Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 12 maart 2009 - Straatsburg
Betere loopbanen en meer mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers
 Bescherming van consumenten, met name minderjarigen, bij gebruik van videospellen
 De ontwikkeling van een gemeenschappelijke luchtvaartruimte met Israël
 Meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee *
 Verslechterende humanitaire situatie in Sri Lanka
 Verslechterde kwaliteit van de landbouwgrond in de EU en vooral in Zuid-Europa: mogelijke aanpak met GLB-instrumenten
 Participatie van werknemers in ondernemingen met de status van Europese vennootschap
 Migrantenkinderen
 Voortgangsverslag 2008 betreffende Kroatië
 Voortgangsverslag 2008 betreffende Turkije
 Voortgangsverslag 2008 betreffende de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
 Mandaat van het Internationale Straftribunaal voor voormalig Joegoslavië
 Vijfde Wereldwaterforum, Istanboel, 16-22 maart 2009
 Ontwikkelingshulp van de EG aan de gezondheidsdiensten in Afrika ten zuiden van de Sahara
 Invoering van de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte (SEPA)
 Strategisch partnerschap EU-Brazilië
 Strategisch partnerschap EU-Mexico
 50ste verjaardag van de Tibetaanse opstanden de dialoog tussen Zijne Heiligheid de Dalai Lama en de Chinese regering
 Guinnee-Bissau
 Filippijnen
 Verbanning van NGO's uit Darfur

Betere loopbanen en meer mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers
PDF 136kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over betere loopbanen en meer mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers (2008/2213(INI))
P6_TA(2009)0125A6-0067/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 23 mei 2008 getiteld "Betere loopbanen en meer mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers"(COM(2008)0317) en de begeleidende werkdocumenten van de Commissie, met name de effectbeoordeling (SEC(2008)1911) en de uitgebreide samenvatting daarvan (SEC(2008)1912),

–   gezien Beschikking 2006/973/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma "Mensen" tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)(1),

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 3 december 2008(2),

–   gezien de mededelingen van de Commissie van 20 juni 2001 getiteld "Een mobiliteitsstrategie voor de Europese onderzoeksruimte" (COM(2001)0331), en van 18 juli 2003 getiteld "Onderzoekers in de Europese onderzoekruimte: een beroep, meerdere loopbanen"(COM(2003)0436), en Aanbeveling 2005/251/EG van de Commissie van 11 maart 2005 betreffende het Europese handvest voor onderzoekers en de gedragscode voor de rekrutering van onderzoekers(3),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0067/2009),

A.   overwegende dat Europa meer onderzoekers nodig heeft die o.a. grensverleggend onderzoek kunnen verrichten, omdat deze onmisbaar zijn voor de groei van de productiviteit en het concurrentievermogen van Europa en bijdragen aan het verwezenlijken van de doelstellingen van de Lissabon-strategie,

B.   overwegende dat het nodig is om de terugkeer te vergemakkelijken van Europese wetenschappers die werken buiten de Europese Unie en de toegang te vergemakkelijken van wetenschappers uit derde landen die willen werken in de Europese Unie, om te voorzien in het tekort aan onderzoekers,

C.   overwegende dat het mogelijk maken van aantrekkelijke loopbanen voor onderzoekers in de EU van het grootste belang is om de beschikbaarheid van hooggeschoold personeel te waarborgen en dergelijk personeel uit derde landen aan te trekken,

D.   overwegende dat de Europese Unie te kampen heeft met negatieve economische tendensen, dat daarom de nadruk moet worden gelegd op opleiding en onderzoek en al het mogelijke gedaan moet worden om de werkgelegenheid, de zekerheid en de mobiliteit van onderzoekers te waarborgen, zodat zij in de Europese Unie blijven,

E.   overwegende dat mobiliteit van onderzoekers een van de belangrijkste voorwaarden voor de volledige verwezenlijking van de Europese Onderzoeksruimte (EOR) is,

F.   overwegende dat vrij verkeer van onderzoekers moet worden gegarandeerd opdat Europa een goede ontwikkeling van het wetenschappelijk onderzoek kan waarborgen, en overwegende dat geharmoniseerde samenwerking tussen de publieke en private sectoren in dezen daarom van cruciaal belang is,

G.   overwegende dat de beschikbaarheid van informatie over werkgelegenheidskansen voor onderzoekers in veel gevallen beperkt is omdat veel selectieprocedures intern in de onderzoeksinstellingen plaatsvinden,

H.   overwegende dat het onderzoekspersoneel in Europa aan het vergrijzen is en er daarom dringend initiatieven nodig zijn om onderzoeksloopbanen aan te bieden aan en aantrekkelijk te maken voor jonge mensen, in het bijzonder vrouwen,

I.   overwegende dat de promotiesystemen in veel onderzoeksinstellingen nog steeds star zijn en meer zijn gebaseerd op anciënniteit dan op de prestaties van onderzoekers,

J.   overwegende dat gecompliceerde sollicitatieprocedures en een gebrek aan administratieve vaardigheden, bijvoorbeeld met betrekking tot het invullen van formulieren in een buitenlandse taal en het aanvragen van patenten, onderzoekers ontmoedigen om deel te nemen aan mobiliteitsprojecten,

K.   overwegende dat het belang van het delen van kennis met de industrie, het bedrijfsleven en de samenleving nog niet door veel universiteiten wordt onderkend, hetgeen tot een gebrek aan banden met bedrijven en een verzwakking van de concurrentie in de EU leidt,

L.   overwegende dat taalvaardigheden een belangrijke rol spelen met betrekking tot de mobiliteit van onderzoekers omdat de mobiliteit naar landen waar meer wijdverspreide talen worden gesproken hierdoor wordt bevorderd, waardoor andere landen minder kans krijgen om te profiteren van het werk van mobiele onderzoekers,

M.   overwegende dat mobiliteit een essentieel onderdeel is van de doctoraalopleidingen omdat de ervaringen en carrièremogelijkheden van onderzoekers hierdoor worden verbreed,

N.   overwegende dat mobiliteit voor enkele lidstaten van belang is om oplossingen te vinden voor de problemen die ze hebben bij het opleiden van hun eigen jonge onderzoekers op gebieden waar geen kritische massa van promovendi of een adequate onderzoeksinfrastructuur aanwezig is,

O.   overwegende dat de samenwerking tussen onderzoeksinstellingen, bedrijven en de industrie moet worden verbeterd om te zorgen voor uitwisseling van kennis, een betere innovatie en een efficiënter gebruik van financiële middelen,

P.   overwegende dat deelname aan EU-onderzoeksprogramma's een uitstekende manier is om de loopbanen van onderzoekers te bevorderen omdat hiermee concurrentie op internationaal niveau, toegang tot multinationale onderzoeksnetwerken en een betere financiering van hun eigen onderzoeksfaciliteiten mogelijk wordt gemaakt,

Q.   overwegende dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in de wetenschap, de ingenieurswereld en op verantwoordelijke posities in het algemeen,

Open rekrutering en portabiliteit van subsidies

1.   verwelkomt en steunt het initiatief van de Commissie voor een Europees partnerschap voor onderzoekers en is van mening dat de voorgestelde maatregelen de grootste belemmeringen voor het creëren van een EOR wellicht op doeltreffende wijze wegnemen;

2.   onderstreept dat een Europees onderzoekssysteem van wereldniveau, dat is gebaseerd op een omvattend partnerschap tussen de Commissie en de lidstaten, alleen tot stand kan komen bij een volledige inzet van alle partners op regionaal, nationaal en Europees niveau;

3.   onderstreept de noodzaak om met concrete voorstellen invulling te geven aan het voorgestelde initiatief, en te zorgen voor spoedige verwezenlijking van de doelstellingen van het bovengenoemd specifieke programma "Mensen";

4.   verlangt een betere beschikbaarheid en transparantie van de informatie over vacatures voor onderzoekers en meer openheid in de rekruteringsprocedures van publieke instellingen; is van mening dat de informatie over vacatures bekend moet worden gemaakt op de website van de desbetreffende onderzoeksinstelling en op de website van EURAXESS;

5.   signaleert naast de noodzaak van de definitie en invoering van één Europees loopbaanmodel op onderzoeksgebied ook de noodzaak van een geïntegreerd informatiesysteem voor vacatureplaatsen en opleidingscontracten op onderzoeksgebied in de Europese Unie en is van mening dat dit van essentieel belang is voor het creëren van één Europese arbeidsmarkt voor onderzoekers;

6.   benadrukt voorts, gezien de noodzakelijke bijdrage van alle partners, het belang van enerzijds de vastberadenheid van de lidstaten deel te nemen aan dit proces en anderzijds van de verantwoordelijkheid van de Commissie om het proces en de actie bij de partners te begeleiden door ondersteunend materiaal en gedetailleerde informatie te produceren en te verspreiden en de uitwisseling van beste praktijken mogelijk te maken;

7.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om normen te ontwikkelen voor de wederzijdse erkenning van onderzoekskwalificaties, en in het bijzonder van niet-formele kwalificaties;

8.   beklemtoont de grote rol van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 betreffende de vaststelling van het Europese kwalificatiekader voor een leven lang leren(4) (EKK) , en roept de Commissie op de lidstaten te stimuleren en bij te staan bij het opstellen van hun eigen nationale kwalificatiekaders om zich tegen 2010 te kunnen aansluiten bij het EKK;

9.   dringt er bij de lidstaten op aan om hernieuwde inspanningen te verrichten om de in bovengenoemd Europese handvest voor onderzoekers en de gedragscode voor de rekrutering van onderzoekers neergelegde beginselen te implementeren;

10.   moedigt de lidstaten en publieke onderzoeksinstellingen aan om de noodzakelijke ondersteunende diensten aan onderzoekers te verstrekken door de sollicitatieprocedures te vereenvoudigen en de toegang van onderzoekers tot financiering te vergemakkelijken, o.a. via individuele onderzoekssubsidies, wat de vrijheid van onderzoekers bevordert om zelf hun onderwerp te kiezen; verzoekt in dit verband de lidstaten en de Commissie om te zorgen voor uniforme aanvraagformulieren in het kader van mobiliteitsprojecten voor onderzoekers;

11.   roept de Raad, de Commissie en de lidstaten op rekening te houden met de mobiliteits- en partnerschapsprogramma 's met derde landen, zoals Erasmus Mundus, in het kader van de behoefte aan beroepsmobiliteit en -interactie van alle deelnemende onderzoekers;

12.   moedigt de lidstaten en de Commissie aan tot herziening van de noodzakelijke voorwaarden voor de introductie van portabiliteit van individuele onderzoekssubsidies, voor zover dit financiers in de gelegenheid stelt om beter aan hun onderzoeksbehoeften te voldoen en onderzoekers toegang geeft tot onderzoeksfaciliteiten waarover de instellingen in hun eigen land niet beschikken; is van mening dat de herziening in het bijzonder betrekking zou moeten hebben op de gevolgen van portabiliteit voor onderzoeksinstellingen in de lidstaten en het gevaar van "ongelijke verdeling van onderzoekers" binnen de Europese Unie en van en naar derde landen;

13.   overweegt dat het verhogen van de mobiliteit van onderzoekers en het versterken van de middelen van instellingen die onderzoekers van andere lidstaten aantrekken het ontstaan van kenniscentra aanmoedigen en dat die kennis daardoor tevens in de Europese Unie zal worden verspreid;

14.   benadrukt het belang van volledig open en transparante selectie- en promotieprocessen voor mannelijke en vrouwelijke onderzoekers; verzoekt de lidstaten zorg te dragen voor een betere verdeling van het aantal mannen en vrouwen bij organen die verantwoordelijk zijn voor aanstelling en promotie van onderzoekers;

15.   overweegt dat de mobiliteit van onderzoekers in Europa voorrang moet krijgen teneinde ervoor te zorgen dat kennis wordt verspreid en dat innovatief grensverleggend onderzoek in diverse disciplines toegewijde en competente onderzoekers en ruimere financiële middelen aantrekt;

16.   verzoekt om specifieke maatregelen zoals het beschikbaar stellen van speciale visa voor onderzoekers, opdat de uitwisseling van onderzoekers en wetenschappers met derde landen eenvoudiger wordt;

17.   overweegt dat toegenomen mobiliteit moet worden bereikt door versterking van de belangen en voordelen voor onderzoeksinstellingen en universiteiten bij gastonderzoekers van andere lidstaten, door middel van een "research voucher"-systeem; meent dat met deze research voucher geld kan worden verstrekt aan onderzoekers en kunnen onderzoekers worden gevolgd die deelnemen aan onderzoek bij instellingen in andere lidstaten dan hun eigen lidstaat; meent verder dat deze extra steun voor mobiliteit een aanvulling zou moeten zijn op de bestaande financieringssystemen en dat de research voucher een drijfveer zal zijn voor lidstaten en voor onderzoeksinstellingen om te concurreren in het aantrekken van de meest getalenteerde onderzoekers;

Voldoen aan de behoeften inzake sociale zekerheid en aanvullend pensioen van mobiele onderzoekers

18.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de mogelijkheid te onderzoeken om een Europees pensioenfonds op te zetten dat gericht is op onderzoekers, ongeacht de duur van het onderzoekscontract;

19.   wijst erop dat een lidstaat alleen een volledig nationaal actieplan kan opstellen dat leidt tot een breed Europees partnerschap wanneer de visies van onderzoekers, nationale onderzoeksinstituten en belanghebbenden in het onderzoeksbeleid daarin worden opgenomen;

Aanbieden van aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden

20.   verzoekt de lidstaten en publieke onderzoeksinstellingen om onderzoekers die uit andere landen komen de benodigde ondersteunende diensten aan te bieden, zoals toegang tot huisvesting, scholen en kinderopvang; is van mening dat op alle recruteringswebsites voor onderzoekers bekendheid moet worden gegeven aan deze diensten;

21.   verzoekt om meer flexibiliteit in de arbeidsomstandigheden voor zowel vrouwelijke als mannelijke onderzoekers, zodat deze hun werk beter kunnen combineren met hun gezinsleven, en roept op om een einde te maken aan de ongelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke onderzoekers;

22.   verzoekt de lidstaten om met maatregelen te komen die de hereniging mogelijk maken van echtgenoten die beiden werkzaam zijn als onderzoeker;

23.   dringt er bij de lidstaten op aan, met het oog op het voorkomen van een braindrain in de EU, om beter gebruik te maken van de mogelijkheden die de financieringsregelingen in het kader van bovengenoemd specifiek programma "Mensen" bieden; verzoekt de lidstaten om het voor onderzoekers aantrekkelijker te maken om terug te keren naar hun oorspronkelijke instellingen door hun salarissen te verhogen of andere voordelen te bieden die ervoor zorgen dat de economische voorwaarden vergelijkbaar zijn met de economische voorwaarden van de onderzoekers tijdens hun mobiliteitsperiode;

24.   verzoekt de lidstaten en publieke onderzoeksinstellingen om de loopbanen van onderzoekers te verbeteren door middel van hervormingen die de arbeidsmarkten voor onderzoekers concurrerender maken en beperkingen wegnemen die betrekking hebben op de verbondenheid van onderzoekers aan een instelling; stelt zich op het standpunt dat onderzoekers bij hun aanstelling hun verblijf aan een buitenlandse hogere onderwijsinstelling moeten kunnen laten meetellen;

25.   uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan flexibelere contracten voor ervaren onderzoekers en onderzoekers aan het einde van hun loopbaan wat niet alleen de mobiliteit blokkeert, maar ook de juiste uitwisseling van kennis en ervaring verhindert; betreurt het dat de particuliere sector vaak niet over dezelfde regelingen beschikt als de publieke sector waar het gaat om arbeidsvoorwaarden en personeelsbeheer;

26.   verzoekt de lidstaten om de deelname aan het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)(5) te vergemakkelijken door efficiënte ondersteunende diensten aan te bieden, met name nationale contactpunten, om beter gebruik te kunnen maken van cofinancieringsmogelijkheden;

27.   verzoekt de lidstaten en publieke onderzoeksinstellingen om prikkels in te voeren die de mobiliteit van onderzoekers vergroten, bijvoorbeeld dat mobiliteit als zwaarwegend pluspunt zou moeten worden beschouwd bij aanstelling en promotie na terugkeer van hun verblijf in een andere lidstaat;

28.   is van mening dat de lidstaten hun budget voor onderzoek moeten blijven verhogen met het oog op het creëren van arbeidsplaatsen van hoge kwaliteit die voldoen aan de fundamentele ethische beginselen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

Versterken van de opleiding, vaardigheden en ervaring van Europese onderzoekers

29.   moedigt de lidstaten aan om de ervaring van onderzoekers in de industriële sector te erkennen, zodat deze ervaring bevorderlijk wordt voor hun carrièremogelijkheden, teneinde de mobiliteit tussen de private en de publieke sector te vergroten;

30.   verzoekt de lidstaten om te investeren in toegepast onderzoek, zodat er een betere samenwerking tot stand zal komen tussen universiteiten, onderzoeksinstituten en de particuliere sector;

31.   dring er bij de lidstaten op aan om de carrièremogelijkheden van jonge onderzoekers te verbeteren, bijvoorbeeld door meer middelen beschikbaar te stellen en besluiten over promotie eerder te baseren op prestaties dan anciënniteit, zoals innovatief vermogen, stages bij bedrijven, enz.;

32.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de wettelijke status van promovendi in lidstaten te herzien, teneinde de mogelijkheid van een uniforme promovendusstatus in de arbeidswetgeving van de lidstaten te onderzoeken;

33.   dringt er bij de lidstaten op aan om de loopbaanperspectieven van jonge onderzoekers te verbeteren door onder meer interdisciplinaire opleidingen te ondersteunen en de waarde van interdisciplinaire mobiliteit te erkennen;

34.   roept de lidstaten op innovatie te bevorderen door interdisciplinaire, multidisciplinaire en internationale mobiliteit van senior onderzoekers te ondersteunen, waarmee ondermeer een bijdrage zou worden geleverd aan de scholing van jonge onderzoekers;

35.   pleit met nadruk voor een betere opleiding van onderzoekers gedurende hun hele loopbaan om hun inzetbaarheid en hun kansen op promotie te verbeteren;

36.   benadrukt dat de basis voor uitmuntend onderzoek in een op kennis gebaseerde samenleving al in het onderwijs moet worden gelegd en verzoekt de lidstaten daarom hun beloftes in verband met de onderwijsbegroting in te lossen;

37.   roept de Raad, de Commissie en de lidstaten op om in de algemene begroting een grotere plaats voor wetenschappelijk onderzoek in te ruimen, overeenkomstig de gemaakte afspraak om tegen 2010 een groei van 3% te bereiken en gemiddeld 600 000 onderzoekers meer op te leiden;

38.   benadrukt dat er speciale aandacht moet worden geschonken aan promovendi daar zij doorgaans aan het begin van een onderzoeksloopbaan staan; is van mening dat de mobiliteit van jonge onderzoekers, met name in netwerken van excellentie, hen beter in staat stelt om bij te dragen aan de ontwikkeling van het onderzoek in Europa;

39.   dringt er bij de lidstaten op aan betere banden en mobiliteit van onderzoekers en managers tussen de academische gemeenschap en de industrie te ondersteunen door deze beide werelden te versterken met behulp van speciale regelingen, zoals de Franse regeling "Conventions Industrielles de Formation par la Recherche" (CIFRE);

40.   is van mening dat meer uitwisselingen in het kader van de op onderzoek gerichte EU-programma's voor hoger onderwijs toekomstige generaties Europese onderzoekers zullen voorbereiden en de onderzoekssector dynamischer zullen maken;

o
o   o

41.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 400 van 30.12.2006, blz. 271.
(2) PB C 175 van 28.7.2009, blz. 81.
(3) PB L 75 van 22.3.2005, blz. 67.
(4) PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.
(5) PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.


Bescherming van consumenten, met name minderjarigen, bij gebruik van videospellen
PDF 141kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over de bescherming van de consumenten, met name minderjarigen, met betrekking tot het gebruik van videospellen (2008/2173(INI))
P6_TA(2009)0126A6-0051/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 22 april 2008 betreffende de bescherming van de consumenten, met name minderjarigen, met betrekking tot het gebruik van videospellen (COM(2008)0207),

–   gezien de resolutie van de Raad van 1 maart 2002 over de bescherming van consumenten, in het bijzonder jongeren, door middel van de etikettering, met vermelding van leeftijdsgroep, van bepaalde video- en computerspellen(1),

–   gezien Aanbeveling 2006/952/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten(2),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2007 getiteld "Een Europese aanpak van mediageletterdheid in de digitale omgeving" (COM(2007)0833),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0051/2009),

A.   overwegende dat videospellen in Europa erg geliefd zijn en steeds geliefder worden en dat de markt voor videospellen snel groeit,

B.   overwegende dat videospellen meestal niet gewelddadig zijn en de spelers ervan vermaak bezorgen dat vaak bijdraagt tot de ontwikkeling van diverse vaardigheden en kennis,

C.   overwegende dat videospellen in het verleden vooral bedoeld waren voor jongeren, maar dat tegenwoordig meer videospellen speciaal worden ontwikkeld voor volwassen,

D.   overwegende dat de markt voor videospellen mondiaal is,

E.   overwegende dat besluiten over een beperking van de verkoop van videospellen of een verbod op videospellen binnen de bevoegdheden van de lidstaten vallen,

F.   overwegende dat de bescherming van de geestelijke gezondheid van kinderen in verband met videospellen tot "zero tolerance" en doortastend optreden tegen overtreding van de regelgeving tot bescherming van kinderen noopt,

1.   is tevreden met bovengenoemde mededeling van de Commissie over de bescherming van de consumenten, met name minderjarigen, met betrekking tot het gebruik van videospellen;

2.   beklemtoont de bijdrage van de spellenindustrie tot het halen van de doelstellingen van de Lissabon-agenda en benadrukt de (multi)culturele kanten van veel videospellen;

3.   benadrukt dat videospellen een grote stimulans zijn die naast vermaak ook kan worden gebruikt voor educatieve doeleinden; is van mening dat scholen aandacht aan videospellen moeten besteden en kinderen en ouders moeten informeren over de voor- en nadelen die videospellen kunnen hebben;

4.   onderstreept dat videospellen behoren tot de spelactiviteiten die het meest geliefd zijn onder burgers van alle leeftijden en uit alle lagen van de bevolking; erkent dat videospellen tevens een vormende waarde hebben als het erom gaat minderjarigen op een gemakkelijke wijze vertrouwd te maken met nieuwe technologieën; deelt niettemin de bezorgdheid van de Commissie met betrekking tot de mogelijke gevaren die verbonden zijn aan een onjuist gebruik van videospellen door minderjarigen;

5.   is van mening dat videospellen het leren kunnen stimuleren van feiten en vaardigheden als strategisch denken, creativiteit, samenwerking en innoverend denken, die belangrijke vaardigheden in de informatiemaatschappij zijn;

6.   onderstreept de voordelen van videospellen in de geneeskunde, met name dat de zogenoemde "videospeltherapie" effectief is gebleken voor het herstel van patiënten met een beroerte, mensen met traumatisch hersenletsel, mensen met spieraandoeningen en autistische kinderen;

7.   is van mening dat geharmoniseerde etiketteringsregels voor videospellen zorgen voor een betere kennis van de etiketteringssystemen en tegelijk de goede werking van de interne markt bevorderen; is daarom tevreden met het werk van de Raad en de Commissie om de goedkeuring van etiketteringsregels voor videospellen voor de hele EU te bevorderen en een vrijwillige gedragscode inzake voor kinderen bedoelde interactieve spellen op te stellen;

8.   merkt op dat de marktomstandigheden aanzienlijk zijn veranderd, van een situatie waar videospellen vooral werden gekocht in winkels en gespeeld op een computer of console naar de huidige situatie waar spellen kunnen worden gekocht op en gedownload van het internet;

9.   merkt op dat videospellen kunnen worden gespeeld op verschillende platforms, zoals spelconsoles en personal computers, maar ook steeds meer op mobiele apparaten, zoals mobiele telefoons;

10.   herinnert eraan dat videospellen interactiever worden of zelfs een dynamische inhoud hebben die spelers in staat stelt delen van het spel zelf te ontwikkelen; merkt op dat spelers steeds meer kunnen deelnemen aan forumgesprekken, tekst- en voicechats en communities die in sommige videospellen zijn geïntegreerd; herinnert aan de differentiatie op de markt, met meer spellen die speciaal zijn ontworpen voor volwassenen;

11.   is van mening dat recente trends aangeven dat het belangrijk is te zorgen voor passende bescherming van minderjarigen, onder meer door te voorkomen dat deze toegang krijgen tot schadelijke inhoud;

12.   herinnert eraan dat controle door de ouders steeds moeilijker wordt, doordat onlinevideospellen niet worden verdeeld in een fysieke verpakking met een duidelijk en gemakkelijk leesbaar etiket en doordat kinderen zonder dat hun ouders dit weten of hiermee instemmen, videospellen kunnen downloaden die niet geschikt zijn voor hun leeftijd;

13.   merkt op dat, hoewel geweld in videospellen niet automatisch leidt tot gewelddadig gedrag, sommige deskundigen toch van mening zijn dat langdurige blootstelling aan gewelddadige scènes in videospellen negatieve gevolgen kan hebben voor wie deze spelletjes speelt, met mogelijk gewelddadig gedrag als gevolg; merkt daarom op dat een preventieve benadering moet worden gevolgd bij het beoordelen van de invloed van spellen op het gedrag, met name bij jonge kinderen;

14.   benadrukt dat excessief gebruik voor sommige spelers een probleem is; verzoekt producenten, winkeliers, ouders en andere belanghebbenden stappen te ondernemen om negatieve effecten te voorkomen;

15.   onderstreept dat de huidige ontwikkelingen de behoefte aan effectieve, werkende leeftijdsverificatiesystemen voor spellen, met name onlinespellen, vergroten;

16.   is van mening dat verschillende manieren om de controle op videospellen te verstrengen moeten worden onderzocht, maar erkent tegelijk dat waarschijnlijk geen enkel systeem een absolute garantie biedt dat kinderen geen toegang tot ongeschikte videospellen krijgen;

17.   verzoekt de Commissie en de lidstaten in samenwerking met de sector te onderzoeken of het zin heeft een "rode knop" te ontwikkelen die in (mobiele) consoles of spelapparaten en computers kan worden geïntegreerd en die een bepaald spel buiten werking stelt of de toegang tot een spel gedurende bepaalde uren of bepaalde delen van het spel kan controleren;

18.   dringt aan op extra inspanningen in dit opzicht, zoals het inbouwen van een akoestisch waarschuwingssignaal in het leeftijdsclassificatiesysteem PEGI (Pan-European Game Information, Pan-Europese Spelinformatie), en rekent op de bedrijfstak om systematisch toegangsmodellen in te bouwen in onlinespellen, zodat minderjarigen niet aan schadelijke online-inhoud worden blootgesteld;

19.   onderstreept dat het belangrijk is passende controlemaatregelen te nemen voor onlineaankopen in verband met videospellen, inclusief aankopen met kredietkaarten of vouchers;

20.   is van mening dat de ontwikkelingen in verband met videospellen, met name onlinevideospellen, een groter bewustzijn nodig maken bij de bevolking wat de inhoud van videospellen, controle door de ouders en instrumenten als het PEGI-systeem betreft; is tevreden met het werk dat door de sector op het gebied van zelfregulering wordt verricht;

21.   is ingenomen met het PEGI-onlinesysteem dat een logische voortzetting is van PEGI en bedoeld is voor videospellen die via internet beschikbaar zijn (na downloaden of online); steunt de verdere medefinanciering ervan door de Commissie in het kader van het programma Safer Internet, dat ten doel heeft kwesties op te pakken die te maken hebben met het veilig gebruik van Internet door kinderen en met nieuwe onlinetechnologieën; roept de Commissie op in het kader van het programma Safer Internet systematisch onderzoek te bevorderen naar de effecten van videospellen op minderjarigen;

22.   is tevreden met het werk van de Raad van Europa om richtsnoeren voor videospellen op te stellen en de kennis van kinderen op het gebied van veiligheid met betrekking tot het internet in het algemeen te verbeteren;

23.   is van mening dat nationale voorlichtings- en bewustwordingscampagnes voor consumenten, met name ouders, moeten worden georganiseerd, om ze te helpen bij het kiezen van videospellen die geschikt zijn voor de leeftijd van hun kinderen en tegemoet komen aan hun kennisbehoefte, en om producten waarvan het etiket onvoldoende informatie bevat, te vermijden; dringt er bij de lidstaten op aan dat zij best practices op dit vlak uitwisselen;

24.   is van mening dat het PEGI-systeem voor de classificatie van spellen belangrijk is, omdat dit instrument de transparantie voor de consumenten, met name ouders, bij de aankoop van spellen heeft vergroot, door hen in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken met betrekking tot de vraag of een spel geschikt is voor kinderen; betreurt evenwel dat vele consumenten, met name ouders, blijkbaar niet voldoende kennis van videospellen en de mogelijke effecten ervan op kinderen hebben;

25.   roept de Commissie op acties voor te stellen die bijdragen tot een veiligere speelomgeving voor onlinevideospellen, alsmede van innovatieve methoden om te voorkomen dat minderjarigen toegang hebben tot onlinevideospellen met een voor hen ongeschikte inhoud;

26.   verzoekt de lidstaten nauw samen te blijven werken om de bescherming van minderjarigen te bevorderen; verzoekt de industrie voor videospellen en consoles het PEGI-systeem en het PEGI-onlinesysteem verder te verbeteren en met name de criteria voor leeftijdsclassificatie en etikettering regelmatig te herzien, actiever reclame te maken voor PEGI en de lijst van ondertekenaars uit te breiden; dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat geen nationale classificatiesystemen worden ontwikkeld die leiden tot marktfragmentatie;

27.   verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken met consumentenorganisaties en andere belanghebbenden om via informatiecampagnes het bewustzijn bij de consumenten, in het bijzonder jongeren en hun ouders, met betrekking tot de bestaande classificatiesystemen, met name het PEGI-systeem, te verbeteren; onderstreept dat het belangrijk is dat deze informatie wordt verstrekt in scholen;

28.   spoort de lidstaten ertoe aan informatiecampagnes voor ouders en leerkrachten op te zetten, met als doel de technologische generatiekloof te overbruggen en het gebruik van het PEGI-systeem en het PEGI-online-systeem te bevorderen en een veiliger en bewuster gebruik van nieuwe technologieën, met inbegrip van videospellen, te bevorderen;

29.   dringt er bij de Commissie op aan op korte termijn de uitwisseling van best practices tussen de bevoegde nationale onderwijsautoriteiten te vergemakkelijken, zodat "geletterdheid in verband met videospellen" in de onderwijsdoelstellingen van het basis- en voortgezet onderwijs wordt opgenomen; verzoekt de betrokken partijen om geregeld ervaringen en informatie uit te wisselen met als doel best practices vast te stellen voor videospelletjes;

30.   onderstreept dat momenteel niet alle lidstaten regels hebben om ervoor te zorgen dat winkeliers de verkoop van gewelddadige spellen beperken tot volwassenen en vraagt eigenaars van internetcafés om te voorkomen dat kinderen in hun cafés spelletjes spelen die geclassificeerd zijn voor een hogere leeftijdsgroep; verwijst naar de Eurobarometerenquête "Op weg naar een veiliger internet voor kinderen in de EU − het perspectief van ouders"(3), verschenen op 9 december 2008, waaruit blijkt dat 3,2% van de kinderen tussen 6 en 17 jaar in internetcafés zonder toezicht van volwassenen toegang heeft tot het internet; is van mening dat een gemeenschappelijke aanpak van strenge straffen voor winkeliers en eigenaars van internetcafés nodig is; verzoekt de lidstaten daarom passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat kinderen spellen kopen en spelen die geclassificeerd zijn voor een hogere leeftijdsgroep, bijvoorbeeld door middel van identiteitscontroles; onderschrijft het voorstel van de Commissie om een pan-Europese gedragscode voor detailhandelaars en producenten van videospellen in te voeren om de verkoop van gewelddadige en schadelijke videospellen aan minderjarigen te voorkomen;

31.   dringt er op aan dat de lidstaten een ad hoc wetgeving van civielrechtelijke en strafrechtelijke aard uitwerken met betrekking tot de detailhandel in gewelddadige console-, video- en computerspellen; meent dat onlinespellen die in de eerste plaats op kinderen en jongeren gericht zijn om winst te maken, bijzondere aandacht moeten krijgen;

32.   verzoekt de Commissie door middel van specifieke wetgevingsmaatregelen oneigenlijk gebruik van onlinespellen voor onoorbare commerciële activiteiten te ontmoedigen, zoals activiteiten die minderjarigen er op doortrapte wijze toe aanzetten juridische verplichtingen aan te gaan (bijv. via automatische abonnementen of geniepige belprogramma's waarbij naar dure lijnen wordt gebeld) en die concurrentieverstorende reclameboodschappen voortbrengen (bijv. productplaatsing of andere heimelijke marketingtechnieken);

33.   verzoekt de Commissie en de lidstaten met autoriteiten in andere delen van de wereld samen te werken om de goedkeuring te stimuleren van internationale richtsnoeren, etiketteringssystemen en gedragscodes om mondiale classificatiesystemen voor videospellen en onlinespellen te bevorderen;

34.   is van mening dat de sector moet worden aangemoedigd om de zelfreguleringssystemen voort te ontwikkelen en te verbeteren en dat er momenteel geen behoefte is aan wetgeving voor de hele EU op dit gebied;

35.   wijst erop hoe belangrijk het is dat de media verantwoordelijk gedrag bij ouders bevorderen en reclame voor videospellen voor volwassenen beperken tot tijdstippen waarop minder kinderen televisiekijken;

36.   is van mening dat de overheidsdiensten die verantwoordelijk zijn voor het verbieden van videospellen, hun evenknieën in andere lidstaten dienen te informeren en het verbod middels verzending van een automatisch alarmbericht te publiceren in het PEGI-systeem;

37.   verzoekt de Commissie in het kader van het MEDIA-programma en de nationale regelingen voor belastingvrijstelling nieuwe ontwikkelingen in deze snelgroeiende sector van de creatieve kenniseconomie te steunen, met name door de leerzame, multimediale en culturele elementen van videospellen te bevorderen en met behulp van daarop afgestemde opleidingsmogelijkheden en studieprogramma's;

38.   verzoekt de Commissie richtsnoeren te ontwikkelen om mogelijke belangenconflicten binnen classificatie-instanties te voorkomen en ervoor zorg te dragen dat dergelijke organisaties onafhankelijk blijven van belangengroepen met banden met de bedrijfstak;

39.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 65 van 14.3.2002, blz. 2.
(2) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 72.
(3) http://ec.europa.eu/public_opinion/flash/fl_248_en.pdf.


