Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2104(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0400/2007

Ingediende teksten :

A6-0400/2007

Debatten :

PV 15/11/2007 - 3
CRE 15/11/2007 - 3

Stemmingen :

PV 15/11/2007 - 5.13
CRE 15/11/2007 - 5.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0541

Aangenomen teksten
PDF 165kWORD 92k
Donderdag 15 november 2007 - Straatsburg
Balans van de sociale realiteit
P6_TA(2007)0541A6-0400/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2007 over de balans van de sociale realiteit (2007/2104(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Voorstel voor het gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale integratie 2007" (COM(2007)0013), en het gezamenlijk verslag dat op 22 februari 2007 door de Raad Werkgelegenheid, Sociaal beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken is aangenomen,

–   gezien de mededeling van de Commissie over Balans van de sociale realiteit - Interimverslag aan de Europese Voorjaarsraad 2007 (COM(2007)0063),

–   gezien het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de status van vluchtelingen van 1951,

–   gelet op het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966,

–   gelet op de Conventie van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989,

–   gelet op het VN-Verdrag inzake de bescherming van de rechten van migrerende werknemers en hun gezinsleden van 1990,

–   gelet op het Internationaal Actieplan over Vergrijzing van de Verenigde Naties van 2002,

–   gelet op het Verdrag van de Raad van Europa betreffende maatregelen tegen mensenhandel van 2005,

–   gelet op het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap van 2006, en het facultatief protocol daarbij,

–   gelet op de artikelen 34, 35 en 36 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(1) waarin het recht op sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting, een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en de toegang tot diensten van algemeen economisch belang specifiek zijn bepaald,

–   gezien de mededeling van de Commissie "De sociale dimensie van de strategie van Lissabon versterken: de open coördinatie stroomlijnen op het gebied van de sociale bescherming" (COM(2003)0261),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Modernisering van de sociale bescherming voor de ontwikkeling van hoogwaardige, toegankelijke en duurzame gezondheidszorg en langdurige zorg: steun aan de nationale strategieën door middel van de "open coördinatiemethode'" (COM(2004)0304),

–   gezien het Groenboek van de Commissie getiteld "Demografische veranderingen: naar een nieuwe solidariteit tussen de generaties" (COM(2005)0094),

–   gezien de mededeling van de Commissie betreffende een raadpleging over maatregelen op EU-niveau ter bevordering van de actieve integratie van de mensen die het verst van de arbeidsmarkt af staan (COM(2006)0044) en het samenvattend verslag over de resultaten van de raadpleging,

–   gezien het Witboek van de Commissie over een EU-strategie voor aan voeding, overgewicht en obesitas gerelateerde gezondheidskwesties (COM(2007)0279) (Witboek over voeding),

–   gezien de mededeling van de Commissie over een EU-strategie ter ondersteuning van de lidstaten bij het beperken van aan alcohol gerelateerde schade (COM(2006)0625),

–   gezien het Groenboek van de Commissie "Op weg naar een rookvrij Europa: beleidsopties op EU-niveau" (COM(2007)0027),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van sancties voor werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (COM(2007)0249),

–   gezien het standpunt dat in het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap voor 2002-2012 tot uitdrukking wordt gebracht, nl. dat een schoon en gezond milieu een voorwaarde is voor het welzijn van de mens,

–   gelet op Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(2) en onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 april 2005 over de situatie van de Roma in de Europese Unie(3),

–   gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 juni 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: ontwerp gezamenlijk verslag inzake sociale integratie(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 juni 2003 over de toepassing van de open coördinatiemethode(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 september 2003 over het gezamenlijk door de Commissie en de Raad uitgebrachte verslag over toereikende en duurzame pensioenen(7),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 december 2005 over het wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2006(8),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 maart 2006 over demografische vraagstukken en de solidariteit tussen de generaties(9),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 september 2006 "De geestelijke gezondheid van de bevolking verbeteren. Naar een strategie inzake geestelijke gezondheid voor de Europese Unie"(10),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 30 november 2006 over de situatie van personen met een handicap in de uitgebreide Europese Unie: het Europees actieplan 2006-2007(11),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0400/2007),

A.   overwegende dat in de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 is overeengekomen sociale samenhang te versterken en sociale uitsluiting te bestrijden,

B.   overwegende dat de lidstaten tijdens de Europese Raad van Nice op 7 tot en met 9 december 2000 beloofd hebben om vóór het jaar 2010 armoede en sociale uitsluiting significant te verkleinen; overwegende dat de geboekte vooruitgang bij de verwezenlijking van deze doelstelling onvoldoende is gebleken,

C.   overwegende dat sociale integratie en sociale bescherming fundamentele waarden zijn van de Europese Unie en grondrechten voor elk individu, ongeacht etnische oorsprong, leeftijd, sekse, handicap, seksuele geaardheid of godsdienst,

D.   overwegende dat meer dan 50 miljoen burgers of zo'n 16% van de beroepsbevolking van de EU een handicap hebben en dat het werkloosheidspercentage onder personen met een handicap bovendien twee keer hoger ligt dan onder personen zonder handicap,

E.   overwegende dat 78 miljoen Europese burgers in armoede leven, 8% van de EU-burgers te maken heeft met inkomensongelijkheden en de kloof tussen rijk en arm in veel EU-lidstaten groter wordt,

F.   overwegende dat het Europa van vandaag een multi-etnische samenleving is met veel verschillende godsdiensten en dat lidstaten moeten ervoor zorgen dat die diversiteit wordt weerspiegeld in hun wetgeving en dat alle personen worden beschermd tegen geweld, discriminatie en pesterijen,

G.   overwegende dat de gevolgen van ongelijkheid, armoede, sociale uitsluiting en een gebrek aan kansen met elkaar samenhangen en de lidstaten daarom op nationaal niveau een samenhangende strategie nodig hebben die niet alleen gericht is op inkomen en welvaart, maar ook op kwesties als toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg, de informatiemaatschappij, cultuur, vervoer en kansen van toekomstige generaties,

H.   overwegende dat armoede en werkloosheid in verband zijn gebracht met een slechte gezondheid en slecht toegankelijke gezondheidszorg als gevolg van slechte eetgewoontes, inferieure leefomstandigheden in benadeelde gebieden, huisvestingsproblemen en stress,

I.   overwegende dat in de meeste lidstaten kinderen een hoger risico lopen op armoede en sociale uitsluiting dan volwassenen,

J.   overwegende dat armoede en ongelijkheid buitenproportionele gevolgen hebben voor vrouwen; overwegende dat het gemiddelde inkomen van vrouwen slechts 55% van dat van mannen bedraagt, en dat oudere vrouwen moeilijker toegang krijgen tot de arbeidsmarkt,

K.   overwegende dat armoede buitenproportionele gevolgen heeft voor personen met een laag opleidingsniveau en dat de Commissie en de lidstaten een gezamenlijk optreden zouden moeten voorstellen om de toegang tot en het recht op een leven lang leren via onderwijs en opleiding te verbeteren,

L.   overwegende dat maatschappelijke verschijnselen als mensenhandel, georganiseerde misdaad, genderdiscriminatie en prostitutie nauw met elkaar verband houden,

M.   overwegende dat de werkloosheid onder personen met een handicap, waaronder personen met psychische problemen, ouderen en etnische minderheden, in de gehele Europese Unie onaanvaardbaar hoog is,

N.   overwegende dat mantelzorgers, de belangrijkste niet betaalde arbeidskrachten binnen de Europese Unie, erkenning verdienen vanwege hun belangrijke bijdrage aan de zorg die binnen de gemeenschap wordt verleend,

O.   overwegende dat de diensten voor de allerarmsten uit de samenleving steeds slechter toegankelijk worden,

P.   overwegende dat de inkomensverschillen in de meeste lidstaten toenemen,

Algemene punten

1.   roept de lidstaten op zo goed mogelijk gebruik te maken van de mogelijkheden die de open coördinatiemethode biedt;

2.   roept de lidstaten op goede praktijken uit te wisselen en goede voorbeelden op het gebied van sociale bescherming en sociale integratie na te volgen;

3.   is van mening dat er slechts een einde aan armoede en sociale uitsluiting kan komen wanneer de sociale en economische rechten voor iedereen zijn gewaarborgd;

4.   benadrukt dat het versterken van de sociale samenhang en het uitbannen van armoede en sociale uitsluiting een politieke prioriteit moeten worden voor de Europese Unie; is in dit opzicht verheugd over het toekomstige voorstel van de Commissie om 2010 uit te roepen tot het Europese Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; roept de Commissie en de lidstaten op een ambitieus doel vast te stellen en na te streven om armoede te bestrijden, met name onder werkenden in Europa;

5.   is verheugd over de conclusies van de Europese Raden van Brussel op 23 en 24 maart 2006 en op 8 en 9 maart 2007 met als gevolg dat de EU-lidstaten maatregelen moeten nemen om kinderarmoede snel en aanzienlijk te verminderen door alle kinderen, ongeacht hun sociale achtergrond, te laten profiteren van gelijke kansen;

6.   moedigt de Commissie aan de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten met betrekking tot de bestrijding van discriminatie op de arbeidsmarkt, waaronder stageplekken, makkelijker te maken;

7.   benadrukt dat werkgelegenheid -waarbij eerlijke en redelijke salaris- en arbeidsvoorwaarden zijn gewaarborgd-, evenals onderwijs en effectieve en efficiënte sociale zekerheidsstelsels moeten worden beschouwd als één van de sterkste garanties om armoede en sociale uitsluiting te voorkomen, hoewel bekend is dat dit instrument onvoldoende is voor de insluiting van bepaalde sociale groepen, met name van de meest achtergestelde groepen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom om Richtlijn 2000/78/EG, welke een juridisch kader biedt voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, doelmatig ten uitvoer te leggen; is verheugd over het lopende onderzoek van de Commissie naar de omzetting van de richtlijn en moedigt de Commissie aan de nodige maatregelen te nemen in die gevallen waarin de richtlijn nog niet op effectieve wijze is omgezet; verzoekt de Commissie bijgevolg om in haar verslag -dat de weerslag vormt van de raadpleging waartoe zij in haar mededeling over de balans van de sociale realiteit het initiatief heeft genomen- in te gaan op de vraagstukken betreffende de "kwaliteit van het werk";

8.   wijst op de noodzaak steun te verlenen aan productieve sectoren, microbedrijven, kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's), kleine en familiebedrijven in de landbouw en sociale economie, gezien hun belang voor het scheppen van werkgelegenheid en welvaart;

9.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om maatregelen te nemen zodat eenieder die in een andere lidstaat werkt volledig van zijn mensen-, sociale en politieke rechten kan profiteren;

10.   benadrukt dat elke EU-burger recht zou moeten hebben op toegang tot goederen en diensten en verzoekt de Commissie daarom om specifieke richtlijnen op te stellen voor alle kwesties die niet reeds onder instrumenten vallen die zijn aangenomen op grond van artikel 13 van het Verdrag, om discriminatie bij de toegang tot goederen en diensten op grond van handicap, leeftijd, godsdienst en overtuiging of seksuele geaardheid te bestrijden;

11.   benadrukt dat de sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen niet beperkt is tot het creëren en behouden van banen, maar ook betrekking heeft op – onder andere – de kwaliteit van het werk, het betalen van eerlijke salarissen en het bevorderen van een leven lang leren;

12.   benadrukt dat aan alle vormen van discriminatie evenveel aandacht moet worden besteed;

13.   benadrukt de essentiële rol van openbare diensten bij de bevordering van sociale samenhang, welke is erkend in het Verdrag, en derhalve de noodzaak om te kunnen beschikken over openbare diensten met een hoog niveau van veiligheid en toegankelijkheid, gelijke behandeling, bevordering van de algemene toegang en de rechten van gebruikers;

14.   moedigt de Commissie ertoe aan de Europese dimensie ten volle te benutten om o.a. de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten, subsidies en op de behoeften van de diverse doelgroepen - met name van kinderen - toegesneden voorlichtingscampagnes over voeding en lichaamsbeweging te bevorderen, omdat dat de doelen zijn die zij zich zelf gesteld heeft in haar Witboek, en omdat dat de problemen zijn waarmee de kansarmste bevolkingsgroepen onevenredig vaak te kampen hebben;

15.   roept de lidstaten op bestaande communautaire wetgeving op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid op efficiëntere wijze ten uitvoer te leggen, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan de vereisten van gendergelijkheid; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2007-2008 te onderzoeken op welke manier Europa eerlijke sociale voorwaarden kan bieden om de oneerlijke concurrentie op de interne markt uit te bannen;

16.   betreurt het dat de Commissie in haar mededeling getiteld "Balans van de sociale realiteit" de indruk wekt dat talloze beleidsinitiatieven op sociaal gebied achterhaald zijn en benadrukt dat sociale zekerheid en sociaal beleid de productiviteit en innovatie juist ten goede komen en een onmisbare grondslag vormen voor een efficiënte en brede kenniseconomie;

17.   is ingenomen met de bijdrage aan de bescherming van de volksgezondheid die in Europa wordt geleverd door o.a. het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), en met de rol die het Europees systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen voor volksgezondheidsrisico's (EWRS) speelt bij de uitvoering van de internationale gezondheidsregeling;

18.   beklemtoont het belang dat de lidstaten en de Europese instellingen dienen te hechten aan de naleving van de geldende wetgeving en verzoekt de Commissie toe te zien op de juiste toepassing van de communautaire wetgeving, niet alleen op het gebied van de water-, lucht- en bodemkwaliteit en de vermindering van geluidsemissies, de toepassing van REACH en de verscherping van het toezicht op chemische producten en de vervaardiging van voedselproducten e.d., maar ook op het gebied van misleidende reclame en op kinderen en volwassenen gerichte commercials over voedingsmiddelen;

19.   benadrukt dat mensen en organisaties onderwijs moeten volgen, levenslang moeten leren en levenslang opleidingen moeten volgen, met inbegrip van beroepsopleiding, om zich aan te passen aan de veranderingen op de arbeidsmarkt en de uitdagingen van de globalisering;

20.   benadrukt dat als reactie op de verdwijning van traditionele industriële banen een serie aanvullende maatregelen moet worden genomen die met name bestaat uit ondersteuning en ontwikkeling van nieuwe industrieën, ondersteuning van de KMO's en ontwikkeling van de sociale economie;

21.   verzoekt de Raad en de Commissie het accent te leggen op een "win-win"-benadering waarbij de bestaande rechten van werknemers worden aangevuld en uitgebreid met nieuwe rechten, zoals het recht op toegang tot opleiding en een leven lang leren, het recht op sociale mobiliteit en het recht op een gezinsvriendelijk arbeidspatroon;

22.   verzoekt de lidstaten dringend om wetgeving op te leggen die werk en gezinsleven met elkaar verenigt, waardoor ouders op de arbeidsmarkt kunnen blijven of daar gemakkelijk kunnen terugkeren;

23.   spoort de Commissie en de lidstaten aan om maximale prioriteit te geven aan de sociale integratie en de rechten van vrouwen door het respectieve beleid, waaronder het beleid inzake inkomensverdeling, dienovereenkomstig aan te passen;

Sociale integratie

24.   is van mening dat pogingen om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden dienen te worden voortgezet en uitgebreid, om de situatie van diegenen die het meest met armoede en uitsluiting worden bedreigd te verbeteren;

25.   verzoekt de Commissie de integratie van kwesties inzake gelijkheid en handicaps in alle toepasselijke beleidsterreinen nog verder te versterken;

26.   acht het van essentieel belang dat mensen die in armoede leven, deelnemen aan het opstellen van beleid en concrete maatregelen die zijn gericht op het oplossen van de situatie, teneinde doeltreffender resultaten te kunnen waarborgen;

27.   is van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan alleenstaande ouders en alleenstaande oudere vrouwen, die een bijzonder kwetsbare groep vormen en die bij een economische recessie vaak als eerste door armoede worden getroffen;

28.   erkent dat in veel lidstaten een vangnet bestaat waardoor mensen een fatsoenlijk minimuminkomen kunnen ontvangen en is van mening dat door het uitwisselen van beste praktijken de lidstaten die niet een dergelijk vangnet hebben moeten worden aangemoedigd hun burgers ook een dergelijk vangnet te bieden;

29.   erkent dat indien burgers recht hebben op sociale bijstand de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat de burgers hun rechten begrijpen en toegang hebben tot de bijstand;

30.   benadrukt dat de steun die uitkeringsgerechtigden ontvangen nooit onder de armoedegrens van de betreffende lidstaat mag liggen;

31.   verzoekt de lidstaten in alle staatspensioenstelsels volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen te waarborgen;

32.   is ervan overtuigd dat er een fatsoenlijk minimumloon moet worden ingesteld, op het niveau van de lidstaten in overleg met de sociale partners, om ervoor te zorgen dat het hebben van een baan financieel de moeite waard is; erkent echter dat het minimumloon in veel lidstaten zeer laag is of onder de armoedegrens ligt; verwerpt tegelijkertijd het argument dat het vaststellen van een minimumloon werkgevers ervan zou weerhouden nieuwe banen te creëren; acht het van essentieel belang dat werknemers een fatsoenlijk salaris ontvangen;

33.   is van mening dat de lidstaten hun sociale zekerheidsstelsels moeten aanpassen, enerzijds om bij te dragen aan een overgangsperiode tussen betaald werk of opleiding en werkloosheid met het doel een "armoedeval" te voorkomen, en anderzijds om de verandering van de aard van het werk weer te geven;

34.   is van mening dat het van essentieel belang is dat lidstaten hun burgers helpen weer aan het werk te gaan, door ervoor te zorgen dat zij persoonlijke, doelgerichte hulp en steun ontvangen waarmee hun zelfvertrouwen kan groeien en zij nieuwe vaardigheden kunnen opdoen;

35.   acht het van fundamenteel belang dat de lidstaten personen die een baan hebben en gehandicapt raken helpen om hun baan te behouden;

36.   roept de lidstaten op het probleem van meervoudige discriminatie aan te pakken, aangezien het ernstige en vaak onopgemerkte gevolgen heeft voor sociale integratie;

37.   benadrukt het belang van samenwerking tussen de verschillende overheidslagen – lokaal, regionaal, nationaal en Europees – bij de bestrijding van discriminatie;

38.   is van mening dat hoogkwalitatieve eerstelijns gezondheidszorg en sociale zorg, zo mogelijk ontwikkeld in samenspraak met gebruikers en patiënten, een belangrijke rol kan spelen bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;

39.   merkt op dat er een sterk en complex verband bestaat tussen armoede en criminaliteit, dat extreme armoede en sociale uitsluiting kunnen leiden tot criminaliteit en dat gevangenschap zonder fatsoenlijke rehabilitatie en onderwijs vaak leidt tot een verergering van sociale uitsluiting en werkloosheid;

40.   benadrukt dat er in penitentiaire inrichtingen moet worden gezorgd voor onderwijs, opleidingsmogelijkheden en werk, zodat gedetineerden zich kunnen bezighouden met activiteiten die hen morele en psychologische ondersteuning geven en waarbij ze nuttige vaardigheden opdoen voor hun toekomstige terugkeer op de arbeidsmarkt;

41.   is van mening dat de Europese Unie en de lidstaten veel meer aandacht moeten besteden aan problemen die verband houden met gokverslaving; merkt op dat gezinnen waarin een of meer leden gokverslaafd zijn een hoger risico lopen op een daling van de levensstandaard en op sociale uitsluiting en armoede, waarbij de kinderen vaak de dupe worden; roept de lidstaten derhalve op te helpen bij de verspreiding van informatie over de risico's van gokken en over de symptomen en gevolgen van gokverslaving; roept de Commissie eveneens op het probleem van gokverslaving en de mogelijke gevolgen daarvan, te weten sociale uitsluiting en armoede, op te nemen in haar balans van de sociale realiteit (social reality stocktaking);

42.   verzoekt de lidstaten aandacht te besteden aan de groeiende schuldenlast die leidt tot een verhoogd risico op armoede;

43.   is van mening dat een gebrek aan behoorlijke en betaalbare huisvesting in alle lidstaten een belangrijke factor is die ertoe bijdraagt dat mensen arm worden en in de armoedeval terechtkomen; verzoekt de Commissie de bevoegdheid van de lidstaten te respecteren ten aanzien van de definiëring en financiering van sociale huisvesting, aangezien dergelijke huisvesting een belangrijke bijdrage levert aan de beleidsmaatregelen voor sociale insluiting;

44.   roept alle lidstaten op het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het facultatieve protocol bij dit verdrag te ondertekenen en te ratificeren;

45.   roept de Commissie en de lidstaten op haalbare kansen op een baan te ontwikkelen voor personen met een handicap die kunnen werken door nationale, regionale en lokale strategieën te ontwikkelen met medewerking van vertegenwoordigers van de gehandicaptenorganisaties; roept de Commissie en de lidstaten in dit kader op te zorgen voor een betere vergaring van betrouwbare en vergelijkbare statistische gegevens over de situatie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt;

46.   roept alle lidstaten op de verplichtingen na te leven die voortvloeien uit het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten;

47.   roept de lidstaten op het gebruik van nieuwe communicatie- en informatietechnologieën te ondersteunen, aangezien deze aanzienlijk bijdragen aan de waarborging van gelijke kansen voor personen met een handicap doordat ze het volgen van onderwijs en deelname aan het arbeidsproces vergemakkelijken; wijst erop dat dergelijke technologieën er tegelijkertijd voor zorgen dat personen met een handicap minder afhankelijk van anderen, en dus zelfstandiger worden;

48.   roept de Commissie en de lidstaten op de ontwikkeling van innovatieve hulpmiddelen en apparatuur aan te moedigen die de toegang van personen met een handicap en ouderen tot goederen en diensten bevorderen;

49.   is verheugd over de de-institutionalisering van personen met een handicap, maar merkt op dat hiervoor voldoende in de gemeenschap gewortelde diensten voor nodig zijn die zelfstandig wonen mogelijk maken, evenals het recht op persoonlijke bijstand, het recht op economische onafhankelijkheid en volledige betrokkenheid bij de samenleving in de lidstaten;

50.   is van mening dat het onacceptabel is dat er nieuwe infrastructuur wordt aangelegd met behulp van middelen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en andere structuurfondsen indien deze niet toegankelijk is voor personen met een handicap en ouderen;

51.   roept de lidstaten op, in het bijzonder met het oog op de vergrijzing, de problemen in kaart te brengen waar mantelzorgers tegenaan lopen, en in het bijzonder aandacht te besteden aan het recht van personen om te bepalen of zij mantelzorger willen zijn en de mate waarin zij mantelzorg bieden, de mogelijkheid om dit vrijwilligerswerk te combineren met betaald werk en een baan, alsmede de toegang tot het socialezekerheidsstelsel en ouderdomspensioenen, teneinde armoede als gevolg van het werk als mantelzorger te voorkomen;

52.   roept de lidstaten te bekijken hoe vaardigheden die zijn verkregen door het verzorgen van kinderen of hulpbehoevenden – dus op officieuze wijze – kunnen worden erkend als genoten opleiding en ervaring, opdat mensen die dit soort diensten verlenen makkelijker op de arbeidsmarkt kunnen integreren;

53.   roept de lidstaten op werkgevers uit de openbare sector aan te moedigen banen te creëren die beter aansluiten bij de gemeenschappen die zij bedienen, en daarbij alle sollicitanten in overweging te nemen, ongeacht hun geslacht, etnische afkomst, religie, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;

54.   benadrukt het belang van een actieve rol van werkgevers in de bestrijding van discriminatie en wijst op de positieve effecten van diversiteit op de werkvloer;

55.   is van mening dat discriminatie van transseksuelen op de arbeidsmarkt en op het gebied van de sociale zekerheid nog een miskend probleem is en roept de lidstaten op ook deze vorm van discriminatie te bestrijden; roept de Commissie op deze problematiek te laten onderzoeken;

56.   benadrukt de noodzaak van bevordering van het ontwikkelen en implementeren van alomvattende lokale, regionale en nationale verouderingsstrategieën;

57.   roept de Commissie en de lidstaten op voldoende middelen beschikbaar te stellen om de toegang te bevorderen tot programma's voor levenslang leren om de uitsluiting van onder meer ouderen van werkgelegenheid te beperken en hun voortdurende deelname aan het sociale en culturele leven en hun betrokkenheid bij de maatschappij te bevorderen;

58.   dringt er bij de lidstaten op aan om, indien zij dit nog niet hebben gedaan, tegen een redelijke prijs hoogwaardige persoonlijke zorg te bieden aan ouderen en personen met een handicap;

59.   roept de lidstaten op beste praktijken uit te wisselen om jongeren aan te moedigen hun school af te maken en om de overgang van school naar werk soepeler te laten verlopen zo lang zij nog niet beschikken over de vaardigheden die nodig zijn om aan het werk te kunnen gaan of een beroepsopleiding of hoger onderwijs te kunnen volgen;

60.   is van mening dat onderwijsinstellingen een grotere flexibiliteit aan de dag zouden moeten leggen als het gaat om jongeren die hun school niet hebben afgemaakt, en in het bijzonder vrouwen moeten helpen die naast hun studie de verantwoordelijkheid dragen voor een gezin;

61.   dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat burgers kunnen lezen en schrijven en over de kennis en vaardigheden beschikken om een nuttige baan te vinden en een volwaardige rol te spelen in de maatschappij;

62.   betreurt het dat personen uit een achtergesteld milieu, ondanks welkome pogingen om deelname aan het hoger onderwijs te bevorderen, nog altijd sterk ondervertegenwoordigd zijn; merkt op dat de lidstaten moeten worden aangespoord stageplaatsen, beroepsopleidingen en andere opleidingsvormen te creëren en te behouden, het aanbod ervan te vergroten en om erin te investeren;

63.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de misleidende vervaging van de grens tussen economische migratie en asielaanvragen en van die tussen economische migratie en asielaanvragen enerzijds en illegale immigratie anderzijds af te wijzen;

Sociale bescherming

64.   is van mening dat meer stappen dienen te worden genomen om huiselijk geweld en geweld tegen kinderen en ouderen tegen te gaan;

65.   stelt met grote zorg vast dat gendergerelateerd geweld de sociale en politieke uitsluiting van vrouwen versterkt, waardoor zij niet van hun mensenrechten kunnen profiteren; roept de lidstaten op de wetgeving aan te scherpen en optimale werkwijzen op dit gebied uit te wisselen;

66.   spoort de lidstaten aan te onderzoeken of hun pensioenstelsel wel toereikend en duurzaam is;

67.   roept de lidstaten op duidelijkere richtsnoeren en adviezen voor te stellen op het gebied van pensioenen, opdat de belanghebbenden alle benodigde informatie ontvangen om inzicht te krijgen in hun pensioen, en is van mening dat de nationale hervormingen moeten worden doorgevoerd op basis van een zo groot mogelijke consensus;

68.   merkt op dat de behaalde resultaten op het gebied van de volksgezondheid zowel binnen de afzonderlijke lidstaten als tussen de lidstaten nog steeds onderling sterk uiteenlopen en dringt er bij de lidstaten op aan deze verschillen op te heffen, in het bijzonder door ervoor te zorgen dat eenieder daadwerkelijk toegang heeft tot medische zorg;

69.   verzoekt de lidstaten zorg te dragen voor doeltreffender systemen voor de bescherming van kinderen, met onder andere diensten op het gebied van vroegtijdige interventie, teneinde te kunnen reageren op de noden van kwetsbare kinderen; verzoekt de lidstaten voorts te voorzien in therapeutische zorg om mishandelde kinderen te helpen de gevolgen van de mishandeling te boven te komen;

70.   roept de lidstaten op een constructievere aanpak te ontwikkelen voor het drugsbeleid, met de nadruk op preventie, onderwijs en verslavingsbehandeling in plaats van strafrechtelijke sancties;

71.   dringt aan op een betere uitwisseling van beste praktijken in de Europese Unie op het gebied van de diagnose, preventie en behandeling van chronische ziekten;

72.   constateert dat er sprake is van een gebrek aan vergelijkbare systemen en gegevens op het gebied van langetermijnzorg en acht het daarom van belang dat wordt gestreefd naar een intensievere uitwisseling van ervaringen tussen de lidstaten op dit gebied, zodat zij sneller te weten kunnen komen hoe een kwalitatief hoogwaardige zorg kan worden georganiseerd en gewaarborgd en tegen betaalbare prijzen kan worden aangeboden, en welke systemen het meest geschikt zijn om ouderen een menswaardig bestaan te garanderen, hetgeen overigens ook moet gelden voor het groeiende aantal mensen met dementieverschijnselen;

73.   roept de lidstaten op prioriteit te geven aan maatregelen inzake de volksgezondheid die een einde proberen te maken aan de ongelijkheid in de (toegang tot) de gezondheidszorg van veel gemeenschappen van etnische minderheden; roept de lidstaten bovendien op specifieke maatregelen te nemen met het oog op de behoeften van etnische minderheden;

74.   merkt op dat alcohol en drugs in alle lidstaten tot criminaliteit, werkloosheid en sociale uitsluiting kunnen leiden; merkt voorts op dat armoede en sociale uitsluiting omgekeerd kunnen leiden tot alcohol- en drugsmisbruik; acht het onaanvaardbaar dat veel mensen alleen via het gevangeniswezen toegang hebben tot behandeling en bijstand; verzoekt de lidstaten beste praktijken uit te wisselen ter versteviging van de programma's voor de bestrijding en behandeling van dit fenomeen;

75.   benadrukt dat mensen veel soorten handicaps kunnen hebben, die verband houden met o.a. mobiliteit, het zicht, het gehoor, geestelijke gezondheid, chronische ziekte en leermoeilijkheden; benadrukt dat meervoudig gehandicapten buitengewone problemen hebben, net als personen die het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie;

76.   roept op tot destigmatisering van personen met psychische problemen en leermoeilijkheden, bevordering van geestelijke gezondheid en welzijn, preventie van psychische aandoeningen en verzoekt tevens meer middelen voor behandeling en zorg beschikbaar te stellen;

77.   is ingenomen met het voornemen van de Commissie verschillende studies te publiceren over gehandicapte personen en kinderen met leerproblemen, studies waarin wordt ingegaan op talloze sociale aspecten, waaronder het onderwijs en de opvoeding van deze personen;

78.   roept de lidstaten op actief beleidsmaatregelen te nemen die gericht zijn op het verminderen van gezondheidsverslechtering door het gebruik van alcohol, tabak en andere legale en illegale drugs;

79.   beseft dat het beleid op het gebied van alcohol en roken, alsook van drugs- en medicijnenmisbruik primair tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, maar spoort de Commissie ertoe aan zich proactief op te stellen en de ervaringen van de individuele lidstaten te verzamelen en door te geven, zoals zij voorstelt in haar mededeling inzake een EU-strategie ter ondersteuning van de lidstaten bij het beperken van aan alcohol gerelateerde schade, en een raadplegingsprocedure en een maatschappelijke discussie op gang te brengen over de beste manier om passief roken te blijven bestrijden, zoals zij heeft voorgesteld in haar Groenboek getiteld "Op weg naar een rookvrij Europa: beleidsopties op EU-niveau";

80.   herhaalt zijn opmerkingen in zijn reeds aangehaalde resolutie van 15 december 2005, vooral wat betreft de bedreigingen voor de volksgezondheid als gevolg van hart- en vaatziekten, diabetes, kanker, psychische aandoeningen en hiv/aids, alsook met betrekking tot de hoge belasting door schadelijke stoffen in steden en dichtbevolkte gebieden;

81.   onderstreept de betekenis van de sport voor het algemeen welbevinden van de mens, alsook voor de preventie van tal van aandoeningen die een gevaar voor de volksgezondheid vormen; dringt er bij de lidstaten op aan zich in te zetten voor verbetering van de mogelijkheden tot sportbeoefening die de burgers ter beschikking staan en de totstandkoming van woonomgevingen te bevorderen die het de burger gemakkelijker maken een actief en onafhankelijk bestaan te leiden;

82.   erkent dat alcoholmisbruik en drugsgebruik sociale uitsluiting tot gevolg kunnen hebben, kinderen en gezinnen tot armoede kunnen veroordelen en kinderen aan een hoger risico op mishandeling kunnen blootstellen;

83.   verheugt zich erover dat kinderarmoede en sociale uitsluiting de laatste jaren in alle lidstaten belangrijkere politieke prioriteiten zijn geworden; roept de Commissie en de lidstaten echter op overeenstemming te bereiken over kwantificeerbare doelstellingen om het complexe fenomeen van kinderarmoede uit te bannen en voldoende middelen toe te wijzen om deze doelstellingen te verwezenlijken en te voorkomen dat armoede en sociale uitsluiting worden doorgegeven van de ene op de andere generatie, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan vondelingen, straatkinderen en kinderen in instellingen;

84.   is van mening dat een hoogkwalitatieve onderwijs-, gezondheids- en sociale sector, het ondersteunen van kinderen en hun gezinnen, waaronder betaalbare kinderopvang en toegang tot betaalbare huisvesting, van essentieel belang zijn om kinderarmoede, sociale uitsluiting en discriminatie te voorkomen en te verminderen en om te voorkomen dat armoede van de ene generatie in de volgende overgaat;

85.   verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te geven aan de sociale bescherming van eenoudergezinnen die meer risico op armoede lopen;

86.   roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot de diensten en mogelijkheden die hun welzijn nu en in de toekomst waarborgen en op basis waarvan zij zich volledig kunnen ontplooien; roept de lidstaten derhalve op ervoor te zorgen dat basiskennis van financiële zaken wordt opgenomen in de onderwijsprogramma's;

87.   roept de lidstaten op zorg te dragen voor de vergaring van gegevens over kinderarmoede en de situatie van kinderen die in armoede leven te analyseren en in het bijzonder van kinderen die een verhoogd risico op armoede lopen, zoals kinderen met een handicap, Roma-kinderen, kinderen in instellingen, kinderen van migranten en straatkinderen, en hun beleid op dit gebied te bewaken en te evalueren en te zorgen voor een systematische evaluatie van de resultaten van dit beleid;

88.   roept de Commissie op nieuwe indicatoren na te streven die gecombineerd kunnen worden met de bestaande armoede-indicatoren, zodat een veel duidelijker beeld van kinderarmoede kan worden verkregen;

89.   wijst met nadruk op de essentiële rol van gezondheids- en sociale diensten van algemeen belang in het Europees sociaal model; verzoekt de Commissie deze rol te onderkennen bij de toepassing van het interne markt- en mededingingsrecht op deze diensten; onderstreept dat er voor deze diensten onvoldoende financiële middelen ter beschikking worden gesteld, hetgeen vooral in sommige Oost-Europese lidstaten een schrijnend probleem is;

90.   is van mening dat de liberalisering van gezondheidsdiensten kan leiden tot grotere ongelijkheid bij het verkrijgen van toegang tot kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg;

91.   roept de lidstaten op de bevoegdheden van kredietverenigingen uit te breiden, zodat mensen in een veilige en gereguleerde omgeving geld kunnen sparen en lenen, en een oplossing te zoeken voor de steeds problematischer wordende persoonlijke schulden; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat iedereen het recht heeft om een bankrekening te openen tegen redelijk tarieven, aangezien een bankrekening een belangrijk middel is om te kunnen deelnemen aan het economische en sociale leven;

92.   erkent dat de mensenhandel onnoemelijk veel leed veroorzaakt en roept de lidstaten op de wetgeving op het vlak van de bestrijding van mensenhandel en discriminatie te handhaven, de slachtoffers van mensenhandel te reïntegreren in de samenleving, de grensoverschrijdende samenwerking te versterken en in het bijzonder het Verdrag inzake de bestrijding van mensenhandel te ondertekenen, te ratificeren en ten uitvoer te leggen; dringt er bij de lidstaten op aan prioriteit te geven aan de bescherming van slachtoffers van mensenhandel, in het bijzonder van kinderen, en de toepassing van hun grondrechten;

93.   is verheugd over het voorstel van de Commissie voor een richtlijn tot vaststelling van sancties voor werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en roept de lidstaten en de Commissie op wetgeving in te dienen en de bestaande Europese wetgeving beter toe te passen ter voorkoming van de uitbuiting van kwetsbare werknemers door leiders van smokkelbendes en het Verdrag over de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinnen te ondertekenen en te ratificeren;

94.   dringt er bij alle lidstaten op aan een asielbeleid te waarborgen dat gestoeld is op mensenrechten, overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag en andere relevante wetgeving inzake mensenrechten, en tevens te proberen een einde te maken aan de afhankelijkheid van asielzoekers van uitkeringen door ze toestemming te geven te werken en door te overwegen andere legale manieren van immigratie te ontwikkelen; laakt de huidige schendingen door lidstaten van het bovengenoemde Vluchtelingenverdrag en andere wet- en regelgeving op het gebied van mensenrechten;

95.   roept de lidstaten op meer aandacht te besteden aan daklozen, met name wat betreft de toegang tot huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en werkgelegenheid;

96.   roept de lidstaten op de lacunes in de hulp en diensten ten behoeve van sociale groepen die er niet in slagen op de arbeidsmarkt te integreren op te heffen, en erop toe te zien dat deze hulp en diensten eerlijk, universeel en duurzaam toegankelijk zijn voor iedereen;

o
o   o

97.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan het Comité voor sociale bescherming en de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten.

(1) PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.
(2) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(3) PB C 45 E van 23.2.2006, blz. 129.
(4) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(5) PB C 261 E van 30.10.2003, blz. 136.
(6) PB C 68 E van 18.3.2004, blz. 604.
(7) PB C 77 E van 26.3.2004, blz. 251.
(8) PB C 286 E van 23.11.2006, blz. 487.
(9) PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 131.
(10) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 148.
(11) PB C 316 E van 22.12.2006, blz. 370.

Juridische mededeling - Privacybeleid