Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2239(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0013/2009

Ingediende teksten :

A6-0013/2009

Debatten :

PV 02/02/2009 - 16
CRE 02/02/2009 - 16

Stemmingen :

PV 03/02/2009 - 6.7
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0038

Aangenomen teksten
PDF 251kWORD 103k
Dinsdag 3 februari 2009 - Straatsburg
Tweede strategische toetsing van het energiebeleid
P6_TA(2009)0038A6-0013/2009

Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2009 over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid (2008/2239(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2008 "Tweede strategische toetsing van het energiebeleid - een Europese Unie-actieplan inzake energiezekerheid en -solidariteit" (COM(2008)0781) ("de mededeling over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid"),

–   gezien het Groenboek van de Commissie van 13 november 2008 "Naar een Europees energienetwerk voor een continue, duurzame en concurrerende energievoorziening" (COM(2008)0782),

–   gezien het rapport van de Commissie van 13 november 2008 over de tenuitvoerlegging van het programma inzake de trans-Europese energienetwerken in de periode 2002-2006 (COM(2008)0770),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2008 over Richtlijn 2004/67/EG van de Raad van 26 april 2004 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de aardgasvoorziening (COM(2008)0769),

–   gezien het voorstel van de Commissie van 13 november 2008 voor een richtlijn van de Raad houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden (COM(2008)0775),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2008 "Energie-efficiëntie: verwezenlijking van de 20%-doelstelling" (COM(2008)0772),

–   gezien het voorstel van de Commissie van 13 november 2008 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over de energieprestaties van gebouwen (herschikking) (COM(2008)0780),

–   gezien het voorstel van de Commissie van 13 november 2008 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten (herschikking) (COM(2008)0778),

–   gezien het voorstel van de Commissie van 13 november 2008 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters (COM(2008)0779),

–   gezien het voorstel van de Commissie van 26 november 2008 voor een richtlijn van de Raad houdende instelling van een communautair kader voor nucleaire veiligheid (COM(2008)0790),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2008 "Europa kan meer energie besparen door warmtekrachtkoppeling" (COM(2008)0771),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2008 "Windenergie op zee − Er is actie nodig om de doelstellingen van het energiebeleid voor 2020 en verder te realiseren" (COM(2008)0768),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2008 "Actualisering van het programma van indicatieve aard inzake kernenergie in de context van de tweede strategische evaluatie van de energiesituatie" (COM(2008)0776),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 "De wereldwijde klimaatverandering beperken tot 2 graden Celsius. Het beleid tot 2020 en daarna" (COM(2007)0002),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 23 januari 2008 "Naar 20-20 in 2020 − Kansen van klimaatverandering voor Europa" (COM(2008)0030),

–   gezien het voorstel van de Commissie van 23 januari 2008 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (COM(2008)0019),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2008 "Een Europees economisch herstelplan" (COM(2008)0800),

–   gezien zijn standpunt van 4 april 2006 over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van de Beschikkingen nrs. 96/391/EG en 1229/2003/EG(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 mei 2007 over "Evaluatie Euratom − 50 jaar Europees kernenergiebeleid"(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 september 2007 over de routekaart voor hernieuwbare energie in Europa(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 september 2007 "Naar een gemeenschappelijk Europees extern energiebeleid"(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 oktober 2007 over conventionele energiebronnen en energietechnologie(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 31 januari 2008 over "Een actieplan voor energie-efficiëntie: Het potentieel realiseren"(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2008 over het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie(7),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 juli 2008 over het Europees strategisch plan voor energietechnologie(8),

–   gezien zijn standpunt van 18 juni 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/54/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit(9),

–   gezien zijn standpunt van 9 juli 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/55/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas(10),

–   gezien zijn standpunt van 18 juni 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1228/2003 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit(11),

–   gezien zijn standpunt van 9 juli 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1775/2005 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten(12),

–   gezien zijn standpunt van 18 juni 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers(13),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 november 2008 over de steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen(14),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 13 en 14 maart 2008,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 15 en 16 oktober 2008,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0013/2009),

A.   overwegende dat een Europees energiebeleid drie prioritaire en even belangrijke doelstellingen in samenhang met elkaar moet nastreven, namelijk een zekere energievoorziening en solidariteit tussen de lidstaten, bestrijding van de klimaatverandering, die een sterk engagement met betrekking tot en uitvoering van de eigen doelstellingen van de Unie impliceert, en concurrentievermogen,

B.   overwegende dat alleen een volledige verandering van paradigma in het energiebeleid in de Europese Unie noodzakelijk is om de drie bovenstaande hoofddoelstellingen te verwezenlijken, en dat alleen deze tot een oplossing zal leiden met betrekking tot de werkgelegenheid, alsmede op sociaal, ecologisch en economisch vlak,

C.   overwegende dat de afhankelijkheid van de Europese Unie van conventionele energiebronnen en van een beperkt aantal energieproducenten een ernstig risico vormt voor de stabiliteit, de welvaart en de energievoorzieningszekerheid,

D.   overwegende dat de bevordering van de energie-efficiëntie een centrale rol moet spelen bij de vermindering van de afhankelijkheid van energie-import, verbetering van het concurrentievermogen en de bestrijding van de klimaatverandering,

E.   overwegende dat momenteel de vraag naar energie in de Europese Unie in de meeste sectoren nog steeds toeneemt, waarbij mogelijke energie-efficiëntie grotendeels onbenut blijft,

F.   overwegende dat de Europese Unie momenteel 50% van de energie die zij verbruikt importeert en dat dit kan oplopen tot 70% in 2030,

G.   overwegende dat de zekere energievoorziening van de Europese Unie nog meer onder druk staat door het gebrek aan visie over een economie die gebaseerd is op een laag energieverbruik en de zwakke investeringen, in het bijzonder op lokaal en regionaal niveau, waardoor in alle energiesectoren en regio's de capaciteit amper of niet voldoende is, zodat het met name noodzakelijk is de bestaande elektriciteitscentrales voor 2030 te vernieuwen voor een geraamd investeringsbedrag van 900 miljard EUR,

H.   overwegende dat de dalende olie- en gasprijzen een negatief effect hebben op de geplande investeringen, waardoor het noodzakelijk is alle belangrijke infrastructuurprojecten te ondersteunen die bijdragen tot de invoer van significante gasvolumes naar Europa, de diversificatie van de bronnen en routes en het vermijden van doorvoerrisico's,

I.   overwegende dat investeringen in de energie-infrastructuur extra worden gehinderd door de huidige economische crisis,

J.   overwegende dat Europa, ondanks dat in het scenario van de Commissie wordt uitgegaan van een dalende vraag naar conventionele bronnen in de komende twee decennia, alle geplande investeringen in nieuwe energie-importinfrastructuur moet steunen; overwegende dat dit een veilige overgang naar het nieuwe Europese energiesysteem garandeert dat naar verwachting tegen 2020 een feit zal zijn,

K.   overwegende dat de Europese Unie vanaf 2030 nieuwe duurzame energietechnologieën die concurrerend zijn en een lage CO2-uitstoot hebben, moet hebben ontwikkeld en geprogrammeerd en tezelfdertijd haar energieverbruik significant moet hebben verminderd om het dreigende tekort aan fossiel brandstoffen te ondervangen,

L.   overwegende dat de Europese Unie dringend werk moet maken van grote netwerkinvesteringen en de interne energiemarkt moet voltooien, en dat toekomstgerichte initiatieven, zoals de Europese transmissiesysteembeheerder en de invoering van een enkel Europees gasnet, moet worden aangemoedigd,

M.   overwegende dat de energiesector en investeringen in de energie-infrastructuur behoefte hebben aan een stabiel regelgevingskader en een nauwere samenwerking tussen de nationale regelgevers,

N.   overwegende dat de ontwikkeling van energienetten van essentieel belang is voor de vergroting van de zekerheid van de energievoorziening, die een van de hoogste prioriteiten van het Europees energiebeleid moet zijn,

O.   overwegende dat de elektriciteits- en gassector een stabiel en voorspelbaar regelgevingskader nodig hebben, en dat het daarom noodzakelijk is sterke bevoegdheden te verlenen aan het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators ("agentschap"), zodat het kan bijdragen tot de harmonisatie van nationale regelgevingskaders en eventuele onzekerheid als gevolg van de comitologieprocedure kan worden vermeden,

P.   overwegende dat de in de Europese Unie aanwezige conventionele energiebronnen moeten worden geëxploiteerd, in lidstaten waar zij voorhanden zijn in overeenstemming met de nationale en communautaire milieuwetgeving, om bij te dragen tot de doelstellingen inzake zekerheid van de energievoorziening,

1.   verzoekt de lidstaten deze strategische toetsing van het energiebeleid te beschouwen als de basis voor de tenuitvoerlegging van een energiebeleid voor Europa en voor het vastleggen van een ambitieus actieplan voor 2010 − 2012;

2.   bevestigt de drieledige doelstelling voor 2020, te weten een vermindering met 20% van de broeikasgasemissies, en met 30% in geval van een internationale overeenkomst, een vermindering van het energieverbruik met ten minste 20% en verwezenlijking van een aandeel van ten minste 20% voor hernieuwbare energie bij het eindverbruik; verzoekt de Europese Unie en de lidstaten de meest energie-efficiënte economie ter wereld te worden om actief bij te dragen aan het halen van de klimaatdoelstelling van 2°C; verzoekt de Europese Unie en de lidstaten voor 2050 een vermindering van de broeikasgasemissies met ten minste 80% te overwegen; verzoekt de Commissie in overleg met alle belanghebbenden mogelijke energiescenario's op te stellen die laten zien welke mogelijkheden er zijn om deze doelstellingen te bereiken en die de onderliggende technische en economische hypotheses aangeven;

3.   is er vast van overtuigd dat een beperking van het energieverbruik absolute voorrang moet krijgen om de doelstellingen op het punt van duurzame ontwikkeling, innovatie, schepping van werkgelegenheid en het concurrentievermogen te bereiken en dat het tevens een zeer doeltreffende en goedkope manier is om een energievoorziening veiliger te stellen;

4.   doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om het energiebesparingsdoel van 20% vóór 2020 voor de lidstaten wettelijk verplicht te stellen en consequente maatregelen voor te stellen en uit te voeren waarmee gewaarborgd wordt dat dit doel wordt bereikt;

5.   verzoekt de Europese Unie en de lidstaten een verbetering van de energie-efficiëntie met 35% en een verhoging van het aandeel hernieuwbare energie met 60% tegen 2050 tot doel te stellen;

6.   verzoekt de Commissie alle geplande investeringen in nieuwe infrastructuur voor energie-import en hernieuwbare energietechnologieën te steunen om het negatieve effect te corrigeren van de dalende olie- en gasprijzen op de geplande investeringen;

Europees energiebeleid

7.   dringt er, met het oog op de toenemende bedreiging van de energiezekerheid in de Europese Unie, bij de lidstaten op aan eensgezind op te treden; merkt op dat de huidige praktijk haaks staat op dit streven; acht het absoluut noodzakelijk, omwille van de zekere energievoorziening en de solidariteit en met het oog op de doeltreffendheid van de onderhandelingen over een internationaal regelgevend kader, dat de Commissie het Parlement en de Raad een plan voor een Europees energiebeleid voorstellen, waarin rekening wordt gehouden met de respectieve bevoegdheden van de Europese Unie en de lidstaten: internationale betrekkingen, energie-efficiëntie, bestrijding van de klimaatverandering, verdere ontwikkeling van de binnenmarkt, onderhandeling van internationale verdragen, opstellen van prognoses en overleg met producenten en doorvoerlanden, onderzoek op energiegebied en diversificatie van energieleveranties;

8.   dringt er bij de Commissie op aan bij te dragen tot de verwezenlijking van een Europa dat tegenover producenten uit derde landen met één stem spreekt, door de ontwikkeling van een onderlinge afhankelijkheid waar alle partijen baat bij hebben, en de versterking van de onderhandelingsmacht van ondernemingen uit de EU tegenover staatsbedrijven uit derde landen te ondersteunen;

9.   meent dat de solidariteit op energiegebied een van de belangrijkste Europese doelstellingen op Europees, regionaal en bilateraal niveau moet worden en dat de aantasting van de energievoorziening in een lidstaat de Europese Unie als geheel treft;

10.   onderstreept het belang van lokale initiatieven in verband met klimaatbeheersing; stemt in met maatregelen die de energie-efficiëntie en hernieuwbare energie beogen te stimuleren, zoals de financieringsprogramma's in het kader van het cohesiebeleid of groene belastingheffing, of de bijdrage van het "Convenant van burgemeesters" en ondersteunt in dit verband het idee van een "Convenant van eilanden" in het kader van de verspreiding van positieve praktijkvoorbeelden en de ontwikkeling van gemeenten en steden met een hoge energie-efficiëntie en hoog gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