De ontwikkeling van een gemeenschappelijke luchtvaartruimte met Israël
PDF 110kWORD 35k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over de ontwikkeling van een gemeenschappelijke luchtvaartruimte met Israël (2008/2136(INI))
P6_TA(2009)0127A6-0090/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2007 getiteld "De ontwikkeling van een gemeenschappelijke luchtvaartruimte met Israël" (COM(2007)0691),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 januari 2006 over de ontwikkeling van de agenda voor het externe luchtvaartbeleid van de Gemeenschap(1),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0090/2009),

A.   overwegende dat convergentie van de regels een voorwaarde is voor een geslaagde sluiting van algemene luchtvaartakkoorden, met name op het gebied van veiligheid, beveiliging, mededinging, staatssteun, milieu en de rechten van werknemers,

B.   overwegende dat de Commissie bij de onderhandelingen over een algemeen luchtvaartakkoord met Israël gebruik moet maken van de deskundigheid en de informatie van de lidstaten en andere belanghebbende partijen en dat zij deze vóór, tijdens en na de onderhandelingen bij de kwestie moet betrekken,

C.   overwegende dat Israël de belangrijkste luchtvaartmarkt in het Midden-Oosten is, met een groot groeipotentieel, mede gelet op de strategische positie van het land als brug tussen Europa en het Midden-Oosten en naar verder gelegen regio's,

1.   begroet met instemming de start van de onderhandelingen met Israël over een algemeen luchtvaartakkoord;

2.   benadrukt dat het akkoord belangrijk is om de voorwaarden te creëren voor de uitbreiding van de gemeenschappelijke luchtvaartruimte;

3.   benadrukt dat het akkoord de mate van toegang tot de markt die al is bereikt in de bestaande bilaterale akkoorden, niet mag verlagen;

4.   benadrukt dat het akkoord evenwichtig moet zijn wat de markttoegang betreft, en voorts dat de openstelling van de markt gefaseerd moet verlopen en wederzijds en duurzaam moet zijn;

5.   benadrukt dat de openstelling van markten altijd vooraf moet worden gegaan door convergentie van de regelgeving op het gebied van veiligheid, beveiliging, milieu, staatssteun en mededinging, alsmede de rechten van werknemers, en dat de liberaliseringsgraad gekoppeld moet zijn aan de mate waarin op de genoemde terreinen gelijke concurrentievoorwaarden tot stand zijn gebracht;

6.   erkent dat de luchtvaart voor lange- en middellangeafstandsroutes de snelste manier is om landen, plaatsen en mensen met elkaar te verbinden en in de toekomst de aantrekkelijkste vervoerswijze qua snelheid en prijs zal blijven;

7.   erkent dat de luchtvaartsector en belangrijke bijdrage levert bij het scheppen van werkgelegenheid, zowel rechtstreeks als indirect, met name door plaatsen in de wereld met elkaar te verbinden waar nu geen andere concurrerende vervoerswijze beschikbaar is; moedigt niettemin het gebruik en de ontwikkeling van intermodaliteit en andere vervoerswijzen aan;

8.   erkent dat de luchtvaartsector zekere negatieve milieugevolgen heeft, met name als bron van lawaai en als factor die aanzienlijk bijdraagt tot vervuilende emissies; acht het daarom van essentieel belang dat het akkoord voorziet in de mogelijkheid om binnen de Europese Unie actie met betrekking tot milieukwesties te ondernemen, teneinde de impact van de luchtvaart op het water, de luchtkwaliteit en het geluidsniveau te beperken;

9.   onderstreept dat het akkoord moet voorzien in strenge regels inzake luchtvaartveiligheid en -beveiliging;

10.   benadrukt dat de onderhandelingen moeten worden gevoerd in nauwe samenwerking met de lidstaten, aangezien deze de nodige deskundigheid en ervaring hebben om bij deze onderhandelingen te assisteren;

11.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het Parlement en alle belanghebbenden tijdens de hele duur van de onderhandelingen volledig worden geïnformeerd en geraadpleegd;

12.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede aan de regering en het parlement van de staat Israël.

(1) PB C 287 E van 24.11.2006, blz. 84.


Meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee *
PDF 206kWORD 53k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee COM(2009)0093 – C6-0081/2009 – 2009/0029(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2009)0093),

–   gelet op artikel 37 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0081/2009),

–   gelet op de artikelen 51 en 134 van zijn Reglement,

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Het herstelplan van de ICCAT spoort de verdragsluitende partijen aan om hun vangst van blauwvintonijn in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee in 2009 vrijwillig te verminderen als een manier om het herstel van de bestanden te ondersteunen; een aantal verdragsluitende partijen zijn daartoe overgegaan,
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – letter g
(g) "gezamenlijke visactie": elke activiteit van twee of meer visserijvaartuigen die de vlag van verschillende CPC's of van verschillende lidstaten voeren, waarbij de vangst van één visserijvaartuig volgens een verdeelsleutel aan een of meer andere visserijvaartuigen wordt toegewezen;
(g) "gezamenlijke visactie": elke activiteit van twee of meer visserijvaartuigen die de vlag van verschillende CPC's of van verschillende lidstaten voeren, of van vaartuigen die onder dezelfde vlag varen, waarbij de vangst van één visserijvaartuig volgens een verdeelsleutel aan een of meer andere visserijvaartuigen wordt toegewezen;
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 6 – alinea 3
De vlaggenlidstaat mag het vaartuig verzoeken zich onmiddellijk naar een door hem aangewezen haven te begeven wanneer het individuele quotum als opgebruikt wordt beschouwd.
De vlaggenlidstaat heft de vangstvergunning voor tonijn op en mag het vaartuig verzoeken zich onmiddellijk naar een door hem aangewezen haven te begeven wanneer het individuele quotum als opgebruikt wordt beschouwd.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – inleidende formule
1.  In afwijking van artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 stelt de kapitein van een in artikel 14 van de onderhavige verordening bedoeld communautair vissersvaartuig of diens vertegenwoordiger de bevoegde autoriteit van de lidstaat (en van de vlaggenlidstaat) of van de CPC waarvan zij de haven of aanlandingsvoorzieningen wensen te gebruiken, ten minste vier uur vóór de vermoedelijke aankomst in de haven in kennis van:
1.  In afwijking van artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 stelt de kapitein van een in artikel 14 van de onderhavige verordening bedoeld communautair vissersvaartuig of diens vertegenwoordiger de bevoegde autoriteit van de lidstaat (en van de vlaggenlidstaat) of van de CPC waarvan zij de haven of aanlandingsvoorzieningen wensen te gebruiken, ten minste vier uur vóór de vermoedelijke aankomst in de haven of, als de afstand tot de haven geringer is, op het einde van de vangstactiviteiten en alvorens de terugvaart aan te vatten, in kennis van:
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 2 – letter a
(a) het verwachte tijdstip van aankomst;
(a) datum, de haven en het verwachte tijdstip van aankomst;
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 2 – letter a
(a) de aanwezigheid van waarnemers op ten minste 20% van zijn actieve met de ringzegen vissende visserijvaartuigen van meer dan 24 m;
(a) de aanwezigheid van waarnemers op 100% van zijn actieve met de ringzegen vissende visserijvaartuigen van meer dan 24 m;
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 2 – letter b
(b) de aanwezigheid van een waarnemer tijdens de visserijactiviteit in het geval van gezamenlijke visacties,
(b) de aanwezigheid van een waarnemer op elk vissersvaartuig tijdens de visserijactiviteit in het geval van gezamenlijke visacties,

Verslechterende humanitaire situatie in Sri Lanka
PDF 103kWORD 29k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over de verslechterende humanitaire situatie in Sri Lanka
P6_TA(2009)0129B6-0140/2009

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 91 en 90, lid 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat naar raming 170 000 burgers die in de val zitten in de gevechtszone tussen het Srilankaanse leger en de strijdkrachten van de Liberation Tamil Tigers of Eelam (LTTE) zich in een noodsituatie bevinden, zonder toegang tot de meest elementaire hulp,

B.   overwegende dat de VN-agentschappen gegevens hebben verzameld over meer dan 2 300 burgerdoden en ten minste 6 500 gewonden sinds eind januari 2009,

1.   roept op tot een onmiddellijk staakt-het-vuren van het Srilankaanse leger en de LTTE, om de burgerbevolking in staat te stellen de gevechtszone te verlaten; veroordeelt alle daden van geweld en intimidatie, die de burgers beletten het conflictgebied te verlaten;

2.   veroordeelt de aanvallen tegen burgers die door de Internationale Crisisgroep zijn vastgesteld;

3.   roept beide partijen op het internationale humanitaire recht te eerbiedigen en de burgerbevolking in de gevechtszone en ook in de veilige zone te beschermen en te helpen;

4.   maakt zich zorgen over de berichten over ernstige overbevolking en slechte leefomstandigheden in de vluchtelingenkampen die door de Srilankaanse regering zijn ingesteld;

5.   eist dat internationale en nationale humanitaire organisaties en ook journalisten onbeperkt en ongehinderd tot de gevechtszone en de vluchtelingenkampen worden toegelaten;

6.   roept de Srilankaanse regering op samen te werken met landen en hulporganisaties die burgers willen en kunnen evacueren;

7.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Srilankaanse regering en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, alsmede, ter informatie, aan de Commissie.


Verslechterde kwaliteit van de landbouwgrond in de EU en vooral in Zuid-Europa: mogelijke aanpak met GLB-instrumenten
PDF 146kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 inzake de verslechterde kwaliteit van de landbouwgrond in de EU en vooral in Zuid-Europa: mogelijke aanpak met GLB-instrumenten (2008/2219(INI))
P6_TA(2009)0130A6-0086/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de verdragen van de Verenigde Naties over de bestrijding van woestijnvorming in de landen die zwaar getroffen zijn door de droogte en/of woestijnvorming, met name in Afrika, van 1994, over biologische diversiteit van 1992,

–   onder verwijzing naar zijn in eerste lezing aangenomen standpunt van 14 november 2007 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2008/.../EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de bescherming van de bodem(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 oktober 2008 over de aanpak van waterschaarste en droogte in de Europese Unie(2),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van zijn Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van zijn Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0086/2009),

A.   overwegende dat de landbouw een economische sector is die sterk afhankelijk is van natuurverschijnselen en tegelijkertijd aanzienlijke mogelijkheden tot interventie biedt,

B.   overwegende dat de landbouw het beste middel is om de achteruitgang van de bodem tegen te gaan, en dat daarvoor een doordachte strategie nodig is die de landbouwactiviteit in stand helpt houden,

C.   overwegende de functie van de landbouwbevolking in de EU in de strijd tegen bodemverschraling en de doorslaggevende rol van de producenten in de EU voor de bescherming van de plantengroei in gebieden die door aanhoudende droogte getroffen worden, en overwegende het voordeel dat vooral meerjarige teelt, grasland en bosbouw betekenen om water vast te houden,

D.   overwegende dat vooral de landbouwgrond in Zuid-Europa, maar ook in andere regio's van de lidstaten, zich in het brandpunt van een proces van milieuverval bevindt, veroorzaakt door de negatieve interactie van menselijk handelen en klimaatsomstandigheden,

E.   overwegende dat de hyper-intensieve teelt ook kan bijdragen tot bodemerosie, waardoor de bodem onbruikbaar wordt voor productie,

F.   overwegende dat woestijnvorming tegenwoordig in de mediterrane landen als een van belangrijkste bedreigingen voor de bodem te beschouwen is,

G.   overwegende dat de grond aan de basis van de productie van menselijke en dierlijke voeding, textiel en brandstoffen ligt, en een belangrijke rol bij het afvangen van CO2 speelt, dat hij nu meer dan ooit aan onomkeerbare schade blootgesteld is door laagsgewijze en winderosie, verontreiniging, verzilting, ondoordringbaarheid, verarming aan organische stoffen en verlies van de bodembiodiversiteit,

H.   overwegende dat de reeds vastgestelde negatieve effecten zich voordoen in de vorm van hydrogeologische achteruitgang, indringing van zeewater in de grondwaterlagen aan de kust, verzilting van de bodem, verlies van landbouwgrond, geringere biodiversiteit en grotere gevoeligheid voor brand en planten- en dierenziekten,

I.   overwegende dat de genoemde veranderingen in de interactie tussen het natuurlijk-antropogeen en productiemilieu belangrijke uitwerkingen hebben op akkerbouw en veeteelt, productoriëntatie van de grond en het aanbod aan levensmiddelen, waarbij het thema van de voedselveiligheid zich nadrukkelijk weer aandient, evenals op de sociale, culturele en economische structuur van de betrokken gebieden als gevolg van ontvolking, met alle gevolgen van dien, ook vanuit hydrogeologisch oogpunt,

J.   overwegende dat irrigatie ook dient om vocht in de bodem te houden en de grondwatervoorraden helpt aanvullen − factoren die bij de uitwerking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in aanmerking genomen moeten worden,

K.   overwegende dat droogte en waterschaarste de prijsstijgingen van landbouwgrondstoffen nog zoveel sterker laten uitkomen, en dat betrouwbare voorziening van de bevolking met levensmiddelen gewaarborgd moet zijn,

L.   overwegende dat het beheer van de land- en bosbouw mogelijkheden biedt om invloed op de algemene koolstofcyclus uit te oefenen en de uitstoot van broeikasgassen kan helpen verminderen,

M.   gezien het reeds aangehaalde verdrag van de Verenigde Naties voor de bestrijding van woestijnvorming dat bedoeld is om aantasting van landbouwgrond en droogte te bestrijden en de steun van het Parlement heeft,

N.   overwegende dat de richtlijn tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid (Richtlijn 2000/60/EG(3)) een regelgevende functie heeft en als basisinstrument voor de bescherming van de bodems dient, omdat ze aanzet tot interregionale samenwerking, duurzaam gebruik van water en bescherming van de beschikbare watervoorraden en tegelijk de gevolgen van overstromingen en droogte helpt verzachten,

O.   overwegende dat er een geïntegreerde en multidisciplinaire benadering nodig is, om niet in noodsituaties op zoek te moeten gaan naar oplossingen, op gevaar van verdere negatieve uitwerkingen en een kettingreactie van schadelijke gevolgen te veroorzaken,

P.   overwegende dat het wenselijk is om de situatie in het oog te houden, meer in het bijzonder de ontwikkeling van verschijnselen die zich al voordoen en het ontstaan van nieuwe risicosituaties, door gespecialiseerd gebruik van satellietopnemingen en bodemkundige (cartografische) modellen,

Q.   overwegende dat er zich steeds vaker extreme weersomstandigheden voordoen, met afwisselend droge periodes en hevige regenval, die ervoor zorgen dat de aardkorst sneller achteruit gaat, vooral in gebieden waar de grond structureel kwetsbaarder is, zowel in het Noorden als in het Zuiden van Europa,

R.   overwegende dat wereldwijd de vraag naar levensmiddelen toeneemt en de prijzen van levensmiddelen stijgen,

1.   acht het nodig om in de richtlijnen en beheermethoden van het GLB uitdrukkelijk een aantal principes en methoden op te nemen om het klimaat in het algemeen te beschermen en in het bijzonder de schade door verslechtering van de grond te beperken;

2.   onderstreept dat Gemeenschapsfinanciering van maatregelen voor de aanpassing van de landbouwsector aan de klimaatverandering van een territoriale aanpak moet uitgaan die rekening houdt met de relatieve kwetsbaarheid van de EU-regio's; herinnert eraan dat volgens goed onderbouwde ramingen op internationaal en Europees niveau de landbouwgrond in Zuid-Europa kwetsbaarder voor klimaatverandering is;

3.   beklaagt zich over het kortzichtig besluit van staatshoofden en regeringsleiders om in de middelen voor plattelandsontwikkeling te snijden en constateert dat de middelen in de tweede pijler van het GLB te beperkt zijn om het hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen door de klimaatverandering;

4.   meent dat de bestaande problemen, onder meer voedselgebrek, waterschaarste, hogere temperaturen en daardoor verdamping en gevaar van verlies aan bodemkwaliteit, nieuwe, volledige en wetenschappelijke vormen van landbouwbeleid vergen die aan de klimaatsomstandigheden in het Middellandse Zeegebied aangepast zijn; meent dat die beleidsvormen met de hulp van de nationale en EU-instellingen moeten beantwoorden aan onderzoek en ontwikkeling van gewassen die in overeenstemming met de nieuwe uitdagingen van het milieu, onder meer zuinig watergebruik, zijn, en er tegelijk voor moeten zorgen dat de boeren voldoende inkomsten hebben om een Europese levensstandaard op te houden;

5.   meent dat de beginselen van het GLB aangaande goede landbouw- en milieucondities in de strategie tot behoud van de bodems vooral ruimte moeten bieden voor maatregelen om de werking en ecologische duurzaamheid van de bestaande afwateringssystemen na te gaan en te verbeteren, aan de hand van ecologisch duurzame, lokaal aangepaste plannen voor waterbeheer en van advies voor landbouwers op gronden die door droogte bedreigd zijn, over succesvolle teelt van culturen die weinig water behoeven en aan de plaatselijke omstandigheden beantwoorden;

6.   pleit voor krachtiger steun van de Europese Unie om het waterbeheer op landbouwgronden te verbeteren, hetgeen het aanmoedigen tot invoering van efficiëntere irrigatiesystemen die aan de verschillende gewassen beantwoorden, en stimulering van onderzoek ter zake en van de benutting van biotechnologische vooruitgang veronderstelt;

7.   acht het noodzakelijk om met coöperaties kleine opvangsystemen voor irrigatie en brandbestrijding aan te leggen en te onderhouden (hoger gelegen stuwmeertjes), bij voorkeur in gebieden waar bevloeiing door natuurlijke waterafloop onmogelijk is, onder de beste kostentechnische omstandigheden en ook met gebruikmaking van afvalwater dat behandeld is met zuiveringstechnieken aan de hand van planten of opslag in bekkens;

8.   wijst op de betekenis van terrassen in de strijd tegen erosie en om de wateropslagcapaciteit van de bodem te verhogen, en acht maatregelen geboden om dergelijke terrassen te onderhouden en te herstellen en er nieuwe aan te leggen;

9.   meent dat het land- en bosbouwbeheer ook bebossingsprogramma's van marginale of vervuilde landbouwgronden moet omvatten, aangezien de wortels van heesters voor hechting van de instabiele bovenlaag aan het stabiel onderliggend gesteente kunnen zorgen, dat als onderlaag voor de zuivering dient;

10.   onderschrijft de opzet van een bosbouwbeleid van de Gemeenschap dat als eerste doelstelling de strijd tegen de klimaatverandering heeft;

11.   acht het voorts noodzakelijk om ingrepen van de landbouw aan te moedigen, die het behoud van vegetatie kunnen waarborgen om verzilting van rivierbeddingen door erosie te voorkomen;

12.   benadrukt dat veel mediterrane heestersoorten goed tegen vuur bestand zijn en hun groei uitstekend weten te herstellen en dat er dus gebruik van gemaakt moet worden, te meer omdat het soorten zijn waarvan het wortelstelsel kenmerken vertoont die erosieprocessen van de bodem kunnen tegengaan;

13.   meent dat het in die gedachtegang goed zou zijn om variëteiten aan te planten die minder behoefte aan water hebben, en in bepaalde gevallen zelfs om voorjaarsrassen door winterrassen te vervangen, die niet alleen weinig irrigatiewater nodig hebben maar ook de bodem op efficiënte wijze beschermen en erosie kunnen tegengaan omdat ze de bodem in de kritieke winterperiode van een plantendek voorzien;

14.   meent dat lokale teelt van voedingsgewassen ecologische variëteiten kan produceren die beter aan de omgeving aangepast zijn en dus ondersteuning met specifieke maatregelen verdienen;

15.   wenst aanmoediging van de instandhouding en aanplanting van hagen in gebieden waar ze de laatste jaren verloren gegaan zijn;

16.   onderkent de belangrijke rol van fytogenetische rijkdommen voor de aanpassing van de landbouw aan de veranderende klimaatsomstandigheden, en roept daarom de Commissie en de lidstaten op om programma's op te stellen die behoud en ontwikkeling van fytogenetische rijkdommen door landbouwers en tuinbouwers en kleine en middelgrote tuinbouwbedrijven aanmoedigen;

17.   wijst op het belang van braakliggende gronden voor het herstel van landbouwgebieden en het vasthouden van water; verzoekt de Commissie en de belanghebbende lidstaten dan ook om het gebruik van landbouwtechnieken aan te moedigen, die aan de gronden van mediterrane ecosystemen aangepast zijn;

18.   meent dat de beginselen van het GLB voor goede landbouw- en milieucondities in de criteria voor behoud van organisch materiaal in de bodem opname- en vastleggingsystemen voor koolstof door optimaal gebruik van de teelttechnieken in droge gebieden moeten ondersteunen (minimale oppervlaktebewerking, vruchtwisseling, genotypen die aan de omgeving aangepast zijn, beheersing van evapotranspiratie, doelgerichte bemesting, geïntegreerde bestrijding enz.);

19.   vraagt de bevoegde organisaties op lokaal niveau om initiatieven te nemen ter ontwikkeling van beheerplannen en gebruikstechnologieën van irrigatiewater naargelang van de veranderde behoeften en milieuomstandigheden, voor gericht gebruik van water volgens de kwaliteit te zorgen, en om de instanties voor het beheer van irrigatiewater aan te zetten om het beheer van het beschikbaar water te optimaliseren, gezien de noodzaak om verspilling van middelen in de distributiesystemen terug te dringen;

20.   pleit voor een communautair waarnemingsinstituut dat de droogte in kaart brengt, als gespecialiseerde dienst van het Europees Milieuagentschap te Kopenhagen, en ruimere mogelijkheden voor gecoördineerd optreden van de Europese Unie tegen bosbranden, omdat zowel droogte als bosbranden sterk tot bodemverschraling en achteruitgang van landbouwgronden bijdragen, vooral in de mediterrane gebieden;

21.   wijst op de noodzaak om de doeltreffendheid van de informatie die de lidstaten verstrekken, en hun onderlinge coördinatie te verbeteren;

22.   doet de aanbeveling om een systeem voor vroegtijdige waarschuwing en continu toezicht op de toestand van de bodems in te stellen om tijdig maatregelen tegen erosie, verarming aan organisch materiaal, die meer uitstoot van broeikasgassen met zich meebrengt, en verlies aan landbouwgrond en biodiversiteit te kunnen nemen;

23.   vraagt de Commissie dan ook, naar aanleiding van haar voorstel voor een nieuwe definitie van berg- en eilandgebieden en andere gebieden die natuurlijke handicaps vertonen − dat in 2009 verwacht wordt − om voor de gebieden onder toezicht de omvang van het risico van achteruitgang en verschraling van de bodem als één van de belangrijkste evaluatiecriteria te beschouwen;

24.   acht het nodig om onderzoek, ontwikkeling en innovatie uit te breiden, met bijzondere aandacht voor de gebieden die het meest van waterschaarste en droogte te lijden hebben, en met inachtneming van de biotechnologische vooruitgang;

25.   vraagt de Commissie om naar aanleiding van de halftijdse herziening van het zevende kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, eveneens voor 2009 gepland, sterkere stimulansen te overwegen om in een groter aantal lidstaten onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's te ondersteunen om de kennis uit te breiden in het belang van duurzamer beheer van de bodem en de gebieden waar de achteruitgang zich voordoet;

26.   roept de Commissie op om te onderzoeken of er een kader ingesteld moet worden om de oorzaken en gevolgen van klimaatsveranderingen te bestrijden, vooral de achteruitgang van de bodemkwaliteit;

27.   meent dat er goede opleidings- en bijscholingsprogramma's moeten bestaan, zowel voor vakmensen als voor het groot publiek, met het tweeledig doel om specifieke oplossingen te zoeken en de gebruikers van hun collectieve verantwoordelijkheid bij gebruikmaking van de rijkdommen van de streek bewust te maken;

28.   vraagt dat de Europese Unie informatie- en scholingsmaatregelen treft, meer in het bijzonder voor jonge landbouwers, over de gevolgen van de klimaatverandering en de functie van de landbouwproductie bij het klimaat, om de invoering van landbouwtechnieken te stimuleren die het behoud van een goede bodemgesteldheid bevorderen;

29.   brengt in herinnering, zoals ook al in zijn resolutie van 5 juni 2008 over de toekomst van jonge landbouwers in het kader van de lopende hervorming van het GLB(4), dat de financiering van projecten bij voorrang op activiteiten moet worden afgestemd die de vestiging van jongeren in de landbouw kunnen bevorderen;

30.   acht het noodzakelijk dat de Unie haar onafhankelijkheid van de invoer van levensmiddelen en dierenvoer en haar zelfvoorziening uitbreidt en verbetert, vooral door betere bescherming van de landbouwgrond en zijn productieve eigenschappen, en meer in het bijzonder duurzaam gebruik van braakliggende gronden voor veeteelt aanmoedigt (met programma's om het verbruik van vlees van weidevee te stimuleren, premies voor natuurvriendelijk gebruik van weidegrond, enz.) om minder afhankelijk van invoer van dierenvoer te kunnen worden; vindt dat het GLB, om tot de voedselveiligheid en leefbaarheid van de wereld te kunnen bijdragen, op een evenwichtige verhouding tussen plantaardige productie, veeteelt en energieproductie in de landbouw van de Europese unie moet aansturen;

31.   vraagt, in het kader van een wereldwijde markt voor CO2, steun voor de instandhouding van de bossen en herbebossing, op de eerste plaats in de lidstaten die hun rijkdom aan natuurlijke bossen verloren zijn, en onderstreept dat er in de Europese Unie een integraal en duurzaam bosbouwbeleid gevolgd moet worden;

32.   onderstreept de rol van de bossen in de waterkringloop, naast het belang van evenwicht tussen beboste oppervlakten, grasland en bouwland voor duurzaam waterbeheer; beklemtoont vooral de functie van bodems met rijk organisch materiaal en doelmatige vruchtwisseling; waarschuwt dat het alsmaar intensiever gebruik van gronden een bedreiging voor de landbouw, de continuïteit van de voedselvoorziening en duurzaam waterbeheer vormt;

33.   vraagt om in de landbouwactiviteiten voor onderhoud van weiden, permanent grasland of beboste percelen de mogelijkheid te voorzien om de afgifte van groene certificaten aan de productie van openbare goederen te koppelen (opslag van kooldioxide, biodiversiteit, bescherming van de bodem);

34.   vraagt de lidstaten om gebruik te maken van de tweede pijler van het GLB om premies toe te kennen voor landbouwactiviteiten voor het onderhoud van weiden, permanent grasland en beboste percelen, en daarmee een bijdrage tot de productie van openbare goederen te leveren (opslag van kooldioxide, biodiversiteit, bescherming van de bodem); vraagt de Commissie om het behoud van braakland als prioriteit te beschouwen;

35.   verzoekt de Raad en de Commissie om strategieën te onderzoeken om beschadigde bodems te herstellen met stimulerende maatregelen die verdere aantasting beperken;

36.   verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 281.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0473.
(3) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0258.


