Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 25 september 2008 - Brussel
Publieke (burger- en gemeenschaps-) media in Europa
 Belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de behandeling van verzekerings- en financiële diensten *
 Ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (RVVR) 2007
 Concentratie en pluralisme van de media in de Europese Unie
 Beheersing van de energieprijzen
 Voeding, overgewicht en obesitas (Witboek)
 Collectief grensoverschrijdend beheer van auteursrechten

Publieke (burger- en gemeenschaps-) media in Europa
PDF 135kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 september 2008 over publieke (burger- en gemeenschaps-) media in Europa (2008/2011(INI))
P6_TA(2008)0456A6-0263/2008

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 150 en 151 van het EG-Verdrag,

–   gezien het op 2 oktober 1997 ondertekende Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, Protocol nr. 9 betreffende het publieke omroepstelsel in de lidstaten(1),

–   gezien artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien de UNESCO-conventie inzake de bescherming en promotie van de diversiteit van culturele expressies die de legitimiteit van overheidsbeleid voor de erkenning en bevordering van pluralisme erkent,

–   gezien Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn)(2),

–   gezien Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn)(3),

–   gelet op Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn)(4),

–   gezien Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn)(5),

–   gezien Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten(6),

–   gezien Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (Radiospectrumbeschikking)(7),

–   gezien het Witboek van de Commissie inzake een Europees communicatiebeleid (COM(2006)0035),

–   gezien de Mededeling van de Commissie van 20 december 2007, getiteld "Een Europese aanpak van mediageletterdheid in de digitale omgeving" (COM(2007)0833),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 juli 1995 inzake het Groenboek Strategische opties voor de versterking van de programma-industrie in de context van het audiovisuele beleid van de Europese Unie(8),

–   gezien het werkdocument van de Commissiediensten, getiteld "Media pluralism in the Member States of the European Union" (SEC(2007)0032),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 april 2004 over de risico's van schending in de EU en met name in Italië van de vrijheid van meningsuiting en informatie (artikel 11, lid 2 van het Handvest van de grondrechten)(9),

–   gezien de in opdracht van het Europees Parlement uitgevoerde studie "De stand van zaken van "community media" in de Europese Unie",

–   gezien aanbeveling "Community Media/Rec (2007)2" van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten inzake mediapluralisme en inhoudelijke verscheidenheid in de media,

–   gezien de verklaring van het Comité van ministers van de Raad van Europa over de bescherming van de rol van de media in de democratie in het licht van de mediaconcentratie (Decl-31.01.2007E),

–   gezien de Gemeenschappelijke Verklaring inzake diversiteit in het omroepstelsel, opgesteld door de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van meningsuiting, de vertegenwoordiger van de OVSE voor de vrijheid van de media, de speciale rapporteur van de OAS voor de vrijheid van meningsuiting en de speciale rapporteur van de ACHPR (Afrikaanse Commissie voor de rechten van mensen en volken) voor de vrijheid van meningsuiting en de toegang tot informatie (goedgekeurd op 12 december 2007),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0263/2008),

A.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media non-profitorganisaties zijn en rekenschap verschuldigd zijn aan de gemeenschap waarop hun diensten gericht zijn,

B.   overwegende dat dergelijke media wegens hun non-profit karakter primair ten doel hebben activiteiten van openbaar of particulier belang te ontplooien zonder commercieel of geldelijk winstoogmerk,

C.   overwegende dat het feit dat zij rekenschap zijn verschuldigd aan hun gemeenschap betekent dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media de gemeenschap over hun activiteiten en beslissingen moeten inlichten, dat zij deze moeten rechtvaardigen en dat zij in het geval van eventueel wangedrag moeten worden gesanctioneerd,

D.   overwegende dat er tussen de lidstaten belangrijke verschillen bestaan met betrekking tot de verspreiding en invloed van publieke (burger- en gemeenschaps-) media, welke het grootst zijn in die lidstaten die duidelijk hun legale status erkennen en zich bewust zijn van hun meerwaarde,

E.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media open dienen te staan voor deelname aan het produceren van media-inhoud door leden van de gemeenschap, en aldus actieve deelname van vrijwilligers aan mediaproducties bevorderen in plaats van passieve mediaconsumptie,

F.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media veelal niet gericht zijn op de meerderheid van de samenleving, maar in plaats daarvan op een verscheidenheid aan kleinere, specifieke en vaak lokale of regionale doelgroepen, die door de andere media over het hoofd worden gezien;

G.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een brede maar grotendeels niet erkende rol in het medialandschap spelen, vooral als bron van lokale media-inhoud, en innovatie, creativiteit en diversiteit van media-inhoud bevorderen,

H.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media moeten beschikken over een duidelijk omschreven taakstelling, zoals het voorzien in een sociale behoefte, die eveneens tot uitdrukking moet komen in de door deze media geproduceerde inhoud,

I.   overwegende dat een van de belangrijkste zwakke punten van de publieke (burger- en gemeenschaps-) media in de Europese Unie is gelegen in het feit dat zij door vele nationale rechtsstelsels niet worden erkend, en dat ze tot nu toe in geen enkele relevante communautaire rechtshandeling aan bod komen,

J.   overwegende dat de invoering van een gedragscode naast wettelijke erkenning de status, procedures en rol van de sector zou verduidelijken, en daardoor zou bijdragen aan zekerheid binnen de sector en ook de onafhankelijkheid zou waarborgen en wangedrag voorkomen,

K.   overwegende dat het internet in deze sector een nieuw tijdperk met nieuwe mogelijkheden en uitdagingen heeft ingeluid, en dat de kosten voor de overstap van analoge naar digitale transmissie een significante last voor de plaatselijke media vormen,

L.   overwegende dat 2008 is uitgeroepen tot Europees jaar van de interculturele dialoog, wat betekent dat de media in de Europese Unie een bijzonder belangrijke rol hebben te spelen omdat ze voorzien in uiterst geschikte uitdrukkings- en informatiemiddelen voor kleinere culturele groeperingen binnen de maatschappij als geheel en voor voortzetting van de interculturele dialoog gedurende 2008 en daarna,

M.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een belangrijk middel zijn om burgers een eigen stem te geven en om ze te stimuleren actief deel te nemen aan het maatschappelijk leven, overwegende dat zij de maatschappelijke discussie verrijken omdat zij intern pluralisme van ideeën vertegenwoordigen, en overwegende dat eigendomsconcentratie een bedreiging vormt voor diepgaande mediaberichtgeving over lokale kwesties die voor alle groepen binnen de gemeenschap van belang zijn,

1.   benadrukt dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een effectief middel zijn voor het versterken van de culturele en taalkundige verscheidenheid, sociale cohesie en lokale identiteit, hetgeen de diversiteit van de sector verklaart;

2.   wijst erop dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media ertoe bijdragen de identiteiten van specifieke belangengroepen te versterken en leden van dergelijke groepen tegelijkertijd in staat te stellen een dialoog met andere groepen van de samenleving aan te gaan, zodat deze media een belangrijke rol spelen bij de bevordering van tolerantie en pluralisme in de samenleving en bijdragen tot de interculturele dialoog;

3.   benadrukt tevens dat de publieke (burger- en gemeenschaps-) media de interculturele dialoog bevorderen door bij te dragen aan de educatie van het grote publiek, negatieve stereotypen te bestrijden en het beeld te corrigeren dat de massamedia geven van sociale groepen die buitengesloten dreigen te worden, zoals vluchtelingen, migranten, Roma en andere etnische en religieuze minderheden; benadrukt dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een instrument voor het vergemakkelijken van de integratie van immigranten zijn en het aan achtergestelden geven van de mogelijkheid een actieve rol in de samenleving te spelen door aan debatten deel te nemen die voor hen van belang zijn;

4.   wijst erop dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een belangrijke rol als waardevolle werkervaringsplek kunnen spelen in opleidingsprogramma's waar externe organisaties, waaronder universiteiten, en onervaren leden van de gemeenschap bij betrokken zijn; wijst erop dat mensen een opleiding geven in digitale, web- en redactionele vaardigheden door middel van deelname aan activiteiten van plaatselijke media in nuttige en overdraagbare vaardigheden resulteert;

5.   wijst erop dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media als katalysator voor lokale creativiteit fungeren doordat zij kunstenaars en creatieve ondernemers een openbaar platform bieden voor het uitproberen van nieuwe ideeën en concepten,

6.   is van oordeel dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media ertoe bijdragen de mediageletterdheid van de burgers te bevorderen door hen rechtstreeks te betrekken bij de productie en verspreiding van media-inhoud, en moedigt publieke (burger- en gemeenschaps-) media op scholen aan om jongeren maatschappelijk betrokken te maken, hen te leren omgaan met media en ze een aantal vaardigheden bij te brengen die ze verder kunnen gebruiken voor deelname aan publieke (burger- en gemeenschaps-) media;

7.   benadrukt dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media ertoe bijdragen het pluralisme in de media te versterken, aangezien zij onderwerpen die voor een bepaalde gemeenschap van centraal belang zijn, vanuit aanvullende invalshoeken benaderen;

8.   wijst erop dat, gezien het feit dat openbare en commerciële media in bepaalde gebieden, waaronder afgelegen gebieden, niet of niet meer aanwezig zijn, en door de tendens van commerciële media om lokale inhoud te beperken, publieke (burger- en gemeenschaps-) media soms de enige bron van lokaal nieuws en informatie en de enige stem van lokale gemeenschappen zijn;

9.   is verheugd over het feit dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media de aandacht van het publiek kunnen vestigen op bestaande openbare diensten en de participatie van de burgers in het publieke debat kunnen bevorderen;

10.   is van oordeel dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een doeltreffend middel kunnen zijn om de Unie dichter bij haar burgers te brengen door zich te richten op speciale groepen kijkers of luisteraars, en beveelt verder aan dat de lidstaten actiever met plaatselijke media samenwerken teneinde een intensievere dialoog met de burgers aan te gaan;

11.   wijst erop dat een goede kwaliteit van de publieke (burger- en gemeenschaps-) media essentieel is voor een volledige benutting van hun mogelijkheden en benadrukt het feit dat zonder voldoende financiële middelen een dergelijke kwaliteit niet mogelijk is; wijst erop dat de financiële middelen van publieke (burger- en gemeenschaps-) media sterk uiteenlopen maar in de regel vrij schaars zijn, en erkent dat extra financiële steun en digitale aanpassing de publieke (burger- en gemeenschaps-) media in staat zou stellen om verder te innoveren en nieuwe en essentiële diensten te leveren die het bestaande analoge aanbod meerwaarde zouden geven;

12.   constateert dat de sector de steun ontbeert die nodig is om in staat te zijn tot grotere inspanningen ter verbetering van zijn vertegenwoordiging bij en zijn contacten met de Europese Unie en nationale besluitvormers;

13.   benadrukt de noodzaak van politieke onafhankelijkheid van publieke (burger- en gemeenschaps-) media;

14.   verzoekt de Commissie en de lidstaten rekening te houden met de inhoud van de resolutie door publieke (burger- en gemeenschaps-) media te definiëren als:

   a) op non-profitbasis werken, onafhankelijk van nationale en lokale autoriteiten zijn en in de eerste plaats activiteiten van publiek en maatschappelijk belang ontplooien, met duidelijk vastgelegde doelstellingen die altijd een maatschappelijk oogmerk hebben en bijdragen aan de interculturele dialoog;
   b) rekenschap verschuldigd zijn aan de gemeenschap waarop hun diensten zijn gericht, wat betekent dat zij de gemeenschap over hun activiteiten en beslissingen moeten inlichten, dat zij deze moeten rechtvaardigen en dat zij in het geval van eventueel wangedrag moeten worden gesanctioneerd, zodat de diensten de belangen van de gemeenschap blijven dienen en "topdown"-netwerken worden voorkomen;
   c) moeten openstaan voor deelname aan het produceren van media-inhoud door leden van de gemeenschap, die aan alle productie- en managementaspecten mogen deelnemen hoewel zij die verantwoordelijk zijn voor de redactionele inhoud een professionele status moeten hebben;

15.   adviseert de lidstaten om, voor zover zij dit nog niet hebben gedaan, publieke (burger- en gemeenschaps-) media wettelijk te erkennen als specifieke groep mediaorganisaties naast commerciële en openbare media, zonder dat dit ten koste gaat van de traditionele media;

16.   verzoekt de Commissie om publieke (burger- en gemeenschaps-) media, bij het opstellen van indicatoren voor mediapluralisme, als een alternatieve "bottom-up" oplossing ter waarborging van het mediapluralisme te beschouwen;

17.   roept de lidstaten op publieke (burger- en gemeenschaps-) media ter waarborging van het mediapluralisme actiever te ondersteunen, al dient een dergelijke steun niet ten koste te gaan van de openbare media;

18.   benadrukt de rol die lokale, regionale en nationale autoriteiten kunnen spelen bij het steunen en bevorderen van publieke (burger- en gemeenschaps-) media door te zorgen voor een geschikte infrastructuur, samen met steun in het kader van programma's die uitwisseling van optimale werkwijzen stimuleren, zoals het programma van de Gemeenschap "Regio's voor economische verandering" (voorheen het Interreg-programma);

19.   vraagt de lidstaten televisie- en radiofrequentiespectrum, zowel het analoog als digitaal, beschikbaar te stellen, en daarbij in gedachten te houden dat de diensten die door publieke (burger- en gemeenschaps-) media worden geleverd niet moet worden beoordeeld in termen van alternatieve kosten of rechtvaardiging van de kosten van spectrumtoewijzing maar op grond van de sociale waarde die ze vertegenwoordigen;

20.   erkent dat enerzijds slechts een klein deel van de sector over de nodige kennis en ervaring beschikt om EU-steun aan te vragen en te verwerven, terwijl anderzijds de voor steun verantwoordelijke ambtenaren zich niet bewust zijn van het potentieel van publieke (burger- en gemeenschaps-) media;

21.   erkent dat de sector intensiever gebruik zou kunnen maken van financieringsregelingen van de Gemeenschap voor zover deze bijdragen aan de doelstellingen van publieke (burger- en gemeenschaps-) media, door de uitvoering van een aantal specifieke programma's, zoals het Europees Regionaal Ontwikkelingsfonds en het Europees Sociaal Fonds, alsook de mogelijkheid voor opleiding en scholing van journalisten door middel van bijvoorbeeld de programma's voor levenslang leren; benadrukt echter dat in beginsel de financiering uit nationale, lokale en/of andere bronnen moet komen;

22.   spoort publieke (burger- en gemeenschaps-) media aan een Europees internetplatform in het leven roepen om nuttige en relevante informatie voor de sector te verspreiden, en de vorming van netwerken en de uitwisseling van optimale werkwijzen te bevorderen;

23.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 340 van 10.11.1997, blz. 109.
(2) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.
(3) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.
(4) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.
(5) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51.
(6) PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27.
(7) PB L 108 van 24.4.2002, blz.1.
(8) PB C 249 van 25.9.1995, blz. 219
(9) PB C 104 E van 30.4.2004, blz.1026.


Belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de behandeling van verzekerings- en financiële diensten *
PDF 342kWORD 109k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 september 2008 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de behandeling van verzekerings- en financiële diensten (COM(2007)0747 – C6-0473/2007 – 2007/0267(CNS))
P6_TA(2008)0457A6-0344/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2007)0747),

–   gelet op artikel 93 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0473/2007),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0344/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn - wijzigingsbesluit
Overweging 1
(1)  De financiëledienstensector levert een belangrijke bijdrage aan de groei, het concurrentievermogen en de werkgelegenheid, maar kan zijn rol slechts vervullen wanneer op de interne markt neutrale concurrentievoorwaarden heersen. Er moet worden voorzien in een kader dat rechtszekerheid biedt voor de btw-behandeling van financiële producten en van de verkoop en het beheer van die producten.
De financiëledienstensector levert een belangrijke bijdrage aan de groei, het concurrentievermogen en de werkgelegenheid, maar kan zijn rol slechts vervullen wanneer op de interne markt neutrale concurrentievoorwaarden heersen. Er moet worden voorzien in een kader dat dergelijke neutrale voorwaarden biedt met betrekking tot de btw-behandeling van financiële producten en van de verkoop en het beheer van die producten.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 2
(2)  De bestaande btw-vrijstellingsregels voor financiële en verzekeringsdiensten die zijn vastgesteld in Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zijn achterhaald en worden op uiteenlopende wijze uitgelegd en toegepast. De complexiteit van de regelgeving en de verschillen in administratieve praktijken veroorzaken rechtsonzekerheid bij de marktdeelnemers en de belastingautoriteiten. Deze onzekerheid heeft aanleiding gegeven tot talrijke geschillen en heeft de administratieve lasten verhoogd. Er moet derhalve worden verduidelijkt welke verzekerings- en financiële diensten zijn vrijgesteld, om aldus meer rechtszekerheid te creëren en de administratieve lasten voor de marktdeelnemers en de autoriteiten te verminderen.
(2)  De bestaande btw-vrijstellingsregels voor financiële en verzekeringsdiensten die zijn vastgesteld in Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zijn achterhaald en worden op uiteenlopende wijze uitgelegd en toegepast. De complexiteit van de regelgeving en de verschillen in administratieve praktijken veroorzaken rechtsonzekerheid bij de marktdeelnemers en de belastingautoriteiten en zorgen ervoor dat niet alle marktdeelnemers dezelfde uitgangspositie hebben. Deze onzekerheid heeft aanleiding gegeven tot talrijke geschillen en heeft de administratieve lasten verhoogd. Er moet derhalve worden verduidelijkt welke verzekerings- en financiële diensten zijn vrijgesteld, om aldus meer rechtszekerheid en een gelijke uitgangspositie voor alle marktdeelnemers in de EU te creëren en de administratieve lasten voor de marktdeelnemers en de autoriteiten te verminderen.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 5
(5)  Bemiddeling bij verzekeringsdiensten en bemiddeling bij financiële diensten vereisen vergelijkbare werkwijzen. Daarom moeten beide vormen van bemiddeling op dezelfde wijze worden behandeld.
(5)  Bemiddeling bij verzekeringsdiensten en bemiddeling bij financiële diensten vereisen vergelijkbare werkwijzen. Daarom moeten beide vormen van bemiddeling op dezelfde wijze worden behandeld, met inbegrip van bemiddeling door een bemiddelaar die niet via een overeenkomst gebonden is aan of rechtstreeks contact heeft met een van de partijen bij een financiële of verzekeringstransactie tot de sluiting waarvan de bemiddelaar heeft bijgedragen. In dergelijke gevallen omvat de belastingvrijstelling uniform alle activiteiten, met inbegrip van alle activiteiten waarmee de sluiting van een contract wordt voorbereid en nadien afgerond, die kenmerkend zijn voor een verzekeringsbemiddelaar of financiële bemiddelaar.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Het is passend dat activiteiten voor het beheer van investeringsfondsen onder de vrijstelling blijven vallen indien deze worden uitgevoerd door marktdeelnemers die tevens derden zijn.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Overweging 7
(7)  Verzekerings- en financiëledienstverleners kunnen steeds vaker de voorbelasting op de door hen ingekochte prestaties precies toerekenen aan de te belasten diensten die zij verrichten. Wanneer deze diensten op een vergoeding zijn gebaseerd, kan de maatstaf van heffing voor deze diensten gemakkelijk worden bepaald. Daarom moeten ook deze marktdeelnemers de mogelijkheid krijgen om voor belastingheffing te kiezen.
(7)  Verzekerings- en financiëledienstverleners kunnen steeds vaker de voorbelasting op de door hen ingekochte prestaties precies toerekenen aan de te belasten diensten die zij verrichten. Wanneer deze diensten op een vergoeding zijn gebaseerd, kan de maatstaf van heffing voor deze diensten gemakkelijk worden bepaald. Daarom moeten ook deze marktdeelnemers de mogelijkheid krijgen om voor belastingheffing te kiezen zodat de bezorgdheid over dubbele belastingheffing wordt weggenomen die eventueel kan ontstaan als een dergelijke belastingheffing wordt gecoördineerd met nationale belastingen op verzekerings- en financiële diensten.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn - wijzigingsbesluit
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  De Raad dient er bij de vaststelling van maatregelen inzake het keuzerecht voor belasting overeenkomstig Richtlijn 2006/112/EG op toe te zien dat zij overal in de interne markt op gelijke wijze worden toegepast. In afwachting van de vaststelling van deze voorschriften door de Raad moeten lidstaten de nauwkeurig omschreven regels kunnen vastleggen voor uitoefening van het keuzerecht. Lidstaten delen aan de Commissie zes maanden vóór vaststelling ontwerpmaatregelen op dit gebied mede. In deze periode beoordeelt de Commissie de ontwerpmaatregelen en doet zij een aanbeveling.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 1 – letter a
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 – lid 1 – letter a
(a) verzekering en herverzekering;
(a) verzekering, met inbegrip van herverzekering;
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 1 – letter a
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 – lid 1 – letter d
(d) wisselen van valuta's en terbeschikkingstelling van contant geld;
(d) wisselen van valuta's en terbeschikkingstelling van contant geld alsmede transacties met contante vorderingen;
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 1 – letter a
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 – lid 1 – letter e
(e) levering van effecten;
(e) transacties betreffende handel in effecten;
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 1 – letter a
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 – lid 1 – letter g bis (nieuw)
(g bis) alle soorten derivaten;
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 – lid 1 bis
1 bis.  De in lid 1, punten a) tot en met e), vastgestelde vrijstellingen gelden voor iedere component van een verzekerings- of financiële dienst die een afzonderlijk geheel vormt en het kenmerkende en essentiële karakter van de vrijgestelde dienst heeft.
1 bis.  De in lid 1, punten a) tot en met f), vastgestelde vrijstellingen gelden voor iedere component van een verzekerings- of financiële dienst die een afzonderlijk geheel vormt en het kenmerkende en essentiële karakter van de vrijgestelde dienst heeft.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 bis – punt 1
(1) "verzekering en herverzekering": een overeenkomst waarbij een partij zich tegen betaling ertoe verbindt een andere partij een in de overeenkomst bepaalde vergoeding of uitkering te verstrekken indien een risico intreedt;
(1) "verzekering": een overeenkomst waarbij een of meer partijen zich tegen betaling ertoe verbinden een of meer andere partijen een in de overeenkomst bepaalde vergoeding of uitkering te verstrekken indien een risico intreedt;
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 bis – punt 8 – inleidende formule
(8) "levering van effecten": de levering van verhandelbare instrumenten - met uitzondering van instrumenten die goederen of de in artikel 15, lid 2, bedoelde rechten vertegenwoordigen - die een financiële waarde belichamen en tot een of meer van de volgende posities leiden:
(8) "transacties betreffende de handel in effecten": de verkoop van verhandelbare instrumenten - met uitzondering van instrumenten die goederen of de in artikel 15, lid 2, bedoelde rechten vertegenwoordigen - die een financiële waarde belichamen en tot een of meer van de volgende posities leiden:
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 bis – punt 8 – letter c
(c) bezit van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging in de effecten als bedoeld in de punten a) en b), in andere vrijgestelde financiële instrumenten als bedoeld in artikel 135, lid 1, punten a) tot en met d), of in andere instellingen voor collectieve belegging;
(c) bezit van rechten van deelneming in investeringsfondsen zoals omschreven in punt 10 hieronder, of in instellingen voor collectieve belegging;
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 bis – punt 8 – letter c bis (nieuw)
(c bis) titel op contant vereffende financiële, krediet- en grondstoffenderivaten en de daarmee verband houdende opties:
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 bis – punt 9
(9) "bemiddeling bij verzekerings- en financiële handelingen": door een derde tussenpersoon verrichte dienst ten behoeve van en tegen betaling door een contractpartij, in de vorm van een afzonderlijke daad van bemiddeling met betrekking tot de in artikel 135, lid 1, punten a) tot en met e), bedoelde verzekerings- of financiële handelingen;
(9) "bemiddeling bij verzekerings- en financiële handelingen": door derde tussenpersonen verrichte dienst in de vorm van een afzonderlijke, al dan niet rechtstreekse daad van bemiddeling met betrekking tot de in artikel 135, lid 1, punten a) tot en met e), bedoelde verzekerings- of financiële handelingen, mits geen van de bemiddelaars tegenpartij is bij deze verzekerings- en financiële handelingen ;
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 bis – punt 10
(10) "beleggingsfondsen": instellingen voor collectieve belegging in de vrijgestelde financiële instrumenten als bedoeld in artikel 135, lid 1, punten a) tot en met e), en in onroerende goederen;
(10) "beleggingsfondsen": speciale beleggingsvehikels die gecreëerd zijn met als enige doel het aantrekken van kapitaal van investeerders teneinde dit in een gediversifieerde pool van activa te beleggen, waaronder pensioenfondsen en vehikels die gebruikt worden voor het beheer en de uitvoering van collectieve pensioenvoorzieningen;
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 bis – punt 11
(11) "beheer van beleggingsfondsen": activiteiten die ertoe strekken de beleggingsdoelen van het betrokken beleggingsfonds te verwezenlijken.
(11) "beheer van beleggingsfondsen": activiteiten die ertoe strekken de beleggingsdoelen van het betrokken beleggingsfonds te verwezenlijken en die tenminste het strategische en tactische activabeheer en de activa-toewijzing omvatten, met inbegrip van adviesdiensten alsmede valuta- en risicobeheer.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn - wijzigingsbesluit
Artikel 1 - punt 3
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 137 – lid 1 – letter a
(3)  In artikel 137, lid 1, wordt punt a) geschrapt.
Schrappen
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 137 bis – lid 1
1.  Met ingang van 1 januari 2012 verlenen de lidstaten de belastingplichtigen het recht om ter zake van de in artikel 135, lid 1, punten a) tot en met g), bedoelde diensten voor belastingheffing te kiezen.
1.  Met ingang van 1 januari 2012 verlenen de lidstaten de belastingplichtigen in ieder afzonderlijk geval het recht om ter zake van een van de in artikel 135, lid 1, punten a) tot en met g bis), bedoelde diensten, indien deze worden verleend aan een andere belastbare partij met zetel in dezelfde lidstaat dan wel elders in de Gemeenschap, voor belastingheffing te kiezen.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 137 bis – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De Commissie brengt ...* aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van het in lid 1 genoemde keuzerecht. Indien van toepassing dient de Commissie een wetgevingsvoorstel in met betrekking tot nadere regels voor de uitoefening van dit keuzerecht en eventuele andere wijzigingen van deze richtlijn in dit verband.
______________
* Drie jaar na de datum van inwerkingtreding van Richtlijn …/…/EG.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 137 bis – lid 2
2.  De Raad stelt de voor de uitvoering van lid 1 vereiste maatregelen vast overeenkomstig de procedure van artikel 397. Zolang de Raad deze maatregelen niet heeft vastgesteld, kunnen de lidstaten de nadere regels voor de uitoefening van het in lid 1 genoemde keuzerecht bepalen.
2.  De Raad stelt de voor de uitvoering van lid 1 vereiste maatregelen vast overeenkomstig de procedure van artikel 397. Zolang de Raad deze maatregelen niet heeft vastgesteld, kunnen de lidstaten de bestaande nadere regels voor de uitoefening van het in lid 1 genoemde keuzerecht handhaven.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 137 ter – punt 1
(1) het samenwerkingsverband en alle leden zijn in de Gemeenschap gevestigd of woonachtig;
(1) het samenwerkingsverband zelf is in de Gemeenschap gevestigd;
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 137 ter – punt 3
(3) de leden van het samenwerkingsverband verrichten diensten die zijn vrijgesteld krachtens artikel 135, lid 1, punten a) tot en met g), of andere diensten ter zake waarvan zij niet als belastingplichtige worden aangemerkt;
(3) de leden van het samenwerkingsverband verrichten diensten die zijn vrijgesteld krachtens artikel 135, lid 1, punten a) tot en met g bis), of andere diensten ter zake waarvan zij niet als belastingplichtige worden aangemerkt;
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 137 ter – punt 4
(4) de diensten worden door het samenwerkingsverband uitsluitend ten behoeve van de leden verricht en zijn noodzakelijk om de leden in staat te stellen diensten te verlenen die zijn vrijgesteld krachtens artikel 135, lid 1, punten a) tot en met g);
(4) de door het samenwerkingsverband geleverde diensten zijn noodzakelijk om de leden in staat te stellen diensten te verlenen die zijn vrijgesteld krachtens artikel 135, lid 1, punten a) tot en met g bis);
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 137 ter – punt 5
(5) het samenwerkingsverband vordert van zijn leden slechts de precieze terugbetaling van hun aandeel in de gezamenlijke kosten, met uitsluiting van verrekenprijscorrecties ten behoeve van de directe belastingen.
(5) het samenwerkingsverband vordert van zijn leden slechts de precieze terugbetaling van hun aandeel in de gezamenlijke kosten; verrekenprijscorrecties die ten behoeve van de directe belastingen worden uitgevoerd hebben geen nadelige gevolgen voor de vrijstelling van omzetbelasting van het samenwerkingsverband.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 169 – letter c
(4 bis)  Artikel 169, letter c), wordt vervangen door:
"(c) door de belastingplichtige verrichte handelingen waarvoor krachtens artikel 135, lid 1, punten a) tot en met g bis), vrijstelling is verleend, indien de afnemer buiten de Gemeenschap gevestigd is of indien de handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om uit de Gemeenschap te worden uitgevoerd".
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn – wijzigingsbesluit
Artikel 2 – lid 1 – alinea 1
1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2009 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede, alsmede een transponeringstabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen, en zien erop toe dat de eindconsument gebaat zal zijn bij de herstructurering van de huidige BTW-regeling. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede, alsmede een transponeringstabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (RVVR) 2007
PDF 142kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 september 2008 over het jaarlijkse debat over de in 2007 geboekte vooruitgang op het gebied van de ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (RVVR) (artikelen 2 en 39 van het EU-Verdrag)
P6_TA(2008)0458B6-0425/2008

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 2, 6 en 39 van het EU-Verdrag en de artikelen 13, 17 tot en met 22, 61 tot en met 69, 255 en 286 van het EG-Verdrag, die de belangrijkste rechtsgrondslag voor de ontwikkeling van de EU en de Gemeenschap tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid vormen,

–   gezien de mondelinge vragen B6-0006/2008 en B6-0007/2008,

–   gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de lidstaten primair verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid voor hun burgers; overwegende evenwel dat de Unie, na de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht en in nog sterkere mate na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, gehouden is bij te dragen tot het bereiken van deze doelstellingen, gezien de verwachtingen van de burgers van de Unie wat betreft de bescherming van de grondrechten en de toepassing in de Unie van de beginselen van de rechtsstaat en loyale en doeltreffende samenwerking tussen de lidstaten;

B.   overwegende dat de ratificatie van het Verdrag van Lissabon een essentiële en dringende voorwaarde is om te waarborgen dat de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (RVVR) vormt, aangezien het verdrag fundamentele verbeteringen bevat voor de legitimiteit en doeltreffendheid van EU-maatregelen,

C.   overwegende dat de opmerkingen die te horen waren op de voorbereidende vergadering met de nationale parlementen van 26 november 2007 en gedurende het meest recente debat in de plenaire vergadering op 31 januari 2008 nog eens duidelijk hebben gemaakt hoe belangrijk het is dat er een solide basis wordt gelegd voor de overgang naar het nieuwe rechtskader dat zal voortvloeien uit de ratificatie van het Verdrag van Lissabon dat op 13 december 2007 is ondertekend, en dat het EU-Verdrag wijzigt en een Verdrag over de werking van de Europese Unie (VWEU) invoert,

D.   overwegende, evenwel, dat de totstandbrenging van een werkelijke RVVR nog verre van voltooid is en nog steeds grote problemen en belemmeringen kent, zoals blijkt uit de Mededeling van de Commissie van 2 juli 2008 getiteld "Verslag over de uitvoering van het Haags Programma voor 2007" (COM(2008)0373),

E.   betreurend dat, zoals in dat verslag wordt onderstreept, en ondanks de goedkeuring van een aantal ingrijpende maatregelen, het door de Europese Raad van Den Haag in 2004 vastgestelde programma ernstig achterloopt op het tijdschema, en met name dat

   er nog steeds sprake is van een ernstig gebrek aan wederzijds vertrouwen en vooral solidariteit tussen de lidstaten, in het bijzonder waar het gaat om het beleid inzake legale en illegale immigratie en politiële en justitiële samenwerking in strafzaken,
   deze problemen tevens van invloed zijn op het omzettingsstadium van de weinige goedgekeurde maatregelen, aangezien "op de volgende gebieden (…) de resultaten duidelijk onvoldoende (zijn): visumbeleid, uitwisseling van informatie tussen wetshandhavings- en justitiële autoriteiten, preventie en bestrijding van georganiseerde criminaliteit, crisisbeheersing in de Europese Unie, politie en douanesamenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken",

