Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 21 oktober 2008 - Straatsburg
Overeenkomst EG/Nieuw-Zeeland inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking *
 Veiligheidscontroles/-inspecties en aanverwante aangelegenheden *
 Verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (gecodificeerde versie) ***I
 Drukvaten van eenvoudige vorm (gecodificeerde versie) ***I
 Aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (gecodificeerde versie) ***I
 Toepassing van het aan het EG-Verdrag gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (gecodificeerde versie) *
 Groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector luchtvervoer (gecodificeerde versie) *
 Stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen *
 Europees bewijsverkrijgingsbevel voor gebruik in strafprocedures *
 Herstel van kabeljauwbestanden *
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2008
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering
 Naar een wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering
 Governance en partnerschap op nationaal en regionaal niveau en op projectbasis op het gebied van regionaal beleid
 De wetgeving verbeteren 2006 overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid
 Controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht
 Strategie voor de toekomstige regeling van institutionele aspecten voor regelgevende agentschappen
 Het arrestatiebevel tegen Joseph Kony met het oog op zijn proces voor het Internationaal Strafhof
 Erasmus Mundus-programma (2009-2013) ***I
 Veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (herschikking) ***I
 Ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (herschikking) ***I
 Statistiek van het zeevervoer van goederen en personen (herschikking) ***I
 Communautaire statistieken van het goederenverkeer tussen de lidstaten ***I
 Toepasselijk recht in huwelijkszaken *
 Beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten *
 Bestrijding van kinderhandel

Overeenkomst EG/Nieuw-Zeeland inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking *
PDF 195kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap enerzijds en de regering van Nieuw-Zeeland anderzijds (COM(2008)0170 – C6-0292/2008 – 2008/0066(CNS))
P6_TA(2008)0478A6-0367/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2008)0170),

–   gezien onder verwijzing naar Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)(1),

–   gelet op artikel 170 en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van het EG­Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0292/2008),

–   gelet op artikel 51, artikel 83, lid 7 en artikel 43, lid 1 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0367/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Nieuw-Zeeland.

(1) PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.


Veiligheidscontroles/-inspecties en aanverwante aangelegenheden *
PDF 190kWORD 29k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een memorandum voor samenwerking tussen de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en de Europese Gemeenschap inzake veiligheidscontroles/-inspecties en aanverwante aangelegenheden (COM(2008)0335 – C6-0320/2008 – 2008/0111(CNS))
P6_TA(2008)0479A6-0374/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2008)0335),

–   gelet op de artikelen 80, lid 2, en 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0320/2008),

–   gelet op artikel 51, artikel 83, lid 7, en artikel 43, lid 1, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0374/2008),

1.   stemt in met de sluiting van het memorandum voor samenwerking;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.


Verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (gecodificeerde versie) ***I
PDF 193kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (gecodificeerde versie) (COM(2008)0098 – C6-0144/2008 – 2008/0049(COD))
P6_TA(2008)0480A6-0380/2008

(Medebeslissingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0098),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 95, lid 1, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0144/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 over een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–   gelet op de artikelen 80 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0380/2008),

A.   overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Drukvaten van eenvoudige vorm (gecodificeerde versie) ***I
PDF 193kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake drukvaten van eenvoudige vorm (gecodificeerde versie) (COM(2008)0202 – C6-0172/2008 – 2008/0076(COD))
P6_TA(2008)0481A6-0381/2008

(Medebeslissingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0202),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 95 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0172/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 over een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–   gelet op de artikelen 80 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0381/2008),

A.   overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (gecodificeerde versie) ***I
PDF 191kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (gecodificeerde versie) (COM(2008)0369 – C6-0244/2008 – 2008/0126(COD))
P6_TA(2008)0482A6-0385/2008

(Medebeslissingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0369),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 95 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0244/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 over een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–   gelet op de artikelen 80 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0385/2008),

A.   overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Toepassing van het aan het EG-Verdrag gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (gecodificeerde versie) *
PDF 194kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (gecodificeerde versie) (COM(2008)0073 – C6-0147/2008 – 2008/0053(CNS))
P6_TA(2008)0483A6-0386/2008

(Raadplegingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0073),

–   gelet op artikel 104, lid 14, derde alinea van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0147/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 over een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–   gelet op de artikelen 80 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0386/2008),

A.   overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector luchtvervoer (gecodificeerde versie) *
PDF 193kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector van het luchtvervoer (gecodificeerde versie) (COM(2008)0367 – C6-0272/2008 – 2008/0124(CNS))
P6_TA(2008)0484A6-0379/2008

(Raadplegingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0367),

–   gelet op artikel 83 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0272/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 over een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–   gelet op de artikelen 80 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0379/2008),

A.   overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen *
PDF 202kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 houdende toepassing van Besluit 2000/597/EG, Euratom, betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (COM(2008)0223 – C6-0197/2008 – 2008/0089(CNS))
P6_TA(2008)0485A6-0342/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0223),

–   gelet op artikel 279, lid 2, van het EG­Verdrag en artikel 183 van het Euratom­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0197/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1) en met name de als bijlage bij dit akkoord gevoegde verklaring nr. 3 over de herziening van het financiële kader,

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0342/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag en artikel 119, tweede alinea, van het Euratom­Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening - wijzigingsbesluit
Overweging 1
(1)  De Europese Raad van Brussel van 15 en 16 december 2006 heeft een aantal conclusies vastgesteld betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, die hebben geleid tot de vaststelling van Besluit 2007/436/EG, Euratom.
(1)  De Europese Raad van Brussel van 15 en 16 december 2005 heeft een aantal conclusies vastgesteld betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, die hebben geleid tot de vaststelling van Besluit 2007/436/EG, Euratom; tevens verzocht hij de Commissie een volledige, alomvattende en brede evaluatie te verrichten, waarin alle aspecten van de EU-inkomsten en -uitgaven aan bod komen, en daarover in 2008/2009 verslag uit te brengen.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening - wijzigingsbesluit
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  De Commissie zal daarom een algemene evaluatie van de werking van het stelsel van eigen middelen uitvoeren, vergezeld van passende voorstellen waarvoor ten volle rekening zal worden gehouden met het werk en de aanbevelingen van het Europees Parlement overeenkomstig de voorwaarden zoals uiteengezet in verklaring nr. 3 betreffende de herziening van het financiële kader, die is opgenomen in de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer1.
__________
1 PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Europees bewijsverkrijgingsbevel voor gebruik in strafprocedures *
PDF 387kWORD 171k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het ontwerp van een kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures (13076/2007 – C6-0293/2008 – 2003/0270(CNS))
P6_TA(2008)0486A6-0408/2008

(Raadplegingsprocedure – hernieuwde raadpleging)

Het Europees Parlement,

–   gezien het ontwerp van de Raad (13076/2007),

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2003)0688),

–   gezien zijn standpunt van 31 maart 2004(1),

–   gelet op artikel 34, lid 2, onder b) van het EU­Verdrag,

–   gelet op artikel 39, lid 1 van het EU­Verdrag, op grond waarvan het Parlement opnieuw door de Raad is geraadpleegd (C6-0293/2008),

–   gelet op de artikelen 93 en 51 en artikel 55, lid 3, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0408/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen in het voorstel aan te brengen of dit door een andere tekst te vervangen;

5.   is vastbesloten, ingeval onderhavige tekst niet wordt goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, dergelijke toekomstige voorstellen via de urgentieprocedure te behandelen in nauwe samenwerking met de nationale parlementen;

6.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Ontwerp van de Raad   Amendement
Amendement 1
Ontwerp van de Raad
Overweging 8
(8)  Het beginsel van wederzijdse erkenning is gebaseerd op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Om dit vertrouwen te bevorderen dient dit kaderbesluit sterke garanties te bevatten voor de bescherming van de grondrechten. Het EBB mag derhalve uitsluitend worden uitgevaardigd door rechters, rechtbanken, onderzoeksmagistraten, openbaar aanklagers en bepaalde andere rechterlijke autoriteiten zoals door de lidstaten bepaald overeenkomstig dit kaderbesluit.
(8)  Het beginsel van wederzijdse erkenning is gebaseerd op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Om dit vertrouwen te bevorderen dient dit kaderbesluit sterke garanties te bevatten inzake bescherming van de grondrechten. Het EBB mag derhalve uitsluitend worden uitgevaardigd door rechters, onderzoeksmagistraten en openbaar aanklagers.
Amendement 2
Ontwerp van de Raad
Overweging 9
(9)  Dit kaderbesluit wordt aangenomen op grond van artikel 31 VEU en heeft bijgevolg betrekking op de justitiële samenwerking in de zin van dat artikel, met het doel bijstand te verlenen bij het verkrijgen van bewijs dat nodig is voor gebruik in de in artikel 4 bedoelde procedures. Hoewel bij de in artikel 2, letter c, onder ii, bedoelde bewijsvergaring er een taak kan zijn weggelegd voor andere instanties dan rechters, rechtbanken, onderzoeksmagistraten en openbare aanklagers, valt de politiële, douane-, grens- en bestuurlijke samenwerking, die door andere bepalingen van de Verdragen wordt geregeld, niet onder het toepassingsgebied van dit kaderbesluit.
(9)  Dit kaderbesluit wordt aangenomen op grond van artikel 31 VEU en heeft bijgevolg betrekking op de justitiële samenwerking in de zin van dat artikel, met het doel bijstand te verlenen bij het verkrijgen van bewijs dat nodig is voor gebruik in de in artikel 4 bedoelde procedures. De politiële, douane-, grens- en bestuurlijke samenwerking, die door andere bepalingen van de Verdragen wordt geregeld, valt niet onder het toepassingsgebied van dit kaderbesluit
Amendement 3
Ontwerp van de Raad
Overweging 24 bis (nieuw)
(24 bis)  Het is van het allergrootste belang dat het Kaderbesluit 2008/.../JBZ van de Raad van ... inzake de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, dat een adequaat niveau van gegevensbescherming moet garanderen en de verwerking van persoonsgegevens op nationaal niveau moet omvatten, zo spoedig mogelijk wordt aangenomen.
Amendement 4
Ontwerp van de Raad
Overweging 25
(25)  Het EBB zal naast de bestaande procedures inzake wederzijdse rechtshulp komen te staan. Deze situatie dient evenwel als een voorlopige te worden beschouwd en zal duren totdat de vormen van bewijsvergaring die buiten de werkingssfeer van dit kaderbesluit vallen, tevens onder een instrument van wederzijdse erkenning komen te vallen, zoals in het Haagse Programma uiteen is gezet. Met de aanneming van een hiertoe strekkend instrument zal het stelsel van wederzijdse erkenning dat tot doel heeft de procedures van wederzijdse rechtshulp te vervangen, voltooid zijn.
(25)  Het EBB zal naast de bestaande procedures inzake wederzijdse rechtshulp komen te staan. Deze situatie dient evenwel als een voorlopige te worden beschouwd en zal duren totdat de vormen van bewijsvergaring die buiten de werkingssfeer van dit kaderbesluit vallen, tevens onder een instrument van wederzijdse erkenning komen te vallen, zoals in het Haagse Programma uiteen is gezet. Met de aanneming van een hiertoe strekkend instrument zal het stelsel van wederzijdse erkenning dat tot doel heeft de procedures van wederzijdse rechtshulp te vervangen, voltooid zijn. De Commissie zou zo spoedig mogelijk voorstellen moeten indienen ter voltooiing van het kader van de erkenning van bewijzen in strafzaken en tegelijkertijd de reeds goedgekeurde wetgeving versterken. De Commissie wordt bovendien verzocht initiatieven te ondernemen voor de harmonisering van de regelingen inzake bewijsverkrijging in de lidstaten. Harmonisering is het beste vertrekpunt om de samenwerking in strafzaken te verzekeren.
Amendement 5
Ontwerp van de Raad
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  De Commissie zou zo spoedig mogelijk een voorstel moeten indienen voor een wetgevingsinstrument inzake de procedurele waarborgen in het strafproces.
Amendement 6
Ontwerp van de Raad
Artikel 2 – letter c
(c) "uitvaardigende autoriteit":
(i) een rechter, rechtbank, onderzoeksmagistraat, openbaar aanklager; of
(ii) iedere andere rechterlijke autoriteit zoals aangeduid door de uitvaardigende staat, die in de specifieke zaak optreedt in de hoedanigheid van onderzoeksautoriteit in strafprocedures, en die ingevolge de nationale wetgeving bevoegd is opdracht te geven tot bewijsverkrijging in grensoverschrijdende zaken;
(c) "uitvaardigende autoriteit":
een rechter, onderzoeksmagistraat of openbaar aanklager die krachtens het nationale recht bevoegd is om een Europees bewijsverkrijgingsbevel uit te vaardigen;
Amendement 7
Ontwerp van de Raad
Artikel 4 – lid1 bis (nieuw)
1 bis.  Het Europees bewijsverkrijgingsbevel staat zowel ter beschikking van de verdediging als van de aanklager. Bijgevolg kan zowel de verdediging als de aanklager de bevoegde gerechtelijke instantie verzoeken een Europees bewijsverkrijgingsbevel uit te vaardigen.
Amendement 8
Ontwerp van de Raad
Artikel 4 – lid 6
6.  Niettegenstaande lid 2 kan het EBB, indien de uitvaardigende autoriteit daarom verzoekt, ook betrekking hebben op het opnemen van verklaringen van personen die aanwezig zijn bij de uitvoering van het EBB en die rechtstreeks verband houden met het onderwerp van het EBB. Het opnemen van deze verklaringen valt onder de regelgeving die in de uitvoerende staat van toepassing is op nationale zaken.
Schrappen
Amendement 9
Ontwerp van de Raad
Artikel 7 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
(b bis) de voorwerpen, documenten of gegevens zullen waarschijnlijk toelaatbaar zijn in de procedure ten behoeve waarvan zij worden opgevraagd.
Amendement 10
Ontwerp van de Raad
Artikel 7 – alinea 1 bis (nieuw)
De uitvaardigende autoriteit verklaart in het bevel dat aan de voorwaarden van de eerste alinea is voldaan.
Amendement 11
Ontwerp van de Raad
Artikel 8 – lid 2
2.  Iedere lidstaat kan één of, indien zijn rechtsorde dat voorziet, meerdere centrale autoriteiten aanwijzen die de bevoegde autoriteiten bijstaan. Een lidstaat kan, indien zijn rechterlijke organisatie zulks vereist, één of meerdere centrale autoriteiten belasten met het toezenden en administratief in ontvangst nemen van het EBB en van de officiële correspondentie dienaangaande.
2.  Iedere lidstaat kan één of, indien zijn rechtsorde hierin voorziet, meerdere centrale autoriteiten aanwijzen die de bevoegde autoriteiten bijstaan.
Amendement 12
Ontwerp van de Raad
Artikel 10 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Elke bij een gegevensuitwisseling krachtens dit kaderbesluit betrokken persoon kan een beroep doen op het recht van gegevensbescherming, met inbegrip van het blokkeren, corrigeren, wissen en verlenen van toegang tot persoonsgegevens, alsook de toegang tot rechtsmiddelen die hem of haar onder het nationaal recht van de beslissingstaat of de tenuitvoerleggingsstaat toekomen.
Amendement 13
Ontwerp van de Raad
Artikel 11 – lid 4
4.  De uitvoerende autoriteit kan, in het specifieke geval dat de uitvaardigende autoriteit niet een rechter, rechtbank, onderzoeksmagistraat of openbaar aanklager is en het EBB door één van de bedoelde autoriteiten in de uitvaardigende staat is gevalideerd, beslissen dat geen doorzoeking of beslaglegging zal worden uitgevoerd om het EBB uit te voeren. De uitvoerende autoriteit raadpleegt vooraf de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat.
Schrappen
Amendement 14
Ontwerp van de Raad
Artikel 11 – lid 5
5.  Een lidstaat kan, in een verklaring bij de aanneming van dit kaderbesluit of in een kennisgeving achteraf aan het secretariaat-generaal van de Raad, meedelen dat een dergelijke validatie wordt verlangd in ieder geval waarin de uitvaardigende autoriteit niet een rechter, rechtbank, onderzoeksmagistraat of openbaar aanklager is en waarin, indien het een binnenlandse zaak betrof, de maatregelen die voor de uitvoering van het EBB zijn vereist, volgens het recht van de uitvoerende staat zouden moeten worden bevolen of gecontroleerd door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksmagistraat of een openbaar aanklager.
Schrappen
Amendement 15
Ontwerp van de Raad
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Waarborgen voor de tenuitvoerlegging
1.  Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het Europees bewijsverkrijgingsbevel ten uitvoer wordt gelegd met inachtneming van de volgende minimumvoorwaarden:
(a) de tenuitvoerleggende autoriteit dient het minst intrusieve middel dat beschikbaar is te gebruiken om de voorwerpen, documenten of gegevens te verkrijgen;
(b) een natuurlijke persoon mag niet verplicht worden voorwerpen, documenten of gegevens over te leggen die kunnen leiden tot zelfbeschuldiging onder het recht van de uitvaardigende staat of van de tenuitvoerleggingsstaat; en
(c) de uitvaardigende autoriteit wordt onverwijld op de hoogte gebracht indien de tenuitvoerleggende autoriteit ontdekt dat het bevel ten uitvoer werd gelegd op een wijze die strijdig is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat.
2.  Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer een huiszoeking of inbeslagneming noodzakelijk wordt geacht om voorwerpen, documenten of gegevens te verkrijgen, de volgende minimumwaarborgen in acht worden genomen:
(a) een huiszoeking mag niet 's nachts aanvangen, tenzij dit in uitzonderlijke gevallen noodzakelijk is wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak;
(b) een persoon wiens pand doorzocht is, is gerechtigd een schriftelijke kennisgeving van de huiszoeking te ontvangen. Daarin worden minimaal de reden van de huiszoeking, de in beslag genomen voorwerpen, documenten of gegevens en de ter beschikking staande rechtsmiddelen vermeld; en
(c) bij afwezigheid van de persoon wiens pand wordt doorzocht, wordt de kennisgeving waarvan sprake onder b) aan die persoon bezorgd door ze achter te laten in het pand of via andere geschikte middelen.
Amendement 16
Ontwerp van de Raad
Artikel 12
Tenzij in dit kaderbesluit anders is bepaald, neemt de uitvoerende autoriteit de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijk aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht, mits deze niet strijdig zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van de uitvoerende staat. Dit artikel schept geen verplichting om dwangmiddelen aan te wenden.
Onverminderd artikel 11 bis, neemt de uitvoerende autoriteit de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijk aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht, tenzij in dit kaderbesluit anders is bepaald en mits deze niet strijdig zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van de uitvoerende staat.
Amendement 17
Ontwerp van de Raad
Artikel 12 – alinea 1 bis (nieuw)
De uitvaardigende autoriteit kan bovendien verlangen dat de tenuitvoerleggende autoriteit:
(a) het feit dat er een onderzoek loopt alsmede de aard van dat onderzoek geheim houdt, behoudens wat nodig is voor de tenuitvoerlegging van het bevel;
(b) een bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, of een door de uitvaardigende autoriteit aangewezen belanghebbende, toestaat aanwezig te zijn bij de tenuitvoerlegging van het bevel en deze dezelfde toegang als de tenuitvoerleggende autoriteit verleent tot elk voorwerp, document of gegeven dat ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bevel wordt verkregen;
(c) registreert wie het bewijsmateriaal in handen heeft gehad vanaf de tenuitvoerlegging van het bevel tot de overdracht van het bewijsmateriaal aan de beslissingsstaat;
Amendement 18
Ontwerp van de Raad
Artikel 13 – lid 1 – letter a bis (nieuw)
(a bis) het strafbare feit waarop het bevel betrekking heeft in de tenuitvoerleggingsstaat onder een amnestie valt, indien die staat de rechtsmacht heeft om het strafbare feit onder het eigen strafrecht te vervolgen;
Amendement 19
Ontwerp van de Raad
Artikel 13 – lid 1 – letter a ter (nieuw)
(a ter) degene op wie het Europees bewijsverkrijgingsbevel betrekking heeft onder het recht van de tenuitvoerleggingsstaat ingevolge zijn leeftijd niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de feiten waarop het bewijsverkrijgingsbevel betrekking heeft;
Amendement 20
Ontwerp van de Raad
Artikel 13 – lid 1 – letter e
(e) indien, in een van de in artikel 11, leden 4 of 5, bedoelde gevallen, het EBB niet is gevalideerd; of
Schrappen
Amendement 21
Ontwerp van de Raad
Artikel 13 – lid 1 – letter f
(f) indien het EBB betrekking heeft op strafbare feiten die:
(i) naar het recht van de uitvoerende staat geacht worden geheel of voor een groot of essentieel deel te zijn gepleegd op zijn grondgebied of op een daarmee gelijk te stellen plaats,
(ii) buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat zijn gepleegd en er naar het recht van de uitvoerende staat geen vervolging kan worden ingesteld indien de feiten buiten het grondgebied van de uitvoerende staat zijn gepleegd; of
Schrappen
Amendement 22
Ontwerp van de Raad
Artikel 13 – lid 2
2.  De beslissing tot weigering van de uitvoering of erkenning van het EBB overeenkomstig lid 1 wordt genomen door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksmagistraat of een openbaar aanklager in de uitvoerende staat. Indien het EBB door een in artikel 2, punt c), onder ii), bedoelde rechterlijke autoriteit is uitgevaardigd en in de uitvaardigende staat niet door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksmagistraat of een openbaar aanklager is gevalideerd, kan de beslissing, indien het recht van de uitvoerende staat daarin voorziet, ook worden genomen door een andere volgens dit recht bevoegde rechterlijke autoriteit.
2.  De beslissing tot weigering van de uitvoering of erkenning van het EBB overeenkomstig lid 1 wordt genomen door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksmagistraat of een openbaar aanklager in de uitvoerende staat.
Amendement 23
Ontwerp van de Raad
Artikel 13 – lid 3
3.  Elke beslissing als bedoeld in lid 1, punt f), onder i), met betrekking tot strafbare feiten die ten dele zijn gepleegd op het grondgebied van de uitvoerende staat of op een daarmee gelijk te stellen plaats, wordt door de in lid 2 bedoelde bevoegde autoriteiten in uitzonderlijke omstandigheden en per geval genomen, met inachtneming van de specifieke omstandigheden, daarbij in beschouwing nemende de vraag of de feiten zich voor een groot of essentieel deel hebben afgespeeld op het grondgebied van de uitvaardigende staat, of het EBB betrekking heeft op een gedraging die naar het recht van de uitvoerende staat geen strafbaar feit oplevert en of er doorzoeking of inbeslagneming nodig is om het EBB te kunnen uitvoeren.
Schrappen
Amendement 24
Ontwerp van de Raad
Artikel 13 – lid 4
4.  Indien een bevoegde autoriteit overweegt een beroep te doen op de weigeringsgrond bedoeld in lid 1, punt f), onder i), raadpleegt zij Eurojust alvorens een beslissing te nemen.
Schrappen
Indien een bevoegde autoriteit het niet eens is met het advies van Eurojust, zien lidstaten erop toe dat zij haar beslissing met redenen omkleedt en dat de Raad hiervan in kennis wordt gesteld.
Amendement 25
Ontwerp van de Raad
Artikel 13 – lid 5
5.  In de in lid 1, punten a), g) en h), bedoelde gevallen pleegt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat, alvorens te besluiten een EBB, geheel of gedeeltelijk niet te erkennen of niet uit te voeren, op passende wijze overleg met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat, en verzoekt zij in voorkomend geval onverwijld de benodigde gegevens te verstrekken.
5.  In de in lid 1, punten a), a bis), a ter), g) en h), bedoelde gevallen pleegt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat, alvorens te besluiten een EBB, geheel of gedeeltelijk niet te erkennen of niet uit te voeren, op passende wijze overleg met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat, en verzoekt zij in voorkomend geval onverwijld de benodigde gegevens te verstrekken.
Amendement 26
Ontwerp van de Raad
Artikel 14 – lid 2 – inleidende formule
2.  Indien doorzoeking of inbeslagneming nodig is om het EBB uit te voeren, mag onder geen beding een toetsing van dubbele strafbaarheid plaatsvinden met betrekking tot de navolgende feiten, indien daarop in de uitvaardigende staat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar, en zoals deze zijn omschreven in het recht van die staat:
2.  Indien doorzoeking of inbeslagneming nodig is om het EBB uit te voeren, mag onder geen beding een toetsing van dubbele strafbaarheid plaatsvinden met betrekking tot de navolgende feiten, zoals deze zijn omschreven in het recht van de uitvaardigende staat:
Amendement 27
Ontwerp van de Raad
Artikel 15 – lid 3
3.  Tenzij er op grond van artikel 16 redenen tot uitstel bestaan of indien de uitvoerende autoriteit de verzochte voorwerpen, documenten of gegevens reeds in haar bezit heeft, neemt de uitvoerende autoriteit onverwijld en, onverminderd lid 4, uiterlijk 60 dagen na de ontvangst van het EBB door de bevoegde uitvoerende autoriteit, bezit van de voorwerpen, documenten of gegevens.
3.  Tenzij een van de in artikel 16 genoemde redenen tot uitstel dit rechtvaardigt, of indien de uitvoerende autoriteit de verzochte voorwerpen, documenten of gegevens reeds in haar bezit heeft, neemt de uitvoerende autoriteit zo spoedig mogelijk, en uiterlijk 60 dagen na de ontvangst van het EBB door de bevoegde uitvoerende autoriteit, bezit van de voorwerpen, documenten of gegevens, zulks onverminderd lid 4.
Amendement 28
Ontwerp van de Raad
Artikel 15 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Tenzij er een rechtsmiddel is ingesteld overeenkomstig artikel 18, en tenzij een van de in artikel 16 genoemde redenen tot uitstel dit rechtvaardigen, draagt de tenuitvoerleggingsstaat de voorwerpen, documenten of gegevens die op grond van het Europees bewijsverkrijgingsbevel zijn verkregen, over aan de beslissingsstaat, en wel onmiddellijk indien deze zich reeds onder de controle van de uitvoerende autoriteit bevinden of, indien zulks niet het geval is, zo spoedig mogelijk en uiterlijk 30 dagen nadat de uitvoerende autoriteit deze bewijzen in bezit heeft genomen.
Bij de overdracht van de verkregen voorwerpen, documenten of gegevens geeft de uitvoerende autoriteit aan of zij verlangt dat deze aan de uitvoerende staat worden teruggegeven zodra de uitvaardigende staat ze niet meer nodig heeft.
Amendement 29
Ontwerp van de Raad
Artikel 15 – lid 4
4.  In gevallen waarin het de bevoegde uitvoerende autoriteit onmogelijk is de in lid 2 of lid 3 genoemde termijn na te leven, stelt zij de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat onverwijld en op ongeacht welke wijze in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en een raming van de tijd benodigd voor de uitvoering.
4.  In uitzonderlijke omstandigheden waarin het de bevoegde uitvoerende autoriteit onmogelijk is de in dit artikel genoemde termijn na te leven, stelt zij Eurojust en de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat daarvan onverwijld schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en een raming van de tijd benodigd voor de uitvoering.
Amendement 30
Ontwerp van de Raad
Artikel 15 – lid 5
5.  Tenzij er overeenkomstig artikel 18 een rechtsmiddel is ingesteld of tenzij er op grond van artikel 16 redenen tot uitstel zijn, draagt de uitvoerende staat de voorwerpen, documenten of gegevens die op grond van het EBB zijn verkregen, onverwijld over aan de uitvaardigende staat.
Schrappen
Amendement 31
Ontwerp van de Raad
Artikel 15 – lid 6
6.  Bij de overdracht van de verkregen voorwerpen, documenten of gegevens geeft de uitvoerende autoriteit aan of zij verlangt dat deze aan de uitvoerende staat worden teruggegeven zodra de uitvaardigende staat ze niet meer nodig heeft.
Schrappen
Amendement 32
Ontwerp van de Raad
Artikel 17 bis (nieuw)
Artikel 17 bis
Navolgend gebruik van bewijsmiddelen
Het gebruik bij navolgende strafprocedures van de bewijsmiddelen die krachtens dit kaderbesluit zijn verworven, doet geenszins afbreuk aan de rechten van de verdediging.
Deze rechten dienen ten volle te worden gerespecteerd met name voor wat betreft de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen, de verplichting de verdediging kennis te geven van deze bewijsmiddelen en het recht van de verdediging deze bewijsmiddelen ter discussie te stellen.
Amendement 33
Ontwerp van de Raad
Artikel 18 – lid 1
1.  De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat alle belanghebbenden, met inbegrip van derden te goeder trouw, tegen de erkenning en uitvoering van het EBB overeenkomstig artikel 11, een rechtsmiddel ter bescherming van hun rechtmatige belangen kunnen aanwenden. De lidstaten kunnen deze mogelijkheid beperken tot de gevallen waarin bij de uitvoering van het EBB dwangmiddelen worden toegepast. De voorziening wordt bij de rechter van de uitvoerende staat ingesteld, overeenkomstig het recht van die staat.
1.  De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat alle belanghebbenden, met inbegrip van derden te goeder trouw, tegen de erkenning en uitvoering van het EBB overeenkomstig artikel 11, een rechtsmiddel ter bescherming van hun rechtmatige belangen kunnen aanwenden. De voorziening wordt bij de rechter van de uitvoerende staat ingesteld, overeenkomstig het recht van die staat.
Amendement 34
Ontwerp van de Raad
Artikel 23 – lid 1
1.  De lidstaten treffen de maatregelen om uiterlijk op … aan dit kaderbesluit te voldoen.
1.  1. De lidstaten nemen de maatregelen die nodig zijn om uiterlijk op …* aan dit kaderbesluit te voldoen en doen al het mogelijke om voor die datum tot overeenstemming te komen over een kaderbesluit inzake procedurele rechten in strafprocedures binnen de gehele Europese Unie, waarbij rekening wordt gehouden met het advies van het Europees Parlement.
Amendement 35
Ontwerp van de Raad
Artikel 23 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten delen in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neer te leggen verklaring mee welke nationale organen als uitvaardigende respectievelijk uitvoerende instantie zijn aangewezen.
Amendement 36
Ontwerp van de Raad
Artikel 23 – lid 3
3.  Elke lidstaat die voornemens is de in artikel 13, lid 1, onder f), bedoelde weigeringsgrond in nationaal recht om te zetten, deelt dat bij de aanneming van dit kaderbesluit door middel van een verklaring mee aan het secretariaat-generaal van de Raad.
Schrappen
Amendement 37
Ontwerp van de Raad
Artikel 23 – lid 4
4.  Duitsland kan zich door middel van een verklaring het recht voorbehouden de uitvoering van een EBB afhankelijk te maken van een toetsing op dubbele strafbaarheid in de in artikel 14, lid 2, genoemde gevallen, namelijk terrorisme, cybercriminaliteit, racisme en vreemdelingenhaat, sabotage, racketeering en afpersing, en oplichting, indien voor de uitvoering van het EBB een doorzoeking of een inbeslagneming moet worden verricht, behalve indien de uitvaardigende autoriteit verklaard heeft dat het betrokken strafbaar feit volgens het recht van de uitvaardigende staat binnen de werkingssfeer valt van de in de verklaring vermelde criteria.
Schrappen
Indien Duitsland van dit lid gebruik wil maken, stelt het bij de aanneming van dit kaderbesluit de secretaris-generaal van de Raad in kennis via een daartoe strekkende verklaring. De verklaring wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Amendement 38
Ontwerp van de Raad
Artikel 23 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Elk jaar brengt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de toepassing van dit kaderbesluit, waarbij zij in het bijzonder ingaat op de toepassing van procedurele waarborgen.
Amendement 39
Ontwerp van de Raad
Artikel 24 – lid 2
2.  Duitsland brengt bij het begin van elk kalenderjaar de Raad en de Commissie op de hoogte van het aantal gevallen waarin de in artikel 23, lid 4, bedoelde grond voor niet-erkenning of niet-uitvoering in het afgelopen jaar is ingeroepen.
Schrappen
Amendement 40
Ontwerp van de Raad
Bijlage – Deel B – punt ii bis (nieuw)
(ii bis) de met dit bevel opgevraagde voorwerpen, documenten of gegevens waarschijnlijk toelaatbaar zullen zijn in de procedure waarvoor zij worden opgevraagd.
Amendement 41
Ontwerp van de Raad
Bijlage – Deel C – letter d
(d) een andere rechterlijke autoriteit zoals aangegeven door de uitvaardigende staat die in de specifieke zaak optreedt in de hoedanigheid van onderzoeksautoriteit in strafprocedures en die overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegd is opdracht te geven voor bewijsverkrijging in grensoverschrijdende zaken.
Schrappen
Dit EBB is gevalideerd door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksmagistraat of een openbare aanklager (zie delen D and O).
Amendement 42
Ontwerp van de Raad
Bijlage – Deel D
D)  DE RECHTERLIJKE AUTORITEIT DIE HET BEVEL HEEFT GEVALIDEERD (INDIEN VAN TOEPASSING)
Wanneer punt d) in deel C is aangekruist en het EBB is gevalideerd, aankruisen welke rechterlijke autoriteit het EBB heeft gevalideerd:
Schrappen
□ (a) rechter of rechtbank
□ (b) onderzoeksmagistraat
□ (c) openbaar aanklager
Officiële naam van de validerende autoriteit:
.........................................................................................................................................................
Naam van haar vertegenwoordiger:
…………………………………………………………………………………………….............
Functie (titel/graad):
.........................................................................................................................................................
Dossiernummer:
.........................................................................................................................................................
Adres: ..........................................................................................................................................................
..........................................................................................................................................................
Telefoon (landnummer) (zonenummer)
Fax (landnummer) (zonenummer)
E-mail:…..……………………………………….................
Amendement 43
Ontwerp van de Raad
Bijlage – Deel E
E)  WANNEER EEN CENTRALE AUTORITEIT belast is met het toezenden en administratief in ontvangst nemen van ebb's en, indien van toepassing, met andere ambtelijke correspondentie dienaangaande
Naam van de centrale autoriteit:
…………………………………………………………………………………..……
Contactpersoon, indien van toepassing (titel/rang en naam):
…………………………………………………………………………………….…
Adres:…..……………………….……………………………………….................
…………………………………………………………………………………….…
Dossiernummer:…………………………………………………………..….…
Telefoon: (landnummer) (zonenummer).... ……………….…
Fax: (landnummer) (zonenummer) …..…….………
E-mail: ..........
Schrappen
Amendement 44
Ontwerp van de Raad
Bijlage – Deel F
F)  AUTORITEIT(EN) WAARMEE CONTACT KAN WORDEN OPGENOMEN (ALS DEEL D EN/OF DEEL E IS INGEVULD):
□ Autoriteit in deel C
Kan gecontacteerd worden voor vragen omtrent …………………………………………..
□ Autoriteit in deel D
Kan gecontacteerd worden voor vragen omtrent …………………………………………..
□ Autoriteit in deel E
Kan gecontacteerd worden voor vragen omtrent …………………………………………..
Schrappen
Amendement 45
Ontwerp van de Raad
Bijlage – Deel I - Voetnoot
Ingeval het EBB is gericht tot Duitsland, en in overeenstemming met de verklaring van Duitsland overeenkomstig artikel 24, lid 4,van Kaderbesluit 2007/…/JBZ van de Raad van …+ betreffende het EBB, kan de uitvaardigende autoriteit, voor het verkrijgen van voorwerpen, documenten, gegevens voor gebruik in strafprocedures, tevens deel N.1 invullen om te bevestigen dat het (de) strafbare feit(en) binnen de werkingssfeer valt (vallen) van de door Duitsland voor dit type strafbare feiten aangegeven criteria.
_______________
+ PB: nummer en datum van dit kaderbesluit invullen.
Schrappen
Amendement 46
Ontwerp van de Raad
Bijlage – Deel N – punt 1
1.  Facultatieve informatie die alleen met betrekking tot Duitsland moet worden verstrekt:
Verklaard wordt dat het (de) betrokken strafbare feit(en) volgens het recht van de uitvaardigende staat binnen de werkingssfeer valt (vallen) van de criteria die door Duitsland worden vermeld in de verklaring overeenkomstig artikel 23, lid 4, van Kaderbesluit … betreffende het EBB ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures.
Schrappen

(1) PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 659.


Herstel van kabeljauwbestanden *
PDF 233kWORD 79k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 423/2004, wat betreft het herstel van kabeljauwbestanden, en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 (COM(2008)0162 – C6-0183/2008 – 2008/0063(CNS))
P6_TA(2008)0487A6-0340/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0162),

–   gelet op artikel 37 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0183/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0340/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 1
(1)  Uit een recent wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) komt naar voren dat de vermindering van de vangst van kabeljauw die het gevolg is van het gezamenlijke effect van de totaal toegestane vangsten (TAC's), de technische maatregelen en aanvullende visserijinspanningsmaatregelen bijlange na niet voldoende is om de visserijsterfte te verlagen tot het niveau dat nodig is om de kabeljauwbestanden weer op peil te brengen, en dat geen van de vier onder Verordening (EG) nr. 423/2004 vallende kabeljauwbestanden duidelijke tekenen van herstel vertoont.
(1)  Uit een recent wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) komt naar voren dat de vermindering van de vangst van kabeljauw die het gevolg is van het gezamenlijke effect van de totaal toegestane vangsten (TAC's), de technische maatregelen en aanvullende visserijinspanningsmaatregelen (zoals bewaking en controle ter voorkoming van vangst en aanlanding van kabeljauw afkomstig van illegale, ongemelde of ongereglementeerde visserij) bijlange na niet voldoende is om de visserijsterfte te verlagen tot het niveau dat nodig is om de kabeljauwbestanden weer op peil te brengen, en dat geen van de vier onder Verordening (EG) nr. 423/2004 vallende kabeljauwbestanden duidelijke tekenen van herstel vertoont, hoewel er bij de bestanden in de Noordzee en de Keltische Zee enige tekenen van verbetering te zien zijn.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Effectieve mechanismen voor het beheer van de visserij moeten in samenwerking met de visserijsector worden ontwikkeld. De desbetreffende regionale adviesraden en lidstaten moeten in dit verband bij de evaluatie en de besluitvorming betrokken worden.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 5
(5)  Er moeten nieuwe mechanismen worden ingevoerd om de vissers ertoe te bewegen mee te doen aan programma's om de vangst van kabeljauw te vermijden.
(5)  Er moeten nieuwe mechanismen worden ingevoerd om de vissers en de lidstaten ertoe te bewegen mee te doen aan programma's om de vangst van kabeljauw te vermijden. Alle gevangen kabeljauw moet aan land worden gebracht, en niet teruggegooid, om een goede wetenschappelijke evaluatie van de bestanden mogelijk te maken.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Dergelijke programma's om de vangst van kabeljauw te voorkomen hebben meer kans van slagen wanneer ze in samenwerking met de visserijsector worden ontwikkeld; daarom moeten in samenwerking met de lidstaten ontwikkelde programma's om de vangst van kabeljauw te voorkomen beschouwd worden als een effectief middel om tot een duurzame exploitatie te komen en moet de ontwikkeling van dergelijke programma's worden bevorderd, parallel aan de uitvoering van de communautaire wetgeving op dit gebied.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)  De lidstaten moeten hun bevoegdheid om toegang tot de kabeljauwbestanden te verlenen op een zodanige wijze uitoefenen dat de visvangst selectiever wordt en minder schade aan het milieu berokkent.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening – wetgevingsbesluit
Artikel 1 – punt 1
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 2 bis – letter b bis (nieuw)
b bis) wanneer de kabeljauwbestanden aanzienlijk zijn verbeterd, moet de Commissie het systeem voor de regulering van de visserijinspanning aan een herziening onderwerpen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 6 – lid 4
4.  Onverminderd lid 1, onder b) en c), en lid 2, stelt de Raad de TAC niet vast op een niveau dat meer dan 15% onder of boven de in het voorgaande jaar vastgestelde TAC ligt.
4.  Onverminderd lid 1 en lid 2, stelt de Raad de TAC niet vast op een niveau dat meer dan 15% onder of boven de in het voorgaande jaar vastgestelde TAC ligt.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 6 – lid 5 – letter b
(b) in voorkomend geval een hoeveelheid die overeenkomt met de andere relevante bronnen van kabeljauwsterfte, die op basis van een voorstel van de Commissie moeten worden vastgesteld.
(b) in voorkomend geval een hoeveelheid die kan worden afgeleid uit de andere relevante bronnen van kabeljauwsterfte, zoals een wetenschappelijke analyse van de hoeveelheid kabeljauw die door zeehonden wordt gedood, tezamen met een evaluatie van het effect van de klimaatverandering op het herstel van de kabeljauwbestanden, die op basis van een voorstel van de Commissie moeten worden vastgesteld.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 7 – lid 1
1.  Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening vraagt de Commissie het WTECV om de drie jaar de voortgang in de richting van herstel van elk van de uitgeputte kabeljauwbestanden te evalueren.
1.  Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening vraagt de Commissie het WTECV om de drie jaar de voortgang in de richting van herstel van elk van de uitgeputte kabeljauwbestanden te evalueren. In aanvulling daarop wint de Commissie het advies van de desbetreffende regionale adviesraden en lidstaten in met betrekking tot het effectieve beheer van de kabeljauwbestanden.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening – wetgevingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 423/2004
Hoofdstuk IV – titel
Beperking van de visserijinspanning
Vaststelling van de visserijinspanning.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 8 bis – lid 2 – letter a
(a) voor het eerste jaar waarin deze verordening van toepassing is, wordt op basis van het advies van het WTECV de gemiddelde in kilowattdagen uitgedrukte visserijinspanning in de jaren 2005, 2006 en 2007 als uitgangswaarde aangehouden;
(a) voor het eerste jaar waarin deze verordening van toepassing is, wordt op basis van het advies van het WTECV de gemiddelde in kilowattdagen uitgedrukte visserijinspanning in de jaren 2004, 2005 en 2006 als uitgangswaarde aangehouden;
Amendement 12
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 8 bis – lid 3 – inleidende formule
3.  Voor inspanningsgroepen die volgens de jaarlijkse evaluatie van de overeenkomstig de artikelen 18, 19 en 20 van Verordening (EG) nr. xxx/20081 ingediende gegevens over het beheer van de visserijinspanning het meest hebben bijgedragen aan de totale kabeljauwvangst, en wier totale vangst volgens die evaluatie voor ten minste 80% uit kabeljauw bestaat, wordt de maximaal toegestane visserijinspanning als volgt berekend:
3.  Voor inspanningsgroepen die volgens de jaarlijkse evaluatie van de overeenkomstig de artikelen 18, 19 en 20 van Verordening (EG) nr. xxx/20081 ingediende gegevens over het beheer van de visserijinspanning over het geheel genomen het meest hebben bijgedragen aan de totale kabeljauwvangst, en wier geaccumuleerde vangsten volgens die evaluatie voor ten minste 80% uit kabeljauw bestaat, wordt de maximaal toegestane visserijinspanning als volgt berekend:
Amendement 13
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 8 bis – lid 3 – letter a
(a) wanneer artikel 6 van toepassing is, door op de uitgangswaarde hetzelfde verlagingspercentage toe te passen als het in artikel 6 voor de visserijsterfte vastgestelde percentage;
(a) wanneer artikel 6 van toepassing is, door op de uitgangswaarde hetzelfde veranderingspercentage toe te passen als het in artikel 6 voor de visserijsterfte vastgestelde percentage;
Amendement 14
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 8 ter – lid 1 – inleidende formule
1.  Iedere lidstaat moet voor de vaartuigen die zijn vlag voeren, een methode vaststellen voor de toewijzing van de maximaal toegestane visserijinspanning aan elk individueel vaartuig, en daarbij rekening houden met de volgende criteria:
1.  Iedere lidstaat moet voor de vaartuigen die zijn vlag voeren, een methode vaststellen voor de toewijzing van de maximaal toegestane visserijinspanning aan elk individueel vaartuig, en daarbij rekening houden met een aantal criteria, waaronder bijvoorbeeld:
Amendement 15
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 8 ter – lid 3
3.  Voor elke inspanningsgroep is de in zowel GT als kW uitgedrukte totale capaciteit van de vaartuigen die overeenkomstig lid 2 afgegeven speciale visdocumenten hebben, niet groter dan de capaciteit van de vaartuigen die in 2007 met hetzelfde tuig en in hetzelfde geografische gebied visten.
Schrappen
Amendement 16
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 8 quinquies – inleidende formule
De overeenkomstig artikel 8 bis vastgestelde maximaal toegestane visserijinspanning wordt door de betrokken lidstaten aangepast met het oog op:
De overeenkomstig artikel 8 bis vastgestelde maximaal toegestane visserijinspanning kan door de betrokken lidstaten worden aangepast met het oog op:
Amendement 17
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 8 sexies – lid 3
3.  De overdracht is alleen toegestaan van een donerende vistuigcategorie ten aanzien waarvan is aangetoond dat voor kabeljauw de vangst per inspanningseenheid groter is dan die van de ontvangende vistuigcategorie. De lidstaat die om de overdracht verzoekt, verstrekt de nodige informatie over de vangst per inspanningseenheid.
3.  De overdracht is in beginsel alleen toegestaan van een donerende vistuigcategorie ten aanzien waarvan is aangetoond dat voor kabeljauw de vangst per inspanningseenheid groter is dan die van de ontvangende vistuigcategorie. Bij overdracht van een donerende vistuigcategorie naar een andere vistuigcategorie met een grotere vangst per inspanningseenheid wordt op de overgedragen inspanning een reductie in de vorm van een nader te bepalen correctiefactor toegepast. De lidstaat die om de overdracht verzoekt, verstrekt de nodige informatie over de vangst per inspanningseenheid.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 423/2004
Artikel 17
Artikel 17
Schrappen
Besluitvormingsprocedure
Wanneer in deze verordening is bepaald dat besluiten moeten worden genomen door de Raad, beslist de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op basis van een voorstel van de Commissie.

Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie
PDF 201kWORD 37k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, overeenkomstig punt 26 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (COM(2008)0557 – C6-0318/2008 – 2008/2253(ACI))
P6_TA(2008)0488A6-0399/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0557 – C6-0318/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1), en met name punt 26 hiervan,

–   gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, aangenomen tijdens het overleg op 17 juli 2008 over het Solidariteitsfonds van de EU,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0399/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

2.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE: BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, overeenkomstig punt 26 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(2), met name punt 26,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(3),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De Europese Unie heeft een Solidariteitsfonds van de Europese Unie (hierna "het fonds" genoemd) opgericht om solidariteit te betonen met de bevolking van door rampen getroffen regio's.

(2)  Het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 staat uitgaven uit het fonds toe binnen het jaarlijkse maximum van 1 miljard EUR.

(3)  In Verordening (EG) nr. 2012/2002 is bepaald onder welke voorwaarden steun uit het fonds kan worden verstrekt.

(4)  Frankrijk heeft een aanvraag ingediend om middelen uit het fonds beschikbaar te stellen in verband met de door de orkaan "Dean" in augustus 2007 veroorzaakte ramp,

BESLUITEN:

Artikel 1

Voor de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008 wordt uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie 12 780 000 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(3) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2008
PDF 198kWORD 31k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2008 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008 , Afdeling III - Commissie (14359/2008 – C6-0375/2008 – 2008/2252(BUD))
P6_TA(2008)0489A6-0412/2008

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(1), en met name op de artikelen 37 en 38 daarvan,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, definitief vastgesteld op 13 december 2007(2),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–   gezien het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2008 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, ingediend door de Commissie op 15 september 2008 (COM(2008)0556),

–   gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2008, opgesteld door de Raad op 20 oktober 2008 (14359/2008 – C6-0375/2008),

–   gelet op artikel 69 en Bijlage IV van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0412/2008),

A.   overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2008 de volgende punten omvat:

   de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU voor een bedrag van 12 780 000 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten in verband met de orkaan "Dean" in Guadeloupe en Martinique in augustus 2007;
   een daarmee samenhangende vermindering van betalingskredieten met 12 780 000 EUR op begrotingsonderdeel 13 04 02 "Cohesiefonds",

B.   overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2008 tot doel heeft deze budgettaire aanpassingen formeel te integreren in de begroting 2008,

1.   neemt nota van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2008, de eerste gewijzigde begroting die enkel is gewijd aan het Solidariteitsfonds van de EU;

2.   hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2008 zoals ingediend;

3.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(2) PB L 71 van 14.3.2008.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering
PDF 206kWORD 40k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (COM(2008)0547 – C6-0312/2008 – 2008/2251 (ACI))
P6_TA(2008)0490A6-0405/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0547 – C6-0312/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1), en met name op punt 28 hiervan,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(2),

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0405/2008),

A.   overwegende dat de Europese Unie passende wetgevings- begrotingsinstrumenten heeft gecreëerd om aanvullende steun te geven aan werknemers die te lijden hebben van de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt.

B.   overwegende dat de bijstand van de Europese Unie aan ontslagen werknemers dynamisch van aard moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk beschikbaar moet worden gesteld, overeenkomstig de op het overleg van 17 juli 2008 aangenomen gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, en met inachtneming van het Interinstitutioneel Akkoord bij besluiten tot beschikbaarstelling van middelen uit het Fonds,

C.   overwegende dat Spanje en Litouwen bij schrijven van 6 februari resp. 8 mei 2008(3) steun hebben aangevraagd in verband met ontslagen in de automobielsector in Spanje en in de textielsector in Litouwen,

1.   verzoekt de betrokken instellingen het nodige te doen om de middelen uit het fonds versneld beschikbaar te stellen;

2.   hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

4.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE: BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Interinstitutionele Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(4), met name punt 28,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(5), met name artikel 12, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (hierna "het Fonds" genoemd) is opgericht om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ondervinden en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt.

(2)  Het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 staat uitgaven uit het fonds toe binnen het jaarlijkse maximum van 500 miljoen EUR.

(3)  Op 6 februari 2008 heeft Spanje een aanvraag ingediend om middelen uit het fonds beschikbaar te stellen in verband met gedwongen ontslagen in de automobielsector, specifiek voor werknemers die ontslagen zijn door Delphi Automotive Systems España, S.L.U. De aanvraag voldoet aan de voorschriften voor de bepaling van de financiële bijdragen, zoals vastgesteld in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1927/2006.

(4)  Op 8 mei 2008 heeft Litouwen een aanvraag ingediend om middelen uit het fonds beschikbaar te stellen in verband met gedwongen ontslagen in de textielsector, specifiek voor werknemers die ontslagen zijn als gevolg van de sluiting van Alytaus Tekstilė. De aanvraag voldoet aan de voorschriften voor de bepaling van de financiële bijdragen, zoals vastgesteld in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1927/2006.

(5)  Er moeten derhalve middelen uit het fonds beschikbaar worden gesteld om te voorzien in een financiële bijdrage voor beide aanvragen,

BESLUITEN:

Artikel 1

Voor de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008 wordt uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering 10 770 772 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(3) Aanvragen EGF/2008/002/ES/Delphi en EGF/2008/003/LT/Alytaus Tekstile.
(4) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(5) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.


