Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 31 januari 2008 - Brussel
Taken van de Voorzitter (wijziging van artikel 19 van het Reglement)
 Vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen ***I
 Controle van personen aan de buitengrenzen (Zwitserland en Liechtenstein) ***I
 Statistieken over aquacultuur ***I
 Samenwerking tussen de speciale interventie-eenheden van de lidstaten *
 Europese Onderzoeksruimte: nieuwe perspectieven
 Volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap ***II
 Iran
 Resultaten van de Conferentie op Bali over klimaatverandering
 Actieplan voor energie-efficiëntie – Het potentieel realiseren
 Een beleid om in de Europese visserij ongewenste bijvangsten te verminderen en de teruggooi uit te bannen
 Een Europese Roma-strategie

Taken van de Voorzitter (wijziging van artikel 19 van het Reglement)
PDF 97kWORD 38k
Besluit van het Europees Parlement van 31 januari 2008 tot wijziging van artikel 19 van het Reglement van het Europees Parlement betreffende de taken van de Voorzitter

Het Europees Parlement,

–   gezien het schrijven van de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken van 24 januari 2008,

–   gelet op artikel 201 van zijn Reglement,

1.   stelt onderstaande interpretatie van artikel 19 van het Reglement vast;"

"De krachtens artikel 19, lid 1, verleende bevoegdheden houden ook de bevoegdheid in om een halt toe te roepen aan de excessieve indiening van moties, zoals beroepen op het Reglement, moties van orde, stemverklaringen en verzoeken om aparte stemming, stemming in onderdelen of hoofdelijke stemming, wanneer de Voorzitter ervan overtuigd is dat deze moties duidelijk bedoeld zijn om de procedures in het Parlement langdurig en ernstig te verstoren of afbreuk te doen aan de rechten van andere leden."

"

2.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen ***I
PDF 194kWORD 33k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over het voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen, gebaseerd op de eenzijdige erkenning door Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Cyprus, Hongarije, Letland, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije van bepaalde documenten als gelijkwaardig met hun nationale visa, met het oog op doorreis over hun grondgebied (COM(2007)0508 – C6-0279/2007 – 2007/0185(COD))
P6_TA(2008)0025A6-0511/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0508),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 62, lid 2 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0279/2007),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0511/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 31 januari 2008 met het oog op de aanneming van Beschikking nr. .../2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen, gebaseerd op de eenzijdige erkenning door Bulgarije, Cyprus en Roemenië van bepaalde documenten als gelijkwaardig met hun nationale visa, met het oog op doorreis over hun grondgebied

P6_TC1-COD(2007)0185


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Beschikking nr. 582/2008/EG.)


Controle van personen aan de buitengrenzen (Zwitserland en Liechtenstein) ***I
PDF 196kWORD 33k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over het voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking nr. 896/2006/EG tot instelling van een vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen, gebaseerd op de eenzijdige erkenning door de lidstaten, met het oog op doorreis over hun grondgebied, van bepaalde door Zwitserland en Liechtenstein afgegeven verblijfstitels (COM(2007)0508 – C6-0280/2007 – 2007/0186(COD))
P6_TA(2008)0026A6-0509/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0508),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 62, lid 2, onder a) van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0280/2007),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0509/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 31 januari 2008 met het oog op de aanneming van Beschikking nr. .../2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking nr. 896/2006/EG tot instelling van een vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen, gebaseerd op de eenzijdige erkenning door de lidstaten, met het oog op doorreis over hun grondgebied, van bepaalde door Zwitserland en Liechtenstein afgegeven verblijfstitels

P6_TC1-COD(2007)0186


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Beschikking nr. 586/2008/EG.)


Statistieken over aquacultuur ***I
PDF 195kWORD 55k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indiening door de lidstaten van statistieken over aquacultuur (COM(2006)0864 – C6-0005/2007 – 2006/0286(COD))
P6_TA(2008)0027A6-0001/2008

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0864),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 285, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0005/2007),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0001/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 31 januari 2008 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indiening door de lidstaten van statistieken over aquacultuur en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 788/96

P6_TC1-COD(2006)0286


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. .../2008.)


Samenwerking tussen de speciale interventie-eenheden van de lidstaten *
PDF 218kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over het initiatief van de Republiek Oostenrijk met het oog op de aanneming van een besluit van de Raad ter verbetering van de samenwerking in crisissituaties tussen de speciale interventie-eenheden van de lidstaten van de Europese Unie (15437/2006 – C6-0058/2007 – 2007/0803(CNS))
P6_TA(2008)0028A6-0507/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het initiatief van de Republiek Oostenrijk (15437/2006),

–   gelet op de artikelen 30, 32 en 34, lid 2, onder c), van het EU­Verdrag,

–   gelet op artikel 39, lid 1 van het EU­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad geraadpleegd is (C6-0058/2007),

–   gelet op de artikelen 93 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0507/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het initiatief van de Republiek Oostenrijk, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Raad de tekst dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het initiatief van de Republiek Oostenrijk;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering van de Republiek Oostenrijk.

Door de Republiek Oostenrijk voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Overweging 4
(4)  Geen enkele lidstaat kan naar waarheid beweren dat hij over alle middelen en deskundigheid beschikt om het hoofd te bieden aan alle soorten grootschalige crisissituaties die een speciale interventie vergen. De mogelijkheid om een andere lidstaat om bijstand te verzoeken is dan ook van levensbelang.
(4)  Geen enkele lidstaat kan naar waarheid beweren dat hij over alle middelen en deskundigheid beschikt om het hoofd te bieden aan alle soorten specifieke of grootschalige crisissituaties die een speciale interventie vergen. De mogelijkheid om een andere lidstaat om bijstand te verzoeken is dan ook van levensbelang.
Amendement 2
Overweging 5
(5)  Dit besluit strekt ertoe de algemene voorschriften, onder meer betreffende civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid, vast te stellen die het wettelijk kader bieden voor gevallen waarin de betrokken lidstaten overeenkomen van deze mogelijkheid om bijstand te vragen en te verstrekken gebruik te maken. Met dit kader en de verklaring van de bevoegde instanties zullen de lidstaten in staat zijn snel te reageren en tijd te winnen in geval van crisissituaties,
(5)  Besluit 2007/.../JBZ van de Raad tot verbetering van de grensoverschrijdende samenwerking, vooral in de strijd tegen terreur en grensoverschrijdende criminaliteit (het zgn. besluit van Prüm), en vooral artikel 18, regelt een aantal vormen van politionele bijstand tussen de lidstaten onderling bij massabijeenkomsten en gelijkaardige belangrijke gebeurtenissen, rampen en ernstige ongevallen. Dit besluit gaat niet over massabijeenkomsten, natuurrampen of ernstige ongevallen in de zin van artikel 18 van het besluit van Prüm, maar vormt een aanvulling op de bepalingen ervan over bepaalde vormen van politionele bijstand tussen de lidstaten onderling met behulp van speciale interventie-eenheden in andere situaties, met name in door menselijk optreden veroorzaakte crisissituaties of in terreursituaties, die een rechtstreekse fysieke bedreiging voor personen, goederen, infrastructuur of instellingen vormen, meer in het bijzonder gijzelingen, kapingen en gelijkaardige gebeurtenissen. In die gedachtegang dient elke lidstaat aan te geven welke de bevoegde nationale autoriteiten zijn waarbij de andere betrokken lidstaten om bijstand of interventie kunnen verzoeken.
Amendement 3
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Met dit juridisch kader en een overzichtslijst van de bevoegde instanties zullen de lidstaten in staat zijn om snel te reageren en tijd te winnen als er zich een dergelijke crisis of terreursituatie voordoet. Daarnaast is het essentieel - in het belang van ruimere mogelijkheden voor de lidstaten om dergelijke situaties, vooral terroristische incidenten, te voorkomen en te beantwoorden - dat de speciale interventie-eenheden elkaar regelmatig ontmoeten en gezamenlijke opleidingsperioden organiseren, zodat ze uit elkaars ervaringen kunnen leren.
Amendement 4
Artikel 1
In dit besluit worden de algemene voorschriften en voorwaarden vastgesteld voor bijstandverlening door en/of een optreden van de speciale interventie-eenheden van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat (hierna "verzoekende lidstaat" genoemd) wanneer deze eenheden hierom door laatstgenoemde lidstaat is verzocht, en zij op dit verzoek zijn ingegaan teneinde het hoofd te bieden aan een crisissituatie.
In dit besluit worden de algemene voorschriften en voorwaarden vastgesteld voor bijstandverlening door en/of een optreden van de speciale interventie-eenheden van een lidstaat (hierna "aangezochte lidstaat" genoemd) op het grondgebied van een andere lidstaat (hierna "verzoekende lidstaat" genoemd) wanneer deze eenheden hierom door laatstgenoemde lidstaat is verzocht, en zij op dit verzoek zijn ingegaan teneinde het hoofd te bieden aan een crisissituatie. De praktische bijzonderheden en de regelingen voor de tenuitvoerlegging van dit besluit worden rechtstreeks tussen de verzoekende en aangezochte lidstaat overeengekomen.
Amendement 6
Artikel 2, punt 2
2) "crisissituatie": een door menselijk optreden veroorzaakte situatie in een lidstaat die voor personen of instellingen in die lidstaat een ernstige rechtstreekse fysieke of materiële bedreiging vormt, in het bijzonder gijzelingen, kapingen en soortgelijke incidenten.
2) "crisissituatie": een door menselijk optreden veroorzaakte situatie in een lidstaat die redelijke gronden schept om te menen dat er een strafbaar feit begaan is, wordt of zal worden, dat voor personen, goederen, infrastructuur of instellingen in die lidstaat een ernstige rechtstreekse fysieke of materiële bedreiging vormt, in het bijzonder situaties in de zin van artikel 1, lid 1 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding1.
___________
1 PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3.
Amendement 7
Artikel 2, punt 2 bis (nieuw)
2 bis) "bevoegde autoriteit": de nationale autoriteit die bevoegd is om de inzet van de speciale interventie-eenheden te vragen en goed te keuren.
Amendement 8
Artikel 3, lid 1
1.  Een lidstaat kan een speciale interventie-eenheid van een andere lidstaat verzoeken om bijstand voor het aanpakken van een crisissituatie. Een lidstaat kan een dergelijk verzoek aanvaarden of weigeren, dan wel andere dan de gevraagde bijstand voorstellen.
1.  Met een aanvraag bij de bevoegde autoriteiten, waarin de aard van de gevraagde bijstand en de operationele behoeften nader worden aangegeven, kan een lidstaat een speciale interventie-eenheid van een andere lidstaat verzoeken om bijstand voor het aanpakken van een crisissituatie. De bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat kan een dergelijk verzoek aanvaarden of weigeren, dan wel andere dan de gevraagde bijstand voorstellen.
Amendement 9
Artikel 4
Algemene bepalingen inzake aansprakelijkheid
Civiel- en strafrechtelijke aansprakelijkheid
1.  Wanneer conform dit besluit functionarissen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat optreden, berust de aansprakelijkheid voor schade die zij tijdens de operaties veroorzaken, bij laatstgenoemde lidstaat.
Als op grond van dit besluit functionarissen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat optreden en/of materiaal inzetten, zijn de bepalingen inzake de civiel- en strafrechtelijke aansprakelijkheid van artikel 21 en 22 van het besluit van Prüm van toepassing.
2.  In afwijking van lid 1, wanneer de schade voortvloeit uit acties die strijdig waren met de door de verzoekende lidstaten gegeven instructies of uit acties waarbij de grenzen van de aan de betrokken functionarissen krachtens hun nationale wetgeving toegekende bevoegdheden werden overschreden, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
a) de lidstaat op het grondgebied waarvan de in lid 1 bedoelde schade wordt veroorzaakt, neemt op zich deze schade te vergoeden op de wijze waarop hij daartoe gehouden zou zijn, indien de schade door zijn eigen functionarissen was toegebracht;
b) de lidstaat wiens functionarissen op het grondgebied van een andere lidstaat enige schade ten aanzien van een persoon hebben veroorzaakt, betaalt deze laatste het volledige bedrag terug dat deze aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd;
c) onder voorbehoud van de uitoefening van zijn rechten tegenover derden en met uitzondering van het bepaalde in punt b, ziet elke lidstaat, in het geval bedoeld in dit lid, ervan af het bedrag van de door hem geleden schade op een andere lidstaat te verhalen.
Amendement 10
Artikel 5
Artikel 5
Schrappen
Strafrechtelijke aansprakelijkheid
Tijdens een optreden als bedoeld in artikel 3 worden de functionarissen die op het grondgebied van een andere lidstaat een taak vervullen, met functionarissen van die lidstaat gelijkgesteld, voor wat betreft de strafbare feiten die tegen of door hen worden begaan.
Amendement 11
Artikel 6
De lidstaten zien erop toe dat hun bevoegde instanties zo nodig bijeenkomsten beleggen en gezamenlijke opleidingen en oefeningen organiseren teneinde ervaring en deskundigheid, alsook algemene, praktische en technische informatie uit te wisselen over bijstandverlening in crisissituaties.
Alle deelnemende lidstaten zien erop toe dat hun speciale interventie-eenheden regelmatig bijeenkomsten beleggen en gezamenlijke opleidingen en oefeningen organiseren teneinde ervaring en deskundigheid, alsook algemene, praktische en technische informatie uit te wisselen over bijstandverlening in crisissituaties. Dergelijke bijeenkomsten, opleidingen en oefeningen kunnen met middelen uit sommige financiële programma's van de Unie gefinancierd worden en subsidiëring uit de algemene begroting van de Europese Unie verkrijgen. De lidstaat die het voorzitterschap van de Europese Unie waarneemt, ziet er zo veel mogelijk op toe dat de bijeenkomsten, opleidingen en oefeningen daadwerkelijk plaatsvinden.
Amendement 12
Artikel 7
Elke lidstaat draagt zijn eigen kosten, tenzij tussen de betrokken lidstaten anders wordt overeengekomen.
De verzoekende lidstaat draagt de operationele kosten voor de speciale interventie-eenheden van de aangezochte lidstaat bij toepassing van artikel 3, met inbegrip van de kosten van transport en accommodatie, tenzij tussen de betrokken lidstaten anders wordt overeengekomen.
Amendement 13
Artikel 8, lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Niets in het onderhavige Besluit kan aldus worden uitgelegd dat het toegestaan is deze voorschriften voor de samenwerking tussen de wetshandhavingsinstanties van de lidstaten toe te passen op de betrekkingen met de bevoegde instanties van derde landen, in afwijking van de bestaande nationale rechtsvoorschriften voor internationale politiële samenwerking.

Europese Onderzoeksruimte: nieuwe perspectieven
PDF 154kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over de Europese Onderzoeksruimte (EOR): nieuwe perspectieven (2007/2187(INI))
P6_TA(2008)0029A6-0005/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien het Groenboek van de Commissie van 4 april 2007 met als titel "De Europese Onderzoeksruimte: Nieuwe perspectieven" (COM(2007)0161),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2007)0412) dat bij het bovengenoemde Groenboek hoort,

–   gezien Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)(1) (FP7),

–   gezien Beschikking 2006/973/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma "Mensen" tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 mei 2007 over "kennis in de praktijk brengen: een omvattende innovatiestrategie voor de EU"(3),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0005/2008),

A.   overwegende dat de Europese Raad op 23 en 24 maart 2000 in Lissabon de doelstelling om een Europese Onderzoeksruimte (EOR) in te stellen, heeft goedgekeurd,

B.   overwegende dat de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002 heeft voorgesteld om tegen 2010 te streven naar een verhoging van de totale uitgaven voor O&O tot 3% van het BBP van de Unie (waarvan tweederde afkomstig is uit de particuliere sector en eenderde uit de publieke sector),

C.   overwegende dat het FP7 ontwikkeld is ter ondersteuning van de oprichting van de EOR,

D.   overwegende dat de totstandbrenging van de EOR gepaard moet gaan met en moet worden vervolledigd door de vorming van de Europese ruimte voor hoger onderwijs en de Europese innovatieruimte, de beide andere zijden van de zogenaamde kennisdriehoek,

E.   overwegende dat de EOR drie belangrijke aspecten omvat: een interne markt voor onderzoek, waar onderzoekers, technologie en kennis vrij kunnen circuleren; een efficiënte coördinatie op EU-niveau van nationale en regionale activiteiten, programma's en beleidsmaatregelen op onderzoeksgebied, en tenslotte initiatieven die op EU-niveau worden uitgevoerd en gefinancierd,

F.   overwegende dat op alle niveaus van het onderzoek in de EU (personeel, infrastructuur, organisaties, financiering, uitwisseling van kennis en overkoepelende samenwerking) grotere inspanningen, met name op het gebied van coördinatie, nodig zijn om de versnippering van het onderzoek in Europa tegen te gaan en het Europese onderzoekspotentieel ten volle te benutten,

G.   overwegende dat jonge mannen en vrouwen niet door de carrièrekansen en de werkomstandigheden in de onderzoekssector worden gestimuleerd om voor een onderzoeksloopbaan te kiezen, zodat waardevolle menselijke hulpbronnen verloren zullen gaan,

H.   overwegende dat de financiering van O&O in de EU nog ver onder de Lissabon-doelstelling van 3% van het BBP ligt,

I.   overwegende dat voor de totstandbrenging van de EOR een bredere visie nodig is waarbij alle relevante stakeholders worden betrokken,

J.   overwegende dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in de meeste wetenschappelijke en technische disciplines en in leidinggevende functies,

K.   overwegende dat de bijdrage van de particuliere sector in de EU tot O&O achterblijft bij die van onze directe concurrenten,

Een gemeenschappelijke arbeidsmarkt voor onderzoekers creëren

1.   zou een gemeenschappelijke omschrijving van onderzoeksloopbanen en de instelling van een informatiesysteem over de tewerkstelling van onderzoekers en onderzoekspraktijken in heel Europa toejuichen, en gelooft dat dit het onderzoek in de EU zou helpen een mondiaal topniveau te bereiken;

2.   spoort de lidstaten en de regio's aan strategieën te ontwerpen voor de ontwikkeling van het materieel en menselijk potentieel in de sectoren onderzoek en innovatie, met name door verbetering en terbeschikkingstelling van onderzoekinfrastructuur, vergroting van de mobiliteit van de onderzoekers door middel van meer financiële steun en aantrekkelijke lokale initiatieven en aan de opheffing van juridische, administratieve en taalbarrières, uitwisseling van personeel en de verzekering van toegang voor iedereen, vooral voor vrouwelijke en jonge onderzoekers;

3.   spreekt zijn krachtige steun uit voor het Europees handvest voor onderzoekers en de gedragscode voor de aanwerving van onderzoekers als een instrument dat de aantrekkelijkheid van de EOR voor onderzoekers kan vergroten, en verzoekt de Commissie bekend te maken in welke mate het handvest en de gedragscode in de lidstaten ten uitvoer zijn gelegd;

4.   onderstreept de noodzaak om op het gebied van onderzoek een uniform Europees loopbaantraject te ontwikkelen en in te voeren en een geïntegreerd informatiesysteem inzake vacatures en opleidingscontracten in de Europese onderzoekssector te introduceren en is van mening dat het van essentieel belang is om een gemeenschappelijke arbeidsmarkt voor onderzoekers te creëren;

5.   benadrukt dat het van belang is om de aanwervings- en bevorderingsprocedures voor onderzoekers geheel open en transparant te maken; verzoekt de lidstaten om voor een beter evenwicht tussen vrouwen en mannen in aanwervings- en bevorderingscommissies te zorgen;

