Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 24 oktober 2007 - Straatsburg
Betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken ***II
 Overnameovereenkomst EG/Bosnië en Herzegovina *
 Overeenkomst visa voor kort verblijf EG/Bosnië en Herzegovina *
 Overnameovereenkomst EG/Servië *
 Overeenkomst visa voor kort verblijf EG/Servië *
 Overnameovereenkomst EG/Montenegro *
 Overeenkomst visa voor kort verblijf EG/Montenegro *
 Overnameovereenkomst EG/Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië *
 Overeenkomst visa voor kort verblijf EG/Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië *
 Overeenkomst visa voor kort verblijf EG/Albanië *
 Immuniteit en voorrechten van Gian Paolo Gobbo
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2007
 Aanvaarding van het protocol tot wijziging van de TRIPS-Overeenkomst ***
 Volledig verslag (wijziging artikel 173 van het Reglement)
 Europese Adviescommissie voor statistische governance ***I
 Europees Raadgevend Comité voor communautair beleid inzake statistische informatie ***I
 Kwalificatiekader voor een leven lang leren ***I
 Batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's (aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden) ***I
 Communicatie-infrastructuur Schengeninformatiesysteem (SIS) (verordening) *
 Wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties *
 Thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden
 Conventionele energiebronnen en energietechnologie
 Communautaire strategie om de CO2-uitstoot van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen te verminderen
 Bijdrage van het belasting- en douanebeleid tot de Lissabon-strategie
 Groenboek: Op weg naar een rookvrij Europa: beleidsopties op EU-niveau
 Betrekkingen EU-Turkije

Betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken ***II
PDF 195kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken ("de betekening en de kennisgeving van stukken"), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 (8703/5/2007 – C6-0217/2007 – 2005/0126(COD))
P6_TA(2007)0446A6-0366/2007

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (8703/5/2007 – C6-0217/2007),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2005)0305),

–   gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie juridische zaken (A6-0366/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.   constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.   verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 69.


Overnameovereenkomst EG/Bosnië en Herzegovina *
PDF 190kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overnameovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Bosnië en Herzegovina (COM(2007)0425 – C6-0299/2007 – 2007/0142(CNS))
P6_TA(2007)0447A6-0385/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0425),

–   gelet op artikel 63, lid 3, punt b) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van het EG­Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0299/2007),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0385/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Bosnië en Herzegovina.


Overeenkomst visa voor kort verblijf EG/Bosnië en Herzegovina *
PDF 192kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Bosnië en Herzegovina inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf (COM(2007)0423 – C6-0296/2007 – 2007/0140(CNS))
P6_TA(2007)0448A6-0384/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0423),

–   gelet op artikel 62, lid 2, punt b), onder i) en ii) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0296/2007),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0384/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Bosnië en Herzegovina.


Overnameovereenkomst EG/Servië *
PDF 189kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overnameovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Servië (COM(2007)0438 – C6-0298/2007 – 2007/0153(CNS))
P6_TA(2007)0449A6-0386/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0438),

–   gelet op artikel 63, lid 3, punt b) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van het EG­Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0298/2007),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0386/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Servië.


Overeenkomst visa voor kort verblijf EG/Servië *
PDF 190kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Servië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf (COM(2007)0422 – C6-0295/2007 – 2007/0144(CNS))
P6_TA(2007)0450A6-0387/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0422),

–   gelet op artikel 62, lid 2, punt b), onder i) en ii) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van het EG­Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0295/2007),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0387/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Servië.


Overnameovereenkomst EG/Montenegro *
PDF 186kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overnameovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Montenegro (COM(2007)0431 – C6-0301/2007 – 2007/0146(CNS))
P6_TA(2007)0451A6-0380/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0431),

–   gelet op artikel 63, lid 3, punt b) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van het EG­Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0301/2007),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0380/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Montenegro.


Overeenkomst visa voor kort verblijf EG/Montenegro *
PDF 188kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Montenegro inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf (COM(2007)0426 – C6-0297/2007 – 2007/0149(CNS))
P6_TA(2007)0452A6-0379/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0426),

–   gelet op de artikelen 62, lid 2, punt b), onder (i) en (ii) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0297/2007),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0379/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Montenegro.


Overnameovereenkomst EG/Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië *
PDF 188kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overnameovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (COM(2007)0432 – C6-0300/2007 – 2007/0147(CNS))
P6_TA(2007)0453A6-0381/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0432),

–   gelet op de artikelen 63, lid 3, punt b) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0300/2007),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0381/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.


Overeenkomst visa voor kort verblijf EG/Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië *
PDF 190kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf (COM(2007)0421 – C6-0294/2007 – 2007/0159(CNS))
P6_TA(2007)0454A6-0383/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0421),

–   gelet op de artikelen 62, lid 2, punt b), onder (i) en (ii) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0294/2007),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0383/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.


Overeenkomst visa voor kort verblijf EG/Albanië *
PDF 190kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf (COM(2007)0413 – C6-0293/2007 – 2007/0148(CNS))
P6_TA(2007)0455A6-0382/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0413),

–   gelet op de artikelen 62, lid 2, punt b), onder (i) en (ii) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0293/2007),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0382/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Albanië.


Immuniteit en voorrechten van Gian Paolo Gobbo
PDF 112kWORD 35k
Besluit van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het verzoek om informatie over de immuniteit en de voorrechten van Gian Paolo Gobbo (2007/2014(IMM))
P6_TA(2007)0456A6-0367/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien het verzoek om informatie dat de rechter van het Kantongerecht van Verona (Italië) op de preliminaire rechtszitting gedaan heeft met betrekking tot de parlementaire immuniteit van Gian Paolo Gobbo, in verband met strafrechtelijke procedure nr. 81/96 RGNR, een verzoek waarvan op 18 januari 2007 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–   na Gian Paolo Gobbo te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3 van zijn Reglement,

–   gelet op de artikelen 9 en 10 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, en op artikel 6, lid 2 van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–   gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 1964 en 10 juli 1986(1),

–   gelet op artikel 68 van de Grondwet van de Italiaanse Republiek,

–   gelet op artikel 3 van de Italiaanse Wet nr. 140 van 20 juni 2003,

–   gelet op artikel 6, lid 1 en artikel 7, lid 13 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0367/2007),

A.   overwegende dat Gian Paolo Gobbo een lid van het Europees Parlement is, wiens geloofsbrieven op 15 januari 2007 door het Parlement werden onderzocht,

B.   overwegende dat Gian Paolo Gobbo - tezamen met een groot aantal andere personen, waarvan sommigen zijn geïdentificeerd en anderen niet - is aangeklaagd voor een overtreding die zou bestaan uit het bevorderen en oprichten van, alsmede het leiding geven en deelnemen aan een paramilitaire vereniging met politieke doelstellingen, onder de naam "Groenhemden",

C.   overwegende dat het volgens het Openbaar Ministerie van Italië het oogmerk van de Groenhemden was om een hiërarchisch georganiseerde organisatie op te bouwen die getrained werd in het nemen van collectieve actie van een gewelddadig of dreigend karakter en die ook gebruikt werd ter intimidatie van leden van de beweging die zich verzetten tegen de door haar leiders verstrekte politieke richtsnoeren, teneinde hen te beletten binnen de beweging een debat op gang te brengen, teneinde een bepaalde politieke lijn te doen prevaleren binnen de beweging "Lega Nord", door eventuele dissidenten binnen die beweging het zwijgen op te leggen,

D.   overwegende dat artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten de leden alleen een volledige bescherming verleent tegen rechtszaken die meningen en stemmen betreffen, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht,

E.   overwegende dat deelname aan een semi-militaire, geüniformeerde vereniging, die duidelijk de indruk wekt dat zij haar doelstellingen probeert te bereiken door het potentiële of daadwerkelijke gebruik van geweld, duidelijk in tegenspraak is - en ook onverenigbaar is - met de taken en verantwoordelijkheden die verbonden zijn aan een parlementair mandaat en daarom niet beschouwd kunnen worden als een legitieme uitoefening van de vrijheid van meningsuiting of als een normaal onderdeel van de taken van leden van een gekozen lichaam dat de burgers vertegenwoordigt,

F.   overwegende dat, volgens artikel 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, dat de enige in dit verband toepasselijke bepaling vormt, de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur van dit parlement, op het grondgebied van hun eigen staat de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordigers in hun land zijn verleend; overwegende dat dit het recht van het Europees Parlement onverlet laat om gebruik te maken van zijn recht tot opheffing van de immuniteit van een van zijn leden,

G.   overwegende dat op grond van artikel 68 van de Italiaanse Grondwet leden van het Italiaans parlement geen immuniteit genieten van strafrechtelijke vervolging, behalve voor zover het de meningen of stemmen betreft die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht, een voorwaarde waarvan in het onderhavige geval geen sprake is,

1.   is van mening dat de parlementaire immuniteit, in de zin van artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen en, voor zover dit relevant is, artikel 68, eerste subparagraaf van de Italiaanse Grondwet, niet van toepassing is op de beschuldigingen die zijn ingebracht tegen Gian Paolo Gobbo, en besluit daarom zijn immuniteit en voorrechten niet te verdedigen;

2.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Italiaanse Republiek.

(1) Zie Jurisprudentie van het Hof 1964, blz. 407, zaak 101/63 (Wagner/Fohrmann en Krier) en Jur. 1986, blz. 2403, zaak 149/85 (Wybot/Faure).


Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds
PDF 112kWORD 36k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU overeenkomstig punt 26 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (COM(2007)0526 - C6-0286/2007 - 2007/2179(ACI))
P6_TA(2007)0457A6-0393/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0526 - C6-0286/2007),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1), met name punt 26,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0393/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het aan deze resolutie gehechte besluit;

2.   verzoekt zijn Voorzitter te zorgen voor publicatie van dit besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie met bijlage te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 oktober 2007

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU overeenkomstig punt 26 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

Gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(2), en met name op punt 26,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(3),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De Europese Unie heeft een Solidariteitsfonds van de Europese Unie ("het fonds") opgericht om solidariteit te betonen met de bevolking van door rampen getroffen regio's.

(2)  Het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 staat uitgaven uit het fonds toe binnen het jaarlijkse maximum van 1 miljard EUR.

(3)  Verordening (EG) nr. 2012/2002 bevat de voorwaarden waaronder steun uit het fonds kan worden verstrekt.

(4)  Duitsland en Frankrijk hebben verzoeken ingediend om middelen uit het fonds beschikbaar te stellen voor twee rampen veroorzaakt respectievelijk door een zware storm en een tropische cycloon.

BESLUITEN:

Artikel 1

Voor de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007 wordt uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie 172 195 985 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, op 24 oktober 2007.

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(3) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2007
PDF 203kWORD 34k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2007 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling III - Commissie (13851/2007 – C6-0351/2007 – 2007/2178(BUD))
P6_TA(2007)0458A6-0401/2007

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(1), en met name op de artikelen 37 en 38,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, definitief vastgesteld op 14 december 2006(2),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–   gezien het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2007 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, ingediend door de Commissie op 13 september 2007 (COM(2007)0527),

–   gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2007, opgesteld door de Raad op 17 oktober 2007 (13851/2007 – C6-0351/2007),

–   gelet op artikel 69 en Bijlage IV van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0401/2007),

A.   overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2007 de volgende onderwerpen betreft:

   De beschikbaarstelling van 172 200 000 EUR aan vastleggingskredieten uit het Solidariteitsfonds van de EU voor een zware storm in Duitsland in januari 2007 en een tropische cycloon in Frankrijk (Réunion) in februari 2007.
   De opneming van een nieuw artikel 14 03 03 ter dekking van de financiële verplichtingen die voortvloeien uit de toetreding van de Europese Gemeenschappen tot de Werelddouaneorganisatie.
   De beschikbaarstelling van een bedrag van 35 000 000 miljoen EUR aan vastleggingskredieten op begrotingspost 26 01 50 07 ter betaling van schadevergoedingen ingevolge de definitieve arresten van het Gerecht van eerste aanleg van 12 juli 2007 in zaken T-45/01 en T-144/02, Sanders e.a. en Eagle e.a. tegen de Commissie. De overeenkomstige betalingskredieten zullen via herschikking worden gezocht.
   Het aanbrengen van de nodige technische aanpassingen in de begroting 2007 ten gevolge van de aanneming van Beschikking 2007/162/EG, Euratom van de Raad van 5 maart 2007 tot instelling van een financieringsinstrument voor civiele bescherming(4) en de aanneming van Verordening (EG) nr. 614/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE+)(5),

B.   overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6 tot doel heeft deze begrotingsmiddelen en technische aanpassingen formeel te integreren in de begroting 2007,

1.   neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2007;

2.   hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2007 zoals ingediend;

3.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 (PB L 390 van 30.12.2006, blz. 1).
(2) PB L 77 van 16.3.2007, blz. 1.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(4) PB L 71 van 10.3.2007, blz. 9.
(5) PB L 149 van 9.6.2007, blz. 1.


Aanvaarding van het protocol tot wijziging van de TRIPS-Overeenkomst ***
PDF 192kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad tot aanvaarding, namens de Gemeenschap, van het protocol tot wijziging van de TRIPS-Overeenkomst, ondertekend te Genève op 6 december 2005 (8934/2006 – C6-0359/2006 – 2006/0060(AVC))
P6_TA(2007)0459A6-0403/2007

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (8934/2006),

–   gezien het protocol tot wijziging van de TRIPS-Overeenkomst, ondertekend te Genève op 6 december 2005,

–   gezien het verzoek van de Raad om instemming overeenkomstig artikel 300, lid 3, tweede alinea juncto artikel 133, lid 5 en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin van het EG-Verdrag (C6-0359/2006),

–   gelet op artikel 75 en artikel 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0403/2007),

1.   stemt in met de aanvaarding van het protocol;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Volledig verslag (wijziging artikel 173 van het Reglement)
PDF 107kWORD 40k
Besluit van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 tot wijziging van artikel 173 van en invoeging van artikel 173 bis in het Reglement betreffende het volledig verslag en het audiovisueel verslag (2007/2137(REG))
P6_TA(2007)0460A6-0354/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien het schrijven van zijn Voorzitter van 12 april 2007,

–   gelet op de artikelen 201 en 202 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A6-0354/2007),

1.   besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.   wijst erop dat deze wijzigingen op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treedt;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendementen
Amendementen 2, 7 en 8
Artikel 173
1.  Van elke vergadering wordt een volledig verslag in de officiële talen opgesteld.
1.  Van elke vergadering wordt een volledig verslag in alle officiële talen opgesteld.
2.  De sprekers zijn verplicht de tekst van hun redevoeringen aan het secretariaat terug te zenden uiterlijk op de dag volgende op die waarop zij deze ontvangen hebben.
2.  De sprekers zijn verplicht correcties op de tekst van hun redevoeringen binnen een week aan het secretariaat terug te zenden.
3.  Het volledig verslag wordt gepubliceerd als bijlage bij het Publicatieblad van de Europese Unie.
3.  Het volledig verslag wordt gepubliceerd als bijlage bij het Publicatieblad van de Europese Unie.
4.  Leden kunnen erom verzoeken dat uittreksels uit het volledig verslag op korte termijn worden vertaald.
Amendementen 3, 6 en 9
Artikel 173 bis (nieuw)
Artikel 173 bis
Audiovisueel verslag van de vergaderingen
Onmiddellijk na de vergadering wordt een audiovisueel verslag, met inbegrip van de geluidsopnames van alle tolkencabines, gemaakt en op internet gezet.

Europese Adviescommissie voor statistische governance ***I
PDF 192kWORD 33k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van de Europese Adviescommissie voor statistische governance (COM(2006)0599 – C6-0348/2006 – 2006/0199(COD))
P6_TA(2007)0461A6-0327/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0599),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 285 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0348/2006),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0327/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 oktober 2007 met het oog op de aanneming van Besluit nr. .../2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van de Europese Adviescommissie voor statistische governance

P6_TC1-COD(2006)0199


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Besluit nr. 235/2008/EG.)


Europees Raadgevend Comité voor communautair beleid inzake statistische informatie ***I
PDF 194kWORD 33k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees Raadgevend Comité voor communautair beleid inzake statistische informatie (COM(2006)0653 – C6-0379/2006 – 2006/0217(COD))
P6_TA(2007)0462A6-0328/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0653),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 285 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0379/2006),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0328/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 oktober 2007 met het oog op de aanneming van Besluit nr. .../2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees Raadgevend Comité voor de statistiek en tot intrekking van Besluit 91/116/EEG van de Raad

P6_TC1-COD(2006)0217


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Besluit nr. 234/2008/EG.)


Kwalificatiekader voor een leven lang leren ***I
PDF 193kWORD 38k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren (COM(2006)0479 – C6-0294/2006 –2006/0163(COD))
P6_TA(2007)0463A6-0245/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0479),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 149, lid 4 en 150, lid 4 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0294/2006),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0245/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 oktober 2007 met het oog op de aanneming van Aanbeveling 2008/.../EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren

P6_TC1-COD(2006)0163


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Aanbeveling 2008/.../EG.)


Batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's (aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden) ***I
PDF 195kWORD 35k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/66/EG inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, met betrekking tot de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (COM(2007)0093 – C6-0088/2007 – 2007/0036(COD))
P6_TA(2007)0464A6-0232/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007) 0093),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 175, lid 1 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0088/2007),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0232/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 oktober 2007 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2008/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/66/EG inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, met betrekking tot de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden

P6_TC1-COD(2007)0036


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Richtlijn 2008/12/EG.)


Communicatie-infrastructuur Schengeninformatiesysteem (SIS) (verordening) *
PDF 211kWORD 53k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de installatie, de werking en het beheer van een communicatie-infrastructuur voor het Schengeninformatiesysteem (SIS) (COM(2007)0311 – C6-0216/2007 – 2007/0108(CNS))
P6_TA(2007)0465A6-0358/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie (COM(2007)0311),

–   gelet op artikel 66 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 67 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0216/2007),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0358/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   is van mening dat het in het Commissievoorstel vermelde indicatieve referentiebedrag verenigbaar moet zijn met het maximum van rubriek 3a van het meerjarig financieel kader (MFK), en wijst erop dat het jaarlijkse bedrag zal worden vastgesteld in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure overeenkomstig de bepalingen van punt 38 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer van 17 mei 2006(1);

3.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

4.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

5.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Overweging 7
(7)  De Sisnet-overeenkomst voorziet ook in netwerkdiensten en daarmee samenhangende beveiligingsdiensten voor Vision, een netwerk ter ondersteuning van de visumconsultatieprocedures tussen de centrale autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, maar dat aspect valt buiten de werkingssfeer van dit voorstel, omdat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 789/2001 van 24 april 2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures voor de behandeling van visumaanvragen de Raad de bevoegde instantie is voor de uitvoering van de wijzigingen die nodig zijn voor de migratie van Vision naar een andere communicatie-infrastructuur.
(7)  De Sisnet-overeenkomst voorziet ook in netwerkdiensten en daarmee samenhangende beveiligingsdiensten voor Vision, een netwerk ter ondersteuning van de visumconsultatieprocedures tussen de centrale autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst. In feite valt Vision in beginsel buiten de werkingssfeer van dit voorstel, omdat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 789/2001 van 24 april 2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures voor de behandeling van visumaanvragen de Raad de bevoegde instantie is voor de uitvoering van de wijzigingen die nodig zijn voor de migratie van Vision naar een andere communicatie-infrastructuur. Onverminderd Verordening (EG) nr. 789/2001 en ten einde de samenhang van SIS 1+ te handhaven dient de Commissie Vision in het nieuwe s-Testa-communicatienetwerk te incorporeren en uitvoeringsbevoegdheden op zich te nemen.
Amendement 9
Artikel 1, lid 5
5.  De kosten van de installatie, de werking en het beheer van de communicatie-infrastructuur komen ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie.
5.  De kosten van de installatie, de werking en het beheer van de communicatie-infrastructuur komen ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie. Elke lidstaat draagt de kosten die gepaard gaan met de nationale gegevensbank en de koppeling daarvan aan de communicatie-infrastructuur SIS of s-Testa.
Amendement 2
Artikel 1, lid 5 bis (nieuw)
5 bis Het SIS werd ingesteld krachtens titel IV van de Overeenkomst van Schengen. Na de opneming van het Schengen-acquis in de Verdragen en de vaststelling van de rechtsgrondslag ervan is echter voor elke wijziging een nieuw juridisch instrument noodzakelijk, dat dient te worden aangenomen overeenkomstig artikel 67, lid 2, tweede streepje van het EG-Verdrag.
Amendement 3
Artikel 3, lid 3
3.  De Raad coördineert de testactiviteiten van de lidstaten, valideert de testresultaten en houdt de Commissie op de hoogte.
3.  De Raad coördineert de testactiviteiten van de lidstaten, valideert de testresultaten en houdt de Commissie en het Europees Parlement op de hoogte.
Amendement 10
Artikel 5, lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Het in lid 1 bedoelde contract voldoet aan de bepalingen van de artikelen 88 tot en met 107 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.
Amendement 4
Artikel 5, lid 2
2.  De kosten die de in lid 1 bedoelde organen voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde taken maken, komen ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie.
2.  De kosten die de in lid 1 bedoelde organen voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde taken maken, komen ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, als gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 van de Raad van 13 december 2006.
Amendement 5
Artikel 5, lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van de voorwaarden van het in lid 1 bedoelde contract en van het nationale orgaan waaraan de opdracht is gegund.
Amendement 6
Artikel 5 bis (nieuw)
Artikel 5 bis
Beveiliging
De Commissie neemt voor de communicatie-infrastructuur de nodige maatregelen, waaronder de vaststelling van een beveiligingsplan.
Amendement 11
Artikel 7, lid 2
2.  De op de overeenkomstig artikel 4, lid 1, vastgestelde datum resterende bedragen van de krachtens Besluit 2000/265/EG goedgekeurde begroting worden terugbetaald aan de lidstaten. De terug te betalen bedragen worden berekend op basis van de bijdragen van de lidstaten zoals vastgesteld in artikel 26 van Besluit 2000/265/EG.
2.  De op de overeenkomstig artikel 4, lid 1, vastgestelde datum resterende bedragen van de krachtens Besluit 2000/265/EG goedgekeurde begroting worden door de Commissie gebruikt voor de opbouw van de communicatie-infrastructuur.
Amendement 7
Artikel 9, lid 2
2.  Voor de toepassing van deze verordening geldt de voorwaarde dat de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad de Commissie ervan kennis heeft gegeven dat geen overeenkomst of contract krachtens de Besluiten 2007/149/EG en 2000/265/EG van de Raad is gesloten voor de levering van netwerk- en beveiligingsdiensten voor de uitwisseling van gegevens als bedoeld in artikel 1, lid 1.
2.  Deze verordening is van toepassing vanaf de dag van de bekendmaking ervan en na kennisgeving door de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad aan de Commissie dat geen overeenkomst of contract krachtens de Besluiten 2007/149/EG en 2000/265/EG van de Raad is gesloten voor de levering van netwerk- en beveiligingsdiensten voor de uitwisseling van gegevens als bedoeld in artikel 1, lid 1.

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties *
PDF 195kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over de aanbeveling voor een besluit van de Raad betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Overeenkomst van 18 december 1997, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (COM(2007)0216 – C6-0170/2007 – 2007/0073(CNS))
P6_TA(2007)0466A6-0352/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie aan de Raad (COM(2007)0216),

–   gelet op artikel 3, lid 4, van de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0170/2007),

–   gezien de inspanningen van de achtereenvolgende Bulgaarse en Roemeense regeringen om te voldoen aan de respectieve benchmarks voor de activering van de vereenvoudigde toetredingsprocedure,

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A6-0352/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de aanbeveling van de Commissie;

2.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de aanbeveling van de Commissie;

4.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de regeringen van Bulgarije en Roemenië.


Thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden
PDF 158kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden (2007/2006(INI))
P6_TA(2007)0467A6-0291/2007

Het Europees Parlement,

-   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden" (COM(2006)0372),

-   gezien Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma(1),

-   gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (COM(2006)0373),

-   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (COM(2006)0388),

-   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en van de Raad betreffende statistieken over gewasbeschermingsmiddelen (COM(2006)0778),

-   gelet op artikel 175 van het Verdrag,

-   gelet op artikel 6 van het EG-Verdrag, op grond waarvan milieubescherming dient te worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid van de Gemeenschap, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling,

-   gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong(2),

-   gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(3) ("kaderrichtlijn waterbeleid"), Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water(4), Richtlijn 75/440/EEG van de Raad van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor productie van drinkwater in de lidstaten(5) en Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand(6),

-   gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) en tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen(7) en Richtlijn 2006/121/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot wijziging van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen teneinde deze aan te passen aan Verordening (EG) nr. 1907/2006(8),

-   gezien Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade(9), Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(10) en Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand(11),

-   gezien het syntheseverslag van de Commissie en van de Nederlandse ministeries voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij getiteld "Possibilities for Future EU Environmental Policy on Plant Protection Products" (1997),

-   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

-   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A6-0291/2007),

A.   overwegende dat gewasbeschermingsmiddelen tussen 1992 en 2003 in de EU nog steeds op grote schaal werden toegepast en dat het gebruik ervan niet is afgenomen ondanks het met succes gevoerde proactieve beleid van sommige lidstaten om het gebruik van landbouwpesticiden te beperken,

B.   overwegende dat in het milieu nog steeds ongewenste hoeveelheden van bepaalde pesticiden worden aangetroffen, met name in bodem en water; overwegende dat in landbouwproducten nog steeds residuen voorkomen in concentraties die de reglementaire waarden overschrijden,

C.   overwegende dat het gebruik van pesticiden onmiskenbare voordelen heeft en beslist een belangrijke bijdrage levert aan een efficiënte en duurzame concurrerende landbouwproductie in Europa, maar dat het grote publiek beter moet worden geïnformeerd over de mogelijke gezondheids- en milieurisico's en de nadelige effecten op de korte en lange termijn, die aan het gebruik ervan verbonden zijn;

D.   overwegende dat voortzetting van het gebruik van pesticiden alleen mogelijk dient te zijn als het voorzorgsbeginsel met betrekking tot de gezondheid van de mens en de bescherming van het water- en landecosysteem wordt gerespecteerd; overwegende dat dit betekent dat pesticiden niet gebruikt zouden mogen worden voordat alle gezondheids- en milieueffectrapportages zijn uitgevoerd; en overwegende dat het vergelijken van gegevens en beste praktijken wat betreft het beperken van het gebruik in de verschillende lidstaten aangemoedigd dient te worden en als referentiepunt in aanmerking dient te worden genomen,

E.   overwegende dat een transparant systeem voor rapportage en monitoring van het pesticidengebruik en de residugehalten in producten, met inbegrip van de ontwikkeling van passende indicatoren, ontbreekt;

1.   erkent de noodzaak van een Europees juridisch kader op het gebied van pesticidengebruik, omdat de geldende wetgeving ontoereikend is gebleken voor het voorkomen van de aan het gebruik van pesticiden verbonden gevaren en risico's voor de gezondheid en het milieu;

2.   is van oordeel dat het belangrijk is om te komen tot nieuwe wetgeving die uitgaat van een benadering die sterker is gericht op het beperken van het gebruik van pesticiden en die op milieugebied ambitieuzer is, door significante steun te geven aan de organische landbouw en aan geïntegreerde productiemethoden;

3.   verwelkomt de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden, waarin de tekortkomingen van de huidige communautaire wetgeving worden vermeld en waarin wordt voorgesteld de gebruiksfase te reguleren om "de kloof te dichten" tussen enerzijds het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en anderzijds het einde van de levenscyclus van dergelijke middelen;

4.   wijst erop dat de EU inmiddels meer dan een dozijn wettelijke maatregelen heeft vastgesteld, die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen direct of indirect regelen; benadrukt echter dat de geplande voorschriften voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen de goede kant opgaan;

5.   merkt op dat de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden uitsluitend betrekking heeft op gewasbeschermingsmiddelen, die slechts een van de vele soorten pesticiden vormen; verzoekt de Commissie om onmiddellijk ook de plaagbestrijdingsmiddelen (biociden van productsoort 14-19) zoals omschreven in Bijlage V van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 inzake het op de markt brengen van biociden(12) deel uit te laten maken van het toepassingsgebied van de thematische strategie omdat ze vergelijkbare risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu met zich meebrengen, en dringt er bij de Commissie op aan het toepassingsgebied van de thematische strategie zo snel mogelijk uit te breiden tot andere biociden;

6.   vindt het van wezenlijk belang te komen tot een gedragsverbetering bij de gebruikers van pesticiden om verkeerd gebruik, overdosering en vergiftiging tegen te gaan; verwelkomt de invoering van een systeem voor opleiding en scholing van professionele gebruikers van pesticiden, waarvoor de Commissie richtsnoeren dient op te stellen waarin rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de diverse Europese regio's; is van oordeel dat certificering en opleiding een voorwaarde moet zijn voor de tewerkstelling van professionele gebruikers van pesticiden en dat er dient te worden voorzien in professionele bijscholing, zodat hun technische vaardigheden en kennis up-to-date zijn en een veilig en effectief gebruik van pesticiden gewaarborgd is; stelt voor om adviesbureaus voor landbouwers op te zetten of de bestaande te verbeteren teneinde landbouwers meer bewust te maken van het veilig gebruik van pesticiden en de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen;

7.   verzoekt de Commissie om, overeenkomstig het beginsel van de vervuiler betaalt, te bezien welke geschikte manieren er zijn om producenten van gewasbeschermingsmiddelen en/of hun actieve bestanddelen te betrekken bij het tegengaan of herstellen van mogelijke schade aan de menselijke gezondheid of het milieu tengevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;

8.   beveelt aan dat de verkoop en distributie van pesticiden plaatsvinden onder toezicht van gekwalificeerde vakmensen en dat dergelijke transacties worden geregistreerd teneinde een adequate controle van de marketing en het gebruik van dergelijke producten te waarborgen;

9.   benadrukt dat maximale beperking van de aan het gebruik van pesticiden verbonden gevaren en risico's voor de gezondheid en het milieu niet mogelijk is zonder een constructieve dialoog en capaciteitsopbouw, inclusief financiële stimulansen, met derde landen, tezamen met een strikte controle op producten die in de EU worden ingevoerd om te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden;

10.   verzoekt de Commissie om ten aanzien van de buurlanden van de EU beleid inzake bescherming en samenwerking over het gebruik van pesticiden en gewasbeschermingsmiddelen te formuleren;

11.   onderstreept het belang van de rol van de media in de voorlichting van het grote publiek en in het bijzonder van niet-beroepsmatige gebruikers van pesticiden over pesticidevraagstukken; en stelt voor initiatieven te ontwikkelen om het publiek te informeren en meer bewust te maken;

12.   verwelkomt in het algemeen de maatregelen waarvoor de Commissie heeft gekozen; benadrukt echter dat ambitieuze nationale actieplannen van de lidstaten van fundamenteel belang zijn in het gehele proces;

13.   betreurt daarnaast dat de Commissie heeft geopteerd voor de uitsluiting van kwantitatieve en kwalitatieve criteria in de nationale actieplannen, zodat het ambitieniveau ervan wordt verlaagd;

14.   benadrukt dat zonder kwantitatieve doelstellingen voor reductie van het gebruik in de nationale actieplannen de notie "vermindering van de gevaren, risico's en afhankelijkheid van pesticiden" zeer onnauwkeurig en onduidelijk is omschreven en deze de lidstaten niet zal aanmoedigen om het pesticidengebruik terug te dringen of om prioriteit te geven aan niet-chemische alternatieven voor gewasbescherming en de plaagbestrijding en het gewasbeheer;

15.   stelt voor dat de Commissie het wegnemen van gevaren, risico's en afhankelijkheid van pesticiden combineert met kwantitatieve criteria in de nationale actieplannen, door te bedingen dat de lidstaten hun eigen doelstellingen, tijdschema's en criteria voor het verminderen van het gebruik van pesticiden moeten bepalen waarbij rekening wordt gehouden met de positieve ervaring die sommige lidstaten reeds met het gebruik van kwantitatieve reductiedoelstellingen hebben opgedaan, waaruit blijkt dat het gebruik van pesticiden kan worden verminderd zonder hoge kosten voor de landbouwers;

16.   wijst erop dat de verplichting om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in te perken, hun gevaarlijkheid te verkleinen en naar alternatieve gewasbeschermingsmiddelen, hulpbronnen en methodes te zoeken die milieuvriendelijker zijn en minder schadelijk voor mens en dier, niet alleen het milieu en de volksgezondheid ten goede zal komen, maar ook de kwaliteit van Europese landbouwproducten zal verbeteren en hun toegevoegde waarde zal verhogen ten gevolge van de bewustmaking van het publiek en de gevoeligheid bij de consument aangaande deze kwesties;

17.   is het ermee eens dat de nationale actieplannen moeten worden afgestemd op de specifieke klimatologische en agrarische omstandigheden en de aanwezigheid van schadelijke organismen in elke lidstaat, die bepaalde specifieke behandelingen nodig maken, vooral in het geval van minder belangrijke gewassen;

18.   hoopt dat de Commissie een specificatie zal geven van de communautaire financiële hulp die de lidstaten kunnen aanwenden voor onderzoek, de aanleg van databanken en het vergroten van de kennis over pesticiden;

19.   verwelkomt de uitspraak van de Commissie dat het belangrijkste verwachte resultaat van de thematische strategie is dat de schadelijke gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de volksgezondheid worden beperkt;

20.   betreurt dat gezondheid in de thematische strategie slechts marginaal aan bod komt, hoewel er een verband bestaat tussen het gebruik van pesticiden en immunologische effecten, hormoonontregeling, neurotoxische aandoeningen en kanker(13);

21.   benadrukt dat stoffen die carcinogeen, mutageen of toxisch voor de voortplanting zijn, of persistent, bioaccumulatief of toxisch of die voor endocriene verstoringen kunnen zorgen, niet als actieve stof in pesticiden mogen voorkomen;

22.   wijst erop dat foetussen, baby's, kinderen, zwangere vrouwen, ouderen, chronisch zieken en mensen met reeds bestaande medische problemen, alsmede gebruikers van pesticiden en plattelandsbewoners en -gemeenschappen, vatbaarder voor de gevolgen van pesticiden zijn, vooral als het gaat om de cumulatieve effecten van verschillende soorten pesticiden, dan de rest van de bevolking;

23.   wijst erop dat een gewasbeschermingsmiddel goedgekeurd dient te zijn alvorens het kan worden gebruikt en dat een dergelijke goedkeuring gebaseerd dient te zijn op wetenschappelijk onderzoek van het gewasbeschermingsmiddel en zijn actieve bestanddelen, waarbij aan de hand van tests wordt vastgesteld welke risico's het product bij juist gebruik met zich meebrengt voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu;

24.   vindt het essentieel de gezondheidseffecten van pesticidengebruik nader te onderzoeken, vooral bij gecombineerd of cumulatief gebruik;

25.   is zeer ingenomen met het verbieden van stoffen vanwege hun intrinsieke gevaren en met het zogenaamde "substitutieprincipe" waarbij de meer gevaarlijke stoffen van de markt worden verwijderd wanneer er veiliger, waaronder niet-chemische, alternatieven voorhanden zijn;

26.   verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten en de industrie maatregelen tegen de invoer en het in de handel brengen van vervalste en/of niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen te nemen;

27.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat bij vaststelling van overschrijdingen van de grenswaarden op of in geïmporteerde levensmiddelen dezelfde maatregelen en sancties worden genomen als in het geval van in de EU vervaardigde producten; verlangt onverwijld voldoende controles van ingevoerde goederen (die over het algemeen aan minder strikte wetgeving inzake het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hoeven te voldoen waardoor er een groter risico bestaat op illegale residugehalten) in alle lidstaten op een gelijke manier, om benadeling van de Europese landbouwers en producenten te voorkomen en om gelijke concurrentievoorwaarden binnen de EU te creëren;

28.   verlangt dat er passende controles en een verbod worden ingesteld voor in de EU geïmporteerde voedermiddelen die zijn geproduceerd met gebruikmaking van gewasbeschermingsmiddelen en pesticiden waarvan het gebruik en op de markt brengen in de EU niet is toegestaan;

29.   verlangt dat gecoördineerde systemen worden opgezet voor het verzamelen van gegevens over de productie, import, export, verkoop, distributie en het gebruik van algemeen verkrijgbare pesticiden;

30.   is van mening dat gebieden, waaronder beschermde drinkwaterwingebieden, met een verminderd of nulgebruik van pesticiden moeten worden aangewezen en dat het aquatisch milieu extra moet worden beschermd om ongewenste blootstelling te voorkomen; meent dat er "bufferzones" van passende omvang moeten worden ingesteld met inachtneming van de verschillende landbouwtechnische en geografische condities en weersomstandigheden; is van oordeel dat het gebruik van pesticiden verboden dient te worden in en rond stedelijke woongebieden, publieke parken, sportterreinen, schoolterreinen en kinderspeelterreinen, aangezien de Commissie heeft erkend dat het grote publiek een aanzienlijk risico loopt wanneer het in zulke gebieden aan pesticiden wordt blootgesteld;

31.   neemt nota van de vervuiling van het Europees grond- en oppervlaktewater door pesticiden en benadrukt de noodzaak om de cohesie tussen de thematische strategie en de kaderrichtlijn waterbeleid te versterken; wijst erop dat water echter meestal louter voor menselijke consumptie wordt gezuiverd, terwijl de rest van het vervuilde water in het menselijk lichaam terechtkomt via flora en fauna, wat leidt tot hoge behandelingskosten;

32.   erkent dat het verbod op sproeien vanuit de lucht onvermijdelijk is; is evenwel van oordeel dat sproeien kan worden toegepast wanneer het duidelijke milieuvoordelen biedt of wanneer er geen bruikbare alternatieven voorhanden zijn, maar dat het tegelijkertijd verplicht moet zijn het grote publiek te informeren over de sproeitijd en de hoeveelheden en het type pesticide;

33.   verlangt van de Commissie dat de communautaire harmonisatie van maximumresidugehalten wordt versneld, aangezien de huidige situatie gekenmerkt wordt door ongelijke concurrentievoorwaarden binnen de EU, waardoor handel wordt belemmerd en consumenten in de war worden gebracht;

34.   dringt er bij de Commissie op aan zo laag mogelijke maximumresidugehalten vast te stellen tenzij bewezen kan worden dat zelfs met de best beschikbare technieken en methoden niet kan worden voorkomen dat het residugehalte een bepaald niveau overschrijdt; verzoekt met het oog hierop de lidstaten om de monitoring van pesticidenconcentraties in levensmiddelen en milieucompartimenten te verbeteren;

35.   is ingenomen met het voorgestelde verzoek aan de lidstaten om bepalingen af te schaffen op grond waarvan de lidstaten verlaagde btw-tarieven voor pesticiden mogen hanteren; is van oordeel dat de Commissie de lidstaten dient te helpen om passende ondersteuningsmaatregelen voor landbouwers te nemen en deze te financieren in het kader van plattelandsontwikkeling;

36.   verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij het opzetten van een belasting- of heffingssysteem teneinde het gebruik van pesticiden - kwantitatief en kwalitatief - te beïnvloeden;

37.   verlangt dat de Commissie heldere definities en minimumcriteria voor IPM opstelt en daarin ook het toenemend percentage van gebieden waar organische landbouw wordt toegepast in op te nemen en verplichte algemene en gewasspecifieke IPM-normen toe te passen op alle landbouwgrond, met uitzondering van land waar organische landbouw wordt toegepast;

38.   erkent dat talrijke aandachtspunten op milieugebied zijn opgenomen in de diverse regelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waardoor de agrarische productiemethoden milieuvriendelijker zijn geworden;

39.   wijst op de noodzaak van het verspreiden van landbouwtechnieken die het gebruik van kleinere hoeveelheden pesticiden bevorderen (onder andere geïntegreerde productie en organische landbouw), wat zal bijdragen aan een algehele vermindering van het gebruik van pesticiden;

40.   dringt er bij de lidstaten op aan landbouw met een laag pesticidengebruik en biologische landbouw te bevorderen en erop toe te zien dat professionele gebruikers van pesticiden overschakelen op een milieuvriendelijker gebruik van alle beschikbare gewasbeschermingsmethoden en dat zij voorrang geven aan niet-chemische methoden voor gewasbescherming en de bestrijding van schadelijke organismen, zoals bijvoorbeeld wisselbouw en wieden boven het stelselmatige gebruik van pesticiden;

41.   verzoekt de Commissie en de lidstaten voldoende middelen beschikbaar te stellen voor resistentie-onderzoek, voor het verbouwen en leveren van een grote diversiteit aan gewassen met verschillende resistentiekenmerken, voor onderzoek naar gewasrotatie en bodembewerkingstechnieken om schadelijke insecten en plantenziektes te bestrijden, alsmede voor innovaties op het vlak van de gewasbescherming (met inbegrip van niet-chemische alternatieven).