F.   overwegende dat de lidstaten deze problemen zelf vermelden in de context van hun voorbereiding voor het toekomstige programma van de RVVR voor de periode 2010-2014, waarin wordt erkend dat het bestaande acquis op het gebied van binnenlandse zaken, dat stapsgewijs tot stand is gekomen, van nature ongestructureerd is en dus moeilijk aan de burgers van de Unie is uit te leggen; dat het zelfs voor specialisten soms moeilijk te begrijpen is en dat sommige van de instrumenten elkaar overlappen, en dat de rechtsgrondslag voor bepaalde maatregelen in verschillende rechtshandelingen te vinden is; dat het ten slotte steeds moeilijker en tijdrovender wordt om toe te zien op een correcte uitvoering van richtlijnen van de Europese Gemeenschap door niet minder dan 27 lidstaten,

G.  Overwegende dat het parlement er net als de Raad evenwel van overtuigd is dat de Unie geen andere keuze heeft dan aandringen op tenuitvoerlegging van de RVVR, die raakt aan de kern van de nationale constitutionele orde, en dat de lidstaten er een bijzonder belang bij hebben een dialoog met elkaar te blijven voeren, alsook met de Europese instellingen,

H.   overwegende dat het in deze fase van overgang, met de ratificatie van het Verdrag noodzakelijk is, vóór eind 2009 bepaalde algemene maatregelen vast te stellen die weliswaar geïnspireerd zijn op het Verdrag van Lissabon, maar toch nog volgens de huidige verdragen zouden kunnen worden goedgekeurd, volledig in overeenstemming met artikel 18 van het Verdrag van Wenen over het verdragenrecht, en waardoor de negatieve effecten van bovengenoemde problemen aangepakt zouden kunnen worden; dat het hierbij zou gaan om maatregelen waarmee:

   rekening kan worden gehouden met de procedures, structuren en beslissingen van de instellingen, alsmede de beginselen en doelstellingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat op 12 december 2007 te Straatsburg is afgekondigd(1),
   de transparantie van het besluitvormingsproces op Unie en nationaal niveau kan worden verbeterd, met name in verband met de RVVR, overeenkomstig de recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over transparantie van de wetgeving (zaak-Turco(2)),
   de nationale parlementen op doeltreffende wijze kunnen worden betrokken bij de totstandbrenging en tenuitvoerlegging van de RVVR, ook wat betreft de evaluatie van deze beleidsmaatregelen in de overige lidstaten en door agentschappen van de Europese Unie,
   eerbiediging kan worden gewaarborgd van de voorrang van het Gemeenschapsrecht boven het EU-recht (artikel 47 van het EU-Verdrag) bij de sluiting van internationale overeenkomsten, met name in het geval van sancties tegen onderdanen van derde landen of wanneer burgers van de Unie mogelijk gediscrimineerd worden (visumontheffing); het Parlement zou systematisch moeten worden betrokken bij de sluiting door de EU van internationale overeenkomsten inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken,
   loyalere samenwerking en meer solidariteit tussen de lidstaten kan worden bewerkstelligd bij de uitvoering van Uniebeleid en -maatregelen via verbetering en democratisering van de mechanismen voor wederzijdse evaluatie zoals die reeds bestaan als deel van de Schengen-samenwerking en de terrorismebestrijding,
   nauwere samenwerking in het kader van de eerste pijler kan worden aangegaan indien de vereiste unanimiteit niet tot stand komt (zie het debat met betrekking tot het Voorstel van de Commissie van 17 juli 2006 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2201/2003 wat de bevoegdheid betreft en tot invoering van regels inzake toepasselijk recht in huwelijkszaken (COM(2006)0399),
   verder kan worden gegaan dan de nog rudimentaire en onduidelijke initiatieven van de agentschappen van de Unie en de samenwerking met nationale administraties,
   een werkelijk communicatiebeleid kan worden opgezet waarmee de burgers van de Unie beter kennis kunnen nemen van initiatieven op Unie- en nationaal niveau en leren met welke Unie- en nationale autoriteiten zij contact kunnen opnemen (ongeacht eventuele gerechtelijke stappen) als het gaat om kwesties die de grondrechten van burgers zouden kunnen aantasten,
  I. overwegende dat het tijdens deze overgangsfase des belangrijker is om - in het belang van de burgers van de Unie - rekening te houden met de verbeteringen die het Verdrag van Lissabon meebrengt op het gebied van:
   de bescherming van de grondrechten zoals neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
   de justitiële controle die door het Hof van Justitie wordt uitgeoefend, ook op de wetgeving inzake politiële en justitiële controle,
   de democratische controle die voortvloeit uit de uitbreiding van het medebeslissingsrecht van het Parlement en uit de participatie van de nationale parlementen in het wetgevingsproces van de Unie en in de evaluatie van de impact hiervan, ook wat betreft maatregelen die verband houden met de RVVR,

J.   overwegende dat de rechtsmiddelen tegen RVVR-maatregelen waarover de burgers van de Unie volgens de huidige Verdragen beschikken nog beperkter zijn dan op andere EU-werkterreinen; overwegende dat de bevoegdheden van het Hof van Justitie beperkt zijn, met name op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, en dat bovendien bepaalde lidstaten de dialoog tussen EU- en nationale rechtbanken op dit gebied beperken; overwegende dat de Raad de goedkeuring van alle maatregelen die van invloed kunnen zijn op de grondrechten, dient uit te stellen tot na de ratificatie van het Verdrag van Lissabon,

1.   verzoekt de Europese Raad, de Raad en de Commissie:

   a) vanaf nu het proces op te starten voor de vaststelling van prioriteiten voor het komende meerjarenprogramma voor de RVVR voor de periode 2010-2014, op basis van een ambitieuze en coherente benadering, die veel verder gaat dan denken op ministerieel niveau, en geïnspireerd is op de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
   b) zich bij het Parlement te voegen in zijn dialoog met de nationale parlementen over de prioriteiten voor de periode 2010-2014, rekening houdend met de problemen bij de tenuitvoerlegging van de programma's van Tampere en Den Haag, de werkzaamheden binnen de Raad en de initiële strategische richtsnoeren van de Europese Raad met betrekking tot immigratie, asiel en integratie;met het oog op afronding van deze initiële dialoogfase op het jaarlijkse debat voor 2008 in het Parlement over de voortgang in 2008 met betrekking tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en met het oog op een mededeling van de Commissie die daarop zal volgen, met dien verstande dat het de taak van het nieuw gekozen Parlement en de Europese Raad zal zijn te zijner tijd het definitieve programma vast te stellen;
   c) met het Parlement een lijst van teksten of voorstellen overeen te komen die prioritair zouden moeten of kunnen worden vastgesteld voordat het Verdrag van Lissabon in werking treedt en in elk geval voordat de huidige termijn ten einde loopt,
  d) voortgang te brengen in de onderhandelingen over voorstellen voor politiële en justitiële samenwerking (waarvoor medebeslissing geldt) door naar een politiek akkoord met het Parlement te streven, en zodra dit akkoord bereikt is, ervoor te zorgen dat:
   hetzij de formele goedkeuring ervan wordt uitgesteld tot de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon,
   of dat de Raad de besluiten of kaderbesluiten in kwestie overeenkomstig het EU-Verdrag, zoals het nu van kracht is, goedkeurt, maar overeenkomt dat zij overeenkomstig het EU-Verdrag , zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon, opnieuw zullen worden goedgekeurd, zodat het Hof van Justitie de volledige justitiële controle kan uitoefenen; indien er al een politiek akkoord werd bereikt, zou het Parlement overeen kunnen komen niet opnieuw onderhandelingen over het onderwerp te beginnen, zoals gebeurt bij de goedkeuringsprocedure voor officiële codificatie(3);

2.   draagt de volgende onderwerpen voor als prioriteiten voor de gebieden die gedurende de overgangsperiode onder de medebeslissings- of de instemmingsprocedure vallen:

op het gebied van grondrechten en burgerschap

op het gebied van de Europese justitiële ruimte

op het gebied van grensbescherming

op het gebied van migratie en asiel

   definitie van transparantere criteria op Unie-niveau, met name waar EU-maatregelen mogelijk garanties kunnen ondergraven die de grondwetten van de lidstaten verlenen (artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) en herziening van EU-maatregelen die door het Hof van Justitie verboden zijn (zie Zaken T-228/02, Organisatie van Volksmujahedeen van Iran/Raad, T-47/03, Sison/Raad, T-253/04, Kongra-Gel/Raad, T-229/02, PKK/Raad, over zwarte lijsten),
   systematische inaanmerkingneming van de impact op de grondrechten van EU- wetgeving en nationale uitvoeringsmaatregelen, met name wat betreft de strijd tegen terrorisme, gezien de antwoorden van de lidstaten met betrekking hiertoe die de Commissie onlangs heeft ontvangen,
   opstarten van de voorbereidende dialoog voor het onderhandelingsmandaat met betrekking tot de toetreding van de EU tot het EVRM (artikel 6, lid 2, van het EU-Verdrag),
   herziening van het activiteitenprogramma van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, rekening houdend met de door de instellingen, en met name het Parlement aangegeven prioriteiten, op het gebied van politiële en justitiële samenwerking en eerbiediging van de EU-beginselen (artikel 7 van het Eu-Verdrag - zie de interinstitutionele verklaring die is aangenomen bij de aanneming van Verordening (EG) nr. 168/2007 van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(4)),
   voorlegging van een wetgevingsvoorstel ter beperking van rechtstreekse en onrechtstreekse discriminatie die van invloed is op het vrije verkeer van burgers van de Unie, toegang tot de rechter in een ander land dan het land van herkomst, en consulaire en diplomatieke bescherming in derde landen (artikel 20 van het VWEU),
   indiening van een voorstel over de transparantie en vertrouwelijkheid van informatie en documenten die door de EU-instellingen worden behandeld,
   indiening van een voorstel over gegevensbescherming (dat voorziet in consolidering van de maatregelen die tot dusver al naar gelang van de pijler verschillen), in antwoord op de zorgen over de snelle erosie van normen inzake gegevensbescherming in de Unie, met name ontoereikende beschermingsnormen voor de trans-Atlantische overdracht van gegevens, en een verzoek aan de Raad om het kaderbesluit inzake gegevensbescherming in de derde pijler te laten aansluiten op de aanbevelingen van het Europees Parlement,
   versterking van de interne structuur van instellingen die verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de grondrechten in de Unie, met name binnen de Raad (omzetting van de ad-hocwerkgroep van de Raad inzake grondrechten en burgerschap in een permanente groep, zoals voorgesteld door het Sloveense voorzitterschap),
   versterking, via administratieve samenwerking (artikel 66 van het EG-Verdrag), van de dialoog tussen de lidstaten, wederzijdse kennis van rechtsstelsels, gebruikmaking van de dialoogprocedure om de nationale parlementen en het Parlement in te schakelen, met name als er problemen ontstaan bij de uitvoering van EU-strategieën en maatregelen die van invloed zijn op de RVVR,
   herziening van het wetgevingsvoorstel inzake de rechten van personen in strafzaken (art. 69 A van het VWEU)
   indiening van een voorstel over de rechten van slachtoffers van misdaad en terrorisme (art. 69 A van het VWEU),
   verbetering van de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van bij verstek getroffen maatregelen en bewijsvoering (art. 69 A van het VWEU)
   onderlinge koppeling van gegevens over criminaliteit,
   herziening van de status van Europol, Eurojust en het Europees justitieel netwerk in het licht van de nieuwe rechtsgrondslag,
   goedkeuring van passende maatregelen om de volledige ingebruikneming van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) en de inwerkingtreding van de besluiten van de Prüm-Verdrag(5) te waarborgen,
   versterking van Frontex en evaluatie van de impact van de nieuwe Commissievoorstellen voor grenscontrole,
   verbetering van de Frontex-informatie over de overeenkomsten die het met derde landen heeft aangegaan en over de evaluatierapporten inzake gezamenlijke operaties, en waarborging dat bij grenscontroles de menselijke waardigheid wordt geëerbiedigd; wijziging van het mandaat van Frontex om reddingsoperaties op zee mogelijk te maken,
   totstandbrenging van gestructureerde samenwerking tussen Frontex en de Hoge VN-Commissaris voor vluchtelingen (UNHCR) om de desbetreffende operaties te vereenvoudigen, rekening houdend met de bescherming van de mensenrechten,
   snelle en ambitieuze actie van de Commissie en de Raad om vaart te zetten achter de toekomstgerichte strategie van de Unie met betrekking tot:
   legale migratie: het komende pakket inzake legale migratie (onder meer enkelvoudige aanvraagprocedure voor de "blauwe kaart", seizoenwerkers, en het voorstel over gedetacheerd personeel en betaalde stagiairs),
   illegale migratie: voorstellen inzake sancties en een EU-regeling over hernieuwde vestiging,
   asiel: uitvoering van Fase III, met inbegrip van herziening van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus(6) en Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming(7), alsmede oprichting van een Europees bureau voor asielondersteuning,
   ontwikkeling van een Gemeenschapsbeleid inzake migratie en asiel op basis van opstelling van de kanalen voor legale migratie en de definitie van gemeenschappelijke normen voor de bescherming van de grondrechten van migranten en asielzoekers in de EU,
   opname in EC-besluiten en kaderbesluiten van alle bepalingen die zijn vastgesteld in het Internationaal verdrag voor de bescherming van de rechten van buitenlandse werknemers en hun gezinnen dat op 18 december 1990 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is goedgekeurd,

3.   verwelkomt het voorstel inzake de voltooiing van het antidiscriminatiepakket en dringt er bij de Raad op aan om in de geest van het Verdrag van Lissabon op te treden en de aanbevelingen van het Parlement mee te nemen;

4.   is van mening dat de nationale parlementen en het maatschappelijk middenveld van nu af aan op een gestructureerde manier moeten worden betrokken bij het ontwerpen van deze wetgevingsmaatregelen en het evalueren van dit beleid in de lidstaten; verzoekt de Commissie en de Raad zich in deze zin tezamen met het Parlement te buigen over de netwerken, agentschappen en instrumenten die de impact van RVVR-beleidsmaatregelen beoordelen en nauwere samenwerking met het Europese maatschappelijk middenveld te ondersteunen;

5.   onderstreept dat het Verdrag van Lissabon de rol van het Parlement erkent bij de sluiting van internationale overeenkomsten betreffende RVVR-beleid; dringt er in deze context op aan:

o
o   o

   dat het tijdig wordt geraadpleegd over alle overeenkomsten met derde landen die op 31 december 2008 nog niet zijn afgesloten,
   dat het regelmatig op de hoogte wordt gesteld van de lopende onderhandelingen,
   dat er dringend een debat wordt gehouden over de externe dimensie van de RVVR, aangezien de Unie de facto politiële en justitiële samenwerking met derde landen, met name de VS, creëert via bilaterale overeenkomsten over een reeks onderwerpen, en daarbij de formele democratische besluitvormingsprocedures en de parlementaire controle omzeilt;

6.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en de parlementen van de lidstaten, en deze parlementen te verzoeken hun commentaar, suggesties en voorstellen uiterlijk per 15 november 2008 voor te leggen, op tijd voor het jaarlijkse debat over de Voortgang in 2008 met betrekking tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in december 2008.

(1) PB C 303 van 14.12.2007, blz. 1.
(2) Arrest van 1 juli 2008 in de gevoegde zaken C-39/05 P en C-52/05 P Koninkrijk Zweden en Maurizio Turco/Raad van de Europese Unie.
(3) Paragraaf 4 van het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten (PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2).
(4) PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1.
(5) Verdrag van 27 mei 2005 tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie.
(6) PB L 326 van 13.12.2005, blz. 13.
(7) PB L 304 van 30.9.2004, blz. 2.


Concentratie en pluralisme van de media in de Europese Unie
PDF 158kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 september 2008 over concentratie en pluralisme in de media in de Europese Unie (2007/2253(INI))
P6_TA(2008)0459A6-0303/2008

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gelet op het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte Protocol betreffende het publieke-omroepstelsel in de lidstaten(1) (Protocol bij het Verdrag van Amsterdam),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Pluralisme van de media in de EU-lidstaten" (SEC(2007)0032),

–   gezien Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 november 2002 over mediaconcentratie(3),

–   gezien de Unesco-conventie van 2005 inzake de bescherming en promotie van de diversiteit van culturele expressies (Unesco-verdrag over culturele diversiteit),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 april 2004 over de risico's van schending in de EU en met name in Italië van de vrijheid van meningsuiting en informatie (artikel 11, lid 2, van het Handvest van de grondrechten)(4),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 2001 betreffende de toepassing van de regels inzake staatssteun op openbare omroepen(5),

–   gezien de resolutie van de Raad van 25 januari 1999 betreffende de publieke omroep(6),

–   gezien Aanbeveling Rec(2007)3 van 31 januari 2007 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over de taak van publiekrechtelijke media in de informatiemaatschappij,

–   gezien Aanbeveling Rec1466(2000) van 27 juni 2000 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over media-educatie,

–   gezien Aanbeveling Rec(2007)2 van 31 januari 2007 van het Comité van ministers van de Raad van Europa inzake mediapluralisme en inhoudelijke verscheidenheid in de media,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 november 2007 over de interoperabiliteit van digitale interactieve televisiediensten(7),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0303/2008),

A.   overwegende dat de Europese Unie heeft bevestigd dat zij zich zal inzetten voor de verdediging en de bevordering van pluriformiteit in de media als essentiële pijler van het recht op informatie en de vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, hetgeen grondbeginselen blijven voor het behoud van democratie, een pluralistische samenleving en culturele verscheidenheid,

B.   overwegende dat het Europees Parlement reeds herhaaldelijk de wens te kennen heeft gegeven dat de Commissie zowel in de mediasector als in de informatiemaatschappij als zodanig een stabiel wetgevingskader creëert, waarmee wordt ingestaan voor een vergelijkbaar niveau van bescherming van het pluralisme in de lidstaten en de marktdeelnemers in de gelegenheid worden gesteld van de door de interne markt geboden mogelijkheden gebruik te maken,

C.   overwegende dat de idee van mediapluralisme, zoals de Commissie in haar bovengenoemde werkdocument onderstreept, zich niet mag beperken tot het vraagstuk van de concentratie van eigendom in de sector, maar ook aangelegenheden betreffende de dienstverlening van de openbare omroep, de politieke macht, de economische concurrentie, de culturele verscheidenheid, de ontwikkeling van nieuwe technologieën, de transparantie en de arbeidsomstandigheden van journalisten in de Europese Unie omvat,

D.   overwegende dat de openbare omroepen moeten kunnen rekenen op de inkomsten en instrumenten die noodzakelijk zijn om te garanderen dat zij daadwerkelijk onafhankelijk zijn van politieke druk en de krachten van de markt,

E.   overwegende dat de openbare omroepen thans volkomen onterecht en ten koste van de kwaliteit van hun programma's onder druk worden gezet om qua kijk- en luistercijfers de concurrentie aan te gaan met de commerciële zenders, die uiteindelijk niet uit zijn op kwaliteit, maar beogen aan de wensen van een zo groot mogelijk publiek te voldoen,

F.   overwegende dat het Unesco-verdrag over culturele diversiteit onder meer groot belang hecht aan het creëren van omstandigheden die bevorderlijk zijn voor pluralisme van de media,

G.   overwegende dat het zelfde Unesco-verdrag over culturele diversiteit het recht van de verdragsluitende partijen erkent om maatregelen te treffen ter versterking van pluralisme van de media, mede door openbare omroepen,

H.   overwegende dat de belangrijke rol van de openbare audiovisuele media voor het waarborgen van pluralisme wordt erkend in het Unesco-verdrag over culturele diversiteit en in het Protocol bij het Verdrag van Amsterdam, waarin wordt gestipuleerd dat het publiekeomroepstelsel in de lidstaten rechtstreeks verband houdt met de democratische, sociale en culturele behoeften van iedere samenleving en met de noodzaak pluralisme in de media te behouden, terwijl de lidstaten de bevoegdheid hebben om de opdracht van openbare televisieomroepen te bepalen en te voorzien in de financiering van deze omroeporganisaties,

I.   overwegende dat in de reeds aangehaalde mededeling van de Commissie van 2001 de centrale rol die openbare omroeporganisaties bij de bevordering van pluralisme en culturele en taalkundige diversiteit spelen, volledig wordt erkend, en dat de Commissie in deze mededeling benadrukt dat zij bij haar onderzoek van desbetreffende staatssteun criteria zal hanteren zoals het belang van de bevordering van culturele diversiteit en het voorzien in de democratische, sociale en culturele behoeften van iedere samenleving,

J.   overwegende dat in de reeds aangehaalde resolutie van de Raad van 25 januari 1999 wordt herhaald dat het openbare omroepstelsel van essentieel belang is voor pluralisme en verlangt dat de lidstaten de openbare omroep een ruime opdracht geven die een weerspiegeling vormt van zijn rol bij het verspreiden van de voordelen van nieuwe audiovisuele en informatiediensten en nieuwe technologieën onder de burgers,

K.   overwegende dat het Protocol bij het Verdrag van Amsterdam is goedgekeurd om ervoor te zorgen dat de lidstaten de bevoegdheid hebben om hun nationale openbare omroepstelsel te organiseren op een manier die is afgestemd op de democratische en culturele behoeften van hun samenleving, zodat het zoveel mogelijk bijdraagt tot het behoud van de mediapluriformiteit,

L.   overwegende dat bovengenoemde Aanbeveling Rec(2007)3 onderstreept dat het openbare omroepstelsel een specifieke rol speelt als een bron van onpartijdige en onafhankelijke informatie en commentaar en van innovatieve en gevarieerde inhoud die aan hoge ethische en kwaliteitsnormen voldoet, en als een forum voor openbare discussie en als middel voor de bevordering van bredere democratische participatie van de burgers, en overwegende dat deze aanbeveling derhalve verlangt dat de lidstaten de bevoegdheid dienen te behouden om de opdracht van de openbare omroep aan te passen opdat deze zijn functie in een nieuwe mediaomgeving kan vervullen,

M.   overwegende dat mediapluriformiteit alleen kan worden gegarandeerd door een gepast politiek evenwicht van de inhoud van de openbare televisieomroepen,

N.   overwegende dat de ervaring leert dat onbeperkte concentratie van eigendom een bedreiging vormt voor pluriformiteit en culturele diversiteit en overwegende dat mediapluriformiteit niet kan worden gewaarborgd door een systeem dat uitsluitend op vrije mededinging is gebaseerd,

O.   overwegende dat het tweepijlermodel voor particuliere en openbare televisieomroep en audiovisuele mediadiensten in Europa bevorderlijk is gebleken voor de mediapluriformiteit en verder dient te worden ontwikkeld,

P.   overwegende dat concentratie van eigendom ertoe leidt dat beroepsmensen uit de mediawereld in toenemende mate afhankelijk worden van de eigenaren van grote mediaondernemingen,

Q.   overwegende dat nieuwe technologieën, en met name de overgang op digitale technologie voor de productie en de verspreiding van audiovisuele inhoud en de intrede van nieuwe communicatie- en informatiediensten op de markt, van grote invloed zijn op de kwantiteit van de aangeboden producten en van de middelen tot verspreiding; overwegende dat een kwantitatieve toename van media en diensten niet automatisch leidt tot diversiteit van de inhoud; overwegende dat nieuwe, gemoderniseerde instrumenten nodig zijn om de mediapluriformiteit en de culturele diversiteit alsmede een snelle en objectieve informatievoorziening aan het publiek te waarborgen,

R.   overwegende dat het huidige regelgevingskader voor telecommunicatie, dat gekenmerkt is door een nauw verband tussen de regelgeving voor infrastructuur en die voor inhoud, de lidstaten geschikte technische instrumenten voor de bescherming van de pluriformiteit van media en inhoud, zoals toegangs- en "must carry"-regels, aan de hand doet,

S.   overwegende dat de eerbiediging van het beginsel van pluriformiteit van informatie en diversiteit van de inhoud evenwel niet automatisch door technologische vernieuwingen wordt gewaarborgd, maar door een actief, samenhangend en oplettend beleid van de kant van nationale en de Europese overheidsinstanties tot stand moet worden gebracht,

T.   overwegende dat met de komst van het internet de toegang tot verschillende informatiebronnen, meningen en opinies enorm is toegenomen, maar dat internet de traditionele media voorlopig nog niet vervangen heeft als bepalend voor de publieke opinievorming,

U.   overwegende dat krantenuitgevers hun aanbod dankzij de technologische ontwikkelingen steeds meer via het internet verspreiden en daarbij in aanzienlijke mate afhankelijk zijn van (on-line) reclame-inkomsten,

V.   overwegende dat de media een instrument van politieke beïnvloeding blijven; overwegende dat er aanzienlijke risico's zijn verbonden aan het vermogen van de media om als waakhond van de democratie op te treden omdat particuliere mediaondernemingen zich veelal in de eerste plaats door winstbejag laten leiden; overwegende dat dit het gevaar met zich meebrengt dat de diversiteit, de kwaliteit van de inhoud en de verscheidenheid van meningsuitingen achteruitgaan en dat om die reden de waarborging van pluralisme in de media niet uitsluitend kan worden overgelaten aan marktmechanismen,

W.   overwegende dat grote mediaondernemingen in sommige lidstaten aanzienlijke en vaak dominante marktposities hebben opgebouwd, en dat de onafhankelijkheid van de media wordt bedreigd door mediagroepen die eigendom zijn van ondernemingen die naar overheidsopdrachten kunnen meedingen,

X.   overwegende dat de bijdrage van multinationale mediaondernemingen in sommige nieuwe lidstaten van cruciaal belang is om het medialandschap nieuw leven in te blazen, maar dat ook bepaalde verbeteringen met betrekking tot de arbeidsomstandigheden en de salariëring nodig zijn,

Y.   overwegende dat de arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van het werk van beroepsmensen uit de mediawereld moeten worden verbeterd, en overwegende dat bij ontstentenis van sociale garanties een toenemend aantal journalisten met onzekere arbeidsomstandigheden te maken heeft,

Z.   overwegende dat het mededingingsrecht van de EU in relatief weinig mogelijkheden voorziet om concentratie in de media aan te pakken, omdat de financiële schaal van de op verticale en horizontale concentratie van media-eigendom gerichte activiteiten in de nieuwe lidstaten van de EU nog niet de grens heeft bereikt waarop het mededingingsrecht zijn invloed begint te doen gelden,

AA.   overwegende dat de invoering van te restrictieve regels inzake media-eigendom het gevaar met zich meebrengt dat het concurrentievermogen van Europese ondernemingen op de wereldmarkt wordt verzwakt en dat de invloed van niet-Europese mediagroepen toeneemt,

AB.   overwegende dat de mediaconsument toegang moet hebben tot een breed aanbod van inhoud,

AC.   overwegende dat media-aanbieders ernaar streven inhoud te bieden van de hoogst mogelijke kwaliteit, maar dat de omstandigheden daarvoor niet in alle lidstaten geheel en al toereikend zijn,

AD.   overwegende dat de verspreiding van nieuwe media (breedband internet, satellietkanalen, digitale terrestrische televisie) en de verschillende vormen van media-eigendom op zichzelf niet volstaan om de inhoudelijke pluriformiteit van de media te garanderen,

AE.   overwegende dat de regels inzake inhoudelijke kwaliteit en de bescherming van minderjarigen zowel in de openbare als in de commerciële media moeten worden toegepast,

AF.   overwegende dat mediaondernemingen onontbeerlijk zijn voor pluralisme in de media en voor het behoud van de democratie en zich daarom actiever dienen in te zetten voor praktijken op het gebied van bedrijfsethiek en maatschappelijke verantwoordelijkheid,

AG.   overwegende dat commerciële mediabedrijven, tegen een geringe of geen vergoeding, meer en meer gebruikmaken van door particuliere gebruikers gegenereerde inhoud, met name audiovisuele inhoud, hetgeen problemen van ethische aard opwerpt, evenals problemen met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een praktijk waardoor journalisten en andere beroepsmensen uit de mediawereld onder buitensporige concurrentiedruk worden geplaatst,

AH.   overwegende dat weblogs een belangrijke nieuwe bijdrage aan de vrijheid van meningsuiting leveren en een steeds gangbaarder medium vormen voor beroepsmensen uit de mediawereld en privépersonen;

AI.   overwegende dat openbare omroepen een stabiele financiering dienen te krijgen, eerlijk en evenwichtig moeten optreden en over de middelen moeten beschikken om de publieke belangen en maatschappelijke waarden te kunnen bevorderen,

AJ.   overwegende dat onder de lidstaten de interpretaties ten aanzien van wat de opdracht van de openbare media is en hoe deze moet worden gefinancierd, wijd uiteenlopen,

AK.   overwegende dat de openbare media alleen op audiovisueel en niet-lineair vlak een opmerkelijke marktaanwezigheid hebben,

AL.   overwegende dat het Europese audiovisuele model gebaseerd moet blijven op het evenwicht tussen een sterk, onafhankelijk en pluriform openbaar stelsel en een dynamische commerciële mediasector; overwegende dat het behoud van dit model van essentieel belang is voor de vitaliteit en kwaliteit van het scheppingsproces, het pluralisme van de media alsmede de eerbiediging en bevordering van culturele diversiteit,

AM.   overwegende dat de openbare media van de lidstaten soms lijden onder ontoereikende financiering en politieke druk,

AN.   overwegende dat de openbare omroepstelsels de hun door de lidstaten toegewezen taken alleen kunnen vervullen wanneer aan de voorwaarden van langetermijnfinanciering en gegarandeerde onafhankelijkheid is voldaan, wat lang niet in alle lidstaten het geval is,

AO.   overwegende dat in sommige lidstaten de openbare media zowel in de zin van kwaliteit als in de zin van het bereikte publiek een vooraanstaande rol kunnen spelen,

AP.   overwegende dat universele toegang tot pluriforme inhoud van hoge kwaliteit in deze context van technologische veranderingen en toenemende concentratie en in een steeds competitievere en sterker gemondialiseerde omgeving nog crucialer wordt; overwegende dat openbare audiovisuele diensten essentieel zijn voor de democratische meningsvorming, voor het kennis kunnen nemen van de culturele verscheidenheid en voor het waarborgen van pluralisme; overwegende dat deze diensten ter vervulling van hun opdracht gebruik moeten kunnen maken van de nieuwe uitzendplatforms teneinde alle groepen van de samenleving te kunnen bereiken, ongeacht de gebruikte toegangstechnologie;

AQ.   overwegende dat openbare media over een toereikende overheidsfinanciering dienen te beschikken opdat zij kunnen concurreren met commerciële media door culturele inhoud en nieuwsberichten van hoge kwaliteit te bieden,

AR.   overwegende dat de laatste tien jaar nieuwe mediakanalen zijn opgekomen en dat het toenemend aandeel aan reclameopbrengsten dat naar exploitanten van websites gaat, de traditionele media de nodige zorgen baart,

AS.   overwegende dat openbare omroepen en commerciële omroepen, naast nieuwe spelers, een complementaire rol zullen blijven spelen in het nieuwe audiovisuele landschap dat is gekenmerkt door een verscheidenheid aan distributieplatforms,

AT.   overwegende dat de EU geen directe bevoegdheid heeft om de concentratie in de media te reguleren, maar dat haar bevoegdheden op verschillende beleidsgebieden haar in staat stellen een actieve rol te spelen bij het waarborgen en bevorderen van mediapluriformiteit; overwegende dat het mededingingsrecht en de regelgeving inzake staatssteun, audiovisuele media en telecommunicatie alsmede externe (handels)betrekkingen terreinen zijn waarop de EU een actief beleid ter versterking en bevordering van mediapluriformiteit kan en moet voeren,

AU.   overwegende dat er een groeiend aantal conflicten over de vrijheid van meningsuiting is,

AV.   overwegende dat media-educatie in de informatiemaatschappij een essentieel instrument is om burgers in staat te stellen een geïnformeerde en actieve bijdrage tot de democratie te leveren,

AW.   overwegende dat in het licht van het toegenomen aanbod (vooral dankzij internet), het interpreteren en inschatten van de waarde van de informatie steeds belangrijker wordt,

AX.   overwegende dat de bevordering van de mediageletterdheid onder de burgers van de Europese Unie veel sterker moet worden gesteund,

AY.   overwegende dat de Europese media thans op een gemondialiseerde markt opereren, wat betekent dat vergaande beperkingen met betrekking tot eigendomsstructuren sterk afbreuk zullen doen aan hun vermogen om met ondernemingen uit derde landen te concurreren die niet aan dergelijke beperkingen onderhevig zijn; overwegende dat het derhalve noodzakelijk is om een evenwicht te vinden tussen de consequente toepassing van eerlijke mededingingsregels en de instelling van pluralistische beschermingsmechanismen enerzijds en de waarborging van voldoende speelruimte voor ondernemingen om op de internationale markt te kunnen concurreren anderzijds,

AZ.   overwegende dat wij in een maatschappij leven waarin wij permanent met informatie, rechtstreekse communicatie en ongefilterde boodschappen worden overstelpt, terwijl de selectie van informatie bijzondere vaardigheden vereist,

BA.   overwegende dat maatregelen ter bestendiging en bevordering van pluralisme in de media een fundamentele rol moeten spelen in de externe betrekkingen van de EU (op handelsgebied en op andere terreinen), met name in de context van het Europese nabuurschapsbeleid, de uitbreidingsstrategie en bilaterale partnerschapsovereenkomsten,

1.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de pluriformiteit van de media te waarborgen, om te zorgen dat alle EU-burgers in alle lidstaten toegang hebben tot vrije en gediversifieerde media, en om waar nodig aanbevelingen voor verbeteringen te doen;

2.   is ervan overtuigd dat een pluriform mediasysteem een basisvereiste is voor het voortbestaan van het democratische, Europese sociaal model;

3.   stelt vast dat het Europese medialandschap onderhevig is aan een voortschrijdende convergentie, dit zowel wat de media als wat de markten betreft;

4.   benadrukt dat de concentratie van eigendom van het mediastelsel aanleiding geeft tot het ontstaan van een omgeving die de monopolisering van de reclamemarkt bevordert, belemmeringen doet ontstaan voor de doorbraak van nieuwe marktspelers en leidt tot een uniformisering van de media-inhoud;

5.   constateert dat winstgerichtheid steeds bepalender wordt voor de ontwikkeling van het mediastelsel en dat maatschappelijke, politieke en economische processen en de waarden die worden uitgedrukt in gedragscodes voor journalisten daardoor onvoldoende gewaarborgd worden; is daarom van mening dat mededingingswetten en mediawetgeving met elkaar verbonden moeten worden, om toegang, mededinging en kwaliteit te waarborgen en om te vermijden dat belangenconflicten ontstaan tussen de concentratie van media-eigendom en politieke macht, wat immers nadelige gevolgen zou hebben voor de vrije mededinging, gelijke mededingingsvoorwaarden en pluralisme;

6.   herinnert de lidstaten eraan dat bij besluiten van de nationale regelgevende instanties altijd moet worden gezocht naar een balans tussen de hen opgelegde taken en de vrijheid van meningsuiting, voor de bescherming waarvan de rechtbanken in laatste instantie verantwoordelijk zijn;

7.   verzoekt de Commissie zich ertoe te verbinden een stabiel wetgevingskader te bevorderen, dat een hoog niveau van bescherming van het pluralisme in alle lidstaten biedt;

8.   verlangt daarom dat het evenwicht tussen openbare en commerciële zenders - in die lidstaten waar openbare zenders bestaan - en de onderlinge verbinding van mededingings- en mediawetgeving gegarandeerd wordt, om de pluriformiteit van de media te bevorderen;

9.   is ervan overtuigd dat openbare instanties als hoofddoelstelling zouden moeten hebben voorwaarden te creëren die een hoog kwaliteitsniveau van de media garanderen (openbare media inbegrepen), en de mediadiversiteit en de volledige onafhankelijkheid van journalisten te waarborgen;

10.   verlangt maatregelen om de concurrentiepositie van de Europese mediaconcerns te verbeteren en daarmee een belangrijke bijdrage te leveren aan economische groei, die eveneens moet worden aangemoedigd door het bewustzijn en de kennis van de burger inzake economische en financiële onderwerpen aan te scherpen;

11.   benadrukt de toenemende invloed in de EU, en vooral in de nieuwe lidstaten, van media-investeerders uit derde landen;

12.   verlangt dat de mededingingswetgeving consequent wordt toegepast, zowel op EU- als op nationaal niveau, om de concurrentie te verscherpen en nieuwe mededingers toegang te verlenen tot de markt;

13.   is van mening dat de EU-mededingingswetgeving heeft bijgedragen tot het beperken van de mediaconcentratie; benadrukt echter het belang van een onafhankelijke controle op de media door de lidstaten en dringt er in dat verband op aan dat de nationale regelgeving met betrekking tot de media doeltreffend, duidelijk, transparant en van hoge kwaliteit is;

14.   juicht het voornemen van de Commissie toe concrete indicatoren te ontwikkelen om de pluriformiteit van de media te beoordelen;

15.   verlangt dat er afgezien van de pluriformiteit van de media nog andere indicatoren worden vastgelegd die kunnen worden gebruikt als criteria om de media te analyseren, met inbegrip van de positie van de mediasystemen op het gebied van democratie, rechtstaat, mensen- en minderhedenrechten en beroepsgedragscodes voor journalisten;

16.   is van mening dat de regelgeving voor mediaconcentratie niet enkel de eigendom en productie van media-inhoud mag omvatten, maar ook betrekking moet hebben op (elektronische) kanalen en mechanismen voor de toegang tot en de verspreiding van media-inhoud op het internet, zoals zoekmachines.

17.   onderstreept de noodzaak om te waarborgen dat personen met een handicap toegang hebben tot informatie;

18.   erkent dat zelfregulering een belangrijke rol speelt bij het waarborgen van mediapluriformiteit; is verheugd over bestaande initiatieven van de mediasector op dit gebied;

19.   moedigt de opstelling aan van een handvest voor persvrijheid dat erop is gericht de vrijheid van meningsuiting en mediapluriformiteit te waarborgen;

20.   roept ertoe op de persvrijheid te eerbiedigen en in de berichtgeving door de media de ethische gedragscode consequent na te leven;

21.   benadrukt het belang om toezichts- en uitvoeringssystemen voor mediapluriformiteit in te stellen op basis van betrouwbare en onpartijdige indicatoren;

22.   beklemtoont dat de autoriteiten van de EU en de lidstaten aan de hand van passende en gerichte wettelijke en maatschappelijke garanties moeten zorgen voor journalistieke en redactionele onafhankelijkheid, en wijst derhalve op het belang van de opstelling en uniforme toepassing in de lidstaten en alle markten waar in de EU gevestigde mediabedrijven opereren van gedragscodes voor uitgevers om te voorkomen dat eigenaars, aandeelhouders of externe instanties zoals regeringen zich met de inhoud van nieuwsberichten bemoeien;

23.   verzoekt de lidstaten om met behulp van gepaste middelen te zorgen voor een juist evenwicht tussen politiek en sociaal bewustzijn, met name in de context van nieuwsuitzendingen en actualiteitenprogramma's;

24.   verwelkomt de dynamiek en de diversiteit die het nieuwe medialandschap heeft gekregen als gevolg van de nieuwe media en bepleit een verantwoord gebruik van alle nieuwe technologieën, zoals mobiele tv, als platform voor commerciële, openbare en publieke (burger- en gemeenschaps-) media;

25.   moedigt een open gedachtewisseling aan over alle onderwerpen met betrekking tot de status van weblogs;

26.   steunt de bescherming van auteursrechten in online-media en pleit ervoor dat derden bij overgenomen verklaringen een bronvermelding moeten plaatsen;

27.   beveelt aan dat mediageletterdheid wordt opgenomen in Europese basisvaardigheden en ondersteunt de ontwikkeling van het Europese kerncurriculum voor mediageletterdheid, aangezien zij van cruciaal belang is voor het overbruggen van enigerlei digitale kloof;

28.   houdt eraan vast dat media-educatie erop moet zijn gericht de burgers de middelen te verschaffen om het steeds groter wordende volume aan informatie waarmee zij worden overstelpt, kritisch te interpreteren en te gebruiken, conform de reeds aangehaalde Aanbeveling Rec1466(2000); is van oordeel dat dit leerproces de burgers in staat zal stellen boodschappen te formuleren en de media te selecteren die het best geschikt zijn voor het overbrengen daarvan, zodat ze hun recht op informatievrijheid en meningsuiting ten volle kunnen uitoefenen;

29.   roept de Commissie op om in haar Europese aanpak van mediageletterdheid voldoende aandacht te besteden aan vaardigheden om inhoud op kritische wijze te beoordelen en hierover optimale werkmethoden uit te wisselen;

30.   verzoekt de Commissie en de lidstaten hun steun te verlenen aan een objectief kader voor de afgifte van vergunningen op het gebied van kabel- en satelliettelevisie en analoge en digitale uitzending, op basis van transparante en eerlijke criteria, teneinde tot een stelsel van pluriforme concurrentie te komen en misbruik van monopolie- of machtsposities door bedrijven te voorkomen;

31.   herinnert de Commissie eraan haar bij diverse gelegenheden te hebben verzocht met een richtlijn te komen ter waarborging van het pluralisme en ter bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid, zoals gedefinieerd in het Unesco-verdrag inzake culturele diversiteit, alsook alle mediabedrijven de toegang te garanderen tot de technische uitrusting die het hen mogelijk maakt om alle burgers te bereiken;

32.   verzoekt de lidstaten steun te verlenen aan openbare omroepen van een hoog kwaliteitsniveau, die een tegenwicht kunnen bieden voor de programma's van de commerciële zenders en die, zonder noodzakelijkerwijs te hoeven concurreren om kijk- en luistercijfers en reclameopbrengsten, in het Europees medialandschap een prominente plaats kunnen innemen als hoekstenen voor het behoud van het pluralisme in de media, de democratische dialoog en de toegang van alle burgers tot kwalitatief hoogwaardige programma's;

33.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om nauwere samenwerking tussen de Europese regelgevende instanties te bevorderen en formele en informele discussies en gedachtewisselingen tussen regelgevende instanties in de omroepsector te intensiveren;

34.   pleit ervoor dat de openbare omroepen in de lidstaten, in voorkomend geval, het multiculturele karakter van de regio's weerspiegelen;

35.   bepleit dat het eigendom van alle media moeten worden bekendgemaakt, teneinde voor meer transparantie te zorgen met betrekking tot de doelstellingen en de achtergrond van de omroep of uitgever;

36.   moedigt de lidstaten aan om ervoor te zorgen dat de toepassing van de mededingingswetgeving op de media en op de internet- en de communicatietechnologiesector mediapluriformiteit mogelijk maakt en bevordert; roept de Commissie op bij de toepassing van de EU-mededingingsregels rekening te houden met de impact op het mediapluralisme;

37.   beveelt aan dat er dusdanige regels ten aanzien van staatssteun worden ontwikkeld en ingevoerd dat de openbare en publieke (burger- en gemeenschaps-) media wel hun functie kunnen blijven vervullen in een voortdurend veranderende omgeving en dat wordt gewaarborgd dat de openbare media de hun door de lidstaten toevertrouwde taken op transparante wijze vervullen en daarover verantwoording afleggen, waarbij misbruik van overheidsfinanciering om redenen van politiek of economisch eigenbelang wordt vermeden;

38.   verzoekt de Commissie bij haar beslissing over de noodzaak van een herziening van de reeds aangehaalde mededeling van 2001 naar behoren rekening te houden met het Unesco-verdrag inzake culturele diversiteit en bovengenoemde Aanbeveling Rec(2007)3; verzoekt de Commissie, indien zij tot een herziening van de bestaande richtsnoeren besluit, alle voorgestelde maatregelen of verhelderingen te beoordelen op hun effect voor de mediapluriformiteit en ervoor te zorgen dat deze de bevoegdheden van de lidstaten onverlet laten;

39.   beveelt de Commissie aan om – indien zij dit nodig acht – het proces van de herziening van de reeds aangehaalde mededeling van 2001 aan te grijpen om het openbare omroepstelsel als belangrijke garant van de mediapluriformiteit in de EU te versterken;

40.   is van oordeel dat het noodzakelijk is dat openbare audiovisuele media naast de traditionele programma's nieuwe informatiediensten en media ontwikkelen en met ieder digitaal netwerk en platform kunnen interageren, opdat zij in staat zijn hun taak in het tijdperk van digitale technologie te vervullen;

41.   is verheugd dat in sommige lidstaten bepalingen worden toegepast volgens welke kabeltelevisie-exploitanten openbare zenders moeten opnemen in hun aanbod en een deel van het digitale spectrum moeten toewijzen aan openbare omroepen;

42.   dringt bij de Commissie aan op een brede uitleg van de opdracht van openbare omroepen, volgens een dynamische en toekomstgerichte interpretatie van het Protocol bij het Vedrag van Amsterdam, met name wat betreft een niet aan beperkingen onderhevige deelname van het openbare omroepstelsel aan technologische ontwikkelingen en daaruit voortvloeiende vormen van productie en presentatie van inhoud (in de vorm van zowel lineaire als niet-lineaire diensten); meent dat hiertoe tevens een adequate financiering behoort van nieuwe diensten die deel uitmaken van de opdracht van de openbare omroepen;

43.   herhaalt dat bij de regulering van het gebruik van het digitale spectrum rekening moet worden gehouden met doelstellingen van algemeen belang, zoals mediapluriformiteit, en dat daarvoor niet een uitsluitend marktgerichte regeling kan worden ingevoerd; meent bovendien dat de lidstaten verantwoordelijk moeten blijven voor beslissingen over de toewijzing van frequenties, teneinde te kunnen voorzien in de specifieke behoeften van hun samenleving, met name wat betreft de waarborging en bevordering van mediapluriformiteit;

44.   beveelt aan om bij de herziening van het telecom-pakket vast te houden aan "must carry"-regels en deze waar nodig uit te breiden;

45.   is het eens met de reeds aangehaalde Aanbeveling Rec(2007)2 dat eerlijke toegang voor aanbieders van inhoud tot elektronische communicatienetwerken moet worden gewaarborgd;

46.   verwijst naar zijn reeds aangehaalde resolutie van 13 november 2007, aangezien interoperabiliteit van fundamenteel belang is voor het mediapluralisme;

47.   pleit voor een evenwichtige aanpak bij de toewijzing van het digitaal dividend teneinde alle marktdeelnemers gelijke toegang te garanderen en aldus mediapluralisme te waarborgen;

48.   is bezorgd over de machtspositie van enkele grote on-linespelers, die een belemmering vormt voor nieuwkomers op de markt en bijgevolg afbreuk doet aan creativiteit en ondernemerschap in deze sector;

49.   dringt aan op meer transparantie ten aanzien van persoonlijke gegevens en informatie van gebruikers die door internetzoekmachines, e-mailproviders en sociale netwerksites worden bijgehouden;

50.   is van oordeel dat regelgeving op EU-niveau de toegankelijkheid van elektronische programmagidsen en soortgelijke overzichts- en navigatiefaciliteiten voldoende garandeert, doch dat aanvullend optreden met betrekking tot de wijze van presentatie van de informatie over beschikbare programma's in overweging kan worden genomen, zodat diensten van algemeen belang gemakkelijk toegankelijk zijn; verzoekt de Commissie om via raadplegingprocedures na te gaan of minimale richtsnoeren dan wel sectorspecifieke regelgeving nodig zijn om het mediapluralisme te waarborgen;

51.   dringt erop aan dat het evenwicht tussen openbare en commerciële zenders alsook de coherente toepassing van het mededingingsrecht en de mediawetgeving worden gewaarborgd, teneinde het pluralisme in de media te versterken;

52.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 340 van 10.11.1997, blz. 109.
(2) PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27.
(3) PB C 25 E van 29.1.2004, blz. 205.
(4) PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 1026.
(5) PB C 320 van 15.11.2001, blz. 5.
(6) PB C 30 van 5.2.1999, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0497


Beheersing van de energieprijzen
PDF 127kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 september 2008 over beheersing van de energieprijzen
P6_TA(2008)0460RC-B6-0428/2008

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 29 september 2005 over de afhankelijkheid van olie(1) en zijn resolutie van 19 juni 2008 over de crisis in de visserijsector als gevolg van de stijging van de dieselprijs(2),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 13 juni 2008 getiteld "Maatregelen tegen de stijgende olieprijzen" (COM(2008)0384),

–   gezien de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van 19-20 juni 2008,

–   gezien het akkoord van de informele ECOFIN-Raad van 12-13 september 2008 van Nice,

–   gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de olieprijzen in de zomer van 2008 in reële termen het hoogste niveau aller tijden hebben bereikt, dat ook de prijzen van andere energieproducten zijn gestegen en dat de prijzen die de consument voor brandstof betaalt de trend van de aardolieprijs zijn gevolgd, overwegende dat de zwakke US dollar de olieprijzen nog verder heeft opgedreven,

B.   overwegende dat de olieprijzen volgens de ramingen op middellange tot lange termijn hoog zullen blijven en dat dit een negatieve uitwerking zal hebben op de inflatie en de groei van de economie van de EU,

C.   overwegende dat de hogere energieprijzen de koopkracht van de burgers van de Unie ondergraven en dat huishoudens met een laag inkomen en energie-intensieve industrieën hiervan de ernstigste gevolgen ondervinden,

D.   overwegende dat de stijging van de energieprijzen het gevolg is van een combinatie van factoren die een complex geheel vormen; een structurele verschuiving in het aanbod van en de vraag naar olie, minder nieuwe olievelden die bovendien kleiner zijn, een beperkte toename van de olieproductie, geopolitieke factoren, minder investeringen in technologische vernieuwingen, hogere investeringskosten, een tekort aan geschoolde werknemers in de voornaamste productielanden, overwegende dat onder enkele olieproducerende landen een neiging bestaat om hun natuurlijke rijkdommen voor politieke doeleinden in te zetten,

E.   overwegende dat een grotere transparantie en betrouwbaarheid en frequentere publicatie van gegevens over de commerciële olievoorraden belangrijk zijn voor een efficiënte werking van de oliemarkten,

F.   overwegende dat de huidige financiële crisis de beleggers heeft gestimuleerd om te zoeken naar alternatieve investeringsmogelijkheden, wat de prijsvolatiliteit op korte termijn nog heeft vergroot,

G.   overwegende dat de economie van de EU nog steeds sterk afhankelijk is van ingevoerde olie en dat potentiële nieuwe velden meestal in "onconventionele lagen" liggen die alleen tegen hogere kosten geëxploiteerd kunnen worden,

H.   overwegende dat een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid op het gebied van energie dat is gebaseerd op solidariteit en diversificatie van toelevering, zou leiden tot synergieën die de continuïteit van de voorziening in de Europese Unie waarborgen, en de kracht van de EU, het vermogen om op het gebied van het buitenlands beleid op te treden en de geloofwaardigheid als mondiale speler zou vergroten,

1.   onderstreept dat zonder een gecoördineerde verschuiving in het energiebeleid en het energieverbruik de vraag naar energie de komende decennia zal blijven groeien; is bezorgd over de stijging van de energieprijzen, vooral omdat deze negatieve gevolgen heeft voor de wereldeconomie en de consument, wat een belemmering vormt voor het halen van de doelstellingen van de Lissabon-strategie;

2.   onderstreept dat maatregelen genomen moeten worden om te zorgen dat de economie van de EU concurrerend kan blijven en zich kan aanpassen aan de nieuwe energieprijzen;

3.   dringt aan op een krachtig politieke signaal door het nemen van concrete maatregelen voor het terugdringen van de vraag naar energie, de bevordering van hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie en op diversificatie van energietoevoer en vermindering van de afhankelijkheid van geïmporteerde fossiele brandstoffen; acht deze aanpassing de beste reactie op hogere energieprijzen, voor een grotere stabiliteit op de energiemarkten en kostenvoordelen voor de consument op de lange termijn, en voor het behalen van de doelstellingen van de VN-raamovereenkomst over klimaatverandering en het daarbij behorende Kyoto-protocol; onderkent dat dergelijke strategische maatregelen aanzienlijke investeringen in onderzoek en ontwikkeling vergen;

4.   is van mening dat op korte termijn gerichte maatregelen genomen moeten worden door de lidstaten om de negatieve gevolgen voor de armste huishoudens te verlichten; is evenwel van mening dat maatregelen die leiden tot meer inflatie vermeden moeten worden, omdat zij ten koste kunnen gaan van de draagkracht van de overheidsfinanciën en teniet gedaan kunnen worden door een verdere stijging van de olieprijzen;

5.   bevestigt zijn standpunten in eerste lezing van 18 juni 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/54/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit(3) en van 9 juli 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/55/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas(4); is van mening dat de Commissie met een mededeling moet komen over de aanpak van door energieprijzen ontstane armoede in de Europese Unie; verzoekt de lidstaten nationale definities van energiearmoede op te stellen en nationale actieplannen te ontwikkelen om energiearmoede uit te bannen; verzoekt de Commissie de door de lidstaten verstrekte gegevens te controleren en te coördineren en er tevens voor te zorgen dat universele en openbare dienstverplichtingen worden nagekomen;

6.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het voorgestelde Consumentenhandvest voor energie de rechten van de consument op duidelijke wijze uiteenzet; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de nationale regelgevende instanties van hun bevoegdheden gebruik maken om de consument bij te staan;

7.   neemt kennis van de val van de prijs van ruwe olie tot 100 USD per vat in de afgelopen weken, waardoor de tendens van voortdurend stijgende olieprijzen wordt doorbroken; stelt met bezorgdheid vast dat de consumenten nog steeds hogere prijzen betalen die de geleidelijke daling van de prijzen niet volledig weerspiegelen; verzoekt de Commissie de prijsontwikkeling te volgen, en met name het effect voor de consument van prijsstijgingen en -dalingen;

8.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de mededingingsregels van de EU worden nageleefd en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de opsporing en de bestrijding van praktijken die de mededinging in de sectoren, gas en elektriciteit, alsmede bij olieraffinage en de distributie aan de verkooppunten, verstoren;

9.   verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen naar het verband tussen olie- en gasprijzen in gascontracten op lange termijn en te komen met een adequate beleidsaanpak;

10.  Dringt er bij de ECOFIN-Raad op aan een verlaagde BTW in te voeren voor energiebesparende goederen en diensten;

11.   bepleit maatregelen die bijdragen aan het aanpassingsproces van energie-intensieve industrieën en diensten, zodat deze sector een grotere energie-efficiëntie bereikt; verzoekt evenwel de Commissie de impact van dergelijke maatregelen in het oog te houden en passende maatregelen te nemen in geval van concurrentieverstoring;

12.   onderstreept voorts dat met behulp van hernieuwbare energiebronnen in combinatie met energiebesparingsmaatregelen, zoals het aansporen van huishoudens tot energie-efficiëntie, de Europese afhankelijkheid van energie-invoer wordt verminderd en daarmee ook de politieke en economische risico's die uit die invoer voortvloeien;

13.   dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat energiebesparing, energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen voorrang krijgen bij de opstelling van een toekomstig EU-energiebeleid, met name in het kader van de aanstaande tweede Strategic Energy Review;

14.   is van mening dat de Europese Investeringsbank een prominentere rol moet spelen bij het verstrekken van geldmiddelen voor energie-efficiëntie, hernieuwbare energieën en onderzoek- en ontwikkelingsprojecten, waarbij de nadruk moet liggen op kleine en middelgrote ondernemingen;

15.   neemt kennis van de toename van de belastinginkomsten uit energie in sommige lidstaten als gevolg van de recente stijgingen van de olieprijs; beklemtoont het belang van een adequate belastingpolitiek, als middel om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen, de klimaatverandering aan te pakken en impulsen te creëren voor investeringen in energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en milieuvriendelijke producten;

16.   verzoekt de Commissie om een voorstel in te dienen voor een herziening van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit(5) (de zogenaamde "Eenergiebelastingsrichtlijn") na zorgvuldig onderzocht te hebben welke gevolgen belastingmaatregelen kunnen hebben voor de inflatie, nieuwe investeringen en de overgang naar een energie-efficiënte EU-economie met een laag koolstofverbruik;

17.   wijst op het belang van transparanter en betrouwbaarder gegevens over de oliemarkten en de commerciële olievoorraden; vindt het belangrijk dat er meer inzicht ontstaat in de prijsontwikkeling van olieproducten; dringt aan op een tijdige herziening van de communautaire wetgeving inzake de noodvoorraden van olie;

18.   beklemtoont dat de EU met één stem moet spreken op het punt van het energiebeleid; wijst andermaal op het belang van een gemeenschappelijk EU-energiebeleid en de inzet voor het Europese nabuurschapsbeleid; meent in dit verband dat de EU het voortouw moet nemen om een energiedialoog met de voornaamste olie- en gasleveranciers te openen; is ingenomen met het idee van een topconferentie op hoog niveau van olie/gas- verbruikende en -producerende landen met het oog op een grotere prijsstabiliteit, een beter gegarandeerde toevoer en betaling in euro's;

19.   roept EU-ondernemingen op om proactiever te zijn, en wel door meer te investeren en voorop te lopen bij de invoering van nieuwe technologische knowhow en technische vaardigheden, zodat zij een essentiële partner van de belangrijkste olieproducerende landen blijven; wijst erop dat investeringen vooral van belang zijn voor de ontwikkeling van de raffinage en het exploratievermogen, zodat kan worden voorzien in de stijgende vraag;

20.   stelt vast dat het maatschappelijk verantwoord ondernemen binnen de grote oliemaatschappijen verbeterd moet worden om te zorgen voor meer particuliere investeringen in de energie-industrie, programma's voor energiebesparing en alternatieve energietechnologieën alsook daarmee verband houdend onderzoek en ontwikkeling;

21.   verzoekt de lidstaten om de beleidsmaatregelen met het oog op de gestegen olieprijzen te coördineren; verzoekt de Commissie om met een analyse te komen die is gebaseerd op de beste praktijken van de lidstaten op het gebied van beleidsmaatregelen, in antwoord op de problemen die worden veroorzaakt door de hogere olieprijzen;

22.   verzoekt de Raad op korte termijn overeenstemming te bereiken over de belangrijkste stappen die nu genomen moeten worden om te komen tot een volledig geliberaliseerde, interne energiemarkt, omdat deze zal bijdragen tot vermindering van de kwetsbaarheid van de EU op het punt van de energieprijzen en tevens de aanvoerzekerheid zal vergroten; bevestigt in dit verband zijn krachtige steun aan de voltooiing van de interne energiemarkt in de EU;

23.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 227 E van 21.9.2006, blz. 580.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0308.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0294.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0347.
(5) PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.


Voeding, overgewicht en obesitas (Witboek)
PDF 160kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 september 2008 over het Witboek over aan voeding, overgewicht en obesitas gerelateerde gezondheidskwesties (2007/2285(INI))
P6_TA(2008)0461A6-0256/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien het Witboek van de Commissie van 30 mei 2007 over een EU-strategie voor aan voeding, overgewicht en obesitas gerelateerd gezondheidskwesties (COM(2007)0279),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 februari 2007 over het bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging: een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten(1),

–   gezien het tweede Europese Actieplan voor voedsel en voedingsbeleid 2007-2012 van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), goedgekeurd door het WHO Regionaal Comité voor Europa in Belgrado, 17-20 september 2007, en het Europees Handvest over het tegengaan van obesitas, goedgekeurd door het Regionaal Bureau van de WHO in 2006,

–   gezien de doelstellingen van de WHO Europese Ministersconferentie, gehouden in Istanboel op 15-17 november 2006, met het Europees Handvest voor bestrijding van obesitas,

–   gezien de wereldstrategie over dieet, lichamelijke activiteit en gezondheid, goedgekeurd door de 57ste Wereldgezondheidsvergadering op 22 mei 2004,

–   gezien de conclusies van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken van 2 en 3 juni 2005 over "Zwaarlijvigheid, voeding en lichaamsbeweging",

–   gezien de conclusies van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken van 5 en 6 december 2007 over de Strategie voor Europa betreffende voeding, overgewicht en obesitas,

–   gezien de publicatie van het Regionale Kantoor van de WHO voor Europa van 2006 over "Lichamelijke beweging, gezondheid in Europa: redenen om tot actie over te gaan",

–   gezien het Witboek van de Commissie van 11 juli 2007 over sport (COM(2007)0391),

–   gezien het groenboek van de Commissie van 25 september 2007 "Een nieuwe stedelijke mobiliteitscultuur" (COM(2007)0551),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0256/2008),

A.   overwegende dat overgewicht, obesitas en voedingsgerelateerde ziekten een groeiende epidemie vormen en in hoge mate bijdragen aan de belangrijkste doods- en ziekteoorzaken in Europa,

B.   aangezien wetenschappelijk is aangetoond dat de ernst van aandoeningen die verband houden met het eetpatroon en de mate waarin deze voorkomen voor mannen en vrouwen verschillen,

C.   overwegende dat volgens de WHO meer dan 50% van de volwassen Europese bevolking te dik of zwaarlijvig is,

D.   overwegende dat meer dan 5 miljoen kinderen zwaarlijvig zijn en bijna 22 miljoen overgewicht hebben en dat deze getallen snel toenemen, zodat naar verwachting in 2010 nog eens 1,3 miljoen kinderen aan overgewicht of zwaarlijvigheid zullen lijden,

E.   overwegende dat aan overgewicht en obesitas gerelateerde ziekten volgens schattingen 6% van de totale overheidsuitgaven voor gezondheidszorg sommige lidstaten veroorzaken; overwegende dat de indirecte kosten die bijvoorbeeld vanwege verminderde productiviteit en ziekteverzuim aan deze aandoeningen zijn verbonden, nog veel hoger zijn,

F.   overwegende dat abdominale obesitas door de wetenschap wordt beschouwd als een van de belangrijkste voorspellers voor bepaalde gewichtgerelateerde aandoeningen zijn, zoals hart- en vaatziekten en diabetes type 2,

G.   overwegende dat in de kinderjaren ontwikkelde eetgewoonten vaak op latere leeftijd blijven bestaan en overwegende dat onderzoek heeft aangetoond dat zwaarlijvige kinderen een groter risico lopen ook als volwassenen aan obesitas te lijden,

H.   overwegende dat de Europese burgers leven in een milieu waar het makkelijk is dik te worden, waar een zittende levensstijl het gevaar van zwaarlijvigheid heeft doen toenemen,

I.   overwegende dat slechte voedingsgewoonten een grote risicofactor vormt voor andere voedingsgerelateerde ziekten die tot de belangrijkste doodsoorzaken in de EU horen, zoals coronaire hartziekten, kankers, suikerziekte en beroertes,

J.   overwegende dat het rapport van de WHO uit 2005 over de gezondheid in Europa langs analytische weg aantoont dat een groot aantal sterfgevallen en ziekten veroorzaakt worden door zeven belangrijke risicofactoren, waarvan zes (hoge bloeddruk, cholesterol, de body mass index, onvoldoende consumptie van groenten en fruit, gebrek aan lichaamsbeweging en overmatig alcoholgebruik) samenhangen met voedingsgewoonten en lichaamsbeweging en dat het dus belangrijk is al deze gezondheidsbepalende factoren tegelijk aan te pakken teneinde een aanzienlijk aantal sterfgevallen en ziekten te voorkomen,

K.   overwegende dat lichaamsbeweging, gepaard met een gezonde en evenwichtige voeding, de belangrijkste manier is om overgewicht te voorkomen en met schrik constaterend dat 1 op de 3 Europeanen in zijn vrije tijd helemaal niets aan lichaamsbeweging doet, terwijl de gemiddelde Europeaan meer dan 5 uren per dag zit, overwegende dat veel Europeanen geen evenwichtig dieet volgen,

L.   overwegende dat het aantal lesuren voor lichamelijke opvoeding de laatste tien jaar is gedaald, zowel op lagere als op middelbare scholen, en dat op het gebied van voorzieningen en uitrusting grote verschillen bestaan tussen de lidstaten,

M.   overwegende dat in het Europees Handvest om obesitas tegen te gaan de WHO het doel heeft vastgelegd om zichtbare vooruitgang te boeken bij bestrijding van zwaarlijvigheid bij kinderen gedurende de komende 4 à 5 jaar, waarbij het doel is om de huidige trend uiterlijk in 2015 te keren,

N.   overwegende dat gezonde voeding bepaalde kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen moet hebben en afgestemd moet zijn op individuele behoeften en altijd in overeenstemming moet zijn met de beginselen van de voedingsleer,

O.   overwegende dat voeding aan de volgende categorieën kwaliteitscriteria dient te voldoen, wil zij geacht worden "gezondheidswaarde" te hebben: 1) nutriëntengehalte en energie-inhoud (voedingswaarde); 2) gezondheids- en toxicologische criteria (voedselveiligheid); 3) natuurlijke voedseleigenschappen ("esthetische/smaak-" en "digestieve kwaliteiten); 4) ecologisch karakter van de voedselproductie (duurzame landbouw),

P.   overwegende dat overgewicht en obesitas moeten worden aangepakt met een holistische benadering die verschillende overheidsbeleidsterreinen bestrijkt op verschillende bestuursniveaus, vooral op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau, rekening houdend met subsidiariteit,

Q.   overwegende dat niet mag worden voorbijgegaan aan de rol van alcohol, met de daaraan verbonden hoge calorie-inname, en van roken, die allebei de eetlust en de vochthuishouding verstoren en een groot aantal gezondheidsrisico's met zich meebrengen,

R.   overwegende dat rekening dient gehouden met de maatschappelijke dimensie van het probleem, en in het bijzonder het feit dat de hoogste percentages aan overgewicht en obesitas voorkomen bij de lagere sociaaleconomische groepen; overwegende dat deze situatie kan leiden tot grotere ongelijkheid in gezondheid en sociaaleconomische ongelijkheid, met name voor de kwetsbaarste bevolkingsgroepen, zoals gehandicapten,

S.   overwegende dat sociaaleconomische ongelijkheden een nieuwe dimensie krijgen door de stijging van de grondstofprijzen (bijvoorbeeld voor granen, boter en melk), die zowel wat betreft het aantal duurder wordende producten als qua hoogte zonder weerga is,

T.   overwegende dat de combinatie van hogere grondstofprijzen en het gebrek aan transparantie van de regels voor grootschalige distributie in sommige lidstaten tot prijsverhogingen voor basislevensmiddelen met hoge voedingswaarde, zoals groenten en fruit en suikervrije zuivelproducten, heeft geleid, die het budget van de meeste huishoudens in de EU uithollen; overwegende dat de EU deze uitdaging het hoofd moet bieden,

U.   overwegende dat gehandicapten 15% van de werkende bevolking van de EU uitmaken en overwegende dat onderzoek bovendien heeft uitgewezen dat gehandicapten een groter obesitasrisico lopen als gevolg van een aantal factoren, waaronder pathofysiologische veranderingen van het energiemetabolisme en de constitutie van het lichaam, spieratrofie en gebrek aan lichaamsbeweging,

V.   overwegende dat alle breedgeschakeerde initiatieven van belangengroepen om de dialoog, de uitwisseling van ervaringen en zelfregulering te verbeteren gestimuleerd moeten worden, bijvoorbeeld door middel van het EU-Platform voor actie over dieet, fysieke activiteit en gezondheid alsook de Werkgroep sport en gezondheid en het EU-Netwerk gezondheidbevorderende fysieke activiteiten (HEPA),

W.   overwegende dat de verschillende traditionele keukens dienen te worden gepromoot als onderdeel van ons cultureel erfgoed, maar dat tegelijkertijd maatregelen moeten worden getroffen om te waarborgen dat de consumenten zich bewust zijn van het effect ervan voor de gezondheid, opdat zij in staat zijn geïnformeerde keuzes te maken,

X.   overwegende dat consumenten in Europa toegang moeten krijgen tot de nodige informatie om hen in staat te stellen de beste voedingsbronnen voor een optimale voeding te kiezen die is afgestemd op hun individuele levensstijl en gezondheidstoestand,

Y.   overwegende dat de industrie onlangs initiatieven inzake de zelfregulering van reclame heeft genomen die zich bezighouden met de evenwichtigheid en de opzet van reclame voor voedingsmiddelen en dranken; overwegende dat zelfreguleringsmaatregelen van toepassing moeten zijn op alle marketingvormen en in het bijzonder op marketing op het internet en andere nieuwe media; overwegende dat het adverteren voor voedsel ongeveer de helft van de reclame-uitzendingen uitmaakt op de tijden dat kinderen tv kijken en dat duidelijk is aangetoond dat televisiereclame consumptiepatronen van kinderen tussen de 2 en 11 jaar oud op korte termijn beïnvloedt; overwegende dat nieuwe marketingvormen met gebruikmaking van alle technologische middelen, in het bijzonder de zogeheten "advergames", o.a. mobieltjes, instant messaging, videospelletjes en interactieve spelletjes op internet, een reden tot zorg zijn; overwegende dat vele levensmiddelenproducenten, reclame- en marketingbureaus en gezondheids- en consumentenorganisaties nu sterk betrokken zijn bij het Europese actieplatform op het gebied van voeding, lichaamsbeweging en gezondheid en reeds kunnen bogen op succesvolle studies en projecten,

Z.   overwegende dat ondervoeding, waaronder met name ouderen lijden, kosten voor de Europese gezondheidsstelsels veroorzaakt die vergelijkbaar zijn met die van zwaarlijvigheid en overgewicht,

1.   verwelkomt het bovenvermelde Witboek over voeding als belangrijke stap in een algemene strategie om een halt toe te roepen aan de toename van obesitas en overgewicht en voedinggerelateerde chronische aandoeningen in Europa aan te pakken, zoals hart- en vaatziekten, waaronder hartaandoeningen en beroertes, alsmede kanker en suikerziekte;

2.   herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om obesitas te erkennen als chronische aandoening; is van mening dat moet worden gewaakt voor stigmatisering van individuen of groepen mensen die kwetsbaar zijn voor gezondheidsproblemen die samenhangen met voeding, overgewicht en obesitas vanwege culturele factoren, ziektes als suikerziekte of pathologische consumptie, zoals anorexia of bulimia, en raadt de lidstaten aan erop toe te zien dat deze mensen toegang hebben tot een goede behandeling in het kader van het nationale gezondheidszorgstelsel;

3.   beschouwt een alomvattende aanpak op meerdere niveaus als de beste manier om zwaarlijvigheid bij de EU-bevolking te bestrijden en wijst op het bestaan van vele Europese programma's (op het gebied van onderzoek, gezondheid, onderwijs, levenslang leren) die ons kunnen helpen deze plaag aan te pakken;

4.   is van mening dat beleid gericht op voedselkwaliteit een belangrijke bijdrage kan leveren aan de bevordering van de gezondheid en de vermindering van obesitas en dat begrijpelijke informatie op de etiketten de sleutel is voor consumenten om een keuze te kunnen maken tussen goede, betere en minder goede voeding;

5.   hecht zijn goedkeuring aan de oprichting van een groep op hoog niveau voor voeding en lichaamsbeweging en van Europese systemen voor gezondheidsonderzoek die fysieke en biologische gegevens verzamelen, zoals het gezondheidsonderzoek (HES) en de Europese gezondheidsenquête (EHIS), als doeltreffende instrumenten voor beleidsmakers en alle betrokken actoren, ter vergroting van de kennis en de uitwisseling van beste praktijken bij de bestrijding van zwaarlijvigheid;

6.   verzoekt de Commissie een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen te waarborgen binnen de toekomstige werkgroep op hoog niveau voor voeding en lichaamsbeweging, zodat problemen gerichter kunnen worden aangepakt en betere oplossingen kunnen worden geboden voor mannen enerzijds en vrouwen anderzijds;

7.   erkent de belangrijke rol en effectiviteit van zelfregulering bij de bestrijding van obesitas en benadrukt de noodzaak van duidelijke en concrete doelen voor alle betrokken partijen en van onafhankelijke controle van deze doelen; stelt vast dat regelgeving soms nodig is om concrete en wezenlijke veranderingen in alle sectoren te verwezenlijken, met name met betrekking tot kinderen, ter waarborging van consumentenbescherming en hoge volksgezondheidsnormen; neemt met belangstelling kennis van de 203 doelstellingen die zijn vastgesteld in het kader van het Europese actieplatform op het gebied van voeding, lichaamsbeweging en gezondheid, gericht op wijziging van de samenstelling van producten, vermindering van op kinderen gerichte reclame en etikettering ter bevordering van een evenwichtige voeding; is van mening dat het lidmaatschap van het forum moet worden uitgebreid tot producenten van computerspelletjes en consoles, alsmede tot internetproviders;

8.   roept echter op tot tastbaarder maatregelen, vooral gericht op kinderen en risicogroepen;

9.   dringt er bij de Commissie op aan om voor een meer holistische benadering inzake voeding te kiezen en om op het gebied van voeding en gezondheid, naast obesitas, prioriteit te geven aan slechte voeding en dit onderwerp waar mogelijk op te nemen in door de EU gefinancierde onderzoeksinitiatieven en partnerschappen op EU-niveau;

10.   is van mening dat Europese consumenten toegang moeten hebben tot de nodige informatie om de beste bronnen van voedingsstoffen te kunnen kiezen die zij nodig hebben om een optimaal voedingspatroon te bereiken en te handhaven dat het best is toegesneden op hun individuele leefstijl en gezondheidstoestand; is van mening dat meer aandacht besteed moet worden aan het verbeteren van de gezondheidsvaardigheden van de burgers om hen in staat te stellen doeltreffende beslissingen te nemen over hun eigen voeding en die van hun kinderen; is van mening dat het informeren en voorlichten van ouders inzake voedingskwesties uitgevoerd moet worden door daarvoor geschikte professionals (onderwijzers, organisatoren van culturele evenementen, gezondheidswerkers) op daarvoor geschikte locaties; is ervan overtuigd dat voorlichting aan de consument, voedingsonderwijs en etikettering van levensmiddelen gebaseerd moeten zijn op consumentenonderzoek;

11.   wijst in dit kader op het belang van de inbedding van een toekomstig programma voor schoolfruit in een breder educatief concept, bijvoorbeeld via lessen over voeding en gezondheid op basisscholen;

12.   benadrukt de essentiële rol van ouders in het eetpatroon van het gezin en hun doorslaggevende bijdrage aan de bestrijding van overgewicht;

13.   roept lidstaten, regio's en lokale actoren op een proactievere benadering te hanteren door de ontwikkeling van "activiteitenvriendelijke gemeenschappen", met name in het kader van stadsplanning, om gemeenten meer mogelijkheden te laten bieden voor dagelijkse lichamelijke oefening en door lokale faciliteiten aan te bieden om personen te motiveren fysieke activiteiten te ontplooien in hun vrije tijd; is van mening dat dit kan worden verwezenlijkt door lokale maatregelen te treffen ter vermindering van de afhankelijkheid van auto's en ter bevordering van wandelen, en door op verstandige wijze de ontwikkeling van industriële en woongebieden te vermengen, door openbaar vervoer te bevorderen, alsmede parken en toegankelijke sportfaciliteiten, fietspaden en voetgangersoversteekplaatsen; verzoekt gemeenten een netwerk te bevorderen van "steden voor een gezonde levenswijze" voor het opzetten van gemeenschappelijke acties ter bestrijding van obesitas;

14.   moedigt de lidstaten aan het concept van "actief forensen" in te voeren voor schoolkinderen en werknemers; moedigt de lokale overheden bij de evaluatie van stedelijk vervoer en stedelijke planning prioriteit te geven aan dit concept;

15.   wijst erop dat de terbeschikkingstelling van natuurbelevingsterreinen voor kinderen hun een alternatief biedt voor traditionele vrijetijdsbestedingen en tegelijkertijd de verbeeldingskracht, creativiteit en ontdekkingsdrift bevordert;

16.   vraagt sportverenigingen bijzondere aandacht te besteden aan het feit dat jonge meisjes na de puberteit vaak stoppen met sporten; wijst erop dat deze verenigingen een belangrijke rol te vervullen hebben om de interesse van jonge meisjes en vrouwen voor verschillende vormen van sport vast te houden;

17.   benadrukt dat de particuliere sector een rol kan spelen bij de vermindering van zwaarlijvigheid door nieuwe en gezondere producten te ontwikkelen; maar dat het ook verder dient aangemoedigd om systemen voor duidelijke informatie te ontwikkelen en verbetering van de etikettering aan te moedigen, om consumenten in staat te stellen met kennis van zaken te kiezen;

18.   benadrukt het feit dat de Europese Unie het voortouw moet nemen bij het opzetten van een gemeenschappelijke benadering en het bevorderen van coördinatie en beste praktijken tussen lidstaten; is ervan overtuigd dat een belangrijke Europese toegevoegde waarde verwezenlijkt kan worden op gebieden als consumenteninformatie, voedingsvoorlichting, reclame, landbouwproductie en etikettering van levensmiddelen, met name met een aanduiding van het gehalte aan transvetten; roept op tot het ontwikkelen van Europese indicatoren als taille-omvang en andere risicofactoren met betrekking tot zwaarlijvigheid (in het bijzonder abdominale obesitas);

Onze prioriteit: kinderen

19.   verzoekt de Commissie en alle betrokkenen om de bestrijding van zwaarlijvigheid vanaf de vroegste levensfases als prioriteit te nemen, gezien het feit dat in de kinderjaren ontwikkelde eetgewoonten vaak nog lang daarna blijven bestaan;

20.   verzoekt om voorlichtingscampagnes om de bewustmaking te versterken bij zwangere vrouwen over het belang van een evenwichtig dieet, met een optimale inname van bepaalde voedingsstoffen tijdens de zwangerschap, en om vrouwen en hun partners bewust te maken van het belang van borstvoeding; herinnert eraan dat borstvoeding en uitstel van het spenen tot de baby zes maanden oud is, het vertrouwd maken van het kind met gezonde voeding en het afmeten van de porties kunnen helpen voorkomen dat kinderen aan overgewicht of zwaarlijvigheid lijden; beklemtoont desalniettemin dat borstvoeding niet de enige manier is om zwaarlijvigheid te bestrijden, maar dat evenwichtige eetgewoonten over een lange periode worden aangeleerd; benadrukt dat bewustmakingscampagnes erop moeten wijzen dat borstvoeding een privéaangelegenheid is, en rekening moeten houden met de vrije wil en keuze van vrouwen;

21.   wijst de lidstaten erop dat nationale zorginstellingen specifiek voedingsadvies moeten bevorderen aan zwangere vrouwen en vrouwen die in de menopauze verkeren, aangezien zwangerschap en menopauze twee cruciale fasen zijn in een vrouwenleven, waarin zich een groter risico voordoet van overgewicht;

22.   verzoekt de lidstaten om richtlijnen voor te stellen, opgesteld door deskundigen, over verbetering van de fysieke activiteit al voordat een kind naar school gaat en om voedingseducatie al in dit vroege stadium te bevorderen;

23.   is van mening dat vooral op scholen maatregelen moeten worden genomen opdat fysieke activiteit en evenwichtige voeding onderdeel worden van het gedrag van een kind; verzoekt de groep op hoog niveau voor voeding en lichaamsbeweging om richtsnoeren te ontwikkelen voor voedingsbeleid op school en bevordering van voedingseducatie, alsmede voor het voortzetten van een dergelijke educatie in de periode na school; verzoekt de lidstaten de voordelen van een evenwichtige voeding en lichamelijke activiteiten op te nemen in de lesplannen;

24.   verzoekt bovendien de lidstaten, lokale instanties en schoolautoriteiten de kwaliteit en voedingswaarde van school- en kleuterschoolmaaltijden te controleren en te verbeteren, onder meer door middel van specifieke richtsnoeren en training voor cateringpersoneel, kwaliteitscontrole van cateraars en richtsnoeren voor gezonde voeding in kantines; onderstreept het belang van de aanpassing van de grootte van porties aan de behoeften en van het toevoegen van fruit en groente aan de maaltijden; dringt aan op meer voedingsonderwijs inzake een evenwichtige voeding en wenst een vermindering te zien van de verkoop in scholen van levensmiddelen en dranken met een hoog vet-, zout- of suikergehalte en weinig voedingswaarde; pleit in plaats daarvan voor het beschikbaar stellen van vers fruit en groente op verkooppunten; verzoekt de bevoegde autoriteiten erop toe te zien dat minstens drie lesuren per week gewijd zijn aan lichamelijke oefening, overeenkomstig de doelstellingen van het bovenvermeld Witboek over sport en verzoekt die autoriteiten plannen op te stellen voor de bouw van nieuwe openbare sportfaciliteiten die toegankelijk zijn voor gehandicapten, en de bestaande sportfaciliteiten in scholen te behouden; verwelkomt een mogelijk "schoolfruit"-project dat financieel gesteund wordt door de EU, analoog aan het lopende schoolmelkprogramma; roept op tot het vinden van oplossingen om de gratis verstrekking van fruit en groente op scholen en liefdadigheidsinstellingen in 2008 voort te zetten, zoals verzocht door een aantal lidstaten, in afwachting van de start van het schoolfruitproject op 1 januari 2009;

25.   verzoekt de lokale autoriteiten van de lidstaten de beschikbaarheid en betaalbaarheid van recreatiefaciliteiten te bevorderen en te stimuleren dat in de plaatselijke omgeving mogelijkheden worden gecreëerd die mensen ertoe motiveren in hun vrije tijd aan lichaamsbeweging te doen;

26.   verzoekt lidstaten, lokale instanties en schoolleidingen erop toe te zien dat gezonde producten aanwezig zijn in de automaten op scholen; is van mening dat sponsoring door en reclame voor zogeheten HSSF-producten (hoog gehalte van suiker, zout en vet) met een lage voedingswaarde in scholen pas mag plaatsvinden na een verzoek hiertoe bij en de uitdrukkelijke toestemming van de schoolleiding en moet worden gecontroleerd door scholieren- en ouderverenigingen; is van mening dat sportorganisaties en -ploegen een voorbeeld moeten stellen op het gebied van beweging en gezonde voeding en verzoekt om een vrijwillige toezegging door alle sportorganisaties en -ploegen om een evenwichtige voeding en lichamelijke activiteit, met name tussen kinderen onderling, te bevorderen; gaat ervan uit dat alle sportorganisaties en -ploegen een evenwichtige voeding en lichaamsbeweging bevorderen; benadrukt bovendien dat de Europese sportbeweging niet verantwoordelijk mag worden gesteld voor overgewicht en obesitas in Europa;

27.   is verheugd over de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) die het mogelijk moet maken dat er meer fruit en groente op scholen wordt verstrekt, mits er toezicht is op de kwaliteit en de chemische veiligheid van deze producten;

28.   dringt er bij de EU, en met name bij de Raad ECOFIN, op aan flexibeler om te gaan met het verzoek van de lidstaten om het verlaagde BTW-tarief te mogen toepassen op producten die in dringende sociale, economische, ecologische of gezondheidsgerelateerde behoeften voorzien; roept in dit verband de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan het BTW-tarief voor groenten en fruit te verlagen, herinnerend aan het feit dat de Gemeenschapswetgeving dit toelaat; verzoekt daarnaast om een wijziging van de geldende communautaire wetgeving om op groenten en fruit een zeer laag BTW-tarief (van minder dan 5%) te kunnen toepassen;

29.   is verheugd over EU-initiatieven zoals het opzetten van de website "EU-minichefs" en de "Europese dag voor gezond voedsel en koken" op 8 november 2007; beveelt aan om voorlichtingscampagnes te houden ter bevordering van de bewustwording van het verband tussen energierijke producten en de hoeveelheid tijd die nodig is om deze calorieën met fysieke inspanningen af te breken;

Geïnformeerde keuzes en de beschikbaarheid van gezondheidsproducten

30.   is van mening dat een wijziging van de samenstelling van producten een krachtig instrument is met het oog op het terugdringen van de inname van vetten, suiker en zout in onze voeding en moedigt voedselproducenten aan verder te gaan met de wijziging van de samenstelling van levensmiddelen met veel energie en een lage voedingswaarde, teneinde het gehalte aan vet, suiker en zout te verlagen en het gehalte aan vezels, fruit en groente te verhogen; verwelkomt vrijwillige afspraken tussen producenten om voedingscriteria vast te stellen voor de samenstelling van levensmiddelen;

31.   benadrukt dat voedingsetikettering verplicht dient te worden gesteld en duidelijk moet zijn om consumenten te helpen voor gezonde voeding te kiezen;

32.   roept op tot een Europees verbod op kunstmatige transvetzuren en dringt er bij de lidstaten op aan de inhoud van stoffen (zoals zout) in levensmiddelen te controleren, en roept de Commissie op een programma op te stellen voor de uitwisseling van beste praktijken in de lidstaten; wijst erop dat een speciale uitzondering moet worden gemaakt voor PDO (beschermde oorsprongsbenaming), PGI (beschermde geografische aanduiding), TSG (gegarandeerde traditionele specialiteit) en andere soorten traditionele producten, teneinde oorspronkelijke recepten te behouden; heeft met het oog hierop hoge verwachtingen van het toekomstige groenboek inzake kwaliteitsbeleid in de landbouw in termen van betere kwaliteit en PGI-regelingen;

33.   benadrukt dat een buitensporige consumptie van transvetzuren (meer dan 2% van de totale energie-inname) volgens de huidige stand van de wetenschap verbonden is met duidelijk hogere cardiovasculaire risico's; betreurt het derhalve ten zeerste dat tot dusver slechts enkele Europese regeringen maatregelen hebben getroffen ter vermindering van de cumulatieve blootstelling van de Europese burgers aan kunstmatige transvetzuren en verzadigde vetzuren, die in tal van verwerkte producten met een lage voedingswaarde voorkomen;

34.   onderstreept dat industrieel verwerkte transvetzuren een aangetoond, ernstig en onnodig risico voor de gezondheid van de Europese bevolking vormen en dienen te worden aangepakt middels een daartoe geschikt wetgevingsinitiatief dat erop is gericht de industriële verwerking van transvetzuren in voedingsmiddelen op doeltreffende wijze uit te bannen;

35.   verzoekt om een analyse van de rol van kunstmatige smaakversterkers zoals glutamaten, guanylaten en inosinaten, vooral in bereide gerechten en industrieel geproduceerde voedingsmiddelen, zodat de invloed daarvan op het consumptiegedrag kan worden bepaald;

36.   verzoekt de industrie om de eenpersoonsporties te herzien, met een breder scala aan keuzemogelijkheden voor kleine porties;

37.   is ingenomen met het nieuwe voorstel van de Commissie voor een herziening van Richtlijn 90/496/EEG van de Raad van 24 september 1990 inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen(2); dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat etikettering zichtbaar, duidelijk en begrijpelijk is voor de consument;

38.   verzoekt de Commissie voorts een uitvoerig onderzoek in te stellen naar het gezondheidseffect van het GLB, teneinde te evalueren of het beleid kan worden aangepast ter bevordering van de verbetering van eetgewoonten in Europa;

Media en reclame

39.   verzoekt de mediasector om in samenwerking met de lidstaten en sportorganisaties in alle media meer prikkels te geven voor meer lichaamsbeweging en de beoefening van sport;

40.   is doordrongen van het belang van de media bij het informeren, voorlichten en overreden in verband met een gezond evenwichtig dieet, alsmede van de rol van de media bij het creëren van stereotypes en lichaamsbeelden; beschouwt de vrijwillige benadering, waarvoor wordt gekozen in het voorstel voor een richtlijn over "Audiovisuele mediadiensten zonder grenzen(3)", over reclame voor voedingsmiddelen met lage voedingswaarde gericht op kinderen, als stap in de goede richting, die specifiek moet worden gecontroleerd, en verzoekt de Commissie striktere voorstellen te doen indien bij de herzien van de richtlijn in 2011 blijkt dat de vrijwillige benadering op dit gebied heeft gefaald; roept de lidstaten en de Commissie op mediadienstverleners aan te moedigen gedragscodes te ontwikkelen met betrekking tot ongepaste commerciële mededelingen inzake voedingsmiddelen en dranken en dringt er bij exploitanten op aan concrete actie op nationaal niveau te ondernemen om deze richtlijn te implementeren en te versterken;

41.   roept de sector op extra terughoudend te zijn bij het maken van reclame voor voedingsmiddelen specifiek gericht op kinderen; verzoekt om de invoering van beschermde tijden en van beperkingen voor de reclame voor ongezond voedsel, specifiek gericht op kinderen; is van mening dat dergelijke beperkingen ook moeten gelden voor nieuwe vormen van media, zoals online spelletjes, pop-ups en sms- en chatverkeer;

Gezondheidszorg en onderzoek

42.   erkent dat gezondheidswerkers, met name kinderartsen en apothekers, zich bewust moeten zijn van hun belangrijke rol bij de vroege identificatie van patiënten die het gevaar lopen te lijden aan overgewicht en aandoeningen aan hart en bloedvaten, en is van mening dat zij belangrijke actoren moeten zijn bij de bestrijding van de overgewicht-epidemie en niet-besmettelijke ziekten; roept derhalve de Commissie op antropometrische indicatoren en richtsnoeren te ontwikkelen inzake cardiometabolische risicofactoren die verband houden met zwaarlijvigheid; benadrukt het belang van het uitvoeren van systematische antropometrische routinemetingen in combinatie met screening op andere cardiometabolische risicofactoren, teneinde de comorbiditeit van overgewicht/zwaarlijvigheid op het niveau van de primaire gezondheidszorg te kunnen evalueren;

43.   wijst op het probleem van ondervoeding, een toestand waarin een deficiëntie, een overmaat of een onevenwichtigheid van voedselopname meetbare ongunstige gevolgen heeft voor weefsel, lichaamsvorm en -functie; wijst er voorts op dat ondervoeding een zware last is voor zowel individueel welbevinden als voor de samenleving met name de gezondheidszorg en dat het leidt tot verhoogde mortaliteit, langere ziekenhuisverblijven, verhoogde complicaties en verminderde levenskwaliteit voor patiënten; herinnert eraan dat extra ziekenhuisdagen en behandeling van complicaties als gevolg van ondervoeding miljarden euro´s publiek geld per jaar kosten.

44.   wijst erop dat naar schatting 40% van de ziekenhuispatiënten en 80% van de bewoners van bejaardentehuizen ondervoed zijn; verzoekt de lidstaten de kwantiteit en de kwaliteit van de voeding in ziekenhuizen en bejaardentehuizen te verbeteren, opdat de opnameduur in ziekenhuizen kan worden verminderd;

45.   is overtuigd van het nut van volledige regulering van de vakbekwaamheid van medische professionals als "klinische diëtisten" alsook "voedingsdeskundigen";

46.   roept de Commissie op de beste medische praktijken te stimuleren, bijvoorbeeld door middel van het Gezondheidsforum van de EU, alsmede door voorlichtingscampagnes over de gevaren van zwaarlijvigheid en abdominale obesitas, met bijzondere aandacht voor cardiovasculaire risico's; dringt er bij de Commissie op aan informatie te verstrekken over de gevaren van thuisdiëten, vooral wanneer deze gepaard gaan met het gebruik van slankheidsmiddelen zonder medisch voorschrift; roept de Commissie op meer aandacht te besteden aan problemen van ondervoeding, ontoereikende voeding en uitdroging;

47.   dringt er bij de lidstaten op aan dat Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen(4) wordt toegepast;

48.   roept de Commissie en de lidstaten op onderzoek te financieren naar het verband tussen zwaarlijvigheid en chronische aandoeningen als kanker en suikerziekte, aangezien epidemiologisch onderzoek de factoren moet vaststellen die het meest verband houden met de toename van het verschijnsel zwaarlijvigheid, zoals de identificatie en evaluatie van multivariabele biomarkers in bepaalde subgroepen van de bevolking, teneinde inzicht te krijgen in de biologische mechanismen die ten grondslag liggen aan zwaarlijvigheid; verzoekt tevens om studies waarin de effectiviteit van verschillende behandelingen wordt vergeleken en geëvalueerd, met inbegrip van psychologisch onderzoek; verzoekt de lidstaten een systeem op te zetten ter waarborging van de toegang tot een kwalitatief hoogstaande verrichting van diensten ter voorkoming, screening en beheersing van overgewicht, zwaarlijvigheid en daarmee verband houdende chronische aandoeningen;

49.   is verheugd dat suikerziekte en zwaarlijvigheid zijn opgenomen als prioriteiten in het Zevende Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling (FP7), gewijd aan gezondheid;

50.   pleit voor verder wetenschappelijk onderzoek naar en screening van abdominale obesitas in de context van het FP7;

51.   verzoekt de Commissie om Europa-wijde voorlichtingscampagnes te bevorderen die zijn gericht op het algemene publiek en met name op beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, om het bewustzijn voor de risico's van abdominale obesitas te vergroten;

52.   roept ertoe op terdege rekening te houden met voedingsaspecten bij alle Europese beleidsmaatregelen en acties;

o
o   o

53.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten en de Wereldgezondheidsorganisatie.

(1) PB C 250 E van 25.10.2007, blz. 93.
(2) PB L 276 van 6.10.1990, blz. 40.
(3) Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).
(4) PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51.


Collectief grensoverschrijdend beheer van auteursrechten
PDF 120kWORD 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 september 2008 over collectief grensoverschrijdend beheer van auteursrechten en naburige rechten voor rechtmatige online muziekdiensten
P6_TA(2008)0462B6-0423/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien Aanbeveling nr. 2005/737/EG van de Commissie van 18 oktober 2005 betreffende het collectieve grensoverschrijdende beheer van auteursrechten en naburige rechten ten behoeve van rechtmatige online muziekdiensten(1) (hierna "de aanbeveling van 2005" genoemd),

–   gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95 en artikel 151,

–   gezien de artikelen II-77 en II-82 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien artikel 97 bis van het Verdrag van Lissabon,

–   gezien de internationale overeenkomsten die op muziekrechten van toepassing zijn, te weten het Verdrag van Rome van 26 oktober 1961 inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, het Verdrag van de WIPO van 20 december 1996 inzake het auteursrecht, het Verdrag van de WIPO van 20 december 1996 inzake uitvoeringen en fonogrammen en de WTO-Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs) van 15 april 1994,

–   gezien het Gemeenschapsrecht (acquis communautaire)op het gebied van het auteursrecht en naburige rechten voorzover van toepassing op muziek, te weten Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom(2), Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel(3), Richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten(4) en Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij(5),

–   gezien het groenboek van de Commissie van 19 juli 1995 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (COM(1995)0382),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 mei 2003 over de bescherming van audiovisuele performers(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 januari 2004 over een communautair kader voor maatschappijen voor collectief beheer op het gebied van auteursrechten en naburige rechten(7),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 16 april 2004 betreffende het beheer van auteursrechten en naburige rechten in de interne markt (COM(2004)0261),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 juli 2006 over de uitvoering van het communautair Lissabon-programma: meer onderzoek en innovatie – investeren voor groei en werkgelegenheid: een gemeenschappelijke aanpak(8),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 3 januari 2008 inzake creatieve online-inhoud in de interne markt (COM(2007)0836),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2006 over de vrijheid van meningsuiting op internet(9),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2007 over Aanbeveling 2005/737/EG van de Commissie van 18 oktober 2005 betreffende het collectieve grensoverschrijdende beheer van auteursrechten en naburige rechten ten behoeve van rechtmatige on-line muziekdiensten(10),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over de institutionele en juridische gevolgen van het gebruik van "soft law"-instrumenten(11),

–   gezien het samenvattend verslag houdende de resultaten van de monitoring van de aanbeveling van 2005(12),

–   gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het de Commissie in zijn resolutie van 13 maart 2007 verzocht duidelijk te maken dat de aanbeveling van 2005 uitsluitend van toepassing is op de on-line verkoop van muziekopnames en zo spoedig mogelijk - na nauw overleg met de betrokken partijen - een voorstel in te dienen voor een flexibele richtlijn, die door Parlement en Raad via de medebeslissingsprocedure moest worden aangenomen, ter regulering van het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten inzake grensoverschrijdende digitale muziekdiensten, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van het digitale tijdperk en met het behoud van de Europese culturele verscheidenheid, kleine belanghebbenden en plaatselijke repertoires op basis van het beginsel van gelijke behandeling,

B.   overwegende dat het in zijn resolutie van 13 maart 2007 uiting gaf aan zijn opvatting dat de belangen van auteurs en daardoor ook de culturele verscheidenheid in Europa het best gediend zouden zijn met de invoering van een eerlijk en transparant concurrentiestelsel dat neerwaartse druk op de inkomsten van de auteurs voorkomt,

1.   wijst erop dat de territoriale aard van het auteursrecht ondanks het bestaan van Richtlijn 2001/29/EG er mede debet aan is dat de situatie op het gebied van het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten voor online diensten werkelijk ingewikkeld is, voornamelijk wegens het ontbreken van Europese licenties;

2.   is van oordeel dat het verzuim om wetgevend op te treden, ondanks verscheidene resoluties van het Parlement, en het besluit om te proberen de sector met behulp van een aanbeveling te reguleren tot een klimaat van rechtsonzekerheid voor houders van rechten en gebruikers, met name omroepen, heeft geleid;

3.   wijst erop dat Directoraat-generaal mededinging van de Commissie wel, naar aanleiding van een klacht van een aantal gebruikers, een procedure is gestart tegen CISAC (Confédération Internationale des Sociétés d'Auteurs et Compositeurs), waarbij 24 Europese collectieve rechtenbeheersorganisaties aangesloten zijn; wijst erop dat dit besluit tot gevolg zal hebben dat de betrokkenen ervan zullen afzien om gezamenlijk geschikte oplossingen te vinden, zoals een Europees vereffeningsstelsel, en dat de weg vrij wordt gemaakt voor een oligopolie van een paar grote beheersorganisaties die exclusieve overeenkomsten hebben met uitgevers op het gebied van het mondiale repertoire; verwacht dat ten gevolge daarvan de verscheidenheid in het aanbod zal afnemen en de kleine beheersorganisaties zullen verdwijnen, hetgeen ten koste van minderheidsculturen zal gaan;

4.   is van mening dat het verslag houdende de resultaten van de monitoring van de aanbeveling van 2005 de huidige situatie niet goed weergeeft en voorbijgaat aan het standpunt dat het Parlement in zijn resolutie van 13 maart 2007 heeft verwoord;

5.   is van oordeel dat de situatie zich zo heeft ontwikkeld omdat de Commissie doof is geweest voor de waarschuwingen van het Parlement, met name in zijn resolutie van 13 maart 2007, waarin concrete voorstellen gericht op gestuurde mededinging en bescherming en aansporing van minderheidsculturen in Europa vervat waren;

6.   dringt er bij de Commissie op aan het Parlement daadwerkelijk, als medewetgever, bij het initiatief inzake creatieve online-inhoud te betrekken;

7.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1) PB L 276 van 21.10.2005, blz. 54.
(2) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 28.
(3) PB L 248 van 6.10.1993, blz. 15.
(4) PB L 372 van 27.12.2006, blz. 12.
(5) PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.
(6) PB C 67 E van 17.3.2004, blz. 293.
(7) PB C 92 E van 16.4.2004, blz. 425.
(8) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 640.
(9) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 879.
(10) PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 64.
(11) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 75.
(12) http://ec.europa.eu/internal_market/copyright/docs/management/monitoring-report_en.pdf

Juridische mededeling - Privacybeleid