,

B.   overwegende dat het Hof van Justitie een aantal arresten heeft gewezen over onder meer de vraagstukken in verband met de toegang tot medische hulp en de vaststelling van criteria voor procedures voor voorafgaande toestemming of voor de vergoeding van kosten, die de burgers van de EU toestaan om zich vrij te verplaatsen voor medische hulp in een andere lidstaat,

C.   overwegende dat de Raad in het kader van zijn reeds aangehaalde conclusies betreffende de gemeenschappelijke waarden en beginselen van de gezondheidsstelsels van de Europese Unie een verklaring van de 25 ministers van Volksgezondheid van de Europese Unie heeft aangenomen betreffende de gemeenschappelijke waarden en beginselen die ten grondslag liggen aan de gezondheidsstelsels in Europa,

Beginselen

1.   is van mening dat de grensoverschrijdende mobiliteit van patiënten en gezondheidswerkers de komende jaren zal toenemen, zodat de patiënten meer keuzemogelijkheden krijgen; is van mening dat alle Europese burgers, ongeacht hun inkomensniveau en plaats van vestiging, gelijke, betaalbare en tijdige toegang dienen te hebben tot medische hulp, krachtens de beginselen van universaliteit, kwaliteit, veiligheid, continuïteit en solidariteit, wat bijdraagt tot de sociale en regionale samenhang in de Unie en zorgt voor de financiële duurzaamheid van de nationale gezondheidsstelsels; is van mening dat de mobiliteit van patiënten en gezondheidswerkers overeenkomstig deze beginselen kan bijdragen tot een meer toegankelijke en kwalitatief betere gezondheidszorg;

2.   merkt op dat de lidstaten de gezondheidszorg onvoldoende bevorderen, waardoor de rechten van patiënten worden beperkt;

3.   herinnert eraan dat de lidstaten die uitvoering hebben gegeven aan de bestaande jurisprudentie van het Hof van Justitie niet zijn geconfronteerd met belangrijke verhogingen van het budget voor gezondheidszorg als gevolg van de patiëntenmobiliteit;

4.   houdt rekening met het feit dat de lidstaten alleen een systeem van voorafgaande toestemming kunnen invoeren indien is gebleken dat de grensoverschrijdende patiëntenmobiliteit een negatief effect heeft op het financiële evenwicht van het nationale gezondheidsbudget; dringt er bij de lidstaten op aan nota te nemen van de mogelijkheid van een proefperiode waarin geen voorafgaande toestemming is vereist;

5.   beklemtoont dat mobiliteit van patiënten en beroepsbeoefenaren voor een lidstaat geen voorwendsel mag zijn om niet te investeren in zijn eigen gezondheidszorgstelsel;

6.   benadrukt dat toegang tot grensoverschrijdende zorg vereist is om het vrij verkeer van burgers binnen de Gemeenschap tot stand te brengen en bijdraagt aan meer werkgelegenheid en concurrentievermogen in de lidstaten;

7.   benadrukt dat de administratieve rompslomp in verband met het gebruik en het verlenen van grensoverschrijdende gezondheidsdiensten moet worden beperkt;

8.   wijst erop dat het ter beperking van de administratieve rompslomp in verband met het gebruik van grensoverschrijdende gezondheidsdiensten noodzakelijk is de elektronische systemen voor patiëntenidentificatie en aanvragen voor vergoeding te verbeteren;

9.   verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen de invoering van e-health en telegeneeskunde actief te steunen;

10.   wijst erop dat de lidstaten overeenkomstig de Verdragsbepalingen de eerste verantwoordelijkheid behouden voor het verlenen van efficiënte gezondheidszorg van hoge kwaliteit aan hun burgers; benadrukt dat zij met het oog hierop in staat moeten zijn gebruik te maken van passende reguleringsinstrumenten op EU-niveau en op multilateraal en bilateraal niveau, om hun nationale zorgstelsels en gezondheidsdiensten te beheren, en zich bij de uitoefening van die bevoegdheid te allen tijde dienen te houden aan de bepalingen van de Verdragen en het subsidiariteitsbeginsel;

11.   benadrukt dat de Verdragsbepalingen, met inbegrip van de specifieke bepalingen inzake diensten van algemeen economisch belang en de jurisprudentie van het Hof van Justitie, van toepassing zijn op gezondheidsdiensten, en dat zorgverleners volledig het recht hebben om zich overeenkomstig nationale en EU-regels in een lidstaat te vestigen en diensten te verlenen; benadrukt tevens dat patiënten volledig gerechtigd zijn om voor medische hulp naar ongeacht welke lidstaat te gaan;

12.   merkt op dat de zorgstelsels weliswaar niet onder de bevoegdheid van de Gemeenschap vallen, maar dat gebieden die met de zorgstelsels verband houden, zoals de toegang tot medicatie en behandeling, patiëntenvoorlichting en het verkeer van verzekeraars en gezondheidswerkers een grensoverschrijdend karakter hebben; merkt op dat de Unie op deze gebieden actief dient te zijn;

13.   wijst erop dat patiënten altijd gelijke toegang dienen te hebben tot een gepaste behandeling die zich zo dicht mogelijk bij hun woonplaats bevindt en in hun eigen taal plaatsvindt; is in dit verband van mening dat moet worden gezorgd voor een betere toepassing van Richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988(15) betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg, ten einde de termijnen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen te bespoedigen, innovatie en veiligheid van de geneesmiddelen te bevorderen en de gebruikmaking van gecentraliseerde toestemmingsprocedures voor het in de handel brengen sterker te bevorderen;

14.   benadrukt dat de lidstaten onderdanen van een andere lidstaat bij de toegang tot de gezondheidsdiensten op voet van gelijkheid moeten behandelen, ongeacht of het om particuliere of ziekenfondspatiënten gaat;

15.   wijst erop dat patiënten toegang dienen te hebben tot informatie waarvoor de zorgverlener een internationale officiële erkenning heeft verkregen en dat de officieel erkende zorgverleners, ongeacht waar zij in de EU zijn gevestigd, ervoor moeten zorgen dat de gezondheidszorg veilig is en gebaseerd op meetbare internationale kwaliteitsindicatoren;

16.   onderstreept dat beleidsinitiatieven die verband houden met de gezondheidsdiensten zoveel mogelijk voorwerp dienen te zijn van wetgeving op parlementair niveau in plaats van op ad-hocbasis te worden ontplooid via arresten van het Europees Hof van Justitie;

17.   is van mening dat de veiligheid en rechten van patiënten in de grensoverschrijdende voorziening van gezondheidsdiensten niet gegarandeerd zijn en dat er juridische onzekerheid bestaat met betrekking tot vergoedingsregelingen, verplichtingen van nationale instanties om informatie over regelgeving te delen, de zorgplicht voor de eerste en volgende behandelingen en de voorzieningen voor risicobeheersing voor particuliere patiënten;

Definities

18.   vraagt om een heldere definitie van gezondheidsdiensten om het toepassingsgebied van toekomstige wetgeving op dit gebied te verduidelijken en duidelijk af te bakenen; vraagt om te verduidelijken welke elementen van een zorgstelsel in dit verband relevant zijn;

19.   merkt op dat gezondheidsdiensten qua doelstellingen vergelijkbaar zijn met andere sociale diensten van algemeen belang aangezien zij op het solidariteitsbeginsel zijn gebaseerd, vaak deel uitmaken van nationale socialebeschermingsstelsels, persoonsgericht zijn, waarborgen dat de burgers verzekerd zijn van hun grondrechten en van een hoog niveau van sociale bescherming, en de sociale en territoriale cohesie versterken;

20.   is van mening dat alle maatregelen van de Gemeenschap op het gebied van gezondheidszorgdiensten moeten aansluiten bij de communautaire maatregelen met betrekking tot sociale diensten van algemeen belang;

21.   wenst dat verdere verduidelijking van de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie gebruikte concepten niet leidt tot een verandering in het door het Hof van Justitie vastgestelde evenwicht tussen de voorrechten van de lidstaten op het gebied van de volksgezondheid en de rechten van de individuele patiënt; wijst er in dit verband nogmaals op dat het Hof van Justitie met betrekking tot het concept "redelijke wachtperiode" duidelijk heeft aangegeven dat dit uitsluitend moet worden gedefinieerd in het licht van een beoordeling van de medische situatie van elke patiënt en dat economische overwegingen hierbij geen rol mogen spelen;

22.   vraagt om verduidelijking van de concepten "redelijke wachttijd" en de definitie van intramurale en extramurale zorg;

23.   wijst erop dat de procedure voor het verlenen van toestemming in geval van ziekenhuisdiensten in een andere lidstaat patiënten een waarborg dient te verlenen zodat zij beschermd zijn tegen willekeurige besluiten van nationale instanties; wijst erop dat ziekenhuisbehandeling, ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van patiënten zonder afbreuk te doen aan de planningsdoelstellingen van de lidstaten, in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie strikt moet worden gedefinieerd als een behandeling die alleen kan worden verleend binnen de ziekenhuisinfrastructuur en bijvoorbeeld niet in de spreekkamer van een arts of bij de patiënt thuis; wijst er met name op dat een weigering om toestemming te verlenen kan worden betwist in (buiten)gerechtelijke procedures en dat met het oog op de beoordeling van de medische situatie van elke patiënt volledig objectief en onpartijdig advies moet worden gevraagd van onafhankelijke deskundigen;

Mobiliteit van patiënten

24.   merkt op dat er grote verschillen bestaan bij de mobiliteit van patiënten en dat deze op zeer uiteenlopende redenen is terug te voeren: patiënten worden door hun nationale gezondheidsstelsel naar het buitenland verwezen, patiënten gaan op eigen initiatief op zoek naar medische zorg in het buitenland, toeristen worden ziek, er zijn migrerende werknemers, studenten, gepensioneerden, en iedereen die in een andere lidstaat van de Unie is gevestigd dan zijn land van oorsprong, of in een grensregio woont; benadrukt dat bij het uitstippelen van het beleid met deze verschillen rekening moet worden gehouden;

25.   beklemtoont dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen grensoverschrijdende gezondheidsdiensten, dat wil zeggen diensten die gesitueerd zijn aan beide zijden van een grens tussen twee lidstaten om patiënten een hoog niveau van toegang en zorg te bieden en dat in stand te houden, en internationale gezondheidsdiensten binnen de Europese Unie, die gezondheidszorg aanbieden voor de behandeling van zeldzame ziekten of weesziekten of ziekten waarvoor zeldzame en erg dure technologieën (referentiecentra voor zorg) gebruikt dienen te worden, of toegang verschaffen tot zorg die de lidstaat of het land van verblijf patiënten op dit moment niet kunnen bieden;

26.   verzoekt de Commissie jaarlijks voor elke lidstaat statistische gegevens te verstrekken over de mobiliteit van patiënten, het aantal gevallen waarin vergoeding wordt geweigerd en de redenen daarvoor;

27.   erkent weliswaar dat het gezondheidsbeleid in de eerste plaats tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort en benadrukt dat de verstrekking van een goede gezondheidszorg in het land van herkomst noodzakelijk is, maar juicht niettemin het initiatief van de Commissie toe om een raadpleging te starten over de wijze waarop aan communautaire maatregelen het best vorm kan worden gegeven met het oog op verbetering van de toegang van patiënten, binnen een redelijke termijn, tot een veilig, hoogwaardig en doeltreffend kader voor grensoverschrijdende aspecten van de gezondheidszorg, en verzoekt de Commissie met concrete voorstellen te komen om vorderingen op dit gebied te stimuleren en te controleren;

28.   wijst erop dat een groot aantal patiënten uit verschillende lidstaten in hun eigen land wegens de lange wachtlijsten niet binnen een redelijke termijn de noodzakelijke medische behandeling kunnen krijgen en stelt vast dat deze patiënten derhalve afhankelijk zijn van medische behandeling in het buitenland;

Verbetering van informatie aan patiënten

29.   constateert dat patiënten moeilijk toegang kunnen krijgen tot duidelijke en nauwkeurige informatie over gezondheidszorg, met name in verband met grensoverschrijdende gezondheidszorg, en dat de te volgen procedures complex zijn; stelt vast dat dit probleem, dat niet alleen door taalbarrières wordt veroorzaakt, in potentie het gevaar voor de veiligheid van de patiënt vergroot;

30.   is van mening dat de EU een belangrijke rol dient te spelen bij de verbetering van de toegang van de patiënt tot informatie over de toegang tot grensoverschrijdende gezondheidszorg;

31.   wijst erop dat het op doeltreffende en transparante wijze delen en uitwisselen van informatie over gezondheid een cruciaal vereiste is om te zorgen voor consistentie en handhaving van hoogwaardige gezondheidszorg wanneer gebruik wordt gemaakt van gezondheidszorgdiensten in verschillende lidstaten;

32.   is van mening dat het belangrijk is patiënten het recht te bieden gezondheidszorg in een andere lidstaat te kiezen, als zij met deze keuze passende zorg kunnen krijgen, waarbij zij volledig geïnformeerd zijn over de voorwaarden voor toegang tot dergelijke zorg en over de implicaties van een dergelijke keuze, meent dat voorafgaande toestemming voor ziekenhuiszorg overeenkomstig de reeds vermelde jurisprudentie van het Hof van Justitie gemakkelijk moet kunnen worden verkregen, en verzoeken onmiddellijk in behandeling moeten worden genomen en worden beoordeeld op basis van objectieve en neutrale criteria; is van oordeel dat weigering van toestemming moet worden gerechtvaardigd op basis van objectieve redenen die op transparante wijze moeten worden getoetst en gemotiveerd en dat elke weigering moet worden gemotiveerd met verwijzing naar het advies van onafhankelijke deskundigen;

33.   dringt aan op een Europees handvest inzake patiëntenrechten op basis van de verschillende handvesten die in de lidstaten bestaan en het door het niet-gouvernementele organisaties verrichte werk;

Vergoeding

34.   erkent de bestaande verschillen tussen de zorgstelsels in de lidstaten en de ingewikkelde wettelijke regelingen voor vergoeding; dringt aan op codificatie van de bestaande jurisprudentie inzake de vergoeding van grensoverschrijdende gezondheidszorg ten einde te zorgen voor een correcte toepassing van de jurisprudentie door alle lidstaten en om de voor patiënten, nationale verzekeringsstelsels en zorgverleners beschikbare informatie te verbeteren zonder dat extra bureaucratische rompslomp voor de lidstaten ontstaat;

35.   verzoekt de Commissie alle lidstaten aan te moedigen met betrekking tot de vergoeding van grensoverschrijdende gezondheidszorg de bestaande procedures te hanteren; is van mening dat de Commissie de mogelijkheid moet hebben de lidstaten die dit nalaten te vervolgen;

36.   dringt aan op de invoering van een Europese referentieregeling inzake vergoeding om de burgers in staat te stellen een en ander te vergelijken en de voor hen meest geschikte keuze qua behandeling te maken;

37.   dringt erop te onderzoeken hoe werkzaamheden kunnen worden ondersteund en bevorderd die erop gericht zijn het gebruik van de Europese ziekteverzekeringskaart, met een gestandaardiseerde reeks elektronische patiëntengegevens, algemeen ingang te doen vinden ten einde de procedures voor het verkrijgen van medische hulp in andere lidstaten voor de Europese burgers te vereenvoudigen; is van mening dat de houders van de kaart zelf moeten beslissen over de gegevens die op de kaart worden vermeld; dringt aan op het opstellen van Europese gezondheidsindicatoren om optimaal van dit systeem gebruik te maken; is van mening dat het met het oog op de veiligheid van de patiënt van fundamenteel belang is de nationale autoriteiten aan te sporen informatie uit te wisselen over registratie en disciplinaire aangelegenheden met betrekking tot grensoverschrijdende zorgverleners; acht het wenselijk de Europese ziekteverzekeringskaart (regeling) uit te bouwen tot een systeem van internationale uitwisseling van gegevens over de verzekeringsstatus van de patiënt;

38.   verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat zorgverleners een duidelijk zichtbaar symbool aanbrengen waaruit (op dezelfde wijze als bij creditcards in hotels of restaurants enz.) blijkt dat een Europese ziekteverzekeringskaart van een patiënt in een bepaalde lidstaat kan worden geaccepteerd in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 883/2004; dringt aan op een hoog niveau van gegevensbescherming voor patiënten met betrekking tot grensoverschrijdende samenwerking bij gezondheidsdiensten ten einde de vertrouwelijkheid van gevoelige medische gegevens te waarborgen;

Mobiliteit van gezondheidswerkers

39.   wijst erop dat Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(16) niet alle bestaande lacunes in de regelgeving binnen de EU op het gebied van het vrije verkeer van gezondheidswerkers opvult, met name met betrekking tot permanente educatie, het recht van vestiging en waarborging van de huidige competentie van gezondheidswerkers; benadrukt dat toekomstige wetgeving op dit terrein de verlening van grensoverschrijdende gezondheidsdiensten en de vestiging van zorgverleners uit andere lidstaten in sterke mate dient te vergemakkelijken;

40.   wijst erop dat er in de Unie weliswaar sprake is van een onderlinge erkenning van beroepskwalificaties, maar dat er voor de inhoud van de beroepsopleidingen alsmede de wijze van beroepsuitoefening nog steeds onvoldoende kwaliteitsovereenstemming bestaat;

41.   benadrukt dat de Unie overeenkomstig artikel 35 van het Handvest van de grondrechten een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid dient te waarborgen en wijst er in dit verband op dat de kwaliteit van de gezondheidszorg en het vermogen van de sector om personeel aan zich te binden afhangen van de kwaliteit van het werk en de arbeidsomstandigheden van de gezondheidswerkers, zoals rusttijden en opleidingsmogelijkheden; wijst er tevens op dat begeleidende maatregelen zoals kwaliteitscontrole, supervisie en het gebruik van nieuwe informatietechnologieën moeten zorgen voor de best mogelijke medische zorg voor de patiënten;

42.   acht het van groot belang dat zorgverleners die in direct contact met de patiënt staan over adaquate kennis van de taal van het ontvangende land beschikken;

43.   verzoekt de Commissie een mechanisme in het leven te roepen voor het verzamelen van gegevens en het uitwisselen van informatie tussen de diverse nationale autoriteiten met betrekking tot zorgverleners, een Europese kaart in te voeren met informatie over de vaardigheden van gezondheidswerkers en die informatie aan de patiënten beschikbaar te stellen, alsmede een betrouwbaar gezondheidsinformatiesysteem voor dienstverleners te ontwikkelen, waarbij de nationale autoriteiten worden verplicht dergelijke informatie te delen;

44.   verzoekt de Commissie, gezien de groeiende beroepsmobiliteit in Europa, nationale autoriteiten wettelijk te verplichten om informatie over de registratie van, en disciplinaire informatie over beoefenaren van medische beroepen uit te wisselen, ten einde de veiligheid van de patiënt te verzekeren;

45.   is verheugd over de werkzaamheden van de grensoverschrijdende gezondheidswerkers welke een goed voorbeeld zijn van nauwe multilaterale samenwerking tussen de regelgevende instanties op het gebied van de gezondheidszorg in de lidstaten;

46.   onderstreept de noodzaak om gezondheidswerkers beter te informeren over hun recht op mobiliteit binnen de EU door gebruik te maken van bestaande instrumenten van de Commissie zoals EURES (Europese werkgelegenheidsdiensten);

Wettelijke aansprakelijkheid

47.   dringt erop aan dat de patiëntenmobiliteit waarborgen vereist betreffende gelijktijdige en duidelijke regels inzake de aansprakelijkheid voor de verlening van grensoverschrijdende gezondheidsdiensten en de daaruit voortvloeiende noodzaak van gemakkelijke toegang tot rechtsmiddelen en tot de rechter, vooral als behandelingen in meerdere landen hebben plaatsgevonden;

48.   wijst erop dat de combinatie van de huidige regels van het internationale privaatrecht inzake rechterlijke bevoegdheid en toepasselijk recht, met verschillende communautaire instrumenten, leidt tot een ingewikkeld en moeilijk netwerk van regelingen inzake wettelijke aansprakelijkheid dat gemakkelijke toegang tot de rechter niet bevordert, hetgeen een voorwerp van bijzondere zorg is met betrekking tot de gezondheidsdiensten die gezien hun aard zowel persoonlijk als individueel zijn; wijst er bovendien op dat een patiënt die verhaal zoekt waarschijnlijk niet alleen kwetsbaar is, maar bovendien in zijn eentje moet procederen tegen een instelling of een beroepsorgaan;

49.   onderstreept dan ook dat de rechtszekerheid van patiënten en beroepsbeoefenaars dient te worden gewaarborgd en vraagt om verduidelijking van de aansprakelijkheid voor het geval er lichamelijke schade ontstaat; vraagt voorts dat alle gezondheidsmedewerkers worden verplicht te beschikken over een aansprakelijkheidsverzekering, tegen redelijke kosten;

50.   onderstreept de noodzaak de bescherming van patiënten te versterken door van de gezondheidswerkers een beroepsaansprakelijkheidsverzekering te verlangen; wijst er echter op dat zowel het middel om dit te waarborgen als de definitie van een gezondheidswerker wordt vastgesteld door de desbetreffende verzekerings- of andere financiële zekerheidsregelingen die bestaan in elke lidstaat;

51.   wijst erop dat medische follow-up in de gezondheidszorg vaak noodzakelijk is; verzoekt om verduidelijking van de regels inzake de verdeling van aansprakelijkheid tussen zorgverleners in verschillende fasen van de behandeling ten einde de continuïteit in de zorg te waarborgen; wijst erop dat de ontwikkelingen inzake telegeneeskunde en E-health dermate omvangrijk zijn dat er nieuwe spelregels moeten worden afgesproken inzake sociale dekking, financiering en toegang tot deze zorg;

Samenwerking tussen de lidstaten

52.   is van mening dat de Europese burger door betere samenwerking tussen de gezondheidsstelsels op lokaal, regionaal, intergouvernementeel en Europees niveau toegang dient te kunnen krijgen tot een passende behandeling in andere lidstaten en een betere kwaliteit van de geboden diensten, wat tot meer vertrouwen leidt bij de burger;

53.   wijst erop dat grensoverschrijdende samenwerking tussen de betrokkenen ertoe kan leiden dat passende oplossingen worden gevonden, zoals het voorbeeld van Euroregis aantoont;

54.   verwacht van de lidstaten een grensoverschrijdende samenwerking bij het aanbieden van gezondheidsdiensten, teneinde hun gezondheidszorgstelsels kosteneffectiever te kunnen maken;

55.   verzoekt de Commissie technische normen op te stellen en verzoekt de regeringen van de lidstaten om actieve steun voor de invoering van interoperabele en transparante informatiesystemen die het op doeltreffende wijze delen en uitwisselen van informatie over gezondheid tussen zorgverleners in de verschillende lidstaten mogelijk maken;

56.   spoort aan tot het opzetten van netwerken van referentiecentra, met inbegrip van elektronische referentiecentra voor bepaalde zeldzame, specifieke en chronische ziekten en het uitwisselen van kennis tussen de lidstaten over de beste praktijken inzake behandeling en de organisatie van zorgstelsels; verzoekt de Commissie dan ook aanzienlijke middelen toe te kennen voor optimalisering van transnationale administratieve samenwerking;

57.   is van mening dat de EU een belangrijke rol kan spelen bij het toegankelijker maken van informatie voor patiënten betreffende grensoverschrijdende mobiliteit, onder meer door Europese gezondheidsindicatoren te bevorderen;

58.   erkent dat er vraag is naar goed gereglementeerde, grensoverschrijdende gezondheids- en farmaceutische diensten van hoge kwaliteit, en naar samenwerking en de uitwisseling van wetenschappelijke en technologische ervaringen tussen hooggespecialiseerde medische centra; wijst er evenwel op dat uit onderzoeken blijkt dat de meeste mensen liever een goede behandeling krijgen in de buurt van hun eigen woonplaats; is van mening dat om op dit gebied een zo adequaat mogelijke wetgeving op te stellen, de Commissie eerst uitgebreid onderzoek moet verrichten naar de werkelijke noodzaak van mobiliteit van patiënten en vervolgens naar de patiënten waarvoor mobiliteit van belang kan zijn, waarbij zij beoordeelt welke uitwerking een dergelijke mobiliteit op de gezondheidssystemen heeft;

59.   verwacht (met het oog op de bestaande verschillen) dat er tussen de lidstaten zelf oplossingen worden gevonden voor kwesties als toegang tot zorg, kwaliteit van de zorg en kostenbeheersing;

60.   is van mening dat de open coördinatiemethode een van de geschikt middelen is om een nauwere samenwerking tussen de lidstaten te organiseren;

61.   staat de ontwikkeling van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten, regio's, lokale overheden en tussen de actoren in de gezondheidszorg voor, waarmee meerdere landen zouden kunnen beschikken over materiaal en personeel in grensoverschrijdende gebieden en kennis, met name in gebieden met grote aantallen bezoekers voor korte tijd, en kennis en vaardigheden zouden kunnen worden uitgewisseld;

62.   dringt aan op het creëren en gebruiken van een één-loket op basis van bestaande communautaire instrumenten, in overeenstemming met het specifieke karakter van de organisatie van elk zorgstelsel, waarmee patiënten, gezondheidswerkers, zorginstellingen en de bevoegde autoriteiten toegang krijgen tot objectieve en onafhankelijke informatie; is van mening dat gezondheidswerkers patiënten kunnen bijstaan bij het zoeken naar deze informatie;

63.   moedigt de Commissie aan gebruik te maken van alle bestaande instrumenten zoals SOLVIT en inbreukprocedures ten einde patiënten bij te staan aan wie vergoeding (voor andere dan ziekenhuiszorg) of toestemming (voor ziekenhuiszorg) is geweigerd, zelfs al is voldaan aan de voorwaarden zoals in de jurisprudentie vastgesteld;

64.   moedigt de Commissie aan door te gaan met het verzamelen van gegevens van de lidstaten en verder trends en uitdagingen te analyseren die te maken hebben met de grensoverschrijdende mobiliteit van patiënten en gezondheidswerkers;

Conclusies

65.   verzoekt de Commissie haar beleid inzake de vervolging van schendingen van de EU-wetgeving te versterken ten einde ervoor te zorgen dat alle lidstaten voldoen aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie en dat de bij verdrag verleende rechten ongeacht het land van herkomst ten goede komen aan alle Europese patiënten;

66.   nodigt de Commissie uit de Raad en het Parlement een voorstel voor een richtlijn te presenteren voor een passend instrument, met name met het oog op de codificatie van de jurisprudentie van het Hof van Justitie.