Participatie van werknemers in ondernemingen met de status van Europese vennootschap
PDF 120kWORD 30k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over de participatie van werknemers in ondernemingen met de status van Europese vennootschap en andere begeleidende maatregelen
P6_TA(2009)0131B6-0110/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 25 juni 2008 getiteld "Denk eerst klein − Een "Small Business Act" voor Europa" (COM(2008)0394) en de werkprogramma's van de Commissie voor 2008 en 2009,

–   gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het Statuut van de Europese besloten vennootschap het MKB in de interne markt ten goede zal komen, maar ook open zal staan voor grotere bedrijven,

1.   verzoekt de Commissie om overeenkomstig artikel 138 van het EG-Verdrag de sociale partners te raadplegen, teneinde de bepalingen betreffende de participatie van werknemers in de interne markt te evalueren en waar nodig te harmoniseren, te creëren of te versterken;

2.   verzoekt de Commissie de impact van de bestaande Europese vennootschapsvormen en de desbetreffende jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (bijvoorbeeld Daily Mail en General Trust, Sevic Systems, Inspire Art, Überseering, en Cartesio) te evalueren ten aanzien van de participatie van werknemers in de ondernemingsraden en de mogelijke ontduiking of omzeiling van de geldende nationale voorschriften;

3.   verzoekt de Commissie om grensoverschrijdende problemen met betrekking tot ondernemingsbestuur, belastingwetgeving en financiële participatie van de werknemers in aandeelhoudersprogramma's in het kader van de hierboven voorgestelde raadpleging aan bod te laten komen; pleit voor een mogelijke herziening en/of nieuwe voorstellen, die met de Raad en het Parlement moeten worden besproken;

4.   verzoekt de Commissie na te gaan of in het Statuut van de Europese besloten vennootschap een bepaling moet worden opgenomen waarbij de terugbetaling van een lening of andere bijdrage van een aandeelhouder wordt achtergesteld indien een bijdrage tot het aandelenkapitaal passender zou zijn geweest (ingeval van een te hoge schuldenlast van het bedrijf zelf); meent dat moet worden overwogen om de aandeelhouder te verplichten de ontvangen terugbetaling terug te storten indien de terugbetaling in een periode kort voor de vaststelling van de insolvabiliteit van de onderneming heeft plaatsgevonden;

5.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Migrantenkinderen
PDF 123kWORD 33k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over migrantenkinderen die in het land van herkomst achterblijven
P6_TA(2009)0132B6-0112/2009

Het Europees Parlement,

–   gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, met name de artikelen 3 en 20 daarvan,

–   gelet op het Internationale Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden, met name de artikelen 38, 42 en 45 daarvan,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 24 daarvan,

–   gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het vrije verkeer van werknemers ten goede komt van de economieën van alle lidstaten en EU-burgers de kans op economische en maatschappelijke ontwikkeling biedt,

B.   overwegende dat dit positieve effect kan worden ondermijnd door ongewenste bijwerkingen van migratie, zoals de slechte leefomstandigheden van de in het land van herkomst achterblijvende kinderen van ouders die naar een andere lidstaat migreren,

C.   overwegende dat de arbeidsmigratie de afgelopen decennia gestaag is toegenomen en dat het merendeel van alle migranten wereldwijd − 64 miljoen − vandaag de dag in de Europese Unie leeft,

D.   overwegende dat migratie een groot vermogen heeft om ontwikkeling te stimuleren, maar dat het ook tot op heden onopgeloste problemen leidt in zowel het land van herkomst als het gastland,

E.   overwegende dat er volgens een studie van UNICEF en Social Alternatives in Roemenië in 2008 bijna 350 000 kinderen waren waarvan ten minste één ouder in het buitenland werkte, en bijna 126 000 waarvan beide ouders migrerend werknemer waren,

F.   overwegende dat migratie een positieve invloed kan hebben op huishoudens in het land van herkomst, omdat via overmakingen en andere kanalen de armoede wordt verminderd en in menselijk potentieel wordt geïnvesteerd,

G.   overwegende dat er voor kinderen die door in een andere lidstaat werkende ouders worden achtergelaten, echter ook mogelijke negatieve gevolgen zijn, zoals een algemeen gebrek aan zorg en aandacht voor fysieke en geestelijke gezondheid, en geestelijke-gezondheidsproblemen in verband met depressiviteit, gebrek aan vrije tijd voor spel en ontwikkeling, gebrekkige participatie op school en in het algemeen in onderwijs en opleiding, ondervoeding en kindermishandeling,

H.   overwegende dat er een algemeen beleid is ter verbetering van de levensomstandigheden en de opleiding van migrantenkinderen die met hun ouders meeverhuizen naar het gastland, maar dat er weinig aandacht wordt geschonken aan het verschijnsel van kinderen die in het land van herkomst achterblijven,

I.   overwegende dat kinderen vaak achtergelaten worden in het land van herkomst als gevolg van een gebrek aan informatie over de kansen en voordelen die de gastlanden te bieden hebben,

1.   roept de Commissie op een studie uit te voeren om de reikwijdte van het verschijnsel dat migrantenkinderen in het land van herkomst achtergelaten worden, op EU-niveau te beoordelen en in de hele EU gegevens over dit verschijnsel te verzamelen;

2.   roept de lidstaten op maatregelen te treffen om de omstandigheden van kinderen die door hun ouders in het land van herkomst zijn achtergelaten, te verbeteren en hun normale ontwikkeling in de zin van onderwijs en sociale integratie te garanderen;

3.   roept de lidstaten op samenwerkingsmechanismen op te zetten om de negatieve gevolgen van het apart wonen en het afstanden moeten overbruggen voor gezinnen, en met name voor kinderen, te voorkomen;

4.   roept de lidstaten op migranten beter te informeren over hun rechten en de rechten van hun gezinsleden wat betreft vrij verkeer en over de informatie die op nationaal en Europees niveau beschikbaar is over het leven in het buitenland en de rechten en plichten die verbonden zijn aan het werken in een andere lidstaat;

5.   roept de Commissie op alle belanghebbende partijen duidelijk te maken hoe de bestaande middelen ter ondersteuning van migranten en hun kinderen die in het land van herkomst blijven, adequaat worden toegepast;

6.   roept de Commissie en de lidstaten op de sociale partners en de NGO's actief te betrekken bij maatregelen ter verbetering van de situatie van migrantenkinderen;

7.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, alsmede aan de sociale partners.


Voortgangsverslag 2008 betreffende Kroatië
PDF 142kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over het voortgangsverslag 2008 betreffende Kroatië
P6_TA(2009)0133B6-0104/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien het besluit van de Raad van 3 oktober 2005 om de toetredingsonderhandelingen met Kroatië aan te vatten,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 april 2008 over het voortgangsverslag 2007 Kroatië(1),

–   gezien het voortgangsverslag 2008 voor Kroatië, dat de Commissie op 5 november 2008 gepubliceerd heeft (SEC(2008)2694),

–   gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat Kroatië op de drie onderdelen van de criteria van Kopenhagen over de gehele linie substantiële vooruitgang gemaakt heeft,

B.   overwegende dat deze aanzienlijke prestaties nu geconsolideerd moeten worden, en begeleid door aanhoudende inspanningen om de hervormingen waarvan sprake in het verslag van de Commissie en deze resolutie, aan te nemen en in praktijk te brengen,

C.   overwegende dat de EU maatregelen heeft genomen om de kwaliteit van het uitbreidingsproces te verbeteren,

D.   overwegende dat in de mededeling van de Commissie van 6 november 2007 getiteld "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2007-2008 (COM(2007)0663) vanaf de eerste etappes van de toetredingsonderhandelingen grote nadruk wordt gelegd op de rechtsstaat en op goed bestuur, met specifieke verwijzing naar het bestrijden van corruptie en van de georganiseerde misdaad, administratieve en gerechtelijke hervorming en de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld,

E.   overwegende dat afronding van de toetredingsonderhandelingen met Kroatië in 2009 het gemeenschappelijk streefdoel van alle belanghebbende partijen moet blijven,

F.   overwegende dat de moorden en overvallen die in 2008 plaatsvonden in alle scherpte aantonen dat er in Kroatië krachtig en met bekwame spoed tegen de corruptie en georganiseerde misdaad opgetreden moet worden,

G.   overwegende dat er een nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, een nieuwe minister van Justitie en een nieuw hoofd van de politie aangesteld zijn, met als opdracht om zich met de bewuste aangelegenheden bezig te houden,

Algemene opmerkingen

1.   wenst Kroatië geluk met de goede resultaten die het in 2008 bereikt heeft door de wetgeving aan te nemen en de hervormingen door te voeren die nodig zijn om voor lidmaatschap van de Europese Unie in aanmerking te komen;

2.   stelt met bijzonder grote tevredenheid vast dat het wet- en regelgevend werk eindelijk van inspanningen vergezeld gaat om de administratieve mogelijkheden die nodig zijn om dergelijke hervormingen te kunnen doorvoeren, te verbeteren en uit te breiden;

3.   is optimistisch dat het gestelde doel, afronding van de onderhandelingen in 2009 in overeenstemming met het door de Commissie gepubliceerde indicatieve draaiboek, kan worden gehaald, mits de regering van Kroatië in het bijzonder de meer gevoelig liggende kwesties in verband met het toetredingsproces, waaronder bestrijding van de georganiseerde misdaad en fraude, energieker aanpakt en uiteindelijk aan de ijkpunten op deze terreinen voldoet, en ook op voorwaarde dat de Raad bereid en in staat is alle onderhandelingshoofdstukken zonder verdere vertraging te openen;

4.   toont zich verheugd over de aanbeveling van de Commissie dat de Raad een technische werkgroep ad hoc instelt die belast wordt met het opstellen van het toetredingsverdrag; beveelt eveneens aan dat de werkzaamheden van deze werkgroep parallel met de onderhandelingen verlopen en daarom van start gaan tijdens het eerste semester van 2009; is bovendien ingenomen met het voornemen van de Commissie om in de loop van 2009 een mededeling voor te leggen met een gedetailleerde beschrijving van de financiële impact van de toetreding van Kroatië tot de EU;

Politieke criteria

5.   stelt met tevredenheid de vooruitgang vast bij de aanneming van essentiële documenten en wetgeving voor een aantal beleidsonderdelen, meer in het bijzonder de strijd tegen discriminatie, rechten van de vrouw, rechten van minderheden en terugkeer van vluchtelingen; wijst erop dat het nu vooral om spoedige en doeltreffende uitvoering gaat;

6.   wijst er wel op dat de hervorming van het openbaar bestuur voortgezet moet worden met de invoering van een nieuwe bezoldigingsregeling en een ingrijpende herziening van de administratieve procedures om de doorzichtigheid en verantwoordelijkheid van de openbare dienst in Kroatië te verbeteren en hem verder te depolitiseren; vraagt speciale aandacht voor de regionale en plaatselijke besturen omdat hun mogelijkheden om nieuwe verantwoordelijkheden op zich te nemen van centraal belang voor het welslagen van het decentraliseringsproces zijn;

7.   onderstreept dat het van groot belang is dat buitenlandse investeerders rechtszekerheid en gelijkheid voor de wet genieten, en dringt er in dit verband bij de Kroatische autoriteiten op aan om overeenkomstig de desbetreffende uitspraken van het Kroatische Constitutionele Hof de nog uistaande gevallen waarin het gaat om teruggave van eigendom, op korte termijn te regelen;

8.   meent dat er ernstiger inspanningen voor het gerechtelijk apparaat nodig zijn om de wezenlijke oorzaken van de gerechtelijke achterstand en de al te langdurige procedures aan te pakken, snel een echte en volledige rationalisering van de rechtbanken op gang te brengen die alle soorten rechtbanken omvat, een objectieve en doorzichtige selectieprocedure en individuele evaluatie- en bevorderingscriteria voor de rechters in te voeren, te zorgen dat oorlogsmisdaden volgens algemeen aanvaarde normen behandeld worden, ongeacht etnische afkomst, en ten laatste mogelijke oplossingen voor procesvoeringen en veroordelingen bij verstek te vinden, vooral door een sterkere samenwerking op regionaal niveau;

9.   neemt kennis van de verklaring van de aanklager van het Internationaal Straftribunaal voor voormalig Joegoslavië voor de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 12 december 2008, waarin hij aangeeft dat Kroatië op de meeste verzoeken om medewerking van zijn bureau is ingegaan, maar er tegelijk ook op wijst dat bepaalde essentiële militaire documenten in verband met de zaak Gotovina nog steeds niet boven water zijn; dringt erop aan dat de Kroatische regering grotere inspanningen doet om deze documenten ogenblikkelijk beschikbaar te stellen aan het Tribunaal;

10.   verheugt zich erover dat de Kroatische regering eindelijk extra maatregelen tegen corruptie en de georganiseerde misdaad getroffen heeft; benadrukt dat de uitgebreide onderzoeks- en vervolgingsactiviteiten van de Uskok (dienst ter bestrijding van corruptie en de georganiseerde misdaad) vergezeld moeten gaan van vergelijkbaar politioneel en gerechtelijk optreden om resultaten te mogen verwachten; meent dat er op alle niveaus nultolerantie moet heersen en dat er vonnissen geveld en uitgevoerd moeten worden, ook door inbeslagname van goederen; toont zich in dit verband ingenomen met de goedkeuring van wetgeving met betrekking tot de tijdelijke bevriezing van het vermogen van alle personen die beschuldigd worden van corruptie en georganiseerde misdaad;

11.   constateert met voldoening dat in vier verschillende rechtbanken afdelingen zijn opgericht die zich specifiek bezighouden met de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, en dat de zestig voor die afdelingen aangewezen rechters zijn beoordeeld en substantiële financiële stimulansen zullen krijgen die het complexe en gevoelige karakter van hun taken weerspiegelen;

12.   vraagt in dit verband dat de Kroatische regering ervoor zorgt dat de politie en de rechterlijke macht de onafhankelijkheid en de bewegingsvrijheid evenals het personeel en de financiële middelen krijgen die ze nodig hebben om hun mandaat in de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad uit te voeren;

13.   stelt met genoegen vast dat er in Kroatië persvrijheid heerst, maar vestigt de aandacht op een aantal recente gevallen van intimidatie en zelfs moord op journalisten die zich met corruptiezaken en de georganiseerde misdaad bezighielden; vraagt de politie en het gerechtelijk apparaat om de bewuste gevallen met vastberadenheid te onderzoeken en vervolging in te stellen om opnieuw voor een constructief klimaat in het land te zorgen en de blijvende naleving van de politieke criteria voor de toetreding te garanderen; beklemtoont in dit verband de noodzaak van onvoorwaardelijke bescherming van de mensenrechten, waarover niet politiek kan worden onderhandeld;

14.   acht het verheugend dat de Kroatische regering een actieplan heeft goedgekeurd voor de toepassing van de grondwettelijke voorschriften op nationale minderheden en dat de financiële middelen zijn verhoogd; dringt bij de Kroatische autoriteiten aan op uitvoering van dit plan in nauw overleg met de niet-gouvernementele organisaties die de minderheidsgemeenschappen vertegenwoordigen; benadrukt bovendien dat men zich op de economische en sociale rechten van de minderheden moet concentreren, vooral werkgelegenheidsvoorziening, en een strategie op lange termijn moet uitwerken voor de tewerkstelling van leden van minderheden in het openbaar bestuur en het gerechtelijk apparaat; vraagt verder dat de raden voor nationale minderheden budgettaire autonomie van de plaatselijke overheden genieten die ze geacht worden van advies te dienen, zodat ze hun mandaat in volledige onafhankelijkheid kunnen uitoefenen;

15.   toont zich verheugd over de vorderingen op het vlak van het minderhedenbeleid in Kroatië, in het bijzonder over het feit dat de minderheden nu zowel een gegarandeerd recht hebben op onderwijskansen als op vertegenwoordiging in het parlement;

16.   is ingenomen met de continue vorderingen op het vlak van het onderricht van minderheden; vreest echter dat de huidige structuren segregatie in stand houden in plaats van de integratie van verschillende etnische groepen (bijvoorbeeld door middel van gedeelde klassen) te bevorderen, vreest tevens dat, vooral in het geval van de Roma, deze regelingen ertoe kunnen leiden dat het onderricht van mindere kwaliteit is dan dat in traditionele klassen;

17.   stelt vast dat er tastbare resultaten bereikt zijn om de voorwaarden voor de terugkeer van vluchtelingen tot stand te brengen, maar dat er nog veel te doen blijft om hun terugkeer concreet mogelijk te maken, vooral op het vlak van huisvesting − meer bepaald voor degenen die vroeger een huurwoning in stadsgebieden hadden −, integratie en toegang tot de arbeidsmarkt; benadrukt de noodzaak om de terugkeerprogramma's uit te voeren in samenhang met andere sociale programma's en tewerkstellingsprogramma's;

18.   verheugt zich eveneens over de goedkeuring van een omvangrijke wetgeving tegen discriminatie en hecht veel belang aan daadwerkelijke omzetting daarvan; vraagt de nationale en plaatselijke overheden om blijk te geven van nultolerantie in gevallen van rassenhaat of elke andere vorm van haat en ervoor te zorgen dat dit soort incidenten wel degelijk vervolgd wordt; verzoekt de nationale autoriteiten voorts de rechten van seksuele minderheden te beschermen;

Economische criteria

19.   vindt de uitbreiding van de werkgelegenheid en de aanhoudende economische groei die Kroatië optekent, bemoedigend; wijst niettemin op de blijvend hoge werkloosheidscijfers onder jongeren en minderheidsgroepen en op de terugslag van de hogere voedselprijzen en de inflatie in het algemeen op de levensomstandigheden van de gewone burgers;

20.   wijst erop dat het toenemend handelsdeficit en het tekort op de lopende rekening, net als de buitenlandse schuld, aandacht verdienen, omdat ze de Kroatische economie kwetsbaarder en sterker aan gevaren onderhevig maken; benadrukt dat het tempo van de structurele hervormingen opgedreven zal moeten worden om het huidig economisch groeiniveau te handhaven en Kroatië in de gelegenheid te stellen om aansluiting te vinden bij de EU-lidstaten;

21.   wijst erop dat in nauw overleg met alle belanghebbenden een beleid moet worden gestimuleerd waarmee een veilige energievoorziening en een duurzame ontwikkeling met elkaar worden verenigd; verzoekt de Kroatische autoriteiten zich te houden aan de doelstellingen in het klimaatpakket van de EU en de nodige prioriteit toe te kennen aan energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen, met name in kustgebieden; herinnert Kroatië aan de financieringsmogelijkheden die de EU in dit opzicht biedt aan het Middellandse-Zeegebied; is verheugd over de goedkeuring van een actieplan voor de uitvoering van het Kyoto-protocol en verzoekt de autoriteiten alle passende maatregelen te nemen voor een daadwerkelijke vermindering van de industriële emissies;

Mogelijkheden om de verplichtingen van het lidmaatschap na te komen

22.   verheugt zich globaal gezien over het algemeen tempo van de aanpassing van de wetgeving; vindt wel dat de kwaliteit van de wetten meer aandacht verdient; spoort de Kroatische overheden aan om te blijven werken aan de ontwikkeling van de bestuurlijke capaciteit die nodig is om het acquis in praktijk te kunnen brengen;

23.   verheugt zich over de vorderingen in het aan de gang zijnde privatiseringsproces in de staal- en telecommunicatiesector en over het besluit van de Kroatische overheden om openbare aanbestedingen voor de privatisering van de Kroatische scheepswerven uit te schrijven, die in 2009 voltooid zou moeten zijn, en benadrukt dat de verkoop van de werven in volledige doorzichtigheid en volgens de concurrentieregels van de Europese Unie moet plaatsvinden; vraagt de Kroatische regering om met de bijstand van de Commissie speciale maatregelen te treffen om de sociale kosten van de herstructurering op te vangen; vraagt de Commissie en de Raad rekening te houden met de huidige economische en financiële crisis bij hun beoordeling van de vorderingen die Kroatië heeft gemaakt voor wat het doorvoeren van de nodige hervormingen betreft;

24.   stelt vast dat de vooruitgang in de landbouw ongelijk is, en met name dat de situatie op het gebied van kwaliteitsbeleid en biologische landbouw veel verbeterd is, maar dat de mogelijkheden om van de fondsen voor plattelandsontwikkeling gebruik te maken, uitgebreid moeten worden; benadrukt dat ruimere bestuurlijke mogelijkheden en hervorming van het bijstandstelsel voor de landbouw noodzakelijk zijn om een vlotte overgang op het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie te verzekeren en de sociale gevolgen van de overgang zo gering mogelijk te houden;

25.   vraagt de Kroatische overheden om degelijk gebruik te maken van de EU-middelen voor de voorbereiding van de toetreding en op alle niveaus − centraal, regionaal en plaatselijk − de structuren in gereedheid te brengen en van de technische kennis te voorzien die voor de structuur- en cohesiefondsen van de Europese Unie benodigd zijn;

Regionale samenwerking

26.   betreurt het ten zeerste dat de toetredingsonderhandelingen langere tijd wegens bilaterale vraagstukken feitelijk geblokkeerd zijn geweest;

27.   onderstreept dat bilaterale kwesties geen hindernis voor het maken van vorderingen in de toetredingsonderhandelingen mogen vormen, op voorwaarde dat deze onderhandelingen niet worden gebruikt om vooruit te lopen op een definitieve oplossing van deze kwesties; dringt er niettemin bij de Kroatische regering en de regeringen van de buurlanden op aan om al hun openstaande problemen snel te regelen;

28.   benadrukt dat goede betrekkingen met de buurlanden een essentieel onderdeel van het Europese integratieproces blijven, en verzoekt Kroatië en zijn buurlanden de samenwerking in de regio te bevorderen en meer in grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten te investeren;

29.   herinnert aan het feit dat de eerste ministers van Kroatië en Slovenië op 26 augustus 2007 tot de informele overeenkomst zijn gekomen om hun grensgeschil voor te leggen aan een internationale instantie, verwelkomt de bereidheid van Kroatië en Slovenië het door de Commissie gedane bemiddelingsvoorstel te aanvaarden en is van oordeel dat deze bemiddeling dient te steunen op het internationale recht; kijkt in dit kader uit naar een snelle vooruitgang van de toetredingsonderhandelingen;

o
o   o

30.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering en het parlement van Kroatië.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0120.


Voortgangsverslag 2008 betreffende Turkije
PDF 152kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over het voortgangsverslag 2008 betreffende Turkije
P6_TA(2009)0134B6-0105/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien het voortgangsverslag 2008 over Turkije, gepubliceerd door de Commissie op 5 november 2008 (SEC(2008)2699),

–   onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties van 27 september 2006 over de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding(1), van 24 oktober 2007 over de betrekkingen EU-Turkije(2) en van 21 mei 2008 inzake het voortgangsverslag 2007 over Turkije(3),

–   gezien het op 3 oktober 2005 goedgekeurde onderhandelingskader voor Turkije,

–   gezien Besluit 2008/157/EG van de Raad van 18 februari 2008 betreffende de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die worden opgenomen in het toetredingspartnerschap met Turkije(4) ("het Toetredingspartnerschap") alsmede de eerdere besluiten van de Raad betreffende het Toetredingspartnerschap van 2001, 2003 en 2006,

–   gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat na goedkeuring van het kader voor onderhandelingen door de Raad op 3 oktober 2005 toetredingsonderhandelingen met Turkije werden geopend, en dat het openen van deze onderhandelingen het beginpunt was van een langdurig proces met een open einde,

B.   overwegende dat Turkije zich verplicht heeft tot hervormingen, goede betrekkingen met zijn buren en geleidelijke aanpassing aan de EU, en dat deze inspanningen voor Turkije zelf beschouwd moeten worden als een kans tot verdere modernisering,

C.   overwegende dat het volledig voldoen aan alle criteria van Kopenhagen en het integratievermogen van de EU in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van december 2006 de basis blijven voor toetreding tot de EU, die een gemeenschap is die berust op gedeelde waarden,

D.   overwegende dat de Commissie tot de conclusie komt dat 2008 gekenmerkt werd door grote politieke spanningen en dat de Turkse regering ondanks haar krachtige mandaat geen consistent en omvattend programma van politieke hervormingen heeft voorgelegd,

E.   overwegende dat Turkije de bepalingen die voortvloeien uit de associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije en het aanvullend protocol daarbij nog steeds niet ten uitvoer heeft gelegd,

F.   overwegende dat in 2008 vier onderhandelingshoofdstukken werden geopend,

1.   stelt met bezorgdheid vast dat het hervormingsproces in Turkije voor het derde achtereenvolgende jaar steeds meer vertraagt en roept de Turkse regering op om te bewijzen dat zij de politieke wil heeft om het hervormingsproces waartoe zij zich in 2005 heeft verbonden, voort te zetten; beklemtoont dat deze modernisering in de eerste plaats in Turkije's eigen belang is en ten goede komt aan de Turkse maatschappij als geheel;

2.   is verontrust over de toenemende polarisatie binnen de Turkse samenleving en tussen de grootste politieke partijen, die in de loop van 2008 verder is toegenomen en negatieve gevolgen heeft gehad voor de werking van de politieke instellingen en het hervormingsproces;

3.   beklemtoont dat politieke hervormingen de kern van het hervormingsproces vormen en juicht het toe dat de Turkse regering een Nationaal Programma voor de goedkeuring van het acquis heeft opgesteld en goedgekeurd;

4.   dringt er bij de leiders van de politieke partijen op aan serieus naar een dialoog te streven en compromisbereid tot overeenstemming te komen over een hervormingsagenda voor de modernisering van Turkije tot een stabiele, democratische, pluralistische, seculiere en welvarende samenleving die eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden als leidraad heeft en gebaseerd is op de beginselen van de rechtsstaat;

I.Naleving van de criteria van Kopenhagen
Democratie en rechtsstaat

5.   betreurt het dat de eerste poging om de grondwet radicaal te hervormen tot een twist over het dragen van de hoofddoek heeft geleid en heeft bijgedragen aan verdere polarisatie van de samenleving; roept de Turkse regering op om haar werk aan een nieuwe burgerlijke grondwet waarin de bescherming van de mensenrechten en de burgerlijke vrijheden centraal staat, te hervatten en ervoor te zorgen dat de politieke partijen en middenveldorganisaties alsook etnische en religieuze minderheden nauw bij de opstelling van de grondwet worden betrokken;

6.   is verontrust over de zaken die in 2008 tegen twee in het parlement vertegenwoordigde partijen zijn aangespannen om ze te ontbinden, met name de nog hangende zaak tegen de Partij voor een Democratische samenleving (DTP); wijst erop dat wijziging van de wetgeving inzake de politieke partijen prioriteit heeft, om te zorgen dat deze wetgeving volledig strookt met de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens en de aanbevelingen van de Venetië-commissie van de Raad van Europa;

7.   roept de Turkse autoriteiten op alle nodige maatregelen te nemen om toe te staan dat alle partijen die aan verkiezingen deelnemen vertegenwoordigd zijn in de kiescommissie;

8.   betreurt het dat geen vooruitgang is gemaakt met de instelling van een volledig systematisch burgerlijk toezicht op de strijdkrachten en de versterking van de parlementaire controle op het militaire en defensiebeleid;

9.   neemt nota van de vooruitgang die is gemaakt bij het ontwikkelen van een strategie voor de hervorming van de rechterlijke macht; onderstreept evenwel dat dringend nieuwe stelselmatige inspanningen gedaan moeten worden om de onpartijdigheid en de beroepsbekwaamheid van de rechterlijke macht te verbeteren en om ervoor te zorgen dat de magistratuur zich niet langer mengt in het politieke debat en zich houdt aan de regels van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EMRV);

10.   betreurt het dat geen vooruitgang is geboekt met de instelling van een bureau van de ombudsman; neemt kennis van de negatieve uitspraak van het Constitutionele Hof over de wet op de ombudsman en dringt er bij de Turkse regering op aan om het voor de instelling van dit bureau noodzakelijke wetsontwerp, waaraan zowel de regering als het parlement eerder steun hebben betuigd, zo spoedig mogelijk opnieuw in te dienen;

11.   betreurt het dat de Turkse regering geen algemene strategie voor corruptiebestrijding heeft voorgelegd; onderstreept de noodzaak van sterker parlementair toezicht op de overheidsuitgaven en van nieuwe wetgeving inzake de Rekenkamer;

12.   stelt met voldoening vast dat een begin is gemaakt met het proces tegen de personen die ervan beschuldigd worden lid te zijn van de criminele organisatie Ergenekon; moedigt de autoriteiten aan om het onderzoek voort te zetten en de netwerken van de organisatie, die zich uitstrekken tot het staatsapparaat, volledig bloot te leggen; is bezorgd over berichten aangaande de behandeling van beklaagden in deze zaak, dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan hun een eerlijk proces te geven en zich strikt te houden aan de beginselen van de rechtsstaat;

Mensenrechten en eerbiediging en bescherming van minderheden

13.   betreurt het dat de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid in Turkije nog niet volledig gegarandeerd zijn; is van mening dat de persvrijheid in een democratische, pluralistische maatschappij niet gebaat is bij het frequent verbieden van bepaalde websites of pressie op of processen tegen kritische persorganen; is ook van mening dat de aanneming in april 2008 van een amendement op artikel 301 van het wetboek van strafrecht niet volstaat, omdat er nog steeds mensen voor het uiten van niet-gewelddadige meningen vervolgd worden op basis van dit en andere artikelen van het wetboek van strafrecht, de anti-terreurwet of de perswet, zoals de met de 1995 Sacharov-prijs voor vrijheid van denken onderscheiden Leyla Zana; herhaalt dat de intrekking van artikel 301 en een fundamentele hervorming van het wetboek van strafrecht en van andere wetten die worden aangewend om willekeurig beperkingen op te leggen aan niet-gewelddadige standpunten, nodig zijn om te garanderen dat de vrijheid van meningsuiting volledig wordt geëerbiedigd overeenkomstig de regels van het EMRV;

14.   verwelkomt de verontschuldigingen die de minister van Justitie, Mehmet Ali Sahin, namens de regering heeft aangeboden aan de familie van Engin Ceber, die als gevolg van mishandelingen in de gevangenis is overleden; sluit zich aan bij de Commissie mensenrechten van het Turkse parlement, die zich zorgen maakt over het feit dat justitie nalaat strafvervolging in te stellen in gevallen van foltering en mishandeling, die zich in toenemende mate voordoen; roept de Turkse regering op om zich ook verder systematisch te beijveren voor het beëindigen van foltering en mishandeling binnen en buiten officiële detentie-inrichtingen en een einde te maken aan de cultuur van straffeloosheid; onderstreept in dit verband dat de ratificatie en tenuitvoerlegging van het facultatief protocol bij het VN-Verdrag tegen foltering de geloofwaardigheid van dit streven aanzienlijk zou vergroten; is tevens verontrust over excessief politiegeweld bij het optreden tegen publieke demonstraties;

15.   verwelkomt het werk dat door de onderzoekcommissie voor de mensenrechten van de Turkse Grote Nationale Vergadering is verricht bij het onderzoek naar foltering en mishandeling in gevangenissen en naar de moord op journalist Hrant Dink; verzoekt de Turkse autoriteiten met klem volledig de consequenties te trekken uit de bevindingen in de verslagen van deze commissie en in het verslag van het comité van toezicht van de eerste minister; is tevens van mening dat ernstig rekening gehouden moet worden met een mogelijke betrokkenheid van Ergenekon bij andere tot op heden onopgeloste zaken, zoals de moord op Hrant Dink;

16.   verwelkomt de aanneming in februari 2008 van de wet betreffende stichtingen en waardeert de opmerking van de Commissie dat de wet betreffende stichtingen een aantal kwesties regelt in verband met de eigendomsrechten van niet-moslimgemeenschappen; dringt er bij de Turkse regering op aan ervoor te zorgen dat de wet overeenkomstig de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens wordt uitgevoerd, en een oplossing te bieden voor de tot dusverre onopgeloste kwestie van in beslag genomen en aan derden verkocht onroerend goed en van bezittingen van stichtingen die zijn gefuseerd vóór de aanneming van de nieuwe wetgeving;

