Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2062(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0357/2008

Ingediende teksten :

A6-0357/2008

Debatten :

Stemmingen :

PV 09/10/2008 - 7.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0475

Aangenomen teksten
PDF 142kWORD 48k
Donderdag 9 oktober 2008 - Brussel
Tenuitvoerlegging van de sociale wetgeving inzake het wegvervoer
P6_TA(2008)0475A6-0357/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 9 oktober 2008 over de tenuitvoerlegging van de sociale wetgeving met betrekking tot het wegvervoer (2008/2062(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 23 mei 2007 over de gevolgen van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (COM(2007)0266),

–   gezien het 23ste verslag van de Commissie van 12 oktober 2007 over de tenuitvoerlegging in 2003-2004 van Verordening (EEG) nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (COM(2007)0622),

–   gezien Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer(1),

–   gezien Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen(2),

–   gezien Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad(3),

–   gezien Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van Richtlijn 88/599/EEG(4),

–   gezien het arrest van 24 september 2004 in de gevoegde zaken C-184/02 en C-223/02 Koninkrijk Spanje en Republiek Finland tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie(5), waarin het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft geoordeeld dat zelfstandige bestuurders niet blijvend mogen worden uitgesloten van het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG,

–   gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité over de "Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Europa duurzaam in beweging - duurzame mobiliteit voor ons continent - Tussentijdse evaluatie van het Witboek Vervoer van 2001 van de Commissie"(6),

–   gezien de brieven van 21 juni 2007 en 29 juni 2007 van de voorzitter van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken aan respectievelijk de heer Vladimir Spidla, lid van de Commissie, en de heer Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie, en het antwoord van vice-voorzitter Barrot van 3 oktober 2007,

–   gezien het verslag van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden getiteld "Effecten van de arbeidstijdenrichtlijn op collectieve onderhandelingen in de sector van het wegvervoer"(7),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0357/2008),

A.   overwegende dat sommige lidstaten de door Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad vereiste informatie over hun activiteiten op het gebied van inspectie en rechtshandhaving in de periode 2003-2004 niet binnen de vastgestelde termijnen hebben verschaft, zodat het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van deze verordening in de genoemde periode (COM(2007)0622) met anderhalf jaar vertraging is ingediend,

B.   overwegende dat het gemiddelde aantal geconstateerde overtredingen stabiel bleef, maar dat het totale aantal gemelde overtredingen in sommige lidstaten aanzienlijk steeg, met een tendens tot toename van het aantal inbreuken op de regels met betrekking tot onderbrekingen en rusttijden, en een afname van het aantal inbreuken op de regels met betrekking tot rijtijden,

C.   overwegende dat het komende tweejaarlijkse verslag voor het eerst informatie moet bevatten over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2002/15/EG,

D.   overwegende dat het in het algemeen belang is dat de bepalingen inzake arbeidstijd en rij- en rusttijden voor zowel mobiele werknemers als zelfstandige bestuurders op de juiste wijze worden toegepast,

E.   overwegende dat bij Richtlijn 2002/15/EG minimumnormen zijn ingevoerd met betrekking tot de organisatie van de arbeidstijd, teneinde de veiligheid en gezondheid van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer verrichten beter te beschermen, de verkeersveiligheid te verhogen en gelijke concurrentievoorwaarden te creëren,

F.   overwegende dat Richtlijn 2002/15/EG op 23 maart 2002 van kracht is geworden en dat de lidstaten beschikten over een termijn van drie jaar, tot 23 maart 2005, om de bepalingen ervan ten uitvoer te leggen, maar dat de meeste lidstaten er niet in geslaagd zijn de richtlijn in de overgangsperiode van drie jaar om te zetten,

G.   overwegende dat er twee jaar na verloop van de overgangsperiode voor de omzetting van Richtlijn 2002/15/EG nog lidstaten zijn die nog steeds niet alle bepalingen ervan hebben omgezet,

H.   overwegende dat zelfstandige bestuurders ten minste tot 23 maart 2009 zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG,

I.   overwegende dat de Commissie in haar verslag over de gevolgen van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG de voor- en nadelen van het opnemen of uitsluiten van zelfstandige bestuurders toelicht, zonder dat zij daarbij evenwel tot definitieve conclusies komt,

J.   overwegende dat het Parlement er herhaaldelijk op heeft gewezen dat de in de sector veel voorkomende wanpraktijk waarbij werknemers ten onrechte worden ingedeeld als zelfstandige bestuurders, absoluut moet worden aangepakt,

K.   overwegende dat de verschillen tussen de lidstaten moeten worden weggenomen en er moet worden bijgedragen aan eerlijke concurrentie in de sector van het wegvervoer door de zelfstandige bestuurders op te nemen in de regeling,

L.   overwegende dat het van belang is coherent te blijven met het toepassingsgebied van Verordening (EEG) nr. 3820/85 ten aanzien van de lengte van rij- en rusttijden, zonder onderscheid tussen bestuurders,

M.   overwegende dat de beperking van de arbeidstijd in de sector van het wegvervoer een veel ruimer positief effect zal hebben op de verkeersveiligheid indien de zelfstandige bestuurders worden opgenomen in de regeling,

N.   overwegende dat de opneming van zelfstandige bestuurders hun mogelijkheden tot het verrichten van noodzakelijke werkzaamheden voor de administratie of het beheer van de onderneming niet zal beperken, aangezien de werktijd in de zin van Richtlijn 2002/15/EG beperkt is tot activiteiten die rechtstreeks verband houden met het wegvervoer,

O.   overwegende dat er brede consensus bestaat bij de sociale actoren die in het Europees Economisch en Sociaal Comité vertegenwoordigd zijn om de zelfstandige bestuurders op te nemen, teneinde gelijke behandeling van alle werknemers in de sector te waarborgen, concurrentieverstoring te voorkomen en betere arbeidsvoorwaarden te bevorderen,

P.   overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen duidelijk heeft gesteld dat artikel 71 van het EG-Verdrag een toereikende rechtsgrond vormt voor de toepassing van Richtlijn 2002/15/EG op zelfstandige bestuurders, met name omdat dit bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van verkeersveiligheid en het creëren van gelijke concurrentievoorwaarden,

Q.   overwegende dat in de bovengenoemde mededeling van de Commissie en het bovengenoemde verslag van de Commissie over de gevolgen van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG gewezen wordt op de nog steeds voortdurende, zorgwekkende vertraging bij de omzetting en tenuitvoerlegging van Richtlijn 2002/15/EG in bepaalde lidstaten, en van andere sociale wetgeving voor de sector van het wegvervoer,

R.   overwegende dat de tweejaarlijkse tenuitvoerleggingsverslagen dienen te worden ingediend volgens het in de richtlijn vastgestelde tijdschema, ook al hebben sommige lidstaten Richtlijn 2002/15/EG nog niet omgezet,

1.   betreurt dat er aanzienlijke verschillen blijven bestaan wat de tenuitvoerlegging en handhaving van Verordening (EEG) nr. 3820/85 betreft; is van oordeel dat de lidstaten zich sterker voor een efficiënte en eenvormige tenuitvoerlegging van de verbeterde sociale voorschriften moeten inzetten;

2.   spreekt zijn bezorgdheid uit over de tekortkomingen en vertragingen bij de omzetting en tenuitvoerlegging van Richtlijn 2002/15/EG in sommige lidstaten; wenst dat die lidstaten onverwijld opheldering en uitleg verschaffen over de redenen voor het niet ten uitvoer leggen van de richtlijn, en daarbij aangeven welke obstakels er wat dat betreft nog kunnen bestaan;

3.   wijst erop dat in Richtlijn 2002/15/EG minimumvereisten worden vastgesteld en dat de omzetting van de richtlijn niet mag leiden tot een lager niveau van bescherming van werknemers of minder strikte naleving van gunstiger voorwaarden, die in bepaalde lidstaten voortvloeien uit de algemene arbeidswetgeving of collectieve overeenkomsten;

4.   verzoekt de lidstaten het omzettingsproces te versnellen en zich ten volle in te zetten voor de tenuitvoerlegging van de sociale wetgeving voor de sector van het wegvervoer, ter bevordering van de verkeersveiligheid voor het algemeen belang en ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van bestuurders, en om een duidelijk kader voor eerlijke concurrentie te verschaffen;

5.   verzoekt de Commissie het tenuitvoerleggingsverslag om de twee jaar op te stellen, zoals voorgeschreven door Richtlijn 2002/15/EG, ook al zijn er nog lidstaten die de bepalingen van de richtlijn nog niet in hun nationale wetgeving hebben omgezet;

6.   uit zijn bezorgdheid over het constant hoge gemiddelde aantal overtredingen, met name op het gebied van het personenvervoer, en verwacht van de lidstaten een striktere handhaving van de regels; dringt er bij de lidstaten op aan dat zij meer gemeenschappelijke initiatieven ter bevordering van de uitwisseling van informatie en personeel ontwikkelen, waarbij moet worden voorzien in gecoördineerde controles;

7.   vraagt de Commissie de door lidstaten gepleegde inbreuken op de communautaire wetgeving wat de sociale voorschriften voor de sector van het wegvervoer betreft met de grootste vastberadenheid aan te pakken, te voorzien in dwingende maatregelen in geval van niet-naleving ervan, en preventieve maatregelen te treffen, indien nodig langs gerechtelijke weg, om ervoor te zorgen dat de communautaire wetgeving strikt wordt nageleefd;

8.   verzoekt de Commissie op grond van de comitologieprocedure waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 561/2006 tegen oktober 2008 richtsnoeren voor een eenvormige omschrijving en indeling van overtredingen voor te stellen;

9.   verzoekt de Commissie bij de opstelling van haar formele effectbeoordeling met het oog op de indiening van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van Richtlijn 2002/15/EG, zoals bepaald in artikel 2, lid 1 van deze richtlijn, de gepaste prioriteit te geven aan de sociale dimensie van verkeersveiligheid en van gezondheid en veiligheid van bestuurders en andere weggebruikers in relatie met alle andere aspecten;

10.   verzoekt de Commissie bij de opstelling van de bovengenoemde formele effectbeoordeling rekening te houden met de moeilijke arbeidsomstandigheden voor vrachtwagenchauffeurs die door Europa reizen, gezien het ontbreken van voldoende adequate rustzones, ondanks het feit dat in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 561/2006 uitdrukkelijk het belang wordt erkend van voldoende veilige en bewaakte rustzones voor beroepschauffeurs langs het Europese autowegennet; verzoekt de Commissie dan ook gevolg te geven aan het door het Europees Parlement gelanceerde proefproject voor veilige en bewaakte stopplaatsen, rekening houdend met de maatregelen die worden aanbevolen in het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het "Europees beleid voor verkeersveiligheid en beroepschauffeurs − Veilige en bewaakte stopplaatsen"(8);

11.   verzoekt de Commissie bij de opstelling van de bovengenoemde formele effectbeoordeling ten volle rekening te houden met het door het Parlement geformuleerde standpunt, met name zijn argumenten voor een volledige opneming van zelfstandige bestuurders in het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG;

12.   verzoekt de Commissie bij de opstelling van de bovengenoemde formele effectbeoordeling rekening te houden met de algemene mening in de vervoersector dat zelfstandige bestuurders dienen te worden opgenomen en is van oordeel dat het uit juridisch oogpunt uiterst moeilijk zou zijn "schijnzelfstandige" werknemers te identificeren en te vervolgen, nog afgezien van de praktische en bureaucratische moeilijkheden die zouden moeten worden overwonnen om te voorkomen dat dit concept ruim wordt toegepast teneinde de beperkingen ten aanzien van werkdagen te ontlopen;

13.   verzoekt de Commissie tijdig de nodige maatregelen voor te stellen, zodat Richtlijn 2002/15/EG in haar geheel en in al haar onderdelen ten volle in werking kan treden op 23 maart 2009 en het toepassingsgebied ervan kan worden uitgebreid tot zelfstandige bestuurders;

14.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de effectbeoordelingen met spoed worden voltooid, zodat zonder verdere vertraging een objectieve analyse kan worden verricht van de wijzigingen die in voorkomend geval in overweging moeten worden genomen;

15.   verzoekt de Commissie de procedures voor de controles op het wegvervoer in alle lidstaten onder de loep te nemen en het Parlement daarover verslag uit te brengen; verzoekt de Commissie, indien mocht blijken dat er controleprocedures zijn die het vrije verkeer van goederen of personen belemmeren, de huidige wetgeving te herzien en verbeteringen voor te stellen, om tot eenvormige procedures voor de controles op het wegvervoer te komen;

16.   verzoekt de lidstaten en de Commissie de informatie en de daarop steunende tenuitvoerleggingsverslagen sneller te verschaffen, zodat de op grond van de analyses van de tenuitvoerlegging noodzakelijk geachte correcties onverwijld in de wetgeving kunnen worden aangebracht;

17.   is van oordeel dat de cijfers over overtredingen nogmaals zijn standpunt bevestigen dat er dringend behoefte is aan aanpassingen in de wetgeving; vertrouwt er gezien de inwerkingtreding van Richtlijn 2006/22/EG en Verordening (EG) nr. 561/2006 (in respectievelijk mei 2006 en april 2007) dan ook op dat de regels in de toekomst strikter en op eenvormiger wijze zullen worden gehandhaafd;

18.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

(1) PB L 370 van 31.12.1985, blz. 1.
(2) PB L 80 van 23.3.2002, blz.35.
(3) PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1.
(4) PB L 102 van 11.4.2006, blz. 35.
(5) Jurisprudentie 2004, I-7789.
(6) PB C 161 van 13.7.2007, blz. 89.
(7) http://www.eurofound.europa.eu/docs/eiro/tn0704039s/tn0704039s.pdf.
(8) PB C 175 van 27.7.2007, blz. 88.

Juridische mededeling - Privacybeleid