42.   beklemtoont dat de opwarming van de aarde waarschijnlijk zal leiden tot een toeneming van de populaties van schadelijke organismen waardoor de frequentie en de intensiteit van uitbraken kan toenemen; dringt in dit verband aan op de bestudering van de gevolgen van klimaatverandering, niet alleen voor de landbouwproductie, maar ook in het kader van milieubescherming;

43.   verzoekt de lidstaten toe te zien op een veilige opslag en hantering van pesticiden en te zorgen dat ongebruikte pesticiden waarvan de uiterste gebruiksdatum is verstreken, en lege verpakkingen op een gecontroleerde wijze worden ingezameld en verouderde pesticiden worden behandeld in overeenstemming met de voorschriften voor gevaarlijk afval;

44.   verlangt dat de bestaande communautaire financiering wordt gebruikt de veilige verwijdering van pesticiden waarvan de uiterste gebruiksdatum is verstreken, aangezien in de EU in ondergrondse stortplaatsen en openluchtdepots nog steeds meer dan 200 000 ton pesticiden ligt opgeslagen;

45.   erkent dat goed onderhouden toepassingsapparatuur van wezenlijk belang is om de schadelijke effecten van pesticiden op de gezondheid en het milieu te verminderen, vooral voor de betrokken werknemers, landbouwers en bewoners, en benadrukt dat de toepassingsapparatuur geregeld dient te worden gecontroleerd;

46.   dringt er bij de Commissie op aan de uiterst zorgelijke kwestie van het hoge sterftecijfer onder huisbijen in aanmerking te nemen - een probleem dat te maken heeft met het gebruik van bepaalde systemische insecticiden (met de actieve stoffen Fipronil en Imidaclopride) voor het behandelen van zonnebloem- en maïszaden;

47.   benadrukt de noodzaak om de Europese handelsnormen voor de vorm, grootte en esthetische kwaliteit van vers fruit en verse groenten, die het intensief gebruik van pesticiden bevorderen, te wijzigen;

48.   dringt er bij de Commissie op aan de thematische strategie te gebruiken als een paraplu voor bestaande en toekomstige wetgeving; stelt voor een combinatie van handhaafbare instrumenten te realiseren die niet tegenstrijdig zijn maar elkaar aanvullen;

49.   is verheugd over het feit dat de Commissie op basis van de thematische strategie is gekomen met een alomvattend communautair wettelijk kader voor maatregelen die bedoeld zijn om te komen tot het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;

50.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.
(2) PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.
(3) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(4) PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.
(5) PB L 194 van 25.7.1975, blz. 26.
(6) PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19.
(7) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(8) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 849. Rectificatie in PB L 136 van 29.5.2007, blz. 281.
(9) PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.
(10) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(11) PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.
(12) PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.
(13) Mededeling van de Commissie getitled "Europese strategie voor milieu en gezondheid", COM(2003)0338, blz. 5.


Conventionele energiebronnen en energietechnologie
PDF 159kWORD 78k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over conventionele energiebronnen en energietechnologie (2007/2091(INI))
P6_TA(2007)0468A6-0348/2007

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie "Een energiebeleid voor Europa" (COM(2007)0001),

–   onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie "Duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen - Naar bijna nulemissie bij de verbranding van steenkool vanaf 2020" (COM(2006)0843),

–   onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie "Ontwerpprogramma van indicatieve aard inzake kernenergie overeenkomstig artikel 40 van het Euratom-Verdrag ter advies ingediend bij het Europees Economisch en Sociaal Comité" (COM(2006)0844),

–   onder verwijzing naar mededeling van de Commissie "Naar een Europees strategisch plan voor energietechnologie" (COM(2006)0847),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 mei 2007 "Evaluatie Euratom - 50 jaar Europees kernenergiebeleid"(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 december 2006 over een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie voor Europa - Groenboek(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 juni 2006 over het Groenboek inzake energie-efficiëntie "Meer doen met minder"(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 maart 2006 over de zekerheidsstelling van de energievoorziening in de Europese Unie(4),

–   gezien de conclusies van de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van 23 november 2006 over een "Actieplan voor energie-efficiëntie",

–   onder verwijzing naar de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 inzake de goedkeuring van het actieplan (2007-2009) van de Europese Raad, getiteld "Een energiebeleid voor Europa",

–   gezien de ontwerpresolutie over "schone steenkool"-technologieën die door Salvador Garriga Polledo, overeenkomstig artikel 113 van het Reglement, is ingediend (B6-0143/2007)

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0348/2007),

A.   overwegende dat de sterke afhankelijkheid van de EU van de invoer van energie ervoor zorgt dat kwesties op het gebied van de bevoorradingszekerheid, de hernieuwbare energiebronnen, energiebesparing, energie-efficiëntie en diversifiëring van de energievoorziening steeds centraler komen te staan in het energiebeleid,

B.   overwegende dat conventionele energiebronnen, met name steenkool, olie, gas en kernenergie, ook in de toekomst een essentiële rol zullen spelen bij de energievoorziening,

C.   overwegende dat de afhankelijkheid van de invoer van fossiele energiebronnen tot het jaar 2030 tot 65% van de totale consumptie zal toenemen, tenzij preventieve maatregelen worden genomen, en dat de gas- en olievoorziening als gevolg van geopolitieke risico's en een toenemende concurrentie bij de vraag steeds onzekerder worden,

D.   overwegende dat een heroriëntering van de kolensector significante economische en sociale gevolgen heeft in regio's met weinig alternatieven voor een diversifiëring van de economische activiteiten en het scheppen van werkgelegenheid,

E.   overwegende dat auto's met een elektrische aandrijving de mogelijkheid bieden van een aanmerkelijke verbetering van de efficiëntie wanneer voor de opwekking van elektriciteit een koolstofarme energiebron wordt gebruikt,

F.   overwegende dat de afhankelijkheid van olie ook kan worden verminderd door de goedkeuring van maatregelen waarmee de significante emissies van broeikasgassen door auto's kunnen worden aangepakt,

G.   overwegende dat de brutostroomproductie van de EU wordt opgewekt met verschillende energiebronnen, te weten: 31% kernenergie, 29% steenkool, 19% gas, 14% hernieuwbare energiebronnen en 5% olie,

H.   overwegende dat het verdergezet gebruik van fossiele energiebronnen het noodzakelijk maakt dat er meer wordt gedaan aan de bestrijding van klimaatverandering,

I.   overwegende dat de EU ambitieuze doelstellingen ter beperking van broeikasgassen heeft vastgesteld als een elementair onderdeel van haar beleid ter bestrijding van klimaatverandering,

J.   overwegende dat voor de productie van brandstoffen ook conventionele energiebronnen kunnen worden gebruikt,

K.   overwegende dat het, in het kader van de herstructurering van de kolenmijnen in de EU, ook vanuit de optiek van bevoorradingszekerheid zinvol is om het huidige niveau van toegang tot bestaande grote binnenlandse kolenvoorraden te handhaven,

L.   overwegende dat communautaire wetgeving, zoals Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt(5) van belang is geweest om de technologische ontwikkeling en particuliere O&O-investeringen te bevorderen,

Overzicht

1.   is ingenomen met de vorenvermelde mededelingen van de Commissie over duurzame stroomproductie uit fossiele brandstoffen, over het Europees strategisch plan voor energietechnologie en over het ontwerpprogramma van indicatieve aard inzake kernenergie;

2.   onderstreept dat een verbetering van de energie-efficiëntie een grote bijdrage levert aan de duurzaamheid en de continuïteit van de voorziening en tevens de exportkansen van EU-producenten verbetert;

3.   acht diversifiëring van de energiebronnen wegens de toenemende schaarste van grondstoffen belangrijk; wijst voorts op het belang van kernsplitsing en, voor sommige landen, het mogelijk toekomstig belang van kernfusie voor de bevoorradingszekerheid; vestigt de aandacht op het belang van het gebruik van regionale hulpbronnen voor de bevoorradingszekerheid;

4.   is van mening dat een verdere verbetering van de efficiëntie van op basis van fossiele brandstoffen functionerende elektriciteitscentrales van essentieel belang is, evenals verdere verbeteringen van de veiligheidsnormen voor kerncentrales, een snelle ontwikkeling van de kernfusietechnologie en de daartoe benodigde verhoging van de middelen voor onderzoek;

5.   verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten te zorgen voor diversificatie en decentralisatie van de energieproductie, waarbij in alle verschillende regio's van de EU de bronnen dienen te worden gebruikt die daarvoor het meest geschikt zijn, rekening houdend met specifieke regionale kenmerken;

6.   merkt op dat meer toegang tot duurzame energie de sleutel is voor ontwikkelingslanden om hun millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te kunnen verwezenlijken en dat op het ogenblik naar schatting twee miljard mensen onder energieschaarste lijden, wat hun mogelijkheden voor economische ontwikkeling en een betere levensstandaard beperkt;

7.   wijst erop dat marktdistorsies op de interne energiemarkt zolang blijven bestaan tot het in artikel 174, lid 2, van het EG-Verdrag verankerde principe dat de vervuiler betaalt, wordt toegepast op het energiebeleid; verzoekt de lidstaten derhalve opnieuw met klem de externe kosten, met inbegrip van alle milieu- en vervolgkosten, in de energieprijzen door te berekenen;

8.   wijst erop dat bij de energieprijzen rekening moet worden gehouden met de reële externe kosten van energieproductie, met inbegrip van kosten voor de bescherming van het milieu;

9.   is van mening dat een succesvolle vermindering van de broeikasgasemissies van de energiesector alleen kan worden verwezenlijkt door een groter gebruik van koolstofarme technologieën, zoals kernenergie, schone steenkool en hernieuwbare energie;

Energietechnologie

10.   onderstreept dat een duurzame energiebevoorrading voor de EU alleen kan worden verwezenlijkt met aanzienlijke onderzoeksinspanningen en veranderingen in het consumentengedrag;

11.   is ingenomen met de Trans-Atlantische Economische Raad EU-VS, die deel uitmaakt van het Transatlantisch Economisch Partnerschap tussen de EU en de VS dat op 30 april 2007 in Washington werd ondertekend, en die zal bijdragen tot een groter transatlantisch begrip over energieonderwerpen; wijst erop dat de betrekkingen op gebieden die gerelateerd zijn aan energie moeten worden aangehaald, ook op het gebied van de wetgeving;

12.   wijst erop dat Europa op het gebied van O&O in innovatieve energietechnologieën, met inbegrip van energie-efficiëntie en hernieuwbare energieën, wereldwijd aan de top staat en met name nummer één is voor technologieën op het gebied van kernfusie;

13.   dringt er bij de Commissie, de lidstaten, de regio's en de andere belanghebbenden op aan gebruik te maken van de door het cohesiebeleid geboden mogelijkheden en te investeren in nieuwe energietechnologieën op het gebied van zowel hernieuwbare energiebronnen als technologieën voor duurzame fossiele brandstoffen ("emissiearme elektriciteitscentrales ");

14.   verzoekt de lidstaten en de regionale autoriteiten met aandrang maatregelen te treffen om de zekerheid van de energiebevoorrading te verbeteren door een versterkte directe samenwerking in de energiesector, vooral in grensregio's;

15.   beveelt aan grootscheeps te investeren in innovatie, toegepast onderzoek, evenals kapitaal te investeren in intelligente energienetwerken en slimme gridtechnologieën;

16.   wijst erop dat staten en regio's buiten de EU thans op grote schaal O&O-middelen beschikbaar stellen waardoor de leidende rol van Europa op het gebied van technologie op de middellange termijn in gevaar gebracht zou kunnen worden, maar dat een te grote concentratie van middelen op een bepaald gebied moet worden voorkomen; onderstreept dat het, met het oog op de wereldwijde verantwoordelijkheid om klimaatverandering te bestrijden, onwenselijk zou zijn, dat ontwikkelingslanden gaan achterlopen bij de ontwikkeling van het opvangen en opslaan van kooldioxide en onderstreept het buitengewoon grote belang van nauwe samenwerking met China en India op dit vlak;

17.   onderstreept dat de leidende rol van de EU op het vlak van de technologie, als gevolg van de onderzoeksinspanningen van de EU en de lidstaten, de concurrentiepositie van haar industrie versterkt en arbeidsplaatsen in de EU doet ontstaan;

18.   dringt er bij de EU, de lidstaten en de ondernemingen op aan om conform het subsidiariteitsbeginsel hun O&O-inspanningen op het vlak van energie te verdubbelen, vooral ook ter verbetering van de efficiëntie van de energieproductie en energievoorziening, beperking van de milieugevolgen, verbetering van de veiligheid van bestaande technologieën, de ontwikkeling van de opslagtechnologieën voor hernieuwbare energie en de ontwikkeling van nieuwe kernreactorgeneraties en nieuwe energietechnologieën, met inbegrip van kernfusie;

19.   beveelt aan, met betrekking tot bronnen die in beperkte hoeveelheid beschikbaar zijn en die voor de energiezekerheid en -onafhankelijkheid van lidstaten in de komende jaren kritisch te zullen blijven, dat in het aanstaande strategisch plan voor energietechnologie de voorkeur zou worden gegeven aan technologische ontwikkelingen die hun potentieel optimaal uitbuiten teneinde de algemene uitstoot van broeikasgassen te beperken;

20.   stelt vast dat de doelstellingen dat in 2020 minimum 20% van het energieverbruik moet bestaan uit hernieuwbare energie en de energie-efficiëntie met 20% verbeterd moet zijn, betekenen dat hernieuwbare energiebronnen in Europa een steeds grotere rol zullen gaan spelen en op den duur steeds meer energie-efficiënte technologie ingezet zal worden; acht het van vitaal belang dat met deze langetermijntrend naar het gebruik van hernieuwbare energietechnologie en betere energie-efficiëntie in alle sectoren van de economie terdege rekening wordt gehouden in het Europees strategisch plan voor energietechnologie;

21.   begroet de aankondiging van de Commissie om op de Europese Voorjaarsraad van 2008 het Europees strategisch energietechnologieplan in te dienen; vraagt zich echter af waar de middelen voor dit plan vandaan moeten komen;

22.   dringt er bij de Commissie op aan de technologie voor synthetische brandstoffen te steunen met het oog op het potentieel daarvan voor een versterking van de zekerheid van de energievoorziening en een vermindering van de emissies van de wegvervoerssector in EU;

23.   wijst erop dat het bedrag voor de openbare startsteun voor nieuwe energietechnologieën adequaat moet zijn en rekening moet houden met de mate van commerciële kwetsbaarheid en dat deze steun uiterlijk op het moment dat de nieuwe technologieën marktrijp zijn moet worden stopgezet;

24.   herinnert eraan dat de Raad heeft benadrukt ervoor te zorgen dat de meest efficiënte en beschikbare technologie bij de aanleg van nieuwe capaciteit wordt gebruikt, en dat een groter gebruik wordt gemaakt van warmtekrachtkoppeling (WKK), stadsverwarming en -koeling en het gebruik van industriële afvalwarmte;

25.   onderstreept dat een voorstel voor een internationaal vastgesteld minimumpercentage van de begrotingen voor onderzoek goed zou zijn voor de bestrijding van klimaatverandering en dat tenminste de doelstellingen van Lissabon moeten worden nageleefd;

Fossiele brandstoffen

26.   wijst erop dat fossiele brandstoffen ook in de toekomst zeer belangrijk zullen zijn om de zekerheid van de energievoorziening in de EU te waarborgen en onderstreept het belang van aardgas als de fossiele brandstof met het laagste CO2-gehalte;

27.   onderstreept dat fossiele brandstoffen op de lange termijn gebruikt moeten worden voor de opwekking van stroom totdat met hernieuwbare energieën de basisbehoeften kunnen worden gedekt;

28.   wijst erop dat de eigen fossiele energiebronnen, vooral de grote kolenvoorraden en het aanzienlijke overgebleven olie- en gaspotentieel in enkele lidstaten en Noorwegen, kunnen bijdragen aan de bevoorradingszekerheid; beveelt aan dat toekomstige installaties voor de opwekking van energie worden uitgerust met technologie voor opvang en opslaan van kooldioxide, wanneer dat technisch mogelijk is; is van mening dat het toepasselijk wettelijk en bestuursrechtelijk kader een optimale exploitatie mogelijk moet maken;

29.   acht grotere inspanningen ter vermindering van emissies en verhoging van de efficiëntie van de fossiele opwekking van stroom noodzakelijk, o.a. door steun aan de ontwikkeling van WKK, wijst er echter op dat de Europese centrales nu reeds de meest efficiënte ter wereld zijn;

30.   dringt er bij de Commissie op aan investeringen in WKK te stimuleren; stelt vast dat met een zeer doeltreffende WKK de efficiëntie van een gewone kolengestookte condensatiecentrale kan worden verdubbeld;

31.   vindt het uit oogpunt van bevoorradingszekerheid en kostenefficiëntie onverstandig door verkeerde marktstimulansen de bouw van de meest moderne en efficiënte kolencentrales te belemmeren;

32.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat door het systeem van verhandelbare emissierechten de vervanging van bestaande centrales, door moderne en klimaatvriendelijke installaties - waaronder kerncentrales - niet wordt belemmerd;

33.   roept op tot verdere verbetering van het mechanisme voor schone ontwikkeling (Clean Development Mechanism) in het kader van het protocol van Kyoto, zodat het zijn doel kan vervullen en de overdracht van efficiënte, schone en geschikte energietechnologieën aan ontwikkelingslanden mogelijk kan maken;

34.   verzoekt de Commissie er bij de herziening van het systeem voor de emissiehandel op te letten dat de specifieke problematiek van de markt voor warmteopwekking, die grotendeels bestaat uit individuele stookinstallaties (stookketels) op basis van fossiele brandstoffen en die als gevolg van de geringe omvang van de installaties niet onder het emissiehandelssysteem valt, adequaat mee te rekenen;

35.   wenst dat de bestaande, met fossiele brandstoffen gestookte krachtcentrales hun energie-efficiëntie en milieuprestaties verbeteren;

36.   wijst erop dat de technologie voor opvang en opslaan van kooldioxide gepaard gaat met een geringere efficiëntie van de centrales en dat technische, juridische en milieukwesties in verband met de opslag van CO2 uitdagingen vormen die alleen door onderzoeksinspanningen en politieke initiatieven kunnen worden aangegaan; is echter van mening dat het belangrijk is dat de technologie voor opvang en opslag van kooldioxide bij de eerstmogelijke praktische gelegenheid geschikt moet worden gemaakt voor centrales die met fossiele brandstoffen worden gestookt;

37.   is ervan overtuigd dat de meest doeltreffende manier om de gevolgen van broeikasgassen voor het klimaat te voorkomen een snelle en duidelijke vermindering van de productie van dit soort gassen is; is van mening dat technologie voor opvang en opslaan van kooldioxide in deze zin slechts een van de mogelijke middelen is ter aanpak van de klimaatverandering;

38.  stelt vast dat opvang en opslag van kooldioxide niet noodzakelijkerwijze een geschikte oplossing is voor kleine centrales, die slechts geringe hoeveelheden energie opwekken en alleen bestaan ten behoeve van de bevoorradingszekerheid;

39.   verlangt in het kader van de technologie voor opvang en opslag van CO2 ook onderzoek te doen om de efficiëntie-verliezen te beperken, een veilige CO2-opslag te bevorderen en om chemische en biologische procedures voor CO2-opvang te verduidelijken;

40.   dringt erop aan de opstelling van een uitgebreide geologische cartografie in opdracht te geven om het potentieel voor een veiliger CO2-opslag en de meest geschikte locaties te kunnen vaststellen;

41.   wijst erop dat opvang en opslag van CO2 ten dele weliswaar berust op beproefde technologische deelcomponenten, maar niet op een op industriële schaal beproefd totaal concept;

42.   wijst op het gebrek aan adequate informatie over de effecten van CO2-opslag op geologische lagen;

43.   acht bindende eisen voor een CO2-vrije stroomproductie in alle kolencentrales niet zinvol, want zodra de technologie ontwikkeld en gebruiksklaar is, wordt de inzet van technologie voor CO2-opvang en -opslag gestuurd door het emissiehandelssysteem van de EU; stimuleert niettemin de industrie het concept "capture ready" (voorbereid op het afvangen van CO2) in gedachten te houden, wanneer nieuwe, met fossiele brandstoffen gestookte krachtcentrales worden ontwikkeld;

44.   verzoekt de Commissie snel een wetsvoorstel over technologie voor CO2-opvang en -opslag in te dienen om de juridische vragen in verband met de opslag en het transport van CO2 te beantwoorden en aldus de basis voor investeringszekerheid voor dit soort projecten te leggen;

45.   roept de Commissie op om de potentiële risico's van technologie voor opvang en opslag van CO2 te evalueren en voorschriften vast te stellen voor de afgifte van vergunningen voor activiteiten voor opvang en opslag van CO2 en voor effectieve beheersing van de vastgestelde risico's en gevolgen;

46.   dringt erop aan dat, zolang de mogelijkheden voor geologische opslag als onderdeel van de technologie voor opvang en opslag van CO2 worden onderzocht, gewaarborgd wordt dat CO2 veilig en permanent wordt opgeslagen op plaatsen vanwaar het ontsnappen van CO2 in de atmosfeer niet mogelijk is;

47.   is van mening dat demonstratieprojecten in verband met "schone steenkool"-technologieën uitgevoerd moeten worden in gebieden met een mijnbouwtraditie, die te lijden hebben onder de gevolgen van omschakelingsplannen en getroffen zijn door het huidige financieel kader 2007-2013;

48.   verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk duidelijke politieke richtsnoeren voor te leggen voor een verdere bevordering van het onderzoek naar de technologie voor CO2-opvang en opslag om de mogelijkheden af te tasten van het gebruik van opvang en opslag van CO2 in verband met de commerciële opwekking van elektriciteit en om voorstellen voor te leggen ter voorkoming van strijdige aspecten tussen het gebruik van procedures voor opvang en opslag van CO2 en het emissiehandelssysteem, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat deze richtsnoeren en voorstellen de ontwikkeling van vormen van hernieuwbare energie of een verhoging van de energie-efficiëntie niet belemmeren;

49.   beklemtoont dat het van belang is dat de bewoners van gebieden met steenkoolcentrales geïnformeerd worden over de aan deze centrales verbonden risico's en acht het wenselijk dat plannen voor de modernisering van bestaande elektriciteitscentrales en de beperking van de milieueffecten ervan openbaar worden gemaakt;

50.   erkent dat in huidige stadium van technologische vooruitgang, elektriciteit op basis van technologieën voor CO2-opvang en opslag vermoedelijk even duur zal zijn als elektriciteit uit hernieuwbare bronnen;

51.   benadrukt het belang van hechtere samenwerking tussen de Commissie en de private sector om de haalbaarheid van "schone steenkool"-technologieën te vergroten;

52.   onderstreept dat meer O&O-middelen voor opvang en opslag van CO2 weliswaar noodzakelijk zijn maar dat dit niet ten koste van de steun voor onderzoek naar hernieuwbare energie mag gaan;

53.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan voorlichtingscampagnes over technologieën voor CO2-opvang en opslag met betrokkenen en beleidsmakers te organiseren;

54.   waarschuwt voor een eenzijdige afhankelijkheid van bepaalde leveranciers of aanvoerwegen van gas, en onderstreept het belang van vloeibaar aardgas in het kader van de diversifiëring van de gasimporten;

55.   dringt er bij de Commissie op aan uitgebreider geologisch onderzoek te doen om nieuwe voorraden fossiele brandstoffen op het grondgebied van de lidstaten te ontdekken;

56.   betreurt dat de Commissie niet nader is ingegaan op de bevoorradingszekerheid van aardolie in het kader van het energiepakket en verzoekt haar hierover een mededeling voor te leggen;

57.   wijst erop dat fossiele brandstoffen een belangrijk substraat zijn dat kan worden gebruikt voor de grootschalige productie van waterstof, als energiebron maar ook als brandstof;

58.   is bezorgd over de bouw op grote schaal van kolencentrales in China en India (die als ontwikkelinglanden niet gebonden zijn aan het protocol van Kyoto), rekening houdend met de voorspelling dat de uitstoot van CO2 in China in de loop van 2007 groter zal zijn dan die in de Verenigde Staten; merkt echter op dat China en India hun energiebronnen trachten te diversifiëren; benadrukt het exportpotentieel van technologieën voor schone energie in de EU; benadrukt dat technologieën voor schone energie en capaciteitsopbouw een prioriteit moeten zijn voor EU-investeringen in infrastructuur in de ontwikkelingslanden, om de vermindering van koolstofemissie aan te moedigen terwijl de economische groei in stand wordt gehouden;

59.   steunt de samenwerking van de Commissie met China, in het bijzonder het Europees-Chinees partnerschap inzake klimaatsverandering van 2005 en het daaropvolgende memorandum van overeenstemming uit 2006 over samenwerking inzake technologieën voor energieopwekking met bijna-nulemissie, die de ontwikkeling van technologieën voor schone energie zouden moeten stimuleren; roept de Commissie op samen met China een stappenplan op te stellen voor de ontwikkeling van technologieën voor schone energie in China en de voornaamste maatregelen en meetpunten te identificeren voor de ontwikkeling en inzet van technologieën voor schone energie in dat land; dringt er bij de Commissie op aan soortgelijke relaties aan te gaan met andere nieuwe industrielanden, met name India en Brazilië, die misschien ook kunnen beschikken over uitgebreide kolenreserves;

60.   wijst op een studie van het Internationaal Energieagentschap uit 2005 die aantoonde dat de toepassing van bepaalde technologieën in niet-OESO-landen veel rendabeler zou kunnen zijn en dat dit bijzonder significant zou kunnen zijn wanneer er tussen landen grote verschillen bestaan qua geologie en natuurlijke rijkdommen; is van mening dat wanneer dit het geval is, landen kunnen overwegen financiële steun aan ontwikkelingslanden te verstrekken om hen te helpen hun nationale doelstellingen te bereiken; benadrukt dat de mogelijkheid om toepassingsinstrumenten over grenzen heen te verhandelen bijgevolg de efficiëntie zou verhogen, en ervoor zorgt dat de introductie plaatsvindt waar deze het voordeligst is;

61.   verzoekt de Commissie de inspanningen van de Wereldbank en de regionale ontwikkelingsbanken te steunen om een investeringskader voor energie te scheppen, met aandacht voor kostprijs, risico, en de institutionele belemmeringen en belemmeringen op het gebied van de informatievoorziening die de versterking van publiek-private partnerschappen die koolstofarme en koolstofvrije technologie ondersteunen, in de weg staan; verzoekt de Commissie de verschillende mechanismen te evalueren die ontworpen zijn om de samenwerking op het vlak van onderzoek en ontwikkeling, zoals het Asia-Pacific Partnership inzake milieuvriendelijke ontwikkeling en klimaat en het Carbon Sequestration Leadership Forum te vergemakkelijken en andere doelstellingen voor de overdracht van technologie, te bevorderen; verzoekt de Commissie beoordelingscriteria te ontwikkelen voor internationale financiering, gegevensuitwisseling en onderzoeks- en ontwikkelingsmechanismen, steunend op hun mogelijkheid om bij te dragen tot de ontwikkeling van koolstofarme en koolstofvrije technologieën op lange termijn;

62.   verzoekt de Commissie met aandrang de territoriale gevolgen van haar voorstellen op het gebied van het energiebeleid te onderzoeken en de resultaten van dit onderzoek ter beschikking te stellen van de lidstaten;

63.   roept op om, gezien de urgentie van de situatie, onmiddellijk de steun aan ontwikkelingslanden te verhogen op het gebied van het gebruik van "schone steenkool"-technologieën, die uitvoerbaar en effectief zijn gebleken;

64.   steunt de bevordering van projecten en technologieën waardoor het efficient energiegebruik en de energiezekerheid in ontwikkelingslanden worden verbeterd en die specifiek afgestemd zijn op de behoeften en omstandigheden in deze landen, zoals mensen leren hoe zij hun eigen energie-efficiënte kachels kunnen vervaardigen, hetgeen kan bijdragen tot het scheppen van werkgelegenheid en bestrijding van voortschrijdende woestijnvorming en klimaatverandering en ook tot een betere gezondheid;

Kernenergie

65.   is ingenomen met het ontwerpprogramma van indicatieve aard inzake kernenergie voor de Gemeenschap, waarin de basis is gelegd voor een uitgebreid onderzoek naar de nucleaire optie voor Europa;

66.   onderstreept dat kernenergie voor de waarborging van de basisvoorziening op de middellange termijn in Europa onmisbaar is;

67.   steunt het voorstel van de Europese Raad van maart 2007 om een discussie zonder vooroordelen te voeren over de kansen en risico's van kernenergie;

68.   wijst erop dat de middelen voor onderzoek op het gebied van kernenergie thans voor het grootste deel geconcentreerd zijn op veiligheidstechnologie;

69.   erkent het belang van kernenergie als belangrijk onderdeel van de stroomvoorziening in 15 van de 27 lidstaten en bijgevolg voor de hele Europese Unie en dat daarmee een derde van het elektriciteitsaanbod in de EU wordt geleverd;

70.   stelt vast dat de opwekking van kernenergie in de EU een grootschalige industriële ontwikkeling gedurende de vier afgelopen decennia heeft doorgemaakt, met een steeds hoger niveau van betrouwbaarheid en veiligheid;

71.   stelt vast dat Finland, Frankrijk, Bulgarije, Roemenië, Slowakije, Litouwen (in samenwerking met Letland en Estland), het Verenigd Koninkrijk, Polen en de Tsjechische Republiek nieuwe kerncentrales bouwen, het voornemen hebben deze te bouwen of onderzoek doen naar zo'n mogelijkheid;

72.   stelt vast dat kernenergie thans de grootste koolstofarme energiebron van de EU is en onderstreept de potentiële rol van kernenergie voor de bestrijding van klimaatverandering;

73.   wijst op het derde verslag van het IPCC (Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering), waarin kernenergie wordt genoemd als een mogelijkheid om klimaatverandering te beperken;

74.   wijst erop dat de keuze die elke lidstaat maakt voor of tegen kernenergie onder de exclusieve verantwoordelijkheid van deze staat valt, maar gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van de elektriciteitsprijzen in andere lidstaten;

75.   verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen voor het behoud in de EU van het hoge niveau van vaardigheden die noodzakelijk zijn als de kernenergieoptie open mocht blijven;

76.   wijst erop dat korte- en middellangetermijnbeslissingen over het gebruik van kernenergie ook rechtstreekse gevolgen hebben voor de klimaatdoelstellingen die de EU op een realistische wijze zou kunnen stellen; wijst erop dat de doelen op het gebied van de beperking van de uitstoot van broeikasgassen en de bestrijding van klimaatverandering niet haalbaar zijn wanneer kernenergie wordt opgegeven;

77.   herinnert eraan dat de lidstaten die kernenergie gebruiken zich ertoe verplicht hebben internationaal geldende veiligheids- en non-proliferatienormen na te leven en erkent in dit verband het bijzondere belang van het Euratom-Verdrag;

78.   is verheugd over de instelling van een werkgroep op hoog niveau "Nucleaire veiligheid en afvalbeheer" en is van mening dat de oprichting van het Europees Kernenergieforum, dat een belangrijk overlegplatform is waar de betrokkenen van gedachten kunnen wisselen over de routekaart voor investeringen in kernenergie, zal instaan voor een transparante, behoorlijk gedocumenteerde en evenwichtige dialoog over alle kwesties in verband met het gebruik en de inzet van deze vorm van energie;

79.   is verheugd over de door de Commissie geëiste gemeenschappelijke referentieniveaus voor nucleaire veiligheid die in de EU moeten worden ingesteld; verlangt in dit verband dat deze referentieniveaus in het kader van een "best practice peer review" moeten aansluiten op de hoogst mogelijke veiligheidsnormen;

80.   onderstreept het belang van een technologieplatform voor duurzame kernenergie dat in september 2007 is opgericht voor het vaststellen van een Europese strategische onderzoeksagenda voor kernsplitsing;

81.   onderstreept dat de bekende wereldwijde uraniumreserves naar schatting meer dan 200 jaar kunnen worden gebruikt en dat de reserves enkele toekomstige opties mogelijk maken om politieke risico's voor de bevoorradingszekerheid te diversifiëren of om compromissen te realiseren tussen risico, prijs en locatie bij de keuze van bronnen van nucleaire brandstoffen;

82.   onderstreept dat de beoogde ontwikkelingen in het kader van het "Generation for International Forum IV", waarvan de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie deel uitmaakt, erop wijzen dat kernenergie toekomst heeft op de lange termijn dankzij het feit dat deze vorm van energie grotendeels gebaseerd is op een gebruik van hulpbronnen waardoor de tijdspanne voor het potentieel gebruik van kernenergie met duizenden jaren kan worden verlengd en het volume en de radioactiviteit van het uiteindelijk geproduceerde afval aanzienlijk zal worden beperkt;

83.   onderstreept de uitspraken van de Commissie over het concurrentievermogen van kernenergie en wijst erop dat de communautaire steun in het kader van het zevende Euratom-kaderprogramma voor onderzoek voor het grootste deel gebruikt wordt voor onderzoek naar veiligheid en kernfusie; wijst erop dat de inspanningen van de Gemeenschap moeten worden gecombineerd met het onderzoek naar de ontwikkeling van een nieuwe generatie duurzame kernenergie, om optimaal te kunnen voldoen aan de strategische criteria van de EU;

84.   wijst erop dat de opwekking van kernenergie nauwelijks last heeft van prijsfluctuaties voor uranium omdat de kosten van deze brandstof weinig gevolgen hebben voor de prijs van elektriciteit;

85.   wijst er met het oog op de lange investeringsperiodesn, op dat het nodig is te zorgen voor stabiele juridische en politieke randvoorwaarden;

86.   wijst op de Eurobarometer-enquête van 2006 waaruit blijkt dat een ruime kennis van de bevolking een zeer grote invloed heeft op haar opstelling jegens kernenergie; wijst derhalve op het belang van een open publieke dialoog over kernenergie in elke lidstaat om het publiek bewuster te maken van de positieve en negatieve gevolgen van kernenergie voordat er een politiek besluit wordt genomen;

87.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan eindelijk vooruitgang bij de eindopslag af te dwingen, om een eind te maken aan de dicht bij de oppervlakte gelegen tussentijdse opslag van afval;

88.   wijst erop dat verwacht wordt dat de reactoren van generatie IV het efficiënt gebruik van brandstoffen zullen verbeteren en de hoeveelheid afval zullen verminderen; dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan om het accent te leggen op de ontwikkeling van structurele materialen en een optimaal gebruik van nucleaire brandstof, alsmede om projecten te steunen die gericht zijn op de ontwikkeling van prototypes reactoren van generatie IV;

89.   stelt vast dat het gebruik van kernenergie tot synergieën kan leiden met hernieuwbare energieën, bijvoorbeeld door het beschikbaar komen van originele wijzen voor een effectieve en economische productie van waterstof of biobrandstoffen;

90.   wijst erop dat wereldwijd tientallen kerncentrales gepland of gebouwd worden en dat het voor Europese ondernemingen van groot belang is betrokken te worden bij de bouw daarvan, zowel uit oogpunt van industriële strategie als om zo streng mogelijke veiligheidsbeginselen in de wereld te bevorderen;

91.   wijst tot slot op de rol van Euratom leningen (Euratom Loans) en verzoekt de lidstaten dit belangrijke instrument ook in de toekomst een kans te geven;

o
o   o

92.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten P6_TA(2007)0181.
(2) Aangenomen teksten P6_TA(2006)0603.
(3) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 273.
(4) PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 112.
(5) PB L 283 van 27.10.2001, blz. 33.


Communautaire strategie om de CO2-uitstoot van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen te verminderen
PDF 251kWORD 82k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over de communautaire strategie om de CO2-uitstoot van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen te verminderen (2007/2119(INI))
P6_TA(2007)0469A6-0343/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de resultaten van de herziening van de communautaire strategie om de CO2-uitstoot van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen te verminderen (COM(2007)0019),

–   gezien de effectbeoordeling met betrekking tot de bovengenoemde mededeling (SEC(2007)0060),

–   gezien het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (6e MAP)(1),

–   gezien het zesde(2) en het zevende(3) kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 november 2005 over de zege in de strijd tegen de wereldwijde klimaatverandering(4),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – De wereldwijde klimaatverandering beperken tot 2 graden Celsius – Het beleid tot 2020 en daarna (COM(2007)0002),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 februari 2007 over klimaatverandering(5),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 inzake de hernieuwde Europese duurzaamheidsstrategie (juni 2006) en inzake de rol van milieutechnologieën en eco-innovatie bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Lissabon-strategie voor groei en werkgelegenheid,

–   gezien het rapport van het Europese Klimaatveranderingsprogramma van 31 oktober 2006 getiteld "Beschouwing en analyse van het reductiepotentieel en de kosten van technologische en andere maatregelen om de CO2-uitstoot van personenauto's te verminderen"(6),

–   gezien Richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's(7),

–   gezien Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof(8) en het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG en tot invoering van een mechanisme om de uitstoot van broeikasgassen door het gebruik van brandstoffen voor het wegvervoer te monitoren en te verminderen (COM(2007)0018),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A6-0343/2007),

A.   overwegende dat ca. 19% van de CO2-uitstoot van de Europese Unie wordt veroorzaakt door personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen, waarbij het volume in absolute zin blijft groeien, voornamelijk als gevolg van het toenemende aantal en het groeiende vermogen van auto's,

B.   overwegende dat de meest rendabele en doeltreffendste beleidsoptie om de totale CO2-uitstoot van het personenvervoer te verminderen erin bestaat het aandeel van het openbaar vervoer te verhogen; overwegende dat derhalve maatregelen geboden zijn ter bevordering en verbetering van de kwaliteit en het bereik van het openbaar vervoer, om de overstap van het eigen vervoermiddel naar het openbaar vervoer aantrekkelijker te maken en zo de in totaal door het woon-werkverkeer veroorzaakte CO2-emissies te reduceren,

C.   overwegende dat in de strategie van de EU om de CO2-uitstoot van auto's te verminderen tot dusver te weinig aandacht is besteed aan het rijgedrag en aan infrastructuur-maatregelen, hoewel hierin een groot potentieel ligt voor verlaging van de CO2-uitstoot,

D.   overwegende dat het wegtransport 60% van alle in de EU gebruikte olie voor zijn rekening neemt, terwijl inefficiënt gebruik van brandstof een steeds grotere bedreiging vormt voor de zekerheid van de energievoorziening en tevens bijdraagt aan hoge bedrijfskosten en aan het uitputten van de wereldoliereserves,

E.   overwegende dat er nu wetgevingsmaatregelen vereist zijn om de design en technologische aanpassingen te bevorderen die nodig zijn om de sector te laten bijdragen aan het bereiken van de EU-doestelling om de CO2-uitstoot tegen 2020 met ten minste 20% te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990,

F.   overwegende dat de vrijwillige benadering is uitgedraaid op een mislukking, aangezien duidelijk is dat de auto-industrie haar vrijwillige verbintenis van 140g CO2/km tegen 2008 niet zal halen, terwijl het streefdoel van 120g CO2/km voor het eerst werd voorgesteld in 1995 en al in 1996 door de Raad en het Parlement is onderschreven met als deadlines 2005 en uiterlijk 2010,

G.   overwegende dat de Commissie in haar mededeling getiteld "Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw" (COM(2007)0022) de hoofdlijnen uitzet voor de toekomstige strategie ter reductie van de CO2-uitstoot van motorvoertuigen op basis van een geïntegreerd beleid dat gericht is op het halen van de EU-doelstelling van 120g CO2/km tegen 2012 door een combinatie van maatregelen van de Europese Unie en de lidstaten,

H.   overwegende dat er actie moet worden ondernomen om de CO2-emissies van personenauto's te verlagen door middel van een geïntegreerd beleid dat maatregelen op motorengebied, aanvullende maatregelen, biobrandstoffen, milieuvriendelijk rijgedrag en infrastructuurmaatregelen omvat,

I.   overwegende dat de absolute CO2-uitstoot van auto's afhankelijk is van een complexe wisselwerking tussen het motorrendement, het koolstofgehalte van brandstoffen, het rijgedrag, de afgelegde afstanden, de verhouding kwaliteit/verzadiging van de infrastructuur en de CO2-efficiëntie van de componenten,

J.   overwegende dat een significante vermindering van de CO2-uitstoot kan worden gerealiseerd wanneer in alle lidstaten consistent de hand wordt gehouden aan de snelheidslimieten,

K.   overwegende dat betaalbaarheid en vernieuwing van het wagenpark onbetwistbaar van essentieel belang zijn voor de verbetering van de CO2-uitstoot, de luchtkwaliteit en de veiligheid van auto's op de weg,

L.   overwegende dat belastingheffing en etikettering tot nog toe niet hebben bijgedragen aan de op 3 pijlers berustende EU-strategie om de CO2-uitstoot van auto's terug te dringen,

M.   overwegende dat het van het essentieel belang is dat bindende en duidelijk omlijnde CO2-emissiedoelstellingen voor personenauto's worden vastgesteld, zowel ter wille van een soepele werking van de interne markt voor de automobielindustrie als van een gedegen voorlichting van de consument, zodat hij door een weloverwogen keuze bij de aankoop van een voertuig in belangrijke mate aan de vermindering van de CO2-uitstoot kan bijdragen,

N.   overwegende dat Richtlijn 1999/94/EG onvoldoende doeltreffend is gebleken en de lidstaten er niet in zijn geslaagd deze op een uniforme manier om te zetten,

O.   overwegende dat kan worden opgemerkt dat de invoering van zuinigheidsklassen - waardoor de Europese consument bij zijn aankoopbeslissingen middels een gemakkelijk te begrijpen letter- of kleurencode praktische ondersteuning wordt geboden, zodat hij in staat wordt gesteld energie te besparen en de CO2-uitstoot te verminderen - bij een aantal producten (b.v. elektrische en huishoudelijke apparaten) blijkt te zijn geslaagd,

P.   overwegende dat alle voertuigcategorieën moeten bijdragen aan de vermindering van de CO2-uitstoot, aangezien daarvoor vooral ook het aantal voertuigen op de markt van belang is,

Q.   overwegende dat de in de strategie van Lissabon geformuleerde doelstellingen van duurzame groei en werkgelegenheid daadwerkelijk worden nagestreefd door maatregelen te vermijden die de druk om banen te schrappen in de automobielindustrie in Europa vergroten en de internationale concurrentiepositie hiervan in gevaar brengen;

Tijdschema en doelstellingen

1.   erkent dat fabrikanten vijf à zeven jaar nodig hebben om op de meest economische manier aanpassingen in het ontwerp van voertuigen aan te brengen en dat de gemiddelde uitstoot van auto's op de EU-markt in 2008 waarschijnlijk hoger zal liggen dan 150g CO2/km, en is derhalve ingenomen met het plan van de Commissie om een EU-kaderwetgeving voor de beperking van de CO2-uitstoot in te dienen, met inbegrip van bindende maatregelen ter verbetering van het brandstofrendement van lichte voertuigen door middel van verbeterde motortechnologie en andere technische verbeteringen en door gebruik van biobrandstof; brengt in herinnering dat het gemiddelde streefcijfer voor het EU-voertuigenpark van 120g CO2/km per personenauto door de Raad in 1996 en door het Parlement in 1997 is onderschreven, met als initieel streefdoel het jaar 2005 en als eindlimiet het jaar 2010;