17.   herhaalt dat er nog steeds behoefte is aan een op grond van de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens ontwikkeld wettelijk kader om te zorgen dat alle religieuze gemeenschappen zonder onterechte beperkingen kunnen functioneren, met name op het gebied van hun rechtspositie, de opleiding van geestelijken, het kiezen van hun voorgangers, godsdienstonderwijs en de bouw van gebedshuizen; dringt er bij de Turkse autoriteiten, alle politieke partijen, het maatschappelijk middenveld en de betrokken gemeenschappen op aan een omgeving te creëren die gunstig is voor de volledige eerbiediging van de godsdienstvrijheid in de praktijk; pleit eens te meer voor de onmiddellijke heropening van het Grieks-orthodoxe Halki-seminarie en voor het openbare gebruik van de kerkelijke titel van de oecumenisch patriarch; verwelkomt de recente initiatieven van de regering en de besprekingen die tussen de regering en Alevitische leiders plaatsvinden over lang lopende kwesties, zoals Alevitische plaatsen voor de eredienst en de oprichting van een gedenkteken ter herinnering aan het bloedbad van Sivas, en roept de Turkse regering op om hun problemen onverwijld aan te pakken en godsdienstonderwijs van overheidswege niet langer verplicht te stellen; betreurt de geplande onteigening van het Syrisch-orthodoxe klooster St. Gabriel in Tur Abdin en de gerechtelijke procedures tegen de vertegenwoordigers van het klooster;

18.   dringt er bij de Turkse regering op aan om met grote spoed een politiek initiatief te lanceren ten gunste van een duurzame regeling van de Koerdische kwestie, teneinde de economische en sociale mogelijkheden van burgers van Koerdische origine te vergroten en hun culturele rechten duidelijk te verbeteren, met inbegrip van reële mogelijkheden om Koerdisch te leren op openbare en particuliere scholen en deze taal te gebruiken in de omroep, en bij de toegang tot openbare diensten, en om gekozen vertegenwoordigers toe te staan om naast het Turks een tweede taal te gebruiken om met de mensen in hun kiesdistrict te communiceren; juicht het toe dat sinds 1 januari 2009 een openbare televisiezender in de Koerdische taal dag en nacht in de lucht is;

19.   veroordeelt de gewelddaden van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) en andere terroristische groepen op Turkse bodem; betuigt nogmaals zijn solidariteit met Turkije in de strijd tegen het terrorisme en roept de PKK opnieuw op om met onmiddellijke ingang een onvoorwaardelijke wapenstilstand af te kondigen en deze ook na te leven;

20.   doet een beroep op de DTP en al haar gekozen leden om zich duidelijk te distantiëren van de terroristische PKK en het door de PKK gebruikte geweld, en doet een beroep op alle partijen een bijdrage te leveren aan een oplossing die de stabiliteit, welvaart en integriteit van de Turkse staat vergroot;

21.   stelt vast dat de Turkse regering heeft besloten het Project voor Zuid-Oost-Anatolië (GAP) voor de ontwikkeling van het zuidoosten van Turkije te voltooien; verwijst evenwel naar de sociale, ecologische, culturele en geopolitieke gevolgen van het GAP, met inbegrip van de gevolgen voor de waterbevoorrading van de buurlanden Irak en Syrië, en verzoekt de regering bij haar werk aan het plan ten volle met deze kwesties rekening te houden, de rechten van de betrokken bevolking te beschermen en een nauwe samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten te verzekeren; verzoekt de Commissie een studie naar het GAP en de gevolgen ervan te presenteren;

22.   herhaalt dat Europese waarden als pluralisme en diversiteit een veel ruimere omschrijving van minderheden, uitgaande van het verdrag van Lausanne (1923), omvatten dat de door Turkije gebruikte; is verontrust over de voortdurende vijandigheid en gewelddaden tegenover minderheden; maakt zich zorgen over het feit dat Turkije geen vorderingen heeft gemaakt bij het garanderen van de culturele verscheidenheid en de bevordering en bescherming van minderheden overeenkomstig de regels van het Europese Hof voor de rechten van de mens; dringt er bij de Turkse regering op aan een begin te maken met de hoogst nodige dialoog met de Hoge Commissaris voor nationale minderheden van de OVSE over kwesties zoals de deelneming van minderheden aan het openbaar leven en omroepuitzendingen in minderheidstalen;

23.   roept de Turkse regering op om op te treden tegen organisaties en groepen die opstoken tot vijandigheid tegen minderheden, en allen die bedreigd worden en voor hun leven vrezen te beschermen, en tegelijk alles in het werk te stellen om een omgeving te scheppen die leidt tot volledige eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden;

24.   verzoekt de Turkse regering naar oplossingen te zoeken om het biculturele karakter van de Turkse eilanden Gökceada (Imvros) en Bozcaada (Tenedos) te bewaren, en om de problemen aan te pakken die de leden van de Griekse minderheid ondervinden in het onderwijs en met hun eigendomsrechten;

25.   verwelkomt de instelling van een "Commissie gelijke kansen voor vrouwen en mannen" in het Turkse parlement; is verheugd over de vaststelling van de Commissie dat het wettelijk kader dat de rechten van de vrouw en de gendergelijkheid waarborgt, grotendeels tot stand gebracht is; dringt er echter bij de Turkse regering op aan dat hieraan uitvoering wordt gegeven, zodat de positie van de vrouw in Turkije in positieve zin wordt beïnvloed; wijst erop dat de komende gemeenteraadsverkiezingen de kans bieden om de geringe vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek te verhelpen;

26.   is bezorgd over het feit dat het aantal gemelde "eremoorden" in Turkije toeneemt en roept de Turkse autoriteiten en het maatschappelijk middenveld op om meer te doen om een eind te maken aan dergelijke moorden, huiselijk geweld en gedwongen huwelijken; begroet de toename van het aantal opvanghuizen, maar wijst erop dat er dringend behoefte is aan een effectief en duurzaam beleid inzake geldmiddelen en personeel alsmede steun voor de vrouwen en hun kinderen na het verlaten van een opvanghuis; verzoekt de Turkse regering om de vrouwenhandel in nauwe samenwerking met de lidstaten te bestrijden;

27.   begroet het besluit van het Hoog Hof van Beroep om het verbod van de belangengroep Lambda Istanbul ongedaan te maken; dringt er bij de regering op aan gelijke behandeling zonder discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te waarborgen;

Aanwezigheid van een functionerende markteconomie

28.   stelt met voldoening vast dat de Commissie van oordeel is dat Turkije een functionerende markteconomie heeft;

29.   stelt vast dat de economische groei in Turkije in 2008 weliswaar vertraagd is, maar dat de algemene economische prestaties van het land laten zien dat de fundamenten en de veerkracht van de Turkse economie aanzienlijk robuuster zijn dan enkele jaren geleden; wijst erop dat de gevolgen van de wereldwijde financiële crisis op het Turkse bankstelsel tot nog toe beperkt blijven, maar maakt zich wel zorgen over de gevolgen van de crisis voor de economische groei; verzoekt de Commissie meer in het bijzonder verslag uit te brengen over de gevolgen van de crisis voor de Turkse economie; moedigt de Turkse regering aan haar nauwe samenwerking met het Internationale Monetaire Fonds en andere internationale en Europese financiële instellingen voort te zetten;

Vermogen om de verplichtingen van het lidmaatschap op zich te nemen

30.   betreurt het dat Turkije een aantal toezeggingen die het heeft gedaan in het kader van de douane-unie EG-Turkije niet is nagekomen, wat tot een verstoring van de bilaterale handelsbetrekkingen leidt;

31.   wijst erop dat Turkije krachtens de douane-unie verplicht is tot onderhandelingen over en het sluiten van vrijhandelsovereenkomsten (VHO) met derde landen waarmee de EU een VHO heeft gesloten; roept de Raad en de Commissie op om Turkije te betrekken bij de effectbeoordeling van toekomstige VHO's tussen de EU en derde landen en meer informatie door te geven over het standpunt van de EU en de stand van zaken bij de VHO-onderhandelingen;

32.   betreurt het dat de associatieovereenkomst tussen de EG en Turkije en het aanvullend protocol daarbij nog steeds niet volledig door de Turkse regering ten uitvoer zijn gelegd; herinnert eraan dat als Turkije in december 2009 nog steeds niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, het onderhandelingsproces ernstig in het gedrag kan komen; verzoekt de Raad om overeenkomstig zijn conclusies van 11 december 2006 te blijven toezien op de vorderingen die worden gemaakt op de punten die worden behandeld in de verklaring van de Gemeenschap en haar lidstaten van 21 september 2005;

33.   complimenteert Turkije met zijn vorderingen op het gebied van onderwijs en cultuur; herhaalt dat een beleid dat erop gericht is het onderwijs toegankelijk te maken voor allen niet alleen goed is voor de integratie van minderheden, maar ook de basis is voor een welvarende en moderne maatschappij; beschouwt het plan om afdelingen voor Armeense en Koerdische studies te openen aan Turkse universiteiten als teken van goede wil dat gevolgd moet worden door concrete actie;

II.Vergroting van de welvaart
Vergroting van de sociale cohesie en de welvaart

34.   wijst erop dat een sociaal gerichte markteconomie de grondslag vormt voor een samenleving met sociale cohesie en een van de kernvoorwaarden is voor stabiliteit en welvaart; verwelkomt daarom de aanneming van de wet sociale verzekering en algemene ziekteverzekering, daar deze wet bijdraagt tot vergroting van de sociale samenhang van de Turkse samenleving;

35.   verwelkomt ook de aanneming in mei 2008 van het werkgelegenheidspakket door het Turkse parlement, dat ten doel heeft de kansen op werk voor vrouwen, jongeren en personen met handicaps te vergroten; is evenwel bezorgd over de blijvende slapte op de arbeidsmarkt, die slechts werk geeft aan 43% van de beroepsbevolking, en maakt zich vooral zorgen over de daling over de hele linie van het werkgelegenheidscijfer voor vrouwen; verzoekt de Turkse regering om extra maatregelen te nemen om het probleem van de informele economie aan te pakken;

36.   roept de Turkse regering nogmaals op om verdere concrete stappen te zetten om de positie van vrouwen in politiek, economisch en sociaal opzicht te versterken, bijvoorbeeld door tijdelijke maatregelen om hun actieve betrokkenheid bij de politiek te vergroten; onderstreept de noodzaak om doeltreffende maatregelen te nemen om de instroom van vrouwen in het onderwijs te vergroten, want deze is in Turkije helaas nog steeds het laagst van alle OESO-landen;

37.   neemt nota van de vooruitgang die is gemaakt op het terrein van de gezondheidszorg; vindt het echter zorgwekkend dat geen vooruitgang gemeld kan worden op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg; verzoekt de Turkse autoriteiten met klem om meer middelen beschikbaar te stellen voor de geestelijke gezondheidszorg en een oplossing te vinden voor het probleem van de tekortschietende algemene medische verzorging en behandeling van mensen met geestelijke handicaps in psychiatrische inrichtingen en rehabilitatiecentra; wenst dat bij behandeling van kinderen en volwassenen met handicaps in inrichtingen, hun rechten ten volle worden geëerbiedigd;

38.   betreurt het dat geen vorderingen zijn gemaakt met de wijziging van de wetgeving inzake de vakbondsrechten en roept het Turkse parlement op een nieuwe wet op de vakbonden goed te keuren die strookt met de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie; betreurt het dat de activiteiten van vakbonden, ondanks de versoepeling in 2004 van de bepalingen inzake de vorming en het lidmaatschap van vakbonden, aan beperkingen onderhevig blijven; verzoekt de Turkse autoriteiten om samen met de vakbonden een oplossing te vinden die ervoor zorgt dat op 1 mei, met eerbiediging van de vrijheid van vereniging, vreedzaam gedemonstreerd kan worden op het Taksim-plein in Istanbul;

39.   onderstreept eens te meer de noodzaak iets te doen aan het probleem van de verschillen in ontwikkeling tussen Turkse regio's en tussen het platteland en de stad, want dit probleem vormt een groot obstakel voor een welvarende Turkse maatschappij; betreurt dan ook dat tot dusverre door de Turkse regering geen globale strategie is voorgelegd om dit probleem aan te pakken en is teleurgesteld dat de Commissie geen informatie heeft verstrekt over de bijdrage van de EU aan deze strategische planning uit hoofde van het Instrument voor pretoetredingssteun, zoals door het Parlement was verzocht in zijn hogergenoemde resolutie van 21 mei 2008;

III.Opbouwen van goede nabuurschaprelaties

40.   onderstreept de noodzaak van een allesomvattende regeling van de kwestie Cyprus op basis van de resoluties van de VN-veiligheidsraad en de beginselen waarop de Europese Unie is gefundeerd; verwelkomt de hernieuwde bereidheid van de twee leiders aan beide kanten om een oplossing te vinden door onderhandelingen en steunt de rechtstreekse onderhandelingen die plaatsvinden tussen de leiders van de twee gemeenschappen op Cyprus en zal elke overeenkomst tussen hen accepteren, mits deze strookt met de beginselen waarop de EU berust, met inbegrip van de vier fundamentele vrijheden, behoudens tijdelijke overgangsafwijkingen, en in een referendum is goedgekeurd; verzoekt Turkije een gunstig klimaat voor de onderhandelingen te scheppen door de Turkse strijdkrachten terug te trekken en de twee leiders toe te staan om vrij te onderhandelen over de toekomst van hun land;

41.   verzoekt Turkije om naleving van zijn uit het internationaal recht voortvloeiende verplichtingen, de resoluties van de VN-Veiligheidsraad en de uitspraak van het Europees Hof voor de mensenrechten naar aanleiding van de vierde klacht van Cyprus tegen Turkije over onderzoek naar het lot van vermisten; verzoekt de lidstaten van de EU Turkije tot passend optreden te bewegen, omdat het hierbij voornamelijk om een humanitaire kwestie gaat;

42.   pleit voor meer grensoverschrijdende samenwerking tussen lokale overheden, zakenlieden en andere lokale partners met de aangrenzende EU-lidstaten Griekenland en Bulgarije;

43.   begroet de contacten en samenwerking die er het laatste jaar zijn geweest tussen Turkse en Irakese autoriteiten, met inbegrip van de besprekingen die hebben plaatsgevonden tussen Turkije en de Koerdische regionale regering in Noord-Irak; moedigt deze autoriteiten aan om hun samenwerking te intensiveren om ervoor te zorgen dat terroristische aanvallen vanaf Irakees grondgebied onder Irakese verantwoordelijkheid worden voorkomen, om de stabiliteit te waarborgen en bij te dragen tot de economische ontwikkeling van het hele Turks-Irakese nabuurschapgebied; herinnert aan zijn eerdere oproepen tot de Turkse regering om bij operaties tegen terroristen de territoriale integriteit van Irak, de mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen en ervoor te zorgen dat er geen slachtoffers onder de burgerbevolking vallen;

44.   verwelkomt het bezoek van president Gül aan Armenië in september 2008 op uitnodiging van president Sarkisian en hoopt dat dit bezoek zal bijdragen tot het ontstaan van een gunstig klimaat voor een normalisering van de betrekkingen tussen beide landen; roept de Turkse regering op om haar grenzen met Armenië te heropenen en de economische en politieke betrekkingen met Armenië volledig te herstellen; roept de regeringen van Turkije en Armenië nogmaals op om een proces van verzoening ten aanzien van het heden en het verleden in te zetten, waarbij eerlijk en open gesproken kan worden over gebeurtenissen in het verleden; verzoekt de Commissie dit proces van verzoening te faciliteren;

45.   heeft waardering voor de voortgaande pogingen van de regeringen van Turkije en Griekenland om de bilaterale betrekkingen te verbeteren; herhaalt dat intrekking van de casus belli die in 1995 door de Turkse Grote Nationale Vergadering is afgekondigd, een belangrijke prikkel voor verdere verbetering van deze betrekkingen zou vormen; herinnert eraan dat Turkije zich heeft verplicht tot goede nabuurschapbetrekkingen en roept de Turkse regering op om zich serieus en intensief in te spannen om alle bestaande geschillen vreedzaam en overeenkomstig het Handvest van de VN, andere relevante internationale verdragen en bilaterale akkoorden en verplichtingen op te lossen;

IV.Nauwere bilaterale samenwerking tussen de EU en Turkije

46.   verzoekt de Raad na te denken over verdere stappen in de richting van het openen van onderhandelingen over hoofdstukken ten aanzien waarvan Turkije volgens de beoordeling van de Commissie voldoet aan de voorwaarden voor het aangaan van onderhandelingen;

47.   erkent Turkije's ambitie om een Euraziatisch energieknooppunt te worden en de rol die het land kan spelen in het belang van een veilige Europese energievoorziening; prijst de vooruitgang die Turkije op energiegebied heeft geboekt; verwijst naar zijn hogergenoemde resolutie van 24 oktober 2007 waarin wordt aangedrongen op het openen van onderhandelingen over deze kwestie en betreurt het dat in de Raad geen overeenstemming ter zake is bereikt; moedigt Turkije aan om volwaardig lid te worden van de Europese Energiegemeenschap, teneinde de samenwerking tussen de EU en Turkije op energiegebied aan te halen, wat in het voordeel kan zijn van alle betrokken partijen; dringt er bij Turkije op aan alle steun te geven aan het Nabucco-pijplijnproject, dat Europese prioriteit heeft, en verwacht dat binnenkort tussen de regeringen een overeenkomst kan worden gesloten, zodat de pijplijn in gebruik genomen kan worden;

48.   neemt nota van de vooruitgang die is gemaakt op het terrein van migratie en asiel; betreurt evenwel dat Turkije de in december 2006 afgebroken onderhandelingen met de EU over een terugnameovereenkomst, de ondertekening waarvan een voorwaarde is voor een visumversoepelingsovereenkomst, nog steeds niet heeft hervat en roept de Turkse regering op om nauwer met de EU samen te werken bij het beheer van de migratie, onder meer door een goede tenuitvoerlegging van de bestaande bilaterale terugnameovereenkomsten en protocollen met de lidstaten; stelt vast dat geen ontwikkeling is te melden over afstemming op de EU-visalijsten; verzoekt de Commissie en de Turkse regering om onderhandelingen te openen over een visumversoepelingsovereenkomst; dringt er bij de lidstaten op aan de visumbeperkingen voor bona fide reizigers zoals studenten, academici en zakenlieden te versoepelen; dringt aan op de volstrekte eerbiediging van de mensenrechten van asielzoekers en vluchtelingen, met inbegrip van open en onbeperkte toegang van de hoge commissaris voor de vluchtelingen van de VN tot alle detentiecentra;

49.   verwelkomt de start in september 2008 van een nieuwe generatie projecten die ten doel hebben de dialoog tussen het maatschappelijk middenveld in Turkije en in de EU te bevorderen; verzoekt de Commissie verslag te doen van de activiteiten die plaatsvinden in het kader van de dialoog tussen middenveldorganisaties van de EU en Turkije; verzoekt de Turkse regering nogmaals om het maatschappelijk middenveld nauwer bij het hervormingsproces te betrekken;

50.   stelt vast dat de Commissie slechts voor een aantal beleidsgebieden een effectbeoordeling wil verstrekken(5); verzoekt de Commissie met klem een bredere effectstudie te verrichten die aansluit bij de effectstudie van 2004, en deze studie onverwijld voor te leggen aan het Parlement;

51.   verzoekt de Turkse regering en gerechtelijke instanties om beter met EU-lidstaten en -instanties samen te werken in strafzaken waarin burgers en ingezetenen van de EU het slachtoffer zijn geworden van fraude, zoals in het geval van de zogenaamde "Groene Fondsen" (islamitische investeringsbank met hoofdkantoor in Turkije) en van "Deniz Feneri", een liefdadigheidsinstelling uit Duitsland;

Samenwerking bij internationale en mondiale kwesties

52.   heeft waardering voor de inspanningen van Turkije om bij te dragen aan een oplossing voor veel van de crisisgebieden in de wereld, in het bijzonder in het Midden-Oosten en de zuidelijke Kaukasus, en ook ten aanzien van de betrekkingen tussen Afghanistan en Pakistan; is vooral ingenomen met Turkije's actieve en opbouwende inzet na het conflict tussen Rusland en Georgië, die ten doel had de vrede en stabiliteit in de zuidelijke Kaukasus te bevorderen, met name door zijn voorstel voor een stabiliteits- en samenwerkingsplatform voor de Kaukasus; verzoekt de Raad en de Commissie om nauwer met Turkije samen te werken en te zoeken naar synergieën in de benadering van deze regio's door de EU en Turkije;

53.   feliciteert Turkije met zijn verkiezing als lid van de VN-Veiligheidsraad en moedigt de Turkse regering aan om binnen de VN standpunten in te nemen die nauw aansluiten bij die van de EU;

54.   verwelkomt de ratificatie van het Kyoto-protocol door het Turkse parlement;

55.   verwelkomt de continue bijdrage van Turkije aan het Europese veiligheids- en defensiebeleid en aan operaties van de NAVO; betreurt evenwel dat de strategische samenwerking tussen de NAVO en de EU die verder gaat dan de "Berlijn-plus-regelingen" nog steeds geblokkeerd is als gevolg van Turkse bezwaren, wat negatieve gevolgen heeft voor de bescherming van de ingezette EU-manschappen, en verzoekt Turkije met klem deze bezwaren zo snel mogelijk opzij te zetten; verzoekt de Raad om Turkije als een van de grootste leveranciers van troepen te raadplegen bij de planning en besluitvorming in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid;

56.   verzoekt de Turkse regering om het Statuut van het Internationale Strafhof te ondertekenen en ter ratificatie voor te leggen en zo te zorgen voor een grotere Turkse bijdrage aan en betrokkenheid bij het wereldwijde multilaterale systeem;

o
o   o

57.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de president van het Europese Hof voor de rechten van de mens, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.

(1) PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 284.
(2) PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 452.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0224.
(4) PB L 51 van 26.2.2008, blz. 4.
(5) Europese Commissie: Optreden naar aanleiding van niet-wetgevingsresoluties van het Parlement – mei II 2008.


Voortgangsverslag 2008 betreffende de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
PDF 155kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over het voortgangsverslag 2008 betreffende de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
P6_TA(2009)0135B6-0106/2009

Het Europees Parlement,

−   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Raad van 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki, waar alle landen van de westelijke Balkan de toezegging ontvangen hebben dat zij lid van de Europese Unie zouden kunnen worden,

−   gezien de resoluties S/RES/817 van 7 april 1993 en S/RES/845 van 18 juni 1993 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

−   gezien het besluit van de Europese Raad van 16 december 2005 om de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië de status van kandidaat-lidstaat van de EU toe te kennen, en de conclusies van de voorzitterschappen van de Europese Raden van 15 en 16 juni 2006 en 14 en 15 december 2006,

−   gezien de voorlopige overeenkomst van 1995 tussen de Helleense Republiek en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,

–   gezien de verklaring van de EU en de landen van de westelijke Balkan, met eenparigheid van stemmen goedgekeurd door de ministers van Buitenlandse Zaken van alle EU-lidstaten en van de landen van de westelijke Balkan op 11 maart 2006 in Salzburg,

−   gezien de conclusies van de vierde bijeenkomst van 24 juli 2007 in het kader van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,

–   gezien de visumvereenvoudigings- en terugkeerovereenkomsten van 18 september 2007 tussen de EU en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,

−   gezien Besluit 2008/212/EG van 18 februari 2008 van de Raad over de beginselen, prioriteiten en voorwaarden van het toetredingspartnerschap met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië(1),

–   gezien de Verklaring van Brdo van 29 maart 2008 van de voorzitter van de EU over een nieuwe scherpstelling op de westelijke Balkan, die op de noodzaak van een nieuwe impuls voor de agenda van Thessaloniki en de verklaring van Salzburg wijst,

−   gezien het voortgangsverslag 2008 van de Commissie over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (SEC(2008)2695),

−   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 juli 2008 over het strategieverslag van 2007 van de Commissie over de uitbreiding(2),

−   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 april 2008 over het voortgangsverslag 2007 betreffende de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië(3),

−   gezien de aanbevelingen van de gemengde parlementaire commissie EU-voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van 29 en 30 januari en 26 en 27 november 2007,

−   onder verwijzing naar zijn standpunt van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië over de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf(4),

−   onder verwijzing naar zijn standpunt van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië inzake overname(5),

−   gezien Besluit 2007/824/EG van 8 november 2007 van de Raad over de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië inzake de versoepeling van de afgifte van visa(6),

−   gezien Besluit 2007/817/EG van 8 november 2007 van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië over de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven(7),

–   gezien de financiële verklaring van de vijfde Paritaire Parlementaire Commissie EU-voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, goedgekeurd op 28 november 2008,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 5 november 2008 getiteld "Uitbreidingsstrategie en belangrijkste uitdagingen 2008-2009" (COM(2008)0674) en de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 9 december 2008,

–   gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het strategiedocument van de Commissie van 2007 over de uitbreiding − vanaf de eerste stadia van het proces − veel belang aan de onderwerpen rechtstaat en goed bestuur hecht, vooral bij de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, de administratieve en gerechtelijke hervorming en de uitbouw van het maatschappelijk middenveld,

B.   overwegende dat de EU stappen heeft ondernomen om de kwaliteit van het uitbreidingsproces te verbeteren,

C.   overwegende dat een EU-lidstaat, te weten Griekenland, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië zich midden in een onderhandelingsproces onder auspiciën van de Verenigde Naties bevinden om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing voor de kwestie van de naam van de kandidaat-lidstaat te bereiken, en dat het van essentieel belang blijft om overeenkomstig de verklaring van Salzburg van 11 maart 2006 te zorgen voor goede nabuurschapsbetrekkingen en via onderhandelingen voor beide partijen aanvaardbare oplossingen voor de openstaande geschillen met buurlanden te vinden,

1.   verheugt er zich over dat regeringspartijen en oppositie in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, met de brede steun van het maatschappelijk middenveld en de publieke opinie, verenigd zijn in hun streven om de criteria van Kopenhagen voor EU-lidmaatschap te vervullen en zo spoedig mogelijk bij de EU aan te sluiten, en benadrukt daarbij dat het er niet op de eerste plaats om gaat om aan eisen te voldoen die van buitenaf opgelegd zijn maar om de eigen toekomst van de kandidaat-lidstaat te verbeteren;

2.   herhaalt zijn volledige steun voor het Europees perspectief voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en alle landen van de westelijke Balkan, dat van cruciaal belang is voor de stabiliteit, verzoening en vreedzame toekomst van de regio;

3.   verheugt zich erover dat het parlement van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië zeven jaar na het Akkoord van Ohrid de wet op het gebruik van de talen in onderwijs en bestuur goedgekeurd heeft; verheugt zich in het bijzonder over het groter aanbod aan hoger onderwijs door de opening van nieuwe faculteiten in verschillende steden, ook met curricula in meerdere talen; wijst op de verbetering in de billijke vertegenwoordiging van minderheidsgemeenschappen, vooral in het openbaar bestuur, bij de politie en de strijdkrachten;

4.   verheugt zich over de vooruitgang in het land in de dialoog over visumliberalisering, met name de uitgifte van een groot aantal biometrische reis- en identiteitsdocumenten, de implementatie van de regeling voor geïntegreerde grensbewaking en de invoer van een nationaal visuminformatiesysteem; wijst met tevredenheid op de vooruitgang in de strijd tegen mensenhandel, illegale migratie en corruptie, en vraagt de regering om haar inspanningen op dit terrein voort te zetten; verheugt zich over de uitvoering van de overname- en terugkeerovereenkomst met de EU en dringt op nauwere samenwerking met het Europese Agentschap voor het management van operationele samenwerking bij de externe grenzen van de lidstaten van de Europese Unie (FRONTEX), de Europese Politiedienst (EUROPOL) en het EU-agentschap voor justitiële samenwerking (EUROJUST) aan; neemt akte van de problemen die de burgers van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië ondervinden omdat één EU-lidstaat hun paspoort niet erkent, en verzoekt de Commissie, gezien de vooruitgang, om de Raad aan te bevelen om zo spoedig mogelijk de visumregeling voor burgers van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië te liberaliseren en de visumplicht af te schaffen;

5.   verheugt zich over de inspanningen van de regering van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië op economisch vlak, die in belangrijke vooruitgang in het voldoen aan de economische criteria hebben geresulteerd en het land dus verder in de richting van een functionerende markteconomie hebben doen opschuiven; verheugt zich vooral over de vereenvoudiging van de procedures voor het betalen van belastingen, de hervorming van registratie via een centraal aanspreekpunt, versoepeling van de buitenlandse handel en vereenvoudiging van administratieve formaliteiten; spoort de regering aan om door te gaan met haar beleid voor stabiele groei van het BBP, lage inflatie, fiscale discipline en versterking van het ondernemingsklimaat in het algemeen;

6.   stelt vast dat na een reeks pogingen tot verstoring van de parlementsverkiezingen van 1 juni 2008, vooral in het noordwesten van het land, de regering doeltreffende maatregelen genomen heeft om door gedeeltelijke herhaling van verkiezingen en effectief toezicht op de gang van zaken tot een correcte verkiezingsuitslag te komen; verheugt zich over het feit dat er gerechtelijke procedures gestart zijn om de schuldigen voor de onregelmatigheden bij de verkiezingen te straffen; beveelt aan om de kieswet te wijzigen, in de algemene zin die door de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa en het Bureau voor democratische instellingen en mensenrechten aangegeven is, en vertrouwt erop dat alles gedaan wordt om eventuele pogingen tot verstoring van toekomstige verkiezingen te voorkomen, zoals de lokale en presidentsverkiezingen van maart van dit jaar (2009);

7.   verheugt zich over de vooruitgang in de ontwikkeling van de noodzakelijke structuren voor gedecentraliseerd beheer van de steun in het vooruitzicht van toetreding (IPA); steunt de inspanningen van de regering om administratieve mogelijkheden voor de uitvoering van het besluit van de Commissie om het beheer van IPA-bijstand aan de nationale autoriteiten toe te vertrouwen, op te bouwen;

8.   stelt vast dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in navolging van de meeste EU-lidstaten, na een parlementsbesluit dat op ruime steun kan rekenen, tegelijk met Montenegro de onafhankelijkheid van het buurland Kosovo heeft erkend, ondanks de bezwaren die dat op korte termijn kan opleveren voor de gewenste handhaving van goede betrekkingen met het andere buurland Servië; verheugt zich over de overeenkomst met de Kosovaarse autoriteiten over de afbakening van de grens;

9.   wijst erop dat de toegenomen aandacht voor Servië, die er dit jaar (2009) mogelijk toe kan leiden dat het de status van kandidaat-lidstaat van de EU krijgt, niet tot gevolg mag hebben dat de aandacht voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in de EU vermindert of de voortgang van het toetredingsproces verder vertraagt;

10.   stelt vast dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië stappen aan het ondernemen is om aan de criteria voor het lidmaatschap van de EU te voldoen, en geeft zich rekenschap van de vooruitgang die is geboekt bij uitvoering van de in 2001 ondertekende stabilisatie- en associatieovereenkomst en de kaderovereenkomst van Ohrid, en de recente vorderingen om aan de maatstaven van de Commissie te voldoen; betreurt wel dat er drie jaar na de toekenning van de status van kandidaat-lidstaat van de EU nog geen begin met toetredingsonderhandelingen gemaakt is -een onhoudbare situatie met demotiverende effecten op het land en een bedreiging voor de stabiliteit van de regio; acht het wenselijk dat er aan die buitengewone situatie een eind komt; dringt erop aan dat de ontwikkelingen vlugger verlopen en herinnert eraan dat het in de bovengenoemde resolutie van 23 april 2008 de hoop uitgesproken heeft dat er in 2008 een besluit over het tijdstip waarop de toetredingsonderhandelingen van start gaan, genomen wordt, in het bewustzijn dat de resterende problemen die snelle toetreding nu nog in de weg staan, opgelost zullen moeten worden in de jaren waarin de komende onderhandelingen plaatsvinden; verzoekt de Raad met klem om het proces te bespoedigen door nog dit jaar een datum voor het begin van de toetredingsonderhandelingen vast te leggen, in afwachting van volledige uitvoering van de belangrijkste prioriteiten van het associatiepartnerschap;

