Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 22 april 2008 - Straatsburg
Grensoverschrijdende samenwerking bij de bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit *
 Statuut van de Europese ombudsman
 Orgaandonatie en -transplantatie: beleidsmaatregelen op EU-niveau
 Rol van vrijwilligerswerk als bijdrage aan de economische en sociale cohesie
 Jaarverslag EIB 2006
 Kwijting 2006: algemene begroting, afdeling III, Commissie
 Kwijting 2006: algemene begroting EU, Europees Parlement
 Kwijting 2006: algemene begroting EU, Raad
 Kwijting 2006: algemene begroting EU, Hof van Justitie
 Kwijting 2006: algemene begroting EU, Rekenkamer
 Kwijting 2006: algemene begroting EU, Europees Economisch en Sociaal Comité
 Kwijting 2006: algemene begroting EU, Comité van de Regio's
 Kwijting 2006: algemene begroting EU, Europese Ombudsman
 Kwijting 2006: algemene begroting EU, Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
 Kwijting 2006: Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden
 Kwijting 2006: Europese Stichting voor opleiding
 Kwijting 2006: Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop)
 Kwijting 2006: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie
 Kwijting 2006: Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding
 Kwijting 2006: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving
 Kwijting 2006: Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat)
 Kwijting 2006: Europees Bureau voor wederopbouw
 Kwijting 2006: Europees Milieuagentschap
 Kwijting 2006: Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk
 Kwijting 2006: Europees Geneesmiddelenbureau
 Kwijting 2006: Europese Autoriteit voor voedselveiligheid
 Kwijting 2006: Europees Agentschap voor maritieme veiligheid
 Kwijting 2006: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart
 Kwijting 2006: Europees Spoorwegbureau
 Kwijting 2006: Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA)
 Kwijting 2006: Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen (Frontex)
 Kwijting 2006: EUROJUST
 Kwijting 2006: Europese Politieacademie
 Kwijting 2006: algemene begroting EU, zesde, zevende, achtste en negende Europesees Onwikkelingsfonds (EOF)
 Kwijting 2006: Europese GNSS-toezichtautoriteit
 Uit de wereld helpen van dakloosheid

Grensoverschrijdende samenwerking bij de bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit *
PDF 232kWORD 77k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland met betrekking tot de aanneming van een besluit van de Raad betreffende de uitvoering van Besluit 2008/.../JBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (11563/2007 – 11045/1/2007 – C6-0409/2007 – 2007/0821(CNS))
P6_TA(2008)0128A6-0099/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland (11563/2007 en 11045/1/2007),

–   gelet op artikel 34, lid 2, onder c), van het EU­Verdrag,

–   gelet op artikel 39, lid 1, van het EU­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0409/2007),

–   gelet op de artikelen 93 en 51 en artikel 41, lid 4, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0099/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Raad de tekst van het initiatief dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad en de Commissie na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon prioriteit te geven aan elk toekomstig voorstel tot wijziging van het besluit in overeenstemming met verklaring nr. 50 ad artikel 10 van het protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;

4.   is vastbesloten dergelijke toekomstige voorstellen via de urgentieprocedure te behandelen overeenkomstig de in lid 3 bedoelde procedure en in nauwe samenwerking met de nationale parlementen;

5.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

6.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland;

7.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering van de Bondsrepubliek Duitsland.

Door de Bondsrepubliek Duitsland voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Het is noodzakelijk dat de Raad het kaderbesluit over bepaalde procedurele rechten in strafprocedures binnen de gehele Europese Unie zo spoedig mogelijk aanneemt om bepaalde minimumvoorschriften vast te leggen inzake de beschikbaarheid van rechtsbijstand aan burgers in de lidstaten.
Amendement 2
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Overweging 3 ter (nieuw)
(3 ter)  De in Besluit 2008/.../JBZ vastgestelde gegevensbeschermingsregels inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit, moeten, zonder een adequaat rechtsinstrument inzake gegevensbescherming in het kader van de derde pijler, worden gecreëerd. Eenmaal goedgekeurd moet dit algemene rechtsinstrument worden toegepast op het gehele terrein van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, op voorwaarde dat het niveau van gegevensbescherming adequaat is en in geen geval lager is dan het niveau als bedoeld in de overeenkomst van de Raad van Europa van 28 januari 1981 inzake de bescherming van personen bij de automatische verwerking van persoonsgegevens en het bijbehorende aanvullende protocol van 8 november 2001 betreffende toezichthoudende instanties en grensoverschrijdende gegevensstromen.
Amendement 3
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Overweging 3 quater (nieuw)
(3 quater)  Bijzondere categorieën gegevens betreffende ras of etnische herkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van partijen of vakbonden, seksuele geaardheid of gezondheid mogen uitsluitend worden verwerkt indien dit absoluut noodzakelijk is en evenredig met het oog op een bepaalde zaak, en indien specifieke waarborgen worden geboden.
Amendement 4
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Overweging 3 quinquies (nieuw)
(3 quinquies)  Met het oog op een efficiënte politiële samenwerking moet het mogelijk zijn met spoed, en zonder bureaucratische belemmeringen gezamenlijke politieteams op te richten.
Amendement 5
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  De in dit besluit bedoelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming van 19 december 2007.
Amendement 6
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Artikel 2 – letter -a (nieuw)
(-a) "persoonsgegevens": iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, hierna "betrokkene" te noemen; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit;
Amendement 11
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Artikel 2 – letter e
(e) "niet-coderende gedeelte van DNA": chromosoomgebieden die geen genetische uitdrukking bevatten , d.w.z. waarvan niet bekend is dat zij voorzien in functionele eigenschappen van een organisme;
(e) "niet-gecodeerde DNA-deel": chromosoomsectoren die geen genetische uitdrukking bevatten, d.w.z. waarvan niet bekend is dat zij gegevens verstrekken over specifieke erfelijke eigenschappen; ongeacht de vooruitgang van de wetenschap wordt niet meer informatie uit het niet-gecodeerde DNA-deel vrijgegeven.
Amendement 18
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
Verzoeken betreffende vrijgesproken of van rechtsvervolging ontslagen personen
Overeenkomstig de hoofdstukken 3 en 4 van het onderhavige besluit worden matchberichten over het DNA-profiel of de dactyloscopische gegevens van personen die zijn vrijgesproken of van rechtsvervolging ontslagen alleen uitgewisseld indien de databank nauwkeurig is omschreven en de categorie aan het onderzoek onderworpen gegevens duidelijk in de nationale wet is gedefinieerd.
Amendement 19
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Artikel 8 – lid 1 – letter a
(a) de lidstaatcode van de verzoekende lidstaat;
(a) de lidstaatcode van de verzoekende lidstaat en de code van de nationale autoriteit die overgaat tot raadpleging;
Amendement 20
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Artikel 17 – lid 3 – letter i
(i) de bevoegdheden die ambtenaren en ander overheidspersoneel van de zendstaat(staten) in de gastlidstaat mogen uitoefenen gedurende de operatie;
(i) de bevoegdheden die ambtenaren en ander overheidspersoneel van de zendstaat(staten) in de gastlidstaat mogen uitoefenen gedurende de operatie; tot deze bevoegdheden behoort in het bijzonder het recht van observatie, achtervolging, arrestatie en verhoor;
Amendement 21
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Artikel 18 – lid 1
1.  Verdere bijzonderheden betreffende de technische en administratieve uitvoering van Besluit 2007/…/JBZ staan in de bijlage. De bijlage kan door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden gewijzigd.
1.  Verdere bijzonderheden betreffende de technische en administratieve uitvoering van Besluit 2008/…/JBZ staan in de bijlage. De bijlage kan door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden gewijzigd, na raadpleging van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 34, lid 2, letter c) en artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Amendement 22
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Artikel 20 – lid 1
1.  De Raad neemt het in artikel 25, lid 2, van Besluit 2007/.../JBZ bedoelde besluit op basis van een evaluatieverslag dat is opgesteld aan de hand van een vragenlijst, zoals aangegeven in hoofdstuk 4 van de bijlage.
1.  De Raad neemt het in artikel 25, lid 2, van Besluit 2008/.../JBZ bedoelde besluit op basis van een evaluatieverslag dat is opgesteld aan de hand van een vragenlijst, zoals aangegeven in hoofdstuk 4 van de bijlage. De onafhankelijke gegevensbeschermingsinstanties van de betrokken lidstaat/lidstaten worden volledig betrokken bij de evaluatieprocedure als bedoeld in hoofdstuk 4 van de bijlage bij dit besluit.
Amendement 23
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Artikel 21 – lid 1
1.  De evaluatie van de administratieve, technische en financiële toepassing van de gegevensuitwisseling uit hoofde van hoofdstuk 2 van Besluit 2007/.../JBZ geschiedt op jaarbasis. De evaluatie heeft betrekking op de lidstaten die op het tijdstip van de evaluatie Besluit 2007/.../JBZ al toepassen en op de categorieën gegevens waarvoor de uitwisseling tussen deze lidstaten al begonnen is. De evaluatie wordt gebaseerd op verslagen van de betrokken lidstaten.
1.  De evaluatie van de administratieve, technische en financiële toepassing van de gegevensuitwisseling uit hoofde van hoofdstuk 2 van Besluit 2008/.../JBZ geschiedt op jaarbasis. Een dergelijke evaluatie omvat mede een beoordeling van de gevolgen van verschillen in technieken en criteria voor het verzamelen en opslaan van DNA-gegevens in de lidstaten. De evaluatie omvat ook een beoordeling van de resultaten die verband houden met de proportionaliteit en de doeltreffendheid van de grensoverschrijdende uitwisseling van de verschillende soorten DNA-gegevens. De evaluatie heeft betrekking op de lidstaten die op het tijdstip van de evaluatie Besluit 2008/.../JBZ al toepassen en op de categorieën gegevens waarvoor de uitwisseling tussen deze lidstaten al begonnen is. De evaluatie wordt gebaseerd op verslagen van de betrokken lidstaten.
Amendement 24
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Artikel 21 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Het secretariaat-generaal van de Raad doet het Europees Parlement en de Commissie regelmatig de resultaten toekomen van de evaluatie van de gegevensuitwisseling in de vorm van een verslag als bedoeld in hoofdstuk 4, punt 2, onder 1 van de bijlage bij dit besluit.
Amendement 25
Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland
Addendum bij het initiatief – Hoofdstuk 1 – punt 1.1 – alinea 3
Insluitingsregels:
Insluitingsregels:
Wanneer de lidstaten DNA-profielen ter beschikking stellen voor bevragingen of vergelijkingen, of wanneer DNA-profielen voor dat doel worden verzonden, moeten deze ten minste 6 loci bevatten; de DNA-profielen kunnen ook andere loci of blanco's bevatten, voor zover deze beschikbaar zijn. De DNA-persoonsprofielen moeten ten minste 6 van de 7 ESS/ISSOL-loci bevatten. Voor een grotere accuraatheid van de overeenkomsten verdient het aanbeveling alle beschikbare allenen op te slaan in de registratiedatabank van DNA-profielen.
Wanneer de lidstaten DNA-profielen ter beschikking stellen voor bevragingen of vergelijkingen, of wanneer DNA-profielen voor dat doel worden verzonden, moeten deze ten minste 6 loci bevatten; de DNA-profielen moeten ook aanvullende loci of blanco's bevatten, voor zover deze beschikbaar zijn. De DNA-persoonsprofielen moeten ten minste 6 van de 7 ESS/ISSOL-loci bevatten. Voor een grotere accuraatheid van de overeenkomsten moeten alle beschikbare allenen worden opgeslagen in de registratiedatabank van DNA-profielen en voor bevragingen en vergelijkingen worden gebruikt. Nieuw aangenomen ESS-loci moeten zo spoedig als praktisch mogelijk is door de lidstaten worden toegepast.

Statuut van de Europese ombudsman
PDF 198kWORD 63k
Tekst
Geconsolideerde tekst
Ontwerpbesluit van het Europees Parlement aangenomen op 22 april 2008 tot wijziging van zijn Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (2006/2223(INI))
P6_TA(2008)0129A6-0076/2008

Het ontwerpbesluit werd aangenomen(1) en overgemaakt aan de Raad en de Commissie overeenkomstig artikel 195, lid 4 van het EG-Verdrag en artikel 107 D, lid 4 van het Euratom-Verdrag :

Besluit van het Europees Parlement tot wijziging van Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt

HET EUROPEES PARLEMENT,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 195, lid 4,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 107 D, lid 4,

Onder verwijzing naar zijn resolutie van ... over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement tot wijziging van zijn Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt,

Gezien het advies van de Commissie,

Met goedkeuring van de Raad,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(2) erkent het recht op behoorlijk bestuur als grondrecht van de burgers van de Unie.

(2)  Het vertrouwen van de burgers in het vermogen van de Ombudsman om vermeende gevallen van wanbeheer grondig en onpartijdig te onderzoeken is van fundamenteel belang voor een succesvolle vervulling van zijn taken.

(3)  Het is wenselijk om het statuut van de Ombudsman aan te passen teneinde iedere twijfel weg te nemen omtrent het vermogen van de Ombudsman om vermeende gevallen van wanbeheer grondig en onpartijdig te onderzoeken.

(4)  Het is wenselijk om het statuut van de Ombudsman aan te passen teneinde rekening te kunnen houden met eventuele wijzigingen van de wettelijke bepalingen of ontwikkelingen in de rechtspraak inzake interventies van organen, bureaus en agentschappen van de Europese Unie in procedures voor het Hof van Justitie.

(5)  Het is wenselijk om het statuut van de Ombudsman aan te passen teneinde rekening te kunnen houden met de wijzigingen die in de afgelopen jaren zijn ingevoerd met betrekking tot de rol van de Europese instellingen en organen bij de bestrijding van fraude ten koste van de financiële belangen van de Europese Unie, met name met de oprichting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), teneinde de Ombudsman in staat te stellen aan die instellingen en organen informatie door te geven die onder hun opdracht valt.

(6)  Het is wenselijk om stappen te ondernemen om de Ombudsman in de gelegenheid te stellen zijn samenwerking met soortgelijke instellingen op nationaal en internationaal niveau evenals met nationale en internationale instellingen, die een bredere taakstelling – bijvoorbeeld op het gebied van de bescherming van de mensenrechten – kunnen hebben dan die van de Europese Ombudsman, uit te bouwen, aangezien een dergelijke samenwerking een positieve bijdrage kan leveren tot de verbetering van de doeltreffendheid van zijn optreden.

(7)  Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal is in 2002 komen te vervallen.

BESLUIT:

Artikel 1

Visum 1, overweging 3, artikel 1, lid 1, alinea's 1 en 5 van artikel 3, lid 2, artikel 4 en artikel 5 van Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom worden als volgt gewijzigd:"

Statuut van de Ombudsman   Wijzigingsvoorstel
Amendement 1
Visum 1
Gelet op de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, inzonderheid artikel 195, lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, artikel 20 D, lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en artikel 107 D, lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,
Gelet op de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, inzonderheid artikel 195, lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 107 D, lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,
Amendement 2
Overweging 3
Overwegende dat de ombudsman, die ook op eigen initiatief kan optreden, moet kunnen beschikken over alle elementen die voor de uitoefening van zijn ambt nodig zijn; dat de communautaire instellingen en organen de ombudsman daartoe desgewenst de door hem verlangde inlichtingen dienen te verstrekken, tenzij dat om met redenen omklede motieven van geheimhouding niet mogelijk is en onverminderd de plicht die op de ombudsman rust om die gegevens niet te verspreiden; dat de autoriteiten van de lidstaten de ombudsman alle nodige inlichtingen dienen te verstrekken, tenzij die inlichtingen onder wettelijke bepalingen of andere voorschriften op het gebied van de geheimhouding vallen of onder andere voorschriften waardoor zij niet doorgegeven mogen worden; dat wanneer de ombudsman de gevraagde bijstand niet wordt verleend, hij hiervan melding maakt aan het Europees Parlement, dat passende stappen dient te ondernemen;
Overwegende dat de ombudsman, die ook op eigen initiatief kan optreden, moet kunnen beschikken over alle elementen die voor de uitoefening van zijn ambt nodig zijn; dat de communautaire instellingen en organen de ombudsman daartoe desgewenst de door hem verlangde inlichtingen dienen te verstrekken, en onverminderd de plicht die op de ombudsman rust om die gegevens niet te verspreiden en gerubriceerde gegevens en documenten te behandelen volgens regels die strikt gelijkwaardig zijn aan die welke gelden in de instellingen en organen in kwestie en overwegende dat de instellingen of organen die gerubriceerde gegevens verstrekken de ombudsman van de rubricering daarvan op de hoogte dienen te stellen en voorts overwegende dat de ombudsman en de desbetreffende instellingen en organen voorwaarden overeen dienen te komen waaronder de gerubriceerde gegevens of documenten worden verstrekt; dat de autoriteiten van de lidstaten de ombudsman alle nodige inlichtingen dienen te verstrekken, tenzij die inlichtingen onder wettelijke bepalingen of andere voorschriften op het gebied van de geheimhouding vallen of onder andere voorschriften waardoor zij niet doorgegeven mogen worden; dat wanneer de ombudsman de gevraagde bijstand niet wordt verleend, hij hiervan melding maakt aan het Europees Parlement, dat passende stappen dient te ondernemen;
Amendement 3
Artikel 1, lid 1
1.  Het statuut van de ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt worden overeenkomstig artikel 195, lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, artikel 20 D, lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en artikel 107 D, lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgesteld in het onderhavige besluit.
1.  Het statuut van de ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt worden overeenkomstig artikel 195, lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 107 D, lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgesteld in het onderhavige besluit.
Amendement 4
Artikel 3, lid 2, alinea 1
2.  De communautaire instellingen en organen zijn gehouden de gevraagde inlichtingen aan de ombudsman te verstrekken en hem inzage te verlenen van de desbetreffende stukken. Zij kunnen dit alleen weigeren om met redenen omklede motieven van geheimhouding.
2.  De communautaire instellingen en organen zijn gehouden de gevraagde inlichtingen aan de ombudsman te verstrekken en hem inzage te verlenen van de desbetreffende stukken. Voor de toegang tot gerubriceerde gegevens of documenten, met name gevoelige documenten in de zin van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1049/20011, moet de ombudsman zich houden aan regels die strikt gelijkwaardig zijn aan die welke gelden in de desbetreffende instellingen of organen.
De instellingen of organen die de in de eerste alinea bedoelde gerubriceerde gegevens of documenten verstrekken, stellen de ombudsman van de rubricering daarvan op de hoogte
Voor de tenuitvoerlegging van de in de eerste alinea bedoelde regels, dient de ombudsman met de instellingen of organen overeenstemming te bereiken over de voorwaarden waaronder toegang wordt verleend tot gerubriceerde gegevens en andere informatie die valt onder de verplichting inzake beroepsgeheim.
_________________
1 Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
Amendement 5
Artikel 3, lid 2, alinea 5
De ambtenaren en andere personeelsleden van de communautaire instellingen en organen dienen te getuigen als de ombudsman hun daarom verzoekt; zij spreken in naam van en in opdracht van hun diensten en blijven gebonden door hun verplichting inzake beroepsgeheim.
De ambtenaren en andere personeelsleden van de communautaire instellingen en organen dienen te getuigen als de ombudsman hun daarom verzoekt; zij blijven gebonden door de toepasselijke bepalingen van het Statuut van de ambtenaren, met name door hun verplichting inzake beroepsgeheim.
Amendement 6
Artikel 4
1.  De ombudsman en zijn personeel - op wie artikel 287 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, artikel 47, lid 2 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en artikel 194 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing zijn - mogen de gegevens en documenten waarvan zij bij hun onderzoek kennis hebben genomen niet verspreiden. Zij zijn tevens gehouden geheimhouding te betrachten ten aanzien van gegevens die de indiener van de klacht of andere betrokken personen schade zouden kunnen berokkenen, zulks onverminderd lid 2.
1.  De ombudsman en zijn personeel - op wie artikel 287 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 194 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing zijn - mogen de gegevens en documenten waarvan zij bij hun onderzoek kennis hebben genomen niet verspreiden. Zij zijn tevens gehouden gevoelige documenten of informatie, die de ombudsman worden verstrekt en beschouwd dienen te worden als gevoelige documenten in de zin van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en documenten die vallen onder de communautaire wetgeving ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens, evenals gegevens die de indiener van de klacht of andere betrokken personen schade zouden kunnen berokkenen, niet te verspreiden, zulks onverminderd lid 2.
De ombudsman en zijn personeel behandelen aanvragen van derden voor de toegang tot documenten die door de ombudsman zijn verkregen in de loop van een onderzoek, overeenkomstig de voorwaarden en beperkingen van Verordening (EG) nr. 1049/2001, met name artikel 4.
2.  Indien hij in het kader van een onderzoek kennis heeft genomen van feiten die zijns inziens onder het strafrecht vallen, brengt de ombudsman via de Permanente Vertegenwoordigingen van de lidstaten bij de Europese Gemeenschappen de ter zake bevoegde nationale autoriteiten, alsmede, in voorkomend geval, de communautaire instelling waartoe de betrokken ambtenaar of het betrokken personeelslid behoort hiervan onverwijld op de hoogte. Deze instelling kan dan eventueel artikel 18, tweede alinea van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen toepassen. De ombudsman kan ook de betrokken communautaire instellingen of organen op de hoogte brengen van feiten die ongeoorloofd gedrag van een van hun ambtenaren of personeelsleden aan het licht brengen.
2.  Indien hij in het kader van een onderzoek kennis heeft genomen van feiten die zijns inziens onder het strafrecht vallen, brengt de ombudsman via de Permanente Vertegenwoordigingen van de lidstaten bij de Europese Gemeenschappen de ter zake bevoegde nationale autoriteiten of de bevoegde communautaire instelling of het communautaire orgaan, hiervan onverwijld op de hoogte, in voorkomend geval stelt de ombudsman de communautaire instelling of het communautaire orgaan waartoe de betrokken ambtenaar of het betrokken personeelslid behoort hiervan ook op de hoogte. . Deze instelling kan dan eventueel artikel 18, tweede alinea van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen toepassen. De ombudsman kan ook de betrokken communautaire instellingen of organen op de hoogte brengen van feiten die ongeoorloofd gedrag van een van hun ambtenaren of personeelsleden aan het licht brengen.
Amendement 7
Artikel 5
Indien zulks de doeltreffendheid van zijn onderzoek kan vergroten en de rechten en belangen van degenen die klachten bij hem indienen beter kan beschermen, kan de ombudsman, met eerbiediging van de nationale wetgeving die van toepassing is, samenwerken met soortgelijke functionarissen die in bepaalde lidstaten fungeren. De ombudsman kan langs die weg geen documenten opeisen die op grond van artikel 3 niet voor hem toegankelijk zijn.
Indien zulks de doeltreffendheid van zijn onderzoek kan vergroten en de rechten en belangen van degenen die klachten bij hem indienen beter kan beschermen, kan de ombudsman, met eerbiediging van de nationale wetgeving die van toepassing is, samenwerken met soortgelijke functionarissen die in bepaalde lidstaten fungeren. De ombudsman kan langs die weg geen documenten opeisen die op grond van artikel 3 niet voor hem toegankelijk zijn. De ombudsman kan onder dezelfde voorwaarden ook met andere instellingen voor de bevordering en bescherming van grondrechten samenwerken.
"

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

(1) De stemming over de ontwerpresolutie (A6-0076/2008) werd uitgesteld in afwachting van de procedure bedoeld in artikel 195, lid 4 van het EG-Verdrag en artikel 107 D, lid 4 van het Euratom-Verdrag.
(2) PB C 303 van 14.12.2007, blz. 1.


Orgaandonatie en -transplantatie: beleidsmaatregelen op EU-niveau
PDF 157kWORD 80k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 over orgaandonatie en -transplantatie: beleidsmaatregelen op EU-niveau (2007/2210(INI))
P6_TA(2008)0130A6-0090/2008

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 152, lid 4, letter a), van het EG-Verdrag,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over orgaandonatie en -transplantatie: beleidsmaatregelen op EU-niveau (COM(2007)0275) en het werkdocument van de diensten van de Commissie. Bijlage bij de mededeling van de Commissie: Samenvatting van de effectbeoordeling (SEC(2007)0705),

–   gezien Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen(1),

–   gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(2),

–   gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie(3),

–   gezien Richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik(4),

–   gezien de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de transplantatie van menselijke organen,

–   gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake mensenrechten en biogeneeskunde, en het aanvullend protocol betreffende orgaan- en weefseltransplantatie van menselijke herkomst,

–   gezien het verslag van de Raad van Europa "Voorzien in het tekort aan organen - Huidige toestand en strategieën ter verbetering van orgaandonatie" (1999),

–   gezien het verslag van de Raad van Europa "Gids voor de veiligheids- en kwaliteitsborging van organen, weefsels en cellen"(5),

–   gelet op een document van de eerste nationale expertmeeting over orgaandonatie en -transplantatie op communautair niveau(6), gehouden te Brussel op 13 september 2007,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie juridische zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0090/2008),

A.   overwegende dat de nood aan orgaantransplantatie in de Europese Unie gestaag is toegenomen in een sneller tempo dan het aantal gedoneerde organen; overwegende dat er in de EU meer dan 60 000 patiënten op de wachtlijst staan voor een transplantatie, en overwegende dat een aanzienlijk aantal patiënten overlijdt als gevolg van het chronische tekort aan organen; overwegende dat de stijging van het aantal donoren niet leidt tot kortere wachtlijsten,

B.   overwegende dat de handel in organen, de commercialisering en het transplantatietoerisme, die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, zich snel ontwikkelen en dat er een verband is tussen het organentekort en de orgaanhandel; overwegende dat er meer gegevens over orgaanhandel nodig zijn,

C.   overwegende dat veiligheidsproblemen bij illegale commerciële orgaantransplantatie vaak worden genegeerd, wat het leven van zowel donor als ontvanger in gevaar kan brengen,

D.   overwegende dat vier lidstaten nog altijd het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad niet hebben geratificeerd, dat vijf lidstaten het aanvullende Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel ("het Protocol van Palermo") niet hebben geratificeerd en dat negen lidstaten het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind inzake kinderhandel, kinderprostitutie en kinderpornografie niet hebben geratificeerd, en dat 17 lidstaten het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel niet hebben geratificeerd,

E.   overwegende dat illegale handel in organen volgens de huidige schattingen weliswaar relatief weinig voorkomt in vergelijking met andere vormen van illegale handel, maar dat illegale handel in organen en weefsels niettemin een groeiend wereldwijd probleem is dat zowel binnen de landsgrenzen als grensoverschrijdend voorkomt en vraaggericht is (er zijn naar schatting 150-250 gevallen per jaar in de EU),

F.   overwegende dat illegale handel in organen en weefsels een vorm van mensenhandel is die een ernstige schending van de fundamentele mensenrechten inhoudt, in het bijzonder van de menselijke waardigheid en lichamelijke integriteit, en het vertrouwen van de burgers in het legitieme transplantatiesysteem kan ondermijnen, wat kan leiden tot nog grotere tekorten aan vrijwillig ter beschikking gestelde organen en weefsels,

G.   overwegende dat kwaliteit, veiligheid, werkzaamheid en doorzichtigheid van essentieel belang zijn, wil de maatschappij de vruchten plukken die transplantatie als behandeling kan opleveren,

H.   overwegende dat orgaantransplantatie de enige beschikbare behandeling is voor insufficiëntie in het eindstadium van organen als de lever, de longen en het hart en de behandeling met de gunstigste kosten-batenverhouding voor nierinsufficiëntie in het eindstadium; overwegende dat orgaantransplantatie de mogelijkheid biedt levens te redden en de kwaliteit van leven te verhogen,

I.   overwegende dat er tussen en in de lidstaten grote verschillen bestaan met betrekking tot het aantal en de frequentie van transplantaties, de herkomst (d.w.z. levende of overleden donor) van organen, en zelfs met betrekking tot de kwaliteits- en minimumveiligheidseisen voor orgaandonatie en -transplantatie, terwijl ook de organisatorische benadering van transplantatie van lidstaat tot lidstaat varieert, wat resulteert in ongelijke normen binnen de EU,

J.   overwegende dat de rechtskaders verschillen in de lidstaten (waarbij sommige lidstaten een opt in- en andere een opt out-systeem hanteren) en de ervaring in de verschillende lidstaten aantoont dat de invloed van het rechtssysteem op het aantal donoren eerder beperkt is,

K.   overwegende dat het alternatief voor transplantatie vaak intensieve verzorging is, wat onaangenaam is voor de patiënt en belastend voor de gezondheidszorgstelsels en de familie en verzorgers van de patiënt,

L.   overwegende dat orgaandonatie en -transplantatie gevoelige en complexe vraagstukken zijn met niet alleen medische maar ook juridische en ethische aspecten, en voor hun ontwikkeling de volledige medewerking vereisen van het maatschappelijk middenveld,

M.   overwegende dat bij het gebruik van organen in een behandeling het risico bestaat van overdracht van infectueuze en andere ziekten,

N.   overwegende dat een aantal organen reeds tussen lidstaten wordt uitgewisseld en dat er reeds verscheidene Europese organisaties voor de uitwisseling van organen (bijv. Scandiatransplant, Eurotransplant) bestaan,

O.   overwegende dat er reeds positieve resultaten behaald zijn (bijv. met het Spaanse model, het Belgische GIFT-project, DOPKI en Alliance for Organ Donation and Transplantation (Alliance-O)) en daarmee rekening dient te worden gehouden,

P.   overwegende dat het publieke bewustzijn, concrete en positieve voorlichting en de geavanceerde opleiding en communicatievaardigheden van deskundigen een belangrijke rol spelen bij het verhogen van de bereidheid om organen te doneren,

Q.   overwegende dat in de gezondheidszorg doeltreffende maatregelen moeten worden genomen om bij chronische ziekten die tot orgaaninsufficiëntie leiden, zoals chronische nieraandoeningen, vroegtijdige diagnose en behandeling mogelijk te maken ten einde het aantal patiënten dat in de toekomst orgaan- of niertransplantaties nodig heeft, tot een minimum te beperken,

1.   verwelkomt de hoger genoemde Mededeling van de Commissie waarin een zeer welgekomen geïntegreerde, op drie pijlers gebaseerde benadering wordt voorgesteld;

Rechtsinstrument

2.   kijkt uit naar het voorstel van de Commissie voor een Richtlijn, die kwaliteits- en veiligheidseisen moet vastleggen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewaren, vervoeren en distribueren binnen de EU en de middelen om aan deze eisen te kunnen voldoen; benadrukt echter dat het komende wetgevingskader geen bijkomende hoge administratieve last voor de lidstaten of dienstverleners met zich mag meebrengen en evenmin het gebruik van bestaande goede praktijken, noch praktijken die aangepast zijn aan de heersende voorwaarden en omstandigheden in de afzonderlijke lidstaten, in gevaar mag brengen, dan wel voorwaarden omvat die kunnen leiden tot een afname van het aantal potentiële en feitelijke donoren;

3.   wijst erop dat de nieuwe richtlijn de inspanningen van de lidstaten moet aanvullen en versterken om een actieve, doeltreffende coördinatiemethode te verwezenlijken zonder de invoering of handhaving van strengere regels in de weg te staan;

4.   benadrukt dat de Richtlijn plaats moet laten voor de vooruitgang die wordt geboekt door de medische wetenschap;

Samenwerking tussen lidstaten

5.   uit zijn bezorgdheid over het tekort aan voor transplantatie beschikbare menselijke organen om aan de vraag van de patiënten te kunnen voldoen; erkent dat vermindering van het tekort aan organen en donoren het belangrijkste vraagstuk is waarvoor de lidstaten zich geplaatst zien bij orgaantransplantatie; wijst erop dat momenteel duizenden patiënten in Europa op wachtlijsten staan en dat er sprake is van een hoog sterftecijfer onder hen;

6.   is van mening dat de toewijzing van organen gebaseerd moet zijn op de medische capaciteit van de patiënt om een orgaan te accepteren; en dat discriminatie op grond van handicaps die geen enkel verband houden met de kansen die de patiënt heeft om een orgaan te accepteren, niet mag worden geduld;

7.   wijst erop dat orgaandonatie een geschenk is; benadrukt derhalve dat, hoewel het bijzonder belangrijk is een oplossing te vinden voor het ernstige tekort aan organen in de EU, de vrije keuze om al dan niet een orgaan te doneren moet worden geëerbiedigd en ook beschermd;

8.   merkt de belangrijke verschillen op met betrekking tot de herkomst van organen (overleden of levende donoren) binnen de EU, de grote verschillen in het succes waarmee de lidstaten hun donorbestand weten te vergroten, het onderscheid tussen lidstaten op het vlak van kwaliteits- en veiligheidseisen, de uiteenlopende organisatorische benaderingen van orgaandonatie en -transplantatie en de verschillen in opleiding en scholing van medisch en paramedisch personeel; meent dat het onderscheid deels kan worden verklaard door een combinatie van economische, structurele, administratieve, culturele, ethische, godsdienstige, historische, sociale en wettelijke factoren, hoewel de beslissende factor de organisatie van het hele proces lijkt te zijn dat leidt tot donatie en transplantatie;

9.   is er bijgevolg sterk van overtuigd dat er aanzienlijke mogelijkheden zijn om vakkennis te delen tussen lidstaten, om het aantal donoren te doen stijgen en kan zorgen voor een gelijke toegang tot transplantaties binnen de EU; kijkt daarom uit naar het actieplan van de Commissie voor een betere samenwerking tussen de lidstaten om:

   de beschikbaarheid van organen te verhogen,
   de efficiëntie en toegankelijkheid van transplantatiesystemen te verbeteren,
   het publieke bewustzijn te vergroten,
   de kwaliteit en de veiligheid te waarborgen;

10.   benadrukt derhalve dat het opzetten van goed gestructureerde operationele systemen en het stimuleren van succesvolle modellen binnen de lidstaten en tussen de lidstaten onderling en eventueel op internationaal niveau, van het grootste belang zijn; stelt voor dat de operationele systemen moeten samengesteld zijn uit een adequaat wettelijk kader, alsmede technische en logistieke infrastructuur, psychologische en organisatorische ondersteuning en een passende organisatiestructuur op ziekenhuisniveau en supra-ziekenhuisniveau, met hooggekwalificeerd personeel, gekoppeld aan heldere regels voor traceerbaarheid en een eerlijke, doeltreffende en billijke toewijzing en toegang tot het transplantatiesysteem;

Beschikbaarheid van organen verhogen

11.   wijst erop dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor hun eigen wettelijk model; merkt op dat er in de EU twee modellen bestaan, die elk verschillende varianten kennen; acht het niet nodig de rechtsstelsels aan te passen of te harmoniseren; verzoekt de lidstaten om in hun wetgeving te voorzien in de mogelijkheid een wettelijke vertegenwoordiger aan te stellen die kan beslissen over donatie na het overlijden van een persoon;

12.   roept de lidstaten op het volledige potentieel van postmortale donaties te benutten; vraagt de lidstaten daarom met klem om zoveel mogelijk te investeren in de verbetering van hun organisatorische systeem door:

   medisch en paramedisch personeel te sensibiliseren, voor te lichten en op te leiden,
   ziekenhuizen financieel te steunen om "interne transplantatiecoördinatoren" (geneesheren die werken op intensivecareafdelingen en worden bijgestaan door een medisch team) te benoemen, wier taak erin bestaat actief op zoek te gaan naar mogelijke donoren en hun familie te benaderen,
   uitvoering van kwaliteitsverbeteringsprogramma's in ieder ziekenhuis of iedere cluster van ziekenhuizen over de hele EU, waar orgaandonatiepotentieel bewezen is;

13.   verzoekt de lidstaten in verband met een grotere beschikbaarheid van organen, het gebruik van "marginale" donoren (oudere donoren of donoren met bepaalde ziektes) te evalueren, waarbij kwaliteits- en veiligheidsaspecten niet uit het oog mogen worden verloren;

14.  is van mening dat transplantaties kunnen worden uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van suboptimale organen; in dergelijke gevallen dient het transplantatieteam in overleg met de patiënt en/of zijn of haar familieleden besluiten te nemen over het gebruik van organen voor individuele patiënten op grond van een risico/batenanalyse;

15.   verzoekt de lidstaten die donatie van een levende donor toestaan, rekening te houden met kwaliteits- en veiligheidsaspecten, benadrukt echter dat levende donatie moet worden gezien als een aanvulling op postmortale donatie;

16.   beseft dat, wanneer het donorbestand wordt uitgebreid, artsen bang kunnen zijn voor een verhoogde kans op afstoting van de organen en een geleidelijke achteruitgang van het functioneren van het getransplanteerde orgaan en vraagt de Commissie en de lidstaten derhalve om ondersteuning te bieden aan methoden ter voorkoming en behandeling van orgaanafstoting, zodat artsen de 'marginale' donoren met vertrouwen kunnen gebruiken;

17.   erkent dat de biotechnologie reeds oplossingen biedt voor het risico van afstoting van getransplanteerde organen, bijvoorbeeld door behandelingen die het afstotingspercentage verkleinen, wat op zijn beurt de beschikbaarheid van organen zal vergroten door artsen in staat te stellen afstoting te behandelen of zelfs te voorkomen; ziet hierin een argument ter ondersteuning van het 'uitgebreide' donorbestand, aangezien het risico van programma's voor 'marginale' organen hierdoor wordt verkleind;

18.   verzoekt de lidstaten om vóór januari 2010 wetgevende bepalingen op te heffen die bepalen dat donororganen alleen in die lidstaat mogen worden gebruikt;

19.   vraagt de lidstaten om de nodige maatregelen te nemen op het gebied van voorlichting en opleiding, teamwerk en honoraria van transplantatiechirurgen;

20.   benadrukt het belang van de financiering van orgaanverwerving en -transplantatie in een specifieke begrotingslijn, om te voorkomen dat ziekenhuizen terughoudend worden om transplantaties uit te voeren;

21.   beklemtoont dat orgaandonaties op strikt non-commerciële basis moeten blijven plaatsvinden;

22.   steunt maatregelen die de bescherming van levende donoren, zowel vanuit medisch, psychologisch als sociaal oogpunt tot doel hebben en waarborgen dat de orgaandonatie onbaatzuchtig en vrijwillig plaatsvindt zodat geen betaling tussen donoren en ontvangers plaatsvindt, en betaling uitsluitend bedoeld is als compensatie, die strikt beperkt blijft tot vergoeding van de onkosten en ongemakken die met de donatie gepaard gaan; verzoekt de lidstaten waar de wetgever dergelijke donaties toelaat, te garanderen dat de anonimiteit van overleden en levende donoren die geen genetische of emotionele band met de ontvanger hebben, bewaard blijft, en dringt er bij de lidstaten op aan de voorwaarden te definiëren waaronder compensatie mag worden toegekend;

23.   verzoekt de lidstaten met klem strenge wettelijke voorschriften aan te nemen of te handhaven als het gaat om transplantatie van niet-verwante levende donoren, om het systeem transparant te maken en de mogelijkheid van onwettige orgaanverkoop of dwang van donoren uit te sluiten; donaties door niet-verwante levende donoren zouden dan uitsluitend mogelijk zijn volgens de in de nationale wetgeving vastgelegde voorwaarden en met toestemming van een geschikte onafhankelijke instantie;

24.   verzoekt de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat levende donoren niet worden gediscrimineerd, in het bijzonder door verzekeringsstelsels;

25.   verzoekt de lidstaten met klem zorg te dragen voor de vergoeding van de kosten van sociale zekerheid van levende donoren;

26.   meent dat de biotechnologie in de toekomst, op voorwaarde dat de traceerbaarheid gewaarborgd is onderzoekers, wellicht de mogelijkheid biedt organen te kweken uit bestaand weefsel, ofwel van de patiënt zelf ofwel van een andere weefseldonor; verzoekt de Commissie dergelijk onderzoek te bevorderen, dat vaak wordt verricht door nieuwe, kleine of middelgrote biotechbedrijven in de EU, binnen de door de lidstaten vastgestelde culturele en ethische kaders, en in het handvest van de grondrechten en het Verdrag van de Raad van Europa inzake mensenrechten en biogeneeskunde;

27.   wijst erop dat de doeltreffendheid van behandeling met volwassen stamcellen bij verschillende celvervangingstherapieën reeds door meerdere klinische proeven op proefpersonen is aangetoond;

Efficiëntie en toegankelijkheid van transplantatiesystemen

28.   merkt op dat er geen uitgebreid systeem bestaat voor het verzamelen van gegevens over de verschillende soorten transplantaties en hun resultaat, ondanks het feit dat verscheidene lidstaten verplichte registratie van transplantatieprocedures hebben ingevoerd en er daarnaast ook enkele vrijwillige registratiesystemen bestaan; is sterk voor het opzetten van nationale registers van levende donoren, patiënten met een transplantatie en transplantatieprocedures; wijst erop dat die registers regelmatig moeten worden bijgewerkt en beklemtoont dat de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten onderling van belang is;

29.   verzoekt de Commissie om richtsnoeren met betrekking tot de registratie op te stellen voor de lidstaten, om ervoor te zorgen dat de geregistreerde personen bepaalde informatie verstrekken over hun medische geschiedenis en om de kwaliteit en veiligheid van de donororganen te garanderen, aangezien registratie meer betekent dan louter het inschrijven van een naam, en gevolgen inhoudt voor zowel de donor als de ontvanger;

30.   nodigt de Commissie uit de ontwikkeling te vergemakkelijken van technische en ethische kernnormen voor de beheersing van de veiligheid, kwaliteit en werkzaamheid van orgaandonatie in het kader van donatie en transplantatie, die de lidstaten als voorbeeld kunnen dienen; verzoekt de Commissie een EU-mechanisme op te zetten dat de coördinatieactiviteiten tussen de lidstaten bevordert met betrekking tot orgaandonatie en -transplantatie;

31.   meent dat de potentiële waarde van het delen van organen tussen de lidstaten wat betreft medische en technische mogelijkheden, een aanvullend voordeel is van de samenwerking tussen EU-lidstaten, wat in de mededeling van de Commissie onvoldoende wordt beklemtoond, waarbij altijd rekening dient te worden gehouden met de geografische beperkingen van dergelijke uitwisselingen en de mogelijke effecten op de levensduur van de organen; beklemtoont in dit verband de gunstige resultaten van internationale systemen; gelooft dat het delen van organen van grote waarde kan zijn, met name bij lastige transplantatieprocedures (bijvoorbeeld bij overgevoelige of zeer urgente patiënten en patiënten waarbij bijzondere omstandigheden gelden en voor wie moeilijk een geschikte donor kan worden gevonden);

32.   nodigt de Commissie en de lidstaten uit om onderzoek te doen naar alle kwesties betreffende orgaantransplantatie voor niet-EU-ingezetenen in lidstaten en om een gedragscode te ontwikkelen die regels en voorwaarden bevat voor de toewijzing aan niet-EU-ingezetenen van organen die zijn afgestaan door overleden EU-donoren;

33.   onderstreept dat een goede samenwerking tussen de zorgverleners en de verantwoordelijke autoriteiten noodzakelijk is en zorgt voor een toegevoegde waarde; verzoekt de Commissie samenwerkingsverbanden te vergemakkelijken tussen de nationale transplantatieorganisaties in de lidstaten, waarbinnen wordt samengewerkt op juridisch, ethisch en technisch niveau; erkent dat er situaties in de transplantatiegeneeskunde bestaan die niet naar behoren kunnen worden aangepakt in lidstaten met een beperkt donorbestand; gelooft dat met name kleine lidstaten aanmerkelijk kunnen profiteren van Europese samenwerking;

34.   verzoekt om invoering van een EU-wijde donorkaart, naast bestaande nationale systemen;

35.   meent dat internationale samenwerking ter bevordering van de beschikbaarheid en de veiligheid van organen wenselijk is; wijst er in dit verband op dat algemene regels met betrekking tot de beste medische praktijken, diagnosetechnieken en conservering nuttig kunnen zijn; verzoekt de lidstaten een dergelijke samenwerking actief te stimuleren en dit stelsel van algemene regels toe te passen;

Publieke bewustzijn vergroten

36.   onderstreept het belang van bewustzijnsverhoging bij het publiek aangaande orgaandonatie en -transplantatie, aangezien dat het opsporen van orgaandonoren kan vereenvoudigen en zodoende de beschikbaarheid van organen kan vergroten; doet dan ook een beroep op de Commissie, de lidstaten en het maatschappelijk middenveld orgaandonatie verder structureel te bevorderen, onder andere bij de schoolgaande jeugd; stelt in dit verband voor bekende persoonlijkheden (zoals sportlieden) in te schakelen en deze problematiek ook in onderwijspakketten aan de orde te stellen;

37.   wijst erop dat de voorlichting over orgaandonatie en -transplantatie moet worden gegeven op een transparante, onbevooroordeelde en niet-sturende manier, waarbij ook de omvang van orgaandonaties wordt besproken, bijvoorbeeld dat de donatie meerdere organen kan omvatten en dat er ook weefsel kan worden gedoneerd;

38.   onderstreept dat de vrije keuze om al of niet een orgaan te doneren het exclusieve recht van de donor is en moet worden gerespecteerd en dat orgaandonatie moet worden beschouwd als een geschenk van één mens aan een ander; wijst erop dat dit zich moet weerspiegelen in het taalgebruik, dat economische terminologie vermeden moet worden, die de indruk zou kunnen wekken dat organen kunnen worden behandeld als een handelsproduct van de interne markt;

39.   verzoekt de Commissie na te denken over de verdere ontwikkeling en uitbreiding van de bestaande Europese website over orgaandonatie(7), alsmede die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)(8) voor alle lidstaten in alle officiële talen van de EU, met als doel alle relevante informatie en gegevens over orgaandonatie en -transplantatie te leveren.

40.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om promotie te voeren voor een donordag en beveelt aan acties te organiseren die de goede resultaten en het belang van transplantatie te onderstrepen;

41.   is ervan overtuigd dat een zeer doeltreffende manier om de beschikbaarheid van organen te vergroten bestaat uit het geven van meer voorlichting aan het publiek, ook op lokaal en regionaal niveau; roept de Commissie, de lidstaten en maatschappelijke organisaties, kerken en religieuze en humanistische organisaties op bij te dragen aan deze inspanning om het publieke bewustzijn te verhogen met betrekking tot de mogelijkheid van orgaandonatie, en daarbij rekening te houden met de culturele bijzonderheden van de afzonderlijke lidstaten; beklemtoont dat voor geregistreerde donoren een belangrijke rol is weggelegd bij familie en vrienden orgaandonatie te promoten en hen aan te sporen om ook donor te worden;

42.   erkent het belang van verbetering van de communicatievaardigheden van zorgverleners door, bijvoorbeeld, het ontwikkelen van voorlichtingsrichtsnoeren; beklemtoont de noodzaak van een professionele houding ten opzichte van communicatie en ondersteuning van deskundigen op dat terrein; speciale aandacht moet uitgaan naar zowel de inhoud van de boodschap als de beste manier om met de meest controversiële onderwerpen om te gaan; beklemtoont het belang van regelmatige bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de media om de goede resultaten en het belang van transplantatie onder de aandacht te brengen;

43.   is voorstander van de oprichting van een transplantatie-"hotline" met een enkel telefoonnummer, eventueel beheerd door een nationale transplantatieorganisatie en 24 uur per dag bemand door degelijk opgeleide en ervaren deskundigen die snel nuttige en zakelijke medische en juridische voorlichting kunnen verstrekken aan alle belanghebbenden;

44.   verzoekt de Commissie onderzoek naar orgaandonatie en -transplantatie grensoverschrijdend te ondersteunen om de invloed aan te pakken van etniciteit, land van herkomst, geloof, opleidingsniveau en sociaaleconomische klasse op het besluit om organen voor donatie aan te bieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten snel de uitkomsten van dat onderzoek te verspreiden met het oog op voorlichting van het publiek en het wegnemen van misvattingen;

Kwaliteit en veiligheid verbeteren

45.   erkent het vitale belang van kwaliteits- en veiligheidsborging van de orgaandonatie en -transplantatie; wijst erop dat dit van invloed is op het verkleinen van de transplantatierisico's en derhalve zal leiden tot vermindering van nadelige gevolgen; erkent dat acties met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid van organen en vice versa; verzoekt de Commissie de lidstaten te helpen bij capaciteitsopbouw voor het opstellen en ontwikkelen van nationale wetgeving en een regelgevingskader ter bevordering van kwaliteit en veiligheid, zonder dat dit de beschikbaarheid van transplantatieorganen negatief beïnvloedt;

46.   erkent dat toezicht op en evaluatie van post-donatie- en post-transplantatieresutaten dient plaats te vinden; beklemtoont dat gestreefd moet worden naar een gemeenschappelijke methode van data-analyse op grond van de beste praktijken die thans door de lidstaten worden toegepast om een maximale grensoverschrijdende vergelijkbaarheid van resultaten over de lidstaten te bereiken;

47.  47 vraagt de lidstaten om de periode waarin transplantatiepatiënten gevolgd worden te verlengen tot verscheidene jaren en bij voorkeur zelfs zo lang de patiënt leeft en/of het transplantaat functioneert;

48.   verzoekt de Commissie om binnen het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013), middelen toe te wijzen aan de bevordering van onderzoek naar betere en gevoeliger diagnosetechnieken, die vroeg en doeltreffend schadelijke ziekten, zoals hiv/aids, hepatitis en andere, aan het licht zullen brengen, aangezien het uitsluiten van allerlei nadelige factoren en agentia in de organen van de donor een belangrijk aspect vormt van orgaantransplantatie;

Orgaanhandel

49.   wijst erop dat er een verband bestaat tussen het tekort aan en de handel in organen, omdat orgaanhandel de geloofwaardigheid van het systeem voor potentiële vrijwillige en onbetaalde donoren aantast; benadrukt dat commerciële exploitatie van organen onethisch is en in strijd met de meest fundamentele menselijke waarden; legt er de nadruk op dat orgaandonatie uit financiële overwegingen de donatie van een orgaan verlaagt tot een commerciële daad die een schending is van de menselijke waardigheid en inbreuk pleegt op artikel 21 van het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde en verboden is volgens artikel 3, lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

50.   roept de Commissie op voor wat betreft derde landen, de strijd aan te binden met de praktijk van orgaan- en weefselhandel die wereldwijd verboden dient te worden, alsmede met de transplantatie van organen en weefsels, afkomstig van minderjarigen, geestelijk gehandicapten en terechtgestelde gevangenen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de bewustwording van de internationale gemeenschap op dit punt te stimuleren;

51.   is van oordeel dat, om orgaanhandel te bestrijden in de armere werelddelen, er een langetermijnstrategie nodig is om een einde te maken aan de sociale ongelijkheden die aan de oorsprong liggen van dergelijke praktijken; benadrukt dat, om de verkoop van organen voor geld (vooral in ontwikkelingslanden) tegen te gaan, er traceringsmechanismen moeten worden ingevoerd, om te verhinderen dat deze organen de EU binnenkomen;

52.   verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om 'transplantatietoerisme' te voorkomen door het opstellen van richtlijnen ter bescherming van de armste en kwetsbaarste donoren zodat zij niet ten prooi vallen aan orgaanhandel, alsmede het aannemen van maatregelen die de beschikbaarheid van wettig verkregen organen vergroten, en door uitwisseling van wachtlijsten door de bestaande organisaties voor de uitwisseling van organen om inschrijving op meerdere wachtlijsten te voorkomen; verzoekt de Commissie via de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid een gemeenschappelijke aanpak te stimuleren met het doel informatie te verzamelen over de nationale wetgeving inzake orgaanhandel en de belangrijkste problemen en hun mogelijke oplossingen in kaart te brengen; wijst er met dit doel op dat er een systeem moet worden opgezet om menselijk materiaal te traceren en controleren;

53.   verzoekt de lidstaten met klem daar waar nodig hun Wetboek van Strafrecht aan te passen om ervoor te zorgen dat personen die zich schuldig maken aan illegale handel in organen op adequate wijze worden vervolgd, onder meer door de invoering van straffen voor medisch personeel dat betrokken is bij de transplantatie van door illegale handel verkregen organen, en tevens alles te doen wat in hun macht ligt om te voorkomen dat potentiële ontvangers hun toevlucht nemen tot illegaal verhandelde organen en weefsels; benadrukt dat hierbij moet worden gedacht aan het voorzien in een strafrechtelijke aansprakelijkheid voor EU-burgers die binnen of buiten de Unie organen kopen;

54.   verzoekt de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gezondheidszorg betrokken raakt bij het vergemakkelijken van de handel in organen en weefsels (d.w.z. door een patiënt door te verwijzen naar een buitenlandse transplantatiedienst, die mogelijks betrokken is bij illegale handel) en om te voorkomen dat zorgverzekeraars hun medewerking verlenen aan activiteiten die direct of indirect de illegale handel in organen bevorderen, bijvoorbeeld door het vergoeden van de kosten die gemoeid zijn met illegale orgaantransplantatie;

55.   is van mening dat de lidstaten moeten toezien op de organisatie van opleidingen zijn voor hun wetshandhavingsdiensten en medisch personeel over de illegale handel in organen, om ervoor te zorgen dat elk bekend geval aan de politie wordt gemeld;

56.   verzoekt de lidstaten het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel en het Protocol van Palermo te ondertekenen, te ratificeren en uit te voeren als zij dat nog niet hebben gedaan;

57.   betreurt dat Europol geen studie over orgaanverkoop en orgaanhandel heeft voorgelegd, met het argument dat er geen met documenten te staven gevallen zouden zijn; verwijst naar de rapporten van de Raad van Europa en de WHO waaruit duidelijk blijkt dat orgaanhandel ook voor de EU-lidstaten een probleem is; verzoekt de Commissie en Europol het toezicht op orgaanhandel te verbeteren en de noodzakelijke conclusies te trekken;

58.   verzoekt de Commissie en de Raad het actieplan inzake mensenhandel bij te werken en hierin een actieplan voor de strijd tegen illegale handel in organen op te nemen, om nauwere samenwerking tussen de betrokken autoriteiten mogelijk te maken;

59.   is daarnaast van mening dat in het actieplan moet worden verwezen naar correcte en geverifieerde gegevens met betrekking tot hoeveelheid, type en herkomst van illegaal verhandelde organen;

o
o   o

60.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de WHO, de Raad van Europa alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 102 van 7.4.2004, blz.48.
(2) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
(3) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(4) PB L 121 van 1.5.2001, blz. 34.
(5) 3e editie, 2007.
(6) SANCO C6 EFZ/gsc D (2007) 360346.
(7) www.eurodonor.org (en/of www.eurocet.org)
(8) www.transplant-observatory.org


Rol van vrijwilligerswerk als bijdrage aan de economische en sociale cohesie
PDF 141kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de rol van vrijwilligerswerk als bijdrage aan de economische en sociale cohesie (2007/2149(INI))
P6_TA(2008)0131A6-0070/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien het vierde verslag over de economische en sociale cohesie (COM(2007)0273),

–   gezien Besluit nr. 1904/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma Europa voor de burger ter bevordering van een actief Europees burgerschap(1),

–   gezien Besluit nr. 1719/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 tot vaststelling van het programma Jeugd in actie voor de periode 2007-2013(2),

–   gezien Besluit nr. 2006/144/EG van de Raad van 20 februari 2006 inzake communautaire strategische richtsnoeren voor plattelandsontwikkeling (programmeringsperiode 2007-2013)(3),

–   gezien Beschikking 2006/702/EG van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie(4),

–   gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 13 november 2006 over de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen inzake participatie door en voorlichting van jongeren ter bevordering van hun actief Europees burgerschap(5),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Het bevorderen van de volledige participatie van jongeren in het onderwijs, het arbeidsleven en het maatschappelijk leven" (COM(2007)0498),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De demografische toekomst van Europa: probleem of uitdaging?" (COM(2006)0571),

–   gezien Aanbeveling 2001/613/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juli 2001 inzake de mobiliteit binnen de Gemeenschap van studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2007 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap(7),

–   gezien het advies van het Comité van de Regio's over de bijdrage van vrijwilligerswerk aan de economische en sociale cohesie(8),

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake vrijwilligerswerk: de rol en de invloed hiervan in de Europese samenleving(9),

–   gezien het advies van het Comité van de Regio's over de rol van verenigingen - een bijdrage aan de Europese samenleving(10),

–   gelet op de artikelen 158 en 159 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0070/2008),

A.   overwegende dat er volgens betrouwbare schattingen meer dan 100 miljoen EU-burgers vrijwilligerswerk doen(11),

B.   overwegende dat de eerste bevindingen voortvloeiend uit de implementatie van het handboek van de VN over non-profit organisaties (Non-Profit Institutions, NPI's) aangeven dat de economische bijdrage van NPI's gemiddeld 5% van het BBP bedraagt en dat zelfs volgens voorzichtige ramingen de vrijwilligerstijd goed is voor ruim een kwart van dat percentage(12),

C.   overwegende dat vrijwilligerswerk een belangrijke stuwende kracht is voor de samenleving en daarnaast de solidariteit vergroot – een van de kernwaarden van de Europese Unie -, en tevens uiterst belangrijk voor de ondersteuning van de communautaire ontwikkelingsprogramma's, in het bijzonder in de nieuwe lidstaten die geleidelijk een postcommunistische overgangsperiode achter zich laten,

D.   overwegende dat een recent onderzoek naar organisaties die met vrijwilligers werken in heel Europa een hoge toegevoegde waarde heeft aangetoond: elke 1 EUR die organisaties uitgaven aan ondersteuning van vrijwilligers leverde een gemiddeld rendement op ter waarde van 3 tot 8 EUR(13),

E.   overwegende dat de zeer aanzienlijke bijdrage van vrijwilligerswerk aan de opbouw van sociaal kapitaal volledig moet worden erkend,

F.   overwegende dat duurzame financiering, met name financiering voor bestuursdoeleinden, van wezenlijk belang is voor vrijwilligersorganisaties en voor vrijwilligerswerk in het algemeen,

G.   overwegende dat in het recente verslag van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden is geconcludeerd dat het sociaal kapitaal een sleutelelement vormt in de ontwikkeling van beleid ter bevordering van economische ontwikkeling op het platteland(14),

H.   overwegende dat uit een recent onderzoek naar een succesvol URBAN-programma in Aarhus blijkt dat plaatselijke burgers en vrijwillige inspanning cruciaal waren voor de succesvolle uitvoering van het programma(15),

I.   overwegende dat vrijwilligerswerk niet alleen een meetbare economische waarde heeft, maar dat het wellicht ook aanmerkelijke besparingen oplevert voor openbare diensten; overwegende dat het in dit verband belangrijk is ervoor te zorgen dat vrijwilligerswerk een aanvulling vormt op openbare diensten maar niet een vervanging hiervan mag zijn,

J.   overwegende dat vrijwilligerswerk bijdraagt aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van de vrijwilliger en een positieve invloed heeft in de gemeenschap, bijvoorbeeld op de intermenselijke relaties,

K.   overwegende dat vrijwilligers een belangrijke rol spelen in de verwezenlijking van de doelstelling van de Lissabon-strategie van sociaal-economische cohesie door bij te dragen aan de financiële integratie, bijvoorbeeld door invoering van gereguleerde kredietcoöperaties die als financiële coöperatie zonder winstoogmerk worden beheerd en bestuurd door vrijwilligers,

L.   overwegende dat de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen een belangrijke stimulans voor ondernemen is en een centraal element vormt van het Europees sociaal model,

M.   overwegende dat er een verband bestaat tussen vrijwilligerswerk en duurzame ontwikkeling,

N.   overwegende dat het belangrijk is om positieve praktijkvoorbeelden in het managen van vrijwilligerswerk te bevorderen en te ondersteunen in vrijwilligersorganisaties;

O.   overwegende dat vrijwilligerswerk leidt tot de directe betrokkenheid van burgers bij plaatselijke ontwikkeling, en zo een belangrijke rol kan spelen bij de bevordering van de civiele samenleving en de democratie,

P.   overwegende dat de Raad in zijn bovengenoemde resolutie over actief Europees burgerschap een grotere participatie aanmoedigt van jongeren in de samenleving, participerende structuren en vrijwilligerswerk,

Q.   overwegende dat de demografische veranderingen in Europa inhouden dat er nu een groter aantal potentiële oudere vrijwilligers is,

R.   overwegende dat vrijwilligerswerk een positieve uitwerking kan hebben op de gezondheid van mensen(16); overwegende dat dit voordeel kan gelden voor alle leeftijden en een preventieve functie kan hebben met betrekking tot geestes- en lichamelijke ziekten,

S.   overwegende dat er voor vrijwilligerswerk een rol is weggelegd in initiatieven voor plaatselijke ontwikkeling en in de bevordering van een succesvolle implementatie van een aantal door de EU gefinancierde initiatieven, zoals het Leaderprogramma, Interreg en het PEACE-programma,

1.   moedigt de lidstaten, en regionale en lokale instanties, aan de waarde van vrijwilligerswerk te erkennen bij het bevorderen van sociale en economische cohesie; moedigt hen bovendien samen te werken met vrijwilligersorganisaties, en in zinvol overleg met de vrijwilligerssector plannen en strategieën te ontwikkelen ter erkenning, waardering, ondersteuning, facilitering en stimulering van het vrijwilligerswerk; dringt er bovendien bij de lidstaten op aan om een stabiel en institutioneel kader te creëren voor deelname door niet-gouvernementele organisaties (NGO's) aan het publieke debat;

2.   roept de betreffende deskundigen van de Commissie op een duidelijker onderscheid te maken tussen vrijwilligersorganisaties en niet-gouvernementele organisaties (NGO's), wier activiteiten niet op dezelfde vrijwillige basis zijn georganiseerd; vraagt tevens om een omvattende pan-Europese studie naar de aard, het niveau en de interne mechanismen van maatschappelijke participatie, met inbegrip van vrijwillige participatie en financiële middelen voor dit doel;

3.   roept de lidstaten, regionale en lokale autoriteiten op zich daadwerkelijk in te spannen om de toegang tot toereikende en duurzame financiering voor bestuurlijke en projectdoeleinden eenvoudiger te maken voor vrijwilligersorganisaties, zonder een overdaad aan in te vullen formulieren, administratieve rompslomp of bureaucratie maar wel met behoud van de benodigde controle over de besteding van overheidsgeld;

4.   doet een dringend beroep op de lidstaten en de regionale en lokale instanties om in elke regio het instellen van vrijwillige nooddiensten te ondersteunen, zodat snel kan worden gereageerd op natuurrampen en ongevallen;

