Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2045(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0355/2008

Ingediende teksten :

A6-0355/2008

Debatten :

Stemmingen :

PV 21/10/2008 - 8.17
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0493

Aangenomen teksten
PDF 133kWORD 52k
Dinsdag 21 oktober 2008 - Straatsburg
De wetgeving verbeteren 2006 overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid
P6_TA(2008)0493A6-0355/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over "De wetgeving verbeteren 2006" overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (2008/2045(INI))

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over de wetgeving verbeteren 2005: toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid – (13de jaarverslag)(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over de betere regelgeving in de Europese Unie(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over een strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over de institutionele en juridische gevolgen van het gebruik van "soft law"-instrumenten(4),

–   gezien het verslag van de Commissie met als titel "De wetgeving verbeteren 2006" overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (14e verslag) (COM(2007)0286),

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Tweede strategische evaluatie van betere regelgeving in de Europese Unie" (COM(2008)0032),

–   gezien het werkdocument van de Commissie met als titel "Tweede voortgangsrapport inzake de strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving" (COM(2008)0033),

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Fast track actions 2008 ter verlaging van de administratieve lasten in de Europese Unie" (COM(2008)0141),

–   gezien het werkdocument van de Commissie met als titel "De administratieve lasten in de Europese Unie verlagen – Voortgangsverslag 2007 en vooruitzichten voor 2008" (COM(2008)0035),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0355/2008),

A.   overwegende dat men zich bij de vaststelling van het regelgevingskader van de Europese Unie moet laten leiden door criteria zoals duidelijkheid en doeltreffendheid,

B.   overwegende dat betere regelgevingsprocedures kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Unie,

C.   overwegende dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid grondbeginselen van het primaire recht zijn en dat, voor zover de Gemeenschap op een gebied niet als enige instantie wetgevingsbevoegdheid heeft, deze beginselen steeds nageleefd moeten worden,

D.   overwegende dat de correcte toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid een fundamentele bijdrage levert aan de versterking van het gezag en de effectiviteit van de communautaire wetgeving en helpt waarborgen dat de besluitvorming plaatsvindt op een niveau dat dichter bij de burger ligt en aldus uiteindelijk borg staat voor een bredere acceptatie van de Europese Unie door de bevolking, en overwegende dat deze beginselen onmisbaar zijn om de deugdelijkheid en de toepasbaarheid van het EU-beleid te legitimeren, aangezien zij de lidstaten in staat stellen hun eigen wetgevingsbevoegdheden uit te oefenen in een geest van samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus, hetgeen ook de rechtszekerheid ten goede komt,

E.   overwegende dat tegenwoordig op de communautaire wetgeving de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van toepassing zijn, hetgeen impliceert dat er procedures moeten worden vastgesteld voor de coördinatie met de nationale wetgevende, uitvoerende en justitiële instanties teneinde zowel de noodzakelijkheid als de rechtmatigheid van het EU-optreden te waarborgen,

F.   overwegende dat de Commissie het accent legt op een aantal belangrijke aspecten ter verbetering van de regelgeving binnen de Europese Unie, zoals effectbeoordelingen, vermindering van administratieve kosten en de vereenvoudiging, verbetering en actualisering van bestaande regelingen,

G.   overwegende dat de Commissie wat dat betreft groot belang hecht aan een open dialoog met de sociale gesprekspartners en nationale wetgevers,

H.   overwegende dat de Commissie in haar "Eerste voortgangsrapport inzake de strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving" (COM(2006)0690) voor 2006 nagenoeg 50 codificatie-initiatieven heeft aangekondigd, waarvan er slechts 36 daadwerkelijk aan het Parlement zijn gepresenteerd, en dat er anderzijds 200 codificatie-initiatieven zijn aangekondigd voor 2007, waarvan er slechts 21 aan de wetgever zijn voorgelegd,

I.   overwegende dat de Commissie in het als bijlage aan haar bovengenoemde "Tweede voortgangsrapport inzake de strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving" toegevoegde doorlopende vereenvoudigingsprogramma de herziening en herschikking van de vigerende regelingen op een aantal terreinen (energie-efficiëntie van gebouwen, burgerluchtvaart, enz.) als gelijkwaardige operaties behandelt,

J.   overwegende dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden een actieprogramma te presenteren om tegen 2012 een verlaging van de administratieve lasten met 25% voor ondernemingen binnen de Europese Unie door te voeren, en dat zij hiertoe voor verschillende wetgevingssectoren een aantal dringende acties heeft voorgesteld,