11.   herhaalt, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2008 en die van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 8 en 9 december 2008, dat het voor de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië van belang is om als kandidaat-lidstaat van de EU goede nabuurschapsbetrekkingen te blijven onderhouden en de onopgeloste geschillen met zijn buren te proberen bij te leggen, o.a. door een wederzijds aanvaardbare oplossing via onderhandelingen voor de kwestie van de naam, op basis van zijn internationale toezeggingen en zijn bilaterale en multilaterale verbintenissen en verplichtingen;

12.   ondersteunt het streven van bemiddelaar Matthew Nimetz om zoals voorzien in de bovengenoemde resoluties S/RES/817 en S/RES/845 van 1993 van de VN-Veiligheidsraad, in het kader van de Verenigde Naties de geschillen op te lossen die over de wettelijke naam van het land ontstaan zijn, om op grondslag van zijn voorstel van 6 oktober 2008 op zo kort mogelijke termijn tot definitieve overeenstemming tussen de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Griekenland te komen over de wijze waarop het onderscheid tussen de verschillende gebieden die tot verschillende staten behoren maar de naam Macedonië gemeen hebben, internationaal verduidelijkt kan worden; is zich ervan bewust dat dit voorstel door de beide partijen aarzelend tegemoet getreden wordt; neemt akte van de benoeming van de nieuwe onderhandelaar van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en vraagt beide partijen om zich voor de gesprekken onder VN-auspiciën te blijven inzetten en een compromisoplossing te bereiken, zodat de kwestie niet langer een belemmering voor het lidmaatschap van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van internationale organisaties vormt, zoals voorzien in het hiervoor genoemde interim-akkoord van 1995, dat nog altijd van kracht is; waarschuwt dat het achterwege blijven van spoedige overeenstemming tussen beide staten tot langdurig uitstel van de toetreding van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië tot de EU kan leiden; staat op het standpunt dat dergelijke openstaande bilaterale kwesties op de Balkan de toetreding niet mogen hinderen en geen voorrang op de Europese integratieproces mogen krijgen;

13.   neemt nota van de aanvraag van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië bij het Internationaal Tribunaal met betrekking tot artikel 11 van het interimakkoord; drukt de hoop uit dat de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië en Griekenland de onderhandelingen willen blijven voortzetten, ondanks de juridische procedures over de toepassing van het interimakkoord voor het Internationaal Gerechtshof; hoopt, in het vooruitzicht van de nieuwe onderhandelingsronde die in de werkwijze-Nimetz aangekondigd is, dat de regeringen in de nabuurschap de opname van dit land in de EU en de NAVO steunt, en daarmee de stabiliteit en welvaart van het gebied bevordert;

14.   verheugt zich over de inspanningen van de autoriteiten van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië om met de aangrenzende EU-lidstaten samen te werken om mogelijke onderling afwijkende en onjuiste interpretaties van de geschiedenis, die tot onenigheden kunnen leiden, te herzien en dringt aan op gezamenlijke viering van het door het land en zijn buren gedeelde cultureel en historisch erfgoed; maakt zich zorgen over het gebrek aan vooruitgang in de strijd tegen de terugkerende hatelijke uitlatingen tegen buurlanden, met name in de media en het onderwijs, en blijft er bij de regering op aandringen om voor publieke inachtneming van de relevante normen van de EU en de Raad van Europa te zorgen;

15.   wijst erop dat er in een democratie een samenspel tussen regering en oppositie plaatsvindt waarin altijd plaats is voor afwijkende meningen, aandacht wordt besteed aan alternatieve oplossingen en de mogelijkheid bestaat om meerderheden voor een ander beleid te verwerven, en dat er vermeden dient te worden dat bij delen van de bevolking de vrees ontstaat dat de tolerantie vermindert als er één partij is die over een parlementaire meerderheid beschikt, zoals sinds de jongste parlementsverkiezingen in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië het geval is;

16.   dringt erop aan dat burgers die klachten over machtsmisbruik en/of corruptie indienen, bij hun aangifte een duidelijk bewijs krijgen dat zij dit hebben gedaan; verheugt zich over de bestaande praktijk om burgers op de hoogte te stellen van de behandeling van hun klacht en het uiteindelijk resultaat, en over het feit dat de klachten door politie en justitie op een eenvormige en overzichtelijke wijze geregistreerd worden;

17.   vraagt de regering van de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië om de strijd tegen de onderlinge verbindingen van de georganiseerde misdaad in eigen land, Montenegro, Kosovo en Albanië op te voeren;

18.   betreurt dat de nieuwe wet van 20 september 2007 aangaande de wettelijke status van een kerk, religieuze gemeenschap en religieuze groep nog niet tot gevolg heeft dat aanhangers van verschillende godsdiensten ervaren dat zij dezelfde mogelijkheden hebben om hun geloof te belijden en te verspreiden en met dat doel gebouwen te bezitten, te gebruiken en op te richten, als die waarover de twee vanouds grootste denominaties van het land, de "Macedonische" orthodoxe kerk en de Islam, beschikken; herinnert eraan dat de overheid tot taak heeft om tolerantie ten opzichte van andersdenkenden en het recht op godsdienstige verscheidenheid te beschermen;

19.   betreurt dat de regering alsmaar grotere druk op de media legt, in het bijzonder tijdens de verkiezingscampagne; dringt aan op het behoud van onafhankelijke en veelzijdige informatie door radio en tv waarbij de uiteenlopende meningen in de samenleving zichtbaar blijven, zowel door de redactionele vrijheid van de informatievoorziening te waarborgen als door te voorkomen dat commerciële omroepen sterk met bepaalde partijen of politici verbonden raken; maakt zich ook ongerust over de sterke financiële afhankelijkheid van kranten en tv-zenders van bekendmakingen van de overheid en de inkomsten daaruit voortvloeien en die aan een kritische journalistieke aanpak in de weg kunnen staan;

20.   constateert dat er ook na de wijzigingen op de Arbeidswet van 2005 nog geen duidelijkheid bestaat over de wijze waarop de verschillende naast elkaar bestaande vakbonden rechtsgeldige overeenkomsten met de regering en de ondernemers kunnen afsluiten, vooral omdat de huidige verplichting voor vakbonden om 33% van de belanghebbende werknemers te vertegenwoordigen voordat zij partij bij een overeenkomst kunnen zijn, verscheidenheid verhindert en maakt dat de andere belanghebbende partijen het ledental van de vakbonden voortdurend in twijfel trekken;

21.   vraagt de regering van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië om snel nieuwe afvalverwerkingsinstallaties te bouwen en de oude te sluiten en te saneren, en in de tussentijd maatregelen te ontwikkelen om de geïntegreerde afvalcyclus te moderniseren, met inbegrip van gescheiden ophaling, onder andere door consortia, en om fabrieken op te richten die afval in energie en brandstof omzetten;

22.   dringt aan op verbetering en behoud van waterkwaliteit en -peil in de grensmeren Ohrid, Prespa en Dojran en op goede afspraken daarover met de buurstaten Albanië en Griekenland; verheugt zich daarnaast over het wetsontwerp inzake waterbeheer en dringt erop aan dat het zonder uitstel door het parlement behandeld wordt;

23.   heeft met verontrusting kennis genomen van de negatieve invloed op mens en milieu van de olieraffinaderij OKTA, die in Ilinden nabij Skopje werkt en als de grootste vervuiler van het land te beschouwen is;

24.   waarschuwt dat zonder nieuwe investeringen in opslag, zuivering en vervoer van water de continuïteit van de drinkwatervoorziening van de steden in gevaar kan komen;

25.   vraagt de regering van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië om de liberalisering en privatisering van plaatselijke openbare diensten nieuw leven in te blazen, met bijzondere aandacht voor elektriciteitsproductie, -transport en -distributie;

26.   betreurt dat de werking van het spoorwegnet de laatste jaren is verslechterd; wijst er vooral op dat zowel de frequenties van binnenlandse diensten voor personenvervoer over het spoor als de verbindingen naar buurlanden tot een minimum zijn teruggebracht en dat het rollend materieel dat in gebruik is, minder geschikt is voor personenvervoersdiensten over naar verhouding korte afstanden, zodat er nieuwe investeringen nodig zijn om de personenvervoersdiensten over het spoor in de toekomst te behouden; betreurt dat er weinig vooruitgang in de aanleg van de spoorverbinding tussen de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië en Bulgarije is, welke bevorderlijk voor de economische ontwikkeling en stabiliteit van heel het gebied zou zijn;

27.   spoort de regering aan om de planning en productie van energie uit hernieuwbare bronnen, vooral zon en wind, te bespoedigen; dringt er daarom bij de autoriteiten van Skopje op aan om alles in het werk te stellen om een energiebeleid te ontwikkelen dat bij de doelstellingen van de EU aansluit en om op de komende conferentie van Kopenhagen over een verdrag voor de periode na Kyoto het standpunt van de EU te ondersteunen;

28.   maakt zich ongerust over de stijging in het groot aantal meldingen van slachtoffers van huiselijk geweld en dringt op een afzonderlijke wet tegen huiselijk geweld naast de al bestaande Familiewet aan, zodat er tegen de daders door de openbare aanklager vervolging ingesteld kan worden;

29.   maakt zich ongerust over de achterstand van de Roma-minderheid in het land, o.a. gezien het laatste verslag van Amnesty International, volgens hetwelk 39% van de Roma-vrouwen geen of nauwelijks scholing geniet, 83% nog nooit officieel betaalde arbeid heeft verricht en 31% aan chronische ziekten lijdt - percentages die structureel hoger liggen dan de gemiddelden voor niet-Roma-vrouwen;

30.   verheugt zich over de vooruitgang die tot dusver is geboekt in de politieke vertegenwoordiging van de Roma, maar spoort de regering tegelijkertijd aan om de uitvoering van het bestaande Roma-beleid te versnellen en er voldoende middelen voor ter beschikking te stellen;

31.   verheugt zich met de Hoge commissaris voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties erover dat tot nu toe geen van de minderheden die uit Kosovo gevlucht zijn en waarvan de leden geen permanente verblijfstatus hebben gekregen, gedwongen is om te vertrekken, en hoopt op spoedige overeenstemming tussen de regering en de Hoge commissaris over de verantwoordelijkheid voor de financiële ondersteuning van de betreffende bevolkingsgroep;

32.   vraagt de Commissie, aangezien de internationale financiële crisis nu ook Europa bereikt heeft en een indirecte weerslag op handel en buitenlandse investeringen in de westelijke Balkan kan hebben, om waakzaam te zijn en indien nodig passende maatregelen te treffen om voor soepele voortzetting van het stabilisatie- en associatieproces met betrekking tot de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië alsook de andere landen van de westelijke Balkan te zorgen, aangezien dat een belangrijke factor voor de stabiliteit van het gebied en ook in het belang van de EU zelf is;

33.   verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

(1) PB L 80 van 19.3.2008, blz. 32.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0363.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0172.
(4) PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 402.
(5) PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 402.
(6) PB L 334 van 19.12.2007, blz. 120.
(7) PB L 334 van 19.12.2007, blz. 1.


Mandaat van het Internationale Straftribunaal voor voormalig Joegoslavië
PDF 133kWORD 57k
Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 12 maart 2009 met een ontwerpaanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad betreffende het mandaat van het Internationale Straftribunaal voor voormalig Joegoslavië (2008/2290(INI))
P6_TA(2009)0136A6-0112/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad, ingediend door Annemie Neyts-Uyttebroeck en anderen namens de ALDE-Fractie, betreffende het mandaat van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (het "Tribunaal") (B6-0417/2008), met betrekking tot de republieken die deel uitmaken van het grondgebied dat tot 25 juni 1991 de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië vormde, dat wil zeggen, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, Servië, Kosovo en Slovenië,

–   gezien het feit dat het Tribunaal een rechtbank van de Verenigde Naties is, die in Europa opereert en zich met Europese vraagstukken bezighoudt en in 1993 is opgericht als een tijdelijke instelling met het specifieke doel om ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht die sinds 1991 in het voormalige Joegoslavië zijn gepleegd, te onderzoeken en de verantwoordelijken te vervolgen,

–   gezien het feit dat de nationale rechtsstelsels in het voormalige Joegoslavië destijds niet in staat of bereid waren om een onderzoek in te stellen naar degenen die daarvoor verantwoordelijk waren en deze te vervolgen,

–   gezien het feit dat het Tribunaal 161 personen heeft aangeklaagd, dat het inmiddels de procedures tegen 116 verdachten heeft afgerond, dat momenteel vele verdachten zich in verschillende fasen van de procedures voor het Tribunaal bevinden, dat slechts vijf verdachten in afwachting van de aanvang van hun proces in voorlopige hechtenis blijven, en dat van de aangeklaagde personen slechts twee, Ratko Mladić en Goran Hadžić, nog steeds niet zijn aangehouden(1),

–   gelet op Resoluties S/RES/1503 (2003) en S/RES/1534 (2004) van de VN-Veiligheidsraad waarin het Tribunaal wordt opgeroepen alle mogelijke maatregelen te nemen om al zijn werk tegen het eind van 2010 af te ronden ("de voltooiingsstrategie"),

–   gezien het feit dat de in de voltooiingsstrategie voorziene termijnen geen bindende termijnen zijn, maar streeftermijnen,

–   gezien de zesmaandelijkse evaluaties, ingediend door de president en de openbare aanklager van het Tribunaal, overeenkomstig paragraaf 6 van Resolutie S/RES/1534 (2004) van de VN-Veiligheidsraad over de gemaakte vorderingen bij de tenuitvoerlegging van de voltooiingsstrategie,

–   gelet op Resolutie nr. A/RES/63/256 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over een omvattend voorstel voor passende stimulansen voor het behoud van personeel bij het Internationale Straftribunaal voor Rwanda en het Internationale Straftribunaal voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, die op 23 december 2008 door bij consensus werd aangenomen,

–   gezien de aanzienlijke en consistente steun van de EU en haar lidstaten voor het Tribunaal en zijn werk,

–   gezien het feit dat volledige samenwerking met het Tribunaal een centraal ijkpunt is geworden van het beleid van de EU ten opzichte van de landen op de westelijke Balkan,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 januari 2009 over Srebrenica(2),

–   gelet op de artikelen 114, lid 3 en 83, lid 5 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0112/2009),

A.   overwegende dat het Tribunaal, dat in Den Haag gevestigd is, en zijn werkzaamheden de continue en volledige ondersteuning verdienen van de EU en haar lidstaten,

B.   overwegende dat het Tribunaal precedent-scheppende uitspraken heeft gedaan over genocide, oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid, en overwegende dat het al een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan het verzoeningsproces op de westelijke Balkan en aldus bijdraagt aan het herstel en de handhaving van de vrede in de regio,

C.   overwegende dat volledige samenwerking met het Tribunaal tot de strenge voorwaarden behoorde die de EU heeft gesteld bij het aangaan van verplichtingen ten opzichte van landen in deze regio,

D.   overwegende dat het Tribunaal heeft bijgedragen aan het leggen van de basis voor nieuwe normen voor het oplossen van en voor de ontwikkeling na conflicten in de gehele wereld, dat uit zijn optreden lessen kunnen worden getrokken voor mogelijke toekomstige ad hoc tribunalen en dat het heeft aangetoond dat doelmatige en transparante internationale rechtspraak mogelijk is, en overwegende dat zijn bijdrage aan de ontwikkeling van het internationaal strafrecht alom wordt erkend,

E.   overwegende dat sommige van de aanklachten, besluiten en uitspraken van het Tribunaal in verschillende delen van de westelijke Balkan en daarbuiten als controversieel werden beschouwd; overwegende dat waardevolle lessen kunnen worden getrokken uit deze reacties, die tot de erfenis zullen behoren van het Tribunaal, maar overwegende dat deze ook de noodzaak onderstrepen van zowel een kamer van beroep als een contactprogramma,

F.   overwegende dat het Tribunaal een breed scala aan contactactiviteiten blijft verrichten teneinde zijn werkzaamheden dichter bij de mensen in de betrokken landen te brengen, waaronder het faciliteren van de verslaggeving over de rechtszaken door de plaatselijke media, directe voorlichting aan de gemeenschap door zijn ambtenaren ter plaatse en inspanningen voor capaciteitsopbouw bij nationale gerechtelijke instanties die oorlogsmisdaden behandelen, alsmede een aantal projecten die tot doel hebben beste praktijken vast te stellen,

G.   overwegende dat bovengenoemde resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, S/RES/1503 (2003) en S/RES/1534 (2004) een beroep op het Tribunaal en het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda doen alle onderzoeken tegen het einde van 2004 te voltooien, alle processen in eerste aanleg tegen het einde van 2008 en alle werkzaamheden tegen 2010; echter overwegende dat het Tribunaal heeft laten weten niet in staat te zijn de processen in eerste aanleg voor het einde van 2009 te voltooien, mede door het grote aantal beroepen; overwegende dat derhalve een nieuw besluit van de Veiligheidsraad van de VN nodig is om het mandaat van het Tribunaal te verlengen,

H.   overwegende dat het Tribunaal het initiatief heeft genomen tot het opstellen van een plan dat werd bekrachtigd door de Veiligheidsraad van de Verenigde naties in de bovengenoemde resoluties en nu de "voltooiingsstrategie" wordt genoemd, met het doel ervoor te zorgen dat het zijn taken tijdig en in samenwerking met de nationale rechtsorde in de betrokken landen tot een succesvol einde brengt,

I.   overwegende dat dit plan uit drie fasen en streefdata voor de afronding van het mandaat van het Tribunaal bestaat, en overwegende dat het huidige doel is alle procedures (rechtszaken in eerste aanleg en hoger beroepszaken) in 2011 afgerond te hebben, met een kleine uitloop naar 2012; overwegende dat, om tot deze resultaten te komen, het Tribunaal zich richt op de meest vooraanstaande leiders die verdacht worden van onder zijn jurisdictie vallende misdrijven, rechtszaken die zijn aangespannen tegen verdachten uit het tussenkader en het laag geplaatste verdachten heeft overgedragen aan de bevoegde nationale rechtbanken en gemeenschappelijke processen tegen beklaagden heeft gehouden, hoewel erop moet worden toegezien dat dit de rechten van de beschuldigden niet schaadt; overwegende dat de nationale openbare aanklagers en gerechtshoven ook zelf talrijke zaken kunnen openen en behandelen en dat ook doen, maar dat sommige nationale gerechten niet in staat of bereid zijn om de vervolging volgens de internationale standaarden en normen voor een eerlijk proces in te stellen en dat overdracht aan nationale gerechten in een aantal gevallen verzet heeft oproepen bij de rechtstreeks betrokken slachtoffers en getuigen,

J.   overwegende dat de drie strafkamers en de beroepskamer van het Tribunaal constant volledig productief zijn gebleven en zaken tegen meerdere verdachten gevoegd behandelen; overwegende dat de verwijzing van zaken naar bevoegde nationale rechtbanken een aanzienlijk effect heeft gehad op de algehele werklast van het Tribunaal, maar overwegende dat door factoren waar het geen invloed op had bepaalde vertragingen zijn opgetreden en dat verdere onvoorziene vertragingen niet kunnen worden uitgesloten,

K.   overwegende dat ook de twee nog overgebleven beklaagden, Ratko Mladić en Goran Hadžić, voor de rechter moeten worden gebracht, en overwegende dat hun aanhouding afhankelijk zal zijn van de verplichte samenwerking van de staten, overeenkomstig artikel 29 van het Statuut van het Tribunaal, waaronder bij het opsporen, arresteren en overbrengen van voortvluchtige personen alsook bij het overleggen van bewijsmateriaal dat zich bijvoorbeeld in de nationale archieven bevindt, en overwegende dat de aanhouding en overbrenging van beschuldigde voortvluchtigen en de bewijslevering niet altijd soepel zijn verlopen,

L.   overwegende dat artikel 21 van het Statuut van het Tribunaal voorziet in het recht van iedere verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht en overwegende dat het Tribunaal derhalve niet in staat zou zijn om bij verstek te berechten, ook wanneer het overvloedig bewijs in handen zou hebben,

M.   overwegende dat de verplichting van het Tribunaal tot een spoedige afronding van zijn mandaat wordt erkend, maar de aanhangige zaken zonder onrealistische tijdsdruk moeten worden behandeld, aangezien een dergelijke druk afbreuk zou kunnen doen aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces; overwegende dat geen gebruik mag worden gemaakt van versnelde procedures die de veiligheid en het welzijn van de slachtoffers en de getuigen voor het Tribunaal verder kunnen bedreigen, en overwegende dat de voor de voltooiingsstrategie van het Tribunaal voorziene streeftermijn geen vrijwaring van strafvervolging voor de twee overige voortvluchtige personen of een te grote tijdsdruk voor de lopende rechtszaken mag betekenen,

1.   doet de volgende aanbevelingen aan de Raad:

   a) herinnert aan het feit dat de zoektocht naar gerechtigheid en de bestrijding van straffeloosheid tot de fundamentele waarden behoorden die ten grondslag lagen aan het besluit van de internationale gemeenschap om het Tribunaal op te richten; steunt het werk van het Tribunaal volledig, maar wijst erop dat dit alleen volledig kan worden volbracht wanneer de lopende rechtszaken zonder ongewenste spoed kunnen worden afgesloten en de twee overgebleven beklaagden, Ratko Mladic en Goran Hadzic, voor de rechtbank kunnen worden gebracht en worden berecht,
   b) benadrukt dat het streven naar grotere spoed bij de rechtszaken niet ten koste mag gaan van een eerlijk proces, en herhaalt de opvatting die thans door velen wordt gedeeld, dat hoe de erfenis van het Tribunaal zal worden beoordeeld niet alleen zal worden bepaald door de vraag of het erin slaagt de verantwoordelijken voor de ernstigste misdrijven die onder zijn jurisdictie vallen te berechten, maar ook door de vraag of dit in overeenstemming geschiedt met de strengste normen voor een eerlijk proces,
   c) beklemtoont dat het behoud van hoog gekwalificeerd personeel bij het Tribunaal een uiterst belangrijke factor vormt voor een succesvolle afronding van de rechtszaken in eerste aanleg en hoger beroepszaken, en dat het verlies van de institutionele gespecialiseerde kennis die nodig is om de overige zaken af te ronden kan worden verergerd door het in de voltooiingsstrategie voorgestelde tijdschema; is dan ook ingenomen met bovengenoemde resolutie A/RES/63/256 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarin het Tribunaal wordt toegestaan personeel te contracteren in overeenstemming met het in de voltooiingstrategie voorgestelde tijdschema en te onderzoeken of niet-financiële prikkels kunnen worden toegepast om de kern van het personeel te behouden,
   d) beklemtoont dat enerzijds de vastgestelde datum voor het einde van de voltooiingsstrategie bijdraagt aan de productiviteit van het Tribunaal, maar dat anderzijds, wil het recht zegevieren en willen de rechtszaken tegen Ratko Mladic en Goran Hadzic doorgang vinden, die datum geenszins een deadline mag betekenen voor de werkzaamheden van het Tribunaal,
   e) verzoekt de Raad daarom met spoed te onderzoeken of een verlenging van het mandaat van het Tribunaal van twee jaar dient te worden overwogen en of dit voldoende zou zijn, daarbij in aanmerking nemend dat bij een eventuele verlenging niet alleen de tijdsduur maar ook de resultaten in overweging moeten worden genomen, en het onderzoek naar deze vraagstukken binnen de relevante structuren van de VN te bevorderen,
   f) dringt er bij de Raad op aan de VN-Veiligheidsraad aan te sporen zich ertoe te verbinden om voldoende middelen beschikbaar te stellen en het Tribunaal te steunen via de algemene begroting van de VN tot aan het einde van het mandaat van het Tribunaal,
   g) verzoekt de Raad om de inspanningen van het Tribunaal om de landen in kwestie tot meer samenwerking aan te zetten, te blijven steunen en de pogingen om de twee overgebleven beklaagden gevangen te nemen, te bespoedigen zodat het Tribunaal zijn mandaat kan uitvoeren en om samen met de VN duidelijk te maken dat de twee overgebleven voortvluchtigen berecht moeten worden, hetzij door het Tribunaal, hetzij door de over te blijven mechanismen, zodat elke suggestie van straffeloosheid wordt voorkomen,
   h) onderstreept dat de documenten die belangrijk zijn voor de vervolging van generaal Ante Gotovina, Mladen Markac en Ivan Čermak, door de bevoegde autoriteiten moeten worden overhandigd; beklemtoont dat gevolg moet worden gegeven aan de recente verzoeken van de hoofdaanklager van het Tribunaal, Serge Brammertz, om ontbrekende relevante documentatie op te sporen en beschikbaar te stellen aan het Tribunaal,
   i) wijst erop dat de EU moet blijven benadrukken dat naleving van de criteria van Kopenhagen behelst dat er een volledig functionerende rechterlijke macht is die ook zaken kan behandelen betreffende schendingen van het humanitaire recht, zelfs wanneer het kader van het Tribunaal niet meer operationeel is; verzoekt de Raad om duidelijke normen vast te stellen voor de evaluatie van het optreden van de gerechtelijke autoriteiten in de landen op de westelijke Balkan na het verstrijken van het mandaat van het Tribunaal, onder andere om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan internationale normen voor gevangenhouding en dat de door het Tribunaal opgelegde straffen ten uitvoer worden gelegd en roept de EU op haar steun aan onderzoek naar en de berechting van oorlogsmisdaden door de landen zelf op te voeren, bijvoorbeeld via het verlenen van bijstand voor rechtshandhaving, rechterlijke macht en openbaar ministerie, met inbegrip van opleiding en bescherming van getuigen,
   j) erkent dat de voorrang van staten een hoeksteen van het internationale systeem blijft, en wijst erop dat het van wezenlijk belang is dat de internationale gemeenschap de ontwikkeling van de binnenlandse capaciteit in de Balkanlanden eveneens steunt, zodat de plaatselijke rechtbanken het werk kunnen voortzetten dat het Tribunaal begonnen is; steunt de huidige financiering door de EU van bijvoorbeeld contactprogramma's uit hoofde van het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten; roept de Raad in dit verband op zijn steun voor de voortzettingsstrategie van het Tribunaal op te voeren, en roept op tot grotere samenwerking tussen de organen van de rechterlijke macht en het openbaar ministerie op de westelijke Balkan, met name in gevallen van uitlevering en wederzijdse rechtsbijstand,
   k) merkt op dat het essentieel is om over een duidelijk mechanisme voor de resterende taken van het Tribunaal te beschikken zodra het is opgeheven, om ervoor te kunnen zorgen dat de nalatenschap van dit Tribunaal de beginselen de aan zijn oprichting ten grondslag hebben gelegen, versterkt,
   l) verzoekt de Raad om, binnen de relevante structuren van de VN, onverwijld de voorziene procedures toe te passen voor een mechanisme om de resterende taken op korte en langere termijn uit te kunnen voeren, zoals de bescherming van getuigen, de bescherming tegen intimidatie van getuigen, kwesties betreffende minachting voor de rechtbank, herzieningen ingeval er alsnog ontlastend bewijsmateriaal wordt ingebracht, het toezicht op rechtszaken die zijn doorverwezen naar de regio (waar momenteel het toezicht in handen is van het openbaar ministerie van het Tribunaal via de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE)), de omstandigheden tijdens gevangenschap en kwesties met betrekking tot gratie of omzetting van straffen, enzovoort; stelt voor bij de VN-Veiligheidsraad een voorstel in te dienen voor het eventueel opzetten van een gemeenschappelijk bureau om de toekomstige resterende taken van het Tribunaal en van het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda en het Speciale Hof voor Sierra Leone uit te voeren,
   m) herinnert de Raad eraan dat de EU bijzondere aandacht dient te besteden aan het veiligstellen van de nalatenschap van het Tribunaal door er zorg voor te dragen dat de archieven ervan op een passende, veilige locatie worden opgeslagen, eventueel in de regio van de Westelijke Balkan zelf, dat deze zo volledig en toegankelijk mogelijk zijn, en dat de documentatie via het Internet toegankelijk is, stelt voor om passende garanties voor onbelemmerde toegang te verlenen aan alle openbare aanklagers en advocaten van de verdediging, evenals, na verloop van een gepaste termijn, aan historici en onderzoekers,
   n) benadrukt dat de nalatenschap van het Tribunaal in verband moet worden gezien met het algehele verzoeningsproces; roept de westelijke Balkanstaten en de EU in dit verband op om het werk te steunen van de niet-gouvernementele organisaties en andere instellingen die slachtoffers helpen, de dialoog en het begrip tussen de volkeren te bevorderen en het streven naar waarheid en verzoening te ondersteunen;

2.   verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en – ter informatie – aan de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, alsmede aan de president van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië.

(1) Brief van de president van het Internationaal Tribunaal aan de VN-Veiligheidsraad, S/2008/729, 24 november 2008.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0028.


