Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 18 november 2008 - Straatsburg
Protocol bij de overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EG en Kazachstan *
 Gemeenschappelijke onderneming voor de instelling van een Europese nieuwe generatie luchtverkeersbeveiligingssysteem (SESAR) *
 Voorgeschreven opschriften op twee- of driewielige motorvoertuigen (gecodificeerde versie) ***I
 Vennootschapsrecht betreffende eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (gecodificeerde versie) ***I
 Bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (gecodificeerde versie) ***I
 Garantiefonds voor externe acties (gecodificeerde versie) *
 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ***
 Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap ***I
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Frank Vanhecke
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Massimo D'Alema
 Consumentenbescherming: verbetering consumenteneducatie en kennis van krediet- en geldzaken
 Scorebord voor de consumentenmarkten
 Algemene regeling inzake accijns *
 Schoolfruitregeling *
 EMU@10: Tien jaar Economische en Monetaire Unie
 Aanbevelingen over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen
 Steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen

Protocol bij de overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EG en Kazachstan *
PDF 194kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie betreffende de sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kazachstan, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (COM(2007)0105 – C6-0328/2008 – 2007/0039(CNS))
P6_TA(2008)0528A6-0416/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie (COM(2007)0105),

–   gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met de Republiek Kazachstan,

–   gelet op artikel 44, lid 2, artikel 47, lid 2, laatste zin, de artikelen 55, 57, lid 2, 71, 80, lid 2, 93, 94, 133, 181a en artikel 300, lid 2, tweede volzin, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 101 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 6, lid 2, van het Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0328/2008),

–   gelet op de artikelen 51, 83, lid 7, en 43, lid 1 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0416/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Kazachstan.


Gemeenschappelijke onderneming voor de instelling van een Europese nieuwe generatie luchtverkeersbeveiligingssysteem (SESAR) *
PDF 194kWORD 29k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 219/2007 van de Raad betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming voor de realisering van het Europese nieuwe generatie luchtverkeersbeveiligingssysteem (SESAR) (COM(2008)0483 – C6-0305/2008 – 2008/0159(CNS))
P6_TA(2008)0529A6-0439/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0483),

–   gelet op de artikelen 171 en 172 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0305/2008),

–   gelet op artikel 51 en artikel 43, lid 1, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0439/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

4.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Voorgeschreven opschriften op twee- of driewielige motorvoertuigen (gecodificeerde versie) ***I
PDF 192kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorgeschreven opschriften op twee- of driewielige motorvoertuigen (gecodificeerde versie) (COM(2008)0318 – C6-0205/2008 – 2008/0099(COD))
P6_TA(2008)0530A6-0382/2008

(Medebeslissingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0318),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0205/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–   gelet op de artikelen 80 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0382/2008),

A.   overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Vennootschapsrecht betreffende eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (gecodificeerde versie) ***I
PDF 194kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake het vennootschapsrecht betreffende eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (gecodificeerde versie) (COM(2008)0344 – C6-0217/2008 – 2008/0109(COD))
P6_TA(2008)0531A6-0383/2008

(Medebeslissingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0344),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 44 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0217/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–   gelet op de artikelen 80 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0383/2008),

A.   overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (gecodificeerde versie) ***I
PDF 194kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (gecodificeerde versie) (COM(2008)0351 – C6-0243/2008 – 2008/0115(COD))
P6_TA(2008)0532A6-0384/2008

(Medebeslissingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0351),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0243/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–   gelet op de artikelen 80 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0384/2008),

A.   overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Garantiefonds voor externe acties (gecodificeerde versie) *
PDF 192kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een Garantiefonds voor externe acties (gecodificeerde versie) (COM(2008)0365 – C6-0273/2008 – 2008/0117(CNS))
P6_TA(2008)0533A6-0387/2008

(Raadplegingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0365),

–   gelet op artikel 308 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0273/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–   gelet op de artikelen 80 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0387/2008),

A.   overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ***
PDF 188kWORD 29k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (9196/2008 – C6-0215/2008 – 2008/0048(AVC))
P6_TA(2008)0534A6-0428/2008

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het ontwerpbesluit van de Raad (9196/2008),

–   gezien het verzoek van de Raad om instemming overeenkomstig artikel 300, lid 3, tweede alinea juncto artikel 61, onder c), van het EG-Verdrag (C6-0215/2008),

–   gelet op artikel 75 en artikel 83, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken (A6-0428/2008),

1.   stemt in met de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap ***I
PDF 193kWORD 29k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap, wat de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden betreft (COM(2007)0776 – C6-0452/2007 – 2007/0272(COD))
P6_TA(2008)0535A6-0376/2008

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0776),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 285, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0452/2007),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0376/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering
PDF 205kWORD 39k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (COM(2008)0609 – C6-0345/2008 – 2008/2286(ACI))
P6_TA(2008)0536A6-0430/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0609 – C6-0345/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1) (IIA), en met name punt 28 hiervan,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(2),

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0430/2008),

A.   overwegende dat de Europese Unie de nodige wetgeving- en begrotingsinstrumenten heeft gecreërd om aanvullende steun te verlenen aan werknemers die te lijden hebben onder de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen en om deze werknemers bij hun herintrede op de arbeidsmarkt te begeleiden,

B.   overwegende dat de financiële hulp van de Unie voor ontslagen werknemers dynamisch van aard moet zijn en zo snel en zo efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd op het overleg van 17 juli 2008,

C.   overwegende dat Italië hulp heeft gevraagd met betrekking tot vier gevallen van ontslagen in de textielsector in Sardinië, Piemonte, Lombardije en Toscane(3),

1.   verzoekt de betrokken instellingen de nodige inspanningen te leveren om de beschikbaarstelling van middelen uit het fonds te bespoedigen, overeenkomstig bovengenoemde gezamenlijke verklaring waarin het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bevestigen dat het belangrijk is om, met de nodige inachtneming van het IIA van 17 mei 2006, voor een snelle procedure voor de goedkeuring van besluiten over de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering te zorgen;

2.   hecht zijn goedkeuring aan het aan deze resolutie gevoegde besluit;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

4.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE: BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(4), en met name op punt 28,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(5), en met name op artikel 12, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (hierna "het fonds" genoemd) is opgericht om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ondervinden, teneinde hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt.

(2)  Het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 staat uitgaven uit het fonds toe binnen het jaarlijkse maximum van 500 miljoen EUR.

(3)  Italië heeft vier aanvragen ingediend om middelen uit het fonds ter beschikking te stellen, in verband met gedwongen ontslagen in de textielsector, op 9 augustus 2007 voor Sardinië, op 10 augustus 2007 voor Piemonte, op 17 augustus 2007 voor Lombardije en op 12 februari 2008 voor Toscane. Deze aanvragen voldoen aan de voorschriften voor de bepaling van de financiële bijdragen, zoals vastgesteld in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1927/2006.

(4)  Er moeten derhalve middelen uit het fonds beschikbaar worden gesteld om te voorzien in een financiële bijdrage voor de aanvragen,

BESLUITEN:

Artikel 1

Voor van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008 wordt uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering 35 158 075 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, op ... november 2008.

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(3) EGF/2007/005 IT/Sardegna, EGF/2007/006 IT/Piemonte, EGF/2007/007 IT/Lombardia en EGF/2008/001 IT/Toscana.
(4) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(5) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Frank Vanhecke
PDF 21kWORD 31k
Besluit van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Frank Vanhecke (2008/2092(IMM))
P6_TA(2008)0537A6-0421/2008

Het Europees Parlement,

-   gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Frank Vanhecke, dat op verzoek van het Openbaar Ministerie van Dendermonde door de minister van Justitie van het Koninkrijk België werd ingediend, en van de ontvangst waarvan op 10 april 2008 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

-   na Frank Vanhecke te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3 van zijn Reglement,

-   gelet op artikel 9 en artikel 10 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, en op artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

-   gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschapen van 12 mei 1964 en 10 juli 1986(1),

-   gelet op artikel 58 en artikel 59 van de Belgische Grondwet,

-   gelet op artikel 6, lid 2, en artikel 7 van zijn Reglement,

-   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0421/2008),

1.   besluit de immuniteit van Frank Vanhecke op te heffen;

2.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk België.

(1) Zie Jurisprudentie van het Hof 1964, blz. 407, zaak 101/63 (Wagner/Fohrmann en Krier) en Jur. 1986, blz. 2391, zaak 149/85 (Wybot/Faure et al.).


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Massimo D'Alema
PDF 105kWORD 30k
Besluit van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Massimo D'Alema (2008/2298(IMM))
P6_TA(2008)0538A6-0422/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Massimo D'Alema, dat op 30 mei 2008 werd ingediend door het Openbaar Ministerie bij de Rechtbank van Milaan, en van de ontvangst waarvan op 16 juni 2008 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–   gelet op artikel 10 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, en op artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–   gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 1964 en 10 juli 1986(1),

–   gelet op artikel 6 en artikel 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0422/2008),

1.   besluit geen toestemming te verlenen voor gebruikmaking van de afgetapte telefoongesprekken in kwestie en de immuniteit van Massimo D'Alema niet op te heffen;

2.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde Italiaanse autoriteiten.

(1) Zie Jurisprudentie van het Hof 1964, blz. 407, zaak 101/63 (Wagner/Fohrmann en Krier) en Jur. 1986, blz. 2391, zaak 149/85 (Wybot/Faure en anderen).


Consumentenbescherming: verbetering consumenteneducatie en kennis van krediet- en geldzaken
PDF 126kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over consumentenbescherming: verbetering consumenteneducatie en kennis van krediet- en geldzaken (2007/2288(INI))
P6_TA(2008)0539A6-0393/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 18 december 2007 over financiële educatie (COM(2007)0808),

–   gezien het Groenboek van de Commissie over financiële diensten voor consumenten in de interne markt (COM(2007)0226),

–   gezien zijn in tweede lezing van 16 januari 2008 geformuleerde standpunt met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 juli 2007 over het beleid op het gebied van financiële diensten (2005-2010) - Witboek(2),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0393/2008),

A.   overwegende dat financiële markten snel veranderen, zeer dynamisch en steeds complexer zijn geworden en dat een gezond beheer van persoonlijke geldzaken door maatschappelijke en levensstijlveranderingen noodzakelijk is geworden en het eigen bestedingspatroon regelmatig op nieuwe arbeids- en gezinsomstandigheden moet worden afgestemd,

B.   overwegende dat beleidsmakers op zowel het niveau van de lidstaten als op Europees niveau voorrang moeten verlenen aan de verbetering van de kennis op financieel gebied van consumenten, omdat dit niet alleen de individuele burger maar ook de maatschappij en de economie voordelen biedt, zoals verlichting van schuldproblemen, verhoging van spaartegoeden, toenemende concurrentie, juiste aanwending van verzekeringsproducten en de opbouw van een adequate oudedagsvoorziening,

C.   overwegende dat uit onderzoek blijkt dat consumenten de neiging hebben hun kennis van zaken over financiële aangelegenheden te overschatten en dat zij op de hoogte moeten worden gebracht van het feit dat zij niet zoveel financieel inzicht hebben als zij wel denken, en van de consequenties hiervan,

D.   overwegende dat doelgerichte, en waar nodig, zo veel mogelijk op de betrokken personen afgestemde financiële educatieprogramma's van hoge kwaliteit ertoe kunnen bijdragen dat het financiële inzicht van consumenten wordt vergroot zodat zij bewuste keuzes kunnen maken en op deze wijze kunnen bijdragen aan het goede functioneren van de financiële markten,

E.   overwegende dat grensoverschrijdende financiële diensten steeds belangrijker worden en dat de Commissie op EU-niveau initiatieven moet ontplooien om de grensoverschrijdende en vergelijkbare informatie over financiële educatie te bevorderen,

F.   overwegende dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de educatiebehoeften van kwetsbare consumenten alsook aan die van jonge consumenten, die beslissingen moeten nemen die van invloed zullen zijn op de economische vooruitzichten van de rest van hun leven,

G.   overwegende dat uit onderzoek is gebleken dat mensen die zich op zeer jonge leeftijd de basisbeginselen van het beheer van hun eigen geldzaken eigen hebben gemaakt, meer financiële kennis in huis hebben; overwegende dat financiële educatie nauw verweven is met het aanleren van elementaire vaardigheden (zoals wiskunde en lezen),

1.   juicht de initiatieven van de Commissie op het gebied van de financiële educatie van consumenten toe, met name de recente oprichting van een Groep van deskundigen op het gebied van financiële educatie, alsmede haar voornemen om een online gegevensbasis voor financiële educatieprogramma's en -onderzoek in de EU toegankelijk te maken; is van mening dat deze Groep van deskundigen duidelijke taken en bevoegdheden toegewezen moet krijgen; stelt voor dat deze groep in het bijzonder belast wordt met het bestuderen van de meerwaarde van en beste praktijken in de financiële educatieprogramma's en grensoverschrijdende financiële diensten van de EU;

2.   benadrukt dat opvoeding en bewustmaking van de consument op het gebied van financiën en kredieten ten doel heeft de consument meer bewust te maken van de economische en financiële realiteit, waardoor hij meer inzicht krijgt in economische verbintenissen en in staat is overbodige risico's, te hoge schuldenlasten en financiële uitsluiting te voorkomen; is van mening dat de consument door voorlichting en scholing in staat gesteld moet worden een eigen, onafhankelijke mening te vormen over de financiële producten die hem worden aangeboden of waarvan hij overweegt gebruik te maken;

3.   stelt vast dat de rommelhypotheekcrisis niet alleen een duidelijk voorbeeld is van de gevaren van ontoereikende informatie aan geldleners, maar ook van het gebrek aan kennis en begrip van zulke informatie, waardoor de consument zich onvoldoende bekommert om de risico's van insolventie en te hoge schuldenlasten;

4.   benadrukt dat mondige en goed geïnformeerde consumenten bijdragen aan concurrentie, kwaliteit en innovatie binnen het bankwezen en de financiële dienstverlening en wijst erop dat goed geïnformeerde en zelfverzekerde beleggers extra liquiditeit aan de kapitaalmarkten voor investeringen en groei kunnen geven;

5.   onderstreept het belang om het financiëlekennisniveau van de lidstaten in kaart te brengen en inzicht te krijgen in de manier waarop de EU hieraan een bijdrage kan leveren, alsook om de educatieve behoeften van specifieke doelgroepen van de maatschappij te identificeren, op basis van een mengeling van criteria zoals leeftijd, inkomen en scholingsniveau;

6.   erkent de rol van particuliere initiatieven, de financiële dienstensector en consumentenorganisaties op zowel communautair als op nationaal niveau bij de vaststelling van de specifieke behoeften van doelgroepen aan financiële scholing, door de zwakke punten en hiaten van de bestaande scholingsprogramma's aan het licht te brengen en door consumenten op financieel gebied voor te lichten, bijvoorbeeld op het Internet via media- en educatieve campagnes, enz. over financiële planning;

7.   is van mening dat financiële scholingsprogramma's het doeltreffendst zijn als zij op de behoeften van specifieke doelgroepen zijn afgestemd, en, waar nodig, op de betrokken personen zijn toegesneden; is bovendien van mening dat alle financiële scholingsprogramma's een bijdrage zouden moeten leveren aan het verbeteren van de manier waarop iedere individuele burger bewust en realistisch omgaat met zijn financiële mogelijkheden dat; aandacht moet worden geschonken aan het ontwikkelen van programma's die ertoe dienen de financiële vaardigheden van volwassenen te verbeteren

8.   verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten op EU-niveau opleidingsprogramma's op het gebied van persoonlijke financiën te ontwikkelen die gebaseerd zijn op gemeenschappelijke regels en beginselen die aan de behoeften van de lidstaten kunnen worden aangepast en in alle lidstaten kunnen worden toegepast door benchmarks vast te stellen en de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen;

9.   benadrukt dat financiële educatie coherente voorschriften ter bescherming van de consument in de financiële dienstenwetgeving en de regels voor en het strikte toezicht op financiële instellingen kan aanvullen maar niet kan vervangen;

10.   is zich bewust van de belangrijke rol die de particuliere sector en met name financiële instellingen kunnen spelen bij het verstrekken van informatie aan de consument over financiële diensten; benadrukt evenwel dat financiële educatie neutraal, eerlijk en transparant moet zijn, opdat de belangen van de consument worden behartigd, en duidelijk moet worden onderscheiden van commercieel advies of reclame; spoort financiële instellingen aan gedragscodes voor hun medewerkers op te stellen ten einde dit doel te bereiken;

11.   is zich ervan bewust dat het nodig is een subtiel evenwicht te vinden tussen het voorlichten van consumenten zodat zij met kennis van zaken financiële besluiten kunnen nemen en het overstelpen van consumenten met informatie; pleit voor het belang van kwaliteit boven kwantiteit, zoals voorlichting van hoge kwaliteit die toegankelijk, concreet en eenvoudig te begrijpen is en die erop gericht is de consument beter in staat te stellen om met kennis van zaken verantwoorde keuzes te maken;

12.   is van oordeel dat effectieve, duidelijke en begrijpelijke informatie noodzakelijk is, met name in reclameboodschappen over financiële producten, en dat financiële instellingen vóór het afsluiten van een contract voldoende informatie moeten geven, en met name de regels in acht moeten nemen van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de markten voor financiële instrumenten(3) en Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten(4); roept de Commissie op om gerichte wetsvoorstellen te doen voor een samenhangend systeem van consumentenvoorlichting en -bescherming, met name in het kader van hypotheekverstrekkingen (zoals geharmoniseerde, eenvoudige en vergelijkbare Europese standaardinformatiebladen met algemene gegevens over de jaarlijkse aangerekende rentevoet, etc.);

13.   beveelt aan dat financiële scholingsprogramma's vooral aandacht schenken aan belangrijke aspecten van de levensloopplanning, zoals elementair sparen, schulden, verzekeringen en pensioenen;

14.   verzoekt de Commissie zich te blijven inspannen om de dialoog tussen de diverse belanghebbenden voort te zetten;

15.   stelt voor de kredieten voor de begrotingspost 17 02 02 voor de financiering van activiteiten op EU-niveau te verhogen om de financiële educatie en kennis op financieel gebied van de consument te verbeteren; verzoekt de Commissie bij te dragen aan het bewustwordingsproces op EU-niveau via ondersteuning van de organisatie van nationale en regionale conferenties, seminars, en media- en bewustmakingscampagnes, alsook opleidingsprogramma's met grensoverschrijdende deelname, met name op het gebied van financiële diensten en het schulden- en kredietenbeheer van huishoudens;

16.   verzoekt de Commissie het online Dolceta-instrument verder te ontwikkelen en te verbeteren en dit instrument in alle officiële talen aan te bieden; stelt voor dat de Commissie op de Dolceta-website een link opent naar de gegevensbasis die zij voornemens is op te zetten over bestaande regionale en nationale financiële scholingsregelingen; stelt voor dat op de Dolceta-website links worden opgenomen, op grond van een onderverdeling naar lidstaat, naar de websites van overheids- en particuliere instanties die actief zijn op het vlak van financiële educatie;

17.   verzoekt de Commissie op het scorebord voor de consumentenmarkten indicatoren op te nemen over de beschikbaarheid en kwaliteit van financiële educatie;

18.   verzoekt de Commissie voorlichtingscampagnes te organiseren om de consumenten bewuster te maken van hun rechten onder de EU-wetgeving inzake financiële dienstverlening;

19.   onderstreept de noodzaak dat de lidstaten met ondersteuning van de Commissie op gezette tijden en met de betrokkenheid van de diverse sociale instanties en bevolkingsgroepen van de lidstaten, een onderzoek instellen naar het huidig niveau van financiële kennis onder de burgers, teneinde te kunnen vaststellen welke vraagstukken bijzondere aandacht verdienen met het oog op een doelgerichte, tijdige en efficiënte toepassing van de programma's inzake financiële educatie van de burgers;

20.   spoort de lidstaten aan financiële educatie op te nemen in het door de bevoegde instellingen vastgestelde leerplan van lagere en middelbare scholen, ten einde leerlingen de vaardigheden die voor het dagelijks leven nodig zijn, bij te brengen, en op dit gebied systematisch cursussen voor docenten te organiseren;

21.   wijst op de noodzaak van continue educatie van beide partijen, van financiële adviseurs en consumenten, opdat de educatie van goede kwaliteit is en gelijke tred houdt met de laatste ontwikkelingen op het gebied van de financiële dienstverlening;

22.   is van oordeel dat de synergische wisselwerking tussen de diverse onderwijsorganisaties niet voldoende benut wordt; verzoekt de lidstaten derhalve een netwerk voor financiële educatie op te richten waaraan zowel de openbare als particuliere sector deelneemt en de samenwerking en dialoog tussen alle sectoren te stimuleren;

23.   spoort de lidstaten aan bijzondere aandacht te schenken aan de educatieve behoeften van gepensioneerden en personen die aan het einde van hun beroepsleven staan en die het risico lopen financieel te worden uitgesloten, alsook jongeren die met hun professionele loopbaan beginnen, en voor de uitdaging staan hoe ze hun nieuw verworven inkomen op de juiste manier moeten uitgeven;

24.   verzoekt de lidstaten voor sociale werkers cursussen over economische en financiële dienstverlening te organiseren omdat zij rechtstreeks contacten onderhouden met mensen die het risico lopen aan de bedelstaf of diep in de schulden te raken;

25.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0011.
(2) PB C 175 E van 10.7.2008, blz. 392.
(3) PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.
(4) PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66.