6.   betreurt het dat de transatlantische netto-uitstroom van O&O-investeringen nog steeds toeneemt; benadrukt dat het belangrijk is een verdere uitstroom van competente Europese onderzoekers te voorkomen; vraagt om de goedkeuring van passende maatregelen om het voor onderzoekers aantrekkelijk te maken om in de EU te blijven of ernaar terug te keren, in het bijzonder door het garanderen van ruime carrièreperspectieven en van aantrekkelijke arbeidsomstandigheden voor zowel mannen als vrouwen;

7.   onderschrijft het plan om niet alleen de geografische maar ook de intersectorale mobiliteit van onderzoekers te verhogen (tussen universiteiten en onderzoeksinstellingen en tussen de academische wereld en de zakenwereld) om kennisuitwisseling en technologieoverdracht te bevorderen; doet te dien einde een beroep op de Commissie en de lidstaten om postdoc- en promotieopleidingen te versterken door een gemeenschappelijke onderzoeksbegeleiding in verschillende landen aan te moedigen, en verzoekt haar in overweging te nemen Europese postdoctorale beurzen en opleidingsprogramma's in te voeren op basis van het zeer succesvolle Erasmus-programma;

8.   beklemtoont dat een goed werkende interne markt belangrijk is voor een succesvolle ontwikkeling van de EOR en dat vooral ook het vrije verkeer van onderzoekers van vitaal belang is; betreurt dat er nog altijd belemmeringen zijn die de mobiliteit van onderzoekers in de EU in de weg staan; dringt aan op maatregelen om het vrij verkeer van onderzoekers te verbeteren, in het bijzonder door alle resterende overgangsbeperkingen inzake het vrije verkeer van werknemers op te heffen en de infrastructuur voor onderzoek in de EU te verbeteren; steunt de oprichting van het Europees Instituut voor technologie en innovatie (EIT);

9.   is van oordeel dat de toegang tot de EU voor onderzoekers niet mag worden belemmerd door de bestaande nationale grenzen, zoals onvoldoende erkenning en overdraagbaarheid van verworven sociale rechten, fiscale benadelingen en moeilijkheden bij de gezinshereniging; dringt er bij de lidstaten op aan om hun nationale wetgeving inzake publiek recht en werkgelegenheid zodanig aan te passen dat onderzoekers uit lidstaten en derde landen vergelijkbare arbeidsvoorwaarden krijgen en niet verhinderd worden om onderzoekwerk te verrichten;

10.   herinnert eraan dat de mobiliteit van onderzoekers zou kunnen worden verhoogd door middel van een onderzoeksvoucher die onderzoekers uit andere lidstaten kunnen meenemen naar gastinstellingen en –universiteiten, om op die manier bij te dragen aan een aanvullende financiering van het onderzoekproject dat onderzoekers uit het buitenland aantrekt; is van mening dat onderzoeksinstellingen en universiteiten er hierdoor meer belang in zullen stellen onderzoekers uit andere lidstaten te ontvangen, en dat tevens een bijdrage zou worden geleverd tot de ontwikkeling van expertisecentra door het mogelijk te maken dat de meest attractieve programma's en instellingen meer onderzoekers aantrekken en hun economische situatie verbeteren; is van mening dat deze extra steun ten behoeve van de mobiliteit van onderzoekers een aanvulling dient te vormen op de bestaande regelingen voor de financiering van mobiliteit met middelen uit het programma Samenwerking en Capaciteiten van het FP7;

11.   wijst op de noodzaak om met name jonge onderzoekers te ondersteunen en te waarborgen dat zij hun beurs kunnen behouden wanneer zij op een andere plaats binnen de EU gaan werken;

12.   is van mening dat het regelgevingskader van de Gemeenschap inzake het vrij verkeer van onderzoekers binnen de EOR dusdanig dient te worden verbeterd dat de afgifte van visa en werkvergunningen voor onderdanen van derde landen wordt vergemakkelijkt;

13.   acht het noodzakelijk om specifieke maatregelen ter bevordering van een grotere participatie van vrouwen in alle onderzoeksactiviteiten in te voeren, wat voor een aanzienlijke toename moet zorgen van het aantal vrouwen dat voor een onderzoeksloopbaan kiest;

14.   is van mening dat de dalende belangstelling van scholieren voor een opleiding in de exacte wetenschappen en technologie nauw samenhangt met het gebrek aan coördinatie tussen de particuliere en de academische sector; verzoekt de lidstaten en de Commissie derhalve hun inspanningen ter bevordering van samenwerkingskaders tussen deze twee sectoren te versterken;

15.   roept de lidstaten op tot een onderlinge uitwisseling van ervaringen teneinde een coherente benadering te ontwikkelen ter bevordering van de participatie van gehandicapten in door de Gemeenschap gefinancierd onderzoek en ter verhoging van het aantal personen met een handicap dat een onderzoekscarrière begint en voortzet;

16.   is tevens van oordeel dat de overheidsinstanties, onderzoeksinstellingen en ondernemingen maatregelen dienen te bevorderen die gericht zijn op het combineren van werk en gezin;

17.   verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe het wetenschappelijk onderricht in de EU op alle onderwijsniveaus kan worden verbeterd; betreurt het feit dat heel wat lidstaten kampen met een gebrek aan human resources in de O&O-sector (onderzoeks- en ontwikkelingssector) als gevolg van de afnemende belangstelling onder jongeren voor wetenschappelijke opleidingen en carrières; stelt derhalve voor om initiatieven in het leven te roepen die erop zijn gericht schoolkinderen vertrouwd te maken met laboratorium- en veldonderzoek; stelt bovendien voor om actieve en op onderzoek gerichte lesmethoden te bevorderen waarbij gebruik wordt gemaakt van observaties en experimenten, om uitwisselingsprogramma's voor docent/onderzoekers te creëren en om innovatieve opleidingsmethoden door regionale en lokale overheden te laten ondersteunen; is van oordeel dat snelle ontwikkelingen in de wetenschap ertoe kunnen leiden dat er een kloof ontstaat tussen de gewone burgers en het wetenschappelijk en technologisch onderzoek; is van oordeel dat het noodzakelijk is om de dialoog tussen wetenschap en samenleving te bevorderen en te ondersteunen en dat wetenschappers de resultaten van hun onderzoek daarom ook voor iedereen begrijpelijk en toegankelijk dienen te maken;

18.   wijst erop dat de sociale voorwaarden voor onderzoekers dienen te worden verbeterd door hun partners kansen op een baan te bieden en steun te verlenen bij het zoeken naar opvangmogelijkheden of scholen voor hun kinderen;

Onderzoeksinfrastructuren van wereldklasse ontwikkelen

19.   verheugt zich over de vooruitgang in de ontwikkeling van onderzoeksinfrastructuren dankzij de aanneming van de routekaart van het Europees Strategieforum voor Onderzoeksinfrastructuren (ESFRI); meent echter dat de nieuwe faciliteiten en infrastructuren die de lidstaten op dit ogenblik ontwikkelen naast de door het ESFRI geïdentificeerde infrastructuren eveneens in de routekaart zouden moeten worden opgenomen;

20.   dringt erop aan nieuwe pan-Europese onderzoeksinfrastructuur alleen te financieren wanneer geen nationale infrastructuur van vergelijkbare kwaliteit bestaat die onderzoekers uit andere lidstaten even goede toegangsmogelijkheden biedt;

21.   benadrukt de belangrijke rol van de RPO's (onderzoek uitvoerende organisaties, Research Performing Organisations) in het Europese onderzoeksbestel, tezamen met de universiteiten en de onderzoek financierende agentschappen; verzoekt de Commissie om, in associatie met de regionale autoriteiten, zorg te dragen voor een zekere mate van samenwerking met de nationale agentschappen, universiteiten en RPO's in Europa, alvorens besluiten te nemen over een gemeenschappelijk beleid en een uitvoeringsplan;

22.   verzoekt de Commissie om voorstellen te doen voor een rechtskader dat bevorderlijk is voor de oprichting en exploitatie van belangrijke onderzoekorganisaties en -infrastructuur in de Gemeenschap en om te overwegen hierbij de bestaande Europese instellingen en overeenkomsten te betrekken, zoals de Europese Organisatie voor kernonderzoek (CERN), het Europees Ruimtevaartagentschap (ESA) en de Europese overeenkomst voor de ontwikkeling van kernfusie (EFDA), maar is van oordeel dat de intergouvernementele verdragen voor de tenuitvoering van deze organisaties hierbuiten moeten worden gehouden;

23.   beveelt tegelijkertijd aan de organen uit lidstaten die over een minder dynamische onderzoekssector, maar wel over het nodige onderzoekspotentieel beschikken, volledig te betrekken bij het proces van de opbouw van de pan-Europese onderzoeksinfrastructuur;

24.   is van mening dat financiering van O&O en informatietechnologie en bedrijfskapitaal betrokken moet worden bij de goedkeuringsprocessen voor grote onderzoeksinfrastructuren;

25.   erkent dat het ETI een belangrijke factor zal vormen voor de versterking van de onderzoeksinfrastructuur van de Europese Unie;

26.   verzoekt de Commissie de RPO's, universiteiten en agentschappen voor de financiering van onderzoek te ondersteunen teneinde hun capaciteit te verhogen en hun middelen in het kader van de totstandbrenging van de Europese Onderzoeksruimte te bundelen; is van mening dat de doelstelling is Europa tot wereldleider te maken op centrale wetenschappelijke gebieden;

Onderzoeksinstellingen versterken

27.   betreurt dat uit de cijfers blijkt dat de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling in de EU gemiddeld slechts 1,84% van het BBP uitmaken, tegen 2,68% in de VS en 3,18% in Japan en dat de uitgaven uiteenlopen van 0,39% in Roemenië en 0,4% in Cyprus tot 3,86% in Zweden; beklemtoont het belang van verhoging van de gemiddelde uitgaven en hogere uitgaven in sommige lidstaten; vestigt de aandacht op het belang van een betere oriëntatie van de verschillende inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling in de Unie, in het bijzonder om de overgang naar de digitale economie te vergemakkelijken; meent dat dit van fundamenteel belang is voor het scheppen van de juiste voorwaarden om tot de kenniseconomie te komen waar in de strategie van Lissabon om wordt gevraagd;

28.   erkent het belang van de regionale dimensie van de EOR en is van oordeel dat de ontwikkeling van regionale clusters een belangrijk middel is om een kritische massa te bereiken, universiteiten, onderzoekinstellingen en industrie nader tot elkaar te brengen en Europese "centres of excellence" op te bouwen; is van mening dat de programma's "Researchpotentieel" en "Kennisregio's" en de acties van de structuurfondsen tot bevordering van het onderzoek- en innovatiepotentieel van de regio's ook moeten worden beschouwd als een belangrijke bijdrage tot het realiseren van de doelstellingen van FP7;

29.   onderstreept het belang van nationale en regionale contactpunten voor de versterking van het effect van de kaderprogramma's en pleit voor een intensievere samenwerking tussen die contactpunten;

30.   verzoekt de Commissie een Europees forum in het leven te roepen dat over een sterke nationale vertegenwoordiging, met inbegrip van nationale onderzoeksraden, beschikt en ten taak heeft grote pan-Europese onderzoeksinitiatieven te definiëren, te ontwikkelen en te steunen, en verzoekt haar tevens een gemeenschappelijk wetenschappelijk en technisch referentiesysteem te ontwikkelen om de resultaten van Europese onderzoeksprogramma's beter te benutten; meent dat het nuttig zou zijn een betrouwbaar systeem te ontwikkelen voor de validering van kennis en analyse-, controle- en certificatiemethodes, en een netwerk van excellentiecentra in de EU op te zetten;

31.   verzoekt de Commissie te waarborgen dat de netwerken van excellentie en de online onderzoekersgemeenschappen volledig bij elkaar aansluiten, door hun doelstellingen, uitvoeringsregels en financieringsregelingen nauwkeurig te omlijnen;

32.   verzoekt de Commissie een openbaar aanbestedingsbeleid te bevorderen dat de O&O-sector op EU-niveau ondersteunt door een consequenter gebruik van overheidsinstrumenten en -middelen;

33.   is ingenomen met het initiatief inzake een Europees Handvest voor het gebruik van intellectuele eigendom van openbare onderzoeksinstellingen en universiteiten, dat door de Europese Raad ondersteund werd op zijn zitting van 21 en 22 juni 2007, vooropgesteld dat het in bruikbare regels uitmondt die met name rekening houden met de behoeften met betrekking tot de wetenschappelijke kennisproductie en –overdracht;

34.   vestigt de aandacht op de rol van kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) als onderzoeksorganen; acht het noodzakelijk om de participatie van KMO's in de onderzoekstaken op Europees niveau te vergroten, in lijn met de doelstelling om ten minste 15% van de begroting van het FP7 voor KMO's te reserveren;

35.   is van oordeel dat toponderzoek strikt gebonden moet zijn aan innovatie; is derhalve van mening dat moet worden overwogen om concrete stappen te doen in de richting van de totstandbrenging van een volledig geïntegreerde Europese Onderzoeks- en Innovatieruimte;

Kennis delen

36.   gelooft dat investeringen in infrastructuur, functionaliteit en initiatieven voor elektronische informatie-uitwisseling hebben geleid tot duidelijke verbeteringen in de verspreiding en het gebruik van wetenschappelijke informatie en dat de Berlijnse Verklaring inzake vrije toegang tot kennis op het gebied van de wetenschappen en menswetenschappen (Berlin Declaration on Open Access to Knowledge in the Sciences and Humanities) een voorbeeld is voor door het internet gecreëerde mogelijkheden voor experimenten met nieuwe modellen; onderstreept het belang van de eerbiediging van de keuzevrijheid en de intellectuele eigendom (IPR) van auteurs als het erom gaat ook in de toekomst collegiale toetsing van goede kwaliteit en een betrouwbare en veilige bewaring van het beoordeelde werk te waarborgen, en moedigt de stakeholders aan om het effect en de haalbaarheid van alternatieve modellen, zoals de ontwikkeling van Open Access, via gezamenlijke proefprojecten te evalueren;

37.   verleent zijn goedkeuring aan het door de Commissie gestimuleerde concept van "open innovatie", waarin de openbare sector en de privésector als volwaardige partners worden gezien die kennis moeten uitwisselen, op voorwaarde dat een eerlijk systeem wordt ontwikkeld dat voor een evenwicht zorgt tussen vrije toegang tot wetenschappelijke resultaten en het gebruik van die resultaten door de particuliere sector (eerlijk delen van kennis); is van mening dat het beginsel van een eerlijke en billijke financiële vergoeding voor het gebruik van openbare kennis door de industrie officieel dient te worden erkend;

38.   is er sterk van overtuigd dat de momenteel op het gebied van de IPR heersende rechtsonzekerheid en de daarmee verbonden hoge kosten in belangrijke mate bijdragen aan de fragmentatie van de onderzoeksinspanningen in Europa; verzoekt de Commissie derhalve een effectbeoordeling uit te voeren van de verschillende wetsinstrumenten die zouden kunnen worden toegepast om de bestaande belemmeringen bij de kennisoverdracht in de EOR te verminderen; merkt op dat naar behoren geoctrooieerde uitvindingen een belangrijke bron van kennis kunnen vormen en dat de wetgeving betreffende de bescherming van IPR, met inbegrip van het Europese octrooirecht, geen belemmering mag vormen voor kennisdeling; beklemtoont het vitale belang van het instellen van een Gemeenschapsoctrooi en een kwalitatief hoogstaand, kosteneffectief en innovatievriendelijk rechtsstelsel voor Europese octrooien in het kader waarvan de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen wordt gerespecteerd; neemt kennis van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over verbetering van het octrooisysteem in Europa (COM(2007)0165); merkt op dat het daaruit voortvloeiende rechtskader zal voorzien in betere prikkels voor deelname van het bedrijfsleven aan onderzoek en de positie van innoverende bedrijven uit de EU op internationaal niveau zal versterken;

39.   verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten een Europees forum in het leven te roepen waarbinnen de Europese en nationale bijdragen van het maatschappelijk middenveld in de discussie over wetenschap, onderzoek en technologie kunnen worden gecoördineerd;

40.   is in verband met de EOR van oordeel dat de capaciteiten van de Gemeenschappelijke centra voor onderzoek (GMO's) benut zouden moeten worden als kwalitatief hoogstaande, onafhankelijke en neutrale structuren op wetenschappelijk en technisch gebied, die de instellingen van de EU met gemeenschappelijke expertise kunnen bijstaan en steun kunnen verlenen bij de besluitvorming over zeer belangrijke kwesties (zoals de kwaliteit van het bestaan, voedselveiligheid, milieu, consumentenbescherming);

41.   is van oordeel dat de GMO's door hernieuwde ondersteuning en aanmoediging van hun activiteiten, gericht op een zo goed mogelijk gebruik van de voordelen die hun structuren bieden, tevens een belangrijke rol spelen waar het erom gaat reële Europese kansen te creëren op het gebied van de opleiding en mobiliteit van jonge onderzoekers;

Onderzoeksprogramma's en prioriteiten optimaliseren

42.   acht het juist het beginsel van de wederzijdse openstelling van nationale programma's voor deelnemers uit andere lidstaten in praktijk te brengen omdat dit een stap vooruit zou betekenen in de uitwisseling van informatie over bestaande nationale programma's en omdat het een stimulans zou vormen voor de beoordeling van nationale onderzoeksactiviteiten door internationale panels;

43.   merkt op dat veel lidstaten – vooral die met minder goed ontwikkelde O&O-structuren – bang zijn voor een braindrain binnen de EU; vraagt om maatregelen die dit verhinderen door ervoor te zorgen dat de lidstaten elkaar met hun nationale onderzoeksbeleid aanvullen in plaats van beconcurreren, vooral ten einde de coördinatie van middelen te bevorderen en overlappingen en verbrokkeling ervan te voorkomen;

44.   meent dat het de moeite loont onderzoek te doen naar de mogelijkheden van het "variabele geometrie"-mechanisme, dat een geschikte methode lijkt om de uitvoering van thematische programma's voldoende flexibel te maken;

45.   onderstreept de noodzaak om te zorgen voor meer complementariteit tussen de Europese en de nationale financiering van onderzoek;

46.   gelooft dat de financiering van de openstelling van nationale onderzoeksprogramma's voor alle onderzoekers in de lidstaten in de eerste plaats zou moeten beginnen op het terrein van het fundamentele onderzoek of het zogenoemde grensverleggende onderzoek;

47.   merkt op dat plaatselijke en regionale autoriteiten een onderzoeksvriendelijk kader zouden moeten creëren en een grote bijdrage zouden moeten leveren aan de verwezenlijking van de EOR, dat dit zou kunnen worden bewerkstelligd met de hulp van Europese financieringsprogramma's zoals FP7 maar dat erkende, door de structuurfondsen gefinancierde programma's eveneens een grote stap voorwaarts zouden kunnen betekenen; is met name van oordeel dat het O&O-potentieel van regio's met een zwakkere wetenschappelijke structuur dringend moet worden vergroot door middel van een gecombineerd gebruik van structuurfondsen en middelen van FP7 alsmede door nationale en regionale investeringen, teneinde onder meer doeltreffend in te kunnen spelen op lokale behoeften aan maatschappelijk geïnitieerd onderzoek;

48.   merkt op dat de doelstellingen van de Lissabon-strategie niet verwezenlijkt kunnen worden wanneer de deelname van het bedrijfsleven in onderzoeksactiviteiten niet aanzienlijk toeneemt; verzoekt de Commissie actie te ondernemen om particuliere bedrijven sterker te prikkelen tot investeringen en deelname in onderzoek; onderschrijft de mening dat gewerkt moet worden aan een leidende rol van Europa in de technologie-intensieve markten, op basis van strikte normen voor de bescherming van de IPR; is van mening dat het in dit verband van belang is dat publiek-private partnerschappen binnen goed werkende markten worden uitgebreid;