Vijfde Wereldwaterforum, Istanboel, 16-22 maart 2009
PDF 150kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over Water in het licht van het Vijfde Wereldwaterforum, dat van 16 tot en met 22 maart 2009 te Istanboel zal worden gehouden
P6_TA(2009)0137B6-0113/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de slotverklaringen van de vier eerste "Wereldwaterfora" die achtereenvolgens hebben plaatsgevonden te Marrakesj (1997), Den Haag (2000), Kyoto (2003) en Mexico (2006),

–   gezien de verklaring van de Conferentie van Dublin over water in duurzaam perspectief (1992), waarin een geïntegreerd beheer van de watervoorraden wordt aanbevolen , waarbij de waarde wordt erkend van elke vorm van gebruik van water en het beginsel van een prijsstelling voor water wordt ingevoerd,

–   onder verwijzing naar resolutie A/RES/58/217 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties waarin de periode 2005-2015 wordt uitgeroepen tot het internationaal decennium voor actie op het gebied van water en 22 maart van ieder jaar tot Wereldwaterdag,

–   gezien de ministerverklaring van de Internationale zoetwaterconferentie, die in 2001 te Bonn is gehouden en waarin de dringende noodzaak wordt onderstreept om nieuwe financieringsbronnen aan te boren afkomstig van alle mogelijke categorieën investeerders, evenals de noodzaak om de openbare financiering van water te ondersteunen met bijdragen van particulier kapitaal, waarbij ook acties op plaatselijk niveau worden aangemoedigd,

–   gezien de Conferentie van Monterrey (2002), waar het concept werd geïntroduceerd van een Wereldpartnerschap voor water, dat een pluridimensionale dialoog tussen gelijkwaardige partners wil zijn, dat zich ook uitstrekt tot ondernemingen, financiële instellingen en maatschappelijke organisaties, welk initiatief is overgenomen door de New Partnership for Africa's Development (NEPAD) en de G8 op de conferentie te Genua in 2001 en door het in 2003 gehouden Forum voor een Partnerschap met Afrika,

–   gezien de in 1992 te Helsinki goedgekeurde Overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE), die in 1996 in werking is getreden en die een juridisch kader biedt voor regionale samenwerking bij de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren,

–   gezien de Wereldmillenniumtop van de Verenigde Naties (New York, 6-8 september 2000) waarop de Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling zijn opgesteld die als doel vooropstellen om voor 2015 het bevolkingspercentage dat geen duurzame toegang heeft tot drinkwater, met de helft te verminderen,

–   gezien het Charter van 2008 van Zaragoza, getiteld "Een nieuwe allesomvattende visie op water" en de aanbevelingen van het Watertribunaal aangenomen op 14 september 2008, de afsluitdag van de internationale tentoonstelling in Zaragoza en toegestuurd aan de VN-Secretaris-Generaal,

–   gezien het Tweede Mondiale Verslag van de Verenigde Naties over het beheer van de watervoorraden, getiteld: "Water, een gedeelde verantwoordelijkheid", dat in 2006 is gepubliceerd,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 maart 2004 over de internemarktstrategie-prioriteiten 2003-2006(1), waarin het in paragraaf 5 als zijn mening uitspreekt dat "water een gemeenschapsgoed van de mensheid is en dat het beheer van de watervoorraden derhalve niet mag worden onderworpen aan de regels van de interne markt",

–   gezien het verslag 2006 over de ontwikkeling van de mens van het UNDP over water tussen macht en armoede waarin dit VN-Agentschap aantoont dat armoede en niet het fysieke ontbreken van water de voornaamste reden is dat meer dan een miljard mensen niet over water beschikken,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 maart 2007 over locale gemeenschappen en ontwikkelingssamenwerking(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 maart 2006 over het Vierde Wereldwaterforum (16 tot en met 22 maart 2006) te Mexico(3),

–   gezien de belangrijke initiatieven van de Europese maatschappelijke organisaties op het gebied van water en de algemene beschikbaarheid van drinkwater, die in het Europees Parlement hebben plaatsgevonden, met name de Wereldvergadering van parlementsleden en burgers voor het water (AMECE, 18-20 maart 2007) en "Peace with Water − Vrede stichten met water" (12-13 februari 2009), alsook het memorandum voor een wereldprotocol inzake water, dat is besproken,

–   gezien mondelinge vraag B6-0113/2009 aan de Commissie betreffende het Vijfde Wereldwaterforum, dat van 16 tot en met 22 maart 2009 te Istanboel zal worden gehouden,

–   gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het gebrek aan water en aan faciliteiten om dit te zuiveren jaarlijks 8 miljoen sterfgevallen tot gevolg heeft en dat ruim een miljard mensen geen gemakkelijke toegang hebben tot drinkwater tegen een lage prijs en dat bijna twee-en-een-half miljard mensen niet beschikken over middelen tot zuivering van het water,

B.   overwegende dat 2,8 miljard mensen leven in streken waar de watervoorraden precair zijn en dat dit cijfer tegen 2030 tot 3,9 miljard dreigt toe te nemen,

C.   overwegende dat arme bevolkingsgroepen het meest kwetsbaar zijn voor de klimaatverandering en ook het minst in staat zijn om zich daaraan aan te passen,

D.   overwegende dat de multinationale agro-industrie de grootste gebruiker van zoetwater ter wereld is (70% van het mondiaal gebruik) dat zij tegen lachwekkend lage prijzen betrekt, en dat de overexploitatie van watervoorraden heeft geleid tot verslechtering en uitbreiding van het proces van waterverontreiniging en algemene achteruitgang van de bodem, met als gevolg meer steeds structurelere verdrogingverschijnselen,

E.   overwegende dat de diensten die zich bezighouden met het rationele gebruik en beheer van water een prijsniveau moeten vaststellen dat overexploitatie door bepaalde sectoren verhindert en mogelijkheden biedt tot investeringen in de instandhouding en verbetering van de infrastructuur, gecombineerd met begeleidende maatregelen die een billijke verdeling van het water garanderen en met overheidssteun om ook de armste gezinnen in staat te stellen om voor hun fundamentele waterbehoeften te betalen,

F.   overwegende dat globale watersubsidies, die kunstmatig lage prijzen tot gevolg hebben, tot overexploitatie door bepaalde sectoren leiden, hetgeen een van de belangrijkste redenen van waterschaarste vormt,

G.   overwegende dat de distributie van water buitengewoon ongelijk is, terwijl toegang tot water toch een fundamenteel en universeel recht moet zijn, en dat het locale niveau het meest geschikt is om de waterdistributie te definiëren en te beheren,

H.   overwegende dat liberalisering en deregulering van de waterdistributie in de ontwikkelingslanden, en met name in de minst ontwikkelde landen (MOL), tot prijsverhogingen kunnen leiden, die een zeer nadelige invloed hebben op de armsten en hun toegang tot het water beperken, wanneer deze maatregelen niet vergezeld gaan van een effectief reguleringskader,

I.   anderzijds overwegende dat publiek-particuliere partnerschappen, die een strenge en transparante regulering moeten koppelen aan openbaar eigendom en particuliere investeringen, gericht moeten zijn op een verbeterde algemene toegang tot water en de mogelijkheden tot zuivering daarvan, en tot een prijsniveau dat een efficiënter gebruik in de hand werkt,

J.   overwegende dat de belangrijkste hinderpalen voor een efficiënt waterbeheer de volgende zijn: de geringe politieke en financiële prioriteit die aan het waterbeleid wordt toegekend, slecht beheer, een tekortschietend juridisch kader, het ontbreken van transparantie bij het onderhandelen over en het gunnen van contracten, corruptie en het ontbreken van besprekingen over het niveau van de tarieven,

K.   overwegende dat volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) het aandeel van de openbare ontwikkelingshulp (OSO) dat aan watervoorziening en waterzuivering wordt besteed, minder dan 9% van de bilaterale OSO en 4,5% van de multilaterale OSO bedraagt, en dat deze ontwikkelingshulp slecht over de landen verdeeld is, aangezien de MOL, die hieraan het meest behoefte hebben, slechts 24% van de middelen ontvangen,

L.   overwegende dat het "Wereldforum voor Water", dat eens in de drie jaar bijeen komt, een plaats van discussie en bezinning vormt over het mondiale beleid ten aanzien van het beheer van de watervoorraden en er zijn teleurstelling over uitsprekend dat het optreden van het Wereldforum tot dusverre slechts in geringe mate deel vormt van de werkzaamheden van de Verenigde Naties,

1.   verklaart dat water een gemeenschappelijk goed van de mensheid vormt en dat de toegang tot drinkwater een fundamenteel en universeel recht zou moeten zijn; verlangt dat alle nodige inspanningen in het werk worden gesteld om tegen 2015 ook aan de armste bevolkingsgroepen de toegang tot drinkwater te garanderen;

2.   verklaart dat water beschouwd wordt als een openbaar goed en onder openbare controle moet worden geplaatst, ongeacht of de watervoorziening al dan niet geheel of gedeeltelijk door de particuliere sector wordt beheerd;

3.   onderstreept dat ieder beleid inzake waterbeheer ook aandacht dien te besteden aan de bescherming van de volksgezondheid en het milieu en dat het Wereldwaterforum democratisch, via participatie en op basis van consensus moet bijdragen tot de ontwikkeling van strategieën die een vorm van ontwikkeling van de economie en de landbouw bevorderen waarbij een hoog kwaliteitsniveau van het water wordt gegarandeerd;

4.   verlangt dat er een einde komt aan globale subsidieregelingen voor water, waardoor de prikkels worden weggenomen om het water op een efficiënte manier te beheren en die tot een excessief gebruik leiden, zodat middelen vrijkomen voor doelgerichte subsidies voor met name de armen en de plattelandsbevolking, en water aldus voor eenieder toegankelijk wordt;

5.   onderstreept het belang van organen voor gemeenschappelijk beheer van water in landen die aan hetzelfde waterbekken grenzen, teneinde solidariteit te creëren en te versterken, die spanningen kan helpen verminderen en conflicten kan helpen oplossen;

6.   herinnert aan de essentiële rol die vrouwen spelen bij de bevoorrading, het beheer en het behoud van het water;

7.   verzoekt de lidstaten om ondanks de financiële crisis hun bijdragen aan de openbare ontwikkelingshulp te verhogen teneinde de millenniumdoelstelling voor ontwikkeling op het gebied van drinkwatervoorziening te realiseren, waarvoor investeringen ter hoogte van 180 000 000 000 USD per jaar vereist zijn;

8.   verlangt dat in het kader van het Tiende Europees Ontwikkelingsfonds de middelen voor het "Europees Waterfonds" ten gunste van de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) worden verhoogd en dat nieuwe financieringswijzen worden ontwikkeld, ook uit particuliere bron, en innovatieve partnerschappen, zoals met name solidaire financiering;

9.   wenst dat er in het kader van de bilaterale OSO ook steun wordt verleend aan bepaalde multilaterale acties, zoals het Afrikaanse Initiatief voor het Water;

10.   is van oordeel dat de OSO gebruikt moet worden in combinatie van de middelen van locale besturen, vrijwillige giften, bankleningen en particulier kapitaal om een zo volledig mogelijke financiering van projecten voor de watersector mogelijk te maken;

11.   dringt aan op de oprichting van garantiemechanismen die door de financieringsinstellingen en de ontwikkelingsinstellingen ontwikkeld kunnen worden om een tegenwicht te bieden tegen de al te grote terughoudendheid die investeerders aan de dag leggen op de watermarkt;

12.   bevestigt dat de staat een belangrijke rol blijft spelen in het waterbeleid door zijn rol, bij het vaststellen van beleidsmaatregelen en het beschikbaar stellen van de noodzakelijke middelen, het selecteren van partners en de toewijzing van verantwoordelijkheden, ook al wordt de uitvoering gedelegeerd aan de plaatselijke besturen;

13.   dringt erop aan dat het beheer van de watervoorraden moet plaats vinden op basis van een gedecentraliseerde, participatieve en geïntegreerde aanpak, waarbij de gebruikers bij het vaststellen van het waterbeleid op lokaal niveau;

14.   verzoekt de Commissie om programma's te ontwikkelen om de mensen beter bewust te maken van de waterproblematiek, zowel binnen de EU als in de landen die een partnerschap met de EU hebben;

15.   onderstreept ook de noodzaak om de lokale overheden te ondersteunen in hun inspanningen om te komen tot een democratisch waterbeheer, dat doelmatig en transparant moet zijn, dat onderworpen is aan regels en dat zich richt naar de doelstellingen van duurzame ontwikkeling om tegemoet te komen aan de behoeften van de bevolking;

16.   verzoekt de Raad en de Commissie om de fundamentele rol van de lokale overheden te erkennen bij de bescherming en het beheer van de watervoorraden en is van oordeel dat deze overal verantwoordelijk zouden moeten zijn voor de sector van het waterbeheer, en betreurt het dat in de door de EU medegefinancierde programma's zo weinig waarde wordt gegeven aan de bevoegdheden van deze overheden;

17.   verzoekt derhalve de Raad en de Commissie om de lokale overheden van de EU aan te sporen om een deel van de heffingen die zij van de gebruikers voor de voorziening en zuivering van water ontvangen voor gedecentraliseerde samenwerkingsacties te bestemmen;

18.   verlangt dat, bij behoud van openbaar eigendom en van een adequaat reglementair en juridisch kader, grotere inspanningen moeten worden verricht om de particuliere sector bij de waterdistributie te betrekken, om profijt de kunnen strekken van de financiële middelen, de know-how en de technologie van deze sector, teneinde verbetering te brengen in de algemene toegang tot water en de sanitaire installaties ervan en erkenning van de beschikbaarheid van water als grondrecht;

19.   is van oordeel dat het de taak van de staten is om particuliere dienstverleners van geringe omvang te integreren in hun nationale strategieën met betrekking tot de watervoorziening;

20.   is van oordeel dat publiek-particuliere partnerschappen, waarbinnen de publieke autoriteiten eigenaar zijn van de infrastructuur en beheerscontracten sluiten met de particuliere sector, een van de middelen kunnen zijn om een betere toegang tot zuiver water en sanitair tegen een redelijke prijs te garanderen;

21.   dringt aan op de bevordering van nieuwe benaderingen zoals irrigatie in plattelandsgebieden en de aanleg van groenzones rondom de steden, teneinde de veiligheid van de voedselvoorziening en de lokale autonomie te versterken;

22.   is van oordeel dat de ter plaatse actieve niet-gouvernementele organisaties een belangrijke bemiddelende en aanvullende rol kunnen spelen, die onmisbaar is bij het verzekeren het succes van projecten in de arme landen;

23.   wenst dat er een tariefsubsidie wordt ingevoerd die het ook de allerarmsten mogelijk maakt zich het noodzakelijke water te verschaffen;

24.   is ervan overtuigd dat gebruik moet worden gemaakt van het plaatselijke spaarwezen en geeft zich ervan rekenschap dat hiervoor vereist is dat de regeringen alle hindernissen van juridische, fiscale of administratieve aard uit de weg ruimen die de ontwikkeling van lokale financiële markten belemmeren;

25.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om een beleid goed te keuren voor steun bij het waterbeheer, dat gebaseerd is op het beginsel van een universele, billijke en niet-discriminatoire toegang tot gezond water;

26.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om de inspanningen van de ontwikkelingslanden m.b.t. aanpassing aan en de vermindering van de gevolgen van de klimaatverandering te bevorderen en te ondersteunen; herinnert in dit verband aan de snelle invoering van de wereldwijde alliantie tegen de klimaatverandering;

27.   dringt erop aan dat de problematiek in verband met het beheer van water, watervoorraden en het recht op algemene beschikbaarheid van water wordt opgenomen op de agenda van de overeenkomsten die bij gelegenheid van COP 15 in Kopenhagen (7−18 december 2009) worden vastgesteld inzake de toekomst van het protocol van Kyoto, ook tegen de achtergrond van de werkzaamheden die de deskundigen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) ter zake uitvoeren;

28.   onderstreept het belang om bij het opstellen van beleidsplannen voor de watervoorziening en het waterbeheer rekening te houden met de behoeften van de armen, die de bevolkingsgroep vormen die het kwetsbaarst is voor de klimaatverandering;

29.   verzoekt het huidig voorzitterschap om de EU op het forum te Istanboel te vertegenwoordigen, met als mandaat:

   te onderstrepen dat toegang tot drinkwater een fundamenteel recht van ieder mens is, zodat water niet alleen als economisch goed mag worden beschouwd dat onderworpen is aan de wetten van de markt,
   de in deze resolutie tot uitdrukking gebrachte beleidsrichtsnoeren te verdedigen;

30.   wenst dat er in het kader van de UNO onderhandelingen gaan worden gevoerd, die moeten leiden tot een internationaal verdrag waarin het recht op toegang tot drinkbaar water wordt erkend; verzoekt de lidstaten van de EU en het voorzitterschap van de Unie hiertoe politieke en diplomatieke initiatieven te nemen in de Algemene Vergadering en de Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties;

31.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Raad van ministers ACS-EU, de secretaris-generaal van de UNO en het secretariaat-generaal van het internationaal comité voor het wereldcontract voor water.

(1) PB C 102 E van 28.4.2004, blz. 857.
(2) PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 249.
(3) PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 294.


Ontwikkelingshulp van de EG aan de gezondheidsdiensten in Afrika ten zuiden van de Sahara
PDF 139kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over een benadering van ontwikkelingshulp van de EG aan de gezondheidsdiensten in Afrika ten zuiden van de Sahara
P6_TA(2009)0138B6-0114/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien speciaal verslag nr. 10/2008 van de Rekenkamer over de ontwikkelingshulp van de EG aan de gezondheidsdiensten in Afrika ten zuiden van de Sahara,

–   gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 18 september 2000, waarin de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's) zijn geformuleerd als criteria die de internationale gemeenschap collectief heeft opgesteld met het oog op de uitbanning van armoede,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 7 oktober 2005 getiteld "Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken − de bijdrage van de Europese Unie" (COM(2005)0132),

–   gezien het Actieprogramma dat in 1994 is aangenomen door de Internationale Conferentie voor bevolking en ontwikkeling(1),

–   gezien de resolutie die op 22 november 2007 is aangenomen door de 14e Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de toegang tot gezondheidszorg en geneesmiddelen, met een bijzondere nadruk op verwaarloosde ziekten(2),

–   gezien het strategiedocument voor het thematisch programma 2007-2013 getiteld "Investeren in mensen", gebaseerd op Verordening (EG) nr. 1905/2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking,

–   gezien het World Health Report 2008 van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) getiteld "Eerstelijnsgezondheidszorg − nu meer nodig dan ooit",

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 juni 2007 over de millinniumdoelstellingen voor ontwikkeling − halverwege(3) en zijn resolutie van 4 september 2008 over moedersterfte aan de vooravond van de bijeenkomst op hoog niveau van de VN over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling die op van 25 september 2008 plaatsvindt(4),

–   gezien de mondelinge vraag aan de Commissie over speciaal verslag nr. 10/2008 van de Rekenkamer over de ontwikkelingshulp van de EG aan de gezondheidsdiensten in Afrika ten zuiden van de Sahara (O-0030/2009 − B6-0016/2009),

–   gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat, ondanks de toezegging van de Commissie de MDG's te zullen halen en ondanks de gezondheidscrisis in Afrika ten zuiden van de Sahara, het aandeel van de EG-middelen voor de sector gezondheid ten opzichte van de totale ontwikkelingshulp van de EG niet is gestegen,

B.   overwegende dat de EG geen systematische maatregelen heeft getroffen om ervoor te zorgen dat er voldoende deskundigheid op het gebied van gezondheid bestaat om haar gezondheidsbeleid adequaat ten uitvoer te kunnen leggen,

C.   overwegende dat de huidige algemene begrotingssteun zo ontworpen is dat er banden met de sector gezondheid bestaan, maar dat deze banden bij de tenuitvoerlegging onvoldoende zijn verkend en er onvoldoende oog is geweest voor de behoeften van de armere geledingen van de bevolking,

D.   overwegende dat de Commissie in Afrika ten zuiden van de Sahara weinig gebruik heeft gemaakt van sectorale begrotingssteun die op de gezondheidssector is geconcentreerd,

E.   overwegende dat de helft van de bevolking in Afrika ten zuiden van de Sahara nog steeds in armoede leeft, en overwegende dat Afrika het enige continent is dat geen vorderingen maakt op het gebied van de MDG's, vooral niet op het gebied van de drie aan gezondheid gerelateerde doelstellingen, te weten kindersterfte, moedersterfte en de strijd tegen HIV/AIDS, tuberculose en malaria, die van cruciaal belang zijn om armoede aan te pakken maar die hoogstwaarschijnlijk niet worden gehaald tegen 2015,

F.   overwegende dat er weliswaar problemen met duurzaamheid zijn gesignaleerd bij projecten op het gebied van gezondheid, maar dat deze methode van hulpverlening nuttig is gebleken voor het ondersteunen van de gezondheidssector in Afrika ten zuiden van de Sahara,

G.   overwegende dat elk jaar 3,5 miljoen kinderen voor hun vijfde verjaardag sterven aan diarree en longontsteking,

1.   is van mening dat zwakke gezondheidsstelsels, met inbegrip van de personeelscrisis, een grote barrière vormen voor het halen van de MDG's voor gezondheid, en benadrukt dat het versterken van de gezondheidsstelsels een cruciaal element van armoedebestrijding moet zijn; is van mening dat infrastructuur voor eerstelijnsgezondheidszorg stabiele en langdurige financiële steun nodig heeft, willen de MDG's op het gebied van gezondheid worden gehaald;

2.   is van mening dat een gezamenlijke inspanning vereist is om betere resultaten op het gebied van gezondheid te boeken en de internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen inzake gezondheid te halen; is er in dit verband mee ingenomen dat de leiders van de ontwikkelingslanden in Abuja, Nigeria in april 2001 hebben toegezegd ernaar te streven 15% van de nationale begrotingen te investeren in gezondheidszorg (15%-doelstelling van Abuja); betreurt dat de Commissie slechts 5,5% van de totale steun uit het negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) voor gezondheidszorg heeft bestemd;

3.   verzoekt de Commissie meer steun te geven aan de gezondheidsdiensten in Afrika ten zuiden van de Sahara en het evenwicht binnen de EG-financiering te herzien, zodat prioriteit kan worden gegeven aan steun voor het gezondheidsstelsel;

4.   roept de Commissie op bij de tussentijdse herziening van het tiende EOF meer middelen toe te wijzen aan de gezondheidssector, onafhankelijk van een omvattende strategie die noodzakelijkerwijs ook sectoren omvat die een grote invloed hebben op gezondheidsresultaten, zoals onderwijs, water en rioolwaterzuivering, plattelandsontwikkeling en bestuur;

5.   benadrukt dat de toezegging in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) om tegen 2009 20% van de middelen aan te wenden voor gezondheidszorg en basisonderwijs van toepassing moet zijn op alle uitgaven voor Europees ontwikkelingsbeleid, waaronder het EOF, zodat er sprake is van coherentie; verzoekt de Commissie om de bevoegde commissies van het Parlement voor 10 april 2009 mee te delen welk percentage van de totale ontwikkelingshulp aan Afrika ten zuiden van de Sahara, uitgesplitst per land, is uitgegeven aan basisonderwijs, middelbaar onderwijs en eerstelijnsgezondheidszorg;

6.   verzoekt de Raad het EOF in de EU-begroting onder te brengen, zoals reeds herhaaldelijk door het Parlement is verzocht, zodat er meer samenhang in het beleid komt en het Parlement de uitgaven voor ontwikkelingshulp kan controleren;

7.   verzoekt de Commissie te zorgen voor voldoende deskundigen op het gebied van gezondheid, zodat zij een effectieve rol kan spelen in de dialoog over de gezondheidssector, en er bijgevolg voor te zorgen dat alle delegaties waarin de gezondheidssector centraal staat, beschikken over specialisten op het gebied van gezondheid, dat zij in landen in een postconflictsituatie nauwer samenwerkt met de gezondheidsadviseurs van het departement humanitaire hulp van de Europese gemeenschap (ECHO) en intensievere partnerschappen vormt met de WHO en zo gebruik maakt van de deskundigheid aldaar, en dat zij formele overeenkomsten met de lidstaten aangaat om gebruik te maken van hun deskundigheid; verzoekt de Commissie de bevoegde commissies van het Parlement voor 10 april 2009 een overzicht te doen toekomen van het respectieve aantal deskundigen op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs dat zij in de regio beschikbaar heeft gesteld, zowel bij de delegaties als op haar hoofdkantoor, alsmede een gedetailleerd tijdschema of overzicht voor 2009 en 2010, waaruit blijkt hoe zij dit aantal wil vergroten en waar deze deskundigen zullen worden ingezet, zodat er bij de kwijtingsprocedure voor 2007 rekening gehouden kan worden met haar antwoorden;

8.   verzoekt de Commissie op het niveau van de afzonderlijke landen technische ondersteuning te bieden aan het globaal fonds voor de bestrijding van AIDS, tuberculose en malaria (GFATM) bij het voorbereiden van de subsidieaanvragen, het uitvoeren van de subsidiecontracten en het geven van feedback aan het hoofdkantoor van de Commissie om ervoor te zorgen dat zij effectief samenwerkt met de directie van de GFATM;

9.   verzoekt de Commissie haar capaciteit aan personeel en middelen op te voeren, zowel in het hoofdkantoor als in de delegaties, en zo haar gezondheidsstrategie in de betrokken landen te ondersteunen en ervoor te zorgen dat de uitgaven van het GFATM effect sorteren; verzoekt meer prioriteit te geven aan ziekten die gemakkelijk te voorkomen zijn, zoals aan diarree gerelateerde ziekten, die grotendeels vermeden kunnen worden met simpele maatregelen zoals zeep overal ter wereld beschikbaar maken en effectieve campagnes die mensen bewust maken van de noodzaak hun handen te wassen;

10.   verzoekt de Commissie tevens meer gebruik te maken van algemene begrotingssteun ter versterking van de gezondheidszorg en daarbij prestatie-indicatoren vast te stellen voor het halen van de 15%-doelstelling van Abuja, de uitvoeringspercentages (in het bijzonder het beheer van de overheidsfinanciën en zwakke punten in openbare aanbestedingen), technische ondersteuning bij de dialoog over het beleid voor de gezondheidssector en degelijke statistische systemen;

11.   bevestigt dat MDG-contracten kunnen zorgen voor duurzame langetermijninvesteringen in de gezondheidszorg in ontwikkelingslanden en deze landen helpen de MDG's te halen, maar alleen wanneer de Commissie ervoor zorgt dat MDG-contracten in eerste instantie geconcentreerd zijn op de sectoren gezondheid en onderwijs; onderstreept evenwel dat de MDG-contracten slechts een deel van de oplossing zijn wanneer het gaat om het verbeteren van de effectiviteit van steun en het versnellen van de vorderingen op het gebied van de MDG's voor gezondheid; verzoekt de Commissie tevens alternatieve benaderingen te ontwikkelen, vooral voor de landen die nog niet in aanmerking komen voor MDG-contracten, die dikwijls ver verwijderd zijn van het halen van de MDG's voor gezondheid en die de grootste behoefte hebben aan intensievere ontwikkelingshulp;

12.   verzoekt de Commissie doelstellingen te gebruiken waaraan de resultaten van beleid direct kunnen worden afgemeten en mechanismen en instrumenten voor toezicht in te stellen om ervoor te zorgen dat een adequaat deel van de algemene begrotingssteun wordt gebruikt voor basisbehoeften, in het bijzonder voor gezondheid; benadrukt dat dit gepaard moet gaan met steun voor capaciteitsopbouw; verzoekt de Commissie het Parlement voor eind 2009 te informeren welke stappen zij heeft genomen;

13.   roept op tot capaciteitsopbouw in alle ministeries om te zorgen voor meer effectiviteit op het gebied van gezondheidszorg door middel van uitgaven voor begrotingssteun, aangezien de eigen verantwoordelijkheid van landen zich dikwijls beperkt tot het Ministerie van Financiën;

14.   verzoekt de Commissie meer gebruik te maken van sectorale begrotingssteun; vraagt de Commissie om herziening van de algemene eis dat sectorale begrotingssteun alleen gebruikt kan worden wanneer de sector gezondheid centraal staat en haar huidige verdeling van middelen tussen sectorale begrotingssteun en algemene begrotingssteun te herzien;

15.   verzoekt de Commissie steun te geven aan toezicht op de begrotingssteun door parlementen, het maatschappelijk middenveld en de lokale overheden om te zorgen voor een sterk en duidelijk verband tussen begrotingssteun en het halen van de MDG's;

16.   betreurt dat slechts in een beperkt aantal partnerlanden, namelijk zes, gezondheid als prioritaire sector onder het tiende EOF is geselecteerd; verzoekt de Commissie landen systematisch aan te moedigen hun nationale begrotingen voor gezondheidszorg uit te breiden door gebruik te maken van prestatie-indicatoren, waarbij zij deze uitbreiding ten doel stelt in de algemene overeenkomsten voor toekenning van begrotingssteun;

17.   roept de Commissie op een veel prominentere rol te spelen in het op gang brengen van een dialoog tussen de regeringen van de partnerlanden en het maatschappelijk middenveld, de private sector en de nationale parlementen;

18.   verzoekt de Commissie om opstelling en verspreiding van duidelijke richtsnoeren over het tijdstip waarop elk van de instrumenten moet worden aangewend en hoe de instrumenten gecombineerd kunnen worden gebruikt om maximale synergie te bereiken; roept de Commissie op te zorgen voor samenhang tussen de verschillende financiële instrumenten en daarbij rekening te houden met de situatie in de afzonderlijke landen, zodat vorderingen met betrekking tot de MDG's op het gebied van gezondheid mogelijk worden;

19.   dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten de EU-Gedragscode inzake de taakverdeling binnen het ontwikkelingsbeleid toepassen om ervoor te zorgen dat de uitgaven en programma's op het gebied van gezondheidszorg beter worden gecoördineerd en er meer aandacht komt voor verwaarloosde landen die van hulp verstoken zijn gebleven, met inbegrip van landen in een crisissituatie en kwetsbare staten;

20.   verzoekt de Commissie in nauwe samenwerking met de Rekenkamer te onderzoeken hoe de zwakke punten die naar voren kwamen in het verslag van de Rekenkamer kunnen worden aangepakt, en de bevoegde commissies van het Parlement voor het eind van 2009 een verslag te doen toekomen van de resultaten van deze besprekingen;

21.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Rekenkamer en de regeringen en parlementen van de betrokken Afrikaanse landen.

(1) A/CONF.171/13/Rev.1.
(2) PB C 58 van 1.3.2008, blz. 29.
(3) PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 232.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0406.