Scorebord voor de consumentenmarkten
PDF 123kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het scorebord voor de consumentenmarkten (2008/2057(INI))
P6_TA(2008)0540A6-0392/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 29 januari 2008 getiteld "De doorlichting van de beleidsresultaten voor consumenten in de interne markt: het scorebord voor de consumentenmarkten" (COM(2008)0031),

–   gezien het scorebord van de interne markt nr. 16 bis van 14 februari 2008 (SEC(2008)0076),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 september 2007 over het groenboek over de herziening van het consumentenacquis(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 mei 2008 over de EU-strategie voor het consumentenbeleid 2007-2013(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 september 2008 over het scorebord van de interne markt(3),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2007 getiteld "Een interne markt voor het Europa van de 21e eeuw" (COM(2007)0724),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2007 getiteld "Diensten van algemeen belang, met inbegrip van sociale diensten van algemeen belang: een nieuw Europees engagement"(COM(2007)0725), dat als begeleidend document is toegevoegd aan de mededeling over een interne markt voor het Europa van de 21e eeuw,

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie met als titel "Implementing the new methodology for product market and sector monitoring: Results of a first sector screening" (Tenuitvoerlegging van de nieuwe methodologie voor het doorlichten van de productenmarkt en sectoren: uitkomsten van een eerste sectorscreening) (SEC(2007)1517), dat als begeleidend document is toegevoegd aan de mededeling over een interne markt voor het Europa van de 21e eeuw,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A6-0392/2008),

A.   overwegende dat het de publicatie van het scorebord voor de consumentenmarkten ("het scorebord") verwelkomt, waarmee wordt beoogd de interne markt beter te laten inspelen op de verwachtingen en behoeften van de burger,

B.   overwegende dat concurrerende markten die effectief functioneren van essentieel belang zijn om ervoor te zorgen dat de burgers vertrouwen hebben in de interne markt,

C.   overwegende dat het scorebord dient te worden aangevuld met andere vormen van toezicht,

D.   overwegende dat de indicatoren in het scorebord zijn bedoeld om sectoren in kaart te brengen die gedetailleerder moeten worden onderzocht,

E.   overwegende dat het scorebord het debat over zaken die het consumentenbeleid betreffen, moet stimuleren,

F.   overwegende dat onderzoek en analyses van nationale instanties voor consumentenzaken en mededinging relevant kunnen zijn voor de verdere ontwikkeling van het scorebord,

Inleiding

1.   beklemtoont dat het van belang is dat de burgers ten volle kunnen profiteren van de voordelen van de interne markt en ziet het scorebord als een belangrijk instrument ter bereiking van dit doel;

2.   staat positief tegenover de vijf hoofdindicatoren in het scorebord die verband houden met klachten, prijsniveaus, tevredenheid, omschakelen van leverancier en veiligheid;

3.   onderstreept dat het scorebord nog in de kinderschoenen staat en verder ontwikkeld moet worden met vollediger gegevens, preciezere statistieken en verdere analyses die zijn gebaseerd op diverse indicatoren;

4.   beklemtoont dat, wanneer de vijf basisindicatoren van het scorebord een bevredigend ontwikkelingspeil hebben bereikt, er nieuwe indicatoren moeten worden opgesteld om de interne markt beter te laten inspelen op de verwachtingen en zorgen van de burger;

5.   roept de Commissie ertoe op te zorgen voor adequate financiering en te voorzien in voldoende personeel voor de doeleinden waaraan wordt gerefereerd in de paragrafen 3 en 4;

6.   spoort de Commissie ertoe aan om zorg te dragen voor een consistent en gecoördineerd beleid binnen haar diensten, om dubbel werk en tegenstrijdige gegevensanalyseresultaten te voorkomen;

7.   roept de Commissie ertoe op haar toekomstige scoreborden vergezeld te laten gaan van een inzichtelijke samenvatting en van duidelijke conclusies en aanbevelingen, vertaald in alle officiële talen van de Europese Unie;

Ontwikkeling van de indicatoren

8.   is van mening dat het totale aantal indicatoren beperkt dient te blijven om te komen tot een doelgericht scorebord;

9.   is van mening dat een klachtenindicator essentieel is voor een goed inzicht in de tevredenheid van de consument; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op harmonisatie na te streven van de classificatiesystemen voor klachten die bij de verschillende diensten voor bijstand van de consument in de lidstaten en op communautair niveau in gebruik zijn en om een EU-brede databank van consumentenklachten op te zetten; roept de lidstaten op om de consument bewust te maken van klachtensystemen en om de afhandeling van klachten te verbeteren, zodat marktspelers meer en betere diensten kunnen aanbieden;

10.   roept de Commissie op indicatoren te ontwikkelen voor grensoverschrijdende juridische procedures en vergoeding van schade die consumenten hebben geleden via justitiële en buitengerechtelijke verhaalmiddelen, alsook via bestaande nationale procedures;

11.   is van mening dat het scorebord ook indicatoren voor het kennisniveau, de vaardigheden en de leeftijd van consumenten zou kunnen bevatten (bijvoorbeeld opleidingsniveau, computervaardigheid en kennis van vreemde talen); benadrukt evenwel dat er een evenwicht moet worden bewerkstelligd tussen indicatoren die zijn gebaseerd op "zachte" data uit consumentenonderzoeken en indicatoren die berusten op "harde" gegevens uit andere bronnen;

12.   erkent dat het ontwikkelen van nauwkeurige en adequate prijsindicatoren een zeer gecompliceerde aangelegenheid is aangezien verschillen in prijsniveaus meerdere oorzaken kunnen hebben en op zich geen bewijs van marktfalen hoeven te zijn; is evenwel van mening dat het scorebord ook prijsindicatoren moet bevatten, daar prijzen een belangrijk punt van zorg voor consumenten zijn, en prijsindicatoren aanjagers van debat zijn en zorgen voor aandacht in de media voor de functionele tekortkomingen van de markten; roept de Commissie ertoe op rekening te houden met het macro-economische klimaat en met de koopkracht van de consumenten en de prijzen exclusief belasting die in de lidstaten worden gehanteerd;

13.   verwelkomt inspanningen om verfijndere prijsindicatoren te ontwikkelen, maar roept tevens op tot het gebruik van andere indicatoren voor het effectief functioneren van markten alvorens specifieke beleidsaanbevelingen te doen;

14.   merkt op dat ethische en milieuproblemen voor de consument steeds belangrijker worden; dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken in hoeverre de beschikbaarheid van informatie over deze problemen in de verschillende markten kan worden nagetrokken;

Verbetering van de beschikbare informatie

15.   onderstreept het belang van nauwe samenwerking tussen de bureaus voor de statistiek in de lidstaten, Eurostat en andere diensten van de Commissie teneinde de kwaliteit en de volledigheid van de cijfers te waarborgen; roept de lidstaten ertoe op stappen te ondernemen die een dergelijke samenwerking vergemakkelijken;

16.   wijst erop dat nationale instanties voor consumentenzaken en mededinging dikwijls casestudies opzetten of over andere gegevens beschikken omtrent het functioneren van de diverse markten; roept de Commissie er derhalve toe op te putten uit de informatie die op nationaal niveau beschikbaar is en met nationale deskundigen actief overleg te plegen over de verdere ontwikkeling van het scorebord;

17.   spoort de lidstaten ertoe aan het nut te onderzoeken van een eventueel in te stellen speciale consumentenombudsman; merkt op dat een aantal lidstaten in verschillende sectoren al over een consumentenombudsman beschikken, die consumenten helpt in hun omgang met de economische actoren;

18.   roept de Commissie ertoe op om er in samenwerking met de lidstaten voor te zorgen dat de Europese consumenteninformatiecentra meer middelen en voldoende personeel tot hun beschikking krijgen, zodat het toenemende aantal grensoverschrijdende consumentenklachten effectief kan worden opgelost en klachten sneller kunnen worden afgehandeld;

Beter bewustzijn

19.   roept de Commissie en de lidstaten ertoe op de bekendheid met het scorebord te vergroten, onder andere door ervoor te zorgen dat het gemakkelijk toegankelijk is en kan worden geraadpleegd op alle relevante websites, en dringt aan op extra inspanningen om het scorebord onder de aandacht van de media, overheidsinstanties en consumentenorganisaties te brengen;

Samenhang met het scorebord van de interne markt

20.   is van mening dat het scorebord van de interne markt en het scorebord voor de consumentenmarkten allebei bijdragen tot een verbetering van de interne markt waar burgers en consumenten profijt van hebben;

21.   verwelkomt het voornemen van de Commissie om ervoor te zorgen dat meer bekendheid wordt gegeven aan de interne markt en is van mening dat de twee scoreborden een belangrijke stap in die richting vormen;

22.   onderstreept dat de beide scoreborden weliswaar met elkaar samenhangen en dat het van belang is ervoor te zorgen dat zij zich coherent ontwikkelen, maar dat zij niettemin verschillende doelgroepen hebben en derhalve afzonderlijk en met verschillende reeksen indicatoren moeten worden gebruikt;

23.   is van mening dat de gebruikte indicatoren en de samenhang tussen de twee scoreborden geregeld dienen te worden herzien, zodat ze kunnen worden aangepast aan de ontwikkelingen op de interne markt;

o
o   o

24.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 231.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0211.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0421.


Algemene regeling inzake accijns *
PDF 486kWORD 213k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende een algemene regeling inzake accijns (COM(2008)0078 – C6-0099/2008 – 2008/0051(CNS))
P6_TA(2008)0541A6-0417/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0078),