2.   dringt erop aan dat de voorgestelde toepassing van "aanvullende maatregelen" om de eerder overeengekomen emissiedoelstelling van 120g CO2/km te halen mogelijk wordt gemaakt door middel van kwantificeerbare normen, en is van mening dat de wetgeving moet voorzien in duidelijke en meetbare doelstellingen voor uitstootbeperking met behulp van technische middelen;

3.   stelt voor dat er met ingang van 2011 bindende jaarlijkse emissiedoelstellingen worden vastgesteld ten einde technische verbeteringen aan voertuigen te bevorderen om er zeker van te zijn dat alleen al daardoor de gemiddelde uitstoot van alle personenauto's op de EU-markt in 2015 niet meer bedraagt dan 125 g CO2/km;

4.   roept de Commissie op met concrete wetgevingsvoorstellen en maatregelen te komen om te garanderen dat, als onderdeel van de "aanvullende maatregelen" in het kader van het geïntegreerd beleid, de emissie van personenauto's met minstens 10 g CO2/km kan worden verlaagd om de totale streefwaarde van 120g CO2/km te verwezenlijken;

5.   dringt erop aan dat de gemiddelde uitstoot vanaf 1 januari 2020 niet meer mag bedragen dan 95g CO2/km en is van oordeel dat de EU de noodzakelijke bevordering van innovatie moet steunen via het zevende kaderprogramma onderzoek; onderstreept dat het onderzoek naar en de ontwikkeling van niet-vervuilende voertuigen - b.v. voertuigen met elektrische aandrijving - intensiever moet worden gestimuleerd;

6.   herinnert aan zijn bovenvermelde resolutie van 16 november 2005, waarin het aandrong op "bindende doelstellingen voor de CO2-emissies van nieuwe voertuigen in de orde van grootte van 80 tot 100g/km voor nieuwe voertuigen op middellange termijn"; steunt de Commissie in haar voornemen om onderzoek, ontwikkeling en demonstratie van geavanceerde technologieën te bevorderen, inzonderheid met het oog op de ambitieuzere doelstellingen voor 2020; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken voor verdere geleidelijke reducties na 2012 door gebruikmaking van lichtere materialen bij de autoproductie, waarbij de bestaande wetgeving moet worden nageleefd en de verkeersveiligheid voor inzittenden en kwetsbare weggebruikers niet in het gedrang mag komen;

7.   wijst erop dat er nu al ruimtebesparende auto's voor de korte afstand (zgn. "gentlecars") met emissiewaarden van minder dan 90g CO2/km in grote series worden geproduceerd en verzoekt de Commissie derhalve om, in combinatie met alle andere maatregelen, het zo frequent mogelijke gebruik van gentlecars in plaats van voertuigen met een hoge CO2-uitstoot te bevorderen;

8.   is van mening dat de Commissie, na een uitvoerige kosten-batenanalyse te hebben opgemaakt en in aansluiting op de post-Kyoto-overeenkomst, uiterlijk in 2016 moet overgaan tot de bevestiging of herziening van doelstellingen voor de langere termijn, en gaat ervan uit dat deze doelstellingen mogelijkerwijs zullen nopen tot nog verdere emissiebeperkingen tot 70g CO2/km of minder tegen 2025;

9.   verzoekt de Commissie bij de vaststelling van bindende wetgevingsmaatregelen die van invloed kunnen zijn op het tempo waarin het wagenpark wordt vernieuwd rekening te houden met de technische haalbaarheid, de kosteneffectiviteit, het milieueffect en de betaalbaarheid van nieuwe auto's, gerekend in termen van levensduur;

10.   merkt op dat via de Gemeenschapswetgeving een markt van 17 à 18 miljoen voertuigen per jaar wordt gereguleerd, het equivalent van de markt voor personenauto's in de VS; gaat ervan uit dat een ambitieus opgezet EU-beleid tot vermindering van de uitstoot van broeikasgassen als een stimulans zal fungeren voor de kenniseconomie en de schepping van arbeidsplaatsen in de automobieltoeleveringsindustrie, en over de gehele wereld een positieve invloed zal hebben in termen van vermindering van de emissies in de vervoerssector;

11.   pleit er met het oog op de problemen die sommige gespecialiseerde constructeurs kunnen ondervinden om binnen de gestelde termijnen de gemiddelde emissies voor het beperkte assortiment auto's dat zij produceren te verminderen, voor dat elke fabrikant of importeur het recht krijgt jaarlijks 500 te identificeren voertuigen uit te sluiten van de gegevens ter berekening van de gemiddelde uitstoot, met dien verstande evenwel dat de uitstoot en het brandstofverbruik van deze voertuigen moeten worden aangegeven in de voertuigspecificatie en overeenkomstig de gangbare wettelijke voorschriften aan de consument kenbaar moeten worden gemaakt;

12.   pleit er daarnaast, gezien de problemen die sommige fabrikanten met kleine productievolumes (maximaal 300 000 productie-eenheden) en nieuwkomers met een marktaandeel van minder dan 0,5% kunnen ondervinden om binnen de gestelde termijnen de gemiddelde emissies voor het beperkte assortiment door hen geproduceerde auto's te verlagen, bij de Commissie voor zich te beraden over de mogelijkheid om in de wetgeving voorstellen op te nemen tot vaststelling van ambitieuze emissiebeperkingsdoelstellingen voor dergelijke gespecialiseerde constructeurs;

13.   wijst op de belangrijke rol die gespecialiseerde constructeurs van duurdere auto's en auto's met een groot vermogen spelen bij de ontwikkeling van geavanceerde technologieën, het behoud van hoogwaardige arbeidsplaatsen, het stimuleren van de wereldwijde export en de bevordering van de Europese economie, en merkt op dat de knowhow van deze constructeurs substantieel zou moeten bijdragen aan de vermindering van de CO2-uitstoot van auto's;

14.   dringt erop aan dat eventuele nieuwe regelingen de interne markt moeten beschermen en dat de lidstaten de EU-regels op dezelfde datum en op dezelfde manier dienen om te zetten, ten einde marktverstoring en -versnippering te voorkomen.

Lastenverdeling onder constructeurs

15.   erkent dat er sprake is van een grote variatie in consumentenvoorkeuren met betrekking tot personenauto's en dat de samenstelling van het productassortiment van de respectieve fabrikanten duidelijk verschilt; dringt erop aan dat vermindering van de CO2-uitstoot moet worden gerealiseerd voor alle auto's die op de markt verschijnen en dat er derhalve ruimte moet worden gelaten voor een zekere nuttigheidsgerelateerde differentiatie, zonder dat dit evenwel de stimulans om over te stappen op voertuigen met een lagere uitstoot mag wegnemen of constructeurs mag benadelen die al in een vroeg stadium met goede resultaten komen;

16.   benadrukt dat, om al te grote verstoringen op de automarkt te voorkomen, bepaalde voertuigen de emissiegrenswaarden zouden moeten kunnen overschrijden, maar is niettemin van mening dat uitstootbeperkingen krachtig moeten worden bevorderd en stelt daarom voor dat bij de vaststelling van de gemiddelde emissiedoelstellingen voor 2012 en 2020 en van de tussentijdse jaarlijkse doelstellingen als referentiemodel wordt uitgegaan van een grenswaardencurve die moet gelden voor alle door fabrikanten en importeurs verkochte voertuigen, en die in eerste instantie een dwarsdoorsnede moet vormen van het aanbod van nieuwe personenauto's zoals dat er per 1 januari 2009 zou moeten uitzien;

17.   beveelt aan dat de grenswaardencurve wordt vastgesteld op basis van een wiskundige formule die wordt uitgedrukt als een functie waarbij de CO2-uitstoot van elk voertuig wordt gerelateerd aan zijn voetafdruk (spoorbreedte maal wielbasis);

18.   verzoekt de Commissie erop toe te zien dat alle fabrikanten zich naar behoren inspannen en dat er adequate prikkels worden gegeven ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen voor het gehele wagenpark; is echter van mening dat de in te voeren regeling constructeurs van traditioneel meer vervuilende voertuigen noch rechtstreeks noch indirect mag bevoordelen, dat voertuigen met een hogere CO2-uitstoot ook moeten worden verplicht een grotere bijdrage aan de vermindering van de CO2-uitstoot te leveren en dat de regeling de meest geavanceerde technologieën en alternatieve brandstoffen naargelang van hun broeikasgaseffect moet belonen (hybride aandrijving, dan wel aandrijving op waterstof, elektriciteit of andere alternatieve brandstoffen);

19.   roept de Commissie er, na de standpunten van de belanghebbende partijen te hebben gehoord, toe op aan het Parlement en de Raad voorstellen te doen om te waarborgen dat bij het uitzetten van de curve rekening wordt gehouden met de verschillen in omvang tussen de respectieve automodellen en met de technologische kosten die aan het realiseren van de emissiebeperkingen zijn verbonden, alsook met de betaalbaarheid van nieuwe auto's voor de verschillende categorieën klanten, opdat zowel aan de diversiteit als aan de maatschappelijke rechtvaardigheid recht wordt gedaan;

20.   merkt op dat er verschillende wetgevingsopties openstaan om dit doel te bereiken; acht het van essentieel belang dat de te bereiken doelstellingen, zoals de Commissie in haar mededeling aangeeft, "billijk zijn ten aanzien van de diversiteit van de Europese autoconstructeurs", maar dat tevens de beste prestaties op het gebied van voertuigrendement daadwerkelijk worden beloond;

21.   stelt voor per 1 januari 2011 een nieuw besloten marktmechanisme - het zogenaamde "Carbon Allowance Reductions System" (CARS) - te introduceren, waarbij fabrikanten en importeurs geldelijke sancties worden opgelegd die in verhouding staan tot de mate waarin de emissiewaarden per verkochte auto worden overschreden, en wel zo dat deze boetes kunnen worden afgekocht tegen inwisselbare credits die worden toegekend voor nieuw geregistreerde personenauto's van dezelfde constructeur met een uitstoot die onder de grenswaardencurve ligt; is van mening dat de aldus op te leggen sancties per buitensporige g CO2/km hoger moeten zijn dan de toe te kennen compensaties;

22.   dringt erop aan dat eventueel in te voeren systemen van tussen constructeurs verhandelbare quota gescheiden moeten worden gehouden van de emissiehandelsregeling van de EU of van alle andere externe regelingen voor koolstofcredits of compensaties;

23.   verzoekt de Commissie om specifieke kredieten op te nemen voor vroegtijdige maatregelen voor de invoering van technologieën met een uiterst geringe CO2-uitstoot, zoals waterstof, brandstofcellen en stekkervoertuigen, die het mogelijk maken ieder soort voertuig dat vanaf heden tot het eerste jaar van tenuitvoerlegging te tellen onder de procedure voor CO2-monitoring als equivalent aan (b.v.) veertig conventionele voertuigen, met afnemende kredieten voor daaropvolgende jaren;

24.   is van mening dat de op te leggen sancties op een voor de industrie voorspelbare en strikte manier moeten worden vastgesteld, en stelt voor dat de Commissie adequate voorstellen doet met betrekking tot de omvang in EUR/g CO2 van de te hanteren boetes of credits;

25.   onderkent dat de grenswaardencurve en het niveau van de sancties eventueel op gezette tijden zullen moeten worden aangepast, zowel om rekening te houden met de ontwikkelingen op het gebied van voertuigtechnologie als om eventuele vertragingen in het tempo waarin emissieverlagingen worden doorgevoerd tegen te gaan;

26.   pleit ervoor dat de inkomsten uit geldelijke sancties worden gebruikt voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van CO2-emissiebeperkingen en voor ondersteuning van het plaatselijk openbaar vervoer;

27.   gaat ervan uit dat de prijs van de credits - nadat deze aanvankelijk door de Commissie is vastgesteld - zal worden bepaald door de markt en dat credits in het kader van deze regeling eventueel zullen kunnen worden overgebracht naar daaropvolgende jaren of kunnen worden verkocht of overgedragen aan andere ondernemingen of bedrijfseenheden, teneinde fabrikanten en importeurs meer flexibiliteit en ruimere mogelijkheden te bieden;

28.   dringt erop aan dat de informatie over emissieprestaties per voertuig en per constructeur in een gemakkelijk toegankelijk formaat beschikbaar wordt gesteld voor het publiek, teneinde transparantie te garanderen en gemakkelijker tussen voertuigen en fabrikanten te kunnen vergelijken;

29.   pleit ervoor dat fabrikanten en importeurs gebruik kunnen maken van flexibele faciliteiten zoals groepsuitmiddeling, toekenning van credits voor voertuigen die rijden op hernieuwbare brandstoffen en opsparingsmogelijkheden, en zelf moeten kunnen bepalen of de onderneming als zodanig dan wel de diverse dochterondernemingen of bedrijfseenheden die direct verantwoordelijk zijn voor de productie van de desbetreffende voertuigen als erkende handelsentiteit optreden;

Tests, gegevenscontroles en voertuigspecificaties

30.   dringt erop aan dat het dient te gaan om beperking van de totale uitstoot van broeikasgassen per voertuig, inclusief de aan airconditioningsystemen toe te schrijven uitstoot; dringt er voorts bij de Commissie op aan met voorstellen te komen voor de actualisering van testcycli waardoor de werkelijke rijomstandigheden beter worden weergegeven;

31.   pleit voor herziening van de testprocedures, zodat de feitelijke rijcondities beter worden nagebootst, en dringt erop aan de Europese rijcyclus zo aan te passen dat recht wordt gedaan aan technologische ontwikkelingen zoals het inbouwen van zesversnellingsbakken;

32.   moedigt de Commissie ertoe aan nieuwe maatstaven en normen te introduceren waardoor een vaste waarde kan worden gekoppeld aan verbeteringen die nuttig zijn voor de vermindering van de CO2-uitstoot, zoals schakelindicatoren, econometers, efficiëntere airconditioning, verbeterde smeeroliën, start/stop-systemen voor stationair draaien, banden met lage rolweerstand en bandenspanningsbewakingssystemen - waarvan het gebruik afhankelijk kan zijn van het individuele rijgedrag; pleit tevens voor het inbouwen van technologie in voertuigen waardoor een milieuvriendelijke rijstijl wordt bevorderd, zoals instrumenten die zowel het brandstofverbruik en de brandstofkosten per gereden traject aangeven als het verbruik en de kosten op vaker afgelegde trajecten, actieve waarschuwingssystemen bij overschrijding van de snelheidslimiet en hulpmiddelen voor beheersing van de snelheid zoals snelheidsbegrenzers;

33.   roept de Raad op de gebruikte testprocedures opnieuw te bekijken, zodat kan worden nagegaan of de geldende productievoorschriften ook daadwerkelijk worden nageleefd en ervoor kan worden gezorgd dat er geen verschillen kunnen bestaan in de manier waarop de gecertificeerde instanties in de diverse lidstaten te werk gaan;

34.   benadrukt dat de dringende vraagstukken ten aanzien van de continuïteit van de energievoorziening bij voorrang moeten worden opgelost en onderstreept tevens de noodzaak de Europese afhankelijkheid van geïmporteerde brandstoffen terug te dringen, de CO2-uitstoot te verminderen door verhoging van de voertuigefficiency en de veiligheid in het wegverkeer te verbeteren;

35.   is van mening dat energiebesparende maatregelen die een lager brandstofverbruik beogen de continuïteit van de energievoorziening zeer ten goede zullen komen omdat daardoor zowel de afhankelijkheid van de Gemeenschap van de invoer van primaire energiebronnen als de internationale prijzen van koolwaterstoffen worden verlaagd;

Reclame en etikettering

36.   roept de Commissie, aangezien het niet veel verwacht van de voorgenomen vrijwillige overeenkomst inzake reclame voor nieuwe auto's, ertoe op met een voorstel te komen tot aanpassing van Richtlijn 1999/94/EG en om wettelijke voorschriften te introduceren voor de etikettering, reclame en marketing van nieuwe auto's op de interne markt van de EU, vooral om te waarborgen dat deze correct wordt omgezet, zodat de consument kan worden voorzien van volledige en begrijpelijke informatie;

37.   beveelt aan dat er verplichte en uniforme minimumvoorschriften worden vastgesteld voor het op een opvallende en gebruikersvriendelijke manier en zo mogelijk - ter wille van het vergelijkingseffect - onder gebruikmaking van een kleurcode etaleren van informatie omtrent het brandstofverbruik (in l/100 km) en de CO2-uitstoot (in g/km) van nieuwe auto's op de voertuigen en in advertenties, in alle marketing- en reclamemateriaal en in showrooms; beschouwt etikettering in A tot en met G-formaat, zoals dat gebruikelijk is voor het vergelijken van de energie-efficiëntie van bepaalde elektrische producten als een geschikt model voor het afbeelden van de vereiste informatie;

38.   roept de Commissie op regels met vergelijkbare doelstellingen voor te stellen voor sectoren die niet onder de bestaande wetgeving vallen, zoals via tv, radio en internet verspreid materiaal en voor reclame ten behoeve van nagenoeg nieuwe auto's;

39.   is van mening dat de wetgeving tot het verplicht vermelden van gezondheidswaarschuwingen op pakjes sigaretten hiervoor een bruikbaar voorbeeld is, en stelt derhalve voor dat ten minste 20% van de ruimte die wordt besteed aan de promotie van nieuwe auto's door middel van advertenties, marketingmateriaal of in showrooms op het verkooppunt geëtaleerde gegevens moet worden gebruikt voor het in een goedgekeurd formaat verstrekken van informatie over brandstofverbruik en CO2-uitstoot;

40.   beveelt aan de testresultaten van airconditioninginstallaties verplicht in alle in marketing- en promotiemateriaal en in showrooms vermelde informatie te laten opnemen;

41.   stelt voor een verplichte reclamecode in te voeren waarbij het doen van ongefundeerde milieuaanspraken wordt verboden, en pleit ter bevordering van een sterke vraag naar voertuigen met een lage CO2-uitstoot voor de invoering van een beoordelingssysteem waarbij de milieuprestaties door middel van "groene sterren" worden aangegeven, onder inachtneming van alle daaraan verbonden milieuaspecten, waaronder CO2-uitstoot (in g/km) en andere vervuilende emissies, brandstofverbruik (in l/100 km), gewicht, aërodynamische eigenschappen, optimaal ruimtegebruik, geluidsoverlast en apparatuur om milieuvriendelijk rijden te bevorderen;

Bevordering van de vraag bij de consument

42.   onderkent de belangrijke rol die de lidstaten kunnen vervullen bij het aanmoedigen van de vraag bij de consument naar voertuigen met geringere emissies voor openbaar en particulier vervoer, en dringt aan op de uitwerking van nationale actieplannen waarbij maatregelen worden uitgevaardigd om hierin te voorzien;

43.   spreekt in het bijzonder zijn steun uit voor het gebruik van fiscale maatregelen en moedigt de lidstaten ertoe aan voor voertuigen met bovengemiddelde emissies meer belasting over de aanschaf en meer motorrijtuigenbelasting te heffen;

44.   onderkent dat de ouderdom van het wagenpark en te hard rijden van invloed zijn op de uitstoot; verzoekt de Commissie en de lidstaten economische prikkels te introduceren voor het uit het verkeer halen van oude auto's en de voertuigenbelasting ten dele te laten variëren naargelang van de CO2-uitstoot en van andere vervuilingselementen; wijst erop dat naarmate er geleidelijk meer CO2-emissieloze technologieën worden ingezet, de CO2-gerelateerde belastingcomponent normaliter op den duur zou moeten verdwijnen;

45.   dringt ter voorkoming van het versplinteren van de interne markt aan op de vaststelling van EU-brede definities voor CO2-emissiewaarden, die de lidstaten kunnen gebruiken voor de vaststelling van emissiegerelateerde fiscale stimuleringsmaatregelen;

46.   steunt de toepassing van op CO2-emissies gebaseerde autobelastingen en accijnzen voor alternatieve brandstoffen teneinde de consumenten en de industrie de juiste prikkels te geven;

Lichte bedrijfsvoertuigen (N1) en andere categorieën

47.   steunt het voornemen van de Commissie om de CO2-emissies voor lichte bedrijfsvoertuigen te reguleren en dringt er bij de Commissie met klem op aan tegelijk met de geplande voorstellen voor personenauto's met voorstellen voor dergelijke voertuigen te komen;

48.   erkent dat lichte bedrijfsvoertuigen over andere eigenschappen beschikken en een andere markt vertegenwoordigen dan personenauto's; wijst op het gebrek aan gegevens over de gemiddelde emissies in deze sector en op de kosten die nodig zijn om deze te kunnen terugdringen, maar is van mening dat de normen en voorschriften op dit gebied zoveel mogelijk moeten overeenkomen met die voor personenauto's;

49.   herinnert eraan dat het Europees Parlement de Commissie al herhaalde malen heeft verzocht zich te beraden over maatregelen ter vermindering van de CO2-uitstoot voor alle categorieën wegvoertuigen, en verzoekt haar derhalve met klem tegen uiterlijk 1 januari 2009 met adequate reguleringsvoorstellen te komen voor zware bedrijfsvoertuigen en tweewielers;

Aanvullende maatregelen

50.   is van mening dat maatregelen die kunnen bijdragen aan vermindering van de CO2-uitstoot van voertuigen, maar waarvan de waarde niet in absolute cijfers kan worden uitgedrukt, uitsluitend als aanvullend moeten worden beschouwd en niet in de thans voorgestelde wetgeving moeten worden opgenomen;

51.   is van mening dat flankerende maatregelen ter bevordering van zuiniger rijden, biobrandstoffen en vooral verbetering van verkeersbeheerssystemen de CO2-emissies tot een minimum kunnen helpen beperken;

52.   spoort de lidstaten ertoe aan de hoeveelheid goederen die met zware vrachtwagens wordt vervoerd te beperken ten voordele van vervoer per spoor of per schip, hetgeen zou resulteren in een vermindering van de uitstoot van vervuilende stoffen en tevens de vraag naar olie zou doen dalen;

53.   is er beducht voor dat intensiever gebruik van biobrandstoffen dreigt te leiden tot hogere prijzen voor levensmiddelen en veevoer, hetgeen ernstige gevolgen zou hebben voor mensen met zeer lage inkomens en de vernietiging van tropische regenwouden nog dreigt te versnellen, en roept de Commissie op strikte certificeringsregels voor geïmporteerde biobrandstoffen voor te stellen teneinde eventuele negatieve maatschappelijke en ecologische gevolgen te voorkomen;

54.   is van mening dat de voordelen van biobrandstoffen voor de vermindering van de CO2-uitstoot in ieder geval moeten worden betrokken bij de herziening van Richtlijn 98/70/EG;

55.   dringt erop aan dat er een certificeringssysteem wordt ontwikkeld voor duurzaam geproduceerde biobrandstoffen; verzoekt de Commissie met een wetgevingsvoorstel te komen om alleen biobrandstoffen waarvan de duurzame productie gecertificeerd is, te laten meetellen voor het halen van de emissiestreefcijfers; benadrukt dat biobrandstoffen van de tweede generatie die zijn afgeleid van gewassen of gewasdelen welke niet direct gebruikt worden voor voedingsdoeleinden en een beter rendement bieden, moeten worden ontwikkeld en zelfs meer steun moeten krijgen;

56.   pleit voor de vaststelling van nieuwe brandstofrendementsdoelstellingen voor na 2012, teneinde de voertuigemissies verder terug te dringen en meer zekerheid te bieden voor alle betrokkenen;

57.   verzoekt de Commissie na te denken over de rol en het potentieel van gasvormige alternatieve brandstoffen, zoals vloeibaar petroleumgas en aardgas, die op korte termijn kunnen bijdragen tot de vermindering van de CO2-uitstoot en de diversificatie van het energieaanbod;

58.   verzoekt de Commissie en de lidstaten er rekening mee te houden dat er behoefte is aan grondige kennis van de nieuwe motorvoertuigtechnologieën en dat er in het bijzonder scholingscursussen moeten worden aangeboden voor specifieke groepen (zoals workshops voor machineconstructeurs en technische diensten);

59.   roept de Commissie op onverwijld een aanvang te maken met de voorbereiding van een EU-brede campagne ter bevordering van milieubewust autorijden als onderdeel van de strategie om de CO2-uitstoot van auto's te verminderen;

60.   verzoekt de Commissie aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over manieren om de CO2-voordelen van milieubewust autorijden te toetsen en - mocht zij van mening zijn dat dit niet mogelijk is - uit te leggen waarom zij het ECODRIVEN-project, dat zich richt op het kwantificeerbaar verminderen van de CO2-uitstoot door milieubewust autorijden, financiert;

61.   is in principe voorstander van het verplicht volgen van een cursus milieubewust autorijden om een rijbewijs te kunnen halen;

o
o   o

62.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1
(2) PB L 232 van 29.8.2002, blz. 1.
(3) PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.
(4) PB C 280 E van 18.11.2006, blz. 120.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0038.
(6) http://ec.europa.eu/enterprise/automotive/projects/report_co2_reduction.pdf
(7) PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).
(8) PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.


Bijdrage van het belasting- en douanebeleid tot de Lissabon-strategie
PDF 140kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over de bijdrage van het belasting- en douanebeleid tot de Lissabon-strategie (2007/2097(INI))
P6_TA(2007)0470A6-0391/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Bijdrage van het belasting- en douanebeleid tot de Lissabon-strategie" (COM(2005)0532),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Coördinatie van de directebelastingstelsels van de lidstaten op de interne markt" (COM(2006)0823),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Exit-heffingen en de behoefte aan coördinatie van het belastingbeleid van de lidstaten" (COM(2006)0825),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Naar een doeltreffender gebruik van fiscale stimulansen voor O&O" (COM(2006)0728),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Uitvoering van het Lissabon-programma van de Gemeenschap: naar een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB): balans en vooruitblik" (COM(2006)0157),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties" (COM(2006)0824),

–   onder verwijzing naar zijn standpunt van 10 maart 2004 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 90/434/EEG van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelen met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 december 2005 over het belastingstelsel voor ondernemingen in de Europese Unie: een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting(2),

–   gezien zijn resolutie van 29 maart 2007 over de toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie(3),

–   onder verwijzing naar de informele bijeenkomst van de Ecofin-Raad van 10 en 11 september 2004 en van 7 en 8 april 2006,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Op zoek naar oplossingen voor de obstakels op het gebied van de vennootschapsbelasting waarmee het MKB op de interne markt wordt geconfronteerd - hoofdlijnen van een mogelijke proef met belastingheffing volgens de regels van de thuisstaat" (COM(2005)0702),

–   gezien de EU-belasting-enquête van de Commissie (SEC(2004)1128),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000, de Europese Raad van Stockholm van 23 en 24 maart 2001, de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002 en de Europese Raad van Brussel van 22 en 23 maart 2005, 15 en 16 december 2005 en 23 en 24 maart 2006,

–   gezien het OESO-verslag over schadelijke belastingconcurrentie van 1998, "An Emerging Global Issue",

–   gezien het verslag van de Commissie over de structuur van de belastingstelsels in de Europese Unie in 2006,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0391/2007),

A.   overwegende dat de nationale belastingstelsels steeds meer rekening moeten houden met de internationalisering van de economie en de noodzaak om menselijk kapitaal te accumuleren in een kennismaatschappij,

B.   overwegende dat het bestaan van 27 verschillende belastingstelsels in de EU een hindernis vormt voor de goede werking van de interne markt, voor grensoverschrijdende handel en grensoverschrijdend ondernemen aanzienlijke extra administratie- en nalevingskosten veroorzaakt, bedrijfsreorganisatie in de weg staat, EU-ondernemingen op wereldniveau minder concurrerend maakt en leidt tot gevallen van dubbele belasting,

C.   overwegende dat in zijn resolutie van 29 maart 2007 over de toekomst van de eigen middelen beklemtoond wordt dat ieder toekomstig stelsel van eigen middelen in de Europese Unie het beginsel van fiscale soevereiniteit van de lidstaten zal moeten eerbiedigen alsook het beginsel van de fiscale neutraliteit, maar dat tevens als een mogelijke langetermijndoelstelling voor de toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie wordt verwezen naar het opleggen van een communautaire belasting of nieuwe nationale belastingen waarvan de Europese Unie direct zou profiteren,

D.   overwegende dat de belastingconcurrentie in de EU heeft geleid en nog steeds leidt tot economische winst in de hele EU door toedoen van een dynamisch bedrijfsklimaat, maar dat een passende belastingcoördinatie op communautair niveau, waarbij niet gepoogd wordt de belastingtarieven te harmoniseren, ertoe kan bijdragen dat de voordelen van belastingconcurrentie nog beter worden gedeeld door de ondernemingen, hun werknemers en de consumenten;

E.   overwegende dat in bepaalde landen binnen de EU de belastinginkomsten uit kapitaal zijn toegenomen als gevolg van een grotere algemene economische groei en met name als gevolg van het oprichten van vele nieuwe ondernemingen en de aanzienlijke toename van hun winsten, dit in tegenstelling tot die landen waar de inkomstencapaciteit verminderd is ten gevolge van een tragere groei;

F.   overwegende dat het algemene belastingniveau in de verschillende lidstaten varieert van 28,4 tot 50,5% van het BBP met als gevolg dat er op economisch gebied verschillende niveaus van distorsie zijn;

G.   overwegende dat in het licht van het effect van O&O op groei en werkgelegenheid, onderzocht moet worden hoe efficiënter gebruik kan worden gemaakt van fiscale stimuleringsmaatregelen voor O&O;

H.   overwegende dat voor het verwezenlijken van de doelen van de strategie van Lissabon een betere coördinatie van het belastingbeleid van de lidstaten noodzakelijk is; overwegende dat Europa een speciaal economisch en sociaal kader in het leven moet roepen dat het concurrentievoordeel van de diversiteit van het cultureel erfgoed en intellectueel kapitaal omvormt tot innovatiegerichte productiviteitsgroei;

I.   overwegende dat er door de huidige versnippering van belastingsystemen lacunes zijn die belastingontduiking mogelijk maken; overwegende dat de inkomstenderving door fraude en belastingontduiking alleen bij de BTW op 200 tot 250 miljard EUR geraamd wordt;

J.   overwegende dat de nauwkeurige maatstaf van de belastingdruk het effectieve belastingtarief is, dat het nominale belastingtarief en een belastinggrondslag omvat;

K.   overwegende dat belastingheffing een nuttig instrument is, zowel om het beginsel dat de vervuiler betaalt toe te passen, als om de vervuiling aan de bron te verminderen;overwegende dat het dringend noodzakelijk is de toenemende milieu-effecten van het verkeer aan te pakken om klimaatverandering tegen te gaan;

L.   overwegende dat belastingheffing op energie en het systeem van emissiehandel van de EU twee belangrijke economische instrumenten zijn om het energieverbruik en de CO2-emissies aan te pakken;

De bijdrage van het belastingbeleid tot de Lissabon-strategie

1.   herinnert eraan dat besluiten in verband met het belastingbeleid, zoals de fiscale stimuleringsmaatregelen voor ondernemingen, het belangrijkste middel zijn om arbeidsplaatsen te ontwikkelen en te creëren, maar ook om investeringen in O&O en milieuvriendelijke technologieën te ondersteunen; onderstreept evenwel dat indien het belastingbeleid een essentiële bijdrage wil leveren aan de strategie van Lissabon, er een permanente controle moet zijn op de manier waarop de extra inkomsten die voortvloeien uit dergelijke belastingverlagingen voor de ondernemingen, herverdeeld worden zodat de extra inkomsten effectief gebruikt worden om innovatie en energie-efficiënte technologie te versterken;

2.   stelt vast dat het tarief van de vennootschapsbelasting in de EU alsook in de andere OESO-landen een dalende trend vertoont, hetgeen een weerspiegeling is van de toenemende wereldwijde concurrentie, structurele veranderingen en de ontwikkeling op de financiële markten; stelt evenwel vast dat het algemene belastingniveau in Europa hoger ligt dan in andere OESO-landen; vestigt ook de aandacht op het feit dat de overheidsinkomsten in hun geheel toegenomen zijn ondanks de daling van de effectieve vennootschapsbelastingtarieven; merkt op dat er behoefte is aan een gecoördineerd belastingkader, waaronder ook regelingen voor vennootschapsbelastingen, dat gunstig is voor ondernemingen, met name het MKB, en dat gericht is op hernieuwing van de groei en het creëren van werkgelegenheid;

3.   acht het noodzakelijk een beleid voor overheidsfinanciën tot stand te brengen dat gunstig is voor economische groei en werkgelegenheid en om gezonde belastingconcurrentie in de EU te bevorderen, zodat de fiscale druk grotendeels gedeeld wordt door werknemers en verbruikers, ondernemingen en de ontvangers van inkomen uit kapitaal; merkt op dat de Europese Unie belastingsystemen moet bevorderen die de oprichting van nieuwe bedrijven en technologische vernieuwing stimuleren;

4.   onderstreept dat de belastingsystemen in de lidstaten in het algemeen te ver zijn gegaan in het toepassen van relatief hoge belastingtarieven op lage belastingschijven, hetgeen het nemen van risico's en het opstarten van nieuwe bedrijven ontmoedigt;

5.   meent dat het mogelijk is concurrerende belastingregelingen te hebben zonder de overheidsfinanciën te ondermijnen, zoals blijkt uit het voorbeeld van de Europese landen die er in het laatste decennium in geslaagd zijn hun belastinginkomsten te verhogen door middel van belastingvermindering samen met een verruiming van de belastinggrondslagen, terwijl tegelijk de uitgaven onder controle werden gehouden en zodoende hun tekort werd verkleind;

6.   is ingenomen met het voornemen van de Commissie om tot oplossingen voor problemen met de ontwikkeling van interne verrekenprijzen binnen de Europese Unie te komen;

7.   verwelkomt het door de Commissie in de vorm van een proefproject voorgestelde concept om van het MKB vennootschapsbelasting te heffen in de thuisstaat;

8.   erkent de moeilijkheden die het MKB in de Europese Unie en in andere OESO-landen heeft om zijn projecten te financieren en juicht toe dat fiscale stimulansen worden gegeven zodat het MKB meer gebruik maakt van intermediaire financieringsmechanismen, zoals, onder meer, durfkapitaal en netwerken van business angels;

9.   wijst op de tekorten in overheidsinkomsten die de Europese Unie lijdt door belastingfraude en verzoekt de Commissie en de lidstaten verdere maatregelen ter bestrijding van belastingfraude te nemen;

10.   meent dat voor een efficiënte aanpak van belastingontduiking en belastingfraude de werking van de belastingdiensten radicaal moet worden veranderd op basis van de moderne beginselen van organisatie en behoorlijk bestuur en beklemtoont dat de Commissie omvangrijke initiatieven moet nemen voor een versterkte coördinatie op communautair niveau op dit gebied;

11.   is van mening dat BTW-belastingprivileges voor overheids- of semi-overheidsbedrijven van algemeen economisch belang gehandhaafd moeten blijven; vindt dat een systeem met één loket moet worden ingevoerd voor ondernemingen om hun BTW-verplichtingen in de gehele EU te vervullen;

12.   verzoekt de lidstaten te zorgen voor een rechtvaardiger verdeling van de fiscale lasten via een betere structuur en gerichtheid van de uitgavenzijde van de begroting;

13.   laakt de trend om BTW-tarieven in de Europese Unie te verhogen, omdat dit een regressief effect heeft en de vraag van de consumenten doet afnemen; onderstreept dat de ervaring in bepaalde lidstaten heeft aangetoond dat er meer inkomsten gegenereerd worden wanneer de belastinggrondslag verruimd wordt, wanneer de groei van de werkgelegenheid een toename van de consumptie veroorzaakt en wanneer de omstandigheden geschikt zijn om zwarte-marktactiviteiten te regulariseren, en dat dit proces geschaad zou worden door een verhoging van de BTW-tarieven;

14.   herhaalt zijn steun voor experimenten met lagere BTW-tarieven voor arbeidsintensieve diensten als een structureel element van het BTW-systeem, waarbij aan de lidstaten de vrijheid wordt gelaten om deze tarieven toe te passen in sectoren van persoonlijke dienstverlening, die vooral lokaal zijn en de grensoverschrijdende concurrentie niet verstoren;

15.   steunt de Commissie in haar streven om het belastingbeleid af te stemmen op ambitieuzere milieudoelstellingen; is van mening dat dergelijke maatregelen omvangrijker onderzoek naar en grotere toepassing van milieutechnologieën kunnen bevorderen, waardoor het concurrentiepotentieel van de Europese Unie op dit gebied ontwikkeld wordt; beklemtoont echter dat maatregelen moeten worden genomen om een nog grotere druk op armere huishoudens te voorkomen;

16.   merkt op dat het accijnsbeleid een volledig nieuwe aanpak behoeft; benadrukt dat een beleid dat gericht is op het vastleggen van het minimum belastingtarief op communautair niveau, moet worden verworpen en dat in plaats daarvan een algemene gedragscode moet worden goedgekeurd met het doel de lidstaten ertoe aan te sporen hun zeer uiteenlopende accijnstarieven gelijk te trekken;

17.   is van mening dat het belastingbeleid er over het algemeen toe zou moeten bijdragen de industrie te verplichten tot internalisering van externe kosten, maar acht handhaving of invoering van fiscale en andere voordelen voor de bevordering van schone, niet-fossiele en alternatieve vormen van energie zinvol;

18.   is van oordeel dat hogere belastingen op brandstof gunstige gevolgen zullen hebben voor het milieu, indien goedkope en attractieve openbare vervoermiddelen ter beschikking staan;

19.  is van oordeel dat landen die met een inhaalbeweging bezig zijn, geconfronteerd worden met hogere externe kosten en dat zij daarvoor niet bestraft mogen worden;

20.   wijst op de noodzaak de belastingen op arbeid te blijven verlagen als de beste manier om de doelstelling van de Lissabon-strategie inzake een werkgelegenheidspercentage van 70% te verwezenlijken;

21.   vindt het voor de totstandkoming van de interne markt belangrijk dat de douanewetgeving wordt vereenvoudigd en de douaneprocedures worden gerationaliseerd teneinde de administratieve kosten voor ondernemingen die grensoverschrijdende transacties uitvoeren, te verminderen, maar de vereenvoudiging van de nalevingseisen voor ondernemingen bij grensoverschrijdende activiteiten te handhaven; steunt overschakeling op een vereenvoudigd systeem van BTW-heffing op grensoverschrijdende handel in de EU, bijvoorbeeld door de verleggingsregeling te implementeren;

Gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting

22.   steunt het streven van de Commissie om een pan-Europese en uniforme gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) in te voeren; merkt op dat een CCCTB zal leiden tot meer transparantie doordat de ondernemingen zowel in binnen- als buitenland volgens dezelfde regels kunnen opereren, de grensoverschrijdende handel en investeringen zal doen toenemen en de administratieve kosten en de mogelijkheid van belastingontduiking en fraude aanmerkelijk zal terugdringen; meent dat maatregelen moeten worden geïntroduceerd die specifiek zijn ontworpen voor het verlagen van de kosten die het MKB heeft voor de naleving van de belastingwetgeving, zoals de bepalingen voor belastingheffing in de thuisstaat;

23.   merkt op dat de CCCTB een beleidsmiddel is dat kan worden ingevoerd krachtens het mechanisme voor nauwere samenwerking, wat reeds in de Verdragen is bepaald;

24.   herinnert eraan dat het CCCTB gemeenschappelijke regels inzake de belastinggrondslag omvat en in geen geval afbreuk doet aan de vrijheid van de lidstaten om hun eigen belastingtarieven te blijven vastleggen;

25.   verwelkomt het voornemen van de Commissie om het CCCTB te introduceren in het kader van de nauwere samenwerking; merkt evenwel op dat dit de op een na beste oplossing is, aangezien de voordelen van transparantie en lagere administratieve kosten gedeeltelijk kunnen worden afgezwakt omdat er geen alomvattend communautair systeem is;

26.   is ingenomen met het streven van de Commissie dat de CCCTB uniform en eenvoudiger moet zijn en beveelt aan dat bij de vaststelling van gemeenschappelijke normen een mechanisme wordt ontwikkeld voor de verdeling van de belastinginkomsten onder de betrokken lidstaten; is voorts van mening dat het voor de totstandbrenging van een werkelijk gemeenschappelijke eenvormige heffingsgrondslag ook belangrijk is vergelijkbare of in het beste geval gemeenschappelijke registratiedocumenten op te stellen voor grensoverschrijdende economische activiteiten;

27.   verwelkomt de mededeling van de Commissie "Naar een doeltreffender gebruik van fiscale stimulansen voor O&O" en onderstreept de noodzaak beste praktijken uit te wisselen en zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen over de verenigbaarheid van dergelijke stimulansen met de communautaire wetgeving;

28.   onderstreept dat groene belastingen een flexibel beleidsinstrument zijn om bepaalde streefwaarden inzake verontreiniging te halen, om stimulansen te geven voor technologische innovatie en om verder verontreinigende emissies terug te dringen;

29.   spoort de Commissie ertoe aan zich bezig te houden met kwesties inzake de consolidatie van de rekeningen, belasting en belastingadministratie van de grote groepen die grensoverschrijdend opereren;

Naar een doeltreffender gebruik van fiscale stimulansen voor onderzoek en ontwikkeling

30.   is van mening dat fiscale stimulansen ter bevordering van O&O-activiteiten van groot belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de strategie van Lissabon, zoals de verhoging van de O&O-uitgaven in Europa, met name om het MBK beter toegang te geven tot steun voor O&O&I; merkt echter op dat dergelijke fiscale stimulansen niet als indirecte subsidies voor grote ondernemingen mogen worden gebruikt;

31.   is ervan overtuigd dat het belastingbeleid zo moet worden opgezet dat het leidt tot productiviteitgerichte groei in alle sectoren van de economie door de belastingbetaler de mogelijkheid te geven om O&O-uitgaven in mindering te brengen of fiscaal af te schrijven;

32.   gelooft dat de technologische kloof tussen de lidstaten inhoudt dat er verschillen zijn in het belastingbeleid en dat alleen dan op communautair niveau moet worden opgetreden wanneer de maatregelen van de afzonderlijke lidstaten geen doeltreffende oplossing kunnen bieden; is van mening dat de bevordering van goede praktijken voor het opzetten van belastinginitiatieven voor O&O en een betere coördinatie van het belastingbeleid de lidstaten zouden helpen de doelstellingen van de strategie van Lissabon te halen;

Exit-heffingen

33.   spoort de Commissie aan een dynamischer aanpak te volgen ten aanzien van offshore financiële centra;

34.   steunt de zienswijze van de Commissie dat bij het overbrengen van economische goederen naar een derde land een bij vertrek onmiddellijk te betalen belasting gerechtvaardigd is, wegens de gebrekkige grensoverschrijdende bestuurssamenwerking;

Fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties

35.   merkt op dat vaak zaken op het gebied van belastingen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd en dat dit vooral te wijten is aan de gebrekkige transparantie en de grote complexiteit van de belastingsystemen in Europa; dringt daarom aan op een vereenvoudiging van de belastingwetgeving in heel de Unie; is van mening dat in situaties waarin buitenlandse dochterondernemingen grensoverschrijdende verliezen lijden, dubbele belasting van de moederonderneming moet worden vermeden, de belastingbevoegdheid tussen de lidstaten op een evenwichtige wijze moet worden verdeeld, niet twee maal rekening mag worden gehouden met verliezen en belastingontduiking moet worden voorkomen;

36.   merkt op dat indien er geen grensoverschrijdende verliescompensaties worden geboden, de concerns zullen proberen er voor te zorgen dat hun winsten belast worden in landen waar de binnenlandse markt groot genoeg is om voldoende winst te genereren om mogelijke verliezen in het buitenland te verrekenen;

37.   acht het nodig een systeem van grensoverschrijdende verliescompensatie uit te werken, zowel voor ondernemingen als voor concerns met buitenlandse branches; neemt kennis van de mededeling van de Commissie over de fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties;

38.   vindt de desbetreffende mededeling van de Commissie over de fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties een grondslag voor een verdere discussie, specifiek met name met betrekking tot de mogelijke oplossingen die, in afwachting van de uitvoering van het CCCTB, in de mededeling worden aangereikt voor de toepassing van een systeem van verliesverrekening en een inhaalmechanisme door de gastlidstaat;

o
o   o

39.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 102 E van 28.4.2004, blz. 569.
(2) PB C 286 E van 23.11.2006, blz. 229.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0098.