67.   verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen waarin zij rekening houdt met deze resolutie met de arresten van het Hof van Justitie inzake de rechten van patiënten; roept ertoe op te garanderen dat patiënten de grootst mogelijke toegang tot gezondheidsdiensten hebben in heel Europa, en tevens te garanderen dat zorgverleners gebruik kunnen maken van de vrijheid van dienstverlening en de vrijheid van vestiging;

68.   wijst er met nadruk op dat, aangezien het voorstel van de Commissie om gezondheidsvraagstukken te regelen in Richtlijn 2006/123/EG niet werd aanvaard door het Europees Parlement en de Raad, thans verdere stappen nodig zijn om bestaande rechten te handhaven; verzoekt derhalve de Commissie als hoedster van de Verdragen, de handhaving van die rechten te waarborgen;

69.   is van mening dat een nieuw Europees regulerend kader voor grensoverschrijdende gezondheidszorg vooral gericht moet zijn op een betere toegang tot goede gezondheidszorg bij ziekte, moet bijdragen aan de veiligheid van de patiënt en de keuzemogelijkheden moet vergroten voor alle patiënten in de Europese Unie, zonder de ongelijkheid in de verstrekking van medische zorg te vergroten;

o
o   o

70.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Jurispr. 1998, blz. I-1831.
(2) Jurispr. 1998, blz. I-1931.
(3) Jurispr. 2001, blz. I-5473.
(4) Jurispr. 2001, blz. I-5363.
(5) Jurispr. 2003, blz. I-1703.
(6) Jurispr. 2003, blz. I-4509.
(7) Jurispr. 2003, blz. I-12403.
(8) Jurispr. 2004, blz. I-2641.
(9) Jurispr. 2006, blz. I-4325.
(10) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.
(11) PB C 124 E van 25.5.2006, blz. 543.
(12) PB C 146 van 22.6.2006, blz. 1.
(13) PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2.
(14) PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.
(15) PB L 40 van 11.2.1989, blz. 8.
(16) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.


Impact en gevolgen van het structuurbeleid voor de samenhang in de EU
PDF 136kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 mei 2007 over de impact en gevolgen van de verschillende vormen van structuurbeleid voor de samenhang in de Europese Unie (2006/2181(INI))
P6_TA(2007)0202A6-0150/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien de projecten op de territoriale agenda van de EU inzake ruimtelijke ordening en het Handvest van Leipzig over duurzame Europese steden,

–   gezien het verslag van de Onafhankelijke Expertengroep inzake onderzoek, ontwikkeling en innovatie opgesteld naar aanleiding van de informele bijeenkomst van de staatshoofden en regeringsleider in Hampton Court over de totstandbrenging van een innovatief Europa (Aho-rapport), van 20 januari 2006,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 12 juni 2006: "De groei- en banenstrategie en de hervorming van het Europees cohesiebeleid – Vierde voortgangsverslag over cohesie" (COM(2006)0281),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 februari 2002 over het tweede verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's over de economische en sociale cohesie(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 september 2005 over de rol van de territoriale samenhang in de regionale ontwikkeling(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 december 2005 over de betekenis van rechtstreekse overheidsteun als instrument van regionale ontwikkeling(3),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad van 11 juli 2006 tot oprichting van een Cohesiefonds(4),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 maart 2006 over bedrijfsverplaatsingen in het kader van de regionale ontwikkeling(6),

–   gezien Beschikking 2006/702/EG van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie(7),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 mei 2006 over de begroting 2007: mededeling van de Commissie over de jaarlijkse beleidsstrategie(8),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Begrotingscommissie (A6-0150/2007),

A.   overwegende dat het structuurbeleid ontegenzeggelijk een positieve invloed heeft op de sociale, economische en territoriale samenhang en op de verbetering van de lokale en regionale governance;

B.   overwegende dat deze nieuwe positieve invloed per regio verschilt en dat deze resolutie aanbevelingen wil doen voor het optimaliseren van deze invloed gedurende de nieuwe programmeringsperiode 2007-2013;

C.   overwegende dat de projecten op de reeds aangehaalde territoriale agenda van de EU en het Handvest van Leipzig momenteel worden uitgewerkt, en door de informele ministeriële vergadering over stedelijke ontwikkeling en territoriale samenhang te Leipzig van 24 en 25 mei 2007 kunnen worden aangenomen;

D.   overwegende dat – wil men de invloed van de Structuurfondsen op de samenhang in de Europese Unie vergroten – de kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) een grotere rol dienen te spelen bij onderzoek, ontwikkeling en innovatie, en makkelijker toegang dienen te hebben tot de afdelingen onderzoek, ontwikkeling en innovatie bij de openbare instellingen;

E.   overwegende dat – zoals vermeld in het reeds aangehaalde vierde voortgangsverslag over cohesie – in de dertien cohesielanden de groei van het BBP per inwoner tussen 1995 en 2002, met een jaarlijks percentage van 3,6%, groter is geweest dan in de Europese Unie van vijftien lidstaten, waar het gemiddelde jaarlijkse percentage van de groei van het BBP slechts 2,2% bedroeg;

F.   overwegende dat bij elke euro die in de EU wordt uitgegeven aan cohesiebeleid bijkomende kosten komen van gemiddeld 0,90 EUR in de minst ontwikkelde regio's (Doelstelling 1) en van 3 EUR in de regio's waar herstructureringen aan de gang zijn (Doelstelling 2);

G.   overwegende dat vrije marktwerking onvoldoende is om de samenhang tot stand te brengen die de grondleggers van de EU voor ogen hadden, en dat overheidsbemoeienis vereist is om een nieuw evenwicht te kunnen creëren tussen de regio's;

H.   overwegende dat de verschillende vormen van structuurbeleid een belangrijke rol dienen te spelen bij de versterking van de territoriale samenhang en aangepast dienen te worden wanneer zich binnen de EU nieuwe territoriale uitdagingen voordoen, zoals de vergrijzing van de bevolking, de ontwikkeling van de landbouwmarkt of de vraagstukken inzake immigratie, energie en klimaatverandering;

I.   overwegende dat "polycentrisme" het leitmotiv is van de Europese territoriale strategie, waarmee in de uitvoeringsfase van het nieuwe cohesiebeleid rekening dient te worden gehouden;

J.   overwegende dat het cohesiebeleid duidelijker zichtbaar moet worden;

K.   overwegende dat gegarandeerd moet worden dat bedrijven die communautaire steun ontvangen hun activiteiten gedurende een lange en vastgestelde periode niet verplaatsen, en dat zij anders worden uitgesloten van medefinanciering, en dat de aan hen uitgekeerde steun moet worden teruggevorderd indien zij er een oneigenlijk gebruik van hebben gemaakt,

1.   onderstreept de beslissende rol van het cohesiebeleid bij het ondersteunen van de binnenlandse markt dankzij het handelsverkeer en de banen gecreëerd door het ontwikkelen en starten van door de Europese Unie gecofinancierde projecten;

2.   benadrukt het belang van een geïntegreerd en duurzaam structuurbeleid dat op samenhangende wijze de bijdragen coördineert van de structuurfondsen, het Cohesiefonds en andere vormen van communautair beleid; verzoekt het begrip geïntegreerd beleid door te voeren in de communicatie- en opleidingsacties, zodat het bekendheid krijgt en door alle betrokken partijen wordt gebruikt, met name door de actoren in het veld;

3.   onderstreept dat de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale overheden bijzondere aandacht zouden moeten geven aan het naleven van de doelstellingen die transversaal zijn geïntegreerd in alle vormen van beleid tijdens de uitvoeringsfase van het nieuwe cohesiebeleid, om sociale uitsluiting te voorkomen;

4.   herhaalt zijn eis dat bedrijven die overheidssteun hebben ontvangen en die hun activiteiten binnen de EU hebben verplaatst geen overheidssteun mogen ontvangen voor hun nieuwe locaties en dat zij gedurende een periode van zeven jaar na de datum van de verplaatsing van hun activiteiten niet in aanmerking komen voor Structuurfondsen en nationale overheidssteun;

5.   verzoekt de Commissie te onderzoeken welke nationale en regionale vormen van overheidsbeleid de convergentie bevorderen en hierover een mededeling op te stellen, om na te gaan of het in het kader van het toekomstige cohesiebeleid mogelijk is het toekennen van de middelen ondergeschikt te maken aan een goed nationaal beleid inzake groei, te bepalen op basis van kwantificeerbare indicatoren, teneinde zo de doeltreffendheid van het cohesiebeleid te vergroten;

6.   is van mening dat de Commissie en de lidstaten hun onderlinge relatie dienen te versterken om de bijdrage van het Europees Sociaal Fonds aan de implementatie van de Europese werkgelegenheidsstrategie (EWS) te verbeteren, en dat deze verbetering vervolgens aan de hand van relevante indicatoren onverwijld zichtbaar dient te worden ter bevordering van gelijke kansen;

7.   raadt de Commissie aan om te zoeken naar nieuwe manieren om de plannen en instrumenten van de verschillende vormen van structuurbeleid te combineren met andere communautaire plannen en hulpmiddelen om tot een grotere krachtenbundeling te komen ter bevordering van concurrentievermogen, onderzoek en duurzame innovatie en zich daarbij te laten inspireren door het werk van de gemeenschappelijke task forces van de Commissie op deze gebieden;

8.   raadt de regio's en de lidstaten aan om in de operationele programma's gekwantificeerde doelstellingen vast te stellen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie;

9.   nodigt de Raad en de Commissie uit te bestuderen of een verplichting zoals voorgesteld in het eerder genoemde Aho-rapport om vanaf de programmeringsperiode 2007-2013 minstens 20% van de Structuurfondsen te besteden aan verder onderzoek, ontwikkeling en innovatie (RDI) uitvoerbaar is en verzoekt dat zij zich niet alleen richten op grote projecten en technologische topinstituten, maar ook oog hebben voor kleinere projecten in de minst begunstigde regio's, met name projecten die bijdragen aan een duurzame, regionale ontwikkeling;

10.   stelt de Raad en de Commissie voor om op lokale en regionale schaal in regionale projecten, technologieparken, clusters en ketens door de Structuurfondsen gefinancierde technologische coördinatoren aan te stellen, door gebruik te maken van de reeds bestaande middelen zoals het netwerk van Euro Info Centres en de Relay Centra voor Innovatie, om de innovatie te stimuleren in de ondernemingen - met name in de KMO's - door Europese programma's en ondersteuning toegankelijker te maken;

11.   heeft waardering voor de projecten op de reeds aangehaalde territoriale agenda van de EU en het Handvest van Leipzig, maar benadrukt dat deze initiatieven voor het implementeren van de in beide strategische documenten genoemde doelstellingen en de betrokkenheid van de lidstaten nauwkeuriger dienen te worden omschreven; dringt er bij de lidstaten met klem op aan in het kader van de informele ministeriële vergadering van Leipzig op 24-25 mei 2007 een formele verplichting voor duurzame stedelijke ontwikkeling aan te gaan;

12.   is van mening dat een evaluatie van het langetermijneffect op verschillende niveaus van de aanwending van de Structuurfondsen noodzakelijk is voor de voorbereiding van de toekomstige wetsbesluiten en een goed beheer van de begroting op dit gebied;

13.   stelt de EU-instellingen en de lidstaten voor om goede praktijken te bevorderen en door middel van relevante indicatoren de uitwerking vast te stellen van het communautair beleid op de cohesie door de Waarnemingsnetwerk voor de ruimtelijke ordening van het Europees grondgebied, ESPON, van de nodige middelen en functies te voorzien om te kunnen fungeren als werkelijke waarnemingspost voor de effecten van structuurbeleid op de cohesie;

14.   verzoekt de Commissie eveneens de territoriale gevolgen van oormerking te onderzoeken en dan met name te beoordelen of de toewijzing van Europese fondsen in het kader van de Lissabon-doelstellingen daadwerkelijk bijdraagt aan een evenwichtige en coherente regionale ontwikkeling;

15.   verzoekt de Commissie, de lidstaten, de regio's en de lokale overheden – met name de regio's die vallen onder de convergentiedoelstelling – om voorrang te geven aan maatregelen die er op gericht zijn een verstoring van het territoriaal evenwicht te voorkomen door de geïntegreerde ontwikkeling en de aanleg van polycentrische gebieden te bevorderen;

16.   verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale overheden te bestuderen welke instrumenten het meest geschikt zijn om een territoriaal evenwicht te creëren tussen stedelijke en landelijke zones en te waarborgen dat plattelandsontwikkeling en regionale ontwikkeling elkaar aanvullen door een geïntegreerde strategische aanpak van de ontwikkeling van stedelijke zones te bevorderen, in samenhang met de voorstedelijke en landelijke aangrenzende gebieden ("bassins de vie"), en de uitwisseling van goede praktijken aan te moedigen, met name in de territoriale en sectorale netwerken, voor een beter beheer van de fondsen, met name in het kader van de "Europese week van de regio's en steden" in Brussel;

17.   verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regio's vaker een beroep te doen op de Structuurfondsen ter stimulering van de duurzame en zelfstandige ontwikkeling van regio's waarin een emigratie-overschot is waar te nemen en ter bestrijding van de negatieve gevolgen van de wijzigingen in de bevolkingssamenstelling;

18.   verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale overheden de bijdrage te stimuleren van het cohesiebeleid aan de uitvoering van de nieuwe strategie voor duurzame ontwikkeling, waarbij de energie grotendeels wordt voorzien door hernieuwbare energiebronnen, gebruik wordt gemaakt van een vervoerssysteem dat de mogelijkheden van intermodale combinaties efficiënter benut en waarbij wordt hergebruikt en gerecycled;

19.   stelt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale overheden voor om in de landelijke zones die economische activiteiten te ondersteunen en te stimuleren die te maken hebben met de ontwikkeling van de nieuwe technologieën en die niet in de directe nabijheid hoeven te liggen van de grote stedelijke centra;

20.   benadrukt de plaats van de territoriale samenwerking binnen het cohesiebeleid, en verzoekt de beheersautoriteiten om transnationale en interregionale samenwerking aan te moedigen door het opzetten van verschillende netwerken voor territoriale en sectorale samenwerking, alsmede door de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken op regionaal en lokaal niveau middels het initiatief "Regio's voor economische verandering";

21.   verzoekt naast het BBP per inwoner ook andere territoriale indicatoren te gebruiken om het cohesieniveau te meten, zoals de werkgelegenheidsgraad en de kwaliteit ervan, het verschil in BBP tussen naburige regio's, de index van de perifere ligging en van toegankelijkheid, het voorhanden zijn van infrastructuur en vervoersmogelijkheden, de omvang van onderzoek en innovatie, onderwijs en opleiding, de verscheidenheid van de productiviteit in de zone;

22.   nodigt de Commissie uit om samen met Eurostat een uitspraak te doen over het gebruik van nieuwe kwantitatieve en kwalitatieve cohesie-indicatoren in het kader van de tussentijdse evaluatie van het nieuwe cohesiebeleid in 2009;

23.   moedigt de Commissie aan om het hefboomeffect te bestuderen van de Structuurfondsen bij het verwerven van privé-investeringen in het kader van het nieuwe cohesiebeleid, en de noodzaak van samenwerking tussen de publieke en private sector te benadrukken;

24.   stelt de Commissie voor om betere gegevens te verkrijgen over de kwaliteit en het duurzame karakter van de met de Structuurfondsen gecreëerde banen;

25.   vestigt de aandacht van de Commissie op het feit dat het gebrek aan bestuurlijke capaciteiten een zeer grote belemmering kan zijn voor het optimaliseren van de uitwerking van het cohesiebeleid, en verzoekt derhalve de Commissie om bij de implementering van het nieuwe cohesiebeleid het instrument van tripartiete contracten en overeenkomsten te ontwikkelen en de bestuurlijke capaciteiten verder te vergroten, onder andere door het opzetten van een netwerk van geaccrediteerde opleiders teneinde de coherentie tussen de opleidings- en bewustmakingsacties van de beheersautoriteiten van eenzelfde lidstaat te waarborgen, in het bijzonder op regionaal en lokaal niveau;

26.   benadrukt het belang van het partnerschapsbeginsel bij de implementering van het cohesiebeleid, hetgeen inhoudt dat de partners volledig zijn geïnformeerd, hun posities in evaluatiedocumenten staan genoteerd en dat de noodzakelijke opleidingsvoorzieningen zijn vastgelegd zodat zij hun taken kunnen uitvoeren;

27.   verzoekt de Commissie om in het kader van de uitvoeringsverordening(9) te bestuderen welke maatregelen getroffen kunnen worden ter vergroting van de zichtbaarheid van de structurele bijdragen aan zowel de grote infrastructuurprojecten als de kleine projecten, om strenger te controleren op de uitvoering van verplichte publiciteitsmaatregelen en maatregelen te nemen tegen de lidstaten waarvan bekend is dat zij deze regels ernstig hebben geschonden; verzoekt de beheersautoriteiten om europarlementariërs te betrekken bij de communicatie over projecten die met Structuurfondsen zijn gefinancierd;

28.   is van mening dat de door de EU gefinancierde projecten een solidair Europa laten zien dat dichtbij de burgers staat en benadrukt de noodzaak voor de regionale overheden en de lidstaten om de in de reeds uitgehaalde uitvoeringsverordening opgenomen maatregelen ter vergroting van de zichtbaarheid van de structurele bijdragen in acht te nemen, en zich communicatief meer in te spannen om de burger in kennis te stellen van de praktische resultaten van het cohesiebeleid;

29.   is van mening dat er, met het oog op de ontwikkeling van de verschillende scenario's inzake de toekomstige financiering van het cohesiebeleid van de EU, nieuwe studies moeten worden uitgevoerd; is van mening dat er een vergelijking van de effecten van de belangrijkste financieringsinstrumenten (Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, Europees Sociaal Fonds, eerste pijler van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid, Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling) op de ontwikkeling van de Europese Unie met 27 lidstaten dient te worden gemaakt;

30.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten, alsmede aan het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

(1) PB C 284 E van 21.11.2002, blz. 329.
(2) PB C 227 E van 21.9.2006, blz. 509.
(3) PB C 286 E van 23.11.2006, blz. 501.
(4) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 79.
(5) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
(6) PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 123.
(7) PB L 291 van 21.10.2006, blz. 11.
(8) PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 357.
(9) Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (PB L 371 van 27.12.2006, blz. 1).


Handelsgebonden hulpverlening van de Europese Unie
PDF 174kWORD 96k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 mei 2007 over de handelsgebonden hulpverlening van de Europese Unie (2006/2236(INI))
P6_TA(2007)0203A6-0088/2007

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 13 december 2001 over de bijeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie in Qatar(1), 3 september 2002 over handel en ontwikkeling in dienst van de uitroeiing van de armoede(2), 30 januari 2003 over de honger in de wereld en de opheffing van de belemmeringen voor de handel met de armste landen(3), 15 mei 2003 over capaciteitsopbouw in de ontwikkelingslanden(4), 4 september 2003 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over handel en ontwikkeling en de bijstand voor de ontwikkelingslanden om hun handel in hun voordeel te gebruiken(5), 25 september 2003 over de 5de ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Cancún(6), 24 februari 2005 over de beleidsvoering tegen honger en armoede(7), 12 mei 2005 tot beoordeling van de Doha-ronde in het licht van het besluit van 1 augustus 2004 van de algemene raad van de Wereldhandelsorganisatie(8), 6 juli 2005 over de wereldwijde oproep tot actie: laat armoede tot het verleden behoren(9), 1 december 2005 over de voorbereidselen voor de 6de ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Hongkong(10), 4 april 2006 tot beoordeling van de Doha-ronde tegen de achtergrond van de ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Hongkong(11), 1 juni 2006 over handel en armoede: uitwerking van vormen van handelsbeleid om het zo veel mogelijk te laten bijdragen in de strijd tegen de armoede(12), 6 juli 2006 over eerlijke handel en ontwikkeling(13) en 7 september 2006 over de opschorting van de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha(14),

–   gezien de mededelingen van de Europese Commissie : "Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken - de bijdrage van de Europese Unie" (COM(2005)0132); "Sneller vorderingen boeken om de ontwikkelingsdoelstellingen van het Millennium te bereiken - financiering met het oog op de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp (COM(2005)0133); "Samenhang in het ontwikkelingsbeleid - sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor de ontwikkelingshulp te bereiken" (COM(2005)0134); "Ontwikkelingsfinanciering en effectiviteit van de hulp - uitbreiding van de EU-hulp 2006-2010" (COM(2006)0085) en "EU-bijstand : meer, beter en sneller helpen" (COM(2006)0087),

–   gezien de gezamenlijke verklaring van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: de Europese consensus(15),

–   gezien de conclusies van 12 december 2005 en 16-17 oktober 2006 van de Raad algemene zaken en buitenlandse betrekkingen,

–   gezien de ministeriële verklaring van 14 november 2001 op de vierde zitting van de ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Doha(16),

–   gezien de ministeriële verklaring van 18 december 2005 op de zesde zitting van de ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Hongkong(17),

–   gezien de millenniumverklaring van 8 september 2000 van de Verenigde Naties(18), die de millenniumdoelstellingen voor de ontwikkeling bekend maakt, in de vorm van gezamenlijk vastgelegde doelstellingen van de internationale gemeenschap om de armoede uit te roeien,

–   gezien de verslagen 2005 en 2006 van de Verenigde Naties over de millenniumdoelstellingen voor de ontwikkeling,

–   gezien de verslagen van de werkgroepen van de Verenigde Naties voor het millenniumproject,

–   gezien het communiqué van 8 juli 2005 van de groep van acht (G8) in Gleneagles,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van zijn Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0088/2007),

A.   overwegende dat een evenwichtig en gereglementeerd multilateraal handelsbestel van levensbelang is voor de mogelijkheden van de ontwikkelingslanden om aan de internationale handel deel te nemen en deze in hun voordeel te gebruiken,

B.   overwegende dat het aandeel van de minst ontwikkelde landen in de wereldhandel de laatste 40 jaar van 1,9% tot minder dan 1% afgenomen is, ondanks de uitbreiding van bilaterale tol- en quotavrije toegangsregelingen voor hun producten in de laatste jaren (waarvan de grootste het initiatief "alles behalve wapens" van de Gemeenschap is),

C.   overwegende dat economische groei en integratie van de ontwikkelingslanden in de wereldeconomie één van de voornaamste voorwaarden is om de uitroeiing van de armoede als streefdoel te bereiken tegen de achtergrond van duurzame ontwikkeling en verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen,

D.   overwegende dat vrede en de gemeenschappelijke en universele waarden van eerbiediging en verdediging van de rechten van de mens, de fundamentele vrijheden, goed bestuur, democratisering en de rechtstaat van wezenlijk belang voor de ontwikkelingslanden zijn, zowel om de armoede te kunnen verminderen als de voordelen te verkrijgen die ruimere handelsmogelijkheden kunnen bieden,

E.   overwegende, zoals opgemerkt in de Europese consensus over het ontwikkelingsbeleid, dat de Gemeenschap door haar eigen ervaringen en uitsluitende bevoegdheid voor het handelsverkeer relatief in het voordeel is bij de hulpverlening aan partnerlanden om de handel in de nationale ontwikkelingstrategieën te integreren en regionale samenwerking te ondersteunen,

F.   overwegende dat de verklaring van de zesde ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Hongkong stelt dat handelsgebonden hulp bedoeld is om de ontwikkelingslanden, vooral de minst ontwikkelde landen, de capaciteit aan de aanbodzijde en de handelsgerichte infrastructuur te helpen opbouwen die ze nodig hebben om de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie te kunnen uitvoeren en er voordeel uit te halen, en in ruimere zin om hun handelsverkeer uit te breiden,

G.   overwegende dat globalisering een voortdurende en niet tegen te houden ontwikkeling is die mogelijkheden en uitdagingen in zich bergt, maar ook het gevaar van marginalisering van bepaalde landen, vooral de armste, en marginalisering van de kwetsbaarste groepen in de betreffende landen, vooral als er grote inkomensverschillen in en tussen de verschillende landen blijven bestaan en een toenemend aantal mensen in armoede leeft,

Argumenten voor handelsgebonden hulpverlening en de drie doelmatigheidsvoorwaarden: betere toegang tot de markten, gezonde binnenlandse beleidsvoering, en ruimere en doeltreffendere handelsgebonden hulpverlening

1.   benadrukt dat vrijmaking van het handelsverkeer één van de doeltreffendste prikkels voor economische groei is, en onmisbaar is om de armoede te verminderen en economische groei en werkgelegenheid in het voordeel van de armen te vorderen, en een belangrijke katalysator voor duurzame, wereldwijde ontwikkeling vormt;

2.   stelt wel met nadruk dat vrijmaking van de handel op zich geen voldoende voorwaarde is om het handelsverkeer in dienst van de ontwikkeling te regelen en de armoede te verminderen - een ingewikkeld en multidimensioneel probleem waarvoor geen eenvoudige oplossingen bestaan;

3.   onderstreept dat in veel ontwikkelingslanden het binnenlands beleid "behind the border" en gebrekkige economisch en investeringsomstandigheden een krachtige rem vormen op de mogelijkheden om de voordelen van de ruimere kansen in het handelsverkeer te benutten; merkt dan ook op dat economische groei en handel de armoede niet kunnen verminderen zonder de nodige aanvullende nationale beleidsmaatregelen, zoals herverdeling en sociaal beleid en daadwerkelijke verbetering van de mogelijkheden tot goed bestuur;

4.   meent dat zonder vooruitgang in de bestuurspraktijk alle andere hervormingen maar een beperkte weerslag kunnen hebben; benadrukt dat effectieve staten, meer bepaald die welke in staat zijn om de rechten van de mens te verdedigen en te beschermen en hun bevolking de nodige dienstverlening en een gunstig klimaat voor ondernemerschap en groei te bieden, de grondslag van de ontwikkeling vertegenwoordigen; meent dat verbeteringen in het bestuur, met inbegrip van democratie, weliswaar op de allereerste plaats onder de verantwoordelijkheid van het betreffende land vallen, maar dat handelsgebonden hulpverlening zowel gebruikt kan worden om goed bestuur te ondersteunen als om te voorkomen dat het ondermijnd wordt, door steun te verlenen voor brede nationale strategieën voor capaciteitsopbouw en ruimere participatie, en door versteviging van instellingen die de transparantie en verantwoordelijkheid verbeteren;

5.   meent dat verantwoordelijkheid wederkerig is en dat de principes van milieuvriendelijke en duurzame ontwikkeling, bescherming van sociale rechten en de rechten van de mens en goed bestuur evenzeer op de industrie- als op de ontwikkelingslanden van toepassing zijn en dan ook in alle onderdelen van de EU-benadering van de handelsgebonden hulpverlening geïntegreerd moeten worden;

6.   komt tot de slotsom dat, willen de ontwikkelingslanden de mogelijkheden van de handelsliberalisering volledig benutten, de toegang tot de markten, vooral in hun meest competitieve bedrijfstakken, moet worden aangevuld met zowel gezonde politieke hervormingen op binnenlands vlak als met een eerlijk internationaal handelsbestel, dat aanzienlijk ruimere en doeltreffendere handelsgebonden hulpverlening omvat;

7.   benadrukt dat handelsgebonden hulpverlening geen universeel wondermiddel vormt maar wel degelijk nodig is om zowel de potentiële voordelen uit de internationale handel te halen als mogelijke kosten daarvan te matigen; meent dat handelsgebonden hulpverlening pas als succesvol te beschouwen is als producenten en handelaars in de ontvangende landen er rechtstreeks economisch voordeel van ondervinden;