–   gelet op artikel 93 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0099/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A6-0417/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Voor een sterkere werking van de interne markt zijn extra inspanningen nodig om de accijnzen in de Europese Unie geleidelijk te harmoniseren, waarbij rekening moet worden gehouden met kwesties als volksgezondheid, milieubescherming en begrotingsoverwegingen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Accijnsgoederen mogen voor specifieke doeleinden aan andere indirecte belastingen worden onderworpen. In dat geval dienen de lidstaten evenwel enkele essentiële elementen van de communautaire voorschriften betreffende indirecte belastingen in acht te nemen, teneinde geen afbreuk te doen aan het nut ervan.
(4)  Accijnsgoederen mogen voor specifieke doeleinden aan andere indirecte belastingen worden onderworpen. In dat geval dienen de lidstaten evenwel enkele essentiële elementen van de communautaire voorschriften betreffende indirecte belastingen in acht te nemen, teneinde geen afbreuk te doen aan het nut ervan, en wel de voorschriften met betrekking tot de maatstaf van heffing en berekening, de verschuldigdheid en de controle van de belasting.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten voor ogen dat voor de volksgezondheid een hoog beschermingsniveau moet zijn gewaarborgd.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Aangezien de accijns een belasting op het verbruik van bepaalde goederen is, mag geen accijns worden geheven van accijnsgoederen die vernietigd zijn of onherstelbaar verloren zijn gegaan, ongeacht de omstandigheden van de vernietiging of het verlies.
(9)  Aangezien de accijns een belasting op het verbruik van bepaalde goederen is, mag geen accijns worden geheven van accijnsgoederen die onmiskenbaar vernietigd zijn of onherstelbaar verloren zijn gegaan, ongeacht de omstandigheden van de vernietiging of het verlies.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  De gevallen waarin goederen taxfree mogen worden verkocht aan reizigers die het grondgebied van de Gemeenschap verlaten, moeten duidelijk worden vastgesteld.
(14)  De mogelijkheid moet blijven bestaan dat reizigers die het grondgebied van de Gemeenschap over land verlaten goederen taxfree kopen, op voorwaarde dat de taxfreeshops aan de buitengrenzen de lidstaten kunnen garanderen dat zij aan alle voorwaarden voldoen om elke vorm van fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Reizigers die per vliegtuig of boot naar een derdelandsgebied of een derde land reizen, en die in het bezit zijn van een reisdocument dat aangeeft dat de eindbestemming een luchthaven of een haven in een derdelandsgebied of een derde land is, moeten in aanmerking kunnen komen voor de vrijstelling van de betaling van de accijnsen op accijnsgoederen die worden geleverd door taxfreeshops.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  De regels die van toepassing zijn op het overbrengen van accijnsgoederen onder schorsing van accijns zouden, onder bepaalde voorwaarden, moeten voorzien in de mogelijkheid van een algemene zekerheid voor lagere accijnzen of in helemaal geen zekerheid.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Teneinde het doeltreffend functioneren van het geautomatiseerde systeem te garanderen, moeten de lidstaten, in het kader van de nationale toepassingen, hun goedkeuring hechten aan een uniforme catalogus en een uniforme structuur, zodat economische actoren kunnen beschikken over een betrouwbare interface.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 24
(24)  De te volgen procedures in geval van onbeschikbaarheid van het geautomatiseerde systeem moeten worden vastgesteld.
(24)  De te volgen procedures in geval van onbeschikbaarheid van het geautomatiseerde systeem, buiten de schuld van de bij het overbrengen van de accijnsgoederen betrokken actoren of om redenen waarop zij geen invloed kunnen hebben, moeten worden vastgesteld,
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  Wanneer voor producten accijns verschuldigd is omdat ze door particulieren verworven zijn voor eigen gebruik en door hen worden vervoerd, moet de hoeveelheid accijnsgoederen worden aangegeven.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36
(36)  Teneinde te voorzien in een periode van aanpassing aan het elektronische systeem van toezicht op de overbrenging van goederen onder schorsing van accijns, moet aan de lidstaten een overgangsperiode worden toegestaan waarin dergelijke overbrengingen nog overeenkomstig de in Richtlijn 92/12/EEG vastgestelde formaliteiten mogen worden verricht.
(36)  Teneinde te voorzien in een periode van aanpassing aan het elektronische systeem van toezicht op de overbrenging van goederen onder schorsing van accijns, moet aan de lidstaten een overgangsperiode worden toegestaan waarin dergelijke overbrengingen nog overeenkomstig de in Richtlijn 92/12/EEG vastgestelde formaliteiten mogen worden verricht. De duur van deze overgangsperiode moet afgestemd zijn op de haalbaarheid het informaticasysteem in de afzonderlijke lidstaten feitelijk te installeren.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – punt 4 bis (nieuw)
(4 bis) "invoer van accijnsgoederen": het op het grondgebied van de Gemeenschap binnenbrengen van accijnsgoederen die bij hun binnenkomst in de Gemeenschap niet onder een douaneschorsingsregeling worden geplaatst, of het vrijgeven van onder een douaneschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – punt 4 ter (nieuw)
(4 ter) "geregistreerde geadresseerde": de natuurlijke of rechtspersoon die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld door die autoriteiten, gemachtigd is om accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling die zijn verzonden vanuit een andere lidstaat, te ontvangen;
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – punt 4 quater (nieuw)
(4 quater) "geregistreerde afzender": een natuurlijke of rechtspersoon die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van invoer, onder de door die autoriteiten vastgestelde voorwaarden, gemachtigd is onder een accijnsschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen te verzenden, nadat die in het vrije verkeer zijn gebracht, volgens Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Gemoderniseerd douanewetboek);
____________
1 PB L 145 van 4.6.2008, blz. 1.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – punt 4 quinquies (nieuw)
(4 quinquies) "erkend entrepothouder": de natuurlijke of rechtspersoon die door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat gemachtigd is om bij de bedrijfsuitoefening accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling te produceren, te verwerken, voorhanden te hebben, te ontvangen en te verzenden;
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – punt 4 sexies (nieuw)
(4 sexies) "belastingentrepot": iedere plaats waar de erkende entrepothouder bij de bedrijfsuitoefening accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling produceert, verwerkt, voorhanden heeft, ontvangt of verzendt, zulks onder bepaalde voorwaarden die zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar dit belastingentrepot gelegen is;
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – punt 4 septies (nieuw)
(4 septies) "plaats van invoer": de plaats waar de goederen zich bevinden wanneer zij overeenkomstig Verordening (EG) nr. 450/2008 in het vrije verkeer worden gebracht.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 2 – alinea 1 – letter c
(c) de invoer van accijnsgoederen.
(c) de invoer, met inbegrip van onregelmatige invoer, van accijnsgoederen die niet onmiddellijk bij invoer onder een accijnsschorsingsregeling worden geplaatst.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 4
4.  De algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van accijnsgoederen, inclusief verliezen die inherent zijn aan de aard van die goederen, wordt niet aangemerkt als uitslag tot verbruik.
4.  De algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van de accijnsgoederen in kwestie wordt aangetoond ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar deze algehele vernietiging of het onherstelbare verlies zich heeft voorgedaan.
Het verlies of de vernietiging van de accijnsgoederen in kwestie moet ten genoegen van de bevoegde autoriteiten worden aangetoond.
Indien in geval van overbrenging onder een accijnsschorsingregeling niet is vast te stellen waar de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies zich heeft voorgedaan, wordt de vernietiging of het verlies geacht zich te hebben voorgedaan in de lidstaat waar de vernietiging of het verlies is geconstateerd.
Voor de toepassing van de eerste alinea worden goederen geacht onherstelbaar verloren te zijn wanneer zij voor eenieder onbruikbaar zijn geworden.
De lidstaten kunnen het opzettelijk vernietigen van onder een accijnsschorsingsregeling geplaatste goederen onderwerpen aan voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1
1.  Wanneer tijdens een overbrenging onder schorsing van accijns een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die in de uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen resulteerde, en er niet kan worden vastgesteld waar de uitslag tot verbruik plaatsvond, wordt deze geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat van verzending.
1.  Wanneer tijdens een overbrenging onder schorsing van accijns een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die resulteerde in een uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder a), en er niet kan worden vastgesteld waar de uitslag tot verbruik plaatsvond, wordt deze geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat van verzending en op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd geconstateerd.
Wanneer de accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling niet op de plaats van bestemming aankomen en de desbetreffende onregelmatigheid die in een uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder a), resulteerde, niet is geconstateerd, wordt de uitslag tot verbruik geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat waar en op het tijdstip waarop de accijnsgoederen werden opgespoord.
Wanneer evenwel vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar vanaf de datum van aanvang van de overbrenging overeenkomstig artikel 19, lid 1, wordt vastgesteld in welke lidstaat de uitslag tot verbruik daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, stelt deze lidstaat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending daarvan in kennis.
Wanneer evenwel binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum waarop de overbrenging overeenkomstig artikel 19, lid 1, is begonnen, wordt vastgesteld in welke lidstaat de uitslag tot verbruik daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, wordt de uitslag tot verbruik geacht te hebben plaatsgevonden in deze lidstaat, die de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van constatering of van verzending daarvan in kennis stelt.
Wanneer de accijns is geheven door de lidstaat van verzending, gaat deze tot teruggaaf of kwijtschelding over zodra het bewijs is geleverd dat de accijns door de andere lidstaat is geïnd.
Wanneer de accijns is geheven door de lidstaat van constatering of van verzending, gaat deze tot teruggaaf of kwijtschelding over zodra het bewijs is geleverd dat de uitslag tot verbruik in de andere lidstaat heeft plaatsgevonden.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Indien op grond van behoorlijk bewijs zonder redelijke twijfel komt vast te staan waar gedurende overbrenging onder een accijnsschorsingsregeling de onregelmatigheid leidend tot uitslag tot verbruik van accijnsgoederen heeft plaatsgevonden, is de accijns verschuldigd in de lidstaat waar de onregelmatigheid plaatsvond.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Indien de onregelmatigheid die leidt tot uitslag voor verbruik van accijnsgoederen aantoonbaar in een bepaalde lidstaat heeft plaatsgevonden, terwijl die goederen reeds waren voorzien van fiscale zegels van de lidstaat van bestemming, wordt de accijns alleen verschuldigd in de lidstaat waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden wanneer de accijns door de lidstaat van bestemming aan de marktdeelnemer wordt terugbetaald.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Wanneer de lidstaat van bestemming de accijns niet heft door middel van fiscale zegels, wordt in geval van onregelmatigheid de accijns direct verschuldigd in de lidstaat waar de onregelmatigheid plaatsvond.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 3
3.  Voor de toepassing van lid 1 wordt onder een onregelmatigheid verstaan een situatie waarin de overbrenging niet is beëindigd overeenkomstig artikel 19, lid 2.
3.  Voor de toepassing van lid 1 wordt onder een onregelmatigheid verstaan een andere dan de in artikel 7, lid 4, bedoelde situatie waarin een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging niet overeenkomstig artikel 19, lid 2, is geëindigd.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 1 – letter e bis (nieuw)
(e bis) levering aan een erkende inrichting voor onderzoek en ontwikkeling, laboratorium, regeringsdepartement of andere erkende entiteit met het oog op kwaliteitsinspecties, onderzoek voorafgaande aan marktintroductie, en verificatie op mogelijke vervalsing, mits het kennelijk niet om commerciële hoeveelheden gaat, wanneer:
(i) de lidstaten mogen vaststellen welke hoeveelheden "commerciële hoeveelheden" zijn; en
(ii) de lidstaten tevens vereenvoudigde procedures kunnen invoeren om het goederenverkeer onder dit punt te vergemakkelijken.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 2
2.  De vrijstellingen zijn afhankelijk van de voorwaarden en beperkingen die door de gastlidstaat worden vastgesteld. De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen door middel van teruggaaf van de accijns.
2.  De vrijstellingen zijn afhankelijk van de voorwaarden en beperkingen die door de gastlidstaat worden vastgesteld. De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen door middel van teruggaaf van de accijns. De voorwaarden voor teruggave die door de lidstaten worden vastgesteld, mogen de vrijstellingsprocedures niet bovenmatig verzwaren.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De accijns, met inbegrip van accijns op aardolie, kan worden teruggegeven of kwijtgescholden volgens de door elke lidstaat vastgestelde procedure. De lidstaten passen op binnenlandse goederen dezelfde procedure toe als op goederen uit andere lidstaten.
Amendement 63/rev.
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 1
1.  De lidstaten kunnen vrijstelling van de betaling van accijns verlenen voor de accijnsgoederen die door taxfreeshops zijn geleverd en worden meegevoerd in de persoonlijke bagage van reizigers die zich door de lucht of over zee naar een derdelandsgebied of een derde land begeven.
1.  De lidstaten kunnen vrijstelling van de betaling van accijns verlenen voor de accijnsgoederen die door taxfreeshops zijn geleverd en worden meegevoerd in de persoonlijke bagage van reizigers die zich door de lucht, over zee of via een landgrensovergang naar een derdelandsgebied of een derde land begeven.
Amendement 65/rev.
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 4
4.  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
4.  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a) derdelandsgebieden: de gebieden die in artikel 5, leden 2 en 3, zijn genoemd;
a) derdelandsgebieden: de gebieden die in artikel 5, leden 2 en 3, zijn genoemd;
b) taxfreeshop: elke inrichting, gelegen op een luchthaven of haventerrein, die aan de door de bevoegde overheidsinstanties gestelde voorwaarden voldoet, met name bij toepassing van punt 3;
b) taxfreeshop: elke inrichting, gelegen op een luchthaven of haventerrein of bij een grensovergang met een derde land of een derdelandsgebied, die aan de door de bevoegde overheidsinstanties gestelde voorwaarden voldoet, met name bij toepassing van punt 3;
c) reiziger die zich naar een derdelandsgebied of derde land begeeft: iedere passagier die in het bezit is van een bewijs van vervoer door de lucht of over zee, waarop als rechtstreekse bestemming een luchthaven of haventerrein, gelegen in een derdelandsgebied of derde land, is vermeld.
c) reiziger die zich naar een derdelandsgebied of derde land begeeft: iedere passagier die in het bezit is van een bewijs van vervoer door de lucht of over zee, waarop als eindbestemming een luchthaven of haventerrein, gelegen in een derdelandsgebied of derde land, is vermeld, alsook iedere passagier die over het land de Gemeenschap verlaat.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2
2.   De productie, de verwerking en het voorhanden hebben van accijnsgoederen worden geacht plaats te vinden onder schorsing van accijns uitsluitend wanneer die handelingen worden verricht in een overeenkomstig lid 3 erkende ruimte.
2.   Wanneer de accijns niet voldaan is, vinden de productie, de verwerking en het voorhanden hebben van accijnsgoederen plaats in een belastingentrepot.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 3
3.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaten erkennen als "belastingentrepot" de ruimten die zijn ingericht voor de productie, de verwerking, het voorhanden hebben alsook de ontvangst of de verzending van accijnsgoederen onder schorsing van accijns.
Schrappen
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 1 – alinea's 2 en 3
De vergunning mag niet worden geweigerd op de enkele grond dat de natuurlijke of rechtspersoon in een andere lidstaat woonachtig of gevestigd is en het voornemen heeft om het belastingentrepot te beheren via een vertegenwoordiger of bijkantoor in de lidstaat die de vergunning afgeeft.
De vergunning wordt verleend onder de voorwaarden die de autoriteiten stellen om elke vorm van fraude en misbruik te voorkomen. Niettemin mag de vergunning niet worden geweigerd op de enkele grond dat de natuurlijke of rechtspersoon in een andere lidstaat gevestigd is.
De vergunning geldt voor de in artikel 14, lid 3, bedoelde activiteiten.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 1 – inleidende formule
1.  Accijnsgoederen mogen binnen het grondgebied van de Gemeenschap onder schorsing van accijns worden overgebracht:
1.  Accijnsgoederen mogen, ook indien zij via een derde land of een regio daarin worden overgebracht, tussen twee punten binnen het grondgebied van de Gemeenschap onder schorsing van accijns worden overgebracht:
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 - lid 1 - letter a - punt ii
(ii) een natuurlijke of rechtspersoon die van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming, onder de door die autoriteiten vastgestelde voorwaarden, toestemming heeft gekregen om accijnsgoederen in ontvangst te nemen die vanuit een andere lidstaat onder schorsing van accijns worden overgebracht, hierna de "geregistreerde geadresseerde" genoemd;
(ii) de ruimten van een geregistreerde geadresseerde;
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 1 – letter b
(b) van de plaats van invoer naar een van de onder a) genoemde bestemmingen, wanneer zij worden verzonden door een natuurlijke of rechtspersoon die daartoe van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van invoer, onder de door die autoriteiten vastgestelde voorwaarden, toestemming heeft gekregen, hierna de "geregistreerde afzender" genoemd.
(b) van de plaats van invoer naar een van de onder a) genoemde bestemmingen of geadresseerden, wanneer zij worden verzonden door een geregistreerde afzender.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 1 – inleidende formule
1.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending eisen onder de door hen vastgestelde voorwaarden dat de risico's die verbonden zijn aan het overbrengen onder schorsing van accijns worden gedekt door een zekerheid, die door een of meer van de volgende personen mag worden gesteld:
1.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending eisen onder de door hen vastgestelde voorwaarden dat de risico's die verbonden zijn aan het overbrengen onder schorsing van accijns worden gedekt door een zekerheid, die door of voor rekening van een of meer van de volgende personen mag worden gesteld:
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 2 – alinea 1
2.  De zekerheid is geldig in de hele Gemeenschap.
2.  De zekerheid is geldig in de hele Gemeenschap en kan worden gesteld door:
(a) een inrichting die gerechtigd is om de werkzaamheden van kredietinstellingen uit te oefenen in de zin van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen1, of
(b) een onderneming die gerechtigd is om een verzekeringsactiviteit uit te oefenen in de zin van Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche2.
_______________
1 PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1.
2 PB L 228 van 11.8.1992, blz. 1.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 bis (nieuw)
Artikel 17 bis
1.  Op verzoek van de in artikel 17, lid 1 bedoelde persoon kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending op door hen te bepalen voorwaarden toestaan dat een doorlopende zekerheid wordt gesteld voor een beperkt accijnsbedrag of dat geen enkele zekerheid wordt gesteld, mits de fiscale verantwoordelijkheid voor het vervoer wordt gedragen door degene die de verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich neemt.
2.  De in lid 1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend aan de personen die:
(a) gevestigd zijn in het douanegebied van de Gemeenschap;
(b) een bevredigende staat van dienst hebben op het gebied van het stellen van zekerheden betreffende de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling, en
(c) regelmatig zekerheden stellen voor de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling of er bij de douane-instanties om bekendstaan dat zij de verplichtingen die zij uit hoofde van deze procedures hebben, kunnen nakomen.
3.  De maatregelen ter regeling van de toekenning van de in de leden 1 en 2 bedoelde vergunningen worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure, bedoeld in artikel 40, lid 2.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 2 – alinea 2 – inleidende formule
Een geregistreerde geadresseerde die een in de eerste alinea bedoelde toestemming heeft gekregen, dient de volgende voorschriften in acht te nemen:
Een tijdelijk geregistreerde geadresseerde die een in de eerste alinea bedoelde toestemming heeft gekregen, dient de volgende voorschriften in acht te nemen:
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 1
1.  De overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns wordt geacht aan te vangen op het tijdstip dat de goederen het belastingentrepot van verzending of de plaats van invoer verlaten.
1.  De overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns wordt geacht aan te vangen op het tijdstip dat de goederen het belastingentrepot van verzending of de plaats van invoer verlaten. Het moment waarop de goederen het belastingentrepot of de plaats van invoer verlaten wordt bepaald door de onverwijlde verzending van een aanvullend bericht aan de bevoegde autoriteit door de erkende entrepothouder of de erkende expediteur.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 2
2.  De overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns wordt geacht te zijn beëindigd op het tijdstip dat de geadresseerde de goederen in ontvangst heeft genomen of, in het geval als bedoeld in artikel 16, lid 1, onder a), iii), op het tijdstip dat de goederen het grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten.
2.  De overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns is beëindigd:
- op het tijdstip dat de geadresseerde de goederen in ontvangst heeft genomen. Het tijdstip waarop de geadresseerde de goederen in ontvangst neemt wordt bepaald door de verzending van een aanvullende informatieboodschap door de geadresseerde aan de bevoegde instantie onmiddellijk na aankomst van de goederen;
- in het geval als bedoeld in artikel 16, lid 1, onder a), iii), op het tijdstip dat de goederen het grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten of onder een douaneschorsingsregeling zijn geplaatst.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 bis (nieuw)
Artikel 19 bis
De regels die van toepassing zijn op de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling staan toe dat op door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending te bepalen voorwaarden, een doorlopende zekerheid wordt gesteld voor een beperkt accijnsbedrag of dat geen enkele zekerheid wordt gesteld, mits de fiscale verantwoordelijkheid voor het vervoer wordt gedragen door degene die de verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich neemt.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 20 – lid 1
1.  Accijnsgoederen worden geacht onder schorsing van accijns te worden overgebracht uitsluitend wanneer de overbrenging geschiedt onder dekking van een elektronisch administratief document dat is opgesteld overeenkomstig de leden 2 en 3.
1.  Accijnsgoederen worden geacht onder schorsing van accijns te worden overgebracht uitsluitend wanneer de overbrenging geschiedt onder dekking van een elektronisch administratief document dat is opgesteld overeenkomstig de leden 2 en 3. De lidstaten en de Commissie nemen de nodige maatregelen om, op nationaal niveau, de publieke sleutelinfrastructuur te verwezenlijken en de interoperabiliteit daarvan te verzekeren.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 20 – lid 6
6.  De afzender deelt de administratieve referentiecode mee aan de persoon die de goederen vergezelt.
6.  De zending gaat vergezeld van een gedrukt document aan de hand waarvan de zending tijdens de overbrenging ervan kan worden geïdentificeerd.
De code moet gedurende de volledige looptijd van de overbrenging onder schorsing van accijns beschikbaar zijn.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending mogen onder de door die lidstaat vastgestelde voorwaarden toestaan dat de afzender met behulp van het geautomatiseerde systeem een overbrenging van energieproducten onder schorsing van accijns opsplitst in twee of meer deeltransporten, mits de totale hoeveelheid accijnsgoederen ongewijzigd blijft.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending mogen onder de door die lidstaat vastgestelde voorwaarden toestaan dat de afzender met behulp van het geautomatiseerde systeem een overbrenging van energieproducten onder schorsing van accijns opsplitst in twee of meer deeltransporten, mits:
(a) de totale hoeveelheid accijnsgoederen ongewijzigd blijft; en tevens
(b) de opsplitsing wordt verricht op het grondgebied van een lidstaat die deze procedure toestaat.
De lidstaten mogen ook bepalen dat een dergelijke opsplitsing niet op hun grondgebied mag worden verricht.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis of en onder welke voorwaarden zij de opsplitsing van zendingen op hun grondgebied toestaan. De Commissie zendt deze inlichtingen door naar de andere lidstaten.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 1 – alinea 1
1.  Bij ontvangst van accijnsgoederen op een van de in artikel 16, lid 1, onder a), i), ii) of iv), dan wel artikel 16, lid 2, bedoelde bestemmingen zendt de geadresseerde de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming onmiddellijk een bericht betreffende de ontvangst van de goederen, hierna "bericht van ontvangst" genoemd, met behulp van het geautomatiseerde systeem.
1.  Bij ontvangst van accijnsgoederen op een van de in artikel 16, lid 1, onder a), i), ii) of iv), dan wel artikel 16, lid 2, bedoelde bestemmingen zendt de geadresseerde de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming uiterlijk de volgende werkdag na de dag van ontvangst, een bericht betreffende de ontvangst van de goederen, hierna "bericht van ontvangst" genoemd, met behulp van het geautomatiseerde systeem.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 3
3.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending zenden het bericht van uitvoer door naar de afzender.
3.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending zenden het bericht van uitvoer door naar de afzender, uiterlijk de eerste werkdag na de dag van ontvangst van het certificaat dat aantoont dat de accijnsgoederen het grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea's 2 en 3
Wanneer het systeem opnieuw beschikbaar wordt, dient de afzender onmiddellijk een voorlopig elektronisch administratief document in. Dit document vervangt het in de eerste alinea, onder a), bedoelde papieren document zodra het overeenkomstig artikel 20, lid 3, is opgesteld, en de procedure betreffende het elektronisch administratief document wordt van toepassing.
De overbrenging van deze zendingen blijft doorgaan overeenkomstig de vervangende procedure, inclusief de controle, zelfs indien het elektronische systeem tijdens de overbrenging opnieuw beschikbaar wordt.
Totdat het elektronisch administratief document overeenkomstig artikel 20, lid 3, is opgesteld, wordt de overbrenging geacht plaats te vinden onder schorsing van accijns onder dekking van het papieren document.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 2 – alinea 1
2.  Wanneer het geautomatiseerde systeem onbeschikbaar is, mag een erkende entrepothouder of geregistreerde afzender de in artikel 20, lid 8, of artikel 22 bedoelde informatie met behulp van andere communicatiemiddelen verstrekken. Hij stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending in kennis van de wijziging van de bestemming of van de opsplitsing in deeltransporten op het tijdstip dat deze wordt doorgevoerd.
2.  Wanneer het geautomatiseerde systeem onbeschikbaar is, mag een erkende entrepothouder of geregistreerde afzender de in artikel 20, lid 8, of artikel 22 bedoelde informatie met behulp van andere door de lidstaten nader te bepalen communicatiemiddelen verstrekken. Hij stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending in kennis van de wijziging van de bestemming of van de opsplitsing in deeltransporten op het tijdstip dat deze wordt doorgevoerd.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28
De lidstaten mogen vereenvoudigde procedures vaststellen voor overbrengingen onder schorsing van accijns die uitsluitend over hun grondgebied verlopen.
De lidstaten mogen vereenvoudigde procedures vaststellen voor overbrengingen onder schorsing van accijns die uitsluitend over hun grondgebied verlopen, zoals de mogelijkheid het vereiste van elektronische controle van dergelijke overbrengingen te laten vallen.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 29 – punt 3 bis (nieuw)
(3 bis) overbrenging van goederen overeenkomstig artikel 11, lid 1, letter e bis).
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 30 – lid 1 – alinea 2
De eerste alinea is ook van toepassing op door particulieren verkregen accijnsgoederen, met uitzondering van tabaksfabrikaten, die voor hun rekening worden vervoerd.
Schrappen
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 30 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Voor de toepassing van lid 2, letter e), kunnen de lidstaten, uitsluitend als bewijselement, indicatieve niveaus vaststellen. Die niveaus mogen niet lager zijn dan:
(a) voor tabaksproducten:
-  400 sigaretten;
-  200 cigarillo's (sigaren met een maximumgewicht van 3 gram per stuk);
-  100 sigaren;
-  0,5 kg rooktabak;
(b) voor alcoholhoudende dranken:
-  5 liter gedistilleerde dranken;
-  10 liter tussenproducten;
-  45 liter wijn (waarvan maximaal 30 l mousserende wijn);
-  55 liter bier.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 30 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  De lidstaten kunnen tevens bepalen dat de accijns in de lidstaat van verbruik verschuldigd wordt bij de verkrijging van minerale oliën die in een andere lidstaat reeds tot verbruik zijn uitgeslagen, indien deze producten op een atypische wijze door particulieren of voor hun rekening zijn vervoerd. Als atypisch vervoer kunnen worden aangemerkt het vervoer van brandstof anders dan in de tank van voertuigen of in een passend reserveblik, alsmede het vervoer van vloeibare verwarmingsproducten anders dan in tankwagens die voor rekening van bedrijven worden gebruikt.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 34 – lid 4 – letter a
(a) zijn identiteit moet de belastingautoriteiten van de lidstaat van verzending van de accijnsgoederen bekend zijn;
(a) zijn identiteit moet de belastingautoriteiten van de lidstaat van verzending van de accijnsgoederen bekend zijn; hij dient van die belastingautoriteiten een identificatiedocument te verkrijgen;
Amendementen 51 en 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 37
1.  Onverminderd artikel 7, lid 1, mogen de lidstaten bepalen dat accijnsgoederen voorzien moeten zijn van fiscale merktekens of nationale herkenningstekens die voor belastingdoeleinden worden gebruikt, wanneer deze op hun grondgebied tot verbruik worden uitgeslagen of wanneer deze, in de in artikel 31, lid 1, eerste alinea, en artikel 34, lid 1, bedoelde gevallen, hun grondgebied binnenkomen.
1.  Onverminderd artikel 7, lid 1, mogen de lidstaten bepalen dat accijnsgoederen voorzien moeten zijn van fiscale merktekens, nationale herkenningstekens of welke andere vorm van seriemarkering of waarmerking dan ook, die voor belastingdoeleinden worden gebruikt, wanneer deze op hun grondgebied tot verbruik worden uitgeslagen of wanneer deze, in de in artikel 31, lid 1, eerste alinea, en artikel 34, lid 1, bedoelde gevallen, hun grondgebied binnenkomen.
2.  Elke lidstaat die het gebruik van de in lid 1 bedoelde fiscale merktekens of nationale herkenningstekens vereist, moet deze ter beschikking stellen van de erkende entrepothouders van de andere lidstaten.
2.  Elke lidstaat die het gebruik van de in lid 1 bedoelde fiscale merktekens, nationale herkenningstekens of welke andere vorm van seriemarkering of waarmerking dan ook vereist, moet deze ter beschikking stellen van de erkende entrepothouders van de andere lidstaten.
3.  Onverminderd de bepalingen die de lidstaten mogen vaststellen om de correcte toepassing van dit artikel te garanderen en elke vorm van fraude, ontduiking of misbruik te voorkomen, zorgen zij ervoor dat deze tekens geen belemmeringen voor het vrije verkeer van accijnsgoederen doen ontstaan.
3.  Onverminderd de bepalingen die de lidstaten mogen vaststellen om de correcte toepassing van dit artikel te garanderen en elke vorm van fraude, ontduiking of misbruik te voorkomen, zorgen zij ervoor dat deze tekens geen belemmeringen voor het vrije verkeer van accijnsgoederen doen ontstaan.
Wanneer deze tekens op accijnsgoederen zijn aangebracht, moet de lidstaat die ze heeft afgegeven, alle betaalde of als zekerheid gestelde bedragen voor het verkrijgen van deze tekens teruggeven of vrijgeven, wanneer de accijns in een andere lidstaat verschuldigd is geworden en daar werd geïnd.
Wanneer deze tekens op accijnsgoederen zijn aangebracht, moet de lidstaat die ze heeft afgegeven, alle betaalde of als zekerheid gestelde bedragen voor het verkrijgen van deze tekens teruggeven of vrijgeven, wanneer de accijns in een andere lidstaat verschuldigd is geworden en daar werd geïnd.
De lidstaat die de merktekens of herkenningstekens heeft afgegeven, kan het teruggeven, kwijtschelden of vrijgeven van het betaalde of zeker gestelde bedrag niettemin afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verwijdering of vernietiging van de merktekens of herkenningstekens wordt aangetoond.
4.  De in lid 1 bedoelde fiscale merktekens of herkenningstekens zijn uitsluitend geldig in de lidstaat die ze heeft afgegeven. De lidstaten mogen echter overgaan tot wederzijdse erkenning van deze tekens.
4.  De in lid 1 bedoelde fiscale merktekens, nationale herkenningstekens of welke andere vorm van seriemarkering of waarmerking dan ook zijn uitsluitend geldig in de lidstaat die ze heeft afgegeven. De lidstaten mogen echter overgaan tot wederzijdse erkenning van deze tekens.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 39
Totdat de Raad communautaire bepalingen betreffende de bevoorrading van schepen en luchtvaartuigen aanneemt, mogen de lidstaten hun nationale voorschriften ter zake handhaven.
Totdat de Raad communautaire bepalingen betreffende de bevoorrading van schepen en luchtvaartuigen aanneemt, mogen de lidstaten hun nationale voorschriften ter zake handhaven. De andere lidstaten worden van deze nationale voorschriften in kennis gesteld opdat hun marktdeelnemers zich daarop kunnen beroepen.

Schoolfruitregeling *
PDF 335kWORD 97k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot van wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en van Verordening (EG) nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten ("Integrale-GMO-verordening"), met het oog op het opzetten van een schoolfruitregeling (COM(2008)0442 – C6-0315/2008 – 2008/0146(CNS))
P6_TA(2008)0542A6-0391/2008

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0442),

–   gelet op de artikelen 36 en 37 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0315/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A6-0391/2008),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Tekst van de Commissie   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 2
(2)  Zoals in artikel 33 van het Verdrag is vastgesteld moet het GLB de markten stabiliseren, de voorziening veiligstellen en redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers verzekeren. De verlening van communautaire steun ten bate van een schoolfruitregeling om groente-, fruit- en banaanproducten aan leerlingen in onderwijsinstellingen te verstrekken, komt tegemoet aan deze doelstellingen. Bovendien moet de invoering van de regeling jonge consumenten smaak doen krijgen in groenten en fruit en daardoor het verbruik van deze producten, en bijgevolg de inkomsten van de landbouw – tevens een doelstelling van het GLB stimuleren. Op grond van artikel 35, onder b), van het Verdrag kunnen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gemeenschappelijke acties, zoals de schoolfruitregeling, worden ondernomen voor de verhoging van het verbruik van bepaalde producten.
(2)  Zoals in artikel 33 van het Verdrag is vastgesteld moet het GLB de markten stabiliseren, de voorziening veiligstellen en redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers verzekeren. De verlening van communautaire steun ten bate van een schoolfruitregeling om zo vers en seizoensgebonden mogelijke en zo goedkoop mogelijk verkrijgbare groente-, fruit- en banaanproducten van EU-oorsprong aan leerlingen in onderwijsinstellingen te verstrekken, komt tegemoet aan deze doelstellingen. Bij het bepalen van de doelgroep moeten de lidstaten in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel voldoende flexibiliteit krijgen om naargelang hun eigen behoeften schoolfruit te verstrekken aan een zo groot mogelijke groep gebruikers. Bovendien moet de invoering van de regeling jonge consumenten smaak doen krijgen in groenten en fruit en daardoor een duidelijk positieve invloed hebben op de volksgezondheid en de strijd tegen kinderarmoede, het verbruik van deze producten stimuleren, en een sneeuwbaleffect tot stand brengen door de betrokkenheid van leerlingen, ouders en leraars, hetgeen een duidelijk positief effect op de volksgezondheid zal hebben en ook de inkomsten van de landbouw – tevens een doelstelling van het GLB – zal stimuleren. Op grond van artikel 35, onder b), van het Verdrag kunnen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gemeenschappelijke acties, zoals de schoolfruitregeling, worden ondernomen voor de verhoging van het verbruik van bepaalde producten, in combinatie met bijkomende lessen over gezondheid en voeding, en voor de aanmoediging en stimulering van de streekproducenten, met name van producten uit berggebieden.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  De schoolfruitregeling moet duidelijk worden omschreven als een EU-initiatief dat erop gericht is obesitas bij jongeren tegen te gaan en hun smaak voor fruit en verse groenten te ontwikkelen. De regeling, in combinatie met aangepaste lesprogramma's, moet kinderen eveneens bewust maken van de opeenvolging van de seizoenen in de loop van het jaar. Daartoe moeten de voor onderwijs bevoegde autoriteiten in de eerste plaats zorgen voor de verdeling van seizoensfruit en bij voorkeur een gevarieerde keus bieden zodat de kinderen verschillende smaken kunnen leren kennen.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 3
(3)  In artikel 152, lid 1, van het Verdrag wordt bovendien geëist dat bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid van de Gemeenschap "een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt verzekerd". De aperte gezondheidsbaten van de schoolfruitregeling zijn aspecten die in de uitvoering van het GLB kunnen worden geïntegreerd.
(3)  In artikel 152, lid 1, van het Verdrag wordt bovendien geëist dat bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid van de Gemeenschap "een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt verzekerd". De aperte gezondheidsbaten van de schoolfruitregeling zijn aspecten die in de uitvoering van het EU-beleid in het algemeen en van het GLB in het bijzonder kunnen worden geïntegreerd.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Het Europese actieplan voor biologisch voedsel en biologische landbouw stelt voor om in de hele EU een meerjarige informatie- en promotiecampagne te lanceren om scholen in te lichten over de voordelen van de biologische landbouw, burgers beter vertrouwd te maken met biologische producten en de herkenbaarheid van bioproducten en van het EU-logo te verhogen. De schoolfruitregeling moet deze doelstellingen ondersteunen, in het bijzonder voor wat biologisch fruit betreft, en er moeten aanvullende maatregelen worden genomen die onder meer betrekking hebben op het verstrekken van informatie over biologische landbouw.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 6
(6)  Daarom moet worden voorzien in communautaire steun om de verstrekking van bepaalde gezonde producten uit de sector groenten en fruit, de sector verwerkte groenten en fruit en de sector bananen, alsmede bepaalde daarmee gepaard gaande kosten op het gebied van logistiek, distributie, materieel, communicatie, toezicht en evaluatie te cofinancieren. De Commissie dient de voor de regeling geldende voorwaarden vast te stellen.
(6)  Daarom moet worden voorzien in communautaire steun om de verstrekking van bepaalde gezonde producten uit de sector groenten en fruit en de sector bananen, alsmede bepaalde daarmee gepaard gaande kosten op het gebied van logistiek, distributie, materieel, communicatie, toezicht en evaluatie te financieren, alsook in de nodige begeleidende maatregelen om de doeltreffendheid van de regeling te garanderen. De Commissie dient de voor de regeling geldende voorwaarden vast te stellen. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de voorschriften voor de kwaliteit en duurzaamheid van de in de regeling opgenomen producten: deze moeten aan de hoogste normen voldoen, bij voorkeur seizoensgebonden zijn en zo mogelijk ter plaatse, of binnen de EU geproduceerd worden.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 7
(7)  Met het oog op een degelijke uitvoering van de schoolfruitregeling op nationaal of regionaal niveau moeten lidstaten die van de regeling gebruik wensen te maken, vooraf een strategie opstellen. Zij dienen tevens de begeleidende maatregelen aan te nemen die noodzakelijk zijn voor de doeltreffendheid van de regeling.
(7)  Met het oog op een degelijke uitvoering van de schoolfruitregeling op nationaal of regionaal niveau moeten lidstaten die van de regeling gebruik wensen te maken, vooraf een strategie opstellen, onder meer op het gebied van educatie aan de doelgroepen. Zij dienen tevens de begeleidende educatieve en logistieke maatregelen aan te nemen die noodzakelijk zijn voor de doeltreffendheid van de regeling, en de Commissie moet richtsnoeren opstellen voor de tenuitvoerlegging van deze verordening. De lidstaten kunnen deze maatregelen op educatieve wijze integreren in de lespakketten over gezondheid en voeding op scholen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 8
(8)  Om de totaalimpact van soortgelijke nationale maatregelen niet te beperken, dienen de lidstaten de mogelijkheid te krijgen aanvullende nationale steun te verlenen voor het verstrekken van de producten, het dekken van daarmee gepaard gaande kosten en het nemen van begeleidende maatregelen, en mag de schoolfruitregeling geen afbreuk doen aan aparte nationale schoolfruitregelingen die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapsregelgeving. Om een impact van de communautaire schoolfruitregeling op het terrein te garanderen, moet worden voorkomen dat de reeds bestaande nationale schoolfruitregelingen of andere regelingen voor de verstrekking van, onder meer, fruit op scholen, en de daarin geïnvesteerde middelen, door de communautaire regeling worden vervangen.
(8)  Om de totaalimpact van soortgelijke nationale maatregelen niet te beperken, dienen de lidstaten te worden gestimuleerd om aanvullende nationale steun te verlenen voor het verstrekken van de producten, het dekken van daarmee gepaard gaande kosten en het nemen van begeleidende maatregelen, en mag de communautaire schoolfruitregeling geen afbreuk doen aan aparte nationale schoolfruitregelingen die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapsregelgeving. Om een impact van de communautaire schoolfruitregeling op het terrein te garanderen, mogen de reeds geïnvesteerde nationale middelen ter financiering van meerjarige schoolfruitregelingen of andere regelingen voor de verstrekking van, onder meer, fruit op scholen, niet door de communautaire regeling worden vervangen. De financiële middelen van de Gemeenschap dienen aanvullend van aard te zijn en blijven voorbehouden aan nieuwe regelingen of de uitbreiding van bestaande regelingen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 9
(9)  Met het oog op een gezond begrotingsbeheer moet de communautaire steun worden vastgekoppeld aan een forfaitair maximum en aan maximale cofinancieringsniveaus en moet de financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de regeling worden toegevoegd aan de lijst van maatregelen die in aanmerking komen voor ELGF-financiering als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
(9)  Met het oog op een gezond begrotingsbeheer moet de communautaire steun worden vastgekoppeld aan een forfaitair maximum en aan maximale cofinancieringsniveaus en moet de financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de regeling worden toegevoegd aan de lijst van maatregelen die in aanmerking komen voor ELGF-financiering als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Als een of meer lidstaten de Gemeenschapsmiddelen niet benutten, kunnen deze naar andere lidstaten worden overgeheveld en daar worden besteed.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 10
(10)  Aangezien de vlotte uitvoering van de regeling tijd zal vergen, dient de regeling met ingang van het schooljaar 2009/10 van toepassing te worden. Na drie jaar dient over de regeling te worden gerapporteerd.
(10)  Aangezien de vlotte uitvoering van de regeling tijd zal vergen, dient de regeling met ingang van het schooljaar 2009/10 van toepassing te worden. De lidstaten moeten de tenuitvoerlegging en impact van het programma elk jaar evalueren en de Commissie moet na drie jaar een verslag voorleggen aan het Europees Parlement en de Raad. Aangezien resultaten op lange termijn enkel mogelijk zijn aan de hand van een programma op lange termijn, moet het programma gemonitored en geëvalueerd worden om de doeltreffendheid ervan te kunnen meten en eventuele verbeteringen te kunnen aanbrengen.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 11
(11)  Om een doeltreffende werking van de regeling te verzekeren, moet de Gemeenschap financiële steun kunnen verlenen voor voorlichtings-, toezicht- en evaluatiemaatregelen die tot doel hebben het publiek bewust te maken van de schoolfruitregeling en netwerken met betrekking tot de schoolfruitregeling tot stand te brengen, zonder dat dit afbreuk doet aan haar bevoegdheden om in het kader van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen cofinanciering te verstrekken voor begeleidende maatregelen die nodig zijn om het bewustzijn over de gezondheidsvoordelen van groente- en fruitverbruik te verbeteren.
(11)  Om een doeltreffende werking van de regeling te verzekeren, moet de Gemeenschap financiële steun kunnen verlenen voor voorlichtings-, toezicht- en evaluatiemaatregelen die tot doel hebben het publiek bewust te maken van de schoolfruitregeling en netwerken met betrekking tot de schoolfruitregeling tot stand te brengen, zonder dat dit afbreuk doet aan haar bevoegdheden om in het kader van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen cofinanciering te verstrekken voor begeleidende maatregelen die nodig zijn om het bewustzijn over de gezondheidsvoordelen van groente- en fruitverbruik te verbeteren. Het is van cruciaal belang dat de Commissie in de hele EU een grote publiciteitscampagne voor de regeling opzet.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 2 – punt 2 – letter a
Verordening (EG) nr. 1234/2007
Artikel 103 octies bis – lid 1
1.  Onder door de Commissie vast te stellen voorwaarden wordt met ingang van het schooljaar 2009/10 communautaire steun verleend voor de verstrekking aan leerlingen in onderwijsinstellingen van bepaalde door de Commissie te bepalen producten van de sector groenten en fruit, de sector verwerkte groenten en fruit en de sector bananen, en kan tevens communautaire steun worden verleend voor bepaalde daarmee gepaard gaande kosten op het gebied van logistiek, distributie, materieel, communicatie, toezicht en evaluatie.
1.  Onder door de Commissie vast te stellen voorwaarden wordt met ingang van het schooljaar 2009/10 communautaire steun verleend voor de verstrekking aan leerlingen in onderwijs- en prescolaire instellingen van bepaalde, door de Commissie geselecteerde en nader door de lidstaten te bepalen in de EU geproduceerde producten van de sector groenten en fruit en de sector bananen. Communautaire steun wordt eveneens verleend voor bepaalde daarmee gepaard gaande kosten op het gebied van logistiek, distributie, materieel, communicatie, toezicht en evaluatie, alsook voor de financiering van de begeleidende maatregelen die nodig zijn om de doeltreffendheid van de regeling te garanderen.
De Commissie en de lidstaten selecteren fruit en groenten, die zo vers en seizoensgebonden mogelijk en zo goedkoop mogelijk verkrijgbaar moeten zijn, op basis van gezondheidscriteria, zoals de minst mogelijk onnatuurlijke en ongezonde toevoegingen.
De voorkeur moet uitgaan naar streekproducten met als doel onnodig vervoer en de daarmee gepaard gaande milieuvervuiling te vermijden.
Er moet bijzondere aandacht uitgaan naar biologisch en plaatselijk geteelde fruit en groenten, indien die beschikbaar zijn.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 2 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 1234/2007
Artikel 103 octies bis – lid 2
2.  Lidstaten die op nationaal of regionaal niveau aan de regeling wensen deel te nemen, stellen vooraf een strategie voor de uitvoering van de regeling vast. Zij nemen tevens de begeleidende maatregelen aan die noodzakelijk zijn voor de doeltreffendheid van de regeling.
2.  Lidstaten die op nationaal of regionaal niveau aan de regeling wensen deel te nemen, stellen vooraf een strategie voor de uitvoering van de regeling op waarin rekening wordt gehouden met de bodem- en klimaatvoorwaarden die nodig zijn voor het telen van groenten en fruit. De voorkeur zal in dit verband uitgaan naar producten uit de Gemeenschap. Deze lidstaten verstrekken eveneens de nodige communautaire en nationale financiële middelen voor de tenuitvoerlegging van de regeling en nemen de begeleidende maatregelen die noodzakelijk zijn voor de doeltreffendheid van de regeling, waarbij voorrang wordt gegeven aan kinderen op peuter, kleuter- en basisscholen, die dagelijks gratis fruit zouden moeten krijgen.
In deze strategie leggen de lidstaten onder andere het volgende vast:
- de te verdelen producten, rekening houdend met het feit dat het om seizoensgebonden en plaatselijke producten gaat;
- de leeftijdscategorieën van de leerlingen op wie de regeling betrekking heeft;
- de scholen die deelnemen aan de regeling.
De lidstaten geven op basis van objectieve criteria de voorkeur aan plaatselijk geteelde, traditionele fruit- en groentesoorten en verlenen via de uitvoering van de regeling steun aan kleinere landbouwbedrijven.
Deze begeleidende maatregelen omvatten onder mee de verstrekking van gezondheids- en voedingsadvies, op de leeftijd van de leerlingen afgestemde informatie over de gezondheidsvoordelen van fruit, en informatie over de specifieke kenmerken van de biologische landbouw.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 2 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 1234/2007
Artikel 103 octies bis – lid 3 – letter a
a) meer bedragen dan 90 miljoen EUR per schooljaar;
a) meer bedragen dan 500 miljoen EUR per schooljaar;
Amendement 16
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 2 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 1234/2007
Artikel 103 octies bis – lid 3 – letter b
b) meer bedragen dan 50% van de in lid 1 bedoelde kosten voor de verstrekking en daarmee gepaard gaande kosten, of 75% van dergelijke kosten in gebieden die in aanmerking komen voor steun in het kader van de convergentiedoelstelling,
b) meer bedragen dan de in lid 1 bedoelde kosten voor de verstrekking, daarmee gepaard gaande kosten en kosten voor de begeleidende maatregelen;
Amendement 17
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 2 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 1234/2007
Artikel 103 octies bis – lid 3 – letter c
c) worden gebruikt ter dekking van andere dan de in lid 1 bedoelde kosten voor de verstrekking en daarmee gepaard gaande kosten, en mag niet
c) worden gebruikt ter dekking van andere dan de in lid 1 bedoelde kosten voor de verstrekking en daarmee gepaard gaande kosten en de kosten voor de begeleidende maatregelen die noodzakelijk zijn om de doeltreffendheid van de regeling te garanderen; en mag niet
Amendement 18
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 2 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 1234/2007
Artikel 103 octies bis – lid 3 – letter d
d) worden gebruikt ter vervanging van bestaande nationale schoolfruitregelingen of andere regelingen voor de verstrekking van, onder meer, fruit op scholen
d) worden gebruikt ter vervanging van de huidige overheidsfinanciering voor bestaande nationale schoolfruitregelingen of andere regelingen voor de verstrekking van, onder meer, fruit op scholen.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 2 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 1234/2007
Artikel 103 octies bis – lid 5
5.  De communautaire schoolfruitregeling laat aparte nationale schoolfruitregelingen die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapsregelgeving, onverlet.
5.  De communautaire schoolfruitregeling laat aparte nationale schoolfruitregelingen die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapsregelgeving, onverlet. Proefprojecten die bij wijze van experiment voor een beperkte periode worden uitgevoerd in een klein aantal onderwijsinstellingen, worden niet beschouwd als nationale regelingen uit hoofde van lid 3, letter d.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 2 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1234/2007
Artikel 184 – punt 6
6) vóór 31 augustus 2012 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing van de in artikel 103 octies bis genoemde schoolfruitregeling, zo nodig vergezeld van passende voorstellen. Er moet met name worden gerapporteerd over de mate waarin de regeling het opzetten van goed werkende schoolfruitregelingen in de lidstaten en de eetgewoonten van kinderen heeft bevorderd.
6) vóór 31 augustus 2012 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing van de in artikel 103 octies bis genoemde schoolfruitregeling, zo nodig vergezeld van passende voorstellen. Er moet met name worden gerapporteerd over:
- de mate waarin de regeling het opzetten van goed werkende schoolfruitregelingen in de lidstaten en de eetgewoonten van kinderen heeft bevorderd;
- de mate waarin de keuze voor nationale cofinanciering via een ouderbijdrage het bereik en de doeltreffendheid van de regeling al dan niet heeft beïnvloed;
- de relevantie en het effect van de nationale begeleidende maatregelen, met name de inkadering van de schoolfruitregeling en bijbehorende informatie over gezonde voeding in het nationale curriculum;

EMU@10: Tien jaar Economische en Monetaire Unie
PDF 194kWORD 98k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over de EMU@10: de eerste tien jaar Economische en Monetaire Unie en de uitdagingen voor de toekomst (2008/2156(INI))
P6_TA(2008)0543A6-0420/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van 7 mei 2008 van de Commissie over EMU@10: Tien jaar Economische en Monetaire Unie: successen, knelpunten en nieuwe uitdagingen (COM(2008)0238) (mededeling over EMU@10),

–   gezien de mededeling van 24 juni 2008 van de Commissie over de openbare financiën in de EMU – 2008 (COM(2008)0387),

–   gezien de Mededeling van de Commissie van 29 oktober 2008, getiteld "Van financiële crisis naar herstel: Een Europees actiekader"(COM(2008)0706),

–   gezien de economische vooruitzichten voor de herfst van 2008, van 3 november 2008,

–   gezien de bijeenkomst van de Europese Raad van 15 en 16 oktober 2008,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 oktober 2008 over de bijeenkomst van de Europese Raad van 15 en 16 oktober 2008(1),

–   gezien de spoedbijeenkomst van de Eurogroep van 12 oktober 2008 betreffende overheidsgaranties voor interbancaire kredieten,