Invoering van de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte (SEPA)
PDF 127kWORD 36k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over de invoering van het gemeenschappelijke eurobetalingsruimte (SEPA)
P6_TA(2009)0139B6-0111/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de gezamenlijke verklaring van de Commissie en de Europese Centrale Bank van 4 mei 2006 over de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte,

–   gezien het gelegenheidsdocument van de Europese Centrale Bank, nr. 71 van augustus 2007 over de economische gevolgen van de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte,

–   gelet op Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt(1) (betalingsdienstenrichtlijn),

–   gezien het voorstel van de Commissie van 13 oktober 2008 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap (COM(2008)0640),

–   gezien het zesde SEPA-voortgangsverslag van de Europese Centrale Bank van november 2008,

–   gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte (SEPA) een geïntegreerde markt voor betalingsdiensten dient te zijn, waarop effectieve mededinging heerst en waar er geen verschil bestaat tussen grensoverschrijdende en binnenlandse betalingen in euro,

B.   overwegende dat SEPA niet alleen een zelfregulerend initiatief van de European Payments Council (EPC) is, maar eveneens een uiterst belangrijk beleidsinitiatief ter versterking van de Economische en Monetaire Unie en de agenda van Lissabon; overwegende dat SEPA ondersteund wordt door de betalingsdienstenrichtlijn, het noodzakelijke geharmoniseerde wettelijke kader; en overwegende dat het welslagen van SEPA derhalve van bijzonder belang voor het Parlement is,

C.   overwegende dat de overgang op SEPA-instrumenten officieel op 28 januari 2008 van start is gegaan met de lancering van het SEPA-overboekinginstrument, terwijl op 1 januari 2008 het SEPA-instrument voor kaartbetalingen van start is gegaan en automatische overschrijvingen vanaf 1 november 2009 in het kader van SEPA kunnen worden gedaan,

D.   overwegende dat er geen bindende termijn is vastgesteld voor de overgang op SEPA-instrumenten, en overwegende dat alle betrokken partijen het er nu over eens zijn dat alleen aan de hand van een dergelijke termijn SEPA met succes kan worden voltooid,

E.   overwegende dat de overgang op SEPA-instrumenten traag is verlopen: op 1 oktober 2008 werd slechts 1,7% van het totaal aantal transacties door middel van het SEPA-overboekingsinstrument gedaan,

F.   overwegende dat het voor de voltooiing van SEPA belangrijk is dat alle belanghebbenden − wetgevers, het bankwezen en gebruikers van betalingsdiensten (met name de openbare sector, een groot afnemer van betalingsdiensten) − hieraan deelnemen,

G.   overwegende dat de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte niet kan worden voltooid indien SEPA-instrumenten enkel voor grensoverschrijdende betalingen worden gebruikt, aangezien hierdoor de markt gefragmentariseerd blijft en de verwachte voordelen voor het bankwezen evenals voor zijn klanten uitblijven,

H.   overwegende dat de Commissie en de Europese Centrale Bank op 4 september 2008 de EPC te kennen hebben gegeven dat zij bereid zijn om het idee van een multilaterale afwikkelingsvergoeding voor grensoverschrijdende automatische overschrijvingen binnen het SEPA-kader te ondersteunen, op voorwaarde dat een dergelijke vergoeding objectief gerechtvaardigd en slechts voor een beperkte tijd van toepassing is,

I.   overwegende dat de Commissie haar bezorgdheid heeft geuit over bestaande multilaterale afwikkelingsvergoedingen en het bankwezen hiervoor nog geen passende oplossing heeft gevonden,

J.   overwegende dat met het oog op een op het SEPA-instrument voor kaartbetalingen gebaseerde EU-kaartoplossing, de kwestie rond de toepassing van een multilaterale afwikkelingsvergoeding eveneens moet worden opgelost,

K.   overwegende dat bestaande automatische-overschrijvingsoverdrachten hun rechtsgeldigheid moeten behouden, aangezien het verplicht ondertekenen van een nieuwe betalingsopdracht bij de overgang van een nationaal instrument voor automatische overschrijving op het SEPA-instrument voor automatische overschrijving onnodig gecompliceerd is,

1.   benadrukt dat het de oprichting van SEPA, waarop effectieve mededinging heerst en waar er geen verschil bestaat tussen grensoverschrijdende en binnenlandse betalingen in euro, nog altijd ondersteunt;

2.   verzoekt de Commissie om een duidelijke, juiste en bindende termijn die niet later dan 31 december 2012 mag vallen, vast te stellen voor de overgang op SEPA-instrumenten, waarna alle betalingen in euro overeenkomstig de SEPA-normen moeten worden gedaan;

3.   verzoekt de Commissie om juridische duidelijkheid te verschaffen over de toepassing van multilaterale afwikkelingsvergoedingen bij grensoverschrijdende automatische overschrijvingen en met name om een overgangsperiode vast te stellen aan het einde waarvan het mogelijk moet zijn om de bewuste vergoedingen te handhaven voor zover ze aan richtsnoeren van de Commissie beantwoorden die zo spoedig mogelijk aan te nemen zijn, van de principes van transparantie en vergelijkbaarheid uitgaan, en van inachtneming van de kosten en vergoedingen voor de diensten die door de aanbieders van betaaldiensten geboden worden;

4.   verzoekt de Commissie om meer duidelijkheid over multilaterale afwikkelingsvergoedingen voor kaartbetalingen;

5.   dringt erop aan meer werk te maken van het vinden van passende oplossingen in de lidstaten om de bestaande automatische-overschrijvingsopdrachten in het kader van het SEPA-instrument voor automatische overschrijving hun rechtsgeldigheid te laten behouden;

6.   verzoekt de lidstaten hun overheidsapparaat aan te sporen zo spoedig mogelijk gebruik te maken van de SEPA-instrumenten en deze in het migratieproces een katalysatorfunctie te laten vervullen;

7.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de overgang op SEPA-instrumenten niet zal leiden tot een duurder betalingssysteem voor de burgers van de Unie;

8.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Centrale Bank en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 319 van 5.12.2007, blz. 1.


Strategisch partnerschap EU-Brazilië
PDF 133kWORD 50k
Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 12 maart 2009 betreffende het strategisch partnerschap EU-Brazilië (2008/2288(INI))
P6_TA(2009)0140A6-0062/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad, ingediend door Véronique De Keyser namens de PSE-Fractie, betreffende het Strategisch Partnerschap EU-Brazilië (B6-0449/2008),

–   gelet op Titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gelet op de kaderovereenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië(1),

–   gelet op de interregionale kaderovereenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zuid-Amerikaanse gemeenschappelijke markt en zijn deelnemende Staten, anderzijds(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2001 over een globaal partnerschap en een gemeenschappelijke strategie voor de betrekkingen tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 april 2006 over een sterker partnerschap tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika(4),

–   gezien de Mededeling van de Commissie "Naar een strategisch partnerschap tussen de EU en Brazilië" (COM(2007)0281),

–   gezien de Gemeenschappelijke Verklaring van de eerste Top EU-Brazilië van 4 juli 2007 in Lissabon,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 april 2008 over de vijfde Top Latijns-Amerika en de Caraïben - Europese Unie in Lima(5),

–   gezien de Verklaring van Lima, aangenomen op de vijfde Top Latijns-Amerika en de Caraïben - Europese Unie, in Lima, Peru op 16 mei 2008,

–   gezien de Gemeenschappelijke Verklaring van de tweede Top EU-Brazilië, van 22 december 2008 in Rio de Janeiro,

–   gelet op artikel 114, lid 3, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0062/2009),

A.   overwegende dat Brazilië op regionaal en mondiaal niveau een steeds grotere rol speelt en voor de EU een strategische gesprekspartner is geworden,

B.   overwegende dat Brazilië en de Europese Unie als partners een gemeenschappelijke visie delen inzake mondiale kwesties, en veranderingen en oplossingen op mondiaal niveau kunnen stimuleren,

C.   overwegende dat het Strategisch Partnerschap tussen de Europese Unie en Brazilië op de eerste Top EU-Brazilië is gelanceerd op basis van de nauwe historische, culturele en economische banden tussen de partijen, en dat op de tweede Top EU-Brazilië een gezamenlijk actieplan is aangenomen dat gedurende drie jaar als raamwerk fungeert voor verdere actie binnen het Strategisch Partnerschap,

D.   overwegende dat de partners gemeenschappelijke fundamentele waarden en principes hebben, zoals de democratie, de rechtstaat en de bevordering van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, alsmede een markteconomie en sociale cohesie, die fundamentele voorwaarden vooraf voor de ontwikkeling van het strategisch partnerschap betekenen,

E.   overwegende dat de prioriteiten van beide regio's zijn veranderd door onder meer politieke en economische integratieprocessen, de voortschrijdende mondialisering van de economie en het belang van het debat over democratie, mensenrechten en het milieu,

F.   overwegende dat Brazilië het voortouw heeft genomen bij de integratie in Zuid-Amerika door oprichting van de Unie van Zuid-Amerikaanse landen (UNASUR),

G.   overwegende dat het strategisch partnerschap een belangrijke impuls zal geven aan de totstandkoming tegen het jaar 2012 van een Europees-Latijns-Amerikaanse globale interregionale associatiezone, die het Parlement in zijn bovengenoemde resolutie van 27 april 2006 heeft voorgesteld,

H.   overwegende dat de instelling van de Euro-Latijns-Amerikaanse parlementaire vergadering (EuroLat) een beslissende stap is geweest voor de versterking van de democratische legitimiteit en de politieke dimensie van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika, en dat de toekomstige toetreding van het parlement van Mercosur tot EuroLat de rol van deze vergadering als permanent forum voor politieke dialoog tussen de twee regio's zal versterken,

1.   beveelt de Raad het volgende aan:

aa) de bestaande dialoog moet worden geïntensiveerd, en er moeten nieuwe gesprekken op gang worden gebracht, met name inzake milieu en duurzame ontwikkeling, energie, vervoer, voedselzekerheid, wetenschap en technologie, de informatiemaatschappij, werkgelegenheid en sociale vraagstukken, financiën en macro-economie, regionale ontwikkeling, cultuur en onderwijs;

ab) het strategisch partnerschap moet contacten tussen maatschappelijke organisaties, handelsverenigingen en fora voor sociale partners aanmoedigen en uitwisselingen op het gebied van onderwijs en cultuur bevorderen;

ac) maatregelen ten behoeve van politiek partnerschap tussen de EU en Brazilië, wederzijdse kennismaking en wederzijds begrip, alsook uitwisselingsprogramma's dienen via een ander instrument dan het DCI te worden gefinancierd;

ad) het strategisch partnerschap moet het kader vormen voor de totstandbrenging van een regelmatige, structurele dialoog tussen de leden van het Nationaal Congres van Brazilië en de leden van het Europees Parlement;

ae) de EU-instellingen en de regering van Brazilië moeten het Europees Parlement en EuroLat regelmatig en volledig informeren over de stand van het strategisch partnerschap;

   a) het strategisch partnerschap moet worden ingepast in de biregionale aanpak en in de globale visie van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika en de Caraïben, die ten grondslag liggen aan het biregionaal strategisch partnerschap waartoe in het kader van de topbijeenkomsten EU-LAC is besloten;
   b) de preferentiemechanismen voor de politieke dialoog in het kader van het strategisch partnerschap moeten een impuls geven aan de betrekkingen met en tussen de verschillende regionale integratiestructuren, teneinde de waarden en belangen van het strategisch partnerschap te vrijwaren en de multilaterale aanpak van de internationale betrekkingen te versterken;
   c) het strategisch partnerschap moet een nieuwe impuls geven aan de sluiting van de associatieovereenkomst EU-Mercosur, een strategische doelstelling van de EU om de economische en handelsbetrekkingen verder uit te diepen, alsook om de politieke dialoog en de samenwerking tussen beide regio's uit te breiden;
   d) het strategisch partnerschap moet een reële toegevoegde waarde betekenen, zowel ten aanzien van de bestaande kaderovereenkomst voor samenwerking met Brazilië, de lopende kaderovereenkomst voor samenwerking met Mercosur als de toekomstige associatieovereenkomst met Mercosur;
   e) de centrale thema's van de politieke agenda van het strategisch partnerschap moeten de bevordering omvatten van gemeenschappelijke strategieën om het hoofd te bieden aan de mondiale uitdagingen, onder meer vrede en veiligheid, democratie en mensenrechten, klimaatverandering, de financiële crisis, biodiversiteit, zekerheid van energievoorziening en duurzame ontwikkeling, alsook de strijd tegen armoede en uitsluiting;
   f) een effectief multilateralisme, gebaseerd op het stelsel van de VN, is de beste manier om de wereldproblemen aan te pakken; de partners moeten proberen om hun standpunten op elkaar af te stemmen via nauwe samenwerking en systematisch overleg voorafgaand aan de bijeenkomsten van de VN en andere internationale organisaties (bv. de WTO en fora (bv. de G20);
   g) het strategisch partnerschap moet het belang onderstrepen van de uitvoering van het voortdurende hervormingsproces, dat tijdens de VN-Top in 2005 werd goedgekeurd, met inbegrip van de hervorming van de belangrijkste organen van de VN;
   h) de partners moeten er eveneens naar streven de mogelijkheden op het vlak van de voorkoming van conflicten en het crisisbeheer bij de VN, in regionale organisaties en op bilateraal niveau uit te breiden en de inspanningen in het kader van VN-vredesmissies en stabilisatieoperaties te coördineren;
   i) het strategisch partnerschap moet een instrument zijn om de democratie en de mensenrechten, de rechtsstaat en goed bestuur op wereldschaal te bevorderen; de partners moeten zowel in de Mensenrechtenraad van de VN als in de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de VN verder samenwerken om de eerbiediging van de mensenrechten in de wereld te bevorderen;
   j) de partners moeten blijven werken aan de versterking van het multilaterale handelsstelsel op het niveau van de WTO; rekening houdend met de huidige internationale financiële crisis en de nauwe banden tussen financiën en handel, moet protectionisme worden vermeden; de partners moeten samenwerken, met als doel bij te dragen tot de succesvolle afronding van de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha;
   k) het strategisch partnerschap moet worden aangewend om de samenwerking tussen de partners in andere internationale fora zoals de Wereldbank, het Internationaal Muntfonds IMF en de G20 te bevorderen, teneinde bij te dragen tot het vinden van oplossingen voor de huidige globale financiële crisis, die aantoont dat er dringend nood is aan een hervorming van het internationale financiële stelsel;
   l) het standpunt dat wordt ingenomen in de mededeling van de Commissie van 18 september 2008 getiteld "Meertaligheid: een troef voor Europa en een gemeenschappelijk engagement" (COM(2008)0566), waarin wordt gewezen op de strategische waarde voor de EU van "de externe dimensie van meertaligheid" in de huidige geglobaliseerde wereld, moet worden gesteund; dat een aantal EU-talen eveneens wordt gesproken in tal van niet-lidstaten in diverse werelddelen, dat zij een belangrijke schakel tussen volkeren en naties, en een waardevol communicatie-instrument voor de zakenwereld vormen, met name in opkomende markten zoals Brazilië, en dat zij eveneens een relevant samenwerkings- en ontwikkelingsinstrument zijn, moet duidelijk worden gesteld;
   m) de partners moeten samenwerken om het hoofd te bieden aan de meest dringende mondiale problemen op het gebied van vrede en veiligheid, onder meer door ontwapening, non-proliferatie van en controle op wapens, met name als het gaat om nucleaire, chemische en biologische wapens en de mogelijkheden voor leverantie ervan, alsmede op het gebied van corruptie, grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, in het bijzonder drugshandel, witwassen van geld, smokkel in wapens van klein kaliber, lichte wapens en munitie, mensenhandel en terrorisme; zij moeten zich verbinden tot uitvoering van het mechanisme van de EU-LAC inzake verdovende middelen;
   n) het strategisch partnerschap tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië moet gebaseerd zijn op wederzijdse erkenning van definitieve gerechtelijke uitspraken;
   o) de partners moeten nauw samenwerken om de millenniumdoelstellingen (MDG's)voor ontwikkeling te bevorderen en ten uitvoer te leggen, teneinde armoede en sociale ongelijkheid op mondiaal niveau te bestrijden; zij moeten de samenwerking op het gebied van ontwikkelingshulp, met inbegrip van de driehoekssamenwerking, intensiveren en op soortgelijke wijze samenwerken in de strijd tegen het internationale terrorisme, de drugshandel en misdaad in het algemeen;
   p) de inspanningen van Brazilië om de MDG's te verwezenlijken moeten worden toegejuicht en het land moet worden gecomplimenteerd met de positieve ontwikkelingen op gebieden als armoedebestrijding, terugdringing van de ondervoeding onder kinderen en basisonderwijs; er moet worden onderstreept dat Brazilië nog aanzienlijke inspanningen moet leveren om de MDG's uiterlijk in 2015 te bereiken en er onder meer voor moet zorgen dat voldoende kwaliteit in het basisonderwijs voor zowel meisjes als jongens wordt gegarandeerd en het sterftecijfer van kinderen beneden de vijf jaar verder blijft dalen; er moet op worden gewezen dat de bevordering van gendergelijkheid een fundamenteel mensenrecht is alsook een instrument om de MDG's te verwezenlijken en deel moet uitmaken van het Strategisch Partnerschap EU-Brazilië;
   q) er moet worden vastgesteld dat er in Brazilië ondanks de economische ontwikkeling en de toenemende rijkdom nog steeds zeer veel armen zijn; er moet worden onderstreept dat het noodzakelijk is de inspanningen van de Braziliaanse regering om de armoede in de armste regio's respectievelijk lagen van de samenleving aan te pakken, te ondersteunen, gelet op het feit dat 65% van de armste Brazilianen zwart of van gemengde etnische afkomst is, terwijl in de meest bevoorrechte klasse 86% blank is;
   r) het strategisch partnerschap moet een forum vormen voor debat en uitwisseling van beste praktijken tussen de partners inzake sociale en regionale cohesie; in die context moet worden gewezen op de zeer gunstige gevolgen van het Braziliaanse "Bolsa Família"-programma voor de armoedebestrijding en de verbetering van de ontwikkelingsindicatoren in het land;
   s) er dient een brede dialoog over migratie te worden opgezet, waarbij voorrang moet worden gegeven aan kwesties in verband met reguliere en illegale migratie, de bescherming van de mensenrechten van migranten en het vergemakkelijken van het overmaken van geld;
   t) de partners moeten de handen in elkaar slaan om de besprekingen in internationale fora vooruit te helpen, met als doel in 2009 een algemene en omvattende overeenkomst over klimaatverandering te sluiten voor de periode na 2012, die met name gebaseerd moet zijn op het beginsel van gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden;
   u) de partners moeten eveneens nauw samenwerken om het Verdrag inzake biologische diversiteit te implementeren en om de doelstelling van 2010 op het gebied van biodiversiteit te halen;
   v) de partners moeten de internationale samenwerking op het gebied van de instandhouding en het duurzaam beheer van alle soorten bossen, met inbegrip van het Amazonewoud, intensiveren; zij moeten beste praktijken op het gebied van duurzaam bosbeheer en toepassing van de boswetgeving uitwisselen;
   w) de partners moeten energietechnologieën met lage koolstofemissies ontwikkelen en de duurzame productie en het duurzame gebruik van hernieuwbare energiebronnen verzekeren, met inbegrip van duurzame biobrandstoffen die de productie van voedingsgewassen en de biodiversiteit niet in het gedrang brengen; zij moeten het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in hun algemene energiemix verhogen, energie-efficiëntie en -veiligheid bevorderen, alsmede een grotere energieveiligheid bewerkstelligen;
   x) de samenwerking op het gebied van nucleair onderzoek moet worden geïntensiveerd zodat Brazilië kan deelnemen aan het ITER-project (internationale thermonucleaire experimentele reactor) inzake de opwekking van thermonucleaire energie;
   y) de pogingen van Brazilië om AIDS met goedkope medicijnen te bestrijden moeten, daar beschikbaarheid van farmaceutische producten en volksgezondheid primaire doelen zijn, worden gesteund en de EU moet nader onderzoek doen naar de verplichte vergunningen voor geneesmiddelen voor de behandeling van verwaarloosde pandemische ziekten waaraan de armen lijden;
   z) de financiële middelen die Brazilië in het kader van het financieringinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(6) (DCI) ter beschikking worden gesteld, moeten worden ingezet voor maatregelen die Brazilië bij de bestrijding van de armoede en de verwezenlijking van de MDG's ondersteunen, alsook voor andere maatregelen die als echte ontwikkelingshulp kunnen worden aangemerkt, zoals maatregelen op milieugebied;

2.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en - ter informatie - aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten, alsmede de president en het Nationaal Congres van de Federale Republiek Brazilië.

(1) PB L 262 van 1.11.1995, blz. 54.
(2) PB L 69 van 19.3.1996, blz. 4.
(3) PB C 140 E van 13.6.2002, blz. 569.
(4) PB C 296 E van 6.12.2006, blz. 123.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0177.
(6) Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41).


Strategisch partnerschap EU-Mexico
PDF 204kWORD 51k
Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 12 maart 2009 betreffende het strategisch partnerschap EU-Mexico (2008/2289(INI))
P6_TA(2009)0141A6-0028/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad, ingediend door José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra namens de PPE-DE-Fractie, betreffende een strategisch partnerschap EU-Mexico (B6-0437/2008),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 15 juli 2008 getiteld "Naar een strategisch partnerschap EU-Mexico" (COM(2008)0447),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 oktober 2007 over vrouwenmoorden in Mexico en Midden-Amerika en de rol van de Europese Unie in de strijd tegen dit fenomeen(1),

–   gezien de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds(2), ondertekend op 8 december 1997 ("de Algemene Overeenkomst"),

–   gezien de verklaringen na afloop van de vijf topconferenties van staatshoofden en regeringsleiders de Europese Unie,van Latijns-Amerika en de Caraïben en van (EU-LAC) die tot dusver werden gehouden in achtereenvolgens Rio de Janeiro (28 en 29 juni 1999), Madrid (17 en 18 mei 2002), Guadalajara (28 en 29 mei 2004), Wenen (12 en 13 mei 2006) en Lima (16 en 17 mei 2008),

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de vierde Top Mexico − EU van 17 mei 2008 in Lima,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de achtste bijeenkomst van de Gemengde Commissie EU-Mexico in Mexico-stad op 13 en 14 oktober 2008,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de zevende bijeenkomst van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Mexico, in Mexico-stad bijeen op 28 en 29 oktober 2008,

–   gezien de conclusies van de Europese Raad algemene zaken en buitenlandse betrekkingen van 13 oktober 2008,

–   gezien het bericht van de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering (EuroLat) op de vijfde Top EU-LAC van 1 mei 2008,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 april 2008 over de vijfde Top Latijns-Amerika en de Caraïben-Europese Unie in Lima(3),

–   gezien de Verklaring van San Salvador, aangenomen op de XVIIIe Ibero-Amerikaanse Top van staatshoofden en regeringsleiders van 29 tot 31 oktober 2008,

   gezien zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten(4),

–   gelet op artikel 114, lid 3, en artikel 83, lid 5, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A6-0028/2009),

A.   overwegende dat Mexico en de EU fundamentele waarden en gemeenschappelijke principes delen, en nauwe historische en culturele banden hebben,

B.   overwegende dat eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten, die in de democratieclausule is verankerd, een essentieel element van het strategisch partnerschap en van de Algemene Overeenkomst vormt, en door beide partijen moet worden toegepast,

C.   overwegende dat Mexico zijn politieke rol op het internationale toneel steeds duidelijker bevestigt, zoals op mondiaal niveau blijkt uit de recente aanwijzing van het land als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (periode 2009-2010), en op regionaal niveau uit het voorzitterschap van Mexico van het Pro-Tempore Secretariaat van de Groep van Rio (periode 2008-2010),

D.   overwegende dat het van belang is dat de EU de bijdrage van Mexico aan het multilaterale systeem erkent, aangezien het multilateralisme een van de fundamentele beginselen is die beide partijen, Mexico en de EU, op internationaal niveau willen bevorderen,

E.   overwegende dat Mexico is begonnen met stelselmatige structurele hervormingen in strategische sectoren en de tiende economische macht in de wereld is geworden, dat het land lid is van de G20 en de G5 (Brazilië, China, India, Zuid-Afrika en Mexico), en bovendien als enige Latijns-Amerikaanse land lid is van de OESO,

F.   overwegende dat Mexico meer dan 100 miljoen inwoners telt en een overwegend jonge bevolking heeft, aangezien meer dan 45% van de inwoners minder dan 20 jaar oud is, en dat het land een belangrijke geostrategische positie bekleedt als brug tussen Noord- en Zuid-Amerika en tussen de Caraïben en de Stille Oceaan,

G.   overwegende dat de Algemene Overeenkomst gebaseerd is op drie pijlers: politieke dialoog, geleidelijke invoering van een vrijhandelszone en samenwerking, en dat bovendien sinds de inwerkingtreding van die overeenkomst in 2000 de betrekkingen tussen beide partijen geïntensiveerd en geconsolideerd zijn, zowel politiek als op het gebied van handel en samenwerking,

H.   overwegende dat de Europese Unie en Mexico tijdens de Top van Lima (mei 2008) hebben onderstreept dat de handelsstromen en de investeringen zich in het kader van de Algemene Overeenkomst positief ontwikkelen,

I.   overwegende dat de Europese Unie en Mexico hun betrekkingen, zowel bilateraal als in het kader van de Algemene Overeenkomst, op alle niveaus hebben geïntensiveerd, ook op institutioneel vlak, inzonderheid door de interparlementaire samenwerking in het kader van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Mexico en de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering,

J.   overwegende dat het voorstel voor een strategisch partnerschap samenvalt met de wereldwijde financiële en economische crisis, en dat deze crisis het economische en sociale evenwicht in de bilaterale betrekkingen kan verstoren,

K.   overwegende dat de verdieping van de betrekkingen tussen Mexico en de EU kan leiden tot een grotere consensus tussen de EU en haar Latijns-Amerikaanse partners over regionale en mondiale kwesties, en hen de gelegenheid kan geven hun gemeenschappelijke waarden en belangen in de internationale en regionale fora gezamenlijk te verdedigen,

L.   overwegende dat het strategisch partnerschap op twee verschillende niveaus een kwalitatieve sprong in de betrekkingen tussen de EU en Mexico inhoudt: op multilateraal niveau een betere onderlinge coördinatie inzake wereldwijde vraagstukken, en op bilateraal niveau nauwere betrekkingen en meer specifieke initiatieven,

M.   overwegende dat de politieke en economische integratieprocessen, de almaar voortschrijdende economische globalisering en het belang van het debat over onder meer democratie, de mensenrechten en het milieu, tot een prioriteitsverandering op de agenda's van beide regio's hebben geleid,

N.   overwegende dat zijn strategische positie en zijn netwerk van handelsovereenkomsten Mexico van groot strategisch belang voor de Europese export maken, terwijl de EU de op één na belangrijkste bron van buitenlandse investeringen van het land is,

O.   overwegende dat het vrijhandelsgebied tussen Mexico en de EU (FTA) een belangrijke functie in de bilaterale betrekkingen van de EU vervult omdat het bijzonder ruim opgevat is (het omvat goederen, diensten, aanbestedingen, concurrentie, intellectuele-eigendomsrechten, investeringen en aanverwant betalingsverkeer),

P.   overwegende dat de emigratie van Mexicanen naar de EU voor Mexico één van de belangrijkste en gevoeligste kwesties vertegenwoordigt, gezien het groot aantal Mexicaanse immigranten, waaronder veel hooggeschoolden, in de EU,

1.   beveelt de Raad het volgende aan:

   a) hoopt dat dit strategisch partnerschap een kwalitatieve sprong betekent in de multilaterale betrekkingen tussen Mexico en de EU zowel wat vraagstukken van mondiaal belang betreft als wat betreft de versterking van de ontwikkeling van de bilaterale betrekkingen,
   b) dringt erop aan dat de jaarlijkse topbijeenkomsten tussen de Europese Unie en Mexico in het kader van het strategisch partnerschap wordt geïnstitutionaliseerd, zoals het geval is voor de bijeenkomsten met de Verenigde Staten, Rusland, China en Brazilië,
   c) vertrouwt erop dat het strategisch partnerschap een nieuwe impuls geeft aan de verschillende aspecten van de Algemene Overeenkomst EU-Mexico, zowel op politiek vlak (met inbegrip van de mensenrechten) als wat betreft veiligheid, de bestrijding van drugshandel, milieu, technische en culturele samenwerking en sociaaleconomische zaken,
   d) wenst dat het hoofdstuk over handel wordt gebaseerd op de beginselen van gelijke behandeling over en weer, solidariteit, dialoog en respect voor de bijzondere kenmerken van Mexico en de EU,
   e) herhaalt zijn steun aan de Mexicaanse regering en president Calderón bij het uitvoeren van de uitermate belangrijke taak om orde op zaken te stellen bij bepaalde instellingen van de centrale staat; meent dat dit noodzakelijk is om corruptie te voorkomen en om ervoor te zorgen dat de samenleving niet onbeschermd blijft,
   f) gelooft dat de strijd tegen vrouwenmoorden in beide regio's, op basis van dialoog, samenwerking en wederzijdse uitwisseling van goede praktijken, binnen het scala van zijn activiteiten valt,
   g) vertrouwt erop dat het strategisch partnerschap tot grotere coördinatie van de standpunten inzake crisissituaties en wereldwijde vraagstukken , op grond van gezamenlijke belangen en bekommernissen, leidt,
   h) wenst dat duidelijke richtsnoeren worden vastgesteld over de beste manier om nauw samen te werken met het oog op de bevordering van een doelmatige multilaterale aanpak en een versterking van de capaciteit van de Verenigde Naties om de vrede te handhaven en te consolideren en de eerbiediging van de mensenrechten te verzekeren, alsook om, in het kader van het internationale recht, het hoofd te bieden aan wereldwijde bedreigingen voor vrede en veiligheid, waaronder drugshandel, wapenhandel, georganiseerde misdaad, terrorisme en mensenhandel, in overeenstemming met de Verklaring van Lima,
   i) dringt erop aan versterkte partnerschap te zien als een kans voor discussie over de vraag hoe de clausule inzake mensenrechten- en democratie doeltreffender kan functioneren en om de naleving ervan te evalueren, onder andere door de positieve dimensie van de clausule te ontwikkelen, gelet op het feit dat mensenrechten en democratie essentiële waarden vertegenwoordigen, in alle overeenkomsten en voor beide partijen,
   j) spreekt in dat verband zijn steun uit voor de bijdrage die de Mexicaanse regering levert aan de werkzaamheden van de Verenigde Naties en aan haar strijd tegen de drugshandel, het internationale terrorisme en de georganiseerde misdaad, in het bijzonder gezien het groeiende aantal slachtoffers van drugshandel en het drugsgebruik,
   k) vertrouwt erop dat de preferentiemechanismen voor de politieke dialoog in het kader van het strategisch partnerschap een impuls geven aan de betrekkingen met en tussen de verschillende regionale integratiestructuren, teneinde de waarden en belangen van het strategisch partnerschap te vrijwaren en de multilaterale aanpak van de internationale betrekkingen te versterken,
   l) dringt erop aan dat aan het Forum van het maatschappelijk middenveld Mexico-EU meer gewicht wordt toegekend, en dat in de mate van het mogelijke met de aanbevelingen van deze organisatie rekening wordt gehouden,
   m) onderstreept de rol van het strategisch partnerschap als een instrument dat de samenwerking tussen beide partijen in internationale fora zoals de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds, de OESO, de G20 en de G8+G5 moet versterken, teneinde oplossingen te vinden voor de financiële wereldcrisis en een gezamenlijk initiatief te lanceren om het vertrouwen in de financiële instellingen te herstellen, in overeenstemming met de Verklaring van San Salvador,
   n) onderstreept het belang, met name in het licht van de financiële wereldcrisis, van de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen, gezien het feit dat zij onmisbaar zijn voor de versterking van de economische en sociale structuur en voor het creëren van behoorlijke werkgelegenheid,
   o) wijst nadrukkelijk op het belang van alle bilaterale overeenkomsten tussen de EU en Mexico, vooral de Algemene Overeenkomst, die een FTA omvat, en het strategisch partnerschap,
   p) onderstreept de positieve effecten die de tenuitvoerlegging van de Algemene Overeenkomst voor beide partijen heeft gehad, met een toename van de bilaterale handel met meer dan 100%,
   q) benadrukt dat het strategisch partnerschap tussen de EU en Mexico de bilaterale relatie een nieuwe stimulans zal verschaffen en de uitbreiding en verbetering van samenwerkingsprogramma's zoals het Integraal Programma voor steun aan het MKB, waarvan de resultaten beide partijen ten goede komen, zal bevorderen; verzoekt dan ook om via een voorlichtingscampagne bekendheid te geven aan alle programma's waarmee beide partijen hun voordeel doen in het kader van deze intensivering van de onderlinge betrekkingen; benadrukt dat het strategisch partnerschap de coördinatie tussen beide partijen bij de belangrijkste multilaterale forums en instellingen nog verder zal versterken,
   r) beveelt Mexico als vast lid van de nieuwe financiële en economische internationale structuur van de G20; denkt dat het bilateraal strategisch partnerschap met de EU tegen die achtergrond nog verder aan belang wint,
   s) onderstreept dat het belangrijk is punten van overeenstemming te vinden met het oog op een ambitieuze gemeenschappelijke strategie in de strijd tegen de klimaatverandering, in het vooruitzicht van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering die in 2009 in Kopenhagen wordt gehouden en de sluiting van een mondiale overeenkomst,
   t) dringt aan op meer samenhangende inspanningen op het gebied van de overdracht van wetenschappelijke en technische kennis, teneinde te bevorderen dat er echt wordt samengewerkt bij de bestrijding van de klimaatverandering en de verbetering van de bescherming van het milieu,
   u) wenst dat er meer vooruitgang wordt geboekt bij de ontwikkeling van een brede, gestructureerde dialoog over zowel legale als illegale migratie, alsmede over de banden tussen migratie en ontwikkeling, op grond van de ervaringen van Mexico en de EU in dit opzicht en in overeenstemming met de Verklaring van Lima,
   v) vraagt de gezamenlijke raad, op basis van de clausule over verdere ontwikkelingen van artikel 43 van de Algemene Overeenkomst, om na te gaan of het ogenblik niet gekomen is om onder andere een overeenkomst tussen de beide partijen over het immigratiebeleid af te sluiten, vooral wat betreft de procedures van de 4de werkwijze (Mode 4),
   w) wenst dat de toezeggingen ten aanzien van het bereiken van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen opnieuw worden bevestigd, en roept op tot een hernieuwd bewustzijn van de noodzaak tot nauwe samenwerking op het gebied van sociale cohesie, de gelijkheid van mannen en vrouwen, de klimaatverandering, duurzame ontwikkeling, de strijd tegen het internationale terrorisme en de drugshandel, criminaliteit, voedselveiligheid en armoedebestrijding,
   x) gelooft dat er regelmatig informatie moet worden uitgewisseld tussen enerzijds de instellingen van de EU en de Mexicaanse regering en anderzijds het Europees Parlement, EuroLat en de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Mexico over de stand van het strategisch partnerschap en over de follow-up van de in het kader daarvan verrichte werkzaamheden;

2.   verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en − ter informatie − aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU en aan de regering en het congres van de Verenigde Mexicaanse Staten.

(1) PB C 227 E van 4.9.2008, blz. 140.
(2) PB L 276 van 28.10.2000, blz. 45.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0177.
(4) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.


50ste verjaardag van de Tibetaanse opstanden de dialoog tussen Zijne Heiligheid de Dalai Lama en de Chinese regering
PDF 25kWORD 36k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over de 50ste verjaardag van de Tibetaanse opstand en de dialoog tussen Zijne Heiligheid de Dalai Lama en de Chinese regering
P6_TA(2009)0142RC-B6-0135/2009

Het Europees Parlement,

−   onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties over China en over Tibet, en met name zijn resoluties van 10 april 2008 over Tibet(1) en van 10 juli 2008 over de situatie in China na de aardbeving en voor de Olympische Spelen(2),

−   gezien de verklaring die Zijne Heiligheid de Dalai Lama op 4 december 2008 heeft afgelegd in het Europees Parlement,

−   gezien de verklaring over Tibet van de VS-regering en de Europese Unie tijdens de EU-VS-Top van 10 juni 2008,

−   gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het in maart 2009 50 jaar geleden is dat Zijne Heiligheid de Dalai Lama uit Tibet is gevlucht en in India in ballingschap is gegaan,

B.   overwegende dat acht gespreksronden tussen de gezanten van Zijne Heiligheid de Dalai Lama en vertegenwoordigers van de Chinese regering niet geleid hebben tot een doorbraak en dat er geen gesprekken meer gepland zijn,

C.   overwegende dat in het Memorandum betreffende daadwerkelijk autonomie voor het Tibetaanse volk, dat op verzoek van de Chinese regering is opgesteld en door gezanten van Zijne Heiligheid de Dalai Lama op de achtste gespreksronde in november 2008 in Beijing is gepresenteerd, de beginselen die ten grondslag liggen aan de Chinese grondwet en de territoriale integriteit van de Volksrepubliek China worden geëerbiedigd, maar dat dit memorandum door de Chinese regering is verworpen als een poging tot "semi-onafhankelijkheid" en "verdekte onafhankelijkheid",

D.   overwegende dat Zijne Heiligheid de Dalai Lama pleit voor geweldloosheid, in 1989 de Nobelprijs heeft ontvangen voor zijn inspanningen, en niet aandringt op onafhankelijkheid van Tibet, maar oproept tot hervatting van de onderhandelingen met de Chinese overheid om tot een omvattend politiek akkoord te komen over daadwerkelijke autonomie binnen de Volksrepubliek China,

E.   overwegende dat de Chinese autoriteiten de veiligheidsmaatregelen in Tibet de laatste dagen hebben aangescherpt, waarbij journalisten en buitenlanders de regio niet binnen mogen en vergunningen die al aan buitenlanders waren afgegeven, zijn ingetrokken, en dus een "harde aanpak"-campagne tegen het Tibetaanse volk hebben gelanceerd,

F.   overwegende dat een groot aantal monniken van het An Tuo-klooster in de Chinese provincie Qinghai op 25 februari 2009 tijdens een vreedzame mars ter gelegenheid van het Tibetaanse nieuwjaar is gearresteerd,

1.   dringt er bij de Chinese regering op aan om het Memorandum betreffende daadwerkelijke autonomie voor het Tibetaanse volk van november 2008 als basis te beschouwen voor een diepgaande discussie gericht op een positieve, betekenisvolle verandering in Tibet, in overeenstemming met de beginselen in de grondwet en de wetten van de Volksrepubliek China;

2.   verzoekt de Raad vast te stellen wat tijdens de onderhandelingen tussen de Volksrepubliek China en de gezanten van Zijne Heiligheid de Dalai Lama precies is gebeurd;

3.   verzoekt het voorzitterschap van de Raad om naar aanleiding van de 50ste verjaardag van de ballingschap van Zijne Heiligheid de Dalai Lama in India een verklaring goed te keuren met het verzoek aan de Chinese regering om een constructieve dialoog te beginnen teneinde tot een algemeen politiek akkoord te komen, en met een verwijzing naar het Memorandum betreffende daadwerkelijke autonomie voor het Tibetaanse volk;

4.   veroordeelt alle uitingen van geweld, hetzij van demonstranten, hetzij door onevenredig hard optreden door politietroepen;

5.   verzoekt de Chinese regering om alle personen die louter wegens deelname aan vreedzaam protest worden vastgehouden, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten en rekenschap af te leggen over alle dodelijke slachtoffers en vermiste personen, alsmede over alle gevangenen en de feiten die hun ten laste worden gelegd;

6.   verzoekt de Chinese autoriteiten om de buitenlandse media toegang te verlenen tot Tibet, met inbegrip van de Tibetaanse gebieden buiten de Tibetaanse Autonome Regio, en een eind te maken aan het systeem van speciale vergunningen voor het verkrijgen van toegang tot de Tibetaanse Autonome Regio;

7.   dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan mensenrechtendeskundigen van de VN en erkende internationale niet-gouvernementele organisaties onbelemmerde toegang tot Tibet te verlenen, opdat zij de situatie daar kunnen onderzoeken;

8.   verzoekt het voorzitterschap van de Raad het initiatief te nemen de kwestie Tibet op de agenda van een bijeenkomst van de Raad Algemene Zaken te plaatsen, om te bespreken op welke wijze de Europese Unie kan bijdragen aan een oplossing voor Tibet;

9.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de president, de regering en het parlement van de Volksrepubliek China, alsmede aan Zijne Heiligheid de Dalai Lama.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0119.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0362.


Guinnee-Bissau
PDF 30kWORD 40k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over Guinnee-Bissau
P6_TA(2009)0143RC-B6-0115/2009

Het Europees Parlement,

   gelet op de verklaring van de EU-voorzitterschap van 2 maart 2009 over de tragische gebeurtenissen in Guinee-Bissau,

−   gezien de presidentsverkiezingen van juni en juli 2005 en de parlementsverkiezingen van 16 november 2008 in Guinnee-Bissau,

   gezien de verklaring van de VN-veiligheidsraad van 3 maart 2009 over de huidige politieke crisis in Guinee-Bissau,

   gezien de verklaring van de Commissie van de Afrikaanse Unie (AU) van 2 maart 2009,

−   gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat President van Guinee Bissau, João Bernardo Vieira op 2 maart 2009 werd doodgeschoten door muitende soldaten, de dag nadat een bomaanslag had plaatsgevonden waarbij de stafchef van het leger, generaal Batista Tagmé Na Waié om het leven kwam; overwegende dat door deze aanslagen twee zeer machtige en elkaar rivaliserende figuren die in de afgelopen vier maanden aan verschillende aanslagen waren ontsnapt, van het toneel zijn verdwenen,

B.   overwegende dat de aanslagen niet als staatsgreep zijn aangemerkt en dat de Vredes- en Veiligheidsraad van de AU Unie Guinee-Bissau niet heeft geschorst, zoals met de buurlanden Guinee en Mauritanië na staatsgrepen vorig jaar wel is gebeurd,

C.   overwegende dat de onlangs gekozen voorzitter van de nationale volksvergadering Raimundo Pereira werd beëdigd als president, en wel voor een beperkte periode in afwachting van verkiezingen, zoals door de grondwet voorgeschreven, overwegende dat Raimundo Pereira een beroep heeft gedaan op de internationale gemeenschap om het land te helpen stabiliseren,

D.   overwegende dat de al decennia durende politieke instabiliteit in Guinee-Bissau het land tot een diepe crisis hebben gebracht, waar toegang tot schoon water, gezondheidszorg en onderwijs ontbreekt en ambtenaren in vele ministeries al maandenlang geen salaris hebben ontvangen, en dat het land behoort tot de handvol staten op de agenda van de VN-vredesopbouwcommissie waarmee beoogt wordt arme landen te helpen om niet in oorlog en chaos terug te glijden; overwegende dat de moordaanslagen plaatsvonden op een moment van grotere inzet van de EU en de internationale gemeenschap om te bouwen aan een democratisch en stabiel Guinee-Bissau,

E.   overwegende dat de EU sinds juni 2008 advies en hulp biedt ter ondersteuning van de hervorming van de veiligheidssector in Guinee-Bissau, via haar EVDB-missie " EU hervorming van de veiligheidssector (SSR) Guinee-Bissau",

F.   overwegende dat de parlementsverkiezingen van november 2008 een belangrijke test waren voor Guinee-Bissau, waar de overgang naar een democratisch regime enig nieuw elan hard nodig had; overwegende dat de verkiezingen door zowel burgers als internationale waarnemers zijn geprezen, met name door de verkiezingsobservatiemissie van de EU, en de weg vrij hebben gemaakt voor uitgebreide VN-steun voor de vredesinspanningen van het land; overwegende dat het leger zich gedurende de verkiezingsperiode buiten de laatste verkiezingsprocedures heeft gehouden en zich bleef inzetten om een vreedzaam klimaat te waarborgen,

G.   overwegende dat de moordaanslagen verband houden met politieke spanning die voortvloeit uit oude rivaliteiten , etnische verdeling en onrust onder de militaire gelederen, en de almaar toenemende belangen bij de drugshandel in het land, alles bij elkaar een zeer ingewikkelde en gevaarlijke achtergrondsituatie die het herstelvermogen van het land steeds ondermijnt,

H.   overwegende dat Guinee-Bissau gebukt gaat onder een probleem van de drugssmokkel en als belangrijk draaipunt fungeert op de route tussen Zuid-Amerika en Europa, en dat de drugssmokkel een ernstige bedreiging voor de politieke stabiliteit van het land vormt,

I.   overwegende dat de steeds duidelijker aantoonbare drugssmokkel in en door de regio laat zien hoe deze een gevaar voor heel West-Afrika is geworden, en welke enorme bedreiging hiervan inmiddels ook voor de Europese Unie uitgaat, door de invloed ervan op naburige regio's,

1.   veroordeelt ten sterkste de moorden op de President van Guinee-Bissau, João Bernardo Vieira, en de stafchef van het leger, generaal Tagmé Na Waié;

2.   betuigt de nabestaanden van wijlen President João Bernardo Vieira en wijlen generaal Tagmé Na Waié en het gehele volk van Guinee-Bissau zijn oprechte medeleven;

3.   vraagt de autoriteiten van Guinee-Bissau met klem een grondig onderzoek in te stellen naar deze misdaden en degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn voor de rechter te brengen, en roept de internationale gemeenschap op hiertoe alle nodige invloed aan te wenden en alle hulp te bieden die nodig is om dat doel te bereiken; wijst erop dat de zaken rond de moorden op de generaals Ansumane Mané (2000) en Veríssimo Correia Seabra (2004) nog niet zijn opgehelderd en de daders nog niet zijn gevonden, aangeklaagd en berecht; stelt met nadruk dat straffeloosheid geen antwoord is;

4.   verwelkomt de toezegging van het leger om de grondwet van Guinee-Bissau te respecteren en verlangt een strikte eerbiediging van het constitutionele bestel van het land;

5.   dringt er bij alle partijen op aan hun geschillen langs politieke en vreedzame weg op te lossen, binnen het kader van de instituties van Guinee-Bissau, en verzet zich tegen elke poging om met onconstitutionele middelen wijziging in de regering te brengen;

6.   hoopt dat de presidentsverkiezingen binnen 60 dagen kunnen worden gehouden, zoals de grondwet voorschrijft, en doet een beroep op de lidstaten en de internationale gemeenschap ervoor te zorgen dat Guinee-Bissau de financiële en technische steun krijgt die het nodig heeft voor het organiseren van geloofwaardige verkiezingen;

7.   wijst met nadruk op het gevaar dat Guinee-Bissau een onstabiel land zal blijven dat de welig tierende corruptie niet de baas kan worden en geen verandering kan brengen in zijn positie van centraal doorvoerland voor de drugssmokkel zolang zijn instituties structureel zwak blijven;

8.   roept de Raad, de Commissie, de lidstaten de Verenigde Naties, de AU, de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS), de Gemeenschap van Portugeessprekende landen (CPLP) en andere leden van de internationale gemeenschap op zich te blijven bezighouden met de ontwikkelingen in Guinee-Bissau, hulp te bieden bij het behoud van het constitutionele bestel in Guinee-Bissau en de vredesinspanningen in het land te blijven steunen;

9.   bepleit een onmiddellijke opening van gesprekken tussen de verschillende politieke kampen in het land, teneinde een programma uit te werken dat alle partijen kunnen onderschrijven, en dat voorziet in een spoediger hervorming van de veiligheidssector, een herziene kieswet, hervorming van het openbaar bestuur, maatregelen tegen de corruptie, macro-economische stabilisering en raadpleging van het maatschappelijke middenveld over een nationale verzoening;

10.   is verheugd over het op 3 maart 2009 genomen besluit van ECOWAS om een ministeriële delegatie naar Guinee-Bissau te zenden, met ministers uit Nigeria, Burkina Faso, Kaapverdië, Gambia en Senegal, vergezeld door de voorzitter van de ECOWAS Commissie, en over eenzelfde besluit van dezelfde datum van CPLP om een politieke missie naar Guinee-Bissau te zenden onder leiding van de Portugese minister van buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking, welke missies beide alle partijen betrekken bij een poging het vertrouwen tussen de politieke actoren, de veiligheidsdiensten en het maatschappelijk middenveld te herstellen en het land terug te voeren naar normale constitutionele verhoudingen;

11.   wijst met grote bezorgdheid op de bedreiging die van de doorvoer van drugs vanuit zelfs verafgelegen landen als Colombia en Afghanistan, en van de mensensmokkel uitgaat voor de consolidatie van de vrede in Guinee-Bissau en voor de stabiliteit van de West-Afrikaanse regio, en vraagt de VN-organisaties om met de nodige hulp van ECOWAS, een regionaal actieplan uit te werken om deze uitdaging aan te gaan;

12.   roept de hulp in van de VN-vredesopbouwcommissie (PBC) bij het op gang houden van de instroom van toegezegde (financiële en technische) donorhulp, met name ten behoeve van de hervorming van de veiligheidssector, bestuurlijke hervormingen en de bestrijding van drugssmokkel;

13.   vraagt de Raad en de Commissie advies en hulp te blijven bieden ter ondersteuning van de hervorming van de veiligheidssector in Guinee-Bissau via haar EVDB-missie "EU SSR Guinee-Bissau" en verslag uit te brengen over de inmiddels bereikte vooruitgang;

14.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de secretarissen-generaal van de VN en van ECOWAS, de instellingen van de AU, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, het secretariaat van de CPLP en de regering en het parlement van Guinee-Bissau.


Filippijnen
PDF 120kWORD 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over de Filippijnen
P6_TA(2009)0144RC-B6-0121/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de verklaring van 15 september 2008 die het Voorzitterschap namens de EU over de situatie in Mindanao heeft afgelegd,

–   gezien de oproep van 29 januari 2009 van de ambassadeurs van de Europese Unie, de Verenigde Staten en de plaatsvervangende leider van de missie van de Australische ambassade,

–   gezien de derde zitting van de Tripartite Onderzoekgroep naar de tenuitvoerlegging van de vredesovereenkomst van 1996 tussen het Moro National Liberation Front (MNFL) en de Filippijnse regering, welke van 11 tot en met 13 maart 2009 plaatsvindt,

–   gezien de Gezamenlijke Verklaring van Den Haag van de regering van de Republiek der Filippijnen en het National Democratic Front of the Philippines (NDFP) van 1 september 1992 en de eerste en tweede Gezamenlijke Verklaring van Oslo van 14 februari en van 3 april 2004,

–   gezien het Country Strategy Paper 2007-2013 van de Europese Commissie over de Filippijnen, het onder het Stabiliteitsinstrument ressorterende programma tot ondersteuning van het vredesproces en de onderhandelingen over een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en de Filippijnen,

–   gezien zijn eerdere resoluties over de Filippijnen, en met name die van 26 april 2007(1), en opnieuw zijn steun uitsprekend aan de vredesonderhandelingen tussen de Filippijnse regering en het NDFP, zoals het reeds eerder had gedaan in zijn resoluties van 17 juli 1997(2) en 14 januari 1999(3),

–   gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat diverse gewapende groeperingen, met name het Moro Islamic Liberation Front (MILF), sinds 1969 in het zuiden van de Filippijnen tegen regeringstroepen vechten, een van de langstdurende opstanden in Azië,

B.   overwegende dat het conflict tussen de regering en de opstandelingen van het NDFP meer dan 40 000 mensen het leven heeft gekost en dat er zich ook sindsdien sporadische gewelddadige botsingen hebben voorgedaan, ondanks de wapenstilstand van 2003 en vredesbesprekingen,

C.   overwegende dat in augustus 2008 de vijandigheden tussen regeringsstrijdkrachten en de MILF op het eiland Mindanao werden hervat nadat het Filippijnse hoogste gerechtshof het memorandum van overeenstemming tussen de MILF en de Filippijnse regering over het voorouderlijk stamgebied ongrondwettig verklaarde, een overeenkomst waarbij het Bangsamoro-volk een substantiële autonomie zou hebben verkregen,

D.   overwegende dat de hernieuwde gevechten aan meer dan honderd mensen het leven hebben gekost en dat ongeveer 300 000 mensen van huis en haard werden verdreven, van wie velen nog in vluchtelingenkampen leven,

E.   overwegende dat Maleisië, dat de rol van bemiddelaar had gespeeld in de vredesonderhandelingen, zijn toezichthouders op het wapenstilbestand in april 2008 uit Mindanao heeft terug getrokken, omdat er te weinig vooruitgang werd geboekt in het vredesproces, maar dat het land bereid is op zijn besluit terug te komen indien de Filippijnse regering haar onderhandelingsstandpunt nader verduidelijkt,

F.  overwegende dat de vredesbesprekingen tussen de Filippijnse regering en het NDFP sinds 2004 in het slop zijn geraakt en dat de Noorse regering zich grote moeite heeft getroost om beide partijen te bewegen om officiële besprekingen te hervatten,

G.   overwegende dat er in de Filippijnen sinds 2001 honderden activisten, vakbondsleden, journalisten en religieuze leiders werden gedood of ontvoerd en dat de regering ontkent dat de veiligheidsdiensten en het leger betrokken zijn geweest bij deze politieke moorden, hoewel er duidelijke aanwijzingen bestaan voor het tegendeel,

H.   overwegende dat er in 2008 diverse gevallen waren waarin plaatselijke rechtbanken de arrestatie en detentie van activisten onwettig oordeelden en de invrijheidstelling van deze mensen eisten, maar dat deze personen vervolgens opnieuw werden gearresteerd en beschuldigd van rebellie of moord,

I.   overwegende dat de rechterlijke macht in de Filippijnen niet onafhankelijk is en dat advocaten en rechters blootgesteld staan aan intimidatie en moordaanslagen, en dat de kwetsbaarheid van de getuigen het onmogelijk maakt om misdadige overtredingen daadwerkelijk te onderzoeken en berechten,

J.   overwegende dat ten aanzien van de meeste van deze buitengerechtelijke executies geen strafrechtelijk onderzoek is ingesteld en dat de schuldigen straffeloos blijven, ook al beweert de regering dat er maatregelen zijn genomen om een einde te maken aan deze moorden en de schuldige personen voor de rechter te brengen,

K.   overwegende dat in april 2008 door de Raad voor Mensenrechten van de Verenigde Naties een onderzoek is ingesteld naar de situatie in de Filippijnen, waaruit bleek dat de gevallen van buitengerechtelijke executies en verdwijningen straffeloos blijven, maar dat de Filippijnse regering de aanbevelingen voor een follow-upverslag hebben afgewezen,

L.   overwegende dat het voor een beëindiging van de ontvoeringen en buitengerechtelijke executies nodig is een oplossing te vinden voor de economische, sociale en culturele problemen die ten grondslag liggen aan het geweld in de Filippijnen,

1.   geeft uitdrukking aan zijn ernstige verontrusting over de honderdduizenden ontheemde personen op het eiland Mindanao, doet een beroep op de Filippijnse regering en het MILF om alles te doen wat in hun macht ligt om een situatie te creëren waarin de mensen weer naar hun woonplaatsen kunnen terugkeren en dringt aan op opvoering van de nationale en internationale acties om de ontheemde personen te beschermen en zorg te dragen voor hun rehabilitatie;

2.   is ervan overtuigd dat het conflict alleen beëindigd kan worden langs de weg van een dialoog en dat het vinden van een oplossing voor de al zo lang durende opstand van essentieel belang is voor de algemene ontwikkeling van de Filippijnen;

3.   doet een beroep op de Filippijnse regering om zo spoedig mogelijk de vredesonderhandelingen met het MILF te hervatten en duidelijkheid te brengen in de status en de toekomst van het Memorandum of overeenstemming na de genoemde uitspraak van het Filippijnse hoogste gerechtshof; is ingenomen met de aankondigingen van de regering dat zij haar voorafgaande voorwaarden voor een hervatting van de besprekingen wil laten vallen;

4.   is verheugd over het feit dat de besprekingen tussen de Filippijnse regering en de NDFP onder Noorse bemiddeling in november 2008 in Oslo werden hervat en hoopt dat het ook in dit geval spoedig kan komen tot officiële onderhandelingen; doet een beroep op de partijen om hun bilaterale overeenkomsten voor het JMC na te komen, om overleg te voeren aan de hand van de Comprehensive Agreement on Respect for Human Rights and International Humanitarian Law (CARHRIHL) en niets in de weg te leggen aan gezamenlijke onderzoeken naar mensenrechtenschendingen;

5.   verzoekt de Raad en de Commissie om de partijen steun en bijstand te verlenen bij de tenuitvoerlegging van de CARHRIHL, vooral in het kader van programma's voor ontwikkeling, noodhulp en rehabilitatie;

6.   dringt er bij de Europese Raad en de Commissie op aan om de Filippijnse regering te steunen bij haar streven om de vredesbesprekingen vooruit te helpen, en daarbij desgevraagd bemiddeling te verlenen, en om ook steun te geven aan het internationale monitoringteam, dat tot taak heeft toezicht te houden op het wapenbestand tussen het Filippijnse leger en het MILF;

7.   stelt voor de rol van dit internationale monitoringteam te versterken door het een uitgebreider mandaat te verstrekken tot het doen van onderzoek en door een door alle partijen geaccepteerd beleid volgens hetwelk de resultaten daarvan openbaar moeten worden gemaakt;

8.   doet een beroep op de Filippijnse regering om de ontwikkelingshulp aan Mindanao te verhogen om de barre levensomstandigheden van de plaatselijke bevolking te verbeteren en is ingenomen met de financiële steun ten belope van 13 miljoen EUR voor voedselhulp en andere hulp die de EU aan Mindanao heeft verstrekt sinds de gewapende botsingen in augustus 2008 weer zijn begonnen;

9.   geeft uitdrukking aan zijn ernstige verontrusting over de honderden gevallen van buitengerechtelijke executies van politieke activisten en journalisten die de afgelopen jaren op de Filippijnen hebben plaatsgevonden en over de rol van de strijdkrachten bij de voorbereiding en uitvoering van deze moorden;

10.   dringt er bij de Filippijnse regering op aan om onderzoeken in te stellen naar de gevallen van buitengerechtelijke executies en gewelddadige verdwijningen; dringt tegelijkertijd bij de regering aan op instelling van een onafhankelijk monitoringsysteem, dat toezicht moet houden op onderzoeken naar en de vervolging van de daders;

11.  dringt er bij de Filippijnse regering aan op het nemen van maatregelen om een einde te maken aan de systematische intimidatie en bedreiging van politieke activisten en mensenrechtenactivisten, leden van maatschappelijke organisaties, journalisten en getuigen in gerechtelijke zaken en ervoor te zorgen dat getuigen effectief worden beschermd;

12.   herhaalt zijn verzoek aan de Filippijnse autoriteiten om de gespecialiseerde VN-instanties die bevoegd zijn voor de bescherming van de mensenrechten een ongehinderde toegang tot het land te verlenen; dringt ook aan op spoedige goedkeuring en tenuitvoerlegging van wetten om de internationale mensenrechteninstrumenten (bijvoorbeeld wetten tegen folter en gewelddadige verdwijningen) in het nationale rechtssysteem te integreren;

13.  verzoekt de Raad en de Commissie erop toe te zien dat de financiële bijstand van de EU voor de economische ontwikkeling van de Filippijnen vergezeld gaat van controle op eventuele schendingen van de economische, sociale en culturele rechten, waarbij bijzondere aandacht moet worden geschonken aan het bevorderen van een dialoog en de integratie van alle groepen van de samenleving;

14.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de president en de regering van de Filippijnen, het MILF, het NDFP, de Hoge Commissaris van de VN voor mensenrechten, alsook de regeringen van de lidstaten van de ASEAN.

(1) PB C 74 E van 20.3.2008, blz. 788.
(2) PB C 286 van 22.9.1997, blz. 245.
(3) PB C 104 van 14.4.1999, blz. 116.


Verbanning van NGO's uit Darfur
PDF 111kWORD 34k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2009 over de verbanning van NGO'S uit Darfur
P6_TA(2009)0145RC-B6-0127/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de verklaring van het Voorzitterschap namens de Europese Unie van 6 maart 2009 naar aanleiding van het besluit van het Internationaal Strafhof (ICC) om een arrestatiebevel uit te vaardigen tegen de president van Sudan, Omar Hassan Al-Bashir,

–   gezien de verklaring van commissaris Louis Michel van 5 maart 2009 over de verbanning van humanitaire NGO'S uit Sudan,

–   onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over de toestand in Sudan en Darfur, waaruit met name blijkt dat het Parlement het ICC blijft steunen,

–   gelet op het Statuut van Rome van het ICC en de inwerkingtreding ervan op 1 juli 2002,

–   gezien resolutie S/Res/1593 (2005) van de VN-Veiligheidsraad, die op 31 maart 2005 is goedgekeurd, waarin de toestand in Darfur onder de aandacht wordt gebracht van het ICC,

–   gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de Kamer van vooronderzoek van het ICC op 4 maart 2009 een arrestatiebevel heeft uitgevaardigd tegen de president van Sudan, Omar Hassan al-Bashir, wegens vermeende misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in de door conflicten verscheurde Sudanese provincie Darfur,

B.   overwegende dat de Sudanese regering op het besluit van het ICC heeft gereageerd met de verbanning van 13 toonaangevende NGO's uit Darfur,

C.   overwegende dat de hulporganisaties in Darfur bezig zijn met de grootste humanitaire operatie ter wereld, en overwegende dat de Verenigde Naties melding maakt van 4,7 miljoen mensen, met inbegrip van 2,7 miljoen binnenlands ontheemden, die hulp nodig hebben,

D.   overwegende dat de verbanning van de hulporganisaties tot een stijging van het sterfte- en ziektecijfer kan leiden als gevolg van het afbreken van de gezondheidszorg en het uitbreken van infectieziekten zoals diarree en infecties van de luchtwegen; overwegende dat de verbanning onder meer kan leiden tot een lagere vaccinatiegraad en een hoger sterftecijfer onder kinderen indien deze laatsten geen toegang hebben tot therapeutische voedings- en voedselcentra,

E.   overwegende dat de NGO's in kwestie verdreven zijn op een tijdstip waarop hun diensten van vitaal belang zijn, vooral nu er een meningitisepidemie heerst in het westen van Darfur; overwegende dat de slachtoffers van deze epidemie als gevolg van de verbanning van de hulporganisaties geen of nauwelijks medische behandeling zullen krijgen,

F.   overwegende dat het VN-concept van "beschermingsplicht" ("Responsibility to Protect") inhoudt dat wanneer nationale instanties er duidelijk niet in slagen hun bevolking te beschermen, anderen ervoor verantwoordelijk zijn de nodige bescherming te bieden,

G.   overwegende dat de regering van Sudan als lid van de Verenigde Naties krachtens resolutie S/Res/1593 (2005), die de Veiligheidsraad heeft aangenomen overeenkomstig zijn in hoofdstuk 7 vastgelegde bevoegdheden, verplicht is om met het ICC samen te werken,

H.   diep geschokt door het feit dat de Sudanese regering sinds de uitvaardiging van het arrestatiebevel herhaaldelijk heeft geweigerd samen te werken met het ICC, en het ICC en de internationale gemeenschap zelfs keer op keer heeft geschoffeerd,

1.   veroordeelt scherp het feit dat dertien humanitaire hulporganisaties uit Darfur zijn verdreven als reactie op het internationale arrestatiebevel dat het ICC op 4 maart 2009 heeft uitgevaardigd tegen president al-Bashir;

2.   eist de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle hulpverleners van de Belgische afdeling van Artsen zonder grenzen (AZG), die op 11 maart 2009 uit hun kantoren van AZG-België te Saraf-Umra, op 200 kilometer ten westen van de hoofdstad van Noord-Darfur, El -Facher, zijn ontvoerd;

3.   toont zich erg bezorgd over de onmiddellijke impact van de verbanning van deze hulporganisaties op de verlening van de humanitaire hulp die voor honderdduizenden mensen van levensbelang is;

4.   eist dat de Sudanese regering het besluit om de dertien hulporganisaties te verbannen, meteen ongedaan maakt en toelaat dat de hulporganisaties hun essentiële bijdrage tot het helpen overleven van de kwetsbare bevolking van Darfur voortzetten; vraagt dat de Raad en de Commissie meer inspanningen leveren ten opzichte van de Afrikaanse Unie, de Liga van Arabische Staten en China om te bewerkstelligen dat de regering van Sudan dit doet;

5.   vraagt dat de Sudanese regering actieve maatregelen neemt om te beletten dat mensenrechtenactivisten in Sudan worden vervolgd indien zij zich positief uitlaten over het besluit van het ICC, en eveneens afziet van om het even welke vorm van pesterij of intimidatie tegenover verdedigers van de mensenrechten;

6.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor Sudan, de regering van Sudan, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de leden van de VN-veiligheidsraad, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de instellingen van de Liga van Arabische Staten en de aanklager van het Internationaal Strafhof.

Juridische mededeling - Privacybeleid