5.   vestigt de aandacht van de Commissie op het feit dat het beginsel van partnerschap vervat in zowel de communautaire strategische richtsnoeren voor plattelandsontwikkeling (programmeringsperiode 2007-2013) als de strategische richtsnoeren van de Gemeenschap voor het cohesiebeleid op nationaal niveau niet altijd in acht wordt genomen(17), en dringt er derhalve bij de Commissie op aan de nodige bestuurlijke en institutionele stappen te ondernemen om ervoor te zorgen haar eigen beleid, procedures en protocollen daadwerkelijk worden nageleefd en ten uitvoer worden gebracht tijdens overleg en onderhandelingen voor het structuurfonds en de daaropvolgende acties;

6.   beveelt alle lidstaten aan standaard "NPI-satellietrekeningen" aan te maken en roept op vrijwilligerswerk in deze "satellietrekeningen" op te nemen zodat beleidsmakers bij hun formulering van het beleid rekening kunnen houden met de NPI's; verzoekt de Commissie na te gaan hoe vrijwilligerswerk als aparte categorie kan worden opgenomen in de statistische berekeningen van EUROSTAT;

7.   steunt sterk de opvatting dat vrijwilligerswerk en vrijwilligersactiviteiten niet de plaats van betaald werk mogen innemen;

8.   verzoekt de Commissie te werken aan de opzet van een systeem voor alle communautaire programma's waardoor vrijwilligerswerk kan worden erkend als bijdrage aan gecofinancierde projecten, en mechanismen te ontwikkelen waardoor vrijwilligerswerk naar behoren kan worden begroot; verwelkomt de inspanningen van enkele directoraten-generaal van de Commissie om zich flexibeler op te stellen ten aanzien van vrijwilligerswerk als evenredige bijdrage aan de communautaire financiering van gemeenschappelijk gefinancierde projecten;

9.   verzoekt de Commissie de mogelijkheden voor oudere vrijwilligers te bevorderen en een programma "Senioren in actie" te ontwikkelen voor het toenemend aantal ervaren oudere burgers die bereid zijn vrijwilligerswerk te doen, een programma dat parallel kan lopen aan en een aanvulling kan vormen op het bovengenoemde programma "Jeugd in actie", en voorts specifieke programma's te bevorderen voor intergenerationeel vrijwilligerswerk en voor mentorschap;

10.   moedigt de lidstaten aan vrijwilligerswerk binnen alle gemeenschappen zowel reëel als virtueel te stimuleren en te faciliteren, bijv. vrijwilligerswerk in gezinsverband, of in marginale groeperingen of groeperingen die geen vrijwilligerstraditie kennen en het grote belang te benadrukken van het organiseren van vrijwilligerswerk, teneinde zeker te stellen dat vrijwilligerswerk te combineren is met gezins- en het beroepsleven;

11.   moedigt ondernemingen en andere instanties in de particuliere sector aan om als onderdeel van hun beleid inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid, initiatieven ter bevordering en verbetering van het vrijwilligerswerk financieel te steunen en verzoekt de lidstaten met klem te voorzien in stimulansen voor de particuliere sector om de vrijwilligerssector te financieren en te ondersteunen, en zo de overdracht van bedrijfsvaardigheden en kennis van de particuliere sector naar de publieke sector te helpen bevorderen en plaatselijke gemeenschappen te helpen volwassen te worden en de levenskwaliteit op plaatselijk niveau te verbeteren door "zelfhulp" bij het oplossen van plaatselijke problemen te stimuleren;

12.   verzoekt de Commissie te zorgen voor een betere erkenning van vrijwilligerswerk als een geschikte activiteit voor het opdoen van bekwaamheden en vaardigheden via YOUTHPASS, gekoppeld aan de EUROPASS, en tegelijkertijd te waarborgen dat vrijwilligerswerk niet wordt beschouwd als een alternatief van formele scholing maar als aanvulling daarop; dringt tevens aan op nationale en lokale maatregelen ter vergroting van de mobiliteit van vrijwilligers;

13.   verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek te doen naar de vertraging die is opgelopen bij het aannemen van het voorgestelde Europees handvest voor vrijwilligers waarin de rol van vrijwilligersorganisaties wordt vastgelegd, met inbegrip van hun rechten en verantwoordelijkheden; beveelt aan jaarlijkse wederzijdse evaluaties in te voeren om het vrijwilligerswerk in lidstaten en binnen specifieke sectoren en organisaties te beoordelen;

14.   beveelt de Commissie en de lidstaten aan tegelijkertijd een databank met basisgegevens over vrijwilligersorganisaties en positieve praktijkvoorbeelden op te zetten, die nuttige richtsnoeren voor verbetering van het vrijwilligerswerk zouden bieden;

15.   roept de betrokken overheidsinstanties op ervoor te zorgen dat vrijwilligers adequaat gedekt zijn door een verzekering tegen ongevallen en persoonlijke aansprakelijkheid met betrekking tot hun vrijwilligersactiviteiten en dat tevens goedgekeurde onkosten van vrijwilligers in verband met hun vrijwilligersactiviteiten zijn gedekt;

16.   verzoekt de Commissie, de lidstaten alsmede de regionale en lokale instanties vrijwilligerswerk te stimuleren via het onderwijs op alle niveaus en al in een vroeg stadium van het onderwijssysteem mogelijkheden voor vrijwilligerswerk te creëren, zodat het wordt beschouwd als een normale bijdrage aan het gemeenschapsleven, en dergelijk werk te blijven stimuleren naarmate leerlingen ouder worden, om 'service learning' te vergemakkelijken, waarbij studenten met vrijwilligers-/gemeenschapsgroepen in een partnerschapmodel samenwerken als onderdeel van hun reguliere lesprogramma, de koppeling tussen de vrijwilligers- en onderwijssector op alle niveaus aan te moedigen, vrijwilligerswerk te stimuleren en het leerproces in vrijwilligerswerk als onderdeel van levenslang leren te erkennen;

17.   verzoekt de Commissie, in het licht van de voor 2010 geplande herziening van de BTW-bepalingen ten aanzien van openbare organen en sociale vrijstellingen, met de lidstaten te beraadslagen over de sterke sociale argumenten voor de invoering van BTW-vrijstellingen voor in de lidstaten geregistreerde vrijwilligersorganisaties bij de aankoop van goederen die bestemd zijn voor de realisering van hun doelstellingen, en daarbij ook de argumenten in overweging te nemen om in specifieke gevallen vrijstelling van BTW te verlenen voor goederen en diensten die aan deze vrijwilligersorganisaties worden geschonken;

18.   verzoekt de lidstaten een duurzame vrijwilligersinfrastructuur op te zetten die kwesties behandelt zoals subsidies voor vrijwilligersorganisaties, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel;

19.   beveelt aan dat 2011 wordt uitgeroepen tot Europees jaar van de vrijwilligers;

20.   erkent de diversiteit van vrijwilligerswerk in de lidstaten, maar moedigt de lidstaten en regionale en lokale instanties aan waar mogelijk van elkaar te leren door uitwisseling van de optimale werkwijzen;

21.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan steunregelingen in te voeren voor het opzetten van efficiëntere systemen voor samenwerking en networking tussen vrijwilligersorganisaties en de bestaande internationale uitwisselingsstructuren te versterken, die in bepaalde gevallen kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen; dringt in het bijzonder aan op de invoering van programma's die moeten helpen bij het stimuleren van vrijwilligersactiviteiten in lidstaten waar dit soort activiteiten geassocieerd zijn geraakt met verplichte acties;

22.   beveelt de bevordering aan van grensoverschrijdende vrijwilligersprojecten;

23.   verzoekt de Commissie een positieve houding aan te nemen ten aanzien van de situatie van vrijwilligers op alle terreinen van het beleid en de regelgeving;

24.   roept de desbetreffende plaatselijke en regionale betrokkenen, vrijwilligersorganisaties en media op adequate informatie te verstrekken aan burgers over de mogelijkheden van vrijwilligerswerk, gekoppeld aan passende training waarbij speciale aandacht uitgaat naar de kwetsbaardere groeperingen in de samenleving en de behoeften van afgelegen en ontoegankelijke regio's;

25.   dringt er bij de Commissie op aan naast Plan D voor Democratie, Dialoog en Debat een Plan V op te stellen voor waardering, erkenning en waarborging van de zichtbaarheid van vrijwilligers (Valuing, Validating and ensuring Visibility of Volunteers);

26.   verzoekt de Commissie haar visumbeleid te herzien voor deelnemers uit derde landen aan erkende EU-vrijwilligersprogramma's, met het oog op de invoering van een vrijer visumregime met name voor vrijwilligers uit buurlanden van de EU;

27.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

(1) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 32.
(2) PB L 327 van 24.11.2006, blz. 30.
(3) PB L 55 van 25.2.2006, blz. 20.
(4) PB L 291 van 21.10.2006, blz. 11.
(5) PB C 297 van 7.12.2006, blz. 6.
(6) PB L 215 van 9.8.2001, blz. 30.
(7) PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 45.
(8) PB C 105 van 25.4.2008, blz. 11.
(9) PB C 325 van 30.12.2006, blz. 46.
(10) PB C 180 van 11.6.1998, blz. 57.
(11) Eurobarometerverslag "Social Reality Stocktaking" (februari 2007).
(12) Verslag van de Johns Hopkins University, 'Measuring Civil Society and Volunteering', september 2007, www.jhu.edu/ccss.
(13) Volunteering works", Institute for Volunteering Research and Volunteering, Groot-Brittannië, september 2007.
(14) Zie Mandl, I., Oberholzner, T., & Dörflinger, C. European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions. http://www.eurofound.europa.eu/pubdocs/2007/18/en/1/ef0718en.pdf
(15) Vestergaard Poulsen, L. "From Deprived Neighbourhood to Sustainable Community", English Summary, The Urban II Programme in Aarhus 2002-2007.
(16) Zie The Health Benefits of Volunteering - A Review of Recent Research (Corporation for National and Community Service, 2007).
(17) Zie Civil Society as a Partner in European Union Structural Funds, Actie Service Europese Staatsburgers, november 2004.


Jaarverslag EIB 2006
PDF 227kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het jaarverslag van de Europese Investeringsbank over 2006 (2007/2251(INI))
P6_TA(2008)0132A6-0079/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de artikelen 266 en 277 van het EG-Verdrag, die betrekking hebben op de Europese Investeringsbank (EIB), en gezien het Protocol (nr. 11) betreffende de statuten van de EIB(1),

–   gezien artikel 248 van het EG-Verdrag betreffende de rol van de Rekenkamer,

–   gezien het Verdrag van Lissabon, dat op 13 december 2007 door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Europese Unie is ondertekend,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 februari 2007 over het jaarverslag van de EIB over 2005(2),

–   gezien Besluit 2007/247/EG van de Raad van 19 april 2007 inzake de deelneming van de Gemeenschap in de kapitaalverhoging bij het Europees Investeringsfonds (EIF)(3),

–   gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie van 10 juli 2003 betreffende de onderzoeksbevoegdheden van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) bij de EIB(4),

–   gezien Besluit 2006/1016/EG van de Raad van 19 december 2006(5), waarbij aan de EIB een nieuw mandaat wordt verleend om leningen te verstrekken voor een bedrag van 12,4 miljard EUR in de buurlanden van de Europese Unie,

–   gezien Verordening (EG) nr. 680/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie(6) en op Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie(7) (dat betrekking heeft op de risicodelende financieringsfaciliteit (RSFF)),

–   gezien de ondertekening op 11 januari 2008 van de samenwerkingsovereenkomst tussen de EIB en de Commissie, waarbij het leninggarantie-instrument is ingesteld voor projecten op het gebied van het trans-Europese vervoersnetwerk (LGTT),

–   gezien Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013)(8),

–   gezien het 49ste jaarverslag (2006) van de EIB en haar beleid inzake openbaarmaking van 28 maart 2006,

–   gezien de in 2006 door de EIB geproclameerde "Europese milieuprincipes",

–   gezien het werkprogramma van de EIB voor 2007-2009, zoals dat door de raad van bestuur op zijn vergadering van 12 december 2006 is goedgekeurd,

–   gezien de op 11 september 2007 door de president van de EIB, Philippe Maystadt, voor de Commissie begrotingscontrole gehouden toespraak,

–   gezien de goedgekeurde financiële verslagen over het boekjaar 2006, ter zake waarvan door een onafhankelijke accountant en door het Comité ter controle van de boekhouding van de EIB een positieve auditverklaring is afgegeven,

–   gezien de studie over de nieuwe financiële instrumenten voor de Europese vervoersinfrastructuur en transportdiensten(9),

–   gezien de werkzaamheden en de conclusies van het op 14 december 2007 in Clermont-Ferrand (Frankrijk) gehouden colloquium over de ordening en ontwikkeling van het grondgebied van de Europese Unie, de problematiek van investeren in de Unie en de financiering daarvan, en de plaats van de Europese Investeringsbank daarin,

–   gezien de voortgang van de thans lopende herziening die de EIB uitvoert van zijn fraudebestrijdingsbeleid en -procedures,

–   gezien de op 2 maart 2005 aangenomen Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, en de EU-consensus over ontwikkeling(10),

–   gezien artikel 45 en artikel 112, lid 2, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0079/2008),

A.   overwegende dat de opdracht van de EIB erin bestaat een bijdrage te leveren aan een evenwichtige en gelijkmatige ontwikkeling van de interne markt door een beroep te doen op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen,

B.   overwegende de rol die de EIB te vervullen heeft in de harmonische ontwikkeling van de Europese Unie als geheel en bij het terugdringen van de verschillen in ontwikkeling tussen de diverse regio's, met inbegrip van de ultraperifere gebieden,

C.   overwegende dat het door de EIB geplaatste kapitaal per 31 december 2006 163,7 miljard EUR bedroeg, waarin door de lidstaten een bedrag van 8,2 miljard EUR is gestort,

D.   overwegende dat volgens de statuten van de EIB het totaal aan door de EIB verstrekte leningen en garanties niet meer dan 250% van haar geplaatste kapitaal mag bedragen,

E.   overwegende dat de EIB niet aan de verplichtingen van Bazel II is onderworpen, maar dat zij besloten heeft vrijwillig aan deze regels te voldoen voor zover deze betrekking hebben op haar eigen activiteiten,

F.   overwegende dat de Commissie van toezicht op de financiële sector van Luxemburg (CSSF) erin heeft toegestemd het risicobeheersingsbeleid van de EIB van nabij te zullen volgen, doch uitsluitend in haar hoedanigheid van informeel orgaan en op louter raadgevende basis, waarbij het aan de EIB is om vast te stellen binnen welk kader zij Bazel II wenst toe te passen in het licht van haar eigen behoeften,

G.   overwegende dat de EIB een betrouwbare, concurrerentiële en duurzame energievoorziening tot een van haar prioriteiten heeft gemaakt, samen met economische en sociale cohesie, het ondersteunen van onderzoek, technologie en innovatie, de trans-Europese vervoers- en energienetwerken (TEN's), milieuduurzaamheid op lange termijn, de strijd tegen klimaatverandering en steunverlening aan kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's),

H.   overwegende dat de Europese Unie grote behoefte heeft aan financieringsmiddelen voor infrastructuurdoeleinden, waarvan de omvang wordt becijferd op 600 miljard EUR(11),

I.   overwegende dat de EIB bij de ontwikkeling van de TEN's een essentiële rol vervult door diverse instrumenten en mechanismen ter beschikking te stellen,

J.   overwegende de moeilijkheden die de Europese Unie heeft ondervonden bij de financiering van projecten van Europese omvang zoals het Galileo-project,

K.  overwegende de kwaliteit van de personele middelen van de EIB, in het bijzonder op het gebied van financiële instrumentering en hulp bij het opzetten van projecten,

L.   overwegende dat de EIB een prominente rol heeft gespeeld bij de financiering van projecten in de ontwikkelingslanden,

Algemene opmerkingen

1.   feliciteert de EIB met haar activiteitenverslag over 2006 en moedigt haar ertoe aan haar werkzaamheden ten behoeve van de ontwikkeling van de Europese economie voort te zetten om zodoende de groei, het scheppen van werkgelegenheid en de interregionale en sociale cohesie te bevorderen;

2.   is verheugd over de transparantie en de volledige samenwerking van de EIB met het Parlement;

3.   zou graag zien dat er - parallel met de kwijtingsprocedure voor het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) - ten minste eenmaal per jaar een voorlichtingsbijeenkomst tussen de EIB en de Commissie begrotingscontrole van het Europees Parlement wordt gehouden over de uitvoering van de investeringsfaciliteit van het EOF;

Begrotingscontrole en -beheer

4.   verzoekt de EIB alles in het werk te stellen voor het behoud van haar AAA-rating, die een garantie vormt voor de activiteiten van de bank en voor het verkrijgen van de beste rentepercentages voor haar leningen, en haar bedrijfseconomisch beleid in die zin aan te passen, zonder evenwel de investeringen op zeer lange termijn uit het oog te verliezen;

5.   beklemtoont dat de EIB een nultolerantiebeleid voert ten aanzien van fraude en corruptie, en is verheugd over de toename van het aantal onderzoeken dat is ingesteld en over de intensievere samenwerking met het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF); roept de EIB er voorts toe op bij de invoering van een beleid met procedures voor fraudebestrijding onder andere te voorzien maatregelen welke moeten resulteren in:

   i) een administratief uitsluitingsmechanisme voor ondernemingen die door de EIB of door andere multilaterale ontwikkelingsbanken schuldig zijn bevonden aan corruptie,
   ii) een beleid ter bescherming van klokkenluiders, en
   iii) een herziening van de bestaande aanbestedingsrichtsnoeren;

6.   neemt met voldoening kennis van het bestaan van een klachtenbureau, dat externe klachten in behandeling neemt en afwikkelt en van een beroepsprocedure voor klachten die via de Europese Ombudsman worden ontvangen; verwelkomt de dialoog tussen de Europese Ombudsman en de EIB en verleent daaraan zijn actieve ondersteuning; roept de EIB ertoe op haar interne bezwaarprocedure dienovereenkomstig te herzien en nieuwe richtsnoeren voor het instellen van beroep uit te vaardigen die zich uitstrekken tot alle door de EIB gefinancierde activiteiten;

7.   is ingenomen met het door de EIB in het kader van haar beleid inzake openbaarmaking streven naar transparantie en met het feit dat zij ten behoeve van het grote publiek op grote schaal informatie beschikbaar stelt, o.a. in de vorm van lijsten van gefinancierde projecten met beknopte informatie over die projecten; spoort de EIB ertoe aan de activiteiten van haar dienst voor "operationele evaluaties", die representatieve projecten en programma's steekproefsgewijs achteraf beoordeelt, verder te ontwikkelen;

Mechanismen voor boekhoudkundig en bedrijfseconomisch toezicht en systemen voor de meting van resultaten

8.   neemt kennis van de positieve externe accountantsverklaring en de in het jaarverslag van het Comité ter controle van de boekhouding neergelegde conclusies; wijst er eens te meer op dat het graag zou zien dat de EIB aan dezelfde regels inzake bedrijfseconomisch toezicht wordt onderworpen als kredietinstellingen, alsook aan daadwerkelijke prudentiële controle, waarbij het evenwel constateert dat deze regels niet van toepassing zijn op soortgelijke internationale financiële instellingen;

9.   dringt aan op de instelling van een onafhankelijke controlecommissie om toezicht te houden op de ontwikkeling van de financiële positie van de EIB, om ervoor te zorgen dat de door haar behaalde resultaten accuraat worden gemeten en dat de gedragsregels voor de sector correct worden nageleefd; spreekt de aanbeveling uit dat dit ten uitvoer wordt gelegd terwijl het onafhankelijke controlecomité van de EIB tegelijkertijd wordt uitgebreid;

10.   stelt voor dat de EIB het Comité van Europese bankentoezichthouders (CEBT) verzoekt met een advies te komen over deze controlecommissie en daarin aan te geven wie deze rol zou kunnen vervullen, in afwachting van de instelling van een officiële Europese toezichthouder voor het bankwezen; adviseert daarbij elk mogelijk scenario in aanmerking te nemen, inclusief bijvoorbeeld de inschakeling van het CEBT, van een nationale toezichthouder of van een aantal nationale toezichthouders die elkaar volgens een jaarlijks rouleersysteem zouden aflossen;

11.   feliciteert de EIB met de inspanningen die zij heeft geleverd om internationale standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) te introduceren in haar eigen geconsolideerde financiële staten, alsook in die van het Europees Investeringsfonds (EIF), waarvoor 2006 het eerste begrotingsjaar was waarin de IFRS-normen zijn toegepast;

12.   onderschrijft - voor zover de belanghebbenden daarover volledig worden geïnformeerd - de reserves die de EIB tot uitdrukking heeft gebracht ten aanzien van een overhaaste toepassing van de IFRS-normen op de jaarrekeningen, zolang er op dit gebied binnen de lidstaten nog geen brede overeenstemming is bereikt over bijvoorbeeld hantering van de waarderingsmethode op basis van de waarde in het economisch verkeer, een factor die bij de berekening van de niet-geconsolideerde financiële resultaten van de EIB sterke schommelingen zou kunnen teweegbrengen;

13.   pleit er niettemin voor dit aspect systematisch te blijven volgen, daar het in termen van presentatie, goedkeuring en gebruik van boekhoudkundige verslaglegging een cruciale rol zal gaan spelen naarmate de Europese Unie voor de financiering van haar infrastructuurvoorzieningen steeds meer een beroep zal moeten doen op risicokapitaaltransacties, financiering van KMO's en financiële instrumentering;

14.   neemt kennis van de door de EIB toegepaste methodes voor de evaluatie van kredietrisico's, die erop gericht zijn de nadelige gevolgen van een gebrek aan ervaring op het gebied van kredietverliezen in te dammen, en attendeert op de noodzaak tot invoering van preventieve maatregelen om de risico's met betrekking tot optimale bescherming van financiële middelen tot een minimum te beperken, teneinde ervoor te zorgen dat de doelstellingen van het Europese beleid ten uitvoer kunnen worden gelegd;

15.   neemt kennis van de inspanningen die zijn geleverd om deze moeilijkheden te boven te komen aan de hand van technieken voor de omzetting van interne en externe parameters, en wenst op de hoogte te worden gesteld van de nieuwe methoden die worden ingevoerd om cliënten van de EIB te beoordelen en kredietrisico's in te schatten; merkt voorts met betrekking tot effectiseringsoperaties op dat de vereenvoudigde strategie die thans wordt toegepast in de toekomst wellicht voor herziening in aanmerking komt;

16.   spreekt met betrekking tot de toepassing van Bazel II de hoop uit dat zal blijken dat de EIB in staat is haar taken met de haar ter beschikking staande middelen ten bedrage van 33,5 miljard EUR uit te voeren en dat zij tevens de hoogste rating (AAA) zal weten te behouden;

Strategie en doelstellingen

17.   is ingenomen met de opzet van de nieuwe strategie voor de periode 2007-2009, waarin onder meer een grotere plaats wordt ingeruimd voor het belang van toegevoegde waarde, de geleidelijk toenemende rol van risicobereidheid, onder andere bij activiteiten ten behoeve van KMO's en lokale overheden, het gebruik van nieuwe financiële instrumenten en nauwere samenwerking met de Commissie; verleent zijn onvoorwaardelijke steun aan het activiteitenprogramma van de EIB voor de periode 2007-2009;

Nieuwe strategische prioriteiten en instrumenten

18.   ziet het als positief dat de bevordering van veilige, concurrentiële en duurzame energie als een van de belangrijkste beleidspunten in het activiteitenprogramma van de bank is opgenomen, o.a. in de vorm van alternatieve en hernieuwbare energiebronnen, en dringt aan op de ontwikkeling van milieuvriendelijke financieringscriteria, in overeenstemming met de strategische doelstellingen van de Europese Unie voor het verminderen van broeikasgasemissies;

19.   constateert met voldoening dat duurzame ontwikkeling voor de EIB een essentiële eis blijft; feliciteert de EIB met de voortreffelijke resultaten die zij behaalt bij de verstrekking van leningen die zich richten op milieubehoud en sociale en economische cohesie; spoort de EIB ertoe aan een nog intensiever milieu- en sociaal beleid te gaan voeren, de normen die zij thans hanteert nog verder te blijven verbeteren en actualiseren, in het bijzonder met betrekking tot externe leningoperaties; verzoekt de EIB doelen en methodiek van zijn beoordelingsprocedure toe te lichten, een ruimer scala van maatschappelijke en milieufactoren op te nemen in zijn werkzaamheden; en erop toe te zien dat dergelijke activiteiten, met name op het Afrikaanse continent, aansluiten bij de Europese consensus inzake ontwikkeling en bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de VN; verzoekt de EIB erop toe te zien dat zij de burgermaatschappij actief bij haar werkzaamheden betrekt, onder andere door middel van raadplegingsprocedures;

20.   feliciteert de EIB met de tussen de EIB en de Commissie gesloten kaderovereenkomsten, te weten de RSFF en het LGTT; spoort de Commissie en de EIB ertoe aan meer gezamenlijke instrumenten ter ondersteuning van het door de Europese Unie gevoerde beleid te ontwikkelen en tegelijkertijd te trachten meer particulier kapitaal te mobiliseren om ervoor te zorgen dat de prioritaire doelstellingen van de EIB ten volle worden uitgevoerd;

Financiering van grote infrastructuurprojecten

21.   wijst er eens te meer op dat de EIB iedere vorm van concurrentie met de particuliere sector dient te vermijden, maar tegelijkertijd een aanvulling op die sector moet vormen, in haar streven om bij de financiering van Europese projecten een zo groot mogelijk hefboomeffect te bewerkstelligen;

22.   spoort de EIB er nogmaals toe aan prioriteit te geven aan de financiering van de TEN's, inclusief de grensoverschrijdende infrastructuren waarmee nationale netwerken onderling kunnen worden verbonden, nu deze een wezenlijk bestanddeel vormen van de ontwikkeling van een markteconomie die gericht is op sociale cohesie; verzoekt de EIB met betrekking tot de financiering van TEN's prioriteit te geven aan infrastructuur- en transportprojecten met een kleinere of negatieve CO2-voetafdruk;

23.   pleit ervoor dat de Commissie de EIB, gezien de kwaliteit van haar personele middelen, haar onpartijdige karakter en haar ervaring met de financiering van grote infrastructuurprojecten, opdraagt strategisch overleg te voeren over de financiering van infrastructuurvoorzieningen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de noodzaak tot evenwichtige regionale ontwikkeling en waarbij geen enkel mogelijk scenario mag worden uitgesloten, namelijk subsidieverlening, storting van de bedragen waarvoor de lidstaten op het door de EIB geplaatste kapitaal hebben ingeschreven, leningen (waaronder EIB-leningen, die bijvoorbeeld zijn gefinancierd met behulp van speciale leningen van de lidstaten(12)), innovatieve instrumenten zoals de RSFF en het LGTT, financiële instrumentering die is toegesneden op langetermijnprojecten welke niet direct renderen, ontwikkeling van garantiesystemen, inrichting van een investeringscomponent binnen de begroting van de Europese Unie, instelling van financiële consortia tussen Europese, nationale en lokale instanties, publiek-private partnerschappen, enz.;

Steun voor KMO's

24.   dringt er bij de EIB op aan erop toe te zien dat er voldoende risicodragend kapitaal beschikbaar wordt gesteld voor KMO's die problemen ondervinden met het aantrekken van risicokapitaal; is ingenomen met de lancering van het gemeenschappelijk JEREMIE-initiatief (gezamenlijke Europese middelen voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen), dat in 2005 door het directoraat-generaal Regionaal Beleid van de Commissie en de EIB is ontwikkeld om ondernemingen beter toegang te kunnen verschaffen tot financiële instrumenteringsmechanismen, en roept ertoe op het Programma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP) verder te ontwikkelen in het kader van de prioriteiten van de Lissabon-agenda;

25.   brengt in herinnering dat het de deelname van de EU in de kapitaalverhoging van het EIF heeft goedgekeurd teneinde het EIF de middelen ter beschikking te stellen waaraan het behoefte heeft om zijn taak te kunnen vervullen en het beleid van economische en sociale cohesie ten uitvoer te kunnen leggen;

26.   bevestigt de noodzaak beter in te spelen op de tekortkomingen van de markt voor de financiering van KMO's en spoort de Commissie, de EIB en het EIF ertoe aan de diversifiëring van de bovenstroomse (m.b.t. technologieoverdracht) en benedenstroomse (m.b.t. mezzaninefinanciering) financiële instrumenten van de Gemeenschap voor het aantrekken van risicokapitaal voort te zetten, en de ontwikkeling van microkredieten in Europa in het kader van het nieuwe Europese initiatief voor de ontwikkeling van microkrediet ter ondersteuning van groei en werkgelegenheid (COM(2007)0708) te bevorderen;

Steun bij het opzetten van projecten

27.   wijst met nadruk op de rol die de EIB te vervullen heeft uit een oogpunt van expertise bij het opzetten van projecten, onder andere dankzij het JASPERS-programma (Joint Assistance to Support Projects in European Regions; en attendeert erop dat de toegevoegde waarde van de EIB voor een belangrijk deel gelegen is in zijn instrumentele capaciteit bij het opzetten van de financiering van projecten en publiek-private partnerschappen, met name in het kader van het Europees expertisecentrum op het gebied van publiek-private partnerschappen (EPEC), en verzoekt de EIB op lokaal niveau beter met projectleiders te communiceren over de technische bijstand die zij kan verlenen;

28.   feliciteert de EIB met de opening van nieuwe agentschappen in de lidstaten, hetgeen de zichtbaarheid van de EIB en de betrokkenheid van projectleiders ten goede zal komen, zodat projecten gemakkelijker tot stand kunnen komen en de EIB nauwere banden kan aanknopen met organisaties, instellingen en lokale overheden, met alle gunstige gevolgen van dien voor de ontwikkeling van het op een evenwichtige regionale ontwikkeling gerichte beleid van de Europese Unie en om de landen die sinds 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden sneller bij het proces te betrekken;

Activiteiten buiten de Europese Unie

29.   neemt met voldoening kennis van de positieve conclusies van het activiteitenoverzicht van de Euromediterrane investerings- en partnerschapsfaciliteit (FEMIP); verwelkomt op grond daarvan de oproep van de Raad om de FEMIP nog verder uit te bouwen teneinde het Euromediterrane partnerschap te versterken; spreekt dan ook de hoop uit dat het kredietverleningsmandaat dat de EIB voor de periode 2007-2013 heeft gekregen er - in combinatie met de benodigde begrotingsmiddelen - toe zal leiden dat het regionale economische integratieproces kan worden bespoedigd;

30.   roept de EIB ertoe op in ontwikkelingsregio's te opereren overeenkomstig de beginselen van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, en ervoor te zorgen dat deze aansluit op de EU-consensus over ontwikkeling, vooral voor wat betreft het leveren van effectieve hulp, het verbeteren van de wederzijdse verantwoordingsplicht en het vaststellen van meetbare ontwikkelingsindicatoren;

31.   stelt zich op het standpunt dat de FEMIP de spil moet blijven waarrond alle Europese initiatieven die worden ontplooid ter verwezenlijking van het streven om de mediterrane regio verder te ontwikkelen moeten zijn geconstrueerd;

32.   spoort de EIB ertoe aan haar beleid van gediversifieerde emissies in verschillende wereldvaluta's voort te zetten, ook in de valuta's van opkomende landen, waarbij zij zich consistent moet blijven indekken tegen wisselkoersrisico's;

o
o   o

33.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Investeringsbank en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocollen.
(2) PB C 287 E van 29.11.2007, blz. 544.
(3) PB L 107 van 25.4.2007, blz. 5.
(4) Zaak C-15/00, Jur. 2003, blz. I-07281.
(5) PB L 414 van 30.12.2006, blz. 95.
(6) PB L 162 van 22.6.2007, blz. 1.
(7) PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.
(8) PB L 310 van 9.11.2006, blz. 15.
(9) PE 379.207, IP/B/TRAN/IC/2006-184.
(10) Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie:"De Europese consensus" - Europese consensus inzake ontwikkeling (PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1).
(11) PE 379.207, IP/B/TRAN/IC/2006-184.
(12) Artikel 6 van de statuten van de EIB.


Kwijting 2006: algemene begroting, afdeling III, Commissie
PDF 549kWORD 270k
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling III - Commissie (SEC(2007)1056 – C6-0390/2007 – 2007/2037(DEC)) (SEC(2007)1055 – C6-0362/2007 – 2007/2037(DEC))
P6_TA(2008)0133A6-0109/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (SEC(2007)1056 – C6-0390/2007, SEC(2007)1055 – C6-0362/2007)(2),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit betreffende de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (COM(2007)0538, COM(2007)0537) en het werkdocument van de Commissiediensten – Bijlage bij het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (SEC(2007)1185, SEC(2007)1186),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Beleidsresultaten in 2006" (COM(2007)0067),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2006" (COM(2007)0274),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles (COM(2007)0280) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten bij hat jaarverslag aan de begrotingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles (SEC(2007)0708),

–   gezien het verslag van de Commissie over de antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2005 (COM(2007)0118),

–   gezien het Groenboek over het Europees transparantie-initiatief, goedgekeurd door de Commissie op 3 mei 2006 (COM(2006)0194),

–   gezien het advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model "single audit" (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader)(3),

–   gezien de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005)0252),

–   gezien het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006)0009), het voortgangsverslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2007)0086) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten bij dit verslag (SEC(2007)0311),

–   gezien het advies nr. 6/2007 van de Rekenkamer over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten, de "nationale verklaringen" van de lidstaten en de door nationale controle-instanties verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot EU-middelen(4),

–   gezien het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties (COM(2008)0097),

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2008)0110) en het werkdocument van de Commissiediensten bij dit verslag (SEC(2008)0259),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(5), alsmede haar speciale verslagen,

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(6),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5842/2008 – C6-0082/2008),

–   gelet op de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(7), inzonderheid de artikelen 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 70 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A6-0109/2008),

A.   overwegende dat, overeenkomstig artikel 274 van het EG-Verdrag, de Commissie de begroting uitvoert onder eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.   verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor onderwijs, audiovisuele middelen en cultuur voor het begrotingsjaar 2006 (SEC(2007)1056 – C6-0390/2007 – 2007/2037(DEC)) (SEC(2007)1055 – C6-0362/2007 – 2007/2037(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(8),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (SEC(2007)1056 – C6-0390/2007, SEC(2007)1055 – C6-0362/2007)(9),

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor onderwijs, audiovisuele middelen en cultuur voor het begrotingsjaar 2006(10),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit betreffende de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (COM(2007)0538, COM(2007)0537) en het werkdocument van de Commissiediensten – Bijlage bij het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (SEC(2007)1185, SEC(2007)1186),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Beleidsresultaten in 2006" (COM(2007)0067),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2006" (COM(2007)0274),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles (COM(2007)0280) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten bij hat jaarverslag aan de begrotingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles (SEC(2007)0708),

–   gezien het verslag van de Commissie over de antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2005 (COM(2007)0118),

–   gezien het Groenboek over het Europees transparantie-initiatief, goedgekeurd door de Commissie op 3 mei 2006 (COM(2006)0194),

–   gezien het advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model "single audit" (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader)(11),

–   gezien de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005)0252),

–   gezien het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006)0009), het voortgangsverslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2007)0086) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten bij dit verslag (SEC(2007)0311),

–   gezien het advies nr. 6/2007 van de Rekenkamer over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten, de "nationale verklaringen" van de lidstaten en de door nationale controle-instanties verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot EU-middelen(12),

–   gezien het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties (COM(2008)0097),

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2008)0110) en het werkdocument van de Commissiediensten bij dit verslag (SEC(2008)0259),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Agentschap(13),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(14),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5855/2008 – C6-0083/2008),

–   gelet op de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(15), en inzonderheid artikel 55,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(16), en inzonderheid artikel 14, lid 3,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(17), en inzonderheid artikel 66, leden 1 en 2,

–   gelet op Besluit nr. 2005/56/EG van de Commissie van 14 januari 2005 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur, voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van onderwijs, audiovisuele media en cultuur ‐ overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(18),

–   gelet op artikel 70 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A6-0109/2008),

A.   overwegende dat, overeenkomstig artikel 274 van het EG-Verdrag, de Commissie de begroting uitvoert onder eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.   verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van het besluit over de kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling III – Commissie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over de kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling III – Commissie en de resolutie die hiervan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor onderwijs, audiovisuele middelen en cultuur, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie voor het begrotingsjaar 2006 (SEC(2007)1056 – C6-0390/2007 – 2007/2037(DEC)) (SEC(2007)1055 – C6-0362/2007 – 2007/2037(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(19),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (SEC(2007)1056 – C6-0390/2007, SEC(2007)1055 – C6-0362/2007)(20),

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie voor het begrotingsjaar 2006(21),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit betreffende de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (COM(2007)0538, COM(2007)0537) en het werkdocument van de Commissiediensten – Bijlage bij het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (SEC(2007)1185, SEC(2007)1186),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Beleidsresultaten in 2006" (COM(2007)0067),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2006" (COM(2007)0274),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles (COM(2007)0280) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten bij hat jaarverslag aan de begrotingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles (SEC(2007)0708),

–   gezien het verslag van de Commissie over de antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2005 (COM(2007)0118),

–   gezien het Groenboek over het Europees transparantie-initiatief, goedgekeurd door de Commissie op 3 mei 2006 (COM(2006)0194),

–   gezien het advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model "single audit" (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader)(22),

–   gezien de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005)0252),

–   gezien het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006)0009), het voortgangsverslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2007)0086) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten bij dit verslag (SEC(2007)0311),

–   gezien het advies nr. 6/2007 van de Rekenkamer over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten, de "nationale verklaringen" van de lidstaten en de door nationale controle-instanties verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot EU-middelen(23),

–   gezien het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties (COM(2008)0097),

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2008)0110) en het werkdocument van de Commissiediensten bij dit verslag (SEC(2008)0259),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie voor het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(24),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(25),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5855/2008 – C6-0083/2008),

–   gelet op de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(26), en inzonderheid artikel 55,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(27), en inzonderheid artikel 14, lid 3,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(28), en inzonderheid artikel 66, leden 1 en 2,

–   gelet op Besluit nr. 2004/20/EG van de Commissie van 23 december 2003 tot oprichting van een uitvoerend agentschap, genaamd het "Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie", voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van energie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(29),

–   gelet op artikel 70 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A6-0109/2008),

A.   overwegende dat, overeenkomstig artikel 274 van het EG-Verdrag, de Commissie de begroting uitvoert onder eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.   verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van het besluit over de kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling III – Commissie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over de kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling III – Commissie en de resolutie die hiervan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

4.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling III – Commissie (SEC(2007)1056 – C6-0390/2007 – 2007/2037(DEC)) (SEC(2007)1055 – C6-0362/2007 – 2007/2037(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(30),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (SEC(2007)1056 – C6-0390/2007, SEC(2007)1055 – C6-0362/2007)(31),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit betreffende de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (COM(2007)0538, COM(2007)0537) en het werkdocument van de Commissiediensten – Bijlage bij het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (SEC(2007)1185, SEC(2007)1186),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Beleidsresultaten in 2006" (COM(2007)0067),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2006" (COM(2007)0274),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles (COM(2007)0280) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten bij hat jaarverslag aan de begrotingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles (SEC(2007)0708),

–   gezien het verslag van de Commissie over de antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2005 (COM(2007)0118),

–   gezien het Groenboek over het Europees transparantie-initiatief, goedgekeurd door de Commissie op 3 mei 2006 (COM(2006)0194),

–   gezien het advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model "single audit" (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader)(32),

–   gezien de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005)0252),

–   gezien het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006)0009), het voortgangsverslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2007)0086) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten bij dit verslag (SEC(2007)0311),

–   gezien het advies nr. 6/2007 van de Rekenkamer over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten, de "nationale verklaringen" van de lidstaten en de door nationale controle-instanties verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot EU-middelen(33),

–   gezien het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties (COM(2008)0097),

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2008)0110) en het werkdocument van de Commissiediensten bij dit verslag (SEC(2008)0259),

–   gezien het Jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(34), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(35),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5842/2008 – C6-0082/2008 en 5855/2008 - C6-0083/2008),

–   gelet op de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(36), en inzonderheid de artikelen 145, 146 en 147,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(37), en inzonderheid artikel 14, leden 2 en 3,

–   gelet op artikel 70 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A6-0109/2008),

A.   overwegende dat, overeenkomstig artikel 275 van het EG-Verdrag, de Commissie belast is met de opstelling van de rekeningen,

1.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen betreffende de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006;

2.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

5.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling III – Commissie (SEC(2007)1056 – C6-0390/2007 – 2007/2037(DEC)) (SEC(2007)1055 – C6-0362/2007 – 2007/2037(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(38),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (SEC(2007)1056 – C6-0390/2007, SEC(2007)1055 – C6-0362/2007)(39),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit betreffende de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (COM(2007)0538, COM(2007)0537) en het werkdocument van de Commissiediensten – Bijlage bij het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (SEC(2007)1185, SEC(2007)1186),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Beleidsresultaten in 2006" (COM(2007)0067),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2006" (COM(2007)0274),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles (COM(2007)0280) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten bij hat jaarverslag aan de begrotingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles (SEC(2007)0708),

–   gezien het verslag van de Commissie over de antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2005 (COM(2007)0118),

–   gezien het Groenboek over het Europees transparantie-initiatief, goedgekeurd door de Commissie op 3 mei 2006 (COM(2006)0194),

–   gezien het advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model "single audit" (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader)(40),

–   gezien de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005)0252),

–   gezien het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006)0009), het voortgangsverslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2007)0086) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten bij dit verslag (SEC(2007)0311),

–   gezien het advies nr. 6/2007 van de Rekenkamer over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten, de "nationale verklaringen" van de lidstaten en de door nationale controle-instanties verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot EU-middelen(41),

–   gezien het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties (COM(2008)0097),

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2008)0110) en het werkdocument van de Commissiediensten bij dit verslag (SEC(2008)0259),

–   gezien het Jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(42), en de speciale verslagen van de Rekenkamer.

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(43),

–   gezien de aanbevelingen van de Raad van 12 februari 2008 (5842/2008 – C6-0082/2008 en 5855/2008 - C6-0083/2008),

–   gelet op de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(44), en inzonderheid de artikelen 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 70 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A6-0109/2008),

A.   overwegende dat, overeenkomstig artikel 274 van het EG-Verdrag, de Commissie de begroting uitvoert onder eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer, in samenwerking met de lidstaten,

B.   overwegende dat een van de specifieke kenmerken van de tenuitvoerlegging van het beleid van de EU bestaat in het zogenaamde "gedeeld beheer" van de gemeenschapsbegroting door de Commissie en de lidstaten, dat met zich brengt dat 80% van de communautaire uitgaven door de lidstaten wordt verricht,

C.   overwegende dat het in zijn resolutie van 24 april 2007(45) over de kwijting voor het begrotingsjaar 2005 heeft voorgesteld dat elke lidstaat in staat moet zijn verantwoordelijkheid op te nemen voor het beheer van de EU-middelen die hij heeft ontvangen, hetzij via één nationale beheersverklaring of in de vorm van diverse verklaringen binnen een nationaal kader,

D.   overwegende dat het er al in zijn resoluties over de kwijtingen 2003 en 2004 op heeft gewezen dat het dringend noodzakelijk is op het passende politieke niveau nationale verklaringen in te voeren die betrekking op alle communautaire middelen in gedeeld beheer hebben,

E.   overwegende dat de Rekenkamer in haar jaarverslag over het begrotingsjaar 2006 (punt 0.10) erkende dat de nationale verklaringen samen met de jaarlijkse overzichten belangrijk zijn, omdat "al deze elementen, indien naar behoren toegepast, de verbetering van het beheer en de controle van de EU-middelen in de lidstaten kunnen stimuleren" en deze elementen onder bepaalde voorwaarden "een toegevoegde waarde kunnen betekenen en door de Rekenkamer kunnen worden gehanteerd overeenkomstig de internationale controlenormen",

F.   overwegende dat de Rekenkamer in haar advies nr. 6/2007 over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten en de nationale verklaringen van de lidstaten ook onderstreepte dat de nationale verklaringen als een nieuw element van interne controle van de EU-middelen kunnen worden beschouwd en, als in deze nationale verklaringen de aandacht op sterke en zwakke punten wordt gevestigd, zij de verbetering van de controle van de EU-middelen op terreinen van gedeeld beheer stimuleren,

G.   overwegende dat de verbetering van het financiële beheer in de EU moet worden ondersteund door een intensieve monitoring van de vooruitgang in de Commissie en in de lidstaten en dat de lidstaten verantwoordelijkheid voor het beheer van EU-middelen moeten opnemen, waarbij zij voor de afwerking van een geïntegreerd internecontrolekader van de EU moeten zorgen, met als doel een positieve betrouwbaarheidsverklaring te verkrijgen,

H.   overwegende dat de uitvoering van punt 44 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (IIA)(46) en artikel 53 ter, lid 3 van het Financieel Reglement, met betrekking tot overzichten van de beschikbare controles en verklaringen, moet bijdragen tot een aanzienlijke verbetering van het beheer van de communautaire begroting,

I.   overwegende dat het principe van goed financieel beheer, met inbegrip van een effectieve interne controle een van de begrotingsprincipes is die zijn opgenomen in het Financieel Reglement als gevolg van de wijziging hiervan bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006(47), waarnaar door de Commissie in haar actieplan voor een geïntegreerd internecontrolekader wordt verwezen,

J.   overwegende dat het werk van zijn Commissie begrotingscontrole in het algemeen en de kwijtingsprocedure in het bijzonder deel uitmaken van een proces waarmee wordt gestreefd naar volledige aansprakelijkheid van de Commissie als geheel, van individuele commissarissen en van alle andere betrokken actoren, waarvan de lidstaten het belangrijkst zijn, voor het financiële beheer in de EU, overeenkomstig het Verdrag, en zo naar een stevigere basis voor besluitvorming,

K.   overwegende dat het in de komende begrotingsprocedure naar behoren rekening zal houden met de resultaten en aanbevelingen van de kwijting over het begrotingsjaar 2006,

L.   overwegende dat de Raad zich moet richten op een opvoering van de hervormingsinspanningen en een vergroting van de verantwoordelijkheid van de lidstaten om de door de Rekenkamer aangewezen problemen te remediëren en voor beter financieel beheer in de Europese Unie te zorgen,

M.   overwegende dat het jaar 2006 het Europees Jaar van de mobiliteit van werknemers was en het publiek ervan heeft doordrongen dat mobiliteit van groot belang is voor de totstandbrenging van een echte Europese arbeidsmarkt en de weg heeft geëffend voor het jaar 2007, het Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen,

BELANGRIJKSTE CONCLUSIES

1.   is tevreden met de vooruitgang van de Commissie op het gebied van een efficiënter gebruik van de EU-middelen en de algemene controleomgeving, die in de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer wordt weerspiegeld; verwelkomt tegen deze achtergrond de verklaring van de Rekenkamer inzake de financiële gevolgen van de fouten; verzoekt om dit in de toekomst toe te passen op alle hoofdstukken van het jaarverslag;

2.   is tevreden met de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt op het gebied van het beheer van de middelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), met name dankzij de werking van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS), en herinnert Griekenland aan zijn verplichtingen om het GBCS overeenkomstig zijn actieplan in te voeren;

3.   is verheugd over de toezegging van de Commissie om maandelijks aan zijn Commissie begrotingscontrole verslag uit te brengen over de follow-up van de kwijting 2006 waarbij iedere maand een lid van de Commissie ontwikkelingen binnen zijn of haar bevoegdheidsterrein presenteert, en dat nationale verklaringen en jaarlijkse overzichten, externe acties en de uitvoering van het actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties omvat;

Nationale beheersverklaringen

4.   is tevreden met de toezegging van de Commissie krachtige politieke steun te bieden voor nationale initiatieven met betrekking tot de opstelling en publicatie van nationale verklaringen, gecontroleerd door nationale controle-instanties, en de lidstaten te zullen blijven aansporen het voorbeeld te volgen van Denemarken, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk; verwacht daarom van de Commissie dat zij in haar herziening en follow-up van het actieplan voor een geïntegreerd internecontrolekader een nieuw actiepunt ter bevordering van nationale beheersverklaringen opneemt; verwacht voorts dat de Commissie en de lidstaten ervoor zorgen dat de doeleinden en de geest van artikel 44 van het IIA in de nationale overzichten volledig worden geëerbiedigd;

5.   is van mening dat de Commissie moet reageren om belangrijke verzoeken in de resolutie van het Parlement bij het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2005 in te willigen, hetgeen zij niet heeft gedaan met betrekking tot de nationale verklaringen, waar het Parlement de Commissie had verzocht vóór eind 2007 een voorstel in te dienen bij de Raad voor een nationale beheersverklaring die betrekking heeft op alle communautaire middelen in gedeeld beheer; betreurt de stilzwijgende aanvaarding door de Commissie van de collectieve onverantwoordelijkheid van de lidstaten, met uitzondering van Denemarken, Nederland Zweden en het VK, met betrekking tot het financieel beheer van de Europese Unie;

6.   is van mening dat de Commissie volledige en betrouwbare cijfers over terugvorderingen moet presenteren, waarbij zij moet specificeren op welke begrotingslijn en op welk jaar de verschillende terugvorderingen precies betrekking hebben; wijst erop dat elke andere presentatie ernstig e controle onmogelijk maakt; is zich bewust van het feit dat de Commissie deze informatie grotendeels via en van de lidstaten moet krijgen; wijst erop dat het Parlement daarom de afgelopen drie jaar de indiening van nationale beheersverklaringen heeft voorgesteld, zodat de Commissie deze informatie kan voorleggen en het gebrek aan transparantie kan oplossen;

Structuurfondsen

7.   is tevreden met de publicatie van bovengenoemd actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties als reactie op de bezorgdheid die het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure voor het begrotingsjaar 2006 heeft uitgesproken; zal de rapportage over dit actieplan van nabij volgen als voorbereiding op de kwijtingsprocedure over het begrotingsjaar 2007;

8.   is tevreden met de stellige toezegging van de Commissie ervoor te zorgen dat alle onverschuldigde betalingen in de resterende periode worden teruggevorderd, vóór de afwikkelingsprocedures betreffende de periode 2000-2006 worden afgesloten;

9.   is tevreden met de toezegging van de Commissie het Financieel Reglement onverkort te zullen handhaven, met name wat jaarlijkse overzichten betreft; verwacht dat de Commissie het Parlement volledig op de hoogte houdt over alle gerechtelijke actie tegen lidstaten en over alle gevallen waar een lidstaat in gebreke blijft; is in het licht hiervan tevreden met de voorlopige beoordelingen van de kwaliteit van de jaarlijkse overzichten voor landbouw en Structuurfondsen; kijkt uit naar de eindbeoordelingen in de jaarlijkse activiteitenverslagen van de verschillende directoraten-generaal;

10.   beschouwt het als een belangrijke verwezenlijking in het kader van de kwijtingsprocedure voor het begrotingsjaar 2006 dat de Commissie heeft toegezegd alle afzonderlijke fouten die in het jaarverslag 2006 van de Rekenkamer zijn vastgesteld, te zullen corrigeren, met name de toezegging te zullen zorgen voor volledige correcties in alle gevallen van ernstige schendingen van de procedures voor overheidsopdrachten en vaste tarieven of geëxtrapoleerde financiële correcties te zullen toepassen, telkens als zij systemische aanbestedingsfouten vaststelt;

11.   verzoekt de Commissie evenwel objectieve, duidelijke en volledige informatie te verstrekken over haar capaciteit om onterecht betaalde bedragen terug te vorderen;

12.   is tevreden met het feit dat de Commissie zich als gevolg van de kwijtingsprocedure voor het begrotingsjaar 2006 eindelijk heeft verplicht tot het voeren van een beleid waarbij betalingen zo snel mogelijk na de vaststelling van ernstige tekortkomingen in het systeem worden opgeschort;

13.   kijkt uit naar de kwartaalverslagen over correcties en terugvorderingen die door de Rekenkamer zullen worden gecontroleerd, met inbegrip van de instelling van een systeem en een rapportageregeling waarmee ex post gerealiseerde terugvorderingen kunnen worden gekoppeld aan het jaar waarin de feitelijke financiering was toegekend; hoopt dat het Parlement op deze manier voor het eerst en tijdig voor de kwijtingsprocedure voor het begrotingsjaar 2007 een goed overzicht krijgt van de stand van zaken op dit gebied; is van mening dat de Commissie met betrekking tot de uitvoering van bovengenoemd actieplan ter versterking van haar toezichthoudende rol in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties een scorebord moet bijhouden en een einddatum vaststellen;

14.   herinnert de Commissie aan de toezeggingen die zijn gedaan op de buitengewone hoorzitting van de Commissie begrotingscontrole van 25 februari 2008:

   a) wat betreft de tenuitvoerlegging van bovengenoemd actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties, de controles te verbeteren, te besluiten tot de nodige opschortings- en correctieprocedures en deze toe te passen en de terugvorderingsprocedures te verbeteren en ziet de kwartaalverslagen over de uitvoering op dit gebied tegemoet,
   b) in nauwe samenwerking met de Rekenkamer een nieuw rapportagesysteem voor de terugvorderingen en financiële correcties te ontwikkelen en verwacht dat de Commissie een gedetailleerd tijdschema voor de ontwikkeling en de toepassing van dit nieuwe rapportagesysteem presenteert,
   c) een actieplan met gedetailleerde maatregelen ter voorkoming van grove fouten voor te leggen;

15.   onderschrijft het standpunt van de Commissie dat correctieve maatregelen dienen te worden getroffen wanneer onregelmatigheden worden ontdekt, inclusief opschorting van betalingen en terugvordering van betalingen die ten onrechte of op incorrecte wijze zijn verricht, en dat de Commissie het Parlement minstens twee keer per jaar op de hoogte moet brengen van de maatregelen die zij ter zake treft;

Externe acties

16.   is van mening dat de Commissie als gevolg van de kwijtingsprocedure voor het begrotingsjaar 2006 bewuster is geworden van het feit dat transparantie, zichtbaarheid en politieke richtsnoeren belangrijk zijn voor alle EU-middelen die op het gebied van externe acties worden ingezet, hetzij rechtstreeks door de Commissie, hetzij via gedecentraliseerd beheer of internationale trustfondsen;

17.   is tevreden met de toezegging van de VN-vertegenwoordiger voor Irak om de realtime-informatie aan de Commissie te verbeteren en is van mening dat de 13 maanden grondig onderzoek naar het gebruik van EU-middelen via internationale trustfondsen heeft bijgedragen tot een beter bewustzijn van het feit dat aansprakelijkheid voor het gebruik van het geld van de Europese belastingbetalers nodig is; verzoekt de Commissie nauw met het Parlement samen te werken met betrekking tot de herziening van de financiële en administratieve kaderovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Naties (Financial and Administrative Framework Agreement between the European Community and the United Nations, FAFA);

18.   is tevreden met het feit dat de Commissie informatie over de controlemissies in het kader van de FAFA, alsmede de conclusies van deze missies, heeft opgenomen in de jaarlijkse activiteitenverslagen die eind maart 2008 door de bevoegde directeurs-generaal zijn ondertekend en met het feit dat het Parlement hierdoor rekening met deze informatie kon houden bij zijn stemming over dit verslag;

19.   aanvaardt het voorstel van de Commissie de kwestie van een definitie van een niet-gouvernementele organisatie (NGO) te bespreken nadat de resultaten van de controle van NGO's die momenteel door de Rekenkamer wordt uitgevoerd, bekend zijn gemaakt;

20.   verzoekt de Commissie

   a) het Parlement regelmatig informatie over EU-financiering van door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen te verschaffen, zowel op eigen initiatief als op verzoek van het Parlement,
   b) maatregelen voor te stellen ter verbetering van de zichtbaarheid van EU-begrotingsmiddelen wanneer externe hulp wordt geïmplementeerd via andere organisaties,
   c) maatregelen voor te stellen om EU-controleurs (Rekenkamer, Commissie of particuliere accountantskantoren) meer mogelijkheden te bieden om controles te verrichten van projecten onder gezamenlijk beheer, inzonderheid met de VN;

21.   juicht de toezegging van de Commissie toe het Parlement te blijven informeren over de begunstigden van begrotingsmiddelen, zoals wordt gesteld in artikel 30, lid 3 van het Financieel Reglement, en de beleidsrichtsnoeren, de zichtbaarheid en de controle op deze begrotingsmiddelen, inzonderheid de via internationale trustfondsen beheerde begrotingsmiddelen, te blijven verbeteren;

22.   dringt aan op vrij toegang tot informatie voor alle leden van deskundigen- en werkgroepen die met de Commissie werken, alsmede op volledige bekendmaking van de begunstigden van EU-financiering;

HORIZONTALE KWESTIES
Betrouwbaarheidsverklaring
Betrouwbaarheid van de rekeningen

23.   stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer een positief advies over de betrouwbaarheid van de definitieve jaarrekening uitbrengt en stelt dat de rekening, behoudens een paar opmerkingen, een in elk materieel opzicht getrouw beeld van de financiële situatie van de Gemeenschappen per 31 december 2006, en van de resultaten van hun verrichtingen en kasstromen voor het op die dag afgesloten begrotingsjaar, overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement en de door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudregels, geeft (hoofdstuk 1, betrouwbaarheidsverklaring, paragraaf VII tot IX);

24.   spreekt niettemin zijn bezorgdheid uit over de opmerkingen van de Rekenkamer met betrekking tot fouten die geconstateerd zijn in bedragen die in het boekhoudsysteem als facturen/kostendeclaraties en voorfinanciering zijn geregistreerd, welke hebben geleid tot overwaardering van de te betalen posten met circa 201 miljoen EUR, en van het totaalbedrag aan lang- en kortlopende voorfinanciering met circa 656 miljoen EUR; betreurt met name de gebreken in de boekhoudsystemen van bepaalde instellingen en directoraten-generaal van de Commissie die nog steeds een risico vormen voor de kwaliteit van de financiële informatie (met name inzake de afsluiting en personeelsbeloningen), hetgeen leidde tot een aantal correcties na de presentatie van de voorlopige rekeningen;

25.   betreurt dat de financiële documenten niet in alle officiële talen van de Unie aan de leden van de Commissie begrotingscontrole ter beschikking worden gesteld;

26.   merkt op dat de rekenplichtige van de Commissie de lokale systemen van de Dienst voor samenwerking EuropeAid, het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur en het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen voor het begrotingsjaar 2006 geen validatie kon verstrekken;

27.   herinnert de Commissie aan haar toezegging in haar jaarverslag aan de kwijtingsautoriteit over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 om halfjaarlijkse verslagen over de voorfinancieringsoperaties aan de begrotingsautoriteit te zullen verstrekken, overeenkomstig het verzoek in zijn resolutie bij het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2005, en betreurt ten zeerste dat nog geen zulk verslag aan het Parlement is toegezonden;

Wettigheid van de onderliggende verrichtingen

28.   stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer van mening is dat op de terreinen waar de toezicht- en controlesystemen ten uitvoer worden gelegd op een wijze die een adequaat risicobeheer waarborgt, de verrichtingen over het geheel genomen geen materiële fouten vertoonden;

29.   betreurt niettemin het feit dat de betalingen op bijzonder belangrijke terreinen van de communautaire uitgaven als structurele acties, intern beleid en externe acties, op het niveau van de uitvoerende organisaties nog steeds grote materiële fouten vertonen;

30.   spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het feit dat de Rekenkamer nog steeds tekortkomingen vaststelt in de beoordeling van de werking van de toezicht- en controlesystemen, en van de impact van de punten van voorbehoud in de verklaringen van de directeurs-generaal, met name ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, en herinnert de lidstaten en de Commissie aan hun respectieve verantwoordelijkheden op dit gebied;

Informatie en kader van de betrouwbaarheidsverklaring

31.   is tevreden met het werk dat door de Rekenkamer is verricht om de duidelijkheid van de aan de betrouwbaarheidsverklaring ten grondslag liggende methodologie voort te verbeteren met betrekking tot factoren die bijdragen tot efficiëntere en effectievere controlesystemen van jaar tot jaar in elke sector, en verzoekt de Rekenkamer het Parlement geregeld te blijven informeren;

32.   betreurt het gebrek aan duidelijkheid over de wettelijkheid, en de onvermijdelijke impact op de media, van de melding door de Rekenkamer dat EU-middelen worden ontvangen door bepaalde nieuwe begunstigden (namelijk spoorwegmaatschappijen, paardrij- en paardenfokverenigingen, golf- en vrijetijdsclubs en gemeentebesturen), overeenkomstig de selectiecriteria; wijst erop dat dit vanuit formeel juridische optiek uiteindelijk een discussie is over de selectiecriteria; onderstreept dat het Parlement de Rekenkamer in het verleden niettemin heeft gesteund en dat zal blijven doen, wanneer zij in haar speciale verslagen kanttekeningen plaatst bij de doeltreffendheid en de doelmatigheid;

33.   herhaalt dat de Rekenkamer het gebruik van beschikbare audits en verslagen van nationale auditinstanties tot een integrerend onderdeel van haar nieuwe methodiek heeft gemaakt; verzoekt de Rekenkamer de Commissie begrotingscontrole van het Parlement mee te delen hoe zij deze informatie gebruikt en verzoekt de Rekenkamer voorts mee te delen hoe nuttig zij de van nationale auditinstanties verkregen informatie, vindt wanneer zij haar jaarverslag opstelt;

34.   is tevreden met de kwaliteit van specifieke delen van het jaarverslag van de Rekenkamer, zoals het deel over structurele acties, waardoor alle betrokken actoren in staat worden gesteld de problemen te identificeren en hun inspanningen te concentreren op de nodige verbeteringen;

Begrotingsbeheer

35.   neemt nota van de inspanningen van de Commissiediensten in 2006 om de volledigheid en juistheid te waarborgen zowel van de boeking van nieuwe voorfinancieringsbetalingen als van nieuwe openstaande facturen en kostendeclaraties en van afsluitingen;

36.   merkt op dat 2006 voor de Structuurfondsen het laatste jaar was van de programmeringsperiode 2000-2006, waarin tegen het einde van het jaar alle vastleggingen voor deze periode moesten zijn gedaan;

37.   is bezorgd over het feit dat de niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen op het einde van 2006 derhalve het volledige bedrag vormen van de resterende te verrichten betalingen voor de financiële vooruitzichten 2000-2006, die 28% uitmaken van de totaalbedragen van de desbetreffende rubrieken van de financiële vooruitzichten voor de gehele periode;

38.   betreurt dat de niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen – niet-gebruikte vastleggingen die zijn overgedragen om de daaropvolgende jaren te worden gebruikt, met name voor meerjarige programma's – die betrekking hebben op structurele acties en op het Cohesiefonds, stegen met 12,6 miljard EUR (10,6%) tot 131,6 miljard EUR;