49.   spoort de lidstaten aan om een optimale financiering te verzekeren van nationale en regionale onderzoeksactiviteiten die zijn beschreven in de operationele programma's en om de efficiënte uitwisseling van optimale praktijken en samenwerking tussen de regio's te waarborgen; stelt vast dat goede praktijken die efficiënt zijn in één regio, niet zonder wijziging kunnen worden getransponeerd naar welke andere regio dan ook; benadrukt daarom het specifieke karakter van de beoordeling op regionaal niveau op basis van betrouwbare, transparante en door iedereen aanvaarde indicatoren;

50.   benadrukt het belang van de ontsluiting van het onderzoekspotentieel van alle Europese regio's teneinde het concurrentievermogen van het Europese onderzoek te kunnen opvoeren;

51.   is van mening dat stappen moeten worden ondernomen om bestaande samenwerkingsvormen en -instrumenten te actualiseren en aan te passen aan de EOR-doelstellingen; beveelt een verdere uitbouw aan van initiatieven zoals COST (Europese samenwerking op het gebied van het wetenschappelijk en technisch onderzoek) en EUREKA (pan-Europees netwerk voor marktgerichte, industriële O&O);

52.   erkent de rol die netwerken van excellentie bij de totstandbrenging van de EOR spelen op grond van een duurzame integratie waardoor de fragmentatie van onderzoeksinspanningen wordt vermeden; verzoekt de Commissie succesvolle netwerken te blijven steunen om dit doel te kunnen bereiken;

53.   onderstreept dat gerichte samenwerking op het gebied van O&O omvangrijke mondiale mogelijkheden zou kunnen bieden voor door Europa geleid O&O; dringt er daarom op aan dat nationale en regionale onderzoekssystemen worden verbonden met netwerken in Europa en daarbuiten, terwijl de samenhang van nationale en regionale onderzoeksprogramma's en de prioriteiten van de Europese belangen worden gewaarborgd, zoals met name het EIT; verzoekt de Commissie in dit verband het belang van ruimte- en streekwetenschappen voor de territoriale samenhang te erkennen, inzonderheid rekening houdend het 2013-programma van het European Spatial Planning Observation Network; is van mening dat territoriale samenwerking verder moet worden ontwikkeld als een middel om de kritische massa te bereiken en zich voor te bereiden op internationalisering; verzoekt de lidstaten derhalve om administratieve barrières die de samenwerking tussen kennisinstituten in verschillende landen belemmeren, weg te werken; raadt aan de open coördinatiemethode te gebruiken om de beste nationale praktijken op dit gebied met elkaar te vergelijken;

54.   acht een bredere aanpak noodzakelijk bij het vaststellen van prioriteiten voor strategische besluiten ten aanzien van openbare financiering en is van oordeel dat ondermeer de Europese platforms voor technologie en de gezamenlijke technologie-initiatieven bij de ontwikkeling van strategieën op lange termijn veel baat zouden hebben bij een sterkere participatie van openbare en particuliere organisaties, zoals universiteiten, RPO's en KMO's;

55.   benadrukt de noodzaak om de investeringen in O&O en de innovatie in Europa op te voeren; verwijst in dit verband naar de combinatie van de Europese territoriale agenda en de doelstellingen van Lissabon die zijn opgenomen in de strategische richtsnoeren voor het cohesiebeleid, die beide voorwaarden zijn voor de waarborging van de concurrentiekracht; benadrukt de noodzaak om de topdown benadering van de EOR te combineren met de bottom-up benadering van het regionale beleid; benadrukt de noodzaak van maatregelen om de coördinatie van onderzoeksactiviteiten en programma's, zoals de Europese technologieplatformen en het EOR-NET-programma, te verbeteren;

56.   is van mening dat bij de opstelling van werkprogramma's en uitnodigingen tot het indienen van voorstellen in het kader van FP7 rekening dient te worden gehouden met de toekomstplanning en de strategische agenda's van de onderzoeksgemeenschap;

Zich openstellen voor de rest van de wereld: internationale samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie

57.   is van oordeel dat samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling kan bijdragen tot de verwezenlijking van specifieke millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en acht het derhalve belangrijk het wetenschappelijke samenwerkingsbeleid van de EU af te stemmen op het buitenlandse beleid en de ontwikkelingshulpprogramma's van de EU;

58.   vraagt de Commissie om een versterking van de onderzoekssamenwerking ter aanmoediging van dialoog, vrede, veiligheid en economische en sociale ontwikkeling; gelooft dat meer samenwerking de EU bovendien in staat zal stellen iets te doen aan zulke belangrijke kwesties als duurzame regionale ontwikkeling, volksgezondheid, voedselveiligheid en klimaatverandering;

59.   verzoekt de Commissie maatregelen te initiëren, uit te voeren en te ondersteunen die gericht zijn op een grotere participatie van wetenschappers uit ontwikkelingslanden in internationale samenwerkingsprojecten op het gebied van wetenschap en O&O en ter bevordering van de toegang tot bestaande intellectuele eigendom op mondiaal niveau; beklemtoont dat het belangrijk is om in de EU ook onderzoekers uit derde landen aan te trekken, met name uit de Europese nabuurschapslanden, door onder meer een snellere omzetting van Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek(4), waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de behoeften van onderzoekers; steunt tevens het voorstel van de Commissie tot invoering van een blauwekaartsysteem, hetgeen van grote waarde zou zijn voor human resources in wetenschap en technologie waarop de richtlijn niet van toepassing is;

60.   wenst dat de EOR, gelet op haar openstelling voor de wereld, een bevoorrechte plaats toekent aan de ultraperifere gebieden, en aan de landen en gebieden overzee teneinde de voordelen en de rijkdommen van deze Europese of geassocieerde regio's te benutten, door deze gebieden op een coherente manier te betrekken bij de wetenschappelijke en technologische samenwerking, in het kader van "excellentie";

61.   is van mening dat de nabuurlanden van de EU en landen die tot de geopolitieke prioriteiten van de EU behoren, zoals die van het Middellandse Zeegebied en Oost-Europa, Afrika en Latijns-Amerika, moeten worden aangemoedigd om deel te nemen aan de EOR door de verdere bevordering van akkoorden op het gebied van de wetenschappelijke en technologische samenwerking;

62.   is van mening dat de landen die tot de geopolitieke prioriteiten van de EU behoren, zoals die van het Middellandse Zeegebied, aangemoedigd moeten worden om deel te nemen aan een "bredere Europese onderzoeksruimte", die zijn coördinatieprogramma's, beginselen inzake kennisdeling en mobiliteit van onderzoekers geleidelijk aan uitbreidt in gebieden buiten de grenzen van de EU en de associatielanden;

o
o   o

63.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) PB L 400 van 30.12.2006, blz. 271. Rectificatie in PB L 54 van 22.2.2007, blz. 91.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0212.
(4) PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15.


Volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap ***II
PDF 196kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap (13593/6/2007 – C6-0410/2007 – 2006/0196(COD))
P6_TA(2008)0030A6-0505/2007
RECTIFICATIES

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (13593/6/2007 – C6-0410/2007)(1),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0594),

–   gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0505/2007),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.   constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.   verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 307 E van 18.12.2007, blz. 22.
(2) Aangenomen teksten van 11.7.2007, P6_TA(2007)0336.


Iran
PDF 141kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over Iran
P6_TA(2008)0031RC-B6-0046/2008

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran, met name die welke de nucleaire kwestie en de mensenrechten in dat land betreffen, meer in het bijzonder zijn resoluties van 13 oktober 2005(1) en 17 november 2005(2), zijn resolutie van 15 februari 2006 over de confrontatie van Iran met de internationale gemeenschap(3) en zijn resolutie van 25 oktober 2007 over Iran(4),

–   gezien de conclusies van de Europese Raad over Iran en met name die van 14 december 2007,

–   gezien de resoluties 1696(2006), 1737/(2006) en 1747/(2007) van de VN-Veiligheidsraad over het kernprogramma van Iran,

–   gezien het werkplan dat tussen Iran en de Internationaal Atoomagentschap (IAEA) is overeengekomen op 21 augustus 2007 en dat gericht is op het oplossen van kwesties in verband met het kernprogramma van Iran (opgenomen in bijlage INFCIRC/711 bij het verslag van de bestuursraad van het IAEA (GOV/2007/48)) van 30 augustus 2007 getiteld "Tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake nucleaire veiligheidscontrole van het NPV in de Islamitische Republiek Iran ),

–   gezien de rapporten van de raad van beheer van de IAEA, met name rapport GOV/2007/58 van 15 november 2007 over de tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake nucleaire veiligheidscontrole van het NPV en van de desbetreffende bepalingen van de resoluties 1737(2006) en 1747(2007) van de VN-Veiligheidsraad in de Islamitische Republiek Iran,

–   gezien het op 3 december 2007 gepubliceerde National Intelligence Estimate-rapport van de Verenigde Staten over de bedoelingen en capaciteit van Iran op nucleair gebied (US NIE) en de verklaring (persbericht 2007/22) van de directeur-generaal, Dr. Mohamed ElBaradei, van het IAEA hierover,

–   gezien resolutie 61/176 van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2006 en met name resolutie 62/168 van de Algemene Vergadering van de VN over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran, die op 18 december 2007 is aangenomen,

–   gezien resolutie 62/149 van de Algemene Vergadering van de VN over een moratorium op de doodstraf, die op 18 december 2007 is aangenomen,

–   gezien de tweede interparlementaire vergadering van het Europees Parlement en de Majlis van de Islamitische Republiek Iran in Teheran op 8 en 9 december 2007,

–   gezien de verklaring van het Voorzitterschap van de Europese Raad, namens de EU, van 25 januari 2008 over de doodstraf in Iran,

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat in artikel IV van het Verdrag inzake de nietverspreiding van kernwapens (NPV) is vastgelegd dat niets in dat Verdrag mag worden geïnterpreteerd als een inbreuk op het onvervreemdbare recht van alle partijen bij dat Verdrag om het onderzoek, de productie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden te ontwikkelen zonder onderscheid en in overeenstemming met de artikelen I en II van dat Verdrag,

B.   overwegende dat Iran tot dusverre niet alle verrijkings- en opwerkingsactiviteiten heeft opgeschort, en de aanvullende protocollen van het NPV niet heeft geratificeerd, zoals geëist in de resoluties 1696(2006), 1737(2006) en 1747(2007) van de VN-Veiligheidsraad ten einde het vertrouwen te herstellen in de volstrekt vreedzame aard van zijn kernprogramma,

C.   overwegende dat Dr. ElBaradei van de IAEA in het bovengenoemde rapport van 15 november 2007 heeft geconstateerd dat vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van IAEA-waarborgen in Iran en dat Iran meer informatie heeft verstrekt over de vroegere aspecten van zijn kernprogramma; overwegende dat hij niettemin heeft onderstreept dat meer samenwerking nodig was om de huidige activiteiten te verklaren, met inbegrip van de sporen hoogverrijkt uranium die inspecteurs in kerninstallaties hebben aangetroffen, en overwegende dat hij bij Iran erop heeft aangedrongen om het bijkomende protocol zo snel mogelijk uit te voeren,

D.   overwegende dat de Iraanse leiders op 12 januari 2008 in Teheran met Dr. ElBaradei, zijn overeengekomen binnen vier weken antwoord te geven op alle vragen die er nog zijn over de nucleaire activiteiten die het land in het verleden heeft uitgevoerd,

E.   overwegende dat in de US NIE is vastgesteld dat Iran zijn kernwapenprogramma in 2003 heeft stopgezet en dit medio 2007 nog niet opnieuw heeft gestart, ondanks bezorgdheid over de verrijking van uranium en het potentiële toekomstige gebruik ervan in kernwapens, overwegende dat de mogelijkheid van preventief militair ingrijpen vóór afloop van de termijn van president Bush ten gevolge van de publicatie van deze NIE niet meer bestaat,

F.   overwegende dat de G8-leiders tijdens hun jaarlijkse top van 6 t/m 8 juni 2007 in Heiligendamm het belang hebben onderstreept van het ontwikkelen en toepassen van een mechanisme voor multilaterale benaderingen van de splijtstofcyclus als een mogelijk alternatief voor nationale verrijkings- en opwerkingsactiviteiten,

Over de mensenrechten

G.   overwegende dat in de Islamitische Republiek Iran de situatie met betrekking tot de mensenrechten en politieke vrijheden in de afgelopen twee jaar is verslechterd, vooral sinds de presidentsverkiezingen van juni 2005, ondanks het feit dat Iran heeft toegezegd de in het kader van diverse internationale overeenkomsten op dit gebied vastgelegde mensenrechten en fundamentele vrijheden te respecteren en te beschermen,

H.   overwegende dat het aantal terechtstellingen in Iran, vaak door ophanging in het openbaar, in de afgelopen jaren en vooral in de laatste maanden aanzienlijk is toegenomen, met inbegrip van de terechtstelling van minderjarigen en homoseksuelen,

I.   overwegende dat is bevestigd dat er terechtstellingen plaatsvinden die veelal in het openbaar worden uitgevoerd door middel van ophanging of steniging, dat gevangenen worden gefolterd of mishandeld, dat stelselmatig en willekeurig langdurige eenzame opsluiting wordt toegepast, dat er sprake is van clandestiene hechtenis, en van wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing, o.m. geseling en amputatie, en dat schendingen van de mensenrechten niet worden bestraft,

J.   overwegende dat de gewelddadige onderdrukking van politieke tegenstanders, mensenrechtenactivisten, journalisten, webloggers, leraren, intellectuelen, vrouwen, studenten, vakbonden, en personen die tot een godsdienstige, etnische, taalkundige of andere minderheid behoren, is toegenomen,

K.   overwegende dat minderheden zoals Azeri's, Soefi's en Soennieten, in toenemende mate gediscrimineerd en lastig gevallen worden vanwege hun godsdienstige of etnische achtergrond en dat hun culturele en burgerrechten onverminderd worden geschonden; overwegende dat leden van sommige minderheden, zoals Ahwasi's, Koerden en Baluchs, zelfs met foltering en executie worden bedreigd,

L.   overwegende dat leden van de religieuze gemeenschap der Baha'i hun geloof niet kunnen uitoefenen, aan ernstige vervolgingen blootgesteld staan en beroofd zijn van vrijwel al hun burgerrechten (bv. recht op eigendom en toegang tot hoger onderwijs), terwijl hun religieuze gebouwen aan vernieling worden blootgesteld,

M.   overwegende dat diverse activisten van de vrouwenbeweging vervolgd zijn of worden wegens hun betrokkenheid bij de campagne "een miljoen handtekeningen", welke tot doel heeft de intrekking te bewerkstelligen van wetten die vrouwen discrimineren, en waarbij het voornemen is om die miljoen handtekeningen aan te bieden aan het nationale parlement (de Majlis); overwegende dat Iran nog steeds geen partij is bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de afschaffing van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen,

N.   overwegende dat honderden professoren op beschuldiging van een te grote seculariteit van hun onderwijsposten zijn verwijderd en dat grote aantallen studenten na protesten zijn gearresteerd, zoals de studenten die hebben deelgenomen aan de demonstraties in het kader van de nationale dag van de universitaire studenten op 7 december 2007,

O.   overwegende dat de termijn voor de registratie van kandidaten voor de verkiezingen voor het parlement ('Majlis') in maart 2008 op 10 januari 2008 was verstreken; overwegende dat het ministerie van Binnenlandse Zaken de besluiten vanaf 22 januari 2008 zal bekendmaken; verder overwegende dat de Raad van Wachters, die krachtens de grondwet toezicht op de geldigheid van de verkiezingen uitoefent, het recht heeft kandidaten te diskwalificeren,

Over de betrekkingen tussen de EU en Iran

P.   overwegende dat de alomvattende dialoog tussen de EU en Iran in december 2003 door Iran werd opgeschort en dat sedert juni 2004 geen enkele bijeenkomst in het kader van de mensenrechtendialoog tussen de EU en Iran heeft plaatsgevonden,

Q.   overwegende dat de betrekkingen van de EU met Iran in de afgelopen jaren gebaseerd waren op een drievoudige benadering, die werd gekenmerkt door onderhandelingen over een handels- en samenwerkingsovereenkomst, een politieke dialoog en een mensenrechtendialoog, en overwegende dat deze drie aspecten niet los van elkaar kunnen worden gezien,

De nucleaire kwestie

1.   bevestigt andermaal dat het gevaar dat het Iraanse nucleaire programma resulteert in de verspreiding van kernwapens voor de EU en de internationale gemeenschap aanleiding blijft tot ernstige verontrusting, zoals zeer duidelijk wordt geformuleerd in de resoluties 1696(2006), 1737(2006) en 1747(2007) van de VN-Veiligheidsraad; betreurt derhalve dat Iran nog niet heeft voldaan aan zijn internationale verplichtingen alle werkzaamheden in verband met verrijking en opwerking op te schorten;

2.   betuigt zijn steun aan de inspanningen van de EU om via onderhandelingen te komen tot een oplossing op lange termijn voor de nucleaire kwestie met Iran en onderstreept de essentiële rol die door de IAEA moet worden vervuld;

3.   constateert dat vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van het werkplan van de IAEA en Iran en verzoekt Iran andermaal zijn nucleaire programma weer doorzichtig te maken door het IAEA volledige, duidelijke en geloofwaardige antwoorden te geven, alle actuele kwesties met betrekking tot dit programma op te lossen en alle verontrusting dienaangaande weg te nemen, met inbegrip van thema's met een mogelijke militaire dimensie, volledig uitvoering te geven aan de bepalingen van de Comprehensive Safeguard Agreement, met inbegrip van de aanvullende afspraken daarvan, en het Aanvullend Protocol de ratificeren en ten uitvoer te leggen;

4.   herhaalt zijn volledige steun van de op grond van artikel 41, hoofdstuk VII van het VN-Handvest aangenomen resoluties van de VN-Veiligheidsraad; keurt de hiervoor genoemde conclusies van de Europese Raad van 14 december 2007 goed; is verheugd over de overeenkomst die is bereikt op de bijeenkomst van 22 januari 2008 te Berlijn van de ministers van buitenlandse zaken van de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad en Duitsland, en de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU (GBVB), over een nieuwe ontwerpresolutie over Iran waarin verdere maatregelen worden beoogd en over het feit dat de internationale gemeenschap een gemeenschappelijke benadering van de kwestie blijft houden;

5.   herhaalt zijn standpunt dat een oplossing van het vraagstuk van de huidige nucleaire escalatie mogelijk is en dat geen militair optreden mag worden overwogen; spreekt zijn steun uit voor de pogingen van Dr. ElBaradei, om voor maart 2008 alle openstaande kwesties met Iran op te lossen; doet een beroep op de regering van de Verenigde Staten en alle andere betrokken actoren zich te onthouden van elke retoriek over militaire opties en beleid dat een wisseling van het bewind in Iran beoogt;

6.   neemt nota van de recente bevindingen van het Amerikaanse NIE over het Iraanse militaire en civiele kernprogramma; is van mening dat deze bevindingen het EU-beleid van een tweesporenbenadering staven dat erop gericht is om Iran met diplomatie ervan te overtuigen volledig te voldoen aan de verzoeken van de IAEA om op geloofwaardige en controleerbare wijze af te zien van de potentieel militaire link van het civiele kernprogramma;

7.   dringt er derhalve bij Iran op aan om onverwijld deel te nemen aan een nieuwe ronde van onderhandelingen over de toekomstig koers van zijn kernprogramma en alle met verrijking verband houdende activiteiten op te schorten; doet een beroep op de Verenigde Staten om, na hun diplomatieke succes in de onderhandelingen met Noord-Korea, samen met de EU rechtstreeks aan onderhandelingen met Iran deel te nemen, aangezien de Verenigde Staten in een positie zijn om extra veiligheidsgaranties te bieden, met name in een multilateraal kader onder auspiciën van het IAAE in Wenen;