11.   is van oordeel dat een passend Europees energiebeleid gestoeld moet zijn op een evenwichtige energiemix, gebaseerd op niet-koolstofhoudende energie, fossiele brandstoffen met een zo laag mogelijke CO2-uitstoot en nieuwe technologieën die het mogelijk maken de broeikasgasemissies van de vaste fossiele brandstoffen drastisch te verlagen;

12.   is van mening dat de lidstaten nationale strategieën moeten ontwikkelen om het vraagstuk van de energiearmoede op hun grondgebied aan te pakken;

13.   is ervan overtuigd, dat de taakverdeling tussen ondernemingen en de politiek, op grond waarvan de ondernemingen verantwoordelijk zijn voor de energievoorzieningszekerheid, deugdelijk is gebleken en derhalve in principe moet worden aangehouden; dringt erop aan bij de politiek dat zij in het licht van de almaar toenemende wereldwijde problemen de activiteiten van de ondernemingen in de toekomst sterker moet ondersteunen;

14.   herinnert aan de verplichtingen die de lidstaten zijn aangegaan met de ondertekening van het Verdrag van Lissabon, om klimaatveranderingen tegen te gaan en solidair te zijn bij een energiecrisis;

15.   meent dat de ratificatie van het Verdrag van Lissabon alle inspanningen voor het vaststellen van een gemeenschappelijk Europees energiebeleid verder zal versterken;

Voorzieningszekerheid

16.   is ingenomen met het Europese Unie-actieplan inzake energiezekerheid en –solidariteit;

Bevordering van de infrastructuur die nodig is om aan de behoeften van de Europese Unie te voldoen

17.   wijst op de grote achterstand bij de uitvoering van de prioritaire netwerken en netwerken van Europees belang voor het transport en energie; onderstreept dat de lage investeringen een vertragend effect hebben op de goede werking van de binnenmarkt en dat daardoor alle energiesectoren amper of geen voldoende capaciteit hebben; merkt tevens op dat de industrie hiervoor slechts ten dele verantwoordelijk is en verzoekt de lidstaten de burgers meer bij het beleid te betrekken, met name door hen te informeren over beter te informeren over nieuwe infrastructuur- en elektriciteitsproductieprojecten; dringt er bij de nationale regelgevende instanties op aan alles binnen hun beslissingsbevoegdheden in het werk te stellen om investeringen te bespoedigen;

18.   constateert dat de nieuwe investeringsgolf in die zin toekomstgericht moet zijn dat rekening wordt gehouden met de veranderende manier waarop energie verbruikt en geproduceerd wordt en dat gedecentraliseerde energiesystemen gecombineerd moeten worden met omvangrijke bronnen van hernieuwbare energie;

19.   wijst erop dat de Europese Raad een streefcijfer van 10% heeft vastgesteld voor de interconnectiecapaciteit voor gas en elektriciteit tussen lidstaten;

20.   staat positief tegenover het idee om de Europese financiering te verhogen ter stimulering van investeringen in de netwerken; neemt met belangstelling nota van het voorstel van de Commissie om – in het kader van het economisch herstelplan uit 2008 – 5 miljard EUR van de niet gebruikte begrotingskredieten van 2008/2009 voor nieuwe energieverbindingen te bestemmen; vraagt volledig betrokken te worden bij de beslissing over de definitieve lijst van projecten; vindt dat de Europese Investeringsbank een prominentere rol moet spelen in het verstrekken van financiering voor projecten inzake energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen en O&O;

21.   roept de Commissie en de lidstaten op zich actief in te zetten voor een verhoging van het aantal operators op de energiemarkt en in het bijzonder maatregelen te nemen ter bevordering van de energieproductie door kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) en van hun toegang tot de markt;

22.   wijst op het belang van de ontwikkeling van onderlinge verbindingen tussen elektriciteits- en gasinfrastructuren door Midden- en Zuidoost-Europa heen volgens een noord-zuidas, waarbij het eraan herinnert dat de netwerken in de Oostzeeregio ontwikkeld en geïntegreerd moeten worden in het West-Europese netwerk; onderstreept dat er specifieke aandacht moet worden gegeven aan de ontwikkeling een plan voor de verbindingen tussen de Oostzeelanden voor gas, elektriciteit en opslag in 2009; steunt tevens de ontwikkeling van onderlinge verbindingen tussen eilanden, en afgelegen en geïsoleerde gebieden in de Europese Unie;

23.   dringt om dezelfde redenen aan op de ontwikkeling van onderlinge verbindingen met Zuidwest-Europa, in het bijzonder tussen het Iberisch schiereiland en Noord-Frankrijk;

24.   herinnert eraan dat er reeds tussen diverse landen grensoverschrijdende verbindingen bestaan; wijst erop dat regionale initiatieven, zoals het pentalaterale forum praktische en toepasbare oplossingen hebben ontwikkeld, die de integratie van de interne markt bevorderen; moedigt deze initiatieven aan hun succesvolle werkzaamheden voort te zetten;

25.   verzoekt de Commissie adequate maatregelen voor te stellen voor het aanmoedigen van interconnectie en ontwikkeling van elektriciteitsnetwerken voor de optimale integratie en compensatie van schommelingen in de productie van hernieuwbare energie on- en offshore;

26.   is ingenomen met het voorstel om een plan voor een offshorenetwerk in de Noordzee te presenteren om het enorme potentieel ervan aan windenergie te benutten; juicht in dit verband ook het realiseren toe van een Europese "supergrid" door verbinding van netwerken in de Noordzee, het Middellandse-Zeegebied en het Oostzeegebied;

27.   verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor adequate regulering en niet-discriminatoire toegang tot nieuwe infrastructuur, zoals het offshorenetwerk in de Noordzee;

28.   is van mening dat de EU grondig en zo snel mogelijk moet doorgaan met het diversifiëren en veilig stellen van haar energiebronnen; roept de Commissie en het Tsjechische voorzitterschap op om aan de eerstkomende Europese Raad een nieuw ambitieus en vooruitziend diversificatieplan voor te leggen;

29.   geeft zijn steun aan projecten voor diversificatie van energiebronnen en aanvoerroutes, in het bijzonder de ontwikkeling van een zuidelijke gaspijplijn, met inbegrip van het Nabucco-project, de Turks-Grieks-Italiaanse gasverbinding en het South-Stream-project; beklemtoont de noodzaak van samenwerking met de betrokken landen, met name in de Kaspische regio; acht het van groot belang dat levering uit andere landen in de regio, zoals Oezbekistan en Iran, op lange termijn, wanneer de politieke toestand dit toelaat, een verdere belangrijke bron van energievoorziening voor de Europese Unie zouden moeten zijn;

30.   spreekt ook zijn steun uit voor de volledige interconnectie van de Algerijns-Spaans-Franse en continentaal-Europese netten via het MEDGAZ-project, dat door de Commissie als project van Europees belang is aangemerkt in het plan voor prioritaire interconnectie, gericht op verdere diversifiëring van de gasaanvoerroutes naar Europa;

31.   pleit in het licht van de dalende eigen aardgaswinning en de verandering van de energiemix in talrijke lidstaten, voor een snelle tenuitvoerlegging van alle momenteel geplande projecten op het gebied van aardgas- en stroominfrastructuur teneinde te verzekeren dat ook in de toekomst aan de vraag kan worden voldaan;

32.   is van oordeel dat de betrekkingen en partnerschappen tussen belangrijke energieleveranciers, doorvoerlanden en afnemerlanden van groot belang zijn en verdiept moeten worden; wijst er evenwel op dat de verdieping van deze betrekkingen en partnerschappen in geen geval ten koste mag gaan van de fundamentele waarden van de Europese Unie, met name met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten; onderstreept in dit verband dat de opbouw van een vertrouwensbasis en sterkere en juridisch bindende afspraken tussen de Europese Unie en de productie- en doorvoerlanden hand in hand moeten gaan met de bevordering en eerbiediging van democratie, mensenrechten en rechtsstaat; dringt aan op de ontwikkeling en vaststelling van beleid en concrete maatregelen om deze doelstellingen te bereiken;

33.   pleit in dit verband voor het sluiten door de drie partijen, de EU, Rusland en Oekraïne, van een overeenkomst over de doorvoer van gas uit Rusland naar de EU, zodat de continuïteit van de voorziening in de komende jaren verzekerd is;

34.   verzoekt de Commissie weer alles in het werk te stellen om een oplossing te vinden voor nog openstaande vragen in verband met de voorwaarden voor de doorvoer van aardgas door Turkije via de Nabuccopijpleiding;

35.   meent dat voldoende LNG-capaciteit bestaande uit liquefactie-installaties in de producerende landen en LNG-terminals en hervergassingsinstallaties op schepen in de Europese Unie beschikbaar zou moeten zijn voor alle lidstaten, direct of via andere lidstaten op basis van een solidariteitsmechanisme; meent dat de nieuwe LNG-terminals beschouwd moeten worden als projecten van Europees belang gezien hun sleutelpositie voor het diversifiëren van de toevoerroutes;

36.   verzoekt de Commissie haar volle steun te geven aan investeringen in installaties voor strategische gasvoorraden, als belangrijk onderdeel van de zekerheid van de energievoorziening van de Europese Unie;

37.   denkt dat olieraffinagecapaciteit een belangrijke aanvullende factor is voor het verzekeren van de energievoorziening van de Europese Unie; merkt op dat het derhalve belangrijk is de transparantie van het evenwicht tussen vraag en aanbod te verbeteren voor de voor de behoeften van de Europese Unie noodzakelijke raffinagecapaciteit, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de bezorgdheid over de toekomstig beschikbaarheid van dieselbrandstof;

38.   streeft ernaar, steunend op het beginsel van de Europese solidariteit op energiegebied, de energievoorziening en -zekerheid van de Oostzeeregio tijdens de economische recessie veilig te stellen;

Interne energiemarkt

39.   verzoekt de Commissie en de lidstaten strategische richtsnoeren voor de langere termijn op te stellen, waarbij particuliere industriële ondernemingen worden gestimuleerd mee te werken aan de uitvoering ervan, die evenwicht houdt tussen marktmechanismen en regulering;

40.   acht het belangrijk een duidelijk en stabiel rechtskader te creëren door de onderhandelingen over het wetgevingspakket inzake de interne energiemarkt vóór het einde van deze zittingsperiode van het Parlement in 2009 af te ronden; ondersteunt de instelling van het onafhankelijke agentschap voor samenwerking tussen energieregulators, zoals voorzien in bovengenoemd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het agentschap, dat uitgerust is met ruime, onafhankelijke bevoegdheden, ook met betrekking tot de zekerheid van energievoorziening en netwerken; verzoekt de lidstaten de uitvoering van het derde energiepakket te bevorderen, en in het bijzonder met elkaar te beginnen samen te werken om regionale en bilaterale solidariteit te stimuleren met het oog op de waarborging van de energievoorziening op de interne markt;

41.   verzoekt de lidstaten en de Commissie om grote netwerkinvesteringen te ontwikkelen en de interne energiemarkt te voltooien via een aantal toekomstgerichte initiatieven zoals de Europese transmissiesysteembeheerder en de totstandbrenging van een enkel Europees gasleidingnet;

42.   roept de Commissie op de doelstelling van de ontwikkeling en voltooiing van een intelligent onderling verbonden elektriciteitsnetwerk te vervroegen naar 2020, als een belangrijk ingrediënt voor het bereiken van de 2020-doelstellingen;

43.   verzoekt de lidstaten samen te werken aan de uitwerking van een Europees strategisch plan voor programmering van de meerjarige investeringen die nodig zijn om te voldoen aan de toekomstige behoeften inzake de elektriciteitsproductie, op basis van onderzoek naar de verwachte energiebehoeften op de middellange termijn; is van mening dat ook in de gassector een indicatief meerjarenplan moet worden opgesteld, zodat de benodigde investeringen op Europees niveau in kaart kunnen worden gebracht;

44.   verzoekt de lidstaten en de relevante betrokkenen met relevante partijen in alle landen die met de geplande investeringen te maken kunnen krijgen, overleg te plegen over en te zorgen voor de coördinatie van toekomstige plannen voor infrastructuurinvesteringen (netten, pijplijnen, elektriciteitscentrales, enz.), om optimaal gebruik te maken van beschikbare middelen; gelooft dat de oprichting van een "Infrastructuurcoördinatiegroep" op Europees niveau de coördinatie zou kunnen helpen verbeteren en de ontwikkeling van een 10-jarennetwerkontwikkelingsplan, zoals voorgesteld in het pakket betreffende de interne energiemarkt, kan aanvullen;

