Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B6-0462/2007

Debatten :

PV 13/11/2007 - 20

Stemmingen :

PV 15/11/2007 - 5.6
CRE 15/11/2007 - 5.6

Aangenomen teksten :


Aangenomen teksten
PDF 119kWORD 43k
Donderdag 15 november 2007 - Straatsburg
Toepassing van Richtlijn 2004/38/EG
P6_TA(2007)0534RC-B6-0462/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2007 over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen artikel 2, 6, 13 en 29 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gelet op de artikelen 61, 62 en 64 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

–   gelet op de artikelen 6, 19, en 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(1),

–   gezien de kadervonventie over de bescherming van nationale minderheden, opgesteld in het kader van de Raad van Europa,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over het vrij verkeer van personen en de strijd tegen discriminatie, meer in het bijzonder zijn resolutie van 28 april 2005 over de situatie van de Roma in de Europese Unie(2),

–   gelet op artikel 103, lid 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het vrij verkeer van personen een onvervreemdbaar grondrecht van de burgers van de Europese Unie is, erkend door de verdragen en het handvest van de grondrechten, en één van de steunpilaren van het Europees burgerschap,

B.   overwegende dat Richtlijn 2004/38/EG over het vrij verkeer van de burgers van de Europese Unie en hun familieleden daarom weliswaar de mogelijkheid kent om een burger van de Europese Unie uit te wijzen, maar binnen duidelijk vastgelegde perken, om de grondrechten te waarborgen,

C.   overwegende dat vrijheid en veiligheid grondrechten zijn, en dat de Europese Unie zich tot doel stelt om haar burgers een hoge graad van veiligheid te verzekeren in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid heersen,

D.   overwegende dat de georganiseerde misdaad en mensenhandel uitdagingen van grensoverschrijdende omvang zijn en dat het vrij verkeer in het Europees gebied ook op betere gerechtelijke en politionele samenwerking in onderzoek en vervolging op Europees niveau berust, met de steun van Eurojust en Europol,

E.   overwegende dat eerbied voor de wetten van elke lidstaat een wezenlijke voorwaarde voor samenleven en sociale integratie in de Europese Unie vormen, dat eenieder de plicht heeft om het recht van de Unie en de wetten van de lidstaat waar hij zich bevindt te eerbiedigen, dat strafrechtelijke aansprakelijkheid altijd persoonlijk is, en dat de burgers van de Unie zich niet alleen op de rechten en vrijheden kunnen beroepen die het verdrag hun toekent, maar zich ook aan de formaliteiten moeten houden die met de uitoefening van hun rechten gemoeid zijn, meer in het bijzonder op grond van het Europees recht of de wetgeving van de lidstaat waar ze verblijven,

F.   overwegende dat alle nationale wetgevingen ertoe gehouden zijn om de princiepen en bepalingen van Richtlijn 2004/38/EG te eerbiedigen,

G.   overwegende dat de strijd tegen elke vorm van racisme en vreemdelingenhaat en alle vormen van discriminatie tot de fundamentele princiepen behoren waar de Unie op gegrondvest is,

H.   overwegende, in overeenstemming met het principieel verbod van discriminatie volgens nationaliteit, dat elke burger van de Europese Unie en zijn gezinsleden die vrij en legaal in een lidstaat verblijven, in die lidstaat op voet van gelijkheid met de eigen nationale staatsburgers behandeld moeten worden,

I.   overwegende dat de Roma een minderheid zijn die op het grondgebied van de Unie nog aan discriminatie en andere misbruiken blootstaat, en dat hun integratie, sociale inschakeling en bescherming doelstellingen zijn die spijtig genoeg nog te bereiken blijven,

J.   gezien de ruwe aanval en moord op een vrouw in Rome, waar een Roemeense staatsburger van beschuldigd wordt,

K.   gezien de racistische aanvallen op Roemeense staatsburgers, die op het voorval gevolgd zijn,

L.   overwegende dat van publieke persoonlijkheden verwacht mag worden dat ze zich van verklaringen onthouden die als aanmoediging begrepen dreigen te worden om bepaalde groepen in de samenleving te brandmerken,

M.   gezien het gezamenlijk initiatief van de Italiaanse en de Roemeense eerste minister en hun gezamenlijke brief aan de voorzitter van de Commissie over de Roma-minderheid,

1.   geeft blijk van zijn diepe leedwezen over de moord op mevrouw Giovanna Reggiani op 31 oktober 2007 te Rome en betuigt haar familie zijn oprechte deelneming,

2.   onderstreept andermaal de waarde van het vrij verkeer van personen als fundamenteel principe van de Unie, wezenlijk onderdeel van het Europees burgerschap en elementair bestanddeel van de interne markt;

3.   bevestigt de doelstelling om van de Unie en haar onderdelen een gebied te maken waar elke persoon van een hoge graad van vrijheid, veiligheid en gerechtigheid verzekerd kan zijn;

4.   herinnert eraan dat Richtlijn 2004/38/EG binnen duidelijke perken de mogelijkheid van uitwijzing van een staatsburger van de Europese Unie kent en meer in het bijzonder bepaalt:

