Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2183(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0137/2008

Ingediende teksten :

A6-0137/2008

Debatten :

PV 16/06/2008 - 27
CRE 16/06/2008 - 27

Stemmingen :

PV 17/06/2008 - 7.27
CRE 17/06/2008 - 7.27
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0289

Aangenomen teksten
PDF 152kWORD 74k
Dinsdag 17 juni 2008 - Straatsburg
Beleidscoherentie voor ontwikkeling en de gevolgen van exploitatie door de EU van bepaalde biologische natuurlijke hulpbronnen voor de ontwikkeling van West-Afrika
P6_TA(2008)0289A6-0137/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 17 juni 2008 over beleidscoherentie voor ontwikkeling en de gevolgen van exploitatie door de EU van bepaalde biologische natuurlijke hulpbronnen voor de ontwikkeling van West-Afrika (2007/2183(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 178 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese consensus"(1),

–   gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(2), gewijzigd door de overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst, ondertekend te Luxemburg op 25 juni 2005(3),

–   gezien de Gezamenlijke strategie EU-Afrika,

–   gezien het eerste tweejaarlijkse "EU Report on Policy Coherence for Development" van de Commissie (COM(2007)0545) en het bijbehorende Werkdocument van de Diensten van de Commissie (SEC(2007)1202),

–   gezien de conclusies van de Raad van 21 en 22 december 2004, 24 mei 2005, 10 maart 2006, 11 april 2006, 17 oktober 2006, 5 december 2006, 15 december 2006 en 19-20 november 2007,

–   gezien het Werkdocument van de Diensten van de Commissie inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling (Policy Coherence for Development - PCD), Werkprogramma 2006-2007 (SEG(2006)0335),

–   gezien de Millenniumverklaring van de VN van 8 september 2000,

–   gezien de Consensus van Monterrey inzake ontwikkelingsfinanciering van 22 maart 2002,

–   gezien het evaluatieonderzoek naar "The EU Institutions & Member States' Mechanisms for Promoting Policy Coherence for Development" van mei 2007 door het European Centre for Development Policy Management , PARTICIP GmbH en het Complutense Institute of International Studies,

–   gezien het EU Coherentieprogramma van de Evert Vermeer Stichting en de European NGO confederation for relief and development,

–   gezien de Mededeling van de Commissie "Naar een wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering tussen de Europese Unie en de arme ontwikkelingslanden die het ergst door de klimaatverandering worden getroffen" (COM(2007)0540),

–   gezien de uitkomst van de 13de zitting van de Conferentie van de Partijen (COP13) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto gehouden op Bali, Indonesië, van 3 t/m 14 december 2007,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 mei 2007 over het tot staan brengen van het verlies aan biodiversiteit tegen 2010(4),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een EU-actieplan inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT) van 21 mei 2003 (COM(2003)0251), dat werd bekrachtigd door de conclusies van de Landbouw- en Visserijraad van 13 oktober 2003, en Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 juli 2005 over de bespoediging de tenuitvoerlegging van het EU-actieplan inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT)(6),

–   gezien de conclusies van de Milieuraad van 20 februari 2007 inzake de EU-doelstellingen voor de verdere ontwikkeling van de internationale klimaatregeling voor de periode na 2012, waarin wordt "benadrukt dat concrete maatregelen en acties nodig zijn om emissies van kooldioxide ten gevolge van de ontbossing in de ontwikkelingslanden in de komende 2 tot 3 decennia een halt toe te roepen en te laten afnemen",

–   gezien de Mededeling van de Commissie over een "geïntegreerd kader voor partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied met derde landen" van 23 december 2002 (COM(2002)0637),

–   gezien de Gedragscode voor een verantwoorde visserij van de Food and Agricultural Organisation (FAO) van 1995 en het Internationale actieplan van de FAO voor het beheer van de vangstcapaciteit van 1999,

–   gezien het onderzoek voor de FAO in 2005 door John Kurien getiteld "Responsible Fish Trade and Food Security",

–   gezien het voor het Europees Parlement uitgevoerde onderzoek van 16 juli 2007 naar "Policy Coherence for Development and the Effects of EU Fisheries Policies on Development in West Africa",

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2001 over visserij en armoedebestrijding(7),

–   gezien de studie "L'émigration irrégulière vers l'Union européenne au départ des côtes sénégalaises" door Juliette Hallaire van september 2007, gepubliceerd door de Internationale Organisatie voor Migratie,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie visserij (A6-0137/2008),

A.   overwegende dat de Millenniumverklaring van de VN alle landen oproept te zorgen voor coherentie in het ontwikkelingsbeleid,

B.   overwegende dat de EU vast besloten is te zorgen voor PCD overeenkomstig artikel 178 van het EG-Verdrag, waarin wordt bepaald dat de Gemeenschap bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden, rekening houdt met de doelstellingen van het communautair beleid op het terrein van ontwikkelingssamenwerking,

C.   overwegende dat in paragraaf 35 van de hierboven genoemde Europese consensus inzake ontwikkeling wordt bepaalt dat "De EU (...) vastbesloten [is] maatregelen te nemen om de beleidscoherentie voor ontwikkeling in een aantal sectoren te bevorderen" en dat "Het (...) van belang [is] dat de beleidslijnen op andere gebieden dan ontwikkeling de inspanningen van ontwikkelingslanden ter verwezenlijking van de MDG's ondersteunen",

D.   overwegende dat het hierboven genoemde tweejaarlijkse verslag van de Commissie inzake PCD onder meer concludeert:

   dat het PCD-concept nog niet voldoende is opgenomen in besluitvormingsprocessen,
   dat de EU - ondanks alle inspanningen - bij de ontwikkeling van een doeltreffend PCD-concept nog steeds in een vroeg stadium verkeert,
   dat het voornaamste obstakel voor een betere beleidscoherentie wordt gevormd door politieke prioriteiten en belangenconflicten tussen lidstaten en tussen ontwikkelingslanden,
   dat er nog altijd een gebrek bestaat aan bewustzijn en kennis over PCD en de noodzaak van het waarborgen van een continue politieke betrokkenheid op hoog niveau,
   dat de visserij in kustlanden een grote rol kan spelen bij het waarborgen van de voedselvoorziening, aangezien dit een belangrijke economische sector is,

E.   overwegende dat de Raad van 24 mei 2005 er zich in zijn conclusies toe verbindt de coherentie in het ontwikkelingsbeleid van de EU te versterken, met name op twaalf prioritaire beleidsterreinen, met inbegrip van handel, visserij, milieu, klimaatverandering, migratie en werkgelegenheid,

F.   overwegende dat de twee belangrijkste biologische natuurlijke hulpbronnen die de EU in West-Afrika exploiteert vis en hout zijn, aangezien volgens het Directoraat-generaal Handel van de Commissie ruim 80% van de door de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) uitgevoerde vis en hout naar de EU gaat,

G.   overwegende dat de VN West-Afrika omschrijft als de meest westelijke regio van Afrika die bestaat uit de volgende 16 landen: Benin, Burkina Faso, Kaapverdië, Ivoorkust, Gambia, Ghana, Guinee, Guinee-Bissau, Liberia, Mali, Mauritanië, Niger, Nigeria, Senegal, Sierra Leone, Togo (d.w.z. de ECOWAS plus Mauritanië)(8), en overwegende bovendien dat Kameroen vaak als een deel van West-Afrika wordt beschouwd,

Beleidscoherentie voor ontwikkeling (Policy Coherence for Development - PCD)

1.   verwelkomt de verhoogde aandacht en inzet voor PCD bij de Commissie, de Raad en de lidstaten, zoals aangetoond door de 12 PCD toezeggingen, de tweejaarlijkse verslaglegging en enkele andere nieuwe mechanismen;

2.   benadrukt het belang van beleidscoherentie als een van de bijdragen van de EU tot de verwezenlijking van de Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

3.   onderstreept het feit dat de politieke wil en inzet om met de belangen van ontwikkelingslanden rekening te houden op alle beleidsterreinen die hun raken, van cruciaal belang is voor het bereiken van meer coherentie in het beleid;

4.   wijst op de sterke koppelingen tussen het ontwikkelings- en visserijbeleid van de Europese Unie en het beleid op het gebied van ontwikkeling en houthandel, en benadrukt dat maatregelen binnen de communautaire beleidsterreinen visserij en hout grote invloed hebben op lokale duurzame ontwikkeling;

5.   herinnert eraan dat de bovengenoemde COP 13 het significante aandeel van ontbossing heeft erkend in de emissie van broeikasgassen en daarmee in klimaatverandering, en de noodzaak heeft onderstreept om ontwikkelingslanden te steunen bij hun streven naar instandhouding en duurzaam beheer van hun bossen; dringt erop aan dat de EU en de lidstaten substantiële financiële bijdragen leveren aan internationale initiatieven op het gebied van instandhouding en duurzaam gebruik en beheer van de bossen in ontwikkelingslanden en met name ondersteuning bieden aan Afrikaanse landen;

Hout

6.   vreest dat de tropische ontbossing een van de belangrijkste factoren is van de klimaatverandering, die verantwoordelijk is voor circa 20% van de totale door mensen veroorzaakte jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen en die de bestaansmiddelen vernietigt van miljoenen lokale en inheemse gemeenschappen;

7.   is bezorgd dat de goedkope invoer van illegaal hout en bosbouwproducten, in combinatie met het feit dat sommige industriële spelers niet voldoen aan minimale maatschappelijke en milieunormen, de internationale markten destabiliseert en de belastinginkomsten van de producerende landen drukt;

8.   vindt het zorgwekkend dat, volgens gegevens van de FAO, minder dan 7% van de bosgebieden in de wereld een milieukeurmerk heeft en minder dan 5% van de tropische bossen duurzaam wordt beheerd;

9.   is blij met het feit dat de Commissie in West-Afrika officiële onderhandelingen voert met Ghana en Kameroen en inleidende besprekingen met Liberia met het oog op de ondertekening van vrijwillige partnerschapsovereenkomsten voor toezicht op de rechtmatigheid van rechtstreeks naar de Europese Unie uitgevoerde houtproducten;

10.   benadrukt dat alle programma's voor de instandhouding van bossen, met inbegrip van de Forest Carbon Partnership Facility (FCPF) en FLEGT, de traditionele en gewoonterechten van autochtone en lokale gemeenschappen op het gebruik van hun bossen moeten waarborgen in overeenstemming met de VN-verklaring over de rechten van inheemse volkeren;

11.   roept de Commissie op positief te reageren op verzoeken om financiering van initiatieven op het gebied van duurzaam bosbeheer in het kader van hulpprogramma's en landenstrategiedocumenten;

12.   verzoekt de Commissie een Mededeling in te dienen ter vaststelling van de EU's aanpak van, betrokkenheid bij en steun aan bestaande en toekomstige financieringsmechanismen ter bevordering van de bosbescherming en de verlaging van emissies ten gevolge van de ontbossing, onder meer in het kader van het UNFCCC/Protocol van Kyoto en de FCPF; in deze Mededeling moet het engagement van de EU worden vastgelegd voor het verschaffen van fondsen om ontwikkelingslanden te helpen bij de bescherming van hun bossen, de financiering van beschermde bosgebieden en de bevordering van economische alternatieven voor de vernietiging van bossen;

13.   roept de Commissie en de lidstaten op de tenuitvoerlegging te bespoedigen van het bovengenoemde EU FLEGT actieplan en de bovengenoemde verordening met het doel illegale houtkap en daaraan gerelateerde handel te bestrijden, het gebruik van duurzaam geproduceerde houtproducten te verhogen en het aantal partnerlanden aanzienlijk te verhogen;

14.   roept de Commissie met name op om tijdens deze zittingsperiode een uitvoerig wetsvoorstel te presenteren ter voorkoming van het in de handel brengen van hout en houtproducten afkomstig uit illegale en destructieve bronnen;

15.   dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan de aanneming en tenuitvoerlegging te bespoedigen van een groen beleid van overheidsopdrachten op EU, nationaal en lokaal niveau, dat de aankoop begunstigt van houtproducten met een milieukeurmerk, en dan vooral houtproducten die zijn gecertificeerd volgens de normen van de Raad voor Goed Bosbeheer (Forest Stewardship Council);

Vis

16.   onderstreept de grote afhankelijkheid van de West-Afrikaanse landen van de visserij als bron van werk, voedselzekerheid, eiwitten, overheidsinkomsten en buitenlandse valuta; zoals wordt aangetoond in een recente casestudy van de Internationale Organisatie voor Migratie, waarin de neergang van de lokale visindustrie wordt aangewezen als een van de belangrijkste oorzaken van de migratie vanuit Senegal;

17.   neemt met voldoening kennis van de op dit gebied geboekte vooruitgang en moedigt deze aan, maar toont zich ook verder bezorgd over het langzame tempo en de terughoudendheid van sommige landen in de regio als het gaat om de bescherming van hun eigen bestanden; betreurt dat de duurzaamheid van de natuurlijke biologische rijkdommen, waaronder de visbestanden, en de voordelen van een duurzame exploitatie ondanks de inspanningen van de EU in het kader van de partnerschapsovereenkomsten nog steeds geen prioriteit hebben voor deze landen, maar vaak ondergeschikt zijn aan politieke en economische belangen;

18.   dringt er dan ook bij de Commissie op aan dat zij onderzoek doet naar deze kwestie en naar het duidelijke verband tussen de migratieniveaus van immigranten uit West-Afrikaanse landen naar de EU en de sterke afname van de visbestanden voor de kust van West-Afrika;

19.   roept de Commissie en de regeringen van de West-Afrikaanse landen er toe op de illegale visvangst in te dammen en de visbestanden te monitoren en te controleren om een einde te maken aan de sterke afname van de visbestanden voor de kust van West-Afrika;

20.   vindt dat de visstanden in West-Afrika significante mogelijkheden bieden voor lokale ontwikkeling en als bijdrage aan de voedselzekerheid; stelt met bezorgdheid vast dat volgens de meest recente wetenschappelijke analyses van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan in 2006, veel bestanden in West-Afrika overbevist worden en ten minste één bestand met uitsterven wordt bedreigd;

21.   vindt dat een evaluatie van de mate van coherentie tussen het ontwikkelings- en het visserijbeleid van de Gemeenschap tal van aspecten omvat die verder reiken dan de bilaterale visserijpartnerschapsovereenkomsten die met verschillende derde landen in West-Afrika zijn gesloten; van even groot belang is het communautair beleid op het gebied van:

   de monitoring van, de controle en het toezicht op de wateren voor de kust van West-Afrika, en de bijdrage van de EU aan de strijd tegen de illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde visserij;
   ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek naar visbestanden en de structuur van het ecosysteem;
   de export en het omvlaggen van communautaire vaartuigen naar West-Afrika;
   fytosanitaire normen voor de invoer van vis en andere niet-tarifaire handelsbelemmeringen;
   het marktbeleid van de EU en de soorten en hoeveelheden vis die uit West-Afrika worden geïmporteerd;

22.   verzoekt de Commissie om, aangezien er nog geen volledige overeenstemming is over de te ondertekenen economische partnerschapsovereenkomsten (EPA's) met de West-Afrikaanse landen, verder te gaan volgens de agenda voor coherentie in het ontwikkelingsbeleid bij de onderhandelingen over overeenkomsten over hout en vis in het kader van het EPA-proces;

23.   maant de Commissie nogmaals tot stappen richting het uiteindelijke doel van de EPA's, te weten: bevordering van regionale integratie en versterking van de economische positie van de ACS-landen, en benadrukt in dit verband met name de positie van de West-Afrikaanse landen;

24.   is van mening dat het visserijbeleid van de EU, inclusief de betrekkingen met West-Afrika, in overeenstemming moet zijn met de bovengenoemde FAO-gedragscode voor een verantwoorde visserij van 1995;

25.   spreekt zijn voldoening uit over het feit dat zeven West-Afrikaanse landen visserijovereenkomsten met de EU hebben gesloten volgens de nieuwe formule van associatieovereenkomsten waarin naast de oorspronkelijke doelstelling inzake de bescherming van de belangen van de communautaire vloot clausules zijn opgenomen op grond waarvan het derde land programma's moet opstellen die een duurzame exploitatie van de visbestanden waarborgen;

26.   is van mening dat de toegenomen vangstcapaciteit in een regio met een relatief zwak visserijbeheersysteem en onvoldoende middelen om toezicht en controle uit te oefenen op de activiteiten van vissersboten, heeft bijgedragen aan de problematische situatie van de visstand in de regio; en verwelkomt daarom het stopzetten in 2005 van subsidies voor de overdracht van vangstcapaciteiten van de EU naar West-Afrika;

27.   merkt op dat wanneer de EU haar activiteiten in de West-Afrikaanse wateren vermindert, haar plek mogelijk wordt ingenomen door vloten uit andere landen, die wellicht niet dezelfde duurzaamheidsbeginselen hanteren;

28.   is van mening dat met name met betrekking tot de visbestanden het accent in de eerste plaats moet worden gelegd op de volgende aspecten:

   regelmatige evaluatie van de visbestanden via onderzoekscampagnes met gebruikmaking van oceanografische schepen met onderzoekers uit de EU en uit het betrokken derde land met betrekking tot de visbestanden die beschikbaar zijn in alle Exclusieve Economische Zones van landen waarmee partnerschapsovereenkomsten inzake de visserij zijn gesloten,
   verbetering van de infrastructuur op het land, zowel de haveninfrastructuur als de voorziening- en vervoersinfrastructuur, met als doel de toegang van schepen van de EU en andere landen voor herstelwerkzaamheden, lossen, overslag, enz., te verbeteren, hetgeen derde landen extra inkomsten oplevert,
   aanpassing van de hygiëne- en gezondheidsvoorschriften, aangezien de meeste van deze landen op dit gebied ernstig tekortschieten, hetgeen hen in een aantal gevallen zelfs belet te profiteren van de mogelijke preferentiële toegang van hun export tot de communautaire markt,
   diensten voor controle en toezicht, via de oprichting van controlecentra, de opleiding van inspecteurs of de aanschaf van patrouilleboten en vliegtuigen, aangezien deze landen niet over de noodzakelijke technische en personele middelen beschikken om deze taken te vervullen,
   totstandbrenging van een juridisch kader om de bescherming van de huidige en potentiële communautaire investeringen te waarborgen die hoofdzakelijk voortvloeien uit de oprichting van gemengde vennootschappen die momenteel met te veel belemmeringen worden geconfronteerd om in het betrokken derde land te investeren, voornamelijk als gevolg van het verloren gaan van de controle over de bedrijven en de rechtsonzekerheid in vrijwel alle landen in de regio;
   invoering van programma's inzake duurzaam visserijbeheer waarmee de activiteiten van de lokale sectoren worden geregeld en de algemeen geldende, maar biologisch onhoudbare praktijk van de vrije toegang aan banden wordt gelegd;

29.   roept de EU op de hoogte van de betaling voor overeenkomsten los te koppelen van de omvang van de vangstmogelijkheden die in ruil daarvoor worden verleend, omdat dat het derde land kan ontmoedigen om de toegang te beperken wanneer de voorraden zijn uitgeput of kan leiden tot een plotse en significante vermindering van de inkomsten voor de regering van het derde land;

30.   roept de EU op de volgende maatregelen te nemen met het doel de visserijactiviteiten in West-Afrika duurzaam te maken en af te stemmen op het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap, ongeacht of gebeurt op grond van de voorwaarden van een partnerschapsovereenkomst of via een onderhandse overeenkomst:

   het verrichten van een betrouwbare beoordeling van de desbetreffende visstand alvorens tot vangst over te gaan, en vervolgens met regelmatige tussenpozen,
   als de Afrikaanse visstand is uitgeput, moeten de EU en andere buitenlandse schepen de eerste stap nemen ter vermindering van de vangst,
   het opzetten van langetermijnprogramma's voor het verrichten van wetenschappelijke beoordelingen van de status van en trends in de visstanden alsmede hun ecologische relatie en de invloed van de vangst op die standen, en het ondersteunen van de West-Afrikaanse onderzoekscapaciteit,
   het nauwkeurig, betrouwbaar en tijdig openbaar rapporteren van de vangsten en activiteiten van EU schepen in derde landen,
   het leveren van hulp voor het opzetten van referentielaboratoria om hen in staat te stellen eenvoudiger te voldoen aan de fytosanitaire eisen voor export naar de EU,
   het samen met de West-Afrikaanse partners van de EU opstellen van een programma ter bestrijding van illegale, niet gerapporteerde en niet gereguleerde visvangst, met inbegrip van een regionaal surveillanceplan naar het voorbeeld van de overeenkomst die werd gesloten met de Commissie voor de Indische Oceaan; en de West-Afrikaanse capaciteit ondersteunen voor een doeltreffend(e) beheer van en controle op de visserijactiviteiten van zowel schepen uit het eigen land als het buitenland,
   het raadplegen van plaatselijke gemeenschappen over de voorwaarden van de overeenkomst,
   het nemen van maatregelen om na te gaan of lokale vissers en vloten prioritaire toegang hebben tot visbestanden,
   het opzetten van langetermijnprogramma's die de toegevoegde waarde voor de lokale verwerkingsindustrieën vergroten door ervoor te zorgen dat lokaal gevangen vis ter plaatse kan worden verwerkt en vervolgens naar de EU wordt geëxporteerd,
   het huidige stelsel van herkomstregels te herzien en aan te passen, zodat ze een weerslag vormen van de plaatselijke omstandigheden en realiteit;

31.  Erkent dat, ondanks het feit dat de financiële tegenprestaties in het kader van de visserijovereenkomsten een essentieel deel van de totale begroting van sommige derde landen zijn gaan uitmaken waarbij de investeringen van de scheepseigenaren en de - ook financiële - medewerking van de lidstaten in bilateraal verband moeten worden opgeteld, de medewerking ten behoeve van duurzame ontwikkeling niet alleen van het gemeenschappelijk visserijbeleid kan komen, maar dat ook de overige communautaire beleidsterreinen, met name ontwikkelingssamenwerking, erbij moeten worden betrokken om de politieke en sociaaleconomische voorwaarden te creëren die deze landen in staat stellen via administratieve en financiële inspanningen het potentieel van hun natuurlijke biologische rijkdommen volledig en op duurzame wijze te benutten;

32.   dringt aan op betere coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten bij hun ontwikkelingssamenwerkingsprojecten, ook bij het stellen van prioriteiten en doelen;

33.   betreurt het feit dat de duurzaamheidseffectbeoordeling (DEB) van de EU-ACS-economische partnerschapsovereenkomsten van mei 2007 in opdracht van de Commissie geen onderzoek inhoudt naar de bosbouwsectoren en alleen betrekking heeft op visserijkwesties;

34.   verzoekt de Commissie

   in algemene zin steeds gedetailleerdere DEB's uit te voeren,
   aspecten van PCD verder in de DEB's te mainstreamen,
   opdracht te geven voor twee DEB's van de EPA's in West-Afrika met speciale aandacht voor PCD in de hout- en de visserijsector, met inbegrip van een beoordeling van het effect op lokale en inheemse gemeenschappen;

35.   concludeert dat het FLEGT-proces en de nieuwe generatie herziene visserijpartnerschapsovereenkomsten vanaf 2003 een belangrijk uitgangspunt vormen voor ontwikkelingsvriendelijk beleid, maar benadrukt dat het visserij- en houtbeleid van de EU ten opzichte van West-Afrika moet worden verbreed en uitgebreid teneinde een daadwerkelijke PCD mogelijk te maken;

o
o   o

36.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretariaten van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, ECOWAS, de Afrikaanse Unie, de Organisatie voor Economische Samenwerking in Europa, de Subregionale Visserijcommissie en de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan, de regering van alle ECOWAS-landen alsmede aan Mauritanië en Kameroen.

(1) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(2) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3. Overeenkomst laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 1/2006 van de ACS-EG-Raad van Ministers (PB L 247 van 9.9.2006, blz. 22).
(3) PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27.
(4) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 117.
(5) PB L 347 van 30.12.2005, blz. 1
(6) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 482.
(7) PB C 112 E van 9.5.2002, blz. 353.
(8) De VN-regio omvat eveneens het eiland St.-Helena, een Britse overzees gebied in het zuiden van de Atlantische Oceaan, dat in de onderhavige resolutie niet in aanmerking wordt genomen.

Juridische mededeling - Privacybeleid