45.   onderstreept dat de voltooiing van de interne energiemarkt pas geslaagd genoemd kan worden als belemmeringen voor investeringen zijn weggenomen en fysieke verbindingen zijn gebouwd, die alle lidstaten van de Europese Unie in één gemeenschappelijk energienetwerk verbinden en als deze markt op termijn de schommelingen van de energieprijzen kan voorkomen en een eerlijke markt voor alle producenten kan verzekeren, alsmede nieuwe energieproducenten en technologieën aansluiting op het net, toegang en integratie garandeert; benadrukt dat de onlangs herziene Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap(15) op duidelijke en voorspelbare wijze een CO2-evaluatie verschaft;

Externe betrekkingen op energiegebied

46.   is ingenomen met de mededeling over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid, en met name met de voorstellen met betrekking tot het extern energiebeleid die in grote lijnen overeenkomen met bovengenoemde resolutie van 26 september 2007; betreurt het gebrek aan gedetailleerde voorstellen en onderstreept nogmaals dat de inspanningen van de Europese Unie om een coherent en effectief gemeenschappelijk extern energiebeleid te ontwikkelen, verder moeten worden opgevoerd, waarbij opnieuw het accent moet liggen op energieproducerende landen;

47.   verzoekt de Commissie met de opneming van de zogenaamde "energiezekerheidsclausule" in handels-, associatie-, partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten met producerende en doorvoerlanden te ondersteunen, waarin een gedragscode en een verbod op onderbreking vanwege handelsgeschillen wordt opgenomen en uitdrukkelijk wordt voorzien in maatregelen die genomen moeten worden in geval van eenzijdige onderbreking of enige verandering van de contract- of leveringsvoorwaarden door een van de partijen;

48.   herinnert eraan dat de Europese Unie, zelfs met de tenuitvoerlegging van zeer ambitieuze en drastische plannen voor energie-efficiëntie en energiebesparingen, voor fossiele brandstoffen op de middellange termijn nog altijd afhankelijk blijft van leveringen uit derde landen; dringt derhalve aan op intensivering van het overleg met de producerende landen en meer in het algemeen op versterking van de samenwerking op internationaal niveau om de transparantie op de mondiale energiemarkt te verbeteren en de kwestie van duurzame ontwikkeling op de agenda te zetten;

49.   wijst op het belang van leveringsovereenkomsten voor de lange termijn voor de ontwikkeling van langdurige, op vertrouwen gebaseerde betrekkingen tussen producerende en verbruikende landen en merkt tevens op hoe belangrijk deze zijn voor het veiligstellen van de noodzakelijke investeringen, zowel upstream als downstream;

50.   verzoekt de Europese Unie samen te werken met de landen van het Middellandse-Zeegebied en Noord-Afrika, gezien het belangrijke potentieel op gebied van energiebronnen van deze landen en de belangrijke ontwikkelingskansen voor Afrika; meent in het bijzonder dat het gebruik van zonne-energie moet worden onderzocht en bevorderd; dringt er derhalve op aan gemeenschappelijke doelstellingen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie in het kader van het "Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied" te integreren;

51.   verzoekt de Europese Unie samen te werken met de landen van het Midden-Oosten, gezien hun belangrijke potentieel op gebied van energiebronnen;

52.   steunt de intentie om met Rusland te onderhandelen over een uitgebreide nieuwe overeenkomst ter vervanging van de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst uit 1997, met inbegrip van het energiehoofdstuk, dat volledig in overeenstemming moet zijn met de beginselen van het verdrag inzake het energiehandvest en de protocollen inzake doorvoer daarin; wijst erop dat Rusland het verdrag inzake het energiehandvest heeft ondertekend en dat Oekraïne het heeft geratificeerd; herinnert eraan dat dit onder meer voorziet in een mechanisme voor de regeling van geschillen, bijvoorbeeld geschillen tussen de verdragspartijen over doorvoer of handel;

53.   wijst erop dat Oekraïne moet worden betrokken bij de Europese permanente dialoog met Rusland omdat Oekraïne een sleutelrol speelt als doorvoerland;

54.   dringt er bij de Commissie op aan de uitbreiding van het Energiegemeenschapsverdrag tussen de Europese Unie en Zuidoost-Europa naar andere derde landen en de totstandbrenging van nieuwe regionale energiemarkten met naburige landen naar het voorbeeld van de Zuidoost-Europese energiegemeenschap, zoals de Euromediterrane energiegemeenschap, te overwegen om de zekerheid van de energietoevoer veilig te stellen;

55.   wijst erop dat ook Turkije moet worden betrokken bij de Europese permanente dialoog met de Kaspische regio/Kaukasus omdat Turkije een sleutelrol kan spelen als doorvoerland; herinnert Turkije tezelfdertijd aan zijn verbintenissen als kandidaat-lidstaat tot overname van het acquis communautaire;

56.   benadrukt het geopolitieke belang van de Zwarte-Zeeregio voor de energieveiligheid van de Europese Unie en voor de diversificatie van de bronnen voor haar energievoorziening;

57.   roept de lidstaten op de energiebetrekkingen met de landen in Latijns-Amerika in het kader van de bestaande en toekomstige associatie- en samenwerkingsovereenkomsten verder te verdiepen;

58.   verzoekt de lidstaten de euro te gebruiken als instrument ter structurering van de internationale financiële betrekkingen om prijsschommelingen als gevolg van de facturering van de olie- en gasaankopen te verminderen; verzoekt de Europese Unie de kwestie van buitenlandse investeringen in de Europese energiesector verder uit te diepen door toepassing van de wederkerigheidsclausule; is van mening dat de Europese Unie, zoals voorgesteld door het Parlement en de Commissie, een efficiënte derde-land-clausule moet toepassen op de overname van een transmissiesysteem of transmissiesysteembeheerder, zolang de wederkerigheid bij de markttoegang niet is verzekerd;

59.   roept de Commissie op om verschillende mogelijkheden te analyseren teneinde de volatiliteit van de aardolie- en aardgasprijzen te verminderen; wijst met name op de rol van transparantie en voldoende reserveproductiecapaciteiten, evenals de katalyserende werking van financiële speculaties voor de totstandkoming van de marktprijs; wijst het gebruik van strategische olievoorraden ter beperking van prijsschommelingen op economische gronden van de hand;

60.   roept de lidstaten op hun maatregelen inzake beveiliging van de aanvoerwegen, met name over zee, op te voeren en te coördineren;

61.   roept de lidstaten op positieve voorbeelden uit de praktijk op internationaal niveau kenbaar te maken en de technologische samenwerking met deze landen te intensiveren om de kennis en ervaring op dit gebied te vergroten; roept de lidstaten in het bijzonder op hun technologische samenwerking te intensiveren met Japan, waarvan de economie volledig afhankelijk is van de energie-import en dat een van de meest efficiënte, energiesystemen ter wereld heeft ontwikkeld;

62.   merkt op dat het stijgende energieverbruik en de toenemende uitstoot van broeikasgassen door China een enorme uitdaging vormen voor de milieudoelstellingen en de waarborging van de energielevering; roept op tot betere samenwerking tussen de EU en China om de overdracht van technologieën met een lage koolstofemissie te stimuleren, in het bijzonder energiebesparing en hernieuwbare energie; benadrukt dat het van essentieel belang is CO2-afvang en -opslag (CCS) te ontwikkelen en in te zetten in China, gezien de belangrijke rol van steenkool in de economie van dat land;

63.   wijst op het belang van de energiedialoog tussen de Europese Unie en de OPEC en dringt er bij de Commissie op aan om de energiedialoog met Noorwegen te intensiveren;

Respons op crisissituaties via het beheer van olie- en gasvoorraden

64.   is ingenomen met de wens van de Commissie Richtlijn 2006/67/EG van 24 juli 2006 houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden (Gecodificeerde versie) (16) te herzien en stelt de publicatie van wekelijkse en niet maandelijkse gegevens voor, om de markt transparant te maken en buitensporige reacties op de Amerikaanse situatie te vermijden;

65.   wijst erop dat de lidstaten geen solidariteit hebben getoond door meer gas naar de getroffen lidstaten te sturen tijdens de recente gascrisis tussen Oekraïne en Rusland; verzoekt de Raad en de Commissie met klem een solidariteitsmechanisme overeenkomstig het Verdrag van Lissabon in het leven te roepen, dat de EU in staat stelt om efficiënt, snel en samenhangend te handelen in crisissituaties die ontstaan door onderbreking van de voorziening, schade aan kritische infrastructuur of andere gebeurtenissen;

66.   verwelkomt, in het licht van de aangehaalde recente gascrisis, die gevolgen had voor het grondgebied van de Unie, het voornemen van de Commissie om het raamwerk van Richtlijn 2004/67/EG van de Raad van 26 april 2004 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de aardgasvoorziening(17) te verbeteren en roept de Commissie op voor het einde van 2009 een voorstel in te dienen tot wijziging van deze richtlijn in overeenstemming met de voorstellen in bovengenoemde mededeling COM(2008)0769;

67.   benadrukt dat de belangrijkste elementen van de herziening van Richtlijn 2004/67/EG van de Raad verplicht moeten zijn en effectieve nationale en communautaire noodplannen moeten inhouden, die onder meer een gemeenschappelijke verklaring van een noodsituatie vastleggen, alsmede toewijzing van de beschikbare voorraden en de infrastructuurcapaciteit van getroffen landen, gecoördineerde distributie, het in gang zetten van noodmaatregelen in niet-getroffen of minder getroffen landen om de hoeveelheid beschikbaar gas voor de getroffen markten te vergroten met gebruikmaking van alle mogelijke middelen, zoals bijvoorbeeld contracten die opgeschort kunnen worden, overstappen op andere brandstoffen, onttrekking aan voorraden, flexibiliteit van de voorziening; meent dat het van essentieel belang is de werking van de markt te verbeteren door transparantie en een grotere beschikbaarheid van gas op de markt; roept de EU en haar lidstaten op gasopslag met snelle beschikbaarheid te ontwikkelen;

68.   stelt voor dat een beter gebruik wordt gemaakt van informatietechnologieën voor volledige of gedeeltelijke onderbrekingen van de energievoorziening in geval van een crisis en meent dat met het oog hierop, onder controle van de regelgever, een regeling kan worden ingevoerd om de consumptie na een collectief besluit te verminderen;

Energie-efficiënte

69.   meent dat de verbetering van de energie-efficiëntie met ten minste 20% voor 2020 een prioriteit is met het oog op de te leveren bijdrage aan de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen, en tevens een zeer doeltreffende en goedkope manier is om de zekerheid van de energievoorziening te vergroten; roept derhalve de Commissie en de lidstaten op om direct een juridisch bindend streefcijfer voor energie-efficiëntie van ten minste 20% voor 2020 aan te nemen; roept de Commissie en de lidstaten op om meer bewustmakingscampagnes te voeren en praktische informatie over mogelijke oplossingen voor vergroting van de energie-efficiënte toegankelijk te maken en onderwijs- en opleidingsprogramma's over energie op scholen en aan universiteiten in de gehele Europese Unie te stimuleren;

70.   benadrukt het belang van rigoureuze en tijdige tenuitvoerlegging en handhaving van wetgeving op het gebied van energiebesparing en energie-efficiëntie door de lidstaten en de Commissie; benadrukt het belang van verplichte maatregelen voor aanbestedingen op communautair en nationaal niveau teneinde de vraag naar innovatieve producten en diensten die de energie-efficiëntie verhogen te stimuleren; roept derhalve op tot een ambitieuze aanpak in de toekomstige wetgeving met betrekking tot energiebesparing en energie-efficiëntie (in het bijzonder in de bouw-, industrie- en transportsector, alsmede op het gebied van stedenbouw en elektrische apparatuur);

71.   juicht het voornemen van de Commissie toe de ontwikkeling op het gebied van warmtekrachtkoppeling nauwlettend te volgen en roept de Commissie op om in het kader van de actualisering van het actieplan inzake energie-efficiëntie in 2009 nieuwe ondersteunende maatregelen voor te leggen; herinnert de Commissie eraan dat besparing van primaire energie, kosteneffectiviteit en voorzieningszekerheid de prioritaire doelstellingen zijn van het warmtekrachtkoppelingsproces, ongeacht van welke technologie gebruik wordt gemaakt; meent dat het moet aan de markt worden overgelaten om de beste en meest geschikte technologieën te ontwikkelen en te kiezen; pleit ervoor een strategie te ontwikkelen voor het bevorderen en financieren van infrastructuren zoals warmte- en/of koudenetten waarmee gebruik wordt gemaakt van plaatselijke grondstoffen zoals geothermie, warmtekrachtkoppeling, etc.;

72.   steunt het internationale partnerschap voor de samenwerking op het gebied van energie-efficiëntie, om uniforme normen te bevorderen en het stellen van ambitieuze doelen in de hele wereld aan te moedigen;

73.   dringt aan op een efficiënter oliegebruik, met name in de vervoerssector die de grootste consument van deze energie is; dringt erop aan ambitieuze doelstellingen voor de middellange termijn (2020) voor een efficiënte brandstofconsumptie door voertuigen aan te nemen, en tegelijk de lidstaten te stimuleren in het kader van hun beleid voor goederen- en personenvervoer, in het bijzonder in stedelijke regio's, te zoeken naar alternatieve energiebronnen en aandrijvingstechnologieën, zoals elektromotoren; is van mening dat het bewerkstelligen van een significante verschuiving in de transportmodi ("modal shift) in de richting van milieuvriendelijkere mogelijkheden, bijvoorbeeld een verschuiving van particulier autovervoer naar openbaar vervoer, een essentieel onderdeel zou moeten zijn van de strategie van de Europese Unie voor het terugdringen van de broeikasgasemissies in de transportsector;

74.   meent dat een voortrekkersrol van voertuigen de Europese automobielsector zou kunnen helpen de internationale afzetmarkten te heroveren, met name op Aziatische concurrenten;

75.   betreurt dat op het gebied van het Europese goederenvervoer de spoorwegen slechts 10% voor hun rekening nemen; roept de lidstaten op om beter gebruik te maken van het vervoer per spoor en over het water; verlangt dat de activiteiten tot het verkrijgen van een optimale combinatie tussen de vervoersmodaliteiten spoorwegen, binnenvaart en weg worden geïntensiveerd;

76.   benadrukt het belang van de aanneming van de noodzakelijke mix van beleidsmaatregelen om de energie-efficiëntie van zowel bestaande als nieuwe elektrische apparaten te verbeteren;

Beter gebruik van de binnenlandse energiebronnen en van de beste technologieën van de EU

77.   meent dat hernieuwbare energie zoals wind- en zonne-energie, hydraulische energie, biomassa, aardwarmte en mariene bronnen de belangrijkste potentiële energiebronnen van de Europese Unie zijn, die kunnen helpen de energieprijzen te stabiliseren en de toenemende afhankelijkheid op energiegebied te beperken, en juicht het initiatief toe om een mededeling in te dienen over de verwijdering van obstakels voor hernieuwbare energie; benadrukt in dit verband dat een eventueel nieuw initiatief niet mag leiden tot uitstel van bestaande projecten;

78.   is van mening dat de exploitatie van inheemse fossiele brandstoffen, in het bijzonder aardgasvelden onder land en zee, kan bijdragen aan het verbeteren van de energieonafhankelijkheid van Europa en waar mogelijk moet worden ontwikkeld, in overeenstemming met de nationale en Europese milieuwetgeving; verzoekt de lidstaten en de Commissie in de regelgeving de juiste balans te vinden tussen milieubescherming en productiekansen op het grondgebied van de Europese Unie, zowel op het land als op zee;

79.   herinnert eraan dat het, gezien het feit dat hernieuwbare bronnen onregelmatige bronnen zijn, van essentieel belang is te zorgen voor goede verbindingen met het elektriciteitsnet op communautair niveau, waarbij bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan de lidstaten en regio's met een geïsoleerde ligging ten aanzien van de energiemarkt van de EU, teneinde de lidstaten de nodige middelen te verschaffen om te kunnen voldoen aan de doelstelling om tegen 2020 voor 20% gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen;

80.   verzoekt de Commissie, de lidstaten en de lokale overheden de betrekkingen tussen de landbouw- en energiesector op baanbrekende wijze te ontwikkelen via een plan om de daken van landbouwinstallaties van apparaten voor vernieuwbare energie zoals zonnepanelen te voorzien; roept de lidstaten en lokale overheden op plaatselijk stimulansen te creëren voor het gebruik van afgewerkte olie en duurzame lokale bronnen van biomassa, en tegelijkertijd te zorgen voor een evenwicht tussen de energiegewassen en de gewassen bestemd als voedsel;

81.   dringt er bij de Commissie op aan om aan het Parlement verslag uit te brengen over de technische hindernissen en normen die KMO's in de weg staan om te kunnen investeren in de productie van energie en om deze productie via bestaande netwerken te kunnen distribueren;

82.   verzoekt de Commissie meer prioriteit te geven aan onderzoek en ontwikkeling op het gebied van elektriciteitsopslag, op ICT gebaseerde verbinding van verdeelde opwekkingsfaciliteiten ("virtuele elektriciteitscentrales"), intelligente energienetten en vergroting van de capaciteit van de infrastructuur om prioritaire aansluiting van hernieuwbare energie mogelijk te maken;

83.   verzoekt de Commissie de Europese ontwikkelingshulp te herdefiniëren en daarin een nieuwe energiepijler op te nemen; meent in dit verband dat de projecten voor zonne-energiecentrales in Noord-Afrika in de eerste plaats bestemd moeten zijn voor de lokale behoeften;

84.   herinnert eraan dat bruinkool en steenkool nog steeds belangrijke tijdelijke elementen zijn van de energiemix en in de energievoorziening van de Europese Unie, vanwege de grote nationale voorraden, en een alternatief vormen voor olie en gas; onderstreept echter dat de CO2-uitstoot hoger is dan van andere primaire energiebronnen; dringt derhalve aan op terugdringing van deze uitstoot door middel van modernisering van krachtcentrales door CSS-technologieën en verzoekt de Commissie alle financiële mogelijkheden te overwegen om de 12 demonstratieprojecten voor 2015 te bouwen;

85.   onderkent dat het meeverbranden van biomassa in moderne kolencentrales nu al een rendement van 45% oplevert en dat in het kader van warmtekrachtkoppeling zelfs een rendement van 90% bereikt kan worden; roept de Commissie en de lidstaten derhalve op om het bijmengen van biobrandstoffen in met fossiele brandstoffen gestookte elektriciteitscentrales te stimuleren;

86.   deelt de conclusie van de Commissie volgens welke het belangrijk is om het aandeel van kernenergie in de energiemix te behouden en om in deze context onverwijld de vaststelling van een geharmoniseerd regelgevend en economisch kader te bevorderen dat de noodzakelijke investeringsbesluiten vergemakkelijkt; verzoekt de Commissie een concrete routekaart op te stellen voor investeringen in kernenergie; acht het absoluut noodzakelijk dat er over het veilig gebruik van deze energiebron een onbevooroordeeld maatschappelijk debat op gang wordt gebracht; roept de Commissie op, als integraal deel van het Europees Nabuurschapsbeleid, steeds wanneer er in de buurlanden van de Europese Unie een nieuwe kerncentrale wordt gepland of een oude centrale wordt gemoderniseerd, de aanneming van het communautair acquis inzake nucleaire veiligheid door deze landen te bevorderen;

87.   herinnert aan het belang van kernenergie, die in 15 van de 27 lidstaten wordt geproduceerd en in nog meer lidstaten wordt gebruikt, en circa een derde van de totale vraag naar elektriciteit in de Europese Unie dekt; herinnert er ook aan dat er momenteel in vier lidstaten in totaal zes nieuwe kerncentrales worden gebouwd;

88.   wijst erop dat het concurrentievermogen van kernenergie in grote mate onafhankelijk is van prijsfluctuaties van brandstoffen dankzij het lage aandeel van de brandstof uranium in de productiekosten;

89.   benadrukt dat de Europese kernindustrie op wereldschaal een leidende positie heeft voor alle technologieën van de nucleaire kringloop, met name verrijking, wat een aanzienlijke bijdrage levert aan de zekerheid van de energievoorziening van de Unie;

90.   juicht de algemeen ondersteunde houding van de Commissie ten aanzien van kernenergie toe; wijst er echter op dat het vraagstuk van de definitieve opslagplaatsen voor radioactieve afvalstoffen, ondanks het immense belang voor de perceptie door het publiek, onvoldoende aandacht krijgt; dringt er bij de betrokken lidstaten op aan om hun inspanningen om oplossingen voor het vraagstuk van de opslagplaatsen voor alle soorten radioactieve afvalstoffen te vinden, maar met name voor hoogradioactieve afvalstoffen, te intensiveren;

91.   acht het van essentieel belang de Europese burger te verzekeren dat kernenergie in de Europese Unie veilig en transparant wordt gebruikt, en op het technisch hoogst mogelijke veiligheidsniveau, met name wat betreft de verwerking van kernafval; verwelkomt het bovenvernoemd voorstel van de Commissie voor een richtlijn tot vaststelling van een Gemeenschapskader voor de nucleaire veiligheid; roept de Commissie en de Raad op om samen met de Internationaal Agentschap voor atoomenergie modellen en procedures te ontwikkelen om te voorkomen dat het vreedzaam gebruik van kernenergie leidt tot verspreiding van kernwapens;

92.   benadrukt dat de Commissie noch in haar herziene indicatieve programma, noch in de strategische toetsing de ontwikkeling van kerntechnologie voor 2050 heeft onderzocht, zoals was voorgesteld in het referentiedocument van het Technologieplatform inzake duurzame kernenergie, of de plaats die wordt ingeruimd voor het ITER-project inzake beheerste kernfusie;

Naar 2050

93.   verzoekt de Commissie en de lidstaten een Europees energiebeleid op te bouwen dat een massale omschakeling naar energietechnologieën met een lage CO2-emissie en een hoge energie-efficiëntie mogelijk maakt om aan de energiebehoeften te voldoen; wijst erop dat als de energie-efficiëntie en energiebesparingen een prioriteit blijven, alsook de verdere ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen, de energiebehoeften tegen 2050 kunnen worden gedekt met energiebronnen met een lage uitstoot;

94.   herinnert de Commissie en de lidstaten eraan dat voor de overgang naar een zeer efficiënt energiesysteem een systematische aanpak vereist is die is gebaseerd op synergie tussen verschillende sectoren; onderstreept dat het van essentieel belang is alle maatregelen te evalueren op basis van hun bijdrage aan de vermindering van de CO2-emissies; is van mening dat hiervoor de ontwikkeling van lokale geïntegreerde oplossingen een prioriteit zou moeten zijn;

95.   ziet de wereldwijde en Europese uitdagingen op de lange termijn op het gebied van energie en klimaatverandering als een unieke kans om in alle delen van de economie nieuwe bedrijfsmodellen mogelijk te maken om groene innovatie en groen ondernemerschap te stimuleren;

96.   verzoekt de Commissie de haalbaarheid te onderzoeken van projecten voor de ontwikkeling van windmolenplatforms in de Noordzee en zonne-energiecentrales in Afrika;

97.   hecht zijn goedkeuring aan de uitwerking van een beleidsagenda voor 2030 en een routekaart voor een energiebeleid in 2050, in het kader van het strategisch plan voor energietechnologieën; verzoekt de Commissie met het oog hierop de ontwikkelingen te onderzoeken van de samenstelling van de energiemix volgens verschillende scenario's, afhankelijk van de ontwikkeling van de energievraag, de potentiële energiebronnen, de effecten op het milieu, de geschatte energieprijs en de CO2-uitstoot;

98.   dringt erop aan bij de Commissie dat de routekaart de mogelijkheid biedt onderzoek, ontwikkeling en onderwijs op het gebied van energietechnologieën te sturen, om de kosten van hernieuwbare energiebronnen en energieopslag te verminderen, het succes te verzekeren van kernreactoren van de vierde generatie en van CCS, en met name een alternatief te vinden voor olie voor het vervoer, waarbij de prioriteit wordt gelegd bij zonne-energie, waarvan de bron onbeperkt is;

99.   wijst erop dat het onderzoek naar de omzetting van kernafval en kernfusie voortdurend moet worden gestimuleerd, met het oog op een energiebron op de zeer lange termijn;

o
o   o

100.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 114.
(2) PB C 76 E van 27.3.2008, blz. 114.
(3) PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 82.
(4) PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 206.
(5) PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 424.
(6) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0033.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0096.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0354.
(9) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0294.
(10) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0347.
(11) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0295.
(12) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0346.
(13) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0296.
(14) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0545.
(15) PB L 275 van 25.10.2003, blz.32.
(16) PB L 217 van 8.8.2006, blz. 8.
(17) PB L 127 van 29.4.2004, blz. 92.

Juridische mededeling - Privacybeleid