8.   dringt aan op geloofwaardige stappen op weg naar multilaterale nucleaire ontwapening via een versterking van het NPV en doet een beroep op de EU om het voortouw te nemen bij het doorbreken van de huidige impasse in de onderhandelingen over nucleaire ontwapening;

9.   onderstreept het belang van samenwerking met de Verenigde Staten, Rusland, China en niet-gebonden landen om aanvullende concepten te overwegen ten einde een allesomvattende overeenkomst met Iran te sluiten over zijn nucleaire installaties en het gebruik ervan waarbij rekening wordt gehouden met de bekommernis van Iran om zijn veiligheid;

10.   is van oordeel dat een dergelijke allesomvattende overeenkomst een bijdrage zou leveren tot het bereiken van een duurzaam regionaal veiligheidsstelsel waartoe India, Pakistan en ander kernmachten behoren, en is van mening dat Iran zijn verantwoordelijkheid als regionale speler op zich moet nemen;

11.   doet een beroep op de internationale gemeenschap om ernstig na te denken over en zich onverwijld actief in te zetten voor het opzetten van een nieuw multilateraal kader voor het gebruik van kernenergie, waarbij de levering van kernbrandstof wordt gewaarborgd en het risico van proliferatie tot een minimum wordt beperkt, zoals voorgesteld door het IAEA;

Over de mensenrechten

12.   geeft uitdrukking aan zijn diepe bezorgdheid over de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Iran in de afgelopen jaren; doet een beroep op de Iraanse autoriteiten om hun verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de internationale mensenrechtennormen en de door Iran geratificeerde verdragsteksten, door universele waarden te verdedigen en alle personen het recht toe te kennen om van hun burgerrechten en politieke vrijheden gebruik te maken, zoals in de bovenvermelde resolutie van 25 oktober 2007 ter zake in herinnering is gebracht;

13.   spreekt zijn scherpe veroordeling uit over de doodvonnissen en executies in Iran, en in het bijzonder die welke jeugdige overtreders en minderjarigen betreffen, en dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan om zich te houden aan de internationaal erkende rechtswaarborgen met betrekking tot minderjarigen, zoals het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;

14.   is ernstig bezorgd over de dramatische toename van de onderdrukking van maatschappelijke organisaties in Iran in het afgelopen jaar; verzoekt de autoriteiten van Iran een einde te maken aan de ruwe onderdrukking van personen die vrouwenrechten verdedigen, activisten van de campagne "één miljoen handtekeningen", studentenbewegingen, verdedigers van minderheidsrechten, intellectuelen, leraren, journalisten, webloggers en vakbondsactivisten - met name de heren Mansour Osanloo en Mahmoud Salehi - en dringt aan op de vrijlating van allen die gevangen zijn gezet omdat zij op vreedzame wijze uiting hebben gegeven aan hun overtuigingen;

15.   protesteert met klem tegen de executie in Iran op 30 januari 2008, om 16 uur lokale tijd, van de Ahwazi-activist Zamal Bawi, de negentiende Ahwazi-activist geëxecuteerd in de laatste twaalf maanden en roept de Iraanse regering op af te zien van de executie van de Nederlandse staatsburger en mensenrechtenactivist Faleh Abdulah al-Mansouri en de bij het UNHCR geregistreerde vluchteling, Rasoul Ali Mazrea en Said Saki, wiens verblijf in Noorwegen verzekerd is, en roept tevens op hen toe te laten terug te keren naar hun land van nationaliteit of waar ze als vluchteling toegelaten zijn; dringt tevens aan op de vrijlating van de ter dood veroordeelde Koerdische journalisten Abdolvahed 'Hiwa' Butimar en Adnan Hassanpour;

16.   verzoekt de Iraanse autoriteiten in de wetgeving en in de praktijk een eind te maken aan alle vormen van marteling, met inbegrip van extreem onmenselijke terechtstellingen, en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, een eerlijke procesvoering te handhaven, en een eind te maken aan het niet bestraffen van schendingen van de mensenrechten; doet een beroep op de Iraanse autoriteiten om het wetboek van strafrecht met spoed te wijzigen ten einde het moratorium op steniging in een definitief verbod om te zetten;

17.   is verheugd over de hiervoor genoemde resolutie 62/149 van de Algemene Vergadering van de VN waarin wordt opgeroepen tot een wereldwijd moratorium als een stap op weg naar de afschaffing van de doodstraf; roept Iran op om de onlangs aangenomen resolutie over een moratorium op executies toe te passen;

18.   doet een beroep op de Iraanse autoriteiten om zich te houden aan internationaal erkende rechtswaarborgen met betrekking tot personen die tot religieuze, etnische of andere minderheden behoren, of deze nu erkend zijn of niet; veroordeelt scherp de huidige misachting van minderheidsrechten en dringt erop aan dat minderheden de mogelijkheid krijgen om alle rechten uit te oefenen die krachtens de Iraanse grondwet en de internationale wetgeving verleend worden; verzoekt de Iraanse autoriteiten om in overeenstemming met de grondwet te handelen en in de wetgeving en in de praktijk een eind te maken aan alle vormen van discriminatie en andere schendingen van de mensenrechten van personen die behoren tot godsdienstige, etnische , taalkundige of andere minderheden o.m. Arabieren, Azeri's, Baluchs, Koerden, Baha'is, christenen, joden, Soefi's en soennieten; dringt er met name op aan dat het feitelijke verbod op de uitoefening van het baha'i geloof wordt opgeheven;

19.   spreekt zijn veroordeling uit over de onderdrukking van politieke tegenstanders, mensenrechtenactivisten, journalisten, webloggers, leraren, intellectuelen, vrouwen, studenten, vakbonden, en personen die tot een godsdienstige, etnische, taalkundige of andere minderheid behoren; verzoekt de Iraanse autoriteiten met klem een eind te maken aan het lastig vallen, intimideren en vervolgen van deze burgers en alle gewetensgevangenen onvoorwaardelijk in vrijheid te stellen;

20.   verzoekt de Raad en de Commissie de mensenrechtensituatie in Iran te blijven volgen en ter zake in het eerste halfjaar van 2008 een omvattend verslag aan het Parlement te overleggen; dit verslag dient voorstellen voor projecten te omvatten die eventueel kunnen worden gefinancierd in het kader van het Europees Instrument voor de democratie en de mensenrechten;

21.   betuigt zijn steun aan alle democratische politieke krachten en de civil society, met name aan vrouwen- en studentenverenigingen die in Iran, ondanks toenemende onderdrukking, op niet-gewelddadige wijze strijden voor democratie en mensenrechten;

22.   verwacht van de Iraanse autoriteiten dat zij hun verantwoordelijkheden nemen bij de procedure voor het screenen van kandidaten voor de komende nationale verkiezingen en wel zo dat gewaarborgd wordt dat deze vrij en eerlijk zijn;

Over de betrekkingen tussen de EU en Iran

23.   onderstreept dat de mogelijke toekomstige sluiting van een samenwerkings- en handelsovereenkomst tussen Iran en de EU afhangt van een aanzienlijke verbetering van de mensenrechtensituatie in Iran en van de volledige samenwerking van Iran met de IAEA, alsmede van het bieden van objectieve garanties ten aanzien van het vreedzame karakter van zijn kernprogramma;

24.   neemt kennis van het besluit van de British Proscribed Organisations Appeal Commission van 30 november 2007, waarin de Britse minister van Binnenlandse Zaken wordt aanbevolen de PMOI met onmiddellijke ingang van de lijst van verboden organisaties af te voeren;

25.   verzoekt de Commissie en de Raad zich te houden aan het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2006(5), die inhield dat de PMOI van de EU-lijst van terreurorganisaties moet worden afgevoerd;

26.   doet een beroep op de Commissie om een mededeling voor te leggen over de stand van zaken en de vooruitzichten voor de betrekkingen tussen de EU en Iran, en dringt er bij beide partijen op aan om de dialoog over de mensenrechten opnieuw te starten, parallel met onderhandelingen over een samenwerkings- en handelsovereenkomst die zou kunnen worden afgesloten als Iran de noodzakelijke vooruitgang boekt op het gebied van de mensenrechten en de nucleaire kwestie;

27.   roept de Commissie op in Iran een delegatie van de Commissie te vestigen, teneinde de dialoog met de autoriteiten en de civil society te bevorderen en de contacten te intensiveren op het gebied van met name steun aan vluchtelingen en bestrijding van de drugshandel;

o
o   o

28.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitters van de VN-Veiligheidsraad, alsmede de Algemene Vergadering van de VN en de mensenrechtencommissie van de VN, de directeur-generaal van het IAEA, de president van het hooggerechtshof van Iran, en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

(1) PB C 233 E van 28.9.2006, blz. 111.
(2) PB C 280 E van 18.11.2006, blz. 468.
(3) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 145.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0488.
(5) Zaak T-228/02, Jurispr. 2006, p. II-4665.


Resultaten van de Conferentie op Bali over klimaatverandering
PDF 136kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over de resultaten van de Conferentie op Bali over klimaatverandering (COP 13 en COP/MOP 3)
P6_TA(2008)0032B6-0059/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de dertiende Conferentie van partijen (COP 13) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de derde Conferentie van de partijen die dient als het overleg van de partijen bij het Protocol van Kyoto (COP/MOP 3) gehouden op Bali, Indonesië van 3 tot 15 december 2007,

–   gezien de conclusies van het Vierde Klimaatrapport (AR4) van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), gepresenteerd in Valencia, Spanje, op 17 november 2007,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over klimaatverandering, met name van 15 november 2007 over beperking van de wereldwijde klimaatverandering tot 2° Celsius - het beleid voor de Conferentie van Bali over klimaatverandering en daarna (COP 13 en COP/MOP3)(1),

–   gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het IPCC AR4 bevestigt dat het versnellende tempo van klimaatverandering het gevolg is van menselijke activiteit en reeds ernstige wereldwijde effecten heeft,

B.   overwegende dat in het Actieplan van Bali de bevindingen van het IPCC AR4 worden bevestigd dat wereldwijde opwarming duidelijk waarneembaar is en dat een vertraging bij het aanzienlijk verminderen van emissies de mogelijkheden om lagere stabilisatieniveaus te bereiken beperkt en het gevaar van ernstiger gevolgen van klimaatverandering vergroot,

C.   overwegende dat een groot aantal gebieden in de wereld reeds de gevolgen ondervindt van stijging van de algemene gemiddelde temperaturen in de wereld, en overwegende dat de meest recente wetenschappelijke gegevens erop wijzen dat de door de EU bepaalde langetermijndoelstelling de opwarming te beperken tot 2° Celsius boven het niveau van vóór de industrialisering wellicht onvoldoende is om ernstige negatieve gevolgen van klimaatverandering te voorkomen,

D.   overwegende dat klimaatverandering een langetermijnprobleem is en dat kortetermijnmaatregelen alleen ontoereikend zijn om het klimaat in positieve zin te beïnvloeden; overwegende dat het voor het klimaatsysteem van wezenlijk belang is ervoor te zorgen dat de wereldwijde uitstoot binnen de komende 10 tot 15 jaar een maximum bereikt,

E.   overwegende dat de geïndustrialiseerde landen een grote verantwoordelijkheid hebben op het gebied van de accumulatie van broeikasgasemissies in de atmosfeer; overwegende dat de armste landen en volkeren het hardst zullen worden getroffen door een instabieler klimaat,

F.   overwegende dat een brede internationale overeenstemming over langetermijndoelen voor emissievermindering van absoluut wezenlijk belang is om investeringszekerheid te bieden voor technologieën op het gebied van de lage uitstoot van broeikasgassen, alsmede met het oog op energie-efficiëntie en duurzame bosbouw, en om investeringen in energie-infrastructuur die onverenigbaar zijn met de emissiedoelen te voorkomen,

1.   verwelkomt het besluit van de partijen op de Conferentie van Bali om in het kader van het UNFCCC een formeel onderhandelingsproces te starten voor een internationaal klimaatakkoord voor de periode na 2012 met het oog op het bereiken van overeenstemming en het vaststellen van een besluit op de Vijftiende Conferentie van de partijen, die in 2009 zal plaatsvinden in Kopenhagen;

2.   spreekt zijn tevredenheid uit dat het Actieplan van Bali een duidelijk tijdschema bevat, de deadline van 2009 vastlegt voor het bereiken van overeenstemming, en de belangrijkste kwesties aanduidt die tijdens de onderhandelingen aan bod zullen komen, en is van mening dat daarmee een goede basis voor het onderhandelingsproces is gelegd;

3.   wijst er nogmaals op dat een dergelijke overeenstemming moet voortbouwen op de hoofdbeginselen en mechanismen van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto, rekening houdend met gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, en dat ze gebaseerd moet zijn op de elementen die zijn vastgesteld in paragraaf 2 van zijn bovenvermelde resolutie van 15 november 2007;

4.   is van mening dat het overstijgen van het rigide onderscheid tussen Bijlage I- en niet-Bijlage I-landen een van de belangrijkste wapenfeiten van het Actieplan van Bali is;

5.   benadrukt de constructieve en leidende rol die de EU op de Conferentie van Bali speelde, wat de doorbraak in de onderhandelingen aanzienlijk bespoedigde; is van mening dat een dergelijke actieve rol ook moet worden gespeeld bij de komende onderhandelingen en dringt erop aan dat het Parlement bij deze onderhandelingen nauw betrokken wordt;

6.   verwelkomt de erkenning door de partijen dat het IPCC AR4 de uitgebreidste en betrouwbaarste beoordeling van de klimaatverandering tot nu toe vormt, en een geïntegreerd wetenschappelijk, technisch en socio-economisch overzicht geeft van de relevante kwesties, alsmede een aanmoediging om deze informatie te gebruiken bij de ontwikkeling van nationale beleidsmaatregelen op het gebied van klimaatverandering;

7.   betreurt dat het niet mogelijk was eenduidige verwijzingen naar de stand van de wetenschap met betrekking tot de noodzakelijke verminderingen van broeikasgassenemissies op te nemen in het Actieplan van Bali; verwelkomt echter de erkenning door de partijen bij het Protocol van Kyoto dat verlagingen van broeikasgasemissies van 25 tot 40% tegen 2020 vergeleken met 1990 door de gezamenlijke geïndustrialiseerde landen benodigd zijn;

8.   herinnert eraan dat de geïndustrialiseerde landen, waaronder de landen die het Protocol van Kyoto nog niet hebben geratificeerd, het voortouw moeten nemen bij de aanpak van klimaatverandering op wereldwijd niveau en zich vast moeten leggen op het verlagen van hun broeikasgasemissies met ten minste 30% tegen 2020 en met 60 tot 80% tegen 2050, in vergelijking met 1990;

9.   verwelkomt de constructieve benadering van de onderhandelingen die wordt gehanteerd door een meerderheid van de ontwikkelingslanden, alsmede hun toezegging om op nationaal niveau passende beperkende maatregelen te nemen in het kader van duurzame ontwikkeling, ondersteund en mogelijk gemaakt door technologieën, financiering en capaciteitsopbouw, op een wijze die meetbare, meldbare en controleerbare resultaten oplevert;

10.   benadrukt dat duurzame economische ontwikkeling een recht is voor alle ontwikkelingslanden; benadrukt dat de Europese Unie en andere geïndustrialiseerde landen de ontwikkelingslanden moeten assisteren bij de ontwikkeling van duurzame technologieën;

11.   herinnert eraan dat de geloofwaardigheid en doeltreffendheid van de wereldwijde inspanningen niet verwezenlijkt kan worden zonder verdergaande, meetbare, meldbare en controleerbare verbintenissen van alle betrokken partijen;

12.   is van mening dat het vinden van een billijke oplossing essentieel is voor het welslagen van het internationale klimaatbeleid;

13.   is van mening dat, als innovatie ten opzichte van het Protocol van Kyoto, de verschillende situaties van de ontwikkelingslanden weerspiegeld moeten worden in de aangegane verbintenissen en dat opkomende landen beperkingen van hun emissies moeten aanvaarden in overeenstemming met hun ontwikkelingsfase, de sectorale samenstelling van hun economieën, hun mogelijkheden voor mindering van de uitstoot en hun technische en financiële capaciteiten;

14.   is van mening dat er ruimte is voor innovatie ten opzichte van de bestaande mechanismen van het Protocol van Kyoto, in de vorm van verbintenissen en vast te stellen doelen voor ontwikkelings- en opkomende landen, om dergelijke toezeggingen in overeenstemming te brengen met de behoeften en mogelijkheden van elk land, op voorwaarde dat deze meetbaar, meldbaar en controleerbaar zijn;

15.   verwelkomt het besluit om een werkprogramma op te zetten inzake methodologische kwesties met betrekking tot een aantal beleidsbenaderingen en positieve stimulansen die gericht zijn op het verminderen van emissies door ontbossing en aantasting van de bossen in ontwikkelingslanden, op evenwichtige wijze rekening houdend met de meervoudige functies en voordelen van bossen voor de biodiversiteit, de werking van het ecosysteem en de lokale beroepsuitoefening; verwelkomt eveneens het feit dat partijen worden aangemoedigd om capaciteitsopbouw te steunen, technische ondersteuning te leveren en inspanningen te verrichten, waaronder proefprojecten, voor het aanpakken van de veroorzakers van ontbossing en de noodzaak om het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen te ondersteunen;

16.   verwelkomt het besluit betreffende het doeltreffende en transparante beheer van het Aanpassingsfonds, hetgeen zal waarborgen dat het operationeel zal worden in een vroeg stadium van de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto;

17.   verwelkomt het besluit om een strategisch programma te starten ter verhoging van het niveau van investeringen in de ontwikkeling, overdracht en toepassing van zowel beperkende als aanpassende technologieën voor ontwikkelingslanden, alsmede de opdracht toevertrouwd aan de Groep van deskundigen inzake technologieoverdracht om de lacunes in en obstakels voor het gebruik van en de toegang tot financiële hulpbronnen te beoordelen;

18.   is van mening dat onderzoek, ontwikkeling en demonstratie van doeltreffender en minder kostbare energietechnologieën hoge prioriteit moet hebben; roept op tot nauwe samenwerking tussen regeringen, industrie, de onderzoeksgemeenschap en het maatschappelijk middenveld;

19.   is van mening dat de volgende conferentie/vergadering van de partijen in Poznan gericht moet zijn op ontwikkelingslanden, en dringt er derhalve op aan dat serieuze inspanningen worden verricht om werkelijke vooruitgang te boeken op het gebied van stimulansen, waaronder marktinstrumenten, ter voorkoming van ontbossing, aanmoediging van duurzame bosbouw, financiering van aanpassingen en verbetering in de overdracht en toepassing van schone technologieën in ontwikkelingslanden;

20.   roept op tot de ontwikkeling van substantiële en voorspelbare financiële instrumenten in het kader van het EU-beleid teneinde ontwikkelingslanden te helpen zich aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering, ter vermindering van broeikasgasemissies en om ontbossing en de aantasting van bossen tegen te gaan; herinnert aan de noodzaak van nauwere kritische monitoring van de werkelijke gevolgen van bestaande en toekomstige financiële instrumenten op klimaatgebied voor de ontwikkelingslanden; is van mening dat het mechanisme van schone ontwikkeling hervormd moeten worden om dit tijdens de verbintenisperiode 2008-2012 volledig tot ontplooiing te laten komen;

21.   benadrukt dat het "groener maken" van het ontwikkelingsbeleid en de ontwikkelingsbijstand van de EU noodzakelijk en dringend is, en ten uitvoer moet worden gelegd zonder in te gaan tegen het beleid van de EU op het gebied van milieu en klimaatverandering; betreurt de uiterst trage vooruitgang op dit gebied en roept het leiderschap van de EU ertoe op om beperking van en aanpassing aan klimaatverandering te bestempelen tot de hoofdprioriteiten binnen het beleid van de EU inzake ontwikkelingssamenwerking;

22.   benadrukt dat, teneinde de geloofwaardigheid van het Actieplan van Bali te handhaven, de geïndustrialiseerde landen dringend klimaatpartnerschappen dienen te sluiten met grote opkomende economieën als China en India ter bevordering van nauwe samenwerking op het gebied van de hervorming van het energiebeleid, capaciteitsopbouw, steun voor investeringen in energie-efficiëntie en technologie met lage koolstofuitstoot;

23.   betreurt dat het niet mogelijk was een duidelijke referentie op te nemen naar de noodzaak om overeenstemming te bereiken over bindende verlagingen van emissies in de lucht- en zeevaart; wijst erop dat het mandaat van Bali dergelijke bindende maatregelen voor de lucht- en zeevaart niet uitsluit; herhaalt zijn oproep om de uitstoot door de lucht- en zeevaart op te nemen in de internationale verbintenissen ter vermindering van broeikasgassen voor de periode na 2012, in het kader van het UNFCCC, aangezien de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) niet doeltreffend zijn gebleken bij de aanpak van de kwestie;

24.   benadrukt dat het belangrijk is dat alle sectoren die een rol spelen bij de internationale handel zich aansluiten bij alle globale klimaatverbintenissen en benchmarks, om te waarborgen dat de globale doelstelling voor klimaatverandering wordt bereikt en een wereldwijde concurrentieverstoring wordt voorkomen;

25.   roept op tot een herziening op korte termijn van het EU-beleid inzake biobrandstoffen, met specifieke nadruk op een duurzame levenscyclus van elke biobrandstof voor wat betreft vermindering van broeikasgassen; onderstreept dat bij de ontwikkeling en toepassing van strategieën inzake biobrandstoffen als mogelijke vorm van energie ten volle rekening moet worden gehouden met en gewaakt moet worden voor daaraan verbonden negatieve ecologische, sociale en economische gevolgen; roept de Commissie derhalve op om deugdelijke normen en duidelijke criteria voor de productie van biobrandstoffen voor te stellen;

26.   benadrukt dat het Parlement uitkijkt naar het verslag van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) over de gevolgen van de klimaatverandering voor de internationale veiligheid, waar de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad te Brussel van 21 en 22 juni 2007 om heeft verzocht; onderstreept dat speciale nadruk moet worden gelegd op belangrijke gebieden als beperking en aanpassing van en aandacht voor klimaatverandering in alle beleidsmaatregelen, aangezien klimaatverandering een belangrijke factor kan zijn voor de destabilisering van de armste landen;

27.   is zich bewust van de omvang van de uitdaging voor de komende onderhandelingen en dringt erop aan dat het klimaatbeleid een hoofdprioriteit wordt en onderdeel van alle externe betrekkingen van de EU met derde landen, regionale overeenkomsten en economische organisaties; roept bovendien de vier voorzitterschappen in 2008 en 2009 (Slovenië, Frankrijk, de Tsjechische Republiek en Zweden) op om het Parlement op de hoogte te houden van hun doelstellingen op het gebied van klimaatbeleid, en regelmatig, samen met de Commissie, verslag uit te brengen van de vooruitgang bij de onderhandelingen;

28.   dringt er bij de Commissie op aan om, zo lang er nog geen sprake is van gelijke spelregels, onderzoek te doen naar mogelijkheden voor de industrie om haar economische mogelijkheden te verbeteren door een innovatieve "klimaatvriendelijke" industrie te ontwikkelen; roept derhalve op tot overleg binnen de WTO over het opzetten van tijdelijke maatregelen ten behoeve van de productie en uitvoer van klimaatvriendelijke producten en innovatieve technologie;

29.   roept al zijn relevante permanente en tijdelijke commissies en delegaties op nauw samen te werken op het gebied van klimaatverandering, teneinde een samenhangend en gecoördineerde benadering te garanderen van al zijn beleidsmaatregelen op het gebied van milieu, industrie, energie en vervoer, landbouw, onderzoek en ontwikkeling, en met name op het gebied van handel en investeringen, alsmede wat betreft andere initiatieven met betrekking tot klimaatdoelen; roept ertoe op kwesties inzake klimaatverandering regelmatig ter sprake te brengen op het niveau van interparlementaire delegaties en in het kader van de Trans-Atlantische Wetgevingsdialoog;

30.   beseft dat de geloofwaardigheid van de EU-onderhandelingen afhangt van het succes van Europa's inspanningen tot vermindering van de binnenlandse uitstoot en de ontwikkeling van technologieën voor lage koolstofuitstoot en de overdracht daarvan naar andere landen; roept derhalve op tot de aanneming van beleidsmaatregelen op lokaal, nationaal en Europees niveau om te waarborgen dat de EU een verlaging van de binnenlandse uitstoot van broeikasgassen kan bereiken van tenminste 30% tegen 2020 ten opzichte van het niveau van 1990, mits de andere geïndustrialiseerde landen zich vastleggen op gelijkwaardige verlagingen van de uitstoot van broeikasgassen en dat economisch verder ontwikkelde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren in overeenstemming met hun verantwoordelijkheden en respectievelijke capaciteiten; erkent de verplichting die de EU heeft aanvaard, ongeacht de sluiting van een wereldwijde overeenkomst voor de periode na 2012, om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 te verlagen met tenminste 20% ten opzichte van het niveau van 1990; roept op tot de aanneming van beleidsmaatregelen ter bevordering van het besteden van meer middelen voor O&O en innovatie op het gebied van vermindering van broeikasgassen op zowel nationaal als communautair niveau;

31.   roept de EU op gebruik te maken van haar macht en invloed als belangrijke speler in de internationale gemeenschap en als partner van de ontwikkelingslanden om samenhangende doelstellingen op het gebied van klimaatverandering in te voeren op internationaal niveau;

32.   benadrukt de historische verantwoordelijkheid van met name de geïndustrialiseerde landen als de belangrijkste producenten van broeikasgasemissies en roept deze landen derhalve op zich sterker in te zetten om te voorkomen dat natuurrampen en sociale onrust die werkelijkheid zouden worden bij een ongeremde wereldwijde opwarming in volle omvang bewaarheid worden;

33.   neemt kennis van het initiatief van de regering van de VS om nog eens vijf vergaderingen bijeen te roepen van de grootste veroorzakers van uitstoot in de wereld;roept de Commissie en de betrokken lidstaten op om hun deelname te laten afhangen van de voorwaarde dat de gastheren concrete voorstellen doen voor kortetermijndoelen ter vermindering van de uitstoot die in overeenstemming zijn met de oogmerken en doelstellingen en van het UNFCCC; roept de landen met de grootste uitstoot op om hun inspanningen te coördineren met die van het UNFCCC;

34.   stelt vast dat de bovenvermelde conferentie/vergadering van de partijen te houden in Poznan tegelijkertijd zal plaatsvinden met de Europese Raad; roept de Raad op om de Europese Raad op een ander tijdstip te plannen, om de staatshoofden en regeringsleiders in staat te stellen de COP/MOP bij te wonen en te waarborgen dat de COP/MOP de volledige aandacht krijgt van de regeringen;

35.   is ervan overtuigd dat het voor het bereiken van bovengenoemde doelstellingen, noodzakelijk is de media hierbij te betrekken, wier rol van wezenlijk belang zal zijn voor het bewustmaken van de bevolking van de klimaatveranderingen die op korte en middellange termijn plaats zullen vinden;

36.   is ervan overtuigd, in overeenstemming met de discussies op de Conferentie van Bali met parlementaire vertegenwoordigers uit de hele wereld, dat het Parlement een belangrijke rol kan en moet spelen als coördinator van een permanent interparlementair forum over klimaatverandering; verzoekt derhalve zijn eigen organen deze mogelijkheid te overwegen;

37.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek haar te doen toekomen aan alle bij het UNFCCC betrokken partijen van buiten de EU en aan de geassocieerde waarnemers bij het verdrag.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0537.


Actieplan voor energie-efficiëntie – Het potentieel realiseren
PDF 248kWORD 81k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over het actieplan voor energie-efficiëntie – Het potentieel realiseren (2007/2106(INI))
P6_TA(2008)0033A6-0003/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "actieplan voor energie-efficiëntie – Het potentieel realiseren" (COM(2006)0545),

–   gezien het werkdocument van de Commissie (SEC(2006)1173) – begeleidend document bij de hierboven vermelde mededeling van de Commissie,

–   gezien de effectbeoordeling van het actieplan (SEC(2006)1174), en de samenvatting (SEC(2006)1175),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Een energiebeleid voor Europa" (COM(2007)0001),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 betreffende de goedkeuring door de Raad van een "actieplan van de Raad (2007-2009) - Een energiebeleid voor Europa" (7224/07),

–   gezien Richtlijn 92/75/EEG van de Raad van 22 september 1992 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van huishoudelijke apparaten(1),

–   gezien Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen(2),

–   gezien Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt(3),

–   gezien Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten(4),

–   gezien Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten(5),

–   gezien Besluit nr. 2006/1005/EG van de Raad van 18 december 2006 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur(6) en gezien de tekst van deze Overeenkomst(7),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een communautair energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur (COM(2006)0576),

–   gezien Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013)(8), en in het bijzonder Titel II, hoofdstuk III daarvan, getiteld Programma Intelligente energie - Europa,

–   gezien Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)(9),

–   gezien Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)(10),

–   gezien zijn resolutie van 1 juni 2006 over het Groenboek inzake energie-efficiëntie "Meer doen met minder"(11),

–   gezien zijn resolutie van 14 december 2006 over een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie voor Europa - Groenboek(12),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0003/2008),

A.   overwegende dat een stijging van de temperatuur wereldwijd met méér dan twee graden Celsius ten opzichte van de pre-industriële niveaus tot onvoorspelbare klimaatveranderingen zal leiden, hetgeen onder meer de intergouvernementele werkgroep inzake klimaatverandering in haar verslag van mei 2007 bevestigt; overwegende dat de CO2-emissies tussen nu en 2015 drastisch zullen moeten worden gereduceerd om de stijging van de temperatuur wereldwijd tot twee graden Celsius te beperken; overwegende dat het efficiënter gebruiken van energie de snelste en meest kostenefficiënte manier is om de CO2-emissies te reduceren,

B.   overwegende dat energie-efficiëntie een essentiële rol toekomt bij het verkleinen van Europa's afhankelijkheid van energie-importen, bij het aanpakken van de toekomstige grote schaarste aan energiebronnen en bij het beperken van de gevolgen van plotselinge energieprijsstijgingen,

C.   overwegende dat de effectbeoordeling betreffende het actieplan voor energie-efficiëntie een tekort aan handhavingscapaciteit op alle beleidsniveaus binnen de Commissie aan het licht heeft gebracht en dat er 20 extra personeelsleden nodig zijn om het actieplan succesvol te laten zijn,

D.   overwegende dat Richtlijn 2002/91/EG door slechts vijf lidstaten naar behoren in hun nationale wetgeving is omgezet,

E.   overwegende dat de lidstaten krachtens richtlijn 2006/32/EG verplicht zijn uiterlijk op 30 juni 2007 een nationaal actieplan voor energie-efficiëntie in te dienen; overwegende dat de Commissie op 1 september 2007 van slechts negen lidstaten zo'n nationaal actieplan had ontvangen, en op 10 januari 2008 nog altijd slechts zeventien,

F.   overwegende dat de omzetting in nationaal recht door de lidstaten van Richtlijn 2004/8/EG achterligt op schema en verre van perfect is,

G.   overwegende dat de EU behoort tot de rijkste en technologisch meest geavanceerde regio's in de wereld; overwegende dat sinds 1990 de economische productie van de EU met bijna 40% is gestegen en het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking met één derde; overwegende dat over diezelfde periode de vraag naar energie en energiebronnen slechts met 11% is gestegen,

H.   overwegende dat met de toepassing van informatie- en communicatietechnologieën een hogere productiviteitsstijging kan worden bereikt dan de stijging van 20% die de EU zich als doel heeft gesteld, mits de juist beleidssignalen worden gegeven; voorts overwegende dat technologieën zoals intelligente netwerktechnologie, intelligente beheerssystemen en "speckled computing" bijgevolg het voorwerp van effectieve beleidsaanbevelingen moeten zijn,

1.   is verheugd met het bovengenoemde actieplan voor energie-efficiëntie van 2006 en steunt de daarin vermelde doelstellingen en het toepassingsgebied;

2.   is van oordeel dat de doelstelling van het tussen nu en 2020 met méér dan 20% verbeteren van de energie-efficiëntie, naast verbeteringen ten gevolg van autonome structurele of prijseffecten, technisch en economisch absoluut haalbaar is, en roept de Commissie en de lidstaten op zich voor het bereiken van deze doelstelling in te zetten alsook voor het bereiken van de doelstellingen in verband met klimaatverandering;

3.   betreurt het feit dat de tenuitvoerlegging door de lidstaten van de bestaande wetgeving inzake energie-efficiëntie tekortschiet en achterloopt op schema;

4.   benadrukt dat het energie-efficiëntiebeleid op alle bestuursniveaus moet worden uitgevoerd;

5.   betreurt dat de lidstaten Richtlijn 2004/8/EG niet volledig in nationaal recht hebben omgezet en bij de omzetting bovendien ver achterliggen op schema;

6.   betreurt het feit dat er bij de Commissie te weinig ambtenaren worden ingezet om het actieplan en de energie-efficiëntiewetgeving die eraan ten grondslag ligt volledig en tijdig ten uitvoer te leggen;

7.   betreurt het feit dat van de 21 acties van de Commissie die volgens het actieplan in 2007 zouden moeten worden afgerond er op 1 september 2007 slechts drie volledig waren geïmplementeerd; neemt nota van het feit dat de Commissie heeft laten weten dat op 30 oktober 2007 16 van de 21 acties "op schema" lagen en betreurt de ernstige achterstand bij de goedkeuring van minimumenergieprestatie-normen voor prioritaire productgroepen;

8.   betreurt het feit dat de regeringen van een groot aantal lidstaten geen prioriteit toekennen aan de volledige en snelle omzetting en de naleving van de wetgeving inzake energie-efficiëntie, ondanks hun toezeggingen om de klimaatverandering aan te pakken en de import van energie in de EU te reduceren;

9.   dringt er bij de Commissie op aan haast te maken met het opstellen van de toekomstige intentieverklaring in samenwerking met het Comité van Europese energieregelgevers (CEER) voor het vastleggen van gemeenschappelijke richtsnoeren en een gemeenschappelijke gedragscode met het oog op verbetering van de efficiëntie van het eindgebruik van energie in alle sectoren;

10.   dringt erop aan dat binnen de Commissie en in de lidstaten op zo kort mogelijke termijn een gedetailleerde beoordeling wordt gemaakt van de tekorten aan capaciteit en andere obstakels die tot nu toe tot een onvoldoende tenuitvoerlegging van de energie-efficiëntiewetgeving hebben geleid, en dat ze de maatregelen in kaart brengen die nodig zijn om iets aan deze tekortkomingen en obstakels te doen;

11.   wijst in het bijzonder op het veel voorkomende gebrek aan eenvoudige, direct beschikbare informatie en organisatorische ondersteuning met betrekking tot energie-efficiëntie op het moment (bijv. wanneer een huishoudelijk apparaat of andere apparatuur kapot gaat) of bij de gelegenheid (bijv. een verhuizing) dat daaraan behoefte bestaat; is van mening dat een gebrek aan aandacht voor de praktische behoeften van de burgers ondermijnend werkt voor veel energie-efficiëntieregelingen en benadrukt daarom het belang van praktische hulp en zogenaamde up-frontfinanciering;

12.   benadrukt dat informatie- en communicatietechnologieën (ICT) moeten worden gepromoot als een sleutelelement voor het stimuleren van energiebesparingen in sectoren als het transport, de bouw, de energiesector en de verwerkende industrie; is in dit verband verheugd over de studie van de Commissie naar de potentiële bijdrage van verscheidene op ICT gebaseerde speerpunttechnologieën aan het verbeteren van de energie-efficiëntie van de economie van de EU en het verminderen van broeikasgasemissies tegen 2020; dringt er bij de Commissie op aan om in deze studie intelligente beheerssystemen in het algemeen en intelligente netwerktechnologieën en geïntegreerde systemen in het bijzonder op te nemen;

Apparatuur en toestellen

13.   is verheugd over de strategie van het vaststellen van minimumenergieprestatie-normen en verzoekt de Commissie deze tegen 2008 vast te stellen en te implementeren voor airconditioning en alle soorten set-topboxen voor televisie; dringt erop aan dit te doen in combinatie met een dynamische herziening van etikettering en merkt op dat het CE-merkteken kan helpen bij de handhaving van minimumenergieprestatie-normen; roept de lidstaten op méér middelen ter beschikking te stellen voor markttoezicht;

14.   stemt in met het toevoegen van woningverlichting aan de lijst van prioritaire productgroepen en benadrukt dat het belangrijk is dat de Commissie zich houdt aan het voorgestelde tijdschema voor het uit de handel nemen van de meest inefficiënte (gloei)lampen, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van maart 2007;

15.   wijst op de vooruitgang die recentelijk is gemaakt in de LED-lamptechnologie; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe het onderzoek naar LED-lampen en het gebruik ervan kan worden bevorderd;

16.   verzoekt de Commissie met klem tijdschema's op te stellen voor het uit de handel nemen van de minst energiezuinige apparatuur en toestellen en van andere energieverbruikende producten, zoals terrasverwarmers;

17.   verwelkomt de specifieke aandacht voor het reduceren van 'stand-by'-verliezen en voor betere beschikbaarheid van producten en technologieën die ervoor zorgen dat goederen en apparaten die energie verbruiken dat alleen doen wanneer dat daadwerkelijk nodig is; verzoekt de Commissie een eis van één watt voor de 'stand-by'-prestatie te formuleren, alsook een analyse te maken van de potentiële energiebesparing van zowel het minimaliseren, als het helemaal elimineren van niet-essentiële 'stand-by'-energieconsumptie, in het bijzonder passieve 'stand-by';

18.   is verheugd over de ondertekening van de nieuwe Energy Star-overeenkomst met de Verenigde Staten, waarin gemeenschappelijke energie-efficiëntienormen voor kantoorapparatuur worden vastgesteld, en in het bijzonder over de opname - in de tenuivoerleggingsverordening - van de verplichting om een openbare aanbesteding uit te schrijven; spoort de Commissie aan in de onderhandelingen te blijven streven naar een verruiming van het toepassingsgebied van de Energy Star-samenwerking tussen de EU en de VS met andere producten, overeenkomstig de tijdens de Europees-Amerikaanse top op 30 april 2007 gedane belofte;

19.   is verheugd over het voorstel om uiterlijk in 2010 voor alle andere apparatuur en toestellen met een groot energieverbruik minimumprestatie-normen vast te stellen; roept de Commissie op om te beginnen met de minst energie-efficiënte producten op de markt;

20.   ondersteunt de inspanningen van de Commissie voor het opstellen van criteria voor milieu-etikettering voor verwarmings- en koelapparatuur, die in het bijzonder betrekking hebben op het verbruik van primaire energie, zodat gebruikers er zeker van kunnen zijn dat ze betrouwbare informatie krijgen over de meest energiezuinige en milieuvriendelijke alternatieven beschikbaar op de markt voor apparatuur voor de verwarming of koeling van gebouwen;

21.   dringt met klem aan op strikte naleving van de in 2006 vastgestelde eisen inzake de installatie van intelligente meters om de consument meer bewust te maken van energieverbruik, elektriciteitsleveranciers te helpen efficiënter op de vraag in te spelen en de vereisten met betrekking tot energie-efficiëntiestatistieken te helpen verbeteren;

22.   roept op tot het formuleren van een norm voor intelligente warmteverbruiksmeters die worden gebruikt in centrale verwarmingssystemen en stadsverwarmingsnetwerken, teneinde eindgebruikers te bewegen tot meer energiebewust gedrag ("pay-for-what-you-use"-systemen) en af te komen van systemen met vaste kosten, die het tegenovergestelde effect hebben;

23.   is van mening dat industriële technologieën ervoor moeten zorgen dat in productieprocessen minder energie wordt verbruikt; gelooft dat aanzienlijke energiebesparingen kunnen worden gerealiseerd wanneer het gewicht van voertuigen voor de weg en andere transportmiddelen wordt verminderd;

Eisen inzake energieprestaties voor gebouwen

24.   dringt bij de Commissie aan op versnelling van de inbreukprocedures tegen de lidstaten die Richtlijn 2002/91/EG niet naar behoren hebben omgezet in nationaal recht of niet volledig ten uitvoer hebben gelegd;

25.   wijst er gezien de lange levensduur van gebouwen op dat het uitermate belangrijk is ervoor te zorgen dat nieuwe gebouwen aan de hoogst mogelijke energie-efficiëntienormen voldoen en dat bestaande gebouwen worden opgewaardeerd om aan de eisen van deze tijd te voldoen; is van mening dat de sloop van energieverslindende gebouwen in combinatie met de bouw van energiezuinige nieuwe gebouwen soms zou kunnen worden ondersteund als alternatief voor renovatie;

26.   verzoekt de Commissie Richtlijn 2002/91/EG te herzien, zodat vanaf 2009 alle gebouwen die verwarming of koeling behoeven, ongeacht hun grootte, worden opgenomen in de werkingssfeer van artikel 6;

27.   roept de Commissie op om er bij de beoordeling van de prestaties van boilers rekening mee te houden dat (micro)warmtekrachtkoppelingsboilers verreweg het hoogste rendement opleveren en voor boilers minimumprestatie-eisen te stellen die met dit gegeven in overeenstemming zijn;

28.   is verheugd over het voorstel om voor nieuwe en gerenoveerde gebouwen, en voor onderdelen van gebouwen, zoals ramen en raamfolie, minimumprestatie-eisen vast te stellen;

29.   roept de Commissie op een voorstel te presenteren voor een bindende eis dat vanaf 2011 alle nieuwe gebouwen die verwarming en/of koeling behoeven aan eisen voor 'passieve woningen' of commerciële gebouwen moeten voldoen, en voor een eis dat vanaf 2008 passieve oplossingen voor verwarming en koeling moeten worden gebruikt;

30.   roept de Commissie op om voor alle gebouwen de geleidelijke invoering van stadsverwarmings- en stadskoelingsnetten te overwegen, zodat het verbruik van fossiele brandstoffen voor verwarmings- en koelingsdoeleinden kan worden verminderd door gebruik te maken van energie die anders bij de omzetting van de brandstof verloren zou gaan;

31.   verzoekt de Commissie om bij het overwegen van fiscale en andere maatregelen voor het bevorderen van energie-efficiëntie, ook het bevorderen van architectonische oplossingen voor passieve verwarming en koeling, zoals bouwstructuren met warmte-isolerende eigenschappen, te overwegen;

32.   roept de Commissie en de lidstaten op stadskoeling uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen, als een efficiënt alternatief middel om aan de groeiende vraag naar comfortkoeling te voldoen;

33.   roept de Commissie op tot het opzetten van een transparante, voor EU-burgers toegankelijke, databank met informatie over nationale, regionale en lokale maatregelen – in het bijzonder financieringsmaatregelen – voor het bevorderen van energie-efficiëntie in gebouwen, ten behoeve van de uitwisseling van beste praktijken in de EU en van voorlichting en bewustmaking van het publiek;

Elektriciteitsproductie en -distributie

34.   spoort de lidstaten aan in hun nationale actieplannen voor energie-efficiëntie plannen voor méér zeer efficiënte warmtekrachtkoppeling op te nemen, over te stappen op een alomvattende planning en stimulering van de elektriciteits-, verwarmings- en koelingsbevoorrading, en vraagt de Commissie met klem om zich zeer kritisch op te stellen ten aanzien van nationale actieplannen die op deze punten tekortschieten; in het algemeen spoort de lidstaten aan maatregelen te bevorderen voor het gebruik van kleinschalige en micro-warmtekrachtkoppeling en het elimineren van de obstakels daarvoor;

35.   wijst erop dat vervoer en distributie medeveroorzaker zijn van energieverlies en stroomstoringen en benadrukt de rol die micro-opwekking, decentrale opwekking en gediversifieerde opwekking kunnen spelen bij het veiligstellen van de energievoorziening en het terugdringen van verliezen; is van oordeel dat er prikkels gegeven dienen te worden voor de verbetering van de infrastructuur teneinde de transmissie- en distributieverliezen terug te dringen;

36.   verzoekt de Commissie meer aandacht te besteden aan de verwarmingsmarkt, omdat verwarming verantwoordelijk is het grootste deel van het energieverbruik, en aan instrumenten zoals stadsplanning, thermografie en investeringsfaciliteiten die het mogelijk maken om via de ontwikkeling van stadsverwarmings- en stadskoelingsinfrastructuren overtollige warmte van hernieuwbare energie terug te winnen;

37.   verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/8/EG nauwkeurig te bewaken en vast te stellen of de steunregelingen voldoende zijn om het nationale potentieel voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling volledig te benutten;

38.   wijst de Commissie op de noodzaak van lokale koelnetwerken als een effectief alternatief middel om aan de groeiende vraag naar comfortkoeling te voldoen en de daaraan gerelateerde CO2-emissies drastisch te verminderen;

39.   verzoekt de Commissie de bestaande financiële prikkels ook te laten gelden voor ontwikkelingen die het mogelijk maken dat energie uit hernieuwbare bronnen in de bestaande netwerken voor energie uit fossiele brandstoffen wordt geleid; is van mening dat verbetering van bestaande netwerken in minder tijd en tegen lagere kosten de efficiëntie van de energieproductie uit hernieuwbare bronnen aanmerkelijk zou verhogen en door dergelijke verbeteringen tijdig door te voeren tegelijkertijd de zekerheid van de energievoorziening zou worden vergroot;

Vervoer

40.   verzoekt de Commissie voor alle transportmodi, met inbegrip van het openbaar vervoer, minimumenergieprestatie-eisen vast te stellen; benadrukt het belang van beleid inzake energie-efficiënt vervoer dat vooral inzet op openbaar vervoer, en fietsen en lopen in stedelijke gebieden; verwelkomt het Groenboek inzake stedelijk vervoer en vraagt de Commissie een initiatief te ontwikkelen dat speciaal gericht is op stedelijk vervoer en het in een duurzaam mobiliteitsbeleid voor steden en stedelijke gebieden integreren van klimaatbescherming, energiebesparing en volksgezondheid; spoort de stedelijke overheid in de EU aan na te denken over maatregelen voor het verminderen van de CO2-uitstoot van personenauto's, bijvoorbeeld door middel van fileheffingen; herinnert eraan dat bindende jaarlijkse emissiegrenswaarden voor alle nieuw personenauto's eraan bijdragen dat de EU haar bindende CO2-doelstellingen haalt;

41.   dringt erop aan Richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij de verbranding van nieuwe personenauto's(13) zo te wijzigen dat auto's kunnen worden geëtiketteerd volgens een duidelijke indeling met verschillende categorieën, zoals deze voor het etiketteren van apparaten wordt gebruikt (momenteel de zeven categorieën tellende A tot G-indeling); stelt voor dat ten minste 20% van alle ruimte die voor reclame en marketing van nieuwe auto's wordt gebruikt informatie over brandstofefficiëntie en emissies moet bevatten;

42.   betreurt tevens dat het richtlijnvoorstel inzake de belastingheffing op personenauto's, waarmee beoogd wordt de CO2-uitstoot overeenkomstig de verplichtingen van de EU in het kader van het protocol van Kyoto te verminderen, nog steeds niet door de Raad is goedgekeurd, en dringt aan op een snelle goedkeuring en tenuitvoerlegging;

43.   verzoekt de Commissie een kaderstrategie te formuleren voor het faciliteren van aanzienlijke efficiencyverbeteringen in het stedelijk en voorstedelijk openbaar vervoer, waarvoor het nodig is dat beheerders van stedelijke en voorstedelijke openbaarvervoersystemen studies verrichten, waaronder haalbaarheidsstudies, naar systeemgerelateerde aspecten, efficiëntieniveaus en het niveau van de dienstverlening, en die is gericht op een dusdanige aanpassing van horizontale steunregelingen voor de ontwikkeling van openbaarvervoersystemen, dat deze regelingen voldoen aan strengere voorwaarden ten aanzien van efficiëntie en consistentie;

44.   verwelkomt de gemeenschappelijke onderneming "Clean Sky", die tot doel heeft om groenere, uit milieuoogpunt duurzamere en meer energiezuinige vliegtuigen te produceren;

Financiële regelingen en regionaal beleid

45.   wijst op het belang van toegang tot structuurmiddelen voor het financieren van energie-efficiëntie, via organen zoals de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, alsmede van financiering via particuliere financieringsmechanismen;

46.   verzoekt de Commissie het aandeel van de middelen van de structuurfondsen en het Cohesiefonds dat voor het verbeteren van de energie-efficiëntie van bestaande woningen moet worden gebruikt van 3% naar minimaal 5% te verhogen, en de lidstaten te verplichten ten volle van deze mogelijkheid gebruik te maken;

47.   betreurt het ingewikkelde karakter van veel EU-regelingen voor het financieren van energie-efficiëntie, ondanks het bestaan van het initiatief "gemeenschappelijke Europese middelen voor de zeer kleine en middelgrote ondernemingen" (JEREMIE); wijst erop dat het ontbreken van eenvoudige en gemakkelijk toegankelijke financieringsregelingen met name voor kleine en zeer kleine ondernemingen een groot probleem is omdat zij de capaciteit ontberen om ingewikkelde regelingen te gebruiken;

48.   wijst op het cruciale belang van onderzoek en ontwikkeling en innovatie op het gebied van energie-efficiëntie; dringt er bij de lidstaten, regionale en lokale autoriteiten en NGO's op aan hun voordeel te doen met de financiële middelen die beschikbaar zijn uit hoofde van het zevende kaderprogramma, de structuurfondsen en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie/"Intelligente energie voor Europa", die zijn bedoeld voor het stimuleren van onderzoek op het gebied van energie-efficiëntie en het bevorderen van technologieën voor hernieuwbare energie, alsook voor de ontwikkeling van nieuwe manieren voor het transporteren en opslaan van energie waarbij minder energie verloren gaat; verzoekt de Commissie ruimhartig te zijn bij de behandeling van verzoeken om financiering voor onderzoek naar energie-efficiëntie; verzoekt de Commissie en de lidstaten energie-efficiëntie een hoge prioriteit te geven bij de aanhoudende inspanningen die moeten worden gedaan om de EU-programma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling maximaal te benutten;

49.   dringt erop aan zeer kleine ondernemingen als huishoudens te behandelen en hen toegang te verschaffen tot eenvoudige regelingen voor het financieren van verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen, zoals up-frontsubsidies;

50.   verzoekt de Commissie haar steun te geven aan regels voor overheidssubsidies die dienstiger zijn voor het uitvoeren van energie-efficiëntiemaatregelen (bijv. maatregelen gericht op eco-innovatie en productiviteitsverbetering); is van mening dat zulke regels simpel, praktisch en transparant moeten zijn, zodat ze geen belemmering vormen voor de effectieve uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen;

51.   vraagt de Commissie met de grootst mogelijke spoed voorstellen voor specifieke maatregelen te presenteren voor meer energie-efficiëntie in zeer afgelegen regio's, toegesneden op hun specifieke kenmerken die voortvloeien uit de permanente beperkingen waar deze regio's aan onderhevig zijn;

52.   benadrukt de rol van lokale en regionale energieagentschappen bij de effectieve uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen; roept ertoe op al deze agentschappen (Europese, nationale en lokale) bij het opstellen en uitvoeren van actieplannen voor energie-efficiëntie te betrekken;

Belastingen

53.   verzoekt de Raad de lidstaten aan te sporen voor arbeid, materialen en onderdelen die de energie-efficiëntie van gebouwen verbeteren een verlaagd BTW-tarief hanteren; verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat het algemene belastingstelsel de doelstelling van verbetering van de energie-efficiëntie in gebouwen op coherente wijze weerspiegelt;

54.   spoort de lidstaten aan volledig gebruik te maken van de mogelijkheid van een verlaagd BTW-tarief op arbeid bij de renovatie en reparatie van privéhuizen gericht op verbetering van de energie-efficiëntie; is verheugd over het besluit van de Commissie om onderzoek te doen naar de doeltreffendheid van belastingkortingen voor zowel consumenten die de meest energie-efficiënte apparaten kopen, als ondernemingen die dergelijke apparaten produceren en bevorderen;

55.   wijst erop dat belastingen onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen; wijst er voorts op dat nationale belastingmaatregelen op dit gebied onderdeel van alle nationale actieplannen voor energie-efficiëntie kunnen uitmaken; pleit voor internalisering van de milieukosten;

56.   verzoekt alle lidstaten specifieke prikkels te ontwikkelen om huishoudens, zeer kleine ondernemingen en verhuurders aan te sporen energie-efficiëntiemaatregelen te nemen en energie-efficiënte producten te kopen;

57.   is van mening dat het in bepaalde omstandigheden mogelijk moet zijn de sloop van energieverslindende gebouwen via belastingprikkels te stimuleren, mits de sloop wordt gevolgd door de bouw van energiezuinige nieuwe gebouwen;

Wijziging van het gedrag

58.   wijst op de belangrijke rol van de overheidssector bij het bevorderen van energiezuinige oplossingen;

59.   deelt de opvatting dat programma's voor onderwijs en opleiding inzake energie-efficiëntie uitermate belangrijk zijn, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen; wijst erop dat het gebruiken van innovatieve technieken voor bouw- en energiebeheer alleen mogelijk is indien er voldoende gekwalificeerd personeel voorhanden is; betreurt het feit dat de lidstaten vooralsnog verzuimd hebben geëigende opleidingsprogramma's te ontwikkelen voor vaardigheden op het gebied van energie-efficiëntie; dringt erop aan eisen op het gebied van human resources als een essentieel onderdeel van de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie te beschouwen;

60.   moedigt de regionale en plaatselijke autoriteiten aan nauw samen te werken met regionale energieagentschappen teneinde de opleidingsfaciliteiten voor energietechnici en beroepsbeoefenaars uit verwante sectoren te verbeteren; benadrukt het belang van beter gecoördineerde netwerken van plaatselijke actoren teneinde goede praktijkvormen op het vlak van energie-efficiëntie te verspreiden naar minder ontwikkelde regio's;

61.   onderstreept de rol die openbare aanbestedingen, alsmede diensten als energie-audits zouden kunnen spelen bij het terugdringen van verspilling en het bevorderen van een betere exploitatie van het energiepotentieel van elk gebouw; dringt er bij de lidstaten en hun regionale, plaatselijke en andere overheden op aan zelf als eerste het goede voorbeeld te geven, niet alleen in administratieve gebouwen, maar ook in andere openbare gebouwen zoals scholen, universiteiten en ziekenhuizen en in dienstenbedrijven op het gebied van water, energie, vervoer en post;

62.   verzoekt de Commissie meer onderzoek te doen naar gedragseconomische en besluitvormingsaspecten, zodat toekomstige voorlichtingscampagnes over energie-efficiëntie (zoals de campagne "Duurzame Energie Europa") beter kunnen worden afgestemd op specifieke doelgroepen en zodoende een optimaal resultaat kan worden behaald;

63.   onderschrijft de stelling dat energie-efficiëntie thuis begint; dringt er bij de Commissie, de Raad en haar eigen diensten op aan het voortouw te nemen door te eisen dat voor de gebouwen van alle EU-instellingen hoge energieprestatie-normen worden vastgesteld, als onderdeel van een breder opgezette audit van het energieverbruik van de instellingen, met aandacht voor regelingen voor werken en reizen, stimuli en locaties, én apparatuur en aankoop;

64.   verzoekt de Commissie en de lidstaten elk jaar een Europese Actiedag inzake energie-efficiëntie te organiseren;

65.   merkt op dat de hightechsector een cruciale rol kan spelen bij de bewustmaking van de consument en het vergroten van zijn bereidheid om bij te dragen aan energie-efficiëntie door producten aan te bieden die zowel energiezuinig zijn als aan hogere normen voldoen;

66.   is van mening dat energiedienstenovereenkomsten tussen energieleveranciers en afnemers een effectief middel zijn voor het verbeteren van het rendement van verwarmings- en koelsystemen; verzoekt de Commissie om wettelijke en bestuurlijke hindernissen voor het sluiten van dergelijke overeenkomsten weg te nemen;

Steden

67.   erkent het belang van het uitwisselen en bevorderen van beste praktijken op het gebied van energie-efficiëntie in steden; is van mening dat het bestaande forum Eurocities hier heel goed voor gebruikt zou kunnen worden;

68.   dringt bij de Commissie en de andere EU-instellingen aan op samenwerking met de grote steden in de EU en om in te stemmen met het beschikbaar stellen van budgettaire middelen voor jumelage en voor de uitwisseling van goede praktijken tussen de grotere steden;

69.   verwelkomt het initiatief tot oprichting van een convenant van burgemeesters, dat de burgemeesters van europa's 20 à 30 belangrijkste en meest baanbrekende steden in een permanent netwerk bijeenbrengt, en vraagt om meer details met betrekking tot de oprichting ervan; benadrukt echter dat het convenant van burgemeesters de activiteiten van soortgelijke, reeds bestaande netwerken dient aan te vullen;

De mondiale dimensie

70.   steunt het voorstel van de Commissie voor het oprichten van het platform voor internationale samenwerking inzake energie-efficiëntie; roept de lidstaten en de Commissie op tot meer internationale samenwerking op het gebied van energie-efficiëntie om te voorkomen dat nieuwe voorschriften en normen tot fragmentatie van de mondiale markten leiden; dringt er met klem op aan in deze internationale bilaterale en multilaterale overeenkomsten niet alleen bepalingen inzake minimumenergie-efficiëntienormen op te nemen, maar ook bepalingen inzake het uitwisselen van energie-efficiëntietechnologieën; beschouwt technologieverspreiding als een strategische 'must', met het oog waarop intellectuele-eigendomsrechten als van publiek belang moeten worden beschouwd;

71.   erkent dat op technisch niveau voort gewerkt wordt aan gemeenschappelijke energie-efficiëntienormen, met name met China; maakt zich zorgen over het feit dat dit werk wordt ondermijnd door een gebrekkige coördinatie tussen de lidstaten, hetgeen in derde landen tot verwarring leidt; dringt aan op een geïntegreerde benadering inzake normen;

72.   neemt nota van de algemene zorg dat Rusland niet aan zijn binnenlandse en in contracten vastgelegde vraag naar gas zal kunnen voldoen en spoort de Commissie in het belang van de energiebevoorradingszekerheid aan meer energie en middelen te investeren in de dialoog tussen de EU en Rusland over energie-efficiëntie en daarbij in het bijzonder aandacht te besteden aan het moderniseren van de lokale Russische verwarmingsnetwerken en het gebruiken van gas dat momenteel op olievelden wordt afgefakkeld;

73.   is verheugd over het initiatief van de Raad voor een energiepartnerschap tussen de EU en Afrika, en dringt er op aan dat het partnerschap prioritaire aandacht besteed aan energie-efficiëntie en duurzame groei in Afrika;

o
o   o

74.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 297 van 13.10.1992, blz. 16. Richtlijn als gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).
(2) PB L 1 van 4.1.2003, blz. 65.
(3) PB L 52 van 21.2.2004, blz. 50.
(4) PB L 191 van 22.7.2005, blz. 29.
(5) PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64.
(6) PB L 381 van 28.12.2006, blz. 24.
(7) PB L 381 van 28.12.2006, blz. 26.
(8) PB L 310 van 9.11.2006, blz. 15.
(9) PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1
(10) PB L 114 van 24.4.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).
(11) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 273.
(12) PB C 317 E van 23.12.2006, blz. 876.
(13) PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16.


Een beleid om in de Europese visserij ongewenste bijvangsten te verminderen en de teruggooi uit te bannen
PDF 144kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over een beleid om in de Europese visserij ongewenste bijvangsten te verminderen en de teruggooi uit te bannen (2007/2112(INI))
P6_TA(2008)0034A6-0495/2007

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "Een beleid om in de Europese visserij ongewenste bijvangsten te verminderen en de teruggooi uit te bannen" (COM(2007)0136),

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid(1), en met name op artikel 2 daarvan,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende een actieplan van de Gemeenschap om de teruggooi van vis te beperken (COM(2002)0656) en onder verwijzing naar de desbetreffende resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2003(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 maart 2006 over milieuvriendelijker visserijmethoden(3),

–   gelet op de Overeenkomst van 1995 over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden,

–   gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (richtlijn mariene strategie) (COM(2005)0505), en onder verwijzing naar het desbetreffende standpunt van het Europees Parlement van 14 november 2006(4),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0495/2007),

A.   overwegende dat teruggooi een wereldwijd probleem vormt en dat naar schatting tussen de 7 en 27 miljoen ton per jaar wordt teruggegooid, een kwart van alle vis en andere zeedieren die worden gevangen, en overwegende dat er geen raming voor de EU als geheel bestaat, maar dat de FAO schat dat in de Noordzee 500 000 tot 880 000 ton wordt teruggegooid,

B.   overwegende dat het op zo uitgebreide schaal teruggooien van vis schade toebrengt aan het milieu, verhindert dat uitgeputte bestanden zich herstellen en de bedrijfstak tijd en energie kost,

C.   overwegende dat commissaris Borg het teruggooien van zulke grote hoeveelheden "onethisch" heeft genoemd,

D.   overwegende dat de betrokkenheid van allen die belang hebben bij het visserijbeleid, met name belanghebbenden uit de visserijsector, een essentiële voorwaarde is voor het vaststellen van maatregelen die kunnen bijdragen aan het duurzame beheer van mariene hulpbronnen,

E.   overwegende dat teruggooi een verschijnsel is dat niet alleen verbonden is met het gebruik van één bepaald type vistuig, maar geldt voor de meeste vistuigen, hoewel sommige types, zoals sleepnetten, een grotere teruggooi veroorzaken dan andere, maar ook samenhangt met de aard van de betrokken visserijtak, zoals ook het geval is voor de Europese visserijvloten, die zich bijna allemaal op meerdere soorten richten, waardoor het risico voor teruggooi groter is; voorts overwegende dat er bij bepaalde vormen van ambachtelijke visserij sprake is van minder teruggooi doordat een groter deel van de vangst wordt gebruikt en de kennis van de visgronden wordt aangewend om ongewenste bijvangsten te vermijden,

F.   overwegende dat vormen van visserij waarbij veel wordt teruggegooid aanleiding zouden kunnen geven tot maatschappelijke bezorgdheid omtrent de milieugevolgen die daaraan zijn verbonden, het vertrouwen van de consument in vis zouden kunnen aantasten en uiteindelijk tot dalende afzetten zouden kunnen leiden,

G.   overwegende dat teruggooi wordt veroorzaakt door een aantal factoren, waaronder overbevissing, de bestaande praktijk van totale toegestane vangsten TAC's en quota die teruggooi van vis waarvoor geen quotum bestaat verplicht stellen, het feit dat in veel visserijtakken de specificaties voor vistuig niet aansluiten op de minimale afmetingen bij aanlanding, zogenaamde "high-grading" en andere commerciële praktijken; voorts overwegende dat innovatie van vistuig en vangstmethoden meestal ten doel heeft de vangsten te vergroten in plaats van op selectievere en het milieu minder belastende wijze te vissen,

H.   overwegende dat van de documenten die op internationaal niveau zijn ondertekend en die specifieke verklaringen bevatten omtrent de noodzaak om teruggooi en ongewenste bijvangsten te reduceren, de EU zich bij de volgende heeft aangesloten: de Gedragscode van de FAO voor een verantwoorde visserij, het Internationale Actieplan van de FAO ter beperking van de bijvangst van zeevogels in de beugvisserij, het Internationale Actieplan van de FAO voor het behoud en beheer van haaien, hoofdstuk 17 van agenda 21 van de Verenigde Naties, de Consensus van Rome inzake de mondiale visserij, de Verklaring van Kyoto inzake de duurzame bijdrage van de visserij aan de continuïteit van de voedselvoorziening, de Overeenkomst van New York betreffende de toepassing van de bepalingen van het VN-Zeerechtverdrag en de resoluties 49/118 van 1994 en 50/25 van 1995 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, alsmede de resolutie van de van 15 tot 20 april 1996 in Istanbul, Turkije gehouden 95ste Interparlementaire Conferentie, de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) en het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD),

I.   overwegende dat de EU een aantal verplichtingen heeft aanvaard in het kader van regionale visserijorganisaties en de verschillende bilaterale en multilaterale overeenkomsten waarbij zij partij is,

1.   verwelkomt de nieuwe poging van de Commissie om de discussie over dit ernstige probleem te bevorderen met als doel het accent in het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) uiteindelijk zo te verleggen dat het teruggooien van vis op termijn wordt beëindigd;

2.   verwelkomt het voorstel van de Commissie als een eerste poging om tot de kern van het bijvangstprobleem door te dringen, maar onderstreept de dringende noodzaak om regelgeving te ontwikkelen ter uitbanning van deze milieuonvriendelijke en immorele praktijk, die in extreme gevallen maar liefst 90% van alle gevangen vis kan bestrijken;

3.   herinnert eraan dat het percentage teruggooi bij de kleinschalige visserij zeer gering is en dringt dan ook aan op uitbreiding van de EU-subsidie ter stimulering en ontwikkeling van de kleinschalige kustvisserij en de ambachtelijk bedreven visserij,

4.   staat eveneens positief tegenover de nieuwe definitie van teruggooi, die nu ook betrekking heeft op niet-commerciële soorten vis en andere zeedieren, zodat ook de teruggooi daarvan beperkt moet worden;

5.   benadrukt dat het in te voeren EU-beleid alle soorten bijvangst (met inbegrip van - doch niet uitsluitend - ongewervelde dieren, koralen, zeezoogdieren, vogels en schildpadden) effectief zal moeten bestrijden en milieuvriendelijke vangstmethoden zal moeten bevorderen, die noch de mariene biodiversiteit ondermijnen, noch onnodige schade toebrengen aan andere levende organismen;

6.   stelt evenwel met bezorgdheid vast dat er nog maar heel weinig vooruitgang is geboekt bij het ontwikkelen van communautaire actieplannen voor zeevogels en haaien, ondanks de toezegging die de Commissie daartoe in 1999 heeft gedaan, en verzoekt de Commissie met klem om de plannen voor deze beide diersoorten zo snel mogelijk te voltooien;

7.   roept de Commissie ertoe op rekening te houden met de beschikbare wetenschappelijke adviezen inzake de albatros, die met name als gevolg van de beuglijnvisserij aan een zodanige sterfte blootstaat dat hij dreigt uit te sterven;

8.   is van mening dat beperking van de totale visserij-inspanning, in combinatie met selectievere maatregelen, een doeltreffend middel is om ongewenste bijvangsten en teruggooi te beperken, omdat uitgeputte bestanden voornamelijk bestaan uit ondermaatse vissen; erkent dat beperking van de visserijdruk grote voordelen voor de visserijsector zou opleveren, omdat uitgeputte bestanden dan de kans krijgen zich te herstellen en meer zouden opleveren, en er bovendien tijd en energie wordt bespaard bij het sorteren van de vangst;

9.   beschouwt bijvangsten en teruggooi van vis als een ernstig probleem voor het milieu en de economie, aangezien deze praktijken enerzijds debet zijn aan het verstoorde evenwicht dat in sommige ecosystemen wordt geconstateerd en anderzijds zijn aangewezen als de belangrijkste oorzaak van de uitputting van visbestanden, waarvan sommige, zoals de kabeljauw, van grote commerciële waarde zijn;

10.   is van mening dat beperking van de teruggooi ten goede zal komen aan de toestand van het milieu, zoals wordt voorgeschreven door de mariene strategierichtlijn;

11.   is van mening dat programma's om de teruggooi te beperken volledig dienen te worden geïntegreerd in het algemene communautaire beleid voor een duurzaam visserijbeheer;

12.   is van mening dat de oorzaken van teruggooi per visserijtak verschillen en afhankelijk zijn van zowel de specifieke vangsttechnieken als het type visserij, en dat dus ook de oplossingen van geval tot geval zullen verschillen;

13.   erkent dat teruggooi als algemene praktijk weliswaar niet te rechtvaardigen zijn, maar dat sommige soorten na vrijlating een grote overlevingskans hebben en dat uitzonderingen op het in te voeren vangstverbod voor deze soorten, evenals voor bedreigde en beschermde soorten moeten worden toegestaan, mits hun overlevingskansen afdoende wetenschappelijk worden aangetoond;

14.   wijst er met nadruk op dat de nieuwe regeling pas doeltreffend kan zijn als er op adequate wijze gebruik wordt gemaakt van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek naar de visgronden in de EU en als er rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van individuele visgronden, met name waar het ligging, soortenrijkdom en van oudsher toegepaste vangstmethoden betreft;

15.   feliciteert de bedrijven in de sector die onlangs zijn begonnen met de ontwikkeling van programma's voor het ontwerpen van selectiever vistuig en vangstmethoden, welke zijn gericht op beperking van de teruggooi en anderen ertoe aanmoedigen aan dit proces bij te dragen door hun onbetwiste knowhow op het gebied van vistuig aan te wenden om nog innovatiever technieken te ontdekken; betreurt de strekking van sommige aan de Commissie voorgelegde adviezen dat maatregelen ter beperking van de teruggooi "moeilijk uitvoerbaar" zouden zijn;

16.   wijst op de betekenis van vrijwillige vermindering van de visserij-inspanningen waartoe verschillende visserijbedrijven zijn overgegaan en verzoekt om invoering van mechanismen om vissers die dergelijke maatregelen nemen, financiële compensatie te bieden,

17.   is ingenomen met het feit dat de Schotse regering onlangs in samenwerking met de Schotse visserij-industrie uit eigen beweging een systeem heeft ingevoerd van tijdelijke realtimesluitingen van visgronden, waarbij deze gedurende drie weken worden gesloten als schippers een hoge concentratie ondermaatse kabeljauw aantreffen; is van mening dat initiatieven zoals deze – het eerste in zijn soort in Europa – mogelijkheden bieden om met volledige medewerking van de visserij-industrie de teruggooi terug te dringen;

18.   is het met de Commissie eens dat de klassieke aanpak van het GVB ter beperking van ongewenste bijvangsten en teruggooi, namelijk door in de Raad in te stemmen met steeds gedetailleerdere technische maatregelen ter beperking van de teruggooi van jonge vis, bij een relatief geringe betrokkenheid van de vissers zijn beperkingen kent, en derhalve moet worden aangevuld met programma's die de vissers stimuleren om de de bijvangsten en teruggooi te beperken en die rekening houden met de specifieke kenmerken van elke visserijtak, hetgeen de acceptatie van de maatregelen door de vissers ten goede zou komen; is echter van mening dat alleen door middel van technische aanpassingen aan vistuig en vangstmethoden een afname van de ongewenste bijvangsten kan worden bereikt;

19.   stelt vast dat de invoering van een teruggooiverbod door de Commissie als de meest effectieve optie wordt beschouwd, hoewel daaraan uit controleoogpunt een aantal problemen kunnen zijn verbonden en zij de inzet kunnen vergen van aanzienlijk meer financiële, logistieke en personele middelen;

20.   is van mening dat "high-grading", een praktijk waarbij goede en legaal gevangen vis wordt teruggegooid ten gunste van andere vis die op de markt meer kan opbrengen, dient te worden verboden, ook al zou een dergelijk verbod moeilijk te handhaven zijn; is van mening dat bij wijze van proef op een aantal vaartuigen een gesloten camerasysteem (CCTV) zou moeten worden geïnstalleerd om handhaving te vergemakkelijken;

21.   stelt vast dat iedere vorm van beleid om teruggooi uit te bannen onder vissers en andere belanghebbenden alleen steun en medewerking zal vinden indien zij een belangrijke toezichthoudende en controlerende rol krijgen toebedeeld, aangezien hun medewerking en betrokkenheid cruciaal zijn voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de handhavingsmaatregelen; wijst erop dat er in andere rechtsgebieden reeds dergelijke samenwerkingsverbanden bestaan, die dan ook moeten worden onderzocht: zo hebben Canada en Nieuw-Zeeland met instemming van vissers geëxperimenteerd met gesloten camerasystemen rondom vissersvaartuigen, en deze vorm van videobewaking is naar verluidt een succes als het gaat om het uitbannen van teruggooi;

22.   dringt er bij de Commissie, de lidstaten en andere belanghebbenden op aan na te denken over het gebruik van prikkels om de sector ertoe aan te zetten de vangstmethoden te verbeteren; is van mening dat dergelijke prikkels kunnen bestaan in:

   toestemming om langer op zee te blijven, dan wel de toegestane vangsttijd te verlengen voor schepen die selectiever vistuig gebruiken,
   preferentiële toegang voor schepen die selectief vistuig gebruiken tot zones die afgesloten zijn voor alle schepen die geen selectief vistuig gebruiken,
   toestemming voor schepen met selectiever vistuig om te vissen op tijdstippen dat andere dat niet mogen;

23.   stelt vast dat in Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn(5) reeds een voorbeeld van preferentiële toegang voor selectief vistuig is te vinden, waarbij trawlers die met gebruikmaking van een sorteerrooster op langoustines vissen meer dagen buitengaats mogen blijven, en is het ermee eens dat dergelijke aanvullende prikkels dienen te worden overwogen;

24.   is ervan overtuigd dat de sector welwillender en met meer resultaat zou reageren op een combinatie van positieve en negatieve prikkels, die ook de kans moeten krijgen vruchten af te werpen; is ook van mening dat teruggooi pas toegepast mag worden nadat eerst andere typen negatieve prikkels zijn uitgeprobeerd, zoals periodieke vergroting van maaswijdtes, gesloten gebieden en andere maatregelen;

25.   wijst met nadruk op het belang van een effectief controlesysteem als er een teruggooiverbod wordt ingevoerd; wijst erop dat gebrek aan kennis omtrent de omvang van de teruggooi ten koste gaat van de kwaliteit van de schattingen omtrent visstand en vissterfte en de evaluatie van maatregelen ter verhindering van de vangst van ondermaatse vis bemoeilijkt; roept de Commissie ertoe op de ontwikkeling van nieuwe controletechnieken voort te zetten en wijst in dit verband op de mogelijkheden die geboden worden door elektronische logboeken en het gebruik van CCTV;

26.   wijst er met nadruk op dat een van de voornaamste motieven voor teruggooi, namelijk "high-grading" (waarmee wordt beoogd de waarde van de aangelande hoeveelheid te verhogen), onwettig dient te worden verklaard en dat de constructies die deze praktijk mogelijk maken, zoals het aan boord gebruiken van sorteerroosters in de pelagische visserij, moeten worden verboden;

27.   is het ermee eens dat de verstandigste oplossing erin bestaat op basis van de hoeveelheid teruggooi of van de beschermde status van de betrokken vissoort een aantal visgronden als proefgebied aan te wijzen; onderstreept dat het van groot belang is dat de proefprojecten zo worden geselecteerd dat ze over verschillende gebieden zijn verdeeld en aldus een afspiegeling vormen van de geografische verscheidenheid van de visserij binnen de Gemeenschap; is van mening dat elk proefproject een voldoende aantal schepen dient te omvatten, zodat de verscheidenheid binnen de visserij tot haar recht komt en de uitwisseling van informatie met anderen binnen de visserij wordt gewaarborgd; stelt voor hierbij de keuze te laten vallen op twee verschillende kandidaten, namelijk de verschillende vormen van boomkorvisserij en visserij waarbij kabeljauw wordt gevangen en teruggegooid; pleit ervoor dat, terwijl deze proefprojecten nog lopen, wordt onderzocht in hoeverre in andere visserijtakken teruggooi wordt bedreven;

28.   stelt zich op het standpunt dat bij voorrang aandacht moet worden besteed aan teruggooipraktijken die het gevolg zijn van onverenigbaarheid tussen de technische voorschriften inzake de minimummaat bij aanlanding en de gebruikte maaswijdtes, aangezien dit probleem betrekkelijk eenvoudig kan worden opgelost;

29.   roept de Commissie ertoe op acht te slaan op de beschikbare wetenschappelijke adviezen inzake de kabeljauwstanden in de Oostzee, waar een enorm percentage van de vangsten als bijvangst wordt aangemerkt;

30.   stelt voor, voor elk van de betrokken visserijtakken de volgende maatregelen te nemen:

   i) opstelling van een nauwkeurige raming van de hoeveelheden en de samenstelling naar vissoort en andere soorten die worden teruggegooid door elke visserijtak; deze cijfers dienen door vissers, wetenschappers en andere belanghebbenden als betrouwbaar en objectief te worden aanvaard;
   ii) vaststelling van een adequate structuur met het oog op de volledige raadpleging, deelname en medewerking van alle betrokkenen alvorens een besluit wordt genomen omtrent de kwantitatieve doelstellingen voor beperking van de teruggooi over een bepaalde periode (bijvoorbeeld vermindering met 50% in twee jaar); als deelnemers hieraan komen onder andere in aanmerking regionale adviesraden, vissers, wetenschappers, nationale regeringen, de Commissie en milieu-NGO's; hun taak zou erin bestaan een inventarisatie op te maken van alle ideeën voor stopzetting van teruggooi, inclusief aangevoerde bijvangsten, technische maatregelen, tijdelijke sluiting, gesloten gebieden en andere maatregelen, en om positieve prikkels voor te stellen voor vissers die met diverse technieken experimenteren;
   iii) evaluatie van de resultaten na afloop van de geplande uitvoeringsperiode en beoordeling van de vraag of de doelstellingen zijn bereikt; uitbreiding van het GVB met methoden die blijken te werken; indien de doelstellingen voor vermindering van teruggooi niet worden gehaald, zullen er naast andere proportionele maatregelen ook adequate sancties worden getroffen;
   iv) regelmatige herziening van de kwantitatieve streefcijfers voor teruggooi ten einde deze praktijk uiteindelijk te doen ophouden;
   v) vaststelling van een verbod op teruggooi voor een bepaalde visserijtak, echter alleen als alle voorgaande stappen niet binnen vijf jaar na de introductie van deze stappen in de betrokken visserijtak tot de gewenste vermindering leiden;

31.   roept de Commissie ertoe op bijzondere aandacht te schenken aan de vraag hoe de te nemen maatregelen op een zodanige wijze kunnen worden "omgezet" dat ze ook gelden voor schepen uit de EU die vissen in de wateren van derde landen, en verzoekt het gebruik van het meest selectieve vistuig verplicht te stellen bij visserijactiviteiten die worden ondernomen in het kader van partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied (POV's);

32.   stelt vast dat de gemengde visserijvormen in de EU een grote diversiteit kennen en een belangrijke plaats innemen, en concludeert dat deze diversiteit een afspiegeling dient te vinden in de doelstellingen om teruggooi te beperken, met als consequentie dat men niet van alle visserijtakken mag verlangen dat zij tegelijkertijd dezelfde kwantitatieve beperkingen in de teruggooi bereiken, aangezien de hoeveelheden die oorspronkelijk werden teruggegooid per visserijtak kunnen verschillen;

33.   beklemtoont dat indien er voor bepaalde visserijtakken een teruggooiverbod wordt ingesteld, voorkomen moet worden dat de prikkels een averechts effect hebben doordat bijvoorbeeld er een markt voor kleine vis ontstaat of dat er vis wordt gevangen buiten de quota om, met dien verstande dat dergelijke vis in geen geval rechtstreeks op de markt mag worden gebracht; is van mening dat de betrokken vissers kunnen worden gecompenseerd voor de kosten die zij hebben moeten maken om de hoeveelheden die zij anders hadden teruggegooid aan wal te brengen; is van mening dat deze ongewenste bijvangsten bijvoorbeeld gebruikt zouden kunnen worden voor de vervaardiging van vismeel en visolie, en dat de ondernemingen die gebruik maken van deze mogelijkheid, een bijdrage moeten leveren aan een regionaal compensatiefonds;

34.   merkt op dat het Europees Visserijfonds (EVF) over middelen beschikt om proefprojecten voor een meer selectieve manier van vissen te financieren en tweemaal het vistuig te vervangen, en dringt er bij de lidstaten op aan daarvan gebruik te maken; roept op tot meer administratieve flexibiliteit bij de besteding van gelden die door het EVF beschikbaar worden gesteld, zodat veelbelovende proefprojecten snel van start kunnen gaan;

35.   wijst erop dat de TAC-regeling een van de voornaamste oorzaken van teruggooi is en dat er maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat soorten met een legale grootte die nu eenmaal onvermijdelijk worden gevangen, moeten worden teruggegooid omdat er voor deze soorten geen quota bestaan;

36.   beveelt aan de bijvangstquota op te nemen in de totaal toegestane vangsten en alle aan land gebrachte bijvangsten te verrekenen met de toegewezen quota; indien een visserijtak zijn bijvangstquotum overschrijdt riskeert hij sluiting, net zoals een teveel aan jonge vis zou moeten leiden tot directe sluiting; het quotum zou vervolgens geleidelijk moeten worden gereduceerd om een nog selectiever gebruik van vistuig extra te bevorderen;

37.   merkt op dat de lidstaten krachtens Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen(6) het recht hebben om strengere technische eisen te stellen voor schepen die binnen de EU-wateren onder hun vlag varen; is van mening dat zij ook flexibiliteit moeten betrachten om nieuwe oplossingen uit te testen waarvan de doelmatigheid door de Commissie zal worden geëvalueerd, en dat zij onder bepaalde omstandigheden de mogelijkheid dienen te hebben om selectievere technische eisen te stellen aan schepen die binnen hun 12-mijlszone vissen;

38.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de regionale adviesraden, het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur en de regionale organisaties voor het beheer van de visserij waarbij de EU is aangesloten.

(1) PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.
(2) PB C 69 E van 19.3.2004, blz. 149.
(3) PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 319.
(4) PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 86.
(5) PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1.
(6) PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1.


Een Europese Roma-strategie
PDF 132kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over een Europese Roma-strategie
P6_TA(2008)0035RC-B6-0050/2008

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 3, 6, 7, 29 en 149 van het EG-Verdrag, die de lidstaten ertoe verplichten gelijke kansen voor alle burgers te waarborgen,

–   gelet op artikel 13 van het EG-Verdrag, dat de Europese Gemeenschap in staat stelt gepaste maatregelen te nemen om discriminatie op grond van ras of etnische afstamming te bestrijden,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 28 april 2005 over de situatie van de Roma in de Europese Unie(1), van 1 juni 2006 over de situatie van de Roma-vrouwen in de Europese Unie(2), en van 15 november 2007 over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(3),

–   onder verwijzing naar Richtlijn 2000/43/EG houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, en Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, alsook het kaderbesluit betreffende de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat,

–   gezien het verslag over racisme en vreemdelingenhaat in de lidstaten van de EU in 2007, gepubliceerd door het Bureau voor de grondrechten,

–   gezien de uitroeping in 2005 van het decennium van de Roma-integratie en de instelling van een Roma-onderwijsfonds door een aantal EU-lidstaten, kandidaat-lidstaten en andere landen waarin de instellingen van de Europese Unie aanwezig zijn,

–   gelet op artikel 4 van het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden alsmede het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–   gezien het alomvattende actieplan dat is aangenomen door bij de OVSE aangesloten staten, met inbegrip van lidstaten en kandidaat-lidstaten van de EU, en dat is gericht op verbetering van de situatie van de Roma en de Sinti in het OVSE-gebied, waarin deze staten onder andere toezeggen hun inspanningen om ervoor te zorgen dat de Roma en de Sinti een volwaardige en gelijkwaardige rol in onze samenlevingen kunnen spelen, te zullen versterken en discriminatie jegens hen uit te bannen,

–   gelet op het Europese Handvest van de grondrechten en het statuut van het Bureau voor de grondrechten,

–   gezien het in 2007 door de Commissie gepubliceerde verslag met als titel "Etnische minderheden op de arbeidsmarkt - Een dringende oproep tot betere sociale insluiting", opgesteld door de adviesgroep van deskundigen op hoog niveau voor de sociale integratie van etnische minderheden en hun volwaardige participatie op de arbeidsmarkt,

–   gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de 12 tot 15 miljoen in Europa levende Roma, waarvan 10 miljoen in de Europese Unie, te lijden hebben van discriminatie op grond van ras en in veel gevallen van ernstige structurele discriminatie, armoede en sociale uitsluiting, alsook van meervoudige discriminatie op grond van geslacht, leeftijd, handicap en seksuele geaardheid; overwegende dat een meerderheid van de Europese Roma sedert de uitbreidingen van 2004 en 2007 EU-burgers zijn geworden, waarmee zij en hun familieleden het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten hebben gekregen,

B.   overwegende dat de situatie van de Europese Roma, die van oudsher in tal van Europese landen leven en aan de samenleving hebben bijgedragen, anders is dan die van de nationale minderheden in Europa, hetgeen specifieke maatregelen op Europees niveau rechtvaardigt,

C.   betreurende dat de Roma EU-burgers vaak geconfronteerd worden met rassendiscriminatie bij de uitoefening van hun fundamentele rechten als EU-burgers om zich vrijelijk te verplaatsen en te vestigen;

D.   overwegende dat talrijke Roma en Roma-gemeenschappen die hebben besloten zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan zij onderdaan zijn, zich in een bijzonder kwetsbare positie bevinden,

E.   overwegende dat maar weinig vooruitgang is geboekt met de bestrijding van rassendiscriminatie ten aanzien van de Roma en de verdediging van hun recht op onderwijs, tewerkstelling, gezondheidszorg en huisvesting in zowel lidstaten als kandidaat-lidstaten,

F.   overwegende dat rassenscheiding in het onderwijs in de lidstaten nog altijd wordt geduld; overwegende dat die discriminatie bij de toegang tot kwaliteitsonderwijs een blijvende negatieve invloed heeft op de mogelijkheden van Roma-kinderen om zich te ontplooien en gebruik te maken van hun rechten op educatieve vorming;

G.   overwegende dat onderwijs een fundamenteel instrument ter bestrijding van sociale uitsluiting, uitbuiting en misdaad is,

H.   overwegende dat er sprake is van benedenmaatse en onhygiënische levensomstandigheden en van gettovorming op grote schaal, waarbij de Roma geregeld het slachtoffer worden van verjaging ofwel worden tegengehouden wanneer zij buurten willen verlaten,

I.   overwegende dat Roma-gemeenschappen in het algemeen een onaanvaardbaar hoog werkloosheidspeil kennen, hetgeen specifieke maatregelen om de toegang tot banen te vergemakkelijken noodzakelijk maakt; overwegende dat de Europese arbeidsmarkt, evenals de Europese samenleving als geheel, zeer veel baat zou hebben bij maatschappelijke integratie van de Roma,

J.   overwegende dat de EU beschikt over een waaier van mechanismen en instrumenten die kunnen worden gebruikt om de toegang van de Roma tot onderwijs, werk, huisvesting en gezondheidszorg van kwaliteit te verbeteren, met name het integratiebeleid en het regionaal en werkgelegenheidsbeleid;

K.   overwegende dat de sociale integratie van de Roma-gemeenschappen nog altijd niet bereikt is en dat het gebruik van EU-instrumenten noodzakelijk is om daadwerkelijke en duidelijke veranderingen op dit vlak te realiseren,

L.   overwegende dat moet worden gezorgd voor de daadwerkelijke participatie van de Roma in de politiek, met name ten aanzien van besluiten die gevolgen voor het leven en het welzijn van de Roma hebben,

M.   overwegende dat de zigeunerhaat ("romafobie") in Europa nog altijd wijd verbreid is en door ultranationalistische en rechtsgerichte politieke partijen aangemoedigd en gebruikt wordt, wat kan leiden tot racistische aanslagen, haatzaaien, fysiek geweld, onwettige verjaging en pesterij door de politie,

N.   overwegende dat de meeste Roma-vrouwen geconfronteerd worden met dubbele discriminatie, namelijk als Roma én als vrouw,

O.   overwegende dat de holocaust van de Roma ("porajmos") volledige erkenning verdient, evenredig met de ernst van de nazimisdaden die tot doel hadden om de Europese zigeuners evenals de joden en andere gerichte groepen fysiek te elimineren;

1.   veroordeelt in elk opzicht en ondubbelzinnig alle vormen van racisme en discriminatie waarmee de Roma en andere als 'zigeuners' bestempelde personen te maken krijgen;

2.   toont zich verheugd over de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 14 december 2007, waarin de Europese Raad "zich bewust is van de uitzonderlijke situatie van de Roma in de Europese Unie en de lidstaten en de Unie verzoekt alle mogelijke middelen te gebruiken om de integratie van de Roma te bevorderen" en waarin de Europese Raad "de Commissie verzoekt de bestaande beleidsmaatregelen en instrumenten te bestuderen en voor eind juni 2008 verslag uit te brengen aan de Raad over de geboekte vorderingen";

3.   is van oordeel dat de EU en de lidstaten een gedeelde verantwoordelijkheid hebben voor de bevordering van de integratie van de Roma en de waarborging van hun grondrechten als Europese burgers en dat zij hun inspanningen om tot tastbare resultaten in dezen te komen, dringend dienen op te voeren; verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen de nodige maatregelen goed te keuren om een adequaat sociaal en politiek klimaat voor de integratie van de Roma te scheppen;

4.   verzoekt het nieuwe Bureau voor de grondrechten de bestrijding van zigeunerhaat onder de topprioriteiten in zijn werkprogramma op te nemen;

5.   herhaalt dat de EU een belangrijke rol speelt bij de bestrijding van discriminatie van Roma, die vaak structureel is en daarom een overkoepelende aanpak op EU-niveau vereist, met name voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijk beleid, maar wijst er tegelijk op dat de lidstaten over de essentiële bevoegdheden beschikken om het beleid uit te voeren en de Roma te beschermen, te ondersteunen en weerbaar te maken en dat het in de eerste plaats aan de lidstaten is om daar politieke wil, tijd en middelen in te investeren;

6.   verzoekt de Commissie een Europese kaderstrategie voor de integratie van de Roma te ontwikkelen om op EU-niveau beleidssamenhang op het gebied van de maatschappelijke integratie van de Roma te bieden en verzoekt de Commissie tevens gestalte te geven aan een omvattend communautair actieplan voor de integratie van de Roma met het oog op de verlening van financiële steun voor de verwezenlijking van de doelstelling van de Europese kaderstrategie voor de integratie van de Roma;

7.   dringt bij de Commissie aan op de opstelling van een alomvattend communautair actieplan over de inclusie van de Roma, dat vorm moet worden gegeven en uitgevoerd door de groep van commissarissen die bevoegd zijn voor de sociale inclusie van EU-burgers via hun portefeuille op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken, gelijke kansen, justitie, vrijheid, onderwijs, cultuur en regionaal beleid;

8.   verzoekt de Commissie een van haar leden verantwoordelijk te maken voor de coördinatie van een Roma-beleid;

9.   dringt er bij de Commissie op aan bij de behandeling van kwesties in verband met de Roma het concept "van Roma tot Roma" toe te passen en dringt er voorts op aan meer Roma in haar beheersstructuur aan te stellen;

10.   verzoekt de Commissie een Roma-taskforce op te richten om de uitvoering van een Europese kaderstrategie voor de integratie van de Roma te coördineren, de samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken, gezamenlijke acties van de lidstaten te coördineren en ervoor te zorgen dat alle bevoegde instanties rekening met de Roma-kwesties houden;

11.   verzoekt de Commissie om van de impact van particuliere investeringen op het gebied van gelijke kansen een relevante en toerekenbare factor voor de vrijgave van EU-financiering te maken, door natuurlijke en/of rechtspersonen die offertes voor door de EU gefinancierde projecten indienen, te verplichten zowel een analyse als een actieplan inzake gelijke kansen op te stellen en uit te voeren;

12.   is verheugd over de door de Europese Commissie aangekondigde initiatieven, waaronder een mededeling over een herziene strategie voor de bestrijding van discriminatie, het komende groenboek over onderwijs aan leerlingen die een migratieachtergrond hebben of deel uitmaken van een achtergestelde minderheid, en het voornemen om extra maatregelen te nemen voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/43/EG; is met name verheugd over het voorstel om een Roma-forum op hoog niveau op te zetten, als structuur voor de ontwikkeling van doeltreffend beleid voor de aanpak van de Roma-problematiek;

13.   dringt er bij de Commissie op aan een crisiskaart voor heel Europa uit te tekenen waarop de gebieden binnen de EU worden gemeten en aangegeven waar de bevolking het ergst door armoede en sociale uitsluiting is getroffen;

14.   verzoekt de Commissie na te gaan hoe de antidiscriminatiewetgeving op het gebied van onderwijs verscherpt kan worden, met speciale aandacht voor desegregatie, en binnen een jaar na de aanneming van deze resolutie over haar bevindingen aan het Parlement verslag uit te brengen; herhaalt dat niet-discriminatoire toegang tot kwaliteitsonderwijs een van de prioriteiten zou moeten vormen van de Europese strategie voor de integratie van Roma; dringt er bij de Commissie op aan een verdubbelde inspanning te leveren inzake de financiering en ondersteuning van acties in de lidstaten die erop gericht zijn Roma-kinderen reeds op jonge leeftijd in het reguliere onderwijs te integreren; verzoekt de Commissie steun te geven voor programma's voor positieve actie voor Roma op het gebied van het middelbaar en hoger onderwijs, met inbegrip van beroepsopleiding, volwassenenonderwijs, levenslang leren en universitair onderwijs; verzoekt de Commissie eveneens steun te verlenen aan andere programma's die positieve en doeltreffende vormen van desegregatie aanbieden;

15.   roept de lidstaten en de Commissie op om de uitbuiting van Roma-kinderen en hun gedwongen bedelarij en schoolverzuim alsook de slechte behandeling van Roma-vrouwen te bestrijden;

16.   verzoekt de Commissie de integratie van de Roma op de arbeidsmarkt te ondersteunen o.m. met behulp van financiële middelen voor opleiding en bijscholing, maatregelen ter bevordering van positieve actie op de arbeidsmarkt, strenge handhaving van de antidiscriminatiewetgeving op het gebied van werkgelegenheid en maatregelen die Roma ertoe aanmoedigen als zelfstandige aan de slag te gaan of een kleine onderneming op te zetten;

17.   verzoekt de Commissie de mogelijkheid van een regeling voor microkredieten, zoals voorgesteld in het hoger vermeld verslag van de adviesgroep van deskundigen op hoog niveau, te overwegen, teneinde de oprichting van kleine bedrijven aan te moedigen en een einde te maken aan de woekerpraktijken die grote delen van de kansarme gemeenschappen verlammen;

18.   verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten steun te verlenen voor ruim opgezette nationale programma's ter verbetering van de gezondheidssituatie van de Roma-gemeenschappen, in het bijzonder door een adequaat vaccinatieprogramma voor kinderen in te voeren; verzoekt alle lidstaten onmiddellijk een einde te maken aan, en een adequate oplossing te vinden voor de algemene uitsluiting van sommige Roma-gemeenschappen van gezondheidszorg, met inbegrip van, maar niet uitsluitend beperkt tot de gemeenschappen in afgelegen gebieden, en de extreme mensenrechtenschendingen in de gezondheidszorg, die in het verleden hebben plaatsgevonden of nog plaatsvinden, zoals rassensegregatie in medische instellingen en gedwongen sterilisatie van Roma-vrouwen;

19.   dringt er bij de Commissie op aan gebruik te maken van bestaande positieve modellen om steun te verlenen aan programma's die erop gericht zijn om, in de lidstaten waar dit voorkomt, een eind te maken aan het bestaan van Roma-sloppenwijken, die ernstige sociale, milieu- en gezondheidsrisico's opleveren, en andere programma's die positieve en doeltreffende vormen van huisvesting aanbieden voor de Roma, de Roma-migranten inbegrepen te ondersteunen;

20.   verzoekt de lidstaten met klem om een oplossing te vinden voor het probleem van de kampen, waar alle voorschriften op het gebied van hygiëne en veiligheid met voeten worden getreden en een groot aantal Roma-kinderen het leven laat bij huiselijke ongelukken, met name door het uitbreken van brand daar het ontbreekt aan degelijke veiligheidsnormen;

21.   verzoekt de Commissie en de Raad het EU-beleid voor de Roma af te stemmen op het Decennium van de integratie van de Roma en gebruik te maken van bestaande initiatieven als het Roma-onderwijsfonds, het actieplan van de OVSE en de aanbevelingen van de Raad van Europa om de doeltreffendheid van hun inspanningen op dit gebied te vergroten;

22.   onderstreept dat het van belang is de lagere overheden bij een en ander te betrekken met het oog op een doeltreffende tenuitvoerlegging van de inspanningen ter bevordering van de integratie van de Roma en ter bestrijding van discriminatie;

23.   roept de lidstaten ertoe op de Roma vanaf de laagste niveaus bij het beleid te betrekken zodat ze maximaal voordeel kunnen halen uit de stimuleringsmaatregelen van de EU voor alle initiatieven ter ondersteuning van hun rechten en de integratie van hun gemeenschappen zowel op het gebied van onderwijs, als van werkgelegenheid en burgerparticipatie, zulks omdat succesvolle integratie een aanpak van onderaf en gedeelde verantwoordelijkheden vereist; onderstreept het belang van de ontwikkeling van menselijk potentieel en vakbekwaamheid bij de Roma met het oog op een ruimere vertegenwoordiging bij het openbaar bestuur op alle niveaus, inclusief de EU-instellingen;

24.   herinnert eraan dat alle kandidaat-lidstaten bij de onderhandelingen en in het kader van het toetredingsproces hebben toegezegd de integratie van de Roma-gemeenschappen te zullen verbeteren en hun rechten op onderwijs, werk, gezondheidszorg en huisvesting te zullen bevorderen; verzoekt de Commissie na te gaan of die toezeggingen zijn nagekomen en hoe de huidige situatie van de Roma in alle EU-lidstaten is;

25.   verzoekt de Commissie en de betrokken autoriteiten dan ook om alle nodige stappen te ondernemen om een einde te maken aan de varkensmesterij op het terrein van het voormalig concentratiekamp Lety (Tsjechië) en er een passend gedenkteken te plaatsen;

26.   is van oordeel dat het dieper moet ingaan op de diverse aspecten van en uitdagingen voor het Europees beleid voor wat betreft de integratie van de Roma;

27.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-landen, de Raad van Europa en de OVSE.

(1) PB C 45 E van 23.2.2006, blz. 129.
(2) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 283.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0534.

Juridische mededeling - Privacybeleid