Groenboek: Op weg naar een rookvrij Europa: beleidsopties op EU-niveau
PDF 140kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over het Groenboek "Op weg naar een rookvrij Europa: beleidsopties op EU-niveau" (2007/2105(INI))
P6_TA(2007)0471A6-0336/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien het Groenboek van de Commissie "Op weg naar een rookvrij Europa: beleidsopties op EU-niveau" (COM(2007)0027),

–   gezien de kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) inzake de bestrijding van tabaksgebruik (Framework Convention on Tobacco Control, FCTC) van 2003,

–   gezien de Europese strategie van de WHO uit 2004 voor een beleid gericht op het stoppen met roken,

–   gezien de beleidsaanbeveling van de WHO uit 2007 inzake de bescherming tegen passief roken,

–   gezien de verklaring van de Commissie voor het Parlement betreffende tabaksadditieven in het kader van de onderhandelingen over REACH en betreffende de amendementen van het Europees Parlement inzake tabaksadditieven(1),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0336/2007),

A.   overwegende dat tabaksrook een complex gifmengsel is bestaande uit meer dan 4.000 stoffen, waaronder gifstoffen als blauwzuur, ammoniak en koolmonoxide alsmede meer dan 50 stoffen die aantoonbaar kankerverwekkend zijn,

B.   overwegende dat alleen in de Europese Unie jaarlijks tenminste 650.000 mensen overlijden aan de gevolgen van het roken,

C.   overwegende dat wetenschappelijk bewezen is dat tabaksrook en rookloze tabaksproducten ernstige schade voor de gezondheid en prematuur overlijden tot gevolg hebben,

D.   overwegende dat tabaksrook onder meer de ademwegen beschadigt, hetgeen leidt tot irritatie van de slijmhuid, hoesten, schorheid, kortademigheid, verlaagde longfunctiewaarden, het ontstaan en verergeren van astma en van longontstekingen, bronchitis en chronisch-obstructieve longaandoeningen, dat de schade aan de bloedvaten zo aanzienlijk is dat dit kan leiden tot een hartinfarct en een beroerte, en dat de kans op blindheid als gevolg van AMD (leeftijdsgebonden maculaire degeneratie) meer dan verdubbelt,

E.   overwegende dat aangetoond is dat blootstelling aan tabaksrook in het algemeen of op de werkplek de kans op longkanker aanzienlijk verhoogt, en dat bijvoorbeeld voor werknemers in horecagelegenheden waar roken is toegestaan, de waarschijnlijkheid longkanker te krijgen 50% groter is dan voor werknemers die niet zijn blootgesteld aan tabaksrook,

F.   overwegende dat in de Europese Unie jaarlijks naar schatting ongeveer 80 000 mensen als gevolg van passief roken overlijden,

G.   overwegende dat kinderen bijzonder gevoelig zijn voor blootstelling aan tabaksrook, bijv. thuis en tijdens particulier vervoer,

H.   overwegende dat blootstelling aan tabaksrook tijdens de zwangerschap kan leiden tot een hogere kans op misvormingen, miskramen en prematuren, een verminderde lengtegroei van de foetus, een kleinere hoofdomvang en een lager geboortegewicht en dat er een verband bestaat tussen passief roken en middenoorontstekingen, verminderde longfunctie, astma alsmede wiegendood,

I.   overwegende dat de Europese Unie en 25 van de 27 lidstaten de kaderovereenkomst van de WHO inzake de bestrijding van tabaksgebruik (Framework Convention on Tobacco Control, hierna FCTC) reeds hebben ondertekend en geratificeerd, dat in de preambule daarvan wordt gerefereerd aan het Statuut van de WHO waarin wordt verklaard dat het genot van het hoogst haalbare niveau van gezondheid één van de grondrechten van iedere mens is, en dat artikel 8 van de FCTC voorziet in een verplichting tot bescherming tegen de blootstelling aan tabaksrook,

J.   overwegende dat het grootste voordeel voor de samenleving en de economie zal worden behaald als rookvrije zones worden aangevuld met een doeltreffend stoppen-met-roken-beleid op het niveau van de EU en/of de lidstaten, bijvoorbeeld in de vorm van a) doeltreffende voorlichtingsprogramma's in onderwijs- en zorginstellingen, op de werkplek en in sportkringen en ruimere toegang tot therapieën (zowel gedragtherapie als met medicijnen) voor personen die willen stoppen met roken, b) diagnose en behandeling van tabaksverslaving in nationale gezondheids- en onderwijsprogramma's, en c) samenwerking om de toegankelijkheid en de betaalbaarheid, zoals overeengekomen in artikel 14 van de FCTC, te verbeteren,

K.   overwegende dat een verantwoord beleid de plicht heeft randvoorwaarden te creëren waarbinnen roken niet meer als normaal wordt beschouwd, rokers worden aangemoedigd om minder te roken of met roken te stoppen en tijdens het ontwenningsproces worden ondersteund, en voorkomen wordt dat kinderen en jongeren met roken beginnen,

L.   overwegende dat alleen een volledig rookverbod in alle gesloten werkruimtes, met inbegrip van horecagelegenheden, en in alle openbare gebouwen en vervoersmiddelen de gezondheid van werknemers en niet-rokers kan beschermen en dat het hierdoor voor rokers aanzienlijk gemakkelijker wordt om met roken te stoppen,

M.   overwegende dat in de lidstaten die een volledig rookverbod hebben ingevoerd, geen scherpe omzetdaling in de horeca te zien is,

N.   overwegende dat de Wereldbank in haar rapport uit 1999 getiteld "Curbing the epidemic: Governments and the economics of tobacco control" heeft aangetoond dat belastingmaatregelen een kostenefficiënt middel zijn om de vraag naar tabaksproducten te verminderen en het totale tabaksgebruik terug te dringen, en dat ook de WHO heeft onderstreept dat belastingen het grootste effect hebben,

O.   overwegende dat de WHO in haar Europese strategie voor een beleid gericht op het stoppen met roken stelt dat stoppen-met-roken-maatregelen (zowel gedragsbeïnvloeding als met behulp van medicijnen) een belangrijk en kostenefficiënt onderdeel vormen van een brede strategie voor tabaksbestrijding, waarmee de gezondheidsstelsels in de toekomst aanzienlijke uitgavenbesparingen kunnen bereiken,

P.   overwegende dat bekend is dat de Europese economieën als gevolg van tabaksgebruik jaarlijks een schade van meer dan 100 miljard EUR lijden,

Q.   overwegende dat de kosten voor de gezondheidsstelsels die door tabaksgebruik worden veroorzaakt, door de samenleving worden gedragen en niet door de veroorzakers,

R.   overwegende dat het onaanvaardbaar is dat bepaalde lidstaten het kopen van tabaksproducten door middel van lage belastingtarieven in hun land stimuleren, teneinde hun totale belastinginkomsten te verhogen,

S.   overwegende dat bijna 70% van de EU-burgers niet-roker is, en dat 27% sigaretten, 5 % shag en 1% sigaren of pijp roken,

T.   overwegende dat 86% van de EU-burgers voorstander is van een rookverbod op de werkplek, 84% op andere openbare plaatsen, 77% in restaurants en 61% in bars en cafés,

U.   overwegende dat voorlichting aan specifieke doelgroepen, met name jongeren, zwangere vrouwen en ouders, een bijdrage levert aan het terugdringen van het tabaksgebruik,

1.   juicht het groenboek van de Commissie toe als uitgangspunt voor een verantwoord Europees beleid ter bescherming van de burgers tegen tabaksrook die een gevaar vormt voor de gezondheid;

2.   is verheugd over het optreden van de lidstaten die al doeltreffende maatregelen ter bescherming tegen passief roken hebben getroffen;

3.   herhaalt de eis die het reeds in zijn resolutie van 23 februari 2005 over het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010(2) aan de Commissie heeft gesteld, namelijk om tabaksrook in het milieu zo snel mogelijk overeenkomstig de richtlijn gevaarlijke stoffen(3) in te delen als kankerverwekkende stof van klasse 1, teneinde tabaksrook in het milieu onder het toepassingsgebied van de richtlijn carcinogene of mutagene agentia(4) te brengen;

4.   verzoekt de Commissie de concrete schadelijke gevolgen van het roken door jongeren in de lidstaten op een rij te zetten en te kwantificeren, om vervolgens Europese doelstellingen voor de lidstaten te formuleren met het oog op het verminderen van het aantal jongeren dat met roken begínt en van het tabaksgebruik onder jongeren, waarbij de lidstaten zich ertoe verplichten het roken onder jongeren tegen 2025 met ten minste 50% terug te dringen;

5.   onderstreept dat het, onverminderd eventueel uit de communautaire wetgeving voortvloeiende verplichtingen, de lidstaten vrij staat de vorm van de nationaal te nemen maatregelen te bepalen, maar dat zij zowel halverwege als aan het einde van de vastgestelde periode, als bedoeld in paragraaf 4, verslag aan de Commissie moeten uitbrengen over de vooruitgang bij het verminderen van de schadelijke gevolgen van het roken voor jongeren;

6.   merkt op dat de Commissie een ondersteunende rol moet spelen bij de verwezenlijking van de Europese doelstellingen, door de uitwisseling van kennis en best practices tussen de lidstaten te vergemakkelijken en Europees onderzoek uit te voeren naar de bestrijding van de schadelijke gevolgen van het roken voor jongeren;

7.   verzoekt de Commissie een voorstel tot wijziging van de kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid van de werknemers op het werk(5) in te dienen dat alle werkgevers ertoe verplicht ervoor te zorgen dat de werkplek vrij van tabaksrook is;

8.   verzoekt de lidstaten binnen twee jaar een onbeperkt rookverbod in alle gesloten werkruimtes, met inbegrip van de horecasector, alsmede in alle gesloten openbare gebouwen en vervoersmiddelen binnen de Europese Unie, in te voeren; verzoekt de Commissie, ingeval de vermelde doelstellingen niet door alle lidstaten worden gehaald, uiterlijk in 2011 bij het Parlement en de Raad een voorstel in te dienen voor een regeling inzake de bescherming van niet-rokers in het kader van de bescherming van werknemers; de Commissie erkent daarbij de reeds bestaande nationale bepalingen van de lidstaten;

9.   verzoekt de lidstaten die een volledig rookverbod hebben ingevoerd voor alle openbare ruimtes, bars en restaurants een vrijwillig handvest in te stellen en te ondertekenen, waarin een "Europese rookvrije zone" wordt uitgeroepen, zodat een kopgroep van lidstaten ontstaat die reeds een volledig rookverbod op grond van een vrijwillig lidmaatschap hebben vastgesteld, en verzoekt de leden van dit handvest te overwegen dit vrijwillige handvest eventueel de status van wet te geven door middel van de procedure voor nauwere samenwerking;

10.   verzoekt de lidstaten binnen twee jaar een rookverbod in te voeren voor alle openbare speelplaatsen;

11.   verzoekt de Commissie een verslag op te stellen over de kosten die voor de nationale gezondheidsstelsels en de economie van de Europese Unie voortvloeien uit het roken en de gevolgen van de blootstelling aan tabaksrook;

12.   verzoekt de Commissie zo mogelijk in 2008 een voorstel tot wijziging van Richtlijn 2001/37/EG(6) inzake tabaksproducten in te dienen, waarin tenminste de volgende punten zijn opgenomen:

   - onmiddellijk verbod op alle verslavingsversterkende additieven,
   - onmiddellijk verbod op alle additieven waarvan op grond van de reeds beschikbare toxicologische gegevens bekend is dat zij als zodanig of bij pyrolyse (verbranding bij 600-950°C) kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn,
   - invoering van een gedetailleerde procedure voor de registratie, evaluatie en toelating van tabaksadditieven, en volledige vermelding van alle tabaksadditieven op pakjes,
   - automatisch verbod op alle additieven waarvoor de producenten en importeurs van tabaksproducten uiterlijk eind 2008 geen volledige gegevens overleggen (o.a. naar merknaam en soort uitgesplitste lijst van alle inhoudstoffen, de hoeveelheid daarvan en toxicologische gegevens),
   - verplichting voor de producenten tot openbaarmaking van alle bestaande toxicologische gegevens over additieven en stoffen in tabaksrook, met inbegrip van de pyrolyseproducten (openbare en bedrijfsgegevens),
   - samenstelling van een compendium van tabaksadditieven en stoffen in tabaksrook en verstrekking van informatie aan de consument hierover,
   - invoering van een financieringssysteem waarmee alle kosten in verband met het opzetten en onderhouden van evaluatie- en toezichtstructuren (bijv. onafhankelijke laboratoria, personeel, wetenschappelijk onderzoek) worden afgewenteld op de fabrikanten van tabaksproducten,
   - toepassing van de productaansprakelijkheid op de fabrikanten en invoering van de verantwoordelijkheid van de fabrikant voor de financiering van alle gezondheidskosten die als gevolg van tabaksgebruik ontstaan;

13.   verzoekt de Commissie een brede strategie gericht op bestrijding van tabaksgebruik en stoppen met roken te ondersteunen en verdere EU-maatregelen voor een tabaksrookvrij Europa te overwegen, bijvoorbeeld:

   - een EU-breed verbod op het gebruik van tabak in het bijzijn van minderjarigen bij particulier vervoer,
   - een EU-breed verbod op de verkoop van tabaksproducten aan jongeren onder de 18 jaar,
   - voor de opstelling van sigarettenautomaten alleen toestemming te verlenen als deze voor minderjarigen ontoegankelijk worden gemaakt
   - verwijdering van tabaksproducten uit de schappen van zelfbedieningswinkels,
   - beëindiging van de verkoop van tabaksproducten op afstand (bv. via internet) aan jongeren onder de 18 jaar,
   - bevordering van preventieve maatregelen en antirookcampagnes voor jongeren,
   - een verbod op internetreclame voor tabaksproducten,
   - aanmoediging van de lidstaten tot het invoeren van inflatiebestendige belastingen op alle tabaksproducten,
   - vaststelling voor de gehele EU van een hoog minimumbelastingtarief voor alle tabaksproducten,
   - strengere controles om het smokkelen van tabakswaren tegen te gaan;

14.   verzoekt de Commissie na te gaan welke fiscale maatregelen een bijdrage zouden kunnen leveren tot het verminderen van het tabaksgebruik, met name onder jongeren, en verzoekt de Commissie op basis van dit onderzoek een aanbeveling aan de lidstaten uit te spreken;

15.   doet een beroep op alle lidstaten om een einde te maken aan het stimuleren van de aankoop van tabaksproducten door handhaving van lage belastingtarieven op hun grondgebied;

16.   juicht het Italiaanse besluit toe om alle transporten van niet-geëtiketteerde sigaretten te verbieden, om zo het smokkelen tegen te gaan en de vaststelling van de oorsprong te vergemakkelijken;

17.   verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen tot wijziging van Richtlijn 2001/37/EG om de eis inzake het vermelden van het teer-, nicotine- en koolmonoxidegehalte op sigarettenpakjes in te trekken, omdat de daarop gebaseerde vergelijking momenteel voor rokers misleidend is;

18.   verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen tot wijziging van Richtlijn 2001/37/EG om daarin een vernieuwde verzameling grotere, keiharde waarschuwingen in beeldvorm op te nemen die verplicht worden voor alle in de Europese Unie verkochte tabaksproducten en op beide zijden van de pakjes moeten worden vermeld; is van mening dat bij alle waarschuwingen ook duidelijke contactgegevens moeten worden vermeld om rokers bij het stoppen te helpen, zoals een gratis telefoonnummer of website;

19.   dringt er bij de Commissie met name op aan in de herziene versie van Richtlijn 2001/37/EG een waarschuwing op te nemen over het verband tussen roken en blindheid, omdat verschillende recente wetenschappelijke studies op duidelijke en consistente wijze hebben aangetoond dat roken leidt tot verlies van het gezichtsvermogen als gevolg van leeftijdsgebonden maculaire degeneratie; deze waarschuwingen moeten worden vermeld op de lijst met waarschuwingen tegen het gebruik van tabaksproducten met passende grafische beelden ter ondersteuning van deze boodschap;

20.   verzoekt de lidstaten rokers die met roken willen stoppen, te helpen door middel van ondersteunende acties, bijvoorbeeld:

   - het toegankelijker maken van antirooktherapieën - zowel farmacologische therapieën (bijv. met nicotinevervangers) als gedragstherapie (consulten) - door vergoeding van verrichtingen van zorgverleners,
   - verbetering van de betaalbaarheid van producten voor het stoppen met roken (bijv. nicotinevervangers) via een verlaagd BTW-tarief;

21.   wijst erop dat volgens de Europese strategie van de WHO uit 2004 voor een beleid gericht op het stoppen met roken een intensief consult van meer dan 10 minuten bij een arts de hoogste slaagkans biedt waar het gaat om abstinentie op lange termijn; verzoekt derhalve de lidstaten om consulten gericht op het beëindigen van een nicotineverslaving op te nemen in het nationale gezondheidszorgstelsel, door werknemers in de eerstelijnsgezondheidszorg te stimuleren en op te leiden om de patiënten stelselmatig naar hun rookgedrag te vragen en rokers te adviseren met roken te stoppen, en dergelijke intensieve consulten te vergoeden;

22.   verzoekt de lidstaten informatie- en voorlichtingscampagnes over een gezondere levensstijl te ontwikkelen die zijn toegesneden op elke leeftijdsgroep en sociale groep, om zo de burgers in staat te stellen hun eigen verantwoordelijkheid - en, waar van toepassing, hun verantwoordelijkheid als ouders - te nemen;

23.   is van mening dat er bij dergelijke maatregelen gericht op het stoppen met roken, voor gezorgd moet worden dat rokers, met name jongeren en minder draagkrachtigen, toegang hebben tot betaalbare antirookproducten en -behandelingen, waaronder consulten, dit ter voorkoming van ongelijkheden waardoor minder welvarende burgers worden ontmoedigd van deze mogelijkheden gebruik te maken;

24.   is van mening dat informatie over stoppen met roken, waaronder gratis telefoonnummers of een adres van een website, beschikbaar en zichtbaar dient te zijn op alle verkooppunten van tabaksproducten;

25.   moedigt de Commissie aan ondersteunende maatregelen op EU-niveau, bijvoorbeeld voorlichtingsacties, te blijven uitvoeren; is van mening dat het ontwikkelen van de vaardigheden van artsen en ander zorgpersoneel een belangrijk punt dient te zijn waaraan prioriteit moet worden toegekend;

26.   verzoekt de Commissie dringend de gezondheidsrisico´s van de consumptie van snus en de effecten van snus-gebruik op de consumptie van sigaretten te onderzoeken;

27.   spreekt als tak van de begrotingsautoriteit in dit verband de wens uit dat de financiering van dergelijke voorlichtingsacties, die momenteel via het gemeenschappelijk tabaksfonds worden gesteund, ook na beëindiging daarvan onverkort wordt gegarandeerd;

28.   verzoekt de Commissie en de lidstaten de bestrijding van tabaksgebruik als centrale prioriteit op te nemen in hun werk voor gezondheid en ontwikkeling en er in samenwerking met arme landen voor te zorgen dat alle nodige financiële middelen en technische bijstand beschikbaar worden gesteld om de ACS-partners van de EU in staat te stellen hun verplichtingen uit hoofde van de FCTC na te komen; verzoekt de Commissie altijd meteen aan alle financiële verplichtingen te voldoen die verband houden met de FCTC en aanverwante initiatieven in VN-verband;

29.   verzoekt Italië en de Tsjechische Republiek de FCTC zo spoedig mogelijk te ratificeren;

30.   veroordeelt het feit dat sommige leden en personeelsleden van het Europees Parlement de rookbeperkingen in het Europees Parlement negeren, bijv. door te roken in trappenhuizen of in de open ledenbar in Straatsburg;

31.   spreekt onder verwijzing naar zijn voorbeeldfunctie de wens aan zijn Bureau uit dat met onmiddellijke ingang een rookverbod zonder uitzonderingen voor alle ruimtes van het Europees Parlement wordt uitgevaardigd; dringt aan op strikte handhaving van dit verbod;

32.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten van 13.12.2006, P6_TA(2006)0552.
(2) PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 264.
(3) Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 196 van 16.8.1967, blz. 1).
(4) Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 50).
(5) Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1).
(6) Richtlijn 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PB L 194 van 18.7.2001, blz. 26).


Betrekkingen EU-Turkije
PDF 138kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Turkije
P6_TA(2007)0472B6-0376/2007

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 december 2004 over het periodiek verslag 2004 en de aanbeveling van de Europese Commissie over de vorderingen van Turkije op de weg naar toetreding(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 september 2005 over de start van de onderhandelingen met Turkije(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 september 2006 over de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 maart 2006 over documenten betreffende de strategie voor de uitbreiding (2005)(4) en zijn resolutie van 13 december 2006 over de mededeling van de Commissie over de uitbreidingsstrategie en de belangrijkste uitdagingen voor 2006-2007(5),

–   gezien het onderhandelingskader voor Turkije van 3 oktober 2005,

–   gezien Besluit 2006/35/EG van de Raad van 23 januari 2006 betreffende de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die worden opgenomen in het toetredingspartnerschap met Turkije(6) (het toetredingspartnerschap),

–   gezien het voortgangsverslag van de Commissie over Turkije van 2006 (SEC(2006)1390),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2006–2007 (COM(2006)0649),

–   gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de toetredingsonderhandelingen met Turkije op 3 oktober 2005 zijn geopend, nadat de Raad had ingestemd met het onderhandelingskader, en overwegende dat de opening van deze onderhandelingen het startpunt vormt van een proces met een open einde,

B.   overwegende dat Turkije zichzelf heeft gecommitteerd aan hervormingen, goede nabuurschapsbetrekkingen en een geleidelijke aanpassing aan de EU, en overwegende dat deze inspanningen beschouwd moeten worden als een kans voor Turkije zelf om te moderniseren,

C.   overwegende dat de volledige naleving van alle criteria van Kopenhagen, alsmede de integratiecapaciteit van de Unie overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van december 2006, de basis blijft voor toetreding tot de EU,

D.   overwegende dat Turkije de bepalingen die voortvloeien uit de Associatieovereenkomst EG-Turkije en het Aanvullend Protocol daarbij nog niet volledig ten uitvoer heeft gelegd,

E.   overwegende dat het tempo van de hervormingen in Turkije na een golf van hervormingen tussen 2002 en 2004, is vertraagd; overwegende dat de Turkse regering op 17 april 2007 haar programma voor aanpassing aan het EU-acquis 2007-2013 heeft goedgekeurd, en overwegende dat de nieuwe Turkse regering op 31 augustus 2007 haar programma heeft gepresenteerd bestaande uit een versterking van de economie, de opstelling van een nieuwe grondwet en de versnelling van de hervormingen die noodzakelijk zijn om Turkije dichter bij de EU te brengen,

1.   verzoekt de Commissie in haar periodieke verslag de onderwerpen aan te geven die door Turkije prioritair zullen moeten worden opgelost, waarbij de aandacht vooral zal moeten worden gericht op de verwezenlijking van de in het Toetredingspartnerschap uiteengezette prioriteiten voor de korte en de middellange termijn, en bijzondere aandacht te schenken aan de onderwerpen die in deze resolutie worden aangestipt; verwacht van de Commissie dat zij volledig gebruik zal maken van alle nodige middelen om het hervormingsproces op een doeltreffende manier te ondersteunen en dat zij Turkije eraan herinnert dat de naleving van zijn verplichtingen binnen het in het Toetredingspartnerschap vastgestelde tijdschema van het grootste belang is voor de geloofwaardigheid van het land;

2.   complimenteert Turkije met het houden van vrije en eerlijke verkiezingen, als aangegeven door de verkiezingswaarnemingsmissie van het Bureau voor democratische instellingen en mensenrechten van de OVSE en een delegatie van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa; juicht de verkiezing van een Grote Nationale Vergadering van Turkije toe waarin alle regio's zijn vertegenwoordigd en waarin de deelname van vrouwen is toegenomen, en moedigt de nieuw gekozen leden aan om zich in te zetten voor een verdere versterking van de democratie in Turkije;

3.   verwelkomt de verkiezing van de nieuwe president als een teken van kracht van de Turkse democratie; verzoekt president Abdullah Gül te werken aan de bevordering van het pluralisme en de eenheid van het Turkse volk in een seculiere staat die moeilijke, maar noodzakelijke hervormingen voor de boeg heeft;

4.   verwacht van de nieuwe Turkse regering, die een krachtig mandaat heeft en het vertrouwen van de bevolking geniet, dat zij het proces van hervormingen zal versnellen teneinde te voldoen aan de verplichtingen zoals die zijn vastgelegd in het Toetredingspartnerschap; moedigt de regering aan om binnen het Turkse parlement en met de Turkse civiele samenleving te zoeken naar een brede consensus over constitutionele en institutionele aangelegenheden; wijst erop dat de ontwikkeling van Turkije tot een democratische en welvarende staat die zich houdt aan de beginselen van de rechtsstaat en waar rechtsregels op uniforme wijze worden toegepast, voor Turkije, zijn samenleving en de EU van strategisch belang is; juicht in dit opzicht de verklaringen toe die door de nieuwe regering zijn afgelegd met betrekking tot haar vaste voornemen het hervormingsproces de komende maanden en jaren te versterken;

5.   is ingenomen met het voornemen van de Turkse regering om een nieuwe en burgerlijke grondwet vast te stellen in het kader waarvan fundamentele mensenrechten en vrijheden worden beschermd; wijst met nadruk op de noodzaak ervoor te zorgen dat in de nieuwe grondwet een systeem van "checks and balances" wordt ingesteld ter waarborging van het democratische en seculiere karakter van de Turkse staat; verzoekt alle partijen een open en op consensus stoelend constitutioneel proces te ondersteunen; herinnert in dit verband aan zijn eerdere aanbeveling betreffende de kiesdrempel; beklemtoont dat constitutionele plannen niet mogen leiden tot uitstel van dringend noodzakelijke hervormingen, met name wat betreft artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht;

6.   is ingenomen met de positieve economische ontwikkeling van Turkije in de afgelopen jaren; acht het echter van wezenlijk belang dat de werkgelegenheid wordt vergroot en dat een hervormingsstrategie wordt ontwikkeld die de sociale cohesie van de Turkse samenleving zal versterken;

7.   is ingenomen met de inspanningen die de Turkse regering heeft gedaan om zich aan te passen aan het EU-acquis op energiegebied, en steunt de opening van de onderhandelingen over het energiehoofdstuk zodra de technische voorbereidingen zijn voltooid; moedigt Turkije aan als volwaardig lid toe te treden tot de Europese Energiegemeenschap, met het oog op de verdere versterking van de samenwerking tussen de EU en Turkije op energiegebied, gericht op versterking van de zekerheid van de energievoorziening, ondersteuning van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en investeringen in energie-efficiëntie; wijst met nadruk op de belangrijke rol die Turkije als doorvoercentrum speelt bij de diversifiëring van de gasvoorziening in de EU; benadrukt dat energieprojecten waarbij Turkije betrokken is in het zuiden van de Kaukasus open moeten staan voor alle landen in die regio die deel uitmaken van het nabuurschapsbeleid van de EU;

8.   stelt vast dat de geostrategische positie van Turkije in de regio en zijn rol op het gebied van vervoer en logistiek de komende jaren belangrijker zal worden; verzoekt de Commissie een specifiek verslag op te stellen over de nieuwste ontwikkelingen en toekomstige uitdagingen;

9.   is bezorgd over de herhaalde inmenging van het Turkse leger in het politieke proces; beklemtoont dat verdere inspanningen nodig zijn om te zorgen voor een volledige en doeltreffende civiele controle over het leger; onderstreept dat de uitwerking van de nationale veiligheidsstrategie en de tenuitvoerlegging daarvan onder toezicht van de burgerautoriteiten moet staan; dringt aan op de totstandkoming van een volledige parlementaire controle op het militaire en defensiebeleid en alle aanverwante uitgaven; roept bovendien op tot parlementaire controle over "s lands geheime diensten, gendarmerie en politie;

10.   juicht de Dialoog van de civiele samenleving EU-Turkije toe, en verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de activiteiten die in dit kader zijn verricht; onderstreept het belang van intensievere contacten tussen de civiele samenlevingen in Turkije en de EU; verzoekt de Commissie gerichte steun aan de civiele samenleving te verlenen, in verschillende regio's van Turkije meer present te zijn en in dit verband bijzondere aandacht te schenken aan het zuidoosten; verzoekt de nieuwe Turkse regering haar civiele samenleving, een belangrijke promotor van de democratie in Turkije, intensiever bij het hervormingsproces te betrekken;

11.   verwijst naar zijn reeds aangehaalde resolutie van 27 september 2006, en met name die paragrafen die gaan over de hervormingen die nodig zijn om de werking van de rechterlijke macht en de bestrijding van corruptie, de inachtneming van fundamentele mensenrechten en vrijheden, de bescherming van de rechten van vrouwen, de tenuitvoerlegging van het zero-tolerancebeleid ten aanzien van folteringen, alsmede de bescherming van de rechten van minderheden en religieuze en culturele rechten, te verbeteren; wacht, alvorens de vooruitgang met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze hervormingen te willen beoordelen, de resultaten af van de intensievere controle op de politieke criteria zoals die door de Commissie in haar laatste uitbreidingsstrategie is aangekondigd; verzoekt de Commissie deze resultaten in haar volgende voortgangsverslag te publiceren;

12.   dringt er bij de nieuwe Turkse regering op aan volledig uitvoering te geven aan de bepalingen zoals die voortvloeien uit de Associatieovereenkomst EG-Turkije en het Aanvullend Protocol daarbij; wijst erop dat niet-nakoming van de verplichtingen van Turkije als bedoeld in het Toetredingspartnerschap ernstige gevolgen zal blijven hebben voor het onderhandelingsproces;

13.   betreurt dat een aantal personen nog steeds wordt vervolgd uit hoofde van artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht; veroordeelt met klem de recente veroordeling van Saris Seropyan en Arat Dink uit hoofde van dit artikel; dringt er bij de regering en het nieuwgekozen parlement op aan te verzekeren dat alle bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, op grond waarvan arbitraire beperkingen kunnen worden opgelegd met betrekking tot het uiten van niet-gewelddadige meningen, worden geschrapt en dat de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid worden gewaarborgd; beschouwt dit als een van de belangrijkste prioriteiten van de nieuwe regering;

14.   wijst met nadruk op de noodzaak onverwijld een wet betreffende stichtingen aan te nemen die een oplossing biedt voor de bestaande rechtsonzekerheid rond het statuut van godsdienstige minderheden, en een duidelijk wettelijk kader vaststelt op grond waarvan zij hun godsdienst vrij kunnen uitoefenen door hen onder andere toe te staan onroerend goed in bezit te hebben en geestelijken op te leiden; deelt de bezorgdheid zoals die op 24 juli 2007 door de Raad tot uitdrukking is gebracht met betrekking tot de recente uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie betreffende het Oecumenisch Patriarchaat; dringt er bij de nieuwe Turkse regering op aan haar beleid met betrekking tot godsdienstige minderheden in overeenstemming te brengen met de beginselen van vrijheid van godsdienst als gedefinieerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; verzoekt de Commissie deze vraagstukken in haar contacten met de nieuwe regering aan de orde te stellen; verzoekt de Commissie tevens aan te geven op welke manier het bij Verordening (EG) nr. 1085/2006(7) ingestelde pretoetredingsinstrument kan worden gebruikt voor de bescherming van het christelijke erfgoed;

15.   spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de moord op Hrant Dink, de christelijke priester Andrea Santoro, en op drie christenen in Malatya, de terroristische aanval in Ankara, en alle andere daden van politiek of religieus geïnspireerd geweld; verwacht van de Turkse autoriteiten dat zij volledig licht op deze zaken zullen werpen en al diegenen die daarvoor verantwoordelijk zijn voor het gerecht zullen brengen; wijst met nadruk op de dringende noodzaak om alle soorten extremisme en geweld doeltreffend te bestrijden en deze uit alle sectoren van het openbare leven in Turkije uit te bannen, verzoekt de Turkse regering groepen, minderheden en personen die zich blootgesteld voelen aan bedreigingen en discriminatie, beter te beschermen;

16.   verzoekt de nieuwe regering concrete maatregelen te nemen om te verzekeren dat vakbondsrechten overeenkomstig Europese normen en normen van de Internationale Arbeidsorganisatie volledig in acht worden genomen; moedigt haar aan de intensivering van de sociale dialoog tussen werkgeversorganisaties en vakbonden te ondersteunen; verzoekt de Commissie dit onderwerp met de nieuwe regering te bespreken;

17.   juicht het toe dat een aanzienlijk aantal vrouwen in Turkije vooraanstaande posities in de economie en in de academische wereld bekleden, en dat meer vrouwen in het Turkse parlement zijn gekozen dan voorheen; onderstreept dat de toegankelijkheid van onderwijs voor en gelijke behandeling en de economische emancipatie van vrouwen sleutels zijn voor verdere economische groei en welvaart in Turkije; betreurt dat schendingen van de vrouwenrechten, en met name de zogenaamde "eerwraak", nog steeds aanleiding geven tot grote zorg; dringt er daarom bij de Commissie op aan de nieuwe regering met nadruk te wijzen op de noodzaak om haar inspanningen te intensiveren om geweld en discriminerende praktijken gericht tegen vrouwen uit te roeien, en beklemtoont dat in het kader daarvan onder andere moet worden gewerkt aan een uitgebreide publiekscampagne en het aanbieden van opvangplaatsen voor vrouwen in nood;

18.   wijst op de noodzaak van een omvattende strategie voor de sociaal-economische ontwikkeling van het zuidoosten van Turkije; verzoekt de Commissie aan te geven op welke manier het pretoetredingsinstrument kan worden gebruikt om steun te bieden aan inspanningen die door de nieuwe Turkse regering zullen moeten worden gedaan om het zuidoosten van het land te ontwikkelen, en deze steun te coördineren met de steun van andere internationale financiële instellingen;

19.   is bezorgd over de gevolgen van de sociale, ecologische, culturele en geopolitieke problemen van het Turkse Zuidoost-Anatolië Project, waarin stuwdamprojecten directe invloed hebben op de watervoorziening van de aangrenzende landen; roept de Commissie op in haar periodieke verslag scherp toe te zien op de ontwikkeling van grensoverschrijdende samenwerking op watergebied in overeenstemming met internationale verdragen, richtlijnen ter bescherming van de natuur en het milieu en de Kaderrichtlijn water(8), en de toepassing van EU-milieunormen op grootschalige mijnbouw- en stuwdamprojecten te bevorderen;

20.   dringt er bij de nieuwe regering op aan een politiek initiatief te starten met het doel de voorwaarden te scheppen voor een duurzame oplossing voor het Koerdische vraagstuk, en in constructieve samenwerking met de nieuwgekozen vertegenwoordigers in de Grote Nationale Vergadering van Turkije, alsmede de gekozen burgemeesters en de civiele samenleving in het zuidoosten, te streven naar aanzienlijke verbeteringen van het sociale, economische en culturele leven; is ingenomen met het initiatief van president Gül om voor het eerst een bezoek te brengen aan het zuidoosten van Turkije;

21.   spreekt zijn krachtige veroordeling uit over het geweld van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) en andere terroristische groeperingen op Turkse bodem; geeft uiting aan zijn solidariteit met Turkije in zijn strijd tegen terrorisme en herhaalt zijn verzoek aan de PKK om een onmiddellijk en onvoorwaardelijk staakt-het-vuren uit te roepen en te respecteren; onderstreept de noodzaak terrorisme te blijven bestrijden op een manier die in verhouding staat tot de dreiging en met een volledig engagement om internationale rechtsnormen en standaarden te respecteren; benadrukt dat er nooit een excuus kan zijn voor welk geweld dan ook tegen burgers;

22.  22 is ernstig bezorgd over de gevolgen van een eventuele grensoverschrijdende militaire actie van Turkse troepen in Noord-Irak en doet een beroep op Turkije zich te onthouden van disproportionele militaire operaties waardoor het grondgebied van Irak zou worden geschonden; dringt er bij Turkije en Irak op aan hun militaire en politiële samenwerking te versterken om terroristische activiteiten vanuit Noord-Irak te voorkomen zodat ontspanning kan optreden in de gevaarlijke situatie aan Turks-Iraakse grens; doet een beroep op de Raad aan te dringen op concrete samenwerking tussen Turkije en de Koerdische regionale regering van Irak, die de verantwoordelijkheid draagt voor het voorkomen van terroristische aanvallen vanuit Noord-Irak;

23.   hecht groot belang aan het streven van Turkije naar goede nabuurschapsbetrekkingen overeenkomstig de vereisten zoals die in het onderhandelingskader zijn vastgesteld; spreekt nogmaals als zijn verwachting uit dat Turkije een einde maakt aan elke economische blokkade en afsluiting van grenzen, en zich onthoudt van dreigementen of spanning opvoerende militaire activiteiten met betrekking tot buurlanden; roept Turkije nogmaals op serieuze en intensieve pogingen te ondernemen om lopende geschillen met al zijn buren op te lossen, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en andere relevante internationale verdragen en in het kader van een eerlijke en openhartige discussie over gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden; herhaalt zijn verzoek aan de Turkse en de Armeense regering om een proces van verzoening op gang te brengen voor nu en voor het verleden, en roept de Commissie op de Turks-Armeense verzoening te bevorderen met gebruikmaking van de regionale samenwerking die tot stand is gebracht in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid en het EU-beleid Synergie voor het Zwarte Zeegebied;

24.   betreurt dat geen wezenlijke vooruitgang is geboekt bij het zoeken naar een omvattende oplossing van het Cyprus-vraagstuk; doet nogmaals een beroep op beide partijen om een constructieve houding aan te nemen met het oog op het bereiken van een omvattende oplossing binnen het kader van de VN, op basis van de beginselen waarop de EU is gegrondvest; wijst in dit verband op zijn eerdere resoluties waarin wordt verklaard dat de terugtrekking van Turkse troepen de onderhandelingen over een oplossing zou vergemakkelijken;

25.   is ingenomen met de instelling van een instrument voor financiële ondersteuning ter bevordering van de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap; dringt er bij de Commissie op aan een specifiek verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging en doeltreffendheid van dit instrument;

26.   wijst met nadruk op het belang van de potentiële rol van Turkije met betrekking tot de regio van de Zwarte Zee, de zuidelijke Kaukasus en de Centraal-Aziatische regio met het oog op het brengen van stabiliteit, democratische governance, wederzijds vertrouwen en welvaart voor deze regio's, in het bijzonder door middel van regionale samenwerkingsprojecten; wijst met nadruk op de rol van Turkije in het Midden-Oosten; verzoekt de Commissie haar samenwerking met de Turkse regering met betrekking tot het EU-beleid ten aanzien van deze regio's te versterken;

27.   herinnert de Commissie aan zijn verzoek betreffende een vervolg op de effectstudie die in 2004 is ingediend, en vraagt om voorlegging daarvan in 2007;

28.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten en Turkije.

(1) PB C 226 E van 15.9.2005, blz. 189.
(2) PB C 227 E van 21.9.2006, blz. 163.
(3) PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 284.
(4) PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 402.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0568.
(6) PB L 22 van 26.1.2006, blz. 34.
(7) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82.
(8) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz.1).

Juridische mededeling - Privacybeleid