39.   is bezorgd dat de uitgaven als gevolg van de N + 2-druk een behoorlijke gang van zaken bij de liquidatieprocedures voor structurele programma's en projecten zouden kunnen beïnvloeden; wijst erop dat de betalingen in verband met de Structuurfondsen voor 2007 al met bijna 50% zijn gestegen in vergelijking tot 2006; onderstreept dat de Commissie moet zorgen voor een doeltreffende liquidatieprocedure en wijst op de belangrijke rol van de lidstaten in deze procedure;

40.   betreurt ook het feit dat de bestedingsgraad voor het Cohesiefonds, het EFRO en het ESF in de nieuwe lidstaten achterbleef bij de verwachtingen, doordat zij moeite hadden om de uitgaven te absorberen; vraagt de Commissie een gedetailleerdere toelichting over de lager dan nationale geraamde bestedingen bij structurele acties te geven;

Nationale beheersverklaringen en punt 44 van het IIA

41.   herinnert eraan dat het dringend noodzakelijk is op het passende politieke niveau nationale verklaringen in te voeren die betrekking op alle communautaire middelen in gedeeld beheer hebben, overeenkomstig het verzoek van het Parlement in zijn resoluties bij de kwijtingsbesluiten voor de begrotingsjaren 2003, 2004 en 2005;

42.   herinnert eraan dat het Parlement de Commissie in zijn resolutie bij het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2005 vroeg voor het einde van 2007 bij de Raad een voorstel in te dienen voor een nationale beheersverklaring die betrekking heeft op alle communautaire middelen in gedeeld beheer, en die gebaseerd is op deelverklaringen van de verschillende nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de uitgaven; verwerpt het antwoord van de Commissie in de bijlage bij haar verslag over de follow-up van de kwijtingsprocedure 2005, waarin de Commissie stelt dat zij de aanbevolen actie niet zal ondernemen, omdat met de verschillende gouvernementele structuur en beheersstructuren voor EU-middelen in gedeeld beheer van de 27 lidstaten, de ontwikkeling van één standaardverklaring geen significante voordelen zou opleveren, maar dat zij initiatieven op dit gebied van de nationale overheidsdiensten zou blijven ondersteunen; acht dit antwoord bijzonder onbevredigend, rekening houdend met het feit dat meer dan 80% van de algemene begroting van de Europese Unie onder het zogenaamde gedeeld beheer valt en vooral in het licht van de huidige situatie met betrekking tot de Structuurfondsen, zoals door de Rekenkamer in haar jaarverslag geschetst;

43.   steunt ten volle het initiatief van een aantal lidstaten (Denemarken, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) om de invoering van een nationale verklaring over het beheer van de communautaire middelen goed te keuren en spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de meeste andere lidstaten zich ondanks deze initiatieven tegen de invoering van een nationale beheersverklaring verzetten; dringt er bij de Commissie op aan eventueel in aanmerking komende voordelen voor de controlerelaties tussen de Commissie en de lidstaten die bovengenoemde initiatieven hebben ingevoerd, voor te leggen; verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan de Commissie begrotingscontrole over de dienaangaande geboekte vooruitgang;

44.   merkt op dat de meeste lidstaten de eerste jaarlijkse overzichten hebben ingediend en verzoekt de Commissie inbreukprocedures tegen die lidstaten aan te spannen die niet aan hun verplichtingen hebben voldaan; wijst erop dat het Parlement deze jaarlijkse overzichten beschouwt als een eerste stap naar nationale beheersverklaringen; verzoekt de Commissie om vóór de eerste lezing van de begroting 2009 een document op te stellen met een analyse van de sterkten en zwakten van het nationale systeem voor beheer en controle van de communautaire middelen van elke lidstaat en de resultaten van de verrichte audits, en dit document aan het Parlement en de Raad toe te zenden; verzoekt de Commissie tevens verslag uit te brengen over de kwaliteit van de jaarlijkse overzichten en te stimuleren dat deze een meerwaarde toevoegen aan het proces, bijvoorbeeld door het vaststellen van gemeenschappelijke problemen, mogelijke oplossingen en beste praktijken;

45.   neemt evenwel kennis van de kritische verklaring van de Rekenkamer over de nationale auditactiviteiten omdat "de externe controleur die zich wil kunnen baseren op, of gebruik wil maken van de verklaring of het werk van anderen, rechtstreeks bewijs (moet) verkrijgen dat dit werk een solide basis heeft"; is derhalve van mening dat de werkzaamheden van de Werkgroep voor het contact met de commissie die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van gemeenschappelijke auditnormen en vergelijkbare auditcriteria, die zijn toegesneden op de EU-ruimte, van essentieel belang is en dringt er bij de Commissie op aan alle lidstaten aan te moedigen om aan deze werkzaamheden deel te nemen;

Governance

46.   herinnert de Commissie aan zijn eerdere kritiek met betrekking tot de degelijkheid van de basis op grond waarvan de Commissie beweert haar politieke verantwoordelijkheid op te nemen door haar syntheseverslag, terwijl de Commissie geen volledige kijk op 80% van de middelen in het kader van het gedeeld beheer heeft en de kwaliteit van de jaarlijkse activiteitenverslagen varieert; wijst erop dat aan dit gebrek aan een volledige kijk twee redenen ten grondslag liggen: onefficiënte controle en toezicht door de Commissie, enerzijds, en ontbreken van concrete oplossingen en rekenschap op het niveau van de lidstaten;

47.   betreurt dat de Commissie de collectieve onverantwoordelijkheid van het merendeel van de lidstaten met betrekking tot financieel beheer in de Europese Unie stilzwijgend aanvaardt; steunt met genoegen de initiatieven die sommige lidstaten op dit vlak hebben genomen en dringt er bij de andere lidstaten op aan dit voorbeeld te volgen;

48.   merkt op dat de begroting wordt uitgevoerd door de Commissie en haar leden en niet door de directeurs-generaal, die ordonnateur zijn door delegatie, en betreurt daarom dat de toegenomen verantwoordelijkheid van de directeurs-generaal niet gepaard is gegaan met het opnemen van directe (en niet alleen politieke) verantwoordelijkheid door de leden van de Commissie; verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen om deze situatie, die strijdig is met artikel 274 van het Verdrag, te verhelpen;

49.   is tevreden met de degelijke analyse die de Rekenkamer van het internecontrolesysteem in de Commissie heeft gemaakt (hoofdstuk 2 in het jaarverslag 2006); moedigt de Rekenkamer aan deze positieve ontwikkeling voort te zetten door een analyse op te nemen van de acties of het ontbreken hiervan van afzonderlijke Commissieleden om de situatie te verbeteren;

50.   herinnert eraan dat governance betrekking heeft op de positie van het personeel in de financiële administratie en in controlefuncties in verhouding tot het managementniveau en op de bevoegdheid van dit personeel om actie af te dwingen, alsmede op de bekwaamheden en op de opleiding van dit personeel,

51.   verzoekt de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Begroting een formeel advies af te leveren over de kwaliteit en efficiëntie van de internecontrolesystemen;

52.   verzoekt de secretaris-generaal een formele betrouwbaarheidsverklaring af te leveren met betrekking tot de kwaliteit van de afzonderlijke verklaringen van de directeurs-generaal;

53.   verzoekt de intern controleur van de Commissie de betrouwbaarheidsverklaring van de secretaris-generaal in de vorm van een controleadvies te beoordelen;

54.   herinnert eraan dat functierapportagelijnen – open communicatie tussen groepen van personeel met dezelfde specialisatie in verschillende directoraten-generaal, bijvoorbeeld IT-personeel, personeel belast met interne controle, personeel belast met interne audit, boekhouders enz. – in een silo-organisatie als de Commissie belangrijk zijn; betreurt dat erg weinig inspanningen zijn geleverd om dit governance-instrument in te voeren; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk voor de invoering van verplichte functierapportagelijnen te zorgen en uiterlijk in september 2008 verslag bij de Commissie begrotingscontrole van het Parlement uit te brengen;

55.   verzoekt de Commissie de ordonnateur te bevorderen tot dezelfde rang als zijn/haar operationele tegenhangers;

56.   verzoekt de Commissie voorts de samenstelling van het Comité follow-up audit zo te wijzigen dat het aantal externe leden hetzelfde is als het aantal leden van de Commissie; verzoekt de Commissie eveneens om één van de externe leden van het Comité follow-up tot haar voorzitter te benoemen;

57.   verwacht dat de Commissie een jaarlijkse institutionele betrouwbaarheidsverklaring voor de hele Commissie aflevert die de Commissievoorzitter voorlegt aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement;

Internecontrolesysteem van de Commissie
Actieplan voor een geïntegreerd internecontrolekader

58.   is tevreden met de algemene vooruitgang die op het gebied van de ontwikkeling van het internecontrolesysteem van de Commissie is geboekt;

59.   is het niet eens met de verklaring van de Commissie in haar bovengenoemde voortgangsverslag over het actieplan voor een geïntegreerd intern controlekader van 2008, dat de acties 1, 3, 3N, 5, 8 en 13 zijn voltooid; wijst erop dat het Parlement tot dusverre niet beschikt over ondersteunende documenten of verklaringen die zo'n uitspraak rechtvaardigen; ziet zich derhalve gedwongen ernstig in twijfel te trekken of deze maatregelen wel zijn ingesteld, laat staan of ze uitgevoerd zijn of van invloed zijn geweest op de voortgang van de uitvoering van het actieplan;

60.   is evenwel tevreden met het semestriële scorebord voor de uitvoering van het actieplan;

61.   wijst er echter op dat de Commissie voor de uitvoering van de acties 1, 3, 3N, 5, 10, 10N, 11, 11N, 13 en 15 ook afhankelijk is van samenwerking met de lidstaten; onderstreept dat het Parlement deze acties volmondig steunt en dringt er derhalve bij de Commissie op aan elk ter beschikking staand middel te gebruiken om deze zo spoedig mogelijk ten uitvoer te leggen;

62.   verwacht dat het bijbehorende scoreboard het Parlement uiterlijk op 1 januari 2009 bereikt voor de kwijtingsprocedure voor het begrotingsjaar 2007;

Analyse van het huidige evenwicht tussen de operationele uitgaven en de kosten van het controlesysteem van de EU-middelen

63.   betreurt ten zeerste dat het Parlement nog altijd geen informatie heeft ontvangen over de kostenbatenanalyse van de controlesystemen van de EU-middelen, zoals het had gevraagd in de resolutie bij het besluit over de kwijting voor het begrotingsjaar 2005;

Syntheseverslag

64.   vindt het onaanvaardbaar dat de Commissie de controleresultaten van de Rekenkamer, die gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde internationale controlenormen, reduceert tot een verschil van mening over soorten en gevolgen van fouten en over de beoordeling van tekortkomingen van het systeem, en deels uit de verschillende manier waarop wordt aangekeken tegen de werking van financiële correctiemechanismen (blz.2, laatste paragraaf);

65.   is van mening dat alle bezwaren tegen het gebrek aan zekerheid over de wettigheid en regelmatigheid van communautaire uitgaven tot uitdrukking moeten komen in de jaarlijkse activiteitenverslagen en in het syntheseverslag; vindt het derhalve buitengewoon verrassend dat alleen al in 2006 drie directeuren-generaal hebben besloten bezwaar aan te tekenen tegen het beheer en het toezicht van INTERREG, dat, zoals zij zelf zeggen, al enkele jaren bestond( blz. 4, laatste paragraaf);

66.   is bezorgd over de verklaringen van de interne controleur in zijn eerste overzichtverslag, waarin wordt opgemerkt dat, ondanks een lichte vooruitgang, de helft van de kritische en zeer belangrijke adviezen niet voor de gestelde termijnen zijn uitgevoerd (blz. 8, voor de laatste paragraaf); verzoekt de Commissie meer nadruk te leggen op de tenuitvoerlegging van deze adviezen;

Politieke aansprakelijkheid en administratieve aansprakelijkheid bij de Commissie
Jaarlijkse activiteitenverslagen

67.   stelt met teleurstelling vast dat de Rekenkamer van mening is dat "(...) het positieve beeld van de wettigheid en regelmatigheid van de EU-uitgaven dat de directeuren-generaal voor aanzienlijke delen van de EU-begroting schetsen niet consistent [is] met de controlebevindingen van de Rekenkamer" (punt 2.13 van het jaarverslag 2006);

68.   betreurt dat de Rekenkamer in haar jaarverslag nogmaals heeft onderstreept dat een aantal van de jaarlijkse activiteitenverslagen nog altijd niet voldoende feitelijke gegevens bevatten om de betrouwbaarheidsverklaring te verantwoorden (punten 2.14 tot 2.18 van het jaarverslag);

69.   is tevreden met het feit dat in het syntheseverslag wordt benadrukt: "In alle gevallen waarin de Europese Rekenkamer en de directeur-generaal van mening verschillen, dient de directeur-generaal zijn mening in het volgende jaarlijkse activiteitenverslag toe te lichten" (punt 2) en hoopt dat de verbeteringen zichtbaar zullen zijn in de jaarlijkse activiteitenverslagen voor 2007 en de daaropvolgende jaren;

70.   verzoekt de Commissie de jaarverslagen te verbeteren door middel van de vaststelling van gemeenschappelijke criteria voor het aantekenen van bezwaren, een grotere formalisering van de jaarverslagen om beter tussen de jaarverslagen per directoraat-generaal en jaar te kunnen vergelijken; verzoekt de Commissie rekening te houden met de door de Rekenkamer geplaatste kanttekeningen bij de jaarlijkse activiteiten verslagen en de verbeteringen in nauw overleg met de Rekenkamer aan te brengen;

Transparantie en ethiek

71.   is tevreden met de publicatie van de "Follow-up van het Groenboek – Europees transparantie-initiatief " (COM(2007)0127), waarin de Commissie stelt, – overeenkomstig artikel 30, lid 3 van het Financieel Reglement – dat informatie over de begunstigden van EU-financiering openbaar zal zijn vanaf 2008 (punt 2.3.2.) en waarin zij verklaart "in het voorjaar van 2008" een register van belangenvertegenwoordigers (lobbyisten) in werking te zullen stellen;

72.   is op de hoogte van de argumenten voor en tegen vrijwillige en verplichte registratie van lobbyisten; neemt kennis van het besluit van de Commissie om te beginnen met een vrijwillig register en het systeem na een jaar te evalueren; is op de hoogte van de, door het Verdrag van Lissabon geboden rechtsgrondslag voor een verplicht register; herinnert eraan dat het huidige register van het Parlement al een verplicht karakter heeft en een mogelijk gemeenschappelijk register de facto bindend zou zijn, omdat registratie, in beide gevallen, een voorwaarde is voor toegang tot het Parlement;

73.   herinnert aan de noodzaak van een nieuwe gedragscode voor leden van de Commissie om hun individuele en collectieve verantwoordelijkheid en verantwoordingsplicht voor hun politieke besluiten en de beleidsuitvoering door hun diensten te verbeteren en duidelijker te formuleren;

74.   benadrukt dat het tot de verantwoordelijkheid van de Commissie behoort ervoor te zorgen dat de gegevens die over de begunstigden van EU-financiering worden verstrekt, volledig, doorzoekbaar en vergelijkbaar zijn en herinnert aan het schriftelijke antwoord van de Commissie aan het Parlement waarin de intentie wordt uitgesproken om met de lidstaten tot overeenstemming te komen over gemeenschappelijke normen voor deze gegevens vóór april 2008;

75.   herinnert aan zijn opmerking in paragraaf 85 van de resolutie bij het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2005, waarin het verzocht om gemakkelijke toegang tot informatie over wie in de verschillende vormen van deskundigengroepen vertegenwoordigd is en wat hun taken zijn, en aan zijn opmerking in punt 86, waarin het de Commissie verzocht de namen bekend te maken van degenen die in deze groepen vertegenwoordigd zijn, alsmede de namen van de bijzondere adviseurs die individuele commissarissen, directoraten-generaal of kabinetten in dienst hebben genomen; verzoekt de namen van alle deskundigen en raadgevers in de werkgroepen van de Commissie openbaar te maken;

76.   herinnert aan de antwoorden die het lid van de Commissie dat bevoegd is voor de kwijting, tijdens de hoorzitting van de Commissie begrotingscontrole van 21 januari 2008 heeft gegeven dat het register van deskundigengroepen alle deskundigen zal bevatten, inclusief informatie over leden van comitologiecomités, individuele deskundigen, gemengde instanties en comités voor de sociale dialoog;

77.   herinnert ook aan het verzoek in paragraaf 76 van zijn resolutie bij het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2005 "in de bindende gedragscode van de commissarissen de belangrijkste ethische regels en normen en leidende beginselen op te nemen die door de commissarissen bij de uitvoering van hun ambt moeten worden geëerbiedigd, met name bij de benoeming van hun medewerkers, in het bijzonder in hun kabinetten";

78.   betreurt het antwoord van de Commissie in de bijlage bij haar reeds aangehaalde verslag over de follow-up van de kwijtingsprocedure 2005 (blz. 18) dat deze regels nog niet bestaan en dringt er bij de Commissie op aan een en ander goed te keuren;

79.   herinnert eraan dat volledige transparantie en openbaarheid met betrekking tot personeel van commissarissenkabinetten dat niet volgens het Statuut is aangeworven, belangrijk is;

SECTORALE KWESTIES
Inkomsten

80.   is tevreden met het feit dat de Rekenkamer van mening was dat de systemen voor douanetoezicht in elk materieel opzicht bevredigend waren, dat de rekeningen betreffende de traditionele eigen middelen betrouwbaar waren en dat de onderliggende verrichtingen wettelijk en regelmatig waren, ook al duren sommige tekortkomingen voort;

81.   is ook tevreden met het feit dat de Rekenkamer van mening was dat de middelen uit BTW en BNI door de Commissie correct zijn berekend, geïnd en geboekt in de communautaire rekeningen;

82.   stelt wat de middelen uit BTW betreft, met tevredenheid vast dat de Commissie de frequentie en de kwaliteit van haar inspecties heeft gehandhaafd; is evenwel bezorgd over het aantal resterende punten van voorbehoud en verzoekt de Commissie daarom om in samenwerking met de lidstaten haar inspanningen voort te zetten om ervoor te zorgen dat het voorbehoud binnen een redelijke termijn wordt opgeheven;

83.   verzoekt de Commissie het Parlement mee te delen wat zij van plan is te ondernemen in het geval van lidstaten met blijvende punten van voorbehoud;

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

84.   is tevreden met de algemene verbetering wat de GLB-uitgaven in 2006 betreft en met de verklaring van de Rekenkamer dat het GBCS, het belangrijkste controle-instrument voor oppervlaktesteun, dierpremies en de regeling inzake een enkele areaalbetaling, een doeltreffend systeem is om het risico van onregelmatige uitgaven te beperken, als het naar behoren wordt toegepast;

85.   waardeert de inspanningen van de Commissie om de toepassing van het GBCS te verruimen en verwacht dat zij er overeenkomstig de plannen en antwoorden die aan het Parlement zijn gepresenteerd, voor zorgt dat het percentage van de landbouwuitgaven die door het GBCS worden gedekt, op zijn minst 89% bedraagt in 2010 en 91,3% in 2013;

86.   betreurt de vaststelling van de Rekenkamer dat de GLB-uitgaven nog steeds materiële fouten vertoonden en het feit dat de controles en tests in het kader van het GBCS nog altijd niet doeltreffend worden uitgevoerd of nog niet volledig betrouwbaar zijn in sommige lidstaten en dringt er dus bij de Commissie op aan dat zij er samen met de lidstaten extra op toeziet dat het GBCS volledig wordt uitgevoerd in alle lidstaten van de EU-15 en dat de tekortkomingen die in de lidstaten van de EU-10 zijn vastgesteld, worden verholpen;

87.   betreurt het feit dat de Rekenkamer eens te meer problemen vaststelt bij de uitvoering van het GBCS in Griekenland; steunt ten volle de intentie van de Commissie (die deze tegenover de Commissie begrotingscontrole van het Parlement te kennen heeft gegeven) ervoor te zorgen dat de huidige wetgeving over de opschorting van betalingen streng wordt toegepast, als de Griekse regering de bestaande problemen niet binnen de vastgestelde termijn verhelpt;

88.   betreurt het feit dat op het gebied van plattelandsontwikkeling met name agromilieumaatregelen te lijden hebben van een hoog foutenniveau, aangezien landbouwers niet voldoen aan de dikwijls ingewikkelde subsidiabiliteitsvoorwaarden; is van mening dat de Commissie naar behoren rekening moet houden met de relevantie van de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor deze maatregelen en de mogelijkheid onderzoeken deze voorwaarden te vereenvoudigen;

89.   neemt nota van de opmerking van de Commissie dat het eventueel nodig is op agromilieugebied een ander niveau van aanvaardbaar risico toe te passen, om een evenwicht tussen verbetering en bescherming van het milieu en de controlekosten van de toegepaste maatregelen te vinden; benadrukt evenwel dat moet worden gezorgd voor correcte toepassing en voldoende controle van de communautaire uitgaven en verzoekt de Commissie grondig de mogelijke kosten en baten op het gebied van agromilieumaatregelen, alsmede het verband met andere uitgaventerreinen te onderzoeken en te beoordelen en deze analyse aan de Raad, het Parlement en de Rekenkamer te presenteren, als minimumbasis voor een discussie over de door de Commissie aangegeven behoefte aan hervorming;

90.   merkt op dat, aangezien de nieuwe procedure voor financiële goedkeuring voorziet in onregelmatige betalingen die de lidstaten niet terugvorderbaar achten, en de bedragen op basis van informatie van de lidstaten aan de Gemeenschap worden aangerekend, de Commissie nu een gedetailleerde follow-up moet uitvoeren om ervoor te zorgen dat de schulden correct zijn en naar behoren op de communautaire begroting worden aangerekend;

91.   herinnert er ook aan dat de kosten van financiële correcties door de lidstaten - meestal de belastingbetaler - worden gedragen en niet door de begunstigden van de onterecht betaalde steun;

92.   neemt er nota van dat de Commissie volgens de Rekenkamer bij de controle van de bedrijfstoeslagregeling (voor het eerst in 2006) de reikwijdte en diepgang van de werkzaamheden voor de verklarende instanties niet heeft gepreciseerd en dat een aantal verklarende instanties (bijvoorbeeld in Italië) de controle van toeslagrechten van hun werkzaamheden hebben uitgesloten en dit in hun certificaten vermeld, waarna de Commissie dit zonder commentaar heeft aanvaard;

93.   betreurt dat het niveau van ten onrechte door het GLB betaalde financiële steun niet bekend is bij, of op een, door de Rekenkamer als correct beschouwde wijze door de Commissie kan worden geraamd; constateert dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat correcties voor onregelmatige betalingen met een geschat volume van 100 miljoen EUR onmogelijk waren omdat deze pas werden ontdekt nadat de termijn van twee jaar was verstreken; verzoekt de Commissie voldoende middelen uit te trekken voor conformiteitscontroles, zodat correcties wegens onregelmatigheden binnen de tijdslimiet kunnen worden aangebracht;

94.   is van mening dat alle tekortkomingen waar de Rekenkamer in haar jaarverslag op wijst, door de Commissie moeten worden verholpen, teneinde de zekerheid die aan het werk van de verklarende instanties kan worden ontleend te vergroten;

95.   neemt nota van de conclusies in punt 5.20 en 5.21 van het jaarverslag van de Rekenkamer en dringt er bij de Commissie op aan de controles te verbeteren in het Verenigd Koninkrijk, dat de communautaire wetgeving niet heeft nageleefd, door grondeigenaren rechten toe te wijzen en steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling en steun voor plattelandsontwikkeling uit te keren voor door pachters gepachte en bewerkte grond, en ook in een aantal lidstaten (Oostenrijk, Ierland en het Verenigd Koninkrijk) die bepaalde sleutelelementen van de bedrijfstoeslagregeling niet correct hebben toegepast en de consolidatie van rechten buiten de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunmaatregelen voor landbouwers(48), hebben uitgebreid;

96.   neemt nota van de zeer duidelijke verklaring van de Commissie, zowel als antwoord aan de Rekenkamer (punt 5.27 van het jaarverslag) als aan de bevoegde commissie van het Parlement, dat geen begunstigde voor landbouwsteun in aanmerking komt, tenzij de persoon in kwestie een landbouwactiviteit uitoefent; verwacht dat de Commissie de door de Rekenkamer aangewezen gevallen volgt en ervoor zorgt dat geen betalingen worden verricht, en dat gedane betalingen worden teruggevorderd, aan grondeigenaren die geen landbouwactiviteit uitoefenen;

97.   verzoekt de Commissie, gelet op de verklaring van de Rekenkamer dat meer dan 700 nieuwe begunstigden behoren tot categorieën als golfclubs, cricketclubs, vrijetijdsparken/zoos, paardrijverenigingen, spoorwegmaatschappijen, gemeentebesturen en dergelijke, een overzicht en een beoordeling voor te leggen van de ontwikkeling van de toekenning van landbouwsteun aan dergelijke begunstigden die op grond van de huidige regels voor financiering in aanmerking komen;

98.   herinnert de lidstaten aan de mogelijkheid die bestaat om invloed uit te oefenen en op nationaal niveau te besluiten de activiteiten en begunstigden die voor financiering in aanmerking komen, verder te beperken; verzoekt de Commissie, als dit wenselijk is als gevolg van de ontwikkelingen en overeenkomstig haar beoordeling van het geplande beroep op ondersteunende maatregelen, een voorstel in te dienen voor aanpassing of herziening van de regels;

Structurele maatregelen, werkgelegenheid en sociale zaken

99.   herinnert eraan dat de communautaire kredieten voor het structuurbeleid in 2006 in totaal 32,4 miljard EUR bedroegen; wijst erop dat voor 2007 dit bedrag is gestegen tot 46,4 miljard EUR, de medefinanciering door lidstaten niet meegerekend;

100.   constateert met grote bezorgdheid dat de Rekenkamer er in haar jaarverslag op wees dat bij de terugbetaling van uitgaven voor projecten in het kader van het structuurbeleid materiële fouten zijn gemaakt, dat in de steekproeven bij 44% van de terugbetalingen fouten zijn geconstateerd en dat "ten minste 12% van het totale bedrag dat voor structuurbeleidsprojecten is vergoed, niet had mogen worden betaald";

101.   neemt met diepe bezorgdheid kennis van de opmerkingen van de Rekenkamer, krachtens welke:

   a) slechts 31% van de projecten die door de Rekenkamer steekproefsgewijs werden gecontroleerd, correct zijn vergoed en niet zijn beïnvloed door conformiteitsfouten,
   b) de controlesystemen in de lidstaten over het algemeen ondoeltreffend of slechts matig doeltreffend zijn,
   c) iets meer dan de helft van de door de Rekenkamer onderzochte Commissiecontroles blijkbaar alle kwaliteiten van een doeltreffend systeem van toezicht bezaten;
  

betreurt de conclusie van de Rekenkamer dat zij er vrij zeker van is dat tenminste 12% van het totale vergoedingsbedrag voor structuurbeleidsprojecten niet had behoren te worden vergoed;

102.   acht het onaanvaardbaar dat volgens de bevindingen van de Rekenkamer de controlesystemen van het eerste niveau in de lidstaten over het algemeen ondoeltreffend zijn of maar matig doeltreffend en dat een aantal nationale en regionale instanties de EU-begrotingsmiddelen niet met voldoende aandacht beheren; stelt vast dat volgens de voor de controle door de Rekenkamer voor 2006 uitgevoerde steekproeven (19 controlesystemen van het eerste niveau) geen enkel van de systemen doeltreffend was, er slechts 6 matig doeltreffend waren en er 13 ondoeltreffend waren, en dat dus geen vorderingen zijn gemaakt op het gebied van de Structuurfondsen in vergelijking met 2005; uit zijn grote bezorgdheid over het onvermogen van de Raad om zijn verantwoordelijkheid voor deze situatie, die grotendeels het gevolg is van inadequate controles door de lidstaten, duidelijk te erkennen;

103.   dringt er derhalve bij de Commissie op aan gebruik te maken van ex ante controles, teneinde na te gaan of voor de periode 2007-2013 de toezichts- en controlesystemen in alle lidstaten operationeel zijn, en te zorgen voor de regelmatige follow-up van deze controles;

104.   betreurt tevens dat volgens de Rekenkamer het toezicht dat de Commissie uitoefent om de risico's van de controlesystemen in de lidstaten te verminderen maar matig is, waardoor de terugbetaling van overdreven of niet-subsidiabele uitgaven niet kan worden voorkomen;

105.   betreurt dat, zoals opgemerkt door de Rekenkamer, voor uitgaven in het kader van het structuurbeleid (zoals voor het GLB en interne beleidsmaatregelen) ingewikkelde of onduidelijke selectiecriteria of ingewikkelde wettelijke voorschriften een negatief effect hebben op de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

106.   acht het onaanvaardbaar dat volgens de Commissie(49) maar weinig veranderingen kunnen worden verwacht wat betreft een vereenvoudiging van de bestaande verordeningen van de Structuurfondsen voor de periode 2007-2013 en dat een verdere vereenvoudiging slechts zal worden voorgesteld voor de volgend!e wetgevingsronde;

107.   dringt er bij de Commissie op aan gevolg te geven aan de aanbeveling van de Rekenkamer (punt 6.45 van het jaarverslag) betreffende het Cohesiefonds en de wetgevingsautoriteit zo spoedig mogelijk voorstellen voor een verdere vereenvoudiging voor te leggen, o.a. met betrekking tot duidelijke en rechtlijnige regels, richtsnoeren en selectiecriteria;

108.   is het er met de Rekenkamer volledig over eens dat de instanties van de lidstaten een zeer belangrijke rol te spelen hebben bij de tenuitvoerlegging van de Structuurfondsen en dat de Commissie de controle erop dan ook dient te versterken en extra inspanningen moet leveren om toezicht op de beheersinstanties in de lidstaten te houden;

109.   betreurt het ontbreken van prikkels voor de lidstaten om de uitgaven doeltreffend te controleren, aangezien de lidstaten alle uitgaven die de Commissie of de Rekenkamer als niet subsidiabel beschouwt kunnen vervangen door subsidiabele uitgaven; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in de toekomst alleen door de lidstaten zelf geconstateerde onregelmatigheden kunnen worden vervangen door andere uitgaven zonder verlies aan begrotingsmiddelen voor de betrokken lidstaat;

110.   is verheugd over bovengenoemd actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer voor structurele acties, dat 37 maatregelen bevat ter vermindering van onregelmatige betalingen door lidstaten; is ook ingenomen met de, tijdens de openbare hoorzitting van de Commissie begrotingscontrole van 25 februari 2008 publiekelijk aangekondigde toezegging van de Commissie om het Parlement elk kwartaal verslag uit te brengen over de vorderingen met dit actieplan; verwacht dat de Commissie in samenwerking met de Rekenkamer de verslagleggingsregeling verbetert; verzoekt de Commissie haar uit het Verdrag voortvloeiende verplichting voor de uitvoering van de begroting te nemen, met inachtneming van het beginsel van een gezond financieel beheer, en in samenwerking met de lidstaten de volgende maatregelen met betrekking tot het gedeeld beheer van de Structuurfondsen te nemen:

  a) een officiële toezegging te doen om het actieplan volledig ten uitvoer te leggen en met name in te stemmen met:
   een driemaandelijks voortgangsverslag, zoveel mogelijk in kwantitatieve en niet in kwalitatieve termen, in een door de Rekenkamer aanvaarde vorm en met name uiterlijk op 31 oktober 2008 en 31 januari 2009 voortgangsverslagen voor te leggen,
   elke drie maanden volledig en nauwkeurig verslag uit te brengen over correcties en terugvorderingen door de Commissie en met name uiterlijk op 31 oktober 2008 en 31 januari 2009 voortgangsverslagen voor te leggen,
   informatie in te winnen bij de lidstaten over de door hen aangebrachte correcties, door intrekking van projecten of herstel van fouten, met name door uiterlijk op 31 oktober 2008 en 31 januari 2009 voortgangsverslagen voor te leggen over de verificatie door de Commissie van het feit of deze cijfers volledig en correct zijn,
   b) alle maatregelen te nemen ter voorkoming van toekomstige fouten, met name door een verbetering van de controles op het eerste niveau;

111.   verzoekt de Commissie het Parlement een scorebord te presenteren met een uiterste datum voor de uitvoering van dit actieplan, inclusief een gemeenschappelijk systeem van kwantitatieve indicatoren en tussentijdse termijnen voor de tenuitvoerlegging ervan;

112.   is van oordeel dat de Commissie het accent moet leggen op de betrouwbaarheid van de nationale controle- en rapportagesystemen, het verschaffen van richtsnoeren aan de lidstaten en de coördinatie van controlenormen, en steeds een uitsplitsing per lidstaat dient te geven;

113.   verwacht van de Commissie dat zij inbreukprocedures inleidt tegen lidstaten die hun verplichtingen uit hoofde van de verordeningen inzake de Structuurfondsen, het Financieel Reglement en de uitvoeringsbepalingen ervan of het IIA niet zijn nagekomen, met name de lidstaten die geen verslagen indienen over terugvorderingen en financiële correcties, de lidstaten die geen jaarlijkse overzichten presenteren die in overeenstemming zijn met de richtsnoeren en de lidstaten waarvan de kwaliteit van de jaarlijkse overzichten inadequaat is;

114.   onderstreept het belang van de richtsnoeren van de Commissie voor een effectieve naleving van het IIA; is van oordeel dat deze richtsnoeren als eerste stap op zijn minst de vereisten moeten omvatten waarin de verordening voor de landbouwsector al voorziet (i.e. een door het hoofd van de beheersautoriteit ondertekende betrouwbaarheidsverklaring, vergezeld van een certificeringsverslag);

115.   beklemtoont dat de Commissie opschortingsprocedures dient in te leiden tegen lidstaten wier controles op het eerste niveau inadequaat zijn en dat zij het sanctiesysteem dient te versnellen en het Parlement een concreet plan moet voorleggen voor de timing en de sancties die dienen te worden toegepast wanneer onregelmatigheden worden geconstateerd;

116.   dringt aan op controleerbare verslaglegging over correcties en terugvorderingen door de Commissie (intrekkingen, terugvorderingen door de lidstaten, terugvorderingen door de Commissie, netto correcties, opschorting van betalingen) voor alle ten onrechte verrichte betalingen voor alle fondsen met nauwkeurige definities van alle verschillende categorieën financiële correcties en dringt er voorts op aan dat alle daaraan ten gronde liggend bewijsmateriaal volledig toegankelijk moet zijn voor de Rekenkamer; verwacht dat de Commissie een duidelijke koppeling maakt tussen de terugvordering en het jaar waarin de onregelmatigheid is opgetreden en deze verslagleggingsregelingen ontwikkelt in samenwerking met de Rekenkamer;

117.   neemt nota van de verklaring van de Commissie dat geen van de in 2006 ten onrechte betaalde bedragen verloren zal gaan, gezien de doeltreffendheid van de ex post controles; verwacht van de Commissie dat zij het Parlement objectieve, duidelijke en volledige informatie verschaft over haar capaciteit om ten onrechte uitbetaalde bedragen terug te vorderen en dat zij het Parlement daarvan het onderliggende bewijs levert;

118.   herinnert aan actie 11N(50), waarvan de tijdslimiet voor uitvoering 31 december 2007 was; verwacht van de Commissie dat zij deze zo spoedig mogelijk ten uitvoer legt;

119.   is bezorgd over de verklaring van de Commissie in haar bovengenoemd voortgangsverslag van 2008 dat alleen in 2008 gelanceerde terugvorderingen zullen worden geregistreerd in het centrale financiële en boekhoudsysteem; dringt er bij de Commissie dan ook op aan in het centrale financiële en boekhoudsysteem informatie op te nemen over de controleautoriteit en de soort van fout, en retroactief alle terugvorderingen voor de periodes 1994-1999 en 2000-2006 te coderen;

120.   verzoekt de Commissie in het licht daarvan de doeltreffendheid en effectiviteit van de meerjarige terugvorderingssystemen te beoordelen en in de rekeningen voor 2008 of 2009 daarover verslag uit te brengen;

121.   verwacht van de Commissie dat zij het Parlement een evaluatie verschaft van de kwaliteit van alle ontvangen jaarlijkse overzichten betreffende landbouw, structuurbeleid en visserij; de evaluatie dient een uitsplitsing te bevatten per lidstaat en per beleidsterrein en een beoordeling van de algemene betrouwbaarheid en de algemene analyse die uit de overzichten kunnen worden opgemaakt;

122.   betreurt de diversiteit van de door de Commissie zelf verschafte informatie over financiële correcties en terugvorderingen, en verwacht dat voor de voor de kwijting verschafte informatie precies dezelfde definities van financiële correcties worden gehanteerd als verlangd wordt voor de reeds aangehaalde driemaandelijkse verslagen;

123.   verzoekt de Commissie in het kader van de tussentijdse herziening verslag uit te brengen over de resultaten van de "vertrouwenscontract"-regelingen, inclusief de fundamentele vraag of deze contracten geacht worden een toegevoegde waarde te hebben;

124.   verwacht dat de Commissie jaarlijks aan het Parlement rapporteert of de lidstaten de EU-verplichtingen uit hoofde van de verordening betreffende de Structuurfondsen en het IIA al dan niet hebben nageleefd; is ingenomen met de actie van de Commissie inzake het verkrijgen van de nationale overzichten van sectorale controles, zoals vereist krachtens het herziene IIA en het herziene Financieel Reglement; betreurt echter dat niet alle lidstaten aan deze verplichting hebben voldaan; dringt er met klem bij de Commissie op aan inbreukprocedures tegen de lidstaten aan te spannen die geen nationale overzichten van sectorale controles hebben voorgelegd;

125.   verzoekt de Commissie, met betrekking tot de kwijting voor het begrotingsjaar, cijfers voor te leggen over cash- en periodieke transacties, een duidelijke vermelding of de cijfers voor een jaar of voor meer jaren gelden, een duidelijke uitleg van de aard van de financiële correcties: forfaitaire correcties (in het geval van zwakke plekken in het systeem), terugvorderingen op het niveau van de eindbegunstigden, adequate verbeteringen van het ABAC-systeem en verwacht dat de voor de kwijting verstrekte informatie precies dezelfde definities van financiële correcties behelst als in de andere verslagen over financiële correcties, die in de loop van het jaar worden gepubliceerd, worden gevraagd;

126.   verzoekt de Commissie om het bij de afronding van het laatste project in het kader van de begrotingsprocedure 2006, op de hoogte te stellen van de totale omvang van de teruggevorderde bedragen, en zo nodig de verliezen en hun oorzaken;

127.   stelt met bezorgdheid vast dat de omvang van de betalingen in enkele lidstaten van de EU-15 sterk gedaald is, hetgeen een grote stijging van de nog betaalbaar te stellen bedragen (RAL) inhoudt;

128.   wijst de Commissie er nogmaals op dat de kwaliteit van doorlichtingsystemen van aanzienlijke invloed op de evaluatie van projecten is, en dat strikte regelgeving op de kwaliteit van de financiële toezichtprocedures in de toekomst dus van bijzonder groot belang wordt;

129.   spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het feit dat, zoals in 2005, de nog af te wikkelen betalingsverplichtingen blijven toenemen, hetgeen, tezamen met de verandering van de "n+2"-regel in "n+3" in sommige lidstaten voor de periode 2007-2013, de situatie nog zou kunnen verslechteren, wat er uiteindelijk toe zou kunnen leiden dat het geld nog later bij de eindbegunstigde aankomt;

130.   stemt in met het advies van de Rekenkamer dat de doeltreffendheid van de stelsels van vroegtijdige controles van de lidstaten verbeterd moet worden, om fouten tijdens de eerste fasen van de projecten te voorkomen, en is van mening dat moet worden gezorgd voor een grondige opleiding van de rijksambtenaren belast met de evaluatie en de analyse van de projecten, hetgeen op zijn beurt kan bijdragen aan een snellere besteding van de Structuurfondsen;

131.   erkent het grote belang van de aanbeveling van de Commissie aan de lidstaten om voortaan gebruik te maken van de vereenvoudigingen geboden door het nieuwe reglement inzake de Structuurfondsen voor de periode 2007-2013(51), onder meer door een beroep te doen op de forfaitaire bedragen voor de indirecte kosten uit hoofde van het Europees Sociaal Fonds, die evenwel minimaal en begrijpelijk moeten zijn;

132.   acht het uiterst belangrijk de ontwikkelingen van het structuurbeleid te meten aan de hand van nuttige indicatoren en doelstellingen die binnen een zo kort mogelijk tijdsbestek vergeleken en gelinkt kunnen worden om vanzelf te algemene en te approximatieve evaluaties te vermijden;

Intern beleid

133.   merkt bezorgd op dat de controle van de Rekenkamer op het gebied van intern beleid in het algemeen eens te meer twee belangrijke tekortkomingen aan het licht heeft gebracht, enerzijds "een materieel foutenpercentage (...) bij betalingen aan begunstigden" en anderzijds het feit dat de "toezicht- en controlesystemen van de Commissie (...) het inherente risico dat te hoog opgegeven kosten worden vergoed onvoldoende[verkleinen]" (jaarverslag, conclusies punt 7.30);

134.   neemt er nota van dat de Rekenkamer bovendien net als de vorige jaren ook wijst op voortdurende vertragingen bij het uitvoeren van betalingen aan begunstigden door de Commissie;

135.   betreurt ten zeerste de kritische beoordeling door de Rekenkamer op dit gebied, dat onder het rechtstreekse financiële beheer van de Commissie valt, en dringt er bij de Commissie op aan dat zij haar uiterste best doet om de nodige actie te ondernemen teneinde hetzelfde aantal tekortkomingen volgend jaar te voorkomen;

136.   is van mening dat een vereenvoudiging van de berekeningsregels voor gedeclareerde kosten een noodzakelijke stap is om de situatie te verbeteren en verzoekt de Commissie haar inspanningen voort te zetten om te komen tot regels die voor de begunstigden zo makkelijk toe te passen zijn als mogelijk;

137.   benadrukt dat de Commissie de bepalingen van het Financieel Reglement betreffende tijdslimieten voor operaties in verband met uitgaven moet naleven en verzoekt de Commissie ernstige maatregelen te nemen om situaties als de huidige blijvende achterstand op het gebied van betalingen te voorkomen;

138.   is verheugd over de mogelijkheid die wordt geboden door Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 over het Europees Sociaal Fonds(52) om de indirecte kosten betreffende steun forfaitair te declareren;

139.   verwacht dat de lidstaten hun toezicht- en controlestelsels voor de door de eindbegunstigden gevorderde kosten in samenwerking met de Commissie verbeteren;

140.   stemt in met het standpunt van de Rekenkamer over de noodzaak om het financiële beheer van het intern beleid te verbeteren en inspanningen te doen om de regels die gelden voor de programma's te vereenvoudigen door zoveel mogelijk gebruik te maken van de forfaitaire financiering en over te stappen op een systeem van resultaatgerichte financiering;

141.   stelt vast dat in 2006, het Europees jaar van de mobiliteit van de werknemers, ondanks de beperkte kredieten voor dit initiatief, weliswaar de aandacht is gevestigd op sommige verschillen en belemmeringen voor het vrij verkeer, maar dat geen reële wijzigingen zijn doorgevoerd in het bestaande scenario;

142.   spreekt zijn tevredenheid uit over de investeringen in het in 2006 gelanceerde nieuwe EURES-platform, dat zijn toegevoegde waarde voor de mobiliteit en het vrij verkeer op de Europese arbeidsmarkt al heeft bewezen; wijst er evenwel op dat de functionering van EURES is afgeremd door tal van taalbarrières, zodat wij ons kunnen afvragen of een taalkundige benadering in de zin van wat de studenten wordt aangeboden in het kader van de Europese mobiliteitsplannen ook hiervoor dienstig zou kunnen zijn;

Vervoer en toerisme

143.   herinnert eraan dat op de begroting voor 2006, zoals uiteindelijk goedgekeurd en in de loop van het jaar gewijzigd, voor vervoermaatregelen een bedrag van 963,8 miljoen EUR aan vastleggingskredieten was opgenomen en een bedrag van 891,4 miljoen EUR aan betalingskredieten beschikbaar was; wijst er verder op dat van deze bedragen:

   - 699,8 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 684 miljoen EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor TEN-T-projecten (trans-Europese vervoernetwerken),
   - 18,1 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 19,1 miljoen EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor vervoerveiligheid,
   - 36 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 11,7 miljoen EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor het Marco Polo-programma,
   - 5,5 miljoen EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar was voor het proefproject veiligheid vrachtvervoer over de weg, terwijl de betalingskredieten hiervoor via de globale overschrijving tot 0,15 miljoen EUR zijn verlaagd;

144.   is verheugd over de aanhoudend hoge benutting van zowel de vastleggings-, als de betalingskredieten voor TEN-T-projecten, beide bijna 100%, en verzoekt de lidstaten voldoende middelen van de nationale begrotingen ter beschikking te stellen in aanvulling op deze communautaire inspanningen;

145.   neemt met bezorgdheid kennis van de lage benutting van de vastleggingskredieten voor vervoerveiligheid (34%), waarvoor een groot deel van het oorspronkelijk in 2006 beschikbare bedrag middels een overdracht in 2007 was vastgelegd, en van de lage benutting van de betalingskredieten voor het Marco Polo-programma (44,8%); maakt zich verder grote zorgen over de zeer lage benutting van de betalingskredieten voor het proefproject voor veiligheid in de wegsector van TEN-T (29,6%), hetgeen gedeeltelijk te wijten is aan de late ondertekening van de contracten en, ten gevolg daarvan, de late start van het proefproject; verzoekt de Commissie dan ook oproepen tot het indienen van voorstellen en aanbestedingen in de toekomst zo vroeg mogelijk te organiseren, teneinde de vastleggings- en de betalingskredieten zo goed mogelijk te kunnen gebruiken;

146.   verzoekt de Commissie en de begrotingsautoriteit om op het moment van goedkeuring van het budget voor proefprojecten voor het juiste evenwicht tussen het bedrag voor de vastleggingskredieten en het bedrag voor de betalingskredieten te zorgen, en erop toe te zien dat dat evenwicht rekening houdt met het feit dat de tijd die nodig is om het betalingsstadium van een project te bereiken in de regel langer bedraagt dan één begrotingsjaar;

147.   is blij dat uit de analyse van de Rekenkamer van de tenuitvoerlegging van de interne controlenormen betreffende de regelmatigheid en wettigheid van onderliggende financiële transacties is gebleken dat de controles van het DG Energie en Vervoer voldoen aan de vereisten inzake risicobeoordeling en -beheer, beheerinformatie, rapportage van onvolkomenheden en toezicht; verzoekt het DG Energie en Vervoer desalniettemin analyses van soorten en aantallen fouten te gebruiken een op risico's gebaseerde beheerstrategie te ontwikkelen voor de ex ante herziening van de kostenoverzichten die van begunstigden worden ontvangen;

Interne markt en consumentenbescherming

148.   is verheugd over het feit dat in het verslag van de Rekenkamer kritische opmerkingen over het beleid op het gebied van de interne markt, douane en consumentenbescherming ontbreken;

149.   is van mening dat het uitvoeringspercentage van 85% voor begrotingslijn 120201 (internemarktbeleid) verbetering behoeft, rekening houdend met de verklaring van de Commissie dat de begrotingsautoriteit de vastleggingskredieten tijdens de begrotingsprocedure met 1,05 miljoen EUR heeft verhoogd, hetgeen tijdens de budgettaire planning niet was voorzien; erkent evenwel dat inspanningen zijn geleverd om de budgettaire planning te verbeteren, blijkens een uitvoeringspercentage van bijna 100% in 2007;

150.   is van mening dat het uitvoeringspercentage van 48% voor begrotingslijn 140201 (douanebeleid) zeer laag is, hetgeen volgens de Commissie het gevolg is van een beleidswijziging in de aanbestedingsprocedure met een verschuiving van de gunning van afzonderlijke opdrachten naar de uitvoering van meerjarige kadercontracten; stelt daarom met bevrediging vast dat het uitvoeringspercentage in 2007 is gestegen tot 83%, waaruit blijkt dat deze beleidswijziging nu al positieve resultaten heeft opgeleverd, hoewel verdere verbetering nodig blijft;

151.   is verheugd over het uitvoeringspercentage van 96% voor begrotingslijn 170201 (consumentenbescherming);

Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

152.   toont zich verheugd over de verhoogde uitvoeringsgraad van de betalingskredieten van de begroting voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en justitie (86,3% in vergelijking met 79,8% in 2005); verzoekt het directoraat-generaal Justitie, vrijheid en veiligheid verdere inspanningen in deze richting te blijven leveren; is echter niet tevreden met het relatief lage uitvoeringspeil van de vastleggingskredieten (94,5% in vergelijking met 97,7% in 2005); verzoekt het directoraat-generaal Justitie, vrijheid en veiligheid te proberen het uitvoeringspeil van de vastleggings- en betalingskredieten in 2007 te maximaliseren, ondanks de vertraging in de wetgevingsprocedures voor de oprichting van de relevante fondsen;

153.   neemt kennis van de opmerkingen die de Rekenkamer maakt in haar speciaal verslag nr. 3/2007 betreffende het beheer van het Europees Vluchtelingenfonds van 2000 tot 2004; verzoekt de Commissie rekening te houden met deze opmerkingen, met name betreffende de uitvoering van het Europees Vluchtelingenfonds (ERF III) en van de andere in 2007 opgerichte fondsen;

Rechten van de vrouw en gendergelijkheid

154.   herinnert de Commissie eraan dat overeenkomstig artikel 3, lid 2 van het EG-Verdrag de bevordering van gendergelijkheid een fundamentele doelstelling van de Gemeenschap is, die in alle activiteiten van de Gemeenschap in acht dient te worden genomen; onderstreept voorts dat de Commissie ervoor moet zorgen dat bij de tenuitvoerlegging van de begroting met gendergelijkheid rekening wordt gehouden en dat acties moeten worden geëvalueerd vanuit het oogpunt van het verschil in impact voor mannen en vrouwen;

155.   constateert tot zijn spijt dat de praktijk van genderbudgeting nog steeds niet wordt toegepast, herhaalt derhalve zijn verzoek om gendermainstreaming daadwerkelijk in de begrotingsplanning en de financiering van de communautaire programma's te integreren;

156.   stelt vast dat het bestedingspercentage van de kredieten in het kader van het Daphne-programma laag blijft en dringt er bij de Commissie met klem op aan de noodzakelijke maatregelen te nemen om in deze situatie verbetering te brengen en te voorkomen dat betalingsverplichtingen komen te vervallen;

157.   is van oordeel dat meer aandacht moet worden besteed aan de bevordering van de deelname van vrouwen aan de kennissamenleving en de arbeidsmarkt, bijgevolg aan hun toegang tot hooggekwalificeerde opleidingsprogramma's alsook aan hun inzet op het gebied van de informatie- en communicatietechnologieën;

Onderzoek en ontwikkeling

158.   is tevreden met de vlotte en duidelijke stappen die de onderzoekscluster na de kwijting voor het begrotingsjaar 2005 heeft ondernomen om de tekortkomingen waarop in het kader van de kwijtingsprocedure was gewezen, te verhelpen; is zich ervan bewust dat de resultaten pas zichtbaar zullen zijn in het jaar n+2;

159.   is tevreden met de verbeteringen op het gebied van de controlestrategie van de Commissie en het toegenomen aantal financiële controles ex-post die in 2006 in het kader van het zesde kaderprogramma zijn uitgevoerd;

160.   merkt evenwel op dat de Rekenkamer net als de vorige jaren wijst op materiële fouten op dit beleidsterrein en verzoekt de Commissie het werk dat zij nu levert, voort te zetten, om volgend jaar een reële daling van het foutenpeil te verkrijgen;

Milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

161.   beschouwt de algemene uitvoeringspercentages van de begrotingslijnen voor milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid als bevredigend;

162.   benadrukt in het bijzonder dat de tenuitvoerlegging van het LIFE-III-programma, dat 58% van de operationele begroting voor het beleidsdomein "milieu" vertegenwoordigt, een uitvoeringspercentage van meer dan 98,7% van de vastleggingskredieten bereikte;

163.   wijst er echter op dat de uitvoering van bepaalde vastleggingskredieten, zoals bepaalde onderdelen van communautaire actie op het gebied van de civiele bescherming en de verontreiniging van de zee, problematisch lijkt te zijn, met name door de lage kwaliteit van de ingediende voorstellen en offertes en door bepaalde beperkingen opgelegd door de rechtsgrondslag, zoals een beperkte maximale financiële bijdrage van de Gemeenschap;

164.   benadrukt dat het globale uitvoeringspercentage van betalingskredieten voor milieu 85,76% bedraagt, wat een significante toename is in vergelijking met 2005 (78,39%);

165.   merkt op dat de betalingspercentages voor milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid relatief laag liggen, vooral door moeilijkheden met het anticiperen op de behoeften aan betalingskredieten en eveneens door het feit dat een deel van de kredieten niet-gesplitste kredieten zijn, en dat bijgevolg een aanzienlijk deel van de betalingen een jaar na de vastlegging plaatsvindt; erkent dat de Commissie gedeeltelijk afhankelijk is van de vlotte indiening van facturen door begunstigden en contractanten en dat de uiteindelijke bedragen die aan projecten worden uitbetaald vaak lager liggen dan oorspronkelijk werd ingeschat;

166.   verzoekt de Commissie haar inspanningen ter verbetering van de administratieve procedures die een invloed hebben op de uitvoering van de vastleggings- en betalingskredieten voort te zetten;

Cultuur en onderwijs

167.   merkt bezorgd op dat de controle van contracten op het gebied van onderwijs en cultuur heeft geleid tot 12,3% aanpassingen in de declareerbare kosten in het voordeel van de Commissie, waarbij de vraag onbeantwoord blijft of de terugbetalingen in het kader van projecten die niet gecontroleerd zijn, terecht waren;

168.   merkt met betrekking tot het cultuur- en onderwijsbeleid op dat, hoewel sinds 2005 vooruitgang is geboekt, waarbij de laatste reeks van controles extra informatie heeft opgeleverd, het instrument voor controle en toezicht van de nationale agentschappen in feite niet is veranderd en het eigen DG Onderwijs en cultuur (DG EAC) het bestaan van een aantal tekortkomingen heeft moeten erkennen;

169.   betreurt het feit dat de Rekenkamer vertragingen met betrekking tot de betalingen aan begunstigden door de Commissie heeft vastgesteld en dat DG EAC geen betrouwbare informatie over deze late betalingen had;

170.   stelt bezorgd vast dat de Rekenkamer in het jaarverslag 2006 van mening is: "De Commissie heeft niet voldaan aan het vereiste van het Financieel Reglement om de beheers- en controlesystemen van de nationale agentschappen te onderzoeken voordat zij daaraan de tenuitvoerlegging van communautaire acties toevertrouwt" (bijlage, punt 7.1);

171.   stelt met grote bezorgdheid vast dat voor het e-learning programma de gemiddelde administratieve kosten per succesvolle toepassing 22 000 EUR bedroegen, terwijl het gemiddelde bedrag per subsidie voor dit programma slechts 4 931 EUR bedraagt; verzoekt de Commissie toe te lichten waarom deze cijfers zo onevenwichtig zijn en de nodige maatregelen te nemen om dit verschil te verkleinen;

172.   merkt op dat de Commissie volgens het jaarlijkse activiteitenverslag van DG EAC voor 2006 diverse actieplannen uitvoert (op zijn minst zes) om haar tekortkomingen op het gebied van beheer te verhelpen, maar betreurt dat de huidige situatie wat de actieplannen betreft, niet duidelijk is; betreurt het feit dat tijdens de hoorzitting als voorbereiding op deze kwijting geen concrete antwoorden zijn gegeven;

173.   verzoekt de Commissie zijn Commissie begrotingscontrole een volledige en bijgewerkte lijst van nationale agentschappen en informatie over de stand van zaken met betrekking tot de analyse van de betrouwbaarheidsverklaringen die door deze agentschappen zijn ingediend, te verstrekken en dringt er bij de Commissie op aan de reikwijdte, kwaliteit en follow-up van de systeemcontroles van de nationale agentschappen op het gebied van onderwijs en cultuur te verbeteren;

174.   neemt nota van de herhaalde aanbeveling van de Rekenkamer "te blijven streven naar vereenvoudiging van de regels voor deze programma's, zo mogelijk door ruimer gebruik te maken van financiering op basis van vaste bedragen en over te schakelen op een op resultaten gebaseerd financieringssysteem"; vraagt daarom meer vereenvoudiging en een ruimer gebruik van forfaitaire regelingen;

175.   is ingenomen met de aanbeveling van de Rekenkamer aan de Commissie om in overeenstemming met het Financieel Reglement meer gebruik te maken van een vast bedrag of forfaitaire financiering om gemakkelijker subsidies te kunnen toekennen;

176.   wijst erop dat ongeveer 70% van de begroting op het gebied van onderwijs en cultuur door nationale agentschappen wordt beheerd; stelt met bezorgdheid vast dat in 2006 in een beperkt aantal gevallen ernstige en stelselmatige zwakheden in het beheer van de kredieten aan het licht zijn gekomen; erkent tegelijkertijd dat de Commissie stappen onderneemt om het controlekader te versterken; verlangt dat de Commissie vóór de kwijtingsprocedure met betrekking tot het begrotingsjaar 2007 verslag uitbrengt over de resultaten van de genomen maatregelen;

177.   deelt de mening dat de lidstaten zich meer bewust moeten zijn van hun verantwoordelijkheid voor een bevredigende werking van de nationale agentschappen; hoopt dat de nieuwe "betrouwbaarheidsverklaringen" van de nationale autoriteiten de procedures van de lidstaten voor de controle en de audit van de nationale agentschappen zullen verbeteren;

178.   verzoekt de Commissie strenge richtsnoeren op te stellen voor transparantie bij de toepassing van en de selectieprocedures voor de meerjarenprogramma's; verwacht dat de Commissie samen met de uitvoerende agentschappen en de nationale agentschappen de communicatie met de kandidaten en de begunstigden verder verbetert;

179.   is bezorgd over tekortkomingen in de beschikbare gegevens betreffende bepaalde aspecten van de uitvoering van de meerjarenprogramma's; verzoekt met name om volledige informatie van de Commissie over de omvang van laattijdige betalingen aan begunstigden; steunt in dit opzicht het nieuwe onderzoek dat de Ombudsman op eigen initiatief heeft geopend; wijst erop dat 23% van de betalingen in 2007 te laat werd verricht; wijst erop dat de Commissie momenteel haar definitie van wat laattijdige betalingen zijn, herziet en ziet ernaar uit hierover meer informatie te ontvangen;

180.   wijst op de verhoogde inspanningen van de Commissie om via haar communicatie-instrumenten beter naar de bekommernissen van de burgers te luisteren; moedigt het Directoraat-generaal communicatie aan beter gebruik te maken van vereenvoudigde financieringsmechanismen voor maatregelen die bestemd zijn voor het maatschappelijk middenveld in de begrotingslijnen waarin DG EAC voor het programma 'Europa voor de burgers' voorziet.

Externe maatregelen

181.   dringt er bij de Commissie op aan haar definitie van "niet-gouvernementele organisatie" te geven, niet alleen wat de wettelijke aspecten betreft, maar ook ten aanzien van de wijze waarop de niet-gouvernementele financiering van deze organisaties wordt gegarandeerd;

182.   herinnert eraan dat in 2006 voor externe maatregelen in totaal 5,867 miljard EUR werd uitgegeven en de betalingen 5,186 miljard EUR bedroegen; neemt met bezorgdheid kennis van de volgende bevindingen in het jaarverslag van de Rekenkamer:

   een hoog foutenpercentage bij de steekproeven op het niveau van projectuitvoerende organisaties,
   zwakke plekken bij de toezicht- en controlesystemen die bedoeld zijn om de wettigheid en regelmatigheid op het niveau van de projectuitvoerende organisaties te waarborgen,
   dat de grootste risicogebieden opnieuw de aanbestedingsprocedures, de subsidiabiliteit van de uitgaven en onvoldoende ondersteunende documenten waren;

183.   betreurt dat de Rekenkamer, wat de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG AIDCO betreft, beklemtoont dat "het materiële foutenpercentage en de tekortkomingen die de Rekenkamer heeft geconstateerd in de toezicht- en controlesystemen, opgezet ter waarborging van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen bij de projectuitvoerende organisaties op het begrotingsterrein externe maatregelen, niet voldoende worden weerspiegeld in het jaarlijkse activiteitenverslag en de verklaring van de dienst voor samenwerking EuropeAid" (punt 2.17 en tabel 2.1 van het jaarverslag);

184.   betreurt tevens dat in de analyse van de jaarlijkse beheersplannen van sommige DG's opnieuw niet wordt verwezen naar externe controleurs van projecten of de specifieke risico's die verbonden zijn aan de verschillende soorten uitvoerende organisaties (NGO's, internationale organisaties, overheidsinstanties, enz.) en financieringsmethoden (subsidies, begrotingssteun, trustfondsen, enz.) (punt 8.28 van het jaarverslag);

185.   uit zijn bezorgdheid over het feit dat de bevindingen van de Rekenkamer waaraan hierboven wordt gerefereerd dezelfde zijn als in het jaarverslag 2005 van de Rekenkamer, i.e. inconsistentie van de aan de hoofdkantoren verschafte informatie over externe controles, geen systematische centralisatie van deze informatie om tot conclusies te komen en onvoldoende follow-up; verzoekt de Commissie dan ook dringend op deze bevindingen te reageren;

186.   betreurt tevens dat volgens het jaarverslag van de Rekenkamer "de Dienst interne audit (DIA) thans geen jaarlijkse totaalbeoordeling van de stand van de interne controle bij EuropeAid en DG ECHO verzorgt. (...) Ondanks het feit dat in de loop van 2006 twee extra posten bij de DIA zijn gecreëerd, lijkt het met de huidige uitgebreide personeelssterkte niet haalbaar binnen de voorgestelde driejarencyclus de volledige reikwijdte van de controle te realiseren zoals die is vastgesteld in de door EuropeAid verrichte behoeftenraming op het gebied van controle" (punt 8.30 van het jaarverslag);

187.   verzoekt de Commissie een jaarlijkse algemene beoordeling van de stand van de interne controle bij DG AIDCO uit te voeren en te onderzoeken of extra posten bij de DIA noodzakelijk zijn;

188.   wijst op de door de Rekenkamer bekritiseerde situatie wat betreft de activiteiten van de Commissie ten aanzien van de controles achteraf (punten 8.23 en 8.33 van het jaarverslag) en verzoekt de Commissie de Commissie begrotingscontrole van het Parlement regelmatig te informeren over de stappen die zijn ondernemen om deze situatie te verhelpen;

189.   verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van DG AIDCO verder te verbeteren door te verwijzen naar de bevindingen van controleurs op projectniveau en een onderscheid te maken tussen de diverse typen uitvoerende organisaties en de financieringsmethoden;

190.   verzoekt DG AIDCO de taakomschrijving van zijn externe controles te verbeteren door ervoor te zorgen dat zij alle bekende risicoterreinen bestrijkt, inclusief inachtneming van de eisen die de Commissie stelt aan procedures voor het sluiten van overeenkomsten en de subsidiabiliteit van uitgaven;

191.   onderstreept dat de EU-bijdragen aan de VN in de periode van 2000 tot 2006 met 700% zijn gestegen (van 200 miljoen EUR in 2000 tot 1,4 miljard EUR in 2007); kan het gebrek aan follow-up van de door de Commissie aan internationale trustfondsen overgemaakte begrotingsmiddelen niet begrijpen;

192.   uit in dit verband zijn bezorgdheid over het feit dat de kwijtingsautoriteit niet over de noodzakelijke basisinformatie beschikt om een zinvolle kwijting te kunnen verlenen ten aanzien van begrotingsmiddelen die worden geïmplementeerd onder de titel externe actie;

193.   dringt erop aan dat dringend een geharmoniseerd informatiesysteem wordt ontwikkeld teneinde de kwijtingsautoriteit in het bijzonder, en het publiek in het algemeen, een volledig transparante database te verschaffen die een volledig overzicht bevat van de wereldwijd met EU-begrotingsmiddelen gefinancierde projecten en de eindontvangers van deze begrotingsmiddelen; is van mening dat bij voorkeur de database van het gemeenschappelijk RELEX-informatiesysteem (CRIS) deze informatie zou moeten kunnen verstrekken;

194.   wijst er opnieuw op dat de Commissie uit hoofde van het Financieel Reglement sinds mei 2007 in staat zou moeten zijn onmiddellijk de eindbegunstigden en de uitvoerende actoren van alle met EU-begrotingsmiddelen gefinancierde of medegefinancierde projecten te identificeren;

195.   is van oordeel dat de zichtbaarheid, de beleidsrichtsnoeren en de mogelijkheid van controle door de Commissie op internationale trustfondsen (daar waar de EU een belangrijke donor is) dienen te worden versterkt zonder dat de doeltreffendheid van de actie op dit gebied daardoor in gevaar wordt gebracht;

196.   verzoekt de Commissie het Parlement een plan voor te leggen ter versterking van het EU-eigendom van haar externe acties;

197.   uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Commissie in de twee gevallen waarin het Parlement verzocht heeft om een lijst van met EU-begrotingsmiddelen gefinancierde projecten respectievelijk 2,5 maanden voor het verschaffen van de lijst van onder CARDS (communautaire bijstand voor wederopbouw, ontwikkeling en stabilisatie) gefinancierde projecten en 13 maanden (voor het verschaffen van basisinformatie over met EU-begrotingsmiddelen medegefinancierde projecten voor Irak) nodig gehad heeft; dringt aan op een onmiddellijke rechtzetting van deze situatie voor alle in het kader van de externe acties beheerde begrotingsmiddelen;

198.   dringt er bij de Commissie op aan de tekortkomingen wat betreft de procedures voor het sluiten van overeenkomsten en de subsidiabiliteit van uitgaven bijzonder serieus aan te pakken, en betreurt ten zeerste het kritische oordeel van de Rekenkamer wat betreft deze terreinen, die onder het directe financiële beheer van de Commissie staan;

199.   is het er met de Rekenkamer over eens dat de Commissie informatie over alle controles op projecten dient op te nemen in het CRIS en deze informatie beter dient te verbinden met informatie inzake projectbeheer; verzoekt tevens het EuropeAid-hoofdkantoor van de Commissie de financiële informatie die wordt verschaft door de delegaties te toetsen, teneinde de volledigheid en consistentie ervan te garanderen;

200.   verzoekt de Commissie de transparantie en de toegang tot documenten in verband met door VN-agentschappen beheerde projecten te verbeteren en duidelijke richtsnoeren en procedures binnen de FAFA te blijven ontwikkelen, teneinde een kader te creëren voor het beheer van de financiële bijdragen van de Commissie aan de VN;

201.   verzoekt de Commissie verslag uit te brengen aan het Parlement over in het kader van de FAFA verrichte controles;

202.   juicht de resultaten toe van de controle op de implementatie van de Phare- en Ispa-instrumenten in Bulgarije en Roemenië en het hulpprogramma voor Turkije, waarbij een onbeduidend foutenniveau werd geconstateerd; neemt nota van de fouten en tekortkomingen die werden opgespoord met betrekking tot de implementatie van het Sapard-instrument in Bulgarije en Roemenië; verzoekt de Commissie te blijven samenwerken met de autoriteiten van beide landen, teneinde te garanderen dat alle regels van openbare aanbesteding en goed financieel beheer worden nageleefd en dat de juistheid, de regelmatigheid en de subsidiabiliteit van aanspraken op communautaire hulp terdege worden gegarandeerd;

203.   neemt nota van het oordeel van de Rekenkamer dat de nationale toezichtsystemen die aan de gedecentraliseerde uitvoeringssystemen van Bulgarije, Roemenië en Turkije zijn gekoppeld nog altijd niet voldoen;

204.   herhaalt zijn bezorgdheid over de vertraging bij de accreditatie van het uitgebreide gedecentraliseerde uitvoeringssysteem (EDIS) in Bulgarije, en spoort de Commissie en de Bulgaarse autoriteiten aan hun samenwerking en inspanningen te vergroten, teneinde voor goede management- en controlestructuren, alsmede voldoende administratief vermogen te zorgen zodat het EDIS efficiënt kan functioneren;

205.   steunt de aanbevelingen van de Rekenkamer aan de Commissie dat zij streng toezicht dient uit te oefenen op de goede werking van de nationale toezicht- en controlesystemen, in het bijzonder op de voorbereiding en het beheer van aanbestedingen in Turkije, aankopen onder EDIS in Bulgarije en Roemenië, en de tijdige terbeschikkingstelling van nationale medefinanciering; onderstreept de noodzaak van versterking van de administratieve capaciteit in de nieuwe lidstaten en de landen die in het toetredingsproces zitten;

206.   is verheugd met de vaststelling van de Rekenkamer dat de Commissie naar aanleiding van het speciaal verslag van de Rekenkamer over jumelage uit 2003 een aantal verbeteringen in het systeem heeft aangebracht; verzoekt de Commissie de begunstigde regeringen aan te sporen in het kader van hun hervormingsinspanningen in sterkere mate gebruik te maken van de resultaten van projecten; sluit zich aan bij de aanbeveling van de Rekenkamer aan de Commissie dat zij de mate van detail in de jumelagecontracten dient te verlagen, teneinde voor méér flexibiliteit bij het beheer van projecten te zorgen;

207.   neemt nota van de bevindingen van de Rekenkamer betreffende de wettigheid en regelmatigheid van transacties op het gebied van het externe optreden en daaraan gerelateerde toezicht- en controlesystemen; verzoekt de Commissie alle noodzakelijke systeemverbeteringen door te voeren, teneinde ervoor te zorgen dat de problemen op het niveau van de projectimplementatie-organisaties in derde landen worden verholpen;

208.   verzoekt de Commissie het Parlement een verslag te doen toekomen over wat gedaan is ter verbetering van de situatie van Iraakse vluchtelingen en ontheemden;

209.   volgt met veel belangstelling de assistentie die de EU Afghanistan biedt, en verzoekt de Commissie het Parlement een verslag te doen toekomen over het gebruik van EU-gelden in Afghanistan en nader in te gaan op de uitwijzing uit dat land van de EU-vertegenwoordiger op beschuldiging van het hebben van contacten met de Taliban;

210.   verwacht een jaarlijkse verslaglegging aan het Parlement over contracten die consequenties hebben voor de begroting, een jaarlijkse lijst van projecten en hun locatie en een lijst met uiteindelijke begunstigden; is van mening dat de rapporteur voor de kwijting toegang moet hebben tot informatie die om veiligheidsredenen vertrouwelijk is; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om met de VN opnieuw te gaan onderhandelen over de desbetreffende overeenkomsten inzake trustfondsen, om gezamenlijke richtsnoeren voor verslaglegging en bekendmaking van de uiteindelijke begunstigden vast te leggen; is ook ingenomen met de toezegging van de Commissie om jaarlijkse bijeenkomsten te organiseren van het Europees Parlement en hoge VN-ambtenaren die belast zijn met het beheer van door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen en is van mening dat dit de VN het kader biedt om bijkomende informatie over EU-fondsen te verstrekken;

Humanitaire hulp en ontwikkeling

211.   betreurt dat de interne controles in DG ECHO volgens de Rekenkamer slechts "deels bevredigend" is (bijlage 8.2 van het jaarverslag);

212.   steunt ten volle de volgende conclusies van de Rekenkamer in het jaarverslag: "DG ECHO dient de voorschriften inzake de subsidiabiliteit van uitgaven te verduidelijken om uiteenlopende interpretaties te vermijden, en het evenwicht tussen controles die op het hoofdkantoor van DG ECHO en in het veld worden verricht, moet opnieuw worden bezien teneinde een beter beeld te krijgen van de realiteit van de projectuitgaven" (punten 8.11 en 8.18 van het jaarverslag);

213.   betreurt de vaststelling in punt 2.1 van het jaarlijks activiteitenverslag van het Directoraat-generaal ontwikkeling (DG DEV) dat het waarborgen van de coherentie van het communautaire beleid, dat consequenties heeft voor ontwikkelingslanden, een ernstig risico kan opleveren. Dit risico is het meest relevant met betrekking tot de handel, met name in onderhandelingen over Europese Partnerschapsovereenkomsten (EPO). Dit vertegenwoordigt een kritieke dimensie van het ontwikkelingsbeleid, maar de capaciteit op dit gebied is vooral geconcentreerd in DG Handel. Dit risico bestaat nog steeds, ondanks de aanscherping en concentratie van de verantwoordelijkheden op het gebied van handel, na de reorganisatie van DEV in juli 2006;

214.   verzoekt de Commissie om de Commissie begrotingscontrole mee te delen hoe zij deze situatie denkt aan te pakken en welke maatregelen in 2008 moeten worden genomen om de werking van het interne controlesysteem in DG DEV, met betrekking tot het niveau van de uitvoering van interne controlenormen, te verbeteren;

Euromediterraan partnerschap

215.   stelt met voldoening vast dat de Rekenkamer in speciaal verslag nr. 5/2006 betreffende het MEDA-programma heeft vastgesteld dat het beheer van het MEDA-programma sinds de beginjaren duidelijk is verbeterd en als bevredigend kan worden beschouwd;

216.   stelt voorts vast dat de Rekenkamer heeft geconcludeerd dat de delegaties van de Commissie, als gevolg van decentralisatie, een belangrijke rol hebben gespeeld bij de uitvoering van het programma, doordat zij partnerlanden hebben helpen omgaan met de procedurele aspecten van aanbestedingen;

217.   verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig op de hoogte te houden van uitgevoerde controles ter plaatse en inspecties, waarbij ernstige gevallen van vermoedelijke fraude of andere financiële onregelmatigheden tijdens het laatste jaar van de uitvoering van het MEDA programma aan het licht komen;

218.   hoopt op een grotere zichtbaarheid van door de EU via internationale "trust funds" gefinancierde acties, met name van de meer dan 1 miljard EUR die van de begroting van de Europese Unie naar de VN en de Wereldbank zijn overgeheveld ; dringt er bij de Commissie op aan om te zorgen dat politieke richtsnoeren, zichtbaarheid van de EU en toezicht op de gelden versterkt worden;

219.   verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig de concrete maatregelen te presenteren voor het verder vergroten van het EU-eigendom van haar extern optreden in zijn geografische context (volgens de principes van doelmatigheid, verantwoordelijkheid en zichtbaarheid);

220.   verzoekt de Commissie het Parlement gedetailleerd en snel te informeren over het gebruik van EU-middelen via internationale "trust funds" voor Irak; verzoekt de Commissie deze informatie te actualiseren en te onderbouwen en een systeem te presenteren aan de hand waarvan het Parlement gedetailleerd inzicht krijgt in waaraan de EU via internationale "trust funds" in enig deel van de wereld medefinanciering heeft toegekend;

221.   verheugt zich in de betekenisvolle toename in de gebruikmaking van vastleggings- en betalingskredieten voor de strategie tot voorbereiding van de toetreding in 2006 in vergelijking met 2005;

Ontwikkeling

222.   feliciteert de Commissie met haar initiatief om de rapportage over de effecten van ontwikkelingsbeleidsmaatregelen ter verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen te verbeteren; is van mening dat dit een werkelijke bijdrage zal leveren aan de rekenplichtigheid op dit gebied; wordt graag op de hoogte gehouden van de evaluatie van de proeffase die gestart is in 2007;

223.   vestigt de aandacht op de norm, die door de Commissie is overeengekomen, om 20% van de financiering van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking moet worden toegewezen aan basis- en middelbaar onderwijs en basisgezondheidszorg; wordt graag op de hoogte gehouden van de implementatie van deze norm in 2007;

224.   is verheugd over het initiatief van de Commissie om een gestructureerde benadering te ontwikkelen ter ondersteuning van de hoogste controle-instellingen in de landen die begrotingssteun ontvangen; wijst er echter op dat democratische rekenplichtigheid op het niveau van de partnerlanden niet kan worden bewerkstelligd zonder de parlementaire controle- en auditcapaciteit te versterken, zoals wordt bepaald in artikel 25, lid 1, onder b) van Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(53);

225.   merkt op dat in 2006 91% van de begrotingssteun uit de communautaire begroting bestemd was voor sectorale begrotingssteun, die gerichter wordt verleend dan de algemene begrotingssteun en daarom minder risicovol is; plaatst vraagtekens bij de "dynamische interpretatie" van de criteria om in aanmerking te komen voor begrotingssteun waardoor volgens de Rekenkamer het risico wordt verhoogd; is van mening dat begrotingssteun alleen mag worden verleend aan landen met minimale geloofwaardigheid op het gebied van het beheer van de overheidsfinanciën;

226.   verzoekt de Commissie de transparantie en de toegang tot de documentatie over de begrotingssteunmaatregelen te verbeteren, met name door overeenkomsten te sluiten met de regeringen van ontvangende landen analoog aan de FAFA waarin het beheer van de financiële bijdragen van de Commissie aan de VN wordt geregeld;

227.   feliciteert de Commissie met het terugdringen van de reste à liquider (RAL) van vastleggingen die door EuropeAid zijn gedaan vóór 2001 met 39% in 2006; wenst regelmatig updates te ontvangen van de veranderingen in de normale en abnormale RAL-niveaus;

228.   neemt nota van de kritiek op de technischebijstandsactiviteiten van de Commissie door de Rekenkamer in haar Speciaal Verslag nr. 6/2007; merkt verder op dat de Commissie deze problemen zal aanpakken in haar een strategie - naar verwachting juni 2008 gereed - om ervoor te zorgen dat de eenheden Technische samenwerking en Projectimplementatie voldoen aan de EU-doelstelling dat de ontwikkelingshulp doeltreffend is; ontvangt te zijner tijd graag een evaluatie van de resultaten van de implementatie van deze strategie;

229.   is verheugd over de maatregelen die de Commissie heeft getroffen om donorcoördinatie op het gebied van Technische Bijstand te bevorderen; benadrukt het belang van een gecoördineerde aanpak, niet alleen op EU-niveau maar tussen alle donoren, en wordt graag op de hoogte gehouden van de vordering van dit initiatief.

Administratieve uitgaven
Agentschappen

230.   merkt op dat in 2006 24 agentschappen actief waren (inclusief 2 uitvoerende agentschappen), tegenover 16 in 2005, voor een ruime waaier van functies op diverse locaties in de EU;

231.   merkt op dat de intern controleur van de Commissie, net als in 2003, 2004 en 2005, in zijn jaarlijks activiteitenverslag voor 2006 voorbehoud heeft geformuleerd bij de controles van de regelgevende agentschappen, waarbij hij stelt dat, hoewel de internecontroledienst posten voor de controle van de regelgevende agentschappen heeft gekregen, de dienst door de parallelle toename van het aantal agentschappen, nu 23, nog steeds niet in staat is de verplichting die hem bij artikel 185 van het Financieel Reglement is toegewezen, naar behoren na te komen, en dat eind 2006 alle agentschappen op zijn minst één keer waren gecontroleerd in een periode van drie jaar, in plaats van één keer per jaar, als voorgeschreven in het Financieel Reglement (punt 3.b);

232.   vraagt dat een analyse wordt gemaakt van de decentralisatie en de gevolgen hiervan voor het Commissiepersoneel; vraag de Commissie een tijdschema voor een evaluatie van haar interne organisatie in het licht van decentralisatie voor te leggen;

233.   vraagt een collegiale toetsing na 3 jaar activiteit van een uitvoerend agentschap, om de toegevoegde waarde te beoordelen van de uitvoering van programma's via het agentschap in vergelijking met uitvoering door het bevoegde directoraat-generaal;

234.   neemt nota van de volgende vaststellingen van de Rekenkamer in punt 10.29 van haar jaarverslag: "De betaling van subsidies uit de communautaire begroting door de Commissie berust niet op voldoende onderbouwde ramingen van de behoeften aan kasmiddelen van de agentschappen. In combinatie met de omvang van de overdrachten brengt dit mee dat ze over aanzienlijke kassaldi beschikken(54). De Rekenkamer beveelt aan, het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies af te stemmen op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen";

235.   vraagt de Commissie de kassaldi van de agentschappen meer van nabij te volgen en de verplichting van de agentschappen om bij hun verzoeken om betaling zorgvuldige voorspellingen van hun reële behoeften aan kasmiddelen te voegen, te verstrengen, teneinde onnodige bewegingen van kasmiddelen te voorkomen en over betere ramingen voor de toekomst te beschikken;

236.   verlangt een subconsolidatie van de rekeningen van de agentschappen;

Gebouwenbeleid van de Gemeenschap

237.   is bezorgd over het algemene structurele tekort voor 2006, dat opnieuw het aanzienlijke bedrag van 5 miljoen EUR bereikte, voor onderhouds- en opknapprojecten voor alle gebouwen die de Commissie bezit (waaronder het Berlaymont-gebouw); is tevreden met het patrimoniumonderzoek waartoe het Bureau infrastructuur en logistiek – Brussel (OIB) in 2007 opdracht heeft gegeven en dat moet leiden tot een eerste doordachte raming van het budget dat nodig is en een tijdschema voor de werken die moeten worden uitgevoerd om voor het best mogelijke beheer van de eigendomsinvesteringen van de Commissie te zorgen;

238.   verwacht dat de Commissie de bevoegde commissies van het Parlement op de hoogte houdt van de resultaten van bovengenoemd onderzoek en van de ontwerpplanning, met bijzondere nadruk op details over het Berlaymont-gebouw;

239.   verzoekt de Commissie het Parlement te informeren over haar follow-up van speciaal verslag nr. 2/2007 van de Rekenkamer, met name wat betere samenwerking betreft, en dan vooral de invoering van een onroerendgoedbeleid met een communautair instrument, waaronder de gebouwen en de daarmee samenhangende financiële en personeelsregelingen vallen;

240.   vraagt de Commissie rekening met de resultaten van het personeelsonderzoek en de resultaten van haar mededeling over het beleid inzake de vestiging van diensten van de Commissie in Brussel en Luxemburg (COM(2007)0501) te houden, de hierin opgenomen ruimtebehoeften overeenkomstig te herzien en uiterlijk in september 2008 verslag over de resultaten van deze acties uit te brengen;

241.   stelt voor in de geconsolideerde rekeningen van de EU voorzieningen te treffen voor groot onderhoud van de gebouwen;

242.   herhaalt zijn standpunt dat de haalbaarheid moet worden onderzocht van de oprichting van een Europese autoriteit voor onroerend goed, die belast wordt met de bouw en het onderhoud van gebouwen van de instellingen en organen van de Unie;

CONCLUSIES BETREFFENDE DE SPECIALE VERSLAGEN VAN DE REKENKAMER
Deel I: Speciaal verslag nr. 1/2007 over de uitvoering van de processen halverwege de looptijd van de Structuurfondsen 2000 – 2006

243.   merkt op dat de Europese Raad op zijn vergadering van maart 1999 in Berlijn overeenkwam dat 195 miljard EUR (219 miljard EUR in prijzen van 2005) uit de Structuurfondsen(55) voor de periode 2000-2006 beschikbaar moest worden gemaakt en dat nog eens 16 miljard EUR voor de jaren 2004-2006 moest worden toegewezen aan ongeveer 200 programma's in de nieuwe lidstaten(56);

244.   merkt op dat de uitvoering van programma's in de periode 1994-1999 vertraging opliep, met onder andere als gevolg een late programmering voor de periode 2000-2006;

245.   is bijgevolg bezorgd dat de database voor de evaluatieprocessen halverwege de looptijd niet voldoende groot was om tot degelijke conclusies te komen;

246.   neemt voorts nota van de vaststellingen van de Rekenkamer in dier speciale verslagen nr. 7/2003 en 10/2006, respectievelijk over de evaluatie vooraf en achteraf van uitgaven in het kader van de Structuurfondsen, waar de Rekenkamer wijst op het volgende:

   de budgettaire toewijzingen zijn bepaald door een maximalisatie van de waarschijnlijke absorptie van financiering,
   evaluaties vooraf hadden weinig impact op het programmeringsproces;
   aanzienlijke tekortkomingen zijn vastgesteld bij de evaluatie achteraf die door de Commissie niet zijn opgemerkt;

247.   wijst erop dat de Commissie het algemene doel van de evaluatie halverwege de looptijd in haar werkdocument nr. 8 als volgt omschrijft:

   te beoordelen of de diverse vormen van steun de geschikte manier blijven om de kwesties waarmee de regio of sector wordt geconfronteerd, aan te pakken;
   na te gaan of de strategische assen, prioriteiten en doelstellingen coherent, adequaat en nog steeds relevant zijn;
   te peilen hoeveel vooruitgang is geboekt in de richting van de doelstellingen en in hoeverre deze kunnen worden gehaald;
   de kwantificering van de doelstellingen te beoordelen, met name in hoeverre zij monitoring en evaluatie hebben vergemakkelijkt; te beoordelen in hoeverre de horizontale prioriteiten – gelijke kansen en het milieu in het bijzonder – in de vormen van steun zijn geïntegreerd;
   de geschiktheid van de uitvoerings- en monitoringregelingen te analyseren; en de resultaten te vergelijken met de indicatoren die voor de prestatiereserve zijn overeengekomen;

248.   is tevreden met het feit dat de evaluaties hebben uitgewezen dat de strategieën van de lidstaten nog steeds adequaat waren en dat de financiële absorptie duidelijk was verbeterd; merkt op dat het evenwel onmogelijk was de efficiëntie van de programma's/projecten te beoordelen of de impact ervan te meten, doordat de beschikbare gegevens vaak als ontoereikend werden beschouwd;

249.   is erg bezorgd over het feit dat de Commissie de monitoringsystemen van de lidstaten heeft omschreven als zwak; neemt er nota van dat als gevolg hiervan gevallen van verkeerde uitvoering van programma's en projecten moeilijk op te sporen waren, evaluaties achteraf werden belemmerd en de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap niet was gegarandeerd; merkt op dat op het gebied van de Structuurfondsen in 2005 alleen, onregelmatigheden zijn vastgesteld voor een bedrag van 600 miljoen EUR;

250.   dringt er daarom op aan dat in de toekomst hoge prioriteit wordt gegeven aan de instelling van degelijke monitoringsystemen in de lidstaten, als maatregel om onregelmatigheden en eventuele fraude te voorkomen;

251.   onderstreept voorts dat analytische evaluaties die leiden tot operationele conclusies en aanbevelingen, belangrijk zijn;

252.   betreurt dat het moeilijk was de evaluatieresultaten te vergelijken, doordat de lidstaten niet was gevraagd een gestandaardiseerd evaluatiemodel te volgen; verzoekt de Commissie daarom een systeem van indicatoren of benchmarks uit te werken dat mettertijd zal leiden tot meer geharmoniseerde evaluatieverslagen, opdat de vergelijkbaarheid verbetert en vervolgens de analytische diepgang van de verslagen vergroot;

253.   merkt op dat de "n + 2"-regel tot een grotere benutting van de kredieten heeft geleid; wijst er evenwel op dat financiële absorptie tegelijk ook een doel op zich is geworden;

254.   merkt voorts op dat de kredieten van de prestatiereserve zijn toegewezen volgens de behoefte die werd gevoeld om de absorptie van EU-middelen te maximaliseren, niet om ze te richten op sectoren waar ze bijzonder doeltreffend waren gebleken; stelt vast dat infrastructuurprojecten bijgevolg de belangrijkste begunstigden waren; merkt op dat in het algemeen middelen zijn weggehaald van maatregelen waar sprake was van onderbesteding;

255.   betreurt dat als gevolg van de keuze voor absorptie, vaak geen rekening met horizontale prioriteiten – zoals het milieu en gelijke kansen – en politieke prioriteiten – zoals de strategie van Lissabon of Göteborg – is gehouden;

256.   betreurt ook dat "buitenkanseffecten"(57) en vervangingseffecten vaak werden genegeerd;

257.   is het eens met het standpunt van de Rekenkamer over "een inherent spanningsveld tussen de planning en het beheer van de structuurfondsen"(58) in de periode 2000-2006, bijvoorbeeld:

   spanningen tussen doeltreffende en zuinige uitgaven (waarde voor zijn geld) en maximalisering van de absorptie,
   spanningen als gevolg van de "n + 2"-regel, die enerzijds goed geplande uitgaven mogelijk maakt en anderzijds leidt tot gemakkelijke toewijzing van reserves,
   en spanningen tussen een goed bedoelde evaluatie halverwege de looptijd en een gebrek aan gegevens;

258.   erkent tegelijk dat de Commissie een aantal tekortkomingen in Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(59) heeft aangepakt:

   de algemene vereiste van een evaluatie halverwege de looptijd is vervangen door op behoeften gebaseerde permanente evaluaties om de uitvoering van een programma te beoordelen en op veranderingen van de externe omgeving te reageren;
   nationale prestatiereserves en nationale reserves voor onvoorziene uitgaven zijn een optie geworden, en
   de "n + 2"-regel wordt (gedurende een beperkte periode) een "n + 3"-regel voor lidstaten waarvan het BBP per inwoner van 2001 tot 2003 minder dan 85% van het gemiddelde van de EU-25 bedroeg;

259.   verzoekt de Commissie de lidstaten bij het begin van de programmeringsperiode duidelijke richtsnoeren ter beschikking te stellen;

260.   is tevreden met het feit dat rekening met de resultaten van de evaluatieverslagen is gehouden bij de opstelling van de nieuwe verordeningen inzake de Structuurfondsen voor de periode 2007-2013; betreurt evenwel dat de bevindingen van het Parlement als gevolg van de publicatie van speciaal verslag nr. 1/2007 van de Rekenkamer maar van beperkte waarde zullen zijn voor de lopende programmeringsperiode;

261.   verzoekt de Commissie daarom de nodige stappen te ondernemen om het Parlement volledig te betrekken bij de wijzigingen die zij van plan is in de aanloop naar de volgende financieringsperiode, die begint in 2014, in de verordeningen inzake de Structuurfondsen aan te brengen;

262.   is van mening dat de verordeningen inzake de Structuurfondsen moeten worden gezien als een geleidelijk leerproces, waarbij de lessen die zijn geleerd, een weerslag moeten krijgen in de wettelijke bepalingen; acht dit des te belangrijker, nu de evaluaties achteraf op het einde van een programmeringsperiode niet tijdig kunnen worden afgewerkt, vóór een verordening inzake de nieuwe financierings- en programmeringsperiode van kracht wordt; benadrukt bovendien dat de bevoegde commissies van het Parlement in de diverse fasen van de financieringsperiode geregeld moeten worden geraadpleegd;

263.   verzoekt de Rekenkamer en de Commissie verslag uit te brengen over de maatregelen die als reactie op de vaststellingen van het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure 2006 zijn genomen; vraagt de Commissie bovendien de bevindingen van de evaluaties achteraf voor de periode 2000-2006 aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement te presenteren;

264.   vraagt de Rekenkamer de efficiëntie, effectiviteit en impact van de maatregelen die uit de Structuurfondsen worden gefinancierd, te gelegener tijd in een speciaal verslag te analyseren.

Deel II: Speciaal verslag nr. 2/2007 over de uitgaven van de instellingen voor gebouwen

265.   erkent dat langetermijnplanning en begrotingsprognoses in de gebouwensector moeilijk zijn, omdat de kredieten jaarlijks worden vastgesteld en omdat belangrijke politieke besluiten met grote gevolgen voor kantoorruimte, zoals uitbreidingen, niet precies te voorzien zijn; daarnaast vereist de uitvoering van besluiten in de gebouwensector een aanzienlijke tijdsspanne; stelt voor in de geconsolideerde rekeningen van de Unie een voorziening op te nemen voor groot onderhoud;

266.   is tevreden met het feit dat de Europese instellingen de verkozen vertegenwoordigers en de ambtenaren – in het algemeen – adequate werkomstandigheden bieden;

267.   betreurt evenwel dat de instellingen nooit werk hebben gemaakt van de ontwikkeling van een gemeenschappelijk gebouwenbeleid, hetgeen aanzienlijke besparingen mogelijk zou kunnen hebben gemaakt; verzoekt de instellingen hun inspanningen om een gemeenschappelijk gebouwenbeleid te ontwikkelen te hernieuwen en hierover tijdig voor de kwijtingsprocedure 2007 bij de bevoegde commissie van het Parlement verslag uit te brengen;

268.   verzoekt de instellingen gemeenschappelijke criteria te ontwikkelen om kantoorruimte en kosten te berekenen en vervolgens de gemeenschappelijke korte- en langetermijnbehoeften te evalueren;

269.   neemt er in deze samenhang kennis van dat de instellingen prioriteit hebben gegeven aan het kopen van gebouwen, omdat dit 40-50% goedkoper is dan huren;

270.   merkt op dat de Rekenkamer al in 1979 heeft aanbevolen dat huurcontracten een optie bevatten om aan te kopen voor een prijs waarbij rekening wordt gehouden met de huur die al is betaald (erfpacht met koopoptie);

271.   betreurt dat de opmerkingen van de Rekenkamer over de aankoop van de IPE 1 - 3-gebouwen in Straatsburg slechts een onvolledig beeld geven van de situatie in 2006; wijst in verband hiermee op de vaststellingen in zijn resolutie van 26 september 2006 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2004(60), met name de paragrafen 19 en 20 hiervan;

272.   vraagt de Commissie waarom het MONDRIAN-gebouw absoluut moest worden gehuurd en welke alternatieven zij heeft onderzocht;

273.   neemt er kennis van dat de Europese instellingen verkiezen diensten die op soortgelijke terreinen werken, samen te brengen;

274.   erkent dat er een spanning bestaat tussen de praktische voordelen van geografische nabijheid, wanneer ervoor wordt gekozen in de Europese wijk te blijven, en de financiële nadelen ervan, als gevolg van de creatie van een zeer hoge en voorspelbare vraag op de lokale vastgoedmarkt;

275.   neemt in deze samenhang kennis van de inspanningen van de Commissie om het percentage van haar kantoorruimte dat in de Europese wijk ligt, momenteel 82%, te reduceren;

276.   verzoekt de instellingen zorgvuldig te evalueren of het nodig is in de Europese wijk te blijven, wanneer zij onderdelen van hun diensten verhuizen naar een nieuwe plek;

277.   vraagt zijn diensten waarom de oplevering van de D4-D5-gebouwen werd uitgesteld en waarom het niet mogelijk was in een eerdere fase rekening met de wetgeving inzake overheidsopdrachten, de complexe onderhandelingsprocedures en een goednabuurschapsbeleid te houden;

278.   vraagt de instellingen waarom zij zo vaak gebruik maken van de procedure van gunning via onderhandelingen, zoals de Rekenkamer vaststelt, waarbij een openbare aanbesteding wordt vermeden, zodat voor bouw- of andere werken een prijs wordt betaald die niet het resultaat is van vrije mededinging;

279.   dringt erop aan dat de instellingen ruim gebruik maken van open aanbestedingen;

280.   onderstreept dat, als er geen open aanbesteding is, de prijzen voor bouwwerken en/of huur op lange termijn de bouwkosten niet te boven mogen gaan;

281.   vraagt dat in langlopende pachtovereenkomsten met koopoptie de koopprijs wordt opgenomen en dat wordt voorzien in adequate financiële garanties van de aannemer, om te waarborgen dat de contracten volledig worden uitgevoerd tot en met de definitieve oplevering(61);

282.   verzoekt de Europese instellingen "zetelovereenkomsten" met de gastlanden van de belangrijkste werkplekken van de instellingen te sluiten;

283.   wijst erop dat de Europese Gemeenschappen, alsmede de door de Gemeenschap opgerichte organen overeenkomstig artikel 14 van het Financieel Reglement geen leningen mogen aangaan; suggereert in verband hiermee dat meer beroep kan worden gedaan op de financiële diensten van de Europese Investeringsbank en op aanbestedingsprocedures op de financiële markt om het rentetarief te bepalen;

284.   herhaalt het standpunt van het Parlement over de opname van zijn gebouwbeleid in de begroting, als herhaald in paragraaf 5 van zijn resolutie van 24 april 2007 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2005, Afdeling I, Europees Parlement(62): "herinnert zijn bevoegde organen aan zijn besluit dat "terugbetalingen voor gebouwen (...) in het kader van de begrotingsstrategie moeten worden vastgesteld"; uit derhalve kritiek op zijn bevoegde organen omdat zij bij voortduring verzuimen het gebouwenbeleid van het Parlement voor toekomstige aankopen voldoende duidelijk te begroten (de begrotingslijn "verwerving van onroerende goederen" vertoont voor de jaren 2005, 2006 en 2007 slechts een symbolische vermelding)";

285.   vraagt de Rekenkamer uit te leggen hoe de Europese instellingen beter gebruik kunnen maken van "gesplitste kredieten";

286.   benadrukt dat de instellingen hun vastgoedprojecten in administratief, technisch en financieel opzicht volledig in de hand moeten hebben; is van mening dat daarvoor ofwel telkens een beroep moet worden gedaan op hooggekwalificeerde consultants, ofwel de nodige expertise in een interinstitutioneel kader moet worden ontwikkeld(63);

287.   herinnert de instellingen aan het verzoek van het Europees Parlement in paragraaf 20 van zijn reeds aangehaalde resolutie met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2004,: "draagt zijn Administratie op om in overleg met de andere instellingen van de Unie een verslag op te stellen waarin wordt onderzocht of het mogelijk zou zijn een Europese gebouwendienst in te stellen die de verantwoordelijkheid krijgt voor de bouw en het onderhoud van de gebouwen van de EU-instellingen en -organen; wenst dat een dergelijk verslag uiterlijk 1 oktober 2007 aan de Commissie begrotingscontrole wordt voorgelegd".

Deel III: Speciaal verslag nr. 3/2007 over het beheer van het Europees Vluchtelingenfonds (2000-2004)

288.   herinnert alle partijen aan het feit dat het ERF was opgericht om een kader te bieden voor de voorbereiding van een gemeenschappelijk asielbeleid, waaronder gemeenschappelijke Europese regels voor asiel, als onderdeel van het doel van de Europese Unie om geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen die open zal staan voor ieder die daar rechtmatig bescherming zoekt;

289.   benadrukt dat er sinds de oprichting van het ERF I een groot aantal richtlijnen, verordeningen en beslissingen tot stand is gekomen waarvan sommige direct of indirect door de oprichting van het fonds zijn bevorderd;

290.   beklemtoont dat het ERF III(64) onder andere voorwaarden zal werken dan het ERF I; is van mening dat het derhalve nauw dient te worden verbonden aan de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad(65) en Richtlijn 2004/83/EG van de Raad(66);

291.   benadrukt dat het ERF III echter moet blijven bijdragen aan de verdere ontwikkeling van een EU-beleid op dit gebied, vooral om een herziening van de "Overeenkomst van Dublin II" voor te bereiden, waarbij er weer wordt gestreefd naar een vrijwillige herverdeling van asielzoekers binnen de EU om zo lastenverdeling te realiseren;

292.   verzoekt de Commissie om zich te blijven inspannen om interpretatieverschillen van de ERF-regels door lidstaten te voorkomen en de lancering van seminars over "goede praktijken" te verwelkomen om zo de in sommige lidstaten opgedane ervaring met andere te delen, vooral met nieuwe lidstaten die minder vertrouwd zijn met het ERF;

293.   verzoekt de Commissie om alles in het werk te stellen om de betalingen aan lidstaten te versnellen en lidstaten te informeren over de noodzaak om vooral de betalingen aan kleinere begunstigden op tijd te verrichten, om innovatieve projecten niet in gevaar te brengen en zodat ook NGO's met een kleinere begroting kunnen deelnemen aan het ERF III;

294.   dringt erop aan dat de nationale verzekeringsverklaringen ALLE gebieden moeten bevatten waarop lidstaten medeverantwoordelijk zijn voor de uitgave van EU-fondsen, zoals het ERF;

295.   verzoekt het Directoraat-generaal begroting zijn inningsprocedure te herzien, aangezien inningen via niet-samenhangende projecten contraproductief is voor de werking van het specifieke programma (en vooral leidt tot late uitbetalingen van voorschotten van onderdelen); is van mening dat inningsopdrachten moeten worden verstrekt aan het ministerie van financiën van de lidstaat in kwestie, in plaats van automatisch in te houden op een verwachte betaling aan die lidstaat;

296.   verzoekt de Commissie om proactiever gebruik te maken van het fonds om een gemeenschappelijk asielbeleid te bevorderen;

297.  verzoekt de Commissie om zich te blijven inspannen om statistische gegevens te harmoniseren om verstoringen te voorkomen in programma's waarvan de correcte verdeling van fondsen afhangt van de door Eurostat verstrekte statistische gegevens.

Deel IV: Speciaal verslag nr. 4/2007 over fysieke en substitutiecontroles van zendingen waarvoor uitvoerrestituties zijn aangevraagd

298.   verwelkomt de publicatie van speciaal verslag nr. 4/2007 en dringt er bij de Commissie op aan zich te buigen over de tekortkomingen die in het verslag worden genoemd en maatregelen te treffen die aansluiten bij de aanbevelingen van de Rekenkamer;

299.   stemt met de Commissie in dat totdat de laatste uitvoerrestitutie is uitbetaald "een volledig operationeel controlesysteem noodzakelijk blijft"; verwacht daarom dat de Commissie gebruik maakt van haar recht van initiatief om concrete voorstellen ter verbetering van de situatie te doen;

300.   verwelkomt in dit opzicht Verordening (EG) nr. 14/2008 van de Raad van 17 december 2007 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 386/90 inzake de controle bij de uitvoer van landbouwproducten die in aanmerking komen voor restituties of andere bedragen(67), die de lidstaten die risicoanalyse toepassen in staat stelt het risicopercentage vast te stellen op 5% per lidstaat in plaats van per douanekantoor, maar betreurt dat er in de antwoorden van de Commissie geen duidelijk tijdpad is voor haar toekomstige voorstellen, gezien de korte tijd die nog rest voordat er een einde komt aan de uitvoerrestituties;

301.   betreurt de vele zwakke punten die de doeltreffendheid van de fysieke controles aantasten, met name de voorspelbaarheid van de controles, het grote aantal gecontroleerde exportzendingen van geringe waarde en met een gering risico, alsmede de methode die gebruikt wordt om bulkzendingen te controleren;

302.   betreurt wat betreft substitutiecontroles dat deze niet gedetailleerd genoeg waren en dat de interpretatie van het aantal uit te voeren controles van lidstaat tot lidstaat verschilt;

303.   is tevreden met het feit dat de Commissie bij de monitoring van checks essentiële controles naar behoren uitvoert; is het evenwel met de Rekenkamer eens dat de Commissie niet met wijzigingen van de wettelijke bepalingen of met financiële correcties heeft gereageerd, ondanks het feit dat zij reeds geruime tijd op de hoogte was van deze zwakke punten;

304.   neemt kennis van en verwelkomt het feit dat langs de oostgrenzen van de EU door de bevoegde autoriteiten wordt nagegaan of zegels niet geschonden zijn en roept de overige lidstaten op dit voorbeeld te volgen;

305.   verzoekt de Commissie zich te blijven inspannen voor wijziging van de desbetreffende wetgeving om onder meer de kwestie van "laadklepcontroles" aan te pakken en het verplichte gebruik van risicoanalyse voor uitvoerprocedures in te voeren overeenkomstig de conclusies van de Rekenkamer.

Deel V: Speciaal verslag nr. 5/2007 over het beheer van het programma CARDS door de Commissie

306.   is van mening dat het CARDS-programma in grote mate heeft bijgedragen aan het beleid van stabilisatie en toenadering;

307.   betreurt het grote gebrek aan transparantie van het beheer door de Commissie en haar delegaties, waardoor een goede beoordeling onmogelijk wordt maakt; beschouwt het als ontoelaatbaar dat de Commissie geen idee heeft van de totaliteit van de onder CARDS gefinancierde projecten, terwijl het EAR een lijst met door het EAR ondertekende contracten ter beschikking stelt van het publiek met programma- en projectverwijzingen;

308.   wijst nogmaals op de aanbevelingen in zijn resolutie van 24 april 2007 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2005(68) en in het bijzonder paragraaf 23 daarvan;

309.   is verbaasd te horen dat er in de landen waar het beheer van CARDS onder het EAR viel, deze laatste zowel is belast met de begroting van de IPA-programmering voor 2007 en 2008, als met de voorbereiding van de aanbestedingen die eenvoudigweg ter ondertekening aan de Commissie worden voorgelegd; brengt in deze context in herinnering dat dit in tegenspraak is met het mandaat van het EAR en, in het bijzonder, dat de voorbereidingsprocedure van de aanbestedingen overeenkomt met de werkwijze van de "BTB's" (Bureau voor Technische Bijstand) die zijn veroordeeld door het Parlement en sindsdien zijn gesloten;

310.   gaat er in deze context vanuit dat de Commissie in 2006 niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit haar eigen beschikking van 2005 met betrekking tot de "phasing out" van het EAR, die bepaalde dat de delegaties in de verschillende Balkanstaten vanaf het begin de volledige verantwoordelijkheid zouden moeten dragen van het IPA;

311.   verzoekt de Rekenkamer een follow-up audit te verrichten waarbij het accent ligt op de vergelijking tussen het beheer van het CARDS-programma en het, namens de Commissie door het EAW verzorgde beheer van dit programma, en de resultaten uiterlijk in september 2008 aan het Parlement voor te leggen;

Deel VI: Speciaal verslag nr. 7/2007 (overeenkomstig artikel 248, lid 4, tweede alinea van het EG-Verdrag) over de controle-, inspectie- en sanctiesystemen betreffende de voorschriften in verband met de instandhouding van de communautaire visbestanden

312.   is verheugd over de publicatie van het verslag en feliciteert de Rekenkamer met haar uiterst waardevolle bijdrage met betrekking tot dit zeer belangrijke onderdeel van het Europese beleid;

313.   neemt de kritiek van de Rekenkamer ter harte en is van mening dat deze moet leiden tot ingrijpende wijzigingen van het beleid;

314.   is verheugd over het expliciete voornemen van de Commissie om de in het verslag aangegeven tekortkomingen aan te pakken en maatregelen te nemen die aansluiten bij de aanbevelingen van de Rekenkamer; betreurt het evenwel dat in de antwoorden van de Commissie over haar toekomstige voorstellen een duidelijk tijdschema ontbreekt;

315.   is verheugd over het initiatief van het Sloveense voorzitterschap om op 18 februari 2008 een buitengewone Visserijraad over de visserijcontrole te beleggen, waarop dit speciaal verslag van de Rekenkamer zal worden besproken;

316.   bevestigt opnieuw dat een degelijk beheer van de bestanden overeenkomstig het voorzorgsbeginsel en het beginsel van duurzame ontwikkeling een versterking van de bestaande controlemechanismen vereist, zodat de vlaggenstaat en de kuststaat in wiens wateren vaartuigen actief zijn, op elke gewenst moment real time toegang hebben tot informatie over de positie van het vaartuig en de visserijactiviteiten die worden verricht;

317.   verzoekt de Commissie tevens, bij de herziening van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (de controleverordening )(69) maatregelen voor te stellen om de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de vangstgegevens te waarborgen;

318.   stelt vast dat er naast de controlemechanismen nog een fundamenteel probleem is, nl. dat van de niveaus van de visquota waarover door de lidstaten is onderhandeld; onderstreept dat het voor de lidstaten onaanvaardbaar is om elk jaar weer quota vast te stellen die hoger zijn dan door wetenschappers met het oog op een duurzame visserij wordt aanbevolen;

319.   wijst erop dat afgezien van het controlemechanisme ook het systeem van quota-onderhandelingen een fundamenteel probleem is; vindt het onbevredigd dat elk jaar weer veel hogere quota worden vastgesteld dan wetenschappers aanbevelen voor de instandhouding van duurzame visbestanden;

320.   is verheugd over het arrest van het Europese Hof van Justitie in zaak C-304/02 (Commissie/Frankrijk)(70), dat de Gemeenschap een duidelijke bevestiging geeft van de rol en de verplichtingen van de lidstaten op het gebied van controle en uitvoering van de regelgeving inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB);

321.   stelt evenwel vast dat er 21 jaar zijn vergaan tussen het tijdstip van vaststelling van de inbreuken en het tijdstip van deze beslissing, en dat een dergelijk tijdsverloop bij het corrigeren van overtredingen niet draaglijk is voor de duurzaamheid van de Europese visserij;

322.   wijst erop dat de Commissie maatregelen moet nemen tegen afzonderlijke lidstaten, als de verdenking bestaat dat zij de controle-, inspectie- of sanctiesystemen van het GVB overtreden of negeren.

323.   is verheugd over het initiatief van de Commissie, die momenteel de mogelijkheid onderzoekt om in de geplande nieuwe initiatieven inzake illegale, ongereguleerde en ongemelde (IOO) visserij geharmoniseerde administratieve sancties voor bepaalde specifieke "IOO-overtredingen" op te nemen;

324.   is verheugd over de mededeling van de Commissie (COM(2007)0039), waarmee een debat op gang wordt gebracht over verbetering van de visserijcapaciteit en de inspanningsindicatoren voor het GVB, en verwacht daarom dat de Commissie gebruik maakt van haar initiatiefrecht en met concrete voorstellen komt voor een echte verbetering van het GVB;

325.   neemt er kennis van en juicht het toe dat de Commissie na de publicatie van Verordening (EG) nr. 1966/2006 van de Raad van 21 december 2006 betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor teledetectie(71) onmiddellijk haar voorstel voor de uitvoeringsvoorschriften heeft opgesteld (Verordening (EG) nr. 1566/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van voorschriften voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1966/2006 van de Raad betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor teledetectie(72));

326.   betreurt het dat de Commissie weliswaar vrij eenvoudige en controleerbare inspanningsregelingen heeft voorgesteld, maar dat het stelsel aanzienlijk gecompliceerder is gemaakt als gevolg van een groot aantal afwijkingen die zijn opgenomen op verzoek van de lidstaten tijdens het overleg in de Raad en die de controleerbaarheid van het hele systeem aanzienlijk hebben verminderd;

327.   is van mening dat het huidige wetgevingskader te complex en niet actueel is en dringt er bij de Commissie op aan gebruik te maken van haar initiatiefrecht en met concrete voorstellen te komen om de situatie te verbeteren, met als doel de GVB-wetgeving te vereenvoudigen en te harmoniseren;

328.   betreurt de diverse tekortkomingen die de doeltreffendheid van de fysieke controles verminderen, de gebreken in de gegevensdoorgifte als geheel in de lidstaten alsmede het gebrek aan een Europese controlecultuur in de visserijsector;

329.   is verheugd over de inspanningen van de Commissie ter verbetering van de situatie met betrekking tot vangst- en verkoopgegevens en snelle rapportage door gebruikmaking van nieuwe technologie; is van mening dat dankzij de verordening betreffende elektronische registratie en rapportage de valideringssystemen efficiënter zullen worden, bijvoorbeeld door te voorzien in onmiddellijke elektronische doorzending van een exemplaar van het verkoopbericht aan de autoriteiten van de vlaggenstaat en de aanvoerstaat, zodat er een kruiscontrole met de aanvoerverklaring kan worden uitgevoerd;

330.   verzoekt de Commissie de wederzijdse bijstand en de bestuurlijke samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten te versterken en de informatie-uitwisseling tussen de bevoegde nationale ambtenaren te bevorderen door een systeem op te zetten zoals het reeds bestaande communautaire systeem voor de BTW;

331.   acht het voor de controle en voor het gehele GVB van groot belang over een systeem te beschikken dat de mogelijkheid biedt de vangsten van het begin tot de eindconsument te volgen, zoals op de interne markt van de EU nu al het geval is voor alle andere levensmiddelen, en dringt er bij de Commissie op aan een dergelijk systeem in te stellen;

332.   onderstreept dat de vastgestelde visserijquota nageleefd en gehandhaafd moeten worden; is van mening dat de Commissie krachtig en resoluut moet optreden wanneer de verdenking bestaat van overtreding van of fraude tegen het quotasysteem;

333.   verzoekt de Commissie en de lidstaten de bevoegdheden van het Gemeenschappelijk Bureau voor de visserijcontrole uit te breiden en te bevorderen dat het Bureau een belangrijke uitvoerende rol krijgt bij de controle en de harmonisatie van het GVB, met een verbetering van de transparantie en de coördinatie voor het vaststellen van gezamenlijke praktijken in het kader van de gemeenschappelijke inzetplannen;

334.   verzoekt de Commissie voor te stellen en de lidstaten te aanvaarden dat de bevoegdheden van de controleurs van de Commissie worden versterkt, hetgeen nodig is om tot een gemeenschappelijke Europese controlestrategie binnen het GVB te komen;

335.   is in dit verband van mening dat de kosten-batenverhouding tussen de middelen die worden toegewezen aan controleactiviteiten binnen het GVB, en de resultaten die met deze controles worden behaald (de evenredigheid en kosteneffectiviteit van de controles) een centraal element dient te vormen waarmee de Commissie in haar toekomstige voorstellen voor het GVB rekening moet houden;

336.   merkt in dit verband op dat de controlemechanismen met het hoogste rendement worden vastgesteld wanneer de betrokken partijen rechtstreeks belang hebben bij de instandhouding van een duurzame visserij;

337.   verzoekt de lidstaten met het oog op de inspanningsvermindering te bepalen of die vermindering moet worden bereikt via:

   a) vermindering van de vistijd zonder vermindering van de capaciteit,
   b) vermindering van de capaciteit zonder vermindering van de vistijd, of
   c) een combinatie van beide,
  

en de nodige structurele maatregelen te nemen om de sociale gevolgen van deze vermindering op te vangen;

338.   verzoekt de Commissie zich te blijven inzetten voor een aanpassing van de relevante wetgeving om o.a. de kwestie van de overcapaciteit aan te pakken en actieve maatregelen voor te stellen ter vermindering van de structurele overcapaciteit in de visserijsector;

339.   verzoekt de Commissie alternatieve politieke oplossingen te overwegen die controles en sancties minder noodzakelijk maken als gevolg van een grotere individuele beroepsverantwoordelijkheid van de vissers voor, en belang bij, duurzame visbestanden;

Deel VII: Speciaal verslag nr. 9/2007 (overeenkomstig artikel 248, lid 4, tweede alinea van het EG-Verdrag) over "De evaluatie van de Europese kaderprogramma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO): kan de aanpak van de Commissie worden verbeterd?"

340.   neemt er kennis van dat de controle betrekking op de sinds 1995 bestaande toezicht- en evaluatieregelingen voor de laatste drie programmeringsperioden had en de vooruitzichten voor het zevende kaderprogramma (2007-2013) schetst;

341.   benadrukt dat aan de kaderprogramma's die liepen tussen 1995 en 2006, 42,63 miljard EUR is toegewezen, hetgeen er de belangrijkste financiële instrumenten ter ondersteuning van de Lissabonstrategie van maakt; wijst erop dat aan het zevende kaderprogramma in het kader van de huidige financiële vooruitzichten 50,52 miljard EUR is toegewezen;

342.   merkt op dat de controle van de Rekenkamer betrekking had op de vraag of de Commissie de beoordeling van de resultaten van de kaderprogramma's op de juiste wijze heeft aangepakt, waarbij met name is gekeken naar de interventielogica, de evaluatiestrategieën en de methodologieën;

343.   is verheugd over het feit dat de Commissie in de loop der jaren al een aanzienlijk aantal verbeteringen heeft ingevoerd;

344.   merkt op dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat de definitie van de programmadoelstellingen slecht was en dat een expliciete interventielogica ontbrak; erkent evenwel dat de programmadoelstellingen worden vastgesteld door de belanghebbenden en de medewetgevers; vraagt de beleidsmakers daarom bijzondere aandacht te besteden aan de definitie van haalbare doelstellingen; erkent dat het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling(73) in een explicietere interventielogica voorziet; onderstreept dat de doelstellingen operationeel en meetbaar ("benchmarking") moeten zijn, om het gebruik van prestatie-indicatoren en effectieve monitoring mogelijk te maken;

345.   merkt op dat de Rekenkamer het ontbreken van een algemene evaluatiestrategie bekritiseert; wijst in verband hiermee op de verbeteringen als gevolg van de impactbeoordeling en de evaluatie vooraf van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (SEC(2005)0430);

346.   neemt nota van de kritiek van de Rekenkamer dat de bestaande coördinatiemechanismen tussen de directoraten-generaal die de kaderprogramma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling uitvoeren, niet doeltreffend waren; is in dit stadium evenwel niet overtuigd van de idee een "gemeenschappelijk evaluatiebureau" op te richten; suggereert veeleer dat het Directoraat-generaal Onderzoek meer verantwoordelijkheid en een coördinerende rol op zich neemt; is het eens met de kijk van de Rekenkamer dat in een vroeg stadium advies van externe deskundigen moet worden ingewonnen en dat deze deskundigen bij de zaak betrokken moeten blijven, om een consistente en coherente aanpak te garanderen, met name gelet op de evaluaties die zijn gepland voor 2008 (evaluatie achteraf van het zesde kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling), voor 2009 (tussentijds informatieverslag over het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling), voor 2010 (evaluatie halverwege de looptijd van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling) en voor 2015 (evaluatie achteraf van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling);

347.   neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer dat er te weinig methodologische instructies waren; verzoekt de Commissie daarom de publicatie van een evaluatiehandboek te overwegen; is zich ervan bewust dat de rapportageregels in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling zijn herzien, om tot een degelijkere gegevensbank voor evaluatie en monitoring te kunnen komen;

348.   is van mening dat de kwaliteit van de evaluaties halverwege de looptijd en achteraf zal verbeteren naarmate de opdracht die wordt gegeven, duidelijker is (meetbare doelstellingen, verwachte impact, effectieve monitoring, een degelijke gegevensbank); benadrukt dat de evaluaties nuttiger zullen zijn, als de kaderprogramma's kunnen worden bijgesteld (programma's die "leren") en als de conclusies die worden getrokken, kunnen worden gebruikt om de lopende programma's te verbeteren;

349.   verzoekt de Commissie bij de uitvoering van de geplande evaluaties in 2008, 2009, 2010 en 2015 rekening met de aanbevelingen van de Rekenkamer te houden;

o
o   o

350.   verzoekt de Rekenkamer om tijdig voor de kwijtingsprocedure 2010 voor een follow-up van haar controle te zorgen en verslag bij de Commissie begrotingscontrole uit te brengen; vraagt de Rekenkamer ook te kijken naar de bedragen die aan evaluaties zijn besteed in verhouding tot de waarde van specifieke programma's en naar dit percentage in vergelijking met programma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling in derde landen (bijvoorbeeld Canada).

(1) PB L 78 van 15.3.2006.
(2) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(3) PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.
(4) PB C 216 van 14.9.2007, blz. 3.
(5) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(6) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(7) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(8) PB L 78 van 15.3.2006.
(9) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(10) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 32.
(11) PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.
(12) PB C 216 van 14.9.2007, blz. 3.
(13) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 13.
(14) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(15) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(16) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(17) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1821/2005 (PB L 293 van 9.11.2005, blz.10).
(18) PB L 24 van 27.1.2005, blz. 35. Besluit gewijzigd bij Besluit 2007/114/EG (PB L 49 van 17.2.2007, blz. 21).
(19) PB L 78 van 15.3.2006.
(20) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(21) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 29.
(22) PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.
(23) PB C 216 van 14.9.2007, blz. 3.
(24) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 18.
(25) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(26) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(27) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(28) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1821/2005 (PB L 293 van 9.11.2005, blz. 10).
(29) PB L 5 van 9.1.2004, blz. 85. Besluit gewijzigd bij Besluit 2007/372/EG (PB L 140 van 1.6.2007, blz. 52).
(30) PB L 78 van 15.3.2006.
(31) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(32) PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.
(33) PB C 216 van 14.9.2007, blz. 3.
(34) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(35) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(36) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(37) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(38) PB L 78 van 15.3.2006.
(39) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(40) PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.
(41) PB C 216 van 14.9.2007, blz. 3.
(42) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(43) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(44) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(45) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 25.
(46) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit 2008/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 6 van 10.1.2008, blz. 7).
(47) PB L 390 van 30.12.2006, blz. 1.
(48) PB L 270 van 21.10.2003, blz.1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 293/2008 (PB L 90 van 2.4.2008, blz. 5).
(49) Verklaring van de Commissie onder actie 1 in het reeds aangehaalde voortgangsverslag over een actieplan 2008 voor een geïntegreerd intern controlekader.
(50) Actie 11N luidt als volgt. : "Om na te gaan of de systemen voor terugvordering en verrekening doeltreffend werken, door te bepalen welke bedragen in 2005 en 2006 zijn teruggevorderd en hoe deze bedragen verband houden met fouten die tijdens controles zijn ontdekt, zal de Commissie in het direct beheer een typologie van de fouten en hun verband met terugvorderingen, financiële correcties en aanpassingen van betalingen ontwikkelen. Voor de Structuurfondsen zal zij de betrouwbaarheid van de nationale toezichts- en verslagleggingssystemen onderzoeken"
(51) Structuurfondsverordeningen 2007-2013 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 1).
(52) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 12.
(53) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.
(54) Eind 2006 beschikten de agentschappen (exclusief Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt, Communautair Bureau voor plantenrassen en Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, en de Europese GNSS-toezichtautoriteit) over 213 miljoen EUR aan kasmiddelen, tegenover 810 miljoen EUR aan kredieten.
(55) De Structuurfondsen zijn bedoeld voor de financiering van duurzame sociaal-economische en ecologische ontwikkelingsprogramma's in de lidstaten. De maatregelen en programma's moeten met name innovatie, onderzoek en ontwikkeling, informatietechnologie, schoon en efficiënt energiegebruik, milieubescherming, levenslang leren en sociale inclusie ondersteunen. In de nieuwe programmeringsperiode is geprobeerd te komen tot een hoger concentratiepeil, meer gedecentraliseerde beheersstructuren, meer efficiëntie en strengere budgettaire controle (Europese Raad van Lissabon - maart 2000).
(56) In de periode 2000-2006 is ongeveer 260 miljard EUR uitgegeven aan structurele maatregelen. Van dit bedrag was 213 miljard EUR bestemd voor de 15 oude lidstaten: de programma's in het kader van de Structuurfondsen kregen 195 miljard EUR en het Cohesiefonds 18 miljard EUR. 47 miljard EUR was uitgetrokken voor de nieuwe lidstaten (pretoetredingsgeld en structurele maatregelen). In de jaren 2004-2006 was ongeveer 16 miljard EUR toegewezen aan ongeveer 200 programma's in de nieuwe lidstaten.
(57) Het "buitenkanseffect" houdt in dat een activiteit of investering ook zonder de financiering zou hebben plaatsgevonden.
(58) Punt 51.
(59) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
(60) PB L 177 van 6.7.2007, blz. 3.
(61) Artikel 102 van het Financieel Reglement.
(62) PB L 187 E van 15.7.2008, blz. 3.
(63) Jaarverslag van de Rekenkamer over begrotingsjaar 1999, punt 6.30 (PB C 342 van 1.12.2000, blz. 1).
(64) Beschikking nr. 573/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 tot instelling van het Europees Vluchtelingenfonds voor de periode 2008-2013 als onderdeel van het algemeen programma Solidariteit en beheer van de migratiestromen (PB L 144 van 6.6.2007, blz. 1).
(65) Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12).
(66) Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12).
(67) PB L 8 van 11.1.2008, blz. 1.
(68) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 183.
(69) PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr.1098/2007 (PB L 248 van 22.9.2007, blz. 1).
(70) Jur. 2005, blz. I-6263.
(71) PB L 409 van 30.12.2006, blz. 1.
(72) PB L 340 van 22.12.2007, blz. 46.
(73) Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1).