1.   steunt het streven van de Commissie om de kwaliteit van de communautaire wetgeving te verbeteren en de wetgevingsdruk te verlichten, waaronder de afschaffing van onnodige wetgeving die obstakels opwerpt voor groei en innovatie; benadrukt dat er op een aantal gebieden zelfs meer moet worden ondernomen om ervoor te zorgen dat er maximaal economisch profijt wordt getrokken uit de wetgeving die betrekking heeft op de interne markt;

2.   is voorstander van regelgeving die op beginselen is gebaseerd, waarbij de nadruk moet liggen op kwaliteit in plaats van kwantiteit; beschouwt de discussie over 'betere wetgeving' als een goede gelegenheid om wetgeving te leren zien als een proces dat bedoeld is om duidelijk gedefinieerde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken door communautaire wetgeving in die zin te verbeteren dat groei en werkgelegenheid worden bevorderd en door alle belanghebbenden er in alle stadia van het proces, van de voorbereiding tot en met de tenuitvoerlegging, bij te betrekken;

3.   benadrukt in de context van de inspanningen om de wetgeving te verbeteren het belang van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, zowel met het oogmerk onnodige bureaucratische lasten voor de lidstaten en de betrokkenen terug te dringen als met het doel bij de Europese burgers een bredere acceptatie te bewerkstelligen van de maatregelen, die conform deze beide beginselen uitsluitend op Gemeenschapsniveau kunnen worden doorgevoerd;

4.   steunt de inspanningen van de Commissie om het acquis communautaire te vereenvoudigen;

5.   is ingenomen met de verbeterde procedures die de Commissie heeft ingevoerd om de betrokken partijen bij de formulering van haar wetgevingsvoorstellen te raadplegen en wijst op de over het algemeen positieve reacties van de geraadpleegde partijen bij de beoordeling van de wijze waarop de Commissie hun betrokkenheid stimuleert;

6.   betreurt het dat de Commissie, ondanks deze verbeterde procedures, nog steeds afzonderlijke documenten met niet-identieke lijsten van vereenvoudigingsmaatregelen ter stroomlijning van de regelgeving en in het kader van "beter wetgeven" blijft opmaken, hetgeen een algeheel overzicht op de strategie bemoeilijkt; onderstreept dat de toename van dit soort documenten moet worden tegengegaan; dringt er bij de Commissie op aan per jaar slecht één enkel document voor te leggen; beklemtoont dat de desbetreffende beleidsevaluaties en de kwaliteit van de samenwerking op het niveau van de Europese Unie gestalte moeten krijgen, met name door de inzet van het Parlement, de Raad en de Commissie;

7.   is van oordeel dat objectieve effectbeoordelingen een belangrijk instrument zijn bij de beoordeling van de Commissievoorstellen en pleit derhalve voor externe en onafhankelijke controle op de uitvoering van effectbeoordelingen;

8.   is van oordeel dat raadplegingen en effectbeoordelingen essentieel zijn voor een beter geformuleerde Gemeenschapswetgeving en dat zij niet nog méér administratieve rompslomp mogen veroorzaken of bureaucratische struikelblokken mogen opwerpen die het de Commissie onmogelijk maken op te treden, maar in plaats daarvan een bijdrage moeten leveren aan de totstandbrenging van een gedegen rechtskader dat groei in de Europese Unie bevordert;

9.   benadrukt dat er kosten-batenanalyses moeten worden opgemaakt waarin rekening wordt gehouden met de kostenstructuren van de regelgeving wanneer richtlijnen in nationale wetgeving worden omgezet en die het rechtskader waarbinnen bedrijven en personen opereren veranderen; is zich er echter van bewust dat dergelijke kosten-batenanalyses onverlet laten dat er een politiek debat moet worden gevoerd over de voors en tegens van specifieke wetgeving;

10.   is van mening dat het Parlement en de Raad met het oog op de verbetering van de kwaliteit van wetgeving bij de indiening van hun amendementen zowel rekening moeten houden met de effectbeoordelingen van de Commissie als met hun eigen effectbeoordelingen;

11.   is bovendien van oordeel dat objectieve effectbeoordelingen ten dele op tijdige en uitvoerige raadpleging van de betrokkenen dienen te zijn gebaseerd; roept de Commissie op om een breed scala aan scenario's en beleidsopties (waaronder eventueel ook de mogelijkheid om niets te ondernemen) als basis voor kosteneffectieve en duurzame oplossingen in haar effectbeoordelingen op te nemen;

12.   spreekt de verwachting uit dat de kwaliteit van de evaluaties kan worden verbeterd door daarin een raming van de administratieve kosten op te nemen;

13.   onderstreept de noodzaak van op het niveau van de Europese Unie door organen die de burgers vertegenwoordigen, zoals het Europees Parlement, of door organen die de plaatselijke en maatschappelijke instanties vertegenwoordigen, zoals het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité, uit te voeren beleidsevaluaties;

14.   spreekt zijn reserves uit omtrent het aanmoedigen van zelfregulering en coregulering, die uiteindelijk kunnen resulteren in een vorm van "legislatieve abstinentie", die alleen maar gunstig is voor pressiegroepen en economische machthebbers; onderschrijft derhalve de conclusie van de Commissie dat de meest eenvoudige weg voor het bereiken van de doelstellingen van de Europese Unie en rechtszekerheid voor burgers en ondernemingen nog steeds het uitvaardigen van verordeningen is; verzoekt de Commissie wat dat betreft een meer coherente strategie te ontwikkelen;

15.   onderstreept dat niet-wetgevingsmaatregelen het machtsevenwicht en de respectieve rollen van de instellingen onverlet zouden moeten laten; wenst een verstandige en consistente bijdrage te leveren aan dergelijke maatregelen, voortbouwend op zijn ervaring; benadrukt dat dergelijke innoverende maatregelen politieke steun behoeven;

16.   is van mening dat er aanleiding is om het formele reguleringssysteem van de Europese Unie te versterken conform de in de Verdragen opgenomen voorwaarden, en dat het bewandelen van de kortere weg, zelfs in de vorm van informele wetgeving die geen bindende werking heeft, moet worden vermeden;

17.   apprecieert het dat de Commissie maatregelen heeft genomen om de vertraging in te halen bij de vertaling in de nieuwe officiële EU-talen van de teksten waarvan de codificatie momenteel gaande is; betreurt het dat de Commissie, hoewel zij voor 2006 nagenoeg 50 codificatie-initiatieven heeft aangekondigd en voor 2007 ongeveer 200, respectievelijk slechts 36 en 21 voorstellen heeft voorgelegd aan het Europees Parlement;

18.   dringt er bij de Commissie op aan zich te houden aan de gepubliceerde codificatie- en herschikkingslijsten door de wetgever voor zover mogelijk alle aangekondigde initiatieven voor te leggen en aan te geven waarom dat in een aantal gevallen niet is gebeurd; onderstreept dat het Europees Parlement zijn goede wil heeft betoond door de artikelen 80 en 80 bis van zijn Reglement aan te passen, zodat dergelijke vereenvoudigingsinitiatieven op een snellere en eenvoudiger manier kunnen worden goedgekeurd;

19.   wijst de Commissie er tevens op dat de codificatie- en herschikkingsinitiatieven binnen redelijke termijnen door het Europees Parlement worden goedgekeurd en dat, wanneer de termijnen voor andere vereenvoudigingsinitiatieven langer zouden uitvallen, dit te verklaren valt door het feit dat het daarbij gaat om gewone wetgevingsvoorstellen, die als zodanig zijn onderworpen aan de normale goedkeuringsprocedure en de gebruikelijke termijnen;

20.   bevestigt zijn wens dat de Commissie herschikkingen toepast als een gewone wetgevingstechniek, zelfs wanneer een "herziening" van de bestaande tekst wordt voorgesteld, zodat voor elk initiatief een compleet overzicht van de tekst ter beschikking komt, inclusief specifieke wijzigingen, en met een duidelijke vermelding van de nieuwe en ongewijzigde gedeelten;

21.   roept de Commissie er tevens toe op in gedachte te houden dat zij, wanneer een herschikking niet mogelijk is, via de gewone wetgevingstechniek ruimte zou moeten creëren om binnen maximaal zes maanden over te gaan tot codificatie van de successieve wijzigingen op het desbetreffende wetgevingsbesluit; is van oordeel dat er, overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven"(5), in overleg met de Raad en de Commissie speciale structuren zouden kunnen worden gecreëerd om een adequate betrokkenheid van de belanghebbende partijen bij het stimuleren van het vereenvoudigingsproces te bevorderen;

22.   wijst erop dat niet-dwingende juridische instrumenten die niet scherp en effectief zijn geformuleerd negatieve gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling van het EU-recht en het evenwicht tussen de instellingen kunnen verstoren, en dat daarmee dan ook zeer omzichtig moet worden omgesprongen, d.w.z. dat er alleen gebruik van mag worden gemaakt wanneer de Verdragen daarin voorzien en op een manier die exact overeenkomt met de verdeling van de bevoegdheden volgens het primaire recht, en dat de rechtszekerheid hoe dan ook moet worden gewaarborgd;

23.   is ingenomen met het feit dat de Commissie heeft besloten haar nieuwe voorstellen en consultatiedocumenten rechtstreeks naar de nationale parlementen door te sturen, om aldus hun reacties te peilen voordat het communautaire wetgevingsproces op gang komt en te anticiperen op de bepalingen van het Verdrag van Lissabon; is volledig doordrongen van het belang van deze vorm van samenwerking voor de verbetering van de kwaliteit en de implementatie van de communautaire wetgeving, in het bijzonder waar het de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid betreft;

24.   is van mening dat er serieus en proactief toezicht moet worden uitgeoefend op de omzetting van de wetgeving ten einde afwijkende interpretaties en het onnodig optuigen van regels ("goldplating") te voorkomen; verlangt dat de Commissie – zowel op communautair als op nationaal niveau – een actieve rol vervult bij de omzetting van de wetgeving, samen met toezichthouders en groepen deskundigen, aangezien vroegtijdige evaluatie vertragingen en onnodige rompslomp voor ondernemingen kan helpen voorkomen; dringt er bij de Commissie op aan na te gaan welke maatregelen er verder nog kunnen worden ondernomen om "goldplating" te voorkomen, inclusief de invoering van het recht om directe burgerlijke acties op touw te zetten; dringt aan op het opzetten van 'follow-up effectbeoordelingen' waarbij geanalyseerd wordt hoe besluiten feitelijk op nationaal en lokaal niveau worden geïmplementeerd; is voorstander van het steeds specifieker inzetten van verordeningen; stelt eens te meer voor dat het Parlement een adequate procedure voor toezicht op de omzetting instelt, in nauwe samenwerking met zijn nationale partners;

25.  is van mening dat er, ter verbetering van de efficiency van de betrekkingen met de nationale parlementen, behoefte is aan een gezamenlijk beleid ten aanzien van de voorwaarden die zijn verbonden aan de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; onderschrijft zonder voorbehoud het initiatief van de Commissie om in dit verband een gestandaardiseerde reeks vragen te hanteren bij de formulering van de toelichtingen bij haar voorstellen, zoals aangegeven in bijlage 3 bij het desbetreffende werkdocument van de Commissie (SEC(2007)0737);

26.   juicht het toe dat de Commissie een herziening heeft aangekondigd van het communautaire acquis inzake vennootschapsrecht, jaarrekeningenrecht en auditwetgeving, en vertrouwt erop dat zij hiertoe zo spoedig mogelijk met specifieke voorstellen komt;

27.   bevestigt nogmaals de noodzaak om onnodige administratieve lasten voor ondernemingen terug te dringen met betrekking tot de informatieverplichtingen van zowel de Europese wetgeving als de toepasselijke nationale voorschriften; wijst er met nadruk op dat het doel van de Commissie om tegen 2012 een terugdringing met 25% van de administratieve lasten te bewerkstelligen een nettodoel moet zijn, wat inhoudt dat als lasten op sommige terreinen zijn teruggedrongen, dit niet door nieuwe administratieve lasten teniet mag worden gedaan; ondersteunt de bevordering van het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën in deze sector; verzoekt de Commissie de eventuele administratieve lasten van alle betrokken partijen, en niet alleen ondernemingen, te bestuderen en zo mogelijk te verminderen;

28.   benadrukt dat ook de wisselwerking tussen de Commissie en de burgers meer moet worden gestroomlijnd, met name op het gebied van aanbestedingen, financiële diensten, onderzoeksprogramma's, regelgeving inzake staatssteun en aanvragen voor communautaire financiering;

29.   wijst nogmaals op de noodzaak verstandig om te springen met 'herzieningsclausules' om te waarborgen dat de wetgeving niet aan relevantie inboet;

30.   bevestigt zijn bereidheid om de samenwerking met de Raad en de Commissie in stand te houden en te verbeteren, ten einde te kunnen voldoen aan de verwachtingen van burgers en ondernemingen voor wat betreft de vereenvoudiging van de communautaire wetgeving, in het bijzonder met betrekking tot dringende acties ter beperking van de administratieve lasten; benadrukt dat bij het proces ter vereenvoudiging van de besluitvormingsprocedures met het oog op de verkorting van de termijnen in ieder geval rekening moet worden gehouden met de in de Verdragen neergelegde procedure-eisen;

31.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, aan de Commissie, en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 67.
(2) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 60.
(3) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 72.
(4) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 75.
(5) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid