Begrotingscontrole van de financiële middelen van de EU in Afghanistan
169k
72k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2009 over de begrotingscontrole op de financiële middelen van de EU in Afghanistan (2008/2152(INI))
– onder verwijzing naar zijn vroegere resoluties over Afghanistan, inzonderheid die van 8 juli 2008(1),
– gezien de conferenties van Bonn in 2001, Tokyo in 2002 en Berlijn in 2004, tijdens welke de Verenigde Naties, de Europese Unie en de internationale gemeenschap zich ertoe hebben verbonden voor meer dan 8 000 000 000 EUR aan internationale steun toe te kennen aan Afghanistan, en gezien de conferentie van Londen in 2006, tijdens welke het "Pakt voor Afghanistan" werd ondertekend,
– gezien de nationale ontwikkelingsstrategie die de Afghaanse regering begin 2008 heeft aangenomen en die onder meer een strategie omvat voor het terugdringen van de armoede in het land,
– gezien de conferentie van Parijs op 12 juni 2008, tijdens welke de donorlanden Afghanistan meer dan 21 000 000 000 USD aan steun hebben beloofd,
– gezien de verbintenissen die de EU op de voornoemde conferentie van Parijs is aangegaan met betrekking tot de doeltreffendheid van de steun aan Afghanistan, en gezien de in 2007 goedgekeurde EU-gedragscode inzake complementariteit en taakverdeling in het ontwikkelingsbeleid,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling III − Commissie(2), inzonderheid de paragrafen 181 tot en met 200 daarvan (externe maatregelen, humanitaire hulp en ontwikkeling),
– gezien het landenstrategiedocument 2003-2006 dat de Commissie in overleg met het Parlement heeft aangenomen en waarin de klemtoon werd gelegd op stabiliteit en terugdringen van de armoede,
– gezien het landenstrategiedocument 2007-2013 en het meerjarig indicatief programma (MIP) 2007-2010, die de Commissie in overleg met het Europees Parlement heeft aangenomen en waarin voor de periode 2007-2010 een bedrag van 610 000 000 EUR wordt vrijgemaakt voor de Islamitische Republiek Afghanistan,
– gezien de missie van zijn delegatie naar Afghanistan van 26 april tot en met 1 mei 2008 om er zich een beeld te vormen van de uitvoering van de communautaire en internationale hulpverlening, en het desbetreffende verslag,
– gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), inzonderheid artikel 53 daarvan,
– gelet op de artikelen 285 tot en met 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot de Rekenkamer, alsook de artikelen 310 tot en met 325 van dat Verdrag betreffende de financiële bepalingen, die in werking zullen treden na afloop van de procedure tot ratificering van het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
– gezien Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)(4),
– gezien de millenniumontwikkelingsdoelstellingen vastgelegd in de Millenniumverklaring die op 8 september 2000 door de VN werd aangenomen en door 189 landen is ondertekend,
– gezien Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(5) (Instrument voor Ontwikkelingssamenwerking (DCI),
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A6-0488/2008),
A. overwegende dat Afghanistan al enkele tientallen jaren lang bijna zonder onderbreking het strijdtoneel van conflicten of oorlogen is en dat, afgezien van de drugshandel en de latente corruptie die op alle bestuursniveaus heerst, de centrale regering sinds mensenheugenis lijdt onder structurele zwakte, gebrek aan bekwaamheid en deskundigheid en een chronisch tekort aan middelen (de ontvangstenzijde van de staatsbegroting dekt amper 30% van de totale uitgaven),
B. overwegende dat de ernstige situatie waarmee Afghanistan af te rekenen heeft een snelle verbetering van het bestuur vereist, door de totstandbrenging van een sterker staatsbestel dat de bevolking veiligheid en rechtszekerheid kan garanderen en de voorwaarden kan scheppen voor een duurzame ontwikkeling van het land,
C. overwegende dat het juist in het huidige klimaat van mondiale economische vertraging zeer belangrijk is effectieve controle uit te oefenen op de financiering van de ontwikkelingssamenwerking van de EU,
D. overwegende dat in artikel 25, lid 1, onder b), van het DCI is vastgelegd onder welke voorwaarden partnerlanden begrotingssteun kunnen ontvangen,
E. overwegende dat volgens verschillende internationale verdragen, waaronder de Verklaring van Parijs inzake de doeltreffendheid van steun, het afleggen van verantwoordelijkheid, transparantie en het bereiken van resultaten tot de belangrijkste beginselen van ontwikkelingssamenwerking behoren,
F. overwegende dat 90% van het overheidsgeld in Afghanistan afkomstig is van internationale hulp, hetgeen aangeeft hoe groot de behoefte en tevens de afhankelijkheid van hulp in dat land is,
Verdeling van de steun van de Europese Unie
1. wijst erop dat de Unie een van de grootste donoren van ontwikkelings- en humanitaire hulp aan Afghanistan is; herinnert eraan dat de Commissie, die sinds 2002 in Kaboel over een delegatie beschikt, tussen 2002 en 2007 voor een totaal bedrag van 1 400 000 000 EUR steun heeft toegekend, waarvan 174 000 000 EUR aan humanitaire hulp, en dat van dat totale bedrag tot nu toe al 1 150 000 000 EUR is uitbetaald, d.w.z. een niet onaanzienlijk percentage van 81,5%;
2. wijst erop dat de steun van de Unie bestaat uit directe en indirecte steun, en dat in de periode 2002-2007 de directe communautaire steun, die 70% (970 000 000 EUR) van de totale communautaire steun vertegenwoordigt, direct door de diensten van de Commissie is verleend in de vorm van financieringsovereenkomsten met de Afghaanse staat, contracten met leveranciers van diensten, leveringen en werkzaamheden, en subsidieovereenkomsten met internationale organisaties en Europese en plaatselijke niet-gouvernementele organisaties, en dat de indirecte steun hoofdzakelijk wordt beheerd door de Verenigde Naties en de Wereldbank (respectievelijk 13% en 17% van de totale middelen);
Prioritaire sectoren voor de hulpverlening
3. herinnert eraan dat het landenstrategiedocument van de Commissie voor 2003-2006 voor Afghanistan, dat de basis moest leggen voor de duurzame ontwikkeling en het terugdringen van de armoede, toegespitst was op de volgende prioriteiten: hervorming van het overheidsapparaat (212 000 000 EUR), drugsbestrijding (95 000 000 EUR), voedselzekerheid (203 000 000 EUR), infrastructuur (90 000 000 EUR), gezondheid (50 000 000 EUR), vluchtelingen (38 000 000 EUR) en, tot slot, ontmijning (47 200 000 EUR); dat voor de periode 2007-2013 de Commissie in haar landenstrategiedocument voor Afghanistan twee prioritaire streefdoelen op lange termijn voorstelt, namelijk duurzame ontwikkeling en bestrijding van de armoede;
4. wijst erop dat, om deze twee langetermijndoelstellingen voor de periode 2007-2013 te verwezenlijken, de steun hoofdzakelijk moet worden gericht op het bestuur, de plattelandsontwikkeling en de volksgezondheid, en daarnaast op sociale bescherming, regionale samenwerking en ontmijning;
5. herinnert eraan dat de gelijkheid van vrouwen en mannen en de rechten van vrouwen zowel in de nationale ontwikkelingsstrategie van de Afghaanse regering, als in het landenstrategiedocument 2007-2013 als vraagstukken van essentieel belang worden erkend, en dat in het landenstrategiedocument zelfs staat dat de genderdimensie integraal deel zal uitmaken van de programmering op de drie prioritaire gebieden;
6. vraagt, met het oog op het verhogen van de toewijzingen voor de twee prioritaire langetermijndoelstellingen van de EU in Afghanistan, namelijk duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding, dat de Commissie bij de opstelling van het MIP 2010-2013 de verdeling van de gemeenschapsmiddelen tussen de drie grote concentratiegebieden en de drie niet-concentratiegebieden herschikt en middelen toewijst voor de ontwikkeling van infrastructuur en alternatieve bestaansmiddelen, hetgeen zal bijdragen tot de bestrijding van de armoede en de overgang van een op opium gebaseerde economie naar een ander economisch en sociaal stelsel zal bevorderen; verzoekt de Commissie derhalve met aandrang de toewijzingen voor de sectoren gezondheid, onderwijs en infrastructuur te verhogen; herinnert eveneens aan het engagement van de Europese Unie ten aanzien van de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen;
Balans van de besteding van de middelen van de Europese Unie
7. wijst erop dat de ontmoetingen die zijn bovengenoemde delegatie naar Afghanistan heeft gehad, aan het licht hebben gebracht dat de problemen bij de verdeling van de internationale hulp in hoofdzaak te wijten zijn aan het geringe absorptievermogen van het land op economisch en administratief gebied, en aan het gebrek aan coördinatie tussen de donoren en de Afghaanse autoriteiten;
8. is van mening dat het gebrek aan coördinatie een gevolg is van het ontbreken van een waarachtige regeringsstrategie; is van oordeel dat de Afghaanse autoriteiten en politieke leiders zich niet mogen onttrekken aan hun verantwoordelijkheid voor de manier waarop zij het land hebben bestuurd, zij het voor het ontbreken van strategische richtsnoeren of voor het beheer van de zeer aanzienlijke financiële middelen die hun zijn toegewezen; constateert bovendien dat het grote aantal donoren en hun streven naar zichtbaarheid zeer vaak leidt tot geïsoleerde nationale strategieën en in sommige gevallen zelfs tot overlapping tussen nationale ministeries; meent dat dit gebrek aan coördinatie niet alleen de corruptie in de hand werkt maar ook nadelig is voor de wederopbouw van het land;
9. herinnert eraan dat de tussen de Islamitische Republiek Afghanistan en de internationale gemeenschap tijdens de conferentie van Londen in 2006 gesloten "Afghanistan Compact" een wederzijds bindend kader vormt voor wederopbouw en natievorming in Afghanistan;
10. geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de slechte kwaliteit van het beheer van de financiële steun door de Afghaanse centrale overheid en over het gebrek aan transparantie waardoor dit beheer wordt gekenmerkt; meent dat het van primordiaal belang is dat in het MIP 2010-2013 terdege rekening wordt gehouden met de concrete resultaten van de strijd tegen corruptie en dat de steun van de EU dienovereenkomstig wordt aangepast;
11. is van mening dat de Afghaanse regering haar beleid prioritair moet toespitsen op de totstandbrenging van de rechtsstaat en de strijd tegen de corruptie en de drugshandel, en dat zonder deugdelijk bestuur geen duurzame vooruitgang in Afghanistan mogelijk is;
12. wijst er echter op dat, ondanks alle structurele zwakheden, dankzij de vastberadenheid van de internationale gemeenschap en de Afghaanse regering de levensstandaard van de bevolking kon worden verbeterd;
13. wijst erop dat zijn delegatie naar Afghanistan zich positief heeft uitgelaten over de juistheid van de keuze van de steun die de EU door middel van de acties van de Commissie biedt;
14. is in dat opzicht van oordeel dat, sinds de val van het Taliban-regime, in de sectoren volksgezondheid, onderwijs en infrastructuur (vooral wegenbouw) veelbelovende resultaten zijn geboekt: zo is de kindersterfte significant gedaald (van 22% in 2001 tot 12,9% in 2006) mede omdat een hoger percentage van de bevolking rechtstreeks toegang heeft tot basisgezondheidszorg (65% in 2006 tegen 9% in 2001), worden de eerste positieve tekenen van ontwikkeling zichtbaar en worden initiatieven ontwikkeld ten gunste van gelijkheid van mannen en vrouwen;
15. herinnert aan de bijzonder zware discriminatie van vrouwen in Afghanistan tijdens het Taliban-regime; veroordeelt derhalve iedere juridische, culturele of religieuze vorm van discriminatie jegens vrouwen, die hen uitsluit van het openbare en politieke leven en zorgt voor segregatie in het dagelijks leven; dringt er bij de Commissie op aan om deze praktijken bij al haar ontwikkelingsprojecten in het land te bestrijden;
16. benadrukt het belang van het bestrijden van elke vorm van kinderarbeid, handel in en geweld tegen kinderen, en het verbeteren van de sociale bescherming van minderjarigen in Afghanistan; roept op tot het opzetten van programma's die kinderen aanmoedigen om naar school te gaan, met inbegrip van financiële voorzieningen om schoolkosten te betalen en om op school voedselprogramma's op te zetten;
17. wijst op de inspanningen van de Commissie om haar acties bij haar Afghaanse partners te optimaliseren, maar betreurt het feit dat de lidstaten de Commissie nauwelijks ondersteunen bij het identificeren van de projecten;
18. is, op basis van de juridische bepalingen betreffende het stelsel van controle op de directe en indirecte communautaire steun in het kader van de overeenkomsten die de Unie heeft gesloten inzake het beheer van de externe communautaire steun die via door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen (MDTF's) wordt uitgekeerd, van mening dat de Commissie over een juridisch apparaat beschikt dat toereikend is om de financiële belangen van de EU in Afghanistan te beschermen en verlangt dat de Commissie een lijst opstelt van de soorten onregelmatigheden die ter plaatse worden vastgesteld;
19. wijst erop dat, overeenkomstig deze bepalingen, ook de Europese Rekenkamer controles kan uitvoeren bij de betrokken internationale organisaties;
20. wijst erop dat zowel de agentschappen van de Verenigde Naties als de Wereldbank beschikken over een omvangrijk beheerssysteem dat vergelijkbaar is met dat van de Commissie, met organen die gespecialiseerd zijn in financieel beheer, interne audit, controles, externe audit, monitoring van de markten en strijd tegen fraude en onregelmatigheden;
21. toont zich verheugd over de recente verbetering in de samenwerking tussen de VN (en andere internationale organisaties) en de instellingen van de EU op het gebied van controle op de financiering van ontwikkelingssamenwerking; roept op om dit verbeteringsproces in de nabije toekomst verder door te zetten;
22. benadrukt de noodzaak van een scherpere controle op de tenuitvoerlegging van de ontwikkelingssamenwerking van de EU; verzoekt de VN en andere internationale organisaties die de communautaire middelen beheren, volledige medewerking te verlenen aan de Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), alsmede aan de Gemeenschappelijke Inspectiedienst van de VN;
23. steunt de inspanningen van de Commissie om Afghanistan te helpen en is verheugd over het feit dat zij zich ook op lange termijn voor dit land zal inzetten; wijst erop dat de Commissie nauwer met de VN en de Wereldbank moet samenwerken, mede door samenwerking tussen de Europese Rekenkamer, OLAF en de betrokken VN-agentschappen, om te zorgen voor transparantie in het beheer van de bijdragen van de Commissie aan de MDTF's; verzoekt de Commissie het Parlement naar behoren op de hoogte te houden;
24. wijst op de noodzaak de coördinatie van donoren in Afghanistan onder leiding van de VN-missie voor bijstand in Afghanistan te verbeteren en is van mening dat de Commissie de onderlinge coördinatie van ontwikkelingshulp tussen de lidstaten moet versterken met het oog op een grotere doelmatigheid en verbeterde zichtbaarheid van de steun van de Europese Unie;
Aanbevelingen Ten aanzien van de coördinatie en de zichtbaarheid van de internationale hulpverlening
25. is van oordeel dat meer internationale steun nodig is voor de tenuitvoerlegging van de Afghaanse nationale ontwikkelingsstrategie en de geleidelijke verbetering van de coördinatie en de invoering van efficiëntere methodes voor de verwezenlijking van de ontwikkelingsprioriteiten die de Afghanen zelf hebben vastgesteld; dringt erop aan dat de autoriteiten in Kaboel een grotere rol toebedeeld krijgen bij de uitvoering van de ontwikkelingsprojecten, op het gebied van de strijd tegen de corruptie, onder meer door een beter beheer van de overheidsfinanciën en de opleiding van accountants, vooral op ministerieel en plaatselijk niveau;
26. dringt erop aan dat de Commissie iets doet aan de zorgwekkende tekortkomingen betreffende de coördinatie van de financiële steun van de EU aan Afghanistan tussen de lidstaten en de Commissie, en tussen de lidstaten onderling; dringt erop aan dat de Commissie een strategie uitwerkt waarbij zowel de donoren als de Afghaanse autoriteiten betrokken worden, met als doel de coördinatie en communicatie tussen beide partijen te verbeteren;
27. onderstreept het grote belang van donorcoördinatie in Afghanistan en met name de harmonisatie van procedures op basis van landenstelsels; dringt erop aan dat deze en andere maatregelen gericht op verbetering van de efficiëntie van ontwikkelingssamenwerking, zoals vastgelegd in de Verklaring van Parijs, in Afghanistan volledig ten uitvoer worden gelegd.
28. herinnert eraan dat de doeltreffendheid van de steun één van de basisbeginselen vormt van het EU-ontwikkelingsbeleid; benadrukt in dit verband het belang van de agenda van de Commissie voor de doeltreffendheid van steun en neemt kennis van de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen van 26 mei 2008 met betrekking tot de doeltreffendheid van de EU-steun in Afghanistan;
29. neemt kennis van de plannen van de Commissie om de financiering van de basisgezondheidszorg aan het Afghaanse Ministerie van Volksgezondheid over te dragen en merkt daarbij op dat iedere verhoging van middelen die via de Afghaanse overheid worden verstrekt, gepaard dient te gaan met capaciteitsopbouw en slechts kan plaatsvinden onder duidelijke voorwaarden waaronder de doelgerichte ondersteuning van het democratisch bestuur op subnationaal niveau;
30. plaatst vraagtekens bij het doorsluizen van gelden naar de kernbegroting van de Afghaanse regering ("begrotingssteun") aan de hand van MDTF's met bijdragen uit de communautaire begroting, terwijl Afghanistan nog niet kan worden beschouwd als een land dat voldoet aan de eisen van de EU om direct deel te nemen aan een programma voor begrotingssteun; is van mening dat als aan dergelijke eisen zou worden voldaan, de begrotingssteun op sectorbasis zou moeten worden verstrekt;
31. wijst op de voorwaarde van artikel 25, lid 1, onder (b) van het DCI die luidt dat programma's voor begrotingssteun dienen te worden vergezeld van maatregelen in de partnerlanden om parlementaire controle en auditcapaciteiten op te zetten en om transparantie en openbare toegang tot informatie uit te breiden; wijst erop dat werkzaamheden op dit gebied ook dienen plaats te vinden indien de "begrotingssteun" door middel van andere donoren of MDTF's wordt verstrekt, en benadrukt de belangrijke rol die organisaties uit het maatschappelijk middenveld kunnen spelen bij het toezicht op dergelijke begrotingssteun;
32. onderstreept dat het evalueren van de communautaire samenwerking in Afghanistan overeenkomstig artikel 33 van het DCI belangrijk is en dat bij evaluaties moet worden uitgegaan van duidelijke basislijnen, dat hierin de donorcoördinatie en ook de aspecten van initiële activiteiten en de resultaatketen (prestatie, resultaat, impact) aan bod moeten komen; verzoekt om de bevindingen van de evaluaties te gebruiken bij de formulering van navolgende samenwerkingsprojecten;
33. acht het, gezien het gewicht van de communautaire steun ten opzichte van de totale internationale steun, absoluut noodzakelijk dat de zichtbaarheid van het optreden van de EU zowel in Afghanistan als op het thuisfront wordt verbeterd en dat de EU een sleutelrol gaat spelen in de dialoog over, de sturing van en de steun aan de besluitvorming, in nauw overleg met de Afghaanse regering, de nationale en regionale overheid en de internationale donoren; verlangt dat de Commissie een algemene reflectie op gang brengt over het toekomstige beheer van de directe steun door de Afghaanse autoriteiten zelf;
34. vraagt de Afghaanse regering ervoor te zorgen dat het onlangs in het leven geroepen nationaal actieplan voor de vrouwen van Afghanistan (NAPWA) over voldoende financiële middelen beschikt en dat het wordt uitgevoerd in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en de vrouwenorganisaties; verzoekt tegelijkertijd de Commissie te waarborgen dat haar acties voor de gelijkheid van vrouwen en mannen transparant zijn en gecoördineerd worden met die van de overige donoren in Afghanistan; verzoekt in dit verband de Commissie om een verslag voor te leggen waarin wordt nagegaan in hoeverre de gelijkheid van mannen en vrouwen tot op heden in aanmerking is genomen bij de programmering van de door de EU verleende financiële steun;
Ten aanzien van de prioritaire sectoren voor de steunverlening
35. moedigt de Commissie ertoe aan om, in samenwerking met de lidstaten, haar optreden beter af te stemmen op de oplossing van de prioritaire problemen die gevolgen hebben voor het dagelijkse leven, de gezondheid, de veiligheid en de toegang tot de openbare diensten en het basisonderwijs;
36. is van mening dat de prioriteiten zoals die in het landenstrategiedocument van de Commissie (2007-2013) zijn gesteld, aansluiten op de behoeften van de Afghaanse samenleving; wijst erop dat bijzondere aandacht nodig is voor de hervorming van het strafrechtstelsel, waaronder de politie, gevangenisregimes en de rechterlijke macht, de eerbiediging van mensenrechten, waaronder met name de rechten van vrouwen en kinderen, alsmede voor de armoedebestrijding, plattelandsontwikkeling en het grote probleem van de opiumproductie; verwelkomt het voornemen van de Commissie om de aandacht te richten op bestuur een dringt erop aan dat nieuwe impulsen worden gegeven aan een overgangsrechtspraak overeenkomstig het actieplan van de Afghaanse regering voor vrede, gerechtigheid en verzoening;
37. beklemtoont dat meer ontwikkelingssteun aan Afghanistan moet worden gegeven en dat de steun doeltreffender moet worden; wijst erop dat de steun tot versterking van de eigen capaciteit moet leiden en billijk over het hele land moet worden verdeeld op basis van vastgestelde sociale en economische behoeften; wijst erop dat soortgelijke aanbevelingen gedaan zijn door de Conferentie van Parijs en het rapport van het Agency Coordinating Body for Afghan Relief; dringt er bij de Commissie begrotingscontrole op aan te onderzoeken in hoeverre de voor de politiemissie van de EU in Afghanistan beschikbaar gestelde middelen correct en doelmatig besteed zijn;
38. vestigt de aandacht op twee specifieke uitdagingen die dringend initiatieven vergen, namelijk de ontwikkeling van de landbouw ter voorkoming van een humanitaire crisis die de huidige slechte veiligheidssituatie nog zou verergeren, en de ontwikkeling van beleid en programma's ten aanzien van de grote sociale en gezondheidsproblemen ten gevolge van drugsverslaving, die met name gericht zijn op vrouwen en hun gezinnen;
Ten aanzien van het toezicht op de middelen van de Unie
39. verlangt dat de Commissie haar controles op de doeltreffendheid van het beheer van de financiële steun van de Unie versterkt, meer bepaald wat de bijdrage van de Commissie aan de MDTF's betreft;
40. verzoekt de Commissie bij het Europees Parlement een jaarlijks verslag in te dienen met een evaluatie van de doeltreffendheid en de weerslag van de steun, alsook een document dat, per steuntype, een redelijke zekerheid garandeert met betrekking tot de wettelijkheid en de regelmatigheid van de gefinancierde en medegefinancierde acties, alsmede gegevens over het percentage van de uitgaven dat is gecontroleerd, per steuntype, over het soort vastgestelde onregelmatigheden en over de genomen maatregelen;
41. vestigt de aandacht op Verordening (EG) nr. 1073/1999 en dringt erop aan dat alle informatie over fraudegevallen of ernstige onregelmatigheden die een weerslag hebben op de Europese middelen zo spoedig mogelijk wordt doorgegeven aan het OLAF;
42. dringt erop aan dat de Commissie en het OLAF initiatieven ontwikkelen om de operationele contacten met het Integrity Departement van de Wereldbank te intensiveren, met name in het kader van financieringen via MDTF's; verlangt dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de verbetering van de mogelijkheden om tezamen met de agentschappen van de Verenigde Naties gezamenlijke of gecoördineerde onderzoeken uit te voeren;
43. spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de risico's waaraan werknemers die in Afghanistan in de ontwikkelingssamenwerking werkzaam zijn, worden blootgesteld, hetgeen opnieuw is gebleken door de dood van vier personeelsleden in augustus 2008; is van mening dat de veiligheid van civiele hulpverleners in gevaar komt door het vervagen van het onderscheid tussen militaire en civiele operaties, omdat militaire Provinciale Reconstructieteams worden ingezet om ontwikkelingsprojecten in de provincies uit te voeren; verzoekt daarom om het opnieuw instellen van een duidelijk onderscheid tussen militair en burgerpersoneel;
44. is van mening dat de verslechtering van de veiligheidssituatie ernstige problemen veroorzaakt voor het personeel van de delegatie van de Commissie in Kaboel en de kosten van het beheer van de uitvoering van de door de Commissie gesubsidieerde projecten opdrijft; verzoekt daarom de Commissie het personeelsbestand van haar delegatie op te voeren zodat zij over voldoende en deskundige medewerkers kan beschikken om alle verificaties, audits en controles uit te voeren die nodig zijn gezien de situatie in Afghanistan;
45. verzoekt om toereikende financiële middelen ter dekking van de kosten van beveiliging in het kader van projecten van de Commissie om zowel de veiligheid van hulpverleners te waarborgen als ervoor te zorgen dat voor legitieme beveiligingsmaatregelen geen middelen aan de projecten of de te bereiken doelstellingen worden onttrokken;
46. brengt hulde aan het bewonderenswaardige werk van het personeel van de delegatie van de Commissie in Kaboel en dringt aan op een substantiële versterking van de huidige veiligheidsmaatregelen alsook op een verbetering van de arbeidsomstandigheden;
Ten aanzien van de steun aan de capaciteitsopbouw van het Afghaanse bestuur
47. is verheugd over de inspanningen van de Afghaanse autoriteiten om hun financiële en beheersmechanismen te verbeteren, die op den duur tot Afghaans zeggenschap zouden moeten leiden, maar is van mening dat beter gecoördineerde inspanningen nodig zijn om dit proces duurzaam te maken; benadrukt dat het van groot belang is dat de Afghaanse instanties tegen de corruptie blijven strijden en een doeltreffend beleid opzetten ter verbetering van de sociale en leefomstandigheden, het onderwijs en de volksgezondheid en dat in het bijzonder aandacht dient te worden besteed aan manieren om gemarginaliseerde bevolkingsgroepen en vrouwen bij de besluitvormingsstructuren te betrekken;
48. acht het van essentieel belang dat de acties en programma's worden geïntensiveerd, die tot doel hebben goed bestuur en de doeltreffendheid van de Afghaanse overheid te verbeteren en ten strijde te trekken tegen alle mogelijke vormen van corruptie; neemt kennis van de inspanningen van de EU om paal en perk te stellen aan de corruptie onder de Afghaanse ambtenaren door een deel van de desbetreffende begrotingslijn te reserveren voor het opleiden en betalen van deze ambtenaren, en dringt erop aan dat de Commissie de opleiding van het overheidspersoneel en de politie voortzet;
49. dringt erop aan dat in Afghanistan opleidingen worden georganiseerd naar het voorbeeld van die welke door het OLAF en EuropeAid worden aangeboden aan Afrikaanse ambtenaren, rond het thema "bescherming en verbetering van de overheidsmiddelen − samenwerking tussen de nationale en de internationale instellingen";
50. dringt erop aan dat de internationale gemeenschap de Afghaanse regering dwingt tot meer transparantie bij de toewijzing van belastinginkomsten aan de provincies, districten en lokale overheden, en ervoor zorgt dat deze instellingen nauwer betrokken worden bij de uitvoering van het nationale ontwikkelingsbeleid; dringt erop aan dat de Afghaanse regering op passende wijze aan het Afghaanse parlement verslag uitbrengt over de besteding van de internationale steun;
51. verzoekt de Commissie, de lidstaten en de Afghaanse regering ervoor te zorgen dat hun programma's en activiteiten, in het bijzonder op provinciaal niveau, geheel en al worden afgestemd op de Afghaanse nationale ontwikkelingsstrategie en op de afspraken die door alle partijen tijdens de Conferentie van Parijs zijn gemaakt;
52. erkent het belang van de provinciale wederopbouwteams en de activiteiten van de Afghaanse veiligheidstroepen, maar erkent ook de uitdaging op het gebied van de doeltreffendheid van de steun als het gaat om de bevordering van de ontwikkeling van Afghanistan door middel van civiel-militaire instellingen en roept op tot een zo groot mogelijke participatie van Afghaanse non-gouvernementele en maatschappelijke organisaties, de Afghaanse regering en internationale agentschappen;
53. betreurt dat de betrekkingen tussen niet op staatniveau opererende actoren (NSA's) en de regering van Afghanistan niet altijd soepel verlopen, en dringt erop aan alles in het werk te stellen om deze betrekkingen te verbeteren; wijst ook op de noodzaak om op nationaal niveau een nauwkeurige definitie vast te leggen voor NSA's zonder winstoogmerk, na het raadplegen van de NSA's zelf;
54. moedigt alle initiatieven aan met het oog op het aanhalen van de banden tussen de delegaties van het Europees Parlement, de Wolesi Jirga en de Meshrano Jirga, de twee kamers van het Afghaanse parlement, met als doel de bevordering van goed parlementair bestuur;
55. herinnert aan zijn initiatief in het kader van zijn begroting 2008 om de opbouw van de democratie met parlementen in derde landen te steunen en spreekt zich ervoor uit van de passende middelen gebruik te maken ter verbetering van het vermogen van het Afghaanse parlement om als wetgever op te treden, de uitvoerende macht te controleren en het Afghaanse volk volledig te vertegenwoordigen;
56. benadrukt dat het belangrijk is voorrang te geven aan steun ten bate van de ontwikkeling van politieke partijen en thematische lobby's binnen de Nationale Assemblee, maatschappelijke organisaties en de media; is van mening dat op de internationale gemeenschap de verplichting rust om een volledig dan wel gedeeltelijk verkiezingsbudget te financieren en steun te verlenen voor de toepassing van alle bepalingen van de Afghaanse kieswet, met inbegrip van de bepalingen inzake het screenen van kandidaten;
57. verzoekt de Commissie en de Afghaanse regering, met het oog op de presidents- en parlementsverkiezingen in Afghanistan in 2009, respectievelijk 2010, door te gaan met het bevorderen van en het ter beschikking stellen van voldoende financiering voor acties gericht op de politieke emancipatie van vrouwen, met name in de regio's, aangezien er bij de laatste verkiezingen voor de provincieraden te weinig vrouwelijke kandidaten meededen om de 124, voor vrouwen bestemde zetels in de provincieraden in te nemen;
58. is van mening dat de Commissie meer middelen moet uittrekken voor de strijd tegen de drugshandel, en beveelt de donoren aan al het mogelijke te doen opdat de invoering van de vervangende teelten de producenten een toereikend inkomen oplevert zodat zij voorgoed kunnen stoppen met de papaverteelt;
59. herinnert aan zijn aanbeveling aan de Raad van 25 oktober 2007 betreffende de productie van opium voor medische doeleinden in Afghanistan(6), waarin het Parlement zich in het kader van geïntegreerde ontwikkelingsprogramma's uitspreekt tegen fumigatie als middel om de papaverteelt in Afghanistan uit te roeien en zijn steun aanbiedt bij het bespreken van de mogelijkheden en de haalbaarheid van een wetenschappelijk proefproject "Papaver voor medicijnen";
o o o
60. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Afghanistan.
De omzetting en toepassing van Richtlijn 2002/73/EG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
129k
51k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2009 inzake de omzetting en toepassing van Richtlijn 2002/73/EG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (2008/2039(INI))
– gezien het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven"(1) dat op 16 december 2003 door het Parlement, de Raad en de Commissie is gesloten,
– gezien Richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(2),
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0491/2008),
A. overwegende dat het conform de beginselen van de democratie en de rechtsstaat, die in het Verdrag verankerd zijn, gepast is dat de wetgever de tenuitvoerlegging van de vastgestelde wetgeving controleert,
B. overwegende dat de taak van het Parlement als medewetgever met betrekking tot de controle op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2002/73/EG gecompliceerd is als gevolg van de geringe hoeveelheid informatie die door de Commissie is verstrekt; om die reden zijn er brieven naar de bevoegde commissies van de nationale parlementen en naar de organen voor een bevordering van de gelijke behandeling verstuurd met een verzoek om informatie, waaraan 27 nationale parlementaire vergaderingen en 16 organen voor de gelijke behandeling gehoor hebben gegeven,
C. overwegende dat Richtlijn 2002/73/EG een belangrijke mijlpaal vormt in het proces om gelijkheid tussen vrouwen en mannen te verwezenlijken en om discriminatie op grond van geslacht in de maatschappij als geheel te bestrijden,
D. overwegende dat in Richtlijn 2002/73/EG directe discriminatie, indirecte discriminatie, intimidatie en seksuele intimidatie worden gedefinieerd, discriminatie tegen vrouwen op grond van zwangerschap of zwangerschapsverlof wordt verboden, en het recht is vastgelegd op terugkeer naar dezelfde baan of naar een vergelijkbare functie na zwangerschapsverlof of vaderschaps- of adoptieverlof, voor zover dergelijke rechten door de lidstaten worden erkend,
E. overwegende dat door de lidstaten een aantal verplichtingen is aangegaan met het oog op de omzetting van Richtlijn 2002/73/EG tegen 5 oktober 2005, met inbegrip van:
–
het aanwijzen van een of meer organen die onder meer de bevoegdheid hebben om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te bevorderen, te analyseren, te controleren en te ondersteunen;
–
het bevorderen van een dialoog tussen de sociale partners ten einde gelijke behandeling aan te moedigen, onder meer door toe te zien op de praktijk op het werk en door collectieve overeenkomsten e.d.;
–
het bevorderen van de dialoog met relevante ngo's met het oog op het aanmoedigen van gelijke behandeling;
–
het planmatig en systematisch bevorderen van een gelijke behandeling op de werkplek, bijvoorbeeld door middel van bedrijfsverslagen met periodieke informatie over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
–
het nemen van maatregelen om effectieve sancties te waarborgen voor overtredingen van de richtlijn, waarbij – met uitzondering van een zeer beperkt aantal gevallen – de hoogte van de compensatie voor slachtoffers niet door een vast plafond beperkt mag worden;
–
het waarborgen van eenzelfde mate van bescherming tegen een nadelige behandeling van personen die steun bieden aan slachtoffers van genderdiscriminatie of intimidatie;
–
het elke vier jaar verslag doen aan de Commissie over de maatregelen die zijn genomen om specifieke voordelen te creëren die de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht vergemakkelijken, inclusief een rapportage over de uitvoering van die maatregelen;
–
het waarborgen dat bepalingen in contracten en overeenkomsten die in strijd zijn met de richtlijn, nietig worden verklaard of worden gewijzigd,
F. overwegende dat door een te trage of kwalitatief gebrekkige tenuitvoerlegging van Richtlijn 2002/73/EG het risico ontstaat dat de strategie van Lissabon niet wordt verwezenlijkt en dat het sociale en economische potentieel van de Unie niet ten volle tot ontwikkeling komt,
G. overwegende dat veel lidstaten problemen hebben gehad met de omzetting van richtlijn 2002/73/EG, met name bij het opnemen in hun wetgeving van concrete en passende maatregelen voor de verbetering van gendergelijkheid en vermindering van discriminatie ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden,
H. overwegende dat gender mainstreaming op deze gebieden in aanmerking moet worden genomen,
I. overwegende dat genderdiscriminatie in andere sociale en politieke verbanden is toegenomen door de aanhoudende ongelijke beloning van mannen en vrouwen, met name tussen de zogenaamde vrouwelijke en mannelijke economische sectoren,
J. overwegende dat de financiële onafhankelijkheid van vrouwen van fundamenteel belang is voor hun emancipatie, en een baan met rechten daarom een garantie is voor hun persoonlijke ontplooiing en maatschappelijke integratie, en dat de regelgeving inzake gelijke behandeling daarom moet worden verbeterd,
1. roept de Commissie op om zowel de omzetting van Richtlijn 2002/73/EG als de naleving van de wetgeving die uit de omzetting voortvloeit, zorgvuldig te controleren en druk op de lidstaten uit te blijven oefenen; benadrukt de noodzaak om adequate middelen beschikbaar te stellen teneinde deze doelstellingen uit te kunnen voeren;
2. verwijst naar punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord inzake een betere wetgeving, en met name naar de toezegging van de Raad om de lidstaten aan te sporen tabellen op te stellen en te publiceren die het onderlinge verband weergeven tussen de desbetreffende richtlijnen en de nationale omzettingsmaatregelen; is van mening dat de beschikbaarheid van die correlatietabellen de taak van de Commissie zou vergemakkelijken om toezicht te houden op de omzetting van Richtlijn 2002/73/EG;
3. merkt op dat een nauwe samenwerking tussen de bevoegde commissies in de nationale parlementen en het Europees Parlement bij het toezicht op de omzetting en uitvoering van de wetgeving inzake gendergelijkheid ertoe zou leiden dat beleidsmakers en burgers beter met het begrip "gendergelijkheid" vertrouwd zouden raken;
4. is ingenomen met de talrijke uitvoerige reacties die binnen een kort tijdsbestek van de nationale parlementen en organen voor gelijke behandeling zijn ontvangen met betrekking tot de stand van zaken bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn en de problemen die er op dat vlak bestaan;
5. betreurt dat het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, dat moet zijn gebaseerd op de informatie die de lidstaten tot eind 2005 hebben verstrekt, nog niet beschikbaar is;
6. betreurt het feit dat in sommige nationale wet- en regelgeving de definities van directe en indirecte discriminatie, intimidatie en seksuele intimidatie niet op een voldoende duidelijke en expliciete wijze worden vermeld;
7. is bezorgd over het feit dat het toepassingsgebied van verboden discriminatie in bepaalde lidstaten niet voldoende breed is om aan de vereisten van Richtlijn 2002/73/EG te voldoen; roept in herinnering dat verboden discriminatie zowel op de particuliere als de openbare sector van invloed is;
8. betreurt het feit dat de nationale wetgeving van een aantal lidstaten in strijd is met het beginsel van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties doordat er plafonds zijn vastgesteld voor de uitbetaling van schadevergoedingen of schadeloosstellingen aan slachtoffers van discriminatie;
9. wijst erop dat een minder gunstige behandeling van vrouwen in verband met hun zwangerschap of zwangerschapsverlof een vorm van discriminatie is; betreurt het feit dat sommige lidstaten nog niet op expliciete wijze hebben erkend dat vrouwen na hun zwangerschap het recht hebben om in dezelfde baan of een vergelijkbare functie terug te keren;
10. roept de lidstaten op om te waarborgen dat alle voorschriften van Richtlijn 2002/73/EG volledig, correct en doeltreffend worden omgezet en adequaat ten uitvoer worden gelegd;
11. is verheugd over de inspanningen van de lidstaten die de vereisten van Richtlijn 2002/73/EG uitgebreid of aangescherpt hebben, met name de initiatieven waarbij een bescherming tegen discriminatie wordt geregeld in nieuwe categorieën van de maatschappij;
12. verzoekt de lidstaten om stappen te ondernemen om werkgevers aan te moedigen arbeidsomstandigheden te creëren waarin seksuele intimidatie en intimidatie op grond van geslacht worden voorkomen alsmede om specifieke procedures te hanteren voor de preventie van dergelijk gedrag;
13. dringt er bij de lidstaten op aan de nodige capaciteiten te ontwikkelen en de organen voor gelijke behandeling en gelijke kansen voor mannen en vrouwen adequate middelen te verschaffen, zoals bedoeld in Richtlijn 2002/73/EG, en brengt in herinnering dat in de richtlijn wordt voorgeschreven dat de onafhankelijkheid van dergelijke organen gewaarborgd dient te worden;
14. wijst op de verschillen in aanpak bij de tenuitvoerlegging van artikel 8 bis van Richtlijn 2002/73/EG, waarbij de noodzaak wordt onderstreept van samenwerking en uitwisseling van goede praktijken; is van mening dat zowel het Netwerk van nationale organen voor de gelijke behandeling als Equinox belangrijke instrumenten zijn voor het verbeteren van die samenwerking en voor het bevorderen van een uniforme tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving voor de gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
15. is ingenomen met de intentie van de Commissie om in 2009 een onderzoek uit te voeren naar de opzet van de organen voor de gelijke behandeling; verzoekt de Commissie en de lidstaten om een inschatting te maken van de kennis die de burgers in de EU hebben van de dienstverlening door die organen en om voorlichtingscampagnes in gang te zetten om de bekendheid met deze organen te vergroten;
16. wijst op het geringe aantal procedures en klachten dat wordt ingesteld in verband met gendergelijkheidsaspecten, hetgeen duidt op de ontoereikende bekendheid onder vrouwen met de rechten die hen toekomen op grond van Richtlijn 2002/73/EG; roept lidstaten, vakbonden, werkgevers en ngo's op tot intensivering van hun activiteiten om vrouwen te informeren omtrent de mogelijkheden die er op grond van de nationale wetgeving sinds 2005 zijn voor slachtoffers van discriminatie;
17. wijst op het beperkte vertrouwen in de rechtsbescherming dat er onder slachtoffers van discriminatie bestaat; roept de lidstaten ertoe op te waarborgen dat de te verlenen bijstand onafhankelijk en vlot beschikbaar is, dat er betere garanties komen voor slachtoffers van discriminatie en dat mensen die burgers verdedigen die beschermd worden door Richtlijn 2002/73/EG dan wel voor deze burgers als getuige optreden, justitiële bescherming krijgen;
18. verzoekt de Commissie te onderzoeken of de lidstaten waarborgen dat slachtoffers of verenigingen en organisaties die er een gerechtvaardigd belang bij hebben dat de Richtlijn 2002/73/EG wordt nageleefd niet worden gehinderd door wettelijke of andere belemmeringen, zoals buitensporig korte termijnen, bij het aanspannen van rechtsprocedures tegen de schending van de discriminatiebescherming en gelijke rechten of bij het aanspraak maken door slachtoffers op de volledige rechten als bedoeld in Richtlijn 2002/73/EC in andere administratieve procedures;
19. onderkent de positieve effecten op de preventie en evaluatie van bestaande discriminerende praktijken welke voortvloeien uit een nauwe samenwerking tussen de organen voor de gelijke behandeling en de arbeidsinspectie; roept de lidstaten op om de opleiding van arbeidsinspecteurs voort te zetten met het oog op zowel de nieuwe verantwoordelijkheden als gevolg van de omzetting van Richtlijn 2002/73/EG als de nieuwe instrumenten die nu ter beschikking staan, zoals de omkering van de bewijslast;
20. benadrukt de essentiële rol van de ngo's bij het geven van ondersteuning aan slachtoffers van discriminatie; verzoekt de overheid om middelen voor projecten voor ondersteuning en bemiddeling te reserveren aangezien deze qua uitvoering ingewikkelder zijn dan voorlichtingscampagnes;
21. benadrukt de relevantie van betrouwbare, vergelijkbare en beschikbare kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en van op gender gebaseerde statistische gegevens met het oog op het waarborgen van de tenuitvoerlegging en follow-up van de richtlijn; dringt er bij de organen voor de gelijke behandeling op aan hun inspanningen te vergroten om onafhankelijke enquêtes uit te voeren, onafhankelijke verslagen te publiceren en aanbevelingen te doen over alle kwesties die verband houden met discriminatie; roept de rol van het Europees Instituut voor gendergelijkheid in herinnering, dat tot taak heeft om informatie over gendergelijkheid te verzamelen en te analyseren, het bewustzijn van Europese burgers met betrekking tot gendergelijkheid te vergroten en methodologische instrumenten te ontwikkelen voor gender mainstreaming;
22. wijst op de noodzaak om de dialoog tussen de sociale partners te bevorderen teneinde het beginsel van een gelijke behandeling toe te passen via controles op de werkplek, collectieve overeenkomsten, gedragscodes, en door onderzoek en de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken;
23. verzoekt de lidstaten de werkgevers ertoe aan te sporen hun werknemers en vertegenwoordigers periodiek van relevante informatie te voorzien over de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen;
24. verzoekt de lidstaten de werkgevers ertoe aan te sporen hun werknemers en vertegenwoordigers periodiek van relevante informatie over gendervraagstukken te voorzien;
25. acht het dringend noodzakelijk dat er nationale mechanismen worden ontwikkeld ter controle op de implementatie van het beginsel van een gelijke beloning voor mannen en vrouwen en de hervatting van het werk na zwangerschapsverlof, vaderschapsverlof of zorgverlof voor afhankelijke familieleden;
26. stelt vast dat het salarisverschil tussen vrouwen en mannen nog steeds bestaat en dat de lonen van vrouwen gemiddeld 15% onder die van mannen liggen; stelt vast dat dit verschil in de periode van 2000 tot 2006 met slechts 1 procent is gedaald, en dat het percentage vrouwen in bestuursfuncties nog steeds veel lager is dan dat van mannen; dringt erop aan dat er nationale mechanismen worden ontwikkeld ter controle op het beginsel van een gelijke beloning voor mannen en vrouwen en verzoekt de Commissie om de planning van steunmaatregelen voor dit doel te herzien, waarbij het subsidiariteitsbeginsel moet worden geëerbiedigd;
27. wijst op de noodzaak tot aanmoediging van initiatieven die personeelsbeleid en positieve maatregelen in ondernemingen ter bevordering van gendergelijkheid intensiveren en implementeren; verzoekt de lidstaten ondernemingen aan te bevelen bedrijfsplannen voor gendergelijkheid te ontwikkelen en te implementeren en een evenwichtige genderverdeling in bestuurs- en besluitvormingsorganen te bevorderen;
28. herinnert de lidstaten aan het belang van een actieve tenuitvoerlegging van gendermainstreaming en het vergemakkelijken van de combinatie van beroeps- en gezinsleven bij de ontwikkeling en uitvoering van wetgeving;
29. benadrukt de noodzaak tot bestrijding van concrete belemmeringen waarmee vrouwen en meisjes met een handicap en ouders van kinderen met een handicap geconfronteerd worden ten aanzien van gelijke toegang tot onderwijs en tot het arbeidsproces, en de noodzaak tot aanpassing van maatregelen om de genderdimensie op alle beleidsgebieden in te voeren en ook tot aanpassing aan de bijzondere behoeften van deze groepen;
30. wijst op de noodzaak meer flexibiliteit ten aanzien van ouderschapsverlof te waarborgen, met name voor ouders met gehandicapte kinderen;
31. verzoekt de lidstaten discriminatie van meisjes en jonge vrouwen in de overgang van school naar opleiding en van opleiding naar het beroepsleven op te heffen door middel van doelgerichte maatregelen, ook tijdens de herintegratie op de arbeidsmarkt na verlof in verband met de zorg voor kinderen of familieleden; wijst op de noodzaak van openbare kinderopvang en -oppas en van ouderenzorg; vestigt de aandacht van de lidstaten op de toezeggingen die zij op deze punten hebben gedaan tijdens de Top van Barcelona in 2002;
32. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de nationale parlementen en de nationale organen voor gelijke behandeling.
– onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over het Midden-Oosten, met name die van 16 november 2006 over de situatie in de Gazastrook(1), 12 juli 2007 over het Midden-Oosten(2), 11 oktober 2007 over de humanitaire situatie in Gaza(3) en 21 februari 2008 over de situatie in de Gazastrook(4),
– gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad nrs. 242 van 22 november 1967 (S/RES/242(1967)), 338 van 22 oktober 1973 (S/RES/338(1973)) en 1860 van 8 januari 2009 (S/RES/1860(2009)),
– gelet op de vierde Conventie van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,
– gezien het feit dat de stemming over de instemming met verdergaande deelname van Israël aan EG-programma's is uitgesteld,
– gezien de verklaring van de Europese Unie van 30 december 2008 over de situatie in het Midden-Oosten,
– gelet op artikel 103, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat Israël op 27 december 2008 is begonnen met een militair offensief in de Gazastrook als reactie op raketaanvallen van Hamas op het zuiden van Israël, sinds Hamas in Gaza de controle heeft verworven en na de beëindiging van het staakt-het-vuren en de weigering om de staakt-het-vurenovereenkomst te verlengen,
B. overwegende dat de Israëlische operatie volgens de laatste berichten tot nu toe ongeveer duizend mensen in Gaza het leven heeft gekost, waaronder veel kinderen en vrouwen, dat er duizenden slachtoffers zijn gevallen en dat er huizen, scholen en andere belangrijke civiele infrastructuurvoorzieningen zijn vernield als gevolg van het gebruik van geweld door het Israëlische leger,
C. overwegende dat de grensovergangen van en naar de Gazastrook nu al achttien maanden zijn gesloten en dat de blokkade van het personen- en goederenverkeer een negatieve invloed heeft gehad op het dagelijkse leven van de inwoners, de economie in de Gazastrook nog verder heeft verlamd, en een wezenlijke verbetering van de situatie op de Westelijke Jordaanoever heeft verhinderd; overwegende dat het embargo tegen de Gazastrook neerkomt op een collectieve straf, hetgeen in strijd is met het internationale humanitaire recht,
D. overwegende dat verbetering van de levensomstandigheden van de Palestijnen die in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever wonen, in combinatie met het opnieuw op gang brengen van het vredesproces en het opzetten van functionerende Palestijnse instellingen in Gaza, een sleutelelement is in het streven naar totstandbrenging van een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëliërs en Palestijnen,
E. overwegende dat de omvangrijke financiële steun van de Europese Unie aan de Palestijnen in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de inspanningen om een humanitaire ramp in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever te voorkomen, overwegende dat de Europese Unie, mede via de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (PUNWRA), humanitaire bijstand blijft verlenen in de Gazastrook,
1. verwelkomt de aanneming van resolutie 1860 van de VN-Veiligheidsraad van 8 januari 2009 en betreurt het dat noch Israël noch de Hamas tot dusver gevolg hebben gegeven aan de oproep van de VN om de vijandelijkheden te staken; roept op tot een onmiddellijk en permanent staakt-het-vuren, dat de stopzetting van de raketaanvallen door Hamas op Israël en van de militaire actie van Israël in Gaza moet inhouden;
2. sluit zich aan bij de oproep in resolutie 1860 van de VN-Veiligheidsraad om met spoed regelingen te treffen en waarborgen te geven zodat in Gaza een duurzaam staakt-het-vuren afgekondigd kan worden, dat zich moet uitstrekken tot de terugtrekking van de Israëlische troepen, de blijvende heropening van de grensovergangen, de opheffing van het embargo en het voorkomen van smokkel en illegale invoer van wapens en munitie;
3. roept op tot de sluiting van een wapenstilstand die moet worden gewaarborgd door een mechanisme dat door de internationale gemeenschap in overleg met het Kwartet en de Liga van Arabische Staten moet worden ingesteld en dat zou kunnen voorzien in het sturen van een multinationale troepenmacht, in het kader van een duidelijk mandaat met het oog op het herstel van de veiligheid en de eerbiediging van het staakt-het-vuren voor de inwoners van Israël en Gaza, met een bijzondere verwijzing naar het toezicht op de grens tussen Gaza en Egypte, wat een belangrijke rol voor Egypte inhoudt; verzoekt de Raad extra druk uit te oefenen om een einde te maken aan de voortdurende gewelddadigheden; moedigt de diplomatieke inspanningen aan die tot nu toe zijn ondernomen door de internationale gemeenschap, met name Egypte en de Europese Unie;
4. is ontzet over het lijden van de burgerbevolking in Gaza; betreurt met name dat bij de aanvallen burgerdoelen en VN-gebouwen zijn getroffen en spreekt zijn medeleven uit met de burgerbevolking die te lijden heeft onder het geweld in Gaza en Zuid-Israël;
5. dringt er bij de Israëlische autoriteiten met klem op aan een onbelemmerde toegang tot humanitaire hulp aan de Gazastrook toe te staan en een gestage en toereikende aanvoer van hulp via de humanitaire corridors te garanderen; verzoekt de Israëlische autoriteiten met klem de internationale pers toe te laten om de gebeurtenissen ter plaatse te blijven volgen;
6. roept Israël op zijn uit het internationale recht en het internationale humanitaire recht voortvloeiende verplichtingen na te komen; roept Hamas op een eind te maken aan de raketaanvallen en zijn verantwoordelijkheid te nemen door mee te werken aan een politieke oplossing gericht op hervatting van de dialoog tussen Palestijnen onderling en het op gang brengen van onderhandelingen;
7. pleit voor een sterkere en meer eensgezinde politieke rol van de Europese Unie en verzoekt de Raad van de gelegenheid gebruik te maken om met de nieuwe regering van de Verenigde Staten samen te werken om een einde te maken aan het conflict via een overeenkomst op basis van de tweestatenoplossing, met als doel een nieuwe vreedzame regionale veiligheidsstructuur in het Midden-Oosten op te bouwen;
8. benadrukt het grote belang van een hervatting van de inspanningen om een verzoening tot stand te brengen tussen de Palestijnen met alle componenten van de Palestijnse maatschappij, gebaseerd op de overeenkomst van Mekka van 8 februari 2007, die voorziet in de aanvaarding van de vroegere overeenkomsten onder meer inzake het bestaansrecht van Israël; en onderstreept in dit verband de noodzaak van een permanente geografische verbinding tussen, en de vreedzame en duurzame politieke hereniging van de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever;
9. benadrukt dat alleen daadwerkelijke vooruitgang op de weg naar vrede en aanzienlijke verbetering van de situatie ter plaatse op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, de legitimiteit van de Palestijnse Autoriteit kan versterken;
10. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de gezant van het Kwartet voor het Midden-Oosten, de voorzitter van de Palestijnse Autoriteit, de Palestijnse Wetgevende Raad, de Israëlische regering, de Knesset, de regering en het parlement van Egypte en de secretaris-generaal van de Liga van Arabische Staten.
– onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de landen in de Hoorn van Afrika,
– gezien het missieverslag over de Hoorn van Afrika dat de Commissie ontwikkelingssamen-werking op 8 december 2008 heeft goedgekeurd,
– gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de nog niet tot een oplossing gebrachte grensconflicten tussen Ethiopië en Eritrea en tussen Eritrea en Djibouti negatieve gevolgen hebben voor de vrede en de veiligheid in de Hoorn van Afrika; overwegende dat de situatie in Somalië is verworden tot een van de ernstigste humanitaire en veiligheidscrises ter wereld; overwegende dat de situatie in Soedan een ernstig veiligheidsrisico vormt voor de regio,
B. overwegende dat Ethiopië en Eritrea de oorlog beëindigden met het ondertekenen van de "Overeenkomsten van Algiers", die met internationale bemiddeling tot stand waren gekomen en die voorzien in de komst van een VN-vredeshandhavingsmissie (UNMEE) en de oprichting van een Ethiopisch-Eritrese grenscommissie (EEBC), maar de partijen verschillen nog steeds van mening over de uitvoering van de overeenkomsten en het besluit van de EEBC; overwegende dat het mandaat van UNMEE op 31 juli 2008 moest worden beëindigd omdat Eritrea de missie dwarsboomde en Ethiopië weigerde het besluit met betrekking tot de omstreden regio Badme uit te voeren,
C. overwegende dat het geweld in juni 2008 in Ras Doumeira, aan de grens tussen Eritrea en Djibouti, escaleerde en dat daarbij 35 dodelijke slachtoffers en tientallen gewonden waren te betreuren; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad er op 12 juni 2008 bij beide partijen op heeft aangedrongen de wapens te laten rusten en de troepen terug te trekken tot de posities van de daarvoor geldende status quo; overwegende dat de situatie op dit moment rustig is maar dat deze kan escaleren omdat de troepen zo dichtbij zijn,
D. overwegende dat op 29 oktober 2008 zelfmoordaanslagen op de Ethiopische handelsmissie, een gebouwencomplex van de VN en de woning van de president in de hoofdstad van Somaliland Hargeysa, gelijktijdig met aanslagen in Bossaso, in de Somalische regio Puntland, zijn gepleegd, naar aanleiding waarvan verschillende verdachten zijn gearresteerd,
E. overwegende dat in november 2008 een nieuwe onderhandelingsronde in Djibouti heeft plaatsgevonden die heeft geleid tot de ondertekening van een machtsdeling tussen de federale overgangsregering (TFG) van Somalië en de oppositiepartij van de Alliantie voor de herbevrijding van Somalië − Djibouti (ARS-D), waarbij beide partijen openlijk steun toezegden aan een commissie voor onderzoek naar de schendingen van de mensenrechten in Somalië,
F. overwegende dat de intergouvernementele ontwikkelingsautoriteit (IGAD) in een conferentie van 29 oktober 2008 in Nairobi met vertegenwoordigers van de federale overgangsinstellingen en leden van de federale overgangsregering een zevenpuntenplan heeft aangenomen ter ondersteuning van het vredesproces in Somalië en een mechanisme heeft ingesteld om de tenuitvoerlegging te bewaken,
G. overwegende dat Ethiopië sinds november 2008 steeds meer troepen uit Mogadishu en alle andere plaatsen in Somalië waar zij nog altijd aanwezig zijn, heeft teruggetrokken; overwegende dat de Missie van de Afrikaanse Unie in Somalië (AMISOM) die sinds maart 2007 voornamelijk tot Mogadishu beperkt bleef, er nu alleen voor staat,
H. overwegende dat de federale overgangsregering TFG van Somalië er in vier jaar niet in is geslaagd een breed gedragen regering in te stellen; overwegende dat er, als gevolg van het recente aftreden van president Abdullahi, een reële dreiging bestaat dat rivaliserende facties weer beginnen te vechten,
I. overwegende dat piraterij een ander belangrijk veiligheidsprobleem is voor de Hoorn van Afrika; overwegende dat de strijd tegen piraterij niet alleen met militaire middelen kan worden gewonnen, maar hoofdzakelijk afhangt van een succesvolle bevordering van vrede, ontwikkeling en natievorming in Somalië; overwegende dat het Wereldvoedselprogramma als gevolg van de piraterij de levering van voedselhulp aan Somalië moest opschorten, waardoor de reeds precaire humanitaire situatie nog werd verergerd,
J. overwegende dat de EU op 8 december 2008 haar maritieme operatie EU NAVFOR Somalië (of operatie Atalanta) heeft gestart ter bescherming van zeekonvooien van het Wereldvoedselprogramma en andere koopvaardijschepen die door de wateren voor de Somalische kust varen,
K. overwegende dat het mislukken van de uitvoering van het Algemeen Vredesakkoord (CPA) tussen het noorden en het zuiden van Soedan zou kunnen leiden tot een afscheiding, die waarschijnlijk gepaard gaat met een militair conflict over de olievoorraden in het grensgebied; overwegende dat deze afscheiding hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot het uiteenvallen van het land, waarbij Darfur en het oostelijk deel naar onafhankelijkheid zouden streven en interetnische gevechten zouden uitbreken, die nog zouden worden aangewakkerd door inmenging van buurlanden, zoals Eritrea,
L. overwegende dat Djibouti nog altijd voor enorme uitdagingen staat en dat de situatie van dit land door de mondiale voedselcrisis alarmerende vormen aanneemt; overwegende dat de Ogaden, in de Ethiopische regio Somali, geteisterd wordt door ernstige droogte en dat de door de regering gecontroleerde voedselhulp voor de bevolking deze niet bereikt, ondanks recente vooruitgang met de verstrekking van voedselhulp door het Wereldvoedselprogramma WFP in deze regio, aangezien er nog steeds melding wordt gemaakt van vertragingen omdat toestemming van het leger nodig is om in Somali te mogen reizen,
M. overwegende dat de situatie met betrekking tot mensenrechten, rechtsstaat, democratie en bestuur in alle landen van de Hoorn van Afrika bij de EU al vele jaren grote bezorgdheid wekt; overwegende dat er geloofwaardige berichten bestaan over willekeurige arrestaties, dwangarbeid, foltering en mishandeling van gevangenen, alsmede over vervolging van journalisten en politieke onderdrukking in de regio,
N. overwegende dat tot de mensenrechtenschendingen in Somalië ook de ontvoering van de twee katholieke Italiaanse nonnen Maria Teresa Olivero en Caterina Giraudo behoren,
O. overwegende dat het meerderheidsstelsel, dat tijdens de parlementsverkiezingen van 2008 werd toegepast, zeer ongunstig is voor de oppositiepartijen en een bron van zorg is in Djibouti, waar de oppositiepartij Beweging voor democratische vernieuwing (MRD) in juli 2008 bij presidentieel decreet werd verboden wegens volstrekt onbewezen geruchten over het ondersteunen van een Eritrese aanval op het land, terwijl het ontslag van leden van de leiding van de vakbonden Unie van Djibouti-werknemers/Algemene Unie van Djibouti-werknemers (UDT/UGTD) wegens deelname aan hun vakbondsactiviteiten nog steeds niet is teruggedraaid,
P. overwegende dat ngo's en de oppositie bang zijn dat de regeringscontrole toeneemt en de politieke ruimte wordt ingeperkt door de pas aangenomen perswet en de wet op de inschrijving van politieke partijen in Ethiopië; overwegende dat de wet op de ngo's (the Proclamation for the Registration and Regulation of Charities and Societies), die door de Ethiopische regering is aangenomen en door het parlement werd geratifeerd, de activiteiten van de internationale en Ethiopische organisaties die werkzaam zijn op terreinen als gelijkheid, rechtvaardigheid, mensenrechten en oplossing van conflicten, in ernstige mate zou kunnen beknotten,
Regionale veiligheid
1. dringt er bij de regering van Ethiopië op aan de met coördinaten aangegeven demarcatie tussen Eritrea en Ethiopië die door de EEBC is vastgesteld, officieel te erkennen als definitief en bindend; dringt er bij de Eritrese regering op aan akkoord te gaan met een dialoog met Ethiopië, waarbij de verplaatsing van troepen uit het grensgebied en de fysieke demarcatie volgens het besluit van de EEBC aan de orde moeten komen, alsook de normalisering van de betrekkingen tussen de twee landen, wat onder meer het opnieuw openstellen van de grens voor handelsverkeer dient te omvatten; dringt er bij de internationale gemeenschap en de EU op aan druk uit te oefenen op beide zijden om uit de huidige impasse te geraken;
2. dringt er bij de Raad op aan een Speciale Vertegenwoordiger/Gezant van de EU voor de Hoorn van Afrika te benoemen;
3. dringt er bij de Raad en de Commissie op aan in het kader van het regionaal politiek partnerschap voor vrede, veiligheid en ontwikkeling in de Hoorn van Afrika haar inspanningen voort te zetten voor het vaststellen van projecten van gemeenschappelijk belang die bijvoorbeeld op terreinen als energievoorziening, grensoverschrijdende handel en havens een functionele samenwerking tussen Eritrea en Ethiopië op gang zouden kunnen brengen;
4. dringt er bij de Eritrese regering op aan de huidige opschorting van het lidmaatschap van de IGAD te heroverwegen; dringt er bij de Afikaanse Unie (AU) en de IGAD op aan Eritrea niet buiten te sluiten en de Eritrese regering aan te moedigen om opnieuw deel te nemen aan inspanningen voor het bevorderen van regionale en subregionale samenwerking;
5. dringt er bij de Eritrese regering op aan samen met de Djiboutiaanse regering een onafhankelijke onderzoeksmissie uit te nodigen om onderzoek te doen naar de situatie in Ras Doumeira; dringt er bij de twee landen op aan hun onderlinge betrekkingen via dialoog en diplomatie te herstellen;
6. dringt er bij de Raad en de Commissie op aan zich te blijven inspannen voor institutionele opbouw in Somalië, tenuitvoerlegging van het vredesakkoord van Djibouti en ondersteuning van de inspanningen van de IGAD voor het bevorderen van het vredesproces; dringt aan op versterking van AMISOM en het inzetten van de VN-stabilisatiemacht, zodra dit uit politiek en veiligheidsoogpunt mogelijk is;
7. veroordeelt de steeds frequentere aanvallen op humanitaire hulpverleners van de afgelopen maanden, die de hulpoperaties ernstig hebben belemmerd en er mede toe hebben bijgedragen dat de humanitaire situatie in Somalië is verslechterd; dringt er bij de humanitaire coördinator van de VN voor Somalië op aan, los van het vredesproces van Djibouti, per geografische regio te gaan onderhandelen over de toegang van humanitaire hulpverleners, de voedselleveranties op te voeren en de erbarmelijke humanitaire situatie te verzachten;
8. onderstreept dat het, aan de vooravond van de deelname van de EU en de internationale gemeenschap aan het bereiken van een noord-zuidovereenkomst in Sudan, van essentieel belang is op alle fronten te blijven streven naar de uitvoering daarvan en de nodige druk op de ketel te houden; dringt er derhalve bij de Raad en de internationale gemeenschap op aan, hun steun voor de tenuitvoerlegging van het algemeen noord-zuid-vredesakkoord in Sudan uit te breiden en te waarborgen dat de VN-AU-missie in Darfur (UNAMID) volledig inzetbaar is;
9. dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de IGAD en haar inspanningen voor het ontwikkelen van een integratieplan voor de regio en voor het versterken van de regionale instellingen te blijven ondersteunen;
Voedselzekerheid en ontwikkeling
10. dringt er bij de Eritrese regering op aan bij het beoordelen van de voedselzekerheidssituatie nauwer samen te werken met internationale organisaties, zodat tijdig en gericht maatregelen kunnen worden genomen;
11. dringt er bij de Eritrese regering op aan de Commissie onbelemmerd toegang te geven tot projecten die met Gemeenschapsgeld worden gefinancierd en zich meer open te stellen voor technische bijstand voor projecten en programma's waartoe gezamenlijk is besloten; dringt er ook bij de regering op aan de NGO-Proclamatie zodanig aan te passen dat aan ngo's die bereid zijn om in Eritrea ontwikkelingsactiviteiten te ontplooien, lagere financiële eisen worden gesteld;
12. verzoekt de Ethiopische regering humanitaire organisaties onbeperkt toegang te geven tot de Ogaden in de regio Somali en alle nodige voorwaarden te scheppen zodat de hulp alle begunstigden in deze regio bereikt;
13. verzoekt de Commissie via het regionaal EU-partnerschap voor vrede, veiligheid en ontwikkeling steun te blijven verlenen aan regionale antwoorden op grensoverschrijdende uitdagingen, en in het bijzonder aan het regionaal beheer van watervoorraden, wat een essentieel aspect van voedselveiligheid is;
14. verzoekt de Commissie te controleren dat geen van haar hulpprogramma's, waaronder 'cash for work', door dwangarbeiders wordt uitgevoerd;
Mensenrechten, democratie en bestuur
15. verzoekt de Eritrese regering een officiële verklaring af te geven over de verblijfplaats en de gezondheidstoestand van de gevangenen en alle politieke gevangenen en gedetineerde journalisten in staat van beschuldiging te stellen en onmiddellijk voor te geleiden of hen onvoorwaardelijk en onmiddellijk in vrijheid te stellen;
16. verzoekt de Eritrese regering de mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van vereniging, de vrijheid van meningsuiting, persvrijheid en gewetensvrijheid, volledig na te leven;
17. is ernstig bezorgd wegens het feit dat de Zweeds-Eritrese journalist Dawit Isaak na zijn arrestatie in september 2001 nog altijd gevangen zit in Eritrea, zonder voor een rechtbank te zijn gebracht, en verlangt de onmiddellijke vrijlating van Dawit Isaak en andere gedetineerde journalisten;
18. verzoekt de EU haar opstelling jegens Eritrea te herzien als geen vooruitgang wordt geboekt met de kernmodaliteiten, zoals die in artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou zijn vastgelegd (artikel 9), met name met betrekking tot belangrijke mensenrechtenkwesties (toegang voor de internationale Commissie van het Rode Kruis (ICRC) tot gevangenissen, vrijlating van de "G11"-gevangenen);
19. dringt er bij de Somalische federale overgangsregering op aan, de ontvoering van de twee katholieke Italiaanse nonnen te veroordelen en maatregelen te nemen om hen zo spoedig mogelijk vrij te krijgen en verdere ontvoeringen te voorkomen;
20. verzoekt de autoriteiten in Djibouti de politieke rechten van oppositiepartijen en onafhankelijke mensenrechtenorganisaties te beschermen, wat onder meer het garanderen van volledige persvrijheid, vrijheid van vergadering en vrijheid van meningsuiting behelst; onderstreept de noodzaak dat de regering en de oppositie in een zinvolle dialoog treden, die zou moeten leiden tot een dusdanige aanpassing van de kieswet dat bestaande politieke partijen eerlijker in het parlement zijn vertegenwoordigd; verzoekt de autoriteiten in Djibouti de oppositiepartij MRD toe te staan haar werkzaamheden te hervatten en alle leden van de leiding van de vakbond UDT/UGTD, die wegens vakbondsactiviteiten werden ontslagen, weer hun functie te laten vervullen;
21. verzoekt de regering van Djibouti zowel wettelijke als praktische maatregelen te nemen om de rechten van vakbonden, zoals die zijn neergelegd in de kernverdragen van de (Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), beter te beschermen;
22. betreurt dat het Ethiopische parlement de wet op de ngo's (Proclamation for the Registration and Regulation of Charities and Societies) heeft geratificeerd; dringt aan op significante aanpassingen om de elementaire beginselen op het vlak van de mensenrechten te waarborgen; verlangt een niet-restrictieve uitvoering van deze wet en dringt erop aan dat de Commissie de tenuitvoerlegging nauwlettend in het oog houdt;
23. dringt erop aan dat de Ethiopische autoriteiten de perswet en de wet op de inschrijving van politieke partijen, alsook de samenstelling van de kiesraad, zodanig herzien dat de politieke rechten van oppositiepartijen worden gewaarborgd; dringt er bij de Ethiopische autoriteiten op aan dat beschuldigingen van intimidaties en van willekeurige arrestaties van leden van de oppositie en maatschappelijke organisaties onderzocht en de verantwoordelijken berecht worden;
24. is diep geschokt door de detentie van Birtukan Midekssa, leider van de oppositiepartij Unity for Democracy and Justice (UDJ), en verlangt haar onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating;
25. verzoekt de Ethiopische autoriteiten het inschrijvingsverzoek van de Ethiopische nationale lerarenvereniging (NTA) onverwijld en conform de geldende voorschriften te behandelen en de leden van deze vereniging niet langer te vervolgen;
26. verzoekt de regeringen van Ethiopië, Eritrea en Djibouti en de Raad, overeenkomstig artikel 8 en Bijlage VII van de herziene Overeenkomst van Cotonou, samen te besluiten om de politieke dialoog over mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat, met inbegrip van bovengenoemde kwesties, te intensiveren, met als doel het vaststellen van benchmarks en het bereiken van zichtbare resultaten en vorderingen op de grond;
27. is ingenomen met het feit dat in 2009 verkiezingen in Soedan zullen worden gehouden, maar stelt vast dat de wetten die de vrijheid van meningsuiting en organisatie voor individuele personen, politieke partijen en de pers beknotten en die in strijd zijn met het Algemeen Vredesakkoord (CPA) en de nationale interimgrondwet (INC), nog niet zijn veranderd en dat er evenmin een nationale mensenrechtencommissie is opgericht; beklemtoont dat intrekking van deze wetten en vervanging door wettelijke maatregelen die in overeenstemming zijn met het CPA en de INC, alsmede oprichting van een nationale mensenrechtencommissie, noodzakelijke voorwaarden zijn voor een milieu waarin vrije en eerlijke verkiezingen kunnen worden gehouden;
o o o
28. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de voorzitter van de Commissie van de Afrikaanse Unie, de fungerend voorzitter van de Conferentie van de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement, de regeringen en parlementen van de IGAD-landen en de medevoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.
EU-strategie ten aanzien van Belarus
143k
52k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2009 over de strategie van de EU ten aanzien van Belarus
– onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de situatie in Belarus, met name die van 9 oktober 2008 over de situatie in Belarus na de parlementsverkiezingen van 28 september 2008(1),
– gezien de verklaring die het Voorzitterschap van de Europese Unie op 10 november 2008 namens EU heeft afgelegd over het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/844/GBVB van de Raad tot wijziging van het Gemeenschappelijk Standpunt 2006/276/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde ambtsbekleders van Belarus(2),
– gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen met betrekking tot Belarus van 13 oktober 2008 houdende opheffing van het verbod op politieke contacten met de Belarussische autoriteiten en, voor zes maanden, van het visumverbod voor Belarussische functionarissen, waaronder president Alexander Loekasjenko,
– gezien het EU-Jaarverslag mensenrechten 2008 van de Raad, van 27 november 2008 (14146/2/2008),
– gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over het Oostelijk partnerschap, van 3 december 2008 (COM(2008)0823),
– gezien het eindverslag van de verkiezingswaarnemingsmissie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OSCE)/Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR), van 27 november 2008 over de parlementsverkiezingen van 28 september 2008 in Belarus,
– gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Raad in zijn bovengenoemde conclusies van 13 oktober 2008 de hoop heeft bevestigd op geleidelijke nieuwe toenadering tot Belarus en zijn bereidheid heeft bevestigd tot het op gang brengen van een dialoog met de Belarussische instanties en andere politieke krachten in het land ter bevordering van werkelijke vooruitgang op weg naar democratie en eerbiediging van de mensenrechten in dat land,
B. overwegende dat de Raad, ter bevordering van de dialoog met de Belarussische instanties en met het oog op de goedkeuring van positieve maatregelen ter consolidatie van democratie en eerbiediging van de mensenrechten heeft besloten dat de reisbeperkingen die voor een aantal leidende figuren uit Belarus zijn ingesteld, gedurende een verlengbare periode van zes maanden niet zullen gelden, behalve voor hen die betrokken waren bij de verdwijningen in 1999 en 2000 en voor de voorzitter van de centrale kiescommissie,
C. overwegende dat de Commissie als reactie op de positieve maatregelen die door Belarus zijn genomen, met Belarus reeds een intensievere dialoog heeft aangeknoopt op gebieden als energie, milieu, douane, vervoer en voedselveiligheid, en heeft bevestigd bereid te zijn deze technische gesprekken die voor beide zijden voordelen bieden, verder uit te breiden,
D. overwegende dat de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/ODIHR in haar eindverslag heeft verklaard dat er weliswaar kleine verbeteringen waren, maar dat de verkiezingen van 28 september 2008, die plaatsvonden in een streng gecontroleerde omgeving met een nauwelijks zichtbare campagne en werden gekenmerkt door een gebrek aan transparantie bij het tellen van de stemmen en het samentellen van de resultaten van verschillende stembureaus, uiteindelijk niet aan de internationaal erkende democratische normen voldeden; overwegende dat Lidzya Yarmoshyna, de voorzitter van de centrale verkiezingscommissie, heeft toegegeven dat de verkiezingen van september 2008 door de Europese partners niet "volledig en onvoorwaardelijk zijn erkend als beantwoordend aan de internationale normen van Europese partners", en dat derhalve het "uiteindelijke doel" van de verkiezingen niet is gerealiseerd,
E. overwegende dat de Commissie het Oostelijk partnerschapsinitiatief op gang heeft gebracht om de samenwerking met een aantal Oost-Europese landen, waaronder Belarus, op te voeren, mits Belarus voldoet aan specifieke normen in verband met democratie, eerbiediging van de mensenrechten en van de rechtsstaat,
F. overwegende dat de Belarussische minister van Buitenlandse Zaken, Syarhei Martynau , heeft verklaard dat "Belarus positief staat tegenover deelname in het Oostelijk Partnerschapsinitiatief" en daaraan heeft toegevoegd dat Belarus van plan is te participeren in dit initiatief,
G. overwegende dat de Belarussische autoriteiten de oppositieactivist Alyaksandr Barazenka hebben veroordeeld tot één jaar beperking van de bewegingsvrijheid voor zijn deelname aan een demonstratie in januari 2008,
H. overwegende dat de Belarussische autoriteiten een toenemend aantal rooms-katholieke priesters en nonnen het recht op het uitoefenen van hun ambt en het geven van onderwijs ontzeggen,
1. spreekt zijn waardering uit voor het besluit van de Belarussische instanties de Beweging voor de Vrijheid onder leiding van Aliaksandr Milinkevich, voormalig kandidaat voor het Belarussische presidentschap, te registreren; spreekt de hoop uit dat de Belarussische instanties de omstandigheden voor registratie en werkzaamheden van andere niet-gouvernementele organisaties met inbegrip van de mensenrechtenorganisatie Nasja Viasna zullen verbeteren;
2. spreekt zijn waardering uit voor het besluit van de Belarussische instanties druk en distributie van de twee onafhankelijke kranten Narodnaia Volia en Naja Niva toe te staan; herinnert er tegelijkertijd aan dat er nog altijd 13 onafhankelijke dagbladen zijn die op registratie wachten; spreekt zijn waardering uit voor het besluit van de Belarussische regering de internationale normen met betrekking tot internetmedia te bespreken en over deze thema's overleg te voeren met de Belarussische vereniging van journalisten; hoopt dat er eveneens adequate voorwaarden worden geschapen voor de werkzaamheden van andere onafhankelijke media in Belarus o.m. de mogelijkheid van advertenties;
3. neemt kennis van de bereidheid van Belarus de aanbevelingen van OVSE/ODIHR over verbetering van de kieswet in detail te bespreken; beschouwt dit als een belangrijke en bemoedigende stap van de kant van Belarus en ziet uit naar snelle tenuitvoerlegging ervan en naar aanvullende maatregelen die aansluiten bij de verwachtingen van de EU;
4. spreekt zijn waardering uit voor de vrijlating van politieke gevangenen in Belarus , maar betreurt dat Alyaksandr Kazulin, Sergei Parsyukevich en Andrei Kim niet alle rechten genieten die door de grondwet van de republiek Belarus aan de Belarussische burgers worden gewaarborgd, zoals ook het geval is met Alyaksandr Barazenka, die in afwachting van zijn berechting twee weken in verzekerde bewaring verbleef wegens zijn deelname aan demonstratie in 2008; betreurt eveneens dat de vrijheid van andere activisten op diverse manieren wordt beperkt;
5. is verheugd over het besluit van de Belarussische autoriteiten om tijdelijk het aan een aantal slachtoffers van de ramp in Tsjernobyl opgelegde reisverbod op te heffen teneinde ze in de gelegenheid te stellen aan rust- en herstelprogramma's deel te nemen, en hoopt dat voor de langere termijn een structurele oplossing kan worden gevonden; verzoekt het Tjsechische voorzitterschap met klem om op zo kort mogelijke termijn met de Belarussische autoriteiten te onderhandelen over een voor de hele EU geldende overeenkomst die kinderen in staat stelt de reis te maken van Belarus naar elk EU-land dat dergelijke rust- en herstelprogramma's organiseert;
6. wijst er andermaal op dat Belarus om de betrekkingen met de EU aanzienlijk te verbeteren (1) een land zonder politieke gevangenen moet blijven, (2) de vrijheid van meningsuiting voor de media moet waarborgen, (3) met de OVSE moet blijven samenwerken aan hervorming van het kiesstelsel, (4) de voorwaarden waaronder niet-gouvernementele organisaties (NGO's) moeten werken moet verbeteren, en (5) de vrijheid van vergadering en politieke vereniging moet waarborgen;
7. roept de Belarussische regering met klem op om de mensenrechten te eerbiedigen door:
a)
de noodzakelijke veranderingen aan te brengen in het Belarussische wetboek van strafrecht door de artikelen 367, 368 en 369-1, en met name 193, af te schaffen daar deze veelal misbruikt worden als middel van onderdrukking;
b)
studenten die wegens hun opstelling als burger van de universiteit zijn gestuurd en daardoor hun studies in het buitenland moeten voortzetten, niet met strafvervolging bedreigen, ook niet wegens het ontlopen van legerdienst in Belarus;
c)
alle obstakels voor een correcte registratie van NGO's in Belarus weg te nemen; het verbod op het gebruik van particuliere appartementen als adres voor de registratie van verenigingen zonder winstoogmerk op te heffen; en presidentieel decreet N 533 van 23 oktober 2007 ter regulering van het gebruik van kantoorfaciliteiten door NGO's en politieke partijen opnieuw te bezien;
d)
verbetering aan te brengen in de behandeling van en het respect voor nationale minderheden − inclusief erkenning van het legaal gekozen, door Angelika Borys geleide orgaan van de Bond van Polen in Belarus −, hun cultuur, kerken, onderwijssysteem, en historisch en materieel erfgoed;
teneinde een eind te maken aan de isolatie ten opzichte van de rest van Europa die het land zichzelf heeft opgelegd en de betrekkingen tussen de EU en Belarus aanzienlijk te verbeteren;
8. wijst erop dat de democratische oppositie deel moet vormen van het proces van geleidelijke hernieuwing van de betrokkenheid bij Belarus;
9. verzoekt de Raad en de Commissie verdere stappen te nemen om de visumprocedures voor burgers van Belarus te vereenvoudigen en te liberaliseren, aangezien dergelijke maatregelen van wezenlijke betekenis zijn om de belangrijkste doelstelling van het beleid van de EU jegens Belarus te verwezenlijken, te weten het intensiveren van de menselijke contacten die op hun beurt het democratiseren van het land vergemakkelijken; verzoekt hen in dit verband de mogelijkheden te bezien om de visakosten voor Belarussische burgers die de Schengenzone binnenkomen te verlagen en de procedure voor het verkrijgen van een visum te vereenvoudigen;
10. verzoekt de Raad en de Commissie na te denken over de selectieve toepassing van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument(3) en het Europees mensenrechten- en democratie-instrument(4) op Belarus door meer steun toe te kennen aan de Belarussische maatschappelijke organisaties; verzoekt de Raad en de Commissie van de Belarussische regering te verlangen dat zij als teken van goede wil en verandering in positieve richting toestaat dat de Belarussische "Europese universiteit voor menswetenschappen" in ballingschap in Vilnius (Litouwen) legaal naar Belarus terugkeert en zich onder goede omstandigheden opnieuw vestigt teneinde te gaan werken aan haar eigen toekomst in Minsk; verzoekt de Raad en de Commissie financiële steun te verlenen aan de onafhankelijke Belarussische televisiezender Belsat; verzoekt de Raad en de Commissie de Belarussische regering op te roepen de televisiezender Belsat officieel in Belarus te registreren;
11. verzoekt de Raad en de Commissie in dit verband na te denken over maatregelen gericht op verbetering van het ondernemingsklimaat, de handel, investeringen, energie- en vervoersinfrastructuur en de grensoverschrijdende samenwerking tussen de EU en Belarus, teneinde bij te dragen tot het welzijn en de welvaart van de burgers van Belarus, alsook aan hun mogelijkheden vrijelijk te communiceren met en te reizen naar de EU te vergroten;
12. 12 verzoekt de Raad en de Commissie te bekijken of de Europese Investeringsbank kan deelnemen aan investeringen in Belarussische infrastructuur voor de doorvoer van energie; beklemtoont het belang van de deelname van Europese bedrijven aan het privatiseringsproces in Belarus;
13. verzoekt de Belarussische instanties tijdens de bouw van een nieuwe kerncentrale strikt de hand te houden aan internationale veiligheidsnormen en -eisen; verzoekt Belarus het aanvullend protocol van het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) bij de alomvattende waarborgovereenkomst (comprehensive safeguards agreement) te ratificeren; verzoekt de Commissie te voldoen door Belarus van de aanbevelingen van het IAEA, de eisen van het Verdrag inzake de veiligheid van kerninstallaties en het Nucleaire non-proliferatieverdrag, alsook de gevolgen die de exploitatie van de kerncentrale kan hebben voor buurlanden in de EU, te controleren en hierover verslag te doen aan het Parlement en de lidstaten;
14. betreurt dat de Belarussische overheid de laatste jaren herhaaldelijk heeft besloten inreisvisa te weigeren aan leden van het Europese Parlement en van nationale parlementen; verzoekt de Belarussische overheid geen hindernissen meer op te werpen die de delegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met Belarus beletten het land te bezoeken;
15. is verheugd over de tot nu toe door de Belarussische autoriteiten gevolgde benadering om, ondanks enorme druk, de unilaterale onafhankelijkheidsverklaringen van Zuid-Ossetië en Abchazië niet te erkennen;
16. veroordeelt het feit dat Belarus het enige land in Europa is dat nog steeds de doodstraf kent, hetgeen in strijd is met VN-waarden;
17. verzoekt de Belarussische instanties de vrijheid van godsdienst te eerbiedigen; veroordeelt het feit dat Europese burgers, onder wie priesters, herhaaldelijk door Belarus worden uitgewezen, hetgeen haaks staat op het proces van vertrouwenwekkende maatregelen ten opzichte van de EU;
18. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Parlementaire Vergaderingen van de OVSE en de Raad van Europa, het secretariaat van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten en het parlement en de regering van Belarus.
Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (PB L 310 van 9.11.2006, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1).
Srebrenica
116k
36k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2009 over Srebrenica
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 juli 2005 over Srebrenica(1),
– gezien de op 16 juni 2008 te Luxemburg ondertekende stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië-Herzegovina, anderzijds en het EU-lidmaatschap dat alle landen van de westelijke Balkan op de Europese Top in Thessaloniki in 2003 in het vooruitzicht werd gesteld,
– gelet op artikel 103, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat in juli 1995 de Bosnische stad Srebrenica, destijds een geïsoleerde enclave die in de resolutie van 16 april 1993 van de VN-Veiligheidsraad tot beschermde zone was uitgeroepen, in handen viel van Servische milities onder bevel van generaal Ratko Mladić en onder leiding van de toenmalige president van de Republika Srpska, Radovan Karadžić,
B. overwegende dat na de val van Srebrenica verscheidene dagen lang een massaslachting heeft plaatsgevonden waarbij meer dan 8 000 moslimmannen en -jongens, die hun toevlucht hadden gezocht in dit gebied dat onder de bescherming stond van de beschermingsmacht van de VN (UNPROFOR), zonder vorm van proces werden terechtgesteld door Bosnisch-Servische strijdkrachten van generaal Mladić en door paramilitaire eenheden, zoals ongeregelde Servische politie-eenheden die het Bosnische gebied vanuit Servië waren binnengekomen; dat bijna 25 000 vrouwen, kinderen en bejaarden werden gedeporteerd, waarmee deze gebeurtenis de ernstigste oorlogsmisdaad in Europa is geweest sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog,
C. overwegende dat dit drama, dat door het Internationaal Straftribunaal voor ex-Joegoslavië (ICTY) is erkend als genocide, plaatsvond in een door de VN veilig verklaard gebied en daarom symbolisch is voor het onvermogen van de internationale gemeenschap in te grijpen in een conflict en de burgerbevolking te beschermen,
D. overwegende dat de Bosnisch-Servische strijdkrachten de Conventie van Genève talloze malen hebben geschonden bij hun optreden tegen de burgerbevolking van Srebrenica, zoals bij de deportatie van duizenden vrouwen, kinderen en bejaarden en de verkrachting van een groot aantal vrouwen,
E. overwegende dat ondanks de enorme inspanningen die tot op heden zijn gedaan om individuele en massagraven te vinden en de stoffelijke resten van de slachtoffers op te graven en te identificeren, het onderzoek tot op heden niet heeft geleid tot een volledige reconstructie van de gebeurtenissen in en rond Srebrenica,
F. overwegende dat er zonder gerechtigheid geen sprake van echte vrede kan zijn en dat onvoorwaardelijke samenwerking met het ICTY voor de landen van de westelijke Balkan een basisvereiste blijft om het proces van integratie in de EU voort te zetten,
G. overwegende dat generaal Radislav Krstić van het Bosnisch-Servische leger als eerste door het ICTY schuldig werd bevonden aan medeplichtigheid aan de genocide in Srebrenica, maar dat de voornaamste beschuldigde, Ratko Mladić, bijna veertien jaar na de tragische gebeurtenissen nog steeds op vrije voeten is; dat het toe te juichen is dat dat Radovan Karadžić thans is overgedragen aan het ICTY,
H. overwegende dat de instelling van een herdenkingsdag het beste middel is om de slachtoffers van de massamoorden te herdenken en een duidelijke boodschap vormt voor komende generaties,
1. herdenkt en eert alle slachtoffers van de gruweldaden tijdens de oorlogen in het voormalige Joegoslavië; betuigt zijn medeleven aan en solidariteit met de families van de slachtoffers, waarvan velen niet met zekerheid weten wat er met hun familieleden is gebeurd; erkent dat deze niet-aflatende pijn nog eens wordt versterkt doordat diegenen die voor deze daden verantwoordelijk zijn, niet voor de rechter zijn gebracht;
2. verzoekt de Raad en de Commissie om de dag van de genocide in Srebrenica-Potočari op gepaste wijze te gedenken door het Parlement te steunen in het uitroepen van 11 juli tot de dag waarop in de gehele Europese Unie de genocide in Srebrenica herdacht wordt, en om alle landen van de westelijke Balkan op te roepen dit voorbeeld te volgen;
3. dringt aan op verdere inspanningen om de resterende voortvluchtigen voor de rechter te brengen; verklaart volledig achter het waardevolle en moeilijke werk van het ICTY te staan en onderstreept dat een belangrijke stap naar vrede en stabiliteit in de regio kan worden gezet door degenen die verantwoordelijk zijn voor de moorden in en rond Srebrenica voor de rechter te brengen; herhaalt dienaangaande dat extra aandacht moet worden besteed aan de berechting van oorlogsmisdaden op nationaal niveau;
4. benadrukt het belang van verzoening als onderdeel van het Europese integratieproces; wijst op de belangrijke rol van religieuze gemeenschappen, de media en het onderwijsstelsel bij dit proces, zodat burgers van alle etnische groeperingen de spanningen van het verleden achter zich kunnen laten en kunnen beginnen aan een vreedzame en oprechte co-existentie ten behoeve van duurzame vrede, stabiliteit en economische groei; doet een dringend beroep op alle landen verdere pogingen te doen om zich met een moeilijk en pijnlijk verleden te verzoenen;
5. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de regering en het parlement van Bosnië-Herzegovina en zijn entiteiten, en de regeringen en parlementen van de landen van de westelijke Balkan.
– onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran, met name over de mensenrechten,
– onder verwijzing naar de derde interparlementaire bijeenkomst tussen het Europees Parlement en de Majlis (parlement) van de Islamitische Republiek Iran, in Brussel op 4 en 5 november 2008 en het verslag daarover,
– onder verwijzing naar de verklaring van 22 december 2008 van het voorzitterschap van de Raad, namens de Europese Unie, over de sluiting door de Iraanse politie van het Centrum voor de verdediging van de mensenrechten (CDHR), dat onder leiding staat van Shirin Ebadi, advocate en winnares van de Nobelprijs voor de vrede in 2003,
– onder verwijzing naar de verklaringen van het voorzitterschap van de Raad van 31 december 2008, over de bedreigingen tegen Shirin Ebadi,
– onder verwijzing naar de verklaring van 3 januari 2009 door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties over de intimidatie en de vervolging van Shirin Ebadi en over haar veiligheid,
– onder verwijzing naar de eerdere resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en in het bijzonder resolutie 63/191 van 18 december 2008 over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,
– onder verwijzing naar het verslag van de secretaris-generaal van de VN over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran van 1 oktober 2008,
– onder verwijzing naar de verklaring van de Verenigde Naties over de verdedigers van de mensenrechten, die op 9 december 1998 is aangenomen,
– gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, die alle door Iran zijn ondertekend,
– gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de algemene mensenrechtensituatie in Iran sinds 2005 op alle fronten onophoudelijk is verslechterd, met name ten aanzien van de gebruikmaking van de burgerrechten en de politieke vrijheid, ondanks het feit dat Iran heeft toegezegd de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in het kader van de diverse internationale instrumenten op dit terrein te zullen bevorderen en beschermen,
B. overwegende dat de Iraanse politie en veiligheidsagenten op 21 december 2008 het CDHR dat wordt geleid door Shirin Ebadi, hebben gesloten, terwijl het voorbereidingen trof voor de viering van het zestigjarig bestaan van de UVRM,
C. overwegende dat op 29 december 2008 het kantoor van Shirin Ebadi doorzocht is en documenten en computers zijn meegenomen; overwegende dat op 1 januari 2009 een vijandige menigte voor haar huis en kantoor heeft gedemonstreerd, waarbij slogans tegen haar werden geroepen, het bord van haar advocatenkantoor werd getrokken en het gebouw met graffiti werd besmeurd,
D. overwegende dat er steeds meer bewijzen zijn dat de vervolging door de Iraanse autoriteiten van Shirin Ebadi is toegenomen wegens haar contacten met mensenrechtenmedewerkers van de VN en omdat zij gebruik hebben gemaakt van door het centrum geleverde informatie in een VN-verslag van 2 oktober 2008 over de mensenrechtensituatie in Iran,
E. overwegende dat Shirin Ebadi doodsbedreigingen heeft ontvangen nadat zij had besloten de verdediging op zich te nemen van het zevenhoofdige leiderschap van de Baha'i- geloofsgemeenschap, die in mei 2008 gezamenlijk werden gearresteerd; overwegende dat het CDHR ook geprotesteerd heeft tegen het feit dat de autoriteiten studenten van de universiteiten hebben verwijderd,
F. overwegende dat IRNA, Iran's officiële nieuwsagentschap, in augustus 2008 de valse informatie heeft verspreid dat Shirin Ebadi's dochter, Narges Tavasolian, zich tot het Baha'i-geloof had bekeerd, een aantijging die ernstige gevolgen kan hebben, aangezien aanhangers van het Baha'i-geloof in Iran ernstig vervolgd worden,
G. overwegende dat leden van een ander bekend mensenrechtencentrum in Iran, de mensenrechtenorganisatie van Koerdistan (HROK) even ernstig worden geïntimideerd door de autoriteiten en voortdurend met aanhouding worden bedreigd; met name overwegende dat de stichter, Mohammad Sadiq Kaboudvand, veroordeeld is tot tien jaar gevangenisstraf op de beschuldiging tegen de nationale veiligheid te hebben gehandeld door de oprichting van de HROK,
H. overwegende dat de regering en de autoriteiten van Iran de plicht hebben advocaten die ijveren voor de mensenrechten te beschermen; dat de reeds aangehaalde verklaring van de Verenigde Naties over de verdedigers van de mensenrechten, die door de Algemene Vergadering van de VN in 1998 eenstemmig werd aangenomen, stelt dat de staten, alle mogelijke maatregelen moeten nemen om te zorgen voor de bescherming door de bevoegde autoriteiten van de verdedigers van de mensenrechten tegen alle vormen van geweld, bedreiging, represailles, de facto of de jure discriminatie, druk of welk ander willekeurig optreden als consequentie van hun legitieme inspanningen om de mensenrechten te beschermen,
1. veroordeelt in de sterkste bewoordingen de onderdrukking, vervolging en bedreiging waaraan Shirin Ebadi blootstaat en de sluiting van het CDHR in Teheran en geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de toenemende vervolging van verdedigers van de mensenrechten in Iran, wijst erop dat de inval van Iraanse veiligheidstroepen in het CDHR in Teheran gezien moet worden in een bredere context, namelijk het doel de verdedigers van de mensenrechten in Iran het zwijgen op te leggen;
2. geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid dat de voortdurende vervolging, bedreigingen en aanvallen waaraan Shirin Ebadi blootstaat, niet alleen haar veiligheid in gevaar brengen maar ook die van alle activisten in de Iraanse samenleving en de verdedigers van de mensenrechten;
3. beklemtoont dat de sluiting van het CDHR niet alleen een aanval is op Shirin Ebadi en de verdedigers van de mensenrechten in Iran maar op alle verdedigers van de mensenrechten in de wereld, waarvan zij een invloedrijke en belangrijke vertegenwoordigster is;
4. dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan een einde te maken aan de onderdrukking, vervolging en bedreigingen waaraan Shirin Ebadi blootstaat, te zorgen voor haar veiligheid en toestemming geven voor de heropening van het CDHR; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan het CDHR en de HROK en andere mensenrechtenorganisaties toe te staan onbelemmerd hun werkzaamheden te verrichten;
5. dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan hun internationale toezeggingen op het vlak van de mensenrechten gestand te doen en met name het recht op vreedzame vergadering, dat verankerd is in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat door Iran is ondertekend en geratificeerd;
6. verklaart andermaal zich zorgen te maken over de vervolging en opsluiting van burgers in Iran die ijveren voor de verdediging van de mensenrechten en campagne voeren tegen de doodstraf, en doorgaans worden beschuldigd van "activiteiten tegen de nationale veiligheid"; dringt er voorts bij Iran op aan een einde te maken aan pesterijen, intimidatie en vervolging van politieke tegenstanders en verdedigers van de mensenrechten, en mensen die zonder vorm van proces of op grond van hun politieke opvattingen gevangen worden gehouden in vrijheid te stellen en een einde te maken aan de straffeloosheid voor schendingen van de mensenrechten;
7. veroordeelt in de sterkst mogelijke bewoordingen de drie stenigingen die eind december 2008, volgens de woordvoerder van de rechterlijke macht, in de stad Mashhad hebben plaatsgehad, en dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan zich te houden aan het afgekondigde moratorium en op korte termijn met wetgeving te komen om deze wrede straf af te schaffen;
8. is ernstig bezorgd over de gezondheidssituatie van Mohammad Sadiq Kaboudvand, die na zijn gevangenneming steeds slechter wordt; beschouwt hem als een gewetensgevangene en dringt erop aan dat hij onmiddellijk en onvoorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld en medische zorg ontvangt;
9. betreurt het in ernstige mate dat voortdurend gebruik wordt gemaakt van schorsing van studenten om hen te straffen voor het organiseren van vrije, openbare debatten en dringt bij de autoriteiten aan op vrijlating van degenen die op de universiteit van Shiraz zijn gearresteerd tijdens de laatste jaarlijkse nationale studentendag op 6 december 2008;
10. doet een beroep op de Iraanse autoriteiten, in navolging van de verklaring van de regering, religieuze minderheden te respecteren en onverwijld de Baha'i-leiders Fariba Kamalabadi, Jamaloddin Khanjami, Atif Naeimi, Saeid Rasaie, Makvash Sabet, Behrouz Tavakkoli en Vahid Tizfahm in vrijheid te stellen, omdat zij alleen om hun geloof in hechtenis zijn genomen;
11. dringt er bij de Raad en de Commissie op aan hun onderzoek naar de mensenrechtensituatie in Iran voort te zetten en het Parlement in de eerste helft van 2009 een omvangrijk verslag over deze kwestie te doen toekomen en concrete gevallen van schendingen van de mensenrechten aan de orde te blijven stellen;
12. beklemtoont dat de mogelijke toekomstige sluiting van een Samenwerkings- en handelsovereenkomst tussen Iran en de EU ook afhankelijk is van een aanmerkelijke verbetering van de mensenrechtensituatie in Iran;
13. doet een beroep op het voorzitterschap van de Raad en de diplomatieke vertegenwoordigers van de lidstaten in Iran om onverwijld gecoördineerde actie te ondernemen ten aanzien van voornoemde punten van zorg;
14. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de VN-Mensenrechtenraad, het hoofd van de rechterlijke macht van Iran, en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.
Guinee
118k
37k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2009 over de staatsgreep in Guinee
A. overwegende dat een groep officieren op 23 december 2008 op de dag na het overlijden van president Lansane Conté de macht in Guinee heeft gegrepen,
B. overwegende dat Lansana Conté als officier in 1984 zelf eveneens op het moment van overlijden van zijn voorganger, president Sékou Touré, met geweld aan de macht kwam en gedurende 24 jaar in het zadel bleef,
C. overwegende dat er voor het leger geen plaats bij het bestuur van landen is weggelegd,
D. overwegende dat het mandaat van de Nationale Vergadering sinds twee jaar is verstreken en dat er sindsdien geen parlementsverkiezingen zijn gehouden,
E. overwegende dat de bevolking van Guinee en haar vertegenwoordigers zelf moeten beslissen over de politieke, economische en sociale toekomst van het land en dat de termijn voor het organiseren van verkiezingen die door de militaire junta is voorgesteld, veel te lang is,
F. overwegende dat de staatsgreep is veroordeeld door de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) en de Afrikaanse Unie (AU), die tot een tijdelijke uitsluiting van Guinee van hun activiteiten besloten hebben,
G. overwegende dat de voornaamste oppositiepartijen en het samenwerkingsverband vakorganisaties die de stakingen van juni 2006 en januari 2007 organiseerden nota hebben genomen van de machtsovername, maar dat de voorzitter van de Nationale Vergadering tot herstel van de grondwettelijke situatie heeft opgeroepen,
H. overwegende dat één op de twee inwoners van Guinee volgens de Wereldbank moet rondkomen van het equivalent van 1 USD per dag en dat het inkomen per hoofd van de bevolking sinds de onafhankelijkheid van het land ondanks zijn belangrijke hulpbronnen op waterkrachtgebied en mijnbouwreserves, voortdurend is gedaald,
I. overwegende dat "Transparency International" Guinee als een van de meest corrupte landen van Afrika heeft geclassificeerd,
J. overwegende dat de staatsgreep is gepleegd in een bedenkelijke economische en sociale context en dat de ontwikkeling de beste garantie biedt voor het welslagen van de democratie,
K. overwegende dat diverse malen in verschillende steden van Guinee demonstraties zijn georganiseerd in protest tegen de toenemende kosten van het levensonderhoud en het gebrek aan basisvoedingsmiddelen,
L. overwegende dat wijlen president Lansane Conté een verontrustende reputatie op het gebied van de mensenrechten had, onder meer wegens het gebruik van excessief geweld door de strijdkrachten en politie tegen burgers, willekeurige gevangenneming en gevangenhouding zonder proces en aanvallen op de vrijheid van meningsuiting,
M. overwegende dat het van belang is volledig rekening te houden van de voorstellen van politieke partijen, vakbewegingen en organisaties van het maatschappelijk midden om tot een nationale dialoog te komen opdat overeenstemming kan worden bereikt over een vreedzame en democratische overgang en over een tijdschema voor parlements- en presidentsverkiezingen,
N. overwegende dat de besluiten en benoemingen van de militaire junta, met name op regeringsniveau, niet met de fundamentele regels van de rechtsstaat stroken,
O. gezien de benoeming tot premier van Kabiné Komara, die verantwoordelijke posten bekleedde bij de Afrikaanse bank voor in- en uitvoer, en constaterend dat zijn naam op de lijst stond van personen die de vakorganisaties bij de gebeurtenissen van februari 2007 als kandidaten voor het premierschap hadden voorgesteld,
P. gezien de willekeurige arrestaties van vooraanstaande militairen en burgers,
1. veroordeelt de machtsgreep van een groep officieren en dringt erop aan dat binnen een termijn van enkele maanden vrije en transparante parlements- en presidentsverkiezingen worden georganiseerd die aan de internationale normen voldoen, en wel met medewerking van de AU en de ECOWAS, de steun van de EU en onder het gezag van een burgerlijke overgangsregering;
2. roept op tot een inter-Guineese nationale dialoog met deelneming van alle politieke partijen, vakbewegingen en organisaties van het maatschappelijk middenveld teneinde de weg voor een democratische overgang te effenen;
3. dringt bij de aan de macht zijnde junta aan op eerbiediging van het recht op een vrije mening, de vrijheid van meningsuiting en vereniging, waaronder het recht van vreedzame vergadering, zoals neergelegd in de Universele verklaring inzake de rechten van de mens;
4. veroordeelt de arrestatie en gevangenhouding zonder enige tenlastelegging van militairen en burgers en dringt aan op hun onmiddellijke vrijlating indien het niet mogelijk is deze personen iets concreets ten laste te leggen;
5. neemt kennis van de politieke verbintenissen van de nieuwe leiders in Guinee ten aanzien van met name de radicale corruptiebestrijding en de instelling van een transparant democratisch stelsel in dit land; dringt erop aan dat men zich aan deze beloften houdt;
6. is verheugd over het besluit van de AU en van de ECOWAS tot uitsluiting van Guinee van hun activiteiten zolang dit land niet over een democratisch gekozen parlement en regering beschikt;
7. wenst dat in het kader van de artikelen 8 en 96 van de Overeenkomst van Cotonou een politieke dialoog op gang wordt gebracht tussen de EU en de overgangsautoriteiten die de macht in Guinee hebben overgenomen;
8. verzoekt de Commissie zich gereed te houden voor het bevriezen van iedere andere vorm van hulp dan humanitaire hulp en voedselhulp en, indien een overgang naar democratie uitblijft, de toepassing van sancties te onderzoeken die gericht zijn op autoriteiten die de macht met geweld hebben overgenomen;
9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Veiligheidsraad van de VN, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de ECOWAS, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en aan de autoriteiten van Guinee.
Persvrijheid in Kenia
108k
33k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2009 over de persvrijheid in Kenia
– gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,
– onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Kenia,
– gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,
– gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,
A. overwegende dat president Kibaki op 2 januari 2009 heeft ingestemd met het Keniaanse wetsvoorstel inzake communicatie (amendement) uit 2008, tot wijziging van de Keniaanse wet inzake communicatie uit 1998,
B. overwegende dat in deze wet, in zijn huidige vorm, geen rekening wordt gehouden met het recht op vrije meningsuiting en met de persvrijheid, vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en overgenomen door andere internationale conventies die door de Kenia zijn ondertekend en geratificeerd, waaronder het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,
C. overwegende dat afdelingen 88 en 46 voor de meeste problemen zorgen; overwegende dat afdeling 88 de minister van Informatie de bevoegdheid geeft om mediaorganisaties waarvan wordt gedacht dat ze een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid, te bestormen, en de aanwezige zenduitrusting te ontmantelen; overwegende dat de staat krachtens afdeling 46 de bevoegdheid heeft om de inhoud van elektronische en gedrukte media te bepalen,
D. overwegende dat de wet inzake media van 2008, volgens een persbericht van de Oost-Afrikaanse vereniging van journalisten (EAJA), zal leiden tot rechtstreekse censuur van de media door de regering,
E. overwegende dat premier Odinga zich heeft geschaard bij de wijdverbreide tegenstand tegen de wetgeving; overwegende dat functionarissen van de Orange Democratic Movement (ODM) recentelijk crisisberaad hebben gehouden, en hebben verklaard dat de president de premier niet heeft geraadpleegd over de mediawet,
F. overwegende dat de instemming van de president er volgens de Keniaanse nationale commissie voor mensenrechten op wijst dat de grote regeringscoalitie niet eendrachtig werkt,
G. overwegende dat vrijheid van meningsuiting een grondrecht is, vastgelegd in artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,
H. overwegende dat een jaar geleden, na de gebrekkige presidentsverkiezingen in Kenia, straatprotesten hebben geleid tot rellen en etnische botsingen die zich over het hele land hebben verspreid, waarbij meer dan 1 000 mensen het leven lieten en 350 000 personen dakloos achterbleven,
1. betreurt de ondertekening van het Keniaanse wetsvoorstel inzake communicatie (amendement) door president Kibaki, die het ten tijde van de ondertekening naliet rekening te houden met wijdverspreide bedenkingen bij dit voorstel;
2. is echter tevreden met de recente beslissing van president Kibaki om de mediawet te herzien en met zijn gebaar om amendementen voorgesteld door mediamedewerkers in overweging te nemen;
3. herhaalt zijn verbintenis zich in te zetten voor persvrijheid en voor de grondrechten van vrijheid van meningsuiting, informatie en vereniging; benadrukt dat toegang tot informatie uit een verscheidenheid aan bronnen van wezenlijk belang is om burgers te emanciperen;
4. roept de Keniaanse regering op raadplegingen van belanghebbenden op te starten om tot een akkoord te komen over hoe de communicatie-industrie beter kan worden gereguleerd, zonder te raken aan de persvrijheid; vraagt president Kibaki en premier Odinga al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat bijgewerkte versies van de nieuwe mediawet in overeenstemming zijn met de beginselen van vrijheid van meningsuiting en van informatie;
5. benadrukt de noodzaak de straffeloosheid in Kenia aan te pakken en de verantwoordelijken van het geweld na de verkiezingen vorig jaar voor de rechter te brengen; roept op tot de oprichting van een onafhankelijke commissie bestaande uit plaatselijke en internationale juridische deskundigen om het onderzoek en de vervolgingen te leiden; merkt op dat president Kibaki en premier Odinga er in theorie mee hebben ingestemd om een dergelijke commissie op te richten, wat tot dusver nog niet is gebeurd;
6. verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de regering van Kenia, de medevoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de Oost-Afrikaanse Gemeenschap en de voorzitters van de Commissie en de Uitvoerende Raad van de Afrikaanse Unie.