Kwijting 2006: algemene begroting EU, Europees Parlement
PDF 334kWORD 177k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling I - Europees Parlement (C6-0363/2007 – 2007/2038(DEC))
P6_TA(2008)0134A6-0091/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (SEC(2007)1055 – C6-0363/2007)(2),

–   gezien het verslag over het budgettaire en financiële beheer voor het jaar 2006, Afdeling I Europees Parlement(3),

–   gezien het jaarverslag van de intern controleur voor 2006,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(4),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(5),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en artikel 275 van het EG-Verdrag en artikel 179 bis van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6), en met name de artikelen 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 13 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(7),

–   gelet op artikel 147, lid 1, van het Financieel Reglement, volgens welk elke instelling alles in het werk moet stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 maart 2005 over de richtsnoeren voor de Afdelingen II, IV, V, VI, VII, VIII(A) en VIII(B) en het voorontwerp van ramingen van het Europees Parlement (Afdeling I) voor de begrotingsprocedure 2006(8),

–   gelet op artikel 71, artikel 74, lid 3, en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0091/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer in zijn audit heeft geconstateerd dat ".. alle lidstaten voor 2006 een bevredigend kader voor de controle- en toezichtsystemen hebben ingevoerd, overeenkomstig het Financieel Reglement, en dat de steeksgewijze controles hebben aangetoond dat de foutenmarge niet significatief was. (...)"(9),

B.   overwegende dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat er tekortkomingen bestaan in de door het Bureau en de quaestoren vastgestelde regelgeving voor de betaling van de vergoedingen voor parlementaire bijstand, alsook bij de uitvoering daarvan,

C.   overwegende dat de secretaris-generaal op 21 februari 2007 heeft bevestigd dat er een redelijke zekerheid bestaat dat de begroting van het Europees Parlement is uitgevoerd volgens de beginselen van een goed financieel beheer en dat het controle- en toezichtsysteem de nodige garanties biedt ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de operaties,

1.   verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, Afdeling I – Europees Parlement (C6-0363/2007 – 2007/2038(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(10),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (SEC(2007)1055 - C6-0363/2007)(11),

–   gezien het verslag over het budgettaire en financiële beheer voor het jaar 2006, Afdeling I Europees Parlement(12),

–   gezien het jaarverslag van de intern controleur voor 2006,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(13),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(14),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en artikel 275 van het EG-Verdrag en artikel 179 bis van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(15), en met name de artikelen 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 13 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(16),

–   gelet op artikel 147, lid 1, van het Financieel Reglement, volgens welk elke instelling alles in het werk moet stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 maart 2005 over de richtsnoeren voor de Afdelingen II, IV, V, VI, VII, VIII(A) en VIII(B) en het voorontwerp van ramingen van het Europees Parlement (Afdeling I) voor de begrotingsprocedure 2006(17),

–   gelet op artikel 71, artikel 74, lid 3, en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0091/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer in zijn audit heeft geconstateerd dat ".. alle instellingen in 2006 een toereikend stelsel van toezicht- en controlesystemen hadden ingevoerd, zoals voorgeschreven bij het Financieel Reglement, en dat de onderzochte steekproef geen materieel foutenniveau vertoonde (...)"(18),

B.   overwegende dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat er tekortkomingen bestaan in de door het Bureau en de quaestoren vastgestelde regeling voor de betaling van de vergoedingen voor parlementaire bijstand, alsook bij de uitvoering daarvan,

C.   overwegende dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat het Bureau er niet voor heeft gezorgd dat de regels voor de betaling van de vergoedingen voor parlementaire bijstand met indiening van adequate bewijsstukken effectief ten uitvoer zijn gelegd,

D.   overwegende dat de secretaris-generaal op 21 februari 2007 heeft bevestigd dat er een redelijke zekerheid bestaat dat de begroting van het Europees Parlement is uitgevoerd volgens de beginselen van een goed financieel beheer en dat het controle- en toezichtsysteem de nodige garanties biedt ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen,

E.   overwegende dat de follow-up van zijn resolutie van 26 september 2006(19) en van de resolutie van 24 april 2007(20) over de kwijting voor de begrotingsjaren 2004 en 2005 moet worden gegarandeerd, en dat daarbij de vooruitgang moet worden geëvalueerd die geboekt is met betrekking tot de tenuitvoerlegging van zijn aanbevelingen,

F.   gelet op de politieke prioriteiten voor het begrotingsjaar 2006, te weten: consolidering van de uitbreiding van 2004, voorbereiding van de uitbreiding van 2007, verbetering van het voorlichtings- en communicatiebeleid en verbetering van de bijstand aan de leden,

1.   is tevreden over en steunt de duidelijke toezegging van de Voorzitter dat hij ervoor zorg zal dragen dat het statuut van de assisenten, zoals dit door de Commissie is voorgesteld en door de Raad goedgekeurd, tegelijk met het statuut van de leden in werking zal treden(21);

2.   roept de Raad en de Commissie op ten volle samen te werken met het Parlement om te waarborgen dat het nieuwe statuut van de assistenten wordt goedgekeurd vóór de volgende Europese verkiezingen van juni 2009;

De kwijting - een politieke handeling

3.   onderstreept dat het Parlement de enige kwijting verlenende autoriteit is(22) en dat de kwijting een politiek besluit is; neemt, bij het treffen van dit politieke besluit, overeenkomstig artikel 276, leden 1 en 2, van het EG-Verdrag, kennis van de daar genoemde documenten en van alle andere informatie die het noodzakelijk acht;

4.   is van mening dat alle instellingen en organen bedoeld in de artikelen 70 en 71 van zijn Reglement op voet van gelijkheid moeten worden behandeld volgens dezelfde beginselen en dezelfde procedures als die welke gevolgd worden bij de jaarlijkse kwijtingsprocedure;

5.   herinnert eraan dat alle instellingen en alle organen kunnen overgaan tot de oprichting van de politieke en/of administratieve structuren die het best aan hun behoeften zijn aangepast; onderstreept dat het Parlement daarom, om recht te doen aan deze verschillende structuren, aan deze instellingen en organen als zodanig een kwijting moet verlenen, waarbij zij zich door een bepaalde persoon kunnen laten vertegenwoordigen, die hun een zekere zichtbaarheid verschaft;

6.   bevestigt dat het ook de taak van het Parlement is erop toe te zien dat iedere instelling en elk orgaan het niveau van verantwoordelijkheid vaststelt dat het best beantwoordt aan de opmerkingen die door het Parlement tijdens de kwijtingsprocedure zijn gemaakt;

7.   wijst erop dat het Parlement in zijn voornoemde resolutie van 24 april 2007 verklaard heeft dat de kwijtingsprocedure eveneens betrekking moet hebben op besluiten die genomen zijn door de Voorzitter, het Bureau en de Conferentie van voorzitters, want dit zijn gekozen volksvertegenwoordigers, en geen ambtenaren, en zij dragen dus politieke verantwoordelijkheid; verzoekt daarom de Voorzitter en de voor begrotingszaken verantwoordelijke ondervoorzitter om deel te nemen aan toekomstige vergaderingen van de Commissie begrotingscontrole ten einde een politieke dialoog op gang te brengen;

8.   wijst erop dat de plenaire vergadering kwijting verleent aan het Parlement, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter, overeenkomstig artikel 71 van zijn Reglement;

9.   verheugt zich erover dat de Voorzitter van het Parlement heeft ingestemd met het beginsel van een politieke dialoog in het kader van de kwijtingsprocedure en dat op zijn verzoek de ondervoorzitter van het Parlement die voor begroting en begrotingscontrole verantwoordelijk is en die ook de voorzitter is van het auditcomité, deelgenomen heeft aan een politieke dialoog met de Commissie begrotingscontrole tijdens een publieke hoorzitting, die op 21 januari 2008 plaatsvond; verlangt dat deze dialoog in de toekomst gebaseerd zal zijn op een schriftelijke documentatie, welke berust op de besluiten van het Bureau en de Conferentie van voorzitters die een financieel effect hebben;

10.   juicht het voorstel toe dat de secretaris-generaal tijdens de hoorzitting van 21 januari 2008 heeft gedaan, dat erin bestaat om buiten de normale jaarlijkse kwijtingsprocedure regelmatige bijeenkomsten te organiseren met de Commissie begrotingscontrole over de tenuitvoerlegging van de begroting van het Parlement, en aanvaardt dit voorstel;

11.   neemt eveneens kennis van het initiatief van de Voorzitter van het Parlement om de banden tussen het Bureau en de Begrotingscommissie enerzijds, en het Bureau en de Commissie begrotingscontrole anderzijds nauwer aan te halen door de oprichting van een werkgroep die tot taak heeft deze contacten op duurzame wijze te consolideren; toont zich verheugd over de eerste gezamenlijke discussie die op 14 januari 2008 is gehouden en de sfeer van vertrouwen en samenwerking die hiermee is gecreëerd tussen de desbetreffende organen; verwacht dat deze beraadslagingen worden voortgezet en wacht de daaruit voortvloeiende conclusies af;

12.   is van oordeel dat de begrotingsprocedure en de kwijtingsprocedure als complementaire operaties moeten worden beschouwd: een begroting kan niet worden goedgekeurd zonder dat er een onderzoek is gedaan naar de reeds goedgekeurde kwijtingsbesluiten, en een kwijtingsbesluit moet worden genomen met kennis van de politieke doelstellingen die tijdens de begrotingsprocedure zijn vastgesteld voor het jaar waarop de kwijting betrekking heeft; verlangt een sterkere interoperabiliteit tussen de begrotingsprocedure en de kwijtingsprocedure;

De begrotingsprioriteiten voor het jaar 2006

13.   onderstreept dat het volgende begrotingsprioriteiten heeft goedgekeurd voor het jaar 2006(23)

   posten te voorzien in verband met de uitbreiding en meer in het bijzonder een voldoende aantal gekwalificeerde tolken en vertalers in alle officiële talen, opdat de leden actief kunnen deelnemen aan de werkzaamheden van het Parlement,
   invoering van een voorlichtings- en communicatiebeleid om het Parlement dichter bij de burger te brengen; in dit verband moet de rol van de externe bureaus en de samenwerking met de Commissie verder worden ontwikkeld,
   onderzoeken of er verandering moet worden gebracht in de structuur van administratie of dat er een grotere steun moet worden verleend aan zijn basisactiviteiten om de werkzaamheden van de Instelling te optimaliseren,
   het bestaan te garanderen van een toereikende ondersteuning en een toereikende beschikbaarheid van experts om toe te zien op de kwaliteit van de wetgevingswerkzaamheden,
   een statuut voor de assistenten in te voeren, en
   een financieel vastlegging te verzekeren tot dekking van de kosten van de deelneming van de delegaties van het Parlement aan vergaderingen die buiten zijn plaatsen van werkzaamheden worden georganiseerd;

Presentatie van de rekeningen van het Europees Parlement

14.   constateert dat de ontvangsten van het Parlement in 2006 een bedrag van 126 126 604 EUR beliepen (112 393 557 EUR in 2005; d.w.z. een stijging met 12,2%);

15.   neemt kennis van de onderstaande cijfers, waarmee de rekeningen van het Parlement voor het financieel jaar 2006 werden afgesloten:

Besteding van de kredieten 2006(24)

I Kredieten 2006

- initiële kredieten

- gewijzigde begroting

- definitieve kredieten

1 321 600 000

geen

1 321 600 000

II. Definitieve kredieten 2006

- vastleggingen

(% van de definitieve kredieten)

- betalingen

(% van de vastleggingen)

1 306 325 432

(98,76%)

1 117 578 610

(85,49%)

III. Overdrachten naar 2007

- automatische overdracht naar 2007

(in % van de definitieve kredieten)

(in % van de vastleggingen)

- niet-automatische overdrachten (niet vastgelegde kredieten die werden overgedragen)

(in % van de definitieve kredieten)

188 746 822

(14,26%)

(14,43%)

4 817 000

(0,36%)

IV. Annuleringen

- geannuleerde kredieten

(in % van de definitieve kredieten)

15 274 568

(1,15%)

V. Overdrachten naar 2006

- automatische overdrachten

- betalingen uit hoofde van deze overdrachten

(in % van de overdrachten)

- niveau annuleringen

307 163 636

285 578 104

(92,95%)

21 585 532

VI. Bestemmingsontvangsten in 2006

- bestemmingsontvangsten

- vastleggingen

(in % van de bestemmingsontvangsten)

- betalingen

(in % van de bestemmingsontvangsten)

- beschikbare kredieten afkomstig uit de bestemmingsontvangsten

40 017 311

30 778 877

(73,86%)

5 858 229

(18,75%)

9 238 434

VII. Kredieten van bestemmingsontvangsten die naar 2007 zijn overgedragen

- kredieten van de overgedragen bestemmingsontvangsten

34 831 297

VIII. Kredieten van de bestemmingsontvangsten die naar 2006 zijn overgedragen

- overgedragen bestemmingsontvangsten

- vastleggingen

- betalingen

(in % van de vastleggingen)

32 288 714

32 054 298

31 086 918

(96,36%)

16.   merkt op dat de presentatie van de rekeningen, zoals die gegeven wordt in het verslag over het budgettaire en financiële beheer, in vergelijking met het vorige jaar veranderd is; wenst dat de administratie een presentatie opstelt en handhaaft, die een gemakkelijke vergelijking van de uitvoering van de begroting over de verschillende jaren mogelijk maakt;

17.   merkt op dat in 2006 voor 98,76% van de op de begroting van het Parlement ingeschreven kredieten vastleggingen zijn verricht, d.w.z. dat het annuleringspercentage 1,15% bedroeg en dat, net als in de vorige begrotingsjaren, een zeer hoog niveau van uitvoering van de begroting werd gerealiseerd;

18.   herinnert echter eraan dat dit hoge uitvoeringsniveau voor een deel het gevolg is van de sinds 1992 regelmatig toegepaste praktijk van het "bijeenvegen", een operatie die eruit bestaat om alle aan het eind van een jaar beschikbare kredieten over te maken naar de begrotingslijnen voor gebouwen, vooral om vervroegde kapitaalsaflossingen te doen ter vermindering van de toekomstige betaling van interesten; merkt op dat in dit verband een bedrag van 37 246 425 EUR in 2006 werd "bijeengeveegd";

19.   wijst erop dat in 2006 een bedrag van 124 071 425 EUR (71,4% van de overschrijvingen) gebruikt is ter versterking van een aantal begrotingslijnen op het gebied van het onroerendgoedbeleid (van dit bedrag was 38 603 580 EUR afkomstig uit de voorzieningen); herinnert eraan dat de aanvankelijk op deze begrotingslijn ingeschreven kredieten voor 2001-2008 slechts 14 287 887 EUR beliepen;

20.   herinnert eveneens eraan dat er in totaal machtiging is verleend voor 37 overschrijvingen over een bedrag van 173 751 700 EUR (d.w.z. met 13% van de definitieve kredieten; bij de Commissie bedragen de overschrijvingen ongeveer 4% van de betalingskredieten); merkt op dat een hoog niveau van de overschrijvingen afbreuk zou kunnen doen aan de begrotingsbeginselen;

Opmerkingen van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2006

21.   merkt op dat de Rekenkamer geconstateerd heeft dat "... alle instellingen in 2006 een toereikend stelsel van toezicht- en controlesystemen hadden ingevoerd, zoals voorgeschreven bij het Financieel Reglement, en dat de onderzochte steekproef geen materieel foutenniveau vertoonde (...)"(25);

22.   merkt op dat de Rekenkamer het volgende zwakke punt heeft vastgesteld bij de toekenning van de vergoedingen voor parlementaire bijstand: "De Rekenkamer constateert ... dat het Bureau niet heeft gezorgd voor een effectieve uitvoering van de regels die overlegging van toereikende bewijsstukken voorschrijven ... Het Bureau moet actie ondernemen om de stukken te verkrijgen die van essentieel belang worden geacht om te bewijzen dat de uitgaven gerechtvaardigd waren... (26);

23.   verwijst voor een gedetailleerd commentaar in dit verband naar de opmerkingen van de interne financiële controleur, in paragrafen 56 tot en met 68;

Het jaarverslag van de interne financieel controleur

24.   merkt op dat in 2006 de dienst voor interne financiële controle 16 auditverslagen heeft goedgekeurd, of in de vorm van een ontwerp heeft gepubliceerd; onder deze verslagen bevonden zich de audits van procedures voor de gunning van aanbestedingen, de audit van de vergoeding voor parlementaire bijstand en het gevolg dat gegeven is aan 452 individuele acties die voortvloeien uit het onderzoek van de regeling voor interne controle, die op het niveau van de instelling werd uitgevoerd;

25.   verheugt zich erover dat de interne financieel controleur de conclusies van zijn jaarverslag voor 2006 officieel heeft kunnen presenteren aan de Commissie begrotingscontrole, waarmee hij heeft aangetoond dat zijn verslag niet alleen een instrument van intern beheer is, maar ook een belangrijk referentie-element voor de jaarlijkse kwijtingsprocedure;

26.   deelt de opvatting van de interne financieel controleur over het toegenomen belang dat moet worden toegekend aan de invoering van een krachtige regeling voor interne controle; verwijst in dit verband naar de maatregelen tot verbetering van de controlenormen en -doelstellingen; merkt op dat de tenuitvoerlegging van de 20 acties met beslissend karakter die door de interne financieel controleur in zijn eerste follow-up-audit genoemd worden het onderwerp zal vormen van een tweede follow-up in 2008; neemt kennis van de informatie van de administratie dat 18 van deze 20 acties ten uitvoer zijn gelegd en dat de uitvoering van de twee resterende acties thans gaande is;

27.   is tevreden over de vooruitgang die door de administratie wordt gemeld met betrekking tot de procedures voor het gunnen van aanbestedingen, en meer in het bijzonder de oprichting van een forum voor openbare aanbestedingen; merkt op dat de interne financieel controleur in 2008 een nieuwe audit zal verrichten naar het gevolg dat is gegeven aan de uitvoering van de 144 individuele acties die voortvloeien uit de audit van de procedures voor de gunning van aanbestedingen;

Het financieel beheer van het Parlement en de activiteitsrapporten van de directeuren-generaal

28.   herinnert zijn ter zake bevoegde organen aan zijn besluit(27) dat "uitbetalingen met betrekking tot gebouwen ... zouden moeten worden vastgesteld in het kader van de begrotingsstrategie"; betreurt dat zijn ter zake bevoegde organen nooit uitvoering hebben gegeven aan de besluiten van de plenaire vergadering en zijn voortgegaan met hun praktijk van "non-budgettisering" van het onroerendgoedbeleid van het Parlement voor zijn toekomstige verwervingen (de begrotingslijn getiteld "Verwerving van onroerend goed" bevat voor de jaren 2005, 2006 en 2007 slechts "pro memorie"-vermeldingen);

29.   merkt op dat de secretaris-generaal, tijdens een publieke hoorzitting voor de Commissie begrotingscontrole op 21 januari 2008, een strategisch plan heeft aangekondigd voor het onroerendgoedbeleid van het Europees Parlement; verzoekt de secretaris-generaal om dit plan bij gelegenheid van de kwijtingsprocedure voor het jaar 2007 aan de Commissie begrotingscontrole voor te leggen;

30.   herhaalt zijn verzoek om wijziging van artikel 16 van de interne voorschriften met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Parlement, opdat elk onroerendgoedproject met belangrijke financiële gevolgen voor de begroting van het Parlement aan de goedkeuring van de Begrotingscommissie wordt onderworpen;

31.   verheugt zich erover dat de secretaris-generaal en alle directeuren-generaal bevestigd hebben een redelijke verzekering te hebben dat de middelen die voor de respectieve activiteiten beschikbaar werden gesteld ook voor de geplande doelen zijn gebruikt, overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer; merkt met tevredenheid op dat zij eveneens bevestigd hebben dat de toegepaste controleprocedures voldoende garanties bieden met betrekking tot de rechtmatigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

32.   verlangt dat zijn administratie de begrotingsbeginselen respecteert en een ontwerpbegroting op zodanige wijze opstelt dat de in deze ontwerpbegroting opgenomen bedragen zo goed mogelijk de reële behoeften van de verschillende activiteitssectoren van het Parlement weerspiegelen; verlangt van de gedelegeerde ordonnateurs dat zij in hun jaarlijkse activiteitsverslagen, in een afzonderlijke overzichtstabel aan het begin van hun verslagen, de definitieve kredieten, de vastgelegde kredieten, de betalingen, de overdrachten en de geannuleerde kredieten aangeven, alsmede het bedrag dat het Directoraat-generaal ter beschikking stelt van de "ramassage" (algemene overschrijving);

33.   verheugt zich erover dat de directeuren-generaal de lijst van langlopende contracten opnieuw onder de loep hebben genomen;

34.   verzoekt zijn Directoraten-generaal om opvoering van hun inspanningen om ervoor te zorgen dat hun verslagen zich niet beperken tot een gemeenschappelijke structuur, maar ook vergelijkbare informatieve elementen bevatten, zodat zij aan leesbaarheid winnen;

35.   verheugt zich erover dat de interne financieel controleur en de diensten het eens geworden zijn over de uitvoering van actieplannen om het Parlement te voorzien van een krachtig mechanisme voor interne controle (intern controlekader); merkt op dat in dit verband in 2003 en 2004 besloten is tot 452 individuele acties; merkt op dat van deze 452 acties 225 volledig gerealiseerd zijn en 121 gedeeltelijk in 2006; merkt ook op dat de interne financieel controleur 20 acties had geïdentificeerd als zijnde "van beslissende aard" met betrekking tot beleidsgebieden die aan hoge risico's zijn blootgesteld; constateert in dit stadium dat de administratie verklaart dat 18 van deze 20 acties ten uitvoer zijn gelegd, terwijl de interne financieel controleur deze tijdens een tweede follow-up-audit in 2008 zal onderzoeken;

Gunning van aanbestedingen

36.   herinnert eraan dat de instellingen, overeenkomstig de artikelen 54 en 119 van de uitvoeringsbepalingen van het Financieel Reglement(28), aan de begrotingsautoriteit verslagen moeten overleggen over de op onderhandse overeenkomsten berustende procedures en de contracten die niet vallen onder de richtlijnen met betrekking tot de openbare aanbestedingen; herinnert er ook aan dat een lijst van contractanten aan wie aanbestedingen gegund zijn voor een bedrag van meer dan 50 000 EUR, maar lager dan de in bovengenoemde richtlijnen genoemde drempel, in het Publicatieblad wordt gepubliceerd en dat voor aanbestedingen met een waarde van tussen 13 800 en 50 000 EUR een publicatie op de Internetsite van de instellingen vereist is;

37.   stelt vast dat het jaarverslag de volgende informatie bevat over de in 2006 gegunde aanbestedingen:

Type contract

Aantal

[2005 tussen haakjes]

Percentage

[2005 tussen haakjes]

Bedrag in EURO

[2005 tussen haakjes]

Percentage

[2005 tussen haakjes]

Diensten

199 (199)

69% (64%)

67 315 809

(89 551 639)

23% (44%)

Leveringen

56 (53)

20% (17%)

61 441 090

(29 036 604)

21% (14%)

Werkzaamheden

31 (48)

11% (15%)

20 026 192

(13 763 856)

7% (7%)

Onroerend goed

1 (12)

0% (4%)

143 125 000

(73 149 658)

49% (35%)

Totaal

287 (312)

100%

291 908 091

(205 501 756)

100%

38.   stelt vast dat de verdeling van de in 2006 gegunde aanbestedingen naar gebruikt type procedure (uitgezonderd de aanbestedingen voor onroerend goed die op grond van onderhandse overeenkomsten worden gegund - de aankoop van gebouwen te Straatsburg - die een waarde van 143 125 000 EUR beloopt) als volgt is geweest:

Type procedure

Aantal

[2005 tussen haakjes ]

Percentage

[2005 tussen haakjes ]

Bedrag in EUR

[2005 tussen haakjes ]

Percentage

[2005 tussen haakjes ]

Gemiddeld bedrag

[2005 tussen haakjes ]

Open

73 (64)

25% (21%)

93 681 193

(94 187 176)

62% (71%)

1 283 304

(1 471 675)

Beperkt

84 (112)

30% (37%)

7 044 607

(26 676 276)

5% (20%)

83 863

(238 181)

Door onderhandelingen

129 (124)

45% (42%)

48 057 291

(11 488 646)

33% (9%)

372 537

(92 650)

Totaal

286 (300)

100%

148 783 091

(132 352 098)

100%

520 220

(441 174)

39.   merkt op dat er in 2006 128 aanbestedingen zijn gegund voor een waarde gelijk aan of hoger dan 50 000 EUR en 159 aanbestedingen voor een waarde van tussen de 13 800 EUR en 50 000 EUR; onderstreept dat uit deze cijfers blijkt dat de aanbestedingen van minder dan 50 000 EUR slechts 1,7% van de totale waarde vertegenwoordigen, maar niet minder dan 55% van het totale aantal door het Parlement toegekende aanbestedingen;

40.   constateert dat, in termen van waarde, 67% van de aanbestedingen werden gegund op basis van open procedures (62%) en beperkte procedures (5%); betreurt evenwel dat in termen van waarde 33% van de aanbestedingen gegund is volgens de procedure op basis van een onderhandse overeenkomst; verzoekt de secretaris-generaal om uit te leggen waarom dit percentage ten opzichte van het vorige jaar is toegenomen;

41.   merkt evenwel op dat voor 2006 de in artikel 54 geëiste vergelijking van de uitvoeringsbepalingen van het Financieel Reglement (tussen het aantal aanbestedingen dat door de gedelegeerde ordonnateur is toegekend tijdens het jaar n en het jaar n-1 ) niet mogelijk is geweest vanwege de reglementaire wijzigingen die in het betrokken jaar werden goedgekeurd, wijzigingen die slechts aanbestedingen betreffen die vanaf 22 augustus zijn gestart; merkt op dat het Parlement in 2006 de procedure op basis van een onderhandse overeenkomst heeft gebruikt voor 74 contracten (2005: 136 contracten);

42.   herinnert eraan dat de interne financieel controleur een audit heeft opgesteld van de procedures voor de gunning van aanbestedingen op het niveau van de instelling; is tevreden over het akkoord tussen de interne financieel controleur en de diensten over een uitgebreid actieplan dat 144 individuele acties omvat die ten uitvoer moeten worden gelegd; verheugt zich erover dat een van de voornaamste taken die in het werkprogramma van de interne financieel controleur voor 2008 zijn opgenomen een nieuwe audit is van de procedures voor de toekenning van aanbestedingen, zodat er een onderzoek kan worden gedaan naar de gerealiseerde vooruitgang;

43.   verzoekt de secretaris-generaal een uiteenzetting te geven van de vooruitgang die geboekt is bij de invoering van een database over de aanbestedingen, overeenkomstig artikel 95 van het Financieel Reglement; merkt ook op dat het herziene Financieel Reglement bepaalt dat er een enkele centrale database moet worden opgericht voor alle instellingen, welke door de Commissie wordt beheerd;

Politieke fracties (onderzoek van de rekeningen en procedures - begrotingspost 4000)

44.   bevestigt dat de politieke fracties verantwoordelijk zijn voor het beheer en het gebruik van de aan hen toegekende kredieten uit de begroting van het Parlement en dat het actieveld van de interne auditdienst van het Parlement zich niet uitstrekt tot de voorwaarden van het gebruik van begrotingspost 4000;

45.   verheugt zich erover dat de politieke fracties hun externe auditverslagen en hun rekeningen voor 2006 op de Internetsite van het Parlement hebben gepubliceerd;

46.   merkt op dat de voor 2006 op begrotingspost 4000 ingeschreven kredieten als volgt werden gebruikt:

(in duizenden EUR)

Beschikbaar totaalbedrag op de begroting 2006

70 900

Niet-ingeschreven leden

1 644

Bedragen beschikbaar voor de fracties

69 256

Fractie

Toegekende kredieten op de begroting van het Parlement

Eigen middelen en overgedragen kredieten van de fracties

Uitgaven 2006

Gebruikmakings-percentage van de beschikbare kredieten

Plafond van de overdrachten*)

Overdrachten naar

2007

PPE-DE

18 088

7 203

16 345

64,6%

9 044

8 947

PSE

13 989

6 934

14 191

67,8%

6 995

6 732

ELDR/ALDE

6 526

3 145

6 383

66,1%

3 263

3 263

Verts/ALE

2 836

1 157

2 716

68,0%

1 418

1 278

GUE/NGL

2 582

1 265

3 189

77,5%

1 426

928

UEN

1 896

454

1 863

79,3%

948

487

IND/DEM

2 034

875

1 912

65,7%

1 017

997

NI

1 384

260

1 222

74,3%

692

136

TOTAAL

49 606

21 294

47 821

67,4%

24 803

22 767

*) Overeenkomstig artikel 2.1.6 van de regeling inzake de besteding van kredieten uit post 4 000

47.   stelt vast dat de externe financieel controleurs bevestigd hebben dat de rekeningen van de politieke fracties in overeenstemming waren met de geldende bepalingen en de internationale boekhoudkundige normen;

48.   merkt op dat de politieke fracties gemiddeld slechts 67,4% van de te hunner beschikking staande kredieten hebben gebruikt (vergeleken met 66% in 2005 en 74% in 2004);

49.   merkt op dat het Bureau op 9 juli 2007 een onderzoek heeft ingesteld naar de verslagen van de fracties over de uitvoering van de begroting en de verslagen die door de respectieve financieel controleurs werden opgesteld; merkt in dit verband op dat de Raad de ordonnateur gelast heeft over te gaan tot de terugvordering bij de fractie ALDE van een bedrag van 25 403,77 EUR aan niet-gebruikte kredieten, aangezien dit bedrag niet kon worden overgedragen;

Politieke partijen op Europees niveau

50.   stelt vast dat de rekeningen bij de sluiting van het begrotingsjaar 2006 er als volgt uitzien:

Uitvoering van de begroting 2006 in het kader van de Conventie (EUR)

Partij *)

Eigen middelen

Subsidies van het EP, totaal

Totaal van de ontvangsten

Subsidies in percentage van de daarvoor in aanmerking komende uitgaven (max. 75%)

PPE

1 106 891,41

2 914 059,56

4 020 950,97

72,50%

PSE

932 781,81

2 580 000,00

3 512 781,81

71,49%

ELDR

340 782,87

883 500,00

1 224 282,87

71,97%

EFGP

240 204,29

581 000,00

821 204,29

71,20%

GE

172 875,00

439 018,54

611 893,54

71,82%

PDE

55 189,84

163 570,75

218 760,59

75,00%

AEN

49 385,00

144 808,81

194 193,81

74,57%

ADIE

59 513,36

125 016,22

184 529,58

75,00%

EFA

69 665,67

220 913,67

290 579,34

75,00%

EUD

47 597,22

29 670,24

77 267,46

62,59%

Totaal

3 074 886,47

8 081 557,78

11 156 444,25

72,13%

PPE: Europese Volkspartij; PSE: Europese Socialistische Partij; ELDR: Europese Partij van Liberalen en democraten; EFGP: Federatie van Groene Partijen in Europa; GE: Partij van Europees Links; PDE: Europese Democratische Partij; AEN: Alliantie voor een Europa van de naties ADIE: Alliantie van Onafhankelijke Democraten in Europa; EFA: Europese Vrije Alliantie; EUD: EU Democraten

51.   onderstreept dat de externe financiële controleurs bevestigd hebben dat de rekeningen van de partijen in overeenstemming zijn met de bepalingen die genoemd worden in de artikelen 6, 7, 8 en 10 van Verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende de status en de financiering van de politieke partijen op Europees niveau(29) en dat zij een waarachtig en betrouwbaar beeld geven van de financiële situatie van de politieke partijen bij de sluiting van het financieel jaar 2006;

52.   verheugt zich erover dat de politieke partijen op Europees niveau een hoog niveau van gebruik van de hun ter beschikking gestelde kredieten hebben bereikt;

53.   merkt echter op dat de ordonnateur belast werd met:

   de terugvordering van een overschot van 248 953,91 EUR bij de PDE, een overschot van 215 498,59 EUR bij de AEN, van 69 317,14 EUR bij de ADIE en van 24 799,11 EUR bij de EUD,
   en een terugvordering van 121 670,10 EUR bij de EUD en van 70 902,64 EUR bij de ADIE wegens non-conformiteit met artikel 3, lid 1, punt b) van Verordening (EG) nr. 2004/2003;

54.   vraagt de secretaris-generaal of deze bedragen inderdaad werden teruggevorderd;

55.   merkt op dat de interne financiële controleur een onderzoek heeft ingesteld naar de uitvoering van de bepalingen met betrekking tot de bijdragen ten gunste van de politieke partijen op Europees niveau en in augustus 2007 hierover een verslag heeft uitgebracht; verheugt zich erover dat dit geleid heeft tot een gedetailleerd actieplan dat door de administratie werd goedgekeurd; verlangt dat de resultaten van deze audit deel uitmaken van de kwijtingsprocedure voor 2007;

56.   merkt op dat de begroting van een politieke partij op Europees niveau vanaf 2008 voor maximaal 85% kan worden gefinancierd uit de begroting van het Europees Parlement (tot eind 2007 was dit 75%); onderstreept dat dit niveau van subsidies van het Europees Parlement tot gevolg heeft dat van de partijen een grotere verantwoordingsplicht kan worden geëist voor hun activiteiten;

De vergoedingen voor parlementaire bijstand (VPB)

57.   neemt kennis van het feit dat de Rekenkamer ontoereikendheden heeft vastgesteld en bekritiseerd in het door het Bureau opgestelde regelgevende kader en dat het grootste gedeelte van het bedrag dat uit hoofde van de VPB aan de leden is uitgekeerd later niet kon worden gestaafd door bevredigende bewijsstukken voor de namens het betrokken lid gemaakte uitgaven; erkent tegelijkertijd dat het Bureau en de administratie in 2007 een inspanning hebben gedaan om verbetering te brengen in deze situatie: verheugt zich erover dat voor het jaar 2006 de administratie meedeelt tegen het einde van 2007 ruim 99% van de bewijsstukken te hebben ontvangen;

58.   merkt echter op dat voor de jaren 2004 en 2005 de administratie slechts respectievelijk 57% en 51% van de vereiste documenten heeft weten te verkrijgen; wijst in dit verband op het politiek besluit om de op 13 december 2006 goedgekeurde regeling met terugwerkende kracht toe te passen op de periode 2004-2005;

59.   wenst dat alle leden met betrekking tot hun verplichting om bewijsstukken voor te leggen voor het gebruik van hun VPB in 2004 en 2005 een mededeling ontvangen waarin duidelijk wordt gemaakt of zij de bewijsstukken voor deze periode nog aan de administratie moeten voorleggen of dat hun dossier in orde is;

60.   roept de administratie op de regels inzake de kosten en vergoedingen voor de leden (PEAM)(30) correct en consistent toe te passen en onregelmatigheden en verzuiming direct vast te stellen;

61.   verzoekt de administratie een procedure op te stellen die een betere en zichtbaardere communicatie met de leden behelst en waarmee de in de PEAM-Regeling vastgestelde termijnen voor het indienen van de bewijsstukken systematisch worden gerespecteerd, zodat deze worden ingediend volgens de procedure en de verplichte agenda van de Rekenkamer voor het opstellen van het jaarverslag, met een uiteindelijke bevestiging aan de leden wanneer hun dossier is afgesloten;

62.   dringt er bij de werkgroep van het Bureau over het statuut van de leden op aan om zijn conclusies voor te leggen, opdat er spoedig een passend gevolg kan worden gegeven aan de opmerkingen die de interne financieel controleur geformuleerd heeft in zijn verslag over de VPB; bevestigt in het licht van de werkzaamheden van deze werkgroep en in de context van een nieuwe regeling die door de bevoegde politieke organen moet worden opgesteld, dat de administratie de verantwoordelijkheid heeft zich ervan te verzekeren dat de VPB toegekend worden met inachtneming van de beginselen van een goed financieel beheer, wettigheid en regelmatigheid; begrijpt de problemen en moeilijkheden die zich voordoen bij het harmoniseren van de VPB met de sociale en fiscale wetgeving van elk der 27 lidstaten; verlangt dat onmiddellijk een begin wordt gemaakt met de noodzakelijke onderhandelingen met de lidstaten en de Belgische staat; verlangt dat deze operatie, die zeker gecompliceerd is, geen hindernis mag vormen voor een parallelle uitvoering van een nieuwe regeling voor de VPB;

63.   merkt op dat in het verslag van de interne financieel controleur een evolutie in twee fasen wordt aanbevolen van de arbeidsvoorwaarden van de parlementaire assistenten: in een eerste fase moet het contractuele dienstverband tussen de assistent of assistenten en het lid stelselmatig gebaseerd zijn op een arbeidscontract dat gebruik maakt van een verplicht voorgeschreven verbeterd contractmodel; in een tweede fase is het doel de assistenten te integreren in de categorie van personeel die valt onder de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen;

64.   wijst erop dat voor bijstand aan de leden flexibiliteit en mobiliteit zijn vereist terwijl het nieuwe statuut van de assistenten minimumnormen moet bevatten inzake bezoldiging en sociale rechten, overeenkomstig de relevante Europese wetgeving;

65.   verwijst naar de eenstemmige besluiten van de Conferentie van Voorzitters en het Bureau, van respectievelijk 6 en 10 maart 2008:

   waarin er bij de administratie op wordt aangedrongen om zorg te dragen voor een consequente toepassing en tenuitvoerlegging van de bepalingen van het Reglement van het Parlement inzake de vergoeding van de uitgaven voor parlementaire bijstand;
   waarin aan de secretaris-generaal een mandaat wordt verleend om contact op te nemen met de Commissie en de Raad om de mogelijkheid te verkennen van de invoering van een nieuwe reeks regels voor de assistenten van de leden door wijziging van de regeling voor contractueel personeel, waarbij wel de vrijheid van de leden gehandhaafd blijft om zelf hun assistenten aan te werven en onafhankelijk vast te stellen hoe hoog hun salaris zal zijn;
   waarin hun werkgroep inzake het statuut van de leden, het statuut van de assistenten en het pensioenfonds de opdracht krijgt om dringend een evaluatie op te stellen over de gedetailleerde werking van de bestaande regels en om - gezien het belang van deze kwestie - voorstellen in te dienen voor de door deze werkgroep noodzakelijk geachte veranderingen;
  

dringt erop aan dat ook leden van de Commissie begrotingscontrole, als voor de kwijtingbevoegde commisise, als waarnemer deel moeten uitmaken van deze werkgroep; herinnert het Bureau in dit verband aan zijn commentaren met betrekking tot Afdeling I - Europees Parlement, die gegeven werden in zijn resolutie van 25 oktober 2007 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008(31) en zijn resolutie van 26 september 2006 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2004, Afdeling I - Europees Parlement(32); verzoekt de bevoegde autoriteiten om uiterlijk tegen het eind van 2008 aan de Commissie begrotingscontrole verslag uit te brengen over de hierbij geboekte vooruitgang;

66.   dringt er met name op aan dat:

   het Parlement, overeenkomstig paragraaf 76 van bovengenoemde resolutie van 26 september 2006, uitsluitend kaderovereenkomsten moet sluiten met in de lidstaten gevestigde ondernemingen die gespecialiseerd zijn in het beheer - op grond van de toepasslijke nationale wetgeving - van met arbeidscontracten samenhangende fiscale kwesties en kwesties in verband met de sociale zekerheid, en verwacht dat zijn administratie uiterlijk op 1 september 2008 een tijdplan opstelt voor de volledige tenuitvoerlegging van deze paragraaf;
   aangezien de tekortkomingen die bij de financiële controle aan het licht zijn gekomen hoofdzakelijk dienstverleners betreffen, de dienstverleningscontracten voorlopig beheerd worden door de betalingsgemachtigden in de lidstaten, totdat er een permanente oplossing zal zijn gevonden voor dit probleem; dat het de verantwoordelijkheid van de betalingsgemachtigde is om erop toe te zien dat de dienstverleningscontracten in overeenstemming zijn met de fiscale en sociale wetgeving van de desbetreffende lidstaat en met de PEAM-regels, die in dit verband nog moeten worden gewijzigd; dat geen dienstverleningscontract mag worden geaccepteerd dat niet aan deze voorschriften voldoet;
   de administratie van het Parlement in de positie moet worden gebracht waarin zij tegenover de Rekenkamer kan bewijzen welke bedragen door de leden werden uitbetaald aan hun assistenten, hun betalingsgemachtigden en dienstverleners, en onder welke voorwaarden;
   er geen familieleden van leden van de Instelling in dienst mogen worden genomen;
   strijdigheid met de wetgeving van de lidstaten en/of de (tegen dan gewijzigde) PEAM-voorschriften automatisch moet leiden tot opschorting van de betalingen en invordering van ten onrechte betaalde bedragen;

67.   verlangt dat de voorschriften van de toepassingsbepalingen van het statuut van de leden van het Europees Parlement(33) met een financieel effect officieel voor voorafgaand advies aan de Commissie begrotingscontrole moeten worden voorgelegd;

68.   verheugt zich erover dat het Bureau op 25 september 2006 zijn goedkeuring heeft gegeven aan het Handvest voor de assistenten en parlementaire stagiaires bij het Europees Parlement en dat de leden een exemplaar van dit handvest hebben ontvangen;

69.   verzoekt zijn secretaris-generaal om uiterlijk tegen et eind van 2008 de Commissie begrotingscontrole in kennis te stellen tot het aantal uitgevaardigde terugvorderingsopdrachten en het totale bedrag dat hiermee is gemoeid;

Vrijwillig pensioenfonds

70.   stelt vast dat er in november 2006 659 personen waren aangesloten bij het vrijwillig pensioenfonds; stelt vast dat de maandelijkse bijdrage aan het fonds per lid 3 354,21 EUR bedroeg en als volgt was samengesteld: een derde, d.w.z. 1 118,07 EUR betaald door de afgevaardigde en thans ingehouden op zijn onkostenvergoeding en twee derde, d.w.z. 2 236,14 EUR, gestort door het Parlement;

71.   vestigt de aandacht op de punten met betrekking tot transparantie en bronnen van inkomsten waarvan in bovengenoemde resolutie van 24 april 2007 sprake is;

72.   merkt op dat men erin geslaagd is het actuariële tekort van het vrijwillige pensioenfonds (dat sinds 2001 een tekort vertoont) terug te brengen van 43 756 745 EUR in 2004 en 28 875 471 EUR in 2005 tot 26 638 000 in 2006, waardoor de actuariële financieringssituatie is verbeterd, waarbij de dekking is toegenomen van 76,8% in 2004 en 86,8% in 2005 tot 88,4% in 2006; onderstreept dat in de afgelopen jaren de beurskoersen heel instabiel zijn geweest en dat er daarom geen enkele zekerheid bestaat over de richting waarin het actuariële tekort van het fonds zich zal ontwikkelen; onderstreept in dit verband dat het fonds voor 73% in aandelen heeft belegd; verzoekt de beheerders van het fonds het tot aan eind december 2007 bestaande actuariële tekort nog voor 15 maart 2008 te actualiseren;

73.   vestigt de aandacht van zijn Bureau op paragraaf 84 van zijn voornoemde resolutie van 24 april 2007, volgens welke is vastgesteld dat na de inwerkingtreding van het statuut van de leden van het Parlement, het vrijwillige pensioenfonds zich zou moeten beperken tot het honoreren van de bestaande (tot op juni 2009 verworven) rechten, hetgeen betekent dat noch de huidige leden, noch de andere aangeslotenen bijdragen kunnen blijven storten voor het fonds;

74.   heeft met verbazing kennis genomen van de recente aanbeveling die de Conferentie van voorzitters op 13 maart 2008 heeft gedaan, na te zijn geraadpleegd door de Werkgroep van het Bureau voor het statuut van de leden, de assistenten en het pensioenfonds, volgens welke de bij het Vrijwillige Pensioenfonds aangesloten leden nog meer nieuwe pensioenrechten zouden kunnen verwerven wanneer het Statuut van de leden in werking zal treden; herinnert het Bureau, dat het orgaan is dat in deze kwestie gerechtigd is besluiten te nemen, aan de wens van het Parlement, zoals die tot uitdrukking is gebracht in zijn resoluties over de verlening van kwijting voor de begroting van het Parlement voor de financiële jaren 2004 en 2005, dat het Vrijwillige Pensioenfonds geleidelijk aan zou moeten worden geliquideerd en zich daarom, na de inwerkingtreding van het Stauut van de leden, zou moeten beperken tot het uitbetalen van de verworven rechten; dringt er bij de werkgroep van het Bureau op aan om de nodige maatregelen voor te bereiden overeenkomstig de besluiten van het Parlement;

Voorbereiding van de uitvoering van het Verdrag van Lissabon

75.   herinnert eraan dat het Parlement in 2006 de bereidheid uitsprak "... te onderzoeken of er wijzigingen moeten worden aangebracht in zijn administratieve structuren of dat er verdere steun moet worden gegeven ten behoeve van zijn kernactiviteiten om het werk van de instelling zo goed mogelijk te laten verlopen ...(34); wijst er tegelijkertijd op dat het van oordeel was "... het met het oog op de toegenomen verantwoordelijkheid van het Europees Parlement op het gebied van de besluitvorming over wetgeving vereist is dat er veel meer middelen worden toegewezen ter ondersteuning van deze kernactiviteit ... "(35);

76.   neemt kennis van het antwoord van de administratie op de uitvoering van het Interinstitutioneel Akkoord "Betere wetgeven";

77.   herinnert eveneens eraan dat het Verdrag van Lissabon tot een aanzienlijke verbreding leidt van het bereik van de medebeslissing en dat dit de normale wetgevingsprocedure gaat worden; het gevolg is dat het Europees Parlement medewetgever op voet van gelijkheid wordt voor 95% van de Europese wetgeving;

78.   verzoekt in dit verband de administratie om voor 30 november 2008 voor te leggen:

   een personeelstabel van het Parlement (ambtenaren en andere personeelsleden), gespecificeerd naar rang, directoraat-generaal, nationaliteit en geslacht, met een daarbij gaande evaluatie,
   een analyse van de wijze waarop het budget voor studies in de verschillende directoraten-generaal werd gebruikt;

79.   herinnert eraan dat het Europees Parlement in de loop van de begrotingsprocedure van 2007 de Commissie heeft verzocht om een evaluatie op middellange termijn te verrichten van zijn personeelsbehoeften en een gedetailleerd verslag uit te brengen over zijn ondersteunend personeel en de coördinatiefuncties; verzoekt zijn administratie om met gebruikmaking van dezelfde instrumenten op basis hiervan een evaluatie van zijn personeelsbestand uit te voeren; wenst dat er op tijd voor de kwijting voor 2007´een evaluatieverslag wordt voorgelegd aan de Commissie begrotingscontrole; wenst in dit verband te vernemen hoeveel ambtenaren en andere personeelsleden tot taak hebben de parlementsleden te helpen bij hun arbeid als medewetgever, hoeveel ambtenaren voor de parlementaire delegaties werken en hoeveel ambtenaren de administratieve ondersteuning van het Parlement verzekeren;

Follow-up van de kwijting voor 2005

80.   is tevreden over de daling van de geraamde operationele kosten in verband met de vereiste om verschillende plaatsen en werkzaamheden te handhaven, welke kosten gedaald zijn van 203 000 000 EUR in 2002 tot 155 000 000 EUR in 2007; benadrukt dat dit een vermindering met 24% betekent over een periode van vijf jaar; dringt bij de administratie aan op voortzetting van dit rationalisatieproces; onderstreept dat de vereiste om diverse plaatsen van werkzaamheden te onderhouden in de Verdragen is vastgelegd; is van oordeel dat er gestreefd moet worden naar een optimale coördinatie tussen deze plaatsen van werkzaamheden; vestigt de aandacht op het feit dat de burgers niet begrijpen waarom het Europees Parlement drie plaatsen van werkzaamheden moet hebben;

81.   neemt kennis van het antwoord van zijn administratie(36) over de mogelijkheid om een Europese autoriteit op te richten voor het onroerendgoedbezit, waarin gesteld wordt dat de oprichting van een enkel groot bureau dat verantwoordelijk is voor de bouw en het onderhoud van de burelen van de instelling en de organen van de Europese Unie niet beantwoordt aan de wensen die werden geformuleerd ten aanzien van een economisch en beter beheer; stelt tegelijkertijd vast dat een nauwere samenwerking wenselijk en gewenst is;

82.   merkt op dat er geen enkele vooruitgang kon worden waargenomen in de voortgang van de onderhandelingen met de Belgische staat over het terrein dat bezet wordt door de gebouwen D4-D5 en over een betere gebruikmaking ervan; verzoekt de voor het onroerendgoedbeleid verantwoordelijke ondervoorzitter om hierover zo spoedig mogelijk contact op te nemen met de nieuwe Belgische regering;

83.   neemt kennis van de vooruitgang die geboekt kon worden om gevolg te geven aan zijn verzoek tot oprichting van een Kyoto-plus-plan; herinnert eraan dat het Bureau op 18 juni 2007:

   de secretaris-generaal verzocht een aanbesteding te lanceren voor een evaluatie van de CO2-uitstoot die door het Europees Parlement wordt veroorzaakt,
   kennis nam van de herziening, door de administratie, van de milieudoelstellingen en de acties die van kardinaal belang voor de toekomst zijn, en deze goedkeurde,
   het tijdschema goedkeurde voor de toekomstige stadia van de EMAS,
   de secretaris-generaal verzocht een gedetailleerd actieplan op te stellen,
   tot oprichting besloot van een werkgroep die belast is met de follow-up van de CO2-uitstoot, welke zal zijn samengesteld uit twee leden van het Bureau die in een later stadium van het EMAS-proces zullen worden benoemd,
   zijn goedkeuring hechtte aan het beginsel om alle milieu-initiatieven in EMAS op te nemen en instemde met de noodzaak ervoor te zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar worden gesteld om EMAS te verbeteren;

84.   verlangt dat alle overige vooruitgang ook aan de Commissie begrotingscontrole wordt gemeld;

Meertaligheid

85.   onderstreept het toegenomen belang van de gedragscode inzake meertaligheid voor de parlementaire werkzaamheden van de leden; is verontrust over het feit dat de twee halfjaarlijkse verslagen van het jaar 2006 over de tenuitvoerlegging van de gedragscode tekortkomingen hebben aangetoond bij de doelmatige gebruikmaking van de tolkendienst; stelt vast dat de beschikbare kredieten daarom niet op de meest economische wijze konden worden ingezet en dat de door deze tekortkoming het ernstigst getroffen sectoren die van de commissies en de parlementaire delegaties waren, maar ook de fracties; verzoekt in dat verband, mede rekening houdend met het op 5 september 2006 goedgekeurde verslag over de meertaligheid, aan de secretaris-generaal om tezamen met de gebruikers´een oplossing te zoeken;

Voorlichtings- en communicatiebeleid

86.   herinnert eraan dat de activiteiten in het kader van het voorlichtings- en communicatiebeleid van het Parlement zijn uitgebreid en dat er nieuwe voorlichtingsinstrumenten zijn opgericht, die een belangrijk financieel effect hebben op de begroting voor 2006 (bezoekerscentrum, Web TV, audiovisuele installaties); verzoekt de secretaris-generaal om uiterlijk eind juli 2008 een verslag uit te brengen over de uitvoering van het voorlichtings- en communicatiebeleid, alsmede over de evaluatie daarvan;

Informatietechnologie

87.   onderstreept het belang van de informatietechnologie voor het Europees Parlement in het algemeen, en voor de parlementaire werkzaamheden in het bijzonder; betreurt het dat de aangebrachte verbeteringen hoofdzakelijk de presentatie van de instelling op het Internet en Intranet betreffen, in plaats van de mogelijkheid om de wetgevingsarbeid te vergemakkelijken en efficiënter te maken;

Diversen

88.   verzoekt de secretaris-generaal om aan de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole een kopie voor te leggen van alle verslagen van het Bureau, met inbegrip van de verslagen van de werkgroepen, en van de Conferentie van voorzitters, die een financieel effect hebben;

89.   merkt op dat de zaak van het verschil van 4 136 125 BEF dat in 1982 werd geconstateerd tussen de kas en de bijhorende documenten, in 2007 kon worden opgelost en daarom onderdeel zal uitmaken van de kwijting voor het begrotingsjaar 2007;

Conclusies van de discussies over het ontwerpverslag binnen de Commissie

90.   wijst nogmaals op het belang van begrotingsprioriteiten voor de kwijtingsprocedure en blijft tegelijkertijd van oordeel dat het resultaat van de kwijtingsprocedure essentieel is voor de begrotingsprocedure; toont zich dan ook verheugd over het feit dat in het Verdrag van Lissabon een groter belang wordt gehecht aan nauwe samenwerking tussen de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole;

91.   is verheugd over de vooruitgang die is geboekt met de tenuitvoerlegging van de begrotingsprioriteiten voor 2006; blijft echter streven naar bewerkstelliging van alle prioriteiten;

92.   neemt kennis van het (vertrouwelijke) verslag van de interne financieel controleur over de VPB, waarin de regelingen voor interne controle op dit terrein onder de loep worden genomen en mogelijke verbeteringen worden voorgesteld; benadrukt dat de administratie van het Parlement in alle fasen van het opstellen van het ontwerpverslag openheid heeft betracht en volledig met de rapporteur heeft samengewerkt; benadrukt tevens dat het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) en de Rekenkamer is verzocht het interne auditverslag te bestuderen en gepaste actie te ondernemen in het licht van hun conclusies; betreurt dat er inbreuk is gemaakt op de vertrouwelijkheidsbepalingen in het Reglement van het Parlement en dat er persoonlijke en politieke interpretaties van vertrouwelijke informatie zijn gepubliceerd; is van mening dat deze interpretaties een verkeerde indruk geven van de doelstellingen en conclusies van het verslag;

93.   dringt er bij de bevoegde instanties op aan gepaste maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de goedkeuring ter plenaire vergadering, overeenkomstig Bijlage VII, afdeling A, paragraaf 1, 4e alinea, van het Reglement van het Parlement, van de door het Bureau op 13 november 2006 aangenomen "Regels voor de administratieve behandeling van vertrouwelijke documenten", op tijd plaats vindt voor de kwijtingsprocedure voor het begrotingsjaar 2007;

94.   betreurt dat er geen vooruitgang is geboekt in de onderhandelingen met de Belgische regering over de grond voor de D4/D5-gebouwen en voor de ontwikkeling van deze locatie; dringt er bij de Belgische regering op aan vast te houden aan de politieke beloften die aan het Parlement zijn gedaan.

(1) PB L 78 van 15.3.2006.
(2) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(3) PB C 318 van 29.12.2007.
(4) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(5) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 van de Raad (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(7) PE 349.540/Bur/bijl./def.
(8) PB C 320 E van 15.12.2005, blz.156.
(9) PB C 273 van 15.11.2007, punt 10.6.
(10) PB L 78 van 15.3.2006.
(11) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(12) PB C 318 van 29.12.2007.
(13) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(14) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(15) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 van de Raad (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(16) PE 349.540/Bur/bijl./def.
(17) PB C 320 E van 15.12.2005, blz.156.
(18) PB C 273 van 15.11.2007, punt 10.6.
(19) PB L 177 van 6.7.2007, blz. 3.
(20) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 3.
(21) Besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende goedkeuring van het statuut voor de leden van het Europees Parlement (PB L 262 van 7.10.2005, blz. 1).
(22) Artikel 276, lid 1, van het EG-Verdrag.
(23) PB C 320 E van 15.12.2005, blz. 156.
(24) PB C 318 van 29.12.2007, blz. 3.
(25) PB C 273 van 15.11.2007, punt 10.6.
(26) PB C 273 van 15.11.2007, punt 10.12.
(27) Paragraaf 5 van zijn reeds aangehaalde resolutie van 24 april 2007.
(28) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende een Financieel Reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1). Verordening gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 (PB L 111 van 28.4.2007, blz. 13).
(29) PB L 297 van 15.11.2003, blz. 1.
(30)1. Document PE 113.116/BUR/rev XXIV/03-2007 van 1 maart 2007
(31) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0474, en met name de paragrafen 23 en 24 daarvan.
(32) PB L 177 van 6.7.2007, blz. 3, paragrafen 73 tot en met 79.
(33) PE 388.087/BUR/GT/REV 10.
(34) PB C 320 E van 15.12.2005, blz. 156, paragraaf 19.
(35) PB C 320 E van 15.12.2005, blz. 156, paragraaf 20.
(36) Brief van de secretaris-generaal van 29 oktober 2007 (317124).


Kwijting 2006: algemene begroting EU, Raad
PDF 216kWORD 45k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling II - Raad (C6-0364/2007 – 2007/2039(DEC))
P6_TA(2008)0135A6-0096/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0364/2007)(2),

–   gezien het jaarverslag van de Raad aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(3),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(4),

–   gelet op artikel 272, lid 10 en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0096/2008),

1.   verleent de secretaris-generaal van de Raad kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Raad voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese Investeringsbank en de nationale en regionale auditinstellingen van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling II – Raad (C6-0364/2007 – 2007/2039(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0364/2007)(7),

–   gezien het jaarverslag van de Raad aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(8),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(9),

–   gelet op artikel 272, lid 10 en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0096/2008),

1.   merkt op dat de Raad in 2006 beschikte over vastleggingskredieten met een totale waarde van 626 102 378,31 EUR (2005: 586 182 640,52 EUR), met een benuttingspercentage van 91,79%, wat lager is dan in 2005 (96,69%);

2.   constateert dat de financiële overzichten van de Raad na de invoering van het boekhoudstelsel op transactiebasis op 1 januari 2005 een positief economisch resultaat laten zien van 90 578 934 EUR, en identieke bedragen voor de activa en passiva (498 579 523 EUR);

3.   betreurt dat de Raad in tegenstelling tot andere instellingen geen jaarlijks activiteitenverslag voorlegt aan het Europees Parlement, daarbij verwijzend naar het herenakkoord van 1970 (resolutie vastgelegd in de notulen van de zitting van de Raad van 22 april 1970) en het ontbreken van een overeenkomstige eis in het Financieel Reglement; verzoekt de Raad de beslissing om geen jaarlijks activiteitenverslag te publiceren en voor te leggen, te heroverwegen teneinde transparanter te zijn voor het grote publiek en de belastingbetalers;

4.   wijst op de bevinding van de Rekenkamer, in paragraaf 10.14 van haar voornoemde jaarverslag, dat de Raad een contract voor de verstrekking van telecommunicatiediensten voor vergaderingen van de Europese Raad heeft verlengd en deze verlenging verkeerdelijk heeft gerechtvaardigd verwijzend naar artikel 126, lid 1, letter e), van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement;

5.   sluit zich in deze context aan bij de Rekenkamer die stelt dat een openbare aanbestedingsprocedure moest worden opgestart vóór het verlopen van het contract; toont echter begrip voor de uitzonderlijke omstandigheden waarnaar de Raad verwees in zijn antwoorden, met name dat het secretariaat al haar inspanningen moest concentreren op de ingebruikname van het nieuwe LEX-gebouw; merkt op dat het contract in 2007 verder werd verlengd; is echter verheugd dat een nieuwe aanbestedingsprocedure is opgestart en dat deze vanaf juli 2008 een nieuw contract moet opleveren;

6.   stelt met voldoening vast dat de Raad erin geslaagd is de hoeveelheid niet-opgenomen compensatie van overuren die vóór 31 december 1997 werd toegekend aan personeelsleden van de oude categorieën A en B met tweederde te verminderen; merkt op dat de administratie van de Raad bijkomende aanwijzingen heeft verspreid met als doel de overblijvende hoeveelheid recuperatieverlof voor eind 2009 weg te werken, en moedigt de Raad aan deze zelf opgelegde termijn te eerbiedigen;

7.   is verheugd over het feit dat de nieuwe interne regels voor missies van het secretariaat-generaal van de Raad met betrekking tot verblijfkosten in werking zijn getreden op 1 juni 2007, sneller dan oorspronkelijk werd gepland door de Raad (oktober 2007) in zijn follow-up bij de opmerkingen van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2005;

8.   stelt met voldoening vast dat een task force werd opgericht, die aanbevelingen heeft gedaan om het systeem voor de terugbetaling van de reiskosten van de afgevaardigden van de leden van de Raad te hervormen; steunt de Raad in zijn voornemen grondige controles te blijven uitoefenen op de aangiften van lidstaten, tot het nieuwe systeem met elektronische badges, dat begin 2009 zal worden ingevoerd, naar behoren werkt;

9.   merkt op dat de dienst algemene administratieve kwesties tussen 1 januari 2005 en 1 juli 2007 onder andere de taak heeft gekregen te zorgen voor de coördinatie van en het toezicht op de uitvoering van de aanbevelingen van de interne controleur, waardoor de controleur niet kon instaan voor de follow-up bij zijn eigen aanbevelingen; is verheugd over het feit dat deze verantwoordelijkheid ondertussen terug is gegeven aan de interne controleur;

10.   wijst erop dat het voornoemde herenakkoord met betrekking tot het deel van de begroting dat het Europees Parlement betreft, het volgende bepaalt: "De Raad zegt toe geen amendementen in te dienen op de ramingen van uitgaven van het Europees Parlement. Deze toezegging is uitsluitend bindend voor zover deze uitgavenramingen niet strijdig zijn met de communautaire bepalingen, met name ten aanzien van het Statuut van de ambtenaren en de regelingen die van toepassing zijn op de andere personeelsleden, alsmede ten aanzien van de zetels van de instellingen";

11.   herhaalt dat het herenakkoord mogelijk moet worden herzien, gelet op de leeftijd van het akkoord en de aanzienlijke discrepantie tussen de gebruikte woorden en de betekenis of uitlegging die daaraan wordt gegeven; er is hoe dan ook niets dat verhindert dat de Raad thans net als alle andere instellingen wordt onderworpen aan de normale kwijtingsprocedure;

12.   is dan ook verheugd dat de Raad en de andere organen en instellingen van de Gemeenschap alle akkoord gaan met de beproefde praktijk, dat het Parlement hun secretarissen-generaal kwijting verleent voor de uitvoering van de begroting, maar betreurt nadrukkelijk dat het Financieel Reglement geen enkele verwijzing naar deze procedure behelst, maar alleen bepalingen in verband met de aan de Commissie te verlenen kwijting;

13.   verlangt maximale transparantie op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB); verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat zijn begroting, in overeenstemming met punt 42 van het interinstitutioneel akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(11), geen operationele uitgaven op het gebied van het GBVB bevat;

14.   dringt er bij de Raad op aan post per post de exacte aard van de uitgaven aan te geven binnen titel 3 ("Uitgaven die voor de Raad voortvloeien uit de uitvoering van specifieke taken")(12) van afdeling II van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, om het Parlement in staat te stellen na te gaan of het voornoemde interinstitutionele akkoord wordt gerespecteerd; behoudt zich het recht de nodige stappen te ondernemen wanneer dit akkoord wordt overtreden;

15.   verzoekt de Raad het Parlement ex-post evaluaties van de individuele missies in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid en van de acties van de speciale vertegenwoordigers van de EU te doen toekomen, wiens activiteiten naar verluidt regelmatig worden gecontroleerd en geëvalueerd.

(1) PB L 78 van 15.3.2006.
(2) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(3) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(4) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(6) PB L 78 van 15.3.2006.
(7) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(8) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(9) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(11) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1, gewijzigd bij Besluit 2008/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 6 van 10.1.2008, blz. 7).
(12) PB L 78 van 15.3.2006, blz. I/273.