   - in artikel 27, dat de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf alleen om redenen van openbare orde en veiligheid of volksgezondheid aan beperkingen mogen onderwerpen en dat die redenen niet met economische oogmerken gebruikt mogen worden; alle maatregelen moeten evenredig zijn en uitsluitend van het persoonlijk gedrag van de individuele persoon uitgaan, en in geen geval door overwegingen van algemene preventie ingegeven zijn;
   - in artikel 28, dat er vóór elk uitwijzingsbesluit een evaluatie nodig is die rekening houdt met de persoonlijke situatie van de belanghebbende persoon, meer in het bijzonder de duur van zijn verblijf, zijn leeftijd, gezondheidstoestand, familiale en economische omstandigheden, integratie in de lidstaat waar hij verblijft;
   - in artikel 30, dat elk uitwijzingsbesluit de betrokken persoon schriftelijk bekend gemaakt moet worden onder voorwaarden die het hem mogelijk maken om er de inhoud en gevolgen van te begrijpen, dat hij volledig en duidelijk op de hoogte gebracht moet worden van de verantwoording van het besluit, de gerechtelijke of administratieve instantie waar hij beroep kan aantekenen en de termijn voor het indienen van een beroep, eventueel ook de termijn om het grondgebied te verlaten, die niet minder dan een maand mag bedragen;
   - in artikel 31, dat de juridische en administratieve middelen van beroep van de lidstaat van verblijf voor de belanghebbenden openstaan om een uitwijzingsbesluit tegen hun persoon aan te vechten, dat ze het recht hebben om een aanvraag in kortgeding in te dienen om de uitvoering van het besluit te laten opschorten, die behalve in welbepaalde uitzonderingsgevallen ingewilligd moet worden;
   - in artikel 36, dat de sancties die de lidstaten vastleggen doelmatig en evenredig moeten zijn;
   - in overweging 16 en artikel 14, dat er mogelijkheid bestaat om een burger uit te wijzen als hij een onevenredige last voor de welzijnszorg betekent, maar met tezelfdertijd de verklaring dat elk individueel geval een grondig onderzoek vergt en dat de voorwaarde op zich geen automatische uitwijzing kan verantwoorden;

5.   stelt nogmaals dat elke vorm van nationale wetgeving deze beperkingen en waarborgen strikt in acht te nemen heeft, met inbegrip van de mogelijkheid tot juridisch verhaal tegen de uitwijzing en de rechten van de verdediging, en dat elke uitzondering die Richtlijn 2004/38/EG kent, restrictief te interpreteren is; herinnert eraan dat het Handvest van de grondrechten en de Europese Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden collectieve uitwijzing verbieden;

6.   verheugt zich over het bezoek van de Roemeense eerste minister aan Italië en de gezamenlijke verklaring van de beide eerste ministers Romano Prodi en Călin Popescu-Tăriceanu; betuigt zijn steun voor de oproep van de beide eerste ministers aan de Unie, voor sociale integratie van achtergestelde bevolkingsgroepen en samenwerking onder de lidstaten om de bewegingen van hun bevolking te begeleiden aan de hand van de ontwikkelings- en sociale bijstandsprogramma's, die ook onder de structuurfondsen vallen;

7.   vraagt de Commissie om zonder uitstel een volledige evaluatie van de uitvoering en omzetting van Richtlijn 2004/38/EG door de lidstaten, samen met verdere voorstellen, voor te leggen, volgens artikel 39 van de richtlijn;

8.   geeft opdracht - zonder afbreuk aan de bevoegdheden van de Commissie te doen - aan zijn bevoegde parlementaire commissie om tegen 1 juni 2008 in samenwerking met de nationale parlementen een evaluatie van de problemen bij de omzetting van de richtlijn op te stellen om de best mogelijke werkwijzen te belichten en op maatregelen te wijzen die discriminatie tussen Europese burgers tot gevolg kunnen hebben;

9.   vraagt de lidstaten om alle aarzeling te laten varen en de werkmiddelen voor de politionele en gerechtelijke samenwerking in strafzaken op EU-niveau sneller te verbeteren om doelmatig strijd tegen de georganiseerde misdaad en mensenhandel te kunnen voeren, fenomenen van transnationale omvang, en tegelijk een eenvormig raamwerk voor procedurele waarborgen in te stellen;

10.   verwerpt het principe van collectieve schuld en wijst er nogmaals met nadruk op dat elke vorm van racisme en vreemdelingenhaat en elke vorm van discriminatie en stigmatisering volgens nationaliteit en etnische oorsprong bestreden moet worden, zoals in het Handvest van de grondrechten is bepaald;

11.   herinnert er de Commissie aan dat ze dringend een voorstel voor een horizontale richtlijn tegen alle vormen van discriminatie in de zin van artikel 13 van het EG-Verdrag moet indienen, zoals in het wetgevings- en werkprogramma 2008 gesteld;

12.   meent dat de verdediging van de rechten van de Roma en hun integratie een uitdaging voor de Unie in haar geheel betekenen en vraagt de Commissie om zonder uitstel handelend op te treden en een algemene strategie voor de sociale integratie van de Roma-bevolking uit te werken, met gebruikmaking van de beschikbare begrotingslijnen en de structuurfondsen om de nationale, regionale en plaatselijke overheden te ondersteunen in hun inspanningen om voor sociale integratie van de Roma-bevolking te zorgen;

13.   spreekt zich voor de oprichting van een netwerk van organisaties voor sociale integratie van de Roma uit, en verbetering van de hulpmiddelen voor ruimere bewustmaking van de rechten en plichten van de Romagemeenschap, ook met uitwisseling van de beste werkwijzen ; acht daarbij nauwe en gestructureerde samenwerking met de Raad van Europa van het grootste belang

14.   meent dat de recente verklaringen van ondervoorzitter Franco Frattini van de Commissie tegenover de Italiaanse pers naar aanleiding van de ernstige gebeurtenissen die zich in Rome voorgedaan hebben, tegen de letter en de geest van Richtlijn 2004/38/EG ingaan, die hij volledig moet eerbiedigen;

15.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten van de Europese Unie.

(1) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(2) PB C 45 E van 23.2.2006, blz. 129.

Juridische mededeling - Privacybeleid