–   gezien de conclusies van de bijeenkomst van de Raad van 4 november 2008,

–   gezien de uitkomst van de informele bijeenkomst van de staatshoofden en regeringsleiders van 7 november 2008,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 november 2006 over het jaarlijks verslag 2006 over de eurozone(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 juli 2007 over het jaarverslag 2007 over de eurozone(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 februari 2008 over de inbreng voor de strategie van Lissabon op de voorjaarszitting 2008 van de Raad(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2007 over de belangen van Europa: succes boeken in het tijdperk van globalisering(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 februari 2007 over de situatie van de Europese economie: voorbereidend verslag over de globale richtsnoeren van het economisch beleid voor 2007(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 februari 2005 over de openbare financiën in de EMU – 2004(7),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 april 2007 over de overheidsfinanciën in de EMU in 2006(8),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 juli 2008 over het Jaarverslag 2007 van de ECB(9),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 juni 2006 over de uitbreiding van de eurozone(10),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 juni 2007 over de verbetering van de raadplegingsprocedure van het Europees Parlement inzake de procedures voor uitbreiding van de eurozone(11),

–   onder verwijzing naar zijn standpunt van 17 juni 2008 over het voorstel voor een beschikking van de Raad overeenkomstig artikel 122, lid 2 van het Verdrag, betreffende de aanneming van de eenheidsmunt door Slowakije op 1 januari 2009(12),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 maart 2006 over de herziening van de strategie van het Internationaal Monetair Fonds(13),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 juli 2005 over de uitvoering van een voorlichtings- en communicatiestrategie voor de euro en de Economische en Monetaire Unie(14),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 september 2008 met aanbevelingen aan de Commissie inzake hedgefondsen en private equity(15),

–   onder verwijzing naar de resolutie van 13 december 1997 van de Europese Raad betreffende de coördinatie van het economisch beleid in de derde fase van de EMU, en de artikelen 109 en 109b van het EG-verdrag(16),

–   gezien de bijdrage van 12 februari 2008 van de Raad Economische en Financiële Zaken tot de conclusies van de voorjaarszitting van de Europese Raad,

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van 7 oktober 2008 over een gecoördineerd antwoord van de Europese Unie op de economische inzinking,

–   gezien de intentieverklaring van 1 juni 2008 voor samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten in financiële zaken, de centrale banken en de ministers van Financiën van de Europese Unie over grensoverschrijdende financiële stabiliteit,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A6-0420/2008),

A.   overwegende dat op 1 januari 1999 11 lidstaten - België, Duitsland, Ierland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland - de eenheidsmunt van de Europese Unie hebben aangenomen,

B.   overwegende dat sinds het ontstaan van het eurogebied nog eens vier lidstaten zich erbij aangesloten hebben: Griekenland in 2001, Slovenië in 2007 en Cyprus en Malta in 2008,

C.   overwegende dat het eurogebied zich naar verwachting verder zal uitbreiden, aangezien de meeste lidstaten die op dit moment nog buiten het gebied liggen, voorbereidingen treffen om zich op een zeker moment in de toekomst aan te sluiten, en Slowakije zich op 1 januari 2009 bij het eurogebied zal aansluiten,

D.   overwegende dat de Economische en Monetaire Unie (EMU), met de eenheidsmunt die de economische stabiliteit van de lidstaten bevordert, in vele opzichten een succes is geweest vooral met het oog op de huidige financiële crisis,

E.   overwegende dat deelname aan het eurogebied een hoge mate van onderlinge economische afhankelijkheid tussen de lidstaten met zich meebrengt, en om die reden betere coördinatie van het economisch beleid en daadwerkelijk optreden in het wereldwijd economisch en financieel bestuur vergt om ten volle te kunnen profiteren van de eenheidsmunt en om toekomstige uitdagingen, zoals de toegenomen concurrentie ten aanzien van natuurlijke hulpbronnen, wereldwijde economische onevenwichtigheden, het groeiend economisch belang van de opkomende markten, klimaatverandering en de vergrijzing van de Europese bevolking het hoofd te kunnen bieden,

F.   overwegende dat de gemiddelde inflatie tijdens de eerste tien jaar van het eurogebied globaal gezien in overeenstemming was met de doelstelling van de Europese Centrale Bank (ECB), een prijsstabiliteit van nabij, maar lager dan, 2%; dat de inflatie onlangs door structurele veranderingen op wereldschaal, in het bijzonder de stijging van energie- en voedselprijzen, versoepeling van het monetair beleid in de Verenigde Staten, en het gebrek aan alertheid van een aantal centrale banken van derde landen ruim boven dat niveau is gestegen,

G.   overwegende dat de snel groeiende vraag van de opkomende economieën naar schaarser wordende energie en andere grondstoffen langzamerhand de capaciteitsgrens van het aanbod heeft bereikt, en dat de opwaartse druk op de prijzen nog sterker is geworden doordat grondstoffen steeds meer als financiële activa worden beschouwd in zoverre zij als geldbelegging kunnen worden gebruikt,

H.   gezien de verheugende openheid van het eurogebied en de huidige waardestijging van de euro, die mogelijk negatieve gevolgen heeft, namelijk de uitvoer afremt en de invoer op de interne markt aanmoedigt, naast positieve gevolgen omdat de eurozone de EU-economie de sterke stijging van de olieprijzen en de huidige financiële crisis heeft helpen doorstaan;

I.   overwegende dat de mondiale economische situatie tijdens de eerste tien jaar van de euro gunstig is geweest voor het creëren van werkgelegenheid en bijna 16 miljoen nieuwe banen opgeleverd heeft – hun kwaliteit buiten beschouwing gelaten – en een daling van het werkloosheidscijfer van 9% in 1999 tot naar schatting 7,3% in 2008,

J.   overwegende dat de Europese Unie in een economische baisse terecht komt, met een groeicijfer dat is gedaald van 3,1% in 2006 tot een van 2% tot 1,4% bijgesteld cijfer in 2008 en 0,2% in 2009, terwijl werkloosheid en sociale uitsluiting zelfs nog sterker zullen stijgen,

K.   overwegende dat de economische en productiviteitsgroei teleurstellend zijn geweest, met een groei van de arbeidsproductiviteit die van 1,5% in de periode 1989 tot 1998 is gehalveerd tot naar schatting 0,75% in de periode 1999 tot 2008,

L.   overwegende dat de euro snel is uitgegroeid tot de op één na belangrijkste internationale munt naast de Amerikaanse dollar en voor vele landen over de hele wereld een belangrijke rol speelt als referentievaluta, maar dat het potentieel van de Euro op mondiaal niveau onvoldoende wordt benut omdat het eurogebied geen duidelijke internationale strategie noch effectieve internationale vertegenwoordiging heeft,

De eerste tien jaar van de euro

1.   deelt de opvatting dat de eenheidsmunt is uitgegroeid tot een symbool van Europa en heeft aangetoond dat Europa in staat is tot het nemen van ingrijpende beslissingen voor een gemeenschappelijke en welvarende toekomst;

2.   verheugt zich over het feit dat de euro stabiliteit heeft gebracht en economische integratie in het eurogebied heeft bevorderd; is verheugd over het stabiliserend effect van de euro op de mondiale wisselmarkten, met name in tijden van crisis; merkt op dat de interne economische verschillen nog niet zoveel als verwacht zijn verkleind en dat de productiviteit zich niet in alle delen van het eurogebied naar tevredenheid heeft ontwikkeld;

3.   stelt met tevredenheid vast dat er ook in andere delen van de wereld andere muntunies overwogen worden;

4.   herinnert eraan dat er, zoals talloze studies aantonen, een wezenlijk verband bestaat tussen monetair beleid en handelspolitiek in de wereld, en onderstreept daarbij de positieve rol van stabiele wisselkoersen voor de duurzame groei van de internationale handel;

5.   benadrukt dat het toenemend gebruik van de euro als handelsvaluta vooral de lidstaten in het eurogebied ten goede komt, omdat het de wisselkoersrisico's voor hun ondernemingen en daarmee ook de kosten van internationale handel reduceert;

6.   herinnert aan het feit dat het Parlement tijdens de eerste tien jaar van de EMU een actieve rol heeft gespeeld op zowel economisch als monetair terrein, en al het mogelijke gedaan heeft om voor grotere transparantie en democratische verantwoordelijkheid te zorgen;

7.   onderstreept dat er meer moet worden gedaan om ten volle te kunnen profiteren van de EMU, bijvoorbeeld de lidstaten en regio's met een bbp onder het gemiddelde in staat stellen om hun achterstand in te lopen, en om bij de burgers het begrip van, en de betrokkenheid bij, de eenheidsmunt te versterken;

8.   stelt de volgende elementen en concrete maatregelen voor een wenselijke EMU-routekaart voor:

Economische verschillen, structurele hervormingen en overheidsfinanciën

9.   is de mening toegedaan dat gestroomlijnde en meer coherente economische hervormingen met breed ondersteunend draagvlak, tijdig gecoördineerd volgens de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (geïntegreerde richtsnoeren) en een benadering van de Lissabon-strategie met gecombineerde beleidsmaatregelen de economische verschillen zouden kunnen verkleinen en een grote bijdrage zouden kunnen leveren aan het economisch herstel na de huidige financiële crisis; benadrukt de noodzaak tot het verbeteren en vereenvoudigen van de procedures en methodologieën voor de herziening en evaluatie van de implementatie van de richtsnoeren aan het einde van elk jaar;

10.   ziet in dat wat betreft pogingen tot modernisering en economische prestaties dié landen het meeste succes boeken waar vooruitziende en evenwichtige structurele hervormingen gepaard gaan met hoger dan gemiddelde investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie, onderwijs, levenslang leren en kinderopvang, en vernieuwing van betrouwbare sociale netwerken; merkt op dat globaal genomen dezelfde lidstaten een zeer efficiënt en transparant bestuur kennen, met begrotingsoverschotten, lager dan gemiddelde schuldcijfers, hoogwaardige, doeltreffende en gerichte overheidsuitgaven, terwijl zij daarnaast door technische vooruitgang een bijdrage leveren aan de nationale groei van bijna tweemaal het EU-gemiddelde; merkt verder op dat die toonaangevende lidstaten door hun lage werkloosheidscijfers, met vrouwen en ouderen in het arbeidsproces en hun bijzonder hoge geboortecijfers, het best zijn voorbereid op een vergrijzende samenleving en het zekerstellen van grote concurrentiekracht;

11.   benadrukt de noodzaak tot gemeenschappelijke versterking van op stabiliteit en groei gericht macro-economisch beleid door van evenwichtige beleidsvoering en investering een zaak van gezamenlijk belang te maken; benadrukt de noodzaak om overheidsbalansen nauwlettend te volgen door efficiënte aanwending van fiscaal beleid en uitgaven en hun invloed op de vraagzijde en, in het verlengde daarvan, overeenstemming te bereiken om een gunstig klimaat voor grensoverschrijdende bedrijfsactiviteiten tot stand te brengen;

12.   merkt op dat het herziene Stabiliteits- en groeipact (SGP) zijn waarde heeft bewezen en dat men de begrotingen stevig moet blijven consolideren, aangezien demografische veranderingen en een mogelijke daling in economische groei zouden kunnen leiden tot begrotingsproblemen in lidstaten binnen het eurogebied, welke negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor de stabiliteit van het eurogebied als geheel; veroordeelt daarom het gebrek aan discipline bij het bestrijden van begrotingstekorten in tijden van economische groei en benadrukt dat de lidstaten doeltreffender moeten samenwerken voor een anticyclisch fiscaal beleid, vooral om beter voorbereid te zijn op externe schokken; onderstreept daarom de noodzaak van een kortetermijnstrategie om overheidsschulden te verminderen en een duurzame en degelijke groeistrategie die op lange termijn een vermindering van de overheidsschulden tot maximaal 60% mogelijk maakt;

13.   merkt op dat de hoofdlijnen van het SGP ook in de toekomst consequent moeten worden gevolgd, omdat de drempel van 3% overheidsdeficit en 60% staatschuld, in vergelijking met het bbp, op basis van de economische situatie van de jaren negentig vastgelegd is; vindt dat het SGP strikt moet worden nageleefd door de lidstaten, onder toezicht van de Commissie; meent dat de beide streefcijfers voor de omvang van tekort en schuld als plafonds te beschouwen zijn, die vermeden moeten worden; merkt op dat doeltreffende coördinatie van economisch en financieel beleid een allereerste voorwaarde voor het economisch welslagen van de EMU is, hoewel het subsidiariteitsbeginsel moet worden gerespecteerd; verzoekt de Commissie om alle mogelijke manieren te onderzoeken waarop het preventieve deel van het SGP kan worden versterkt; benadrukt dat de bestaande toezichtinstrumenten beter moeten worden ingezet door de Commissie en dat het onderzoek van de nationale begrotingen op de middellange termijn uitgebreid moet worden;

14.   steunt de opvatting van de Commissie dat het herziene SGP een belangrijk beleidskader vormt in tijden van uitermate gespannen economische omstandigheden, en onderstreept dat de tenuitvoerlegging van het SGP moet waarborgen dat iedere verslechtering van de overheidsfinanciën gepaard gaat met passende maatregelen om de situatie weer onder controle te krijgen, waarbij er tevens voor moet worden gezorgd dat er weer duurzame posities worden ingenomen; is bovendien van mening dat bij de begrotingsstrategieën onbeperkt gebruik moet worden gemaakt van de flexibiliteitsmogelijkheden van het herziene SGP en verzoekt de Commissie de lidstaten duidelijke aanwijzingen te geven over de wijze waarop zij deze flexibiliteit kunnen toepassen;

15.   is van oordeel dat voor een houdbare en stabiele macro-economische omgeving de kwaliteit van de overheidsfinanciën moet worden verbeterd, onder meer door verdere begrotingsconsolidatie, hoogefficiënte overheidsuitgaven en meer investeringen in onderwijs, menselijk kapitaal, onderzoek en ontwikkeling en infrastructuur, die tot groei leiden en de werkgelegenheid kunnen stimuleren en belangrijke maatschappelijke problemen zoals de klimaatsverandering helpen aanpakken, overeenkomstig de doelstellingen van het klimaatveranderings- en energiepakket en het economisch herstel in aansluiting op de huidige financiële crisis;

16.   is van oordeel dat structurele hervormingen gericht moeten zijn op het verhogen van de productiviteit door een betere combinatie van economisch en sociaal beleid, en een degelijk uitgebouwde sociale dialoog zoals omschreven in de Lissabon-strategie;

17.   merkt op dat het concurrentiebeleid complementair moet zijn met het structuurbeleid en pleit voor steun voor de herstructurering van de economie;

18.   waarschuwt dat de aandacht niet hoofdzakelijk mag worden geconcentreerd op loonmatiging als manier om prijsstabiliteit te bewerkstelligen; herinnert er in dit verband aan dat de sterkere concurrentie als gevolg van de mondialisering reeds tot neerwaartse druk op de lonen heeft geleid, terwijl de consumenten reeds aan koopkracht hebben verloren door de geïmporteerde inflatie als gevolg van de prijsstijging van olie en andere grondstoffen; herhaalt nogmaals zijn overtuiging dat de kwestie vooral met eerlijker verdeling van de welvaart moet worden aangepakt;

19.   beschouwt loon- en belastingbeleid als doeltreffende hulpmiddelen voor zowel economische stabilisatie als groei; is van mening dat reële loonsverhogingen in overeenstemming met de productiviteitsniveaus moeten worden gegarandeerd en dat de coördinatie van belastingbeleid selectief moet worden gebruikt om economische doelstellingen te bereiken; is van oordeel dat de strijd tegen ontduiking van zowel directe als indirecte belastingen van bijzonder belang is en moet worden opgevoerd; onderstreept de noodzaak tot het onverwijld versterken van een cultuur van aanmoediging en betrokkenheid als onderdeel van de concepten van ondernemingsbestuur en maatschappelijk verantwoord ondernemen;

20.   benadrukt de noodzaak van eerlijke regels voor de interne markt; vindt daarom dat de wedren naar de laagste vennootschapsbelastingstarieven contraproductief is;

21.   verzoekt de lidstaten in het eurogebied om de doeltreffende coördinatie van het economisch en financieel beleid te versterken, in het bijzonder door een coherente gemeenschappelijke strategie binnen de Eurogroep te ontwikkelen; steunt het voorstel van de Commissie om van de lidstaten kaderprogramma's voor economisch en financieel beleid op middellange termijn te eisen en op hun uitvoering toe te zien; onderstreept dat elke lidstaat de verantwoordelijkheid moet nemen voor het doorvoeren van structurele hervormingen en het gezamenlijk verbeteren van de concurrentiekracht, zodat het vertrouwen in en de acceptatie van de euro worden gehandhaafd;

22.   merkt op dat verschillende structurele hervormingspatronen en maten van openheid hebben bijgedragen tot uiteenlopende prestaties onder de lidstaten van het eurogebied; onderschrijft de conclusies van de Commissie in de mededeling over de EMU@10 voor wat betreft de ontoereikende inhaalbeweging van verscheidene economieën in het eurogebied en de toenemende verschillen tussen de lidstaten van het eurogebied; vraagt regelmatig overleg en samenwerking in de Eurogroep om de gemeenschappelijke doelstelling - bespoediging van het convergentieproces - te bereiken;

23.   vraagt dat de Commissie bij de beoordeling van economische en fiscale gegevens de algemene criteria uniform hanteert; wijst op de verantwoordelijkheid van de Commissie en de lidstaten wat betreft de betrouwbaarheid van de statistische gegevens, en eist dat toekomstige besluiten uitsluitend worden genomen als er geen twijfel bestaat ten aanzien van de juistheid en nauwkeurigheid van de beschikbare gegevens; vraagt ook om de mogelijkheid om onderzoek in te stellen indien er gedurende een aantal jaren een discrepantie is tussen de geprojecteerde gegevens van de stabiliteits- en convergentieprogramma's en de gegevens die realistischerwijs kunnen worden verwacht;

Monetair beleid

24.   stelt nogmaals dat het sterk aan de onafhankelijkheid van de ECB gehecht is;

25.   merkt op dat de reguliere verslagen van de ECB aan het Parlement, in het bijzonder aan de Commissie economische en monetaire zaken, bijdragen tot de transparantie van het monetair beleid, en is verheugd over de mogelijkheid voor leden van het Europees Parlement om de ECB schriftelijke vragen te stellen over het monetair beleid, waardoor de verantwoordingsplicht van de ECB ten opzichte van de burgers van de Unie is verbeterd; steunt de roep om een ruimer openbaar debat over het toekomstig gemeenschappelijk monetair en valutabeleid in het eurogebied;

26.   is van oordeel dat de dialoog over het monetair beleid tussen het Parlement en de ECB een succes is geweest, waarop moet worden voortgeborduurd; verwacht een verbetering van de monetaire dialoog op verschillende punten, zoals het afstemmen van de data voor de reguliere hoorzittingen met de president van de ECB op de ECB-kalender voor beslissingen over het monetair beleid, teneinde de analyse van de beslissingen te verbeteren, met behoud van de mogelijkheid om indien nodig de president van de ECB uit te nodigen om actuele thema's te bespreken;

27.   merkt op dat het hoofddoel van het monetair beleid van de ECB bestaat in het behouden van prijsstabiliteit, en dat de ECB streeft naar een inflatie van minder dan, maar nabij 2% op de middellange termijn; wijst erop dat de doelstelling van prijsstabiliteit slechts effectief kan worden verwezenlijkt indien de diepere oorzaken van inflatie naar behoren worden aangepakt; herinnert eraan dat artikel 105 van het EG-Verdrag de ECB ook uitdrukkelijk opdracht geeft om het algemeen economisch beleid van de Gemeenschap te ondersteunen;

28.   is van mening dat de ECB zich in de richting van een rechtstreeks op de inflatie gericht regime zou moeten bewegen, met een vast streefdoel voor de inflatie, aangevuld met een marge voor toegelaten schommelingen rond het streefpercentage; verzoekt de ECB om haar inflatieprognoses te publiceren; een ontwikkeling in de richting van een regeling die rechtstreeks tegen inflatie gericht is, belet niet dat er ook aandacht naar de dynamiek van de geldhoeveelheden gaat om nieuwe zeepbelbestedingen ("asset bubbles") te voorkomen;

29.   is van oordeel dat inflatie een wereldwijde realiteit is en in een open economie niet uitsluitend met behulp van het Europees monetair beleid bestreden kan worden;

30.   benadrukt zijn bereidheid om vóór 2010 mogelijke verbeteringen in de benoemingsprocedure voor de directieleden van de ECB te verkennen; vindt het belangrijk dat academische en/of beroepservaring en een grote verscheidenheid aan achtergronden in de economische, monetaire en financiële sector onder de directieleden vertegenwoordigd zijn; vestigt de aandacht op zijn oproepen voor een ECB-directie van negen leden, die de exclusieve verantwoordelijkheid draagt voor de vaststelling van de rentetarieven, waarbij het nu bestaande systeem wordt vervangen en de nog complexere oplossing waartoe is besloten voor de toekomst, wordt vermeden; dringt op overeenkomstige verandering van het Verdrag aan;

