Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/0147(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0066/2009

Ingediende teksten :

A6-0066/2009

Debatten :

PV 10/03/2009 - 13
PV 10/03/2009 - 15
CRE 10/03/2009 - 13
CRE 10/03/2009 - 15

Stemmingen :

PV 11/03/2009 - 5.13
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0113

Aangenomen teksten
PDF 513kWORD 195k
Woensdag 11 maart 2009 - Straatsburg
Het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen ***I
P6_TA(2009)0113A6-0066/2009
Resolutie
 Geconsolideerde tekst
 Bijlage

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2009 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (COM(2008)0436 – C6-0276/2008 – 2008/0147(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0436),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 71, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0276/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie(A6-0066/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 maart 2009 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen
P6_TC1-COD(2008)0147

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie ║,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De bevordering van duurzaam vervoer is een centrale doelstelling van het gemeenschappelijke vervoersbeleid. Te dien einde moeten de negatieve effecten van het vervoer, met name de congestieproblemen die de mobiliteit belemmeren, de verontreiniging die gezondheids- en milieuschade veroorzaakt, en de bijdrage van het vervoer tot de klimaatverandering worden verminderd. Voorts moeten milieubeschermingseisen worden geïntegreerd in de vaststelling en tenuitvoerlegging van andere aspecten van het gemeenschapsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk vervoersbeleid. De volgende prioritaire doelstellingen, te weten milieubescherming, de sociale en economische samenhang en het concurrentievermogen van de EU, moeten ook op een evenwichtige wijze met elkaar in overeenstemming worden gebracht als onderdeel van de Strategie van Lissabon voor groei en werkgelegenheid.

(2)  De doelstelling van vermindering van de negatieve effecten van het vervoer moet zodanig worden nagestreefd, dat onevenredige belemmeringen voor het vrije verkeer worden vermeden, in het belang van een gezonde economische groei en een goede werking van de interne markt. Er moet eveneens worden benadrukt dat het beginsel van internalisering van de externe kosten het equivalent is van een beheersinstrument, en daarom moet worden ingezet om weggebruikers en de betrokken industriële sectoren ertoe aan te sporen hun mogelijkheden op het vlak van milieuvriendelijk vervoer te benutten en uit te breiden, bijvoorbeeld door middel van een aangepast rijgedrag of verdere technologische ontwikkelingen. Het is van wezenlijk belang dat er manieren en middelen worden gevonden om de schade die door wegvervoer wordt veroorzaakt te verminderen, in plaats van eenvoudigweg de inkomsten te gebruiken om de relevante kosten te dekken.

(3)  Om het vervoersysteem in die zin te optimaliseren, moet het gemeenschappelijke vervoersbeleid uiteenlopende instrumenten gebruiken om de vervoersinfrastructuur en -technologieën te verbeteren en een efficiënter beheer van de vervoersvraag mogelijk te maken. Daartoe moet meer dan tot nu toe gebruik worden gemaakt van het beginsel dat de gebruiker betaalt en moet het beginsel dat de vervuiler betaalt ten uitvoer worden gelegd in de vervoerssector.

(4)  Overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 1999/62/EG ║(4) moet de Commissie een model indienen voor de beoordeling van alle externe kosten ten gevolge van het gebruik van de vervoersinfrastructuur, dat als grondslag kan dienen voor toekomstige berekeningen van de hoogte van infrastructuurheffingen. Dit model moet vergezeld gaan van een analyse van de gevolgen van de doorberekening van externe kosten voor alle soorten vervoer en een strategie voor de stapsgewijze toepassing van dit model voor alle soorten van vervoer, en zo nodig van voorstellen voor verdere herziening van deze richtlijn.

(5)  Om vooruit te komen op de weg van een duurzamer vervoersbeleid, moeten de vervoerstarieven beter de externe kosten weergeven van het gebruik van motorvoertuigen, treinen, vliegtuigen en schepen ▌. Dit vergt een coherente en ambitieuze aanpak voor alle vervoerstakken, rekening houdend met hun specifieke kenmerken.

(6)  Andere vervoerswijzen hebben reeds een begin gemaakt met de internalisering van externe kosten en de relevante communautaire wettelijke maatregelen zijn op zo'n internalisering gericht of verhinderen deze tenminste niet. CO2-emissies moeten worden aangepakt door de luchtvaart in het emissiehandelssysteem (ETS) op te nemen. De stroomvoorziening voor treinen valt ook onder het ETS en binnenkort zal ook de scheepvaart in het ETS worden opgenomen. Andere externe kosten kunnen worden doorberekend via luchthavenbelastingen, die voor milieudoeleinden kunnen worden gespecificeerd en via infrastructuurheffingen voor het gebruik van treinen, overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur(5). Bovendien moet de Commissie in de nabije toekomst een voorstel voor een herziening van het eerste spoorwegpakket indienen, om geharmoniseerde lawaaigerelateerde regelingen voor spoortoegangsrechten in te voeren.

(7)  Overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2001/14/EG waarin de heffingsbeginselen voor het gebruik van spoorweginfrastructuur worden vastgesteld, is internalisering van de externe kosten nu al mogelijk. Om echter de heffingen voor het gebruik van het spoor uitgebreider te kunnen toepassen en de externe kosten in de spoorwegsector volledig te kunnen doorberekenen, moet als voorwaarde vooraf worden gesteld dat ook de wegvervoerssector de externe kosten gaat doorberekenen.

(8)  In de wegvervoersector zijn reeds verschillende belastingen en heffingen van toepassing, met inbegrip van bepaalde belastingen en heffingen om gedeeltelijk de externe kosten, zoals CO2, te compenseren, zoals bijvoorbeeld het geval is met accijnsheffingen op brandstof.

(9)  In de wegvervoersector zijn tolgelden, zoals op basis van de afgelegde afstand berekende heffingen voor het gebruik van de infrastructuur, een billijk en doeltreffend economisch instrument om deze doelstelling te bereiken, aangezien zij in direct verband staan met het gebruik van de infrastructuur en er variatie in kan worden aangebracht naar gelang van de afgelegde afstand, de milieuprestaties van de voertuigen en de tijd en plaats van gebruik van die voertuigen, en zij bijgevolg kunnen worden vastgesteld op een niveau dat de daadwerkelijk door de voertuigen veroorzaakte verontreinigings- en congestiekosten weerspiegelt. Bovendien doet de heffing van tolgelden geen concurrentievervalsing binnen de interne markt ontstaan aangezien de desbetreffende gelden door alle vervoerders moeten worden betaald, ongeacht hun lidstaat van oorsprong of vestiging en dit in verhouding tot de intensiteit waarmee zij het wegennet gebruiken.

(10)  Uit de effectbeoordeling blijkt dat tolheffingen, berekend op basis van de kosten van verontreiniging en, op verzadigde wegen, van de wegcongestie, kunnen bijdragen of leiden tot efficiënter en milieuvriendelijker wegvervoer en kunnen bijdragen tot de EU-strategie ter bestrijding van klimaatverandering. Dergelijke heffingen zouden de congestie en de plaatselijke verontreiniging verminderen door het gebruik van schonere voertuigtechnologieën te bevorderen, het logistiek beleid van ondernemingen te optimaliseren en retourritten met lege vrachtwagens te ontmoedigen. Op indirecte wijze kunnen zij ook een belangrijke rol spelen bij de vermindering van het brandstofverbruik en de strijd tegen klimaatverandering. De tolheffingen waarin, voor verzadigde wegen, een congestiekostenelement is geïntegreerd, kunnen alleen doeltreffend zijn als zij deel uitmaken van een actieplan met maatregelen voor andere, buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallende voertuigen, zoals soortgelijke heffingsstelsels of maatregelen met een vergelijkbaar effect, zoals verkeersbeperkingen en een hoge bezettingsgraad van rijstroken. Er is echter tot nu toe nog onvoldoende aangetoond dat dergelijke tolheffingen aanzienlijke veranderingen teweeg hebben gebracht in de modal split.

(11)  ▌Het beginsel dat de vervuiler betaalt, zal worden uitgevoerd door het in rekening brengen van de externe kosten en dit zal ook bijdragen tot de vermindering van de externe kosten.

(12)  Het door de Commissie uitgewerkte model voor de berekening van de externe kosten ▌levert betrouwbare methoden op, alsook een reeks eenheidswaarden die nu al kunnen worden gebruikt als basis voor de berekening van de rechten voor het gebruik van wegen.

(13)  Om te waarborgen dat Europese wegvervoerders duidelijke prijssignalen ontvangen die hen stimuleren hun beleid te optimaliseren, moeten er op middellange termijn inspanningen worden geleverd om te zorgen voor convergentie van de methoden die alle Europese heffingssystemen gebruiken om externe kosten te berekenen.

(14)  Er bestaat nog onzekerheid over de kosten en baten van de systemen om gedifferentieerde gebruiksrechten te kunnen heffen op de wegen met weinig verkeer. Totdat die onzekerheid is opgelost, blijkt een flexibele aanpak op communautair niveau het meest geschikt. Een dergelijke flexibele aanpak laat het aan de lidstaten over om te beslissen of zij al dan niet, en op welke wegen, heffingen met betrekking tot de externe kosten invoeren op basis van de plaatselijke en nationale kenmerken van hun wegennet.

(15)  Ter voorkoming van een versnippering van de heffingssystemen, met negatieve effecten op de vervoerssector, mogen op het grondgebied van een lidstaat niet tegelijk op de tijd gebaseerde gebruiksrechten én tolgelden worden geheven, met uitzondering van bepaalde gevallen waarin dit noodzakelijk is om de aanleg van tunnels, bruggen of bergpassen te bekostigen.

(16)  De op de tijd gebaseerde gebruiksrechten, geheven op dag-, week-, maand- of jaarbasis, mogen geen discriminatie inhouden van de incidentele gebruikers, daar een groot deel van deze gebruikers waarschijnlijk buitenlandse vervoerders zullen zijn. Er moet bijgevolg een goede verhouding tussen dag-, week-, maand- en jaartarieven worden vastgesteld. Uit efficiency- en billijkheidsoverwegingen moeten op de tijd gebaseerde gebruikersrechten als een overgangsinstrument voor de tarifering van het gebruik van de infrastructuur worden beschouwd. Daarom moet worden overwogen het op de tijd gebaseerde heffingssysteem geleidelijk af te schaffen. Lidstaten die aan derde landen grenzen, moeten de mogelijkheid krijgen af te wijken van deze bepaling en de op tijd gebaseerde gebruiksrechten op zware vrachtwagens die aanschuiven aan de grensovergangen te blijven toepassen.

(17)  Onsamenhangende heffingsregelingen tussen het trans-Europese weggennet en andere onderdelen van het eventueel door het internationale vervoer gebruikte wegennet, moeten worden vermeden. Daarom moeten dezelfde heffingsbeginselen worden toegepast op het gehele interlokale net.

(18)  Ten aanzien van op de afgelegde afstand gebaseerde tolheffingen moet worden toegestaan dat een extern kostenelement wordt geïntegreerd dat gebaseerd is op de kosten van door het verkeer veroorzaakte lucht- en geluidsverontreiniging. Bovendien moet worden toegestaan, dat de congestiekosten op verzadigde wegen en gedurende piekperiodes, die doorgaans op plaatselijk niveau worden gedragen, ook worden terugverdiend door het aanrekenen van de externe kosten. Het in de tolgelden geïntegreerde externekostenelement moet bij de infrastructuurkosten kunnen worden bijgeteld, mits bij de berekening van die kosten aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan zodat een overmatige kostentoerekening wordt voorkomen.

(19)  Om de kosten van door het verkeer veroorzaakte lucht- en geluidsverontreiniging en congestie beter weer te geven, moet de toerekening met betrekking tot de externe kosten variëren naar gelang van het weg- en voertuigtype en de tijdsperiode waarin de weg wordt gebruikt, bijvoorbeeld de dag-, week- of seizoenspiek, dan wel de dal- of nachtperiodes.

(20)  De vlotte werking van de interne markt vereist een communautaire regeling die ervoor zorgt, dat de heffingen op basis van de plaatselijke kosten van de door het verkeer veroorzaakte lucht en geluidsverontreiniging en congestie op een doorzichtige, evenredige en niet-discriminerende wijze worden vastgesteld. Dit vergt gemeenschappelijke, op erkende wetenschappelijke methoden gebaseerde heffingsbeginselen, berekeningsmethoden en eenheidswaarden voor de externe kosten, samen met mechanismen voor de kennisgeving van en rapportering over tolheffingsregelingen aan de Commissie.

(21)  De instantie die het externekostenelement vaststelt, mag er geen gevestigd belang bij hebben om een buitensporig hoog heffingsniveau vast te stellen en moet dus onafhankelijk zijn van het lichaam dat de tolgelden int en beheert. De ervaring heeft uitgewezen dat invoering van een verhoging van de tolgelden in bergachtige gebieden met het oog op de financiering van prioritaire projecten van het trans-Europese weggennet ▌geen uitvoerbare optie is indien de definitie van een corridor niet overeenstemt met de werkelijkheid van de verkeersstroom. Om een dergelijke situatie te verhelpen, moet de corridor waar een verhoging kan worden toegestaan met name wegtrajecten omvatten waar de invoering van een verhoging zou leiden tot verandering van de verkeersstroom naar het betrokken prioritaire project.

(22)  Om voorrang te geven aan de aanleg van prioritaire projecten van Europees belang, moeten de lidstaten die over de mogelijkheid beschikken een verhoging in te voeren, deze optie gebruiken alvorens een externekostenheffing in te voeren. Om overmatige kostentoerekening aan de gebruikers te voorkomen, mag een externekostenheffing niet met een verhoging worden gecombineerd, tenzij de externe kosten hoger liggen dan de inkomsten uit de reeds ingevoerde verhoging. In een dergelijk geval is het dus passend het bedrag van de verhoging af te trekken van dat van de externekostenheffing.

(23)  Wanneer reeds gedifferentieerde externekostenheffingen zijn ingevoerd, houdt een variatie van de infrastructuurheffing met het doel de congestie te verminderen, het gebruik van de infrastructuur te optimaliseren, de schade aan de infrastructuur te minimaliseren of de verkeersveiligheid te bevorderen een overmatige kostentoerekening in voor bepaalde categorieën gebruikers, wat inhoudt dat een dergelijke variatie in dit geval moet worden uitgesloten.

(24)  Kortingen op of verlagingen van de externekostenheffingen mogen niet worden toegestaan, aangezien het risico groot is dat bepaalde categorieën gebruikers daardoor op onrechtmatige wijze worden gediscrimineerd.

(25)  De toerekening van de externe kosten door middel van tolheffingen zullen doeltreffender zijn, doordat zij de vervoersbeslissingen op een doeltreffender wijze beïnvloeden wanneer de gebruikers zich van deze kosten bewust zijn. Op het door de tolexploitant uitgereikte betalingsbewijs of gelijkwaardige document moeten de externe kosten dus afzonderlijk en op begrijpelijke wijze worden vermeld. Een dergelijk document maakt het voor de vervoerders bovendien gemakkelijker om deze externekostenheffing door te berekenen aan de expediteur of andere klanten.

(26)  Het gebruik van elektronische tolsystemen is van wezenlijk belang om de belemmering van een vrije doorstroming van het verkeer en negatieve effecten op het plaatselijke milieu ten gevolge van wachtrijen aan tolbarrières te voorkomen. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat de infrastructuurheffingen en externekostenheffingen worden geïnd door middel van dergelijke systemen, overeenkomstig de eisen van Richtlijn 2004/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer in de Gemeenschap(6) die voorziet in passende en evenredige maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de invoering van elektronische tolheffingssystemen wordt gezorgd voor technische, juridische, commerciële, gegevensbeschermings- en privacybelangen. Voorts moeten dergelijke systemen zo zijn ontworpen, dat er geen wegbarrières zijn en dat zij in een later stadium tegen geringe kosten kunnen worden uitgebreid tot parallelle wegen. Er moet echter worden voorzien in een overgangsperiode waarin de nodige aanpassingen kunnen worden ingevoerd.

(27)  Het is belangrijk dat de doelstellingen van deze richtlijn gerealiseerd worden op een manier die geen afbreuk doet aan de goede werking van de interne markt. Bovendien moet vermeden worden dat vrachtwagenchauffeurs in de toekomst opgescheept worden met steeds meer incompatibele en dure elektronische kastjes in de bestuurderscabine en het risico lopen vergissingen te begaan bij het gebruik ervan. Een wildgroei van technologieën is onaanvaardbaar. De interoperabiliteit van de tolheffingsssystemen op communautair niveau, zoals voorzien in Richtlijn 2004/52/EG, moet dus zo snel mogelijk gerealiseerd worden. Er moet gestreefd worden naar één uitrusting in de auto, die de mogelijkheid biedt om verschillende tarieven toe te passen, naargelang van de heffingen die van toepassing zijn in de verschillende lidstaten.

(28)  De Commissie moet alle nodige maatregelen nemen om te zorgen voor een snelle invoering van een werkelijk interoperabel systeem, overeenkomstig Richtlijn 2004/52/EG, voor eind 2010.

(29)  Om redenen van rechtszekerheid moet worden bepaald in welke gevallen bestuursrechtelijke heffingen mogen worden opgelegd die specifiek zijn bedoeld om de verkeerscongestie of negatieve milieueffecten, waaronder de slechte luchtkwaliteit, te verminderen.

(30)  De lidstaten moeten het budget voor het trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-T) en de structuurfondsen kunnen gebruiken voor de verbetering van hun vervoersinfrastructuur met het doel de externe kosten van het vervoer in het algemeen te verlagen en elektronische systemen in te voeren voor het innen van de heffingen die voortvloeien uit de bepalingen van deze richtlijn.

(31)  Overeenkomstig de transportbeleidsdoelstellingen van deze richtlijn moeten de door externekostenheffingen voortgebrachte extra inkomsten bij voorrang worden gebruikt om de door het wegverkeer veroorzaakte externe kosten waar mogelijk terug te dringen en weg te werken. Ze kunnen ook worden gebruikt om de duurzame mobiliteit te bevorderen. Dergelijke projecten moeten een efficiënte prijsstelling vergemakkelijken, door het wegvervoer veroorzaakte verontreiniging aan de bron verminderen, de effecten ervan afzwakken, de CO2-uitstoot- en energieprestaties van wegvoertuigen verbeteren en de bestaande infrastructuur voor het wegvervoer verbeteren of alternatieve infrastructuur voor vervoerders ontwikkelen. Dit omvat onder meer onderzoek en ontwikkeling met het oog op schonere voertuigen en de uitvoering van de vervoersaspecten van de actieplannen overeenkomstig Richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit(7) en Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai(8), wat maatregelen kan omvatten om door het verkeer veroorzaakte lawaaihinder en luchtverontreiniging rond grote infrastructuurvoorzieningen en in agglomeraties te beperken. De duidelijk bestemming van deze inkomsten ontslaat de lidstaten niet van hun verplichting overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het Verdrag de Commissie van bepaalde nationale maatregelen in kennis te stellen, noch doet dit afbreuk aan het resultaat van overeenkomstig de artikelen 87 en 88 van het Verdrag ingeleide procedures.

(32)  Teneinde de interoperabiliteit van tolheffingsregelingen te waarborgen, moet ▌, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, de samenwerking tussen lidstaten bij de invoering van een gemeenschappelijk tolsysteem aangemoedigd worden. De Commissie ondersteunt lidstaten die willen samenwerken om tot een gemeenschappelijk tolsysteem op hun gezamenlijk grondgebied te komen.

(33)  De Commissie dient het Europees Parlement en de Raad tijdig een grondige beoordeling toe te zenden van de ervaring die is opgedaan door de lidstaten welke een externekostenheffing overeenkomstig deze richtlijn toepassen. Deze beoordeling moet ook een analyse omvatten van de voortgang op het gebied van de strategie ter bestrijding van de klimaatverandering, waaronder voortgang op het gebied van de vaststelling van een gemeenschappelijk brandstofbelastingselement met betrekking tot klimaatverandering overeenkomstig Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit(9), ook voor door zware wegvoertuigen gebruikte brandstof. Er moet eveneens een grondige beoordeling worden gemaakt van de internalisering van de externe kosten voor alle andere vervoerswijzen, die als basis moet dienen voor verdere wetgevingsvoorstellen inzake de internalisering van externe kosten voor andere vervoerswijzen. Daarmee moet de invoering worden gewaarborgd van een eerlijk en concurrerend systeem voor de internalisering van externe kosten, waarmee eventuele verstoringen van de interne markt voor alle vervoerswijzen worden voorkomen.

(34)  Overeenkomstig artikel 55, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds ║(10) moeten de inkomsten uit direct bij de gebruikers geïnde heffingen in rekening worden gebracht bij de bepaling van het financieringstekort bij een inkomstengenererend project. Aangezien de inkomsten uit een externekostenheffing echter bestemd zijn voor projecten die gericht zijn op de vermindering van de verontreiniging aan de bron, afzwakking van de effecten daarvan, verbetering van de CO2- en energieprestaties van voertuigen en verbetering van de bestaande weginfrastructuur of de ontwikkeling van alternatieve infrastructuur voor vervoerders, worden zij niet meegerekend bij de berekening van het financieringstekort.

(35)  De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(11).

(36)  In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven, de bijlagen 0, III, III bis en IV aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang en de bijlagen I, II en III bis aan de inflatie. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van ║ Richtlijn 1999/62/EG, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

(37)  Daar de doelstellingen van deze maatregel, namelijk de bevordering van de invoering van op externe kosten gebaseerde gedifferentieerde heffingen als een middel voor de totstandbrenging van een duurzaam vervoer, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens het belang van de grensoverschrijdende dimensie van het vervoer, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om de deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 1999/62/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.  In artikel 2 worden de punten b) en b bis) vervangen door de volgende tekst:"

b bis) "infrastructuurheffing': een door middel van een tol geïnde heffing met het oog op het terugverdienen van de infrastructuurkosten die zijn gemaakt door een lidstaat of, als het infrastructuurproject gezamenlijk is uitgevoerd, door meer dan een lidstaat;

b ter) "externekostenheffing': een door middel van een tol geïnde heffing met het oog op het terugverdienen van de in een lidstaat veroorzaakte kosten in verband met de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging en door het verkeer veroorzaakte lawaaihinder ▌;

b quater) "kosten van door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging': de kosten van de schade die wordt veroorzaakt door de uitstoot tijdens het gebruik van een voertuig van bepaalde schadelijke luchtverontreinigende stoffen;

b quinquies) "kosten van door het verkeer veroorzaakte lawaaihinder': de kosten van de schade die wordt veroorzaakt door het lawaai voortgebracht door een voertuig of door de interactie van een voertuig met het wegdek;

b sexies) "gewogen gemiddelde infrastructuurheffing': de totale opbrengsten van een infrastructuurheffing over een bepaalde periode, gedeeld door het aantal voertuigkilometers die tijdens die periode zijn afgelegd op de aan de heffing onderworpen wegennetgedeelten;

b septies) "gewogen gemiddelde externekostenheffing': de totale opbrengsten van een externekostenheffing over een bepaalde periode, gedeeld door het aantal voertuigkilometers die tijdens die periode zijn afgelegd op de aan de heffing onderworpen wegennetgedeelten;

   b) "tolgeld': een bedrag dat moet worden betaald voor een bepaalde afstand afgelegd met een voertuig op een infrastructuurvoorziening en dat een infrastructuurheffing en/of een externekostenheffing bevat;
"

2.  De artikelen 7, 7 bis en 7 ter worden vervangen door de volgende tekst:"

Artikel 7

1.  De lidstaten mogen tolgelden en/of gebruiksrechten op het trans-Europese wegennet of op elk gedeelte van hun wegennet waarop gewoonlijk een aanzienlijk volume aan internationaal goederenvervoer plaatsvindt, handhaven of invoeren, mits aan de in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel en de in de artikelen 7 bis tot en met 7 undecies gestelde voorwaarden is voldaan.

2.  De lidstaten mogen op hun grondgebied ▌niet zowel tolgelden opleggen als gebruiksrechten. Een lidstaat die voor het gebruik van zijn net een gebruiksrecht oplegt, mag ook tolgelden heffen voor het gebruik van bruggen, tunnels en bergpassen.

3.  De tolgelden en gebruiksrechten worden geheven zonder directe of indirecte discriminatie op grond van de nationaliteit van de vervoersonderneming, de lidstaat of het derde land waar de vervoersonderneming gevestigd is of waar het voertuig geregistreerd is, of op grond van de herkomst of bestemming van de vervoersverrichting.

4.  De lidstaten kunnen voorzien in verlaagde toltarieven of gebruiksrechten, dan wel vrijstellingen van de verplichting tolgeld of gebruiksrechten te betalen, voor voertuigen die zijn vrijgesteld van de eis tot het installeren en gebruiken van het controleapparaat overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer*, en in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, lid 2, onder a) en b), van de onderhavige richtlijn.

5.  Tot en met 31 december 2011 kan een lidstaat besluiten, tolheffingen en/of gebruiksrechten uitsluitend toe te passen op voertuigen met een maximaal toegestaan totaalgewicht van minimaal 12 ton. Vanaf 1 januari 2012 worden tolheffingen en/of gebruiksrechten toegepast op alle voertuigen in de zin van artikel 2, onder d), tenzij een lidstaat van oordeel is dat een uitbreiding van de tolheffing en/of gebruiksrechten tot voertuigen van minder dan 12 ton:(12)

Artikel 7 bis

1.  De gebruiksrechten zijn evenredig met de duur van de infrastructuurvoorzieningen en moeten beschikbaar zijn voor de duur van een dag, week, maand en jaar. Met name bedragen het maandtarief, het weektarief en het dagtarief niet meer dan respectievelijk 10%, 5% en 2% van het jaartarief.

2.  De betrokken lidstaten stellen voor alle voertuigcategorieën de gebruiksrechten, met inbegrip van de administratieve kosten, vast op een tarief dat de in bijlage II vastgestelde maximumtarieven niet overschrijdt.

Artikel 7 ter

1.  De infrastructuurheffingen worden gebaseerd op het beginsel van het terugverdienen van de infrastructuurkosten. De gewogen gemiddelde infrastructuurheffingen zijn gerelateerd aan de kosten van de aanleg, de exploitatie, het onderhoud, de uitbreiding van en het waarborgen van veiligheidsnormen op het betrokken infrastructuurnet. De gewogen gemiddelde infrastructuurheffing mag eveneens een rendement op het kapitaal of een winstmarge op grond van de marktvoorwaarden omvatten.

2.  De externekostenheffingen zijn gerelateerd aan de kosten van de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging, de kosten van de door het verkeer veroorzaakte lawaaihinder, of beide. Op de gedeelten van het wegennet waarop congestie heerst, mag de externekostenheffing ook de congestiekosten omvatten gedurende de periode dat deze gedeelten van het wegennet doorgaans verzadigd zijn.

3.  De in rekening te brengen kosten hebben betrekking op het net of het gedeelte van het net waarop een tolheffing wordt toegepast en de voertuigen die aan deze tolheffing zijn onderworpen. De lidstaten kunnen ervoor kiezen slechts een percentage van deze kosten terug te verdienen.

Artikel 7 quater

1.  De externekostenheffing varieert naar gelang van het type weg en de euro-emissieklasse (bijlage III bis, tabel I), alsook naar gelang van de tijdsperiode in gevallen waarin in de heffing ook de congestiekosten en/of de kosten van de door het verkeer veroorzaakte lawaaihinder zijn opgenomen.

2.  Het tarief van de externekostenheffing voor elke combinatie van voertuigklasse, soort weg en tijdsperiode wordt vastgesteld overeenkomstig de in bijlage III bis vastgestelde minimumeisen, gemeenschappelijke formules en maximale in rekening te brengen externe kosten.

3.  Aan de in de leden 1 en 2 bedoelde heffingen zijn niet onderworpen de voertuigen die eerder dan de daarvoor in de betrokken regelgeving vastgestelde data, aan de toekomstige EURO-emissienormen voldoen.

4.  Het tarief van de externekostenheffing wordt vastgesteld door elke lidstaat. Wanneer de lidstaat hiervoor een instantie aanwijst, dan is die instantie juridisch en financieel onafhankelijk van het orgaan dat belast is met het beheer en de inning van het geheel of een deel van de heffingen. ▌

Artikel 7 quinquies

1.  De lidstaten berekenen de infrastructuurheffing met gebruikmaking van een methode, gebaseerd op de kernbeginselen voor kostenberekening zoals vastgesteld in bijlage III.

2.  Bij concessietolgelden zijn de maximale tarieven van de infrastructuurheffing ten hoogste gelijk aan het tarief dat het resultaat zou zijn van een berekening aan de hand van methoden die zijn gebaseerd op de in bijlage III opgenomen kernbeginselen voor kostenberekening. Deze gelijkwaardigheid wordt beoordeeld op de grondslag van een referentieperiode die redelijk lang is en aan de aard van een concessieovereenkomst is aangepast.

3.  De in lid 1 en 2 vastgestelde verplichtingen gelden niet voor tolregelingen die reeds zijn ingesteld op 10 juni 2008 of waarvoor, in het kader van een procedure voor overheidsopdrachten, inschrijvingen of antwoorden op uitnodigingen om te onderhandelen in het kader van een procedure van gunning door onderhandelingen zijn ontvangen vóór 10 juni 2008, zolang deze regelingen van kracht blijven en mits zij niet ingrijpend worden gewijzigd.

Artikel 7 sexies

1.  In uitzonderlijke gevallen betreffende infrastructuurvoorzieningen in bergachtige gebieden en stedelijke agglomeraties kan, nadat de Commissie is ingelicht, een tolverhoging worden toegepast op de infrastructuurheffingen voor bijzondere trajecten waar acute congestie voorkomt of waarvan het gebruik door voertuigen aanzienlijke milieuschade veroorzaakt, op voorwaarde dat:

   a) de opbrengsten uit de verhoging worden geïnvesteerd in ▌projecten ▌die gericht zijn op de bevordering van duurzame mobiliteit en rechtstreeks bijdragen tot de vermindering van de betrokken congestie of milieuschade, en die tot stand komen in dezelfde corridor als die van het traject waar de tariefverhoging wordt toegepast;
   b) de verhoging ten hoogste 15% bedraagt van de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing, berekend overeenkomstig artikel 7 ter, lid 1, en artikel 7 quinquies, behalve waar de gegenereerde inkomsten worden geïnvesteerd in grensoverschrijdende gedeelten van op bevordering van duurzame mobiliteit gerichte projecten ▌met betrekking tot infrastructuurvoorzieningen in bergachtige gebieden, in welk geval de verhoging niet meer dan 25% mag bedragen;
   c) de toepassing van de verhoging niet leidt tot een oneerlijke behandeling van bedrijfsvoertuigen in vergelijking met andere weggebruikers;
   d) een beschrijving van de precieze locatie waar de verhoging wordt toegepast en het bewijs van een besluit om de onder a) bedoelde projecten te financieren, bij de Commissie wordt ingediend vóór de toepassing van de verhoging;
   e) de periode waarin de verhoging van toepassing zal zijn, vooraf is bepaald en begrensd en, wat de verwachte inkomsten betreft, in overeenstemming is met de ingediende financiële plannen en kosten/batenanalyse voor de projecten die gecofinancierd worden met de inkomsten uit de verhoging.

De eerste alinea is van toepassing op nieuwe grensoverschrijdende projecten, mits alle bij dergelijke projecten betrokken lidstaten daarmee instemmen.

2.  Nadat de Commissie is ingelicht, kan een verhoging ook worden toegepast op gedeelten van het wegennet die een alternatieve route zijn voor het traject waarop de in lid 1 bedoelde verhoging wordt toegepast, wanneer:

   de toepassing van de verhoging op een weg resulteert in het feit dat een aanzienlijk deel van de verkeersstroom wordt afgeleid naar deze alternatieve route; en
   aan de in lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met e), vastgestelde voorwaarden is voldaan.

3.  Een verhoging kan worden toegepast op de infrastructuurheffingen waarbij overeenkomstig artikel 7 septies een variatie is aangebracht.

4.  Wanneer de Commissie de vereiste inlichtingen ontvangt van een lidstaat die voornemens is een verhoging toe te passen, stelt zij deze inlichtingen aan de leden van het in artikel 9 quater bedoelde comité ter beschikking. Wanneer de Commissie van oordeel is, dat de beoogde verhoging niet in overeenstemming is met de in lid 1 vastgestelde voorwaarden, of dat de beoogde verhoging aanzienlijke nadelige gevolgen zal hebben voor de economische ontwikkeling van perifere regio's, kan zij het door de betrokken lidstaat voorgelegde plan voor heffingen afwijzen of om wijziging ervan verzoeken, overeenkomstig de in artikel 9 quater, lid 2, bedoelde raadgevingsprocedure.

5.  De lidstaten mogen op de gedeelten van het wegennet waar is voldaan aan de criteria voor de toepassing van een verhoging overeenkomstig lid 1, geen externekostenheffing opleggen, tenzij een verhoging wordt toegepast.

Artikel 7 septies

1.  In de toltarieven die uitsluitend een infrastructuurheffing omvatten, wordt een variatie aangebracht naar gelang de euro-emissienorm (bijlage III bis, tabel 1), met dien verstande dat geen enkel toltarief meer dan 100% hoger mag zijn dan het toltarief aangerekend voor gelijkwaardige voertuigen die aan de strengste emissienormen voldoen.

2.  Wanneer een bestuurder bij een controle geen voertuigdocumenten kan tonen waarmee de euro-emissieklasse kan worden aangetoond, mogen de lidstaten het hoogste toltarief opleggen, mits wordt voorzien in de mogelijkheid van latere correctie zodat het teveel geïnde bedrag wordt terugbetaald.

3.  In tolgelden die uitsluitend een infrastructuurheffing omvatten, mag ook een variatie worden aangebracht met doel de congestie te verminderen, de schade aan de infrastructuur te minimaliseren en het gebruik van de desbetreffende infrastructuur te optimaliseren of de verkeersveiligheid te bevorderen, mits:

   a) de variatie doorzichtig is, openbaar is gemaakt en onder gelijke voorwaarden voor alle gebruikers beschikbaar is;
   b) de variatie wordt toegepast overeenkomstig het tijdstip van de dag, het soort dag of het seizoen;
   c) geen enkel toltarief meer dan 500% hoger is dan het toltarief dat wordt aangerekend tijdens de goedkoopste periode van de dag, het goedkoopste soort dag of het goedkoopste seizoen.

4.  De in de leden 1 en 3 bedoelde variaties mogen niet bedoeld zijn om extra opbrengsten uit tolgeld voort te brengen. Iedere onverwachte toename van de opbrengsten moet worden gecompenseerd door middel van wijzigingen van de structuur van de variatie die moeten worden toegepast binnen twee jaar na afloop van het boekjaar waarin de extra opbrengsten zijn voortgebracht.

5.  Wanneer tolgeld een externekostenheffing omvat, worden de leden 1 en 3 niet toegepast op het deel van de tol dat uit een infrastructuurheffing bestaat.

Artikel 7 octies

1.  Ten minste zes maanden voor de toepassing van een nieuwe tolregeling met gebruikmaking van een infrastructuurheffing, zenden de lidstaten de Commissie het volgende toe:

  a) voor andere tolregelingen dan regelingen met betrekking tot concessietolgelden:
   de eenheidswaarden en andere noodzakelijke parameters die zij toepassen om de verschillende infrastructuurkostenelementen te berekenen, en
   duidelijke informatie over de voertuigen waarvoor hun tolregeling geldt, en de geografische omvang van het net of netgedeelte die voor elke kostenberekening in aanmerking is genomen, alsmede over het percentage van de kosten dat zij willen terugverdienen;
  b) voor tolregelingen met betrekking tot concessietolgelden:
   de concessieovereenkomsten of ingrijpende wijzigingen van die overeenkomsten,
   het referentiemodel waarop de concessieverlener de aankondiging betreffende de concessieovereenkomst als bedoeld in bijlage VII B van Richtlijn 2004/18/EG heeft gebaseerd; dit referentiemodel bevat de in het kader van de concessie geraamde kosten als bepaald in artikel 7 ter, lid 1, het geraamde verkeersvolume per type voertuig, de geplande toltarieven en de geografische omvang van het netwerk dat door de concessieovereenkomst wordt bestreken.

2.  Binnen zes maanden na ontvangst van de overeenkomstig lid 1 verstrekte informatie brengt de Commissie een advies uit waarin zij oordeelt of aan de verplichtingen van artikel 7 quinquies is voldaan. De adviezen van de Commissie worden ter kennis gebracht van het in artikel 9 quater bedoelde comité en van het Europees Parlement.

3.  Ten minste zes maanden vóór de toepassing van een nieuwe tolregeling met gebruikmaking van een externekostenheffing, zenden de lidstaten de Commissie het volgende toe:

   a) nauwkeurige informatie die aangeeft op welke weggedeelten de externekostenheffing zal worden toegepast en een beschrijving van de voertuigklassen, soorten wegen en de exacte tijdsperiodes op basis waarvan de externekostenheffing zal worden gevarieerd;
   b) de geplande gewogen gemiddelde externekostenheffing en de beoogde totale inkomsten;
   c) de naam van de instantie die is aangewezen overeenkomstig artikel 7 quater, lid 3, om de hoogte van de heffing vast te stellen, en van haar vertegenwoordiger; en
   d) de parameters, data en informatie die noodzakelijk zijn om aan te tonen hoe de berekeningsmethode van bijlage III bis zal worden toegepast;
   e) de beoogde bestemming van de externekostenheffing;
   f) een specifiek plan waarin wordt aangegeven hoe extra opbrengsten van de externekostenheffing moeten worden aangewend om de aangebrachte schade te verminderen.

4.  Binnen zes maanden na de ontvangst van de overeenkomstig lid 3 verstrekte informatie kan de Commissie de betrokken lidstaat verzoeken de voorgestelde externekostenheffing aan te passen wanneer zij van oordeel is dat niet is voldaan aan de verplichtingen van de artikelen 7 ter, 7 quater en 7 decies of artikel 9, lid 2. De adviezen van de Commissie worden ter kennis gebracht van het in artikel 9 quater bedoelde comité en van het Europees Parlement.

Artikel 7 novies

1.  De lidstaten voorzien voor geen enkele gebruiker in kortingen op of verlagingen van het externekostenheffingselement van een tol.

2.  De lidstaten mogen voorzien in kortingen op of verlagingen van de infrastructuurheffing op voorwaarde dat:

   a) de resulterende tariefstructuur evenredig, openbaar gemaakt en onder dezelfde voorwaarden voor alle gebruikers beschikbaar is en er niet toe leidt dat bijkomende kosten in de vorm van hogere toltarieven worden doorberekend aan andere gebruikers;
   b) deze kortingen of verlagingen resulteren in een feitelijke verlaging van de administratieve kosten en niet meer bedragen dan 13% van de infrastructuurheffing die wordt betaald door gelijkwaardige voertuigen die niet in aanmerking komen voor de korting of verlaging.

3.  De toltarieven mogen, mits wordt voldaan aan de in artikel 7 septies, lid 3, onder b), en artikel 7 septies, lid 4, genoemde voorwaarden, in uitzonderlijke gevallen, namelijk bijzondere projecten van groot Europees belang op het gebied van vrachtvervoer, aan andere vormen van variatie zijn onderworpen, teneinde de commerciële levensvatbaarheid van die projecten veilig te stellen, wanneer zij worden geconfronteerd met rechtstreekse concurrentie van andere wijzen van voertuigenvervoer. De daaruit voortvloeiende tariefstructuur moet lineair en evenredig zijn, moet openbaar worden gemaakt, moet voor alle gebruikers onder dezelfde voorwaarden beschikbaar zijn, en mag niet leiden tot bijkomende kosten die in de vorm van hogere toltarieven worden doorberekend aan andere gebruikers. Voorafgaand aan de toepassing van de desbetreffende tariefstructuur moet de Commissie nagaan of aan deze voorwaarden is voldaan.

Artikel 7 decies

1.  De tolgelden en de gebruiksrechten worden toegepast en geïnd en op hun betaling wordt toezicht gehouden op een zodanige wijze, dat de vrije verkeersstromen zo weinig mogelijk worden belemmerd en verplichte controles aan de interne grenzen van de Gemeenschap worden vermeden. Hiertoe werken de lidstaten samen voor de vaststelling van methoden die de vervoersondernemingen in staat stellen de gebruiksrechten 24 uur per dag te betalen, althans aan de belangrijkste verkoopspunten, met gebruikmaking van alle gebruikelijke betalingsmiddelen, zowel binnen als buiten de lidstaten waarin zij zijn opgelegd. De lidstaten verstrekken adequate faciliteiten aan de betalingspunten voor tolgelden en gebruiksrechten teneinde de normale normen voor de veiligheid op de weg te handhaven.

2.  De regelingen voor de inning van de tolgeldeden en de gebruiksrechten mogen niet-geregelde gebruikers van het wegennet, vergeleken met de gebruikers van een andere betaalwijze, niet op ongerechtvaardigde wijze financieel of anderszins benadelen. Met name wanneer een lidstaat de tolgelden of gebruiksrechten uitsluitend int door middel van een systeem dat het gebruik van apparatuur aan boord van voertuigen vergt, zorgt hij er voor dat geschikte apparaten, die voldoen aan de eisen van Richtlijn 2004/52/EG van het Europees Parlement en de Raad**, door alle gebruikers kunnen worden verkregen onder redelijke administratieve en financiële voorwaarden.

3.  Wanneer een lidstaat voertuigen een tolheffing oplegt, worden het totale bedrag van de tolheffing, het bedrag van de infrastructuurheffing en het bedrag van de externekostenheffing vermeld op een aan de vervoersonderneming zo mogelijk langs elektronische weg verstrekt document.

4.  Een externekostenheffing wordt geheven en geïnd door middel van een elektronisch systeem dat voldoet aan de eisen van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2004/52/EG. De lidstaten werken ook samen om ervoor te zorgen dat ze interoperabele elektronisch systemen gebruiken, die op elkaars grondgebied gebruikt kunnen worden, mits de tarieven zo nodig kunnen worden aangepast.

5.  

Zodra de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen via het Galileo satellietsysteem technisch is uitontwikkeld, wordt de externekostenheffing geheven en geïnd door middel van een interoperabel Europees elektronisch tolheffingssysteem als bedoeld in Richtlijn 2004/52/EG.Artikel 7 undecies

Deze richtlijn laat de lidstaten die een systeem van tol en/of gebruiksrechten voor infrastructuur invoeren, vrij om, onverminderd de artikelen 87 en 88 van het Verdrag, te voorzien in de nodige compensatie voor deze heffingen, ook al zou het bedrag vervolgens onder de in bijlage I genoemde minimumtarieven komen te liggen.

_______________________

* PB L 370 van 31.12.1985, blz. 8.

** PB L 166 van 30.4.2004, blz. 124.

"

3.  In hoofdstuk III wordt het volgende artikel ║ingevoegd:"

Artikel 8 ter

1.  Twee of meer lidstaten kunnen samenwerken bij de invoering van een gemeenschappelijk systeem van tolheffingen op hun gezamenlijke grondgebied. De lidstaten zorgen ervoor, dat de Commissie nauw wordt betrokken bij deze werkzaamheden, alsmede bij de latere werking en de eventuele wijziging van dit systeem.

2.  Het gemeenschappelijke tolheffingssysteem voldoet aan de in de artikelen 7 tot en met 7 undecies vastgestelde voorwaarden en staat open voor andere lidstaten.

"

4.  In artikel 9, komen de leden 1 bis en 2 als volgt te luiden:"

1 bis.  1 bis Deze richtlijn belet niet de niet-discriminerende toepassing door de lidstaten van bestuursrechtelijke heffingen die in het bijzonder bedoeld zijn om de verkeerscongestie of de negatieve milieueffecten, met inbegrip van slechte luchtkwaliteit, te verminderen op alle wegen, met name in stadsgebieden, met inbegrip van wegen van het trans-Europese netwerk door stedelijke gebieden.

2.  Een lidstaat waarin een externekostenheffing wordt opgelegd zorgt ervoor dat de door die heffing voortgebrachte inkomsten bij voorrang worden gereserveerd om de door het wegverkeer veroorzaakte externe kosten te verminderen en waar mogelijk weg te werken. Verder kunnen de inkomsten ook gebruikt worden voor maatregelen gericht op het vergemakkelijken van een efficiënte prijsstelling, op de vermindering aan de bron van de verontreiniging door het wegvervoer, op de matiging van de effecten ervan, op de verbetering van de CO2- en energieprestaties van voertuigen voor het wegvervoer en op de ontwikkeling en verbetering van de bestaande wegeninfrastructuur of de ontwikkeling van een alternatieve infrastructuur voor gebruikers van het vervoer.

Een lidstaat waarin een infrastructuurheffing wordt opgelegd, bepaalt het gebruik dat wordt gemaakt van de door die heffing voortgebrachte inkomsten. Om de ontwikkeling van het gehele verkeerswegennet mogelijk te maken, worden de inkomsten van deze heffing hoofdzakelijk aangewend ten voordele van de wegverkeerssector en tot optimalisering van het wegvervoersysteem.

Met ingang van 2011 wordt ten minste 15% van de opbrengsten van de externekostenheffing en de infrastructuurheffing in elke lidstaat aan de financiering van TEN-T-projecten ter verbetering van de duurzaamheid van het vervoer besteed. Dit percentage wordt in de loop der tijd gaandeweg verhoogd.

"

5.  De artikelen 9 ter en 9 quater komen als volgt te luiden:"

Artikel 9 ter

De Commissie vergemakkelijkt de dialoog en de uitwisseling van technische specialistische kennis tussen de lidstaten met netrekking tot de uitvoering van deze richtlijn, en met name de bijlagen daarbij. De Commissie past de bijlagen 0, III, III bis en IV aan op de grondslag van de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen en de bijlagen I, II en III bis in het licht van de inflatie. De maatregelen die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 9 quater, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 9 quater

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad* van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, lid 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

______________

* PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

"

6.  Artikel 11 komt als volgt te luiden:"

Artikel 11

1.  Uiterlijk op 31 december 2012 en daarna elke vier jaar, dienen de lidstaten die een externekostenheffing en/of een infrastructuurheffing toepassen, een verslag bij de Commissie in over de op hun grondgebied geheven tolheffingen. Dit verslag bevat inlichtingen over:

   a) de gewogen gemiddelde externekostenheffing en de specifieke tarieven die zijn opgelegd voor elke voertuigklasse, elk soort weg en elke tijdsperiode;
   b) de totale inkomsten uit de externekostenheffing en informatie over de aanwending van die inkomsten; ▌
   c) het effect van de externekostenheffing of infrastructuurheffing op de modal shift, op de optimalisatie van het wegvervoer en op het milieu en het effect van de externekostenheffingen op de externe kosten die de lidstaat door middel van die heffing probeert terug te verdienen; en
   d) de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing en de totale inkomsten uit de infrastructuurheffingen.

2.  Uiterlijk op 31 december 2010 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de beschikbaarheid van veilige en beveiligde parkeerplaatsen langs het trans-Europese wegennet (TERN).

Dit verslag komt tot stand met de inbreng van de belanghebbende sociale partners en gaat vergezeld van voorstellen inzake:

   a) bestemming van de opbrengst van de infrastructuurheffing voor een toereikend aantal veilige en beveiligde parkeerplaatsen langs het TERN aan te leggen door de wegexploitanten of de voor het TERN verantwoordelijke overheidsinstantie;
   b) richtsnoeren voor de Europese Investeringsbank, het Cohesiefonds en Structuurfonds inzake de juiste inachtneming van de behoefte aan veilige en beveiligde parkeerplaatsen bij de formulering en cofinanciering van TERN-projecten.

3.  Uiterlijk op 31 december 2013 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de tenuitvoerlegging en de gevolgen van deze richtlijn, met name wat de doeltreffendheid van de bepalingen inzake het terugverdienen van de kosten van congestie en met het verkeer verband houdende verontreiniging betreft, en het opnemen van voertuigen van meer dan 3,5 en minder dan 12 ton. Dit verslag bevat ook een beoordeling van:

   a) de relevantie van het opnemen in de berekening van de toltarieven van andere externe kosten, met name de kosten van CO2-uitstoot wanneer de vaststelling van een gemeenschappelijk brandstofbelastingelement met betrekking tot de klimaatverandering geen bevredigend resultaat oplevert, van de kosten van ongevallen en van de kosten van biodiversiteitsverlies;
   b) de relevante van de uitbreiding van de werkingssfeer van deze richtlijn tot andere voertuigcategorieën;
   c) de mogelijkheid een herziene indeling van voertuigen in te voeren met het oog op een variatie van de tolheffingen naar gelang van het gemiddelde effect op het milieu, congestie en infrastructuur, hun CO2- en energieprestaties en de praktische en economische levensvatbaarheid van de invoering en handhaving van tolheffingen; ▌
   d) de technische en economische levensvatbaarheid van de invoering op de voornaamste interlokale wegen van op de afgelegde afstand gebaseerde minimumheffingen. In het verslag worden de voor heffingen in aanmerking te nemen gedeelten van het wegennet, de in aanmerking komende manieren om dergelijke heffingen op kosteneffectieve manier te innen en te handhaven en een gemeenschappelijke eenvoudige methode voor de vaststelling van minimumtarieven uiteengezet; en
   e) de technische en economische haalbaarheid van een geleidelijke afschaffing van tijdgerelateerde heffingssystemen en invoering van afstandgerelateerde systemen, en de noodzaak voor lidstaten die aan derde landen grenzen om de tijdgerelateerde heffingssystemen te handhaven voor zware vrachtwagens die aanschuiven op grensovergangen;
   f) de noodzaak van een voorstel voor een regeling voor de consequente en gelijktijdige internalisering van externe kosten voor alle andere vervoerswijzen.

Samen met het verslag worden een evaluatie van de vooruitgang bij internalisering van de externe kosten voor alle vervoerswijzen en een voorstel aan het Europees Parlement en de Raad voor een verdergaande herziening van deze richtlijn voorgelegd.

"

7.  Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

   a) De eerste alinea komt als volgt te luiden:"
In deze bijlage worden de kernbeginselen beschreven voor de berekening van de gewogen gemiddelde infrastructuurheffingen, in het licht van artikel 7ter, lid1. De verplichting om tolgelden te relateren aan de kosten doet geen afbreuk aan de vrijheid van de lidstaten om overeenkomstig artikel 7 ter, lid 3, ervoor te kiezen de kosten niet volledig door inkomsten uit tolgelden terug te verdienen, of om overeenkomstig artikel 7 septies, de bedragen van specifieke tolgelden te laten afwijken van het gemiddelde*.
_____________________________
* Deze bepalingen geven, samen met de geboden flexibiliteit in de wijze waarop de kosten in de tijd worden teruggewonnen (zie punt 2.1, derde streepje), een aanzienlijke marge om de tolgelden te bepalen op een niveau dat voor de gebruikers aanvaardbaar is en aangepast is aan de specifieke doelstellingen van het vervoerbeleid van de lidstaat."
   b) In punt 1, tweede streepje, worden de woorden "7 bis, lid 1" vervangen door "7 ter, lid 3".

8.  Na bijlage III, wordt de tekst in de bijlage bij deze richtlijn ingevoegd als bijlage III bis.

"Artikel 2

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 3l december 2010 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.".

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB […] […] van […], blz. […].
(2) PB C 120 van 28.5.2009, blz. 47.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 11 maart 2009.
(4) PB L 187 van 20.7.1999, blz. 42. ║
(5) PB L 75 van 15.3.2001, blz. 29.
(6) PB L 166 van 30.4.2004, blz. 124. ║
(7) PB L 296 van 21.11.1996, blz. 55. ║
(8) PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12.
(9) PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51. ║
(10) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25. ║
(11) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. ║
(12)* wordt in een later stadium van de wetgevingsprocedure aangevuld.


BIJLAGE

"BIJLAGE III bis

MINIMUMEISEN VOOR DE TOEPASSING VAN EEN EXTERNEKOSTENHEFFING EN MAXIMALE IN REKENING TE BRENGEN EXTERNEKOSTENELEMENTEN

In deze bijlage worden de minimumeisen voor de toepassing van een externekostenheffing en de maxima voor de bij de vaststelling van de tarieven in aanmerking komende kostenelementen vastgesteld.

1.  Betrokken gedeelten van het net

De lidstaten specificeren duidelijk op welke gedeelten van hun wegennet een heffing met betrekking tot de externe kosten wordt toegepast.

Een lidstaat kan er, op grond van objectieve criteria, voor kiezen een externekostenheffing slechts toe te passen op een gedeelte of gedeelten van zijn wegennet ▌.

2.  Relevante voertuigen, wegen en tijdsperiodes

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de indeling van de voertuigen op basis waarvan de tolheffing wordt gevarieerd. Zij stellen de Commissie tevens in kennis van de ligging van de wegen waarop hogere externekostenheffingen worden toegepast (hierna "voorstadswegen" genoemd) en van de wegen waarop lagere externekostenheffingen worden toegepast (hierna "andere interlokale wegen").

Wanneer van toepassing stellen zij de Commissie in kennis van de exacte tijdsperiodes die overeenstemmen met de nachtperiode en de verschillende dag-, week- en seizoenspiekperiodes tijdens welke een hogere externekostenheffing mag worden opgelegd ter compensatie van hogere congestie- en lawaaihinderkosten.

De indeling van de wegen en de vaststelling van de tijdsperiodes gebeurt aan de hand van objectieve criteria die verband houden met het niveau van blootstelling van de wegen en de omgeving daarvan aan congestie en verontreiniging, zoals de bevolkingsdichtheid, het jaarlijks aantal verontreinigingspieken gemeten overeenkomstig Richtlijn 96/62/EG, de gemiddelde verkeersdichtheid per dag en per uur en het niveau van de dienst (percentage van de dag of het jaar dat het weggebruik dichtbij of boven de capaciteit van de weg ligt, gemiddelde vertragingen en/of lengte van de files). In de kennisgeving worden de gebruikte criteria gespecificeerd.

3.  Hoogte van de heffing

Voor elke EURO-categorie, elk soort weg en elke tijdsperiode, stelt de onafhankelijke instantie één specifiek tarief vast. De resulterende tariefstructuur moet doorzichtig, openbaar gemaakt en onder dezelfde voorwaarden voor alle gebruikers beschikbaar zijn.

Bij de vaststelling van de tarieven moet de onafhankelijke instantie zich laten leiden door het beginsel van efficiënte tarifering, meer bepaald de vaststelling van tarieven die zo goed mogelijk overeenstemmen met de maatschappelijke marginale kosten van het gebruik van het voertuig waarop de heffing wordt toegepast. De heffing moet zo dicht mogelijk liggen bij de externe kosten die kunnen worden toegerekend aan de desbetreffende categorie gebruikers van de weg.

Bij de vaststelling van het tarief moet ook worden gedacht aan het risico van ontwijking door gebruikmaking van alternatieve wegen, met de negatieve effecten die dat kan hebben op verkeersveiligheid, milieu en congestie, en moet worden gekeken naar methoden om deze risico's te verkleinen.

De onafhankelijke instantie ziet toe op de doeltreffendheid van de heffingsregeling op het gebied van het terugdringen van de milieuschade ten gevolge van het wegvervoer en het verminderen van de congestieproblemen op de weggedeelten waar de regeling wordt toegepast. Zij past de tariefstructuur en de specifieke hoogte van de heffing naar gelang van de EURO-categorie, het wegentype en de tijdsperioden op gezette tijden aan aan de wijzigingen in de vervoersvraag.

4.  Externe kostenelementen

4.1.  De kosten van door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging

Wanneer een lidstaat ervoor kiest alle of een deel van de kosten van door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging op te nemen in de externekostenheffing, berekent de onafhankelijke instantie bedoelde in rekening te brengen kosten aan de hand van de volgende formule of kiest zij de eenheidwaarden van tabel 1 wanneer die lager zijn:

PCVij = ∑k EFik x PCjk waarin:

PCVij de luchtverontreinigingskosten van voertuigklasse i op weg van type j (euro/voertuig.kilometer)

EFik de emissiefactor van verontreinigende stof k en voertuigklasse i (gram/kilometer)

PCjk in geldwaarde uitgedrukte kost van verontreinigende stof k voor het wegentype j (euro/gram)

Alleen de emissies van deeltjes en van ozonprecursoren zoals stikstofoxide en vluchtige organische stoffen worden in rekening gebracht. De emissiefactoren zijn dezelfde als die welke door de lidstaten worden gebruikt om de nationale emissie-inventarissen op te stellen overeenkomstig Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen(1) (waarbij gebruik wordt gemaakt van het "EMEP/CORINAIR Emission Inventory Guidebook")(2). De in geldwaarde uitgedrukte kosten worden gehaald uit tabel 13 van het "Handbook on estimation of external cost in the transport sector'║.

Tabel 1: Maximaal belastbare luchtverontreinigingskosten van voertuigen in een bepaalde categorie

Eurocent/voertuig.kilometer

Wegen waarvoor hogere externekostenheffingen gelden/Voorstadswegen en voorstadssnelwegen

Wegen waarvoor lagere externekostenheffingen gelden/Interlokale wegen en snelwegen

EURO 0

16

12

EURO I

11

8

EURO II

9

7

EURO III

7

6

EURO IV

4

3

EURO V

3

2

EURO VI

2

1

Minder verontreinigend dan EURO VI, bijvoorbeeld hybride en elektrische zware vrachtwagens of voertuigen die worden aangedreven met een mengsel van aardgas/waterstof of waterstof

0

0

Waarde in eurocent, 2000

De waarden van tabel 1 zijn rekenkundige gemiddelden van de waarden die zijn gegeven in tabel 15 van het "Handbook on estimation of external cost in the transport sector'║ voor voertuigen die behoren tot vier verschillende gewichtsklassen. De lidstaten kunnen bij de in tabel 1 gegeven waarden een correctiefactor toepassen om beter de daadwerkelijke samenstelling van het wagenpark in termen van voertuiggrootte weer te geven. De waarden van tabel 1 mogen met een factor van maximaal 2 worden vermenigvuldigd in bergachtige gebieden, naar gelang dat gerechtvaardigd is door het stijgingspercentage van de wegen, de hoogte en/of temperatuurinversies.

De onafhankelijke instantie kan alternatieve methoden vaststellen met gebruikmaking van gegevens van luchtverontreinigingsmetingen en in geld uitgedrukte plaatselijke kosten van de luchtverontreinigende stoffen, mits de resultaten voor geen van de voertuigklassen hoger liggen dan de resultaten die met de hierboven gegeven formule of eenheidswaarden worden bereikt.

Alle parameters, data en andere informatie die vereist zijn om te begrijpen hoe de in rekening te brengen luchtverontreinigingskosten zijn berekend, worden openbaar gemaakt.

4.2.  De kosten van door het verkeer veroorzaakte lawaaihinder

Wanneer een lidstaat ervoor kiest alle of een deel van de kosten van de door het verkeer veroorzaakte lawaaihinder op te nemen in de externekostenheffing, berekent de onafhankelijke instantie bedoelde in rekening te brengen kosten aan de hand van de volgende formules of kiest zij de eenheidwaarden van tabel 2 wanneer die lager zijn:

NCVij (dag) = ∑k NCjk x POPk / ADT

NCVij (nacht) = n x NCVij (dag) waarin:

–  NCVij lawaaihinderkosten van voertuig van klasse i op weg van het type j (euro/voertuig.kilometer)

–  NCjk lawaaihinderkosten per persoon blootgesteld aan geluidsniveau k op weg van het type j (euro/persoon)

–  POPk bevolking blootgesteld aan dagelijks geluidsniveau k per kilometer (persoon/kilometer)

–  ADT gemiddeld dagelijks verkeer (voertuig)

   n correctiefactor voor de nacht

De aan geluidsniveau k blootgestelde bevolking wordt gehaald uit de strategische geluidsbelastingskaarten, opgesteld overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai(3).

De kosten per persoon, blootgesteld aan geluidsniveau k, worden gehaald uit tabel 20 van het "Handbook on estimation of external cost in the transport sector'║.

Wat het gemiddelde dagelijkse verkeer betreft, wordt gebruik gemaakt van een wegingsfactor van maximaal 4 tussen zware vrachtvoertuigen en personenwagens.

Tabel 2: In rekening te brengen lawaaihinderkosten van voertuigen (NCV)

Eurocent/voertuig.kilometer

Dag

Nacht

Voorstadswegen

1,1

2

Andere interlokale wegen

0,13

0,23

Waarde in eurocent, 2000

Bron: Handbook on estimation of external cost in the transport sector, tabel 22║

De waarden van tabel 2 mogen met een factor van maximaal 5 worden vermenigvuldigd in bergachtige gebieden, naar gelang dat gerechtvaardigd is door het stijgingspercentage van de wegen, temperatuurinversies en/of amfitheatereffecten van valleien.

Alle parameters, data en andere informatie die vereist zijn om de berekening van de in rekening te brengen lawaaihinderkosten te begrijpen, worden openbaar gemaakt."

(1) PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22.
(2) Methodologie van het Europees Milieuagentschap ║
(3) PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12.

Juridische mededeling - Privacybeleid