8.   wijst erop dat handel, samen met de productiecapaciteit meer in het algemeen, de laatste 10 tot 15 jaar in de hulpprogramma's enigszins is verontachtzaamd ten gunste van een nadruk op aanzienlijke inspanningen tot directe armoedebestrijding, die niet altijd het meest effectieve middel voor betekenisvolle armoedevermindering op langere termijn zijn; is daarom van oordeel dat initiatieven voor handelsgebonden hulpverlening een unieke kans bieden om de wederzijdse argwaan tussen handel en hulpverlening te overstijgen; acht het dan ook om het evenwicht te herstellen en duurzame lange termijn productiepatronen te vinden die de armoede kunnen helpen verminderen, absoluut noodzakelijk om speciale aandacht aan de integratie van handel en ontwikkelingstrategieën te besteden;

9.   erkent dat ontwikkeling niet alleen economische ontwikkeling betekent, maar ook ontwikkeling op terreinen als gezondheid, onderwijs, rechten van de mens, milieubescherming en politieke vrijheid, maar meent dat die waarden niet verzekerd kunnen worden zonder economische ontwikkeling, die de nodige middelen opbrengt;

10.   hoopt dat handelsgebonden hulpverlening voor de ontvangende ontwikkelingslanden de hefboom kan vormen die ze in staat stelt om een proces van economische "zuid-zuid" integratie op gang te brengen, dat totnogtoe ontbreekt;

11.   spoort de Europese Unie aan om alle verplichtingen na te komen die ze tijdens de Doha-ronde tegenover de minst ontwikkelde landen aangegaan is, door het ontwikkelingspakket zo spoedig mogelijk ten uitvoer te leggen en haar exportsubsidies vóór 2013 op te heffen; onderstreept dat de Europese Unie de andere lidstaten van de Wereldhandelsorganisatie er toe moet aanzetten om ook hun verplichtingen tegenover de minst ontwikkelde landen na te komen;

Gezamenlijke Europese strategie 2007 voor handelsgebonden hulpverlening

12.   verheugt zich over de consensus die zich in de conclusies van 16 en 17 oktober 2006 van de Raad algemene zaken en externe betrekkingen aftekent, en die het krachtig ondersteunt, dat er omvangrijker en doelmatiger handelsgebonden hulpverlening nodig is om alle ontwikkelingslanden, vooral de minst ontwikkelende landen, de mogelijkheid te geven om zich beter in het multilateraal en gereglementeerd handelsbestel te integreren en doelmatiger gebruik van het handelsverkeer te maken in hun streven naar de overkoepelende doelstelling van uitroeiing van de armoede in het kader van duurzame ontwikkeling;

13.   acht het van het grootste belang dat het zelf, naar het voorbeeld van de Europese consensus inzake ontwikkeling, zo veel mogelijk bij de opstelling en goedkeuring van de gezamenlijke Europese strategie 2007 voor handelsgebonden hulpverlening betrokken wordt;

14.   stelt dat de gezamenlijke Europese strategie 2007, ten eerste, de algemene beginselen voor de handelsgebonden hulpverlening van de Europese Unie moet vastleggen, ten tweede, een arbeidsprogramma met specifieke aanbevelingen moet opstellen, die de Europese Unie te verwezenlijken heeft, en uiteindelijk de doelstelling van 2 miljard EUR voor handelsgebonden bijstand tegen 2010 moet verbeteren en doelmatiger handelsgebonden hulp moet verlenen, ten derde, de uitvoeringsbepalingen voor coördinatie en daadwerkelijke verwezenlijking van de handelsgebonden hulpverlening op de verschillende niveaus in overeenstemming met de aanbevelingen van de werkgroep van de Wereldhandelsorganisatie moet uitwerken, en ten laatste, werkwijzen voor betere doorzichtigheid, begeleiding en toezicht moet vastleggen;

Omvang en afbakening van handelsgebonden hulpverlening

15.   stelt vast dat één van de meest omstreden aspecten van de handelsgebonden hulpverlening juist haar afbakening is, aangezien de term voor een bijzonder brede waaier aan handelsgebonden steunmaatregelen voor de ontwikkelingslanden gebruikt wordt;

16.   herinnert eraan dat handelsgebonden hulpverlening zoals omschreven door de commissie ontwikkelingshulp (DAC) van de OESO en vastgelegd in de gegevensbank van de commissie ontwikkelingshulp/ontwikkelingsagenda van Doha (DDA) van de Wereldhandelsorganisatie, traditioneel in twee grote categorieën uiteenvalt : handelsbeleid en -reglementering, en ontwikkeling van het handelsverkeer, waarbij onder de laatste categorie ook verstaan wordt steunverlening door de privé-sector, en in mindere mate belemmeringen aan de aanbodzijde alsook enige aanpassingsteun;

17.   merkt nadrukkelijk op dat de werkgroep handelsgebonden hulpverlening van de Wereldhandelsorganisatie (WTO AfT TF) de twee bestaande categorieën met drie verdere aangevuld heeft : handelsgebonden aanpassingen, handelsgebonden infrastructuur en productiecapaciteit;

18.   stelt vast dat de drie nieuwe categorieën in de handelsgebonden hulpverlening gedeeltelijk met de bestaande twee samenvallen en daardoor het gevaar lopen dat ze niet van de algemene ontwikkelingsamenwerking te onderscheiden zijn, zodat ze niet onder de bestaande kwantitatieve doelstellingen van de Europese Commissie of toezeggingen van de lidstaten kunnen vallen zolang er geen internationale overeenstemming over hun definitie is, omdat voor het "ruimere" terrein van de handelsgebonden hulpverlening het gevaar van onduidelijke rapportering en dubbele tellingen dreigt ;

19.   denkt wel dat de drie bijkomende categorieën zoals voorgesteld in de ruime en breed opgezette definitie van de werkgroep handelsgebonden hulpverlening van de Wereldhandelsorganisatie in die zin waardevol zijn dat ze de omvangrijke handelsgebonden behoeften van de ontwikkelingslanden weergeven en daarom in ontwikkelings- en armoedebestrijdingstrategieën voor de afzonderlijke landen te gebruiken zijn, teneinde ervoor te zorgen dat alle handelsgebonden prioriteiten van enige betekenis erin opgenomen worden; meent dat nu de beslissende uitdaging - en gelegenheid - erin bestaat om een samenhangende reeks hulpmiddelen te ontwerpen die er samen op gericht zijn om bijstand te kanaliseren, die ontwikkelingslanden helpt om zich met voordeliger handelsactiviteiten bezig te houden en daarmee de economische groei en armoedevermindering te bevorderen en de ontwikkeling aan te drijven;

20.   beveelt complete procedures op landenniveau met ondersteuning van de juiste institutionele structuren aan, die binnenlandse instanties, de bevoegde ministeries, zoals de ministeries van Handel (die traditioneel maar een beperkte invloed op de binnenlandse beleidsvorming gehad hebben), parlementsleden, vakbonden, NGO's, de donorinstanties; en de privé sector verenigen, als vertrekpunt voor de inventarisering van de echte behoeften en prioriteiten in de handelsgebonden hulpverlening, uitwisseling van informatie en politieke dialoog;

21.   merkt op dat de initiatieven voor handelsgebonden hulpverlening meer aandacht aan de cruciale deelname van de privé sector moeten besteden, vooral de KMO's, vakbonden en het maatschappelijk middenveld, zowel bij de inventarisering van de behoeften als de daadwerkelijke hulpverlening, zodat de handelsgebonden hulpverlening beter voor de oprichting en uitbouw van ondernemingen en het werkelijk creëren van goede banen kan zorgen die tegen de concurrentie op de internationale markten opgewassen zijn en ze weten te bereiken; wijst er verder op dat handelsgebonden hulpverlening voor een deel ook op eerlijke handel gericht moet zijn, in overeenstemming met paragraaf 19 van zijn resolutie over eerlijke handel en ontwikkeling;

Verder dan de reikwijdte, binnen de doelstelling: betekenis van de ruimere agenda voor handelsgebonden hulpverlening

22.   benadrukt dat de Europese Unie, ongeacht de juiste definitie van de handelsgebonden hulpverlening, op betekenisvolle wijze haar medewerking aan de ruimere agenda voor handelsgebonden hulp moet verlenen;

Handelsgebonden aanpassingen

23.   stelt vast dat handelsgebonden aanpassingen in de verklaring van de ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Hongkong weliswaar niet uitdrukkelijk genoemd worden, maar als belangrijk onderdeel van de ruimere agenda voor handelsgebonden hulpverlening te beschouwen zijn; herinnert er daarbij aan dat de speciale werkgroep handel voor het millenniumproject van de Verenigde Naties een tijdelijk fonds voor handelsgebonden hulpverlening voorstelt, terwijl de Europese commissaris voor de handel zelf (op 4 februari 2005) de oprichting van een speciaal aanpassingsfonds voor de handel voorgesteld heeft, om "de armen te helpen om doeltreffender handel te drijven en de sociale kosten van de aanpassing op te vangen";

24.   stelt vast dat aanpassingen in het belang van de handel een breed spectrum omvatten en hoofdzakelijk omvatten: ten eerste, de kosten van de afbouw van preferenties, vooral van belang voor landen die afhankelijk zijn van de uitvoer van textielwaren en landbouwproducten; ten tweede, het verlies van inkomsten uit douanerechten, en ten derde, kosten als gevolg van stijgende voedselprijzen, die waarschijnlijk de landen zullen treffen die netto invoerders van levensmiddelen zijn en waar voornamelijk de armste bevolkingslagen van te lijden zullen hebben;

25.   benadrukt dat de bijkomende kosten om aan de kwaliteitsnormen voor producten te kunnen voldoen, o.a. met sanitaire en fytosanitaire maatregelen, en de kosten om de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie uit te voeren, zoals de handelsgebonden investeringsmaatregelen (Trim), handelsgebonden aspecten van intellectuele eigendomsrechten (Trip) en de algemene overeenkomst over de handel in diensten (Gats), die telkens goed doordachte veranderingen in de beleidsvoering en wetgeving vergen, dikwijls als aanpassingskosten beschouwd worden, maar ook in de categorie "handelsbeleid en -reglementering" van de handelsgebonden hulpverlening vallen; stelt vast dat kosten die met productiefactoren samenhangen, zoals die om korte perioden van werkloosheid te overbruggen en een nieuw beroep te leren, door sommige deskundigen ook bij de handelsgebonden aanpassingskosten gerekend worden;

26.   wijst erop dat ondersteuning van de betalingsbalans een algemeen hulpmiddel in het ontwikkelingsbeleid is dat ook kan en moet gebruikt worden om de aanpassingskosten te bestrijden;

27.   benadrukt het bijzondere belang van de aanpassingskosten in de Europese partnerschapsovereenkomsten (EPO);

28.   onderkent de toenemende bezorgdheid in de ACS-landen over de leveringsmethoden en effectiviteit en kwaliteit van de door de EG verstrekte handelsgerelateerde steun voor economische aanpassingsprogramma's;

29.   benadrukt dat handelsgebonden aanpassingen niet als eenvoudige compensatie te begrijpen zijn die betaald moet worden voor de afbouw van preferenties of de ruimere gevolgen van de liberalisering, maar als een methode om de moeilijke overgang naar een sterker geliberaliseerde omgeving te vergemakkelijken;

30.   denkt dat aanpassingsbijstand in antwoord op abrupte veranderingen in het handelspatroon onontbeerlijk is om een vrijer handelsverkeer gemakkelijker te laten aanvaarden, want bij ontstentenis van aanpassingsbijstand en sociale opvangnetten zal de liberalisering van de handel weerstand oproepen of ongedaan gemaakt worden; meent dat de mogelijkheden van de Europese Unie om handelsgebonden hulpverlening te bekostigen en uit te voeren in dat opzicht een veel diepgaander inzicht in de aanpassingsprocessen vergen die de werknemers, verbruikers, ondernemingen en overheden in de ontwikkelingslanden door de liberalisering van de handel ondergaan;

31.   wijst erop dat het handelsintegratiemechanisme van het Internationaal Muntfonds (IMF), dat in 2004 ontworpen is om landen die moeilijkheden in de betalingsbalans ondervinden, de gevolgen van de handelsliberalisering te helpen dragen, aan de gebruikelijke beleidsvoorschriften en leningsvoorwaarden van het IMF onderworpen is en daarom wellicht niet in aanmerking komt voor landen die al een zware schuldenlast torsen en/of geen IMF-programma wensen; stelt met bezorgdheid vast dat het hier om het enig mechanisme voor specifiek handelsgebonden aanpassing gaat dat op multilateraal niveau beschikbaar is en dat er op dit ogenblik nog maar 3 landen gebruik van gemaakt hebben, namelijk Bangladesh, de Dominicaanse Republiek en Madagaskar;

32.   beveelt de Europese Commissie en de lidstaten aan om, bij gebrek aan nieuwe multilaterale werkwijzen om handelsgebonden aanpassingskosten te bestrijden, ten eerste, de draagwijdte, uitwerking en doelmatigheid van de huidige hulpverlening na te gaan, met bijzondere aandacht voor kwantitatieve evaluatie - zowel beschrijvend als analytisch - van de weerslag van de hulpverlening; beveelt de Europese Commissie aan om geschikte methoden aan te wenden om na te gaan op welke manier individuele projecten bevorderlijk geweest zijn voor de handel en economische ontwikkeling, om handelsgebonden aanpassingen te kunnen ondersteunen, en daarnaast binnen de grenzen van de gezamenlijke Europese strategie 2007 voor handelsgebonden hulp gerichte aanbevelingen uit te werken; ten tweede, zich in te zetten voor een nieuw handelsintegratiemechanisme van de internationale financiële instellingen (IFI), dat zowel naar middelen als doelstellingen ruimer opgevat is en waar ruimer gebruik van gemaakt kan worden, en ten derde, wat de lidstaten betreft, in hun eigen nationale en regionale programma's concrete initiatieven uit te werken om de aanpassingskosten te bestrijden, vooral kosten die, zoals de afbouw van preferenties, op de eerste plaats tussen de begunstigden en verleners van preferenties geregeld moeten worden, en kosten die met het handelsintegratiemechanisme van het Internationaal Muntfonds niet goed of volledig te bestrijden zijn;

33.   vraagt de Europese Commissie om de begrotingslijnen die voor financiering van hulpverlening bij handelsgebonden aanpassingen in aanmerking komen, duidelijker te omschrijven en zich in dat perspectief een oordeel te vormen over mogelijke tekortkomingen in de huidige structuur van de EU-begroting;

34.   wijst nadrukkelijk op het belang van hulpverlening voor de uitbouw van infrastructuur als belangrijke factor voor de consolidatie van nationale en regionale markten en om exportgeleide groei te stimuleren;

Infrastructuur

35.   vraagt de Europese Commissie, de lidstaten en de Europese Investeringsbank om een duidelijk overzicht van de lopende hulpverlening en geplande initiatieven met een duidelijk onderdeel handelsinfrastructuur op te stellen ; vraagt daarbij grootschaliger optreden van de kant van de Europese Investeringsbank aan de hand van een meerjarenplan om infrastructuur als wegverbindingen, het spoorwegnet, informatie- en communicatietechnologie, lucht- en zeehavens te financieren;

36.   dringt bij de Europese Commissie op gerichte voorstellen aan om de aanbevelingen van de werkgroep handelsgebonden hulpverlening van de Wereldhandelsorganisatie te concretiseren in aangelegenheden die misschien buiten het bereik van enger omschreven handelsgebonden hulpverlening van de Europese Unie vallen, meer in het bijzonder opbouw van productiecapaciteit, handelsgebonden infrastructuur en de uitdagingen naar aanleiding van de aanpassingen die de liberalisering van het handelsverkeer vergt;

Andere aanverwante kwesties
Regionale integratie en zuid-zuid-handel

37.   denkt dat regionale handelsovereenkomsten (RTA) tussen ontwikkelingslanden en/of industrie- en ontwikkelingslanden een doelmatig middel vormen om de deelname van de ontwikkelingslanden in de wereldeconomie te bewerkstelligen;

38.   ziet de aanzienlijke toegevoegde waarde van zuid-zuid-initiatieven in, die aan de hand van gedeelde ervaringen verspreiding geven aan de beste beleidspraktijken om het handelsverkeer te bevorderen, en verwacht dat de gezamenlijke Europese strategie 2007 voor handelsgebonden hulpverlening gerichte maatregelen voorstelt om dergelijke initiatieven te ondersteunen;

39.   benadrukt dat regionale en zuid-zuid-integratie krachtige hulpmiddelen kunnen vormen om de handel als hefboom voor ontwikkeling te gebruiken, aangezien ze voor grotere efficiëntie en competitiviteit kunnen zorgen, schaalvoordelen kunnen bieden, een aantrekkelijke omgeving voor directe buitenlandse investeringen tot stand kunnen brengen, meer onderhandelingsmacht kunnen geven en vrede en veiligheid kunnen helpen verstevigen;

40.   stelt vast dat regionale of grensoverschrijdende behoeften aan handelsgebonden hulpverlening in de programmeringspraktijk, die op afzonderlijke landen gericht is, dikwijls te weinig in aanmerking genomen worden; vraagt van de Europese Commissie, de lidstaten en de internationale financiële instellingen dan ook doelgerichte aanbevelingen om de bestaande werkwijzen te verbeteren en daarmee tegemoet te komen aan de regionale en grensoverschrijdende behoeften aan handelsgebonden hulpverlening, o.a. ook hulpverlening die specifiek voor regionale integratie bestemd is;

Landbouw

41.   stelt vast dat landbouw in de meeste ontwikkelingslanden de voornaamste bron van inkomsten en werkgelegenheid blijft en benadrukt dan ook de functie van handelsgebonden hulpverlening om de ontwikkelingslanden de uitdagingen tegemoet te helpen treden die hun landbouwsector onder ogen moet zien, vooral voor producten als suiker, katoen en bananen;

Diensten

42.   denkt dat de Europese Unie haar handelsgebonden hulp tot nog toe betrekkelijk weinig op de dienstensector gericht heeft, wat niet in overeenstemming met het belang van de diensten in de wereldhandel is; benadrukt daarom dat doelgerichte sturing van openbare ontwikkelingshulp (ODA) en de middelen voor handelsgebonden hulpverlening in de richting van de dienstensector van essentieel belang is om de mogelijkheden van de ontwikkelingslanden uit te bouwen om hun dienstensector te beheren en te reglementeren, diensten uit te voeren, en aan de reglementeringen en andere voorwaarden van de OESO-landen op het vlak van dienstverlening te voldoen; benadrukt ook dat de ontwikkelingslanden van financieringsmiddelen en juridische en technische deskundigheid voorzien moeten worden om ze in staat te stellen om op internationaal vlak voor hun economische belangen op te komen;

Arbeids- en milieunormen

43.   benadrukt dat speciale bijstand voor de invoering van een wetgeving die voor daadwerkelijke inachtneming van de essentiële arbeidsnormen volgens de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie zorgt, en ook een degelijke en doeltreffende milieuwetgeving, een noodzakelijk onderdeel van de agenda voor handelsgebonden hulpverlening vormt;

Eerlijke handel

44.   wenst speciale aandacht voor initiatieven die er zich het best toe lenen om de armoede te verminderen en voor duurzame ontwikkeling te zorgen, o.a. projecten voor eerlijke handel en initiatieven om de deelname van de vrouw in het arbeidsleven te stimuleren;

45.   benadrukt dat de handelsgebonden hulpverlening bij de uitbouw van productiecapaciteit ook pogingen moet ondersteunen om kleine en achtergestelde producenten aan het handelsverkeer te laten deelnemen, producentenverenigingen en hun representatieve structuren op te richten, de toegang tot handelskrediet te verbeteren, en rechtstreeks contact tussen producent en verbruiker te leggen, omdat deze in de bestaande initiatieven voor eerlijke handel de beste praktijk vertegenwoordigt;

46.   denkt dat de totstandbrenging van handelscapaciteit die binnen het bereik van de handelsgebonden hulpverlening valt, vergezeld moet gaan van doelmatiger pogingen om voor degelijke vergoeding van de producenten te zorgen; herinnert daarbij aan het belang van inspraak van de producenten bij de prijsbepaling, zoals beoogd in het repertorium bij de overeenkomst van Cotonou;

Beginselen van de handelsgebonden hulpverlening van de Europese Unie

47.   beklemtoont dat de gezamenlijke Europese strategie 2007 voor handelsgebonden hulpverlening de volgende algemene princiepen moet vastleggen:

   Ratio en geografisch bereik
   a) handelsgebonden hulpverlening is geen wondermiddel voor ontwikkeling maar wel een noodzakelijke aanvulling op liberalisering van het handelsverkeer en binnenlands-politieke hervormingen die de ontwikkelingslanden zelf doorvoeren, en op de nodige soepelheid van de kant van de Wereldhandelsorganisatie;
   b) succesvolle handelsgebonden hulpverlening vergt doelmatige integratie van de handels- en ontwikkelingstrategie;
   c) de handelsgebonden hulpverlening moet voorrang geven aan de armste en kwetsbaarste ontwikkelingslanden;
   Ontwikkelingsagenda van Doha
   d) handelsgebonden hulpverlening vervangt niet de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha en de voordelen van betere toegang tot de markten voor de ontwikkeling, maar het is er een waardevolle en noodzakelijke aanvulling op, die de ontwikkelingsdimensie van de agenda van Doha moet helpen onderlijnen door de ontwikkelingslanden, vooral de armste, bijstand te verlenen om de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie uit te voeren en er voordeel uit te halen, en, in ruimer perspectief, door ze hun handelsverkeer te helpen uitbreiden; handelsgebonden hulpverlening is geen onderdeel van de eenmalige procedure voor de ontwikkelingsagenda van Doha maar een noodzaak op zich, die losstaat van de vooruitgang in de Doha-ronde;
   e) er moet met spoed ruimere en doelmatiger handelsgebonden hulp verleend worden, ongeacht de afsluiting van de Doha-ronde;
   f) handelsgebonden hulpverlening kan niet van enig onderhandelingsresultaat afhankelijk gemaakt of als compensatie voor ontzegging van toegang tot de markt gebruikt worden;
   Toezeggingen voor meer handelsgebonden hulpverlening en haar uitvoering
   g) de toename van de handelsgebonden hulp moet in verhouding tot de omvang van de zichtbare uitdagingen staan, planmatig en stabiel zijn en een aanvulling op de bestaande ontwikkelingshulp vormen - maar deze niet vervangen;
   h) sterkere samenhang met de verschillende onderdelen van het buitenlands beleid, vooral handels- en ontwikkelingsbeleid, en grotere wederzijdse complementariteit en betere afstemming, stroomlijning en coördinatie van de procedures, zowel tussen de Europese Unie en haar lidstaten als in de betrekkingen met en tussen andere geldschieters zijn van wezenlijk belang om de degelijkheid en doelmatigheid van de handelsgebonden hulpverlening te verzekeren;
   i) de hulpaanspraken van een land zijn essentieel: handelsgebonden hulp moet zich naar de begunstigde partij richten en integraal deel van de eigen economische en ontwikkelingstrategieën van de ontwikkelingslanden uitmaken en aan de behoeften van de privé-sector en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van de beweging voor eerlijke handel, beantwoorden;
   j) handelsgebonden hulp moet aan de hand van een gedifferentieerde benadering verleend worden, die van specifieke ontwikkelingsachtergronden en -behoeften uitgaat, zodat de begunstigde landen of streken, en vooral hun privé sector en maatschappelijk middenveld, doelgerichte, op maat gesneden bijstand krijgen die van hun eigen behoeften, strategieën, prioriteiten en waardevolle mogelijkheden uitgaat;
   k) gezien het regelmatig terugkerend probleem dat eigen behoeftebepaling door de ontwikkelingslanden ontbreekt, in een aantal gevallen door gebrek aan eigen mogelijkheden, moet de handelsgebonden hulpverlening de ontwikkelingslanden helpen om hun handelsbeleid zelf in handen te nemen, te ontwerpen en uit te voeren, als integraal deel van hun eigen economische en ontwikkelingstrategie; handelsgebonden hulpverlening moet ook zodanig ontworpen worden dat ze zich op de specifieke uitdagingen voor de ontwikkeling richt, op aanwijzing van de begunstigde partijen, en van nabij op de eigen prioriteiten, werkwijzen en structuren van het land in kwestie afgestemd zijn;
   l) een centraal gegeven in handelsgebonden hulpverlening en voor de doeltreffendheid van de hulp is dat de financiering tijdig en planmatig ter beschikking gesteld wordt; volgens de beginselen van de verklaring van Parijs moeten de ontvangende landen op wezenlijke en planmatige hulpverlening over meerdere jaren kunnen rekenen; handelsgebonden hulpverlening moet dan ook op tijd ter beschikking staan om de prioriteiten op zowel korte als lange termijn te kunnen behandelen, en idealiter op de eigen programmeringscyclus van het ontvangende land of gebied afgestemd zijn;

Uitbreiding van handelsgebonden hulpverlening

48.   herinnert eraan dat de Europese Unie en haar lidstaten op de ministerconferentie van Hongkong samen plechtig beloofd hebben om hun gezamenlijke handelsgebonden hulp tot 2 miljard euro op te trekken; merkt op dat de plechtige belofte aan de hand van de traditionele categorieën in de handelsgebonden hulpverlening van de Europese Unie te beoordelen is - namelijk handelsbeleid en -reglementering, en uitbreiding van de handel, zoals omschreven door de commissie ontwikkelingshulp van de OESO en opgeslagen in de gegevensbank van de commissie ontwikkelingshulp/ontwikkelingsagenda van Doha van de Wereldhandelsorganisatie;

49.   erkent echter dat aangezien de plechtige belofte slechts betrekking heeft op handelsgebonden steun, het gevaar bestaat dat de beschikbare financiering in de richting van deze beperktere soort handelsgebonden hulpverlening wordt geduwd teneinde deze doelstelling te bereiken, en dat dit eraan in de weg kan staan dat handelsgebonden hulpverlening werkelijk aansluit op de behoeften, waarbij landen of regio's prioriteit verlenen aan handelsgebonden infrastructuur en aanpassingen; verzoekt de Commissie in de gezamenlijke strategie aandacht aan dit punt te besteden;

50.   herinnert eraan dat de Europese Unie toegezegd heeft om haar openbare ontwikkelingshulp tegen 2010 tot in totaal 0,56% van het BBP op te trekken - wat overeenstemt met 20 miljard EUR aan bijkomende hulpverlening - en stelt dan ook vast dat de bijkomende middelen voor handelsgebonden hulpverlening binnen de grenzen van die verhoging ruim beschikbaar moeten zijn, en niet ten koste van andere prioriteiten in het ontwikkelingsbeleid;