Integratie van en toezicht op financiële markten

31.   is de mening toegedaan dat financiële integratie meer economische groei en concurrentiekracht zou moeten inhouden, naast een grotere stabiliteit en liquiditeit op de interne markt;

32.   merkt op dat het belangrijkste financieel centrum van de Europese Unie zich buiten het eurogebied bevindt; herinnert eraan dat de EG-wetgeving niettemin van toepassing is op alle lidstaten en marktspelers die actief zijn op de interne markt; denkt dat de Europese Unie dringend de structuur van haar toezicht moet versterken met inachtneming van de specifieke rol van de ECB;

33.   is van mening dat er nog veel moet gebeuren voor het afhandelen en vereffenen van internationale effectentransacties, waar tot op heden geen echte integratie bestaat;

34.   onderstreept dat er voor detailhandeldiensten meer integratie nodig is, zonder nadelige gevolgen voor de bescherming van de consument; meent dat de mobiliteit en financiële deskundigheid van de consument, de toegang tot basisdiensten en de vergelijkbaarheid van producten moeten worden verbeterd;

35.   beschouwt europeanisering van de financiële toezichtstructuur, transparantie op de financiële markten, effectieve concurrentieregels en degelijke reglementering als noodzakelijk op de middellange termijn, teneinde crisisbeheersing en samenwerking tussen het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB), toezichthoudende autoriteiten, regeringen en marktpartijen te verbeteren; is van oordeel dat een geïntegreerd, ruim (alle financiële sectoren omvattend), consistent en coherent toezichtkader met een evenwichtige aanpak van de reglementering van grensoverschrijdende spreiding van financieel risico aan de hand van geharmoniseerde wetgeving bij activiteiten die meerdere rechtsgebieden bestrijken, de compliancekosten zou verminderen; merkt op dat "goldplating" (regulering die verder gaat dan de minimumvereisten van de EG-wetgeving) en toezichtarbitrage ("regulatory arbitrage") dienen te worden vermeden; roept de Commissie op om aan de hand van deze principes voorstellen te doen voor het herzien van de bestaande toezichtconstructie; is van mening dat elke toezichthoudende rol van de ECB via het ESCB moet worden uitgebreid tot over de grenzen van het eurogebied;

36.   verheugt zich over de gemeenschappelijke intentieverklaring voor samenwerking voor internationale financiële stabiliteit tussen de toezichthoudende financiële autoriteiten, de centrale banken en de ministeries van Financiën van de Europese Unie, overeengekomen in de lente van 2008; onderstreept echter dat de gemeenschappelijke intentieverklaring slechts zachte wetgeving vertegenwoordigt en staat of valt met de bereidheid van de lidstaten om met elkaar samen te werken; is van mening dat, ook al zijn regels voor lastenverdeling zeer moeilijk ex ante op te stellen, het werk voor crisisbeheersing moet worden voortgezet;

37.   benadrukt dat de Europese Unie, als grootste economisch gebied ter wereld met de grootste financiële markten, een leidende internationale rol zou moeten spelen in de hervorming van de regelgeving voor financiële diensten, ten voordele van alle betrokken landen en de algemene stabiliteit; is van mening dat financiële stabiliteit een fundamenteel doel van de beleidsvorming moet zijn in een wereld van steeds sterker geïntegreerde financiële markten en financiële innovatie, die soms destabiliserende gevolgen voor de reële economie kunnen hebben en intrinsieke gevaren kunnen vertegenwoordigen; is ervan overtuigd dat moedige beslissingen op EU-niveau andere landen zullen stimuleren om het voorbeeld te volgen, en onderlijnt daarbij ook de verantwoordelijkheid voor mondiale of verder wegliggende problemen; is van oordeel dat de politieke verantwoordelijkheid van de internationale regelgevende instanties parallel met dergelijk regelgevend werk moet worden behandeld;

38.   verzoekt de Commissie om onderzoek te doen naar het invoeren van Europese obligaties en een lange termijnstrategie te ontwikkelen die de uitgifte van zulke obligaties in het eurogebied mogelijk maakt, naast de nationale obligaties van de lidstaten; wijst erop dat de consequenties van de invoering van Europese obligaties voor zowel de internationale financiële markten als de EMU beoordeeld moeten worden;

Uitbreiding van het eurogebied

39.   verzoekt alle lidstaten buiten het eurogebied om zich aan de Maastricht-norm en het herziene en doorgaans flexibele SGP te houden ; is van mening dat de Commissie vóór een mogelijke toetreding een strikte interpretatie van het SGP en het gebruik van de uitsluitingscriteria moet waarborgen; is van mening dat er gelijke behandeling van de lidstaten binnen het eurogebied en die lidstaten die willen toetreden moet worden gegarandeerd; merkt daarbij op dat de stabiliteit van de euro op lange termijn moet worden beschouwd als een doel van gemeenschappelijk belang, en dat uitbreiding en stabiliteit hand in hand moeten gaan; acht het van essentieel belang dat lidstaten binnen het eurogebied en lidstaten met een bijzondere status hun verplichtingen strikt nakomen en geen twijfel laten bestaan over de gemeenschappelijke doelstellingen van prijsstabiliteit, onafhankelijkheid van de ECB, begrotingsdiscipline of hun stimulerend beleid voor groei, werkgelegenheid en concurrentiekracht;

40.   is van oordeel dat de lidstaten buiten het eurogebied die aan de Maastricht-norm voldoen en geen afwijking volgens het Verdrag genieten, de gemeenschappelijke munt zo spoedig mogelijk moeten invoeren;

41.   benadrukt dat voor toelating tot het eurogebied volledige naleving van de Maastricht-norm vereist is, zoals uiteengezet in het Verdrag en het protocol bij artikel 121 van het Verdrag, namelijk: een hoge mate van gemeten prijsstabiliteit die ook duurzaam is, overheidsfinanciën zonder buitensporig tekort, ten minste twee jaar deelname aan het WKM II, inachtneming van de normale fluctuatiemarges, aanpassing van de rentetarieven voor de lange termijn, overeenstemming van de wettelijke voorschriften met het Verdrag van Maastricht en een onafhankelijke centrale bank;

42.   is van mening dat een van de grootste uitdagingen van toetreding tot het eurogebied erin bestaat om duurzaam aan de Maastricht-norm te voldoen; onderstreept echter dat de Maastricht-norm tegelijk ook een eerste stap is om de hervormingsprocessen op koers te houden, met verdere verbintenissen en beleidsvoering voor structurele hervormingen, investeringen en economische coördinatie;

43.   is verheugd over het strakker en efficiënt toezicht op de lidstaten die deelnemen aan het WKM II en willen toetreden tot het eurogebied, en hun economische ontwikkeling; merkt op dat succesvolle deelname aan het WKM II een echte voorafgaande voorwaarde moet blijven en niet slechts een secundaire eis voor lidmaatschap van het eurogebied; voor alle lidstaten die tot het eurogebied toetreden moeten dezelfde toetredingsvoorwaarden gelden;

44.   beschouwt aanhoudende en succesvolle uitbreiding van het eurogebied als een belangrijke uitdaging voor de komende jaren, waarbij zowel de institutionele standaards voor de ECB als haar besluitvormingsproces aan de verandering moeten worden aangepast en het roulatiemodel het economisch gewicht van de afzonderlijke lidstaten in aanmerking moet nemen;

45.   benadrukt in verband met de uitbreiding van het eurogebied dat er een hoge mate van convergentie in de reële economie gewenst is om de belasting voor zowel het eurogebied als de kandidaat-lidstaten te beperken; meent dat er daarom faciliteiten verleend moeten worden voor de lidstaten van het eurogebied waar het centraal monetair beleid een bijzonder groot inkrimpingseffect kan hebben;

46.   onderstreept dat het met het oog op toekomstige uitbreidingen belangrijk is om doelgerichte interventies vast te stellen ter ondersteuning van lidstaten buiten het eurogebied, die buitengewoon zwaar door de huidige financiële crisis zijn getroffen;

Communicatie

47.   benadrukt dat, hoewel er tot op vandaag in het eurogebied een hoge mate van prijsstabiliteit gehandhaafd is, de inflatie zoals "gevoeld" aanzienlijk verschilt van de lagere daadwerkelijke inflatiecijfers van de laatste tien jaar in de lidstaten; eist om die reden betere informatie en uitleg van de feiten voor de bevolking terzake van de noodzaak en het functioneren van de EMU, vooral voor de prijsstabiliteit, de internationale financiële markten en de voordelen van stabiliteit in het eurogebied bij internationale financiële crises;

48.   is van oordeel dat de eenheidsmunt voor de Europese Unie een prioriteit in de communicatie blijft; meent dat de voordelen van de euro en de EMU – prijsstabiliteit, lage hypotheekrenten, gemakkelijker reisverkeer, bescherming tegen wisselkoersschommelingen en externe schokken – aan het publiek uitvoerig getoond en uitgelegd moeten blijven worden; is van mening dat bijzondere nadruk moet worden gelegd op het voorlichten en van de ontwikkelingen op de hoogte houden van de Europese burgers, consumenten en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), die onvoldoende mogelijkheden hebben om zich onmiddellijk aan nieuwe ontwikkelingen en uitdagingen voor de euro en aan te passen;

49.   verzoekt de ECB om in haar jaarverslag of een speciaal verslag een jaarlijkse kwantitatieve analyse te maken van de voordelen die de euro voor de gewone burger heeft opgeleverd, met concrete voorbeelden van de manier waarop de euro een positief effect op het dagelijks leven van de burger heeft gehad;

50.   is van oordeel dat communicatie van het grootste belang is om de invoering van de euro voor te bereiden in de lidstaten die van plan zijn om tot het eurogebied toe te treden; merkt op dat communicatie over de uitbreiding van het eurogebied ook belangrijk is voor alle lidstaten in het eurogebied;

51.   is van mening dat de Commissie zich vooral moet inspannen om de nieuwe lidstaten te helpen om hun burgers met een intensieve voorlichtingscampagne op de invoering van de euro voor te bereiden, toezicht te houden op de uitvoering van eventueel reeds gestarte campagnes en regelmatig verslag uit te brengen over de uitvoering van de nationale actieplannen voor de invoering van de euro; meent ook dat de beste handelwijzen en kennis die bij de eerdere omschakelingen zijn opgedaan, waarschijnlijk dienstig zullen zijn bij de omschakeling van de nieuwe lidstaten en voor de komende uitbreiding en voorbereiding van de nieuwe kandidaat-lidstaten;

Internationale rol van de euro en externe vertegenwoordiging

52.   verheugt zich over de snelle ontwikkeling van de euro tot de op één na belangrijkste reserve- en transactievaluta na de Amerikaanse dollar, met een aandeel van 25% van de wereldwijde deviezenreserves; merkt op dat vooral in de landen die aan het eurogebied grenzen, de euro een belangrijke rol speelt als financieringsvaluta en dat de wisselkoersen van de betreffende landen op de euro zijn gericht; onderschrijft uitdrukkelijk de mening van de ECB dat de invoering van de euro de laatste stap is in de richting van een gestructureerd convergentieproces binnen de Europese Unie, en dat de introductie van de euro dus enkel volgens het EG-Verdrag mogelijk is;

53.   is van mening dat de EMU-beleidsagenda voor de komende tien jaar onder andere zal worden bepaald door de uitdagingen die de opkomende Aziatische economieën en de huidige wereldwijde financiële crisis met zich brengen; betreurt dat er ondanks de toenemende wereldwijde rol van de euro weinig vordering is gemaakt met de pogingen om de externe vertegenwoordiging van het eurogebied in financiële en monetaire aangelegenheden te verbeteren; benadrukt dat het eurogebied een internationale strategie moet uitwerken die aan de internationale status van zijn munt beantwoordt;

54.   herinnert eraan dat het eurogebied zijn invloed het effectiefst in overeenstemming kan brengen met zijn economisch gewicht door gemeenschappelijke standpunten te bepalen en naar buiten toe de krachten te bundelen en bij de belangrijke internationale financiële instellingen en forums uiteindelijk één zetel te bezetten; roept de lidstaten van het eurogebied onder meer op om met één stem spreken over het wisselkoersbeleid;

55.   wijst er met nadruk op dat de euro buiten het eurogebied als nationale munt wordt gebruikt; meent dat de implicaties daarvan moeten worden onderzocht;

56.   wijst erop dat de belangrijke rol van de euro op de internationale financiële markten verplichtingen met zich meebrengt, en dat de effecten van zowel monetair als groeibeleid in het eurogebied bijgevolg een wereldwijde uitwerking hebben; benadrukt het toegenomen belang van de euro voor de internationale handel en diensten als stabilisator op het wereldtoneel, als motor voor de integratie van de financiële markten en als basis voor het opvoeren van directe investeringen en internationale bedrijfsfusies, aangezien de transactiekosten aanzienlijk zouden kunnen worden beperkt; roept op tot onderzoek naar wereldwijde onevenwichtigheden en de rol van de euro en mogelijke aanpassingsscenario's teneinde de Europese Unie beter voor te bereiden op het opvangen van grote externe schokken;

57.   stelt sterker toekomstgerichte samenwerking en ruimere internationale dialoog tussen de bevoegde autoriteiten van de voornaamste "valutablokken" voor om de behandeling van internationale crises te verbeteren en de gevolgen van monetaire bewegingen voor de reële economie te helpen opvangen; herinnert aan de succesvolle gemeenschappelijke crisisbeheersing bij de aanvang van de recente Amerikaanse subprime-kredietcrisis en tijdens de crisis vlak na de gebeurtenissen van 11 september 2001, die een onmiddellijke instorting van de Amerikaanse dollar heeft helpen voorkomen;

58.   ondersteunt het voornemen van de Commissie om de invloed van de EMU bij internationale financiële instellingen te versterken met een gemeenschappelijk EU-standpunt, vertegenwoordigd door geselecteerde vertegenwoordigers, zoals de voorzitter van de Eurogroep, de Commissie en de president van de ECB; merkt op dat de voorzitter van de Eurogroep, de Commissie en de president van de ECB in de praktijk al als waarnemers kunnen optreden bij de belangrijkste internationale financiële instellingen; eist evenwel een betere coördinatie van Europese standpunten, zodat het gemeenschappelijk Europees monetair beleid in de toekomst kan worden vertegenwoordigd door zijn rechtmatige vertegenwoordigers; verwacht dat een standpunt van het eurogebied over het wisselkoersbeleid van zijn belangrijkste partners zal worden ingenomen; roept de voorzitter van de Eurogroep op om het eurogebied te vertegenwoordigen op het Forum voor financiële stabiliteit (FSF); stelt voor om de statuten van het Internationaal Monetaire Fonds (IMF) te wijzigen zodat economische blokken en organisaties er vertegenwoordigd kunnen zijn;

59.   onderstreept dat er een gemeenschappelijke EU-benadering voor de hervorming van de internationale financiële instellingen nodig is, die rekening moet houden met de uitdagingen van een mondiale economie, waaronder de opkomst van nieuwe economische machten;

60.   betreurt dat de Commissie in haar mededeling EMU@10 de internationale status van de euro niet gedetailleerder en nauwkeuriger heeft geanalyseerd; verzoekt de Commissie een uitvoerig rapport op te stellen over de externe dimensie van het gemeenschappelijk monetair beleid en zijn weerslag op de economische en handelsverrichtingen van het eurogebied;

61.   onderstreept dat het monetair beleid van bepaalde partners van de Europese Unie bedoeld is om hun munt te laag gewaardeerd te houden - een praktijk met oneerlijke weerslag op het handelsverkeer, die als niet-tarifaire belemmering van de internationale handel beschouwd kan worden;

Economische instrumenten en leiding van de EMU

62.   is van oordeel dat alle partijen - Parlement, Raad, Commissie, de Eurogroep en de sociale partners op EU- en nationaal niveau - moeten samenwerken om het economisch bestuur van de EMU in de toekomst op basis van de volgende suggesties te versterken:

   a) als essentieel onderdeel van de Lissabon-strategie en centraal economisch instrument zouden de geïntegreerde richtsnoeren wederzijds inspirerende hervormingen moeten nastreven voor werkgelegenheid, milieu en sociale zekerheid, met als doel een evenwichtige benadering aan de hand van gecombineerde beleidsmaatregelen,
   b) de geïntegreerde richtsnoeren zouden een breed kader voor nauwere coördinatie van het economisch beleid moeten vestigen om de nationale hervormingsprogramma's (NRP) op elkaar af te stemmen, maar rekening houdend met economische diversiteit en verschillende nationale tradities; de nationale parlementen moeten over de stabiliteits- en convergentieprogramma's en de nationale hervormingsprogramma's verplicht geraadpleegd worden,
   c) sterkere verbinding tussen de geïntegreerde richtsnoeren, vooral de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GREB) en de stabiliteits- en convergentieprogramma's; de stabiliteits- en convergentieprogramma's en de nationale hervormingsprogramma's kunnen op hetzelfde moment ingediend worden (jaarlijks aan het begin van de herfst) na debat in het nationaal parlement; de GREB's zouden gemeenschappelijke begrotingsdoelstellingen kunnen omvatten, in overeenstemming met het preventief gedeelte van het SGP,
   d) de regeringen van de lidstaten zouden bij het nemen van beslissingen aangaande hun nationale begroting rekening moeten houden met de geïntegreerde richtsnoeren en de specifieke aanbevelingen voor hun land en de algemene begrotingssituatie in het eurogebied; de verschillende nationale fiscale kalenders en de belangrijkste veronderstellingen in de onderliggende prognoses moeten worden geharmoniseerd om ongelijkheid door gebruik van verschillende macro-economische prognoses (globale groei, EU-groei, prijs van een vat olie, rentetarieven) en andere parameters te vermijden, dringt er bij de Commissie, bij Eurostat en de lidstaten op aan te streven naar de vastlegging van instrumenten, waarmee de nationale begrotingen met betrekking tot de uitgaven in verschillende categorieën, beter met elkaar kunnen worden vergeleken;
   e) er moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van formelere aanbevelingen voor de lidstaten van het eurogebied, zoals het bepalen van doelstellingen voor de uitgaven op middellange termijn, specifieke structurele hervormingen, investeringen en de kwaliteit van de overheidsfinanciën; daarnaast moet er in de nationale hervormingsprogramma's een meer gestandaardiseerde rapportagestructuur nagestreefd worden, zonder de nationale hervormingsprioriteiten te hinderen; alle verplichtingen, doelstellingen en maatstaven moeten volledig in de geïntegreerde richtsnoeren en nationale hervormingsprogramma's vervat zijn om de samenhang en efficiëntie van het economisch bestuur te verbeteren,
   f) het economisch beleidskader moet in goede tijden een lange termijnstrategie voor het verminderen van de nationale schulden tot onder een maximum van 60% van het bbp bevatten, omdat daarmee de rentekosten van de schuld verminderen en kapitaal voor particuliere investeringen goedkoper wordt,
   g) er moet een bindend kader tot stand worden gebracht waarbinnen de lidstaten van het eurogebied elkaar en de Commissie consulteren voordat ze belangrijke economische beleidsbeslissingen nemen, zoals in het geval van maatregelen om hogere voedsel- en energieprijzen op te vangen,
   h) de economische coördinatie moet de vorm krijgen van een geïntegreerde "Europese economische en werkgelegenheidsstrategie" met gebruikmaking van de bestaande economische beleidsinstrumenten – meer in het bijzonder de Lissabon-strategie, de geïntegreerde richtsnoeren, de strategie voor duurzame ontwikkeling en de stabiliteits- en convergentieprogramma's; de regeringen van de lidstaten moeten onder leiding van de voorzitter van de Eurogroep de economische activiteiten coherent ondersteunen, gelijktijdig en in dezelfde richting,
   i) in de Europese economische en werkgelegenheidsstrategie moet het potentieel van nieuwe en groene technologie de rol van hoeksteen van de economische groei krijgen, gekoppeld aan gecombineerde macro-economische beleidsmaatregelen,
   j) de financiering van innovatieve ondernemingen, vooral kmo's, moet gemakkelijker verlopen, onder andere via een slim Europees groeifonds, op te richten door de Europese Investeringsbank,
   k) het jaarlijks verslag over het eurogebied moet een praktischer verzameling instrumenten en evaluaties bieden, om een gedetailleerder dialoog mogelijk te maken tussen de verschillende EU-instanties die aan het economisch bestuur deelnemen,
   l) het Parlement, de Raad en de Commissie moeten samen een gedragscode opstellen om degelijke samenwerking en volledige betrokkenheid van de drie EU-instellingen bij de correcte verdere hantering van de geïntegreerde richtsnoeren, als belangrijkste economische instrumenten, te garanderen,
  m) de institutionele structuur voor economische beleidscoördinatie moet op de volgende manier versterkt worden:
   - ook voor concurrentiekracht/industrie, milieu, werkgelegenheid en onderwijs moeten er "Eurogroep"-formaties worden opgericht;
   - de Eurogroep moet een sterkere institutionele achtergrond en meer mankracht krijgen;
   - het mandaat van de voorzitter van de Eurogroep moet overeenstemmen met de economische cycli van de geïntegreerde richtsnoeren;
   - het Comité voor het economisch beleid moet in het Economisch en Financieel Comité opgaan zodat het één enkele samenhangende beleidsvoorbereidende instantie voor de Raad van ministers van Economische en Financiële Zaken en de Eurogroep vormt;
   - een vertegenwoordiger van het Parlement moet de status van waarnemer in de Eurogroep en op informele vergaderingen van de Raad krijgen;
   - er moeten viermaal per jaar vergaderingen tussen de troika, het Parlement en de Commissie georganiseerd worden, en wanneer nodig met de Eurogroep;
   n) er moet een regelmatiger en gestructureerder dialoog over macro-economische onderwerpen tussen het Parlement, de Commissie en de Eurogroep komen (vergelijkbaar met de monetaire dialoog tussen het Parlement en de ECB), ten minste elk kwartaal, om de bestaande kaders te versterken en de uitdagingen te bespreken waar de economie van het eurogebied mee te maken krijgt,
   o) er moet een actieve dialoog tot stand worden gebracht tussen het Parlement, de Eurogroep, de ECB en het Europees Economisch en Sociaal Comité, om de geschikte beleidscombinatie te bespreken;