Naar een wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering
PDF 343kWORD 80k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over een wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering tussen de Europese Unie en de arme ontwikkelingslanden die het ergst door de klimaatverandering worden getroffen (2008/2131(INI))
P6_TA(2008)0491A6-0366/2008

Het Europees Parlement,

   gezien de mededeling van de Commissie van 18 september 2007 getiteld "Naar een wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering tussen de Europese Unie en de arme ontwikkelingslanden die het ergst door de klimaatverandering worden getroffen" (COM(2007)0540),

–   gezien de conclusies van de Raad van 20 november 2007 over een wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering tussen de Europese Unie en de arme ontwikkelingslanden die het ergst door de klimaatverandering worden getroffen,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2003 getiteld "Klimaatverandering in de context van ontwikkelingssamenwerking" (COM(2003)0085),

–   gezien het voortgangsverslag (2004-2006) van 2007 van de Commissie over het EU-actieplan inzake klimaatverandering en ontwikkelingssamenwerking,

–   gezien de voor de Europese Raad bestemde tekst van de hoge vertegenwoordiger en de Europese Commissie van 14 maart 2008 getiteld "Klimaatverandering en internationale veiligheid",

–   gezien het groenboek van de Commissie van 29 juni 2007 getiteld "Aanpassing aan klimaatverandering in Europa – mogelijkheden voor EU-actie" (COM(2007)0354),

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie, betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese consensus"(1),

–   gezien de verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp die op 2 maart 2005 is aangenomen na afloop van het Forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp ("de Verklaring van Parijs"),

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie, getiteld "De Europese consensus betreffende humanitaire hulp"(2),

–   gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering van 1992 (UNFCCC),

–   gezien het Human Development Report 2007-2008 getiteld "Fighting Climate Change: Human solidarity in a divided World" van het United Nations Development Programme,

–   gezien de Malé Declaration on the Human Dimension of Global Climate Change, die op 14 november 2007 op Malé (Malediven) is aangenomen,

–   gezien de routekaart van Bali, die in december 2007 op de VN-klimaatconferentie op Bali (Indonesië) is goedgekeurd,

–   gezien het vierde evaluatieverslag getiteld "Klimaatverandering 2007: impact, aanpassing en kwetsbaarheid", dat is opgesteld door Werkgroep II van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC),

–   gezien het verslag van 2006 van Nicholas Stern getiteld "The Economics of Climate Change. The Stern Review",

–   gezien de Declaration on Integrating Climate Change Adaptation into Development Co-operation, die op 4 april 2006 is aangenomen door de ministers van Ontwikkelingssamenwerking en Milieu van de landen die lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO),

–   gezien het verslag van de OESO van 2007 getiteld "Stocktaking of Progress on Integrating Adaptation to Climate Change into Development Co-operation Activities",

–   gezien het "Hyogo Framework for Action 2005-2015: Building the Resilience of Nations and Communities to Disasters", dat in januari 2005 in Hyogo (Japan) werd goedgekeurd door de World Conference on Disaster Reduction,

–   gezien het tweejaarlijks verslag van de Voedsel- en landbouworganisatie van de VN (FAO) getiteld "State of the World's Forests 2007",

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Begrotingscommissie en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0366/2008),

A.   overwegende dat de klimaatverandering een ernstige bedreiging vormt voor de armoedebestrijding, de mensenrechten, de vrede en veiligheid, de beschikbaarheid van water en voedsel, en het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (Millennium Development Goals – MDG's) in veel ontwikkelingslanden,

B.   overwegende dat in sommige ontwikkelingslanden bossen worden gekapt voor de verbouw van brandstofgewassen,

C.   overwegende dat de geïndustrialiseerde landen een historische verantwoordelijkheid voor de klimaatverandering dragen en moreel verplicht zijn de ontwikkelingslanden te helpen bij hun inspanningen om zich aan de gevolgen daarvan aan te passen,

D.   overwegende dat de ontwikkelingslanden het minst tot de klimaatverandering hebben bijgedragen maar het meest zullen lijden onder de gevolgen daarvan, zoals water- en voedselonzekerheid als gevolg van droogte en verwoestijning, de stijging van de zeespiegel, nieuwe uitdagingen voor de landbouw, nieuwe gezondheidsrisico's, extreme meteorologische gebeurtenissen en migratiedruk; overwegende dat de ontwikkelingslanden ook over de minste capaciteit beschikken om die gevolgen het hoofd te bieden,

E.   overwegende dat er in veel geïndustrialiseerde landen recentelijk aanzienlijke aandacht is geweest voor maatregelen voor aanpassing aan en vermindering van de risico's van klimaatverandering; voorts overwegende dat dezelfde urgente behoeften met betrekking tot lage-inkomenslanden grotendeels zijn veronachtzaamd,

F.   overwegende dat de import in de EU van illegaal en niet duurzaam gekapt hout een belangrijke drijvende kracht is achter de ontbossing en de arme landen naar schatting jaarlijks miljarden euro's kost,

G.   overwegende dat ontbossing verantwoordelijk is voor naar schatting 20% van alle broeikasgasemissies en dat jaarlijks naar schatting 13 miljoen hectare tropisch bos verdwijnt; voorts overwegende dat ontbossing in de tropen een ernstige bedreiging voor de biodiversiteit vormt en meer dan een miljard armen die in en van zulke bossen leven, van hun bestaansmiddelen dreigt te beroven,

H.   overwegende dat de concrete gevolgen van klimaatverandering vaak op lokaal niveau en door de lokale autoriteiten moeten worden aangepakt; voorts overwegende dat het bijgevolg bij het formuleren van effectieve strategieën voor aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering belangrijk is dat internationale, nationale en lokale niveaus van beleidsvorming op de juiste wijze worden gekoppeld; verder overwegende dat grootschalige structurele veranderingen moeten worden doorgevoerd zonder dat dit ten koste gaat van een gemeenschapsgerichte aanpak ten gunste van de armen,

I.   overwegende dat men zich steeds meer bewust wordt van de veiligheidsaspecten van klimaatverandering, zoals het ontstaan van conflicten door schaarste aan natuurlijke hulpbronnen, door klimaat veroorzaakte rampen en grootschalige migratiestromen; voorts overwegende dat het ontwikkelen van strategieën voor de aanpak van gemeenschappelijke uitdagingen op het terrein van klimaat/veiligheid van wezenlijk belang is om te bewerkstelligen dat ontwikkelingslanden zich op doeltreffende wijze aan de klimaatverandering aanpassen,

J.   overwegende dat de internationale inspanningen voor aanpassing aan de klimaatverandering en risicobeperking bij rampen (Disaster Risk Reduction – DRR) tot dusver beperkt, gefragmenteerd en slecht gecoördineerd zijn, en in veel gevallen moeilijk toegankelijk zijn voor ontwikkelingslanden, wat in directe tegenspraak is tot de doelstellingen van de Europese consensus en de Verklaring van Parijs,

K.   overwegende dat maatregelen voor aanpassing aan klimaatverandering, voor DRR en voor capaciteitsopbouw ten behoeve van ontwikkeling in sterke mate aan elkaar moeten worden gekoppeld, maar tot dusver slecht zijn geïntergreerd in de activiteiten van diensten voor ontwikkelingssamenwerking en internationale instellingen; voorts overwegende dat een gemeenschappelijke en coherente aanpak van cruciaal belang is voor de succesvolle implementatie van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering,

L.   overwegende dat het noodzakelijk is om multidisciplinaire teams van crisismanagers, ontwikkelingsspecialisten, planners en wetenschappelijk experts op het gebied van aanpassing/klimaat op te richten, die best practices voor regionale ontwikkeling moeten vaststellen,

M.   overwegende dat vroegtijdige actie met betrekking tot aanpassing aan de klimaatverandering en DRR duidelijk kostenbesparend werkt; overwegende dat er volgens ramingen met elke dollar die aan DRR wordt uitgegeven tot zeven dollar aan rampenrespons kan worden bespaard, wat ook een sterk argument is voor frontloading van steun,

N.   overwegende dat alle pogingen EU-financiering voor het behalen van MDG's en toezeggingen in het kader van het UNFCCC dubbel te tellen, dan ook moeten worden verworpen,

O.   overwegende dat elke vertraging in het nemen van krachtige besluiten over de nodige maatregelen om de oorzaken en gevolgen van de klimaatverandering te verminderen, tot veel hogere kosten zal leiden,

P.   overwegende dat de meeste milieuproblemen, met inbegrip van die welke ontstaan door klimaatverandering, in de regel door bevolkingsgroei worden verergerd, terwijl de bevolkingsdynamiek wat groei, distributie en samenstelling betreft, een integraal onderdeel van het ontwikkelingsproces vormt omdat zij tegelijk bijdraagt tot en wordt beïnvloed door milieuveranderingen; voorts overwegende dat tijdens de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling die in 1994 in Caïro werd gehouden, duidelijk werd gewezen op de vele voordelen van een specifiek bevolkingsbeleid dat gericht is op lokale omstandigheden en gebaseerd op vrijwilligheid, maar dat bevolkingsvraagstukken vooralsnog grotendeels niet worden meegenomen bij de planning van ontwikkeling of klimaataanpassing,

Q.   overwegende dat het hele beleidspakket inzake landbouw, water, bosbeheer, gezondheidszorg, infrastructuur, onderwijs en bevolking moet worden aangepakt om een doeltreffende integratie in het ontwikkelingsbeleid te realiseren van de aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering,

R.   overwegende dat de maatregelen voor aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering meer effect zouden sorteren als de corruptie werd verminderd,

S.   overwegende dat de bovengenoemde voortgangsverslag van 2007 over het EU-actieplan inzake klimaatverandering en ontwikkelingssamenwerking aantoont dat de integratie van de klimaatverandering in het ontwikkelingsbeleid van de EU, met name in de landenstrategiedocumenten (Country Strategy Papers – CSP's) en de regionale strategiedocumenten (Regional Strategy Papers – RSP's) onvoldoende is en veel te traag verloopt,

T.   overwegende dat er momenteel een enorm hiaat zit in de financiering van aanpassing in de ontwikkelingslanden; overwegende dat de beraamde aanpassingskosten uiteenlopen van 50 tot 80 miljard USD per jaar, maar de totale som aan fondsen die via multilaterale financieringsmechanismen halverwege 2007 zijn toegekend nog geen 0,5% daarvan bedraagt,

U.   overwegende dat de EU zich weliswaar tot doel heeft gesteld om in de strijd tegen klimaatverandering een voortrekkersrol te vervullen, maar dat de prioriteit die door de EU wordt gegeven aan beleid en maatregelen voor de strijd tegen klimaatverandering niet tot uitdrukking komt in de EU-begroting,

V.   overwegende dat een deel van de financiering van het wereldwijde bondgenootschap tegen klimaatverandering afkomstig zal zijn uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en het thematische programma "Milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen" (ENRTP) (overeenkomstig artikel 13 van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (IOS)(3)),

W.   overwegende dat het EOF hoofdzakelijk is gebruikt voor de financiering van nieuwe initiatieven; voorts overwegende dat de Commissie haar toezegging moet nakomen om op zoek te gaan naar nieuwe financieringsbronnen om geen beroep op het EOF te hoeven doen; verder overwegende dat de Commissie ontwikkelingssamenwerking bij talloze gelegenheden heeft geconcludeerd dat het EOF in de EU-begroting moet worden opgenomen, zodat op de wijze waarop de middelen uit dit fonds worden besteed, democratische controle kan worden uitgeoefend,

X.   overwegende dat overeenkomstig artikel 21 van het IOS inzake de goedkeuring van strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's, en artikel 35, lid 2 van het IOS, het Parlement een recht van controle op maatregelen van de Commissie heeft zoals vastgesteld in de artikelen 5 en 8 van Besluit 1999/468/EG,

Y.   overwegende dat het mechanisme voor schone ontwikkeling (Clean Development Mechanism – CDM) tot dusver weinig geschikt is geweest om te voldoen aan de investeringsbehoefte van de armste landen op het gebied van schone technologie, wat blijkt uit het feit dat minder dan 3% procent van alle CDM-projecten in Afrika loopt en bijna 90% van de CO2-kredieten (CER's) wordt toegekend aan projecten in China, India, Korea en Brazilië,

1.   is ingenomen met het initiatief van de Commissie tot oprichting van een wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering, wat een belangrijke erkenning inhoudt van de gevolgen van de klimaatverandering op de ontwikkeling; roept de Commissie echter op de exacte toegevoegde waarde van het wereldwijd bondgenootschap nader toe te lichten; benadrukt in dit verband dat de coördinatie en samenwerking met andere belangrijke actoren integraal onderdeel moeten uitmaken van de agenda van het wereldwijd bondgenootschap om een optimale onderlinge aanvulling van de initiatieven te waarborgen;

2.   beschouwt het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering als een belangrijk element in het externe optreden van de EU tegen klimaatverandering en als een aanvullend en ondersteunend platform voor het voortdurende proces in het kader van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto, met als doel de uitvoering van het verdrag, het protocol en de bijbehorende overeenkomsten te bevorderen;

3.   herhaalt de alarmerende conclusies van de bovengenoemde nota "Klimaatverandering en internationale veiligheid", waarin werd gewaarschuwd dat klimaatverandering leidt tot een toename van de veiligheidsrisico's voor de EU, dat deze een te zware last dreigt te worden voor reeds kwetsbare en conflictgevoelige staten en regio's, en dat deze de inspanningen om de MDG's te bereiken ondermijnt;

4.   stelt vast dat de inspanningen in de strijd tegen klimaatverandering niet alleen moeten uitgaan van politieke impulsen, maar ook van de civiele samenleving in zowel ontwikkelde landen als ontwikkelingslanden; is van mening dat er voorlichtingscampagnes moeten worden opgezet, evenals onderwijsprogramma's op scholen en universiteiten, om burgers analyses en evaluaties van de stand van zaken op het gebied van klimaatverandering verschaffen en hun passende antwoorden aan te reiken, met name in de zin van andere leefpatronen om emissies te verminderen;

5.   benadrukt dat betere coördinatie en samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten van cruciaal belang is aangaande het EU-beleid betreffende klimaatverandering en ontwikkelingssamenwerking, waarbij het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering een unieke gelegenheid biedt tot naleving van de beginselen die ten grondslag liggen aan de Europese consensus en de Verklaring van Parijs, alsook aan het Actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling die 1994 in Caïro werd gehouden; is er bovendien van overtuigd dat een sleutelfunctie van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering die van "uitwisselingscentrum" moet zijn voor initiatieven van de lidstaten;

6.   roept de EU op om klimaatverandering centraal te stellen in haar ontwikkelingssamenwerkingsbeleid; is voorts van mening dat in de strijd tegen klimaatverandering de structurele oorzaken moeten worden aangepakt en verzoekt om een systematische beoordeling van de risico's van klimaatverandering waarbij wordt gekeken naar alle aspecten van beleidsplanning en -vorming in zowel de EU als de ontwikkelingslanden met betrekking tot onder meer handel, landbouw en voedselzekerheid;

7.   benadrukt dat het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering concrete maatregelen moet nemen om te komen tot een coherente aanpak van enerzijds de gevolgen van klimaatverandering voor ontwikkeling – via onder meer het EU-beleid inzake landbouw, handel en visserij – en anderzijds problemen in verband met exportsubsidies, zoals gebonden hulp, schuldenlast, exportkredieten en commercieel gebruik van voedselhulp, gedwongen privatisering en de liberalisering van economische sleutelsectoren;

8.   wijst erop dat, daar het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering – dat voor de periode 2008-2010 over 60 miljoen EUR beschikt – een aanvulling moet zijn op het huidige UNFCCC-proces, overlappende maatregelen moeten worden vermeden en dat de kredieten gericht moeten worden op maatregelen die de hoogste toegevoegde waarde bieden; is van mening dat zodra een klimaatveranderingsovereenkomst voor de periode na 2012 is bereikt, doelen en financiering van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering, moeten worden herzien in het licht van de resultaten;

9.   is van mening dat kredieten buiten het UNFCCC niet kunnen worden meegerekend als deel van de tenuitvoerlegging door industrielanden van de verplichtingen die zij in het kader van dat verdrag zijn aangegaan;

10.   vindt de 60 miljoen EUR die tot dusver aan het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering is toegezegd jammerlijk onvoldoende; roept de Commissie op tot het vaststellen van een financieringsdoel voor de lange termijn voor het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering van ten minste 2 miljard EUR per jaar in 2010 en 5 à 10 miljard EUR per jaar in 2020;

11.   verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie te verschaffen over de bestaande financiële mechanismen voor klimaatverandering en ontwikkeling op nationaal en internationaal niveau; verzoekt de Commissie op basis van deze informatie dringend voor te stellen welke maatregelen moeten worden gebruikt om de financiële steun van de EU voor klimaatverandering en ontwikkeling op te trekken voor de best mogelijke coördinatie en complementariteit met de bestaande initiatieven moet worden gezorgd;

12.   benadrukt dat als men het probleem van klimaatverandering daadwerkelijk wil aanpakken, extra financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld uit hoofde van verschillende begrotingslijnen en uit nieuwe financieringsbronnen, zoals humanitaire fondsen in het geval van klimaatrampen, middelen uit hoofde van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het stabiliteitsinstrument voor het uitvoeren van preventief veiligheidsbeleid of in het geval van klimaatgerelateerde veiligheidsbedreigingen of conflicten, en zo nodig andere middelen voor de financiering van externe acties, alsook "groene" belastingen, publiek-private partnerschappen (PPP) en andere innovatieve financieringsmechanismen die speciaal voor dit doel zijn opgezet;

13.   neemt met belangstelling kennis van de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2008 en de gevolgen daarvan voor de begroting; is van mening dat aan deze budgettaire eisen uitsluitend kan worden voldaan door gebruik te maken van de middelen die beschikbaar zijn in het kader van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(4); wijst er nogmaals met klem op dat voor nieuwe taken nieuwe fondsen beschikbaar moeten worden gemaakt;

14.   stelt in dit verband vast dat de officiële ontwikkelingssteun van de EU nog steeds onder de voor 2010 nagestreefde 0,56% van het bruto nationaal inkomen (BNI) van de EU ligt, en dat moeilijk voorstelbaar is hoe de EU al haar toezeggingen kan nakomen zonder nieuwe innovatieve middelen;

15.   roept de Commissie op de onmiddellijke financiering van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering te verhogen, waarvoor in eerste instantie met spoed middelen uit zowel het ENRTP als het 10e IOS zouden kunnen worden aangesproken; benadrukt tegelijkertijd de dringende noodzaak van aanvullende, niet-officiële ontwikkelingshulp voor aanpassing alsmede van de ontwikkeling van innovatieve financieringsmechanismen daartoe;

16.   herinnert de Commissie eraan dat wanneer het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering wordt gefinancierd uit hoofde van het ENRTP of het EOF, de desbetreffende middelen moeten worden beschouwd als ontwikkelingsgeld en bijgevolg alleen dienen te worden gebruikt voor acties die verenigbaar zijn met ontwikkelingshulp als omschreven door de Commissie voor Ontwikkelingshulp van de OESO (DAC); dringt erop aan dat dit een eenmalige financieringsbron dient te zijn en dat aanvullende middelen moeten komen uit alternatieve bronnen;

17.   roept de Commissie op ervoor te zorgen dat financiering van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering uit hoofde van het ENRTP en het EOF niet ten koste gaat van andere belangrijke doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking, zoals die betreffende onderwijs, volksgezondheid, gendergelijkheid en toegang tot water;

18.   benadrukt dat de EU-lidstaten meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor de financiering en de onderlinge afstemming van hun ontwikkelingsactiviteiten met het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering;

19.   roept de Commissie en de lidstaten op overeen te komen om in de volgende handelsperiode ten minste 25% van de verwachte inkomsten uit veilingen binnen de EU-regeling voor de emissiehandel (EU Emissions Trading Scheme – EU ETS) uit te trekken voor de financiering van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering en andere maatregelen tegen de klimaatverandering in ontwikkelingslanden, waaronder begrepen maatregelen voor het beschermen van bossen en het verminderen van emissies door ontbossing en bosdegradatie;

20.   roept de Commissie op om van de aanstaande herziening van de EU-begroting gebruik te maken voor een herbeoordeling van de algemene uitgavenprioriteiten van de EU en om extra middelen toe te wijzen aan klimaatverandering en ontwikkeling in het algemeen en het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering in het bijzonder, onder meer door een herschikking van de middelen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB);

21.   roept de Commissie en de lidstaten op het idee van een mondiaal financieringsmechanisme tegen de klimaatverandering met spoed uit te voeren naar voorbeeld van het model van de Internationale Financieringsfaciliteit voor Vaccinatie en het concept van de frontloading van steun, met het doel binnen betrekkelijk korte tijd aanzienlijke middelen zeker te stellen voor het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering;

22.   roept de Commissie op de particuliere sector uit te nodigen tot nauwe samenwerking met het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering, zich ervan bewust dat overheidsgeld kan fungeren als katalysator door investeringen te bevorderen en toegang tot markten en technologie te verschaffen; moedigt de Commissie met name aan te investeren in de ontwikkeling van PPP op essentiële terreinen, zoals het realiseren van waterzekerheid en de aanleg van infrastructuur in kwetsbare gebieden, waar het tekort aan middelen momenteel groot is, aangezien de gevolgen van klimaatverandering merkbaar zijn op tal van terreinen (zoals de toegang tot water, volksgezondheid, energievoorziening) en de betrokkenheid van de nationale en lokale autoriteiten met zich meebrengen; herinnert eraan dat de EU prioriteit moet geven aan het versterken van de capaciteit van overheden om op deze terreinen actie te ondernemen;

23.   roept de Commissie op samenwerkingsverbanden aan te gaan met de particuliere verzekeringssector en methoden te onderzoeken voor de opschaling van proefverzekeringen ter financiering van de aanpassing/DRR, waarbij wordt gekeken naar zowel nationale als regionale en individuele verzekeringsniveaus;

24.   betreurt dat de betrokkenheid van de regeringen, het maatschappelijk middenveld en lokale overheden van ontwikkelingslanden tijdens het hele programmeringsproces van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering in het algemeen onvoldoende was; roept de Commissie op te waarborgen dat de besluitvorming tijdens de voorbereidingfase en tijdens de implementatie-, fondsenverdelings- en evaluatieprocessen plaatsvindt in samenwerking met de belanghebbenden;

25.   roept de Commissie op het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering te gebruiken voor het ondersteunen en versterken van de capaciteiten van de partnerlanden voor het in kaart brengen, beheersen en mitigeren van veiligheidsrisico's ten gevolge van klimaatverandering en moedigt de Commissie aan om hiertoe extra middelen aan toe te wijzen; roept de Commissie voorts op ervoor te zorgen dat haar directoraat-generaal Externe betrekkingen volledig bij het hele programmerings- en implementatieproces van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering wordt betrokken, teneinde ervoor te zorgen dat tussen ontwikkelingssamenwerkings-, klimaatveranderings- en buitenlands en veiligheidsbeleid een optimale samenhang bestaat;

26.   roept de Commissie op het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering te gebruiken om zowel met de donorgemeenschap als de partnerlanden een discussie op gang te brengen over een betere paraatheids- en rampenplanning voor grootschalige migratie in het geval dat bepaalde gebieden door klimaatverandering onbewoonbaar worden;

27.   dringt er met klem op aan dat er voor het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering effectieve verslagleggingsmechanismen moeten bestaan, met inbegrip van gedetailleerde voortgangsindicatoren en follow-up-regelingen;

28.   is van mening dat het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering een koppeling zou kunnen leggen tussen lokale aanpassingsmaatregelen en de mondiale kaders voor het klimaat- en ontwikkelingsbeleid wanneer het een specifieke toegevoegde waarde zou hebben en specifieke deskundigheid zou herbergen; verwelkomt in dit verband het element "politieke dialoog" van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering als een belangrijke stap om de agenda voor armoedebestrijding en de MDG's aan de agenda voor klimaatverandering te koppelen; benadrukt echter dat het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering alleen succesvol zal zijn als het onderdeel is van een algemene strategie van de EU voor de onderhandelingen over een klimaatovereenkomst voor de periode na 2010, waarbij krachtige steun voor zowel mitigatie- als aanpassingsactiviteiten in ontwikkelingslanden bovenaan op de agenda staat;

29.   moedigt de Commissie aan om de beleidsdialoog en haar beoogde gezamenlijke verklaring van de EU, de de minst ontwikkelde landen (MOL's) en de kleine eilandstaten in ontwikkeling (Small Island Development States – SIDS) te gebruiken als een platform voor het bevorderen van het idee van een "mondiaal contract", waarin activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en klimaatverandering hecht zijn geïntegreerd en waarin als een expliciet element aandacht wordt besteed aan geïncorporeerde bevolkingsvraagstukken, zoals voorzien in het initiatief voor een "mondiaal Marshallplan";

30.   benadrukt de noodzaak om de inspanningen ter integratie van de aanpassing aan de klimaatverandering, DRR en maatregelen voor het verbeteren de volksgezondheid in het algemeen en de reproductieve gezondheid in het bijzonder, in zowel de ontwikkelingshulp van de Commissie als die van de lidstaten, met name in de invoeringsfase, te vergroten aangezien deze terreinen uit systemisch oogpunt absoluut van fundamenteel belang zijn; roept de Commissie op te profiteren van de aanstaande tussentijdse herziening van de landenstrategiedocumenten om op dit terrein vooruitgang te boeken;

31.   dringt er met klem op aan dat de Commissie, samen met het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering, de uitwerking voortzet van haar reactie op het voortgangsverslag 2007 over het EU-actieplan inzake klimaatverandering en ontwikkelingssamenwerking, dat veel belangrijke elementen bevat die niet verloren mogen gaan, waaronder de oprichting van "uitwisselingscentra" in het veld ter verbetering van de coördinatie en de toegang tot informatie;

32.   onderstreept dat de ontwikkeling en implementatie van nationale actieprogramma's voor aanpassing (National Adaptation Programs of Action – NAPA's) via het Wereldmilieufonds (Global Environment Facility – GEF) met verschillende tekortkomingen kampt door onvoldoende financiering, onderschatting van de kosten van aanpassing, zwakke koppelingen met menselijke ontwikkeling, te bureaucratische toegangskanalen en een projectgerichte vooringenomenheid; roept de Commissie op deze tekortkomingen in hun geheel aan te pakken bij het verlenen van verdere steun voor de invoering van de NAPA's in de MOL's en de SIDS via het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering; is in dit verband ingenomen met het voornemen van de Commissie om onderzoek te doen naar de capaciteitsopbouw op grond van programma's van toezichthoudende instellingen met begrotingssteun;

33.   benadrukt dat het succesvol gebruik van begrotingssteun voor op ontwikkeling gerichte aanpassing aan de klimaatverandering afhangt van het uitgebreide gebruik van alle middelen die binnen de regelingen voor begrotingssteun beschikbaar zijn, met inbegrip van overleg over de beleidsprioriteiten, langetermijntoezicht en technische bijstand voor de opstelling en uitvoering van de begroting; benadrukt bovendien de noodzaak van actieve betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en lokale gemeenschappen; dringt er tevens bij de Commissie op aan voorbereid te zijn op het gebruik van aanvullende maatregelen daar waar begrotingssteun niet geschikt is of niet ten goede komt aan de armen en kwetsbaarsten;

34.   roept de Commissie op ervoor te zorgen dat het onderzoek naar klimaataanpassing in ontwikkelingslanden dat volgens de plannen in het kader van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering zal worden verricht, een duidelijke "bottom-up"-aanpak volgt, is gericht op de armen en degenen die het meest kwetsbaar zijn, uitgaat van de behoeften van lokale gemeenschappen en wordt uitgevoerd in samenwerking met degenen die het aangaat; benadrukt dat het belangrijk is dat de onderzoeksresultaten via toegankelijke mediakanalen aan de doelgroepen van het onderzoek worden medegedeeld;

35.   roept de Commissie op om aanzienlijke middelen toe te wijzen aan onderzoek naar de economische aspecten van klimaataanpassing in ontwikkelingslanden, onder andere ter verbetering van het nazicht in de toekomstige kosten die zijn verbonden aan de noodzakelijke herstructurering van handels-, landbouw- en veiligheidsbeleid en -instellingen; is zich ervan bewust dat de kenniskloof op dit terrein een belemmering vormt voor effectieve aanpassingsmaatregelen en bestedingen van zowel publieke als private actoren;

36.   onderstreept het belang van kennis- en technologieoverdracht – met inbegrip van technologie voor risicobeperking bij rampen – aan partnerlanden in het bondgenootschap tegen klimaatverandering; doet hiertoe een beroep op de Commissie om de oprichting van een "internetbibliotheek" met relevante gegevens over klimaatverandering te bevorderen en een programma voor uitwisseling van klimaatveranderingsdeskundigen tussen deze landen mogelijk te maken;

37.   wijst nogmaals op het belang van een samenhangend beleid en verzoekt de Commissie om tijdens de herziening van de EU-begroting en bij de tussentijdse herziening van de verschillende ontwikkelingsinstrumenten de opneming van klimaatverandering in maatregelen ter bestrijding van armoede aan de orde te stellen;

38.   roept de Commissie op meer aandacht te wijden aan het effect van klimaatverandering op de land- en bosbouw en aan de aanpassing van deze sectoren aan het veranderende klimaat; verzoekt de Commissie het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering te gebruiken om de ontwikkeling van milieuvriendelijk landbouwbeleid te ondersteunen, met prioriteit voor het garanderen van de voedselzekerheid van de mensen; verzoekt de Commissie voorts een geschikt institutioneel en financieel kader te helpen creëren voor arme plattelandsbewoners die voor hun levensonderhoud afhangen van de landbouw;

39.   benadrukt dat de landbouw in arme ontwikkelingslanden rechtstreeks en in sterke mate wordt getroffen door klimaatverandering, wat dramatische gevolgen kan hebben voor de voedselzekerheid; roept de Commissie daarom op het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering te gebruiken voor het ontwikkelen van landbouwbeleid en productiemethoden waarmee beter tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van de lokale bevolking en die een langetermijnoplossing vormen voor de omhoog schietende voedselprijzen; moedigt de Commissie met name aan tot het ondersteunen van innovatieve oplossingen zoals het aanleggen van groengordels om steden om te beantwoorden aan de basisvoedselbehoefte van de stedelijke bevolking in ontwikkelingslanden;

40.   is ingenomen met het voornemen van de Commissie om een EU-strategie voor DRR voor te stellen, want dat is een belangrijke stap ter overbrugging van de kloof tussen DRR, ontwikkeling en aanpassingsinspanningen; roept in dit verband de Commissie op te verhelderen hoe het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering deze integratie in de praktijk kan vereenvoudigen;

41.   benadrukt dat een DRR-strategie geen significante resultaten oplevert zonder een concreet actieplan en een belangrijke wijziging in de toekenningen op de begroting om de financiering van de DRR op de lange termijn te waarborgen en aanpassing als onderdeel van de reguliere ontwikkelingshulp in plaats van als korte-termijn humanitair aandachtspunt met weinig prioriteit, zoals nu het geval is;

42.   benadrukt dat er grote behoefte is aan extra personeelssterkte binnen EuropeAid en de EU-delegaties om een succesvolle implementatie van het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering te verzekeren; verzoekt de Commissie om in de EU-begroting voor 2009 aanzienlijke middelen toe te wijzen aan dit terrein; verzoekt de Commissie meer in het algemeen ook om aanmerkelijk meer middelen toe te wijzen aan de scholing van medewerkers van de desbetreffende directoraten-generaal van de Commissie en de EU-delegaties over de aanpassing aan klimaatverandering en DRR, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan uitbreiding van praktische kennis;

43.   benadrukt, voor zover het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering mitigatiemaatregelen omvat, dat de MOL's en SIDS capaciteitsopbouw en technische bijstand nodig hebben om hun deelname aan het CDM te kunnen versterken; roept de Commissie ook op actief internationale onderhandelingen over klimaatverandering aan te gaan om het CDM te versterken met het oog op het waarborgen van additionaliteit en samenhang met de ontwikkelings- en klimaatdoelstellingen. roept de Commissie ook op haar aandacht niet uitsluitend te richten op het CDM als ultiem beleidsinstrument, maar tevens alternatieve steun te verlenen aan mitigatiemaatregelen die beter geschikt zijn voor de armste landen, waarbij activiteiten inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (land use, land use change and forestry – LULUCF) alsmede koolstofarme technologieën voorrang moeten krijgen;

44.   roept de Commissie op met spoed ambitieuze aanvullende beleidsinitiatieven te ontplooien, met name op het vlak van de bescherming van bossen en het mariene milieu, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en samenwerking op het gebied van mitigatietechnologie, waar de vraag naar financiële middelen het aanbod daarvan binnen het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering momenteel ver overschrijdt; vraagt met name om krachtige maatregelen van de EU in de vorm van financiële steun, technische bijstand, overdracht van technologie en samenwerking met de ontwikkelingslanden om in een zo vroeg mogelijk stadium het gebruik te bevorderen van technologieën die zorgen voor minder uitstoot van broeikasgassen en van milieuvriendelijke productiemethoden;

45.   roept de Commissie op haar voorstel voor duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen te herzien door strengere eisen te stellen met betrekking tot de voordelen voor het klimaat en voor ecosystemen, en daarbij ook rekening te houden met de effecten van indirecte veranderingen in landgebruik en de gevolgen voor de ontwikkeling van lokale gemeenschappen; benadrukt dat het stellen van duurzaamheidscriteria geen nieuwe protectionistische maatregel mag worden, maar dat het vaststellen van zulke criteria moet gebeuren in dialoog met ontwikkelingslanden;

46.   is van mening dat het voorgestelde Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in dit kader een belangrijk instrument is en dat dit een grote rol zou kunnen spelen bij projecten voor energie-efficiëntie en bij het bevorderen van het gebruik van hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden;

47.   roept de Commissie op met spoed een alomvattende agenda ter vermindering van de ontbossing en aantasting van bossen in de ontwikkelingslanden, onder meer door het bevorderen van vrijwillige partnerschapsovereenkomsten in het kader van de programma's betreffende wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT), en concrete voorstellen over de financieringsmechanismen te ontwikkelen, die zij tijdens de bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag inzake Klimaatverandering (COP) van december 2008 in Poznan zal moeten presenteren; herhaalt het belang van dergelijke mechanismen, niet alleen voor de compensatie van vermeden uitstoot van broeikasgassen, maar ook voor de biodiversiteit en de voordelen van bossen voor ontwikkeling;

48.   betreurt dat de Commissie nog geen duidelijke en rigoureuze voorstellen heeft gedaan om de import in de EU van illegaal gekapt hout en producten gemaakt van illegaal gekapt hout te verbieden; roept de Commissie op dergelijke voorstellen zonder verder uitstel in te dienen;

49.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(2) PB C 25 van 30.1.2008, blz. 1.
(3) Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41).
(4) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Governance en partnerschap op nationaal en regionaal niveau en op projectbasis op het gebied van regionaal beleid
PDF 140kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over governance en partnerschap op nationaal en regionaal niveau en als basis voor projecten op het gebied van regionaal beleid (2008/2064(INI))
P6_TA(2008)0492A6-0356/2008

Het Europees Parlement,

–   gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name de artikelen 158 en 159,

–   gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 15,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(1) (hierna de "algemene structuurfondsenverordening" genoemd), en met name artikel 11 daarvan, dat de titel "Partnerschap" draagt,

–   gelet op de Territoriale Agenda van de Europese Unie en het Handvest van Leipzig inzake duurzame Europese steden, alsmede het eerste actieprogramma voor de tenuitvoerlegging van de Territoriale Agenda van de Europese Unie,

–   gezien de door de beleidsafdeling voor het structuur- en cohesiebeleid van het Parlement uitgevoerde studie inzake "governance en partnerschap in het regionaal beleid",

–   gezien het advies van het Comité van de Regio's (COTER-IV-17) en het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake governance en partnerschap (CESE 1177/2008),

–   gezien het verkennend advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité "Voor een evenwichtige ontwikkeling van metropolitane gebieden: problemen en mogelijkheden" (CESE 737/2008),

–   gezien de praktische handleiding voor EU-financiering van onderzoek, ontwikkeling en innovatie van de Commissie,

–   gezien de tweede cyclus van het URBACT-programma (2007-2013), een Europees programma met als doel het stimuleren van de uitwisseling van ervaringen tussen Europese steden, in het bijzonder op het gebied van zeven nieuwe thematische netwerken inzake governance,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie begrotingscontrole (A6-0356/2008),

A.   overwegende dat het belang en het welzijn van de burgers centraal staan in het beleid van de Europese landen en regio's en dat verbetering van de kwaliteit op het gebied van governance en partnerschap, met als doel een betere coördinatie en samenwerking tussen de diverse instanties alle burgers van de Unie ten goede zal komen,

B.   overwegende dat de praktische oplossingen die onze medeburgers op het gebied van overheidsdiensten (zoals openbaar vervoer, drinkwater, sociale woningbouw en openbaar onderwijs) verwachten, alleen kunnen worden bereikt door middel van goede governance met betrekking tot twee complementaire systemen: enerzijds het institutionele systeem dat gaat over de verdeling van bevoegdheden en budgetten tussen de staat en de regionale en lokale overheden, en anderzijds het partnerschapssysteem, dat verschillende overheidsinstanties en particuliere organen die op een bepaald gebied met hetzelfde onderwerp te maken hebben, samenbrengt,

C.   overwegende de definitie van partnerschap zoals vervat in de algemene structuurfondsenverordening waarin bepaald wordt dat iedere lidstaat een partnerschap moet organiseren met "autoriteiten en instanties als:

   a) de bevoegde regionale, plaatselijke, stedelijke en andere overheden;
   b) de economische en sociale partners;
   c) andere geschikte instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, milieupartners, niet-gouvernementele organisaties, en instanties die tot taak hebben de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen",

D.   overwegende dat partnerschappen rekening moeten houden met alle relevante gemeenschappen en groeperingen en een toegevoegde waarde kunnen hebben bij de tenuitvoerlegging van cohesiebeleid in de vorm van een breder draagvlak, gewaarborgde transparantie en een betere benutting van middelen, en dat bij de beoordeling daarvan ook recht moet worden gedaan aan de sociale en maatschappelijke waarde die zij vertegenwoordigen,

E.   overwegende dat er met de hoogst mogelijke participatie van de verschillende partners bij het uitwerken van de operationele programma's een document tot stand kan komen waarin volledig rekening wordt gehouden met bijzondere kenmerken van het betreffende gebied, en dat het best tegemoetkomt aan de behoeften en problemen van dat gebied,

F.   overwegende dat een versterkt partnerschap met universiteiten en instellingen voor tertiair of technisch onderwijs, naast betrokkenheid van de particuliere sector, voordelig kan zijn voor de strategieën in het kader van de agenda van Lissabon en voor de diverse vormen van EU-beleid op het gebied van onderzoek en innovatie,

G.   overwegende dat sociaal kapitaal in de vorm van actief vrijwilligerschap ontegensprekelijk een positieve bijdrage levert aan de groei van de regionale economie en een belangrijke rol speelt in het verkleinen van regionale verschillen,

H.   overwegende dat een brede participatie van de in de algemene structuurfondsenverordening genoemde partijen en een betere samenwerking tussen de partijen die betrokken zijn bij het uitvoeren van de programma's en projecten die gefinancierd worden uit de structuur- en cohesiefondsen het mogelijk maakt een efficiëntere cohesiepolitiek te voeren en het hefboomeffect daarvan te vergroten,

I.   overwegende dat bij een geïntegreerde aanpak niet alleen rekening moet worden gehouden met de economische, maatschappelijke en milieuaspecten van de territoriale ontwikkeling, maar dat zo'n aanpak ook moet leiden tot het onderling afstemmen van de belangen van de verschillende betrokken partijen, uitgaande van het specifieke karakter van het betrokken gebied, teneinde op de lokale en regionale problemen te kunnen inspelen,

J.   overwegende dat zowel een betere coördinatie van de verschillende vormen van overheidsbeleid op alle betrokken bestuursniveaus als een geslaagde governance onmisbaar zijn voor de vooruitgang van de duurzame ontwikkeling van gebieden,

K.   overwegende dat het concept van een geïntegreerde aanpak inmiddels als noodzakelijk wordt beschouwd en dat dit nu daadwerkelijk in praktijk dient te worden gebracht,

L.   overwegende dat het structuurbeleid in de programmaperiode 2000-2006 het op één na grootste onderdeel van de EU-begroting vormde en dat dit in de periode 2007-2013 zelfs het belangrijkste beleidsonderdeel van de Unie is;

M.   overwegende dat tussen de verschillende publieke en particuliere instanties en organen een efficiëntere en voor alle betrokkenen transparantere werkwijze dient te worden ingesteld, zonder dat noodzakelijkerwijs sprake hoeft te zijn van overdracht van juridische bevoegdheden en zonder dat er nieuwe overheden hoeven te worden opgericht, waarbij het voor elke partij mogelijk wordt om – dankzij de samenwerking – efficiënter te functioneren,

N.   overwegende dat in een zo vroeg mogelijk stadium van de onderhandelingen over de communautaire regelgeving en in het bijzonder in het kader van de onderhandelingen over het volgende pakket cohesiebeleidsmaatregelen moet worden toegewerkt naar medezeggenschap voor regionale en lokale overheden,

O.   overwegende dat het concept van de centra voor wonen en werken erin bestaat dat rekening wordt gehouden met de essentiële terreinen die relevant zijn voor het oplossen van de problemen die centraal staan in het dagelijks leven van de burger (transport, overheidsdiensten, kwaliteit van het bestaan, werkgelegenheid en lokale economische activiteiten, veiligheid, etc.),

P.   overwegende dat een adequate ruimtelijke ordening bevorderlijk kan zijn voor de doelmatigheid van het bestuur,

Q.   overwegende dat kennis van "projectmanagement" voor de bij de uitvoering van het cohesiebeleid betrokken partijen een essentiële factor is om het bestuur te verbeteren en te vergemakkelijken,

R.   overwegende dat gebruik dient te worden gemaakt van de geslaagde ervaringen met nieuwe methoden van governance en partnerschap, inclusief de methoden die al met succes zijn beproefd in het kader van de programma's voor de Europese fondsen, zoals de LEADER-methode en het systeem van globale subsidiëring (zoals bedoeld in de artikelen 42 en 43 van de algemene structuurfondsenverordening),

S.   overwegende dat adequate communicatiestructuren en -strategieën in alle stadia van beleidsvorming, uitvoering en evaluatie, die zijn opgezet in nauwe samenwerking met de regionale en lokale overheden, de overdracht van informatie naar alle lagen van de samenleving bevorderen en aldus transparantie, algehele participatie en persoonlijke betrokkenheid ten goede komen,

Governance en communautaire fondsen

1.   roept de lidstaten en de regionale en lokale overheden ertoe op de mogelijkheden van de verschillende op de bevordering van de regionale en stedelijke ontwikkeling gerichte Gemeenschapsfondsen (de structuurfondsen, het Europees kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling) ten volle te benutten teneinde geïntegreerde financiering te vergemakkelijken;

2.   roept de nationale, regionale en plaatselijke instanties ertoe op om tijdens de nu lopende programmeringsperiode intensiever gebruik te maken van de geïntegreerde aanpak;

3.   stelt voor om de geïntegreerde aanpak in het kader van het te voeren cohesiebeleid verplicht te stellen; is van mening dat dit beginsel binnen een specifieke termijn moet worden toegepast;

4.   stelt ter wille van de eenvoud en de doelmatigheid voor te onderzoeken of het in het kader van het toekomstig cohesiebeleid voor de periode na 2013 haalbaar is de verschillende Gemeenschapsfondsen, in het bijzonder het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Landbouwfonds voor regionale ontwikkeling in elkaar te laten opgaan;

5.   merkt op dat transparante en heldere procedures bevorderlijk zijn voor een goed bestuur en dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan, in samenwerking met de regionale en lokale overheden en rekening houdend met de suggesties van potentiële begunstigden, onverwijld en binnen een door de Commissie te bepalen vast tijdschema na te gaan hoe de procedures kunnen worden vereenvoudigd en gerationaliseerd en hoe de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het cohesiebeleid duidelijker kunnen worden verdeeld teneinde de bureaucratische rompslomp voor de betrokken personen en instanties te verminderen;

6.   verzoekt de Commissie de toepassing aan te moedigen van artikel 56 van de algemene structuurfondsenverordening, die voorziet in de mogelijkheid tot het leveren van bijdragen in natura voor projecten die door de Unie worden gecofinancierd;

Governance en partnerschap

7.   beveelt de Commissie aan in het kader van de uitwerking van de nationale strategische referentiekaders en van de operationele programma's een overzicht op te maken van de toepassing van het partnerschapsbeginsel door de lidstaten en dit aan het Europees Parlement voor te leggen, en daarbij aan te geven welke factoren bepalend zijn geweest voor het welslagen dan wel mislukken van het gevoerde governancebeleid, en met name of er bij de opstelling van de operationele programma's rekening is gehouden met de standpunten en suggesties van de betrokken partners;

8.   roept de Commissie op een leidraad op te stellen met een duidelijke definitie en heldere beoordelingscriteria, en waarin instrumenten, middelen en goede praktijken worden gedefinieerd (o.a. met betrekking tot partnerselectie), die erop gericht is de implementatie van effectieve partnerschappen conform artikel 11 van de algemene structuurfondsenverordening te faciliteren, met inachtneming van het specifieke institutionele kader van elke lidstaat;

9.   constateert dat het partnerschapsproces alleen kan functioneren met partners die over de nodige capaciteiten en middelen beschikken en roept de beheersautoriteiten ertoe op deze capaciteiten te helpen versterken door de partners in een vroeg stadium en overeenkomstig artikel 11 van de algemene structuurfondsenverordening van dezelfde informatie te voorzien als die waarover de overheden beschikken en door de nodige financiële middelen uit te trekken voor technische bijstand met het oog op de tenuitvoerlegging van het partnerschapsbeginsel, bijvoorbeeld in de vorm van opleidingen, voor de opbouw van het benodigde maatschappelijk kapitaal en ten behoeve van de professionalisering van hun partnerschapsactiviteiten;

10.   betreurt het dat voor de nu lopende programmeringsperiode in de structuurfondsen geen kwantificeerbaar minimumbedrag is uitgetrokken voor de implementatie van het partnerschapsbeginsel; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan ervoor te zorgen dat in toekomstige wetgeving een kwantificeerbaar minimum van de structuurfondsen wordt vastgesteld dat bestemd is voor de tenuitvoerlegging van het partnerschapsbeginsel;

11.   onderkent de belangrijke rol die vrijwilligerswerk in het partnerschapsproces speelt en verzoekt de lidstaten en de Commissie de waardevolle bijdrage van vrijwilligers aan dit proces te stimuleren en te faciliteren en zorg te dragen voor een sterkere democratische inbinding van gewone mensen en basisorganisaties, waarbij zij op lokaal niveau verenigd zijn in partnerschappen op meerdere niveaus;

12.   wijst op de verplichting het brede publiek en de organisaties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen over de programmering te raadplegen, zodat hun voorstellen daarin ook tot uitdrukking komen en benadrukt dat de deelname van het maatschappelijk middenveld draagvlak voor het besluitvormingsproces creëert; constateert dat de inspanningen om het publiek bij de voorbereiding van de operationele programma's voor de periode 2007-2013 te betrekken niet het verhoopte resultaat hebben opgeleverd; roept de Commissie er derhalve toe op optimale praktijken te definiëren om de toepassing daarvan te faciliteren, ten einde de participatie van het publiek in de aanloop naar de volgende programmeringsperiode te vergroten;

13.   dringt er bij de beheersinstellingen op aan de partners te informeren omtrent de wijze waarop en de mate waarin in de diverse stadia van het proces van programmering van de structuurfondsen met hun commentaar rekening is gehouden;

14.   wijst erop dat partnerschappen de effectiviteit, de doelmatigheid, de legitimiteit en de transparantie in alle stadia van de programmering en tenuitvoerlegging van de structuurfondsen kunnen bevorderen en de betrokkenheid bij en de eigen inbreng in de resultaten van de programma's kunnen vergroten; roept de lidstaten en de verantwoordelijke beheersautoriteiten er derhalve toe op de partners in een vroeg stadium nauwer bij alle fasen van de structuurfondsenprogrammering en -implementatie te betrekken ten einde beter gebruik te kunnen maken van hun ervaring en knowhow;

15.   dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor nauwere samenwerking tussen overheids- en particuliere sector door de oprichting van publiek-private partnerschappen voor de uitvoering van de structuurfondsen, aangezien de potentiële voordelen van dergelijke partnerschappen nog steeds grotendeels onbenut blijven;

16.   stelt vast dat de nieuwe lidstaten niet volledig aan het partnerschapsbeginsel voldeden en dat de invoering daarvan derhalve geleidelijk ruimere toepassing zou kunnen krijgen;

17.   dringt erop aan dat in de volgende structuurfondsenverordeningen specifieke bepalingen worden opgenomen om de toepassing van het partnerschapsbeginsel wettelijk verplicht te stellen, en daaraan concreet te toetsen criteria te verbinden;

Governance op meerdere niveaus

18.   verzoekt de lidstaten in het kader van het eerste actieprogramma voor de tenuitvoerlegging van de Territoriale Agenda van de Europese Unie zo spoedig mogelijk concrete stappen te ondernemen, met name uit hoofde van regel 3.1 van die agenda, teneinde de governance op meerdere niveaus te intensiveren;

19.   stelt voor het governancemechanisme te laten vallen onder regel 4.1 van het eerste actieprogramma ter uitvoering van de Territoriale Agenda van de Europese Unie, waarin de Waarnemingspost voor de ruimtelijke ordening van het Europees grondgebied (ESPON) wordt verzocht nieuwe indicatoren voor de territoriale cohesie te ontwikkelen;

20.   is van oordeel dat governance op meerdere niveaus, wil zij succes hebben, gebaseerd moet zijn op een "bottom-up"-benadering; doet in dit verband een beroep op de plaatselijke en regionale autoriteiten om na te gaan hoe zij hun samenwerking en contacten met nationale regeringen en met de Commissie kunnen intensiveren, en pleit voor het organiseren van regelmatig overleg tussen ambtenaren van nationale, regionale en lokale overheden;

21.   spoort de lidstaten ertoe aan het cohesiebeleid decentraal uit te voeren om het systeem van governance op meerdere niveaus goed te laten functioneren onder inachtneming van het partnerschaps- en subsidiariteitsbeginsel, en verzoekt hen de voor decentralisatie noodzakelijke wetgevings- en begrotingsmaatregelen te nemen;

22.   benadrukt dat de bestuurlijke capaciteit van de regionale en lokale instanties, alsmede de stabiliteit en continuïteit daarvan, onontbeerlijk is voor een doelmatige besteding van gelden en voor een optimaal rendement daarvan; verzoekt de lidstaten te zorgen voor adequate bestuursstructuren en voldoende menselijk kapitaal in termen van aanwerving, salariëring, opleiding, middelentoewijzing, procedures, transparantie en toegankelijkheid;

23.   roept de nationale rekenkamers op een belangrijkere rol te spelen ten aanzien van de controlemechanismen, om te waarborgen dat de ingezette middelen correct worden besteed, zodat zij hun taken naar behoren vervullen en actiever aan het proces deelnemen;

24.   dringt er bij de lidstaten op aan de verantwoordelijkheid voor het beheer van de structuurfondsen aan regionale en lokale overheden te delegeren op basis van overeengekomen en door de betrokken overheden te eerbiedigen voorwaarden en criteria, teneinde deze instanties door middel van formele coördinatiestructuren nauwer bij de opstelling en uitvoering van de operationele programma's te betrekken, of hen op zijn minst globale subsidies toe te kennen; beveelt volledige gebruikmaking aan van de mogelijkheden die regionale en lokale instanties door die globale subsidies worden geboden om een volwaardige rol te vervullen in de op meerdere niveaus te treffen governanceregelingen;

Governance en territoriale dimensie

25.   verzoekt de lidstaten die hun nationale wetgeving nog niet hebben aangepast om de oprichting mogelijk te maken van de Europese Groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), dat alsnog zo spoedig mogelijk te doen;

26.   verzoekt de Commissie na te gaan welk NUTS-niveau zich het beste leent om te bepalen op welk terrein aan de hand van de opgedane ervaring een geïntegreerd beleid voor territoriale ontwikkeling optimaal kan worden toegepast en als basis kan dienen voor met name de volgende projecten:

   de inrichting van woon- en werkgebieden, te weten stedelijke en voorstedelijke gebieden en de daaraan grenzende plattelandsgebieden;
   de inrichting van gebieden die om een specifieke thematische aanpak vragen zoals berggebieden, grote bosgebieden, nationale parken, stroomgebieden van rivieren, kustgebieden, insulaire regio's en ecologisch aangetaste gebieden of gebieden waar het milieu is verslechterd;

Governance en de instellingen van de Unie

27.   juicht het toe dat de rol van de regionale en lokale overheden meer erkend wordt en dat het subsidiariteitsbeginsel in het Verdrag van Lissabon beter tot zijn recht komt; dringt er bij ook bij de Europese instellingen op aan voortaan meer aandacht te besteden aan de concrete gevolgen van deze ontwikkelingen;

28.   constateert dat er binnen de Raad geen orgaan bestaat dat zich specifiek bezighoudt met het cohesiebeleid en dat zorgt voor een strategische voortgangscontrole op dit beleid, dat de belangrijkste begrotingspost van de Unie vormt, en verzoekt de lidstaten om in de Raad specifieke zittingen te organiseren van de ministers die met het cohesiebeleid zijn belast;

29.   is ingenomen met de instelling van interdepartementale groepen binnen de Commissie, zoals de groep "stedelijke ontwikkeling" en de groep "geïntegreerde aanpak"; dringt er bij de Commissie op aan deze transdepartementale manier van werken verder uit te breiden en het Parlement en het Comité van de Regio's regelmatig op de hoogte te houden van de resultaten van de werkzaamheden van deze groepen;

30.   verbindt zich ertoe zich nader te zullen beraden over een aanpassing van het Reglement van het Parlement waardoor transversaal werken mogelijk wordt gemaakt voor onderwerpen waarbij meerdere parlementaire commissies (dan wel tijdelijke of andere groepen) betrokken zijn, met name in het kader van de werkzaamheden van de werkgroep parlementaire hervorming;

31.   verzoekt het Comité van de Regio's zich meer in te zetten voor de ontwikkeling van governance in de praktijk, zowel uit kwantitatief als uit kwalitatief oogpunt;

Instrumenten om geslaagde governance en partnerschap te bevorderen

32.   verzoekt de lidstaten en de Commissie samen met de betrokken publieke en particuliere onderwijs- en opleidingsorganisaties de ontwikkeling van opleidingsinitiatieven op het gebied van governance en partnerschap te ondersteunen ten einde het hoofd te kunnen bieden aan de voornaamste communautaire problemen;

33.   roept de lidstaten ertoe op adequaat gebruik te maken van ruimtelijke ordening als instrument om bij te dragen aan een evenwichtige regionale ontwikkeling;

34.   verzoekt de gekozen vertegenwoordigers en de nationale, regionale en lokale ambtenaren van overheden en de partners die in het kader van het cohesiebeleid betrokken zijn bij het beheer van operationele programma's overeenkomstig artikel 11 van de algemene structuurfondsenverordening gebruik te maken van de financiële middelen die uit hoofde van die programma's voor technische ondersteuning beschikbaar zijn om opleidingen te volgen in de vormen van governance welke aan die programma's zijn verbonden, in het bijzonder inzake "projectmanagement"; verzoekt de Commissie tevens van de lidstaten een gedetailleerd overzicht te vragen van de manier waarop hun specifieke financieringsprogramma's zijn gebruikt;

35.   is van mening dat de Europese netwerken voor de uitwisseling van goede praktijken hun activiteiten op het gebied van governance en partnerschap zouden moeten uitbreiden, meer de nadruk moeten leggen op de politieke en strategische lering die uit eerdere programmacycli is getrokken en publieke toegang tot projecten voor de uitwisseling van ervaringen in alle EU-talen moeten waarborgen, en er aldus voor moeten helpen zorgen dat goede praktijken ook daadwerkelijk worden toegepast;

36.   is ingenomen met het initiatief van het Franse voorzitterschap van de Unie om een proces op gang te brengen voor de uitwerking van een keurmerk voor steden die duurzaamheid en saamhorigheid in praktijk brengen, en dringt erop aan bij de toekenning van dat keurmerk ook criteria zoals governance en partnerschap een rol te laten spelen;

37.   stelt voor om een op het ERASMUS-programma geïnspireerd programma in te stellen voor lokale en regionale verkozen afgevaardigden;

o
o   o

38.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.


De wetgeving verbeteren 2006 overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid
PDF 133kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over "De wetgeving verbeteren 2006" overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (2008/2045(INI))
P6_TA(2008)0493A6-0355/2008

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over de wetgeving verbeteren 2005: toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid – (13de jaarverslag)(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over de betere regelgeving in de Europese Unie(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over een strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over de institutionele en juridische gevolgen van het gebruik van "soft law"-instrumenten(4),

–   gezien het verslag van de Commissie met als titel "De wetgeving verbeteren 2006" overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (14e verslag) (COM(2007)0286),

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Tweede strategische evaluatie van betere regelgeving in de Europese Unie" (COM(2008)0032),

–   gezien het werkdocument van de Commissie met als titel "Tweede voortgangsrapport inzake de strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving" (COM(2008)0033),

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Fast track actions 2008 ter verlaging van de administratieve lasten in de Europese Unie" (COM(2008)0141),

–   gezien het werkdocument van de Commissie met als titel "De administratieve lasten in de Europese Unie verlagen – Voortgangsverslag 2007 en vooruitzichten voor 2008" (COM(2008)0035),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0355/2008),

A.   overwegende dat men zich bij de vaststelling van het regelgevingskader van de Europese Unie moet laten leiden door criteria zoals duidelijkheid en doeltreffendheid,

B.   overwegende dat betere regelgevingsprocedures kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Unie,

C.   overwegende dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid grondbeginselen van het primaire recht zijn en dat, voor zover de Gemeenschap op een gebied niet als enige instantie wetgevingsbevoegdheid heeft, deze beginselen steeds nageleefd moeten worden,

D.   overwegende dat de correcte toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid een fundamentele bijdrage levert aan de versterking van het gezag en de effectiviteit van de communautaire wetgeving en helpt waarborgen dat de besluitvorming plaatsvindt op een niveau dat dichter bij de burger ligt en aldus uiteindelijk borg staat voor een bredere acceptatie van de Europese Unie door de bevolking, en overwegende dat deze beginselen onmisbaar zijn om de deugdelijkheid en de toepasbaarheid van het EU-beleid te legitimeren, aangezien zij de lidstaten in staat stellen hun eigen wetgevingsbevoegdheden uit te oefenen in een geest van samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus, hetgeen ook de rechtszekerheid ten goede komt,

E.   overwegende dat tegenwoordig op de communautaire wetgeving de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van toepassing zijn, hetgeen impliceert dat er procedures moeten worden vastgesteld voor de coördinatie met de nationale wetgevende, uitvoerende en justitiële instanties teneinde zowel de noodzakelijkheid als de rechtmatigheid van het EU-optreden te waarborgen,

F.   overwegende dat de Commissie het accent legt op een aantal belangrijke aspecten ter verbetering van de regelgeving binnen de Europese Unie, zoals effectbeoordelingen, vermindering van administratieve kosten en de vereenvoudiging, verbetering en actualisering van bestaande regelingen,

G.   overwegende dat de Commissie wat dat betreft groot belang hecht aan een open dialoog met de sociale gesprekspartners en nationale wetgevers,

H.   overwegende dat de Commissie in haar "Eerste voortgangsrapport inzake de strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving" (COM(2006)0690) voor 2006 nagenoeg 50 codificatie-initiatieven heeft aangekondigd, waarvan er slechts 36 daadwerkelijk aan het Parlement zijn gepresenteerd, en dat er anderzijds 200 codificatie-initiatieven zijn aangekondigd voor 2007, waarvan er slechts 21 aan de wetgever zijn voorgelegd,

I.   overwegende dat de Commissie in het als bijlage aan haar bovengenoemde "Tweede voortgangsrapport inzake de strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving" toegevoegde doorlopende vereenvoudigingsprogramma de herziening en herschikking van de vigerende regelingen op een aantal terreinen (energie-efficiëntie van gebouwen, burgerluchtvaart, enz.) als gelijkwaardige operaties behandelt,

J.   overwegende dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden een actieprogramma te presenteren om tegen 2012 een verlaging van de administratieve lasten met 25% voor ondernemingen binnen de Europese Unie door te voeren, en dat zij hiertoe voor verschillende wetgevingssectoren een aantal dringende acties heeft voorgesteld,

1.   steunt het streven van de Commissie om de kwaliteit van de communautaire wetgeving te verbeteren en de wetgevingsdruk te verlichten, waaronder de afschaffing van onnodige wetgeving die obstakels opwerpt voor groei en innovatie; benadrukt dat er op een aantal gebieden zelfs meer moet worden ondernomen om ervoor te zorgen dat er maximaal economisch profijt wordt getrokken uit de wetgeving die betrekking heeft op de interne markt;

2.   is voorstander van regelgeving die op beginselen is gebaseerd, waarbij de nadruk moet liggen op kwaliteit in plaats van kwantiteit; beschouwt de discussie over 'betere wetgeving' als een goede gelegenheid om wetgeving te leren zien als een proces dat bedoeld is om duidelijk gedefinieerde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken door communautaire wetgeving in die zin te verbeteren dat groei en werkgelegenheid worden bevorderd en door alle belanghebbenden er in alle stadia van het proces, van de voorbereiding tot en met de tenuitvoerlegging, bij te betrekken;

3.   benadrukt in de context van de inspanningen om de wetgeving te verbeteren het belang van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, zowel met het oogmerk onnodige bureaucratische lasten voor de lidstaten en de betrokkenen terug te dringen als met het doel bij de Europese burgers een bredere acceptatie te bewerkstelligen van de maatregelen, die conform deze beide beginselen uitsluitend op Gemeenschapsniveau kunnen worden doorgevoerd;

4.   steunt de inspanningen van de Commissie om het acquis communautaire te vereenvoudigen;

5.   is ingenomen met de verbeterde procedures die de Commissie heeft ingevoerd om de betrokken partijen bij de formulering van haar wetgevingsvoorstellen te raadplegen en wijst op de over het algemeen positieve reacties van de geraadpleegde partijen bij de beoordeling van de wijze waarop de Commissie hun betrokkenheid stimuleert;

6.   betreurt het dat de Commissie, ondanks deze verbeterde procedures, nog steeds afzonderlijke documenten met niet-identieke lijsten van vereenvoudigingsmaatregelen ter stroomlijning van de regelgeving en in het kader van "beter wetgeven" blijft opmaken, hetgeen een algeheel overzicht op de strategie bemoeilijkt; onderstreept dat de toename van dit soort documenten moet worden tegengegaan; dringt er bij de Commissie op aan per jaar slecht één enkel document voor te leggen; beklemtoont dat de desbetreffende beleidsevaluaties en de kwaliteit van de samenwerking op het niveau van de Europese Unie gestalte moeten krijgen, met name door de inzet van het Parlement, de Raad en de Commissie;

7.   is van oordeel dat objectieve effectbeoordelingen een belangrijk instrument zijn bij de beoordeling van de Commissievoorstellen en pleit derhalve voor externe en onafhankelijke controle op de uitvoering van effectbeoordelingen;

8.   is van oordeel dat raadplegingen en effectbeoordelingen essentieel zijn voor een beter geformuleerde Gemeenschapswetgeving en dat zij niet nog méér administratieve rompslomp mogen veroorzaken of bureaucratische struikelblokken mogen opwerpen die het de Commissie onmogelijk maken op te treden, maar in plaats daarvan een bijdrage moeten leveren aan de totstandbrenging van een gedegen rechtskader dat groei in de Europese Unie bevordert;

9.   benadrukt dat er kosten-batenanalyses moeten worden opgemaakt waarin rekening wordt gehouden met de kostenstructuren van de regelgeving wanneer richtlijnen in nationale wetgeving worden omgezet en die het rechtskader waarbinnen bedrijven en personen opereren veranderen; is zich er echter van bewust dat dergelijke kosten-batenanalyses onverlet laten dat er een politiek debat moet worden gevoerd over de voors en tegens van specifieke wetgeving;

10.   is van mening dat het Parlement en de Raad met het oog op de verbetering van de kwaliteit van wetgeving bij de indiening van hun amendementen zowel rekening moeten houden met de effectbeoordelingen van de Commissie als met hun eigen effectbeoordelingen;

11.   is bovendien van oordeel dat objectieve effectbeoordelingen ten dele op tijdige en uitvoerige raadpleging van de betrokkenen dienen te zijn gebaseerd; roept de Commissie op om een breed scala aan scenario's en beleidsopties (waaronder eventueel ook de mogelijkheid om niets te ondernemen) als basis voor kosteneffectieve en duurzame oplossingen in haar effectbeoordelingen op te nemen;

12.   spreekt de verwachting uit dat de kwaliteit van de evaluaties kan worden verbeterd door daarin een raming van de administratieve kosten op te nemen;

13.   onderstreept de noodzaak van op het niveau van de Europese Unie door organen die de burgers vertegenwoordigen, zoals het Europees Parlement, of door organen die de plaatselijke en maatschappelijke instanties vertegenwoordigen, zoals het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité, uit te voeren beleidsevaluaties;

14.   spreekt zijn reserves uit omtrent het aanmoedigen van zelfregulering en coregulering, die uiteindelijk kunnen resulteren in een vorm van "legislatieve abstinentie", die alleen maar gunstig is voor pressiegroepen en economische machthebbers; onderschrijft derhalve de conclusie van de Commissie dat de meest eenvoudige weg voor het bereiken van de doelstellingen van de Europese Unie en rechtszekerheid voor burgers en ondernemingen nog steeds het uitvaardigen van verordeningen is; verzoekt de Commissie wat dat betreft een meer coherente strategie te ontwikkelen;

15.   onderstreept dat niet-wetgevingsmaatregelen het machtsevenwicht en de respectieve rollen van de instellingen onverlet zouden moeten laten; wenst een verstandige en consistente bijdrage te leveren aan dergelijke maatregelen, voortbouwend op zijn ervaring; benadrukt dat dergelijke innoverende maatregelen politieke steun behoeven;

16.   is van mening dat er aanleiding is om het formele reguleringssysteem van de Europese Unie te versterken conform de in de Verdragen opgenomen voorwaarden, en dat het bewandelen van de kortere weg, zelfs in de vorm van informele wetgeving die geen bindende werking heeft, moet worden vermeden;

17.   apprecieert het dat de Commissie maatregelen heeft genomen om de vertraging in te halen bij de vertaling in de nieuwe officiële EU-talen van de teksten waarvan de codificatie momenteel gaande is; betreurt het dat de Commissie, hoewel zij voor 2006 nagenoeg 50 codificatie-initiatieven heeft aangekondigd en voor 2007 ongeveer 200, respectievelijk slechts 36 en 21 voorstellen heeft voorgelegd aan het Europees Parlement;

18.   dringt er bij de Commissie op aan zich te houden aan de gepubliceerde codificatie- en herschikkingslijsten door de wetgever voor zover mogelijk alle aangekondigde initiatieven voor te leggen en aan te geven waarom dat in een aantal gevallen niet is gebeurd; onderstreept dat het Europees Parlement zijn goede wil heeft betoond door de artikelen 80 en 80 bis van zijn Reglement aan te passen, zodat dergelijke vereenvoudigingsinitiatieven op een snellere en eenvoudiger manier kunnen worden goedgekeurd;

19.   wijst de Commissie er tevens op dat de codificatie- en herschikkingsinitiatieven binnen redelijke termijnen door het Europees Parlement worden goedgekeurd en dat, wanneer de termijnen voor andere vereenvoudigingsinitiatieven langer zouden uitvallen, dit te verklaren valt door het feit dat het daarbij gaat om gewone wetgevingsvoorstellen, die als zodanig zijn onderworpen aan de normale goedkeuringsprocedure en de gebruikelijke termijnen;

20.   bevestigt zijn wens dat de Commissie herschikkingen toepast als een gewone wetgevingstechniek, zelfs wanneer een "herziening" van de bestaande tekst wordt voorgesteld, zodat voor elk initiatief een compleet overzicht van de tekst ter beschikking komt, inclusief specifieke wijzigingen, en met een duidelijke vermelding van de nieuwe en ongewijzigde gedeelten;

21.   roept de Commissie er tevens toe op in gedachte te houden dat zij, wanneer een herschikking niet mogelijk is, via de gewone wetgevingstechniek ruimte zou moeten creëren om binnen maximaal zes maanden over te gaan tot codificatie van de successieve wijzigingen op het desbetreffende wetgevingsbesluit; is van oordeel dat er, overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven"(5), in overleg met de Raad en de Commissie speciale structuren zouden kunnen worden gecreëerd om een adequate betrokkenheid van de belanghebbende partijen bij het stimuleren van het vereenvoudigingsproces te bevorderen;

22.   wijst erop dat niet-dwingende juridische instrumenten die niet scherp en effectief zijn geformuleerd negatieve gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling van het EU-recht en het evenwicht tussen de instellingen kunnen verstoren, en dat daarmee dan ook zeer omzichtig moet worden omgesprongen, d.w.z. dat er alleen gebruik van mag worden gemaakt wanneer de Verdragen daarin voorzien en op een manier die exact overeenkomt met de verdeling van de bevoegdheden volgens het primaire recht, en dat de rechtszekerheid hoe dan ook moet worden gewaarborgd;

23.   is ingenomen met het feit dat de Commissie heeft besloten haar nieuwe voorstellen en consultatiedocumenten rechtstreeks naar de nationale parlementen door te sturen, om aldus hun reacties te peilen voordat het communautaire wetgevingsproces op gang komt en te anticiperen op de bepalingen van het Verdrag van Lissabon; is volledig doordrongen van het belang van deze vorm van samenwerking voor de verbetering van de kwaliteit en de implementatie van de communautaire wetgeving, in het bijzonder waar het de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid betreft;

24.   is van mening dat er serieus en proactief toezicht moet worden uitgeoefend op de omzetting van de wetgeving ten einde afwijkende interpretaties en het onnodig optuigen van regels ("goldplating") te voorkomen; verlangt dat de Commissie – zowel op communautair als op nationaal niveau – een actieve rol vervult bij de omzetting van de wetgeving, samen met toezichthouders en groepen deskundigen, aangezien vroegtijdige evaluatie vertragingen en onnodige rompslomp voor ondernemingen kan helpen voorkomen; dringt er bij de Commissie op aan na te gaan welke maatregelen er verder nog kunnen worden ondernomen om "goldplating" te voorkomen, inclusief de invoering van het recht om directe burgerlijke acties op touw te zetten; dringt aan op het opzetten van 'follow-up effectbeoordelingen' waarbij geanalyseerd wordt hoe besluiten feitelijk op nationaal en lokaal niveau worden geïmplementeerd; is voorstander van het steeds specifieker inzetten van verordeningen; stelt eens te meer voor dat het Parlement een adequate procedure voor toezicht op de omzetting instelt, in nauwe samenwerking met zijn nationale partners;

25.  is van mening dat er, ter verbetering van de efficiency van de betrekkingen met de nationale parlementen, behoefte is aan een gezamenlijk beleid ten aanzien van de voorwaarden die zijn verbonden aan de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; onderschrijft zonder voorbehoud het initiatief van de Commissie om in dit verband een gestandaardiseerde reeks vragen te hanteren bij de formulering van de toelichtingen bij haar voorstellen, zoals aangegeven in bijlage 3 bij het desbetreffende werkdocument van de Commissie (SEC(2007)0737);

26.   juicht het toe dat de Commissie een herziening heeft aangekondigd van het communautaire acquis inzake vennootschapsrecht, jaarrekeningenrecht en auditwetgeving, en vertrouwt erop dat zij hiertoe zo spoedig mogelijk met specifieke voorstellen komt;

27.   bevestigt nogmaals de noodzaak om onnodige administratieve lasten voor ondernemingen terug te dringen met betrekking tot de informatieverplichtingen van zowel de Europese wetgeving als de toepasselijke nationale voorschriften; wijst er met nadruk op dat het doel van de Commissie om tegen 2012 een terugdringing met 25% van de administratieve lasten te bewerkstelligen een nettodoel moet zijn, wat inhoudt dat als lasten op sommige terreinen zijn teruggedrongen, dit niet door nieuwe administratieve lasten teniet mag worden gedaan; ondersteunt de bevordering van het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën in deze sector; verzoekt de Commissie de eventuele administratieve lasten van alle betrokken partijen, en niet alleen ondernemingen, te bestuderen en zo mogelijk te verminderen;

28.   benadrukt dat ook de wisselwerking tussen de Commissie en de burgers meer moet worden gestroomlijnd, met name op het gebied van aanbestedingen, financiële diensten, onderzoeksprogramma's, regelgeving inzake staatssteun en aanvragen voor communautaire financiering;

29.   wijst nogmaals op de noodzaak verstandig om te springen met 'herzieningsclausules' om te waarborgen dat de wetgeving niet aan relevantie inboet;

30.   bevestigt zijn bereidheid om de samenwerking met de Raad en de Commissie in stand te houden en te verbeteren, ten einde te kunnen voldoen aan de verwachtingen van burgers en ondernemingen voor wat betreft de vereenvoudiging van de communautaire wetgeving, in het bijzonder met betrekking tot dringende acties ter beperking van de administratieve lasten; benadrukt dat bij het proces ter vereenvoudiging van de besluitvormingsprocedures met het oog op de verkorting van de termijnen in ieder geval rekening moet worden gehouden met de in de Verdragen neergelegde procedure-eisen;

31.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, aan de Commissie, en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 67.
(2) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 60.
(3) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 72.
(4) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 75.
(5) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.


Controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht
PDF 278kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht – 24e jaarlijks verslag van de Commissie (2008/2046(INI))
P6_TA(2008)0494A6-0363/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien het 24e jaarlijks verslag van de Commissie van 17 juli 2007 over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht (2006) (COM(2007)0398),

–   gezien de werkdocumenten van de Commissie SEC(2007)0975 en SEC(2007)0976,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 5 september 2007 getiteld "Een Europa van resultaten – toepassing van het Gemeenschapsrecht" (COM(2007)0502),

–   gelet op Richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid(1),

–   gelet op Richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof(2),

–   gelet op Richtlijn 96/97/EG van de Raad van 20 december 1996 tot wijziging van Richtlijn 86/378/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid(3),

–   gelet op Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(4),

–   gelet op Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(5),

–   gelet op Richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(6),

–   gelet op Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(7),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 februari 2008 over het 23ste jaarlijks verslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht (2005)(8),

–   gelet op artikel 45 en artikel 112, lid 2 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0363/2008),

A.   overwegende dat de effectiviteit van EU-beleid grotendeels wordt bepaald door de tenuitvoerlegging ervan op nationaal, regionaal en lokaal niveau; overwegende dat naleving van het Gemeenschapsrecht door de lidstaten streng moet worden gecontroleerd om ervoor te zorgen dat het beleid de gewenste positieve gevolgen heeft voor het dagelijks leven van de burgers,

B.   overwegende dat een goede controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht niet alleen een beoordeling van de omzetting in kwantitatieve zin betreft, maar tevens een beoordeling van de kwaliteit van de omzetting en de gebruikte praktijken bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht in de lidstaten,

C.   overwegende dat nadat het aantal vastgestelde schendingen in voorgaande jaren gestaag was gestegen tot een totaal van 2 653 in 2005, het totaal aantal door de Commissie ingeleide inbreukprocedures licht is gedaald (tot 2 518) in 2006; overwegende dat de toetreding van 10 nieuwe lidstaten geen enkele invloed lijkt te hebben gehad op het aantal geregistreerde schendingen van het Gemeenschapsrecht,

D.   overwegende dat voor de EU-25 het aantal procedures dat in 2006 is ingesteld wegens niet-kennisgeving van omzettingsmaatregelen met 16% is gedaald ten opzichte van 2005: van 1 079 tot 904 zaken, als gevolg van een daling van het aantal termijnen voor omzetting van richtlijnen (108 in 2006 tegenover 123 in 2005) en snellere kennisgeving door de lidstaten,

E.   overwegende dat de door de Commissie genoemde cijfers voor 2006 aantonen dat de rechtbanken in veel lidstaten weigerachtig staan tegenover de in artikel 234 van het EGVerdrag neergelegde procedure van het verzoek om een prejudiciële beslissing; overwegende dat dit mogelijk een gevolg is van het feit dat er nog steeds onvoldoende begrip is van het Gemeenschapsrecht,

F.   overwegende dat het gelijkheidsbeginsel voor de wet, volgens welk beginsel elke burger van de Unie onder gelijke omstandigheden gelijke rechten heeft, niet alleen betrekking heeft op de wetgeving van de Europese Unie maar ook op de nationale omzettingswetgeving, zou het ten zeerste gewenst zijn als bij gelegenheid van het verstrijken van de termijn voor de omzetting van een Europese norm, de lidstaten niet alleen een expliciete verwijzing in de omzettingsnorm toevoegen, maar ook in de Staatscourant publiceren welke nationale bepalingen de betreffende norm beogen uit te voeren en welke nationale instantie is belast met de tenuitvoerlegging van die bepalingen,

G.   overwegende dat klachten van burgers niet alleen symbolisch zijn bij de opbouw van een "Europa van de burgers", maar tevens een meetbare en efficiënte vorm van controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht vormen,

H.   overwegende dat verzoekschriften aan het Parlement een waardevolle manier zijn om inbreuken op het Gemeenschapsrecht in de lidstaten op te sporen, en overwegende dat het aantal verzoekschriften de afgelopen jaren aanzienlijk is gestegen, met meer dan 1 000 ingediende verzoekschriften in 2006,

I.   overwegende dat de kwesties die in verzoekschriften het meest aan de orde worden gesteld betrekking hebben op de erkenning van onderwijs- en beroepskwalificaties, belastingen, het recht op vrij verkeer binnen het grondgebied van de lidstaten en kwesties op het gebied van discriminatie,

J.   overwegende dat het aantal bij de Europese Ombudsman in 2006 ingediende klachten stabiel bleef op 3 830; overwegende dat 75% van de ontvangen klachten buiten het werkterrein van de Ombudsman vielen, aangezien het zaken waren die door de nationale of regionale autoriteiten in de lidstaten moeten worden behandeld, en overwegende dat 70% van de door de Ombudsman verrichte onderzoeken, net als vorige jaren, betrekking hadden op de Commissie,

K.   overwegende dat het beginsel van het verbod op discriminatie een van de hoekstenen is van het Europese integratieproces en rechtstreeks is verbonden met het functioneren van de interne markt, in het bijzonder het beginsel van het vrije verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal, en tevens gelijke rechten en kansen voor alle burgers van de Unie waarborgt,

L.   overwegende dat het burgerschap van de Unie, zoals vastgelegd in het Verdrag van Maastricht, burgers het recht geeft zich vrijelijk binnen het grondgebied van de lidstaten te bewegen, evenals een aantal politieke rechten, en overwegende dat de instellingen van de EU deze rechten moeten waarborgen,

M.   overwegende dat de termijn voor tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG tot vereenvoudiging van het recht op vrij verkeer binnen het grondgebied van de lidstaten, op 30 april 2006 is verlopen,

N.   overwegende dat er voor studenten nog steeds belemmeringen bestaan bij het vrije verkeer of de toegang tot onderwijs in andere lidstaten, in de vorm van administratieve barrières of de toepassing van quota (waarmee studenten uit andere lidstaten bij de inschrijving worden gediscrimineerd); overwegende dat interventie door de EU uitsluitend mogelijk is bij gevallen van discriminatie op grond van nationaliteit,

O.   overwegende dat in artikel 39 van het Verdrag wordt bepaald dat het vrije verkeer van werknemers betekent dat er een einde komt aan alle vormen van discriminatie van werknemers uit andere lidstaten op het gebied van werkgelegenheid, loon en andere werk- en arbeidsvoorwaarden, alsook dat afgeleide communautaire voorschriften vele bepalingen bevatten met het doel deze vorm van discriminatie doeltreffend tegen te gaan

P.   overwegende dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de mate waarin een lidstaat het Gemeenschapsrecht ten uitvoer legt, met inbegrip van milieubescherming, en het vermogen van die lidstaat om gebruik te maken van de beschikbare financiering voor essentiële investerings-, infrastructuur- en moderniseringsprojecten,

Jaarverslag over 2006 en maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de resolutie van het Parlement van 21 februari 2008

1.   is verheugd over de reeds aangehaalde mededeling van de Commissie van 5 september 2007 en over het feit dat de Commissie zich inzet om de huidige werkmethodes te verbeteren, teneinde prioriteit aan te brengen in de afhandeling en het beheer van bestaande procedures en deze te versnellen; wijst er desalniettemin op dat de Commissie nog niet heeft geantwoord op en nog geen gehoor heeft gegeven aan bovengenoemde resolutie van het Europees Parlement van 21 februari 2008 waarin het Parlement de Commissie vraagt om exacte informatie over verschillende aspecten van de toepassing van het Gemeenschapsrecht, onder bijzondere verwijzing naar de ontwikkeling van bovengenoemde nieuwe werkwijze;

2.   is uiterst bezorgd dat de Commissie, met de nieuwe werkmethode, waardoor klachten die de Commissie heeft ontvangen worden doorverwezen naar de betrokken lidstaten (die in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de onjuiste toepassing van communautaire wetgeving), zich wellicht niet kan kwijten van haar institutionele taak als "hoedster van de Verdragen", overeenkomstig artikel 211 van het EG-Verdrag; merkt op dat de Commissie vaak het enige orgaan is waartoe burgers zich kunnen wenden om te klagen over gebrekkige toepassing van communautaire wetgeving; dringt er bij de Commissie op aan tegen november 2008 een eerste verslag voor te leggen aan het Europees Parlement over de gevolgde procedures en de behaalde resultaten gedurende het eerste half jaar van het op 15 april 2008 gestarte proefproject, waarbij 15 lidstaten betrokken zijn;

3.   benadrukt dat de Commissie, krachtens artikel 211 van het EG-Verdrag, de verantwoordelijke instelling is voor de toepassing van de bepalingen van het Verdrag en de hieruit voortvloeiende maatregelen die de instellingen nemen en dat zij, overeenkomstig artikel 226, bevoegd is maatregelen te nemen tegen lidstaten die een verplichting uit hoofde van het Verdrag niet nakomen;

4.   moedigt de Commissie aan om het principe volgens welk elke correspondentie die in aanmerking komt om te worden onderzocht als klacht over een reële schending van het Gemeenschapsrecht ook als klacht moet worden geregistreerd, breed toe te passen als geen sprake is van een uitzonderingsbepaling zoals geformuleerd onder punt 3 van de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 getiteld'Betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het gemeenschapsrecht (COM(2002)0141)"; verzoekt de Commissie het Parlement te informeren hoe dit principe gerespecteerd blijft nadat de nieuwe werkmethode van kracht is geworden; moedigt de Commissie aan het Parlement te informeren en te raadplegen en over iedere wijziging in de uitzonderingsbepalingen betreffende het niet registreren van klachten;

5.   wijst erop dat de belangrijkste problemen met de inbreukprocedure verband houden met de duur (gemiddeld verstrijken er 20,5 maanden tussen de registratie van de zaak en de verzending van het verzoek tot aanhangigmaking aan het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 226 van het EG-Verdrag) en het beperkte gebruik van artikel 228; dringt er bij de Commissie op aan alles in het werk te stellen om de relatief lange tijd die verstrijkt om klachten of verzoekschriften te behandelen te verkorten en praktische oplossingen te vinden voor de gesignaleerde problemen door na ontvangst van de klacht meteen te besluiten of alternatieve methoden, zoals SOLVIT dat nog steeds onvoldoende wordt gepromoot, wellicht geschikter zijn;

6.   merkt op dat er onder de in 2006 gecontroleerde inbreukzaken een aanzienlijke toename was van het aantal zaken waarbij nog steeds geen gevolg was gegeven aan het arrest van het Hof en wijst erop dat er in 2006 twee gevallen waren waarin lidstaten boetes werden opgelegd; verzoekt de Commissie artikel 228 van het EG-Verdrag strenger toe te passen, om ervoor te zorgen dat de arresten van het Hof van Justitie worden nageleefd;

7.   verzoekt de Commissie, in verband met het voortdurende probleem dat lidstaten de termijn waarbinnen zij richtlijnen moeten omzetten niet naleven, een lijst op te stellen met de richtlijnen met het laagste uitvoeringsniveau, samen met een overzicht van de waarschijnlijke redenen hiervoor;

8.   verwelkomt de inspanningen die enkele directoraten-generaal van de Commissie en in het bijzonder het DG Milieu zich getroosten om de controles op naleving van de relevante richtlijnen te verbeteren, maar is niet tevreden over het antwoord van de Commissie inzake de vertrouwelijkheid van het onderzoek naar naleving; maant de Commissie opnieuw om op haar website de onderzoeken te publiceren die zijn aangevraagd vanuit diverse directoraten-generaal, over de beoordeling van de nationale uitvoeringsmaatregelen en in hoeverre die overeenstemmen met het Gemeenschapsrecht;

9.   wijst op het feit dat de nationale rechtbanken in de meeste lidstaten onvoldoende samenwerken met het Hof van Justitie, omdat zij blijven weigeren het beginsel van de voorrang van het Gemeenschapsrecht toe te passen; wijst voorts op de extreem belangrijke rol van de procedure van het verzoek om een prejudiciële beslissing bij de juiste toepassing van het Gemeenschapsrecht;

10.   steunt in dit verband de inspanningen van de Commissie om te bepalen op welke terreinen aanvullende opleidingen in Gemeenschapsrecht nuttig zouden kunnen zijn voor nationale rechters, rechtsbeoefenaars en ambtenaren;

Interinstitutionele samenwerking

11.   is van oordeel dat overeenkomsten over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht en nauwe samenwerking tussen de Commissie, de Raad, de Europese Ombudsman en de betreffende commissies van het Europees Parlement van essentieel belang zijn om te zorgen voor daadkrachtige maatregelen in alle gevallen waarin een indiener van een verzoekschrift terecht heeft geklaagd over een schending van het Gemeenschapsrecht;

12.   wijst erop dat verzoekschriften die werkelijke inbreuken op het Gemeenschapsrecht aan het licht brengen, ook al zijn het er weinig (vier in 2006), een onvervangbare bron van informatie zijn over de fundamentele eisen van de burgers van Europa en door de Commissie in verband met wetgevende maatregelen als leidraad moeten worden gebruikt;

13.   benadrukt de behoefte aan een betere informatievoorziening aan burgers, zodat iemand die een klacht wil indienen naar het nationale of communautaire orgaan wordt geleid dat de zaak het beste kan behandelen; is van oordeel dat een cultuur van goed beheer en dienstverlening binnen de instellingen van de EU moet worden bevorderd, zodat burgers op de juiste manier worden behandeld en hun rechten ten volle kunnen uitoefenen;

14.   stelt voor dat de Commissie aandacht blijft schenken aan de vraag in hoeverre het haalbaar is om gebruik te maken van haar vertegenwoordigingen in de lidstaten om de tenuitvoerlegging ter plekke te observeren en controleren;

15.   onderstreept de noodzaak om aandacht te schenken aan het eerder geopperde idee van een gemeenschappelijk punt waartoe burgers zich kunnen wenden met al hun klachten en problemen die verband houden met het toezicht op de toepassing van het Gemeenschapsrecht, gezien het feit dat de burger momenteel wordt geconfronteerd met een overvloed aan mogelijkheden (verzoekschriften, klachten, de Ombudsman, SOLVIT, enz.), waardoor een centraal bewegwijzeringssysteem doeltreffender en tijdige resultaten zou kunnen opleveren;

16.   is verheugd over het feit dat de jaarlijkse verslagen van de Commissie over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht vergezeld gaan van bijlagen die dieper ingaan op de informatie uit het verslag en tevens van essentiële statistische gegevens;

17.   erkent dat de permanente commissies van het Parlement een veel actievere rol zouden moeten vervullen bij de controle op toepassing van het Gemeenschapsrecht; vindt dat de commissies voldoende administratieve ondersteuning zouden moeten krijgen om deze rol op een efficiënte manier te vervullen; vraagt aan de Werkgroep hervorming van de parlementaire werkzaamheden, aan de Begrotingscommissie en aan de andere permanente organen van het Parlement om de mogelijkheid te overwegen binnen het secretariaat van elke commissie een speciale task force in te stellen om een permanente en efficiënte controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht te garanderen;

Samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen

18.   verzoekt om nauwere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen, teneinde een effectieve controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht op nationaal, regionaal en lokaal niveau te bevorderen en te vergroten; is van oordeel dat nationale parlementen een belangrijke rol spelen bij de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht en daarmee bijdragen aan de democratische legitimiteit van de Europese Unie en haar dichter bij de burgers brengen;

19.   herinnert eraan dat, op basis van het protocol betreffende de rol van de nationale parlementen dat is gehecht aan het Verdrag van Amsterdam, het beleid met betrekking tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid voorwerp moet zijn van extra betrokkenheid van nationale parlementen en de Conferentie van Commissies voor Europese aangelegenheden (COSAC); is van mening dat deze betrokkenheid zowel moet gelden in de voorbereidingsfase van het besluitvormingsproces als in de tenuitvoerleggingsfase van de Europese wetgeving, zodat zowel Europese als nationale wetgevende instanties wijzigingen kunnen aannemen die nodig zouden kunnen zijn in sectoren waar sprake is en blijft van een gedeelde bevoegdheid; nodigt daarom de op Europees en nationaal niveau bevoegde parlementaire commissies uit om permanente contacten te onderhouden over de specifieke wetgevingsdossiers en alle bruikbare informatie uit te wisselen voor een wetgevingsproces dat zowel op Europees als nationaal niveau doorzichtig en efficiënt is; staat gunstig tegenover het organiseren van specifieke ontmoetingen tussen Europese wetgevende instanties zoals op 6 april 2008 tussen nationale parlementen ter gelegenheid van de herziening van het kaderbesluit inzake terrorismebestrijding, in de loop waarvan het mogelijk is gebleken om niet alleen de problemen met betrekking tot de vigerende Europese wetgeving maar ook de deugdelijkheid van de wijzigingsvoorstellen ter behandeling in de Raad in beschouwing te nemen;

20.   wijst erop dat de regeling van het Verdrag van Lissabon betreffende de controle op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel de nationale parlementen een aanzienlijk grotere rol zou bieden bij het opstellen van communautaire wetgeving;

Bestrijden van discriminatie in de Europese Unie

21.   wijst erop dat het concept van burgerschap het kader van het beginsel van het verbod op discriminatie aanzienlijk verbreedt;

22.   merkt de recente stijging van arresten van het Hof van Justitie op die gebaseerd zijn op het concept van het burgerschap van de Unie en betrekking hebben op het recht op vrij verkeer, op grond waarvan de lidstaten ingezetenen die hun recht op vrij verkeer en vestiging in een andere lidstaat hebben gebruikt niet ongunstiger mogen behandelen dan degenen die geen gebruik hebben gemaakt van dit recht;

23.   verzoekt de lidstaten de rechten die voortvloeien uit het burgerschap van de Unie, met inbegrip van het stemrecht en het recht zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen van het Europees Parlement, wat met name belangrijk is in de aanloop naar de verkiezingen van 2009, te waarborgen;

24.   merkt op dat het Parlement verzoekschriften heeft ontvangen waarin wordt geklaagd over schendingen van Richtlijn 2004/38/EG door bepaalde lidstaten; vestigt de aandacht op het feit dat de richtlijn van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat EU-burgers zich vrijelijk op het grondgebied van de lidstaten kunnen bewegen; wijst erop dat de Commissie van plan is in de tweede helft van 2008 een verslag in te dienen over de tenuitvoerlegging van de richtlijn;

25.   verzoekt de Commissie de omzetting van Richtlijn 2000/43/EG en Richtlijn 2000/78/EG nauwkeurig te controleren, na te gaan of de door de lidstaten goedgekeurde omzettingswetgeving overeenstemt met de bepalingen van die richtlijnen en door middel van inbreuk- en niet-nalevingsprocedures druk te blijven uitoefenen op de lidstaten, zodat zij zo spoedig mogelijk voldoen aan hun verplichting de richtlijnen om te zetten; is van mening dat de daartoe bevoegde commissie van het Parlement een rol moet spelen bij de voortdurende controle op de verplichtingen van de lidstaten die voortvloeien uit die richtlijnen;

26.   neemt met genoegen kennis van het feit dat de Commissie op 2 juli 2008 overeenkomstig de jaarlijkse beleidsstrategie voor 2008 een voorstel (COM(2008)0426)heeft aangenomen voor een horizontale richtlijn tot uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling buiten het kader van werkgelegenheid, die zorgt voor gelijke toegang tot goederen, diensten, huisvesting, onderwijs, sociale bescherming en maatschappelijke voordelen, welke een belangrijke aanvulling vormt op het huidige pakket van maatregelen tegen discriminatie;

27.   verzoekt de Commissie een grondige analyse uit te voeren van gevallen waarin lidstaten studenten uit andere landen niet op nationaliteit gebaseerde beperkingen opleggen op toegang tot onderwijs, teneinde ervoor te zorgen dat studenten zich vrijelijk kunnen bewegen en op gelijke wijze behandeld worden aan de instellingen voor hoger onderwijs van de betreffende lidstaten;

28.   verzoekt met name de lidstaten die het meest in aanmerking komen voor de structuurfondsen in het kader van het meerjarige financiële kader voor de periode 2007-2013 om hun nationale wetgeving zo spoedig mogelijk in lijn te brengen met EU-normen, met name op het gebied van milieubescherming, en aanbestedingsprocedures te volgen die transparant zijn voor burgers, teneinde doeltreffend gebruik te maken van de beschikbare structuurfondsen en de sociale en economische ontwikkelingen op regionaal niveau een impuls te geven;

o
o   o

29.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Europese Ombudsman en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 225 van 12.8.1986, blz. 40.
(2) PB L 145 van 19.6.1996, blz. 4.
(3) PB L 46 van 17.2.1997, blz. 20.
(4) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(5) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(6) PB L 269 van 5.10.2002, blz. 15.
(7) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0060.


Strategie voor de toekomstige regeling van institutionele aspecten voor regelgevende agentschappen
PDF 144kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over een strategie voor de toekomstige regeling van institutionele aspecten voor regelgevende agentschappen (2008/2103(INI))
P6_TA(2008)0495A6-0354/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2008 "Europese agentschappen – Verdere ontwikkelingen"(COM(2008)0135),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 januari 2004 over de mededeling van de Commissie "Kader voor Europese regelgevende agentschappen"(1),

–   gezien het ontwerp voor een interinstitutioneel akkoord van 25 februari 2005 betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen (COM(2005)0059),

–   gezien de samen door de commissie Institutionele aangelegenheden en de Begrotingscommissie aan de Raad gestelde mondelinge vraag met debat en het antwoord van de Raad tijdens zijn zitting van 15 november 2005 (O-0093/05),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 december 2005 over het voorstel van de Commissie betreffende een inter-institutioneel akkoord voor een kader voor Europese regelgevende agentschappen(2),

–   gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 17 april 2008,

–   gezien het schrijven van 7 mei 2008 van de voorzitter van de Commissie aan de voorzitter van het Europees Parlement en aan de fungerend voorzitter van de Raad die inzake de oprichting van een interinstitutionele werkgroep op politiek niveau,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie Institutionele aangelegenheden, en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie Begrotingscontrole, de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie (A6-0354/2008),

A.   overwegende dat de inspanningen van het Parlement en de Commissie ter vaststelling van een juridisch bindend kader voor Europese regelgevende agentschappen, tot niets hebben geleid,

B.   overwegende dat er geen enkele substantiële voortgang is bereikt ten aanzien van het ontwerp voor een interinstitutioneel akkoord van 2005, vanwege de tegenstand op politieke en institutionele gronden van de Raad, en dat de Commissie heeft besloten haar voorstel voor een interinstitutioneel akkoord in te trekken en in de plaats daarvan op te roepen tot het deelnemen aan een interinstitutionele dialoog om tot een gemeenschappelijke aanpak te komen,

C.   overwegende dat, hoewel de regelgevende agentschappen op het eerste gezicht "micro-instellingen" lijken te zijn, ze desalniettemin macro-effecten hebben op het niveau van Europees beheer,

D.   oordelende dat het nog steeds nodig is om ten minste de belangrijkste structurele kenmerken vast te stellen van de regelgevende agentschappen, voor zover zij een erkende para-institutionele component van de Europese Unie zijn geworden,

E.   overwegende dat de Commissie voorstelt een interinstitutionele werkgroep op te richten om het kader vast te stellen van de regelgevende agentschappen en de bevoegdheden te definiëren van elk van de organen van de Europese Unie ten opzichte van deze agentschappen,

F.   overwegende dat de Commissie tegen 2009-2010 een horizontale evaluatie moet uitwerken van de regelgevende agentschappen en op zo kort mogelijke termijn een rapport over de conclusies van deze evaluatie moet overleggen aan het Parlement en de Raad,

G.   overwegende dat het besluit van de Commissie om geen nieuwe agentschappen op te richten zolang als de interinstitutionele werkgroep haar werkzaamheden nog niet voltooid heeft, moeten worden toegejuicht,

H.   overwegende dat de Commissie zich moet houden aan de richtsnoeren van het ontwerp voor een interinstitutioneel van 2005 inzake wijzigingen in de basisbesluiten betreffende de bestaande agentschappen zodat deze consistent zijn met de nieuwe aanpak,

I.  I overwegende dat er reeds een uniform regelgevend kader(3) bestaat voor de uitvoerende agentschappen waaraan het beheer van communautaire programma's voor een bepaalde periode, is gedelegeerd,

Algemene overwegingen

1.   is van mening dat het voorstel van de Commissie een prijzenswaardig initiatief is en verklaart zich bereid om middels zijn vertegenwoordigers deel te nemen aan de werkzaamheden van de interinstitutionele werkgroep; overweegt evenwel dat "de gemeenschappelijke benadering" niet volledig voldoet aan zijn verwachtingen inzake het bereiken van een inter-institutioneel akkoord; merkt op dat dit geen beletsel vormt voor de ontwikkeling van andere vormen van vergelijk als resultaat van de activiteiten van werkgroep,

2.   roept de Raad op om ook in zijn hoedanigheid als een van de poten van de begrotingsautoriteit een constructieve bijdrage te leveren aan de werkzaamheden van deze werkgroep;

3.   vraagt aan de Raad en de Commissie om op zo kort mogelijke termijn en samen met het Parlement het werkprogramma voor de interinstitutionele werkgroep vast te stellen, zodat de werkgroep in het najaar van 2008 kan beginnen;

4.   is van mening dat het werkprogramma van de interinstitutionele groep onder meer de volgende punten moet omvatten:

   concretisering van de gebieden waarop de horizontale evaluatie, die door de Commissie voor het einde van 2009 uitgevoerd moet worden, zich zal moeten richten,
   vaststelling van objectieve criteria op basis waarvan de noodzaak van de agentschappen beoordeeld kan worden, waarbij rekening moet worden gehouden met eventuele vervangende oplossingen;
   beoordeling, regelmatig en op een gecoördineerde en coherente wijze, van de werkzaamheden en de prestaties van de agentschappen, met inbegrip van een externe beoordeling, met name door middel van kosten-batenanalyses;
   beoordeling of de optie van agentschappen kosteneffectiever is dan het laten uitvoeren van de betreffende taken door de diensten van de Commissie zelf;
   evaluatie van mogelijk winstverlies als gevolg van het feit dat bepaalde activiteiten niet door de diensten van de Commissie worden uitgevoerd maar door de regelgevende agentschappen;
   maatregelen vaststellen die de transparantie van de agentschappen bevorderen, met name door harmonisering van hun fundamentele structurele kenmerken.
   vaststellen van de grenzen van de zelfstandigheid van de agentschappen en van de op hen uitgeoefende controle, en met name de aard en reikwijdte van de verantwoordelijkheden van de Commissie ten aanzien van hun respectieve activiteiten, waarbij rekening gehouden wordt met het feit dat de verantwoordingsplicht van de Commissie niet groter mag zijn dan de feitelijke invloed die de Commissie op de activiteiten van het agentschapen als zodanig uitoefent,
   aanwijzen van de vertegenwoordigers voor de organen van de Raad en de Commissie die de regelgevende agentschappen controleren, en het horen van kandidaten door de bevoegde commissie van het Parlement,
   aanwijzen van uitvoerende organen van de agentschappen en met name hun directeur, en de rol van het Parlement in dit opzicht verduidelijken;
   de noodzaak van een standaardaanpak voor de agentschappen met betrekking tot de presentatie van hun activiteiten gedurende het betreffende financiële jaar en van hun financiële stukken en verslagen inzake de begroting en het financieel beheer;
   een standaardeis voor de directeuren van alle agentschappen om een betrouwbaarheidsverklaring op te stellen en te ondertekenen, zo nodig met voorbehouden;
   een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, waarbij duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen
   een jaarverslag bestemd voor een algemeen publiek over de activiteiten, werkzaamheden en prestaties van het orgaan;
   financiële overzichten en een verslag over de uitvoering van de begroting;
   een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie;
   een betrouwbaarheidsverklaring ondertekend door de directeur van het orgaan, samen met eventuele voorbehouden of opmerkingen die de directeur onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit denkt te moeten brengen;
   een definitie van de beginselen aan de hand waarvan kan worden bepaald of en zo ja, in welke mate agentschappen zouden moeten worden gefinancierd uit honoraria of betalingen;
   een voortdurende beoordeling van de noodzaak van bestaande agentschappen en het vaststellen van criteria om het moment te bepalen waarop een agentschap zijn taak heeft volbracht en opgeheven kan worden;

5.   betreurt het ontbreken van een algemene strategie voor de oprichting van EU agentschappen; merkt op dat nieuwe agentschappen van geval tot geval worden opgericht, wat leidt tot een ondoorzichtige lappendeken van regelgevende agentschappen, uitvoerende agentschappen en overige communautaire organen, die elk een afzonderlijke schepping inhouden;

6.   neemt kennis van het standpunt van de Commissie volgens hetwelk de oprichting van regelgevende agentschappen, die soms plaatsvindt in samenwerking met het Parlement, een vorm van samenwerking tussen de lidstaten is en dat het functioneren van dergelijke agentschappen bestaat in de interoperabiliteit en de uitoefening van bevoegdheden, die, wanneer zij uitsluitend aan de instellingen van de EU zouden worden verleend, aanleiding zouden geven tot bezwaren in verband met centralisatie;

7.   roept de Raad en de Commissie op om samen met het Parlement een duidelijk, gemeenschappelijk en samenhangend kader te formuleren voor de toekomstige plaats van de regelgevende agentschappen in de opzet van het EU-bestuur;

8.   is van oordeel dat de transparantie van de regelgevende agentschappen verzekerd moet zijn, met name ten aanzien van hun functioneren, de openbaarmaking en toegankelijkheid van informatie en de programmering van hun werkzaamheden en het afleggen van verantwoording daarover;

9.   is van mening dat de prioriteit van het "gemeenschappelijk kader" voor een goede interinstitutionele verstandhouding gericht moet zijn op het rationalisering van de werking en de optimalisering van de toegevoegde waarde van regelgevende agentschappen, door bevordering van de transparantie, zichtbare democratische controle en grotere efficiency;

10.   is van mening dat het vaststellen van minimale gemeenschappelijke beginselen en regels inzake de structuur, de werking en controle van alle regelgevende agentschappen, ongeacht hun aard, noodzakelijk is;

11.   is van mening dat de deelname aan de activiteiten van de regelgevende agentschappen gegarandeerd moet worden door het overleg en de dialoog met de belanghebbenden formeel te structureren;

12.   overweegt dat de uiteenlopende structuren en werking van de agentschappen ernstige vragen oproept ten aanzien van regelgevingsparameters, goed bestuur en institutionele verhoudingen in de zin van centralisatie en decentralisatie;

13.   pleit ervoor dat de beginselen van goed bestuur worden gewaarborgd door een gemeenschappelijke benadering op het gebied van personeelsselectie, budgettering en middelenbeheer, efficiënt management en prestatiebeoordeling;

14.  zal onderzoeken of de door de Commissie aangegane verbintenis om elk voorstel voor de oprichting van nieuwe agentschappen op te schorten ook betrekking moet hebben op de twee thans aanhangige voorstellen op het gebied van energie en telecommunicatie;

15.   benadrukt de noodzaak van de invoering van parlementaire controle over de vorming en de werking van regelgevende agentschappen, die hoofdzakelijk zou moeten bestaan in:

   het aan het Parlement overleggen van het jaarverslag door de agentschappen zelf,
   het eventueel uitnodigen van de directeur van elk agentschap om tijdens de benoemingsprocedure voor de bevoegde parlementaire commissie te verschijnen, en
   de verlening door het Parlement van kwijting voor de uitvoering van de begroting van die agentschappen welke gemeenschapsgeld ontvangen;

16.   roept de Commissie op om prompt voor het einde van de periode 2009-2010 de conclusies van de horizontale evaluatie van de regelgevende agentschappen te overleggen, zodat de conclusies in overweging kunnen worden genomen door de interinstitutionele werkgroep;

17.   vraagt de Commissie om criteria op te stellen om die resultaten te kunnen vergelijken en duidelijke regels vast te stellen voor het beëindigen van het mandaat van agentschappen wanneer deze slecht presenteren;

18.   vraagt aan de voorzitter en aan de Conferentie van voorzitters om prioriteit toe te kennen aan de kwestie van de samenstelling van de door de Commissie voorgestelde werkgroep, en acht het juist dat het Parlement in deze groep wordt vertegenwoordigd door de voorzitters of de rapporteurs van de Commissie constitutionele zaken, de Begrotingscommissie, alsmede twee andere commissies die praktische ervaring hebben met de controle van de werkzaamheden van regelgevende agentschappen;

19.   herhaalt de oproep van zowel het Parlement als de Commissie in het ontwerp van 2005 voor een interinstitutioneel akkoord om de beslissing over de zetel van een agentschap op te nemen in het basisbesluit;

Budgettaire overwegingen

20.   wenst het belang te herhalen van het systematisch waarborgen op interinstitutioneel niveau van de toepassing van de procedure van punt 47 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(4) (IIA van 17 mei 2006) en benadrukt de noodzaak om te zorgen voor een passende follow-up van de Gezamenlijke Verklaring van 13 juli 2007 van het Parlement, de Raad en de Commissie over gedecentraliseerde agentschappen;

21.   is er van overtuigd dat een gedetailleerde procedure voor de toepassing van die bepaling absoluut noodzakelijk is; is van mening dat een dergelijke procedure een mogelijke gelegenheid kan bieden voor het onderbrengen van enkele van de belangrijke aspecten van het geblokkeerde ontwerp van de interinstitutionele overeenkomst van 2005, wellicht in combinatie met enkele aanpassingen van de financiële kaderregeling voor agentschappen(5);

22.   concludeert dat indien uit de evaluaties blijkt dat kosteneffectiviteit en efficiëntie van gedecentraliseerd bestuur niet gewaarborgd zijn, de Europese Unie niet zou moeten aarzelen om de huidige tendens tot uitbesteden van Commissietaken terug te draaien en duidelijke regels zou moeten opstellen voor het beëindigen van het mandaat van gedecentraliseerde agentschappen;

23.   ondersteunt de intentie van de Commissie om geen nieuwe gedecentraliseerde agentschappen voor te stellen totdat de het evaluatieproces is voltooid, met name tegen de achtergrond van het feit dat de marges van het huidige meerjarig financieel kader het uiterst moeilijk zouden maken om op dit moment een nieuw communautair orgaan te financieren zonder serieuze herprogrammering;

24.   is vanuit begrotingsoogpunt van mening dat de onderstaande onderwerpen essentiële kwesties zijn voor de agenda van de interinstitutionele werkgroep over de toekomst van EU-agentschappen;

Vaststellen van de definitie van een agentschap

25.   herinnert in dit opzicht aan de definitie van een "agentschap" die werd vastgesteld in de trialoog van 7 maart 2007, toen werd overeengekomen dat voor de toepassing van punt 47 van de IIA van 17 mei 2006 de definitie van een "agentschap" zou worden bepaald door de vraag of het orgaan in kwestie was opgesteld volgens artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6) (Financieel Reglement);

26.   wil het belang benadrukken dat het toekent aan een duidelijke en samenhangende algemene terminologie met betrekking tot agentschappen die moet worden vastgesteld voor gemeenschappelijk gebruik; herinnert er aan dat 'regelgevende agentschappen' slechts een subgroep vormen van gedecentraliseerde agentschappen;

Nieuwe agentschappen: koppeling tussen wetgevende procedures en begrotingsprerogatieven

27.   vindt het belangrijk om zowel agendaproblemen als juridische en procedurele aspecten te bespreken die zich zouden kunnen voordoen indien er geen tijdige overeenkomst over de financiering van een nieuw agentschap kan worden bereikt krachtens artikel 47 van de IIA van 17 mei 2006, parallel aan de besluiten die door de wetgever worden genomen; vindt het net zo belangrijk om na te denken over enkele procedurele beschermingsconstructies om de volledige betrokkenheid van de begrotingsautoriteit te waarborgen in alle kwesties die gevolgen hebben voor de begroting, zoals de uitbreiding van de takenlijst van een agentschap;

28.   herhaalt dat het Parlement al in 2005 in zijn bovengenoemde resolutie vroeg om verplichte kosten-batenanalyses voordat er een nieuw agentschap werd voorgesteld, waarbij die analyse zich met name zou moeten richten op de vraag of de "optie van een agentschap (met inbegrip van de waarschijnlijke toezichts- en coördinatiekosten) meer kosteneffectief is dan de relevante taken te laten uitvoeren door de diensten van de Commissie zelf", maar ook op kwesties zoals het mandaat en de werkmethoden van het agentschap of de mate van onafhankelijkheid van de Commissie, die vaak van specifiek belang is voor de wetgever;

Bestaande agentschappen: toezicht

29.   onderstreept de noodzaak van een regelmatige en gecoördineerde evaluatie en controle, waarbij duplicatie en overlap moeten worden voorkomen, om de toegevoegde waarde van reeds bestaande gedecentraliseerde agentschappen te beoordelen die niet meer onder het bereik van punt 47 van de IIA van 17 mei 2006 vallen; ziet dit als een vervolg op de werkzaamheden die eerder zijn uitgevoerd en die hebben geleid tot de gezamenlijke verklaring over communautaire agentschappen die tijdens de trialoog van 18 april 2007 is overeengekomen en volgens welke er overeenstemming was bereikt "om de bestaande communautaire agentschappen regelmatig te evalueren, zich daarbij met name richtend op hun kosten-baten en met een gedetailleerde verklaring van de voor de selectie van de agentschappen die moeten worden geëvalueerd gebruikte criteria ";

30.   merkt op dat de uitgevoerde analyse enkele kosten-batenkwesties moet beantwoorden en onder andere moet worden uitgevoerd overeenkomstig de volgende criteria:

   Relevantie: in hoeverre waren de doelstellingen die zijn voorzien door de oprichtingsregeling van een agentschap relevant voor het niveau van openbare uitgaven dat is goedgekeurd in de begroting?
   Effectiviteit: welke effecten (gevolgen) zijn bereikt door de activiteit van het agentschap?
   Efficiëntie (kosteneffectiviteit): hoe is de diverse input economisch omgezet in output en resultaten? Zijn de (verwachte) effecten bereikt tegen een redelijke kostprijs, in het bijzonder met betrekking tot het ingezette personeel en de interne organisatie?

31.   wijst erop dat, gezien de totale impact van de agentschappen op de begroting, de Commissie overtuigend moet aantonen dat Europees bestuur via de agentschappen de meest kosteneffectieve, efficiënte en passende optie is om het Europees beleid uit te voeren, zowel nu als in de nabije toekomst;

Algemeen gemeenschappelijk kader

32.   benadrukt de noodzaak om gemeenschappelijke minimumnormen vast te stellen met betrekking tot onder andere de rol en de politieke verantwoordelijkheid van de Commissie ten aanzien van het agentschap, de steun die moet worden verleend door gastheerlanden en het tijdige en transparante besluit over de vestigingsplaats van een agentschap waarnaar kan worden verwezen in de oprichtingsregeling van de agentschappen;

33.   herinnert eraan dat de activiteiten van de agentschappen dienen te worden geleid door duidelijke verantwoordingsregels, in overeenstemming met de bepalingen van het Financieel Reglement; legt de nadruk op de verplichtingen van de agentschappen betreffende de kwijtingsprocedure;

34.   is daarnaast van mening dat het uiterst belangrijk is om te trachten enkele gemeenschappelijke regels te definiëren voor de presentatie van de begrotingen van de agentschappen met het oogmerk om begrotingsindicatoren, zoals uitvoeringssnelheden van de agentschappen of de individuele aandelen waaruit hun inkomsten en uitgaven bestaan, transparanter en meer vergelijkbaar te maken; meent dat de algemene presentatie van de subsidie voor agentschappen in de EU-begroting eventueel moet worden aangepast aan de taken en rollen van de nieuwe generatie agentschappen;

35.   wijst erop dat er, volgens de cijfers die de Commissie in haar bovengenoemde mededeling heeft verstrekt, op dit moment 29 regelgevende agentschappen zijn, die zo'n 3 800 personeelsleden in dienst hebben en een jaarlijks budget hebben van ongeveer 1 100 miljoen EUR, inclusief een bijdrage van de Gemeenschap van ongeveer 559 miljoen EUR;

36.   stelt met nadruk dat het controle-/kwijtingsproces evenredig moet zijn aan de grootte van het totale budget van de agentschappen; merkt in het bijzonder op dat de middelen die de Europese Rekenkamer tot zijn beschikking heeft de afgelopen jaren niet evenredig zijn toegenomen met de uitbreiding van het aantal agentschappen;

37.   benadrukt nogmaals de wens die is uitgedrukt in paragraaf 7 van haar besluiten van 22 apritl 2008 inzake de kwijtingsbesluiten inzake de uitvoering van de begroting van de agentschappen van 22 april 2008, dat de prestaties van de agentschappen regelmatig (en op ad hoc basis) gecontroleerd dienen te worden door de Europese Rekenkamer of een andere onafhankelijke controlerende instantie; is van mening dat deze controle niet beperkt zou moeten worden tot traditionele elementen van financieel beheer en de correcte besteding van overheidsgeld, maar dat er ook zou moeten worden gelet op administratieve efficiëntie en effectiviteit en dat een beoordeling van het financieel beheer van elk agentschap er deel van zou moeten uitmaken;

38.   is van oordeel dat alle agentschappen, naast het plan voor hun opzet, een overzicht moeten geven van hun vaste en tijdelijke personeel alsmede een overzicht van hun nationale deskundigen en de veranderingen moeten aangeven ten opzichte van de twee voorafgaande jaren;

39.   vraagt aandacht voor het speciale verslag nr. 5/2008 van de Europese Rekenkamer over het solide financieel beheer van agentschappen, met speciale aandacht voor prestatiecontroles;

40.   verzoekt de Commissie de administratieve functies van de kleinere agentschappen samen te voegen om de vereiste kritische massa te scheppen waarmee de agentschappen op een bevredigende manier kunnen voldoen aan de geldende regels inzake openbare aanbestedingen en zich aan het Financieel Reglement en de dienstvoorschriften(7) kunnen houden;

41.   verzoekt de Commissie om een kritische blik te werpen op de aangevraagde begrotingsmiddelen van de agentschappen, omdat de meeste agentschappen de aangevraagde kredieten niet benutten;

o
o   o

42.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, aan de Commissie en aan de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 92 E van 16.4.2004, blz. 119.
(2) PB C 285 E van 22.11.2006, blz. 123.
(3) Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002, tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd (PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1).
(4) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(5) Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72).
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).


Het arrestatiebevel tegen Joseph Kony met het oog op zijn proces voor het Internationaal Strafhof
PDF 131kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over de dagvaarding en vervolging van Joseph Kony door het Internationaal Strafhof (ICC)
P6_TA(2008)0496B6-0536/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC) en met name artikel 86, en de inwerkingtreding van het Statuut op 1 juli 2002,

–   gezien de ratificatie van het Statuut van Rome door Oeganda op 14 juni 2002,

–   gezien de aanhangigmaking van de situatie betreffende het Verzetsleger van de Heer (LRA) door de Oegandese president Yoweri Museveni bij het ICC in 2003, wat de eerste keer was dat een staat een zaak aanhangig maakte bij het ICC sinds de oprichting ervan,

–   gezien het besluit van de aanklager van het ICC van 29 juli 2004 om een onderzoek in te stellen naar de situatie in Noord-Oeganda,

–   gezien het arrestatiebevel dat op 8 juli 2005 door het ICC is uitgevaardigd tegen Joseph Kony, als gewijzigd op 27 september 2005 (Nr. ICC-02/04-01/05-53),

–   gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(1), gewijzigd bij de Overeenkomst tot wijziging van de partnerschapsovereenkomst, getekend in Luxemburg op 25 juni 2005(2) ("de Overeenkomst van Cotonou"), en in het bijzonder artikel 8 over politieke dialoog en artikel 11, lid 6, over de bevordering van het versterken van vrede en internationale gerechtigheid,

–   gezien Besluit 2002/494/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 tot instelling van een Europees netwerk van aanspreekpunten inzake personen die verantwoordelijk zijn voor genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven(3) en zijn standpunt van 9 april 2002 over het Europees netwerk van aanspreekpunten(4),

–   gezien Besluit 2003/335/JBZ van de Raad van 8 mei 2003 inzake opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven(5) en zijn standpunt van 17 december 2002 over de opsporing en vervolging van oorlogsmisdrijven tegen de menselijkheid(6),

–   gezien gemeenschappelijk standpunt 2003/444/GBVB van de Raad van 16 juni 2003 betreffende het Internationaal Strafhof(7) en het follow-up actieplan van de Raad,

–   gezien de overeenkomst tussen het ICC en de EU inzake samenwerking en bijstand die op 10 april 2006 is ondertekend en op 1 mei 2006 in werking is getreden(8),

–   gezien het aanvullend verslag d.d. 23 juni 2008 van de secretaris-generaal van de VN over kinderen in gewapende conflicten in Oeganda,

–   gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren betreffende kinderen in gewapende conflicten van 2003,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties, met name van 22 mei 2008 over Soedan en het ICC(9), van 3 juli 2003 over schendingen van de mensenrechten in noordelijk Oeganda(10), en van 6 juli 2000 over de ontvoering van kinderen door het Verzetsleger van de Heer (LRA)(11),

–   gezien het besluit van 28 augustus 2008 van het Amerikaanse Ministerie van Financiën om Joseph Kony nieuwe sancties op te leggen, en hem op de zwarte lijst (Specially Designated Naitonals (SON) List) te plaatsen,

–   gezien de gedachtewisseling over het ICC in de vergadering van de Commissie ontwikkelingssamenwerking van het Europees Parlement op 15 september 2008,

–   gelet op artikel 91 en artikel 90, lid 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het ICC in juli 2005 (gewijzigd in september 2005) een arrestatiebevel heeft uitgevaardigd tegen Joseph Kony, de voorzitter en aanvoerder van het LRA, omdat hij ervan wordt verdacht 33 misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te hebben gepleegd; overwegende dat er ook arrestatiebevelen zijn uitgevaardigd tegen de overige commandanten van het LRA onder wie Vincent Otti, Okot Odhiambo en Domic Ongwen,

B.   overwegende dat 12 van de 33 tenlasteleggingen tegen Joseph Kony betrekking hebben op oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder moord, verkrachting, onderwerping, seksuele onderwerping en onmenselijke behandeling van slachtoffers door hen ernstige verwondingen toe te brengen en hen te laten lijden, en 21 op oorlogsmisdaden waaronder moord, wrede behandeling van burgers, opzettelijk aanvallen van burgers, plundering, aanzetten tot verkrachting en ronseling van kinderen,

C.   overwegende dat het LRA al sinds 1986 tegen de regering van Oeganda strijd levert,

D.   overwegende dat er sinds 1986 een gewapende opstand woedt in het noorden van Oeganda, tegenwoordig uit naam van het LRA,

E.   overwegende dat de regering van Oeganda en het LRA in augustus 2006 een overeenkomst hebben ondertekend om de vijandelijkheden te staken,

F.   overwegende dat op het hoogtepunt van het geweld in Noord-Oeganda in 2005 ca. 1,6 miljoen mensen ontheemd waren en in vluchtelingenkampen verbleven, en dat tienduizenden kinderen iedere nacht uit veiligheidsoverwegingen in stadscentra sliepen; overwegende dat hoewel de helft van de ontheemden sinds 2006 naar hun huizen of hun eigen streek terug konden keren, de situatie voor veel ontheemden kritiek blijft omdat ze liever niet terug gaan voor er een definitief vredesakkoord is,

G.   overwegende dat de rampzalige gevolgen van dit conflict, waardoor meer dan 20 000 kinderen zijn ontvoerd en enorm menselijk lijden is veroorzaakt, met name onder de burgerbevolking, alsmede ernstige schendingen van de mensenrechten, waardoor grote delen van de bevolking ontheemd zijn geraakt en sociale en economische structuren zijn ontwricht, aanleiding tot ernstige bezorgdheid geeft; overwegende dat de ontvoering van kinderen, hen gebruiken als seksslaven of soldaten een oorlogsmisdaad is en een misdaad tegen de menselijkheid,

H.   overwegende dat het LRA alleen al in 2008 naar verluidt 200 tot 300 kinderen heeft ontvoerd in de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR), Zuid-Soedan en de Democratische Republiek Congo (DRC) en daarmee een nieuwe generatie slachtoffers hetzelfde geweld aandoet,

I.   overwegende dat het LRA het Soedanese Bevrijdingsleger in juli 2008 bij Nabanga heeft aangevallen en ongeveer 20 soldaten van dat leger heeft gedood,

J.   overwegende dat Joseph Kony herhaaldelijk niet is komen opdagen in Juba en tot dusver weigert het definitieve vredesakkoord te tekenen 'totdat de ICC-arrestatiebevelen en andere kwesties in het akkoord zijn opgelost door de Gezamenlijke Liaison Groep'; overwegende dat over het definitieve vredesakkoord is onderhandeld door de Speciale Afgezant van de VN-Secretaris-generaal voor LRA-aangelegenheden, de oud-president van Mozambique, Joaquim Chissano,

K.   overwegende dat Joseph Kony de adempauze tijdens het vredesproces heeft gebruikt om zijn LRA-strijdkrachten in de DRC te hergroeperen en reorganiseren,

L.   overwegende dat het LRA momenteel het aantal strijders opvoert door middel van ontvoeringen, omdat de staten er niet in slagen Kony en de overige LRA-legerleiders te arresteren,

M.   overwegende dat het LRA volgens het Kinderfonds van de VN (UNICEF) in september 2008 naar verluidt 90 Congolese schoolkinderen heeft ontvoerd uit de steden Kiliwa en Duru, DRC en verschillende andere plaatsen heeft aangevallen waardoor veel mensen in dat gebied ontheemd zijn geraakt,

N.   overwegende dat het ICC een cruciale rol speelt ter voorkoming en terugdringing van het plegen van ernstige misdrijven die onder zijn jurisdictie vallen en een essentieel instrument is ter bevordering van de eerbiediging van het internationaal humanitair recht en de mensenrechten, en daarmee een bijdrage levert aan vrijheid, veiligheid, rechtvaardigheid en de rechtstaat, alsmede aan het behoud van vrede en het versterken van internationale veiligheid,

O.   overwegende dat de jurisdictie van het ICC betrekking heeft op de ernstigste misdaden die de internationale gemeenschap met zorg vervullen en met name genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden die zijn begaan na 1 juli 2002,

P.   overwegende dat overeenkomstig het Statuut van Rome de verdragspartijen dergelijke misdaden willen vervolgen in hun nationale jurisdictie en interventies van het ICC steunen wanneer nationale staten zich niet van hun plichten kwijten,

Q.   overwegende dat alle lidstaten het Statuut van Rome hebben geratificeerd, behalve Tsjechië,

R.   overwegende dat in de reeds aangehaalde samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het ICC, gesloten om onder meer het nakomen van de verplichting tot samenwerking en bijstand te vergemakkelijken, de partijen overeenkwamen passende regelmatige contacten tussen het ICC en het EU-contactpunt voor het Hof in te stellen,

S.   overwegende dat de Unie en haar lidstaten alles in het werk moeten stellen om ervoor te zorgen dat een zo groot mogelijk aantal staten deelneemt aan het ICC en overwegende dat deze doelstelling voor ogen moet worden gehouden tijdens (zowel bilaterale als multilaterale) onderhandelingen en in de politieke dialoog met derde landen en regionale organisaties,

T.   overwegende dat het ICC geïntegreerd moet worden in de externe betrekkingen van de EU en dat de ratificatie en implementatie van het Statuut van Rome ter sprake moet worden gebracht in de politieke dialoog en in de dialoog over mensenrechten (met name tijdens topconferenties en bijeenkomsten op hoog niveau) met derde landen, en tevens in de context van ontwikkelingssamenwerking, zoals in het kader van de Overeenkomst van Cotonou,

1.   dringt er bij de regering van Oeganda en de regeringen van de buurlanden, met name de DRC, op aan volledige medewerking te verlenen aan onderzoeken en vervolgingen van het ICC; dringt met name aan op medewerking om Joseph Kony en andere personen die door het ICC in staat van beschuldiging zijn gesteld te arresteren en uit te leveren;

2.   betreurt ten zeerste dat pogingen om Joseph Kony en andere personen die door het ICC worden beschuldigd te arresteren worden tegengewerkt; herinnert de regering van Oeganda eraan dat zij als partij bij het Statuut van Rome van het ICC de plicht heeft volledige medewerking te verlenen aan het ICC;

3.   merkt op dat in het Statuut van Rome wordt bepaald dat eens personen zijn uitgeleverd aan het ICC, de regering van Oeganda mag verzoeken om terugverwijzing van de zaken naar Oegandese rechtbanken mits het ICC concludeert dat de Oegandese rechtbanken in staat en bereid zijn daadwerkelijk een onderzoek in te stellen tegen de LRA-verdachten die genoemd worden in de arrestatiebevelen en hen te vervolgen;

4.   dringt er bij de Oegandese regering op aan af te zien van overeenkomsten met het LRA die de internationale wetgeving zouden omzeilen;

5.   dringt er bij de lidstaten van de EU, de Afrikaanse Unie (AU) en met name de buurlanden van Oeganda op aan de arrestatiebevelen op consistente wijze ten uitvoer te leggen;

6.   eist de onvoorwaardelijke en onmiddellijke vrijlating van alle personen die door het LRA zijn ontvoerd, met name kinderen die als seksslaaf of als kindsoldaat van het LRA dreigen te eindigen;

7.   dringt bij de internationale gemeenschap aan op onderzoek naar mishandelingen in de CAR, de DRC, en Zuid-Soedan, en naar het ongepubliceerde VN-onderzoek dat gedaan zou zijn naar mishandelingen in de CAR en de resultaten ervan openbaar te maken;

8.   dringt er bij de regeringen van de regio, de VN-missie in de DRC (MONUC) en overige regeringen die als internationale waarnemers aanwezig zijn bij de vredesonderhandelingen op aan om de bewegingen van het LRA te traceren en openbaar te maken door intensievere bewaking van de regionale grenzen en de levering van wapens en andere benodigdheden aan het LRA nauwlettend te volgen en te verbieden; dringt aan op de ontwikkeling van effectieve plannen om uitvoering te geven aan de arrestatiebevelen van het ICC waarbij het risico voor de burgerbevolking moet worden geminimaliseerd en zonder excessief gebruik van geweld, inclusief de inschakeling van MONUC;

9.   dringt er bij de EU-lidstaten op aan, en met name bij de lidstaten die betrokken zijn geweest bij Oeganda en het Juba-vredesproces, om samen te werken met de regionale regeringen en het VN-secretariaat en de vredeshandhavingstroepen ten einde uitvoering te geven aan de arrestatiebevelen van het ICC tegen de LRA-leiders;

10.   herinnert eraan dat gerechtigheid een gemeenschappelijke doelstelling is van de EU en de AU;

11.   herinnert eraan dat de vedragspartijen zich in het Statuut van Rome ertoe hebben verbonden misdrijven die de internationale gemeenschap met zorgen vervullen niet onbestraft te laten en bij te willen dragen dergelijke misdrijven te voorkomen; is er stellig van overtuigd dat het ICC en de ad hoc-tribunalen bijdragen tot een proces van verzoening en vrede;

12.   is bezorgd dat er geen duidelijke pogingen worden ondernomen om te voorkomen dat internationale hulp terechtkomt bij het LRA waardoor Joseph Kony zich kan herbewapenen; dringt er op aan de bevoorradingslijnen van het LRA af te snijden; dringt er bij de regering van Soedan op aan niet langer financiële en militaire steun te verlenen aan het LRA;

13.   verzoekt de EU en internationale donoren de ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van de voormalige LRA-strijders te steunen, alsmede de terugkeer van ontheemden en de schadeloosstelling van de slachtoffers;

14.   is ingenomen met de nauwe en regelmatige contacten tussen hoge ICC-ambtenaren en de EU; wijst op de sterke EU-steun voor de deelname aan en implementatie van het Statuut van Rome; benadrukt dat het EU-leiderschap van essentieel belang is voor de uitvoering van het ICC-mandaat;

15.   is er stellig van overtuigd dat het ICC er op de lange termijn toe bijdraagt dat nieuwe wreedheden worden voorkomen; wijst erop dat het uitblijven van de arrestatie van Joseph Kony de wreedheden en schendingen van de mensenrechten heeft doen voortduren; benadrukt dat er geen sprake kan zijn van vrede en verzoening zonder gerechtigheid voor de slachtoffers;

16.   beveelt de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU aan de situatie in Noord-Oeganda en de schendingen van de mensenrechten door het LRA nauwlettend te volgen;

17.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor het Grote-Merengebied, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de Afrikaanse Unie, de regering van Oeganda, de regeringen van de lidstaten van de EU en van de leden van de VN-Veiligheidsraad, de instellingen van de Afrikaanse Unie en de aanklager van het ICC.

(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(2) PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27.
(3) PB L 167 van 26.6.2002, blz. 1.
(4) PB C 127 E van 29.5.2003, blz. 130.
(5) PB L 118 van 14.5.2003, blz. 12.
(6) PB C 31 E van 5.2.2004, blz. 83.
(7) PB L 150 van 18.6.2003, blz. 67.
(8) PB L 115 van 28.4.2006, blz. 50.
(9) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0238.
(10) PB C 74 E van 24.3.2004, blz. 879.
(11) PB C 121 van 24.4.2001, blz. 401.


Erasmus Mundus-programma (2009-2013) ***I
PDF 200kWORD 51k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een actieprogramma voor de verhoging van de kwaliteit van het hoger onderwijs en de bevordering van het intercultureel begrip door middel van samenwerking met derde landen (Erasmus Mundus) (2009-2013) (COM(2007)0395 – C6-0228/2007 – 2007/0145(COD))
P6_TA(2008)0497A6-0294/2008

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0395),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 149, lid 4, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0228/2007),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0294/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   is van oordeel dat het in het wetgevingsvoorstel vermelde referentiebedrag verenigbaar moet zijn met het maximum van rubriek 1b van het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) en wijst erop dat het jaarlijks bedrag in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure zal worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1);

3.   wijst erop dat de voorgestelde uitbreiding van het Erasmus Mundusprogramma niet onder de taakomschrijving van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur valt; benadrukt dat de tenuitvoerlegging van het programma door het Uitvoerend Agentschap pas mogelijk is als een verruiming van diens taakomschrijving overeenkomstig de vigerende rechtsregelingen goedgekeurd is;

4.   wijst erop dat het indicatieve totaalbedrag van 460 miljoen EUR dat voor de financiering van actie 2 van het programma wordt voorgesteld, uit de budgetten van de verschillende instrumenten voor het extern beleid kan worden opgebracht;

5.   beklemtoont dat de financiering van de activiteiten in het kader van actie 2 niet ten koste mag gaan van andere activiteiten die met de verschillende instrumenten gefinancierd worden; herhaalt zijn standpunt dat nieuwe maatregelen alleen uit de EU-begroting gefinancierd mogen worden als er ook aanvullende financiële middelen voor worden gecreëerd; verzoekt de Commissie het Parlement jaarlijks een verslag voor te leggen met uitvoerige informatie over de activiteiten in het kader van actie 2, uitgesplitst naar financieel instrument en naar regio en land;

6.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

7.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 oktober 2008 met het oog op de aanneming van Besluit nr. .../2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van het actieprogramma Erasmus Mundus 2009-2013 voor de verhoging van de kwaliteit van het hoger onderwijs en de bevordering van het intercultureel begrip door middel van samenwerking met derde landen

P6_TC1-COD(2007)0145


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Besluit 1298/2008/EG.)

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (herschikking) ***I
PDF 195kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (herschikking) (COM(2007)0737 – C6-0442/2007 – 2007/0257(COD))
P6_TA(2008)0498A6-0300/2008

(Medebeslissingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0737),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 80, lid 2, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0442/2007),

–   gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1),

–   gezien de schriftelijke toezeggingen van de vertegenwoordiger van de Raad van 3 september 2008 om het voorstel goed te keuren, overeenkomstig artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag en de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie,

–   gelet op de artikelen 80 bis en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0300/2008),

A.   overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (herschikking) ***I
PDF 197kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (herschikking) (COM(2007)0736 – C6-0439/2007 – 2007/0259(COD))
P6_TA(2008)0499A6-0297/2008

(Medebeslissingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0736),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 175, lid 1, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0439/2007),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1),

–   gezien de schriftelijke toezeggingen van de vertegenwoordiger van de Raad van 7 oktober 2008, om het voorstel als geamendeerd goed te keuren overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van het EG-Verdrag,

–   gelet op de artikelen 80 bis en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0297/2008),

A.   overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie en zoals dit hieronder is geamendeerd;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 oktober 2008 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2008/…/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (herschikking)

P6_TC1-COD(2007)0259


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Richtlijn 2009/41/EG.)

(1) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Statistiek van het zeevervoer van goederen en personen (herschikking) ***I
PDF 196kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen (herschikking) (COM(2007)0859 – C6-0001/2008 – 2007/0288(COD))
P6_TA(2008)0500A6-0288/2008

(Medebeslissingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0859),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 285, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0001/2008),

–   gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1),

–   gezien de schriftelijke toezeggingen van de vertegenwoordiger van de Raad van 8 oktober 2008, om het voorstel als geamendeerd goed te keuren overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van het EG-Verdrag,

–   gelet op de artikelen 80 bis en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0288/2008),

A.   overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie, en zoals dit hieronder is geamendeerd;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 oktober 2008 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2008/…/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen (herschikking)

P6_TC1-COD(2007)0288


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Richtlijn 2009/42/EG.)

(1) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Communautaire statistieken van het goederenverkeer tussen de lidstaten ***I
PDF 194kWORD 66k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 638/2004 betreffende de communautaire statistieken van het goederenverkeer tussen de lidstaten (COM(2008)0058 – C6-0059/2008 – 2008/0026(COD))
P6_TA(2008)0501A6-0348/2008

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0058),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 285, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0059/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0348/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 oktober 2008 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 638/2004 betreffende de communautaire statistieken van het goederenverkeer tussen de lidstaten

P6_TC1-COD(2008)0026


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 222/2009.)


Toepasselijk recht in huwelijkszaken *
PDF 237kWORD 80k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2201/2003 wat de bevoegdheid betreft en tot invoeging van regels inzake toepasselijk recht in huwelijkszaken (COM(2006)0399 – C6-0305/2006 – 2006/0135(CNS))
P6_TA(2008)0502A6-0361/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2006)0399),

–   gelet op de artikelen 61, letter c) en 67, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0305/2006),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0361/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  De mogelijkheid om te kiezen voor het op echtscheiding en scheiding van tafel en bed toepasselijk recht mag geen afbreuk doen aan het hogere belang van het kind.
Amendement 2
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)  Vóór aanwijzing van het bevoegde gerecht en het toepasselijke recht is het voor de echtgenoten van belang toegang te hebben tot actuele informatie over de essentiële aspecten van het nationale en communautaire recht en de procedures betreffende echtscheiding en scheiding van tafel en bed. Om deze toegang tot informatie van passende kwaliteit te waarborgen, dient de Commissie regelmatig de informatie bij te houden in het internet-informatiesysteem voor het publiek dat is ingevoerd bij Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken1.
1 PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.
Amendement 3
Overweging 6 quater (nieuw)
(6 quater)  De mogelijkheid om in overleg het bevoegde gerecht en het toepasselijke recht te kiezen mag geen afbreuk doen aan de rechten en gelijke kansen van de twee echtgenoten. In dit verband zouden de nationale rechters zich bewust moeten zijn van het belang van een weloverwogen keuze van de twee echtgenoten met het oog op de juridische gevolgen van de gesloten overeenkomst.
Amendement 4
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Het begrip "gewone verblijfplaats" moet in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening worden geïnterpreteerd. De betekenis ervan dient per geval op feitelijke basis door de rechter te worden vastgesteld. De term verwijst niet naar een begrip uit het nationale recht, maar naar een autonoom begrip van het Gemeenschapsrecht.
Amendement 5
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  De weloverwogen overeenkomst tussen de twee echtgenoten is een essentieel beginsel van deze verordening. Elke echtgenoot dient precies te weten wat de juridische en sociale gevolgen zijn van de keuze van het bevoegde gerecht en het toepasselijk recht.
Amendement 6
ARTIKEL 1, PUNT 1
Titel (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid alsook betreffende het toepasselijk recht in huwelijkszaken
Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid alsook betreffende het toepasselijk recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed
Amendement 7
ARTIKEL 1 – PUNT 1 bis (nieuw)
Artikel 2, punt 11 bis (nieuw) (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(1 bis)  In artikel 2 wordt het volgende punt toegevoegd:
"(11 bis) "gewone verblijfplaats": plaats waar een persoon gewoonlijk verblijft."
Amendement 8
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 3 bis, lid 1, letter a (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(a) een van de in artikel 3 opgenomen bevoegdheidscriteria van toepassing is, of
(a) op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, het gerecht van die lidstaat bevoegd is overeenkomstig artikel 3, of
Amendement 9
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 3 bis, lid 1, letter b (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(b) het gaat om de lidstaat waar de echtgenoten gedurende minimaal drie jaar hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hadden, of
(b) het op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, gaat om de lidstaat waar de echtgenoten sinds minimaal drie jaar hun gewone verblijfplaats hadden, mits deze situatie niet meer dan drie jaar vóór de aanhangigmaking bij het gerecht is beëindigd, of
Amendement 10
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 3 bis, lid 1, letter c (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(c) een van de echtgenoten onderdaan van die lidstaat is of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zijn "domicile" (woonplaats) op het grondgebied van een van die lidstaten heeft.
(c) op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, een van de echtgenoten onderdaan van die lidstaat is of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zijn "domicile" (woonplaats) op het grondgebied van een van die lidstaten heeft.
Amendement 11
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 3 bis, lid 1, letter c bis (nieuw) (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(c bis) hun huwelijk in die lidstaat werd gesloten.
Amendement 12
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 3 bis, lid 2 (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
2.  Een aanwijzing van een bevoegde rechter geschiedt bij een schriftelijke overeenkomst en wordt door beide echtgenoten ondertekend, ten laatste wanneer de zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt.
2.  Een overeenkomst over de aanwijzing van een bevoegde rechter kan op ieder moment gesloten en gewijzigd worden, echter niet nadat de zaak bij de rechter aanhangig is gemaakt. De overeenkomst blijft geldig tot en met de laatste rechterlijke instantie.
De aanwijzing geschiedt bij een schriftelijke overeenkomst, die wordt gedagtekend en ondertekend door beide echtgenoten. Indien de lidstaat waarin een van de echtgenoten zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, bijkomende vormvereisten voor dergelijke overeenkomsten oplegt, moeten deze worden nagekomen. Indien de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben in verschillende lidstaten waarvan de respectieve wetgeving in bijkomende vormvereisten voorziet, is de overeenkomst geldig op voorwaarde dat de wettelijke vereisten van een van de wetgevingen vervuld zijn.
Indien de overeenkomst deel uitmaakt van een huwelijkscontract, moeten de vormvoorschriften van het huwelijkscontract vervuld zijn.
Amendement 13
ARTIKEL 1, PUNT )
Artikelen 4 en 5 (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(3)  In de artikelen 4 en 5 wordt "artikel 3" vervangen door "de artikelen 3 en 3 bis".
(3)  In de artikelen 4 en 5 wordt "artikel 3" vervangen door "de artikelen 3, 3 bis en 7".
Amendement 14
ARTIKEL 1, PUNT 5
Artikel 7 bis, letter a (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(a) de echtgenoten hun vorige gemeenschappelijke gewone verblijfplaats ten minste drie jaar hadden in die lidstaat, of
(a) de echtgenoten hun gewone verblijfplaats daarvoor ten minste drie jaar hadden in die lidstaat, mits het aflopen van die periode niet teruggaat tot meer dan drie jaar vóór de aanhangigmaking bij het gerecht, of
Amendement 15
ARTIKEL 1, PUNT 5 bis (nieuw)
Artikel 7 bis (nieuw) (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(5 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 7 bis
Forum necessitatis
Wanneer het bevoegde gerecht overeenkomstig deze verordening is gelegen in een lidstaat waarvan het recht niet voorziet in echtscheiding, of het bestaan dan wel de geldigheid van het betreffende huwelijk niet erkent, wordt de jurisdictie toegewezen aan:
(a) de lidstaat van de nationaliteit van één van de echtgenoten; of
(b) de lidstaat waar het huwelijk werd gesloten."
Amendement 16
ARTIKEL 1, PUNT 6
Artikel 12, lid 1 (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(6)  In artikel 12, lid 1, wordt "artikel 3" vervangen door "de artikelen 3 en 3 bis".
(6)  In artikel 12, lid 1, wordt "artikel 3" vervangen door "de artikelen 3, 3 bis en 7".
Amendement 38
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 bis, lid 1, inleidende formule (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
1.  Echtgenoten kunnen het op echtscheiding en scheiding van tafel en bed toepasselijke recht aanwijzen. Zij kunnen daarbij kiezen tussen:
1.  Echtgenoten kunnen het op echtscheiding en scheiding van tafel en bed toepasselijke recht aanwijzen mits dit recht in overeenstemming is met de grondrechten die zijn vastgesteld in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het beginsel van de openbare orde. Zij kunnen daarbij kiezen tussen:
Amendement 18
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 bis, lid 1, letter -a (nieuw) (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(-a) het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten op het moment van sluiting van de overeenkomst;
Amendement 19
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 bis, lid 1, letter a (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(a) het recht van de staat van de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten, voorzover een van hen daar nog verblijft;
(a) het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten, voor zover een van hen daar nog verblijft op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten;
Amendement 20
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 bis, lid 1, letter b (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(b) het recht van de staat waarvan beide echtgenoten onderdaan zijn of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun "domicile" (woonplaats) hebben;
(b) het recht van de staat waarvan beide echtgenoten onderdaan zijn of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun "domicile" (woonplaats) hebben op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten;
Amendement 21
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 bis, lid 1, letter c (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(c) het recht van de staat waar de echtgenoten ten minste vijf jaar hebben verbleven;
(c) het recht van de staat waar de echtgenoten daarvoor ten minste drie jaar hun gewone verblijfplaats hadden;
Amendementen 22 en 23
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 bis, lid 1, letter c bis (nieuw) (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(c bis) het recht van de staat waar het huwelijk werd gesloten;
Amendement 24
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 bis, lid 2 (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
2.  Een aanwijzing van het toepasselijke recht geschiedt bij een schriftelijke overeenkomst en wordt door beide echtgenoten ondertekend, ten laatste wanneer de zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt.
2.  Een aanwijzing van het toepasselijke recht geschiedt bij een schriftelijke overeenkomst en wordt door beide echtgenoten ondertekend, ten laatste wanneer de zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt.
Indien het recht van de lidstaat waar een van de echtgenoten zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten echter voorziet in aanvullende vormvereisten voor dergelijke overeenkomsten, moet aan deze vereisten worden voldaan. Indien de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben in verschillende lidstaten waarvan het respectieve recht voorziet in aanvullende vormvereisten, is de overeenkomst geldig indien deze voldoet aan de vereisten van het recht van een van deze lidstaten.
Indien de overeenkomst deel uitmaakt van een huwelijkscontract, dient te worden voldaan aan de vormvereisten van het huwelijkscontract.
Amendement 25
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 bis, lid 2 bis (nieuw) (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
2 bis.  Indien het overeenkomstig het eerste lid aangewezen recht scheiding van tafel en bed of de echtscheiding niet erkent of deze wel erkent, maar in een vorm die discriminerend is voor een van de echtgenoten, is het recht van het forum van toepassing.
Amendement 27
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 ter, letter a (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(a) waar de echtgenoten hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben, of bij gebrek daaraan;
(a) waar de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip van de aanhangigmaking bij het gerecht, of bij gebrek daaraan;
Amendement 28
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 ter, letter b (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(b) waar de echtgenoten hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hadden, voorzover een van hen daar nog verblijft, of bij gebrek daaraan;
(b) waar de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hadden, voor zover een van hen daar nog verblijft op het tijdstip van de aanhangigmaking bij het gerecht, of bij gebrek daaraan;
Amendement 29
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 ter, letter c (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
(c) waarvan beide echtgenoten onderdaan zijn, of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun "domicile" (woonplaats) hebben, of bij gebrek daaraan;
(c) waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun "domicile" (woonplaats) hebben op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt of, bij gebreke daarvan,
Amendement 30
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 ter, lid 1, alinea 1 bis (nieuw) (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
Indien het overeenkomstig de eerste alinea aangewezen recht de scheiding van tafel en bed of de echtscheiding niet erkent of deze wel erkent, maar in een vorm die discriminerend is voor een van de echtgenoten, is het recht van het forum van toepassing.
Amendement 31
ARTIKEL 1, PUNT 7
Artikel 20 sexies bis (nieuw) (Verordening (EG) nr. 2201/2003)
Artikel 20 sexies bis
Informatieverstrekking door de lidstaten
1.  Uiterlijk ...1 delen de lidstaten de Commissie hun nationale regels mee betreffende de vormvereisten die van toepassing zijn op overeenkomsten inzake de keuze van het bevoegde gerecht en het toepasselijk recht.
De lidstaten delen elke latere wijziging van deze regels aan de Commissie mee.
2.  De Commissie stelt de haar overeenkomstig lid 1 meegedeelde informatie via passende maatregelen ter beschikking van het publiek, met name via het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken.
_______________
1 Drie maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten *
PDF 208kWORD 50k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 639/2004 betreffende het beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten (COM(2008)0444 – C6-0298/2008 – 2008/0138(CNS))
P6_TA(2008)0503A6-0388/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0444),

–   gelet op artikel 37 en artikel 299, lid 2 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0298/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0388/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening - wijzigingsbesluit
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Daarnaast is gebleken dat er in de ultraperifere gebieden vloten zijn die voor het merendeel bestaan uit oude schepen van soms meer dan 30 jaar oud; daarom is de waarborging van de communautaire steun aan de vernieuwing en modernisering van deze vloten, in het bijzonder de vloot voor de kleinschalige visserij, onmisbaar voor de verbetering van de bewaaromstandigheden van de vis en verbetering van de arbeidsomstandigheden en de veiligheid van de vissers in die gebieden.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening - wijzigingsbesluit
Overweging 4
(4)  De in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 639/2004 vastgestelde geldigheidsduur van de afwijking moet derhalve met een jaar worden verlengd.
(4)  De in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 639/2004 vastgestelde geldigheidsduur van de afwijking moet derhalve tot 2011 worden verlengd.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening - wijzigingsbesluit
Artikel -1 (nieuw)
Verordening (EG) nr. 639/2004
Artikel 2 - punt 2
Artikel -1
Artikel 2, punt 2, van Verordening (EG) nr. 639/2004 wordt vervangen door:
"2. In afwijking van het bepaalde in artikel 9, lid 1, onder c), i), van Verordening (EG) nr. 2792/1999 mag overheidssteun worden verleend om de vloot te moderniseren in termen van capaciteit, uitgedrukt in tonnage en/of motorvermogen, binnen de grenzen van de in artikel 1 van deze verordening bepaalde specifieke referentieniveaus."
Amendement 6
Voorstel voor een verordening - wijzigingsbesluit
Artikel -1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 639/2004
Artikel 2 - punt 4
Artikel -1 bis
Artikel 2, punt 4, van Verordening (EG) nr. 639/2004 wordt vervangen door:
"4. In afwijking van artikel 9, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 2792/1999, mag tot 31 december 2009 overheidssteun worden verleend om vissersvaartuigen te vernieuwen."
Amendement 7
Voorstel voor een verordening - wijzigingsbesluit
Artikel 1
Verordening (EG) nr. 639/2004
Artikel 2 - punt 5
In artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 639/2004 wordt "31 december 2008" vervangen door "31 december 2009".
In artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 639/2004 wordt "31 december 2008" vervangen door "31 december 2011".
Amendement 8
Voorstel voor een verordening - wijzigingsbesluit
Artikel 1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 639/2004
Artikel 6
Artikel 1 bis
Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 639/2004 wordt vervangen door:
"De Commissie brengt uiterlijk bij afloop van de uitzonderingsbepalingen van deze verordening aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van deze verordening. Voor de maatregelen die worden genoemd in artikel 2 stelt zij zo nodig noodzakelijke wijzigingen voor, rekening houdende met de sociaal-economische behoeften van de betreffende regio's en van de toestand van de respectieve visbestanden."

Bestrijding van kinderhandel
PDF 132kWORD 54k
Verklaring van het Europees Parlement over de bestrijding van kinderhandel
P6_TA(2008)0504P6_DCL(2008)0050

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 34 en 35 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–   gelet op het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gelet op artikel 116 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat kinderhandel een nog steeds voortdurend probleem is en dat elk jaar meer dan twee miljoen kinderen worden verhandeld met het oog op dwangarbeid of seksuele exploitatie,

B.   overwegende dat als gevolg van de ontwikkeling van nieuwe communicatietechnieken de kinderhandel toeneemt, waardoor de beheersing van dit fenomeen moeilijker wordt,

C.   overwegende dat de nationale autoriteiten en NGO's in de lidstaten nog steeds niet doeltreffend tegen kinderhandel optreden als gevolg van onvoldoende grensoverschrijdende samenwerking, een gebrek aan gespecialiseerde opleidingen of een ontoereikende toepassing van de bestaande rechtsvoorschriften,

1.   verzoekt de lidstaten de bestrijding van kinderhandel aan te merken als prioritaire doelstelling van hun nationale beleid ter bescherming van kinderen;

2.   verzoekt het Europees Parlement en de Raad de nodige middelen beschikbaar te stellen in het kader van de strategie van de Commissie voor de bevordering en bescherming van de rechten van het kind;

3.   verzoekt de lidstaten actief te blijven samenwerken en kennis en ervaring uit te wisselen met de relevante EU-instanties en NGO's, teneinde kinderhandel te voorkomen en te bestrijden en de slachtoffers van dergelijke handel een behoorlijke behandeling te geven;

4.   verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Lijst van ondertekenaars

Adamos Adamou, Vittorio Agnoletto, Alexander Alvaro, Jan Andersson, Georgs Andrejevs, Laima Liucija Andrikienė, Emmanouil Angelakas, Rapisardo Antinucci, Kader Arif, Stavros Arnaoutakis, Elspeth Attwooll, Jean-Pierre Audy, Margrete Auken, Inés Ayala Sender, Liam Aylward, Pilar Ayuso, Maria Badia i Cutchet, Mariela Velichkova Baeva, Enrique Barón Crespo, Paolo Bartolozzi, Alessandro Battilocchio, Katerina Batzeli, Edit Bauer, Jean Marie Beaupuy, Zsolt László Becsey, Ivo Belet, Irena Belohorská, Monika Beňová, Giovanni Berlinguer, Slavi Binev, Sebastian Valentin Bodu, Herbert Bösch, Guy Bono, Josep Borrell Fontelles, Victor Boştinaru, Costas Botopoulos, Catherine Boursier, Bernadette Bourzai, John Bowis, Sharon Bowles, Emine Bozkurt, Iles Braghetto, Mihael Brejc, Frieda Brepoels, Hiltrud Breyer, Jan Březina, Ieke van den Burg, Niels Busk, Cristian Silviu Buşoi, Philippe Busquin, Jerzy Buzek, Mogens Camre, Luis Manuel Capoulas Santos, Marie-Arlette Carlotti, Giorgio Carollo, Paulo Casaca, Michael Cashman, Françoise Castex, Pilar del Castillo Vera, Giusto Catania, Jean-Marie Cavada, Alejandro Cercas, Giulietto Chiesa, Ole Christensen, Sylwester Chruszcz, Luigi Cocilovo, Carlos Coelho, Dorette Corbey, Giovanna Corda, Thierry Cornillet, Jean Louis Cottigny, Michael Cramer, Corina Creţu, Gabriela Creţu, Brian Crowley, Magor Imre Csibi, Marek Aleksander Czarnecki, Ryszard Czarnecki, Hanne Dahl, Daniel Dăianu, Dragoş Florin David, Chris Davies, Bairbre de Brún, Véronique De Keyser, Panayiotis Demetriou, Gérard Deprez, Proinsias De Rossa, Marielle De Sarnez, Marie-Hélène Descamps, Harlem Désir, Christine De Veyrac, Mia De Vits, Jolanta Dičkutė, Alexandra Dobolyi, Valdis Dombrovskis, Beniamino Donnici, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Bárbara Dührkop Dührkop, Andrew Duff, Árpád Duka-Zólyomi, Constantin Dumitriu, Lena Ek, Saïd El Khadraoui, Maria da Assunção Esteves, Edite Estrela, Harald Ettl, Jill Evans, Göran Färm, Richard Falbr, Emanuel Jardim Fernandes, Elisa Ferreira, Ilda Figueiredo, Roberto Fiore, Věra Flasarová, Nicole Fontaine, Glyn Ford, Armando França, Duarte Freitas, Urszula Gacek, Kinga Gál, Milan Gaľa, Vicente Miguel Garcés Ramón, Iratxe García Pérez, Jean-Paul Gauzès, Evelyne Gebhardt, Eugenijus Gentvilas, Georgios Georgiou, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Claire Gibault, Adam Gierek, Maciej Marian Giertych, Neena Gill, Robert Goebbels, Bogdan Golik, Bruno Gollnisch, Ana Maria Gomes, Donata Gottardi, Hélène Goudin, Genowefa Grabowska, Martí Grau i Segú, Louis Grech, Nathalie Griesbeck, Lissy Gröner, Elly de Groen-Kouwenhoven, Mathieu Grosch, Françoise Grossetête, Lilli Gruber, Ignasi Guardans Cambó, Pedro Guerreiro, Umberto Guidoni, Zita Gurmai, Catherine Guy-Quint, Fiona Hall, Małgorzata Handzlik, Gábor Harangozó, Malcolm Harbour, Marian Harkin, Joel Hasse Ferreira, Satu Hassi, Anna Hedh, Gyula Hegyi, Erna Hennicot-Schoepges, Edit Herczog, Esther Herranz García, Jim Higgins, Jens Holm, Mary Honeyball, Richard Howitt, Ján Hudacký, Ian Hudghton, Stephen Hughes, Alain Hutchinson, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Iliana Malinova Iotova, Mikel Irujo Amezaga, Carlos José Iturgaiz Angulo, Lily Jacobs, Anneli Jäätteenmäki, Stanisław Jałowiecki, Lívia Járóka, Pierre Jonckheer, Romana Jordan Cizelj, Madeleine Jouye de Grandmaison, Jelko Kacin, Filip Kaczmarek, Gisela Kallenbach, Ioannis Kasoulides, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Piia-Noora Kauppi, Metin Kazak, Glenys Kinnock, Evgeni Kirilov, Ewa Klamt, Wolf Klinz, Dieter-Lebrecht Koch, Jaromír Kohlíček, Maria Eleni Koppa, Magda Kósáné Kovács, Miloš Koterec, Guntars Krasts, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Ģirts Valdis Kristovskis, Urszula Krupa, Wiesław Stefan Kuc, Sepp Kusstatscher, Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk, André Laignel, Alain Lamassoure, Stavros Lambrinidis, Alexander Graf Lambsdorff, Vytautas Landsbergis, Esther De Lange, Raymond Langendries, Vincenzo Lavarra, Henrik Lax, Johannes Lebech, Stéphane Le Foll, Roselyne Lefrançois, Bernard Lehideux, Jörg Leichtfried, Jo Leinen, Jean-Marie Le Pen, Katalin Lévai, Janusz Lewandowski, Bogusław Liberadzki, Marie-Noëlle Lienemann, Kartika Tamara Liotard, Pia Elda Locatelli, Eleonora Lo Curto, Antonio López-Istúriz White, Andrea Losco, Patrick Louis, Caroline Lucas, Sarah Ludford, Astrid Lulling, Elizabeth Lynne, Marusya Ivanova Lyubcheva, Jules Maaten, Linda McAvan, Arlene McCarthy, Mary Lou McDonald, Mairead McGuinness, Jamila Madeira, Eugenijus Maldeikis, Ramona Nicole Mănescu, Vladimír Maňka, Marian-Jean Marinescu, Helmuth Markov, Sérgio Marques, David Martin, Miguel Angel Martínez Martínez, Jan Tadeusz Masiel, Antonio Masip Hidalgo, Marios Matsakis, Maria Matsouka, Mario Mauro, Manolis Mavrommatis, Hans-Peter Mayer, Jaime Mayor Oreja, Manuel Medina Ortega, Erik Meijer, Íñigo Méndez de Vigo, Emilio Menéndez del Valle, Marianne Mikko, Miroslav Mikolášik, Gay Mitchell, Nickolay Mladenov, Viktória Mohácsi, Claude Moraes, Javier Moreno Sánchez, Eluned Morgan, Luisa Morgantini, Philippe Morillon, Elisabeth Morin, Roberto Musacchio, Cristiana Muscardini, Joseph Muscat, Riitta Myller, Pasqualina Napoletano, Juan Andrés Naranjo Escobar, Cătălin-Ioan Nechifor, Catherine Neris, Bill Newton Dunn, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Angelika Niebler, Lambert van Nistelrooij, Vural Öger, Cem Özdemir, Péter Olajos, Jan Olbrycht, Gérard Onesta, Dumitru Oprea, Josu Ortuondo Larrea, Siiri Oviir, Reino Paasilinna, Maria Grazia Pagano, Justas Vincas Paleckis, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Vladko Todorov Panayotov, Pier Antonio Panzeri, Dimitrios Papadimoulis, Atanas Paparizov, Georgios Papastamkos, Neil Parish, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Maria Petre, Rihards Pīks, Józef Pinior, Gianni Pittella, Francisca Pleguezuelos Aguilar, Zita Pleštinská, Rovana Plumb, Anni Podimata, Zdzisław Zbigniew Podkański, Lydie Polfer, José Javier Pomés Ruiz, Mihaela Popa, Nicolae Vlad Popa, Christa Prets, Pierre Pribetich, Vittorio Prodi, John Purvis, Bilyana Ilieva Raeva, Miloslav Ransdorf, Poul Nyrup Rasmussen, José Ribeiro e Castro, Teresa Riera Madurell, Karin Riis-Jørgensen, Giovanni Rivera, Maria Robsahm, Michel Rocard, Bogusław Rogalski, Zuzana Roithová, Luca Romagnoli, Raül Romeva i Rueda, Dariusz Rosati, Wojciech Roszkowski, Libor Rouček, Martine Roure, Heide Rühle, Eoin Ryan, Guido Sacconi, Aloyzas Sakalas, Katrin Saks, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, María Isabel Salinas García, Antolín Sánchez Presedo, Manuel António dos Santos, Daciana Octavia Sârbu, Christel Schaldemose, Olle Schmidt, Pál Schmitt, György Schöpflin, Inger Segelström, Esko Seppänen, Adrian Severin, Czesław Adam Siekierski, Brian Simpson, Kathy Sinnott, Peter Skinner, Csaba Sógor, Renate Sommer, Søren Bo Søndergaard, María Sornosa Martínez, Jean Spautz, Bart Staes, Grażyna Staniszewska, Gabriele Stauner, Petya Stavreva, Dirk Sterckx, Struan Stevenson, Catherine Stihler, Theodor Dumitru Stolojan, Dimitar Stoyanov, Margie Sudre, Eva-Britt Svensson, József Szájer, István Szent-Iványi, Hannu Takkula, Charles Tannock, Andres Tarand, Britta Thomsen, Marianne Thyssen, Silvia-Adriana Ţicău, Gary Titley, Patrizia Toia, László Tőkés, Ewa Tomaszewska, Witold Tomczak, Jacques Toubon, Antonios Trakatellis, Catherine Trautmann, Kyriacos Triantaphyllides, Evangelia Tzampazi, Feleknas Uca, Vladimir Urutchev, Inese Vaidere, Nikolaos Vakalis, Adina-Ioana Vălean, Johan Van Hecke, Anne Van Lancker, Daniel Varela Suanzes-Carpegna, Ari Vatanen, Yannick Vaugrenard, Riccardo Ventre, Donato Tommaso Veraldi, Bernadette Vergnaud, Kristian Vigenin, Dominique Vlasto, Diana Wallis, Graham Watson, Renate Weber, Åsa Westlund, Glenis Willmott, Janusz Wojciechowski, Corien Wortmann-Kool, Francis Wurtz, Anna Záborská, Jan Zahradil, Zbigniew Zaleski, Iva Zanicchi, Andrzej Tomasz Zapałowski, Tatjana Ždanoka, Dushana Zdravkova, Roberts Zīle, Gabriele Zimmer, Jaroslav Zvěřina, Tadeusz Zwiefka

Juridische mededeling - Privacybeleid