51.   onderstreept dat het pakket handelsgerelateerde steun een aanvulling op de gewone ontwikkelingssteun moet zijn en dat nieuwe toezeggingen voor handelsgerelateerde steun daarom niet mogen leiden tot een herschikking van middelen die voor andere ontwikkelingsinitiatieven bestemd waren, zoals gezondheids- en onderwijsprojecten, die enorm belangrijk zijn om een sterke economie op te bouwen;

52.   dringt er bij de Europese Unie en de lidstaten op aan om volledig en zo spoedig mogelijk aan hun verplichtingen voor handelsgebonden hulpverlening te voldoen, in overeenstemming met de algemene beginselen zoals vastgelegd in deze resolutie;

53.   vraagt de Europese Commissie om in een specifiek werkprogramma uit te leggen hoe ze haar belofte denkt te vervullen om de lopende en geplande financiering door de Gemeenschap uit te breiden en de handelsgebonden hulpverlening van het huidig gemiddelde van ongeveer 850 miljoen EUR per jaar tot 1 miljard EUR per jaar op te trekken; wijst er ook op dat het aanvullend karakter van handelsgebonden hulpverlening ten opzichte van de hand van een overeengekomen minimum moet blijken, bijvoorbeeld het gemiddelde over de jaren 2002 tot 2004;

54.   benadrukt dat de beloften voor 1 miljard euro van zowel de Europese Commissie als de lidstaten uitgevoerd moeten worden zonder hulp die vroeger als infrastructuurhulp gegeven is voortaan als handelsgebonden te omschrijven, of dubbele telling van hun bilaterale hulpverlening en bijdragen tot de buitenlandse hulpverlening van de Europese Unie door de lidstaten;

55.   vraagt alle grotere internationale geldverschaffers om de juiste aard en reikwijdte van hun toezeggingen nader toe te lichten;

56.   vraagt de Europese Commissie om in detail uit te leggen welke gerichte maatregelen er nodig zijn om te zorgen dat de integratie van de handel in de programmeringsdialoog met de begunstigde landen en gebieden ertoe leidt dat de beloofde uitbreiding van de hulpverlening daadwerkelijk plaatsheeft;

57.   erkent dat de Europese Commissie voor budgettaire problemen staat als ze middelen voor multilaterale doelstellingen toewijst; vraagt haar om de behoeften aan initiatieven voor horizontale handelsgebonden hulpverlening duidelijk vast te leggen, met inbegrip van bilaterale, regionale en multilaterale initiatieven zoals het geïntegreerd ontwikkelingsbeleid (IF: "integrated framework"); wijst er daarbij met nadruk op dat het zelf een nieuwe begrotingslijn voorstelt, die al in de begroting 2007 van de Europese Unie te vinden is, om multilaterale programma's en initiatieven voor handelsgebonden hulpverlening te financieren die de geografische programma's van de Gemeenschap een toegevoegde waarde verlenen; benadrukt dat de nieuwe begrotingslijn haar ruimer toezicht op de uitgaven voor multilaterale programma's en initiatieven voor handelsgebonden hulpverlening geeft, zodat dat soort uitgaven zichtbaarder en doorzichtiger worden; vraagt de Commissie om zo spoedig mogelijk een evaluatie van de beschikbare middelen voor horizontale handelsgebonden hulpverleningsinitiatieven op te stellen, met inbegrip van het geïntegreerd ontwikkelingsbeleid ("integrated framework");

Economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's)

58.   denkt dat degelijke bijstand voor aanpassingen volgens de economische partnerschapsovereenkomsten en begeleidende maatregelen, voor de ACS-landen en -gebieden bepalend is om de potentiële voordelen van toezeggingen en hervormingen volgens de economische partnerschapsovereenkomsten te verwerven; denkt bovendien dat handelsgebonden hulpverlening voor de ACS-landen een noodzakelijk aanvullend element is als ze alle voordelen en mogelijkheden van het internationaal handelsbestel willen benutten;

59.   verheugt zich over de toezegging dat een belangrijk aandeel van de belofte van de Europese Unie en de lidstaten om hun handelsgebonden hulpverlening tegen 2010 tot 2 miljard EUR te verhogen, de ACS-landen toegewezen wordt, maar stelt met bezorgdheid vast dat enkel de collectieve bijdrage van de lidstaten bestemd is om de middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds aan te vullen; betreurt dat de operationele aspecten van de ontwikkelingshulp in de economische partnerschapsovereenkomsten, en daarmee ook de gevolgen van het besluit op de onderhandelingen onduidelijk blijven en dringt er bij de Raad en de Europese Commissie op aan om de omvang en budgettaire weerslag van de bijdrage van de lidstaten zo spoedig mogelijk te verduidelijken, en in ieder geval geruime tijd voordat de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten afgesloten worden, vooral voor aangelegenheden als de omvang en bestemming van de beschikbare hulp, de werkwijzen voor haar beschikbaarstelling, de verbindingen en het samenspel met het 10de Europees Ontwikkelingsfonds, en de koppeling van handelsgebonden hulpverlening aan de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten en hun uitvoering;

60.   pleit voor een kritische doorlichting van de bestaande programma's voor handelsgerelateerde steun van de lidstaten voor zover ze betrekking hebben op aanpassingen volgens de economische partnerschapsovereenkomsten, om de meest efficiënte werkwijzen te vinden om bij het doorvoeren van de aanpassingen volgens de economische partnerschapsovereenkomsten effectieve steun te bieden ;

61.   onderstreept dat het dringend noodzakelijk is om de uitdagingen van een efficiënte handelsgerelateerde steunverlening tegemoet te treden in de ACS-landen die al preferentiële handelsbetrekkingen met de Europese Unie onderhouden (bv. Botswana, Lesotho, Namibië en Swaziland, die met de afbouw van douanerechten in de handel met de Europese Unie halverwege zijn);

Geïntegreerd ontwikkelingsbeleid

62.   verheugt zich over de aanbevelingen van de werkgroep geïntegreerd ontwikkelingsbeleid (IF) en dringt er bij de donorinstanties, vooral de Europese Unie, op aan - gezien de toezegging van de ministerconferentie van 2005 van de Wereldhandelsorganisatie om het ruimer geïntegreerd ontwikkelingsbeleid ("enhanced integrated framework") tegen 31 december 2006 operationeel te maken - om hun beloften duidelijker te omschrijven zodat het ruimer geïntegreerd ontwikkelingsbeleid onmiddellijk, degelijk en planmatig gefinancierd en zo spoedig mogelijk uitgevoerd kan worden;

63.   herinnert eraan dat een ruimer geïntegreerd ontwikkelingsbeleid hét centrale werktuig moet worden om de armste landen hun behoeften in de handel te helpen omschrijven aan de hand van de diagnostische studies over de handelsintegratie, en ook een wezenlijk hulpmiddel moet worden om deze te helpen de handel in alle onderdelen van hun nationale ontwikkelingsplannen te integreren en hun mogelijkheden uit te breiden om het handelsbeleid uit te stippelen, in onderhandelingen te bespreken en uit te voeren;

64.   stelt vast dat de indicatieve kostenberekening van 400 miljoen USD voor het ruimer geïntegreerd ontwikkelingsbeleid, gebaseerd op de deelname van 40 van de armste landen over een periode van vijf jaar, op een gemiddelde van 1 à 2 miljoen per land en per jaar uitkomt, hetgeen een verbetering betekent als de hulp daadwerkelijk verleend wordt, maar bij lange na geen wezenlijk antwoord op de bestaande uitdagingen is;

65.   pleit voor betere coördinatie en samenhang tussen de verschillende steunverleners, die de bewezen competentie van de betrokken instanties aantoont om effectieve steun van goede kwaliteit te leveren in verschillende gebieden die in aanmerking komen voor handelsgerelateerde steun, en ook voor grotere transparantie in de steun die als zodanig verleend wordt ; dringt er daarom op aan dat het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector in het geïntegreerd ontwikkelingsbeleid volwaardig vertegenwoordigd zijn ;

66.   wijst op het ambitieuze werkprogramma van de "ad hoc raadgevende groep voor handelsgebonden hulpverlening" waaraan door meerdere agentschappen wordt deelgenomen; betreurt echter het gebrek aan betrokkenheid van de particuliere sector, de civil society en vertegenwoordigers van de ontwikkelingslanden bij dit proces;

67.   benadrukt dat doorzichtigheid in de hulpverlening en daadwerkelijk toezicht en evaluatie van het grootste belang zijn om het vertrouwen van de ontwikkelingslanden te versterken en de kwaliteit van de hulp doorlopend te verbeteren;

68.   vraagt de Europese Commissie om getalsmatige criteria op te stellen om de doelmatigheid van de handelsgebonden hulpverlening te meten;

69.   neemt kennis van het besluit van de Raad algemene zaken en externe betrekkingen, dat handelsgebonden hulpverlening bij de economische partnerschapsovereenkomsten enkel bedoeld is voor het handelsbeleid, handelsreglementeringen en uitbreiding van het handelsverkeer; dringt er bij de Raad en de Europese Commissie op aan om duidelijk te maken hoe andere behoeften die door de economische partnerschapsovereenkomsten ontstaan, zoals handelsgerichte infrastructuur, opbouw van productiecapaciteit en handelsgebonden aanpassingen, behandeld moeten worden; meent dat de Raad en de Europese Commissie verder moeten nadenken over de beste werkwijzen om verschillende soorten steun voor de economische partnerschapsovereenkomsten te verlenen;

70.   constateert dat vrouwen minder voordeel uit de mogelijkheden halen die de liberalisering van de handel en de globalisering bieden en tegelijkertijd harder door de nadelen van die ontwikkelingen getroffen worden ; dringt er dan ook op aan dat de Europese Unie in haar handelsgerelateerde steunprogramma's bijzondere aandacht besteedt aan betere kansen voor vrouwen om aan de handel deel te nemen, en vooral de internationale handel;

Toezicht, evaluatie, herziening, en functie van het Europees Parlement bij kritische begeleiding en toezicht

71.   meent dat de commissie ontwikkelingshulp van de OESO toezicht op de algemene agenda voor handelsgebonden hulpverlening moet houden, om voor zo groot mogelijke transparantie in de bestemming en gebruikmaking van de hulp te zorgen, maar onderschrijft de aanbeveling van de werkgroep van de Wereldhandelsorganisatie om de handelsgebonden hulp als onderdeel in de handelspolitieke rapporten van de donorinstanties en/of begunstigde partijen voor de Wereldhandelsorganisatie op te nemen;

72.   herhaalt dat de Europese Commissie de vooruitgang in de handelsgebonden hulpverlening moet nagaan en het Europees Parlement en de Raad om de twee jaar een verslag over uitvoering en tastbare resultaten en - voor zover mogelijk - voornaamste uitwerkingen en weerslag van de handelsgebonden hulp moet voorleggen (vanaf 2008);

73.   vraagt uitdrukkelijk dat het tweejaarlijks verslag specifieke informatie over de uitvoering en het verloop van de gefinancierde maatregelen bevat, zo mogelijk met beschrijving van de resultaten van toezicht en evaluatie, deelname van eventuele partners en de uitvoering van de toezeggingen en budgettaire vastleggingen en betalingen, uitgesplitst per land, per gebied en per categorie in de hulpverlening; wenst dat het verslag ook de vorderingen bij de integratie van de handel in alle onderdelen van de programmering van de hulpverlening evalueert, en het resultaat van de hulpverlening, voor zover mogelijk met gebruikmaking van duidelijke en meetbare indicatoren die het aandeel in de verwezenlijking van de doelstellingen van de handelsgebonden hulpverlening aangeven;

74.   benadrukt dat de Europese Commissie het Europees Parlement en de Raad uiterlijk tegen 31 december 2010 een tweede evaluatieverslag over de uitvoering en resultaten van de bijstand in de vorm van handelsgebonden hulpverlening moet voorleggen, zo nodig samen met een voorstel om de middelen voor handelsgebonden hulpverlening te verruimen en in de strategie voor handelsgebonden hulpverlening en haar praktische uitvoering de nodige wijzigingen aan te brengen;

o
o   o

75.   verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te laten toekomen aan de Raad, de Europese Commissie, de regeringen van de lidstaten, en de Raad en Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) PB C 177 E van 25.7.2002, blz. 290.
(2) PB C 272 E van 13.11.2003, blz. 277.
(3) PB C 39 E van 13.2.2004, blz. 79.
(4) PB C 67 E van 17.3.2004, blz. 255.
(5) PB C 76 E van 25.3.2004, blz. 435.
(6) PB C 77 E van 26.3.2004, blz. 393.
(7) PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 383.
(8) PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 397.
(9) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 397.
(10) PB C 285 E van 22.11.2006, blz. 126.
(11) PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 155.
(12) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 261.
(13) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0320.
(14) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0350.
(15) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(16) WT/MIN(01)/DEC/1.
(17) WT/MIN(05)/DEC.
(18) A/RES/55/2.


Economische partnerschapsovereenkomsten
PDF 155kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 mei 2007 over economische partnerschapsovereenkomsten (2005/2246(INI))
P6_TA(2007)0204A6-0084/2007

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 13 december 2001 over de WTO-bijeenkomst in Qatar(1), van 25 september 2003 over de Vijfde ministersconferentie van de WTO te Cancún(2), van 12 mei 2005 over de evaluatie van de Doha-Ontwikkelingsronde na het besluit van de Algemene Raad van de WTO van 1 augustus 2004(3), van 6 juli 2005 over de wereldwijde oproep voor een actie tegen de armoede: laat armoede tot het verleden behoren(4), van 1 december 2005 over de voorbereiding van de zesde ministersconferentie van de WTO te Hong Kong(5), van 23 maart 2006 over de invloed van economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) op de ontwikkeling(6), van 4 april 2006 over de evaluatie van de Doha-ronde na de ministersconferentie van de WTO in Hong Kong(7), van 1 juni 2006 over handel en armoede: naar een handelsbeleid dat de bijdrage van de handel aan armoedebestrijding maximaliseert(8) en van 7 september 2006 over de opschorting van de onderhandelingen over de Ontwikkelingsagenda van Doha(9) (DDA),

–   gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 23 november 2006, aangenomen in Barbados, over de evaluatie van de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's),

–   onder verwijzing naar de Verklaring van Kaapstad, die op 21 maart 2002 met eenparigheid van stemmen door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU werd aangenomen, waarin werd opgeroepen tot invoering van criteria voor ontwikkeling aan de hand waarvan het verloop en de resultaten van de ACS-EU-handelsbesprekingen moeten worden geëvalueerd,

–   gezien de verklaring van de jaarlijkse zitting van de Parlementaire Conferentie over de WTO 2006, aangenomen op 2 december 2006 in Genève,

–   gezien zijn standpunt van 9 maart 2005 over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties(10),

–   gezien Verordening (EG) nr. 980/2005 van de Raad van 27 juni 2005 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties(11),

–   gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (de Overeenkomst van Cotonou),

–   gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 10 en 11 april 2006 en 16 en 17 oktober 2006 en de conclusies van de Europese Raad van 15 en16 juni 2006,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie "De Europese consensus", ondertekend op 20 december 2005(12),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie met als titel "Handels- en Ontwikkelingsaspecten van de onderhandelingen over EPO's" (SEC(2005)1459),

–   gezien de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), en in het bijzonder artikel XXIV van deze overeenkomst,

–   gezien de ministeriële verklaring van de vierde ministersconferentie van de WTO, aangenomen op 14 november 2001 in Doha,

–   gezien het door de Algemene Raad van de WTO op 1 augustus 2004 goedgekeurde besluit,

–   gezien de ministeriële verklaring van de zesde ministersconferentie van de WTO, aangenomen in Hong Kong op 18 december 2005,

–   gezien het rapport en de aanbevelingen van de Task Force on Aid for Trade (Hulp voor handel), aangenomen door de Algemene Raad van de WTO op 10 oktober 2006,

–   gezien het rapport-Sutherland over de toekomst van de WTO,

–   gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000 die de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling bepaalt als collectief door de internationale gemeenschap vastgestelde criteria ter bestrijding van armoede,

–   gezien de resultaten van de Wereldtop 2005 van de Verenigde Naties,

–   gezien het rapport van de VN-Millenniumwerkgroep onder leiding van professor Jeffrey Sachs, "Investeren in ontwikkeling: een praktisch plan om de millenniumontwikkelingsdoelstellingen te bereiken",

–   gezien het op 8 juli 2005 door de Groep van Acht in Gleneagles uitgegeven communiqué van Gleneagles,

–   gezien het Verslag van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) ‐ Minst Ontwikkelde Landen 2006: het ontwikkelen van productiecapaciteiten,

–   gezien het economisch verslag over Afrika 2004 van de Economische Commissie voor Afrika van de VN, getiteld "Unlocking Africa's Trade Potential (Ontsluiting handelspotentieel van Afrika)",

–   gezien de ACS-richtsnoeren voor de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten, aangenomen door de ACS-Raad van Ministers op 27 juni 2002 in Punta Cana (Dominicaanse Republiek), en het besluit over de onderhandeling over EPO's en deelname aan de internationale handel, aangenomen door de derde Top van staatshoofden en regeringsleiders van ACS-landen op 19 juli 2002 in Nadi (Fiji),

–   gezien de Verklaring van de 4e Top van staatshoofden en regeringsleiders van ACS-landen, gehouden op 23 en 24 juni 2004 in Maputo, Mozambique, met betrekking tot de economische ontwikkelingsdimensie,

–   gezien de verklaring van de 81e vergadering van de ACS-Raad van Ministers in Brussel op 21-22 juni 2005,

–   gezien Beschikking nr. 2/LXXXIII/06 van de 83e vergadering van de ACS-Raad van Ministers in Port Moresby (Papoea-Nieuw-Guinea) van 28 tot 31 mei 2006,

–   gezien de verklaring van de 5e Top van ACS-staatshoofden en regeringsleiders in Khartoum (Soedan) op 8 december 2006,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A6-0084/2007),

A.   overwegende dat de bestaande handelsrelatie van de EU met de ACS-landen– die hun preferentiële toegang tot EU-markten biedt op basis van niet-wederkerigheid – niet in overeenstemming is met de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

B.   overwegende dat in de Overeenkomst van Cotonou de afspraak van partijen is vastgelegd om nieuwe, met de WTO compatibele handelsakkoorden te sluiten, waarbij de onderlinge handelsbelemmeringen geleidelijk worden weggenomen en de samenwerking op alle handels- en ontwikkelingsgerelateerde gebieden wordt bevorderd,

C.   overwegende dat de onderhandelingen in de zes regio's niet alle met hetzelfde tempo plaatsvinden, waardoor de vrees bestaat dat ze niet in alle regio's voor het einde van 2007 afgerond zullen zijn,

D.   overwegende dat er wijdverbreide verontrusting bestaat over het feit dat de onderhandelingen niet zo ver gevorderd zijn als het onderhandelingsproces zou doen verwachten,

E.   overwegende dat het verzuim van beide partijen om tijdig voorstellen in te dienen of daarop te reageren een belangrijke oorzaak van de vertraging is geweest,

F.   overwegende dat een andere formele vrijstelling door de WTO politiek kostbaar is en moeilijk te bewerkstelligen,

G.   overwegende dat in vele ACS-landen de informatie over en de betrokkenheid bij het EPO-proces op nationaal niveau zorgwekkend beperkt is geweest,

H.   overwegende dat het trage verloop van de onderhandelingen over de Ontwikkelingsagenda van Doha bij de WTO de EPO-onderhandelingen bemoeilijkt,

I.   overwegende dat beide partijen het eens zijn over de centrale plaats van de "ontwikkelingsdimensie" van EPO's, maar dat de onderhandelaars tot dusverre niet tot een gemeenschappelijke definitie van het concept hebben kunnen komen,

J.   overwegende dat het van essentieel belang is dat EPO's bijdragen aan de duurzame sociale en economische ontwikkeling en aan het terugdringen van de armoede in de ACS-landen,

K.   overwegende dat bij een toenemende globalisering van de wereld het verlies van preferenties onvermijdelijk is,

L.   overwegende dat Alles behalve Wapens (EBA) tot nu toe niet de aanzet heeft gegeven tot een aanzienlijke groei in de export van de minst ontwikkelde landen (MOL) naar de EU; overwegende dat dit doet veronderstellen dat met liberalisering alléén van de tarieven en quota de arme landen niet concurrerender worden,

M.   overwegende dat een grotere wederkerigheid tussen de EU en de ACS-landen de concurrentiekracht van ACS-landen een prikkel zou geven, maar waarschijnlijk schade zou toebrengen aan niet-concurrerende industrieën, de landbouwsector, die nauwelijks is gemoderniseerd of gediversifieerd, en zwakke economieën,

N.   overwegende dat de inhoud van EPO's niet altijd een weerspiegeling is van bestaande regionale economische integratieovereenkomsten, en dus ingaat tegen de prioritaire doelstelling de regionale integratie in de ACS-landen te consolideren,

O.   overwegende dat landbouw de motor is voor ontwikkeling in de meeste ACS-landen; willen EPO's gebruikt gaan worden voor ontwikkeling, dan moeten ze gericht zijn op het oplossen van de problemen van de landbouwsector in de ACS-landen,

P.   overwegende dat het totstandbrengen van een echte regionale markt een essentiële basis vormt voor een succesvolle uitvoering van EPO's; overwegende dat echte regionale integratie een belangrijke basis vormt voor de sociale en economische ontwikkeling van de ACS-landen, zoals is verklaard in de Overeenkomst van Cotonou,

Q.   overwegende dat groei in intraregionale handel, één van de doelstellingen van EPO's, wordt belemmerd door zwakke intraregionale infrastructuren en een groot aantal non-tarifaire handelsbelemmeringen,

R.   overwegende dat het falen van de "regionale voorbereidende taskforces" in de uitvoering van de hun toebedachte taak de onderhandelingen heeft belemmerd en vragen heeft opgeroepen over de efficiëntie van op EPO's gerichte controlemechanismen in de toekomst,

S.   overwegende dat het gebrek aan gegevens bij de analyse van de economieën van ACS-landen het uitvoeren van volledige effectbeoordelingen van EPO's zeer heeft bemoeilijkt,

T.   overwegende dat verbeterde handelsregels samen moeten gaan met meer steun voor handelsgerelateerde bijstand,

U.   overwegende dat Hulp voor handel gericht is op het vergroten van de capaciteiten van ontwikkelingslanden om gebruik te maken van nieuwe handelsmogelijkheden,

V.   overwegende dat een oplossing moet worden gevonden voor de kwestie van de aanpassingskosten in verband met de voorbereiding en uitvoering van de als onderdeel van de EPO's vereiste liberalisering,

W.   overwegende dat ingevolge artikel 37, lid 4 van de Overeenkomst van Cotonou een formele en volledige toetsing van de geplande regelingen voor alle landen moet worden uitgevoerd, om te verzekeren dat er geen verdere tijd voor voorbereidingen of onderhandelingen nodig is; overwegende dat deze toetsing moet leiden tot een kritische beoordeling van de lopende EPO-onderhandelingen,

1.   is van mening dat EPO's moeten worden opgezet als ontwikkelingsinstrumenten en dat ze dienen bij te dragen aan meer economische groei, regionale integratie en terugdringing van de armoede;

2.   herhaalt zijn standpunt dat goed doordachte EPO's in staat zijn de handelsrelaties tussen de ACS-landen en de EU nieuw leven in te blazen, de economische diversificatie en regionale integratie in de ACS-landen kunnen bevorderen en de armoede in ASC-landen kunnen terugdringen;

3.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om samenhang in het ontwikkelingsbeleid te verzekeren; benadrukt dat de "Europese consensus inzake ontwikkeling" (Verklaring betreffende het ontwikkelingsbeleid, DPS), in het bijzonder paragraaf 36, de EPO-onderhandelaars richtsnoeren geeft; spoort de Commissie op dit punt aan vast te houden aan de beginselen van asymmetrie en flexibiliteit;

4.   acht het belangrijk dat de ACS-landen en de EU ten volle de nodige verantwoordelijkheid nemen om het recht van de ACS-landen op ontwikkeling en welvaart waar te maken; spoort de regeringen van de ACS-landen aan goede bestuurlijke regels ten uitvoer te leggen en daarbij onder meer een beroep te doen op de technische bijstand die wordt gegeven uit hoofde van het instrument Hulp voor handel;

5.   herinnert eraan dat geen enkel ACS-land zich in zijn handelsbetrekkingen tegen het einde van de EPO-onderhandelingen na 2007 in een ongunstiger positie zou mogen bevinden dan onder de huidige overeenkomsten;

6.   spreekt zijn bezorgdheid uit over het langzame tempo van de onderhandelingen en het daaruit voortvloeiende gebrek aan tastbare vooruitgang, terwijl over vele kritieke kwesties nog dient te worden gediscussieerd en overeenstemming moet worden bereikt;

7.   spoort de onderhandelaars aan niet onder buitensporige druk of in alle haast te werk te gaan bij onderhandelingen over een dermate complexe en uiterst belangrijke materie; spoort de Commissie aan om zich flexibeler op te stellen tegenover de belangen van de ACS-landen;

8.   verzoekt de Commissie geen onnodige druk uit te oefenen en – indien de onderhandelingen niet voor 1 januari 2008 worden afgerond – op WTO-niveau stappen te ondernemen om verstoring van de bestaande export van ACS-landen naar de EU te trachten te vermijden, in afwachting van een definitieve regeling;

9.   vraagt om meer transparantie inzake de voortgang en de inhoud van de onderhandelingen; verzoekt alle partijen er zorg voor te dragen dat parlementariërs en andere belanghebbenden in de ACS-landen en de EU geraadpleegd worden bij de EPO-onderhandelingen, met het oog op een adequate tenuitvoerlegging van de EPO's;

10.   verzoekt de Commissie haar uiterste best te doen om de onderhandelingen over de Ontwikkelingsagenda van Doha af te ronden en te garanderen dat de liberalisatieovereenkomsten de ontwikkeling in arme landen bevorderen;

11.   is ervan overtuigd dat EPO's als aanvulling op een overeenkomst over de Ontwikkelingsagenda van Doha zouden moeten dienen, en niet als alternatief daarvoor, en dat een op ontwikkeling gerichte afronding van EPO's een eerste stap zou zijn tot een multilaterale, op ontwikkeling gerichte overeenkomst;

12.   erkent dat preferentiële toegang tot de markt op zich geen toereikend instrument is gebleken om de ontwikkeling van de ACS-landen te bewerkstelligen, en stelt dat, om dat doel te bereiken, aanvullende maatregelen moeten worden genomen om hun concurrentievermogen te vergroten;

13.   vraagt om volledig belastingvrije en quotavrije markttoegang voor ACS-landen, evenals vereenvoudigde, geliberaliseerde en flexibeler regels van oorsprong in EPO's dan het geval is voor EBA, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in de mate van industriële ontwikkeling, zowel tussen de EU en de ACS-landen als tussen de ACS-landen onderling;