63.   meent dat de agenda voor het EMU-beleid van de eerstvolgende tien jaar vooral door de uitdagingen bepaald zal worden die de recente onrust op de financiële markten en de gevolgen daarvan voor de reële economie vertegenwoordigen; stelt daarbij in positieve zin vast dat de lidstaten van het eurogebied beter uitgerust zijn om zware schokken op te vangen dan in het verleden dankzij het gemeenschappelijk muntbeleid en de hervormingen die zij de laatste jaren doorgevoerd hebben; vraagt echter, in het belang van een ruim opgevatte strijd tegen de economische inzinking en hoge inflatie:

o
o   o

   a) een gecoördineerd antwoord op EU-niveau, dat van een gezamenlijke beoordeling van de problemen en gemeenschappelijke vervolgmaatregelen uitgaat, maar een aantal specifiek nationale kenmerken aanvaardt, met inbegrip van een coördinatie van de NRP,
   b) ruim opgevatte en goed afgestelde NRP's en de nodige inzet voor hun uitvoering, o.a. een herziening van de nationale begrotingen om op de jongste economische voorspellingen te reageren, de economische recessie te bestrijden en de groei te bevorderen, bij gelijktijdige invoering van een uitvoerige dialoog met de sociale partners,
   c) maatregelen ter ondersteuning van het MKB, met name als aanvulling op de jongste maatregelen van de Europese Investeringsbank, en om een ononderbroken kredietverstrekking aan het MKB door het bankenstelsel te waarborgen,
   d) vastlegging van doelgerichte maatregelen ter bescherming van kwetsbare groepen tegen de gevolgen van de huidige financiële crisis,
   e) volledige en tijdige uitvoering van het routeplan financiële dienstverlening, met o.a. ook vervolgmaatregelen en doeltreffender toezicht in het licht van de huidige beroering op de financiële markten,
   f) doeltreffender oplossingsregelingen voor crisissituaties door betere EU-regels voor liquidaties en duidelijk omschreven en unaniem aanvaardbare regelingen voor lastenverdeling tussen de lidstaten bij insolventie van internationale financiële groepen,
   g) afwerking van de hulpmiddelen voor monetaire beleidsvorming door grondige ontleding van de factoren die de stabiliteit en werking van het financieel systeem beïnvloeden, o.a. de overdracht van monetaire beleidsvoering, de ontwikkeling van kredietverlenings- en financieringsmiddelen, de kenmerken van nieuwe producten en de concentratie van risico's en liquiditeiten,
   h) een vooruitziende en toekomstgerichte Europese reflex op internationale forums, meer in het bijzonder het FSF en het IMF, ook in het belang van meer gemeenschappelijke politieke besluitvormingsprocessen,
   i) formulering van één standpunt van de Europese Unie bij de G8 en denkwerk over haar rol als efficiënter economisch besluitvormingsorgaan op wereldvlak - een rol die op de gevolgen van de globalisering en het groter gewicht van de wereldwijde financiële markten afgestemd is,
   j) betere en efficiëntere coördinatie tussen de Wereldhandelsorganisatie en de instellingen van "Bretton Woods" (het IMF en de Wereldbankgroep) om de speculatie te bestrijden en de uitdagingen van de ernstige crisis tegemoet te treden,
   k) in het licht van de huidige ernstige monetaire ontwrichting, een mondiale monetaire conferentie onder auspiciën van het IMF om wereldwijd overleg over monetaire kwesties te plegen, en ook de uitvoerbaarheid van een beslechtingsmechanisme voor monetaire geschillen in het kader van het IMF in overweging te nemen;

64.   verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité, de voorzitter van de Eurogroep, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0506.
(2) PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 125.
(3) PB C 175 E van 10.7.2008, blz. 569.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0057.
(5) PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 422.
(6) PB C 287 E van 29.11.2007, blz. 535.
(7) PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 132.
(8) PB C 74 E van 20.3.2008, blz. 780.
(9) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0357.
(10) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 249.
(11) PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 251.
(12) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0287.
(13) PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 118.
(14) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 73.
(15) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0425.
(16) PB C 35 van 2.2.1998, blz. 1.


Aanbevelingen over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen
PDF 152kWORD 67k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 met aanbevelingen aan de Commissie over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen (2008/2012(INI))
P6_TA(2008)0544A6-0389/2008

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 192, tweede alinea van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 2 en 141, lid 3 van het EG-Verdrag,

–   gezien de Mededeling van de Commissie van 18 juli 2007 getiteld "Bestrijding van de beloningsverschillen tussen vrouwen en mannen" (COM(2007)0424),

–   gezien het Verslag van het netwerk van de Commissie van juridische deskundigen op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en gelijkheid van mannen en vrouwen van februari 2007 getiteld "Wettelijke aspecten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen",

–   gezien het Europees pact voor gendergelijkheid dat door de Europese Raad van Brussel van 23 en 24 maart 2006 is aangenomen,

–   gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 141 van het EG-verdrag,

–   gelet op de bepalingen uit het Verdrag inzake deeltijdarbeid van de Internationale Arbeidsorganisatie van 1994, die landen verplichten om in hun openbare aanbestedingen een clausule over arbeidsvoorwaarden op te nemen, waaronder ook gelijke loon,

–   gelet op artikel 11, lid 1, onder d van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, aangenomen bij Resolutie 34/180 van 18 december 1979 van de Algemene Vergadering van de VN,

–   gezien het kader voor acties inzake gendergelijkheid van de Europese sociale partners van 1 maart 2005 en de follow-up verslagen,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 13 maart 2007 over een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010(1) en van 3 september 2008 over de gelijkheid van vrouwen en mannen – 2008(2),

–   gelet op artikel 39 en 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0389/2008),

A.   overwegende dat vrouwen in de Europese Unie gemiddeld 15% minder verdienen dan mannen en tot 25% minder in de particuliere sector; overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen in de lidstaten varieert van 4% tot meer dan 25% en dit verschil niet aanmerkelijk kleiner blijkt te worden,

B.   overwegende dat een vrouw, om evenveel te verdienen als een man gedurende een jaar, tot 22 februari van het volgende jaar, d.w.z. 418 kalenderdagen, zou moeten werken,

C.   overwegende dat de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk en voor werk van gelijke waarde essentieel is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid,

D.   overwegende dat de beschikbare gegevens aantonen dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen nog altijd bestaat en dat de vooruitgang uiterst traag is (van 17% in 1995 naar 15% in 2005), ondanks de vele wet- en regelgeving die al ruim 30 jaar van kracht is, de maatregelen die zijn genomen en de middelen die zijn aangewend in een poging dat verschil te verkleinen; overwegende dat het bijgevolg noodzakelijk is de oorzaken daarvan te onderzoeken en maatregelen te ontwikkelen om een einde te maken aan deze loonkloof en de ermee gepaard gaande segregatie van de vrouwelijke arbeidsmarkt;

E.   overwegende dat er in alle lidstaten meer vrouwen dan mannen slagen voor hun schoolexamen en dat vrouwen een meerderheid uitmaken van de afgestudeerden zonder dat daar een evenredige vermindering van de loonkloof tegenover staat,

F.   overwegende dat de loonkloof het gevolg is van directe en indirecte discriminatie alsmede van sociale en economische factoren, de segregatie op de arbeidsmarkt en de algemene loonstructuur en bovendien verband houdt met een aantal juridische, maatschappelijke en economische factoren die verder reiken dan de kwestie van gelijke beloning voor hetzelfde werk op zich,

G.   overwegende dat de loonkloof alleen moet worden vastgesteld op basis van de verschillen in bruto uurloon maar ook rekening moet houden met factoren als individuele toeslagen, functieclassificatie, arbeidsorganisatiemodellen, werkervaring en productiviteit, die niet alleen in kwantitatief opzicht (het aantal uren dat een werknemer fysiek aanwezig is op de werkplek), maar ook in kwalitatief opzicht moeten worden gemeten, alsook met het effect van verminderde arbeidstijd, vakantiedagen en verzorgingsverlof op automatische loonschaalindelingen en -verhogingen;

H.   overwegende dat verkleining van de loonkloof een van de doelstellingen was van de Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid die door de meeste lidstaten echter niet voldoende werd opgepakt,

I.   overwegende dat een verbetering van het rechtskader van de EU de lidstaten en sociale partners in staat moet stellen de onderliggende oorzaken van de hardnekkige loonkloof tussen mannen en vrouwen beter aan te wijzen,

J.   overwegende dat beroepen en banen waarin vrouwen domineren vaak worden ondergewaardeerd in vergelijking met beroepen en banen waarin vooral mannen werken, zonder dat objectieve criteria dit per se rechtvaardigen,

K.   overwegende dat er een digitale kloof op grond van geslacht bestaat, die een onmiskenbare impact heeft op de beloning,

L.   overwegende dat loonstelsels waarin het meewegen van dienstjaren in de beloning is vastgelegd, nadelig zijn voor vrouwen die hun loopbaan (meermalen) moeten onderbreken vanwege externe factoren, zoals zorg voor kinderen, uitstel van beroepskeuze of kortere arbeidstijden, en vrouwen hierdoor langdurig en structureel een achterstand oplopen,

M.   overwegende dat de voorhanden zijnde gegevens aantonen dat de kwalificaties en ervaring van vrouwen financieel lager worden beloond dan die van mannen; overwegende dat, afgezien van het concept van "gelijk loon voor arbeid van gelijke waarde", dat niet mag worden scheefgetrokken door een genderstereotype benadering, maatschappelijk rolpatronen die tot op heden de opleidings- en carrièremogelijkheden op doorslaggevende wijze hebben beïnvloed, moet worden doorbroken, overwegende dat moederschapsverlof en ouderschapsverlof geen discriminatie mogen teweegbrengen voor vrouwen op de arbeidsmarkt,

N.   overwegende dat de loonkloof groot effect heeft op de economische en maatschappelijke status van vrouwen gedurende hun werkzame leven en daarna, en dat talrijke vrouwen als gevolg van het feit dat zij op andere manieren dan via de arbeidsmarkt hun steentje bijdragen aan de samenleving, zoals door de verzorging van kinderen en bejaarde familieleden, een groter risico lopen op armoede en economisch minder onafhankelijk zijn,

O.   overwegende dat de loonkloof nog dramatischer is voor migrantenvrouwen, gehandicapte vrouwen, vrouwen die tot minderheden behoren en vrouwen zonder kwalificaties,

P.   overwegende dat het van fundamenteel belang is te beschikken over naar geslacht uitgesplitste gegevens en over een nieuw rechtskader dat rekening houdt met het aspect "geslacht" en de mogelijkheid biedt om de oorzaken van loondiscriminatie aan te pakken,

Q.   overwegende dat het onderwijs kan en moet bijdragen tot het uitroeien van de genderstereotypen in de samenleving,

R.   overwegende dat het Parlement de Commissie herhaaldelijk heeft verzocht initiatieven te ontplooien om de loonkloof aan te pakken, waaronder herziening van bestaande wetgeving, om het armoederisico onder gepensioneerden weg te nemen en hun een behoorlijke levensstandaard te garanderen,

S.   overwegende dat Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)(3) bepaalt dat het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid een wezenlijk en onontbeerlijk onderdeel vorm van het "acquis communautaire", met inbegrip van de jurisprudentie van het Hof op het gebied van discriminatie en geslacht, en dat het noodzakelijk is om de uitvoering van dat beginsel nader te regelen,

T.   overwegende dat de tenuitvoerlegging door de lidstaten, de sociale partners en de organisaties die zich inzetten voor gelijke kansen van maatregelen als die van het bovenvermelde kader voor acties inzake gendergelijkheid van 1 maart 2005, effectief zou leiden tot het wegwerken van de loonkloof door een efficiënt sociaal overleg;

U.   overwegende dat een strategie om aan de loonkloof, de horizontale en verticale segregatie van de arbeidsmarkt en het stereotyperen van banen en sectoren die vaak door vrouwen worden gedomineerd een einde te maken, een kader vereist voor wetgevende en andere maatregelen op verschillende niveaus, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen beloningsdiscriminatie en beloningsverschillen op basis van andere factoren dan directe of indirecte discriminatie, aangezien de eerste vorm van discriminatie rechtstreeks onder de wetgeving valt en de tweede vorm moet worden opgelost door middel van gerichte beleidsmaatregelen en specifieke maatregelen,

V.   overwegende dat de Commissie, zoals in bovengenoemde Mededeling van 18 juli 2007 aangekondigd, in de loop van 2008 het rechtskader van de EU evalueert met betrekking tot gelijke beloning, waarbij alle belanghebbenden betrokken moeten worden; overwegende dat de resultaten van die evaluatie de nodige publiciteit moeten krijgen,

W.   overwegende dat de gelijkheid van de pensioenen voor mannen en vrouwen, met inbegrip van de pensioengerechtigde leeftijd, als doel is gesteld,

X.   overwegende dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid een sleutelrol kan spelen bij het monitoren van de evolutie van de loonkloof tussen man en vrouw, het analyseren van de oorzaken van deze loonkloof en het beoordelen van de impact van de wetgeving,

1.   verzoekt de Commissie om overlegging vóór 31 december 2009 aan het Parlement, op grond van artikel 141 van het EG-Verdrag, van een wetsvoorstel over de herziening van de bestaande wetgeving met betrekking tot de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen(4), op basis van de uitvoerige aanbevelingen in bijlage;

2.   bevestigt dat de aanbevelingen het subsidiariteitsbeginsel en de fundamentele rechten van de burgers eerbiedigen;

3.   denkt dat het verlangde voorstel geen financiële gevolgen zal hebben;

4.   is ervan overtuigd dat het van essentieel belang is te zorgen voor een betere en snellere tenuitvoerlegging van de bepalingen van Richtlijn 2006/54/EG, met betrekking tot gelijkheidsorganisaties en het sociaal overleg, met het oog op de aanpak van loonverschillen, door ervoor te zorgen dat de lidstaten, de sociale partners en organisaties die zich inzetten voor gelijke kansen maatregelen toepassen als omschreven in het bovenvermelde kader voor acties inzake gendergelijkheid van 1 maart 2005, door zorg te dragen voor verspreiding van informatie en richtsnoeren over praktische methodes (in het bijzonder voor het midden- en kleinbedrijf) om de loonkloof aan te pakken, met inbegrip van nationale of sectorale collectieve overeenkomsten,

5.   onderstreept het belang van collectieve onderhandelingen en arbeidsovereenkomsten voor de strijd tegen de discriminatie van de vrouw, in het bijzonder wat betreft toegang tot werk, beloning, arbeidsomstandigheden, carrièreverloop en beroepsopleiding;

6.   verzoekt de Europese Instellingen een Europese Equal Pay Day te organiseren - de dag waarop vrouwen in Europa (gemiddeld) het loon hebben verdiend dat mannen (gemiddeld) in één jaar verdienen - die moet bijdragen tot bewustmaking van de bestaande loonkloof en alle betrokkenen aanzetten om nieuwe initiatieven te nemen om deze loonkloof weg te werken;

7.   verzoekt werknemers- en werkgeversorganisaties gezamenlijk objectieve instrumenten voor functiewaardering uit te werken, om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen;

8.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de bijbehorende uitvoerige aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

BIJLAGE:

UITVOERIGE AANBEVELINGEN VOOR DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Aanbeveling 1: DEFINITIES

Richtlijn 2006/54/EG bevat een definitie van gelijke beloning die is overgenomen uit Richtlijn 75/117/EEG. Om te beschikken over preciezere categorieën als instrumenten ter bestrijding van de loonkloof tussen mannen en vrouwen is een gedetailleerdere definitie belangrijk van de verschillende concepten, zoals:

   - loonkloof tussen mannen en vrouwen, waarbij de definitie niet beperkt mag worden tot beloningsverschillen in bruto-uurloon;
   - directe loondiscriminatie;
   - indirecte loondiscriminatie;
   - vergoeding, waarbij de definitie alle nettolonen en -bezoldigingen en alle werkgerelateerde financiële uitkeringen en voordelen in natura omvat;
   - pensioenverschil - in de verschillende peilers van de pensioenstelsels, d.w.z. in omslagstelsels, bedrijfspensioenen (als voortzetting van het pensioenverschil na de pensionering).

Aanbeveling 2: EVALUATIE VAN DE SITUATIE EN TRANSPARANTIE VAN DE RESULTATEN

2.1.  Het gebrek aan informatie en bewustzijn onder werkgevers en werknemers over de bestaande of mogelijke beloningsverschillen binnen het bedrijf verzwakt de uitvoering van het beginsel in het Verdrag en bestaande wetgeving.

2.2.  Gezien het ontbreken van nauwkeurige statistische gegevens en de bestaande lagere salarissen voor vrouwen, vooral in traditioneel vrouwelijke beroepen, moeten de lidstaten in hun sociaal beleid aandacht schenken aan de loonkloof tussen mannen en vrouwen en deze als een serieus probleem benaderen.

2.3.  Het is daarom van essentieel belang dat regelmatige looncontroles en publicatie van de resultaten daarvan binnen bedrijven verplicht worden gesteld (bijv. in bedrijven met ten minste 20 werknemers). Dezelfde verplichting moet ook gelden voor informatie over de bijhorende vergoedingen bovenop het loon.

2.4.  Werkgevers moeten de resultaten aan de werknemers en hun vertegenwoordigers bekendmaken in de vorm van naar geslacht uitgesplitste loonstatistieken. De gegevens daarvoor moeten in elke lidstaat op sectoraal en nationaal niveau worden verzameld.

2.5.  De lidstaten en de Commissie moeten zorgen voor betere statistieken en vergelijkbare gegevens toevoegen over de loonkloof tussen mannen en vrouwen die in deeltijd werken en het pensioenverschil tussen mannen en vrouwen.

2.6.  Deze statistieken moeten coherent, vergelijkbaar en volledig zijn, en gericht op eliminatie van discrimerende elementen in beloning, in samenhang met de organisatie en de classificatie van arbeid.

Aanbeveling 3: FUNCTIEWAARDERING EN FUNCTIECLASSIFICATIE

3.1.  Het concept van de waarde van werk moet gebaseerd worden op intermenselijke vaardigheden of verantwoordelijkheid waarbij de nadruk op de kwaliteit van het werk ligt, met als doel de gelijke kansen tussen mannen en vrouwen te bevorderen. Dit concept mag niet worden gekenmerkt door een stereotype benadering die vrouwen achterstelt en bijvoorbeeld eerder de nadruk legt op lichamelijke kracht dan op intermenselijke vaardigheden of verantwoordelijkheid. Daarom moeten vrouwen informatie, begeleiding en/of opleiding krijgen bij loononderhandeling, functieclassificatie en looninschaling. Het moet mogelijk zijn sectoren en bedrijven te vragen of hun functieclassificatiesystemen de genderdimensie op de vereiste manier weerspiegelen en de nodige correcties aan te brengen.

3.2.  Het initiatief van de Commissie moet de lidstaten uitnodigen functieclassificaties in te voeren die stroken met het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen, waardoor werkgevers en werknemers eventuele loondiscriminatie op grond van een stereotype loonschaaldefinitie kunnen vaststellen. Naleving van nationale wetten en tradities met betrekking tot het systeem van arbeidsverhoudingen blijft belangrijk. Daarnaast moeten dergelijke elementen van de functiewaardering en functieclassificatie transparant zijn voor en beschikbaar worden gesteld aan alle betrokkenen, arbeidsinspecties en instanties die de gelijkheid moeten bevorderen.

3.3.  De lidstaten moeten een grondige evaluatie uitvoeren, gericht op beroepen die voornamelijk door vrouwen worden uitgeoefend.

3.4.  Een genderneutrale functiewaardering moet gebaseerd zijn op nieuwe systemen voor classificatie van het personeel en arbeidsorganisatie, alsook op de beroepservaring en de productiviteit, vooral vanuit kwalitatief oogpunt bekeken, en dient als bron van waarderingsgegevens en -roosters voor vaststelling van de beloning, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met het vergelijkbaarheidsprincipe.

Aanbeveling 4: INSTANTIES VOOR BEVORDERING VAN GELIJKHEID

De instanties voor bevordering en evaluatie van gelijkheid tussen mannen en vrouwen moeten een grotere rol spelen bij het verkleinen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen. Zij moeten in staat gesteld worden de wetgeving inzake de gendergelijkheid doeltreffender en onafhankelijker te evalueren, hierover te rapporteren en waar mogelijk af te dwingen. Artikel 20 van Richtlijn 2006/54/EG moet worden gewijzigd opdat hun rol kan worden uitgebreid met:

   - ondersteuning en advisering van slachtoffers van loondiscriminatie;
   - aanlevering van onafhankelijke onderzoeken naar de loonkloof;
   - de publicatie van onafhankelijke verslagen en het doen van aanbevelingen over alle kwesties in verband met (directe en indirecte) loondiscriminatie;
   - juridische bevoegdheid om gevallen van loondiscriminatie voor het gerecht te brengen;
   - de organisatie van specifieke opleiding voor de sociale partners, alsook voor advocaten, magistraten en ombudsmannen, gebaseerd op een pakket van onderzoeksinstrumenten en gerichte acties, dat gebruikt kan worden bij het opstellen van contracten of bij het controleren of voorschriften en beleidsmaatregelen ter verkleining van de loonkloof worden uitgevoerd.

Aanbeveling 5: SOCIAAL OVERLEG

Nadere bestudering van collectieve overeenkomsten en toepasselijke loonschalen en functiewaarderingssystemen is noodzakelijk, hoofdzakelijk waar het de behandeling betreft van parttime werknemers en werknemers met andere atypische arbeidsregelingen of extra betalingen/bonussen met inbegrip van betalingen in natura (die mannen vaker toegekend krijgen dan vrouwen). Niet alleen primaire, maar ook secundaire arbeidsvoorwaarden en ondernemings- of sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (verlofregelingen, pensioenregelingen, auto van de zaak, kinderopvangregelingen en flexibele werktijden, enz. ) dienen bestudeerd te worden. De lidstaten moeten hun nationale wetgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten of praktijk eerbiedigen maar tegelijkertijd de sociale partners aanmoedigen genderneutrale functieclassificaties in te voeren, die werkgevers en werknemers in staat stellen eventuele loondiscriminatie op grond van een stereotype loonschaaldefinitie vast te stellen.

Aanbeveling 6: VOORKOMING VAN DISCRIMINATIE

Artikel 26 van Richtlijn 2006/54/EG inzake voorkoming van discriminatie moet worden aangevuld met specifieke bepalingen betreffende loondiscriminatie, opdat de lidstaten, in samenwerking met de sociale partners en de instanties voor bevordering van gelijke kansen, de volgende maatregelen kunnen vaststellen:

   - specifieke acties op het gebied van de beroepsopleiding en de functieclassificatie, gericht op het beroepsonderwijs, met als doel discriminatie in beroepsopleiding, classificatie en de economische waardering van vaardigheden uit de weg te ruimen en te voorkomen,
   - specifieke beleidsmaatregelen die het mogelijk maken werk te combineren met gezins- en privéleven, zoals maatregelen voor kinderopvang en andere zorgdiensten, flexibile organisate van werk en werktijden, moederschapsverlof, vaderschaps-, ouderschaps- en gezinsverlof, met specifieke bepalingen voor het vaderschapsverlof en de bescherming daarvan, en voor het ouderschapsverlof met financiële tegemoetkomingen voor beide ouders,
   - concrete en positieve maatregelen (krachtens artikel 141, lid 4 van het EG-Verdrag) om de loonkloof en seksesegregatie op te heffen, die op verschillende niveaus, zowel contractueel als sectorgebonden, moeten worden uitgevoerd door de sociale partners en organisaties voor bevordering van gelijke kansen, zoals: bevordering van loonovereenkomsten die de loonkloof dichten, onderzoek naar gelijke lonen, vaststelling van kwalitatieve en kwantitatieve doelen en criteria, uitwisseling van beste praktijken,
   - een bepaling in overheidscontracten die gendergelijkheid en gelijke beloning verplicht stelt.

Aanbeveling 7: GENDER MAINSTREAMING

Gendermainstreaming moet worden versterkt door aan artikel 29 van Richtlijn 2006/54/EG nauwkeurige richtsnoeren voor de lidstaten toe te voegen met betrekking tot het beginsel van gelijke beloning en opheffing van de loonkloof tussen mannen en vrouwen. De Commissie moet zorgen dat zij in staat is ondersteuning te bieden aan de lidstaten en belanghebbenden met betrekking tot concrete acties om de loonkloof te dichten, door middel van

   - het ontwerpen van tabellen voor de weergave van beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen,
   - oprichting van een databank met gegevens over wijzigingen in de systemen voor classificatie en inschaling van werknemers,
   - verzameling en verspreiding van de resultaten van experimenten met hervorming van de arbeidsorganisatie,
   - opstellen van specifieke richtsnoeren voor het volgen van beloningsverschillen in het kader van collectieve arbeidsovereenkomsten; deze richtsnoeren worden openbaar gemaakt op een website, in verschillende taalversies en toegankelijk voor iedereen,
   - verspreiding van informatie en richtsnoeren over praktische methodes (in het bijzonder voor het midden- en kleinbedrijf) om de loonkloof aan te pakken, met inbegrip van nationale of sectorale collectieve overeenkomsten,

Aanbeveling 8: SANCTIES, punt 8.3 leest als volgt:

8.1.  De wetgeving op dit gebied is om verschillende redenen duidelijk niet zo doeltreffend en aangezien het hele probleem niet met wetgeving alleen valt op te lossen, moeten de Commissie en de lidstaten overwegen de bestaande wetgeving met passende strafmaatregelen te versterken.

8.2.  Het is belangrijk dat de lidstaten de nodige stappen nemen om te waarborgen dat voor inbreuken op het beginsel van gelijk loon voor gelijkwaardig werk passende sancties gelden, in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen.

8.3.  Krachtens de Richtlijn 2006/54/EG zijn de lidstaten reeds verplicht compensatie of reparatie (Artikel 18) en sancties (Artikel 25) op te leggen die "doeltreffend, evenredig en afschrikkend" zijn. Deze bepalingen volstaan echter niet om inbreuk op het beginsel van gelijke beloning te voorkomen. Daarom wordt voorgesteld een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid, de doeltreffendheid en de gevolgen van eventuele sancties als bijvoorbeeld:

   - compensatie of reparatie, die niet beperkt moeten worden door vooraf een bovengrens vast te stellen;
   - sancties, die uitkering van een compensatie aan het slachtoffer moet inhouden;
   - administratieve boetes, bijvoorbeeld voor het niet informeren over, het gebrek aan verplicht aanleveren of het ontbreken van een analyse en evaluatie van naar geslacht opgesplitste loonstatistieken (overeenkomstig Aanbeveling 2) die zijn verzocht door de arbeidsinspectie of de bevoegde instanties voor bevordering van gelijke kansen;
   - uitsluiting van overheidsuitkeringen, subsidies (met inbegrip van door de lidstaten beheerde EU-subsidies) en procedures voor overheidsopdrachten, zoals reeds voorzien in Richtlijn 2004/17/EG(5) en 2004/18/EG(6) inzake openbare aanbestedingsprocedures.
   - identificatie van de overtreders, die openbaar dient te worden gemaakt.

Aanbeveling 9: STROOMLIJNEN VAN REGELGEVING EN BELEID VAN DE EU

9.1.  Een van de terreinen waarop dringend maatregelen moeten worden genomen betreft het feit dat deeltijdwerk klaarblijkelijk qua beloning extra benadeeld wordt. Deze situatie vereist nader onderzoek en een eventuele wijziging van Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid - Bijlage: Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid(7), waarin wordt voorzien in gelijke behandeling van voltijdse en deeltijdse werknemers en in gerichte en effectieve maatregelen in collectieve arbeidsovereenkomsten.

9.2.  In de werkgelegenheidsrichtsnoeren moet dringend een concrete doelstelling worden opgenomen om de loonkloof te reduceren alsook om de toegang van vrouwen tot de beroepsopleiding en de erkenning van kwalificaties en vaardigheden van vrouwen te bevorderen

(1) PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 56.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0399.
(3) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(4) Richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB L 45 van 19.2.1975, blz. 19) is opgenomen in Richtlijn 2006/54/EG. Volgens de bepalingen van Richtlijn 2006/54/EG wordt Richtlijn 75/117/EEG ingetrokken met ingang van 15 augustus 2009, wat tevens de laatste termijn is voor omzetting van deze richtlijn.
(5) PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1.
(6) PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.
(7) PB L 14 van 20.1.1998, blz. 9.


Steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen
PDF 141kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 november 2008 over de steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen (2008/2140(INI))
P6_TA(2008)0545A6-0418/2008

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 23 januari 2008 over de steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen (COM(2008)0013) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie over de effectbeoordeling (SEC(2008)0047),

−   gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (COM(2008)0016) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie over de effectbeoordeling (SEC(2008)0052),

−   gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 (COM(2008)0018) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie over de effectbeoordeling (SEC(2008)0054),

−   gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2007 met de titel "Een Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-Plan): Naar een koolstofemissiearme toekomst" (COM(2007)0723) en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie waarin een overzicht wordt gegeven van de technologische stand van zaken (SEC(2007)1510) en de bestaande energieonderzoekscapaciteit (SEC(2007)1511),

-   gezien de mededeling van de Commissie van 23 januari 2008 met de titel "Naar 20-20 in 2020: Kansen van klimaatverandering voor Europa" (COM(2008)0030),

-   gezien de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 met de titel "Een energiebeleid voor Europa" (COM(2007)0001),

-   onder verwijzing naar Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007 - 2013)(1),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0418/2008),

A.   overwegende dat het gebruik van fossiele brandstoffen in de EU volgens de meest recente wetenschappelijke en technologische inzichten, zonder massale investeringen in onderzoek en ontwikkeling van andere technologieën, nog vele decennia nodig zal zijn om de continuïteit van de energievoorziening te garanderen,

B.   overwegende dat steenkool de enige in de EU aanwezige fossiele energiebron is die grenzen stelt aan de toenemende afhankelijkheid van olie- en gasimporten uit onstabiele derde landen en daarom van strategisch belang is,

C.   overwegende dat, hoewel steenkool in veel lidstaten een belangrijke plaats inneemt in de energiemix, de steenkoolcentrales belangrijke vernieuwingen en investeringen behoeven om de uitstoot van aldus gegenereerde broeikasgassen terug te dringen,

D.   overwegende dat veel lidstaten over grote voorraden steenkool beschikken die naar schatting tot ver in de komende eeuw kunnen worden geëxploiteerd,

E.   overwegende dat toepassing op grote schaal van technologieën voor de afvang en opslag van kooldioxide (CCS- technologieën) in elektriciteitscentrales en op lange termijn ook in industriële sectoren met een hoge CO2-uitstoot, zou kunnen helpen om aan de ambitieuze klimaatdoelstellingen van de EU na 2020 te voldoen en dat de toepassing van deze technologieën een aanvulling is op de inspanningen op het gebied van energie-efficiëntie aan zowel de vraag- als de aanbodzijde, evenals op het gebied van hernieuwbare energie,

F.   overwegende dat de energieproductie in veel opkomende economieën in de wereld afhankelijk is van het gebruik van steenkool en dat successen in het klimaatbeleid in deze regio's ten nauwste samenhangen met de mogelijkheid om de uitstoot bij het gebruik van steenkool te verminderen,

G.   overwegende dat toepassing van CCS-technologieën in elektriciteitscentrales vanaf 2020 alleen mogelijk zal zijn als demonstratieprojecten nieuwe en noodzakelijke technologische ontwikkelingen met zich brengen, evenals een verbetering van het efficiëntieniveau en van de rendabiliteit en daarbij tegelijk de bescherming van het milieu gewaarborgd wordt,

H.   overwegende dat door vertragingen bij de bouw van demonstratie-installaties de toepassing van CCS-technologieën in elektriciteitscentrales – en daarmee de realisering van de klimaatdoelstellingen – op losse schroeven komt te staan,

I.   overwegende dat een adequaat en noodzakelijk wetgevingskader voor de toepassing van CCS-technologieën tot nu toe ontbreekt,

J.   overwegende dat de op dit gebied bestaande communautaire wetgeving zo snel mogelijk moet worden omgezet door middel van nationale of regionale regelingen en moet worden aangevuld met nieuwe wetgevingsvoorstellen, met name met betrekking tot de aanleg van transportinfrastructuur,

K.   overwegende dat het door het ontbreken van wettelijke regelingen voor bedrijven moeilijk is om beslissingen over investeringen te nemen en voor potentiële investeerders om actief te worden op de financiële markten,

L.   overwegende dat de bouw van minstens twaalf demonstratie-installaties moet worden gesteund en dat de demonstratieprojecten op het niveau van de EU geselecteerd moeten worden op basis van het feit of ze de nodige inzichten zullen opleveren met betrekking tot de afzonderlijke technologieën en de verschillende mogelijkheden voor transport en opslag,

1.   benadrukt dat de klimaatbeleidsmaatregelen van de EU tot doel dienen te hebben om wereldwijd de emissie van broeikasgassen te verminderen;

2.   herinnert aan het speciaal verslag betreffende CCS-technologieën van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) uit 2005, waarin CCS- technologieën worden aangewezen als een veelbelovende technologie voor een snelle vermindering van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, waarmee uiterlijk in 2100 een reductie van maximaal 55% kan worden bereikt;

3.   erkent dat de toepassing van CCS-technologieën kan bijdragen tot de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU na 2020; maar wijst erop dat de steun voor de toepassing van CCS-technologieën een aanvulling is op de inspanningen die worden geleverd om de energie-efficiëntie te verbeteren en om het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te verhogen;

4.   herinnert aan de belofte die de Europese Raad op 8 en 9 maart 2007 heeft gedaan om de bouw en ingebruikname uiterlijk in 2015 van maximaal twaalf demonstratie-installaties voor duurzame technologieën voor fossiele brandstoffen in de commerciële energiesector te stimuleren;

5.   benadrukt dat het noodzakelijk is nationale debatten te organiseren, en alle experts op dit gebied in te schakelen om het belang van demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen over te brengen;

6.   onderschrijft de visie dat in de EU minstens twaalf demonstratie-installaties moeten worden gebouwd om de gewenste toepassing van CCS–technologieën in elektriciteitscentrales te realiseren en de veilige opslag van CO2 te garanderen vanaf 2020; is in dit verband van mening dat, indien mogelijk, de demonstratie van CCS-technologieën nog voor 2020 ook in andere industriële sectoren moet worden ondersteund; wijst erop dat de demonstratie van CCS-processen tijdens de afvang-, transport- en opslagfase moet uitwijzen of CCS-technologieën veilig kunnen worden toegepast en of ze een kosteneffectieve oplossing zijn voor het probleem van de klimaatverandering;

7.   beschouwt de verdere ontwikkeling en toepassing van CCS–technologieën als een mogelijkheid om de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van voorzieningszekerheid, klimaatbescherming en concurrentievermogen in gelijke mate te bespoedigen;

8.   is van mening dat, gezien de positie van fossiele brandstoffen in de energiemix van veel landen wereldwijd, CCS-technologieën in de EU, naast de inspanningen die al worden geleverd om de energie-efficiëntie te verbeteren en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te verhogen, een bijdrage zouden kunnen leveren aan voorzieningszekerheid en klimaatbescherming;

9.   benadrukt dat er bindende en strenge criteria moeten worden vastgesteld om de veiligheid en permanentie van opslagplaatsen op lange termijn te garanderen;

10.   is van oordeel dat opslag onder de zeebodem in geval van een ongeluk een bedreiging kan vormen voor de ecosystemen in zee;

11.   is van mening dat de door de Commissie geschetste maatregelen niet voldoende zijn om de financiële voorwaarden te scheppen die nodig zijn om uiterlijk in 2015 minstens twaalf demonstratie-installaties te bouwen;

12.   verzoekt de Commissie een gedetailleerde analyse te maken van de kosten van en het aandeel van particuliere en openbare financiering in elk van de twaalf demonstratie-installaties;

13.   is van oordeel dat een directe financiële voorziening nodig is om de bouw van twaalf demonstratie-installaties te garanderen;

14.   wijst erop dat investeringsbeslissingen en het aantrekken van kapitaal voor demonstratieprojecten op de financiële markt aanzienlijk worden bemoeilijkt door het ontbreken van een wetgevingskader, met name op het niveau van de lidstaten en de regio's, en doordat er onzekerheid bestaat over de toekomstige prijsontwikkeling van de emissierechten;

15.   is van mening dat de tijdspanne tussen de mogelijkheden voor steun via de emissiehandel vanaf 2013 en de noodzakelijke plannings- en bouwfase van demonstratie-installaties kan worden overbrugd door financiële middelen beschikbaar te stellen;

16.   stelt in dit verband voor om de middelen uit de financieringsfaciliteit met risicodeling die bij de vaststelling van het zevende kaderprogramma voor onderzoek werden vastgehouden tot de tussentijdse evaluatie, voor CCS-demonstratie-installaties te bestemmen, zodat tijdig middelen voor financiële steun beschikbaar zijn, en deze mogelijk, zoals door de Commissie is geopperd, in samenwerking met de Europese Investeringsbank aan te vullen met andere financieringsmiddelen;

17.   acht het in verband met het emissiehandelssysteem van de EU (EU ETS) voorts noodzakelijk om de financiële prikkels voor de productie met CCS-technologie te verhogen door binnen het EU ETS certificaten toe te kennen voor de verwachte productie met CCS-technologie met een meerwaarde van minstens 25% vanaf 2013, maar is ook van mening dat deze certificaten minstens twee jaar vóór de bouw moeten worden toegekend zodat ze kunnen worden verhandeld; is van oordeel dat anders zou moeten worden overwogen om 500 miljoen emissiehandelsquota vast te stellen voor de ondersteuning van installaties in de EU; moedigt verder de lidstaten aan om de opbrengsten uit de veiling van de emissiecertificaten in het kader van het EU ETS aan te wenden om CCS-technologieën en de nodige infrastructuur te ondersteunen;

18.   acht het dringend geboden dat de minstens twaalf te steunen demonstratie-installaties alle mogelijke combinaties van de drie CCS- technologieën met de verschillende energiebronnen en opslagmogelijkheden omvatten en dat bij de lokalisering van de installaties een maximale geografische spreiding binnen de Europese Unie voor ogen wordt gehouden;

19.   beveelt ten zeerste aan dat in de selectie elektriciteitscentraleprojecten worden opgenomen met een voorgestelde minimumcapaciteit van 180MW;

20.   vindt dat op nationaal en regionaal niveau snel de voorwaarden moeten worden geschapen die nodig zijn voor het toekennen van vergunningen voor transport en opslag;

21.   acht aanvullende EU-toezeggingen ook noodzakelijk om de ontwikkeling van de nodige transportinfrastructuur te bevorderen; wijst daarbij op het feit dat de vergunningsprocedures die lidstaten voor andere transportinfrastructuren kennen, jaren in beslag kunnen nemen; wijst er in dat verband op dat het belangrijk is om deze procedures te verkorten teneinde de bouw uiterlijk in 2020 te garanderen;

22.   beschouwt de mogelijkheid om gelden uit de structuurfondsen voor demonstratie-installaties voor CCS aan te wenden slechts dan als een optie, indien de regio's de middelen nog niet voor andere langlopende projecten hebben bestemd, en maakt duidelijk dat het draagvlak voor de inspanningen voor klimaatbescherming zal afnemen wanneer bij de besteding van de middelen de verbetering van de economische en sociale samenhang moet concurreren met maatregelen voor klimaatbescherming;

23.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid