Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B6-0527/2007

Debatten :

PV 13/12/2007 - 11.1
CRE 13/12/2007 - 11.1

Stemmingen :

PV 13/12/2007 - 12.1

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0630

Aangenomen teksten
PDF 126kWORD 51k
Donderdag 13 december 2007 - Straatsburg
Oostelijk Tsjaad
P6_TA(2007)0630RC-B6-0527/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2007 over oostelijk Tsjaad

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn vroegere resoluties over de rechten van de mens in Tsjaad,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 september 2007 over het optreden in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid in Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek(1),

–   gezien resolutie 1778(2007) van 25 september 2007 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die voorziet in de ontplooiing van een multidimensionele internationale aanwezigheid in het oosten van Tsjaad en het noordoosten van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), met inbegrip van de EUFOR-krachten in Tsjaad en de CAR in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB),

–   gezien het Gemeenschappelijk Optreden 2007/677/GBVB van de Raad van 15 oktober 2007 inzake de militaire operatie van de Europese Unie in de Republiek Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek(2) (EUFOR Tsjaad-CAR),

–   gezien resolutie 1769(2007) van 31 juli 2007 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die voor een aanvankelijke periode van 12 maanden een gezamenlijke operatie van de Afrikaanse unie en de Verenigde Naties in Darfoer instelt (UNAMID),

–   gezien resolutie 1325(2000) van 31 oktober 2000 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over de vrouw, vrede en veiligheid,

–   gelet op artikel 115 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het leger van Tsjaad op 26 november 2007 nabij de oostgrens van het land honderden leden van de opstandige strijdkrachten gedood heeft en op 3 december 2007 aan een nieuw offensief tegen de Tsjadische opstandelingen begonnen is,

B.   overwegende dat er opnieuw gewapende strijd tussen het Tsjadisch leger en de opstandelingen van de Verenigde strijdkrachten voor democratie en ontwikkeling (UFDD) en de Groepering van krachten voor de verandering (RFC) uitgebroken is na de teloorgang van de broze vredesovereenkomst einde november 2007, dat opstandige groepen, regeringsfunctionarissen en buitenlandse waarnemers allemaal verklaren dat de gevechten sinds 26 november 2007 de hevigste zijn die Tsjaad gekend heeft sinds president Idriss Deby Itno in december 1990 aan de macht gekomen is,

C.   overwegende dat er ongeveer 238 000 vluchtelingen uit Soedan, 44 600 uit de CAR en 170 000 binnenlandse ontheemden in 12 kampen langs de oostelijke grens van Tsjaad met Soedan ondergebracht zijn,

D.   overwegende dat de hoge commissaris voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) op 4 december 2007 gewaarschuwd heeft dat de opflakkering van de vijandelijkheden tussen strijdkrachten van de regering en de opstandelingen de 10 laatste dagen in het oosten van Tsjaad het de Verenigde Naties moeilijk maakt om de kampen te bereiken waar honderdduizenden vluchtelingen en ontheemden verblijven, en de spanningen in het gebied opgedreven heeft,

E.   overwegende dat de gevechten de werkzaamheden van het Wereldvoedselprogramma in het oosten van Tsjaad hinderen, zodat het sommige kampen niet kan bereiken en de voedselleveringen aan andere kampen vertraging oplopen; dat de gevechtshandelingen bij Fartsjana, waar zich drie vluchtelingenkampen bevinden, de humanitaire werkzaamheden bijzonder moeilijk maken, en dat in minstens één geval een vrachtwagen van het Wereldvoedselprogramma die met een lading voedsel onderweg was door gewapende rovers aangevallen is,

F.   overwegende dat de gevechten vooral geconcentreerd zijn rond Fartsjana, Iriba, Biltin en Gereda, ten noorden en oosten van de grotere stad Abesje, die als voornaamste basis dient van waaruit de werkzaamheden voor minstens 12 vluchtelingenkampen verlopen, terwijl ook de streken rond de vluchtelingenkampen ten zuiden van Abesje, zoals Goz Beida, minder veilig geworden zijn,

G.   overwegende dat volgens het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRK) de humanitaire hulpverlening vooral van het banditisme en gewapende roofovervallen in de streek te lijden heeft, terwijl de militaire operaties de criminaliteit verergeren, en dat de groeiende verspreiding van banditisme in het oosten van Tsjaad de humanitaire hulpverleners verplicht om hun personeel in te krimpen en hun bewegingen tot de voornaamste plaatsen te beperken, waardoor hun mogelijkheden om de broodnodige humanitaire bijstand te verlenen nog verder ingeperkt worden,

H.   overwegende dat de Tsjadische president zeer onlangs de leider van het Verenigd front voor de verandering, Mohamat Nur Abdelkerim, als minister van Landsverdediging ontslagen heeft, hetgeen op spanningen en onenigheid in de regering wijst,

I.   overwegende dat de Raad op 15 oktober 2007 het reeds aangehaalde gemeenschappelijk optreden EUFOR Tsjaad-CAR heeft aangenomen, dat bedoeld is om de burgerbevolking te beschermen die zich in gevaar bevindt, vooral vluchtelingen en ontheemden, de humanitaire hulpverlening gemakkelijker te laten verlopen en de bewegingsvrijheid van het personeel van de hulpverleners te verzekeren door de veiligheid in het operatiegebied te verbeteren, en personeel, voorzieningen, installaties en uitrusting van de Verenigde Naties te helpen beschermen en de veiligheid en bewegingsvrijheid van VN-personeel en -hulpkrachten te verzekeren,

J.   overwegende dat het tijdschema voor de ontplooiing van EUFOR Tsjaad-CAR, die vóór eind november 2007 had moeten beginnen, langzaam maar zeker achteruitgedraaid wordt; dat het ervan uitging dat de opstandige groepen, zodra het regenseizoen tegen het einde van oktober 2007 wegtrekt, opnieuw in beweging zouden komen en actiever zouden worden in de streek; dat het hoofd van de Tsjadische inlichtingendiensten Soedan beschuldigt dat het de opstandelingen bewapent,

K.   overwegende dat elke vorm van binnenlandse onstabiliteit in Tsjaad - samen met de onveiligheid van de grensstreek in het oosten van het land, Darfoer en de CAR - ook een negatieve uitwerking en weerslag op de operaties van de EUFOR Tsjaad-CAR zal hebben zodra ze zich ter plaatse bevinden,

L.   overwegende dat de internationale bezorgdheid over het conflict toegenomen is sinds de UFDD het dreigement geuit hebben dat ze de Franse of elke andere buitenlandse strijdkracht zullen aanvallen die voor de EUFOR Tsjaad-CAR het terrein betreedt,

M.   overwegende dat seksuele geweldpleging als oorlogsmisdaad, met inbegrip van verkrachting die als oorlogswapen gebruikt wordt, wijd verspreid is in de vluchtelingenkampen en andere delen van het conflictgebied, en dat vrouwen en meisjes het meest aan aanvallen blootstaan,

1.   benadrukt dat de recente onrust en geweldplegingen in Tsjaad erop wijzen dat de EUFOR Tsjaad-CAR dringend en zonder verder uitstel ontplooid moeten worden; dat de lidstaten van de Europese Unie en de Verenigde Naties verantwoordelijk zijn voor de bescherming van vluchtelingen en ontheemden in het gebied; dat de interventiemacht alle nodige middelen ter beschikking moeten staan en dat ze er gebruik van moet maken, in volledige overeenstemming met de internationaal erkende rechten van de mens en het humanitair recht, om burgers die in gevaar verkeren te beschermen;

2.   betreurt dat het de interventiemacht nog altijd aan levensbelangrijke uitrusting ontbreekt die haar in staat te stelt om haar opdracht uit te voeren, zoals helikopters en medisch materiaal;

3.   vraagt de instellingen van de Europese Unie en haar lidstaten om het politiek besluit dat ze genomen hebben verder op te volgen en de interventiemacht van ruimere troepensterkte en alle nodige financiële en logistieke steun en luchtondersteuning te voorzien, o.a. zo spoedig mogelijk het noodzakelijk aantal helikopters; wijst er met nadruk op dat de geloofwaardigheid van de Europese Unie in haar buitenlandse beleidsvoering op wereldvlak op het spel staat als ze niet voldoende troepen en materiaal weet te mobiliseren om haar opdracht uit te voeren;

4.   vraagt de Raad en de Commissie om het op de hoogte te houden van de lopende initiatieven (bvb die van het Europees defensie-agentschap) om de leemten in de capaciteit op centraal belangrijke gebieden te dichten, meer in het bijzonder het gebrek aan helikopters en medische hulpkrachten, en gezamenlijke voorstellen voor oplossingen op korte en langere termijn voor te leggen om de beschikbaarheid van de nodige hulpmiddelen voor zowel humanitaire doeleinden als het Europees veiligheids- en defensiebeleid te verzekeren;

5.   benadrukt de regionale dimensie van de crisis in Darfoer en de dringende noodzaak om haar destabiliserende weerslag op de humanitaire hulpverlening en de veiligheid in de buurlanden tegen te gaan, en herhaalt dat het bereid is om de militaire overbruggingsoperatie van de Europese Unie uit te voeren om de multilaterale aanwezigheid van de Verenigde Naties te ondersteunen;

6.   herinnert aan zijn reeds aangehaalde resolutie van 27 september 2007 die ruggensteun verleent voor optreden in het kader van het EVDB in het oosten van Tsjaad en het noorden van de CAR, en dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om de besluitvorming voor de aanvang van de operatie te bespoedigen, zodat de eerste soldaten vóór het einde van 2007 het terrein betreden en de interventiemacht tegen februari of begin maart 2008 haar volledige capaciteit bereikt;

7.   verheugt zich over het feit dat de Commissie meer dan 50 miljoen EUR voor de opdracht uittrekt, waarvan ook 10 miljoen EUR van het stabiliteitsinstrument voor opleiding voor het politioneel onderdeel van de vredesoperatie van de Verenigde Naties; merkt op dat daaruit een samenhangende interinstitutionele benadering door de Europese Unie van haar veiligheids- en defensiebeleid blijkt;

8.   betreurt de hardnekkige zienswijze van de Soedanese president dat de UNAMID-strijdmacht, die de EUFOR Tsjaad-CAR moeten ondersteunen, een uitsluitend Afrikaanse samenstelling moet hebben, in strijd met de resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; stelt met nadruk dat de ontplooiing van de gezamenlijke vredesmacht van de Verenigde Naties en Afrikaanse Unie voor Darfoer bespoedigd moet worden; dringt er bij de Soedanese regering op aan om samen te werken met het internationaal strafhof en stelt voor om in het mandaat van de gezamenlijke interventiemacht de bevoegdheid op te nemen om degenen waar het internationaal strafhof een arrestatiebevel tegen uitgevaardigd heeft, op te sporen en in hechtenis te nemen;

9.   stelt een escalatie in de opzettelijke en gerichte aanvallen op de burgerbevolking door de Janjaweed-militie van over de grens met Soedan, en plaatselijke Tsjadisch-Arabische en een aantal niet-Arabische groepen vast, en de ruime verspreiding van seksueel geïnspireerd geweld, vervolging, intimidatie en verkrachting, die in het gebied volkomen onbestraft plaatsvinden; vraagt de Tsjadische overheden om de berichten over verkrachting en andere ernstige overtredingen en schendingen van de rechten van de mens te onderzoeken en de schuldigen voor de rechter te brengen;

10.   wijst met bijzonder nadruk op de seksuele uitbuiting in dit conflictgebied en onderlijnt dat het van groot belang is dat de lidstaten die strijdkrachten voor de UNAMID- en EUFOR Tsjaad-CAR leveren, van de misbruiken op de hoogte zijn en zich in elke vorm van optreden tegen seksueel geweld door overwegingen laten leiden en ook opleiding geven om aan de bijzondere behoeften van de slachtoffers tegemoet te komen; onderlijnt dat de landen die troepen en politiekrachten voor de vredesoperaties leveren, de verantwoordelijkheid dragen om erop toe te zien dat er strenge gedragscodes gehandhaafd worden en degelijke opleiding voorhanden is, en voor seksueel geweld aansprakelijk gesteld kunnen worden; merkt op dat sterkere aanwezigheid van vrouwen bij vredesopdrachten niet alleen betere betrekkingen met de ontvangende samenlevingen blijkt op te leveren, maar ook beter gedrag van de leden van de vredesmacht;

11.   maakt zich ernstig zorgen over berichten van hulpverleners dat zowel de opstandelingen als de regering bezoeken aan vluchtelingenkampen gebracht hebben om kinderen in hun troepenmacht te rekruteren;

12.   dringt er bij de Europese Unie op aan om naar een ruim opgevat vredesproces te streven, met gebruikmaking van druk en prikkels om alle partijen ertoe aan te zetten om weer aan de onderhandelingstafel plaats te nemen, voor gesprekken die alle vormen van conflict behandelen die momenteel in Tsjaad plaatsgrijpen, met inbegrip van de spanningen tussen regering en opstandelingen en interetnische conflicten;

13.   dringt er bij Tsjaad op aan om in samenwerking met Soedan en Libië de noodzakelijke voorwaarden voor een blijvende politieke oplossing tot stand te brengen door het vredesakkoord van Sirte uit te voeren, en bij de regering van Soedan en Tsjaad om hun verplichtingen volgens de overeenkomsten van Tripoli en Sirte uit te voeren;

14.   geeft uiting aan zijn ongerustheid over de toename van de illegale wapenverkoop en -smokkel, vooral kleine en handwapens die buiten de wet gesteld zijn;

15.   herinnert eraan dat geen enkele vredesopdracht in het oosten van Tsjaad en het noorden van de CAR met succes bekroond kan worden zonder oprecht politiek verzoeningsproces;

16.   verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te laten toekomen aan de Raad, de Commissie, de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de co-voorzitters van de paritaire parlementaire vergadering ACS-EU, en de president, regering en parlement van Tsjaad, de Centraal-Afrikaanse Republiek en Soedan.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0419.
(2) PB L 279 van 23.10.2007, blz. 21.

Juridische mededeling - Privacybeleid