14.   pleit voor geleidelijkheid en flexibiliteit in het tempo, het tijdschema en de omvang van de liberalisering, om de regionale integratie en de concurrentiekracht van de ACS-landen te verbeteren en te verzekeren dat de ontwikkelingsdoelstellingen, zoals het vermijden van nadelige sociale gevolgen, in het bijzonder voor vrouwen, prioriteit krijgen;

15.   verzoekt tijdens de EPO-onderhandelingen volledig rekening te houden met de speciale situatie van de overzeese gebieden en territoria van de EU-lidstaten, in het bijzonder de ultraperifere gebieden waarnaar wordt verwezen in artikel 299, lid 2 van het EG-Verdrag;

16.   spoort ACS-landen aan het probleem rond het lidmaatschap van overlappende regionale groepen op te lossen;

17.   vraagt de onderhandelaars een strategie te ontwikkelen voor diversificatie, modernisering en bevordering van de concurrentiekracht van de ACS-landen, in het bijzonder in de landbouwsector, die dus verder gaat dan alleen markttoegang;

18.   erkent dat werkbare vrijwaringsmechanismen waarmee ACS-regio's een plotselinge hausse van de invoer uit de EU kunnen tegengaan, essentieel zijn, in het bijzonder voor landbouwproducten;

19.   spoort de EU in dit verband aan Fair Trade te bevorderen evenals andere methoden om de voorwaarden voor kleine en gemarginaliseerde producenten en arme arbeiders te verbeteren;

20.   herinnert de onderhandelaars eraan dat bij het verbeteren van de strategieën ter bevordering van de agrarische concurrentiekracht van ACS-landen de nodige aandacht moet worden besteed aan voedselveiligheid;

21.   benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat ACS-landen het recht behouden sommige gevoelige producten in hun markten te beschermen;

22.   erkent dat de duurzaamheidseffectbeoordelingen (SIA's) geen noemenswaardig effect hebben gehad op de onderhandelingen en verzoekt de Commissie om het verband tussen SIA's en onderhandelingsposities te verduidelijken en te herzien, zodat belanghebbenden de kans krijgen te worden gehoord;

23.   verzoekt om een passend en transparant toezichtsysteem – met een duidelijke rol en invloed – op zowel regionaal als nationaal niveau, om de invloed van EPO's met een groter aandeel van ACS-landen en een brede raadpleging van belanghebbenden te kunnen volgen;

24.   verzoekt de Raad en de Commissie te verduidelijken tot op welke hoogte de financiering van de "ontwikkelingsdimensie" van EPO's beschikbaar zal zijn buiten het kader van het 10e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

25.   is verheugd over de conclusie van de Raad Algemene zaken en buitenlandse betrekkingen van 16 oktober 2006 dat "een aanzienlijk deel van de toezegging van de Gemeenschap en de lidstaten om hun handelsgerelateerde bijstand uiterlijk in het jaar 2010 tot 2 miljard EUR te verhogen, ten goede moet komen aan de ACS-landen", maar betreurt dat niet al dit geld "een aanvulling op de middelen van het EOF" is, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de exacte voorwaarden van deze toezeggingen te verduidelijken, te waarborgen dat deze bijstand niet afhankelijk is van het resultaat van de EPO-onderhandelingen, en te werken aan een aanzienlijke verhoging van het bedrag van de beschikbare Hulp voor handel, aangezien de vraag van de ACS-landen toeneemt;

26.   stemt in met de uitnodiging van de Raad aan de Commissie en de lidstaten om "als een eerste prioriteit de tenuitvoerlegging van de EPO-gerelateerde hervormingsverbintenissen" te ondersteunen en verzoekt om, vóór de afronding van de EPO-onderhandelingen, concrete gedetailleerde, gekwantificeerde en specifiek EPO-gerelateerde verbintenissen aan te gaan, waarin zowel wordt ingegaan op de handelsgerelateerde bijstand als op de aanpassingskosten die verband houden met EPO's;

27.   verzoekt de EPO-steun te coördineren en te verbinden aan het multilaterale, verbeterde, geïntegreerde kader Hulp voor handel;

28.   beklemtoont dat hulp, in overeenstemming met de Beginselen van Parijs voor de doeltreffendheid van hulp, onder meer vraaggestuurd moet zijn, en verzoekt de ACS-landen daarom van kostencalculaties voorziene, gedetailleerde voorstellen in te dienen, indien nodig met passende hulp van de EU, over welke aanvullende EPA-fondsen nodig zijn en voor welk doel, in het bijzonder met betrekking tot: regelgevingskaders, vrijwaringsmaatregelen, handelsfacilitering, steun bij het voldoen aan internationale sanitaire en fytosanitaire voorschriften en regels inzake intellectuele eigendom, en de samenstelling van het EPA-toezichtmechanisme;

29.   verzoekt de Commissie de ACS-landen desgevraagd aanvullende technische steun te bieden met het oog op de handelsonderhandelingen;

30.   verzoekt de Commissie de ACS-landen die besluiten fiscale hervormingsprogramma's op te zetten, desgevraagd hulp te bieden;

31.   constateert dat de inkomstenniveaus in veel ACS-landen laag zijn en verzoekt om aanvullende steun voor belastinghervormingen en maatregelen om belastingontduiking te voorkomen, als onderdeel van een strategie om de gevolgen van verloren douane-inkomsten te minimaliseren; maakt zich tevens zorgen over de gevolgen van de dalende douane-inkomsten voor de begrotingen van de ACS-landen, zoals mogelijke bezuinigingen op de overheidsuitgaven in belangrijke sectoren als het onderwijs en de gezondheidszorg; verzoekt de EU de compensatiemechanismen te helpen opzetten die nodig zijn om dergelijke gevolgen te voorkomen;

32.   brengt in herinnering dat ACS-landen vaak zeer afhankelijk zijn van grondstoffen, en verzoekt de EU effectievere instrumenten te ontwikkelen voor de ondersteuning van productaanpassing en diversificatie, evenals voor de ontwikkeling van procesindustrieën en MKB's in ACS-landen;

33.   heeft begrip voor de huiver bij ACS-landen voor bilaterale onderhandelingen over zogenoemde Singapore-thema's die uit de multilaterale onderhandelingen zijn geschrapt, en erkent dat de regionale ACS-groepen moeten beoordelen of er ontwikkelingsvoordelen zitten aan dergelijke overeenkomsten over deze thema's; wijst erop dat 77 arme landen zich verzetten tegen onderhandelingen over Singapore-thema's in het kader van de ontwikkelingsagenda van Doha;

34.   is van mening dat overeenkomsten over investeringen, concurrentie en overheidsopdrachten, mits ingepast in het juiste kader, samen met een geloofwaardige regelgevingsomgeving zouden kunnen bijdragen aan gezamenlijke doelstellingen van deugdelijk bestuur en transparantie, waardoor een omgeving wordt gecreëerd waarin grotere publiekprivate samenwerking mogelijk is, in het bijzonder in verband met de belangrijke ontwikkelingvan de voornaamste infrastructuur;

35.   is teleurgesteld over het feit dat tot op heden onvoldoende gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die door de herziening werd geboden om parlementariërs en andere belanghebbenden bij de onderhandelingen te betrekken; is van mening dat de insluiting van de belangrijkste belanghebbenden en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld dit proces een cruciale praktische en pragmatische dimensie zou geven;

36.   erkent de sociale en ecologische verantwoordelijkheden van buitenlandse bedrijven en investeerders tegenover de gemeenschappen en samenlevingen waarin zij investeren; is van mening dat zakelijke en investeringscontacten van mens tot mens moeten worden aangemoedigd en bevorderd teneinde de sociale en economische voordelen van verdergaande liberalisering te maximaliseren;

37.   verzoekt de Commissie en de ACS-landen om de herziening van de EPO als mogelijkheid aan te grijpen voor open discussie over de obstakels die aan afronding van de onderhandelingen in de weg staan, en voor uitwerking van gedetailleerde voorstellen voor het overbruggen van die obstakels;

38.   herinnert eraan dat de ACS-landen in een verschillende fora om alternatieven voor EPO's hebben gevraagd, maar merkt op dat officiële verzoeken daartoe van ACS-zijde op grond van artikel 37, lid 6 van de Cotonou-Overeenkomst ontbreken;

39.   vraagt de Commissie, overeenkomstig artikel 37, lid 6 van de Overeenkomst van Cotonou, om ten behoeve van ACS-landen die niet tot de minst ontwikkelde landen behoren, en zich dus niet in een positie bevinden om een EPO aan te gaan, de mogelijkheden te onderzoeken om deze landen een alternatief handelskader te bieden dat gelijkwaardig is aan hun bestaande situatie en in overeenstemming is met de WTO-regels;

40.   verzoekt de Commissie om voorstellen voor op ontwikkeling gerichte alternatieven in te dienen die meer bieden dan markttoegang alleen, zoals in het geval van EBA en de bijzondere stimuleringsmaatregelen inzake duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+);

41.   nodigt de Commissie uit om in de EPO-handelsbesprekingen sociale normen en waardig werk te bevorderen;

42.   verzoekt de Commissie de implicaties van Hulp voor handel en EPO-gerelateerde steun voor landen die ervoor hebben gekozen geen EPO's aan te gaan, te verduidelijken;

43.   verzoekt de Commissie en de Raad de bureaucratische last die de eisen van het EOF met zich meebrengen te vereenvoudigen en te verminderen, en opleidingen in de ACS-landen met betrekking tot EOF-procedures te verbeteren, om het gebruik van bestaande middelen te optimaliseren;

44.   brengt in herinnering dat bilaterale onderhandelingen over de handel in diensten de ACS-landen niet onder druk mogen zetten om openbare basisdiensten te liberaliseren, het recht van landen om de openbare diensten naar eigen inzicht te reguleren dienen te respecteren en verzoekt beide partijen te erkennen dat solide regelgevingskaders een onmisbaar onderdeel zijn van elk liberaliseringsproces;

45.   verzoekt de EU in de EPO's geen bepalingen op te nemen over intellectuele eigendomsrechten, aangezien die een aanvullende barrière vormen voor de toegang tot essentiële geneesmiddelen, en het EPO-systeem te gebruiken om de ACS-landen te helpen de vormen van flexibiliteit ten uitvoer te leggen waarin de Verklaring van Doha voorziet; wijst erop dat de EU, op grond van de Verklaring van Doha van 2001 inzake de TRIPS-overeenkomst en de volksgezondheid, is begonnen volksgezondheid boven haar handelsbelangen te stellen;

46.   benadrukt dat het regionale aspect van de EPO's essentieel is om niet alleen de noord-zuidhandel, maar ook de zuid-zuidhandel te versterken; meent dat vanuit Europa hieraan nog onvoldoende aandacht wordt besteed en dat het bereiken van een degelijke intraregionale integratie mogelijk nog belangrijker is dan het opstarten van een programma voor interregionale integratie;

47.   pleit voor invoering van een systeem voor geschillenbeslechting voor EPO's dat voldoende eenvoudig en kosteneffectief is en waarmee tijdig kan worden ingegrepen wanneer partijen niet aan hun verbintenissen voldoen;

48.   verzoekt om passende voorstellen om een oplossing te vinden voor de zorgen van ACS-landen over modus IV van de GATS;

49.   beveelt de Commissie aan te bewerkstelligen dat het internationale programma ter bevordering van waardig werk en de tenuitvoerlegging van fundamentele arbeidsnormen vaste elementen worden in handelsonderhandelingen en strategische partnerschappen; verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging te verzekeren van artikel 50 van de Overeenkomst van Cotonou, dat een specifieke bepaling bevat over handel en arbeidsnormen en dat de inzet van de partijen voor fundamentele arbeidsnormen bevestigt;

50.   erkent dat hoge fytosanitaire en andere EU-gezondheids- en milieustandaarden de export van ACS-landen kunnen belemmeren, in het bijzonder de export van landbouwgoederen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten om ACS-landen te hepen adequate programma's te ontwikkelen om tijdig aan deze standaarden te voldoen;

51.   verzoekt de Commissie om het initiatief te nemen en internationale steun te mobiliseren om artikel XXIV van de GATT-overeenkomst met betrekking tot VHA's (vrijhandelsakkoorden) tussen partijen met verschillende ontwikkelingsniveaus te herzien en te verduidelijken;

52.   verzoekt de Commissie om tijdens en na afloop van de onderhandelingen systematische analyses uit te voeren van de sociale gevolgen van EPO's voor de groepen die het meeste gevaar lopen, waaronder jongeren en vrouwen in de ACS-landen;

53.   erkent dat parlementaire controle een belangrijke bijdrage kan leveren aan deugdelijk bestuur, verantwoordingsplicht en transparantie;

54.   verzoekt een Gemengde Parlementaire Commissie handel en ontwikkeling in het kader van elke Economische Partnerschapsovereenkomst op te richten die samenwerkt met de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU om de gevolgen van de implementatie van EPO's voor de handel en de ontwikkeling in het openbaar te controleren en te analyseren, mechanismen te ontwikkelen om verantwoordingsplicht te verzekeren en aan EPO's gerelateerde vraagstukken aan te pakken vanuit zowel een regionaal perspectief als een perspectief dat alle ACS-landen omvat;

55.   verzoekt de Commissie met klem regelmatig overleg te plegen met de nationale parlementen in de ACS-landen om hun toezicht op het proces te vergemakkelijken, en beveelt bovendien aan dat de bevoegde commissie van de Paritaire Parlementaire Vergadering en de parlementsleden van het Europees Parlement en van de ACS-landen in de plenaire vergaderingen regelmatig voor follow-up zorgen;

56.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de EU-lidstaten en de ACS-landen, alsmede aan de ACS-EU Raad en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) PB C 177 E van 25.7.2002, blz. 290.
(2) PB C 77 E van 26.3.2004, blz. 393.
(3) PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 397.
(4) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 397.
(5) PB C 285 E van 22.11.2006, blz. 126.
(6) PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 121.
(7) PB C 293 E van 2.12.2006, blz .155.
(8) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 261.
(9) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 244.
(10) PB C 320 E van 15.12.2005, blz. 145.
(11) PB L 169 van 30.6.2005, blz.1.
(12) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.


Jaarverslag 2005 over het GBVB
PDF 183kWORD 106k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 mei 2007 over het jaarlijkse verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Europese Unie - 2005 (2006/2217(INI))
P6_TA(2007)0205A6-0130/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien het jaarlijkse verslag van de Raad (10314/1/2006),

–   gelet op artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gelet op het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (grondwettelijk Verdrag), ondertekend in Rome op 29 oktober 2004,

–   gezien de Europese Veiligheidsstrategie (EVS), zoals door de Europese Raad goedgekeurd op 12 december 2003,

–   gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure(1), inzonderheid paragraaf 40,

–   onder verwijzing naar zijn besluit van 17 mei 2006 over de sluiting van het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(2),

–   gezien de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 16-17 juni 2005, inzonderheid de verklaring inzake de ratificatie van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, alsmede gezien de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van 15-16 juni en 14-15 december 2006,

–   gezien de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 15-16 december 2005 over de financiële vooruitzichten 2007-2013,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 januari 2005 over het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 2 februari 2006 over het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (2004)(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 november 2006 over de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie in de context van het EVDB(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 juni 2006 over de volgende stappen tijdens de denkpauze en de analyse van de toekomst van Europa(6), en naar de resultaten van de gezamenlijke Parlementaire bijeenkomst over de toekomst van Europa: van reflectie tot actie, die op 4 en 5 december 2006 in Brussel plaatsvond,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 februari 2006 over financiële mechanismen voor ontwikkeling in het kader van de millenniumdoelstellingen(7),

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 15 juni 2006(8) en 13 december 2006(9) over de topconferenties EU-Rusland,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 1 juni 2006 over de verbetering van de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten in het kader van een trans-Atlantische partnerschapsovereenkomst(10), en over de trans-Atlantische economische betrekkingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten(11),

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 23 oktober 2003 over vrede en waardigheid in het Midden-Oosten(12) en 7 september 2006 over de situatie in het Midden-Oosten(13),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 september 2006 over de betrekkingen tussen de EU en China(14),

–   gezien de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 15 en 16 december 2005 over "De EU en Afrika: naar een strategisch partnerschap",

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 2005 over de toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag in 2005 - Kernwapens in Noord-Korea en Iran(15), waarin wordt verklaard dat de EU ten aanzien van het Koreaanse schiereiland het principe "no say, no pay" zal huldigen,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 maart 2006 over de zekerstelling van de energievoorziening in de Europese Unie(16),

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 18 mei 2006 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2005 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(17), en 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten(18),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 december 2006 over de institutionele aspecten van het vermogen van de Europese Unie om nieuwe lidstaten te integreren(19),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 december 2006 over de uitbreidingsstrategie en de belangrijkste uitdagingen voor 2006-2007(20),

–   gelet op artikel 112, lid 1, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A6-0130/2007),

A.   overwegende dat te verwachten valt dat de a posteriori-aanpak van de Raad, waarbij slechts een beschrijvende lijst wordt voorgelegd van de activiteiten die in het kader van het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) gedurende het voorgaande jaar zijn uitgevoerd in plaats van het Europees Parlement vooraf te raadplegen zoals bepaald in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, voortaan zal worden gecorrigeerd door middel van een constructieve interpretatie van de punten 42 en 43 van het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer van 17 mei 2006(21),

B.   overwegende dat de Raad deze praktijk eens en voor altijd dient te vervangen door een daadwerkelijke raadpleging van het Parlement, teneinde ervoor te zorgen dat de opvattingen van het Parlement een echte impact hebben op de keuzes die worden gemaakt voor het volgende jaar,

C.   overwegende dat na de vijfde uitbreiding van de EU het grondwettelijk verdrag door 18 lidstaten is geratificeerd, maar dat gestreefd moet worden naar volledige ratificatie en inwerkingtreding van dit Verdrag, teneinde te waarborgen dat de Unie gereed is om het hoofd te bieden aan de mondiale verantwoordelijkheden, dreigingen en uitdagingen van de wereld van vandaag,

D.   overwegende dat de bepalingen in het grondwettelijk verdrag betreffende buitenlandse betrekkingen gedurende het ratificatieproces niet zijn betwist, waardoor het GBVB een belangrijke rol zou kunnen spelen bij het vergroten van het vertrouwen in de Unie bij het grote publiek,

E.   overwegende dat in het externe optreden van de Unie in het algemeen en in het GBVB in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de belangen van de Unie, met name met de verwantheid van elk derde land en elke regio met het Europese model en de Europese waarden, alsook met het feit dat de Unie, als belangrijke geopolitieke speler op het wereldtoneel, zich gedraagt als een politieke, economische, sociale, ecologische en de vrede toegewijd zijnde Unie van staten en volkeren, die handelt volgens beginselen van democratie, de rechtsstaat en sociale rechtvaardigheid en derhalve sterke en betrouwbare politieke en economische partners nodig heeft,

F.   overwegende dat de doeltreffendheid en geloofwaardigheid van het gemeenschappelijk buitenlands beleid onlangs is ondermijnd door het veto dat bepaalde lidstaten hebben uitgesproken over bilaterale kwesties, ondanks de inspanningen van andere lidstaten om een compromis te vinden; overwegende dat lidstaten onpartijdig moeten optreden en terughoudend moeten zijn met de uitoefening van het vetorecht door dit te beperken tot hoogst gevoelige zaken van nationaal belang,

G.   overwegende dat het ontwikkelen en consolideren van de democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden sleuteldoelstellingen van de Unie blijven en dat het GBVB zich vooral dient te concentreren op economische integratie, diplomatie, civiele crisispreventie en conflictbeheersing,

H.   overwegende dat, omwille van de geloofwaardigheid, extra middelen aan het GBVB en het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) moeten worden toegewezen, teneinde de middelen in overeenstemming te brengen met het ambitieniveau,

I.   overwegende dat de financiering van militaire operaties door de Europese Unie de facto buiten het bereik van democratisch toezicht door zowel de nationale parlementen als het Europees Parlement blijft,

De ratificatie van het grondwettelijk verdrag als voornaam aspect en fundamentele keuze in het GBVB in 2007

1.   is van opvatting dat de Europese Unie zonder het door 18 landen geratificeerde grondwettelijk verdrag geen vorm kan geven aan een buitenlands en veiligheidsbeleid waarmee ten minste ten dele het hoofd kan worden geboden aan de belangrijkste uitdagingen, zoals de mondialisering, mislukte en mislukkende staten, grensoverschrijdende migratie, internationaal terrorisme, afhankelijkheid van geïmporteerde energie en klimaatverandering; is van opvatting dat het GBVB alleen effectief kan zijn als de noodzakelijke middelen en capaciteiten worden ontwikkeld om de veiligheid, onafhankelijkheid en integriteit van de Unie en haar lidstaten te waarborgen; herinnert in dit verband aan de in alle lidstaten aanwezige brede steun voor een grotere rol van de Unie in de wereld, daar de afzonderlijke lidstaten deze rol niet meer kunnen vervullen voor de burgers; benadrukt dat afronding van het grondwettelijk verdrag een van de belangrijkste prioriteiten moet zijn van het huidige en van komende voorzitterschappen;

2.   is van mening dat instelling van het ambt van minister van Buitenlandse Zaken noodzakelijk is en acht het van essentieel belang dat hij of zij tegelijkertijd lid van de Commissie en voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken is, zodat het GBVB continuïteit en samenhang krijgt en Europa met één stem kan spreken;

3.   is in dit verband van mening dat de instelling van de nieuwe post van EU-minister voor Buitenlandse Zaken samen moet gaan met de oprechte inzet van de lidstaten voor het vaststellen en uitvoeren van een daadwerkelijk en doeltreffend buitenlands beleid, dat de algemene belangen van de Europese Unie weerspiegelt;

4.   stelt vast dat de wederzijdse-bijstandclausule, de structurele samenwerking, de Europese dienst voor extern optredenen één rechtspersoonlijkheid voorbeelden zijn van de dringend noodzakelijke vooruitgang waarin het grondwettelijk verdrag voorziet;

5.   wijst erop dat politieke en sociale consensus over verdere integratie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid een stevige basis vormt om het constitutionele proces vooruit te helpen;

6.   dringt er andermaal bij de staatshoofden en regeringsleiders op aan het grondwettelijk verdrag vóór eind 2008 af te ronden, niet alleen als noodzakelijke voorwaarde voor verdere uitbreidingen, maar ook om de Unie in staat te stellen effectiever, transparanter en democratischer werkzaam te zijn op het terrein van zowel het externe optreden als het GBVB/EVDB;

Verbetering van de efficiëntie, de samenhang en de zichtbaarheid van het GBVB

7.   is ingenomen met de oprichting van het Europees Defensie-agentschap, de ontwikkeling van het battle group-concept, de invoering van het Europees Nabuurschapsbeleid en de toepassing van de solidariteitsclausule bij het pareren van terroristische bedreigingen of aanslagen, alsook met de vaststelling van civiele hoofddoelen, de civiele crisisreactieteams en het partnerschap voor vredesopbouw uit hoofde van het stabiliteitsinstrument; spoort de Commissie ertoe aan het civiele vredeskorps, waar het Parlement in diverse resoluties om heeft verzocht, op te richten;

8.   acht het zinvol dat de Raad en de Commissie gebruikmaken van hun procedurele en organisatorische mogelijkheden om ook de verbindingen tussen de eerste en de derde pijler versterken, door:

   a) gezamenlijke voorstellen van de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB en de Commissie inzake zowel het GBVB als het externe optreden voor te leggen aan de Raad;
   b) regelmatig gezamenlijke vergaderingen van de groep van Commissarissen voor externe betrekkingen, de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB en afvaardigingen van de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement te houden, teneinde de strategische prioriteiten beter te evalueren en te coördineren;
   c) regelmatig gezamenlijke vergaderingen tussen de werkgroepen van de Raad en het COREPER en de Commissie en rapporteurs van het Parlement te houden, teneinde beter inzicht te krijgen in elkaars standpunten;
   d) vaak gebruik te maken van het mechanisme van "EU-kerngroepen", zoals voor het eerst opgezet voor beleidskwesties in verband met Somalië in 2004, daar dit een mechanisme is dat de institutionele banden versterkt en de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB en de Raad, de Commissie, het voorzitterschap en bereidwillige lidstaten bijeenbrengt; beklemtoont echter dat dit mechanisme met name geschikt is voor kwesties op het gebied van buitenlandse aangelegenheden die geen grote onenigheid oproepen tussen de lidstaten, maar voor een aantal van hen wel belangrijk zijn;
   e) onvoorwaardelijke uitwisseling van informatie, verslagen en analyses verzameld en opgesteld door de diensten, delegaties, speciale afgezanten, ambassades, enz. van de EU en haar instellingen en van de lidstaten;
   f) verbetering van de samenwerking tussen de directoraten-generaal voor extern beleid van de drie Gemeenschapsinstellingen door middel van het faciliteren van regelmatige werkbijeenkomsten en uitwisselingen op hoog en middenkaderniveau, met inbegrip van rotatie en uitwisseling van Europese ambtenaren die zich bezighouden met kwesties op het gebied van buitenlands beleid;
   g) de dialoog te bevorderen en de procedures op gang te brengen voor de oprichting van een Diplomatieke Academie van de EU;
   h) de Commissie ertoe aan te moedigen de onder haar verantwoordelijkheden vallende delegaties om te vormen tot "ambassades" van de Unie;
   i) automatisch de functies van de Speciale Vertegenwoordiger van de Unie voor een derde land toe te wijzen aan het hoofd van de EU-delegatie in dat land, zoals in het geval van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië;
   j) verbetering van de interactie tussen enerzijds de 127 delegaties en vertegenwoordigingen van de Commissie en anderzijds de andere EU-instellingen en -delegaties, ministeries van Buitenlandse Zaken en ambassades van lidstaten anderzijds door middel van het organiseren van geregelde contacten en vergaderingen, het bieden van praktische hulp en het organiseren van de onderlinge uitwisseling van diplomatiek personeel van lidstaten en ambtenaren van de relevante instellingen op basis van wederkerigheid;

9.   verzoekt de EU-lidstaten met een zetel in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties om de andere lidstaten van de Unie niet alleen op de hoogte te houden, maar ook te luisteren naar hun voorstellen en zich in te zetten voor een gecoördineerd optreden binnen de Veiligheidsraad, dat de breedst gedragen Europese standpunten weerspiegelt;

10.   verzoekt de EU-lidstaten die zitting hebben in de VN-Veiligheidsraad tevens hun coördinatie in dat kader te verbeteren, zodat de EU doeltreffender kan optreden in de wereld en in de nabije toekomst een besluit kan worden genomen over een gemeenschappelijke Europese zetel;

11.   is van opvatting dat zonder de invoering van stemming bij gekwalificeerde meerderheid over GBVB-onderwerpen de samenhang, de doeltreffendheid en de zichtbaarheid van het externe optreden van de Unie sterk worden ondermijnd;

12.   is van mening dat er meer kan worden gedaan om de politieke dialoog met derde landen en regio's te versterken, in het bijzonder die met belangrijke partners, en dat er pro-actiever kan worden opgetreden in de betrekkingen met internationale organisaties; is van opvatting dat het netwerk van delegaties van de Commissie flexibeler en dynamischer kan worden ingezet;