Kwijting 2006: algemene begroting EU, Hof van Justitie
PDF 216kWORD 46k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling IV - Hof van Justitie (C6-0365/2007 – 2007/2040(DEC))
P6_TA(2008)0136A6-0097/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0365/2007)(2),

–   gezien het jaarverslag van het Hof van Justitie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 en de speciale verslagen van de Rekenkamer, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(3),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(4),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0097/2008),

1.   verleent de griffier van het Hof van Justitie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Hof van Justitie voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling IV – Hof van Justitie (C6-0365/2007 – 2007/2040(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0365/2007)(7),

–   gezien het jaarverslag van het Hof van Justitie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006en de speciale verslagen van de Rekenkamer, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(8),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(9),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0097/2008),

1.   merkt op dat het Hof van Justitie (HvJ) vastleggingskredieten ter beschikking had ten belope van 252 306 372,60 EUR (2005: 232 602 467,74 EUR) met een bestedingspercentage van 94,58%;

2.   merkt op dat de financiële verklaringen van het HvJ na de invoering van de boekhouding op transactiebasis per 1 januari 2005 een negatief economisch resultaat voor het jaar (1 529 933 EUR) laten zien en identieke bedragen (72 187 617 EUR) voor activa en passiva;

3.   merkt met tevredenheid op dat het HvJ in juli 2007 een gedragscode heeft vastgesteld die van toepassing is op de leden en voormalige leden van het Hof van Justitie, van het Gerecht van eerste aanleg en van het Gerecht voor ambtenarenzaken(11), met inbegrip van de verplichting om aan de president van het Hof van Justitie een verklaring betreffende hun financiële belangen over te leggen; dringt er echter nogmaals op aan, om wille van de transparantie, zelfs nu er nog geen wettelijke verplichting bestaat, concrete verklaringen bekend te maken, bijvoorbeeld op de website van het HvJ;

4.   uit zijn tevredenheid over het feit dat er sinds 1 oktober 2007 twee afzonderlijke administratieve eenheden (een interne controle-eenheid en een verificatie-eenheid) zijn ingesteld met twee afzonderlijke hoofden, waardoor er een einde gemaakt is aan de situatie, die in eerdere jaren door zowel de Rekenkamer als het Parlement werd bekritiseerd, waarin het hoofd van de interne controledienst verantwoordelijk was voor de ex-ante verificatie van de verrichtingen van de ordonnateur;

5.   is verheugd over de informatie die verstrekt is in de antwoorden van het HvJ op de vragenlijst van de rapporteur over de precieze aard en inhoud van de aanbevelingen van de interne controles die in 2006 zijn uitgevoerd, inhoudende dat de Intern Controleur van het HvJ vijf specifieke controles had uitgevoerd en aanbevelingen had gedaan aan de betrokken diensten (over organisatie en budgetbewaking van bezoeken, verzekeringscontracten, procedures betreffende minimumnormen voor interne controle, beheer van verhuiskosten en telefoongebruik); benadrukt echter dat deze aanbevelingen volledig ten uitvoer gelegd moeten worden;

6.   geeft ook uiting aan zijn tevredenheid dat na 2005 toen geen ex-ante verificaties werden uitgevoerd, in 2006 de interne controle en de financiële bijstandseenheid ex-post verificaties uitvoerden op drie verschillende soorten uitgaven, namelijk documentatie en bibliotheekuitgaven, voertuigen en telecommunicatie, die de regelmatigheid en de conformiteit van de geverifieerde uitgaven bevestigden;

7.   is verheugd over de vermindering van het aantal onderhandse aanbestedingen op het totaal aantal aanbestedingen van resp. 38% in 2005 naar 34% in 2006 (met een waarde van meer dan 60 000 EUR, naar aanleiding van de wijziging van het uitvoeringsvoorschriften(12) van het Financieel Reglement); dringt er echter op aan dat het HvJ zich nog meer inspant om dit percentage te verminderen;

8.   merkt op dat 2006 het eerste jaar was van gerechtelijke activiteit, in strikte zin, van het nieuwe Gerecht voor ambtenarenzaken dat zijn werkzaamheden startte in december 2005;

9.   merkt op dat het aantal vertaalde bladzijden in 2006 met 24% is gestegen tot 669 668 ten opzichte van 2005, dat het aantal bladzijden dat ter vertaling werd aangeboden stabiel bleef (645 176 in 2005 en 642 113 in 2006) en dat de achterstand ten gevolge van de uitbreiding in 2004 is verkleind dank zij de maatregelen die getroffen zijn door het HvJ;

10.   wijst op de in het Speciaal Verslag nr. 2/2007 van de Rekenkamer over de uitgaven voor gebouwen geuite kritiek dat de onafhankelijke deskundige van wie de benoeming in de kaderovereenkomst voor de uitbreiding van het hoofdgebouw van het HvJ (het 'Palais') was vastgelegd niet is benoemd bij de aanvang van de werkzaamheden en dat de oorspronkelijke kaderovereenkomst slechts algemene beginselen bevatte;

11.   merkt met tevredenheid op dat de onafhankelijke deskundige (KPMG) nu eindelijk benoemd is en zijn werkzaamheden is gestart om toe te zien op de overeenkomst en alle administratieve bescheiden ex post verifieert; hoopt dat de oorspronkelijke begroting zal worden gerespecteerd en moedigt het HvJ aan via de uitvoeringsvoorschriften voor het toezicht nauwlettend toe te zien op alle aspecten van de vordering van het project;

12.   merkt verder met tevredenheid op dat de huurkoopovereenkomst tussen het Groothertogdom Luxemburg en het HvJ nu getekend is en dat deze de nodige bepalingen bevat in aanvulling op de kaderovereenkomst van 2001 en waarin bepaald wordt dat de grond waarop het complex is gesitueerd zal worden verkocht aan het HvJ voor het symbolische bedrag van 1 EUR wanneer het HvJ eigenaar wordt van de gebouwen;

13.   herinnert eraan dat de Rekenkamer in paragraaf 35 van haar Speciaal Verslag nr. 2/2007 over de uitgaven van de instellingen voor gebouwen bij de financiering van het uitbreidingsproject van het Hof van Justitie de volgende kanttekeningen maakte "(...) het Hof van Justitie [was] niet betrokken bij de aanbesteding en de onderhandelingen over de details van de opdracht (waarvan het de clausules en opties niet vooraf fiatteerde), en [is] geen ondertekenaar van de financieringsovereenkomsten, ofschoon zij de financiële kosten (zoals rentevoeten en beheerskosten) voor haar rekening moet nemen. De diensten van het Hof van Justitie onderzochten de door de regering gevolgde procedure voor de gunning van het contract betreffende de financiering van het project en signaleerden dat de mededinging ontoereikend was geweest (...)"; dringt er bij de Commissie op aan het resultaat van de door haar in het antwoord op schriftelijke vraag E-4016/2007 aangekondigde stappen om aanvullende informatie te verkrijgen betreffende eventuele schendingen van aanbestedingsrichtlijnen uiterlijk in juli 2008 voor te leggen;

14.   wijst erop dat het aantal ambtenaren en functionarissen (tijdelijke en hulpfunctionarissen, contractmedewerkers) in 2006 met 4,8% is gestegen tot 1 786;

15.   wijst echter met bezorgdheid op de aanhoudende problemen die het HvJ ondervindt bij de aanwerving van gekwalificeerd personeel dat onder het ambtenarenstatuut valt (voornamelijk tolken en IT-specialisten) op basis van vergelijkende onderzoeken die worden georganiseerd door EPSO);

16.   feliciteert het HvJ met de opneming in zijn activiteitenverslag van een hoofdstuk waarin wordt aangegeven wat er in de loop van het jaar is gedaan met eerdere kwijtingsbesluiten van het Parlement en verslagen van de Rekenkamer; dringt er echter op aan dat dit hoofdstuk, alsmede het verslag over de interne controles dat het HvJ heeft toegezonden aan de kwijtingsautoriteit gedetailleerder worden uitgewerkt.

(1) PB L 78 van 15.3.2006.
(2) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(3) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(4) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(6) PB L 78 van 15.3.2006.
(7) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(8) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(9) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(11) PB C 223 van 22.9.2007, blz. 1.
(12) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 (PB L 111 v an 28.4.2007, blz. 13).


Kwijting 2006: algemene begroting EU, Rekenkamer
PDF 218kWORD 49k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling V - Rekenkamer (C6-0366/2007 – 2007/2041(DEC))
P6_TA(2008)0137A6-0093/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0366/2007)(2),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 en de speciale verslagen van de Rekenkamer, vergezeld van de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(3),

–   gezien het accountantsverslag over de rekeningen van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2006(4),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, conform artikel 248 van het EG-Verdrag(5),

–   gelet op de artikelen 272, lid 10, 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (6), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 and 147 daarvan,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0093/2008),

1.   verleent de secretaris-generaal van de Rekenkamer kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande ontwerpresolutie;

3.   verzoekt zijn voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling V – Rekenkamer (C6-0366/2007 – 2007/2041(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(7),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0366/2007)(8),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 en de speciale verslagen van de Rekenkamer, vergezeld van de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(9),

–   gezien het accountantsverslag over de rekeningen van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2006(10),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, conform artikel 248 van het EG-Verdrag(11),

–   gelet op de artikelen 272, lid 10, 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(12), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 and 147 daarvan,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0093/2008),

1.   merkt op dat de Europese Rekenkamer in 2006 beschikbare vastleggingskredieten had voor een totaalbedrag van 113 596 668,31 EUR (2005: 107 548 618,24 EUR), met een gebruikspercentage van 89%, wat lager is dan het gemiddelde van de andere instellingen;

2.   merkt op dat de jaarrekening van de Europese Rekenkamer, na de invoering van de boekhouding op transactiebasis op 1 januari 2005, een negatief resultaat laat zien voor het begrotingsjaar 2006 (32 000 EUR) en een overschrijding van de activa door het passief van 11 418 000 EUR;

3.   herinnert eraan dat de rekeningen van de Europese Rekenkamer van het begrotingsjaar 2006 (net als voor het begrotingsjaar 2005 het geval was) zijn gecontroleerd door het externe bedrijf KPMG, dat tot de conclusie gekomen is dat: "[...] de jaarrekeningen per 31 december 2006 een getrouw beeld geven van de financiële situatie van de Europese Rekenkamer en van het resultaat van de verrichtingen over het op die datum afgesloten begrotingsjaar, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002, de uitvoeringsvoorschriften daarbij, de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen en de interne regels van de Europese Rekenkamer";

4.   neemt nota van het schriftelijke antwoord van de Europese Rekenkamer op de vragenlijst van de rapporteur met betrekking tot de berekening van de pensioenen van voormalige leden van de Europese Rekenkamer, waaruit blijkt dat de pensioenschuld per 31 december 2006 door de Europese Rekenkamer op haar balans is opgenomen en de garantie door de lidstaten in de toelichtingen bij die balans, maar niet werd opgevoerd als een langetermijnvordering op de lidstaten; merkt voorts op dat pensioenbetalingen door de Europese Rekenkamer aan leden in het begrotingsjaar 2006 2,3 miljoen EUR bedroegen;

5.   herhaalt zijn standpunt dat zowel de toekomstige verplichtingen voor pensioenbetalingen als de langetermijnvordering op de lidstaten – door hun garantie het pensioenstelsel te financieren – in de balans moeten worden opgenomen om een duidelijk beeld te geven van de lopende verplichtingen en de werkelijke auditkosten in de EU, en tevens om de beginselen van de op 1 januari 2005 ingevoerde boekhouding op transactiebasis te weerspiegelen;

6.   merkt op dat het verslag over 2006 van de interne controleur van de Europese Rekenkamer over het algemeen positief was en aangaf dat de kwaliteit van aanbestedingsdossiers en contracten bevredigend was, hoewel "de keuze voor vereenvoudigde of afwijkende procedures beter verantwoord had kunnen worden en de documentatie wat betreft de beoordeling van offertes verbeterd zou moeten worden"; juicht het in deze context toe dat aan alle aanbevelingen van de interne controleur (verbetering van de opleidingen op het gebied van aanbestedingen en opneming van alle contracten in één enkel gegevensbestand) gevolg is gegeven;

7.   constateert met bezorgdheid dat de Europese Rekenkamer, volgens de antwoorden op de vragenlijst van de rapporteur, nog steeds problemen heeft met het werven van vakbekwaam personeel voor verschillende functies via door het EPSO georganiseerde vergelijkende onderzoeken, deels vanwege de hogere levenskosten in Luxemburg en het minder aantrekkelijke salaris op het basisniveau AD5; is echter verheugd over de aanzienlijke daling van het aantal vacatures, van 74 in 2006 tot 56 in 2007, en prijst het plan van de Europese Rekenkamer om het aantal vacatures en hun relatieve aandeel in het organisatieschema in het lopende jaar en in de komende jaren nog verder te beperken;

8.   merkt op dat de Europese Rekenkamer in 2006 vijf nieuwe leden heeft gekregen; spreekt opnieuw zijn hoop uit dat het mogelijk zal zijn om de Europese Rekenkamer vóór de volgende uitbreiding beter te stroomlijnen; verzoekt de Europese Rekenkamer rekening te houden met bestaande modellen teneinde het totale aantal leden te verlagen; herhaalt zijn verzoek om voorstellen te onderzoeken om een roulerend systeem in te voeren dat vergelijkbaar is met het systeem dat wordt toegepast voor de raad van bestuur van de ECB, of een systeem met slechts één auditeur-generaal; verzoekt de Europese Rekenkamer het Parlement op de hoogte te houden van de stappen die naar aanleiding van deze aanbeveling tot 30 september 2008 zullen worden genomen;

9.   merkt op dat de Europese Rekenkamer een nieuw handboek voor performance auditing heeft aangenomen, alsmede een plan om de IT-controle verder te ontwikkelen en de structuur van de auditgroepen aan te passen, teneinde rekening te houden met de impact van op activiteiten gebaseerde budgettering op de accountantscontrole; merkt voorts op dat de Europese Rekenkamer in 2006 een evaluatie van de eigen organisatie heeft uitgevoerd, dat tot een actieplan heeft geleid;

10.   merkt op dat dit actieplan aan een "peer review" wordt onderworpen door een internationaal "peer review"-team; verzoekt de voorzitter van de Europese Rekenkamer verslag te doen van het verloop van deze toetsing en de tenuitvoerlegging van het actieplan;

11.   merkt met betrekking tot de verklaringen van financiële belangen op dat conform de gedragscode van de Rekenkamer de leden aan hun voorzitter een overzicht verschaffen van hun financiële belangen en andere bezittingen (waaronder aandelen, converteerbare obligaties en beleggingscertificaten, grond en onroerend goed, alsmede de beroepsactiviteiten van hun echtgenoten), en dat deze gegevens als vertrouwelijke informatie door de voorzitter worden bewaard en niet openbaar worden gemaakt;

12.   herhaalt zijn standpunt dat de leden van alle EU-instellingen uit principe en in het belang van transparantie ertoe moeten worden verplicht een overzicht van hun financiële belangen in te dienen waarin via een openbaar register op internet inzage kan worden verkregen; betreurt dat de Europese Rekenkamer het Parlement in weerwil van zijn verzoek van vorig jaar niet uiterlijk op 30 september 2007 heeft medegedeeld welke passende maatregelen zij in dit verband zou treffen.

(1) PB L 78 van 15.3.2006.
(2) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(3) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(4) PB C 292 van 5.12.2007, blz.1
(5) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(7) PB L 78 van 15.3.2006.
(8) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(9) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(10) PB C 292 van 5.12.2007, blz. 1.
(11) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(12) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).


Kwijting 2006: algemene begroting EU, Europees Economisch en Sociaal Comité
PDF 215kWORD 46k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling VI - Europees Economisch en Sociaal Comité (C6-0367/2007 – 2007/2042(DEC))
P6_TA(2008)0138A6-0098/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0367/2007)(2),

–   gezien het jaarverslag van het Europees Economisch en Sociaal Comité aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 en de speciale verslagen van de Rekenkamer, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(3),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(4),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0098/2008),

1.   verleent de secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité (C6-0367/2007 – 2007/2042(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0367/2007)(7),

–   gezien het jaarverslag van het Europees Economisch en Sociaal Comité aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 en de speciale verslagen van de Rekenkamer, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(8),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(9),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0098/2008),

1.   merkt op dat het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) in 2006 beschikte over vastleggingskredieten met een totale waarde van 112 389 673,52 EUR (2005: 106 880 105,67 EUR), en dat het bestedingspercentage op 97,01% lag;

2.   constateert dat de financiële overzichten van het EESC voor 2006 na de invoering van de boekhouding op transactiebasis op 1 januari 2005 een negatief economisch resultaat te zien geven (tekort van 2 204 729 EUR) en identieke bedragen (164 448 636 EUR) voor zowel activa als passiva;

3.   is verheugd over de ondertekening in december 2007 van een nieuwe overeenkomst voor administratieve samenwerking tussen het EESC en het Comité van de Regio's (CvdR) voor de periode van 2008 tot 2014; is ervan overtuigd dat samenwerking tussen de twee instellingen financieel gunstig zal zijn voor de Europese belastingbetaler;

4.   is verheugd over de duidelijke toezegging van de twee Comités om te streven naar een harmonisatie van hun interne controlenormen op basis van goede praktijken, en van alle andere relevante financiële procedures in verband met de Gemeenschappelijke diensten;

5.   constateert dat de belangrijkste activiteiten (infrastructuur, IT en telecommunicatie, alsmede vertaling, met inbegrip van de productie van documenten) krachtens de nieuwe overeenkomst binnen het pakket van de Gemeenschappelijke diensten blijven, terwijl een beperkt aantal activiteiten zoals interne diensten, sociaal-medische dienst, bibliotheek en prepress worden ontkoppeld;

6.   dringt er echter op aan dat deze ontkoppeling budgettair neutraal moet zijn, en verzoekt beide Comités derhalve om in het kader van de tussentijdse herziening een gezamenlijke analyse te verrichten om na te gaan of deze verschuiving in de middelen voor beide partijen voordelig is geweest; verzoekt beide Comités het Parlement in kennis te stellen van minisamenwerkingsovereenkomsten met betrekking tot ontkoppelde diensten;

7.   verwijst naar de opmerking van de Europese Rekenkamer in paragraaf 10.19 van het bovengenoemde jaarverslag, dat een aantal tekortkomingen in beheer en controle met betrekking tot openbare aanbestedingen aan het licht heeft gebracht; constateert met bezorgdheid dat de contracten die werden gegund na een onderhandelingsprocedure en niet na een uitnodiging tot inschrijving een hoog percentage van de totale uitgaven voor het plaatsen van opdrachten uitmaken; toont zich echter verheugd over de informatie van de Gemeenschappelijke diensten dat voor de meeste diensten in verband met de gebouwen, waarvoor de contracten voordien na onderhandelingen werden gesloten, ofwel na uitnodigingen tot inschrijving nieuwe contracten zijn gesloten, ofwel openbare inschrijvingsprocedures lopen;

8.   verwelkomt in dit verband de oprichting binnen de Gemeenschappelijke diensten van een Eenheid contracten die alle operationele diensten bijstand zal verlenen op het gebied van openbare aanbestedingen; merkt op dat de verificatiedienst van de Gemeenschappelijke diensten krachtens de nieuwe overeenkomst is overgeheveld naar de eigen diensten van elk Comité;

9.   constateert dat, volgens de antwoorden van de Gemeenschappelijke diensten op de vragenlijst van de rapporteur, ingevolge de ingebruikname van het Remorqueur- en het Van Maerlantgebouw in 2007 momenteel 92% van de kantoorruimte van het Comité is bezet, en dat aan de behoeften aan kantoorruimte voor de volgende jaren is voldaan;

10.   constateert in verband met de renovatie van de inkomhal van het Montoyergebouw dat de intern controleur van het EESC in zijn verslag heeft verklaard geen elementen te zien die erop wijzen dat de verrekening van de boetes voor de laattijdige oplevering van de renovatie van de hal niet verdedigbaar was; wijst erop dat dit verslag werd doorgezonden naar OLAF en dat het niet heeft geleid tot stappen ten aanzien van het EESC of het CvdR;

11.   merkt op dat het EESC in zijn jaarlijks activiteitenverslag het aantal in 2006 uitgevoerde ex post controles ontoereikend vond; constateert met tevredenheid dat het EESC stappen heeft ondernomen om verbetering in deze situatie te brengen, onder meer door de personeelssterkte te stabiliseren, de interoperabiliteit van verificateurs te verbeteren, enz.;

12.   acht het van fundamenteel belang dat de controles die bijvoorbeeld door ordonnateurs, verificateurs en controleurs worden uitgevoerd, strikt genoeg zijn; onderstreept in deze context het belang van een toereikend aantal steekproefsgewijze controles in alle sectoren, in aanvulling op de controles in de weinige strategische sectoren die een hoger risico inhouden;

13.   neemt in dit verband met voldoening kennis van de persoonlijke toezegging van de secretaris-generaal van het EESC aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, dat redelijke garanties en waarborgen worden geboden ten aanzien van de efficiëntie en regelmatigheid van ex ante en ex post controles;

14.   toont zich verheugd over de oprichting van een controlecommissie bestaande uit drie leden van het EESC, bijgestaan door een extern controleur, die verslag uitbrengt bij de president van het EESC en onder meer tot taak heeft de onafhankelijkheid van de Interne controledienst na te gaan en maatregelen die naar aanleiding van aanbevelingen in de controleverslagen zijn genomen, te evalueren;

15.   stelt met spijt vast dat de hoorzitting voor de rechtbank naar aanleiding van de Belgische strafzaak tegen een voormalig lid van het EESC met betrekking tot reiskosten (waarnaar wordt verwezen in paragraaf 4 van de resolutie van het Parlement over het verlenen van kwijting van 27 april 2006(11)), vijf keer is uitgesteld, waarvan drie keer op verzoek van de verdediging; stelt met tevredenheid vast dat de administratieve diensten van het EESC schriftelijke bewijsstukken hebben voorgelegd waaruit blijkt dat het EESC dit uitstel niet heeft aangemoedigd;

16.   stelt met tevredenheid vast dat op 10 oktober 2007 een algemene herziening van de voorschriften voor de vergoeding van reis- en vergaderkosten van EESC-leden is goedgekeurd, met het doel de desbetreffende procedures te verbeteren en te vereenvoudigen, en tegelijkertijd transparantie en gelijke behandeling van de leden te verzekeren, en waarbij rekening is gehouden met recente technologische ontwikkelingen (zoals e-tickets, online-hotelreserveringen en videoconferentie).

(1) PB L 78 van 15.3.2006.
(2) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(3) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(4) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(6) PB L 78 van 15.3.2006.
(7) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(8) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(9) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(11) PB C 296 E van 6.12.2006, blz. 171.


Kwijting 2006: algemene begroting EU, Comité van de Regio's
PDF 218kWORD 49k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling VII - Comité van de Regio's (C6-0368/2007 – 2007/2043(DEC))
P6_TA(2008)0139A6-0095/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0368/2007)(2),

–   gezien het jaarverslag van het Comité van de regio's aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(3),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(4),

–   gelet op artikel 272, lid 10 en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0095/2008),

1.   verleent de secretaris-generaal van het Comité van de Regio's kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Comité van de Regio's voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling VII – Comité van de Regio's (C6-0368/2007 – 2007/2043(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0368/2007)(7),

–   gezien het jaarverslag van het Comité van de Regio's aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(8),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(9),

–   gelet op artikel 272, lid 10 en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0095/2008),

1.   merkt op dat het CvdR in 2006 beschikte over vastleggingskredieten met een totale waarde van 74 391 953,27 EUR (2005:69 570 456,32 EUR), met een bestedingspercentage van 97,94%;

2.   constateert dat de jaarrekening van het CvdR na de invoering van een boekhouding op transactiebasis op 1 januari 2005 een negatief economisch resultaat laat zien voor het begrotingsjaar 2006 (8 306 761 EUR), en identieke bedragen voor activa en passiva (101 124 165 EUR);

3.   is verheugd over de ondertekening in december 2007 van een nieuwe overeenkomst voor administratieve samenwerking tussen het EESC en het CvdR voor de periode van 2008 tot 2014; is ervan overtuigd dat samenwerking tussen de twee instellingen financieel gunstig zal zijn voor de Europese belastingbetaler;

4.   is verheugd over de duidelijke inzet van de twee Comités voor een harmonisatie van hun interne controlenormen op basis van goede praktijkvoorbeelden, en van alle andere relevante financiële procedures in verband met de Gemeenschappelijke diensten;

5.   constateert dat de belangrijkste activiteiten (infrastructuur, IT en telecommunicatie, alsmede vertaling, met inbegrip van de productie van documenten) krachtens de nieuwe overeenkomst binnen het pakket van de Gemeenschappelijke diensten blijven, terwijl een beperkt aantal activiteiten zoals interne diensten, sociaal-medische dienst, bibliotheek en prepress worden ontkoppeld;

6.   dringt er echter op aan dat deze ontkoppeling budgettair neutraal moet zijn, en verzoekt beide Comités derhalve om in het kader van de tussentijdse herziening een gezamenlijke evaluatie te verrichten om na te gaan of deze verschuiving in de middelen voor beide partijen voordelig is geweest; verzoekt beide Comités het Parlement in kennis te stellen van minisamenwerkingsovereenkomsten met betrekking tot ontkoppelde diensten;

7.   verwijst naar de opmerking van de Europese Rekenkamer in paragraaf 10.19 van het bovengenoemde jaarverslag, dat een aantal tekortkomingen in beheer en controle met betrekking tot openbare aanbestedingen aan het licht heeft gebracht; constateert met bezorgdheid dat de uitgaven voor contracten die zijn gesloten na een onderhandelingsprocedure, in plaats van een uitnodiging tot inschrijving, een hoog percentage van de totale uitgaven voor het plaatsen van opdrachten uitmaken; toont zich echter verheugd over de informatie van de Gemeenschappelijke diensten dat voor de meeste diensten in verband met de gebouwen, waarvoor de contracten voordien na onderhandelingen werden gesloten, nu ofwel nieuwe contracten zijn gesloten na openbare aanbestedingen, ofwel openbare aanbestedingen lopen;

8.   verwelkomt in dit verband de oprichting binnen de Gemeenschappelijke diensten van een Eenheid contracten die alle operationele diensten zal assisteren op het gebied van openbare aanbestedingen; merkt op dat de controledienst van de Gemeenschappelijke diensten krachtens de nieuwe overeenkomst is overgeheveld naar de eigen diensten van elk Comité;

9.   constateert dat, volgens de antwoorden van de Gemeenschappelijke diensten op de vragenlijst van de rapporteur, ingevolge de ingebruikname van het Remorqueur- en het Van Maerlant-gebouw in 2007 momenteel 92% van de kantoorruimte van het Comité is bezet, en dat aan de behoeften aan kantoorruimte voor de volgende jaren is voldaan;

10.   constateert in verband met de renovatie van de hal van het Montoyer-gebouw dat de intern controleur van het EESC in zijn verslag heeft verklaard geen elementen te zien die suggereren dat de regeling inzake de boetes voor laattijdige oplevering van de renovatie niet te rechtvaardigen was; wijst erop dat dit verslag is doorgezonden naar OLAF en dat het niet heeft geresulteerd in enige follow-up waarvan het EESC of het CvdR op de hoogte zijn;

11.   merkt op dat de controledienst in 2006 van de Eenheid Begroting en Financiën is overgeheveld naar de Eenheid Algemene administratie, om het principe van de scheiding van functies en de onafhankelijkheid van die dienst te versterken; merkt voorts op dat het CvdR meent dat het in 2006 een voldoende aantal ex post controles heeft uitgevoerd en dat het al zijn diensten heeft gevraagd 5% van alle dossiers in 2007 te controleren; is ingenomen met het feit dat het CvdR zijn middelen en capaciteit in de dienst voor financiële controle aanzienlijk heeft uitgebreid;

12.   acht het van fundamenteel belang dat de controles die bijvoorbeeld door ordonnateurs, verificateurs en controleurs worden uitgevoerd, strikt genoeg zijn; onderstreept in deze context het belang van een toereikend aantal steekproefsgewijze controles in alle sectoren, in aanvulling op de controles in de enkele strategische sectoren die een hoger risico inhouden;

13.   verwijst naar de opmerking van de Europese Rekenkamer in paragraaf 10.23 van het bovengenoemde jaarverslag dat in de context van een verificatie achteraf de administratie van het Comité heeft geconstateerd dat in het geval van een nationale delegatie de bedragen die zijn terugbetaald aan de leden voor reiskosten (vliegtickets) op basis van met de hand geschreven facturen van het reisbureau gemiddeld 83% hoger lagen dan de prijs die de luchtvaartmaatschappij in werkelijkheid heeft gerekend voor het gebruikte ticket;

14.   merkt op dat naar aanleiding hiervan de administratieve diensten van het Comité een diepgaand onderzoek hebben verricht, dat is afgerond in juli 2007, en waarvan de uitkomsten naar het oordeel van de Rekenkamer niet erop duiden dat de betaalde bedragen voor administratiekosten gerechtvaardigd waren;

15.   merkt met voldoening op dat het CvdR heeft besloten om verdere vergoedingen aan een aantal voorwaarden te binden en alle vergoedingen op basis van reisdocumenten die volgens vroegere regelingen waren gekocht op te schorten; is verheugd over het feit dat het CvdR bij wijze van voorzorgsmaatregel ook OLAF in kennis heeft gesteld van de ontwikkeling van de verificaties achteraf en de maatregelen die de administratie van het CvdR heeft genomen;

16.   merkt op dat de interne audit over de salarisovermakingen, die in 2006 is afgerond en die een grondige evaluatie van alle bestaande overmakingen inhield, heeft onthuld dat er zwakke plekken waren met betrekking tot het principe van de scheiding van functies op dit gebied (initiërende functies en interne verificatie) en dat het controlesysteem een grotere prioriteit had moeten krijgen gezien de betrokken risico's; merkt voorts op dat een follow-up van de aanbevelingen van de intern controleur in februari 2007 is uitgevoerd; dringt er bij de administratie van het CvdR op aan alle auditaanbevelingen onverkort uit te voeren;

17.   merkt op dat OLAF op grond van een onderzoek met betrekking tot acht overmakingen heeft vastgesteld dat deze niet voldoen aam statutaire voorwaarden en heeft aanbevolen de teveel uitbetaalde bedragen terug te vorderen van de betrokken ambtenaren; merkt met voldoening op dat alle terugvorderingen begin 2007 zijn afgehandeld; merkt voorts op dat OLAF ingeval van zes personeelsleden heeft aanbevolen een tuchtprocedure te openen, en voor vijf personeelsleden tevens dossiers aan de Belgische autoriteiten heeft overhandigd;

18.   merkt op dat het tot aanstelling bevoegde gezag van het CvdR na een verzoek van de Belgische autoriteiten op 6 juli 2007 de immuniteit van de betrokken ambtenaren heeft opgeheven zodat zij ondervraagd kunnen worden door de autoriteiten; merkt voorts op dat de administratie van het CvdR tot dusver geen informatie heeft ontvangen over de vraag of de Belgische autoriteiten stappen zullen ondernemen inzake deze dossiers;

19.   merkt met voldoening op dat een administratief onderzoek is gestart door de secretaris-generaal van het CvdR en uitgevoerd door een voormalig adjunct directeur-generaal van de Commissie; wijst erop dat het tot aanstelling bevoegde gezag van het CvdR in twee van de vijf gevallen waarin de dossiers zijn overgedragen aan de autoriteiten, heeft besloten een tuchtprocedure aan te spannen voor de tuchtraad; begrijpt dat overeenkomstig het Statuut in deze gevallen pas een definitief besluit kan worden genomen na een definitief arrest van het Belgische gerecht;

20.   merkt op dat het tot aanstelling bevoegde gezag in de drie andere gevallen zijn besluit over de opening van een tuchtprocedure zal nemen zodra het de noodzakelijk informatie heeft ontvangen over het gevolg dat de Belgische autoriteiten willen geven aan deze dossiers; merkt voorts op dat in een ander geval, waarin OLAF het dossier niet heeft overgedragen aan de Belgische autoriteiten, het tot aanstelling bevoegde gezag heeft besloten, overeenkomstig de aanbevelingen van het administratief onderzoek, de betreffende ambtenaren een waarschuwing te geven; dringt nogmaals aan op strikte vervolging in alle gevallen waarin een frauduleuze handelwijze kan worden bewezen;

21.   vraagt het CvdR evenredige tuchtmaatregelen te overwegen indien de uitkomst van de gevallen voor het bevoegde gerecht dit verlangt;

22.   merkt met voldoening op dat er geen specifieke problemen meer zijn in het CvdR met betrekking tot personeelswerving en dat het comité nagenoeg zijn volledige quota, als overeengekomen met de andere instellingen, heeft vervuld.

(1) PB L 78 van 15.3.2006.
(2) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(3) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(4) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(6) PB L 78 van 15.3.2006.
(7) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(8) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(9) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).


Kwijting 2006: algemene begroting EU, Europese Ombudsman
PDF 211kWORD 43k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling VIII - Europese Ombudsman (C6-0369/2007 – 2007/2036(DEC))
P6_TA(2008)0140A6-0092/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0369/2007)(2),

–   gezien het jaarverslag van de Europese Ombudsman aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 en de speciale verslagen van de Rekenkamer, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(3),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(4),

–   gelet op artikel 272, lid 10 en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0092/2008),

1.   verleent de Europese Ombudsman kwijting voor de uitvoering van diens begroting voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling VIII – Europese Ombudsman (C6-0369/2007 – 2007/2036(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0369/2007)(7),

–   gezien het jaarverslag van de Europese Ombudsman aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 en de speciale verslagen van de Rekenkamer, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(8),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(9),

–   gelet op artikel 272, lid 10 en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0092/2008),

1.   stelt vast dat de Europese Ombudsman (de Ombudsman) in 2006 kon beschikken over vastleggingskredieten ten bedrage van in totaal 7 682 538 EUR (2005: 7 224 554 EUR), waarvan 88,13% is besteed, een percentage dat lager is dan het gemiddelde van de andere instellingen;

2.   stelt vast dat de jaarrekening van de Ombudsman over 2006 een negatief economisch resultaat voor het jaar laat zien (1 214 375 EUR) en identieke totaalbedragen voor activa en passiva (2 308 799 EUR);

3.   stelt vast dat in de periode 2003 tot 2006 de vastleggingskredieten geleidelijk zijn verhoogd van 4 438 653 EUR tot 7 682 538 EUR (+73%) en dat het aantal posten is gestegen van 31 tot 57 (+84%), terwijl het aantal klachten is toegenomen van 2436 tot 3830 (+57%) en het aantal nieuwe onderzoeken dat is geopend van 253 tot 258 (+2%);

4.   wijst erop dat de Europese Rekenkamer in haar jaarverslag opmerkt dat de controle ten aanzien van de Ombudsman geen aanleiding gaf tot opmerkingen van materieel belang;

5.   wijst erop dat het bureau van de Ombudsman vanaf januari 2006 volledig aansprakelijk is voor zijn personeelsbeleid; merkt in dit verband op dat volgens het rapport van de intern auditeur aan de instelling nr. 06/04 de audit die is verricht om de doelmatigheid te bepalen van de bestuurs- en controleprocedures voor het vaststellen van de individuele rechten van het personeel "geen enkel gebied met grote risico's bij de bestuurs- en controleprocedures heeft vastgesteld, maar wel bevestigt dat de instelling een aantal specifieke kwesties moet aanpakken";

6.   wijst op de informatie die de gedelegeerd hoofdordonnateur in zijn activiteitenoverzicht over 2006 heeft gegeven, waaruit blijkt dat de diensten van de Ombudsman begin 2007 opnieuw zelf hebben onderzocht hoe efficiënt hun interne controlekader is en dat het algemene beeld dat hieruit naar voren kwam een over de hele linie bevredigend uitvoeringsniveau van de interne controlenormen toont (85% tegen 76% in 2004); wijst er verder op dat op bepaalde gebieden de effectiviteit wel verbeterd moet worden (identificatie van gevoelige functies); moedigt de Ombudsman aan alles in het werk te stellen om de efficiëntie van het interne controlekader van zijn instelling verder te verbeteren;

7.   stelt met voldoening vast dat in 2005 is onderhandeld over een nieuwe kaderovereenkomst van onbeperkte duur inzake samenwerking tussen de Ombudsman en het Europees Parlement bij de levering van bepaalde administratieve diensten zoals kantoorruimte, IT, communicatie, rechtsbijstand, medische diensten, opleiding, vertaling en vertolking, dat deze overeenkomst in maart 2006 is ondertekend en op 1 april 2006 in werking is getreden; stelt verder vast dat de Ombudsman de nieuwe overeenkomst volkomen bevredigend noemt;

8.   stelt met voldoening vast dat op 1 augustus 2006 de eerste secretaris-generaal van de Ombudsman is benoemd;

9.   leest met bezorgdheid in het jaarverslag van de Ombudsman dat zijn instelling in 2006 problemen ondervond bij de aanwerving van personeel, met name van gekwalificeerde juristen, en wel als gevolg van twee uitbreidingsgolven na elkaar (afronding van de aanwerving in de landen die in 2004 zijn toegetreden en voorbereiding van de aanwerving voor 2007), personeelsverloop en de moeite die het kostte om in Straatsburg personeel op een tijdelijk contract aan te trekken en te behouden; merkt op dat de Ombudsman verwacht in de komende jaren minder moeite met de aanwerving van personeel te zullen hebben;

10.   verwelkomt de aanneming door de Ombudsman op 14 december 2007 van een besluit inzake de jaarlijkse opgave van de financiële belangen van de Ombudsman; stelt met voldoening vast dat deze verklaring is gepubliceerd op de website van de Ombudsman;

11.   begroet de bereidheid van de Ombudsman om toe te treden tot het interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)(11) met het oog op de toepassing van de regeling die in ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1073/1999(12); stelt met voldoening vast dat de Ombudsman OLAF bij schrijven van 9 januari 2008 heeft verzocht zijn mening te geven over de zinnigheid van een mogelijke toetreding van de Ombudsman tot dit akkoord en de wijze waarop dit kan gebeuren.

(1) PB L 78 van 15.3.2006.
(2) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(3) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(4) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(6) PB L 78 van 15.3.2006.
(7) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(8) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(9) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(11) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.
(12) Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1).


Kwijting 2006: algemene begroting EU, Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
PDF 209kWORD 41k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006n, afdeling IX - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (C6-0370/2007 – 2007/2044(DEC))
P6_TA(2008)0141A6-0094/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0370/2007)(2),

–   gezien het jaarverslag van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 en de speciale verslagen van de Rekenkamer, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(3),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(4),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0094/2008),

1.   verleent de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming kwijting voor de uitvoering van diens begroting voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (C6-0370/2007 – 2007/2044(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2006 – Deel I (C6-0370/2007)(7),

–   gezien het jaarverslag van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming aan de kwijtingsautoriteit over de in 2006 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 en de speciale verslagen van de Rekenkamer, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(8),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(9),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10), en met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0094/2008),

1.   stelt vast dat de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming (ETGB) in 2006 beschikte over vastleggingskredieten met een totale waarde van 4 138 278 EUR (2005: 2 840 733 EUR), en dat het bestedingspercentage op 93,3% lag;

2.   merkt op dat de interne controle van de ETGB door de Europese Rekenkamer geen aanleiding heeft gegeven tot significante opmerkingen; constateert dat de financiële overzichten van de ETGB voor 2006 na de invoering van het boekhoudstelsel op transactiebasis op 1 januari 2005 een negatief economisch jaarresultaat te zien geven (1 402 513 EUR) en identieke bedragen voor activa en passiva (23 517 EUR);

3.   merkt op dat de overeenkomst voor administratieve samenwerking die de secretarissen-generaal van de Commissie, het Parlement en de Raad samen met de ETGB hadden ondertekend, op 7 december 2006 is verlengd voor een bijkomende periode van drie jaar, ingaande op 16 januari 2007;

4.   merkt op dat de administratieve afhandeling van alle missies van de ETGB op grond van de bovengenoemde samenwerkingsovereenkomst wordt verricht door het Uitbetalingsbureau van de Commissie en dat dezelfde interne voorschriften van toepassing zijn op de vergoeding van verblijfkosten tijdens dienstreizen van de twee categorieën bij de ETGB, namelijk de twee leden en het personeel;

5.   constateert met tevredenheid dat de procedures voor ex post controle en voor het uitbrengen van de definitieve adviezen door de ETGB goed vorderen en dat de voor het voorjaar van 2007 door de ETGB vastgestelde termijn de instellingen en andere instanties ertoe heeft aangezet een grotere inspanning te leveren om aan hun kennisgevingsverplichting te voldoen;

6.   merkt op dat de ETGB bij besluit van 7 november 2006 heeft besloten een interne controlestructuur op te zetten die past bij zijn activiteiten en behoeften;

7.   is verheugd over de jaarlijkse publicatie door de ETGB en de adjunct-toezichthouder van een verklaring met betrekking tot hun financiële belangen, in een vergelijkbare vorm als jaarlijks wordt gedaan door de leden van het Europees Parlement, met relevante informatie over onder meer aan te geven professionele activiteiten en betaalde posten of activiteiten;

8.   feliciteert de ETGB met zijn besluit van 12 september 2007 om toe te treden tot het Interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF)(11), met het oog op de toepassing van Verordening (EG) nr. 1073/1999(12).

(1) PB L 78 van 15.3.2006.
(2) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(3) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(4) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(6) PB L 78 van 15.3.2006.
(7) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 1.
(8) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(9) PB C 274 van 15.11.2007, blz. 130.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(11) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.
(12) Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1).


Kwijting 2006: Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden
PDF 242kWORD 76k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0372/2007 – 2007/2047(DEC))
P6_TA(2008)0142A6-0111/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de Stichting(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EEG) nr. 1365/75 van de Raad van 26 mei 1975 betreffende de oprichting van een Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden(4), en met name artikel 16,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5) van de Raad, en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0111/2008),

1.   verleent de directeur van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Stichting voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel vormt, te doen toekomen aan de directeur van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0372/2007 – 2007/2047(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de Stichting(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EEG) nr. 1365/75 van de Raad van 26 mei 1975 betreffende de oprichting van een Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden(9), en met name artikel 16,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10) van de Raad, en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0111/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden , zoals deze bij het verslag van de Rekenkamer is gevoegd;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0372/2007 – 2007/2047(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de Stichting(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EEG) nr. 1365/75 van de Raad van 26 mei 1975 betreffende de oprichting van een Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden(14), en met name artikel 16,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15) van de Raad, en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0111/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement op 24 april 2007 de directeur van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van de Stichting voor het begrotingsjaar 2005(16) en in zijn resolutie waarvan deze kwijting vergezeld ging onder andere

   de Stichting verzocht heeft meer aandacht te besteden aan de overdracht van kredieten in 2005 voor aangegane verplichtingen voor administratieve uitgaven (titel II) en beleidsactiviteiten (titel III), die op een hoog niveau van respectievelijk 37% en 44% is gebleven;
   de Stichting verzocht heeft een werkprogramma te presenteren waarin haar bijdrage in operationele en meetbare termen wordt uitgedrukt;
   zijn bezorgdheid uitgesproken heeft over het feit dat er in 2005 geen alomvattend document is gepresenteerd met een analyse van de risico's die voortvloeien uit de financiële en operationele aspecten van de activiteiten van de Stichting, alsmede over het feit dat er geen validatie heeft plaatsgevonden van de procedures die door de ordonnateurs zijn ingevoerd om de nauwkeurigheid en volledigheid te waarborgen van de financiële gegevens die de Stichting aan de rekenplichtige heeft gezonden, behalve wat de informatica-aspecten betreft;

Algemene punten, die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer worden gecontroleerd in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de hoogste begroting is die van het Europees Bureau voor wederopbouw met 271 miljoen EUR en de laagste die van de Europese Politieacademie (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   wijst erop dat de reeks externe EU-organen die worden onderworpen aan audit en kwijting thans niet alleen meer de traditionele regelgevende agentschappen maar ook uitvoerende agentschappen omvatten die zijn opgericht om specifieke programma's ten uitvoer te leggen, en dat deze reeks in de nabije toekomst nog zal worden uitgebreid tot gezamenlijke ondernemingen die zijn opgezet als partnerschappen tussen de particuliere en de overheidssector (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingsprocedure te log is geworden en niet meer in verhouding staat tot de relatieve omvang van de begrotingen van de agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met als doel een eenvoudiger en rationeler aanpak uit te werken, rekening houdend met het feit dat het aantal organen waarvoor in de toekomst een afzonderlijk kwijtingsverslag zal moeten worden opgesteld, almaar toeneemt;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie duidelijke uitleg te verschaffen over de volgende punten, alvorens zij overgaat tot de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne beheersstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en belanghebbenden van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   verlangt dat voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door het agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten, moet omvatten;

7.   dringt erop aan dat de resultaten die de agentschappen boeken regelmatig (en op ad hoc-basis) door de Europese Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie worden gecontroleerd; is van oordeel dat deze controle zich niet moet beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiency en de doelmatigheid moet omvatten, alsmede een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd zijn omdat ze zich niet aan de regels inzake overheidsopdrachten, het Financieel Reglement, het Statuut enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze regelgevingsvereisten te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing hiervoor te zoeken om de efficiency te vergroten door bundeling van de administratieve taken van verscheidene agentschappen, zodat deze minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen), zodat ze aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorontwerp van begroting rekening houdt met de resultaten van de begrotingsuitvoering van de individuele agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie deze aanpassing in acht te nemen en, mocht de Commissie de begroting niet hebben aangepast, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat afgestemd is op de absorptie- en uitvoeringscapaciteit van het agentschap in kwestie;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2005, waarin het de Commissie heeft verzocht om de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te presenteren; verzoekt alle verantwoordelijke instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2007 ten minste vijf dergelijke evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden geïmplementeerd en dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen in het algemene Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling voor de agentschappen en hun specifieke financiële regelingen;

Presentatie van de rapporteringsgegevens

13.   merkt op dat er geen standaardaanpak onder de agentschappen bestaat ten aanzien van de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende financiële jaar, en van hun rekeningen en hun verslagen over hun budgettair en financieel beheer, noch ten aanzien van de vraag of de betrouwbaarheidsverklaring moet worden opgesteld door de directeur van het agentschap; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

14.   merkt op dat de permanente instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet verlangen dat een agentschap een betrouwbaarheidsverklaring opstelt, maar dat vele directeuren dat voor 2006 hebben gedaan, waarbij er in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

15.   herinnert aan paragraaf 23 van zijn resolutie van 12 april 2005(17), waarin het de directeuren van de agentschappen verzoekt om met ingang van heden hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van werkzaamheden, analoog aan de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

16.   verzoekt de Commissie haar permanente instructies aan de agentschappen dienovereenkomstig te amenderen;

17.   stelt bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen moet werken aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen:

   een jaarverslag bestemd voor een ruim publiek over de operaties, werkzaamheden en bereikte resultaten van het orgaan;
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting;
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie;
   een door de directeur van het orgaan ondertekende betrouwbaarheidsverklaring, evenals eventuele voorbehouden en opmerkingen die hij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit wenst te brengen;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

18.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (jaarverslag, punt 10.29(18)) dat de door de Commissie uit de communautaire begroting betaalde subsidies niet gebaseerd zijn op toereikend gemotiveerde ramingen van de kasbehoeften van de agentschappen en dat dit er in combinatie met de omvang van de uit vorige jaren overgedragen bedragen toe leidt dat zij aanzienlijke bedragen in kas hebben; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

19.   merkt op dat 14 agentschappen het ABAC-boekhoudsysteem eind 2006 nog moesten invoeren (jaarverslag, voetnoot bij punt 10.31);

20.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, punt 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet opgenomen verlof die bij sommige agentschappen werden geregistreerd; wijst erop dat de Rekenkamer haar betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen (namelijk het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (CEDEFOP), de CEPOL en het Europees Spoorwegbureau) van kanttekeningen heeft voorzien met betrekking tot het begrotingsjaar 2006 (voor 2005 was dat het geval bij: het CEDEFOP, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

21.   herinnert eraan dat de interne controleur van de Commissie krachtens artikel 185, lid 3 van het Financieel Reglement ook als intern controleur fungeert voor de regelgevende agentschappen die uit de EU-begroting worden gefinancierd; wijst erop dat de interne controleur verslag uitbrengt aan de raad van beheer en de directeur van elk agentschap;

22.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van de interne controleur voor 2006:"

De interne financiële controleur van de Commissie is niet in staat te voldoen aan de verplichting die hem krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem hiervoor aan de nodige personele middelen ontbreekt.

"

23.   neemt evenwel nota van de opmerking van de interne controleur in zijn activiteitenverslag voor 2006 dat, nu de Commissie de Dienst interne audit (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld, alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis zullen worden onderworpen aan een interne audit;

24.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gezamenlijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS gecontroleerd moeten worden, almaar toeneemt; verzoekt de Commissie de bevoegde commissie van het Parlement te laten weten of de IAS over voldoende personeel beschikt om al deze organen de komende jaren aan een jaarlijkse audit te kunnen onderwerpen;

25.   merkt op dat artikel 72, lid 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de interne financiële controleur zijn verricht, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen aan te geven of dit gebeurd is en zo ja, op welke wijze;

26.   vestigt, wat betreft de capaciteit voor een interne audit, vooral in het geval van kleinere agentschappen, de aandacht op het voorstel dat de interne financiële controleur op 14 september 2006 heeft gedaan voor de bevoegde commissie van het Parlement, kleinere agentschappen toestemming te verlenen interne auditdiensten te kopen bij de particuliere sector;

Beoordeling van de agentschappen

27.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring waarover Parlement, Raad en Commissie(19) het bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 eens zijn geworden en waarin een oproep wordt gedaan tot het opstellen van i) een lijst van de agentschappen die de Commissie wil beoordelen en ii) een lijst van de agentschappen die reeds zijn beoordeeld, met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

28.   wijst erop dat bepaalde agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om ad hoc tuchtcommissies samen te stellen bestaande uit personeel met een passende rang en dat het Bureau voor onderzoek en disciplinaire maatregelen van de Commissie (IDOC) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen zich te beraden over de oprichting van een gemeenschappelijke tuchtraad tussen de agentschappen;

Ontwerp van interinstitutioneel akkoord

29.   herinnert aan het voorstel van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit voorstel een nuttig initiatief vormt in het streven naar een rationalisering van de oprichting en het beheer van agentschappen; vestigt de aandacht op de verklaring in het samenvattend verslag van de Commissie over 2006 (punt 3.1, COM(2007)0274) dat na de publicatie van het voorstel verdere vooruitgang bij de onderhandelingen weliswaar voor enige tijd geblokkeerd raakte, maar dat de inhoudelijke discussie eind 2006 door de Raad werd hervat; betreurt dat het niet mogelijk is gebleken de aanneming daarvan een stap dichterbij te brengen;

30.   is dan ook ingenomen met de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling zal voorleggen over de toekomst van de regelgevende agentschappen;

Agentschappen met eigen financiering

31.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

32.   merkt op dat voor het begrotingsjaar 2006 de Rekenkamer opnieuw hoge overdrachtspercentages heeft geconstateerd (43% voor huishoudelijke uitgaven (titel II) en 45% voor beleidsuitgaven (titel III));

33.   wijst erop dat de Rekenkamer weliswaar verklaard heeft dat de Stichting in het begrotingsjaar 2006 op alle essentiële punten heeft voldaan aan de voorschriften wat betreft betrouwbaarheid, maar dat er sprake was van een aantal tekortkomingen, met name wat betreft de regel van de jaarperiodiciteit van de begroting, de gunning van twee contracten, de budgettering in 2006 van in 2007 volledig te betalen bedragen en de niet-inachtneming van de criteria voor de selectie van ambtenaren, waardoor het vermoeden ontstaat dat transparantie en non-discriminatie tijdens de procedures niet werden gewaarborgd;

34.   merkt op dat de Rekenkamer kritiek uit op het feit dat de selectiecriteria van de indienstnemingprocedures niet vooraf werden vastgesteld door selectiecomités, noch werden gedefinieerd conform de kennisgeving van vacature, en dat de Stichting heeft geantwoord dat alle kennisgevingen van vacatures thans duidelijk aangeven of het slagen bij tests een voorafgaande voorwaarde is voor het slagen bij het vergelijkend onderzoek;

35.   merkt op dat de balans van de Stichting gronden en gebouwen omvat waarvan de waarde op 1,8 miljoen EUR wordt geraamd (ofschoon de bouwkosten 1992 7,2 miljoen EUR bedroegen) en een geaccumuleerd overschot van 4,09 miljoen EUR;

36.   constateert op grond van het jaarverslag 2006 van de Stichting dat de Stichting in 2006 een projectbeheersysteem opgezet heeft ter verbetering van de organisatorische doeltreffendheid via grotere transparantie en betere coördinatie wat het gebruik van middelen betreft, en dat om de doeltreffendheid nog te vergroten een systeem van prestatiebeoordeling werd toegepast; het systeem van aanbestedingen werd bovendien uitgebreid, teneinde de flexibiliteit te vergroten;

37.   constateert verder dat de Stichting in 2006 een ex-post beoordeling verricht heeft van het werkprogramma 2001-2004, in samenhang met een tussentijdse beoordeling van geselecteerde aspecten van de lopende werkzaamheden van de Stichting, teneinde de impact, de toegevoegde waarde en de doeltreffendheid van de organisatie te kunnen bepalen; wenst op de hoogte te worden gebracht van de resultaten van deze beoordeling.

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 60.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 116.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 139 van 30.5.1975, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1111/2005 (PB L 184 van 15.7.2005, blz. 1).
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 60.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 116.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 139 van 30.5.1975, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1111/2005 (PB L 184 van 15.7.2005, blz. 1).
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 60.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 116.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 139 van 30.5.1975, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1111/2005 (PB L 184 van 15.7.2005, blz. 1).
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 85.
(17) Resolutie van het Europees Parlement met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting aan de directeur van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden voor de uitvoering van de begroting van de Stichting voor het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 75).
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 rev1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).


Kwijting 2006: Europese Stichting voor opleiding
PDF 240kWORD 72k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Stichting voor opleiding voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0381/2007 – 2007/2056(DEC))
P6_TA(2008)0143A6-0114/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de Stichting(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EEG) nr. 1360/90 van de Raad van 7 mei 1990 tot oprichting van een Europese Stichting voor Opleiding(4), en met name artikel 11,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0114/2008),

1.   verleent de directeur van de Europese Stichting voor opleiding kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Stichting voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van de Europese Stichting voor opleiding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van de Europese Stichting voor opleiding voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0381/2007 – 2007/2056(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de Stichting(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EEG) nr. 1360/90 van de Raad van 7 mei 1990 tot oprichting van een Europese Stichting voor Opleiding(9), en met name artikel 11,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0114/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding, zoals deze bij het verslag van de Rekenkamer is gevoegd:

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van de Europese Stichting voor opleiding voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van de Europese Stichting voor opleiding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Stichting voor opleiding voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0381/2007 – 2007/2056(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van de Stichting(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EEG) nr. 1360/90 van de Raad van 7 mei 1990 tot oprichting van een Europese Stichting voor Opleiding(14), en met name artikel 11,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0114/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van de Europese Stichting voor opleiding op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2005(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

   de aandacht van de Stichting heeft gevestigd op het hoge percentage (meer dan 40%) overdrachten van vastleggingen voor operationele activiteiten; de Stichting heeft verzocht haar programmering te verbeteren;
   het feit heeft gehekeld dat de Stichting, evenals de voorgaande jaren en in strijd met haar financieel reglement, in het Publicatieblad slechts een samenvatting van haar begroting heeft gepubliceerd;
   heeft betreurd dat de Stichting de invoering van haar stelsel van interne controles nog steeds niet heeft afgerond, dat er eind 2005 geen analyse is gemaakt van de operationele risico's en de verificaties achteraf, en dat tezelfdertijd de rekenplichtige de systemen voor rekening- en inventarisinformatie niet heeft gevalideerd;

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer worden gecontroleerd in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de hoogste begroting is die van het Europees Bureau voor wederopbouw met 271 miljoen EUR en de laagste die van de Europese Politieacademie (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   wijst erop dat de reeks externe EU-organen die worden onderworpen aan audit en kwijting thans niet meer alleen de traditionele regelgevende agentschappen omvat, maar ook uitvoerende agentschappen die zijn opgericht om specifieke programma's ten uitvoer te leggen, en dat deze reeks in de nabije toekomst nog zal worden uitgebreid tot gezamenlijke ondernemingen die zijn opgezet als publiek-private partnerschappen (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend, zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer, maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingsprocedure log is geworden en niet meer in verhouding staat tot de relatieve omvang van de begrotingen van de agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met als doel een eenvoudiger en rationeler aanpak uit te werken, rekening houdend met het feit dat het aantal organen waarvoor in de toekomst een afzonderlijk kwijtingsverslag zal moeten worden opgesteld, almaar toeneemt;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie vóór de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap duidelijke uitleg te verstrekken met betrekking tot de volgende punten: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne bestuurstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en stakeholders van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   verlangt dat voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door dat agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en waarin de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten zijn opgenomen;

7.   dringt erop aan dat de resultaten die de agentschappen boeken regelmatig (en op ad hoc-basis) door de Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie worden gecontroleerd; is van oordeel dat deze onderzoeken zich niet mogen beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiëntie en prestaties moeten omvatten, evenals een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd is omdat zij zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het Statuut van de ambtenaren enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze regelgevingsvereisten te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing hiervoor te zoeken om de efficiency te vergroten door bundeling van de administratieve taken van verscheidene agentschappen, zodat deze minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat zij aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie de begroting niet hebben aangepast, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie heeft verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle verantwoordelijke instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden uitgevoerd en dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen op het algemene Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling van de agentschappen en in de diverse specifieke financiële voorschriften hierin;

Presentatie van de rapporteringsgegevens

13.   merkt op dat er geen standaardaanpak onder de agentschappen bestaat voor de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar en van hun rekeningen en hun verslagen over hun budgettaire en financieel beheer, noch met betrekking tot de vraag of er een betrouwbaarheidsverklaring moet worden opgesteld door de directeur van het agentschap; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

14.   merkt op dat de vaste instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet voorschrijven dat de agentschappen een betrouwbaarheidsverklaring moeten opstellen, maar dat veel directeuren dat voor het jaar 2006 niettemin hebben gedaan, waarbij in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

15.   herinnert aan paragraaf 25 van zijn resolutie van 12 april 2005(17) waarin het de directeuren van de agentschappen verzoekt om met ingang van heden hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van werkzaamheden, analoog aan de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

16.   verzoekt de Commissie om haar vaste instructies aan de agentschappen dienovereenkomstig te wijzigen;

17.   stelt bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen werkt aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen:

   een jaarverslag bestemd voor een ruim publiek over de transacties, werkzaamheden en resultaten van het orgaan;
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting,
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie;
   een betrouwbaarheidsverklaring, ondertekend door de directeur van het orgaan, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen die hij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit wenst te brengen;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

18.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 10.29(18)) dat de door de Commissie uit de communautaire begroting betaalde subsidies niet gebaseerd zijn op toereikend gemotiveerde ramingen van de behoeften aan kasmiddelen van de agentschappen en dat dit, in combinatie met de omvang van de van het vorige jaar overgedragen bedragen, ertoe leidt dat hun kassaldi zeer hoog opgelopen zijn; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

19.   merkt op dat eind 2006 14 agentschappen het ABAC-boekhoudingsysteem nog ten uitvoer moesten leggen (jaarverslag, voetnoot bij par. 10.31);

20.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, par. 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet-opgenomen verlof die bij sommige agentschappen werden geregistreerd; wijst erop dat de Rekenkamer opmerkingen plaatst bij zijn betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen (Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (CEDEFOP), CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) voor het begrotingsjaar 2006 (2005: het CEDEFOP, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

21.   herinnert eraan dat de intern controleur van de Commissie krachtens artikel 185, lid 3, van het Financieel Reglement ook als intern controleur fungeert voor de regelgevende agentschappen die subsidies uit de EU-begroting ontvangen; wijst erop dat de intern controleur aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap verslag uitbrengt;

22.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van de intern controleur voor 2006:"

De intern financieel controleur van de Commissie is niet in staat om te voldoen aan de verplichting die hem in artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem ontbreekt aan de personele middelen daarvoor

"

23.   neemt evenwel nota van de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag 2006 dat de financiën van alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis gecontroleerd zullen worden, nu de Commissie de Interne Accountantsdienst (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld;

24.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS gecontroleerd moeten worden, steeds verder toeneemt; verzoekt de Commissie zijn bevoegde commissie mede te delen of de IAS over voldoende personeel zal beschikken om de financiën van al deze organen de komende jaren jaarlijks te kunnen controleren;

25.   merkt op dat artikel 72, lid 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de intern financieel controleur zijn uitgevoerd, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen mede te delen of dit ook is gebeurd en, zo ja, op welke wijze;

26.   neemt ten aanzien van het vermogen van de interne accountantsdienst om met name de kleinere agentschappen te controleren, nota van een voorstel dat de intern controleur op 14 september 2006 ten overstaan van de bevoegde commissie van het Parlement heeft gedaan 2006, namelijk om toe te staan dat de kleinere agentschappen gebruik kunnen maken van particuliere accountantsdiensten;

Beoordeling van de agentschappen

27.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring waar het Parlement, de Raad en de Commissie(19) het over eens zijn geworden bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 en waarin wordt opgeroepen een lijst op te stellen van i) de agentschappen die de Commissie wil beoordelen, en ii) de agentschappen die reeds zijn beoordeeld met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

28.   wijst erop dat afzonderlijke agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om tuchtcommissies bestaande uit personeel met een passende rang samen te stellen en dat het Bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie (IDO) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen om de oprichting te overwegen van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de verschillende agentschappen;

Ontwerp van interinstitutioneel akkoord

29.   herinnert aan het ontwerp van de Commissie voor een Interinstitutioneel akkoord voor een operationeel kader voor de Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit ontwerp een nuttig initiatief vormt in het streven naar rationalisering van de oprichting en exploitatie van de agentschappen; neemt nota van de opmerking van de Commissie in haar syntheseverslag 2006 (paragraaf 3.1, COM(2007)0274) dat hoewel er na de publicatie van het voorstel aanvankelijk weinig schot zat in de onderhandelingen, de inhoudelijke discussie eind 2006 weer is begonnen in de Raad; betreurt het dat het niet mogelijk was de aanneming ervan een stapje dichterbij te brengen;

30.   begroet dan ook de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling over de toekomst van de regelgevende agentschappen zal voorleggen;

Agentschappen met eigen financiering

31.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

32.   uit zijn tevredenheid over de daadwerkelijke uitvoering van het begrotingsjaar 2006;

33.   neemt kennis van de vaststelling van de Rekenkamer in haar jaarverslag 2006 dat de Stichting - ongeacht artikel 31 van de financiële kaderregeling, dat voorschrijft dat de in het Publicatieblad gepubliceerde begroting zowel vastleggings- als betalingskredieten met een betalingsschema moet bevatten indien de kredieten in latere begrotingsjaren worden uitgevoerd - alleen de vastleggingskredieten voor haar begroting 2006 heeft gepubliceerd, in strijd dus met de regels voor de presentatie van de begroting;

34.   neemt verder kennis van de conclusies van de Rekenkamer dat de Stichting met betrekking tot twee in 2004 gesloten en nu lopende meerjarencontracten met de Commissie voor MEDA en TEMPUS het totale contractuele bedrag van deze inkomsten in haar begroting heeft opgenomen, in plaats van de bedragen die zij per jaar zal ontvangen;

35.   is verbaasd dat het verslag van de Rekenkamer geen melding maakt van het feit dat bij de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur (die als bijlage bij het jaarlijks activiteitenverslag van de Stichting is gevoegd) kanttekeningen zijn geplaatst betreffende:

   de politieke onzekerheid in de partnerlanden
   het financieel beheer van de Tempus-overeenkomst
   de mogelijke maatschappelijke, juridische en financiële gevolgen van technische Tempus-assistentie in de Stichting, alsmede de gevolgen voor de reputatie van de Stichting;

36.   merkt op dat in de balans een op 5 miljoen EUR becijferd "woonrecht" (overeenkomend met een bijdrage aan de restauratie van een gebouw) en 12 miljoen EUR aan banktegoeden zijn opgenomen;

37.   neemt kennis van de verklaring in het jaarlijks activiteitenverslag van de Stichting met betrekking tot de toepasbaarheid op agentschappen van het ambtenarenstatuut en het Financieel Reglement dat:

   het ambtenarenstatuut, door de rangen waarin personeel kan worden aangeworven te beperken, niet voorziet in de behoeften van gespecialiseerde agentschappen die voldoende gekwalificeerd of ervaren personeel voor sleutelfuncties moeten kunnen aantrekken, en dat het wat betreft mobiliteit en carrièremogelijkheden problemen oplevert;
   het Financieel Reglement niet noodzakelijkerwijs is toegesneden op zo'n klein agentschap als de Stichting, die middelen uit verschillende bronnen beheert en haar activiteiten uitvoert via relatief kleine transacties in partnerlanden die soms gebrekkige financiële en administratieve diensten kennen, en met grote corruptie te kampen hebben.

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 63.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 122.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 131 van 23.5.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1638/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 22).
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 63.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 122.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 131 van 23.5.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1638/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 22).
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 63.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 122.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 131 van 23.5.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1638/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 22).
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 142.
(17) Resolutie van het Europees Parlement houdende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting aan de directeur van de Europese Stichting voor opleiding voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 114).
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 Rev 1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).


Kwijting 2006: Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop)
PDF 268kWORD 78k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0371/2007 – 2007/2046(DEC))
P6_TA(2008)0144A6-0110/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Centrum(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad van 10 februari 1975 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding(4), en met name artikel 12 bis,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0110/2008),

1.   verleent de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0371/2007 – 2007/2046(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Centrum(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad van 10 februari 1975 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding(9), en met name artikel 12 bis,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0110/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, zoals deze bij het verslag van de Rekenkamer is gevoegd;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0371/2007 – 2007/2046(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Centrum(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad van 10 februari 1975 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding(14), en met name artikel 12 bis,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0110/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen, onder één voorbehoud, wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2005(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

   erop wijst dat zich bij de beleidsactiviteiten een onderbesteding van de begrotingsmiddelen heeft voorgedaan (15%, 20% en 15% annuleringen voor respectievelijk de vastleggingskredieten, de betalingskredieten en de overgedragen kredieten), die met name het gevolg was van een reorganisatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten;
   de volledige toepassing van het beginsel van de scheiding van de functies van ordonnateur en rekenplichtige eist, om situaties zoals in 2005 te vermijden, toen enkele taken van de rekenplichtige werden verricht door diensten van de ordonnateur;
   er bij het Centrum op aandringt standaardaanwervingsprocedures toe te passen, om een situatie zoals in 2005 te vermijden, toen een belangrijke leidinggevende post werd bezet door middel van een interne selectieprocedure, terwijl een externe procedure een grotere keus aan kandidaten had geboden;
   bezorgd is over het zeer hoge percentage onregelmatigheden dat de Rekenkamer heeft aangetroffen in de door haar onderzochte contracten, waarbij in vijf van de zes gevallen sprake was van onregelmatigheden;

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer zijn gecontroleerd in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de hoogste begroting is die van het Europees Bureau voor wederopbouw met 271 miljoen EUR en de laagste die van de Europese Politieacademie (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   merkt op dat de reeks externe EU-organen die onderworpen zijn aan boekhoudkundige controle en kwijting thans niet alleen de traditionele regelgevende agentschappen omvat, maar ook uitvoeringsagentschappen die zijn opgericht om uitvoering te geven aan specifieke programma's, en dat hieronder in de toekomst ook gemeenschappelijke ondernemingen zullen vallen, die zijn opgezet in de vorm van publiek-private partnerschappen (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingprocedure te log is geworden en niet afgestemd is op de omvang van de begrotingen van de verschillende agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met het doel om een eenvoudiger en rationeler aanpak te ontwerpen, gelet op het steeds toenemende aantal lichamen waarvoor in toekomstige jaren een afzonderlijk kwijtingverslag zal moeten worden opgesteld;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie duidelijke uitleg te verschaffen over de volgende punten, alvorens zij overgaat tot de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne beheersstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en belanghebbenden van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   verlangt dat voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door het agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten, moet omvatten;

7.   dringt erop aan dat de resultaten van de agentschappen regelmatig (en op ad hoc-basis) door de Europese Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie worden gecontroleerd; is van oordeel dat deze onderzoeken zich niet mogen beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiëntie en prestaties moeten omvatten, evenals een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd is omdat ze zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het Statuut van de ambtenaren enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze regelgevingsvereisten te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing te zoeken om de efficiëntie te vergroten door de administratieve taken van verscheidene agentschappen te bundelen, zodat de minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat deze aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorlopig voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn terzake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie in gebreke zijn gebleven, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle verantwoordelijke instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden uitgevoerd en dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen op het algemene Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling van de agentschappen en in hun diverse specifieke financiële voorschriften;

Presentatie van de rapporteringsdata

13.   merkt op dat onder de agentschappen geen standaardaanpak bestaat voor de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar, hun rekeningen en hun verslagen over hun budgettair en financieel beheer en de vraag of er een betrouwbaarheidsverklaring moet worden opgesteld door de directeur van het agentschap; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

14.   merkt op dat de permanente instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet verlangen dat een agentschap een betrouwbaarheidsverklaring opstelt, maar dat vele directeuren dat voor 2006 wel hebben gedaan, waarbij in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

15.   herinnert aan paragraaf 27 van zijn resolutie van 12 april 2005(17), waarin het de directeuren van de agentschappen verzoekt om met ingang van heden hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de handelingen, analoog aan de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

16.   verzoekt de Commissie haar permanente instructies aan de agentschappen in die zin te amenderen;

17.   stelt bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen moet werken aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin onderscheid wordt gemaakt tussen:

   een jaarverslag bestemd voor een breed publiek over de operaties en werkzaamheden van het orgaan en de bereikte resultaten,
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting,
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie,
   een betrouwbaarheidsverklaring, ondertekend door de directeur van het orgaan, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen waarvan hij het wenselijk acht dat zij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit worden gebracht;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

18.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (jaarverslag, punt 10.29(18)) dat de door de Commissie uit de communautaire begroting betaalde subsidies niet gebaseerd zijn op toereikend gemotiveerde ramingen van de kasbehoeften van de agentschappen en dat dit er in combinatie met de omvang van de uit vorige jaren overgedragen bedragen toe leidt dat zij aanzienlijke bedragen in kas hebben; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

19.   merkt op dat 14 agentschappen het ABAC-boekhoudsysteem eind 2006 nog moesten invoeren (jaarverslag, voetnoot bij punt 10.31);

20.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, punt 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet opgenomen verlof die bij sommige agentschappen werden geregistreerd; wijst erop dat de Rekenkamer haar betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen (Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (CEDEFOP), CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) van kanttekeningen heeft voorzien met betrekking tot het begrotingsjaar 2006 (voor 2005 was dat het geval bij: het CEDEFOP, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

21.   herinnert eraan dat de interne financieel controleur van de Commissie volgens artikel 185, lid 3, van het Financieel Reglement ook de intern financieel controleur is van de regelgevende agentschappen die geld ontvangen uit de EU-begroting; wijst erop dat de interne financieel controleur verslag uitbrengt aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap;

22.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat de intern financieel controleur maakt in het Jaarlijks Activiteitenverslag over 2006:"

De intern financieel controleur van de Commissie is niet in staat om te voldoen aan de verplichting die hem in artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem ontbreekt aan de personele middelen daarvoor

"

23.   wijst evenwel op de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag 2006 dat de financiën van alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis gecontroleerd zullen worden, nu de Commissie de Interne Accountantsdienst (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld;

24.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS gecontroleerd moeten worden, steeds verder toeneemt; verzoekt de Commissie zijn bevoegde commissie mede te delen of de IAS over voldoende personeel zal beschikken om de financiën van al deze organen de komende jaren jaarlijks te kunnen controleren;

25.   merkt op dat artikel 72, lid 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de interne financiële controleur zijn verricht, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen mede te delen of dit ook is gebeurd en, zo ja, op welke wijze;

26.   vestigt wat de interne controlecapaciteit betreft, vooral met betrekking tot de kleinere agentschappen, de aandacht op een voorstel dat de intern financieel controleur op 14 september 2006 aan de bevoegde commissie van het Parlement heeft gedaan en waarin hij te kennen geeft dat kleinere agentschappen toestemming zouden moeten krijgen om interne auditdiensten tegen betaling door de privésector te laten verrichten;

Beoordeling van de agentschappen

27.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring waarover Parlement, Raad en Commissie(19) het bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 eens zijn geworden en waarin een oproep wordt gedaan tot het opstellen van i) een lijst van de agentschappen die de Commissie wil beoordelen en ii) een lijst van de agentschappen die reeds zijn beoordeeld, met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

28.   wijst erop dat bepaalde agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om ad hoc tuchtcommissies samen te stellen bestaande uit personeel met een passende rang en dat het Bureau voor onderzoek en disciplinaire maatregelen van de Commissie (IDOC) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen om de oprichting van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de verschillende agentschappen te overwegen;

Ontwerp voor een interinstitutioneel akkoord

29.   herinnert aan het voorstel van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit voorstel een nuttig initiatief vormt in het streven naar een rationalisering van de oprichting en het beheer van agentschappen; neemt nota van de opmerking van de Commissie in haar syntheseverslag 2006 (paragraaf 3.1, COM(2007)0274) dat, hoewel er na de publicatie van het voorstel aanvankelijk weinig schot zat in de onderhandelingen, de inhoudelijke discussie in de Raad eind 2006 weer is begonnen; betreurt het dat het niet mogelijk was de aanneming ervan een stapje dichterbij te brengen;

30.   is dan ook ingenomen met de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling over de toekomst van de regelgevende agentschappen zal voorleggen;

Agentschappen met eigen financiering

31.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

32.   spreekt haar tevredenheid uit over de daadwerkelijke uitvoering van het begrotingsjaar 2006;

33.   constateert de inspanningen van het Centrum om zijn interne controle te ontwikkelen en te versterken en de efficiëntie van zijn taken en zijn operationele activiteiten te verbeteren;

34.   is van mening dat het Centrum een belangrijke rol speelt in de verspreiding van informatie op plaatselijk, regionaal, nationaal en communautair niveau, alsook in het maatschappelijk middenveld, en spoort het Centrum aan om zijn doeltreffendheid op dat vlak nog te verbeteren; juicht nogmaals de inspanningen van het Centrum toe, dat bijzonder goed werk blijft leveren bij de uitvoering van zijn taken;

35.   neemt er kennis van dat de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2006 in haar betrouwbaarheidsverklaring de kanttekening maakte dat, hoewel zij in het verslag over het voorgaande jaar had benadrukt dat er geen rechtsgrondslag was voor een besluit van de beroepscommissie van het Centrum om een medewerker compensatie te bieden voor niet-financiële benadeling waarin het Statuut niet voorziet, deze compensatie toch in 2006 was betaald;

36.   neemt nota van het antwoord van het Centrum dat de wetmatigheid van het aangevochten besluit inmiddels is bevestigd door de Juridische Dienst van de Commissie en van de aanvullende informatie van de Rekenkamer dat de kwestie is opgelost met als resultaat dat de door de Rekenkamer gemaakte kanttekening nu geïnterpreteerd moet worden als een opmerking over risicobeheer;

37.   vestigt de aandacht op andere opmerkingen van de Rekenkamer in haar verslag over dit Centrum, o.a.:

   een hoog percentage van de kredieten is overgedragen of geannuleerd, in combinatie met een groot aantal kredietoverschrijvingen,
   ontbreken van een goede inventarisatieprocedure om activa te identificeren, registreren en kapitaliseren,
   onvolledige documentatie van interne controleprocedures,
   ontbreken van een rechtsgrondslag voor de terugbetaling van schoolgeld voor kinderen van sommige medewerkers van het Centrum,
   ontbreken van effectieve controle of documenten die zijn ingestuurd door sollicitanten om hun beroepservaring te staven wel betrouwbaar zijn,
   onregelmatigheden in aanbestedingsprocedures;

38.   is verheugd over de benoeming van een intern controleur in december 2006;

39.   neemt nota van de verklaring in de jaarrekening van het Centrum dat het verslag van de IAS van december 2006 heeft bevestigd dat de procedures conform de regels zijn en dat eerdere IAS-aanbevelingen ofwel volledig zijn geïmplementeerd ofwel in een ver stadium van volledige implementatie zijn;

40.   neemt nota van de mededeling in het jaarverslag dat in 2006 aanzienlijke inspanningen zijn verricht om het internecontrole-klimaat te verbeteren en om gevolg te geven aan de aanbevelingen van de controleur; is verheugd over de verklaring in het jaarverslag dat het beheersplan voor 2007 voor het eerst een systematisch ex-ante risicobeheersmechanisme omvat;

41.   merkt op dat de bevindingen van OLAF betreffende specifieke contracten tussen 2001 en 2005 zijn toegezonden aan de bevoegde Griekse juridische autoriteiten;

42.   neemt nota van de totstandbrenging van een kaderovereenkomst voor de samenwerking tussen het Centrum en de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden die in november 2006 werd getekend door de directeuren van de twee agentschappen om gebruik te maken van beschikbare onderzoeksmiddelen op gebieden van wederzijds belang;

43.   merkt op dat het Centrum aan de activazijde een post voor grond en gebouwen (4,57 miljoen EUR) heeft, en een gecumuleerd overschot van 5 miljoen EUR aan de passivazijde;

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 46.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 86.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 39 van 13.2.1975, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2051/2004 (PB L 355 van 1.12.2004, blz. 1).
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 46.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 86.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 39 van 13.2.1975, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2051/2004 (PB L 355 van 1.12.2004, blz. 1).
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 46.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 86.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 39 van 13.2.1975, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2051/2004 (PB L 355 van 1.12.2004, blz. 1).
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 78.
(17) Resolutie van het Europees Parlement houdende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting aan de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 69).
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 Rev1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).


Kwijting 2006: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie
PDF 238kWORD 72k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0378/2007 – 2007/2053(DEC))
P6_TA(2008)0145A6-0124/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(2),

–   gezien de aanbeveling van 12 februari 2008 van de Raad (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van 25 juni 2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2965/94 van 28 november 1994 van de Raad tot oprichting van een Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie(4), en met name artikel 14,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van 19 november 2002 van de Commissie houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van zijn Reglement en bijlage V,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0124/2008),

1.   verleent de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor de publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0378/2007 – 2007/2053(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(7),

–   gezien de aanbeveling van 12 februari 2008 van de Raad (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van 25 juni 2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2965/94 van 28 november 1994 van de Raad tot oprichting van een Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie(9), en met name artikel 14,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van 19 november 2002 van de Commissie houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van zijn Reglement en bijlage V,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0124/2008),

1.   neemt kennis dat de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, zoals deze bij het verslag van de Rekenkamer is gevoegd;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor de publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0378/2007 – 2007/2053(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(12),

–   gezien de aanbeveling van 12 februari 2008 van de Raad (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van 25 juni 2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2965/94 van 28 november 1994 van de Raad tot oprichting van een Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie(14), en met name artikel 14,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van 19 november 2002 van de Commissie houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van zijn Reglement en bijlage V,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0124/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaart dat ze redelijke zekerheid verkregen heeft dat de jaarrekeningen over het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar, en de overeenkomstige verrichtingen in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie op 24 april 2007 kwijting voor de uitvoering van de begroting van het bureau voor het begrotingsjaar 2005 verleend heeft(16), en in zijn begeleidende resolutie bij het besluit o.a.

   met verontrusting vaststelt dat meer dan 50% van alle vastleggingen die van het begrotingsjaar 2004 overgedragen zijn, geschrapt zijn, en met nadruk stelt dat het bureau zijn programmering van administratieve uitgaven moet verbeteren,
   het Vertaalbureau vraagt om opheldering over de intellectuele eigendomsrechten na te streven die met de IATE-gegevensbank verbonden zijn,
   de hoop uitdrukt dat het conflict tussen het Vertaalbureau en de Commissie over het werkgeversaandeel in de pensioenbijdragen voor het personeel zo spoedig mogelijk een oplossing vindt,

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   stelt vast dat de begrotingen van de 24 bureaus en andere gedecentraliseerde organen die door de Rekenkamer doorgelicht zijn, in 2006 een totale omvang van 1 080,5 miljoen EUR bereiken (de omvangrijkste begroting is die van het Europees bureau voor wederopbouw, die 271 miljoen EUR bedraagt, en de kleinste die van de Europese politieacademie met 5 miljoen EUR);

2.   wijst erop dat de waaier van externe EU-organen die doorgelicht moeten worden en decharge moeten krijgen, tegenwoordig niet alleen traditionele regelgevende maar ook uitvoerende agentschappen omvat die opgericht zijn om specifieke programma's uit te voeren, en in de nabije toekomst ook uitgebreid wordt met gezamenlijke initiatieven die als publiek-private samenwerking opgezet worden (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   stelt vast dat voor het Europees Parlement het aantal agentschappen dat aan de dechargeprocedure onderworpen is, zich als volgt ontwikkeld heeft : begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende en 2 uitvoerende agentschappen (afgezien van 2 agentschappen die door de Europese Rekenkamer doorgelicht worden maar een interne kwijtingsprocedure volgen);

4.   komt dan ook tot de gevolgtrekking dat de doorlichtings- en dechargeprocedure omslachtig geworden is en niet meer in verhouding tot de omvang van de begrotingen van de agentschappen of gedecentraliseerde organen staat ; geeft zijn bevoegde commissie opdracht om de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en gedecentraliseerde organen aan een breed opgezette herziening te onderwerpen met het oog op een eenvoudiger en rationeler werkwijze, gezien het alsmaar toenemend aantal organen die in de komende jaren elk een afzonderlijke kwijtingsprocedure zullen vergen;

Principiële overwegingen

5.   eist dat de Commissie duidelijke uitleg verstrekt over de volgende gegevens voordat er een nieuw agentschap opgericht of een bestaand agentschap hervormd wordt : soort agentschap, zijn doelstellingen, interne bestuurstructuur, producten, diensten, voornaamste procedures, doelgroep, cliënten en belanghebbenden bij het agentschap, formele relaties met externe belanghebbende partijen, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeels- en aanwervingspolitiek;

6.   eist dat elk agentschap zich laat leiden door een jaarlijkse prestatie-overeenkomst, die door het agentschap zelf en het verantwoordelijk directoraat-generaal opgesteld wordt en de voornaamste doelstellingen voor het komend jaar bevat, naast een financieel raamwerk en duidelijke referentiepunten om de prestaties te kunnen meten;

7.   dringt erop aan dat de resultaten die de agentschappen boeken regelmatig (en op ad hoc-basis) door de Europese Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie worden gecontroleerd; is van oordeel dat de controle zich niet moet beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiëntie en de doelmatigheid moet omvatten, en een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat er bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast volgens de vacatures; denkt dat dat op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen kritiek krijgen omdat ze zich niet aan de openbare aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het ambtenarenstatuut enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om met de regelgevingsvereisten om te kunnen gaan; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing te zoeken om de effectiviteit te bevorderen door de beheersfuncties van verscheidene agentschappen te bundelen zodat de minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (vooral uitvoeringsregels) zodat ze zich wel aan alle voorschriften kunnen houden;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorlopig voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de voorafgaande jaren, vooral het jaar n-1, en de door elk agentschap gevraagde begroting overeenkomstig aanpast; verzoekt zijn bevoegde commissie om de aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie in gebreke zijn gebleven, zelf de betreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het agentschap in kwestie afgestemd is;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie verzocht heeft om eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap voor te leggen; verzoekt alle betrokken instellingen om in geval van negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van het agentschap te herzien of het te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij haar op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden uitgevoerd en dat de aan de agentschappen betaalde subsidies moeten worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen in het algemeen Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling van de agentschappen en de diverse specifieke financiële voorschriften;

Presentatie van de rapporteringsdata

13.   stelt vast dat er onder de agentschappen geen gestandaardiseerde werkwijze bestaat voor de verslaggeving over hun werkzaamheden in de loop van het begrotingsjaar en hun rekeningen en verslagen over budgettair en financieel beheer, noch voor de vraag of de directeur van het agentschap een echtheidsverklaring moet opstellen ; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen (a) informatie van het publiek over hun werkzaamheden, en (b) technische verslaggeving over hun budgettair en financieel beheer;

14.   merkt op dat de lopende voorschriften van de Commissie voor de opstelling van verslagen over de werkzaamheden niet uitdrukkelijk verlangen dat het agentschap een echtheidsverklaring opstelt, maar dat een groot aantal directeurs het voor 2006 wel gedaan hebben, in één geval met een belangrijk voorbehoud;

15.   herinnert aan paragraaf 27 van zijn resolutie van 12 april 2005(17), die de directeurs van de agentschappen vraagt om hun jaarlijks verslag over de werkzaamheden, dat samen met de financiële en beheerstechnische gegevens ingediend wordt, voortaan vergezeld te laten gaan van een echtheidsverklaring over de wettelijkheid en regelmatigheid van de werkzaamheden, naar het voorbeeld van de verklaringen die door de directeurs-generaal van de Commissie ondertekend worden;

16.   vraagt de Commissie om haar lopende voorschriften voor de agentschappen in die zin aan te passen;

17.   stelt bovendien voor dat de Commissie samen met de agentschappen naar een geharmoniseerd model streeft dat op alle agentschappen en gedecentraliseerde organen van toepassing is en een duidelijk onderscheid maakt tussen

   een jaarverslag voor het groot publiek, over de werkzaamheden, maatregelen en resultaten van het bestuurslichaam;
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting;
   een verslag over de werkzaamheden naar het voorbeeld van de verslagen van de directeurs-generaal van de Commissie over de werkzaamheden;
   een echtheidsverklaring, ondertekend door de directeur van het agentschap, samen met elk voorbehoud of alle opmerkingen die hij onder de aandacht van de autoriteit die decharge verleent, meent te moeten brengen;

Algemene bevindingen van de Rekenkamer

18.   neemt akte van de bevindingen van de Rekenkamer (jaarverslag, par. 10.29(18)) dat de subsidiëring door de Commissie uit de begroting van de Gemeenschap niet van voldoende gegronde ramingen van de behoeften van de agentschappen aan liquide middelen uitgaat, zodat de agentschappen, ook door de omvang van de overdrachten, over aanzienlijke hoeveelheden liquide middelen beschikken ; neemt verder akte van de aanbeveling van de Rekenkamer dat de subsidies aan de agentschappen in overeenstemming met hun reële behoeften aan liquide middelen moeten zijn;

19.   stelt vast dat er einde 2006 nog altijd 14 agentschappen op het Abac-boekhoudsysteem moeten omschakelen (jaarverslag, voetnoot bij paragraaf 10.31);

20.   neemt akte van de opmerking van de Rekenkamer over de toegenomen lasten voor niet opgenomen verlofperioden, die door sommige agentschappen aangegeven worden (jaarverslag, paragraaf 1.25) ; wijst erop dat de Rekenkamer haar echtheidsverklaring voor het begrotingsjaar 2006 voor 3 agentschappen van voorbehoud voorziet (het Europees centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding Cedefop, de Europese politie-akademie EPA en het Europees spoorwegbureau - in 2005: CEDEFOP, de Europese autoriteit voor de voedselveiligheid, en het Europees bureau voor wederopbouw);

Interne audit

21.   herinnert eraan dat volgens artikel 185, lid 3 van het Financieel Reglement de interne controleur van de Commissie ook bevoegd is voor de regelgevende agentschappen die subsidie ten laste van de EU-begroting ontvangen; wijst erop dat de interne controleur verantwoording aflegt aan het bestuur en de directeur van elk agentschap;

22.   vestigt de aandacht op het voorbehoud in het jaarverslag 2006 over de werkzaamheden van de interne controleur:"

De intern financieel controleur van de Commissie is niet in staat om te voldoen aan de verplichting die hem in artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem ontbreekt aan de personele middelen daarvoor

"

23.   neemt wel akte van de opmerking van de interne controleur in het verslag over zijn werkzaamheden in 2006, dat vanaf 2007, met de personeelsuitbreiding die de Europese Commissie de interne revisiedienst (IAS) verleent, alle regelgevende agentschappen elk jaar aan interne revisie onderworpen worden;

24.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende organen en gezamenlijke initiatieven die volgens artikel 185 van het Financieel Reglement door de interne revisiedienst doorgelicht moeten worden, alsmaar toeneemt; vraagt de Europese Commissie om de bevoegde parlementaire commissie van het Europees Parlement te laten weten of de personele middelen die de interne revisiedienst ter beschikking staan, voldoende zijn om in de komende jaren een jaarlijkse revisie van alle regelgevende en uitvoerende organen door te voeren;

25.   merkt op dat artikel 72, lid 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 elk agentschap de verplichting oplegt om de autoriteit die decharge verleent en de Europese Commissie elk jaar een verslag van zijn directeur toe te sturen, dat een overzicht van het aantal en de aard van de interne revisies van de interne controleur geeft, met zijn aanbevelingen en het gevolg dat eraan gegeven is; vraagt de agentschappen om te laten weten of dat gebeurd is, en zo ja, in welke vorm;

26.   neemt akte, voor wat betreft de mogelijkheden van interne revisie, en vooral voor de kleinere agentschappen, van een voorstel van de interne controleur, dat hij de bevoegde parlementaire commissie op 14 september 2006 voorgelegd heeft, dat de kleinere agentschappen namelijk toestemming zouden moeten hebben om beroep te doen op interne revisiediensten van de privé sector;

Beoordeling van agentschappen

27.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring waarover Parlement, Raad en Commissie(19) het bij de bemiddeling vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 eens zijn geworden en waarin een oproep wordt gedaan tot het opstellen van i) een lijst van de agentschappen die de Commissie wil beoordelen en ii) een lijst van de agentschappen die reeds zijn beoordeeld, met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Disciplinaire procedures

28.   stelt vast dat de afzonderlijke agentschappen het door hun omvang moeilijk hebben om disciplinaire colleges samen te stellen die uit ambtenaren in de juiste rang bestaan, en dat het disciplinair en onderzoeksbureau (Idoc) van de Commissie niet bevoegd is voor de agentschappen ; vraagt de agentschappen om een disciplinaire raad met bevoegdheid voor alle agentschappen samen in overweging te nemen;

Ontwerp van interinstitutionele overeenkomst

29.   herinnert aan het ontwerp van de Commissie voor een interinstitutionele overeenkomst over het operationeel kader voor Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), die bedoeld is om een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werking, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen in te stellen ; merkt op dat het ontwerp in de pogingen om de oprichting en leiding van de agentschappen te rationaliseren, een bruikbaar initiatief vertegenwoordigt ; neemt akte van de verklaring in het overzichtsverslag 2006 van de Commissie dat de onderhandelingen na de publicatie weliswaar weinig opgeschoten zijn, maar dat de inhoudelijke discussie einde 2006 bij de Raad weer aangevat is (COM(2007)0274, par. 3.1); betreurt dat er geen verdere stappen in de richting van goedkeuring ondernomen zijn kunnen worden;

30.   verheugt zich daarom over de toezegging van de Europese Commissie om in de loop van dit jaar (2008) een mededeling over de toekomst van de wetgevende agentschappen voor te leggen;

Agentschappen met eigen financiering

31.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

32.   neemt akte van de opmerking van de Rekenkamer in haar verslag over 2006, dat het gecumuleerd begrotingsoverschot voor 2006 op 16,9 miljoen EUR ligt en het Vertaalbureau zijn opdrachtgevers in 2007 een bedrag van 9,3 miljoen EUR terugbetaalt ; onderschrijft de mening van de Rekenkamer dat overschotten in een dergelijke omvang erop wijzen dat de methode om de prijs van de vertalingen te bepalen niet nauwkeurig genoeg is;

33.   neemt verder akte van de vaststelling van de Rekenkamer dat het Vertaalbureau in een aanwervingsprocedure voor vertalers geen schriftelijk bewijsmateriaal voor de regels heeft kunnen geven die het toepast om de dossiers van de kandidaten te beoordelen;

34.   maakt uit de uiteindelijke rekeningen op dat het Vertaalbureau een reserve van 2 021 126 EUR voor pensioenbijdragen van de werkgever en 197 000 EUR voor niet opgenomen verlofdagen aangelegd heeft;

35.   stelt vast dat de raad van bestuur van het Vertaalbureau een nieuwe directeur aangesteld heeft, die haar functie per 1 mei 2006 opgenomen heeft;

36.   drukt de hoop uit dat er spoedig een oplossing voor de kantoorruimten van het Vertaalbureau en de pensioenbijdragen van de werkgever gevonden wordt;

37.   verheugt zich over de opmerking in het verslag over de werkzaamheden van het Vertaalbureau in 2006, dat het de aanbevelingen van de interne revisiedienst van de Commissie voor de voltooiing en bijwerking van functiebeschrijvingen, bewustmaking van gevolmachtigde ambtenaren van hun verantwoordelijkheid, langere termijnen voor de publicatie van openstaande posten, degelijk toezicht op zijn werkzaamheden, risicobeoordeling, een duidelijke vastlegging van zijn statuut als gesubsidieerd of zelffinancierend orgaan, en een overdrachtprocedure voor alle functies van wezenlijk belang, blijft uitvoeren;

38.   stelt vast dat het Vertaalbureau in februari 2008 een interne controleur in dienst genomen heeft.

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 42.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 94.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 314 van 7.12.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1645/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 13).
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 42.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 94.
(8) PB L 248 van 16. 9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 314 van 7.12.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1645/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 13).
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 42.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 94.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 314 van 7.12.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1645/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 13).
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 122.
(17) Resolutie van het Europees Pparlement houdende opmerkingen bij het besluit om decharge te verlenen aan de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, voor de uitvoering van de begroting van het Vertaalbureau over het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 101).
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 Rev 1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).


Kwijting 2006: Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding
PDF 239kWORD 74k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0386/2007 – 2007/2060(DEC))
P6_TA(2008)0146A6-0117/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Centrum(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding(4), en met name artikel 23,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0117/2008),

1.   verleent de directeur van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0386/2007 – 2007/2060(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Centrum(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding(9), en met name artikel 23,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0117/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding, zoals deze bij het verslag van de Rekenkamer is gevoegd:

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0386/2007 – 2007/2060(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Centrum(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding(14), en met name artikel 23,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0117/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaart redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de rekeningen betreffende het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar zijn en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2005(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

   aangaf dat de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2005 werd gekenmerkt door een laag vastleggingspercentage (84%) en een substantieel percentage overdrachten (35% in totaal en bijna 90% voor beleidsuitgaven), maar dat deze situatie gedeeltelijk toe te schrijven was aan problemen waar het Centrum in de opstartperiode mee te kampen had;
   betreurde dat er geen begrotingsvastleggingen waren gepleegd voor de uitgaven van het Centrum in 2005 voorafgaand aan het effectueren van wettelijke vastleggingen, en dat tijdens dezelfde periode alle betalingen van het Centrum door de rekenplichtige zijn verricht zonder dat de ordonnateur betalingsopdrachten had gegeven;
   constateerde dat de boekhouding van het Centrum in 2005, in strijd met het financieel reglement van het Centrum, niet volgens de methode van dubbel boekhouden is gevoerd, waardoor het risico bestaat dat er fouten zijn gemaakt;

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer worden gecontroleerd in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de hoogste begroting is die van het Europees Bureau voor wederopbouw met 271 miljoen EUR en de laagste die van de Europese Politieacademie (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   merkt op dat de reeks externe EU-organen die onderworpen zijn aan boekhoudkundige controle en kwijting thans niet alleen de traditionele regelgevende agentschappen omvat, maar ook uitvoeringsagentschappen doe zijn opgericht om uitvoering te geven aan specifieke programma's, en dat hieronder in de toekomst ook gemeenschappelijke ondernemingen zullen vallen, die zijn opgezet in de vorm van publiek-private partnerschappen (gemzamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend, zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer, maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingprocedure te log is geworden en niet evenredig is aan de omvang van de begrotingen van de verschillende agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met het doel om een eenvoudiger en rationeler aanpak te ontwerpen, gelet op het steeds toenemende aantal lichamen waarvoor in toekomstige jaren een afzonderlijk kwijtingverslag zal moeten worden opgesteld;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie duidelijke uitleg te verstrekken over de volgende punten, alvorens zij overgaat tot de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne bestuurstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en stakeholders van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   verlangt dat er voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door dat agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en die de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten moet omvatten;

7.   dringt erop aan dat de resultaten die de agentschappen boeken regelmatig (en op ad hoc-basis) door de Europese Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie worden gecontroleerd; is van oordeel dat deze zich niet zouden moeten beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiency en de doelmatigheid moeten omvatten, alsook een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd is, omdat ze zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het Statuut van de ambtenaren enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze regelgevingsvereisten te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing hiervoor te zoeken om de efficiency te vergroten door bundeling van de administratieve taken van verscheidene agentschappen, zodat deze minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat ze aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorlopig voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn terzake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie in gebreke zijn gebleven, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle betrokken instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden uitgevoerd en dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen op het algemene Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling van de agentschappen en in hun diverse specifieke financiële voorschriften;

Presentatie van de rapporteringsdata

13.   merkt op dat de agentschappen geen standaardaanpak hanteren ten aanzien van de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar en hun rekeningen en hun verslagen over hun budgettair en financieel beheer, en evenmin ten aanzien van de vraag of de verklaring van verzekering moet worden opgesteld door de directeur van het agentschap; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

14.   merkt op dat de permanente instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet verlangen dat een agentschap een verklaring van verzekering opstelt, maar dat vele directeuren dat voor 2006 wel hebben gedaan, waarbij in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

15.   herinnert aan zijn resolutie van 12 april 2005(17), waarin de directeuren van de agentschappen verzocht worden om hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, in het vervolg vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de verrichtingen, analoog met de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

16.   verzoekt de Commissie haar permanente instructies aan de agentschappen in die zin te amenderen;

17.   stelt bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen moet werken aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin onderscheid wordt gemaakt tussen:

   een jaarverslag bestemd voor een breed publiek over de operaties en werkzaamheden van het orgaan en de bereikte resultaten;
   de financiële data en een verslag over de uitvoering van de begroting;
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie;
   een verklaring van verzekering, ondertekend door de directeur van het orgaan, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen waarvan hij het wenselijk acht dat zij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit worden gebracht;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

18.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (Jaarverslag paragraaf 10.29(18)) dat de betaling van subsidies uit de communautaire begroting door de Commissie niet berust op voldoende onderbouwde ramingen van de behoeften aan kasmiddelen van de agentschappen en dat dit in combinatie met de omvang van de overdrachten met zich meebrengt dat ze over aanzienlijke kassaldi beschikken; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

19.   merkt op dat 14 agentschappen het ABAC boekhoudingsysteem nog moesten invoeren eind 2006 (jaarverslag, voetnoot bij paragraaf 10.31);

20.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet-opgenomen verlof die bij sommige agentschappen worden geboekt; wijst erop dat de Rekenkamer opmerkingen plaatst bij zijn betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen (Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (CEDEFOP), CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) voor het begrotingsjaar 2006 (2005: het CEDEFOP, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

21.   herinnert eraan dat de interne financieel controleur van de Commissie volgens artikel 185, lid 3 van het Financieel Reglement ook de intern financieel controleur is van de reguleringsagentschappen die geld ontvangen uit de EU-begroting; wijst erop dat de interne financieel controleur verslag uitbrengt aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap;

22.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van de intern controleur voor 2006:"

De intern financieel controleur van de Commissie is niet in staat om te voldoen aan de verplichting die hem in artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem ontbreekt aan de personele middelen daarvoor

"

23.   neemt evenwel nota van de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag 2006 dat de financiën van alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis gecontroleerd zullen worden, nu de Commissie de Interne Accountantsdienst (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld;

24.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS gecontroleerd moeten worden, steeds verder toeneemt; verzoekt de Commissie zijn bevoegde commissie mede te delen of de IAS over voldoende personeel zal beschikken om de financiën van al deze organen de komende jaren jaarlijks te kunnen controleren;

25.   merkt op dat artikel 72, lid 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de intern financieel controleur zijn uitgevoerd, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen mede te delen of dit ook is gebeurd en, zo ja, op welke wijze;

26.   neemt ten aanzien van het vermogen van de interne accountantsdienst om met name de kleinere agentschappen te controleren, nota van een voorstel dat de intern controleur op 14 september 2006 voor de bevoegde commissie van het Parlement heeft gedaan, namelijk om toe te staan dat de kleinere agentschappen gebruik kunnen maken van particuliere accountantsdiensten;

Beoordeling van de agentschappen

27.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring(19) waar het Parlement, de Raad en de Commissie het over eens zijn geworden bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 en waarin wordt opgeroepen een lijst op te stellen van i) de agentschappen die de Commissie wil beoordelen, en ii) de agentschappen die reeds zijn beoordeeld met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

28.   wijst erop dat afzonderlijke agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om tuchtcommissies bestaande uit personeel met een passende rang samen te stellen en dat het Bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie (IDO) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen om de oprichting te overwegen van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de verschillende agentschappen;

Ontwerp van interinstitutioneel akkoord

29.   herinnert aan het ontwerp van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord voor een operationeel kader voor de Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit ontwerp een nuttig initiatief vormt in het streven naar rationalisering van de oprichting en exploitatie van de agentschappen; neemt nota van de opmerking van de Commissie in haar syntheseverslag 2006 (paragraaf 3.1, COM(2007)0274) dat hoewel er na de publicatie van het voorstel aanvankelijk weinig schot zat in de onderhandelingen, de inhoudelijke discussie eind 2006 weer is begonnen in de Raad; betreurt het dat het niet mogelijk is geweest de aanneming ervan dichterbij te brengen;

30.   begroet dan ook de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling over de toekomst van de regelgevende agentschappen zal voorleggen;

Agentschappen met eigen financiering

31.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

32.   is van mening dat het Centrum een belangrijke instelling is voor de versterking en ontwikkeling van Europese ziektebewaking, alarmsystemen en gezaghebbende wetenschappelijke adviezen over risico's van nieuwe en opkomende besmettelijke ziekten; merkt met tevredenheid op dat het Centrum in 2006 een aanzienlijk aantal producten en diensten heeft kunnen ontwikkelen om zijn functie te vervullen;

33.   neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer in zijn verslag over 2006 dat bijna 45% van de gedurende het jaar aangegane vastleggingen werd overgedragen, en dat gedurende de tweede helft van 2006 een groot aantal overschrijvingen heeft plaatsgevonden, voornamelijk omdat de personeelsbehoeften verkeerd waren ingeschat, zonder dat de raad van bestuur van het Centrum daarvan tijdig in kennis was gesteld;

34.   uit zijn bezorgdheid over de bevinding van de Rekenkamer dat opnieuw juridische toezeggingen zijn gedaan zonder dat daarvoor vantevoren begrotingsmiddelen waren gereserveerd, hetgeen in strijd is met het Financieel Reglement;

35.   roept het Centrum op de nodige maatregelen te nemen in reactie op de bevinding van de Rekenkamer dat de rechten van toegang tot het geautomatiseerde begrotingsbeheersysteem niet altijd strookten met de door de directeur verleende machtigingen en dat de rekenplichtige de belangrijkste vastleggings- en betalingsprocedures nog niet heeft gevalideerd;

36.   neemt kennis van de antwoorden van het Centrum, waarin staat dat:

   interne capaciteit is gecreëerd en maatregelen zijn genomen om de tekortkomingen aan te pakken, alsook om de interne controlesystemen te verbeteren;
   het Centrum een veiligheidsofficier voor het financieel systeem (SI2) heeft aangesteld en voor capaciteit voor interne controle heeft gezorgd;

37.   neemt kennis van de informatie in de economische resultatenrekening van het Centrum dat het in 2006 op basis van inkomsten ten belope van 15,8 miljoen EUR een economisch resultaat van 5,3 miljoen EUR heeft geboekt, met een totaal cashbedrag in de bank van 7,2 miljoen EUR, en dat op de balans een aan de Commissie terug te betalen bedrag van 400 000 EUR voor prefinanciering staat;

38.   herinnert eraan dat de begroting van het Centrum is gegroeid van 4,53 miljoen EUR in 2005 naar 17,15 miljoen EUR in 2006, en dat het aantal personeelsleden is gestegen van 43 naar 85; wijst erop dat het Centrum niet alleen door de Rekenkamer is gecontroleerd, maar ook door de Commissie in mei 2006 aan de hand van de IAS, resulterend in een actieplan, en dat het Centrum in 2006 een controlecommissie in het leven heeft geroepen;

39.   is verheugd over de opname in het jaarverslag van het Centrum van de 24 interne controlenormen; is van oordeel dat dit nuttig is, en navolging door de andere agentschappen verdient.

(1) PB C 261 van 31.10.07, blz. 49.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 99.
(3) PB L 248 van 16.09.02, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.07, blz. 49.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 99.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.07, blz. 49.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 99.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 170.
(17) Alle resoluties over de agentschappen zijn gepubliceerd in PB L 196 van 27.7.2005.
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 Rev 1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).


Kwijting 2006: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving
PDF 239kWORD 78k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0375/2007 – 2007/2050(DEC))
P6_TA(2008)0147A6-0116/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Waarnemingscentrum(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1920/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 over het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving(4), en met name artikel 15,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0116/2008),

1.   verleent de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Waarnemingscentrum voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0375/2007 – 2007/2050(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Waarnemingscentrum(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1920/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 over het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving(9), en met name artikel 15,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0116/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving zoals deze bij het verslag van de Rekenkamer is gevoegd:

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0375/2007 – 2007/2050(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Waarnemingscentrum(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1920/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 over het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving(14), en met name artikel 15,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0116/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2005(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

   opmerkte dat van de administratieve uitgaven een aanzienlijk deel, namelijk bijna 40%, was overgedragen; het Centrum verzocht om zijn beleid inzake opdrachten beter te beheersen ter voorkoming van kredietoverdrachten;
   nota nam van het feit dat de procedures voor de werving van personeel tekortkomingen vertoonden en het Centrum verzocht de aanwervingsprocedures correct toe te passen;
   nota nam van het feit dat er diverse anomalieën werden ontdekt bij de controle van de plaatsing van opdrachten en de sluiting van overeenkomsten;
   het Centrum uitnodigde om de systemen voor de inventarisatie van de vaste activa te verwerken in de algemene boekhouding omdat zonder een betrouwbaar etiketteersysteem niet verzekerd is dat de inventarisgoederen te traceren zijn;

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer worden gecontroleerd in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de hoogste begroting is die van het Europees Bureau voor wederopbouw met 271 miljoen EUR en de laagste die van de Europese Politieacademie (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   wijst erop dat de reeks externe EU-organen die worden onderworpen aan audit en kwijting thans niet alleen meer de traditionele regelgevende agentschappen maar ook uitvoerende agentschappen omvatten die zijn opgericht om specifieke programma's ten uitvoer te leggen, en dat deze reeks in de nabije toekomst nog zal worden uitgebreid tot gezamenlijke ondernemingen die zijn opgezet als publiek-private partnerschappen (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend, zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingsprocedure te log is geworden en niet meer in verhouding staat tot de relatieve omvang van de begrotingen van de agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met als doel een eenvoudiger en rationeler aanpak uit te werken, rekening houdend met het feit dat het aantal organen waarvoor in de toekomst een afzonderlijk kwijtingsverslag zal moeten worden opgesteld, almaar toeneemt;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie vóór de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap duidelijke uitleg te verstrekken met betrekking tot de volgende punten: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne bestuurstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en stakeholders van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   verlangt dat voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door dat agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en die de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten moet omvatten;

7.   verlangt dat de Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie regelmatig (en op ad hoc-basis) onderzoeken instelt naar de prestaties van de agentschappen; is van oordeel dat deze onderzoeken zich niet mogen beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiëntie en prestaties moeten omvatten, evenals een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd is, omdat ze zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het Statuut van de ambtenaren enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze regelgevingsvereisten te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing hiervoor te zoeken om de efficiency te vergroten door bundeling van de administratieve taken van verscheidene agentschappen, zodat deze minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat ze aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn terzake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie de begroting niet hebben aangepast, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie heeft verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle betrokken instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden uitgevoerd en dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen op het algemene Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling van de agentschappen en in de diverse specifieke financiële voorschriften hierin;

Presentatie van de rapporteringsdata

13.   merkt op dat de agentschappen geen standaardaanpak volgen voor de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar en van hun rekeningen en verslagen over budgettair en financieel beheer, noch wat de vraag betreft of de directeurs van de agentschappen een betrouwbaarheidsverklaring moeten opstellen; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

14.   merkt op dat de vaste instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet voorschrijven dat de agentschappen een betrouwbaarheidsverklaring moeten opstellen, maar dat vele directeuren dat voor het jaar 2006 niettemin hebben gedaan, waarbij in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

15.   herinnert aan paragraaf 25 van zijn resolutie van 12 april 2005(17), waarin het de directeuren van de agentschappen verzoekt om met ingang van heden hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van werkzaamheden, analoog aan de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

16.   verzoekt de Commissie haar permanente instructies aan de agentschappen dienovereenkomstig te amenderen;

17.   pleit er bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen werkt aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin onderscheid wordt gemaakt tussen

   een voor een breed publiek bestemd jaarverslag over de operaties, werkzaamheden en bereikte resultaten van het orgaan;
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting;
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie;
   een door de directeur van het orgaan ondertekende betrouwbaarheidsverklaring, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen waarvan hij het wenselijk acht dat zij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit worden gebracht;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

18.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 10.29(18)) dat de door de Commissie uit de communautaire begroting betaalde subsidies niet gebaseerd zijn op toereikend gemotiveerde ramingen van de kasbehoeften van de agentschappen en dat dit er, in combinatie met de omvang van de uit het voorgaande jaar overgedragen bedragen toe leidt dat zij aanzienlijke bedragen in kas hebben; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

19.   merkt op dat eind 2006 nog 14 agentschappen het ABAC-boekhoudsysteem moesten invoeren (jaarverslag, voetnoot bij paragraaf 10.31);

20.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet-opgenomen verlof die bij sommige agentschappen werden geregistreerd; wijst erop dat de Rekenkamer haar betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen ( namelijk het Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (CEDEFOP), de CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) van kanttekeningen heeft voorzien met betrekking tot het begrotingsjaar 2006 (voor 2005 was dat het geval bij: het CEDEFOP, de Europese autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

21.   herinnert eraan dat de intern controleur van de Commissie krachtens artikel 185, lid 3 van het Financieel Reglement ook als intern controleur fungeert voor de regelgevende agentschappen die uit de EU-begroting worden gefinancierd; wijst erop dat de intern controleur aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap verslag uitbrengt;

22.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van de intern controleur voor 2006:"

De interne financiële controleur van de Commissie is niet in staat te voldoen aan de verplichting die hem krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem hiervoor aan de nodige personele middelen ontbreekt

"

23.   neemt evenwel nota van de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag voor 2006 dat, nu de Commissie de Dienst interne audit (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld, alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis zullen worden gecontroleerd;

24.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS moeten worden gecontroleerd, almaar toeneemt; verzoekt de Commissie de terzake bevoegde commissie van het Parlement te laten weten of de IAS over voldoende personeel beschikt om de financiën van al deze organen de komende jaren op jaarbasis te kunnen controleren;

25.   merkt op dat artikel 72, lid 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de intern financieel controleur zijn uitgevoerd, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen aan te geven of dit gebeurd is en, zo ja, op welke wijze;

26.   vestigt wat de interne controlecapaciteit betreft, vooral met betrekking tot de kleinere agentschappen, de aandacht op een voorstel dat de intern financieel controleur op 14 september 2006 aan de bevoegde commissie van het Parlement heeft gedaan en waarin hij te kennen geeft dat kleinere agentschappen toestemming zouden moeten krijgen om interne auditdiensten tegen betaling door de privésector te laten verrichten;

Beoordeling van de agentschappen

27.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring waarover Parlement, Raad en Commissie(19) het bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 eens zijn geworden en waarin een oproep wordt gedaan voor het opstellen van (i) een lijst met de agentschappen die de Commissie wil beoordelen en (ii) een lijst van de agentschappen die reeds zijn beoordeeld, met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

28.   wijst erop dat bepaalde agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om tuchtcommissies samen te stellen bestaande uit personeel met een passende rang en dat het Bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie (IDOC) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen zich te beraden over de oprichting van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de respectieve agentschappen;

Ontwerp van interinstitutioneel akkoord

29.   herinnert aan het ontwerp van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit ontwerp een nuttig initiatief vormt in het streven naar rationalisering van de oprichting en exploitatie van agentschappen; vestigt de aandacht op de verklaring in het samenvattend verslag van de Commissie over 2006 (paragraaf 3.1, COM(2007)0274) dat na de publicatie van het voorstel verdere vooruitgang bij de onderhandelingen weliswaar voor enige tijd geblokkeerd raakte, maar dat de inhoudelijke discussie eind 2006 door de Raad werd hervat; betreurt dat het niet mogelijk bleek de aanneming daarvan een stap dichterbij te brengen;

30.   is dan ook ingenomen met de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling zal voorleggen over de toekomst van de regelgevende agentschappen;

Agentschappen met eigen financiering

31.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

32.   neemt nota van de opmerkingen van de Rekenkamer in diens verslag over 2006 dat

   het Centrum het niveau van de overgedragen kredieten in 2006 heeft beperkt tot 25% (40% in 2005);
   er vertraging is opgetreden bij het verrichten van de betalingen aan de nationale knooppunten van Reitox (Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving) in het kader van de subsidieovereenkomsten;
   een personeelslid waarvan de detachering naar de Commissie was beëindigd, nog steeds door het Centrum werd betaald zonder het werk in Lissabon te hebben hervat; neemt er nota van dat over deze kwestie momenteel een juridische procedure loopt op grond van het Statuut;

33.   spreekt zijn waardering uit voor de maatregelen die het Centrum heeft genomen om de tenuitvoerlegging van zijn begroting te verbeteren; betreurt echter dat het overdrachtspeil nog steeds te hoog is;

34.   leert uit de rekeningen van het Centrum dat dit in juli 2006 een fysieke controle heeft uitgevoerd van zijn inventaris en dat de resultaten hiervan zijn ingevoerd in een specifiek computersysteem;

35.   neemt er nota van dat de balans grond en gebouwen omvat die op een waarde worden geschat van 2,5 miljoen EUR;

36.   leest in het zeer volledige jaarlijkse activiteitenverslag van het Centrum dat in 2007 een evaluatie van de operaties ervan is uitgevoerd; neemt er voorts nota van dat het Centrum voor zijn interne controle een beroep doet op de internecontroledienst van de Commissie;

37.   neemt er nota van dat in de werkprogramma's van het Centrum voor 2007 en voor de periode 2007-2009 een beheersplan wordt vastgesteld voor de uitvoering van de recente aanbevelingen van de internecontroledienst van de Commissie, alsmede de volgende strategische doelstellingen zijn opgenomen:

   ontwikkeling van controle achteraf van financiële verrichtingen;
   ontwikkeling van een interne capaciteit voor risicobeoordeling en interne controle;
   ontwikkeling van instrumenten en procedures voor geïntegreerd middelenbeheer en bevordering van externe synergieën, met name met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), ook gevestigd in Lissabon;
   een gestructureerder en doeltreffender personeelsbeleid;
   succesvolle afwerking van de verhuizing naar zijn nieuwe hoofdkwartier in Lissabon.

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 67.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 128.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 67.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 128.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 67.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 128.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 1.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 99.
(17) Resolutie van het Europees Parlement houdende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting aan de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 121).
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 Rev1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).


Kwijting 2006: Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat)
PDF 240kWORD 73k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat) voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0374/2007 – 2007/2049(DEC))
P6_TA(2008)0148A6-0113/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat) voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 houdende oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(4), en met name artikel 21,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0113/2008),

1.   verleent de directeur van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat) kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat) voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0374/2007 – 2007/2049(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat) voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 houdende oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(9), en met name artikel 21,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0113/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat), zoals deze bij het verslag van de Rekenkamer is gevoegd,

2.   gaat akkoord met de rekeningen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat) voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat) voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0374/2007 – 2007/2049(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (voorheen het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat) voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 houdende oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(14), en met name artikel 21,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0113/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaart redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de rekeningen betreffende het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar zijn en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2005(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

   heeft vastgesteld dat niet werd overgeschakeld op activiteitengeoriënteerd management, hoewel het financieel reglement van het Centrum de invoering daarvan voorschrijft zoals dat is gedaan voor de algemene begroting teneinde de prestaties beter te kunnen volgen;
   het Centrum heeft verzocht een systeem voor de programmering en het beheer van zijn aankopen van uitrusting in te voeren en heeft vastgesteld dat het ook geen cyclische controle van zijn inventaris verricht,
   heeft vastgesteld dat de interne controlesystemen diverse tekortkomingen vertonen en dat het beginsel van scheiding van functies niet strikt wordt toegepast, met name tussen functies van het initiëren en verifiëren van verrichtingen;

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer zijn gecontroleerd in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de hoogste begroting is die van het Europees Bureau voor wederopbouw met 271 miljoen EUR en de laagste die van de Europese Politieacademie (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   merkt op dat de reeks externe EU-organen die onderworpen zijn aan boekhoudkundige controle en kwijting thans niet alleen de traditionele regelgevende agentschappen omvat, maar ook uitvoeringsagentschappen doe zijn opgericht om uitvoering te geven aan specifieke programma's, en dat hieronder in de toekomst ook gemeenschappelijke ondernemingen zullen vallen, die zijn opgezet in de vorm van publiek-private partnerschappen (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer, maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingprocedure te log is geworden en niet afgestemd is op de omvang van de begrotingen van de verschillende agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met het doel om een eenvoudiger en rationeler aanpak te ontwerpen, gelet op het steeds toenemende aantal lichamen waarvoor in toekomstige jaren een afzonderlijk kwijtingverslag zal moeten worden opgesteld;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie duidelijke uitleg te verschaffen over de volgende punten, alvorens zij overgaat tot de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne beheersstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en belanghebbenden van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   verlangt dat voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door het agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten, moet omvatten;

7.   verlangt dat er naar de prestaties van de agentschappen regelmatig (en op een ad-hocbasis) onderzoeken worden ingesteld door de Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie; is van oordeel dat deze onderzoeken zich niet mogen beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiëntie en prestaties moeten omvatten, evenals een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd is, omdat ze zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het Statuut van de ambtenaren enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze regelgevingsvereisten te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing te zoeken om de efficiency te vergroten door de administratieve taken van verscheidene agentschappen te bundelen, zodat de minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat deze aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorlopig voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn terzake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie in gebreke zijn gebleven, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle betrokken instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van oordeel dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onverwijld moeten worden opgevolgd en dat de omvang van de subsidie aan de agentschappen op hun reële financiële behoeften moet worden afgestemd; is voorts van oordeel dat wijzigingen in het Financieel Reglement ook in het financiële kaderreglement en de verschillende specifieke financiële reglementen moeten worden aangebracht;

Presentatie van de rapporteringsdata

13.   merkt op dat onder de agentschappen geen standaardaanpak bestaat voor de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar, en van hun rekeningen en verslagen over hun budgettaire en financieel beheer, noch voor de vraag of er een betrouwbaarheidsverklaring moet worden opgesteld door de directeur van het agentschap; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen (a) de presentatie van hun werk aan het publiek en (b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

14.   merkt op dat de permanente instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet verlangen dat een agentschap een verklaring van verzekering opstelt, maar dat vele directeuren dat voor 2006 wel hebben gedaan, waarbij in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

15.   herinnert aan paragraaf 27 van zijn resolutie van 12 april 2005(17), waarin het de directeuren van de agentschappen verzoekt om met ingang van heden hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de handelingen, analoog aan de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

16.   verzoekt de Commissie haar vaste instructies aan de agentschappen in die zin te amenderen;

17.   stelt bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen moet werken aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin onderscheid wordt gemaakt tussen:

   een jaarverslag bestemd voor een breed publiek over de operaties en werkzaamheden van het orgaan en de bereikte resultaten;
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting;
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie;
   een verklaring van verzekering, ondertekend door de directeur van het orgaan, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen waarvan hij het wenselijk acht dat zij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit worden gebracht;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

18.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (jaarverslag, punt 10.29(18)) dat de door de Commissie uit de communautaire begroting betaalde subsidies niet gebaseerd zijn op toereikend gemotiveerde ramingen van de kasbehoeften van de agentschappen en dat dit er in combinatie met de omvang van de uit vorige jaren overgedragen bedragen toe leidt dat zij aanzienlijke bedragen in kas hebben; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

19.   merkt op dat 14 agentschappen het ABAC-boekhoudsysteem eind 2006 nog moesten invoeren (jaarverslag, voetnoot bij punt 10.31);

20.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, punt 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet opgenomen verlof die bij sommige agentschappen werden geregistreerd; wijst erop dat de Rekenkamer haar betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen (Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (CEDEFOP), CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) van kanttekeningen heeft voorzien met betrekking tot het begrotingsjaar 2006 (voor 2005 was dat het geval bij: het CEDEFOP, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

21.   herinnert eraan dat de interne financieel controleur van de Commissie volgens artikel 185, lid 3 van het Financieel Reglement ook de intern financieel controleur is van de reguleringsagentschappen die geld ontvangen uit de EU-begroting; wijst erop dat de interne financieel controleur verslag uitbrengt aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap;

22.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van de intern controleur voor 2006:"

De intern financieel controleur van de Commissie is niet in staat om te voldoen aan de verplichting die hem in artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem ontbreekt aan de personele middelen daarvoor

"

23.   wijst evenwel op de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag 2006 dat de financiën van alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis gecontroleerd zullen worden, nu de Commissie de Interne Accountantsdienst (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld;

24.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS gecontroleerd moeten worden, steeds verder toeneemt; verzoekt de Commissie zijn bevoegde commissie mede te delen of de IAS over voldoende personeel zal beschikken om de financiën van al deze organen de komende jaren jaarlijks te kunnen controleren;

25.   merkt op dat artikel 72, lid 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de interne financiële controleur zijn verricht, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen mede te delen of dit ook is gebeurd en, zo ja, op welke wijze;

26.   vestigt wat de interne controlecapaciteit betreft, vooral met betrekking tot de kleinere agentschappen, de aandacht op een voorstel dat de intern financieel controleur op 14 september 2006 aan de bevoegde commissie van Parlement heeft gedaan en waarin hij te kennen geeft dat kleinere agentschappen toestemming zouden moeten krijgen om interne auditdiensten tegen betaling door de privésector te laten verrichten;

Beoordeling van de agentschappen

27.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring waarover Parlement, Raad en Commissie(19) het bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 eens zijn geworden en waarin een oproep wordt gedaan tot het opstellen van (i) een lijst van de agentschappen die de Commissie wil beoordelen en (ii) een lijst van de agentschappen die reeds zijn beoordeeld, met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

28.   wijst erop dat bepaalde agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om ad hoc tuchtcommissies samen te stellen bestaande uit personeel met een passende rang en dat het Bureau voor onderzoek en disciplinaire maatregelen van de Commissie (IDOC) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen om de oprichting van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de verschillende agentschappen te overwegen;

Ontwerp voor een interinstitutioneel akkoord

29.   herinnert aan het voorstel van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit voorstel een nuttig initiatief vormt in het streven naar een rationalisering van de oprichting en het beheer van agentschappen; neemt nota van de opmerking van de Commissie in haar syntheseverslag 2006 (paragraaf 3.1, COM(2007)0274) dat, hoewel er na de publicatie van het voorstel aanvankelijk weinig schot zat in de onderhandelingen, de inhoudelijke discussie in de Raad eind 2006 weer is begonnen; betreurt het dat het niet mogelijk is geweest de aanneming ervan dichterbij te brengen;

30.   is dan ook ingenomen met de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling over de toekomst van de regelgevende agentschappen zal voorleggen;

Agentschappen met eigen financiering

31.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

32.   stelt vast dat de Rekenkamer in zijn verslag van 2006 heeft geconstateerd dat het agentschap een bedrag van 235 000 EUR uit de operationele reserve (titel III) heeft overgeboekt naar titel I (personeelsuitgaven) om de gestegen kosten voor tijdelijk personeel op te vangen, zonder deze overboeking met redenen te omkleden, zoals wordt voorgeschreven door het Financieel Reglement van het agentschap;

33.   stelt op basis van de jaarrekeningen vast dat het agentschap in 2006 een positief saldo van 1 170 985 EUR aan de Commissie heeft terugbetaald;

34.   wijst erop dat de JBZ-Raad in december 2006 heeft besloten het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat een ruimer mandaat te geven als Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten;

35.   betreurt dat het jaarverslag en de jaarrekeningen voor het werkprogramma 2006 en 2007 relatief weinig informatie bevaten over de uitvoering van de begroting, financiële verslaglegging, risico's, evaluatie en controle; verzoekt het agentschap de kwaliteit van zijn financiële verslaglegging te verbeteren en zijn jaarlijkse activiteitenverslag op zijn website te publiceren

36.   onderstreept dat het Bureau bij zijn aanwervingsprocedures de voorschriften en doelstellingen van het Reglement moet eerbiedigen;

37.   is ingenomen met het streven van het Bureau om rekening te houden met de opmerkingen van de Rekenkamer en dringt er bij het Bureau op aan zijn financieel beheer te blijven verbeteren.

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 1.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 6.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 1.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 6.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 1.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 6.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 92.
(17) Resolutie van het Europees Parlement houdende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting aan de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 127).
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 Rev 1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).


Kwijting 2006: Europees Bureau voor wederopbouw
PDF 271kWORD 77k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0373/2007 – 2007/2048(DEC))
P6_TA(2008)0149A6-0112/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2667/2000 van de Raad van 5 december 2000 betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw(4), en met name artikel 8,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0112/2008),

1.   verleent de directeur van het Europees Bureau voor wederopbouw kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Bureau voor wederopbouw, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0373/2007 – 2007/2048(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2667/2000 van de Raad van 5 december 2000 betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw(9), en met name artikel 8,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0112/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van het Europees Bureau voor wederopbouw, zoals deze bij het verslag van de Europese Rekenkamer is gevoegd;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Bureau voor wederopbouw, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0373/2007 – 2007/2048(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Bureau voor wederopbouw voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2667/2000 van de Raad van 5 december 2000 betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw(14), en met name artikel 8,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0112/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Bureau voor wederopbouw op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2005(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

   de maatregelen verwelkomt die het Bureau heeft getroffen om de gunning van opdrachten te verbeteren naar aanleiding van de opmerkingen van de Rekenkamer in haar jaarverslagen over 2003 en 2004, hetgeen op verschillende gebieden tot meer transparantie heeft geleid;
   opmerkt dat de Rekenkamer in haar verslag over 2004 op basis van een onderzoek naar de operaties die waren toevertrouwd aan de VN-missie voor interim-bestuur in Kosovo (UNMIK), heeft vastgesteld dat het Bureau betalingen verrichtte zonder een behoorlijke financiële controle uit te oefenen en dat het grote moeite had om de operaties af te sluiten, vooral door het ontbreken van deugdelijke rekeningen met betrekking tot de projecten en voldoende motivering van de uitgaven;

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer worden gecontroleerd in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de hoogste begroting is die van het Europees Bureau voor wederopbouw met 271 miljoen EUR en de laagste die van de Europese Politieacademie (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   wijst erop dat de reeks externe EU-organen die worden onderworpen aan audit en kwijting thans niet alleen meer de traditionele regelgevende agentschappen maar ook uitvoerende agentschappen omvatten die zijn opgericht om specifieke programma's ten uitvoer te leggen, en dat deze reeks in de nabije toekomst nog zal worden uitgebreid tot gezamenlijke ondernemingen die zijn opgezet als publiek-private partnerschappen (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend, zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingsprocedure te log is geworden en niet meer in verhouding staat tot de relatieve omvang van de begrotingen van de agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met als doel een eenvoudiger en rationeler aanpak uit te werken, rekening houdend met het feit dat het aantal organen waarvoor in de toekomst een afzonderlijk kwijtingsverslag zal moeten worden opgesteld, almaar toeneemt;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie vóór de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap duidelijke uitleg te verstrekken met betrekking tot de volgende punten: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne bestuurstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en stakeholders van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   verlangt dat voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door dat agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en waarin de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten zijn opgenomen;

7.   dringt erop aan dat de resultaten die de agentschappen boeken regelmatig (en op ad hoc-basis) door de Europese Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie worden gecontroleerd; is van oordeel dat deze zich niet zouden moeten beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiency en de doelmatigheid moeten omvatten, alsook een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacatures; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen kritiek hebben gekregen omdat ze zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het ambtenarenstatuut enz. hebben gehouden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet de minimaal vereiste omvang hebben om met deze regelgevingsvereisten om te kunnen gaan; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing hiervoor te zoeken teneinde de effectiviteit te bevorderen door de beheersfuncties van verscheidene agentschappen te bundelen zodat deze minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen te formuleren (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat ze zich wel aan alle voorschriften kunnen houden;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorlopig voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie in gebreke zijn gebleven, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle betrokken instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van oordeel dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onverwijld moeten worden opgevolgd en dat de omvang van de aan de agentschappen verstrekte subsidies op hun reële financiële behoeften moet worden afgestemd; is voorts van oordeel dat wijzigingen in het Financieel Reglement ook in de financiële kaderregeling en in de verschillende specifieke financiële reglementen moeten worden aangebracht;

13.   vreest dat het grote aantal tijdelijke personeelsleden de kwaliteit van het werk in ongunstige zin kan beïnvloeden; verzoekt de Commissie daarom beter toe te zien op de toepassing van het Statuut van de ambtenaren door de agentschappen;

Presentatie van de rapporteringsdata

14.   merkt op dat de agentschappen geen standaardaanpak volgen voor de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar, hun rekeningen en hun verslagen over budgettair en financieel beheer, noch voor wat betreft de vraag of de directeurs van de agentschappen een betrouwbaarheidsverklaring moeten opstellen; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

15.   merkt op dat de vaste instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet voorschrijven dat de agentschappen een betrouwbaarheidsverklaring moeten opstellen, maar dat vele directeuren dat voor het jaar 2006 niettemin hebben gedaan, waarbij in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

16.   herinnert aan paragraaf 41 van zijn resolutie van 12 april 2005(17), waarin het de directeuren van de agentschappen verzoekt om met ingang van heden hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van werkzaamheden, analoog aan de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

17.   verzoekt de Commissie haar permanente instructies aan de agentschappen dienovereenkomstig te amenderen;

18.   pleit er bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen werkt aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen

   een voor een breed publiek bestemd jaarverslag over de operaties, werkzaamheden en bereikte resultaten van het orgaan;
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting;
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie;
   een door de directeur van het orgaan ondertekende betrouwbaarheidsverklaring, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen waarvan hij het wenselijk acht dat zij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit worden gebracht;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

19.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 10.29(18)) dat de door de Commissie uit de communautaire begroting betaalde subsidies niet gebaseerd zijn op toereikend gemotiveerde ramingen van de kasbehoeften van de agentschappen en dat dit er, in combinatie met de omvang van de uit het voorgaande jaar overgedragen bedragen toe leidt dat zij aanzienlijke bedragen in kas hebben; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

20.   merkt op dat eind 2006 nog 14 agentschappen het ABAC-boekhoudsysteem moesten invoeren (jaarverslag, voetnoot bij paragraaf 10.31);

21.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet-opgenomen verlof die bij sommige agentschappen werden geregistreerd; wijst erop dat de Rekenkamer haar betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen ( namelijk het Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (CEDEFOP), de CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) van kanttekeningen heeft voorzien met betrekking tot het begrotingsjaar 2006 (voor 2005 was dat het geval bij: het CEDEFOP, de Europese autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

22.   herinnert eraan dat de intern controleur van de Commissie krachtens artikel 185, lid 3 van het Financieel Reglement ook als intern controleur fungeert voor de regelgevende agentschappen die uit de EU-begroting worden gefinancierd; wijst erop dat de intern controleur aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap verslag uitbrengt;

23.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van de intern controleur voor 2006:"

De interne financieel controleur van de Commissie is niet in staat te voldoen aan de verplichting die hem krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem hiervoor aan de nodige personele middelen ontbreekt

"

24.   neemt evenwel nota van de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag voor 2006 dat, nu de Commissie de Dienst interne audit (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld, alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis zullen worden gecontroleerd;

25.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS moeten worden gecontroleerd, almaar toeneemt; verzoekt de Commissie de terzake bevoegde commissie van het Parlement te laten weten of de IAS over voldoende personeel beschikt om de financiën van al deze organen de komende jaren op jaarbasis te kunnen controleren;

26.   merkt op dat artikel 72, lid 5, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de intern financieel controleur zijn uitgevoerd, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen aan te geven of dit gebeurd is en, zo ja, op welke wijze;

27.   vestigt wat de interne controlecapaciteit betreft, vooral met betrekking tot de kleinere agentschappen, de aandacht op een voorstel dat de intern financieel controleur op 14 september 2006 aan de bevoegde commissie van het Parlement heeft gedaan en waarin hij te kennen geeft dat kleinere agentschappen toestemming zouden moeten krijgen om interne auditdiensten tegen betaling door de privésector te laten verrichten;

Beoordeling van de agentschappen

28.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring waarover Parlement, Raad en Commissie(19) het bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 eens zijn geworden en waarin een oproep wordt gedaan voor het opstellen van i) een lijst met de agentschappen die de Commissie wil beoordelen en ii) een lijst van de agentschappen die reeds zijn beoordeeld, met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

29.   wijst erop dat bepaalde agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om tuchtcommissies samen te stellen bestaande uit personeel met een passende rang en dat het Bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie (IDOC) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen zich te beraden over de oprichting van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de respectieve agentschappen;

Ontwerp van interinstitutioneel akkoord

30.   herinnert aan het ontwerp van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit ontwerp een nuttig initiatief vormt in het streven naar rationalisering van de oprichting en exploitatie van agentschappen; vestigt de aandacht op de verklaring in het samenvattend verslag van de Commissie over 2006 (par. 3.1, COM(2007)0274) dat na de publicatie van het voorstel verdere vooruitgang bij de onderhandelingen weliswaar voor enige tijd geblokkeerd raakte, maar dat de inhoudelijke discussie eind 2006 door de Raad werd hervat; betreurt dat het niet mogelijk bleek de aanneming daarvan een stap dichterbij te brengen;

31.   is dan ook ingenomen met de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling zal voorleggen over de toekomst van de regelgevende agentschappen;

Agentschappen met eigen financiering

32.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

33.   complimenteert het Europees Bureau voor wederopbouw met de uitmuntende bijdrage die het heeft geleverd aan de ontwikkeling en versterking van de stabiliteit in de regio dankzij de verschillende programma's die het heeft opgezet en de verantwoorde wijze waarop het programma CARDS blijkt te worden beheerd;

34.   is van oordeel dat het Bureau met zijn werk een opmerkelijke bijdrage heeft geleverd tot de ontwikkeling van de regio en dat het zijn opdracht naar tevredenheid heeft uitgevoerd; neemt kennis van het besluit tot opheffing van het Bureau in 2008 om de bijstand aan Servië, Kosovo, Montenegro en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië over te dragen aan de vertegenwoordigingen van de Commissie ter plaatse; beklemtoont dat de opgebouwde ervaring en deskundigheid aan de desbetreffende delegaties van de Commissie moeten worden overgedragen, onder meer door overplaatsing van personeel van het Bureau met het oog op de aansturing van de desbetreffende programma's door de bewuste delegaties;

35.   herhaalt in dat verband zijn verzoek om door de Commissie regelmatig op de hoogte te worden gehouden omtrent de overdracht van activiteiten van het Bureau naar de delegaties;

36.   spreekt zijn waardering uit voor de directeur en zijn personeel, die in zeer moeilijke omstandigheden werken en daardoor het imago en de zichtbaarheid van de EU aanmerkelijk hebben verbeterd;

37.   is van mening dat het Bureau niet alleen beschikt over de systemen (logistiek, IT-systemen en dergelijke) om na geschillen snel omvangrijke steunbedragen te implementeren, maar dat het met name blijk heeft gegeven van de beschikbaarheid van een hoog niveau van deskundigheid en kennis op het gebied van wederopbouw na oorlogen;

38.   stelt zich op het standpunt dat de Commissie, van zodra zij het beheer overneemt van het nieuwe instrument voor pretoetredingssteun met het oog op de uitvoering van aan de Gemeenschapswetgeving gerelateerde taken in verband met de Balkan, zij uiteindelijk bij de Raad een nieuwe taakomschrijving voor het Bureau moet indienen, daar dit - zoals overeengekomen - zijn werkzaamheden op de Balkan tegen eind 2008 moet beëindigen en moet worden omgevormd tot een echt Europees bureau voor buitenlandse operaties;

39.   is van mening dat de toekenning van een nieuwe taakomschrijving aan dit succesvolle bureau de meest doeltreffende manier zou zijn om bij externe operaties de nieuwe taken te kunnen uitvoeren die niet door de Commissiediensten in Brussel of door de Commissiedelegaties kunnen worden verricht;

40.   is van mening dat het Bureau via deze nieuwe taakomschrijving een bijzonder effectieve rol zou kunnen vervullen in gebieden die niet voor traditionele ontwikkelingshulp in aanmerking komen; is eveneens van mening dat de zichtbaarheid van de EU hierdoor aanmerkelijk zou worden verbeterd;

41.   wijst erop dat de Rekenkamer met betrekking tot het begrotingsjaar 2006 opmerkt dat het bestedingspercentage van de begroting weliswaar bevredigend was, maar dat niettemin de aandacht van het Bureau wordt gevestigd op het bedrag aan kredieten dat nog moet worden vastgelegd, hetgeen betekent dat het Bureau de uitvoering van zijn programma's nauwlettend moet volgen aangezien zijn mandaat eind 2008 verstrijkt;

42.   merkt voorts op dat de Rekenkamer constateert dat het boekhoudsysteem en het interne controlesysteem in vergelijking met de voorgaande jaren zijn verbeterd, met name wat betreft het toezicht op de door externe organen beheerde middelen en de toepassing van de procedures voor het plaatsen van opdrachten;

43.   herinnert eraan dat het Europees Bureau voor wederopbouw van alle aan de kwijtingsprocedure onderworpen agentschappen verreweg het grootste budget (voor 2006: 271 miljoen EUR) heeft;

44.   maakt echter uit de rekeningen van het Bureau op dat het totale bedrag aan kredieten dat naar 2007 is overgedragen 678 miljoen EUR bedraagt;

45.   verzoekt de Commissie de bevoegde commissie van het Parlement te laten weten wat er zal gebeuren met het aan het einde van het mandaat van het Bureau resterende kredietsaldo;

46.   merkt op dat de directeur van het Bureau op 30 mei 2007 een betrouwbaarheidsverklaring zonder voorbehoud heeft ondertekend;

47.   merkt op dat de Dienst interne audit eind 2004 een conformiteitsonderzoek heeft uitgevoerd naar de effectiviteit en de prestaties van de vijf locaties waar het Bureau is gevestigd, en dat er in de loop van 2006 door de leiding van het Bureau een reeks stappen zijn ondernomen om de door de interne auditdienst aan de orde gestelde punten op te lossen;

48.   verzoekt de Commissie het mandaat van het Bureau, dat in 2008 verstrijkt, te herzien en het Bureau om te vormen tot een agentschap voor de uitvoering van bepaalde operaties in de externe beleidssfeer van de EU, met name in postcrisisgebieden.

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 13.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 40.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 306 van 7.12.2000, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1756/2006 (PB L 332 van 30.11.2006, blz. 18).
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 13.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 40.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 306 van 7.12.2000, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1756/2006 (PB L 332 van 30.11.2006, blz. 18).
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 13.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 40.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 306 van 7.12.2000, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1756/2006 (PB L 332 van 30.11.2006, blz. 18).
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 182.
(17) Resolutie van het Europees Parlement houdende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting aan de directeur van het Europees Bureau voor wederopbouw voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 61).
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 Rev 1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).


Kwijting 2006: Europees Milieuagentschap
PDF 241kWORD 75k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Milieuagentschap voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0376/2007 – 2007/2051(DEC))
P6_TA(2008)0150A6-0122/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Milieuagentschap voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Milieuagentschap voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het agentschap(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EEG) nr. 1210/90 van de Raad van 7 mei 1990 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk(4), en met name artikel 13,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0122/2008),

1.   verleent de directeur van het Europees Milieuagentschap kwijting voor de uitvoering van de begroting van het agentschap voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Milieuagentschap, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Milieuagentschap voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0376/2007 – 2007/2051(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Milieuagentschap voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Milieuagentschap voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het agentschap(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EEG) nr. 1210/90 van de Raad van 7 mei 1990 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk(9), en met name artikel 13,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0122/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van het Europees Milieuagentschap, zoals deze bij het verslag van de Rekenkamer is gevoegd:

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Milieuagentschap voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Milieuagentschap, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Milieuagentschap voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0376/2007 – 2007/2051(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Milieuagentschap voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Milieuagentschap voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het agentschap(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EEG) nr. 1210/90 van de Raad van 7 mei 1990 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk(14), en met name artikel 13,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0122/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaart redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de rekeningen betreffende het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar zijn en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Milieuagentschap op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2005(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

   heeft vastgesteld dat het bedrag van de overgedragen vastleggingen voor de beleidsactiviteiten (titel III) hoog was (meer dan 30 %); het agentschap heeft verzocht het bedrag van de overdrachten te verminderen;
   het agentschap heeft verzocht te zorgen voor een beschrijving van de interne controlesystemen, die tot dusver ontbrak;
   het agentschap heeft verzocht te antwoorden op de opmerking van de Rekenkamer dat het jaarlijkse activiteitenverslag van de ordonnateur nog steeds leemten vertoont, daar het geen toereikende informatie verschaft over de resultaten van de activiteiten van het jaar in vergelijking met de gestelde doelen, de risico's die ermee gepaard gaan, de benutting van de middelen en het functioneren van de interne controlesystemen;
   het agentschap heeft verzocht vóór 1 januari 2010 en vervolgens om de vijf jaar opdracht te geven tot een onafhankelijke externe evaluatie van zijn resultaten op basis van de oprichtingsverordening en het door de raad van bestuur vastgestelde werkprogramma,

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer worden gecontroleerd in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de hoogste begroting is die van het Europees Bureau voor wederopbouw met 271 miljoen EUR en de laagste die van de Europese Politieacademie (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   merkt op dat de reeks externe EU-organen die onderworpen zijn aan boekhoudkundige controle en kwijting thans niet alleen de traditionele regelgevende agentschappen omvat, maar ook uitvoeringsagentschappen die zijn opgericht om uitvoering te geven aan specifieke programma's, en dat hieronder in de toekomst ook gemeenschappelijke ondernemingen zullen vallen, die zijn opgezet in de vorm van publiek-private partnerschappen (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend, zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingprocedure te log is geworden en niet afgestemd is op de omvang van de begrotingen van de verschillende agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met als doel een eenvoudiger en rationeler aanpak uit te werken, rekening houdend met het feit dat het aantal organen waarvoor in de toekomst een afzonderlijk kwijtingsverslag zal moeten worden opgesteld, almaar toeneemt;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie vóór de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap duidelijke uitleg te verstrekken met betrekking tot de volgende punten: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne bestuurstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en stakeholders van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   dringt erop aan dat voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door dat agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en die de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren voor het meten van de prestaties moet omvatten;

7.   dringt erop aan dat de resultaten die de agentschappen boeken regelmatig (en op ad hoc-basis) door de Europese Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie worden gecontroleerd; is van oordeel dat deze onderzoeken zich niet mogen beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiëntie en doelmatigheid moeten omvatten, evenals een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd is, omdat ze zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het Statuut van de ambtenaren enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze regelgevingsvereisten te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing te zoeken om de efficiency te vergroten door de administratieve taken van verscheidene agentschappen te bundelen, zodat de minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat deze aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie dit niet hebben gedaan, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie heeft verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle verantwoordelijke instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden uitgevoerd en dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen op het algemene Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling van de agentschappen en in de diverse specifieke financiële voorschriften hierin;

Presentatie van de rapporteringsdata

13.   merkt op dat onder de agentschappen geen standaardaanpak bestaat voor de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar, hun rekeningen en hun verslagen over hun budgettaire en financieel beheer, noch voor de vraag of er een betrouwbaarheidsverklaring moet worden opgesteld door de directeur van het agentschap; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

14.   merkt op dat de vaste instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet voorschrijven dat de agentschappen een betrouwbaarheidsverklaring moeten opstellen, maar dat vele directeuren dat voor het jaar 2006 niettemin hebben gedaan, waarbij in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

15.   herinnert aan paragraaf 26 van zijn resolutie van 12 april 2005(17), waarin het de directeuren van de agentschappen verzoekt om met ingang van heden hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de handelingen, analoog aan de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

16.   verzoekt de Commissie haar vaste instructies aan de agentschappen in die zin te amenderen;

17.   stelt bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen werkt aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen:

   een jaarverslag bestemd voor een ruim publiek over de transacties, werkzaamheden en resultaten van het orgaan,
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting,
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie,
   een betrouwbaarheidsverklaring, ondertekend door de directeur van het orgaan, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen die hij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit wenst te brengen;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

18.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 10.29(18)) dat de door de Commissie uit de communautaire begroting betaalde subsidies niet gebaseerd zijn op toereikend gemotiveerde ramingen van de behoeften aan kasmiddelen van de agentschappen en dat dit, in combinatie met de omvang van de van het vorige jaar overgedragen bedragen, ertoe leidt dat hun kassaldi zeer hoog opgelopen zijn; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

19.   merkt op dat eind 2006 nog 14 agentschappen het ABAC-boekhoudsysteem moesten invoeren (jaarverslag, voetnoot bij paragraaf 10.31);

20.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet-opgenomen verlof die bij sommige agentschappen werden geregistreerd; wijst erop dat de Rekenkamer haar betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen (Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (CEDEFOP), CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) van kanttekeningen heeft voorzien met betrekking tot het begrotingsjaar 2006 (voor 2005 was dat het geval bij: het CEDEFOP, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

21.   herinnert eraan dat de intern controleur van de Commissie krachtens artikel 185, lid 3 van het Financieel Reglement ook als intern controleur fungeert voor de regelgevende agentschappen die subsidies uit de EU-begroting ontvangen; wijst erop dat de intern controleur aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap verslag uitbrengt;

22.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat de intern financieel controleur maakt in het Jaarlijks Activiteitenverslag over 2006:"

De interne financiële controleur van de Commissie is niet in staat te voldoen aan de verplichting die hem krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem hiervoor aan de nodige personele middelen ontbreekt

"

23.   neemt evenwel nota van de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag voor 2006 dat, nu de Commissie de Dienst interne audit (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld, alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis zullen worden gecontroleerd;

24.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS moeten worden gecontroleerd, almaar toeneemt; verzoekt de Commissie de ter zake bevoegde commissie van het Parlement te laten weten of de IAS over voldoende personeel beschikt om de financiën van al deze organen de komende jaren op jaarbasis te kunnen controleren;

25.   merkt op dat artikel 72, lid 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de interne financiële controleur zijn verricht, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen aan te geven of dit gebeurd is en, zo ja, op welke wijze;

26.   vestigt wat de interne controlecapaciteit betreft, vooral met betrekking tot de kleinere agentschappen, de aandacht op een voorstel dat de intern financieel controleur op 14 september 2006 aan de bevoegde commissie van het Parlement heeft gedaan en waarin hij te kennen geeft dat kleinere agentschappen toestemming zouden moeten krijgen om interne auditdiensten tegen betaling door de privésector te laten verrichten;

Beoordeling van de agentschappen

27.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring waarover Parlement, Raad en Commissie(19) het bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 eens zijn geworden en waarin een oproep wordt gedaan tot het opstellen van i) een lijst van de agentschappen die de Commissie wil beoordelen en ii) een lijst van de agentschappen die reeds zijn beoordeeld, met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

28.   wijst erop dat bepaalde agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om ad hoc tuchtcommissies samen te stellen bestaande uit personeel met een passende rang en dat het Bureau voor onderzoek en disciplinaire maatregelen van de Commissie (IDOC) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen om de oprichting van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de verschillende agentschappen te overwegen;

Ontwerp voor een interinstitutioneel akkoord

29.   herinnert aan het voorstel van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit voorstel een nuttig initiatief vormt in het streven naar een rationalisering van de oprichting en het beheer van agentschappen; neemt nota van de opmerking van de Commissie in haar syntheseverslag 2006 (paragraaf 3.1, COM(2007)0274) dat, hoewel er na de publicatie van het voorstel aanvankelijk weinig schot zat in de onderhandelingen, de inhoudelijke discussie in de Raad eind 2006 weer is begonnen; betreurt dat het niet mogelijk was de aanneming ervan een stap dichterbij te brengen;

30.   is dan ook ingenomen met de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling over de toekomst van de regelgevende agentschappen zal voorleggen;

Agentschappen met eigen financiering

31.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

32.   is van mening dat de uitvoeringspercentages zowel voor de beleidskredieten als voor de huishoudelijke kredieten van het agentschap bevredigend zijn;

33.   beschouwt het agentschap als een bron van belangrijke milieu-informatie voor alle EU-instellingen en beleidsmakers; stelt met tevredenheid vast dat het agentschap erin geslaagd is een aantal gecompliceerde gegevens te vertalen in duidelijke conclusies en deze door te geven aan het brede publiek, zoals de milieuverklaring van het agentschap uit 2006 en de specifieke verslagen over bio-energie en de trends en prognoses voor de broeikasgasemissies in Europa;

34.   stelt evenwel vast dat een aanzienlijke hoeveelheid begrotingskredieten voor beleidsactiviteiten naar het begrotingsjaar 2007 is overgedragen, hetgeen ten dele te wijten is aan het feit dat het agentschap de middelen voor de actualisering van het project "Corine Land Cover", dat zal bijdragen tot de uitvoering van het initiatief voor wereldwijde monitoring van milieu en veiligheid (GMES), pas in een laat stadium heeft ontvangen;

35.   herinnert aan het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het agentschap over het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het agentschap, en verzoekt het agentschap het begrotingsbeginsel van de eenjarigheid in acht te nemen;

36.   neemt voorts kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat dezelfde gesubdelegeerde ordonnateur, in strijd met het beginsel van de scheiding van taken, niet alleen controles ex ante heeft verricht maar ook de toegangsrechten tot het IT-systeem voor budgettaire boekhouding beheerde;

37.   wijst erop dat het agentschap per 31 december 2006 kon beschikken over kasmiddelen en kasequivalenten ten bedrage van 6 097 252,79 EUR, met een geaccumuleerd overschot van 4 241 797,28 EUR;

38.   neemt kennis van de verklaring in het verslag van het agentschap over het begrotings- en financieel beheer, dat het aanspraak kan maken op een bedrag van 3,3 miljoen EUR van de Commissie ter compensatie van te weinig betaalde subsidies voor de jaren 1994 tot 2005;

39.   neemt kennis van het feit dat uit het jaarverslag blijkt dat een derde van het personeel dezelfde nationaliteit heeft, en van de (eveneens in het jaarverslag opgenomen) doelstelling van het agentschap om het evenwicht en de diversiteit in de personeelsformatie te verbeteren;

40.   meent dat andere agentschappen met het oog op een grotere transparantie en betere verslaglegging een voorbeeld zouden moeten nemen aan de balanced scorecard die bij het jaarverslag van het agentschap is gevoegd en waarin prestatie-indicatoren zijn opgenomen in verband met de inkomsten van het agentschap, de betalingstermijnen, het perspectief van de klant en de houding van het personeel, en die als doel heeft een algemeen overzicht te geven van de vooruitgang die bij de verwezenlijking van de strategische doelstellingen van het agentschap is geboekt;

41.   merkt op dat het agentschap een complexe structuur heeft, met leden van de Raad van bestuur, wetenschappelijk comité, nationale knooppunten en Europese thematische centra;

42.   herinnert eraan dat het agentschap op 1 maart 2006 de rol van coördinator van de hoofden van de regelgevende agentschappen heeft overgenomen.

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 4.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 24.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 120 van 11.5.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1641/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 1).
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 4.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 24.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 120 van 11.5.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1641/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 1).
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 4.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 24.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 120 van 11.5.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1641/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 1).
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 106.
(17) Resolutie van het Europees Parlement houdende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting aan de uitvoerend directeur van het Europees Milieuagentschap voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 81).
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 Rev1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).


Kwijting 2006: Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk
PDF 237kWORD 72k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0377/2007 – 2007/2052(DEC))
P6_TA(2008)0151A6-0128/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Agentschap(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EG) nr. 2062/94 van de Raad van 18 juli 1994 tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk(4), en met name artikel 14,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0128/2008),

1.   verleent de directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0377/2007 – 2007/2052(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Agentschap(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008)

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EG) nr. 2062/94 van de Raad van 18 juli 1994 tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk(9), en met name artikel 14,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0128/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, zoals deze bij het verslag van de Rekenkamer is gevoegd:

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0377/2007 – 2007/2052(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Agentschap(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008)

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EG) nr. 2062/94 van de Raad van 18 juli 1994 tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk(14), en met name artikel 14,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0128/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor het begrotingsjaar 2005(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

   een hoog percentage overdrachten voor administratieve uitgaven vaststelde, alsmede een groot aantal overschrijvingen tussen begrotingslijnen in combinatie met onvolledige documenten ter staving;
   het Agentschap verzocht de onvolledige implementatie van het interne controlesysteem in 2005 aan te pakken, alsmede het ontbreken van enige risico-analyse of checklists om te voldoen aan de behoeften van de ordonnateurs en het personeel dat operationele controles uitvoert;
   betreurde dat bij aanbestedingsprocedures vaak geen bewijsmateriaal werd meegeleverd voor de toetsing van de kwaliteit van de offertes door het beoordelingscomité,

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer worden gecontroleerd in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de hoogste begroting is die van het Europees Bureau voor wederopbouw met 271 miljoen EUR en de laagste die van de Europese Politieacademie (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   merkt op dat de reeks externe EU-organen die onderworpen zijn aan boekhoudkundige controle en kwijting thans niet alleen de traditionele regelgevende agentschappen omvat, maar ook uitvoeringsagentschappen doe zijn opgericht om uitvoering te geven aan specifieke programma's, en dat hieronder in de toekomst ook gemeenschappelijke ondernemingen zullen vallen, die zijn opgezet in de vorm van publiek-private partnerschappen (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend, zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer, maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt, niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingprocedure te log is geworden en niet afgestemd is op de omvang van de begrotingen van de verschillende agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met het doel om een eenvoudiger en rationeler aanpak te ontwerpen, gelet op het steeds toenemende aantal lichamen waarvoor in toekomstige jaren een afzonderlijk kwijtingverslag zal moeten worden opgesteld;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie duidelijke uitleg te verstrekken over de volgende punten, alvorens zij overgaat tot de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne bestuurstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en stakeholders van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   verlangt dat er voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door dat agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en die de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten moet omvatten;

7.   dringt erop aan dat de resultaten die de agentschappen boeken regelmatig (en op ad hoc-basis) door de Europese Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie worden gecontroleerd; is van oordeel dat deze onderzoeken zich niet mogen beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiëntie en prestaties moeten omvatten, evenals een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd is, omdat ze zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het Statuut van de ambtenaren enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze regelgevingsvereisten te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing hiervoor te zoeken om de efficiency te vergroten door bundeling van de administratieve taken van verscheidene agentschappen, zodat deze minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), danwel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat ze aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn terzake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie de begroting niet hebben aangepast, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie heeft verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle verantwoordelijke instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden uitgevoerd en dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen op het algemene Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling van de agentschappen en in de diverse specifieke financiële voorschriften hierin;

Presentatie van de rapporteringsdata

13.   merkt op dat de agentschappen geen standaardaanpak hanteren ten aanzien van de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar en hun rekeningen en hun verslagen over hun budgettair en financieel beheer, en evenmin ten aanzien van de vraag of de verklaring van verzekering moet worden opgesteld door de directeur van het agentschap; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

14.   merkt op dat de permanente instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet verlangen dat een agentschap een verklaring van verzekering opstelt, maar dat vele directeuren dat voor 2006 wel hebben gedaan, waarbij in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

15.   herinnert aan paragraaf 26 van zijn resolutie van 12 april 2005(17), waarin het de directeuren van de agentschappen verzoekt om met ingang van heden hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de handelingen, analoog aan de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

16.   verzoekt de Commissie haar permanente instructies aan de agentschappen in die zin te amenderen;

17.   stelt bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen moet werken aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin onderscheid wordt gemaakt tussen:

   een jaarverslag bestemd voor een breed publiek over de operaties en werkzaamheden van het orgaan en de bereikte resultaten,
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting,
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie,
   een betrouwbaarheidsverklaring, ondertekend door de directeur van het orgaan, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen waarvan hij het wenselijk acht dat zij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit worden gebracht;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

18.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (Jaarverslag paragraaf 10.29(18)) dat de betaling van subsidies uit de communautaire begroting door de Commissie niet berust op voldoende onderbouwde ramingen van de behoeften aan kasmiddelen van de agentschappen en dat dit in combinatie met de omvang van de overdrachten met zich meebrengt dat ze over aanzienlijke kassaldi beschikken; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

19.   merkt op dat 14 agentschappen het ABAC boekhoudingsysteem nog moesten invoeren eind 2006 (jaarverslag, voetnoot bij paragraaf 10.31);

20.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet-opgenomen verlof die bij sommige agentschappen worden geboekt; wijst erop dat de Rekenkamer opmerkingen plaatst bij zijn betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen (Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (CEDEFOP), CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) voor het begrotingsjaar 2006 (2005: het CEDEFOP, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

21.   herinnert eraan dat de interne financieel controleur van de Commissie volgens artikel 185, lid 3 van het Financieel Reglement ook de intern financieel controleur is van de reguleringsagentschappen die geld ontvangen uit de EU-begroting; wijst erop dat de interne financieel controleur verslag uitbrengt aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap;

22.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van de intern controleur voor 2006:"

De intern financieel controleur van de Commissie is niet in staat om te voldoen aan de verplichting die hem in artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem ontbreekt aan de personele middelen daarvoor

"

23.   wijst evenwel op de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag 2006 dat de financiën van alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis gecontroleerd zullen worden, nu de Commissie de Interne Accountantsdienst (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld;

24.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS gecontroleerd moeten worden, steeds verder toeneemt; verzoekt de Commissie zijn bevoegde commissie mede te delen of de IAS over voldoende personeel zal beschikken om de financiën van al deze organen de komende jaren jaarlijks te kunnen controleren;

25.   merkt op dat artikel 72, lid 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de intern financieel controleur zijn uitgevoerd, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen mede te delen of dit ook is gebeurd en, zo ja, op welke wijze;

26.   neemt ten aanzien van het vermogen van de interne accountantsdienst om met name de kleinere agentschappen te controleren, nota van een voorstel dat de intern controleur op 14 september 2006 voor de bevoegde commissie van het Parlement heeft gedaan, namelijk om toe te staan dat de kleinere agentschappen gebruik kunnen maken van particuliere accountantsdiensten;

Beoordeling van de agentschappen

27.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring(19) waar het Parlement, de Raad en de Commissie het over eens zijn geworden bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 en waarin wordt opgeroepen een lijst op te stellen van i) de agentschappen die de Commissie wil beoordelen, en ii) de agentschappen die reeds zijn beoordeeld met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

28.   wijst erop dat afzonderlijke agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om tuchtcommissies bestaande uit personeel met een passende rang samen te stellen en dat het Bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie (IDO) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen om de oprichting te overwegen van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de verschillende agentschappen;

Ontwerp van interinstitutioneel akkoord

29.   herinnert aan het ontwerp van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord voor een operationeel kader voor de Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit ontwerp een nuttig initiatief vormt in het streven naar rationalisering van de oprichting en exploitatie van de agentschappen; neemt nota van de opmerking van de Commissie in haar syntheseverslag 2006 (paragraaf 3.1, COM(2007)0274) dat hoewel er na de publicatie van het voorstel aanvankelijk weinig schot zat in de onderhandelingen, de inhoudelijke discussie eind 2006 weer is begonnen in de Raad; betreurt het dat het niet mogelijk is geweest de aanneming ervan dichterbij te brengen;

30.   begroet dan ook de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling over de toekomst van de regelgevende agentschappen zal voorleggen;

Agentschappen met eigen financiering

31.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

32.   neemt nota van de constatering van de Rekenkamer in zijn verslag over 2006 dat de directeur in 2006 19 besluiten voor een bedrag van ongeveer 880 000 EUR heeft getekend en goedkeuring heeft gehecht aan begrotingsoverschrijvingen tussen artikelen binnen hoofdstukken, en dat de raad van bestuur niet, zoals bepaald in het Financieel Reglement, de nodige informatie heeft gekregen, waarmee het begrotingsbeginsel van specificiteit niet werd nageleefd;

33.   stelt op basis van de jaarrekeningen van het Agentschap (resultatenrekeningen) vast dat een positief saldo van 378 878,09 EUR met betrekking tot 2005 in 2006 aan de Commissie is terugbetaald, en dat betreffende het begrotingsjaar 2006 nog eens een bedrag, ten belope van 170 095,07 EUR, zal worden teruggegeven;

34.   neemt nota van het feit dat op de balans voor 2006 desalniettemin een gecumuleerd overschot van 1 820 135,58 EUR staat;

35.   neemt nota van het feit dat in 2006 van de 59 personeelsleden er 26 één en dezelfde nationaliteit hadden;

36.   is van mening dat het Agentschap een fundamentele rol speelt bij de verspreiding op nationaal, regionaal en lokaal niveau van de beste preventiepraktijken ter bevordering van de veiligheid en de gezondheid op het werk in de EU; bevestigt andermaal zijn erkenning voor de werkzaamheden van het Agentschap dat de hem opgedragen taken onverminderd en op zeer goede wijze vervult.

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 26.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 62.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 216 van 20.8.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1112/2005 (PB L 184 van 15.7.2005, blz. 5).
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 26.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 62.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 216 van 20.8.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1112/2005 (PB L 184 van 15.7.2005, blz. 5).
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 26.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 62.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 216 van 20.8.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1112/2005 (PB L 184 van 15.7.2005, blz. 5).
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 114.
(17) Resolutie van het Europees Parlement met de opmerkingen bij het besluit betreffende de kwijting aan de directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk voor de uitvoering van zijn begroting voor het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 87).
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 Rev 1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).


Kwijting 2006: Europees Geneesmiddelenbureau
PDF 246kWORD 78k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0379/2007 – 2007/2054(DEC))
P6_TA(2008)0152A6-0125/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau(4), en met name artikel 68,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0125/2008),

1.   verleent de directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0379/2007 – 2007/2054(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau(9), en met name artikel 68,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0125/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau, zoals deze bij het verslag van de Rekenkamer is gevoegd;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0379/2007 – 2007/2054(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau(14), en met name artikel 68,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0125/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2005(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

   er kennis van heeft genomen dat meer dan 40% van de gedane vastleggingen naar het volgende begrotingsjaar was overgedragen;
   heeft opgemerkt dat de begroting van het Bureau als gevolg van de uitbreiding aanzienlijk was gestegen;
   het Bureau heeft verzocht in zijn rekeningen de fondsen op te nemen die het bij andere agentschappen en organen had geïnd ter financiering van een gemeenschappelijke ondersteuningsdienst voor de ontwikkeling van hun informatiesystemen inzake financieel beheer;
   het Bureau heeft verzocht vóór 1 januari 2010 en vervolgens om de vijf jaar opdracht te geven tot een onafhankelijke externe evaluatie van zijn resultaten op basis van de oprichtingsverordening en de door de raad van bestuur vastgestelde werkprogramma's,

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer zijn gecontroleerd, in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de grootste begroting is die van het Europees Agentschap voor Wederopbouw met 271 miljoen EUR en de kleinste die van het Europese Politiecollege (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   wijst erop dat de reeks externe EU-organen die worden onderworpen aan audit en kwijting thans niet alleen meer de traditionele regelgevende agentschappen omvat, maar ook uitvoerende agentschappen die zijn opgericht om specifieke programma's ten uitvoer te leggen, en dat deze reeks in de nabije toekomst nog zal worden uitgebreid tot gezamenlijke ondernemingen die zijn opgezet als publiek-private partnerschappen (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend, zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer, maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingsprocedure log is geworden en niet meer in verhouding staat tot de relatieve omvang van de begrotingen van de agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met als doel een eenvoudiger en rationeler aanpak uit te werken, rekening houdend met het feit dat het aantal organen waarvoor in de toekomst een afzonderlijk kwijtingsverslag zal moeten worden opgesteld, almaar toeneemt;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie vóór de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap duidelijke uitleg te verstrekken met betrekking tot de volgende punten: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne bestuurstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en stakeholders van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   verlangt dat voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door dat agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en waarin de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten zijn opgenomen;

7.   verlangt dat de Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie regelmatig (en ad hoc) onderzoeken instelt naar de prestaties van de agentschappen; is van oordeel dat deze onderzoeken zich niet mogen beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiëntie en doelmatigheid moeten omvatten, evenals een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten, een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd is, omdat ze zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het Statuut van de ambtenaren enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze voorschriften te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing hiervoor te zoeken om de efficiency te vergroten door bundeling van de administratieve taken van verscheidene agentschappen, zodat deze minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat ze aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn terzake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie de begroting niet hebben aangepast, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie heeft verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle betrokken instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden uitgevoerd en dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen op het algemene Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling van de agentschappen en in hun diverse specifieke financiële voorschriften;

13.   vreest dat het grote aantal tijdelijke personeelsleden de kwaliteit van het werk in ongunstige zin kan beïnvloeden; verzoekt de Commissie daarom beter toe te zien op de toepassing van het Statuut van de ambtenaren door de agentschappen;

Presentatie van de rapporteringsdata

14.   merkt op dat er geen standaardaanpak onder de agentschappen bestaat voor de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar en van hun rekeningen en verslagen over hun budgettaire en financieel beheer, en evenmin voor de vraag of er een betrouwbaarheidsverklaring moet worden opgesteld door de directeur van het agentschap; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

15.   merkt op dat de permanente instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet verlangen dat een agentschap een betrouwbaarheidsverklaring opstelt, maar dat veel directeuren dat voor 2006 niettemin hebben gedaan, waarbij er in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

16.   herinnert aan paragraaf 28 van zijn resolutie van 12 april 2005(17), waarin de directeuren van de agentschappen verzocht worden om hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, in het vervolg vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de verrichtingen, analoog met de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

17.   verzoekt de Commissie haar permanente instructies aan de agentschappen dienovereenkomstig te amenderen;

18.   stelt bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen werkt aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen:

   een jaarverslag bestemd voor een algemeen publiek over de transacties, werkzaamheden en resultaten van het orgaan,
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting,
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie,
   een betrouwbaarheidsverklaring, ondertekend door de directeur van het orgaan, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen die hij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit wenst te brengen;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

19.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 10.29(18)) dat de door de Commissie uit de communautaire begroting betaalde subsidies niet gebaseerd zijn op toereikend gemotiveerde ramingen van de behoeften aan kasmiddelen van de agentschappen en dat dit, in combinatie met de omvang van de van het vorige jaar overgedragen bedragen, ertoe leidt dat hun kassaldi zeer hoog opgelopen zijn; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

20.   merkt op dat eind 2006 14 agentschappen het ABAC-boekhoudingsysteem nog ten uitvoer moesten leggen (jaarverslag, voetnoot bij paragraaf 10.31);

21.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet-opgenomen verlof die bij sommige agentschappen werden geregistreerd; wijst erop dat de Rekenkamer opmerkingen plaatst bij zijn betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen (Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (CEDEFOP), CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) voor het begrotingsjaar 2006 (2005: het CEDEFOP, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

22.   herinnert eraan dat de intern controleur van de Commissie krachtens artikel 185, lid 3, van het Financieel Reglement ook als intern controleur fungeert voor de regelgevende agentschappen die subsidies uit de EU-begroting ontvangen; wijst erop dat de intern controleur aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap verslag uitbrengt;

23.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van de intern controleur voor 2006:"

De interne financiële controleur van de Commissie is niet in staat te voldoen aan de verplichting die hem krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem hiervoor aan de nodige personele middelen ontbreekt

"

24.   neemt evenwel nota van de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag voor 2006 dat, nu de Commissie de Dienst interne audit (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld, alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis zullen worden gecontroleerd;

25.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS moeten worden gecontroleerd, almaar toeneemt; verzoekt de Commissie de terzake bevoegde commissie van het Parlement te laten weten of de IAS over voldoende personeel beschikt om de financiën van al deze organen de komende jaren op jaarbasis te kunnen controleren;

26.   merkt op dat artikel 72, lid 5, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de intern financieel controleur zijn uitgevoerd, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen aan te geven of dit gebeurd is en, zo ja, op welke wijze;

27.   vestigt wat de interne controlecapaciteit betreft, vooral met betrekking tot de kleinere agentschappen, de aandacht op een voorstel dat de intern financieel controleur op 14 september 2006 aan de bevoegde commissie van het Parlement heeft gedaan en waarin hij te kennen geeft dat kleinere agentschappen toestemming zouden moeten krijgen om interne auditdiensten tegen betaling door de privésector te laten verrichten;

Beoordeling van de agentschappen

28.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring(19) waar het Parlement, de Raad en de Commissie het over eens zijn geworden bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 en waarin wordt opgeroepen een lijst op te stellen van (i) de agentschappen die de Commissie wil beoordelen, en (ii) de agentschappen die reeds zijn beoordeeld met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

29.   wijst erop dat afzonderlijke agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om tuchtcommissies bestaande uit personeel met een passende rang samen te stellen en dat het Bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie (IDO) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen om de oprichting te overwegen van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de verschillende agentschappen;

Ontwerp van interinstitutioneel akkoord

30.   herinnert aan het ontwerp van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord voor een operationeel kader voor de Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit ontwerp een nuttig initiatief vormt in het streven naar rationalisering van de oprichting en exploitatie van de agentschappen; neemt nota van de opmerking van de Commissie in haar syntheseverslag 2006 (paragraaf 3.1, COM(2007)0274) dat hoewel er na de publicatie van het voorstel aanvankelijk weinig schot zat in de onderhandelingen, de inhoudelijke discussie eind 2006 weer is begonnen in de Raad; betreurt het dat het niet mogelijk is geweest de aanneming ervan dichterbij te brengen;

31.   begroet dan ook de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling over de toekomst van de regelgevende agentschappen zal voorleggen;

Agentschappen met eigen financiering

32.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

33.   neemt er kennis van dat de Rekenkamer in zijn verslag voor 2006 opmerkt dat bij de administratieve uitgaven het bestedingspercentage voor vastleggingskredieten minder dan 60% was;

34.   benadrukt de verantwoordelijke positie van het Bureau voor de bescherming en bevordering van de gezondheid van mens en dier, door evaluatie en toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik; verheugt zich over de pogingen van het Bureau om meer wetenschappelijk advies in de vroege ontwikkelingsfasen van nieuwe geneesmiddelen te verstrekken, en zijn maatregelen om de advisering over geneesmiddelen die van centraal belang voor de volksgezondheid zijn, te bespoedigen;

35.   stelt vast dat de begrote middelen voor 2006 in aanzienlijke omvang naar 2007 overgedragen zijn, gezien de aard van de projecten die het Bureau behandelt;

36.   neemt voorts kennis van het antwoord van het Bureau op de opmerking van de Rekenkamer over de vergoedingen en kostenberekening van het Bureau, dat de raad van bestuur van het Bureau in december 2006 heeft besloten het vergoedingenstelsel in overleg met de bevoegde nationale instanties te herzien;

37.   herinnert eraan dat de inkomsten van het Bureau bestaan uit een bijdrage van de Gemeenschap en de vergoedingen die ondernemingen betalen voor het verkrijgen en handhaven van communautaire verkoopvergunningen en voor andere door het Bureau geleverde diensten;

38.   stelt aan de hand van de definitieve rekeningen van het Bureau vast dat het in 2006 119 miljoen EUR aan vergoedingen en andere inkomsten heeft ontvangen en een subsidie van 31 miljoen EUR van de Gemeenschap; stelt vast dat het financiële jaarresultaat van het Bureau 16 miljoen EUR bedroeg, hetgeen samen met het geaccumuleerde overschot van 27 miljoen EUR voor een totaal eigen vermogen van 44 miljoen EUR zorgde;

39.   neemt kennis van het antwoord van het Bureau dat het geaccumuleerde overschot geen begrotingsoverschot is, maar het financiële resultaat op basis van toepassing van de beginselen van boekhouding op transactiebasis en gebruikt is voor de financiering van kapitaaluitgaven voor vastgoed, voornamelijk inrichting van gebouwen en IT-ontwikkeling;

40.   maakt uit de voorlopige rekeningen op dat het Bureau in 2006 namens 19 agentschappen de begroting voor gemeenschappelijke ondersteunende diensten heeft beheerd, waarbij het gaat om uitgaven voor honoraria van consultants ten behoeve van het SI2-systeem voor budgettaire boekhouding en financiële rapportage;

41.   maakt verder uit de voorlopige rekeningen op dat de inkomsten uit evaluatievergoedingen tussen 2005 en 2006 met 31,5% zijn gestegen;

42.   stelt vast dat de directeur van het Bureau wel een jaarlijks activiteitenverslag heeft opgesteld, maar geen betrouwbaarheidsverklaring (aangezien zo'n verklaring volgens de vaste instructies van de Commissie niet vereist is);

43.   wijst er evenwel op dat de directeur in zijn activiteitenverslag verklaart dat hij geen voorbehoud maakt; spreekt zijn erkenning uit voor de verklaring van het Bureau dat de directeur bereid is in de toekomst een betrouwbaarheidsverklaring te ondertekenen;

44.   is verheugd over de door de raad van bestuur uitgevoerde analyse en beoordeling van het jaarlijks activiteitenverslag van de directeur; neemt met name kennis van de door de raad van bestuur uitgesproken zorg dat aan het Bureau nieuwe taken worden toegewezen waar niet voldoende financiële middelen uit de EU-begroting of nieuwe vergoedingen tegenoverstaan; wijst erop dat deze analyse niet geheel in overeenstemming lijkt te zijn met de financiële situatie van het Bureau, zoals die uit de rekeningen voor 2006 naar voren komt;

45.   juicht het toe dat de raad van bestuur van het Bureau in 2006 een herziene procedure voor de behandeling van belangenconflicten heeft goedgekeurd, die ook is gaan gelden voor de leden van de raad van bestuur; is tevens verheugd over het uitbrengen van een leidraad inzake de procedure voor het melden van misstanden;

46.   merkt op dat de IAS in 2005 zijn eerste basisaudit bij het Bureau heeft uitgevoerd en in september 2006 zijn eindverslag heeft uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat het bestaande interne controlesysteem redelijke waarborgen biedt met betrekking tot het verwezenlijken van de zakelijke doelstellingen die voor de onderzochte processen gelden, met uitzondering van een aantal zeer belangrijke vaststellingen op het gebied van het controleklimaat, de informatie en communicatie en de controleactiviteiten;

47.   benadrukt dat de voorbereidende werkzaamheden voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik(22) de werkzaamheden van het Bureau in 2006 sterk beïnvloed hebben, en verheugt zich over het gezamenlijk document van Commissie en Bureau over de prioriteiten bij de uitvoering van dzee verordening.

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 10.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 34.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1394/2007 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 121).
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 10.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 34.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1394/2007 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 121).
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 10.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 34.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1394/2007 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 121).
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 128.
(17) Resolutie van het Europees Parlement houdende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting aan de directeur van het Europees Bureau voor de beoordeling van geneesmiddelen voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 94).
(18) PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.
(19) Raadsdocument DS 605/1/07 Rev 1.
(20) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).
(21) Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).
(22) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 1.


Kwijting 2006: Europese Autoriteit voor voedselveiligheid
PDF 241kWORD 74k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0384/2007 – 2007/2059(DEC))
P6_TA(2008)0153A6-0120/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2006(1),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van de Autoriteit(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(4), en met name artikel 44,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0120/2008),

1.   verleent de uitvoerend directeur van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Autoriteit voor het begrotingsjaar 2006;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 22 april 2008 over de afsluiting van de rekeningen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0384/2007 – 2007/2059(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2006(6),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van de Autoriteit(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(9), en met name artikel 44,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0120/2008),

1.   neemt kennis van de definitieve jaarrekening van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, zoals deze bij de bijlage van het verslag van de Rekenkamer is gevoegd;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2006;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2006 (C6-0384/2007 – 2007/2059(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2006(11),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van de Autoriteit(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 – C6-0084/2008),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(14), en met name artikel 44,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0120/2008),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaart redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de rekeningen betreffende het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar zijn en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig,

B.   overwegende dat het Parlement de uitvoerend directeur van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van de Autoriteit voor het begrotingsjaar 2005(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

   opmerkt dat het begrotingsjaar 2005 wordt gekenmerkt door een aanzienlijke onderbesteding van de begroting, daar van de vastleggings- en betalingskredieten slechts 80% is benut;
   opmerkt dat de Autoriteit problemen heeft met de aanwerving van hoog opgeleid wetenschappelijk personeel in Parma;
   opmerkt dat de gebouwen waar de Autoriteit permanent in zou worden ondergebracht, nog steeds niet beschikbaar zijn en dat de Autoriteit derhalve genoodzaakt was om tijdelijke kantoorruimte te huren en in te richten (kosten in 2005: ongeveer 3 500 000 EUR); de Autoriteit en de Commissie verzoekt om deze situatie samen met de nationale instanties op te helderen, in het bijzonder met het oog op de betaling van financiële compensatie;

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.   merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer worden gecontroleerd in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de hoogste begroting is die van het Europees Bureau voor wederopbouw met 271 miljoen EUR en de laagste die van de Europese Politieacademie (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.   merkt op dat de reeks externe EU-organen die onderworpen zijn aan boekhoudkundige controle en kwijting thans niet alleen de traditionele regelgevende agentschappen omvat, maar ook uitvoeringsagentschappen die zijn opgericht om uitvoering te geven aan specifieke programma's, en dat hieronder in de toekomst ook gemeenschappelijke ondernemingen zullen vallen, die zijn opgezet in de vorm van publiek-private partnerschappen (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.   merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend, zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt, niet meegerekend);

4.   komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingprocedure te log is geworden en niet evenredig is aan de omvang van de begrotingen van de verschillende agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met het doel om een eenvoudiger en rationeler aanpak te ontwerpen, gelet op het steeds toenemende aantal lichamen waarvoor in toekomstige jaren een afzonderlijk kwijtingverslag zal moeten worden opgesteld;

Principiële overwegingen

5.   verzoekt de Commissie duidelijke uitleg te verstrekken over de volgende punten, alvorens zij overgaat tot de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne bestuurstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en stakeholders van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.   verlangt dat er voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door dat agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en die de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten moet omvatten;

7.   dringt erop aan dat de resultaten die de agentschappen boeken regelmatig (en op ad hoc-basis) door de Europese Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie worden gecontroleerd; is van oordeel dat deze zich niet zouden moeten beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiency en de doelmatigheid moeten omvatten, alsook een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap;

8.   is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd is, omdat ze zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het ambtenarenstatuut enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze regelgevingsvereisten te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing hiervoor te zoeken om de efficiency te vergroten door bundeling van de administratieve taken van verscheidene agentschappen, zodat deze minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat ze aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.   dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie de begroting niet hebben aangepast, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is;

11.   verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle betrokken instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.   is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden uitgevoerd en dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen op het algemene Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling van de agentschappen en in de diverse specifieke financiële voorschriften hierin;

Presentatie van de rapporteringsdata

13.   merkt op dat de agentschappen geen standaardaanpak hanteren ten aanzien van de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar, hun rekeningen en hun verslagen over hun budgettair en financieel beheer en de vraag of de betrouwbaarheidsverklaring moet worden opgesteld door de directeur van het agentschap; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

14.   merkt op dat de permanente instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet verlangen dat een agentschap een betrouwbaarheidsverklaring opstelt, maar dat vele directeuren dat voor 2006 wel hebben gedaan, waarbij in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

15.   herinnert aan paragraaf 27 van zijn resolutie van 12 april 2005(17), waarin het de directeuren van de agentschappen verzoekt om met ingang van heden hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de handelingen, analoog aan de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

16.   verzoekt de Commissie haar permanente instructies aan de agentschappen in die zin te amenderen;

17.   stelt bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen moet werken aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin onderscheid wordt gemaakt tussen:

   een jaarverslag bestemd voor een breed publiek over de operaties en werkzaamheden van het orgaan en de bereikte resultaten,
   de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting,
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie,
   een betrouwbaarheidsverklaring, ondertekend door de directeur van het orgaan, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen waarvan hij het wenselijk acht dat zij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit worden gebracht;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

18.   wijst op de conclusie van de Rekenkamer (Jaarverslag paragraaf 10.29(18)) dat de betaling van subsidies uit de communautaire begroting door de Commissie niet berust op voldoende onderbouwde ramingen van de behoeften aan kasmiddelen van de agentschappen en dat dit in combinatie met de omvang van de overdrachten met zich meebrengt dat ze over aanzienlijke kassaldi beschikken; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

19.   merkt op dat 14 agentschappen het ABAC boekhoudingsysteem nog moesten invoeren eind 2006 (jaarverslag, voetnoot bij paragraaf 10.31);

20.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet-opgenomen verlof die bij sommige agentschappen worden geboekt; wijst erop dat de Rekenkamer opmerkingen plaatst bij zijn betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen (Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (CEDEFOP), CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) voor het begrotingsjaar 2006 (2005: het CEDEFOP, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

21.   herinnert eraan dat de interne financieel controleur van de Commissie volgens artikel 185, lid 3 van het Financieel Reglement ook de intern financieel controleur is van de reguleringsagentschappen die geld ontvangen uit de EU-begroting; wijst erop dat de interne financieel controleur verslag uitbrengt aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap;

22.   vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van de intern controleur voor 2006:"

De intern financieel controleur van de Commissie is niet in staat om te voldoen aan de verplichting die hem in artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem ontbreekt aan de personele middelen daarvoor

"

23.   neemt evenwel nota van de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag 2006 dat de financiën van alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis gecontroleerd zullen worden, nu de Commissie de Interne Accountantsdienst (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld;

24.   stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS gecontroleerd moeten worden, steeds verder toeneemt; verzoekt de Commissie zijn bevoegde commissie mede te delen of de IAS over voldoende personeel zal beschikken om de financiën van al deze organen de komende jaren jaarlijks te kunnen controleren;

25.   merkt op dat artikel 72, lid 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de intern financieel controleur zijn uitgevoerd, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen mede te delen of dit ook is gebeurd en, zo ja, op welke wijze;

26.   neemt ten aanzien van het vermogen van de interne accountantsdienst om met name de kleinere agentschappen te controleren, nota van een voorstel dat de intern controleur op 14 september 2006 voor de bevoegde commissie van het Parlement heeft gedaan, namelijk om toe te staan dat de kleinere agentschappen gebruik kunnen maken van particuliere accountantsdiensten;

Beoordeling van de agentschappen

27.   herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring(19) waar het Parlement, de Raad en de Commissie het over eens zijn geworden bij het overleg vóór de ECOFIN-begrotingsraad van 13 juli 2007 en waarin wordt opgeroepen een lijst op te stellen van i) de agentschappen die de Commissie wil beoordelen, en ii) de agentschappen die reeds zijn beoordeeld met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

28.   wijst erop dat afzonderlijke agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om tuchtcommissies bestaande uit personeel met een passende rang samen te stellen en dat het Bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie (IDO) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen om de oprichting te overwegen van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de verschillende agentschappen;

Ontwerp van interinstitutioneel akkoord

29.   herinnert aan het ontwerp van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord voor een operationeel kader voor de Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit ontwerp een nuttig initiatief vormt in het streven naar rationalisering van de oprichting en exploitatie van de agentschappen; neemt nota van de opmerking van de Commissie in haar syntheseverslag 2006 (paragraaf 3.1, COM(2007)0274) dat hoewel er na de publicatie van het voorstel aanvankelijk weinig schot zat in de onderhandelingen, de inhoudelijke discussie eind 2006 weer is begonnen in de Raad; betreurt het dat het niet mogelijk is geweest de aanneming ervan dichterbij te brengen;

30.   begroet dan ook de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling over de toekomst van de regelgevende agentschappen zal voorleggen;

Agentschappen met eigen financiering

31.   wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

   Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR(20);
   Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR(21);

Specifieke punten

32.   merkt op dat 2006 het vierde jaar is waarin de Autoriteit actief was en het eerste jaar na haar verhuizing naar de permanente vestiging in Parma;

33.   wijst erop dat de Autoriteit tot taak heeft onafhankelijk advies te verlenen over al datgene wat direct of indirect gevolgen heeft voor de veiligheid van het voedsel, met inbegrip van de gezondheid en het welzijn van dieren en de gewasbescherming; erkent dat aanzienlijke vooruitgang is geboekt en stelt vast dat 132 adviezen en vier verslagen zijn aangenomen en gepubliceerd, nadat 323 verzoeken om een wetenschappelijk advies aan de Autoriteit zijn gericht;

34.   uit zijn voldoening over de tenuitvoerlegging van de lijnen van de begroting 2006, hoewel uit de uitvoering van de begroting blijkt dat de Autoriteit haar structuren verder moet bestendigen;

35.   merkt op dat de onderbesteding bij de betalingen in 2006 hoofdzakelijk te wijten is aan de problemen die de Autoriteit heeft om hoog opgeleid wetenschappelijk personeel aan te werven in Parma; wijst erop dat slechts tweederde van de 250 posten op de personeelsformatie van de Autoriteit eind 2006 bezet was; onderstreept dat personeelsgebrek leidt tot een lager bestedingsniveau van de huishoudelijke uitgaven;

36.   wijst op de opmerking van de Rekenkamer in haar verslag over 2006 dat het bestedingspercentage 56% was bij de kredieten voor huishoudelijke uitgaven (titel II) en 50% voor beleidsuitgaven (titel III)); 20% van de uit 2005 overgedragen kredieten was eind 2006 vervallen; er vonden veel overdrachten plaats met een grote concentratie aan het eind van het jaar, zodat het begrotingsbeginsel van de specificiteit niet strikt in acht werd genomen;

37.   neemt tevens nota van de opmerking van de Rekenkamer dat de Autoriteit heeft nagelaten een volledige risico-evaluatie uit te voeren en passende prestatie-indicatoren vast te stellen en dat zij geen inzicht heeft gegeven in de systemen en interne controleprocedures die voor haar activiteiten gelden, wat betekent dat het onmogelijk is een doeltreffend beleid voor risicobeheer te voeren, een essentiële voorwaarde voor een op activiteiten gebaseerd begrotingsbeheer;

38.   stelt op basis van de rekeningen vast dat de kasmiddelen 10,6 miljoen EUR bedroegen, het gecumuleerd overschot 3,68 miljoen EUR en het economisch resultaat 1,1 miljoen EUR;

39.   neemt nota van de opmerking in de bijlage bij de rekeningen dat in 2007 een bedrag van 2,7 miljoen EUR aan geannuleerde voorschotten en bankrente (resultaat van 2005) aan de Commissie teruggestort zal worden;

40.   stelt bovendien vast dat in september 2006 een globale overschrijving van 6,9 miljoen EUR is goedgekeurd door de raad van bestuur (jaarlijks activiteitenverslag) om beschikbare kredieten af te stemmen op de werkelijke behoeften en te vermijden dat aan het eind van het jaar een overschot zou ontstaan, doordat minder personeel was aangeworven dan verwacht en vertraging was opgetreden bij de besteding van subsidies voor wetenschappelijke samenwerking;

41.   leest in het jaarlijks activiteitenverslag van de Autoriteit dat in september 2006 een nieuwe uitvoerend directeur is benoemd en in oktober 2006 een intern controleur.

(1) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 35.
(2) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 80.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(4) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 575/2006 van de Commissie (PB L 100 van 8.4.2006, blz. 3).
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 35.
(7) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 80.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(9) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 575/2006 van de Commissie (PB L 100 van 8.4.2006, blz. 3).
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 261 van 31.10.2007, blz. 35.
(12) PB C 309 van 19.12.2007, blz. 80.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(14) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 575/2006 van de Commissie (PB L 100 van 8.4.2006, blz. 3).
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 163.
(17) Resolutie van het Europees Parlement houdende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting aan de uitvoerend directeur van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid voor de uitvoer