13.   wijst op de noodzaak de politieke dialoog met derde landen te intensiveren, niet in de laatste plaats in verband met de mensenrechten; is voorts van opvatting dat de communautaire instellingen en de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de leden van hun delegaties bekend zijn met, voortbouwen op en handelen naar de richtsnoeren van de Raad inzake de mensenrechten;

14.   herinnert in dit verband aan de zinvolle rol die parlementaire diplomatie kan spelen als aanvullend instrument in de betrekkingen van de Unie met derde landen en regio's; roept de Raad en de Commissie ertoe op nauwere, op samenwerking gebaseerde, banden aan te knopen met de drie belangrijkste interparlementaire vergaderingen (de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering en de EU-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering), die een belangrijke rol vervullen, leden van parlementen van over de gehele wereld samenbrengen en aldus de democratische legitimiteit verhogen en waardevolle politieke fora vormen voor een alomvattende dialoog; draagt zijn bevoegde organen op de administratieve ondersteuning van deze interparlementaire vergaderingen dienovereenkomstig te coördineren en te versterken;

15.   is van mening dat de Unie, om het huidige gebrek aan samenhang aan te pakken en de bestaande kloof tussen capaciteiten en verwachtingen te dichten, gebruik moet maken van alle beschikbare instrumenten op het gebied van extern optreden, zoals het beleid ten aanzien van handel, ontwikkelingshulp, buitenlands beleid en het EVDB, alsmede de externe dimensies van beleid op het gebied van milieu, onderzoek, vervoer, landbouw, visserij en binnenlandse zaken;

Aanbevelingen ten aanzien van diverse thematische aspecten voor 2007

16.   dringt erop aan dat, teneinde welvaart en veiligheid te waarborgen, prioriteit wordt gegeven aan een beperkt aantal gebieden die beter aansluiten bij de wensen en zorgen van de Europese burgers en hun verwachtingen ten aanzien van de rol die de Unie in internationale aangelegenheden dient te spelen, zoals consolidatie van de democratie, openbare veiligheid en de strijd tegen terroristische organisaties, migratiebeheer, interculturele dialoog, energiezekerheid, klimaatverandering, wapenbeheersing en ontwapening, non-proliferatie van massavernietigingswapens en de bijdrage van de Unie tot vermindering van de armoede en verwezenlijking van de millenniumdoelen voor ontwikkeling (MOD's), alsmede sociale ontwikkeling;

17.   benadrukt dat alle aspecten van het internationale systeem voor de non-proliferatie van kernwapens moeten worden uitgevoerd, dat actief moet worden gewerkt aan het behoud van het bestaande systeem voor wapenbeheersing en ontwapening, in het bijzonder de consequente uitvoering van het Verdrag inzake chemische wapens en uitvoerig toezicht hierop, de wereldwijde toepassing van het Verdrag inzake antipersoneelsmijnen (Verdrag van Ottawa) en de inwerkingtreding van het Verdrag inzake een alomvattend verbod op kernproeven (CTBT), en dat onderhandelingen over nieuwe ontwapeningsakkoorden moeten worden opgestart, met name wat kleine wapens en een verdere vermindering van de conventionele en kernwapens in Europa betreft;

18.   spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de mededeling van de Russische president Vladimir Poetin dat Rusland niet bereid is zijn deelname aan het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa van 1990 voort te zetten; beschouwt dit als een inadequaat antwoord op de plannen voor een raketafweersysteem; vraagt dat de politieke dialoog over veiligheid, wapenbeheersing en ontwapeningskwesties binnen de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa weer wordt opgestart;

19.   verzoekt de Commissie zich binnen deze prioritaire gebieden te richten op de politieke, handelspolitieke, economische en financiële instrumenten en beleidslijnen krachtens de eerste pijler van de bestaande Verdragen, teneinde de doelstellingen van de Unie in mondiale kwesties beter te kunnen verwezenlijken; is van mening dat het externe optreden van de Unie tevens gebaat zou zijn bij meer vrouwen in leidinggevende posities, ook op het terrein van het GBVB;

20.   herhaalt dat de EVS geactualiseerd dient te worden, waarbij de huidige tweeledige civiel/militaire aanpak dient te worden gehandhaafd, evenals de essentiële concepten van conflictpreventie en effectief multilateralisme, waarin voorts energiezekerheid, klimaatverandering en het voorkomen van nog meer armoede in de wereld als grote uitdagingen voor de veiligheid van de Unie moeten worden opgenomen; is van mening dat speciale aandacht moet gaan naar het verband tussen veiligheid en ontwikkeling en naar het bijzondere belang van sociaal-economische kwesties;

21.   onderstreept dat het terrorisme een van de grootste bedreigingen voor de veiligheid van de Europese Unie vormt, maar bestreden moet worden zonder afbreuk te doen aan de universele waarden van democratie, de rechtsstaat, mensenrechten en fundamentele vrijheden en de verdediging daarvan in nauwe samenwerking met de internationale partners in overeenstemming met de door de Verenigde Naties vastgestelde strategie;

22.   herhaalt dat terrorismebestrijding weliswaar een kernstuk in het externe optreden van de Unie is, maar dat eerbiediging van mensenrechten en burgerlijke vrijheden een prioriteit voor de EU moet blijven; is van mening dat veel meer dient te worden gedaan om de internationale samenwerking bij de bestrijding van terrorisme op basis van het internationale recht en het Handvest van de VN, te versterken;

23.   wijst met nadruk op de belangrijke buitenlands-politieke dimensie van kwesties op het gebied van energiezekerheid, met inbegrip van de afhankelijkheid van de Unie van energie en andere strategische hulpbronnen afkomstig uit landen en regio's die steeds instabieler worden, alsook op het vraagstuk van de toegang tot en de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen; wijst iedere beperking van energielevering als politiek instrument af en onderstreept de noodzaak van solidariteit tussen de lidstaten in het energiebeleid; is van opvatting dat alles in het werk moet worden gesteld om de afhankelijkheid te verminderen; onderstreept de noodzaak het externe optreden van de Unie te richten op een gemeenschappelijke strategie en steun te verlenen aan projecten die diversificatie van de energievoorziening tot doel hebben;

24.   beklemtoont het cruciale belang van de Unie bij de versterking van bestuur op mondiaal niveau, internationale instellingen en de waarde van het volkenrecht; onderstreept de fundamentele rol van de Verenigde Naties bij de ontwikkeling van het bestuur op mondiaal niveau; wijst andermaal op de noodzaak China en India, als opkomende machten, alsmede Rusland te betrekken bij de verantwoordelijkheid voor mondiaal bestuur en oplossingen voor mondiale uitdagingen, alsook op de onvervangbare rol die de trans-Atlantische partners in dit verband gezamenlijk dienen te spelen;

25.   onderstreept het belang van verdere ontwikkeling van de regionale samenwerkingsdimensie in het buitenlands beleid van de EU, met name ten aanzien van de buurlanden, door het verstevigen van de betrekkingen met het Zwarte-Zeegebied en bevordering van de samenwerking, zowel tussen de buurlanden onderling als tussen de EU en haar buurlanden, teneinde regionale oplossingen te vinden die stabiliteit, ontwikkeling en welvaart bevorderen;

26.   wijst de EU nogmaals op de noodzaak bij haar partners aan te dringen op het ontwikkelen en consolideren van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, daar deze criteria de grondslag vormen voor een welvarende en veilige wereld;

27.   geeft in dit verband uiting aan zijn bezorgdheid over de eerste test van een anti-satellietwapen door China in januari 2007; beschouwt deze test als teken van een wapenescalatie in de ruimte; verzoekt de Raad op VN-niveau het initiatief te nemen tot het starten van multilaterale onderhandelingen over een wereldwijd verbod op dergelijke wapens;

28.   is ingenomen met het nieuwe initiatief van de Verenigde Staten voor overleg en permanente informatieverstrekking over zijn raketafweerschild; geeft uiting aan zijn bezorgdheid omtrent de verklaringen die president Putin heeft afgelegd naar aanleiding van de plannen van de Verenigde Staten om delen van zijn raketafweerschild te stationeren in Polen en de Tsjechische Republiek; roept alle betrokken partijen op met elkaar in overleg te treden; roept de Verenigde Staten op zich nog intensiever in te zetten voor verbetering van het overleg over en de verklaring van zijn plannen voor de installatie van een raketafweersysteem ter verdediging tegen de bedreigingen die uitgaan van potentiële opkomende nucleaire machten, opdat zowel de NAVO als de EU hierin op één lijn kunnen blijven staan; dringt aan op uitvoerig overleg omtrent deze voorstellen, waarbij o.a. ook moet worden ingegaan op de noodzaak ervan, de dreigingsevaluatie en de mogelijkheid om binnen het kader van zowel de EU als de NAVO verschillende veiligheidszones in te stellen; onderstreept het belang van overleg binnen de NAVO-Rusland-Raad over het beoogde raketafweersysteem;

29.   is van mening dat er vanuit het oogpunt van het extern optreden veel meer dient te worden gedaan om de verspreiding van armoede op de wereld een halt toe te roepen, stigmatisering en discriminatie tegen te gaan en de belangrijkste ziektes te bestrijden; wijst andermaal op het belang van handhaving van de inzet van de EU voor het behalen van de MOD's;

30.   is ingenomen met de inspanningen van zowel de Commissie als de Raad om de kwestie van illegale immigratie en vestiging aan te pakken als prominent onderdeel van het externe optreden van de EU, zowel in haar betrekkingen met landen van herkomst als in die met doorgangslanden; is van mening dat ontwikkelingssamenwerking zich ook dient te richten op de diepere oorzaken van de massale immigratie en dat de Unie sterker betrokken dient te zijn bij de oplossing van conflicten, teneinde de MOD's te verwezenlijken, met name in Afrikaanse landen; benadrukt dat de strijd tegen illegale immigratie moet worden gevoerd binnen de grenzen van het optreden van justitie en politie en dat in het EU-beleid ook de wortels van de illegale immigratie moeten worden aangepakt; wijst erop dat bestrijding van illegale immigratie een justitiële en politiële taak is, waarbij geen militaire middelen en EVDB-capaciteiten mogen worden ingezet;

31.   herinnert nogmaals aan zijn eerder genoemde resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten; verzoekt de Commissie en de Raad de aanbevelingen in deze resolutie op te volgen, met het oog op een beter beheer van alle soorten tussen de EU en haar talrijke partnerlanden gesloten overeenkomsten waarin democratieclausules steeds een essentieel element vormen; herbevestigt zijn inzet voor de bestrijding van straffeloosheid van personen die zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en andere ernstige schendingen van de mensenrechten, onder andere door versterking van de rol van het Internationale Strafhof;

32.   dringt er bij de Raad en de Commissie op aan zich van hun verantwoordelijkheid te kwijten en onverwijld de aanbevelingen ten uitvoer te leggen die zijn opgenomen in de resolutie van het Parlement van 14 februari 2007 over het verondersteld gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen(22);

33.   beklemtoont dat clausules inzake mensenrechten, non-proliferatie en terrorismebestrijding in alle soorten overeenkomsten met derde landen daadwerkelijk ten uitvoer moeten worden gelegd en dat ad hoc-wijzigingen moeten worden vermeden, teneinde samenhang en doeltreffendheid te waarborgen; verzoekt de Commissie om in het kader van de nieuwe instrumenten inzake stabiliteit, pre-toetreding, het Europees Nabuurschapsbeleid en ontwikkelingssamenwerking te komen met voorstellen voor het, binnen de eigen juridische werkingssfeer van deze instrumenten, verlenen van technische en financiële bijstand aan derde landen, teneinde hen te helpen te voldoen aan de voor hen uit bovengenoemde clausules voortvloeiende verplichtingen; onderstreept dat deze nieuwe instrumenten in samenhang met en in aanvulling op het nieuwe Europese instrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten moeten worden aangewend;

Prioriteiten in de geografische gebieden in 2007

34.   beveelt aan stappen te ondernemen om de uitbreiding van de EU als een hoofddoelstelling op de politieke agenda van de EU in 2007 te handhaven, zij het dat uitbreiding verenigbaar dient te zijn met het vermogen van de EU om nieuwe lidstaten te integreren (rekening houdend met de gevolgen voor de instellingen, de financiële middelen en het vermogen van de EU om haar politieke doelen na te streven); beveelt voorts aan het Europees Nabuurschapsbeleid te versterken, onder meer via initiatieven voor versterking van de betrekkingen op economisch, politiek, veiligheids- en energiegebied tussen de EU en de landen in het Zwarte-Zeegebied, inspanningen voort te zetten om bij te dragen tot stabilisatie van de westelijke Balkan - met inbegrip van het vooruitzicht op toetreding tot de EU - overeenkomstig de agenda van Thessaloniki, de onderhandelingen met Servië over een stabilisatie- en associatieovereenkomst te hervatten, de samenwerking tussen de EU en het Middellandse Zeegebied te versterken, een evenwichtig en breed partnerschap met Rusland te ontwikkelen dat internationale uitdagingen, handel en energie, maar bovenal kwesties op het gebied van mensenrechten en democratisering omvat, en de betrekkingen met Centraal-Azië te verdiepen via een uitgebreide samenwerking met de in die regio actieve internationale instelling;

35.   is van opvatting dat bevordering van de nationale solidariteit, stabiliteit, vrede en democratische en economische ontwikkeling één van de prioriteiten van het EU-beleid voor Afghanistan in de komende jaren moet blijven; pleit voor een degelijke financiering voor deze taken die planning voor de middellange termijn mogelijk maakt; acht het noodzakelijk dat de EU in het bijzonder steun verleent voor de ontwikkeling van stabiele nationale en staatsinstellingen, de economische en culturele ontwikkeling van het land, de ontwapening van privé-milities en de bestrijding van de teelt van en handel in drugs;

36.   is ingenomen met het nieuwe Centraal-Azië-initiatief van het Duitse voorzitterschap, dat zou kunnen leiden tot een effectievere en meer bezielde aanpak in het externe beleid van de EU ten aanzien van deze regio; is van oordeel dat het initiatief kan uitmonden in een unieke brede samenwerking tussen de EU en de landen van Centraal-Azië; is van mening dat de EU groot belang heeft bij een grotere economische stabiliteit, beter bestuur en een betere mensenrechtensituatie in deze regio;

37.   wijst in het licht van een effectief multilateralisme nogmaals op de noodzaak om door te gaan met de algehele hervorming van de VN, met speciale aandacht voor hervorming van de Veiligheidsraad van de VN; juicht in dit verband de veelbelovende hervormingsinitiatieven van de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN toe;

38.   is van opvatting dat alle inspanningen moeten worden verricht om de situatie in Libanon te stabiliseren; is voorts van opvatting dat de Commissie nauwlettend en indringend moet toezien op de wijze waarop de financiële bijstand van de EU wordt gebruikt; roept de Raad ertoe op zich in het kader van het Midden-Oostenkwartet (EU, VS, Russische Federatie en VN) intensiever in te zetten voor het bevorderen van onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen over een alomvattende vredesregeling op basis van twee veilige en levensvatbare staten; beveelt aan dat de EU zich nadrukkelijker bindt aan de standpunten van het kwartet (afzwering van geweld, erkenning van Israël en aanvaarding van eerdere overeenkomsten en verplichtingen, met inbegrip van de Routekaart); is van mening dat de nieuwe Palestijnse regering van nationale eenheid en de erkenning van de bestaande overeenkomsten met Israël voor de EU aanleiding moeten zijn voor een intensievere betrokkenheid in Palestina; is, los van het voorgaande, van opvatting dat de grenzen van 1967 door de Israëlische en de Palestijnse regering principieel geëerbiedigd moeten worden als de scheidslijn tussen twee onafhankelijke staten die elkaar erkennen; is van mening dat directe betrokkenheid van Arabische landen in dit opzicht lonend zou kunnen zijn; steunt de oproep van het kwartet tot voorzetting van de internationale bijstand aan het Palestijnse volk;

39.   beveelt aan pragmatische stappen te ondernemen om de trans-Atlantische betrekkingen met de Verenigde Staten enerzijds en Latijns-Amerika - via stimulering van integratieprocessen - anderzijds op gelijkwaardige basis te versterken, met inbegrip van de strijd tegen het terrorisme op basis van eerbiediging van de mensenrechten en het internationale recht, met behulp van een nieuwe Trans-Atlantische Partnerschapsovereenkomst ter vervanging van de huidige Nieuwe Trans-Atlantische Agenda; stelt in dit verband voor een mechanisme voor regelmatige evaluatie van deze Trans-Atlantische Partnerschapsovereenkomst in te stellen dat vergelijkbaar is met het evaluatiemechanisme voor de EVS, waarbij deskundigen uit de EU en de Verenigde Staten het Trans-Atlantisch Partnerschap continu trachten te verbeteren, teneinde het volledige potentieel ervan te benutten;

40.   beveelt voorts aan de onderhandelingen over een Partnerschapsovereenkomst met China te bespoedigen, op voorwaarde dat er aanzienlijke vooruitgang wordt geboekt op het gebied van democratie en mensenrechten, het strategische partnerschap met India te verdiepen, de politieke en economische samenwerking met Japan en de ASEAN uit te breiden en te streven naar een actieve rol voor de EU bij lopende kwesties op het Koreaanse schiereiland, die niet beperkt mag blijven tot financiering;

41.   beveelt ten sterkste aan stappen te ondernemen voor een doorslaggevende betrokkenheid bij de tenuitvoerlegging van de EU-Afrika-strategie die verder gaat dan het traditionele beleid voor ontwikkeling en bijstand, met name met het oog op het aanstaande Portugese voorzitterschap, dat gastheer zal zijn voor de komende Top EU-Afrika, het regionale Latijns-Amerikaanse integratieproces een impuls te geven door de associatieovereenkomst EU-Mercosur af te ronden en onderhandelingen over soortgelijke overeenkomsten te starten met de Midden-Amerikaanse landen en de Andes-Gemeenschap;

42.   onderstreept de noodzaak het Barcelona-proces een nieuwe impuls te geven, teneinde bij te dragen tot een evenwichtige economische, sociale en democratische ontwikkeling van de betrokken landen;

43.   is van opvatting dat de EU in het licht van het ophanden zijnde besluit van de VN-Veiligheidsraad over een pakket voorstellen ter regeling van de status van Kosovo volledig voorbereid moet zijn om haar nieuwe taken en verantwoordelijkheden in de regio op zich te nemen en bijgevolg een eendrachtig en gemeenschappelijk standpunt over de nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad ter vervanging van resolutie nr. 1244 (1999) moet innemen; roept de Raad er bovendien toe op om krachtiger en effectiever op te treden met betrekking tot de bevroren conflicten in de zuidelijke Kaukasus en Transnistrië;

44.   verwijst naar zijn uitgebreide resoluties en verslagen over de verschillende geografische gebieden die van belang zijn voor de EU, daar deze waardevolle bijdragen bevatten voor het debat over de wijze waarop het beleid van de EU voor deze gebieden zich dient te ontwikkelen;

Parlementair toezicht op het GBVB

45.   neemt kennis van het beschrijvende jaarverslag over de GBVB-activiteiten in 2005 dat door de Raad op 30 juni 2006 werd voorgelegd; herhaalt dat de Raad het Parlement niet alleen dient te informeren, maar bovenal volledig moet betrekken bij de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzes in het GBVB in 2007; betreurt dat de Raad het in artikel 21 van het EU-Verdrag en in het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 vastgelegde recht van het Parlement om jaarlijks ex ante te worden geraadpleegd over aspecten en keuzes voor 2006, andermaal heeft genegeerd;

46.   merkt op dat het, ondanks de schending door de Raad van artikel 21 van het EU-Verdrag, om procedurele redenen niet mogelijk is een klacht over de handelwijze van de Raad in te dienen bij het Hof van Justitie, daar artikel 21 van het EU-Verdrag niet is opgenomen in de exhaustieve lijst van artikel 46 van het EU-Verdrag van gevallen waarin de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende acties bij het Hof van Justitie ook van toepassing zijn op het GBVB;

47.   spreekt nogmaals zijn teleurstelling uit over het feit dat de Raad het Parlement slechts heeft geïnformeerd en dat het Parlement slechts een beschrijvende lijst van in het voorgaande jaar uitgevoerde GBVB-activiteiten krijgt voorgelegd, zoals de Raad overigens zelf opmerkt in zijn inleidende opmerkingen bij de jaarverslagen, in plaats van aan het begin van elk jaar, zoals voorzien in artikel 28 van het EU-Verdrag, daadwerkelijk te worden geraadpleegd over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes voor dat jaar, met inbegrip van de financiële gevolgen daarvan, gevolgd door verslaglegging ten aanzien van de vraag of en, zo ja, op welke wijze rekening is gehouden met de bijdrage van het Parlement; en benadrukt dat deze handelswijze de facto een schending is van het bepaalde in artikel 21;

48.   roept de Raad ertoe op deze situatie recht te zetten door de punten 42 en 43 van het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer van 17 mei 2006, in werking getreden op 1 januari 2007, op bredere en flexibelere wijze te interpreteren, teneinde het recht van het Parlement op jaarlijkse raadpleging ex ante over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes in het GBVB, te waarborgen; benadrukt dat niets in de bestaande Verdragen erop wijst dat het woord "raadpleging" in bovengenoemd artikel 21 een andere betekenis zou hebben dan de in het recht van de EU gebruikelijke;

49.   neemt met name kennis van de punten 42 en 43 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2006, betreffende de financiering van het GBVB en een gestructureerde dialoog tussen de Raad en het Parlement, die zouden kunnen bijdragen tot een daadwerkelijke raadpleging van de bevoegde commissie indien zij op constructieve en flexibele wijze worden geïnterpreteerd; beschouwt in dit verband de verhelderende briefwisseling tussen het Finse voorzitterschap en de voorzitters van de twee betrokken commissies als een gedeeltelijke invulling van de vereiste raadpleging van het Parlement;

50.   waarschuwt voor iedere restrictieve interpretatie van punt 43 van het Interinstitutioneel Akkoord uit 2006 die zou kunnen leiden tot een situatie waarin het recht van het Parlement om in overeenstemming met artikel 21 van het EU-Verdrag aan het begin van elk jaar daadwerkelijk te worden geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzes voor dat jaar, wordt omzeild;

51.   beklemtoont zijn bereidheid om aan het begin van elk jaar een debat met de Raad en de Hoge Vertegenwoordiger/Secretaris-generaal van de Raad te houden over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzes in het GBVB voor dat jaar, daar dit een ideale gelegenheid is om het Parlement te raadplegen; is bovendien van oordeel dat het zeer zinvol zou zijn voor kandidaten voor de post van Hoge Vertegenwoordiger/Secretaris-generaal om hun programma's voor te leggen aan de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement;

52.   moedigt zowel de Raad als de lidstaten ertoe aan het parlementaire toezicht op het EVDB verder te versterken door te waarborgen dat het Europees Parlement een belangrijke rol kan spelen met behulp van het mechanisme van de gestructureerde dialoog dat is opgenomen in het nieuwe interinstitutionele akkoord en via een nauwere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen;

53.   acht het van groot belang dat het Parlement nauw wordt betrokken bij de discussies over en de procedure voor de sluiting van internationale verdragen en overeenkomsten tussen de EU en derde landen;

54.   stelt voor dat er maatregelen worden genomen ter versterking van, met name, het toezicht door het Parlement op inlichtingen- en veiligheidsdiensten ten aanzien van:

  a) de betrekkingen tussen instellingen en agentschappen van de EU:
   - door het Parlement de bevoegdheid te geven de Coördinator voor terrorismebestrijding en de directeuren van het SitCen, het Satellietcentrum van de Europese Unie (EUSC) en Eurojust te benoemen en te ontslaan;
   - door te waarborgen dat de Coördinator voor terrorismebestrijding en de directeuren van het SitCen, het Satellietcentrum van de Europese Unie (EUSC) en Eurojust het Parlement jaarlijks een verslag over hun werkzaamheden en hun begroting voorleggen en door ervoor te zorgen dat naar behoren rekening wordt gehouden met alle aanbevelingen en opmerkingen ter zake van het Parlement;
  b) de betrekkingen tussen de lidstaten en de instellingen en agentschappen van de Unie:
   - door het ontwikkelen van samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen, teneinde te voorzien in democratisch toezicht op inlichtingen- en veiligheidsagentschappen/organen van de EU en transparantie en geruststelling voor de burgers van de Europese Unie ten aanzien van de activiteiten van de zowel de Europese als de nationale veiligheids- en inlichtingendiensten;
   - door het Interinstitutioneel Akkoord van 20 november 2002(23) over de financiering van het solidariteitsfonds van de Europese Unie te actualiseren, teneinde gevoelige informatie op te nemen in alle GBVB-activiteiten en te waarborgen dat het Parlement volledig op de hoogte wordt gehouden van alle beschikbare informatie met betrekking tot het gehele terrein;
   - door met name de rol van het bestaande Speciaal Comité van het Europees Parlement, zoals bedoeld in het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2002 over de toegang van het Europees Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid(24), te versterken, teneinde dit Comité in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de nieuwe inlichtingenorganen op EU-niveau (EUSC, SitCen, het bureau van de Coördinator voor terrorismebestrijding, Eurojust en de militaire staf van de EU);
   - door de Coördinator voor terrorismebestrijding reële volmachten te geven via versterking van zijn bevoegdheden en zijn mandaat;
  c) de betrekkingen tussen de EU en derde landen:
   - door een uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen het Speciaal Comité van het Parlement en de inlichtingencommissies van het Amerikaanse Congres tot stand te brengen;
   - door derde landen en in het bijzonder toetredende of geassocieerde landen te verzoeken beschikbare gevoelige informatie of inlichtingenmateriaal betreffende het GBVB te delen met hun EU-partners via hun respectieve parlementen of regeringen;

De financiering van het GBVB/EVDB

55.   acht het totaalbedrag van 1 740 miljoen EUR dat is toegewezen voor het GBVB voor de periode van 2007 tot 2013 onvoldoende om de ambities van de EU als mondiale speler te verwezenlijken, maar erkent dat de overeengekomen financiering voor het GBVB ten bedrage van 159,2 miljoen EUR voor 2007 een belangrijke stap voorwaarts is in vergelijking met eerdere middelentoewijzingen;

56.   verheugt zich over de versterking van het GBVB-hoofdstuk waarover het Parlement en de Raad hebben onderhandeld en waarbij is overeengekomen dat er in de periode 2007-2013 ten minste 1 740 miljoen EUR voor het GBVB beschikbaar is; herinnert eraan dat dit niveau van de middelen meer dan driemaal hoger is dan de financiering in de oude financiële vooruitzichten en juist om die reden gepaard dient te gaan met krachtigere maatregelen voor parlementair toezicht en betere samenwerking van de zijde van de Raad;

57.   is ingenomen met het reeds aangehaalde Interinstitutioneel Akkoord van 2006 dat een grotere deelname van het Parlement aan het besluitvormingsproces voor het GBVB alsmede meer democratisch toezicht op het externe optreden van de EU en op de financiering van GBVB-activiteiten mogelijk maakt, en de bestaande GBVB-bepalingen inzake regelmatig politiek overleg met het Europees Parlement consolideert en versterkt;

58.   is van opvatting dat een echte beoordeling van de financiële gevolgen voor de begroting van de EU tot dusver is gehinderd door het ontbreken van pro-actieve informatieverstrekking van de zijde van de Raad, hoewel over deze kwestie de afgelopen jaren gezamenlijke vergaderingen zijn gehouden; is van mening dat met de ondertekening van het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord het ogenblik is gekomen om deze bepalingen, die nu duidelijk zijn geformaliseerd, naar letter en geest ten uitvoer te leggen;

59.   betreurt de vroegere houding van de Raad om pas substantiële financiële informatie te verstrekken als de definitieve besluiten al genomen waren, waardoor het eigenlijke doel van deze procedure teniet werd gedaan; is echter verheugd over het feit dat er sprake is van enige verbetering in dit opzicht, in het bijzonder in verband met de nieuwe missie in Kosovo, en verwacht dat deze verbetering zich op regelmatige basis voorzet;

60.   wijst derhalve met nadruk op de punten 42 en 43 van het Interinstitutioneel Akkoord; beklemtoont met name dat de Raad krachtens het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord het Parlement jaarlijks vóór 15 juni moet raadplegen over een prospectief document over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan; onderstreept dat dit document ook een evaluatie van de in het voorgaande jaar genomen maatregelen moet bevatten; is van mening dat beide elementen samen de basis kunnen vormen voor een daadwerkelijk verbeterde democratische controle;

61.   betreurt, gezien het reeds ontoereikende bedrag voor het GBVB voor de periode 2007-2013, dat in het specifieke artikel in het begrotingshoofdstuk voor het GBVB dat gewijd is aan Speciale Vertegenwoordigers van de EU geen sprake is van voorkoming van de proliferatie van dergelijke gezanten, die per definitie alleen in speciale gevallen moeten worden benoemd en de rol van de delegaties van de Commissie ter plaatse niet mogen ondermijnen;

62.   herinnert eraan dat Speciale Vertegenwoordigers van de EU onder de begroting voor het GBVB vallen en dat alle toepasselijke bepalingen van punt 42 van het Interinstitutioneel Akkoord ook gelden voor de financiële gevolgen van de verlenging van hun mandaat; is van mening dat er criteria moeten worden vastgesteld voor de benoeming en beoordeling van Speciale Vertegenwoordigers van de EU, met inbegrip van hun taakomschrijving en doelstellingen, de duur van hun mandaat, coördinatie en complementariteit met de Commissiedelegaties in het kader van de eerste pijler en een beoordeling van hun potentiële "toegevoegde waarde"; roept de Raad en de Commissie ertoe op samen te werken op dit gebied, onder meer door tijdig toegang te verschaffen tot de evaluatierapporten, die substantiële, gedetailleerde en objectieve informatie dienen te bevatten en opgesteld dienen te worden onder verantwoordelijkheid van de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB;

63.   maakt zich met name zorgen over het feit dat gemengd GBVB-optreden, met uitgaven die voortvloeien uit zowel civiel optreden als optreden met militaire of defensie-implicaties, tot dusver voor ongeacht welk parlement vrijwel onmogelijk te beoordelen is geweest; wijst erop dat dit het gevolg is van de gefragmenteerde situatie waarin nationale parlementen enerzijds zicht hebben op het militaire/defensiegedeelte van de financiering en het Europees Parlement anderzijds uitsluitend zicht heeft op de civiele aspecten; benadrukt dat dergelijke gecombineerde civiele en militaire activiteiten over hun gehele reikwijdte gecontroleerd moeten kunnen worden; verzoekt de Raad en de Commissie derhalve om volledige medewerking bij het vinden van manieren om een totaalbeeld te krijgen van deze missies en hun meerzijdige financieringsstructuur;

64.   uit zijn bezorgdheid over het feit dat het Interinstitutioneel Akkoord er niet expliciet in voorziet dat de gezamenlijke kosten van militaire operaties in het kader van het EVDB worden gedekt uit de begroting van de Gemeenschap, waardoor er een einde zou komen aan de bestaande praktijk om gebruik te maken van aanvullende begrotingen of startfondsen van lidstaten;

65.   betreurt derhalve dat in het Interinstitutioneel Akkoord geen veranderingen zijn aangebracht in de bestaande regels voor EVDB-operaties, zoals het beginsel dat de "kosten worden gedragen waar zij worden gemaakt" of andere ad hoc-regelingen, zoals het zogeheten "ATHENA-mechanisme"; herinnert eraan dat dergelijke mechanismen de financiële lasten voor de lidstaten die in het veld de grootste bijdrage leveren, bestendigen en aldus de toekomstige deelname aan EVDB-operaties in gevaar brengen en een situatie creëren die gemakkelijk zou kunnen worden vermeden door dergelijke operaties te betalen uit de begroting van de EU;

66.   betreurt dat de Raad, in ten minste één geval, bepaalde kosten heeft gefinancierd met behulp van het intergouvernementele "ATHENA-mechanisme", hoewel de Commissie duidelijk van oordeel was dat de desbetreffende uitgaven uit de EU-begroting zouden moeten worden betaald; is van opvatting dat de Raad en de Commissie de plicht hebben om in geval van twijfel het Europees Parlement te informeren en te raadplegen en kan eenzijdige besluiten van de Raad niet aanvaarden;

67.   verzoekt de Raad het Parlement op de hoogte te brengen van de nieuwe bepalingen voor het "ATHENA-mechanisme", die in december 2006 zijn goedgekeurd; is verrast dat de Raad het niet nodig heeft geacht het Parlement hierover te informeren tijdens de twee gezamenlijke vergaderingen die in het najaar van 2006 zijn gehouden, te meer daar dit punt eerder in het jaar was besproken;

68.   herhaalt in verband hiermee zijn voorstel een nieuwe begrotingsmethodologie te ontwikkelen ter vergroting van de transparantie van de EVDB-uitgaven en ter ondersteuning van de ontwikkeling van de militaire en civiele capaciteiten die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van de EVS te verwezenlijken, waarbij:

   a) in een beginfase, de Raad een begrotingsdocument opstelt dat een weerspiegeling vormt van de door de lidstaten gedane toezeggingen voor de verwezenlijking van de civiele hoofddoelen voor 2008 en de militaire hoofddoelen voor 2010;
   b) in een tweede fase, de lidstaten zich tot het EVDB verbinden door middel van een indicatieve "begroting", die jaarlijks wordt behandeld door het Europees Parlement en de parlementen van de lidstaten, waarin zij op meerjarige basis kredieten vastleggen voor de financiering van materieel en personeel voor EVDB-operaties en aldus uiting geven aan de bereidheid van de lidstaten om middelen uit te trekken voor het EVDB en te zorgen voor een grotere transparantie van de militaire uitgaven;
   c) in de eindfase, waarin gemeenschappelijk besluiten worden genomen over de rationalisering van de begroting voor het GBVB en het EVDB, met inbegrip van de boekhoudkundige opneming van de nationale uitgaven op EU-niveau in de veiligheids- en defensiedimensie in het kader van het voor 2008-2009 geplande herziene financiële stelsel van de EU;

69.   merkt op dat alle onderbestedingen, in het bijzonder terugvorderingen, in het GBVB door de Commissie worden behandeld als "bestemmingsontvangsten" in de zin van het Financieel Reglement en derhalve opnieuw worden opgenomen op de begrotingslijnen voor het volgende jaar; is er niet van overtuigd dat deze handelwijze in overeenstemming is met de bepalingen van het Financieel Reglement; verzoekt de Rekenkamer deze kwestie te onderzoeken;

o
o   o

70.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de NAVO en de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.
(2) PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 182.
(3) PB C 247 E van 6.10.2005, blz. 88.
(4) PB C 288 E van 25.11.2006, blz. 59.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0495.
(6) PB C 300 E van 9.12.2006, blz. 267.
(7) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 396.
(8) PB C 300 E van 9.12.2006, blz. 482.
(9) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0566.
(10) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 226.
(11) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 235.
(12) PB C 82 E van 1.4.2004, blz. 610.
(13) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 240.
(14) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 233.
(15) PB C 320 E van 15.12.2005, blz. 253.
(16) PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 112.
(17) PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 341.
(18) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.
(19) Aangenomen teksten; P6_TA(2006)0569.
(20) Aangenomen teksten; P6_TA(2006)0568.
(21) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(22) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0032.
(23) PB C 283 van 20.11.2002, blz. 1.
(24) PB C 298 van 30.11.2002, blz. 1.


Bevordering van waardig werk voor iedereen
PDF 177kWORD 98k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 mei 2007 over bevordering van waardig werk voor iedereen (2006/2240(INI))
P6_TA(2007)0206A6-0068/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie over bevordering van waardig werk voor iedereen - Bijdrage van de Europese Unie aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld (COM(2006)0249) (mededeling van de Commissie over waardig werk),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie - Bijlage bij de mededeling van de Commissie over waardig werk (SEC(2006)0643),

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 januari 2007 over de mededeling van de Commissie over waardig werk(1),

–   gezien de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) over fundamentele beginselen en rechten op het werk,

–   gezien het Europees Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–   gezien de Verdragen van de IAO en de fundamentele arbeidsnormen,

–   gezien paragraaf 47 van de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 16 september 2005 over het resultaat van de Wereldtop 2005, die gaat over waardig werk en rechtvaardige globalisering,

–   gezien de aanneming van de ministeriële verklaring door de Economische en Sociale Raad van de VN van 5 juli 2006, waarin wordt gesteld dat er een nijpende behoefte is om op alle nationale en internationale niveaus een milieu te creëren dat het genereren van volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor allen begunstigt, als een kernelement van duurzame ontwikkeling,

–   gezien het verslag van de World Commission on the Social Dimension of Globalisation met de titel "Een billijke globalisering: het creëren van kansen voor allen" van 24 februari 2004,

–   gezien de mededeling van de Commissie over "De sociale dimensie van de globalisering - Hoe de EU ertoe bijdraagt dat iedereen er voordeel van heeft" (COM(2004)0383),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Tweede jaarverslag over migratie en integratie" (SEC(2006)0892),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 juli 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité - Bevordering van fundamentele arbeidsnormen en verbetering van de sociale governance in de context van de globalisering(2),

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese consensus"(3),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Investeren in mensen - Mededeling over het thematisch programma voor menselijke en sociale ontwikkeling en de financiële vooruitzichten 2007-2013" (COM(2006)0018) (mededeling van de Commissie over investeren in mensen),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 oktober 2002 over de mededeling van de Commissie - Zich aanpassen aan de veranderingen in werk en samenleving: een nieuwe communautaire gezondheids- en veiligheidsstrategie 2002 - 2006(4),

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociaal beleid van het IAO-bestuursorgaan getiteld over een aanpassing van de uitvoering van de werkgelegenheidsagenda van de wereld en daarmee samenhangende aspecten van beleidsintegratie van maart 2004,

–   gezien het IAO-werkdocument over juridische aspecten van mensensmokkel voor gedwongen arbeid in Europa van april 2006,

–   gezien het IAO-werkdocument nr. 58 over waardig werk, normen en indicatoren van augustus 2005,

–   gezien de IAO-studie over tekorten op het gebied van waardig werk in de gehele wereld: Meettrends met index van augustus 2006,

–   gezien de discussie-nota over waardig werk in nationale kaders, in voorbereiding op het IAO-seminarie over globale doelstellingen en nationale uitdagingen, oktober 2004,

–   gelet op artikel 31, lid 1 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie, waarin gesteld wordt dat iedere werknemer recht heeft op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden,

–   gelet op artikel 152, lid 1 van het EG-Verdrag, waarin gesteld wordt dat bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt verzekerd,

–   gelet op artikel 50 van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (overeenkomst van Cotonou)(5),

–   gelet op de conclusies van de Raad over waardig werk voor iedereen, die zijn aangenomen in Brussel op 1 december 2006,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(6),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld(7),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie internationale handel (A6-0068/2007),

A.   overwegende dat het concept van waardig werk veel verder gaat dan de handhaving van de fundamentele arbeidsnormen; overwegende dat dit concept onder meer omvat: productief en vrij gekozen werk, de rechten op het werk, sociale bescherming en sociale dialoog en de integratie van gelijke kansen voor vrouwen en mannen in het beleid krachtens alle vier de pijlers,

B.   overwegende dat de middelen om voor waardig werk te kunnen zorgen, moeten worden aangepast aan de specifieke kenmerken van iedere samenleving, haar ontwikkelingsniveau en haar capaciteiten; overwegende dat inspanningen om waardig werk te bevorderen zowel werknemers in de officiële economie als in de informele economie moeten omvatten alsook werknemers in de landbouwsector, zelfstandigen, deeltijdwerkers, tijdelijke arbeidskrachten en thuiswerkers,

C.   overwegende dat de bevordering van waardig werk voor iedereen op alle niveaus een doelstelling in de gehele wereld moet zijn, zoals onderstreept door de World Commission on the Social Dimension of Globalisation, de resolutie van de VN over het resultaat van de Wereldtop 2005 en de ministeriële verklaring die op 5 juli 2006 door de Economische en Sociale Raad van de VN werd aangenomen; overwegende dat deze doelstelling ook deel moet uitmaken van de inspanningen om de millennniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's) te halen en de verbintenissen van de Wereldtop voor sociale ontwikkeling van 1995 te Kopenhagen gestand te doen,

D.   overwegende dat tegenwoordig de neiging heerst waardig werk te veronachtzamen en te ondermijnen als gevolg van het feit dat nieuwe goedkope arbeidsmarkten beschikbaar komen en de daarmee gepaard gaande pogingen om "lucratieve" sociale dumping te exploiteren,

E.   overwegende dat de IAO de aangewezen organisatie is voor de omschrijving van en het onderhandelen over de internationale arbeidsnormen en het toezien op de toepassing ervan in de wet en in de praktijk; overwegende dat meer samenwerking tussen de IAO en alle relevante belanghebbenden en de volledige medewerking van de IAO aan het werk van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van essentieel belang zijn en overwegende dat de EU, die haar 27 lidstaten vertegenwoordigt, een belangrijk gewicht en een voorname rol op dit gebied heeft, evenals op het gebied van sociale governance,

F.   overwegende dat met de landenprogramma's van de IAO inzake waardig werk en ook met andere inspanningen van internationale ontwikkelingsagentschappen en de Verenigde Naties om de problemen in verband met de werkgelegenheid aan te pakken, een bijdrage in bredere zin leveren aan de ontwikkelings-, werkgelegenheids- en armoedebestrijdingsstrategieën op nationaal en regionaal niveau,

G.   overwegende dat het merendeel van de programma's en studies inzake externe samenwerking voor de periode 2000-2006 geen betrekking hadden op werkgelegenheid, sociale cohesie en waardig werk,

H.   overwegende dat waardig werk in het middelpunt komt te staan van de voortdurende verbetering van de arbeidsomstandigheden en de strijd tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting,

I.   overwegende dat aan de normen voor waardig werk vaak niet wordt voldaan bij deeltijdwerk, gedeeltelijke werkloosheid en, in de informele economie, bij niet-gedeclareerde en illegale activiteiten, waaronder gedwongen arbeid en kinderarbeid,

J.   overwegende dat situaties waarin het beginsel van waardig werk niet wordt nageleefd ook aangetroffen kunnen worden bij mensen die gedwongen zijn in deeltijd te werken, in plaats van er zelf voor gekozen te hebben, aangezien velen onder hen leven van inkomens die lager zijn dan het minimumloon,

K.   overwegende dat tot de belangrijkste instrumenten ter bestrijding van armoede, werkloosheid en sociale uitsluiting moeten worden gerekend: eerbiediging van culturele diversiteit, een billijke mondialisering, de doelstellingen van volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor iedereen, met inbegrip van mensen met een handicap, vrouwen, jonge en oude werknemers, culturele en inheemse minderheden, migranten, laaggekwalificeerde personen en mensen die in achtergebleven en minder ontwikkelde gebieden leven,

L.   overwegende dat al diegenen die op internationaal niveau actief zijn ertoe moeten bijdragen dat ouderen meer mogelijkheden krijgen om waardig werk te krijgen en te behouden, bijvoorbeeld enerzijds door hun toegang tot doorlopende scholing of omscholing voor nieuwe soorten banen te verbeteren, en anderzijds te zorgen voor toereikende pensioenen, medische zorg en elke andere vorm van sociale zekerheid die vereist is, in aanmerking nemend dat sociale bescherming integraal deel uitmaakt van waardig werk,

M.   overwegende dat jongeren overal het recht hebben waardig werk te vinden; en overwegende dat deze inspanningen moeten worden ontwikkeld op basis van een levenscyclus- en intergeneratiebenadering; overwegende dat een lange periode van werkloosheid aan het begin van het beroepsleven van jonge mensen een blijvende invloed kan hebben op hun kansen op werk, hun inkomen en hun toegang tot banen van goede kwaliteit,

N.   overwegende dat de kans bestaat dat veel migrerende werknemers in Europa geen waardige werkomstandigheden kennen,

O.   overwegende dat in vele delen van de wereld vrouwen het risico lopen in oneerlijke werkomstandigheden terecht te komen en daarom op dit punt speciale aandacht verdienen,

P.   overwegende dat onderwijs- en beroepsopleidingssystemen die afgestemd zijn op de eisen van de kennismaatschappij een cruciale rol spelen bij de voorbereiding van jongeren op hun opname in de arbeidsmarkt doordat zij helpen hun kansen om waardig werk van betere kwaliteit te vinden, te verbeteren,

Q.   overwegende dat het met een proces van levenslang leren voor iedereen mogelijk is de noodzakelijke vaardigheden te verwerven om zich aan te passen aan de veranderende behoeften van de arbeidsmarkt, een bijdrage te leveren aan de productiviteit daarvan en als actieve burgers een rol in de kennismaatschappij te spelen,

R.   overwegende dat alle lidstaten nationale actieplannen voor de werkgelegenheid hebben opgesteld overeenkomstig de werkgelegenheidsrichtsnoeren die ingevoerd werden naar aanleiding van de buitengewone zitting van de Europese Raad inzake de werkgelegenheid in Luxemburg op 20 en 21 november 1997,

S.   overwegende dat met de Europese werkgelegenheidsstrategie (EWS) en de strategie voor sociale bescherming en sociale integratie wordt getracht richting te geven aan en waarborgen te scheppen voor de coördinatie van de prioriteiten op het gebied van het beleid inzake werkgelegenheid, sociale bescherming en sociale integratie die de lidstaten op EU-niveau moeten nastreven,

T.   overwegende dat de Europese Raad van 22 en 23 maart 2005 in zijn herziene strategie van Lissabon voor groei en banen en een Europese strategie voor duurzame ontwikkeling heeft onderstreept hoe belangrijk het is het arbeidsleven op sociaal duurzame wijze te ontwikkelen,

U.   overwegende dat de EU zich met de strategie van Lissabon een nieuw strategisch doel heeft gesteld, namelijk: de meest concurrerende en dynamische op kennis gebaseerde economie ter wereld te worden, met het vermogen tot een duurzame economische groei en met meer en betere banen, sociale samenhang en een hoog niveau van milieubescherming; overwegende echter dat tot op heden nog niet veel van de verwachte resultaten te merken is,

V.   overwegende dat het, zoals aangegeven in de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid voor de periode 2005-2008 (COM(2005)0141), voor de versterking van het concurrentievermogen van de Europese Unie op een sociaal duurzame wijze belangrijk is de productiviteit te verbeteren door middel van bevordering van waardig werk en de kwaliteit van het arbeidsleven, waaronder gezondheid en veiligheid op het werk, een beter evenwicht tussen flexibiliteit en veiligheid in een betrekking, levenslang leren, wederzijds vertrouwen en participatie en het beter combineren van privé-leven, gezinsleven en werk; overwegende dat de bestrijding van genderdiscriminatie en alle andere vormen van discriminatie en ook de bevordering van de sociale integratie van kwetsbare groepen integraal deel uitmaken van het streven naar waardig werk voor iedereen,

1.   is van oordeel dat waardig werk centraal moet staan in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting;

2.   is van oordeel dat de Europese Unie een belangrijke bijdrage kan leveren aan de bevordering van waardig werk voor iedereen door middel van haar interne en externe beleid, het hanteren van haar sociale waarden en beginselen, de bestrijding van allerlei vormen van sociale dumping en het spelen van een geprononceerde rol op internationaal niveau;

3.   benadrukt dat waardig werk niet alleen een kwestie is van werkgelegenheid of sociale bescherming, maar ook een kwestie van bestuur, en dat voor de invoering van doeltreffend beleid dat gericht is op waardig werk rekenschap afleggende instellingen, politiek engagement voor een gezond staatsbestuur en een dynamisch en georganiseerd maatschappelijk middenveld nodig zijn;

4.   vraagt de Raad en de Commissie om rekening te houden met de overwegingen en aanbevelingen van de World Commission on the Social Dimension of Globalisation, de resolutie van de VN over het resultaat van de Wereldtop 2005 en de ministeriële verklaring van 5 juli 2006 van de Economische en Sociale Raad van de VN, en om het perspectief van waardig werk bij alle activiteiten van de Europese Unie te betrekken en om de lidstaten aan te moedigen hetzelfde te doen;

5.   benadrukt dat het noodzakelijk is dat multinationale ondernemingen vooral het beginsel van de sociale dimensie van mondialisering in ere houden en zich bij al hun bedrijfsactiviteiten over heel de wereld aan de internationale arbeidsnormen en praktijken voor waardig werk houden;

6.   vraagt de Commissie haar voorgestelde strategie en oriëntaties voor een betere mobilisatie van het interne en externe beleid van de Europese Unie ter bevordering van de agenda voor waardig werk in de praktijk te brengen, in het bijzonder bij zaken als ontwikkeling, externe bijstand, uitbreiding, nabuurschapsbeleid, handel, migratie en externe bilaterale en multilaterale betrekkingen;

7.   verzoekt de Raad en de Commissie hun verantwoordelijkheden inzake de invoering van het stelsel van algemene preferenties (SAP+) niet van zich af te schuiven, maar actief samen te werken met de IAO om te waarborgen dat de voorwaarden van de overeenkomsten volledig worden nageleefd en indien nodig gebruik te maken van hun bevoegdheden om preferenties te annuleren voor landen die de fundamentele sociale, arbeids- en mensenrechten, waaronder het recht op vrijheid van vereniging, en andere fundamentele IAO-verdragen en fundamentele arbeidsnormen niet eerbiedigen;

8.   verzoekt de Commissie om strenger te zijn bij de tenuitvoerlegging van het SAP+, door de begunstigde overheden aanbevelingen te doen en de toezichtsmaatregelen in werking te stellen waarin Verordening (EG) nr. 980/2005 van de Raad van 27 juni 2005 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voorziet(8), en indien nodig de mechanismen voor de tijdelijke intrekking van preferenties toe te passen voor landen die hun verbintenissen niet nakomen en sociale grondrechten ernstig en systematisch schenden, maar er tegelijk voor te zorgen dat de intrekking van preferenties niet leidt tot aanmoediging van protectionisme; vraagt tevens de controle op en toepassing van deze mechanismen uit te breiden tot de overige SAP+-begunstigde landen, in het bijzonder ten aanzien van kinderarbeid en dwangarbeid, waarvan de uitbanning een centrale uitdaging vormt voor de IAO, zoals gesteld in haar verslag "Het einde van kinderarbeid: binnen bereik";

9.   verzoekt de lidstaten naar aanleiding van het engagement van de Commissie in haar mededeling over waardig werk om bij het sluiten van handelsovereenkomsten met derde landen rekening te houden met de sociale dimensie van waardig werk in de initiatieven van de Commissie;

10.   onderstreept dat de agenda voor waardig werk een aantal universele strategieën bestrijkt die niet vastzitten aan een specifiek ontwikkelingsmodel maar direct verband houden met een rechtvaardigere en evenwichtigere verdeling van de geproduceerde welvaart, en dat het een instrument is waarmee het ontwikkelingsproces wordt toegesneden op bij acties en governance te hanteren waarden en beginselen waarin economisch concurrentievermogen en sociale rechtvaardigheid samengaan;

11.   verzoekt de Commissie, in het kader van de strategie voor duurzame ontwikkeling, om een op vrijheid en verantwoordelijkheid gebaseerde consequente benadering te ontwikkelen voor verbanden tussen het sociale beleid, het werkgelegenheidsbeleid en het milieubeleid;

12.   benadrukt dat het doel van waardig werk vraagt om een consistent en geïntegreerd geheel van economische en sociale beleidsvormen die gericht zijn op de bevordering van productieve kwaliteitsbanen; onderstreept dat de agenda voor waardig werk pleit voor beleidsbeslissingen die verder gaan dan het traditionele arbeidsmarktbeleid, en dat deze agenda moet worden ondersteund door alle economische vormen van economisch beleid van de lidstaten;

13.   doet een beroep op de lidstaten en het bedrijfsleven om, in samenwerking met de sociale partners en op basis van het Gemeenschapsrecht inzake veilige en gezonde werkomstandigheden, preventieve strategieën te implementeren alsook maatregelen te treffen ter bescherming van het moederschap, en de werkomstandigheden te verbeteren voor aanstaande moeders en werknemers die onlangs moeder zijn geworden of borstvoeding geven;

14.   onderstreept de noodzaak van grotere transparantie van de arbeidsmarkt, om te zorgen dat iedere baan (voor bepaalde of onbepaalde tijd, in voltijd of deeltijd, op uurbasis) wordt gedeclareerd en behoorlijk wordt beloond, en dat ten volle rekening wordt gehouden met de rechten van werknemers, fundamentele arbeidsnormen, de sociale dialoog, de sociale bescherming (met inbegrip van de veiligheid en gezondheid op het werk) en gendergelijkheid;

15.   herinnert eraan dat de arbeidsvoorwaarden voor jonge mensen, waaronder stagiairs, in overeenstemming moeten zijn met de fundamentele rechten van alle werknemers en de beginselen van waardig werk;

16.   is verheugd over de mededeling van de Commissie over waardig werk en spoort de lidstaten en kandidaat-landen aan om over te gaan tot ratificering en volledige invoering van de IAO-verdragen die door de IAO als up-to-date zijn geclassificeerd, vooral de verdragen in verband met waardig werk; is ervan overtuigd dat de invoering van de IAO-verdragen in verband met waardig werk moet worden bevorderd in het kader van het nabuurschapsbeleid en het externe beleid; verzoekt de Commissie en de lidstaten de IAO te steunen bij de versterking van haar systeem en mechanismen voor het houden van toezicht;

17.   ondersteunt met nadruk de benadering van de Commissie die erop gericht is initiatieven te ondersteunen ter bevordering van vakbondsvrijheid en collectieve onderhandelingen, ter verbetering van de arbeidsadministratie, de arbeidsinspectie en de instanties voor het beheer van de sociale bescherming en ter ontwikkeling van geïntegreerde preventiestrategieën op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk in het kader van uitbreidings- en pretoetredingsprogramma's;

18.   is verheugd over de mededeling van de Commissie over investeren in mensen in het kader van de "Europese Consensus" (ontwikkelingsbeleid van de EU) en het belang dat in dat programma gehecht wordt aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk in de EU-partnerlanden;

19.   wijst erop dat in artikel 12, lid 2, onder (d), onder (ii) van Verordening (EG) nr. 1905/2006 opgeroepen wordt tot de bevordering van de agenda voor waardig werk als universele doelstelling, onder meer door wereldwijde en andere multilaterale initiatieven ter uitvoering van de internationaal overeengekomen fundamentele arbeidsnormen van de IAO, beoordeling van het effect van waardig werk op het handelsverkeer, duurzame en adequate mechanismen voor een eerlijke financiering, doeltreffende werking - en bredere dekking - van stelsels voor sociale bescherming; onderstreept dat daarnaast in artikel 5, lid 2, onder (c) van Verordening (EG) nr. 1905/2006 waardig werk als centraal beleidspunt wordt genoemd; dringt er voorts bij de Commissie op aan in haar ontwikkelingsbeleid actief gebruik te maken van deze bepalingen; verzoekt de Commissie tevens in haar jaarverslag over haar ontwikkelingsbeleid en uitvoering van buitenlandse hulp systematisch te rapporteren over haar inspanningen om waardig werk te bevorderen;

20.   doet een beroep op de Commissie de naleving van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO en het streven naar waardig werk in het handelsbeleid van de WTO-leden aan te moedigen als een doeltreffend geheel van regels, aangevuld door een sanctiestelsel voor partners die zich niet aanpassen aan de normen en tegelijkertijd uitvoering gevend aan de SAP+-procedure; vraagt de Europese Unie de instelling te overwegen van mechanismen om toe te zien op de gelijktijdige ontwikkeling van handel en waardig werk op zowel Europees als internationaal niveau;

21.   roept de Commissie op om het overleg tussen de internationale financiële instellingen, de IAO, de VN en de WTO betreffende de complementariteit en consistentie van hun beleid inzake economische groei, investeringen, handel en waardig werk niet alleen te steunen, maar er, waar mogelijk, ook aan mee te werken;

22.   doet een beroep op de Commissie om er bij de toekenning van handelspreferenties, bijvoorbeeld op basis van het stabiliteits- en groeipact, rekening mee te houden of de begunstigde landen zich houden aan de internationale arbeidsnormen die waardig werk garanderen, zodat landen die niet voldoen aan deze elementaire normen, niet voor handelspreferenties van de Europese Unie in aanmerking komen;

23.   benadrukt dat het noodzakelijk is dat de WTO, de UNCTAD , de IAO en andere internationale organisaties nauwer gaan samenwerken met het oog op de complementariteit van hun respectieve beleid; is van mening dat coherentie van de getroffen maatregelen essentieel is voor de bevordering van waardig werk en het garanderen daarvan in de praktijk; stelt voor om de IAO de status van waarnemer te verlenen binnen de WTO; roept de parlementen van de andere WTO-lidstaten op om dit verzoek te steunen;

24.   verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor het instellen van een comité "handel en waardig werk" binnen de WTO, naar het voorbeeld van het comité "handel en milieu";

25.   wijst erop dat de IAO krachtens haar statuten kan oproepen tot handelssancties tegen een land dat de internationale sociale overeenkomsten niet naleeft, en verzoekt de WTO zich ertoe te verplichten om zich in het belang van de coherentie van het optreden van internationale instellingen aan de IAO-besluiten te houden;

26.   stelt voor de IAO toestemming te geven om expertises ("amicus briefs") in te dienen bij de WTO-panels en de Beroepsinstantie in relevante gevallen waar de schending van internationale overeenkomsten onderwerp is van een geschil en waar rekening moet worden gehouden met de besluiten van de IAO;

27.   stelt voor dat er voor gevallen waarin een besluit van de instantie voor geschillenbeslechting volgens een WTO-lidstaat in strijd is met IAO-besluiten over naleving van overeenkomsten op arbeidsgebied een mogelijkheid moet zijn om beroep aan te tekenen bij de IAO, teneinde voor coherentie van de activiteiten van de internationale gemeenschap ter bevordering van waardig werk te zorgen;

28.   verzoekt de EU om de naleving van de internationale arbeidsnormen deel te laten uitmaken van onderhandelingen over de toetreding van nieuwe lidstaten tot de WTO;

29.   verzoekt de Commissie met klem om de naleving van fundamentele arbeidsnormen als voorwaarde op te nemen in haar inkoop- en aanbestedingsbeleid; verzoekt de Commissie daartoe een beleid te ontwikkelen en handelsgerelateerde steun te bieden, waardoor het ook voor de kleine producenten in ontwikkelingslanden mogelijk zal zijn aan deze normen te voldoen;

30.   benadrukt de noodzaak van de verdere ontwikkeling van methodologieën ter beoordeling van de gevolgen van handel en handelsovereenkomsten op de bevordering van waardig werk, onder andere in mondiale toeleveringsketens en exportproductiezones, en de noodzaak de duurzaamheidseffectbeoordelingen (SIA's) van handel te versterken en op het juiste tijdstip te laten plaatsvinden;

31.   verzoekt de Commissie om redelijke indicatoren voor het aantal arbeidsinspecteurs gebaseerd op het aantal werknemers, zoals gedefinieerd door de IAO, te erkennen en te integreren in haar bilaterale en multilaterale handelsonderhandelingen en in SIA's: 1 inspecteur per 10 000 werknemers in geïndustrialiseerde landen met een markteconomie, 1 inspecteur per 20 000 werknemers in landen met een overgangseconomie en 1 inspecteur per 40 000 werknemers in ontwikkelingslanden;

32.   verzoekt de Commissie toe te zien op de tenuitvoerlegging van artikel 50 van de Overeenkomst van Cotonou, die een specifieke bepaling over handels- en arbeidsnormen bevat en die de verknochtheid van de partijen aan fundamentele arbeidsnormen bevestigt;

33.   verzoekt de Commissie om in samenwerking met de organisaties van de VN, nationale en regionale organisaties, de sociale partners en andere delen van het maatschappelijk middenveld externe samenwerkingsprogramma's voor waardig werk beter te coördineren met de uitvoering van de landenprogramma's voor waardig werk van de IAO of gelijkwaardige stappenplannen, en de gemeenschappelijke inspanningen met het oog op de opneming van waardig werk in strategieën en strategische documenten ter vermindering van de armoede te versterken, aangezien zij waarde kunnen toevoegen aan het streven naar waardig werk voor iedereen; dringt in deze samenhang aan op nauw overleg met de sociale partners en andere delen van het maatschappelijk middenveld;

34.   doet een beroep op de Europese Unie om in samenwerking met de IAO een ontwikkelingsprogramma voor waardig werk te financieren, in het bijzonder met het oog op het bepalen van de doeltreffendste strategieën om waardig werk te bevorderen;

35.   benadrukt dat het, om dichter bij de doelstelling van waardig werk te komen, van cruciaal belang is dat de lidstaten het vastgestelde streefcijfer van 0,7% van hun BNP besteden aan hulp aan ontwikkelingslanden, aangezien groei en gezonde sociale structuren een essentiële voorwaarde zijn om te evolueren naar waardig werk, zeker in ontwikkelingslanden;

36.   moedigt de Commissie aan bij haar activiteiten een geïntegreerde multidimensionele benadering te volgen die gebaseerd is op de vier pijlers van de agenda voor waardig werk: productieve en vrijgekozen werkgelegenheid, rechten op het werk met inbegrip van de fundamentele arbeidsnormen, sociale bescherming en sociale dialoog, en mainstreaming van de genderdimensie in alle pijlers; moedigt de lidstaten aan de invoering van een minimumloon te beschouwen als vangnet dat de uitbuiting van mensen en leven in armoede ondanks een baan voorkomt;

37.   benadrukt dat de opneming van werkgelegenheid en waardig werk in ontwikkelingsstrategieën moet worden gesteund; roept op tot de opneming van een grondiger analyse van werkgelegenheid en andere aspecten van waardig werk in de strategiedocumenten voor armoedebestrijding (PRSP's), de economisch partnertschapsovereenkomsten (CSP's) en de meerjarige indicatieve programma's (MIP's); wijst in dit verband op het belang van overleg met alle relevante betrokkenen, waaronder georganiseerde werkgevers, vakbonden en werknemers, alsmede de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld in de ruimste zin van het woord;

38.   roept op tot een versterking van de ministeries van Werkgelegenheid, werkgeversverenigingen en werknemersorganisaties en een meer systematische inschakeling van deze organen bij het gezamenlijke proces van ontwerp en tenuitvoerlegging van PRSP's, CSP's en MIP's; meent dat met het oog hierop de samenwerking van deze instanties met de ministers van Economische Zaken en Financiën, alsmede met de respectieve internationale financiële en economische instellingen zoals de Bretton Woods Instellingen, de Europese Investeringsbank (EIB) en de WTO moet worden verbeterd; dringt er bij alle partijen op aan ervoor te zorgen dat de CSP's met werkelijke participatie van de betrokkenen worden opgesteld; vraagt de Commissie dringend meer te investeren in de opbouw van technische en institutionele capaciteit en maatregelen te faciliteren om waardig werk te verankeren in de CSP's;

39.   wijst in het bijzonder op de noodzaak om door landen geleide programma's voor waardig werk, of soortgelijke routekaarten, te ontwikkelen met deelname van de organisaties van de sociale partners en andere relevante betrokkenen, gericht op het realiseren van waardig werk voor iedereen door middel van ontwikkelingssamenwerking - met inbegrip van een beleidsdialoog over de effecten op de werkgelegenheid van economisch beleid en governance, maatregelen voor begrotingssteun en opbouw van capaciteit, in het bijzonder institutionele capaciteit - die goed gecoördineerd en geharmoniseerd worden tussen de Commissie, de lidstaten en andere internationale ontwikkelingspartners en relevante partijen, waaronder de IAO en andere VN-agentschappen, alsmede internationale financiële instellingen;

40.   roept op tot hernieuwde inspanningen om schendingen van mensen- en arbeidsrechten te bestrijden, waarbij de mogelijkheid moet bestaan om multinationale bedrijven uit te sluiten van door de Europese Unie en de lidstaten gefinancierde of gesteunde overheidsopdrachten in geval van schending van deze rechten, alsook van exportkredietgaranties van de EIB en andere financiële instellingen; roept de Commissie en de lidstaten op om het eerbiedigen van fundamentele arbeidsnormen verplicht te stellen bij overeenkomsten in het kader van overheidsaanbestedingen, gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds of andere communautaire of bilaterale steun;

41.   verzoekt de lidstaten via een coördinatie van hun inspanningen meer te doen aan de ontwikkeling van kennis en vaardigheden om profijt te hebben van de voordelen die nieuwe technologieën en innovatie brengen en deze voordelen met elkaar te delen; constateert dat waardig werk verwezenlijkt wordt door middel van groei, investeringen en de ontwikkeling van ondernemingen, in combinatie met het openstaan voor sociale ontwikkelingen;

42.   doet in het kader van de Lissabon-strategie en de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (2005-2008) een beroep op de EU-instellingen, om een Europese ondernemerscultuur te ontwikkelen en te bevorderen die gericht is op individuen en in het bijzonder jonge mensen teneinde sterk groeiende ondernemingen te creëren en een van de doelstellingen van waardig werk beter te bereiken, namelijk de doelstelling om meer en betere banen te creëren;

43.   roept de lidstaten op om van waardig werk een prioriteit te maken in hun economische en sociale beleid door speciale nadruk te leggen op het creëren van kwaliteitsbanen, eerbiediging van fundamentele arbeidsrechten voor alle categorieën werknemers, versterking van de sociale bescherming en bevordering van de sociale dialoog;

44.   doet een beroep op de Commissie en de lidstaten het vaststellen aan te moedigen van gedragscodes als vrijwillige initiatieven op bedrijfsniveau of op sectorieel niveau, verwijzend naar en in aanvulling op de nationale wetgeving en internationale normen, alsook gedragscodes van de OESO en de IAO voor multinationale ondernemingen;

45.   beveelt de lidstaten en de Europese Unie met nadruk aan de toepassing van goede praktijken van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap door alle bedrijven, waar zij hun activiteiten ook uitvoeren, te bevorderen teneinde een veilige en flexibele werkomgeving van hoge kwaliteit te creëren; moedigt het multibelanghebbendenforum en de Europese alliantie inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen aan om initiatieven te ontwikkelen waarmee de opneming van waardig werk als belangrijk onderdeel van maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt bevorderd;

46.   roept de lidstaten en de Commissie, als werkgevers in ontwikkelingslanden, op rekening te houden met het beginsel van waardig werk, in overeenstemming met Aanbeveling 135 van de IAO inzake de vaststelling van minimumlonen, in het bijzonder in ontwikkelingslanden;

47.   is verheugd over de bijdrage aan waardig werk die de organisaties van de VN leveren, zoals het initiatief van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties inzake een aanvullend rapport over mensenrechten in transnationale ondernemingen;

48.   beklemtoont het belang van het bevorderen van de Tripartiete Verklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid;

49.   moedigt bedrijven aan een verantwoordelijk, niet-discriminatoir wervings- en personeelsontwikkelingsbeleid te voeren om de werkgelegenheid voor vrouwen en achterstandsgroepen op de arbeidsmarkt te vergroten;

50.   beveelt bedrijven aan initiatieven te nemen om te bevorderen dat vrouwen meer participeren en beter vertegenwoordigd zijn in instellingen die betrokken zijn bij de sociale dialoog, een van de strategische doelen van het concept "waardig werk";

51.   doet een beroep op de Commissie om, in samenwerking met de sociale partners en de IAO, als deel van de ontwikkelingssamenwerking vrouwelijke ondernemers aan te moedigen binnen en buiten de Europese Unie bedrijven te stichten en tot ontwikkeling te brengen;

52.   vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat bedrijven die binnen en buiten de Europese Unie actief zijn hun informatievoorziening aan en raadpleging van werknemersvertegenwoordigers verbeteren als onderdeel van een bredere en permanente sociale dialoog waarbij de werknemers geïnformeerd en geraadpleegd worden over kwesties die verband houden met hun werk en arbeidsomstandigheden; vraagt de Commissie, de lidstaten en de sociale partners te erkennen dat strenge normen inzake gezondheid en veiligheid op het werk een essentieel mensenrecht zijn;

53.   benadrukt het belang van sociaal overleg bij het opstellen van nationale programma's voor waardig werk die de lidstaten moeten invoeren en vraagt hen om een wezenlijke raadpleging van de sociale partners;

54.   benadrukt dat de sociale partners van cruciaal belang zijn voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de agenda voor waardig werk en derhalve actief moeten worden betrokken bij de invoering van initiatieven voor waardig werk, op zijn minst door ze hun stem te laten horen;

55.   is verheugd over de onderhandelingen van de Europese sociale partners over een kaderovereenkomst inzake pesten en geweld op het werk in het kader van de bevordering van waardig werk in Europa; verzoekt de Commissie de sociale partners aan te moedigen deze onderhandelingen succesvol af te ronden;

56.   onderstreept dat de Europese sociale agenda, de strategie van Lissabon (met inbegrip van de nationale hervormingsprogramma's) en toenemende inspanningen om internationale, door de IAO als up-to-date geclassificeerde arbeidsverdragen te ratificeren en toe te passen, de routekaart voor waardig werk van de Europese Unie vormen;

57.   verzoekt de lidstaten om tot handhaving van de wetgeving inzake veiligheid en gezondheid op het werk, arbeidsomstandigheden en andere sociale wetgeving, uitvoering te geven aan doeltreffende, preventieve en beschermende beleidsvormen en programma's ter vergroting van het aantal, de kwaliteit en de bevoegdheden en instrumenten van de arbeidsinspectie overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving en de IAO-verdragen;

58.   stelt voor de nationale arbeidsinspectiediensten nauwer te laten samenwerken om op Gemeenschapsniveau te komen tot de uitwisseling van optimale praktijken tussen deze diensten om zo bij te dragen tot het bevorderen van waardig werk; dringt er bij de lidstaten op aan de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor arbeidsinspectie meer middelen te verschaffen om hun taken te kunnen uitvoeren, teneinde te waarborgen dat hun nationale arbeidswetgevingen in de praktijk worden toegepast en niet omzeild;

59.   doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat nieuwe vormen van werk ook beschermd worden door de bestaande wetgeving, en nieuwe wettelijke instrumenten in overweging te nemen die flexibel kunnen worden toegepast op nieuwe vormen van werk, zodat er een gelijkwaardig niveau van bescherming kan worden gegarandeerd voor alle werknemers;

60.   erkent het belang van de werkzaamheden van het netwerk voor jongerenwerkgelegenheid en het waardigwerkforum van de IAO als instrumenten voor het uitwisselen van informatie onder gelijken en voor ondersteuning en onderzoek; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van deze netwerken in EU-partnerlanden samen met de IAO te ondersteunen als een manier om de wereldomspannende werkgelegenheidsagenda uit te voeren;

61.   verzoekt de lidstaten aan jongeren een opleiding te garanderen bij wijze van doeltreffende strategie ter voorkoming van sociale uitsluiting en armoede en hun inzetbaarheid te ontwikkelen door gebruik te maken van bestaande instrumenten, zoals het Euroguidance-netwerk, dat mensen helpt een beter inzicht te krijgen in de kansen op werk in Europa; doet ook een beroep op de lidstaten om een geslaagde overgang van jongeren naar de arbeidsmarkt te vergemakkelijken en hun toegang tot banen te verbeteren via beroepsoriëntatieprogramma's, en er daarbij op te letten dat consequent overeenkomstig een levenscyclus- en intergeneratiebenadering wordt gehandeld;

62.   wenst dat de lidstaten hun investeringen in infrastructuur die nodig is voor het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën en voor de scholing en beroepsopleiding van jongeren met gedeelde investeringen uit de overheids- en particuliere sectoren verhogen;

63.   vraagt van de lidstaten om bij de uitvoering van het Gemeenschapsbeleid algemene en bredere toegang te geven tot kansen op levenslang leren, zelfs in afgelegen gebieden en plattelandsgebieden, en uitvoering te geven aan specifieke maatregelen die aan de plaatselijke omstandigheden zijn aangepast, teneinde de kansen op werk van iedereen binnen een veranderende werkomgeving te waarborgen;

64.   verzoekt de lidstaten relevante hervormingen van hun onderwijssysteem door te voeren en de toegankelijkheid van hoogwaardig onderwijs voor iedereen te waarborgen;

65.   verzoekt de Commissie en de lidstaten de gender- en ontwikkelingsdimensies op te nemen in alle beleidsvormen en programma's waarmee waardig werk wordt bevorderd en vraagt de lidstaten gelijke kansen voor mannen en vrouwen op waardig werk te garanderen, niet alleen vanuit het perspectief van toegang tot werkgelegenheid of van bevordering, maar ook wat betreft inkomensniveau;

66.   verzoekt de Commissie en de lidstaten al het nodige doen om het combineren van privéleven, gezinsleven en werk mogelijk te maken teneinde de participatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt te verhogen en om de oorzaken die de doeltreffendheid van dergelijke maatregelen zouden kunnen ondermijnen, te onderzoeken en weg te nemen;

67.   beveelt aan oplossingen te onderzoeken die de mogelijkheid bieden om werk dat tegenwoordig als te zwaar of minderwaardig wordt beschouwd (huishoudelijke hulp, gezinshulp, bejaardenhulp, persoonlijke diensten, enz.) aantrekkelijker te maken;

68.   verzoekt de Commissie en lidstaten om de maatregelen te verbeteren die alle werknemers in staat moeten stellen een beter evenwicht te vinden tussen werk en gezinsleven, wetende dat lange werkdagen, stress en werkonzekerheid een bedreiging vormen voor de structuur van het gezin, een belangrijk fundament van onze samenleving;

69.   verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken met NGO's, vakbonden, vrouwenorganisaties en -netwerken voor de economische en sociale mondigmaking van vrouwen in ontwikkelingslanden en de bevordering van waardig werk op alle niveaus;

70.   is verheugd over het in de mededeling van de Commissie over waardig werk aangekondigde initiatief steun te geven aan inspanningen om de betrokkenheid van de sociale partners en andere maatschappelijk belanghebbenden bij het mondiale bestuur op basis van het overlegmodel van de OESO te verbeteren;

71.   wenst dat de lidstaten nationaal beleid vaststellen ter bevordering van gelijke kansen en een gelijke behandeling van werknemers, ongeacht hun leeftijd en geslacht; wenst dat de lidstaten maatregelen nemen ter voorkoming van discriminatie van vrouwen en oudere werknemers;

72.   benadrukt dat het bevorderen van waardig werk een algehele verbetering van de leef- en werkomstandigheden voor iedereen tot doel heeft en derhalve ook ondersteuning voor de opneming van de informele sector in de reguliere economie omvat;

73.   verzoekt de Commissie en lidstaten om wetgevings- en beleidsinitiatieven en -praktijken ter voorkoming van discriminatie wegens een handicap en ter bevordering van gelijke kansen bij de beroepsopleiding en op het werk voor personen met een handicap te steunen en te stimuleren, met inbegrip van steun voor de ontwikkelingslanden om werkplaatsen aan te passen aan personen met een handicap;

74.   vraagt de Commissie de lidstaten aan te moedigen de open coördinatiemethode te gebruiken op het gebied van de sociale bescherming om waarde toe te voegen aan de verschillende sociale stelsels; daartoe, en overeenkomstig de vernieuwde strategie van Lissabon, met het doel de flexibiliteit en mobiliteit van Europese werknemers en de sociale cohesie in de Unie te verbeteren, is het van mening dat er behoefte is aan meer harmonisering van de pensioenregelingen, in het bijzonder met betrekking tot het dekken van prestaties voor mensen die in verschillende lidstaten hebben gewerkt, vooral omdat dit niet alleen een ernstig obstakel is voor het vrije verkeer van werknemers, maar ook een belemmering vormt voor de interne markt voor financiële diensten;

75.   merkt op dat de marginalisatie van bepaalde minderheden op grond van godsdienst of ras een obstakel vormt voor het bereiken van de doelstelling van waardig werk voor iedereen in de Europese Unie en roept daarom alle lidstaten die dit nog niet gedaan hebben, op om de omzetting van Richtlijn 2000/43/EG van de Raad houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(9) te voltooien;

76.   is er tegen de achtergrond van een consequente benadering van de internationale arbeidsmigratie verheugd over dat de lidstaten de wens hebben over te gaan tot ratificering van het Internationale Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden, en van de IAO-verdragen 97 en 143;

77.   doet een beroep op de lidstaten het eens te worden over een gemeenschappelijke standaarddefinitie van gedwongen arbeid en misbruik van een kwetsbare positie om dubbelzinnigheid en voordelen in rechterlijke uitspraken te verminderen;

78.   merkt op dat sommige EU-burgers die van hun recht op vrij verkeer gebruik maken zich in een kwetsbare positie bevinden en daardoor in slechte werkomstandigheden kunnen geraken en roept de Commissie en lidstaten op om een beleid te voeren waarmee op de ervaringen van intra-EU-migranten op de arbeidsmarkt wordt toegezien en om maatregelen goed te keuren om een einde te maken aan uitbuitende arbeidspraktijken;

79.   verzoekt de Commissie en de delegaties van de Gemeenschap in partnerlanden om de opneming van de agenda voor waardig werk, landenprogramma's voor waardig werk en regionale programma's voor waardig werk in de landenstrategiedocumenten, regionale strategiedocumenten, nationale actieplannen en andere programmeringsinstrumenten van het EU-beleid inzake ontwikkelingssamenwerking actief te bevorderen;

80.   is er verheugd over dat de Commissie overweegt om de bepaling van Verordening (EG) nr. 2110/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 inzake de toegang tot buitenlandse hulp(10) betreffende de eerbiediging van de fundamentele arbeidsnormen uit te breiden tot overeenkomsten die door middel van het Europees Ontwikkelingsfonds worden gefinancierd;

81.   roept de Commissie op om voldoende middelen toe te wijzen voor de uitvoering van de voorstellen ter bevordering van waardig werk die opgenomen zijn in haar mededeling over investeren in mensen;

82.   is verheugd over het belang dat in de mededeling van de Commissie over investeren in mensen gehecht wordt aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk in de EU-partnerlanden; is er verheugd over dat het duidelijke verband tussen waardig werk en sociale bescherming daarin werd erkend; roept de Commissie op om voldoende financiële middelen te reserveren voor de bevordering van waardig werk binnen het thematische programma "Investeren in Mensen";

83.   is verheugd over de nieuwe geïntegreerde strategie voor de rechten van het kind die wordt aangekondigd in de mededeling van de Commissie, getiteld "Naar een EU-strategie voor de rechten van het kind" (COM(2006)0367) en herinnert eraan dat maatregelen tegen kinderarbeid, zoals omschreven in IAO-verdragen 138 en 182 tegen gedwongen arbeid, als mainstreamingactiviteit in nationale en internationale maatregelen moeten worden opgenomen;

84.   verzoekt de lidstaten om het beleid goed te keuren dat in overeenstemming is met de gemeenschappelijke basisbeginselen voor de integratie van onderdanen van derde landen in de Europese Unie;

85.   is verheugd over het voornemen van de Commissie om tegen 2008 een follow-upverslag op haar mededeling over waardig werk te produceren dat een analyse en beoordeling zou moeten bevatten van de ratificering en toepassing door de lidstaten van de IAO-verdragen inzake werkgelegenheid, gezondheid en veiligheid, bescherming van het moederschap en rechten van migrerende werknemers; wil dat dit rapport een actieprogramma voor waardig werk bevat dat zowel de samenwerking in de EU als inspanningen op internationaal niveau omvat;

86.   is verheugd over de inspanning van de Commissie om de analyse te verbeteren en geschikte indicatoren te ontwikkelen in verband met de invoering van de agenda voor waardig werk;

87.   is verheugd over het voorstel neergelegd in de ministeriële verklaring van de Economische en Sociale Raad van de VN van 5 juli 2006 om de agenda voor waardig werk met spoed verder te ontwikkelen, zodat er voor 2015 tastbare resultaten geboekt kunnen worden;

88.   verzoekt de Commissie het Parlement specifieke cijfers voor te leggen over de wijze waarop waardig werk en daarmee verwante kwesties worden gefinancierd teneinde de inzet van de politiek beter in financiële termen te kunnen omzetten;

89.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 93 van 27.4.2007, blz. 38.
(2) PB C 271 E van 12.11.2003, blz. 598.
(3) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(4) PB C 300 E van 11.12.2003, blz. 290.
(5) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(6) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.
(7) PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1.
(8) PB L 169 van 30.6.2005, blz. 1.
(9) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(10) PB L 344 van 27.12.2005, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid