Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 23 april 2009 - Straatsburg
Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Europees Parlement
 Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Hof van Justitie
 Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Rekenkamer
 Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Europese Ombudsman
 Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Europese toezichthouder voor gegevensbescherming
 Kwijting 2007: Eurojust
 Kwijting 2007: Europees Geneesmiddelenbureau
 Kwijting 2007: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart
 Kwijting 2007: Europees Agentschap voor het beheer van de operationale samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (FRONTEX)
 Kwijting 2007: Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding
 Kwijting 2007: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving
 Kwijting 2007: Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding
 Kwijting 2007: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie
 Kwijting 2007: algemene begroting EU, Raad
 Financieel beheer en toezicht bij de EU-agentschappen
 Toegang tot de markt voor touringcar- en autobusdiensten (herschikking) ***II
 Voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerder ***II
 Toegang tot de markt voor het internationale goederenvervoer over de weg (herschikking) ***II
 Energieprestaties van gebouwen (herschikking) ***I
 Ratingbureaus ***I
 Rechten van passagiers die over zee of binnewateren reizen ***I
 Rechten van autobus- en touringcarpassagiers ***I
 Beschermingstermijn van het auteursrecht en bepaalde naburige rechten ***I
 Intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen ***I
 Programma Marco Polo II ***I
 Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer ***I
 Rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg ***I
 Patiëntveiligheid *
 Europees optreden op het gebied van zeldzame ziekten *
 Kwijting 2007: Algemene begroting van de EU, afdeling III, Commissie
 Kwijting 2007: zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)
 Kwijting 2007: algemene begroting EU, Europees Economisch en Sociaal Comité
 Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Comité van de regio's
 Kwijting 2007: Europese stichting voor opleiding
 Kwijting 2007: Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA)
 Kwijting 2007: Europese Politieacademie (CEPOL)
 Kwijting 2007: Europese GNSS - toezichtautoriteit
 Kwijting 2007: Europees Spoorwegbureau
 Kwijting 2007: Europees Agentschap voor maritieme veiligheid
 Kwijting 2007: Europees Bureau voor wederopbouw
 Kwijting 2007: Europees Milieuagentschap
 Kwijting 2007: Europese Autoriteit voor voedselveiligheid
 Kwijting 2007: Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden
 Kwijting 2007: Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk
 Kwijting 2007: Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten
 Kwijting 2007: Communautair Bureau voor visserijcontrole
 Ontbossing en aantasting van bossen
 Actieplan inzake stedelijke mobiliteit
 Actieplan intelligente vervoerssystemen

Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Europees Parlement
PDF 446kWORD 196k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling I − Europees Parlement (C6-0416/2008 – 2008/2276(DEC))
P6_TA(2009)0260A6-0184/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (SEC(2008)2359 − C6-0416/2008)(2),

–   gezien het verslag over begrotings- en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling I, Europees Parlement(3),

–   gezien het jaarverslag van de intern controleur voor 2007,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(4),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(5),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en artikel 275 van het EG-Verdrag en artikel 179 bis van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6), en met name de artikelen 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 13 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(7),

–   gelet op artikel 147, lid 1, van het Financieel Reglement, volgens welk elke instelling alles in het werk moet stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 maart 2006 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2007 − Afdelingen II, IV, V, VI, VII, VIII(A) en VIII(B) en voor het voorontwerp van raming van het Europees Parlement (Afdeling I) voor de begrotingsprocedure 2007(8),

–   gelet op artikel 71, artikel 74, lid 3, en bijlage V, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0184/2009),

A.   overwegende dat de Rekenkamer in zijn audit heeft geconstateerd dat, wat de administratieve uitgaven betreft, alle instellingen in 2007 bevredigende controle- en toezichtsystemen hebben gehanteerd, overeenkomstig het Financieel Reglement, en dat de gecontroleerde transacties geen materiële fouten bevatten(9),

B.   overwegende dat de secretaris-generaal op 3 juni 2008 heeft bevestigd dat er redelijke zekerheid bestaat dat de begroting van het Europees Parlement is uitgevoerd volgens de beginselen van goed financieel beheer, en dat het controle- en toezichtsysteem de nodige garanties biedt ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen,

1.   verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie, die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling I – Europees Parlement (C6-0416/2008 – 2008/2276(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(10),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (SEC(2008)2359 − C6-0416/2008)(11),

–   gezien het verslag over begrotings- en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling I, Europees Parlement(12),

–   gezien het jaarverslag van de intern controleur voor 2007,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(13),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(14),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en artikel 275 van het EG-Verdrag en artikel 179 bis van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(15), en met name de artikelen 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 13 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(16),

–   gelet op artikel 147, lid 1, van het Financieel Reglement, volgens welk elke instelling alles in het werk moet stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 maart 2006 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2007 − Afdelingen II, IV, V, VI, VII, VIII(A) en VIII(B) en voor het voorontwerp van raming van het Europees Parlement (Afdeling I) voor de begrotingsprocedure 2007(17),

–   gelet op artikel 71, artikel 74, lid 3, en bijlage V, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0184/2009),

A.   overwegende dat de Rekenkamer in zijn audit heeft geconstateerd dat, wat de administratieve uitgaven betreft, alle instellingen in 2007 bevredigende controle- en toezichtsystemen hebben gehanteerd, overeenkomstig het Financieel Reglement, en dat de gecontroleerde transacties geen materiële fouten bevatten(18),

B.   overwegende dat de secretaris-generaal op 3 juni 2008 heeft bevestigd dat er redelijke zekerheid bestaat dat de begroting van het Europees Parlement is uitgevoerd volgens de beginselen van goed financieel beheer, en dat het controle- en toezichtsysteem de nodige garanties biedt ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen,

Belangrijkste wijzigingen in het beheer van de begroting van het Parlement in de zittingsperiode 2004-2009

1.   wijst erop dat deze kwijting de laatste is van de zittingsperiode 2004-2009, waarin het beheer van de begroting van de EU in het algemeen en van het Parlement in het bijzonder op een aantal punten is gewijzigd;

2.   wijst erop dat tijdens deze zittingsperiode het nieuwe Financieel Reglement volledig is geïmplementeerd en in 2008 opnieuw is herzien, hetgeen het financieel beheer flink heeft gewijzigd, met name door een aanscherping van de aanbestedingsregels en een verbetering van de structuur van de controleketen van de financiële procedures, een vergroting van de verantwoordelijkheid van de ordonnateurs en een decentralisering van de financiële controles; wijst erop dat deze wijzigingen extra gekwalificeerd personeel nodig hebben gemaakt en tot bijkomend administratief werk hebben geleid, en volgens de directoraten-generaal van het Parlement inderdaad tot een verbetering van het financieel beheer hebben geleid;

3.   wijst er echter op dat het Financieel Reglement mogelijkerwijs diepgaander moet worden herzien, aangezien van een aantal procedures is gebleken dat ze voor het Parlement onwerkbaar zijn; betreurt het feit dat dit tot méér uitzonderingen heeft geleid (zie de bijlagen bij de jaarlijkse activiteitenverslagen);

4.   herinnert eraan dat het nieuwe Financieel Reglement, dat veel méér gespecialiseerd personeel nodig maakte, in werking trad op hetzelfde moment als het herziene Statuut van de ambtenaren en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden(19), hetgeen de administratie van het Parlement onder aanzienlijke druk heeft geplaatst;

5.   herinnert eraan dat in 2004 tien nieuwe lidstaten en in 2007 Bulgarije en Roemenië tot de EU zijn toegetreden, hetgeen de voornaamste reden was voor de personeelstoename van 4 662 op 1 januari 2004 (alle categorieën) tot 6 101 op 31 december 2008; is derhalve verheugd over de inspanningen van de administratie van het Parlement om deze grote toename soepel te laten verlopen; wijst erop dat bijna alle bijkomende posten met de uitbreiding te maken hebben, en dat de netto-toename van niet aan de uitbreiding gerelateerd personeel slechts 1,2% bedraagt;

6.   wijst erop dat in 2007 99,9% van de betalingen betreffende de vergoeding voor parlementaire medewerkers gerechtvaardigd is gebleken, en dat de stijging van dit percentage toe te schrijven is aan de door het Bureau vastgestelde verbeterde procedures met betrekking tot de bewijsstukken, alsmede aan de aanzienlijke inspanningen van de administratie en het grotere bewustzijn onder de leden;

7.   wijst met nadruk op het feit dat de lidstaten voor het eerst sinds de oprichting van het Parlement tot een akkoord zijn gekomen over een statuut voor de leden; dit statuut zal leiden tot een voor alle leden gelijke vergoedings- en verzekeringssituatie, een eind maken aan de significante verschillen tussen hun nationale salarissen en een transparant systeem introduceren voor alle soorten vergoedingen en betalingen;

8.   herinnert eraan dat de goedkeuring van een statuut voor medewerkers één van de prioriteiten was in de resolutie inzake begrotingsrichtsnoeren voor 2007; is in dit verband verheugd over de goedkeuring door de Raad op 19 december 2008 van het voorstel van de Commissie (COM(2008)0786) als gewijzigd door het Parlement(20); de inwerkingtreding ervan in juli 2009 zal leiden tot veel meer transparantie betreffende het gebruik van deze middelen en ervoor zorgen dat de sociale en werknemersrechten van de medewerkers ten volle worden gerespecteerd;

Verslag over het begrotings- en financieel beheer(21)

9.   constateert dat de ontvangsten van het Parlement in 2007 een bedrag van 144 449 007 EUR beliepen (126 126 604 EUR in 2006);

Definitieve rekeningen 2007 (in EUR)

10.   neemt kennis van de onderstaande cijfers, op grond waarvan de rekeningen van het Parlement voor het financieel jaar 2007 werden gesloten:

(a) Beschikbare kredieten

kredieten voor 2007:

1 397 460 174

niet-automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2006:

4 817 000

automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2006:

188 746 822,24

kredieten corresponderend met bestemmingsontvangsten voor 2007:

42 522 400,66

overdrachten corresponderend met bestemmingsontvangsten van het begrotingsjaar 2006:

34 640 774,58

Totaal:

1 668 187 171,4848

(b) Besteding van de kredieten in het begrotingsjaar 2007

vastleggingen:

1 594 372 252,26

verrichte betalingen:

1 329 131 440,46

nog niet verrichte betalingen en nog niet vastgelegde kredieten afkomstig van bestemmingsontvangsten:

263 564 514,64

overgedragen kredieten, waaronder die afkomstig van bestemmingsontvangsten:

263 564 514,64

geannuleerde kredieten:

31 691 180,38

(c) Begrotingsontvangsten

ontvangen in 2007:

144 449 007,32

(d) Totale balans op 31 december 2007

1 788 830 683

11.   wijst erop dat de goedgekeurde kredieten op de oorspronkelijke begroting van het Parlement voor 2007 in totaal 1 397 460 174 EUR bedroegen, een stijging van 6% ten opzichte van de begroting voor 2006 (1 321 600 000 EUR), en dat er geen gewijzigde begroting is ingediend in 2007;

12.   geeft aan dat, in plaats van niet-besteed geld terug te geven aan de lidstaten, het Parlement, net als in voorgaande jaren, heeft besloten een "ramassage" van de diverse begrotingslijnen te doen ten belope van in totaal 25 miljoen EUR (2006: 37 246 425 EUR), en dat geld te gebruiken voor de aankoop van een gebouw in Wenen voor de oprichting van het Huis van de Europese Unie (samen met de Commissie); wijst er evenwel op dat het Parlement, in zijn resolutie van 24 april 2007 over de kwijting voor het begrotingsjaar 2005(22), erom had gevraagd dat, met het oog op begrotingstransparantie, uitgaven voor gebouwen op de begroting zouden worden opgenomen in plaats van via een "ramassage" zouden worden gefinancierd;

13.   is verheugd over het feit dat het verslag over het begrotings- en financieel beheer - zoals gevraagd in eerdere kwijtingsresoluties - een heldere en transparante richtsnoer is geworden voor het financieel beheer van het Parlement tijdens het begrotingsjaar waarop het betrekking heeft;

De rekeningen van het Parlement

14.   wijst erop dat de rekenplichtige van het Parlement in zijn certificering van de definitieve rekeningen verklaart redelijke zekerheid te hebben verkregen dat deze een getrouw en juist beeld geven van de financiële positie van het Parlement in alle materiële aspecten; wijst er daarnaast op dat hij aangeeft dat er geen zaken onder zijn aandacht zijn gebracht die het maken van een voorbehoud rechtvaardigen;

15.   herinnert aan het besluit van de Voorzitter betreffende de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 2007;

16.   neemt nota van het negatieve financiële resultaat van het begrotingsjaar 2007 (209 985 279 EUR), dat hoofdzakelijk is toe te schrijven aan een toename van de schulden van 256 095 000 EUR in verband met een voorziening voor primaire pensioenen voor bepaalde categorieën leden, die, overeenkomstig bijlage III van de KVL, rechtstreeks door het Parlement worden gefinancierd;

17.   verzoekt de secretaris-generaal aan te geven hoe hoog de voorziening voor ledenpensioenen naar verwachting zal zijn wanneer het statuut van de leden in werking treedt, en hoe die voorziening boekhoudtechnisch op de balans van het Parlement zal worden opgenomen;

18.   wijst erop dat de bijlagen van de balans de waarde van de gebouwen waarvan het Parlement eigenaar is schat op 1 015 159 978 EUR na afschrijvingen, tegen totale verwervingskosten van 1 650 945 693 EUR; verzoekt de secretaris-generaal een overzicht te presenteren van de huidige marktwaarde van elk gebouw waarvan het Parlement eigenaar is, en deze waarde te vergelijken met de aankoopprijs;

Verklaring van betrouwbaarheid van de secretaris-generaal

19.   is verheugd over de verklaring van de secretaris-generaal van 3 juni 2008 in zijn hoedanigheid als gedelegeerd hoofdordonnateur betreffende de activiteitenverslagen voor 2007 van de ordonnateurs, waarin hij verklaart redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de begroting van het Parlement is uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer en dat de controleregelingen de noodzakelijke garanties bieden voor wat betreft de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

20.   wijst evenwel op zijn opmerking in de voornoemde verklaring dat het regelgevend kader voor de parlementaire vergoedingen, inclusief de uitgaven voor parlementaire medewerkers, zo ingewikkeld is geworden dat het in de praktijk moeilijk uitvoerbaar wordt, en dat hij om deze reden het initiatief heeft genomen een nieuw systeem te ontwikkelen, dat naar verwachting in juli 2009 in werking zal treden;

Activiteitenverslagen van de directeuren-generaal

21.   stelt met tevredenheid vast dat alle directeuren-generaal zonder voorbehouden verklaringen van betrouwbaarheid hebben afgegeven voor de uitvoering van de begroting door hun diensten in 2007;

22.   is zich ervan bewust dat de activiteitenverslagen een intern managementinstrument zijn, hoofdzakelijk bedoeld om de secretaris-generaal een helder overzicht te geven van het functioneren van de administratie en in het bijzonder van de problemen die zich daarbij voordoen;

23.   wijst erop dat het activiteitenverslag van elk DG een bijlage heeft met een lijst met uitzonderingen, d.w.z. afwijkingen van het Financieel Reglement en secundaire regels; maakt zich zorgen over het feit dat het totale aantal uitzonderingen veel hoger is dan het gemiddelde jaarlijkse aantal geweigerde "goedkeuringen" vóór 2003 op basis van het oude Financieel Reglement, toen alle verrichtingen door de financieel controleur moesten worden goedgekeurd;

Jaarverslag Rekenkamer 2007

24.   overwegende dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat, wat de administratieve uitgaven in 2007 betreft, alle instellingen bevredigende controle- en toezichtsystemen hebben gehanteerd, overeenkomstig het Financieel Reglement, en dat de gecontroleerde verrichtingen geen materiële fouten bevatten;

25.   neemt nota van de specifieke bevindingen in het jaarverslag van de Rekenkamer voor 2007 met betrekking tot het Parlement, alsook van de antwoorden van het Parlement, betreffende de vermenigvuldigingsfactor die wordt toegepast op het salaris van het personeel naar aanleiding van de vaststelling van het herziene personeelsstatuut op 1 mei 2004, en betreffende de betalingen in 2007 uit in 2006 overgedragen kredieten voor in 2008 in gebouw D5 te installeren "high-speed'camera's;

26.   neemt daarnaast nota van de tekst in het jaarverslag over de follow-up van de opmerkingen in voorgaande jaarverslagen met betrekking tot de forfaitaire vergoeding van verblijfskosten van ambtenaren op dienstreis, bewijsstukken betreffende het gebruik van de vergoeding voor parlementaire medewerkers, en, m.b.t. de aanvullende vrijwillige pensioenregeling, de noodzaak van het vaststellen van duidelijke regels betreffende de aansprakelijkheden en verantwoordelijkheden van het Parlement en de aangeslotenen bij de pensioenregeling in het geval van een tekort;

27.   neemt kennis van de antwoorden van het Parlement in het kader van de procedure op tegenspraak met de Rekenkamer;

Follow-up door de secretaris-generaal van de laatste kwijtingsresolutie

28.   is verheugd over de besluiten van het Bureau van 10 maart 2008, 19 mei 2008 en 7 juli 2008 betreffende uitvoeringsmaatregelen voor het ledenstatuut en de vergoeding voor parlementaire medewerkers, die een rechtstreekse follow-up vormen van de aanbevelingen in het kader van de kwijting 2006; is daarnaast verheugd over de toezegging van de Voorzitter om deze besluiten uit te voeren;

29.   herinnert eraan dat krachtens artikel 147, lid 1, van het Financieel Reglement, de Commissie en alle overige instellingen alles in het werk moeten stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Parlement vergezeld gaat;

30.   feliciteert de secretaris-generaal derhalve met het feit dat hij de in de laatste kwijtingsresolutie van de administratie gevraagde verslagen tijdig vóór het begin van de kwijtingsprocedure voor het begrotingsjaar 2007 heeft voorgelegd;

31.   neemt kennis van de conclusie van de Juridische Dienst van 29 april 2008 (SJ 775/06) met betrekking tot de paragrafen van de resolutie van het Parlement van 22 april 2008 betreffende de kwijting voor het begrotingsjaar 2006 over het vrijwillige pensioenfonds, met name: "Het Bureau heeft zijn eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden, vastgelegd in het reglement van het Parlement. Het is derhalve aan het Bureau om te bepalen of het afstand neemt van de wil zoals tot uitdrukking gebracht door de voltallige vergadering in haar resolutie van 22 april 2008, of dat het deze respecteert"; is evenwel van mening dat deze conclusie, die stoelt op het Reglement van het Parlement, niet helemaal strookt met de ondubbelzinnige tekst van artikel 147, lid 1, van het Financieel Reglement, dat stoelt op artikel 276 van het EG-Verdrag;

Hoorzitting met de interne financieel controleur

32.   wijst erop dat tijdens de vergadering van de bevoegde commissie met de interne financieel controleur op 20 januari 2009, hetgeen een publieke vergadering was die via web-stream werd uitgezonden, en tijdens dewelke de interne financieel controleur zijn jaarverslag heeft gepresenteerd, de interne financieel controleur heeft aangegeven dat hij in 2007 18 verslagen had goedgekeurd of in ontwerp-versie had voorgelegd over onder andere:

   de uitgaven voor dienstreizen van het personeel
   IT-beheer
   voorschotten, inventaris en begrotingsbeheer in bepaalde voorlichtingsbureaus
   politieke partijen op Europees niveau
   individuele rechten van personeelsleden
   follow-up van de herziening van het intern controlekader
   vergoeding voor parlementaire medewerkers;

33.   wijst op de belangrijkste conclusies in het jaarverslag van de interne financieel controleur, te weten:

   dat de structuur voor IT-beheer in het Parlement, zoals gecontroleerd, niet de garantie bood dat op de middellange termijn de juiste IT-keuzes worden gemaakt, of dat er sprake was van een adequaat strategisch IT-planningsproces;
   dat de controle-activiteiten op het vlak van de individuele rechten van de personeelsleden aanzienlijk moeten worden geïntensiveerd, de kwaliteit van de gegevens in de relevante systemen voor IT-beheer moet worden verbeterd, en dat de procedures en de richtsnoeren voor ondersteuning van de beheer- en controle-activiteiten goed moeten worden gedocumenteerd;
   dat de door de Europese politieke partijen gepresenteerde informatie en documentatie niet altijd volstond ter onderbouwing van hun aanvragen om financiële bijdragen of om de goedkeurende dienst in staat te stellen de subsidiabliteit van het betalingsverzoek te verifiëren;

34.   neemt nota van en steunt de opmerkingen van de interne financieel controleur ten aanzien van:

   het belang om op centraal niveau een interinstitutionele gedragscode vast te stellen voor de betrekkingen met externe consultants (waarvoor de secretaris-generaal in juli 2008 richtsnoeren heeft vastgesteld);
   het belang om te garanderen dat er op centraal niveau een effectief systeem voor risicobeheer bestaat, met overeengekomen procedures voor het in kaart brengen en beoordelen van risico's, het formuleren van reacties op en het rapporteren over die risico's, en het verzekeren van de toezichthoudende en de besluitvormende organen dat risicobeheer effectief is en dat op alle risico's passend zal worden gereageerd (onder andere in de vorm van interne controles);

Contracten en aanbestedingen

35.   herinnert eraan dat het Parlement op zijn website via "quick links"(23) algemene informatie publiceert over gegunde contracten en dat het, in overeenstemming met het Financieel Reglement, i) specifieke informatie over contracten met een waarde van méér dan 60 000 EUR in het Publicatieblad publiceert, en ii) een lijst van contracten met een waarde van tussen de 25 000 EUR en 60 000 EUR op zijn website publiceert; is verheugd over de grote transparantie waartoe dit leidt, maar beveelt met het oog op grotere toegankelijkheid aan dat het Parlement op zijn website één volledige en alomvattende lijst van alle contracten publiceert;

36.   neemt nota van het feit dat het jaarverslag van de administratie aan de begrotingsautoriteit de volgende informatie over in 2007 gegunde contracten bevat:

Toegekende contracten

2007

2006

Contracten met een waarde gelijk aan of groter dan 25 000 EUR

331,5 m EUR

(249 contracten)

327,5 m EUR

(238 contracten)

Contracten met een waarde gelijk aan of groter dan 50 000 EUR

326,5 m EUR

(133 contracten)

322,3 m EUR

(112 contracten)

Contracten met een waarde van tussen de 25 000 EUR en 60 000 EUR

5,2 m EUR

(116 contracten)

5,2 m EUR

(126 contracten)

37.   verwelkomt het feit dat het percentage contracten dat via de open procedure is gesloten tussen 2006 en 2007 zowel in absolute bedragen als uitgedrukt in een percentage van het totale aantal contracten is gestegen, en wel als volgt:

Soort procedure

2007

2006

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Open

Beperkt

Door onderhandelingen

162 124 519

59 593 905

109 763 269

49%

18%

33%

123 936 713

12 438 031

191 162 868

38%

4%

58%

Totaal

331 481 693

100%

327 537 612

100%

38.   wijst erop dat de administratie inmiddels de in artikel 95 van het Financieel Reglement bedoelde gegevensbank van uitsluitingen heeft opgericht en momenteel wacht op instructies van de Commissie over de coördinatie tussen deze gegevensbank en de regelingen die de Commissie hanteert op grond van de verordening(24) en het besluit die zij op 17 december 2008 heeft aangenomen;

39.   wijst erop dat, hoewel gewijzigd, de bepalingen van het Financieel Reglement inzake aanbestedingen voor kleinere instellingen nog altijd 'zwaar' zijn, met name in het geval van aanbestedingen voor contracten ter hoogte van relatief kleine bedragen; verzoekt de Commissie om - bij de voorbereidingen voor toekomstige voorstellen voor aanpassingen van het Financieel Reglement - de secretarissen-generaal en de administraties van de overige instellingen uitvoerig te raadplegen om ervoor te zorgen dat in de definitieve ontwerptekst volledig met hun zorgen rekening wordt gehouden;

Management in de administratie van het Parlement
DG Presidium

40.   is verheugd over de steun van het DG Presidium voor verdere verbeteringen in het financieel beheer middels grondige bestudering van de diverse aspecten van de uitvoering van de begroting en daaraan gerelateerde procedures; wijst in het bijzonder op de geleverde inspanningen gericht op een groter bewustzijn van begrotingskwesties onder het personeel;

41.   herinnert aan zijn verzoek, voor het eerst geformuleerd in het kader van de kwijting voor het begrotingsjaar 2004, om benoeming van een risicomanager, iemand met een grote beroepservaring op dit vlak, die onafhankelijk en autonoom is op besluitvormingsgebied, een gedegen kennis van de opzet en het bestuur van de organisatie, alsmede autoriteit heeft, aangezien de standpunten van een dergelijke persoon politieke of administratieve besluiten zouden kunnen ontkrachten;

42.   acht het van essentieel belang deze risicomanager te positioneren binnen een administratieve structuur die waarborgt dat deze criteria volledig in acht worden genomen;

43.   onderstreept dat veiligheid binnen elk parlement een uiterst gevoelig thema is, maar zeker binnen een multinationaal parlement met een grote mate van zichtbaarheid, dat voortdurend door staatshoofden en regeringsleiders uit alle hoeken van de wereld wordt bezocht; verzoekt de secretaris-generaal de bevoegde commissie op de hoogte te stellen van de laatste ontwikkelingen op dit vlak; herinnert in dit verband aan het belang van heldere communicatieprocedures in het geval van grote veiligheidsproblemen in het Parlement;

44.   herinnert aan het besluit van het Bureau van 29 november 2006 houdende goedkeuring van de door de secretaris-generaal voorgestelde strategie inzake operationele continuïteit en crisisbeheer; onderstreept dat het absoluut noodzakelijk is nu eindelijk duidelijke regels te ontwikkelen voor de bevels- en crisisbeheerstructuur binnen de administratie van het Parlement, en verlangt dat het DG Presidium hier zijn uiterste best voor gaat doen;

45.   maakt zich zorgen over de toenemende 'kleine criminaliteit' in de gebouwen van het Parlement, in de meeste gevallen diefstal van persoonlijke bezittingen zoals attachékoffers, draagbare computers en mobiele telefoons; steunt alle inspanningen van de administratie gericht op méér veiligheid in de gebouwen van het Parlement;

46.   wijst erop dat het Parlement in 2005 na een analyse van de veiligheidsrisico's en op advies van een externe consultant zes bodyscanners heeft gekocht; wijst op het feit dat het Parlement, nadat het zelf dergelijke scanners had gekocht, het gebruik ervan op vliegvelden heeft weggestemd; verzoekt de secretaris-generaal in dit verband te bekijken of de scanners kunnen worden verkocht; roept zijn administratie op vóór vergelijkbare aankopen in de toekomst de leden daarvan in kennis te stellen en bij het besluitvormingsproces te betrekken;

DG intern beleid en DG extern beleid

47.   wijst op het feit dat de beleidsafdelingen van DG IPOL en DG EXPO in 2007 volledig operationeel waren, met een totaalbudget van 6 519 600 EUR; is verheugd over het feit dat zij hun voornaamste taak, te weten het geven van assistentie aan het werk van de parlementaire organen, naar steeds grotere tevredenheid verrichten; verwelkomt de insteek van de beleidsafdelingen dat kwaliteit voorop staat bij het waarborgen van externe kennis, en verzoekt hen serieus te bekijken welk contractmodel het kwalitatief meest hoogwaardige advies voor de desbetreffende commissie waarborgt;

DG Communicatie

48.   wijst erop dat DG Communicatie zowel op het vlak van audiovisuele projecten als ten aanzien van de implementatie van het bezoekerscentrum (dat het eindstadium nadert) steeds meer te doen krijgt; wijst in dit verband op de lange en logge procedures voor de voorbereidingen voor het nieuwe bezoekerscentrum, die hebben geresulteerd in 13 aanbestedingsprocedures en 20 afzonderlijke contracten;

49.   verzoekt de secretaris-generaal de voor 2009 geplande posten voor het project team van het bezoekerscentrum zo snel mogelijk op te vullen, teneinde te garanderen dat het bezoekerscentrum zijn deuren begin 2010 kan openen;

50.   is verheugd over het werk dat DG Communicatie heeft gedaan ter voorbereiding van de start van het WEB-TV-project, dat zich na een aantal problemen in de eerste aanbestedingsfase nu in het teststadium bevindt; neemt nota van het feit dat het teststadium plaatsvond van september 2008 tot maart 2009, en dat er in maart 2009 een voorlichtingscampagne is gestart om het publiek te informeren over en enthousiast te maken; voor WEB-TV; neemt nota van de moeilijkheden die om de hoek komen kijken bij de eerste mondiale WEB-TV die wordt uitgezonden in meer dan 20 talen;

51.   is verheugd over het feit dat WEB-TV het werk van het Parlement transparanter maakt, aangezien commissievergaderingen, hoorzittingen en andere activiteiten worden gewebstreamed en geïnteresseerde burgers belangrijke gebeurtenissen live kunnen volgen;

52.   neemt nota van het feit dat het Bureau op 22 oktober 2007 eenparig goedkeuring heeft gehecht aan de strategie en het actieplan voor de Europese verkiezingen 2009, en wijst erop dat deze in 2008 hun eerste fase zijn ingegaan en vlak vóór de Europese verkiezingen hun hoogtepunt zullen bereiken;

53.   is verheugd over het feit dat het Parlement in steeds grotere mate betrokken is bij het Europese sociale en culturele leven, zoals blijkt uit evenementen als de LUX prijs, de Prijs voor journalisme van het Europees Parlement, de prijs van de burger, de Europese Karel de Grote jeugdprijs, de Energy Globe Awards, AGORA en de Jeugdmediadagen (allen gestart in 2007), bovenop de traditionele gebeurtenissen;

54.   neemt nota van de tevredenheid van de gebruikers van de nieuwe audiovisuele infrastructuur in het JAN-gebouw in Brussel, die tussen 2006 en 2008 is geïnstalleerd tne einde moderne voorzieningen te bieden ten behoeve van de voor media- en in-house-diensten;

55.   verwelkomt de verbeteringen die zijn aangebracht in het management van de voorlichtingsbureaus, waarvan met name het financieel beheer op een hoger peil lijkt te zijn gebracht, zoals blijkt uit informatie van de interne financiële controleur tijdens de hoorzitting van de bevoegde commissie op 20 januari 2009; onderstreept het belang van de nieuwe taakomschrijving van de voorlichtingsbureaus van het Parlement, namelijk vergroting van hun zichtbaarheid en toegankelijkheid voor burgers;

56.   betreurt het feit dat beslissingen over sleutelposten binnen DG Communicatie heel erg lang op zich hebben laten wachten, waardoor managementsposten onbemand bleven, hetgeen heeft geresulteerd in extra werk voor de aanwezige managers;

DG Personeel

57.   verwelkomt de invoering door DG Personeel van "Streamline", dat voor veel meer efficiëntie zorgt en door alle personeelsleden gemakkelijk kan worden gebruikt;

58.   is verheugd over de door DG Personeel uitgevoerde screening; verzoekt DG Personeel het werk aan de screening voort te zetten en te kiezen voor een benadering zoals de Commissie die hanteert, hetgeen tot belangrijke verbeteringen bij de toewijzing van personeel en meer efficiëntie zal leiden;

59.   wijst erop dat de overgangsbepalingen waarmee de vermeningvuldigingsfactor in het kader van de hervorming is geïntroduceerd (bijlage XIII bij het personeelsstatuut) zo ondoorzichtig en zelfs tegenstrijdig(25) zijn dat zij tot uiteenlopende interpretaties tussen de verschillende instellingen en een groot aantal zaken voor het Hof van Justitie leiden; onderstreept het belang van helderheid en eenvoud bij het opstellen van juridische teksten; dringt er met klem op aan de overgangsperiode tussen de oude (pre-2004) salarisschaal en de nieuwe salarisschaal van ná de hervorming zo kort mogelijk te houden (in het door de Commissie vóór de hervorming gepubliceerde toelichtende document is sprake van beëindiging van de overgangsperiode in 2006), en kijkt in dit verband vol belangstelling uit naar de analyse van de door de secretaris-generaal ingestelde werkgroep;

60.   herinnert eraan dat - precies op het moment dat het Parlement ten gevolge van de herziening van het Financieel Reglement behoefte had aan veel meer financiële en begrotingsdeskundigen - het vermogen van de instelling om gekwalificeerde financiële deskundigen aan te trekken afnam door de ingrijpende herziening van het personeelsstatuut in 2004, inclusief een flinke reductie van het niveau van de salarissen en andere vergoedingen van nieuwe ambtenaren op het moment van indiensttreding;

61.   neemt nota van het feit dat ten minste één directoraat-generaal in zijn activiteitenverslag aangeeft dat het met het oog op het aanbrengen van correcties in de toekomst nuttig is ex-post-controles op fouten en/of zwakke plekken te verrichten; wijst op het feit dat op dit moment niet alle DG's over een ex-post-controleur beschikken;

62.   dringt aan op een evaluatie door een onafhankelijk extern orgaan van de algehele impact van de hervorming van het personeelsstatuut van 2004, mét een kosten-batenanalyse en met name een overzicht van de eventuele ongewenste gevolgen die de werking van de instellingen negatief beïnvloeden; vraagt de secretaris-generaal tegelijkertijd een onderzoek te laten instellen naar de tevredenheid van het personeel;

63.   neemt nota van het door de secretaris-generaal gepresenteerde overzicht van het aantal kandidaten voor vacante posten boven het niveau van afdelingshoofd; maakt zich zorgen over het feit dat voor een groot aantal van deze posten het aantal kandidaten beperkt was (1 of 2); verlangt dat er adequate maatregelen worden genomen om tot een toename te komen van het aantal interne kandidaten voor dergelijke posten;

DG Infrastructuur en Logistiek

64.   betreurt het feit dat in de gebouwen SDM, WIC en IP3 in Straatsburg, na hun aankoop door het Parlement, veel grotere hoeveelheden asbest zijn aangetroffen dan aanvankelijk door de Franse expert was aangegeven; wijst erop dat besloten is het asbest te verwijderen met het oog op het langetermijnbelang van bescherming van diegenen die in de gebouwen werken en deze bezoeken;

65.   vraagt de Voorzitter en de secretaris-generaal te waarborgen dat de werkzaamheden voor het verwijderen van het asbest in overeenstemming met het interventieprotocol worden uitgevoerd, dat de deskundigenverslagen als bijlage bij de antwoorden op de kwijtingsvragenlijst worden gevoegd en dat het hele proces permanent onder toezicht van experts zal staan, teneinde ervoor te zorgen dat alle personen die in de gebouwen aanwezig zijn of er werken tijdens de werkzaamheden optimaal worden beschermd;

66.   wijst op het feit dat de definitieve kostenramingen voor de uitbreiding van het sportcentrum in Brussel na de afronding van de lopende procedure van gunning via onderhandelingen zullen worden vastgesteld; verzoekt de secretaris-generaal de definitieve kostenramingen vóór het definitieve besluit over het starten van de werkzaamheden aan het Bureau en de Begrotingscommissie te doen toekomen; stelt vast dat de tot nu toe verrichte werk noch het belang van de leden hebben gediend, noch die van de Europese belastingbetaler;

DG Vertaling en DG Vertolking en Conferenties

67.   neemt met bezorgdheid kennis van de opmerking van DG Vertaling in zijn activiteitenverslag dat de gedragscode meertaligheid in slechts 60% van de gevallen wordt gerespecteerd, en dat het scoringspercentage voor bepaalde commissies onaanvaardbaar laag is; is van mening dat elke aantasting van de meertaligheid grote schade zou berokkenen aan de democratie en de normale uitoefening van de taken van de leden, en verzoekt de secretaris-generaal erop toe te zien dat de gedragscode meertaligheid op passende wijze in acht wordt genomen;

68.   steunt het voorstel van de secretaris-generaal om op gebruikers van vertalings- en vertolkingsdiensten (waaronder commissies, delegaties en politieke fracties) gerichte bewustmakingsmaatregelen te treffen, en stelt voor in toekomstige voorstellen ook "virtuele facturering" van gebruikers op te nemen;

69.   neemt kennis van het feit dat het Bureau tijdens zijn vergadering van 17 november 2008 een grondig herziene gedragscode heeft aangenomen;

70.   feliciteert zowel DG Vertaling als DG Vertolking en Conferenties met hun inspanningen om snel en soepel over te gaan van 11 officiële talen in 2004 naar 23 officiële talen in 2009;

71.   stelt vast dat de arbeidsomstandigheden voor tolken tijdens deze zittingsperiode zijn verslechterd ten gevolge van de alsmaar toenemende werkdruk en de over-interpretatie van de dienstreisregels; vraagt DG Vertolking en Conferenties hier op zo kort mogelijke termijn naar te kijken, teneinde de motivatie van de tolken te vergroten; wijst op het feit dat deze problemen zich in de meeste gevallen bij de belangrijkste talencombinaties voordoen, waar de tijdsdruk ten gevolge van de enorme vraag nog groter is;

72.   verzoekt de secretaris-generaal om voor 2007 en, indien mogelijk, 2008 een overzicht te presenteren van de vergaderingen die zo laat werden geannuleerd dat tolken en ander ondersteunend personeel niet elders konden worden ingezet, inclusief de totale kosten daarvan en de vraag bij wie deze kosten in rekening werden gebracht;

DG Financiën

73.   neemt kennis van het werk van de werkgroep Vereenvoudiging; verzoekt de secretaris-generaal de bevoegde commissie een kort verslag te doen toekomen over de resultaten van de werkzaamheden van deze werkgroep; verwacht dat, vooraleer wijzigingen van de financiële regels wordt overwogen, die commissie om een formeel advies wordt gevraagd;

74.   dringt met klem aan op heldere en eenvoudig na te leven uitvoeringsregels voor het statuut van de leden;

75.   vraagt de secretaris-generaal de leden uiterlijk in juli 2009 een dienst ter beschikking te stellen die hen adviseert over de juiste toepassing van het nieuwe ledenstatuut, hun rechten en plichten in het kader van dat statuut, en de correcte manier van omgaan met contracten van medewerkers;

76.   is van mening dat de leden, om hun parlementaire taken te kunnen vervullen, recht zouden moeten hebben om de vervoerswijze te kiezen die het best op hun parlementaire agenda aansluit, het meest geschikt en het snelst is, en het goedkoopst voor het Parlement;

77.   verzoekt de secretaris-generaal de noodzakelijke financiële en menselijke middelen ter beschikking te stellen voor de snelle implementatie van het nieuwe medewerkersstatuut;

78.   dringt aan op een alomvattende analyse door een onafhankelijk orgaan van het financieel beheer, de effectiviteit en de efficiency van contracten met externe dienstverleners op terreinen zoals IT, veiligheid, bars, restaurants, kantines, het reisbureau, schoonmaak en onderhoud van gebouwen, met bijzondere aandacht voor:

   de selectiemethode
   het meest geëigende soort contract
   mogelijke verlies aan controle van het management ten gevolg van buitensporige externalisering
   transparantie van vergoedingen-/factureringsmechanismen
   het verlenen van commissie als beloningsfactor
   het probleem van monopolies bij de levering van diensten op bepaalde terreinen
   onderbouwing van betalingen met middelen van de begroting van het Parlement;

79.   beveelt de interne financieel controleur van het Parlement aan bij de risico-analyse met het oog op zijn toekomstige werkprogramma's rekening te houden met de hierboven vermelde terreinen en onderwerpen;

DG Innovatie en Technologische Ondersteuning

80.   herinnert eraan dat er, volgens de hoorzitting met de interne controleur in de bevoegde commissie op 20 januari 2009, in 2007 in het Parlement belangrijke problemen met het IT-beheer waren, die significante wijzigingen in de structuren, tradities en het management van het IT-beleid van de instelling nodig maken; acht het van het grootste belang dat wordt voldaan aan alle belangrijke eisen voor instrumenten voor moderne IT-beheer- en Planning die de IT-sector van het Parlement dichter in de buurt brengen van COBIT (Control Objectives for Information and related Technology);

81.   onderstreept dat hiervoor een diepgaande analyse nodig is van de behoeften en strategieën van het Parlement, teneinde de politieke vereisten en de IT-instrumenten op elkaar te doen aansluiten, met inachtneming van de steeds meer gedigitaliseerde omgeving, waarbij politieke prioriteiten de drijvende kracht moeten zijn en IT-instrumenten volledig in dienst moeten staan van deze prioriteiten; is van mening dat deze benadering alleen haalbaar is indien er een IT-beheerstructuur beschikbaar is; roept het Bureau derhalve op de noodzakelijke beslissingen te treffen;

Vergoeding voor parlementaire medewerkers

82.   is verheugd over het feit dat het de secretaris-generaal - in reactie op eerdere kwijtingresoluties, verslagen van de Rekenkamer en de interne controleur - is gelukt de noodzakelijke bewijsstukken te vergaren voor het regulariseren van praktisch alle claims (99,9%) voor de periode 2004-2007; neemt nota van de op 13 december 2006 ingevoerde vereenvoudigde declaratieprocedure, volgens welke de leden de facturen en verklaringen betreffende honoraria van betalingsgemachtigden en dienstverleners niet langer hoeven in te dienen, maar slechts hoeven te bewaren; in plaats daarvan zijn parlementsleden nu verplicht afschriften in te dienen van de "uitgavenstaten" en "overzichten van gefactureerde bedragen", die zijn verstrekt door betalingsgemachtigden en dienstverleners;

83.   herinnert aan de paragrafen 59 en 61 van zijn kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2006(26); verzoekt de secretaris-generaal de leden die zich aan de regels betreffende het gebruik van de vergoeding voor parlementaire medewerkers hebben gehouden een brief van de administratie te doen toekomen waarin dat wordt bevestigd;

84.   is verheugd over de toezegging van de secretaris-generaal, gedaan tijdens de hoorzitting van de bevoegde commissie op 20 januari 2009, om de leden met ingang van juli 2009 ten minste één, door het Parlement aanstelde officiële betalingsgemachtigde per lidstaat ter beschikking te stellen voor het beheer van contracten en alle zaken die verband houden met de plaatselijke medewerkers van de leden, met inachtneming van de andere opties in de uitvoeringsbepalingen;

85.   vraagt het Bureau te waarborgen dat plaatselijke medewerkers gelijke toegang wordt verleend tot de gebouwen van het Parlement in de drie plaatsen van werkzaamheden;

Fracties (onderzoek van de rekeningen en procedures − begrotingspost 4-0-0-0)

86.   is verheugd over het feit dat de rekeningen van de fracties op de website van het Parlement(27) worden gepubliceerd, samen met hun interne financiële regels; wijst er overigens op dat de interne financiële regels van de verschillende fracties onderling sterk verschillen;

87.   merkt op dat de voor 2007 op begrotingspost 4-0-0-0 ingeschreven kredieten als volgt werden gebruikt:

 

 

 

 

 

 

(in EUR)

Totaal beschikbaar op de begroting 2007

 

 

 

75.211.947

Niet-ingeschrevenen

 

 

 

 

673.575

Bedragen beschikbaar voor de fracties

 

 

 

74.538.372

Fractie

Toegekende kredieten op de begroting van het Parlement

Eigen middelen en overgedragen kredieten van de fracties

Uitgaven 2007

Gebruikma-kingsper-centage van de beschikbare kredieten

Plafond van de over-drachten *

Overdrachten naar 2008

PPE

18.197.622

9.449.345

18.572.670

67,18%

9.098.811

9.074.297

PSE

14.165.895

7.265.776

14.827.524

69,19%

7.082.948

6.604.146

ALDE

6.703.291

3.560.145

7.461.720

72,70%

3.351.646

2.801.716

Verts/ALE

2.690.396

1.434.335

3.167.057

76,78%

1.345.198

957.674

GUE/NGL

2.740.154

994.094

2.835.166

75,92%

1.370.077

899.083

UEN

2.797.063

541.496

2.436.330

72,98%

1.398.532

902.230

IND/DEM

1.502.292

1.044.042

1.821.789

71,55%

751.146

724.546

ITS

1.441.708

10.718

1.130.306

77,82%

720.854

- **

NI

538.048

135.527

450.827

66,93%

269.024

117.207

TOTAAL

50.776.469

24.435.478

52.703.387

70,07%

25.388.234

22.508.559

* Overeenkomstig artikel 2.1.6 van de regels betreffende het gebruik van de kredieten van begrotingspost 4-0-0-0

** De fractie is op 14 november 2007 ontbonden en heeft daarna de ongebruikte kredieten aan het Parlement terugbetaald.

88.   wijst op het feit dat in 2007 de externe controleurs van twee fracties opmerkingen bij de desbetreffende rekeningen hebben gemaakt;

89.   wijst op het feit dat tijdens zijn vergadering van 7 juli 2008 het Bureau, in het kader van de behandeling van de sluiting van het begrotingsjaar 2007 voor de fracties, zonder debat

   kennis heeft genomen van en goedkeuring heeft gehecht aan de door de fracties ingediende documenten en de definitieve geconsolideerde rekeningen van de niet-ingeschrevenen;
   de PPE-DE-Fractie heeft toegestaan in zijn rekeningen voor 2007 bepaalde personeelskosten voor de jaren 2005-2007 op te nemen, die intern door het Parlement ná 31 januari 2008 waren gefactureerd;
   zijn besluit over de definitieve rekeningen van de voormalige ITS-Fractie heeft uitgesteld;

90.   wijst verder op het feit dat de op 4 november 2008 aan de voorzitter van de Begrotingscommissie voorgelegde rekeningen van de op 14 november 2007 ontbonden ITS-Fractie vergezeld gingen van een certificaat van een controleur met daarin i) opmerkingen betreffende bewijs van tekortschietende interne controles, zoals de betaling van salaris aan een personeelslid zonder contract, en ii) een verwijzing naar disciplinaire maatregelen tegen een voormalig werknemer;

91.   wijst op het feit dat de ITS-Fractie het niet-gebruikte deel van de ontvangen subsidie ten bedrage van 317 310,23 EUR in april 2008 aan het Parlement heeft terugbetaald;

Europese politieke partijen

92.   wijst op het feit dat tijdens zijn vergadering van 7 juli 2008 het Bureau, in het kader van de behandeling van de sluiting van het begrotingsjaar 2007 voor de politieke partijen, zonder debat goedkeuring heeft gehecht aan de definitieve verslagen over de implementatie van de respectieve activiteitenprogramma's en financiële verklaringen van de politieke partijen die een subsidie met middelen van de begroting van het Parlement ontvangen;

93.   merkt op dat de voor 2007 op begrotingspost 4-0-2-0 ingeschreven kredieten als volgt werden gebruikt:

Uitvoering van de begroting 2007 in het kader van de Conventie (EUR)

Partij

Eigen middelen

Subsidies van het EP, totaal

Totaal van de ontvangsten

Subsidies in percentage van de daarvoor in aanmerking komende uitgaven (max. 75%)

PPE

1.150.174,16

3.156.413,79

4.306.587,95

75,00%

PSE

1.033.792,85

2.992.217,56

4.026.010,41

75,00%

ELDR

382.797,45

1.022.343,98

1.405.141,43

74,00%

EFGP

243.733,02

631.750,00

875.483,02

74,05%

GE

179.599,61

524.251,22

703.850,83

75,00%

PDE

52.861,45

152.610,87

205.472,32

75,00%

AEN

53.496,02

159.137,64

212.633,66

74,84%

ADIE

82.775,00

239.410,00

322.185,00

74,46%

EFA

81.354,87

215.197,63

296.552,50

75,00%

EUD

73.951,00

226.279,50

300.230,50

75,00%

Totaal

3.334.535,43

9.319.612,19

12.654.147,62

74,81%

94.   wijst op het feit dat in alle verslagen de controleurs zonder enig voorbehoud verklaren dat de ingediende rekeningen voldoen aan de belangrijkste statutaire bepalingen van Verordening (EG) nr. 2004/2003(28), en dat zij een getrouw beeld geven van de situatie van de politieke partijen aan het eind van begrotingsjaar 2007; neemt nota van het feit dat de interne controleur van het Parlement iets kritischer was in zijn beoordeling van de naleving van de relevante bepalingen;

95.   draagt de secretaris-generaal op de rekeningen en de verslagen van de controleurs over de gesubsidieerde politieke partijen op de website van het Parlement te publiceren;

96.   verlangt dat zijn bevoegde commissie wordt geïnformeerd over de follow-up van het in augustus 2007 gepubliceerde verslag van de interne controleur over de implementatie van de regels inzake bijdragen aan politieke partijen op Europees niveau (zie paragraaf 55 van de resolutie van het Parlement van 22 april 2008 betreffende de kwijting voor het begrotingsjaar 2006);

97.   neemt nota van het feit dat, net als in 2005 en 2006, de uitvoering van de begroting van twee partijen (AEN en PDE) flink afweek van de voorlopige begroting, en dat de ordonnateur is opgedragen voor 2007 de onderstaande bedragen terug te vorderen

− 81 294,07 EUR van AEN;

− 269 153,40 EUR van PDE; en

− 49 819 EUR van ADIE;

98.   herinnert eraan dat het Bureau in zijn vergadering van 8 oktober 2008 nota heeft genomen van het voorstel voor een gedragscode voor verkiezingscampagnes van politieke partijen in het kader van Europese verkiezingen;

99.   herinnert eraan dat, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1524/2007(29), Europese politieke stichtingen in 2008 voor het eerst aanvragen konden indienen voor financiering met middelen van de begroting van het Parlement; draagt zijn bevoegde commissie op het gebruik van deze financiële middelen te bezien in het kader van zijn kwijting voor het begrotingsjaar 2008;

Vrijwillig pensioenfonds

100.   neemt nota van het feit dat in het voorjaar 2008 het fonds in totaal 1 113 leden had, waarvan 478 actieve leden van het Parlement (61% van alle parlementsleden), 493 gepensioneerde leden (waarvan 56 personen ten laste van overleden leden) en 142 niet meer bijdragende aangeslotenen;

101.   wijst erop dat op 31 december 2007 de activa van het fonds 214 887 336 EUR bedroegen; neemt nota van het feit dat het rendement op investeringen in 2007 1,2% bedroeg;

102.   neemt − wat de rekeningen betreft van de ASBL die het vrijwillig pensioenfonds van de leden beheert − kennis van de verklaring van de onafhankelijke controleur dat, zonder verdere opmerkingen, de activa van de ASBL op 31 december 2007 een actuarieel tekort vertoonden van 30 917 229 EUR (2006: 26 637 836 EUR);

103.   neemt verder nota van de verklaring van de externe controleur dat de eindverantwoordelijkheid voor de betaling van de winst bij het Parlement berust, zoals bepaald in artikel 27 van het door het Parlement goedgekeurde statuut van de leden van het Europees Parlement, waarin staat dat "verworven rechten volledig worden gehandhaafd";

104.   is van mening dat deze interpretatie niet volledig strookt met het oorspronkelijke concept van het vrijwillig pensioenfonds als een zelf-besturende entiteit buiten de structuren van de instelling; vraagt zijn Juridische Dienst vóór de inwerkingtreding van het nieuwe statuut zijn standpunt kenbaar te maken over de vraag of de uiteindelijke financiële verantwoordelijkheid voor het vrijwillig pensioenfonds bij het fonds en zijn leden ligt, of bij het Parlement, met volledige inaanmerking van de belangen van de Europese belastingbetalers;

105.   neemt nota van de intentie om via onderhandelingen tot een akkoord tussen het Parlement en het fonds te komen; wijst erop dat het Parlement in de huidige economische omstandigheden onder geen enkele voorwaarde extra begrotingsgeld ter beschikking zal stellen ter dekking van de verliezen van het fonds, zoals in het verleden wel is gebeurd, en dat, als het pensioenrechten moet waarborgen, het Parlement de volledige controle over het fonds en diens beleggingsbeleid dient te hebben;

106.   herinnert aan de conclusies van een in opdracht van het Parlement verrichte onafhankelijke actuariële beoordeling(30) van het vrijwillig pensioenfonds dat i) de cash-instroom volstond om de pensioenbetalingen tot 2015 te financieren en dat het daarna nodig zou zijn activa te vergaren om de verschuldigde pensioenen te kunnen betalen; en ii) dat het fonds op de einddatum een overschot zal vertonen, op voorwaarde dat de door de actuaris van het fonds gehanteerde veronderstellingen kloppen; wijst op het feit dat de secretaris-generaal opdracht heeft gegeven tot het verrichten van een geactualiseerde actuariële studie naar de situatie als gevolg van de recente financiële/bankencrisis;

107.   verwelkomt het bericht dat de leden van het fonds, zoals in eerdere kwijtingsresoluties werd aanbevolen, hun een-derde bijdrage nu uit particuliere externe rekeningen betalen, in plaats van dat het door de administratie van het Parlement automatisch van de vergoeding voor algemene uitgaven wordt afgetrokken;

108.   wijst evenwel op het feit dat wat de primaire pensioenregeling betreft zoals bedoeld in bijlage III bij de KVL, de bijdragen van de desbetreffende leden nog altijd afkomstig zijn uit de vergoeding voor algemene uitgaven;

109.   wijst op het feit dat het Bureau tijdens zijn vergadering van 22 oktober 2007 besloten heeft niet in te gaan op een aanbeveling van de Europese Ombudsman (klacht 655/2006/(SAB)ID) dat het Parlement toegang moet verschaffen tot de lijst van leden van het vrijwillig pensioenfonds, niettegenstaande een positief advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming; verzoekt het Bureau zijn standpunt te heroverwegen en de lijst te publiceren, overeenkomstig het advies van de Juridische Dienst van het Parlement en in overeenstemming met het transparantiebeleid van de Unie om alle eindbegunstigden van Europese financiering bekend te maken;

Milieu

110.   herinnert eraan dat de Voorzitter en de secretaris-generaal op 27 november 2007 een overeenkomst hebben getekend betreffende milieu-certificering van de gebouwen van het Parlement, en dat de secretaris-generaal parallel daaraan de procedures in gang heeft gezet op grond waarvan het Parlement kan worden opgenomen op de lijst van organen die in België, Frankrijk en Luxemburg aan het EMAS (Eco-Management and Audit Scheme) deelnemen;

111.   wijst op het feit dat het Parlement nu EMAS-certificering heeft voor de drie plaatsen van werkzaamheden, en dat het de enige EU-instelling met een dergelijke gecertificeerde erkenning van zijn milieubeleid is;

112.   wijst op het feit dat het Bureau op 18 juni 2007 heeft ingestemd met een reductie van de CO2-emissies met 30% in 2020 als de eerste en voornaamste doelstelling van het milieubeheersysteem, in overeenstemming met het besluit van het Parlement van 24 april 2007 over de kwijting voor het begrotingsjaar 2005;

113.   verzoekt zijn secretaris-generaal de bevoegde commissies van het Parlement tijdig vóór de kwijting van volgend jaar te informeren over de follow-up van de aanbevelingen in de resolutie van het Parlement van 24 april 2007 betreffende de kwijting voor het begrotingsjaar 2005 met betrekking tot milieumaatregelen, inclusief exacte cijfers betreffende de door die maatregelen gerealiseerde CO2-emissiereducties;

Kwestie betreffende de ledenkas

114.   wijst op het feit dat in 2007 een oplossing is gevonden voor de kwestie rond het verschil van 4 136 125 BEF tussen de cashrekeningen en de in 1982 opgerichte algemene rekeningen; neemt verder kennis van het feit dat de kwestie van de garantierekeningen ten behoeve van de voorschottenadministrateur en de toenmalige rekenplichtige inmiddels daarna eveneens is opgelost.

(1) PB L 77 van 16.3.2007.
(2) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(3) PB C 148 van 13.6.2008, blz. 1.
(4) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1
(5) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) PE 349.540/Bur/bijl./def.
(8) PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 311.
(9) PB C 286 van 10.11.2008, punt 11.6.
(10) PB L 77 van 16.3.2007.
(11) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(12) PB C 148 van 13.06.2008, blz. 1.
(13) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(14) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(15) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(16) PE 349.540/Bur/bijl./def.
(17) PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 311.
(18) PB C 286 van 10.11.2008, punt 11.6.
(19) Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1).
(20) PB L 55 van 27.2.2009, blz. 1.
(21) Verslag over begrotings- en financieel beheer − Afdeling I van de begroting − Begrotingsjaar 2007 (PB C 148 van 13.6.2008, blz. 1).
(22) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 3.
(23) http://www.europarl.europa.eu/parliament/expert/staticDisplay.do?id=62&language=EN
(24) Verordening (EG/Euratom) nr. 1302/2008 van 17 december 2008 van de Commissie over de centrale gegevensbank van uitsluitingen (PB L 344 van 20.12.2008, blz. 12).
(25) Antwoord van het Parlement op paragraaf 11.7 van het jaarverslag van de Rekenkamer.
(26) Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2006, afdeling I – Parlement (PB L 88 van 31.3.2009, blz. 3).
(27) http://www.europarl.europa.eu/groups/accounts_en.htm.
(28) Verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (PB L 297 van 15.11.2003, blz. 1).
(29) Verordening (EG) nr. 1524/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2004/2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 5).
(30) Eindverslag: analyse van de passiva en activa, november 2007 − AON Consulting Belgium NV/SA.


Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Hof van Justitie
PDF 231kWORD 46k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling IV − Hof van Justitie (C6-0418/2008 – 2008/2278(DEC))
P6_TA(2009)0261A6-0151/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (C6-0418/2008)(2),

–   gezien het jaarverslag van het Hof van Justitie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(4),

–   gelet op de artikelen 272, lid 10, 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147 daarvan,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0151/2009),

1.   verleent de griffier van het Hof van Justitie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Hof van Justitie voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling IV – Hof van Justitie (C6-0418/2008 – 2008/2278(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(6),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (C6-0418/2008)(7),

–   gezien het jaarverslag van het Hof van Justitie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(8),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(9),

–   gelet op de artikelen 272, lid 10, 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147 daarvan,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0151/2009),

1.   stelt vast dat het Hof van Justitie (HvJ) vastleggingskredieten ter beschikking had ten belope van 275 miljoen EUR (2006: 252 miljoen EUR(11)), en dat het bestedingspercentage 96,84% bedroeg, wat hoger is dan dat van vorig jaar;

2.   merkt met tevredenheid op dat het HvJ in juli 2007 een gedragscode heeft vastgesteld die van toepassing is op de leden en voormalige leden van het Hof van Justitie, van het Gerecht van eerste aanleg en van het Gerecht voor ambtenarenzaken(12), met inbegrip van de verplichting om aan de president van het HvJ een verklaring betreffende hun financiële belangen over te leggen; dringt er echter nogmaals op aan, omwille van de transparantie, zelfs nu er nog geen wettelijke verplichting bestaat, concrete verklaringen bekend te maken, bijvoorbeeld op de website van het HvJ; stelt verder voor dat een onafhankelijk controleur wordt benoemd die tot taak heeft jaarlijks een rapport te publiceren over ontvangen verklaringen, ten einde een geloofwaardige controle te garanderen;

3.   wijst erop dat het aantal ambtenaren en andere personeelsleden (tijdelijk en contractpersoneel) in de loop van het jaar met 7,9% is gestegen tot een totaal van 1 928, voornamelijk als gevolg van de toetreding van Bulgarije en Roemenië;

4.   is ingenomen met de verbeteringen op het punt van de aanwerving van gekwalificeerd, onder het ambtenarenstatuut vallend personeel, op basis van door EPSO georganiseerde vergelijkende onderzoeken, alsook met het feit dat er beter is omgegaan met de moeilijkheden met betrekking tot bepaalde posten (voornamelijk tolken en IT-specialisten);

5.   wijst erop dat de Europese Rekenkamer in punt 11.19 van haar jaarverslag over 2007 de volgende opmerkingen heeft gemaakt: "Tijdens de controle werd geconstateerd dat het besluit van het administratief comité van het Hof van Justitie inzake de werving en aanstelling van arbeidscontractanten niet voorziet in enige selectieprocedure voor "arbeidscontractanten voor hulptaken" [...]. Het Hof van Justitie heeft dan ook geen formele selectieprocedures vastgesteld voor de werving van personeel met kortlopende contracten ter vervanging van bepaalde personen die niet in staat zijn hun taken te vervullen.";

6.   deelt de zienswijze van de Europese Rekenkamer dat, "bij gebreke van specifieke selectieprocedures voor "arbeidscontractanten voor hulptaken" (waaronder bijvoorbeeld gebruikmaking van selectiecomités) [...] de bij het Hof van Justitie toegepaste bepalingen niet [waarborgen] dat in dergelijke gevallen de voorschriften in artikel 82, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen volledig in acht worden genomen en dat elke mogelijke schijn van niet-objectieve selectie wordt vermeden"; verzoekt derhalve om ook voor deze categorie contractpersoneel selectieprocedures in te voeren;

7.   uit zijn tevredenheid over het feit dat er sinds 1 oktober 2007 twee afzonderlijke administratieve eenheden (een interne controle-eenheid en een verificatie-eenheid) zijn ingesteld met twee afzonderlijke hoofden, waardoor er een einde gemaakt is aan de situatie, die in eerdere jaren door zowel de Rekenkamer als het Parlement werd bekritiseerd, waarin het hoofd van de interne controledienst verantwoordelijk was voor de ex-ante verificatie van de verrichtingen van de ordonnateurs;

8.   neemt met voldoening kennis van het feit dat het administratief comité van het EHvJ op 12 december 2007 de taakomschrijving van de interne controleur heeft gewijzigd en dat het jaarlijkse werkprogramma van de interne controle-eenheid voortaan wordt vastgesteld op basis van een beoordeling van de risico's waaraan de organisatie werkelijk blootstaat;

9.   merkt op dat er een nieuwe vervreemdingsprocedure voor vaste activa is ingevoerd in het kader van het nieuwe, geïntegreerde stelsel voor beheer en financiële controle (SAP) dat in 2007 werd opgezet en met ingang van 1 januari 2008 in plaats is gekomen van het Sucre-Abac systeem voor boekhouding en financieel beheer; is ingenomen met het feit dat het nieuwe SAP-systeem op interinstitutionele basis is opgezet door de Raad, de Rekenkamer en het HvJ, wat aanzienlijke begrotingsbesparingen en effiencyverbetering voor de drie betrokken instellingen oplevert;

10.   is ook ingenomen met de vruchtbare interinstitutionele samenwerking met de Rekenkamer op het gebied van beroepsopleiding;

11.   is verheugd over de vermindering van het aantal onderhandse aanbestedingen op het totaal aantal aanbestedingen van resp. 34% in 2006 naar 32% in 2007 (met een waarde van meer dan 60 000 EUR, naar aanleiding van de wijziging van het uitvoeringsvoorschriften(13) van het Financieel Reglement); spoort het HvJ aan te blijven streven naar verdere vermindering van dit percentage;

12.   merkt op dat 2006 het tweede jaar was van gerechtelijke activiteit, in strikte zin, van het nieuwe Gerecht voor ambtenarenzaken dat zijn werkzaamheden startte in december 2005, en dat het interne reglement van dat gerecht op 1 november 2007 in werking is getreden;

13.   is ingenomen met het feit dat de duur van procedures voor het HvJ voor het vierde achtereenvolgende jaar is verkort, en dat er ten opzichte van 2006 sprake is van een stijging met bijna 10% van het aantal afgeronde zaken; constateert echter met bezorgdheid dat de achterstand op het gebied van nog hangende zaken voor de drie hoven tezamen, en met name voor het Gerecht van eerste aanleg, gestegen is (+12%, van 1 029 zaken in 2006 naar 1 154 in 2007);

14.   beseft dat deze forse stijging van het aantal hangende zaken bij het Gerecht van eerste aanleg te maken heeft met het toegenomen aantal nieuwe zaken en de steeds grotere complexiteit en verscheidenheid van de bij het Gerecht ingeleide procedures; staat volledig achter de pogingen van het HvJ zijn interne organisatie en werkmethoden te herzien teneinde efficiënter te gaan werken en de achterstand te verkleinen;

15.   is ingenomen met de bekendmaking in het Publicatieblad van een verslag over het begrotings- en financiële beheer van het begrotingsjaar 2007(14) van het HvJ, dat de rekeningen van het HvJ voor het jaar 2007 vergezelt en onder meer informatie bevat over de bestedingsgraad van de kredieten en beknopte informatie over de kredietoverschrijvingen tussen begrotingsonderdelen in de loop van het begrotingsjaar 2007;

16.   feliciteert het HvJ met de gevestigde praktijk om in zijn activiteitenverslag een hoofdstuk op te nemen waarin wordt aangegeven wat er in de loop van het jaar is gedaan met eerdere kwijtingsbesluiten van het Parlement en verslagen van de Rekenkamer;

17.   wijst erop dat de bepalingen van het Financieel Reglement betreffende aanbestedingen, ondanks de aangebrachte wijzigingen, voor kleinere instellingen zoals het HvJ nog altijd te omslachtig zijn, met name in het geval van aanbestedingen voor contracten voor relatief kleine bedragen; verzoekt de Commissie om – bij de voorbereidingen voor toekomstige voorstellen voor aanpassingen aan het Financieel Reglement – de griffier en de administratie van het HvJ uitvoerig te raadplegen opdat in de definitieve ontwerptekst volledig met hun zorgen rekening wordt gehouden;

(1) PB L 77 van 16.3.2007.
(2) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(3) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(4) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 77 van 16.3.2007.
(7) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(8) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(9) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(11) 2005: 232,6 miljoen EUR.
(12) PB C 223 van 22.9.2007, blz. 1.
(13) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1).
(14) PB C 15 van 21.1.2009, blz. 1.


Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Rekenkamer
PDF 228kWORD 44k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling V − Europese Rekenkamer (C6-0419/2008 – 2008/2279(DEC))
P6_TA(2009)0262A6-0152/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (C6-0419/2008)(2),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–   gezien het accountantsverslag over de rekeningen van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2007(4),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(5),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0152/2009),

1.   verleent de secretaris-generaal van de Rekenkamer kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie, die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de daarvan een integrerend deel uitmakende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling V – Europese Rekenkamer (C6-0419/2008 – 2008/2279(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(7),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (C6-0419/2008)(8),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, tezamen met de antwoorden van de instellingen(9),

–   gezien het accountantsverslag over de rekeningen van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2007(10),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(11),

–   gelet op artikel 272, lid 10, en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(12), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0152/2009),

1.   stelt vast dat de Rekenkamer in 2007 vastleggingskredieten ter beschikking had ten belope van 122 miljoen EUR (2006: 114 miljoen EUR(13)), en dat het bestedingspercentage 90,21% bedroeg, wat onder het gemiddelde van de andere instellingen ligt (93,82%);

2.   herinnert eraan dat de rekeningen van de Rekenkamer van het begrotingsjaar 2007 door een extern bedrijf, PricewaterhouseCoopers zijn gecontroleerd (de jaren voordien door KPMG), dat tot de volgende conclusies kwam:

   a) met betrekking tot de nauwkeurigheid van de rekeningen voor het begrotingsjaar 2007, dat "wij van oordeel zijn dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de financiële situatie van de Europese Rekenkamer per 31 december 2007, en van haar financiële prestaties en kasstromen voor het per die datum afgesloten begrotingsjaar overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 [houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen], Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van genoemde verordening van de Raad, en overeenkomstig de boekhoudkundige regels van de Rekenkamer"; en
   b) met betrekking tot het gebruik van de aan de Rekenkamer toegekende financiële middelen en de doelmatigheid van de gevolgde controleprocedures tijdens het begrotingsjaar 2007, dat "niets onder onze aandacht is gekomen wat ons doet aannemen dat in alle materiële opzichten en op basis van (vastgestelde) criteria a) de aan de Rekenkamer toegewezen middelen niet voor de gestelde doelen zijn gebruikt, en b) de bestaande controleprocedures niet de noodzakelijke waarborgen bieden dat de financiële verrichtingen in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften en regelgeving zijn";

3.   is ingenomen met het feit dat een nieuw geïntegreerd systeem voor beheer en financiële controle (SAP), dat sinds 1 januari 2008 operationeel is, op interinstitutionele basis is opgezet door de Raad, de Rekenkamer en het Hof van Justitie, wat aanzienlijke begrotingsbesparingen en efficiencyverbetering voor de drie betrokken instellingen oplevert;

4.   is tevens ingenomen met de vruchtbare interinstitutionele samenwerking met het Hof van Justitie op het gebied van beroepsopleiding;

5.   merkt op dat het verslag over 2007 van de interne controleur van de Rekenkamer over het algemeen positief was, waarbij werd vastgesteld dat het project voor het K2-gebouw efficiënt werd beheerd en dat het K2-gebouw meerdere maanden eerder dan gepland werd opgeleverd, met eerbiediging van de hiervoor vastgestelde kredieten; is in dit verband verheugd dat de meeste aanbevelingen van de intern controleur zijn goedgekeurd en in corrigerende actieplannen opgenomen;

6.   merkt op dat de Rekenkamer als gevolg van de toetreding van Bulgarije en Roemenië er in de loop van 2007 twee nieuwe leden heeft bijgekregen; merkt op dat het oorspronkelijke organisatieprincipe van de Europese auditfunctie – één onderdaan van elke lidstaat – nu als resultaat een organisatie heeft die wordt bestuurd door een college met 27 leden; is ervan overtuigd dat deze structuur haar grenzen heeft bereikt en dat een grondige hervorming en een versterking van de externeauditregeling van de Europese Unie nodig zijn; benadrukt het feit dat hoe sterker de Rekenkamer is, hoe sterker de kwijtingsautoriteit is en hoe beter de uitvoerende instanties worden gecontroleerd; verzoekt de lidstaten bijgevolg gesprekken over een hervorming van de Rekenkamer te starten en het Parlement hierbij te betrekken;

7.   merkt op dat een internationaal "peer review" team in december 2008 een "peer review" verslag heeft uitgebracht; betreurt het feit dat in dit verslag de fundamentele vraag niet is gesteld, namelijk of de huidige structuur van de externeauditfunctie van de Unie adequaat is;

8.   merkt met betrekking tot de verklaringen van financiële belangen op dat conform de gedragscode van de Rekenkamer de leden aan hun voorzitter een overzicht verschaffen van hun financiële belangen en andere bezittingen (waaronder aandelen, converteerbare obligaties en beleggingscertificaten, grond en onroerend goed, alsmede de beroepsactiviteiten van hun echtgenoten), en dat deze gegevens als vertrouwelijke informatie door de voorzitter worden bewaard en niet openbaar worden gemaakt;

9.   herhaalt zijn standpunt dat de leden van alle instellingen uit principe en in het belang van transparantie ertoe moeten worden verplicht een overzicht van hun financiële belangen in te dienen waarin via een openbaar register op internet inzage kan worden verkregen; is het er niet mee eens dat de Rekenkamer, zoals ze zelf suggereert, zou moeten wachten totdat hiervoor een gestandaardiseerd formaat beschikbaar is dat op alle EU-instellingen van toepassing is; stelt voor dat in elke instelling onafhankelijke controleurs worden benoemd die tot taak hebben jaarlijks en openbaar verslag uit te brengen over ontvangen verklaringen;

10.   verzoekt de Rekenkamer in deze context in haar volgende activiteitenverslag een hoofdstuk op te nemen met een gedetailleerde uiteenzetting van de follow-up die in dat jaar aan de eerdere kwijtingsbesluiten van het Parlement is gegeven, waarin ook wordt toegelicht waarom aanbevelingen eventueel niet zijn opgevolgd;

11.   wijst erop dat de bepalingen van het Financieel Reglement betreffende aanbestedingen, ondanks de aangebrachte wijzigingen, voor kleinere instellingen zoals de Rekenkamer nog altijd buitengewoon omslachtig zijn, met name in het geval van aanbestedingen voor contracten voor relatief kleine bedragen; verzoekt de Commissie om – bij de voorbereidingen voor toekomstige voorstellen voor aanpassingen van het Financieel Reglement – de secretaris-generaal en de administratie van de Rekenkamer uitvoerig te raadplegen opdat in de definitieve ontwerptekst volledig met hun zorgen rekening wordt gehouden.

(1) PB L 77 van 16.3.2007.
(2) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(3) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(4) PB C 318 van 12.12.2008, blz. 1.
(5) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) PB L 77 van 16.3.2007.
(8) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(9) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(10) PB C 318 van 12.12.2008, blz. 1.
(11) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(12) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(13) 2005: 107,5 miljoen EUR


Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Europese Ombudsman
PDF 304kWORD 46k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling VIII − Europese Ombudsman (C6-0423/2008 – 2008/2282(DEC))
P6_TA(2009)0263A6-0156/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (C6-0423/2008)(2),

–   gezien het jaarverslag van de Europese Ombudsman aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(4),

–   gelet op de artikelen 272, lid 10, 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147 daarvan,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0156/2009),

1.   verleent de Europese Ombudsman kwijting voor de uitvoering van zijn begroting voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie, die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling VIII – Europese Ombudsman (C6-0423/2008 – 2008/2282(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(6),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (C6-0423/2008)(7),

–   gezien het jaarverslag van de Europese Ombudsman aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(8),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(9),

–   gelet op de artikelen 272, lid 10, 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147 daarvan,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0156/2009),

1.   stelt vast dat de Europese Ombudsman (de Ombudsman) in 2007 kon beschikken over vastleggingskredieten ten bedrage van in totaal 8,2 miljoen EUR (2006: 7,7 miljoen  EUR(11)), waarvan 90,48% is besteed, een percentage dat lager is dan het gemiddelde van de andere instellingen (93,84%);

2.   stelt vast dat in de periode 2003 tot 2007 de vastleggingskredieten geleidelijk zijn verhoogd van 4,4 miljoen EUR tot 8,2 miljoen EUR (bijna +86%) en dat het aantal posten is gestegen van 31 tot 57 (+84%), terwijl het aantal klachten is toegenomen van 2 436 tot 3 217 (+32%) en het aantal nieuwe onderzoeken dat is geopend van 253 tot 308 (+22%); merkt voorts op dat het aantal posten voor het tweede achtereenvolgende jaar niet is verhoogd;

3.   wijst erop dat de Rekenkamer in haar jaarverslag opmerkt dat de controle ten aanzien van de Ombudsman geen aanleiding gaf tot substantiële opmerkingen;

4.   merkt op dat volgens het verslag van de interne auditeur nr. 08/03, de werkzaamheden van de auditeur in 2007 hebben aangetoond dat afhankelijk van de volledige tenuitvoerlegging van de overeengekomen maatregelen [...] het interne beheer en de controlesystemen van de instelling doeltreffend zijn en een redelijke waarborg bieden voor het consistent behalen van de controledoelstellingen;

5.   merkt in dit verband op dat volgens het verslag van de interne auditeur nr. 06/04 de controle die is verricht om de doelmatigheid te bepalen van de beheer- en controleprocedures voor het vaststellen van de individuele rechten van het personeel "geen enkel gebied met grote risico's bij de beheer- en controleprocedures heeft vastgesteld, maar wel bevestigt dat de instelling een aantal specifieke kwesties moet aanpakken"; wijst er op dat tussen de interne auditeur en de instelling een actieplan werd overeengekomen, waarvoor 30 september 2007 als termijn voor de tenuitvoerlegging werd afgesproken; is ingenomen met de conclusies van de follow-up controle van december 2007, waarin melding wordt gemaakt van de volledige tenuitvoerlegging van alle punten die waren opgenomen in het actieplan inzake het beheer van individuele rechten;

6.   merkt op dat uit de follow-up controle van het actieplan over de naleving van de voorschriften voor openbare aanbestedingen blijkt dat weliswaar enige vooruitgang is geboekt, maar dat de Ombudsman de twee nog niet afgewikkelde acties uit het verslag van de interne auditeur nr. 06/03 nog niet volledig ten uitvoer heeft gelegd; spoort de Ombudsman aan de tenuitvoerlegging van deze acties met spoed te voltooien, zoals voorgesteld door de interne auditeur; is ingenomen met de opname in het werkprogramma voor 2008 van de interne auditeur van een verslag, dat gebaseerd is op zijn bevindingen over de procedure voor openbare aanbestedingen en is in afwachting van de uitkomst van deze follow-up controle;

7.   wijst op de informatie die de gedelegeerd hoofdordonnateur in zijn activiteitenoverzicht over 2007 heeft gegeven, waaruit blijkt dat de diensten van de Ombudsman begin 2008 opnieuw zelf hebben onderzocht hoe efficiënt hun interne controlekader is en dat het algemene beeld dat hieruit naar voren kwam een over de hele linie bevredigend uitvoeringsniveau van de interne controlenormen toont (88% tegen 85% in 2006 en 74% in 2004);

8.   wijst er verder op dat op bepaalde gebieden de effectiviteit wel verbeterd moet worden (identificatie van gevoelige functies, verbetering van planning en programmering, prestatie-indicatoren); moedigt de Ombudsman aan alles in het werk te stellen om de efficiëntie van het interne controlekader van zijn instelling verder te verbeteren;

9.   stelt met voldoening vast dat de nieuwe kaderovereenkomst van onbeperkte duur inzake samenwerking tussen de Ombudsman en het Europees Parlement, die op 1 april 2006 in werking is getreden, in 2007 vruchten begon af te werpen; stelt voorts vast dat deze overeenkomst betrekking heeft op de verstrekking van bepaalde administratieve diensten, zoals voor de gebouwen, IT, communicatie, juridisch advies, medische diensten, opleiding, vertaling en vertolking;

10.   zwaait de Ombudsman lof toe voor zijn niet aflatende inspanningen bij de ontwikkeling van de interinstitutionele banden met andere organen (met name OPOCE, EAS en EPSO) en met het Vertaalbureau; wijst erop dat 70% van de beleidsuitgaven vastgelegd en besteed werd op grond de interinstitutionele samenwerking;

11.   stelt met voldoening vast dat de reorganisatie van de juridische dienst die sinds mei 2007 met succes ten uitvoer wordt gelegd, een garantie betekent voor de doeltreffende controle op en een blijvende impuls voor de behandeling van onderzoeken en de voorbereiding voor besluiten;

12.   merkt op dat uit het jaarverslag blijkt dat de Ombudsman met minder problemen wordt geconfronteerd dan in voorgaande jaren, voor wat betreft de aanwerving van gekwalificeerde juristen en het grote personeelsverloop;

13.   verwelkomt het besluit van de Ombudsman op 14 december 2007 over de jaarlijkse opgave van de financiële belangen van de Ombudsman; stelt met voldoening vast dat deze verklaring is gepubliceerd op de website van de Ombudsman;

14.   feliciteert de Ombudsman met zijn besluit van 2 juni 2008 om toe te treden tot het Interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF)(12), met het oog op de toepassing van Verordening (EG) nr. 1073/1999(13); neemt met instemming kennis van het feit dat op dezelfde dag de Ombudsman een besluit heeft genomen over de voorwaarden van interne onderzoeken in verband met fraude- en corruptiebestrijding en om het even welke illegale activiteiten die de belangen van de Gemeenschappen kunnen schaden;

15.   verzoekt de Ombudsman in zijn volgende activiteitenverslag (begrotingsjaar 2008) een hoofdstuk op te nemen met een gedetailleerde uiteenzetting van de follow-up die in dat jaar aan de eerdere kwijtingsbesluiten van het Parlement is gegeven, waarin ook wordt toegelicht waarom aanbevelingen eventueel niet zijn opgevolgd;

16.   wijst erop dat de bepalingen van het Financieel Reglement betreffende aanbestedingen, ondanks de aangebrachte wijzigingen, voor kleinere instellingen zoals de Ombudsman nog altijd te omslachtig zijn, met name in het geval van aanbestedingen voor contracten voor relatief kleine bedragen; verzoekt de Commissie om – bij de voorbereidingen voor toekomstige voorstellen tot wijziging van het Financieel Reglement – de secretaris-generaal en het secretariaat van de Ombudsman uitvoerig te raadplegen opdat in de definitieve ontwerptekst volledig met hun zorgen rekening wordt gehouden.

(1) PB L 77 van 16.3.2007.
(2) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(3) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(4) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 77 van 16.3.2007.
(7) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(8) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(9) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(11) 2005: 7,2 miljoen EUR.
(12) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.
(13) Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136 van 31.5.1999, blz.1).


Kwijting 2007: Algemene begroting EU, Europese toezichthouder voor gegevensbescherming
PDF 225kWORD 42k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling IV − Europees toezichthouder voor gegevensbescherming (C6-0424/2008 – 2008/2283(DEC))
P6_TA(2009)0264A6-0154/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (C6-0424/2008)(2),

–   gezien het jaarverslag van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(4),

–   gelet op artikel 272, lid 10 en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147 daarvan,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0154/2009),

1.   verleent de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie, die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling IX – Europese toezichthouder voor gegevensbescherming (C6-0424/2008 – 2008/2283(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(6),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (C6-0424/2008)(7),

–   gezien het jaarverslag van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(8),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(9),

–   gelet op artikel 272, lid 10 en de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147 daarvan,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0154/2009),

1.   stelt vast dat de beschikbare vastleggingskredieten van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming (ETGB) in 2007 op een totaal van 5 miljoen EUR (2006: 4,1 miljoen EUR(11)) uitkwamen, hetgeen een verhoging betekende van bijna 20% in vergelijking met 2006, en het bestedingspercentage van 86,14% onder het gemiddelde van de overige instellingen lag (93,84%);

2.   stelt vast dat het aantal vaste posten bij de ETGB van 24 in 2006 in 2007 naar 29 (+21%) is gestegen; is in dit verband verheugd over het voornemen van de ETGB om uitbreiding van zowel taken als personeel te beperken en er aan de hand van beheerste groei voor te zorgen dat het onlangs aangeworven nieuwe personeel volledig geïntegreerd en naar behoren ingewerkt kan worden;

3.   stelt vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag concludeert dat voor wat betreft de ETGB de controle geen aanleiding heeft gegeven tot substantiële opmerkingen;

4.   herinnert eraan dat de overeenkomst voor administratieve samenwerking die de secretarissen generaal van de Commissie, het Parlement en de Raad met de ETGB hadden ondertekend, op 7 december 2006 is verlengd voor een bijkomende periode van drie jaar, ingaande op 16 januari 2007;

5.   merkt op dat de administratieve afhandeling van alle dienstreizen van de ETGB op grond van bovengenoemde samenwerkingsovereenkomst wordt verricht door het Uitbetalingsbureau van de Commissie en dat dezelfde interne voorschriften gelden voor de vergoeding van verblijfkosten tijdens dienstreizen van de twee categorieën bij de ETGB, namelijk de twee leden en het personeel;

6.   herinnert eraan dat de ETGB bij besluit van 7 november 2006 heeft besloten een interne controlestructuur op te zetten die past bij zijn activiteiten en behoeften; stelt vast dat een eerste evaluatie door de diensten van de ETGB de functionaliteit en doeltreffendheid van dit interne controlesysteem heeft aangetoond;

7.   stelt met tevredenheid vast dat het eerste controleverslag van de interne controledienst (IAS) in september 2007 is ontvangen en dat daarin verschillende punten worden genoemd die voor verbetering vatbaar zijn; is ingenomen met het feit dat tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de IAS, waarmee de ETGB heeft ingestemd, voor 2008 een prioriteit is en dat in verband daarmee begin 2008 een actieplan is opgesteld; spoort de ETGB ertoe aan dit actieplan volledig ten uitvoer te leggen;

8.   is verheugd over de jaarlijkse publicatie door de ETGB en de adjunct-toezichthouder van een verklaring met betrekking tot hun financiële belangen, in een vergelijkbare vorm als jaarlijks wordt gedaan door de leden van het Parlement, met relevante informatie over onder meer aan te geven professionele activiteiten en betaalde posten of activiteiten;

9.   feliciteert de ETGB met zijn besluit van 12 september 2007 om toe te treden tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF)(12), met het oog op de toepassing van Verordening (EG) nr. 1073/1999(13);

10.   verzoekt de ETGB in zijn volgende activiteitenverslag (begrotingsjaar 2008) een hoofdstuk op te nemen met een gedetailleerde uiteenzetting van de follow-up die in dat jaar aan de eerdere kwijtingsbesluiten van het Parlement is gegeven, waarin ook wordt toegelicht waarom aanbevelingen eventueel niet zijn opgevolgd;

11.   wijst erop dat de bepalingen van het Financieel Reglement betreffende aanbestedingen, ondanks de aangebrachte wijzigingen, voor kleinere instellingen zoals de ETGB nog altijd te omslachtig zijn, met name in het geval van aanbestedingen voor contracten voor relatief kleine bedragen; verzoekt de Commissie om – bij de voorbereidingen voor toekomstige voorstellen voor aanpassingen aan het Financieel Reglement – de ETGB en zijn secretariaat uitvoerig te raadplegen opdat in de definitieve ontwerptekst volledig met hun zorgen rekening wordt gehouden.

(1) PB L 77 van 16.3.2007.
(2) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(3) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(4) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 77 van 16.3.2007.
(7) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(8) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(9) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(11) 2005: 2,8 miljoen EUR.
(12) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.
(13) Verordening (EG) nr. 1073/1999 van 25 mei 1999 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1).


Kwijting 2007: Eurojust
PDF 234kWORD 54k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0436/2008 – 2008/2263(DEC))
P6_TA(2009)0265A6-0161/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van Eurojust(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken(4), en met name artikel 36,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0161/2009),

1.   verleent de administratief directeur van Eurojust kwijting voor de uitvoering van de begroting van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de administratief directeur van Eurojust, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over de afsluiting van de rekeningen van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0436/2008 – 2008/2263(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007(6),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van Eurojust(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit(9) te versterken, en met name artikel 36,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0161/2009),

1.   neemt er kennis van dat de definitieve jaarrekening van Eurojust met de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer overeenstemt;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de administratief directeur van Eurojust, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0436/2008 – 2008/2263(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007(11),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van Eurojust voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van Eurojust(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken(14), en met name artikel 36,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0161/2009),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2007 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de administratief directeur van Eurojust op 22 april 2008 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van Eurojust voor het begrotingsjaar 2006(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere de volgende opmerkingen heeft gemaakt:

–   merkt op dat de Rekenkamer in zijn verslag voor 2006 een overdrachtspercentage vaststelt van 33 % voor de administratieve uitgaven en 30 % voor de beleidsuitgaven, evenals een groot aantal overschrijvingen van het ene begrotingsonderdeel naar het andere met in veel gevallen onvoldoende gedetailleerde ondersteunende documenten hiervoor, waaruit blijkt dat het budgettaire beginsel van specificiteit niet strikt werd nageleefd;

–   merkt eveneens op dat de Rekenkamer constateert dat de regels voor aanbestedingen niet strikt werden nageleefd en dat voor het monitoren van de vaste activa van Eurojust geen register met alle activa en hun waarde werd gebruikt of opgesteld; verzoekt Eurojust de aanbestedingsvoorschriften strikt toe te passen, met name voor wat betreft kaderovereenkomsten;

–   is bezorgd over de opmerking in het jaarverslag van Eurojust dat er zich nog talrijke gelegenheden hebben voorgedaan om de betrekkingen van Eurojust en OLAF uit te breiden, onder andere aan de hand van een formele samenwerkingsovereenkomst,

1.   merkt op dat, hoewel de verklaring van de Rekenkamer over de betrouwbaarheid van de jaarrekening positief is, de opmerkingen uitwijzen dat er op het gebied van de uitvoering van de begroting, aanbestedingen en de planning van wervingsacties nog structurele problemen bestaan;

2.   is verheugd dat uit het jaarverslag van Eurojust over 2007 blijkt dat het agentschap sinds 1 oktober 2007 gebruik maakt van het boekhoudkundig systeem ABAC (Accrual Based Accounting);

3.   constateert uit het jaarverslag van Eurojust over 2007 dat vanwege de snelle groei van het agentschap en de daaruit voortvloeiende behoefte aan een nieuw hoofdkantoor, Eurojust in samenwerking met het gastland werkt aan het vinden van extra tijdelijke kantoorruimte; constateert uit het jaarverslag van Eurojust over 2007 dat het gastland heeft toegezegd uiterlijk in 2012 voor passende andere huisvesting te zorgen;

4.   verzoekt Eurojust in zijn jaarverslag 2008 gegevens te verstrekken met betrekking tot de voortgang van de onderhandelingen over een nieuw hoofdkantoor, tijdelijke oplossingen alsmede de financiële gevolgen daarvan;

Hoog niveau van overgedragen kredieten

5.   neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat van de vastgelegde 18 000 000 EUR in 2007 er 5 200 000 EUR werd overgedragen;

6.   is verontrust over de conclusie van de Rekenkamer dat dit hoge niveau van overdrachten in strijd met het beginsel van jaarperiodiciteit is en op gebreken in de programmering en monitoring van de activiteiten van Eurojust wijst;

7.   neemt kennis van het antwoord van Eurojust dat het hoge niveau van overdrachten te wijten is aan het tekort aan medewerkers bij het beheer van de fondsen en aan problemen bij de uitvoering van het nieuwe stelsel voor aanbestedingen; stelt vast dat slechts 95 van de voor 2007 geldende 147 formatieplaatsen ingevuld waren;

8.   constateert dat Eurojust in 2008 een strategie heeft opgesteld om het aantal overdrachten te beperken;

Tekortkomingen in aanbestedingsprocedures

9.   erkent dat Eurojust, na opmerkingen van de Rekenkamer in voorgaande jaren, het beheer van zijn procedures voor het plaatsen van opdrachten heeft gecentraliseerd bij een gespecialiseerde eenheid;

10.   betreurt het dat de Rekenkamer net als in de twee voorgaande jaren bij aanbestedingsprocedures toch tekortkomingen heeft geconstateerd;

11.   is er verbaasd over dat Eurojust bestaande contracten heeft verlengd op een wijze die strijdig is met de regels, hoewel de einddatum van de contracten reeds lang bekend was, zoals blijkt uit de conclusie van de Rekenkamer;

12.   onderschrijft ten volle de aanbeveling van de Rekenkamer dat de ordonnateur voor het beheer van de aanbestedingsprocedures een doeltreffend systeem moet invoeren;

13.   constateert dat Eurojust voor 2008 een algemeen plan voor het plaatsen van openbare aanbestedingen heeft opgesteld en een besluit heeft goedgekeurd met betrekking tot de organisatie van aanbestedingen en bijbehorende taken en dat alle door de Rekenkamer genoemde contracten opnieuw zijn aanbesteed in overeenstemming met de voorschriften;

Tekortkomingen bij wervingsacties

14.   neemt kennis van de constatering van de Rekenkamer dat de personeelsformatie voor 2007 147 posten toestond, tegenover 112 voor 2006, en dat eind 2006 slechts 87 posten bezet waren;

15.   is er bezorgd over dat Eurojust er niet in geslaagd is de voor de formatie voor 2007 benodigde 60 personeelsleden aan te werven, maar dat eind 2007 slechts 95 posten bezet waren, zoals blijkt uit de conclusie van de Rekenkamer;

16.   is het met de Rekenkamer eens dat hieruit blijkt dat er bij het plannen van wervingsacties door Eurojust sprake is van tekortkomingen;

17.   betreurt het dat het aanzienlijke personeelstekort negatieve gevolgen heeft gehad voor de tenuitvoerlegging van de begroting door Eurojust, hetgeen door Eurojust ook wordt erkend;

18.   merkt op dat uit de antwoorden van Eurojust blijkt dat men ernaar streefde de formatieplaatsen in 2008 te bezetten;

19.   stelt vast dat eind 2008 130 van de 175 posten op het organigram van 2008 bezet waren; is ingenomen met het feit dat Eurojust het vacaturepercentage van 34% van eind 2007 aan het eind van 2008 tot 25% heeft teruggedrongen; dringt er bij Eurojust op aan ernaar te blijven streven de vacante posten zo spoedig mogelijk te bezetten;

20.   merkt uit het jaarverslag van Eurojust over 2007 op:

   dat Eurojust een meerjarig personeelsbeleidsplan heeft opgesteld voor het tijdvak 2007-2010,
   dat Eurojust een nieuw wervingsbeleid heeft vastgesteld waarin het wettelijk kader, de beginselen en de selectieprocedure worden beschreven, alsmede de functies en de betrokken partijen,
   dat Eurojust voornemens is de overeenkomst voor een algemene banenmarkt voor de verschillende agentschappen te ondertekenen;

Follow-up van de kwijting voor 2006

21.   verzoekt Eurojust gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer, met name op het gebied van de uitvoering van de begroting, aanbestedingen en werving en over de genomen maatregelen gedetailleerd verslag te doen in het jaarverslag over 2008;

22.   is verheugd over het feit dat op 24 september 2008 een praktische overeenkomst is gesloten inzake een regeling voor samenwerking tussen Eurojust en OLAF(17);

o
o   o

23.   verwijst voor andere horizontale opmerkingen over het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 23 april 2009 over het financieel beheer van en het toezicht op EU-agentschappen(18).

(1) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 57.
(2) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 142.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 57.
(7) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 142.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(9) PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 57.
(12) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 142.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(14) PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 88 van 31.3.2009, blz. 234.
(17) PB C 314 van 9.12.2008, blz. 3.
(18) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0274.


Kwijting 2007: Europees Geneesmiddelenbureau
PDF 233kWORD 53k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0435/2008 – 2008/2262(DEC))
P6_TA(2009)0266A6-0162/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Bureau(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau(4), en met name artikel 68,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0162/2009),

1.   verleent de uitvoerend directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0435/2008 – 2008/2262(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2007(6),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Bureau(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau(9), en met name artikel 68,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0162/2009),

1.   neemt er kennis van dat de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau met de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer overeenstemt;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2007;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0435/2008 – 2008/2262(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2007(11),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Bureau(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau(14), en met name artikel 68,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0162/2009),

A.   overwegende dat de Europese Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2007 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de uitvoerend directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau op 22 april 2008 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2006(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere:

–   kennis heeft genomen van het feit dat de Rekenkamer in zijn verslag voor 2006 opmerkt dat bij de administratieve uitgaven het bestedingspercentage voor vastleggingskredieten minder dan 60% was;

–   heeft vastgesteld dat de begrote middelen voor 2006 in aanzienlijke omvang naar 2007 overgedragen zijn, gezien de aard van de projecten die het Bureau behandelt;

–   kennis heeft genomen van het feit dat de raad van beheer van het Bureau in december 2006 heeft besloten het vergoedingenstelsel in overleg met de bevoegde nationale instanties te herzien,

1.   wijst erop dat de begroting van het Bureau gefinancierd wordt uit de EU-begroting, en tevens − en hoofdzakelijk − via bijdragen die door de farmaceutische industrie worden betaald voor het verkrijgen of verlengen van een communautaire vergunning voor het in de handel brengen van geneesmiddelen; wijst er voorts op dat de algemene bijdrage van de EU tussen 2006 en 2007 met 24,48% is gestegen en 24,13% van de totale ontvangsten van het Bureau in 2007 vertegenwoordigt; is zich in deze context bewust van de nieuwe taken van het Bureau uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik(17), en de verhoging van de begrotingslijn voor weesgeneesmiddelen;

2.   verheugt zich over de inspanningen van het Bureau om meer wetenschappelijk advies te verstrekken in een vroeg stadium van de ontwikkeling van nieuwe medicijnen en over de invoering van maatregelen ter bespoediging van de beoordeling van medicijnen die van groot belang zijn voor de volksgezondheid en ter bespoediging van de ontwikkeling en uitvoering van telematicaprogramma's;

3.   beschouwt het Bureau als een bron van belangrijk wetenschappelijk advies, wetenschappelijk onderbouwde aanbevelingen en beste praktijken voor de beoordeling van en het toezicht op geneesmiddelen in Europa; verwelkomt de bijdrage die het Bureau levert tot de harmonisatie van de internationale rechtsregels door de Commissie en de lidstaten;

4.   moedigt het Bureau aan zijn acties op het gebied van weesgeneesmiddelen voort te zetten; betreurt echter de verlaging van de ontvangsten voor weesgeneesmiddelen, die in hoofdzaak te wijten is aan een beleidswijziging met betrekking tot de verlaging van de bijdragen voor weesgeneesmiddelen als gevolg van de flexibiliteit die Verordening (EG) nr. 297/95 van de Raad van 10 februari 1995 inzake de vergoedingen die aan het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling dienen te worden betaald(18) biedt, hetgeen in 2007 heeft geleid tot een daling met 26,25% in vergelijking met 2006;

5.   onderstreept de belangrijke rol die het Bureau speelt bij het toezicht op de veiligheid van geneesmiddelen via het geneesmiddelenbewakingsnetwerk; pleit echter voor constante inspanningen om het niveau van het toezicht te verbeteren;

Tekortkomingen in het begrotingsbeheer van het telematicaprogramma

6.   neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer dat het hoge bedrag aan overdrachten van administratieve uitgaven evenals in 2006 hoofdzakelijk toe te schrijven was aan het telematicaprogramma; neemt nota van de verklaring van de Rekenkamer dat deze situatie in strijd is met het beginsel van jaarperiodiciteit en dat het Bureau voor een betere planning van en beter toezicht op de uitvoering van het programma moet zorgen;

7.   neemt nota van de aanbeveling van de Rekenkamer dat het Bureau zou moeten overwegen om voor het telematicaprogramma te werken met het systeem van gesplitste kredieten, dat zich beter leent voor het begrotingsbeheer van dergelijke programma's;

8.   verzoekt het Bureau onverwijld uitvoering te geven aan de aanbeveling van de Rekenkamer om voor het telematicaprogramma te werken met het systeem van gesplitste kredieten; verzoekt het Bureau in zijn jaarlijks activiteitenverslag over 2008 verslag uit te brengen over de maatregelen die het heeft getroffen;

Tekortkomingen met betrekking tot aanbestedingsprocedures

9.   neemt kennis van de bevindingen van de Rekenkamer met betrekking tot aanbestedingsprocedures, namelijk dat

   de gekozen procedures in twee gevallen onvoldoende gemotiveerd waren;
   de evaluatiemethoden voor de prijscriteria in drie gevallen ongeschikt waren;
   de omvang van de aan te besteden diensten in één geval van een gezamenlijke aanbestedingsprocedure met vijf andere agentschappen niet naar behoren was vastgesteld;

10.   neemt kennis van de antwoorden van het Bureau, namelijk dat het

   een procedure voor objectieve evaluatie van de prijs als gunningscriterium heeft vastgesteld, die sinds 17 maart 2008 van kracht is;
   de oorspronkelijke raming in het geval van de gezamenlijke aanbestedingsprocedure opnieuw moest worden geëvalueerd wegens de technologische vooruitgang in de periode tussen het moment dat de te verlenen diensten werden gedefinieerd en de start van de aanbestedingsprocedure;

11.   verzoekt het Bureau bovengenoemde tekortkomingen in de aanbestedingsprocedure te verhelpen en in zijn jaarlijks activiteitenverslag over 2008 verslag uit te brengen over de maatregelen die het heeft getroffen;

Voortgang met de naleving van de verordening betreffende vergoedingen

12.   neemt er nota van dat de Rekenkamer in zijn jaarverslag over 2006 heeft vastgesteld dat de werkwijze van het Bureau om de volgende redenen in strijd was met de vergoedingenverordening: de cliënten van het Bureau werd een bedrag in rekening gebracht dat uit twee delen bestond, namelijk de kosten van het Bureau en een bedrag dat werd doorbetaald aan de rapporteurs van de lidstaten ter dekking van hun eigen kosten; die rapporteurs leverden echter nooit volledig bewijsmateriaal of documentatie over hun werkelijke kosten;

13.   neemt er kennis van dat de Rekenkamer in zijn jaarverslag over 2007 op deze bevindingen is teruggekomen en heeft vermeld dat de raad van beheer van het Bureau een groep kostprijsberekening heeft opgericht, die eind 2007 een voorstel heeft gedaan voor een alternatieve optie voor vergoeding van de rapporteurs;

14.   dringt er overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer op aan dat het Bureau verdere voortgang maakt om deze kwestie op te lossen en in zijn jaarlijks activiteitenverslag over 2008 verslag uitbrengt over de follow-upmaatregelen die het heeft getroffen;

o
o   o

15.   verwijst voor andere horizontale opmerkingen over het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 23 april 2009 over het financieel beheer van en het toezicht op EU-agentschappen(19).

(1) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 10.
(2) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 27.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 10.
(7) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 27.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(9) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 10.
(12) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 27.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(14) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 88 van 31.3.2009, blz. 175.
(17) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 1.
(18) PB L 35 van 15.2.1995, blz. 1.
(19) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0274.


Kwijting 2007: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart
PDF 228kWORD 48k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0439/2008 – 2008/2266(DEC))
P6_TA(2009)0267A6-0163/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Agentschap(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart(4), en met name artikel 60,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0163/2009),

1.   verleent de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaartkwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0439/2008 – 2008/2266(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2007(6),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Agentschap(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart(9), en met name artikel 60,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0163/2009),

1.   neemt er kennis van dat de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, met de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer overeenstemt;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2007;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0439/2008 – 2008/2266(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2007(11),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Agentschap(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart(14), en met name artikel 60,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0163/2009),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2007 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart op 22 april 2008 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor het begrotingsjaar 2006(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere:

   nota neemt van het dringende verzoek van de Rekenkamer aan het Agentschap om, in samenwerking met de Commissie, de bestaande vergoedingsregeling te herzien om ervoor te zorgen dat de kosten van het Agentschap voor de certificeringsactiviteiten gerechtvaardigd zijn en gedekt worden door de vergoedingen,
   het Agentschap en de Commissie verzoekt de vergoedingenstructuur van het Agentschap te herzien om de kosten en inkomsten voor certificeringsactiviteiten in evenwicht te brengen,
   nota neemt van het antwoord van het Agentschap dat de nieuwe verordening betreffende de geheven vergoedingen en rechten(17) die op 1 juni 2007 in werking is getreden, voldoende inkomsten zou moeten genereren om de kosten van certificeringsactiviteiten te dekken,
   er bij het Agentschap op aandringt om een doeltreffend vorderingenbeheerssysteem in te voeren dat eventueel ook in rente bij te late betaling voorziet,

1.   wijst erop dat het Agentschap kon beschikken over 72 045 000 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten uit de begroting 2007;

2.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat de lijst van het aantal ambten in 2007 467 tijdelijke posten telde, maar dat de op de begroting opgenomen kredieten voor personeelsuitgaven de feitelijke personeelskosten voor deze posten niet dekten, en dat het Agentschap derhalve met de Commissie overeenkwam het aantal posten terug te brengen tot maximaal 342, waarvan er aan het eind van het jaar 333 waren vervuld;

3.   neemt kennis van het antwoord van het Agentschap dat de inkrimping van het personeelsbestand was toe te schrijven aan het feit dat de inkomsten gedurende de eerste twee jaar van de tenuitvoerlegging van de verordening betreffende vergoedingen en rechten onvoldoende waren om de geraamde kosten te dekken; merkt op dat het Agentschap verwijst naar een met de Commissie overeengekomen personeelsbeleidsplan 2008-2010 waarin de personeelsinkrimping zijn neerslag vindt;

4.   merkt op dat het gebrek aan evenwicht tussen de kosten en inkomsten zoals dit in de vorige kwijtingsresolutie naar voren kwam, ertoe leidde dat het geplande personeelsbestand met 25%, van 467 tot maximaal 342, moest worden verminderd;

5.   verwacht dat het Agentschap in de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2008 informatie zal opnemen over de vraag in hoeverre een evenwicht tussen de kosten en inkomsten in verband met certificeringsactiviteiten kan worden bereikt via de tenuitvoerlegging van de nieuwe verordening betreffende vergoedingen en rechten;

6.   neemt kennis van de kritiek van de Rekenkamer dat de veranderingen in het personeelsbestand van het Agentschap in 2007 niet tot uitdrukking kwamen in de lijst van het aantal ambten die niet dienovereenkomstig werd gewijzigd;

7.   onderschrijft ten volle de aanbeveling van de Rekenkamer dat het Agentschap zorgvuldig dient na te gaan of de uitgavenramingen consistent zijn, aangezien deze de basis vormen voor de besluiten van de begrotingsautoriteit, met name wat de personeelskosten betreft; verzoekt het Agentschap ervoor te zorgen dat de lijst van het aantal ambten overeenkomt met de feitelijke situatie;

8.   stelt vast dat de Rekenkamer en het Agentschap van mening verschillen over de berekening van een bedrag van 14 900 000 EUR aan bestemmingsontvangsten die het Agentschap in 2007 heeft ontvangen ter dekking van toekomstige certificeringskosten; neemt nota van het standpunt van de Rekenkamer dat het Agentschap in zijn berekening abusievelijk vergoedingen heeft opgenomen die werden geheven op grond van de eerdere verordening betreffende vergoedingen en rechten; neemt ter kennis dat het Agentschap een verklaring voor zijn berekening heeft gegeven ertoe strekkende dat het die vergoedingen op grond van de basisverordening in zijn berekening mocht opnemen;

9.   neemt kennis van de kritiek van de Rekenkamer op verschillende gecontroleerde aanbestedingsprocedures; stelt vast dat de Rekenkamer één procedure, waarin de inschrijvers onvolledige informatie over de gunningscriteria en de beoordeling ervan ontvingen, als ondoorzichtig beschouwde; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat in drie gevallen de niet-openbare procedure werd toegepast, hoewel er een openbare aanbesteding had moeten plaatsvinden omdat de totale waarde van de diensten het drempelbedrag overschreed;

10.   verzoekt het Agentschap de in zijn antwoorden gedane belofte na te komen om zich strikt te houden aan de voorschriften voor aanbestedingen en speciaal aandacht te besteden aan het verstrekken van duidelijke informatie aan potentiële inschrijvers;

11.   dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat het Agentschap in de toekomst de financiële discipline strikt in acht neemt en zich altijd aan de overeengekomen begroting houdt;

12.   verwijst voor andere horizontale opmerkingen over het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 23 april 2009 over financieel beheer van en het toezicht op EU-agentschappen(18).

(1) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 16.
(2) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 20.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 16.
(7) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 20.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(9) PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 16.
(12) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 20.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(14) PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 88 van 31.3.2009, blz.201.
(17) Verordening (EG) nr. 593/2007 van de Commissie (PB L 140 van 1.6.2007, blz. 3).
(18) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0274.


Kwijting 2007: Europees Agentschap voor het beheer van de operationale samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (FRONTEX)
PDF 243kWORD 57k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0445/2008 – 2008/2272(DEC))
P6_TA(2009)0268A6-0166/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het agentschap(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 december 2008 over de evaluatie en de toekomstige ontwikkeling van het Frontex-agentschap en over het Europese grensbewakingssysteem EUROSUR(4),

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 houdende oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie(5), en met name artikel 30,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0166/2009),

1.   verleent de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen kwijting voor de uitvoering van de begroting van het agentschap voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0445/2008 – 2008/2272(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(7),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het agentschap(8),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(9), en met name artikel 185,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 december 2008 over de evaluatie en de toekomstige ontwikkeling van het Frontex-agentschap en over het Europese grensbewakingssysteem EUROSUR(10),

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 houdende oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie(11), en met name artikel 30,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(12), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0166/2009),

1.   neemt er kennis van dat de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen met de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer overeenstemt;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de jaarrekening van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0445/2008 – 2008/2272(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(13),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het agentschap(14),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(15), en met name artikel 185,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 december 2008 over de evaluatie en de toekomstige ontwikkeling van het Frontex-agentschap en over het Europese grensbewakingssysteem EUROSUR(16),

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 houdende oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie(17), en met name artikel 30,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(18), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0166/2009),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2007 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement op 22 april 2008 kwijting heeft verleend aan de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie voor de uitvoering van de begroting van het agentschap voor het begrotingsjaar 2006(19) en, onder andere,

   in kennis heeft genomen dat de Rekenkamer in zijn verslag voor 2006 opmerkt dat voor het financieel jaar 2006 het vastleggingspercentage 85% bedroeg; dat het overdrachtpercentage ruim 70% bedroeg en dat voor de operationele uitgaven bijna 85%; dat voor dat jaar de overschrijvingen tussen de hoofdstukken en titels hoger waren dan het in het Financieel Reglement vastgestelde plafond van 10%; het budgettaire beginsel van specificiteit werd bijgevolg niet strikt nageleefd;
   het Agentschap heeft verzocht zijn financiële beleid te verbeteren, vooral met betrekking tot de verhoging van zijn budget voor de begrotingsjaren 2007 en 2008,

C.   overwegende dat 2007 het tweede volle werkjaar was voor het Agentschap,

1.   merkt op dat de begroting voor 2007 van het Agentschap (42 100 000 EUR) meer dan het dubbele van de begroting voor 2006 (19 200 000 EUR) beliep;

2.   wijst op de kritiek van de Rekenkamer dat er voor een bedrag van 18 400 000 EUR aan vastleggingen met betrekking tot subsidieovereenkomsten voor beleidsactiviteiten naar 2008 is overgedragen, en dat een aanzienlijk deel van die vastleggingen op overdreven kostenramingen berustte;

3.   erkent dat in het geval van het Agentschap de kostenramingen bijzonder ingewikkeld zijn, omdat, zoals in de antwoorden van het Agentschap op de kritiek van de Rekenkamer ook wordt aangevoerd, het Agentschap voor zijn operaties aangewezen is op door de lidstaten verstrekte uitrusting;

4.   merkt op dat het Agentschap een centraal register van technische uitrusting (CRATE) heeft aangelegd voor het materiaal van de lidstaten dat kan worden gebruikt bij operaties; merkt op dat CRATE is gekoppeld aan een gemeenschappelijke kostenberekeningsmethode, die moet leiden tot een meer efficiënte toewijzing van begrotingsmiddelen;

5.   is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat het hoge bedrag aan door het Agentschap aangehouden kasmiddelen ongebruikt op buitengewoon laag rentende bankrekeningen blijft staan, omdat er geen beleid inzake kasbeheer is vastgesteld; neemt er nota van dat het Agentschap volgens de rekeningen (balans) op 31 december 2007 kon beschikken over 32 600 000 EUR aan kasmiddelen en kasequivalenten;

6.   neemt kennis van het antwoord van het Agentschap dat het zal proberen met zijn bank te onderhandelen over de voorwaarden en bekijken of andere banken betere voorwaarden bieden;

7.   dringt er bij het Agentschap op aan een beleid inzake kasbeheer aan te nemen en in zijn algemeen verslag voor 2008 een overzicht te geven van de genomen maatregelen en de geboekte resultaten;

Follow-up van de kwijting voor 2006

8.   herinnert eraan dat het begrotingsjaar 2006 het eerste jaar was dat het Agentschap financieel zelfstandig was en aan de kwijtingsprocedure was onderworpen;

9.   betreurt dat de Rekenkamer in het jaarverslag 2007 gewezen heeft op verschillende tekortkomingen die reeds in het jaarverslag 2006 werden onderlijnd, met name:

   een hoog niveau van overgedragen kredieten en annuleringen: bijna 70% van de voor 2007 beschikbare kredieten werd niet besteed,
   juridische verbintenissen aangegaan nog voordat de begrotingsvastleggingen waren gedaan,
   aanwervingsprocedures die, volgens de Rekenkamer, in strijd waren met de regels, met name met het beginsel van gelijke behandeling, aangezien het minimum aantal jaren ervaring dat voor een bepaalde functie vereist was, verschilde van het aantal dat was overeengekomen tussen de agentschappen en de Commissie;

10.   wijst op het antwoord van het Agentschap met betrekking tot het hoge bedrag aan overdrachten, dat gedeeltelijk toe te schrijven was aan een bedrag van 7 000 000 EUR dat in juni 2007 door de Commissie beschikbaar werd gesteld voor maritieme operaties, waarvoor schepen en vliegtuigen van de lidstaten beschikbaar moeten zijn en die complex en tijdrovend zijn, zodat pas eind 2007 vastleggingen konden worden aangegaan;

11.   is echter bezorgd over het hoge niveau van overdrachten waar de Rekenkamer op heeft gewezen en verzoekt het Agentschap dit probleem, dat reeds in 2006 in het verslag van de Rekenkamer werd aangestipt, aan te pakken; wijst erop dat de reserve van 19 900 000 EUR in de begroting voor 2007 van het Agentschap pas in juni 2007 werd vrijgemaakt; neemt kennis van de reacties hierop van het Agentschap;

12.   roept Frontex op werk te maken van de door de Rekenkamer opgemerkte terugkerende problemen met het systeem voor vastleggingskredieten;

13.   is verheugd over het feit dat het Agentschap in 2008 een actieplan heeft aangenomen om de tekortkomingen van het vastleggingssysteem aan te pakken; merkt op dat dit actieplan onder meer het opleggen van deadlines aan de lidstaten inhoudt voor het bij het Agentschap indienen van een begrotingsraming over hun medefinanciering, zodat een definitief bedrag voor vergoedingen kan worden opgesteld en handtekeningen achteraf kunnen worden voorkomen;

14.   verzoekt het Agentschap in zijn algemeen verslag voor 2008 een overzicht te geven van de geboekte resultaten in het kader van het actieplan;

15.   is van oordeel dat er een verband bestaat tussen de specifieke vorm van de samenwerking tussen het Agentschap en de lidstaten, waarbij de lidstaten worden verondersteld uitrusting ter beschikking te stellen voor de operaties van het Agentschap, en de tekortkomingen waar de Rekenkamer op heeft gewezen op het vlak van begrotingsplanning, met name kostenramingen, en begrotingsuitvoering, met name overdrachten en het probleem van handtekeningen achteraf;

16.   herhaalt dat het Parlement, in zijn voornoemde resolutie van 18 december 2008:

   (a) het Agentschap heeft opgeroepen een verslag in te dienen bij het Parlement en de Raad over het eigenlijke gebruik en de reële beschikbaarheid van materieel van de lidstaten, met nadruk op eventuele moeilijkheden,
   (b) de lidstaten heeft opgeroepen om ingeval van een blijvend tekort aan middelen snel te zorgen voor een substantiële wijziging in de begroting van het Agentschap zodat het zijn missies kan blijven uitvoeren, en eventueel de juridische aspecten te bekijken rond toekomstige huur en/of aanschaf van de materialen die het daarvoor nodig heeft,
   (c) erop heeft gewezen dat het Parlement, in zijn hoedanigheid van begrotingsautoriteit, de begroting van het Agentschap sinds de oprichting daarvan al eens heeft verhoogd, en erop zou toezien dat zijn begroting juist wordt uitgevoerd en zonodig wordt aangepast naarmate het takenpakket evolueert;

17.   roept het Agentschap op zijn financiële beheer te verbeteren, in overeenstemming met de opmerkingen van de Rekenkamer; merkt op dat het Agentschap, in zijn antwoorden aan de Rekenkamer, de nadruk heeft gelegd op de specifieke vorm van samenwerking tussen het Agentschap en de lidstaten, waarbij de werking van het Agentschap afhankelijk is van uitrusting verstrekt door de lidstaten;

18.   is vastberaden in de toekomst de impact van de samenwerking van het Agentschap met de lidstaten op het vlak van het financieel beheer nauwlettend op te volgen;

19.  betreurt dat Frontex aanwervingsprocedures heeft moeten volgen die niet geheel overeenstemden met de algemene bepalingen voor de toepassing van het Statuut, om hoog gekwalificeerde specialisten aan te trekken;

20.   merkt op dat het Agentschap de kritiek van de Rekenkamer met betrekking tot aanwervingen, dat het het beginsel van gelijke behandeling niet heeft geëerbiedigd, omdat het vereiste minimumaantal jaren beroepservaring voor een bepaalde functie afweek van het aantal dat door de Commissie en de agentschappen was overeengekomen, niet aanvaardt; merkt op dat het Agentschap van mening is dat de aangewende procedure in overeenstemming is met de regels, aangezien zeer gespecialiseerd personeel moest worden aangeworven in moeilijke omstandigheden; stelt vast dat in het Statuut is vastgelegd dat de communautaire agentschappen hun algemene uitvoeringsbepalingen (GIP) moeten overeenkomen met de Commissie; stelt vast dat de Commissie modelbesluiten heeft opgesteld voor de algemene uitvoeringsbepalingen; merkt op dat de Commissie nog niet heeft ingestemd met het ontwerp van de algemene uitvoeringsbepalingen dat is ingediend door het Agentschap; roept het Agentschap op om, conform de aanbeveling van de Raad, de aanwervingscriteria van het Statuut strikt na te leven, om te zorgen voor een gelijke behandeling op het vlak van het aantal jaren ervaring dat voor een bepaalde functie vereist is;

21.   verzoekt Frontex zijn financieel beheer te verbeteren, vooral met betrekking tot de verhoging van zijn budget voor 2008 en 2009;

o
o   o

22.   verwijst voor andere horizontale opmerkingen over het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 23 april 2009 over het financieel beheer van en het toezicht op EU-agentschappen(20).

(1) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 7.
(2) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 34.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0633.
(5) PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1.
(6) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(7) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 7.
(8) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 34.
(9) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(10) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0633.
(11) PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1.
(12) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(13) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 7.
(14) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 34.
(15) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(16) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0633.
(17) PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1.
(18) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(19) PB L 88 van 31.3.2009, blz. 226.
(20) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0274.


Kwijting 2007: Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding
PDF 215kWORD 47k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0441/2008 – 2008/2268(DEC))
P6_TA(2009)0269A6-0170/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Centrum(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding(4), en met name artikel 23,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0170/2009),

1.   verleent de directeur van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0441/2008 – 2008/2268(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2007(6),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Centrum(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding(9), en met name artikel 23,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0170/2009),

1.   neemt er kennis van dat de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding, met de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer overeenstemt:

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2007;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0441/2008 – 2008/2268(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2007(11),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ­bestrijding voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Centrum(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding(14), en met name artikel 23,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0170/2009),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2007 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding op 22 april 2008 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006(16), en daarbij onder andere wees op de opmerking van de Rekenkamer in haar jaarverslag over 2006 dat nagenoeg 45% van de in dat jaar aangegane betalingsverplichtingen zijn overgedragen, en dat gedurende de tweede helft van 2006 tal van overschrijvingen zijn verricht, hoofdzakelijk als gevolg van onnauwkeurige ramingen van de personeelsbehoeften, zonder dat de raad van bestuur van het Centrum daarvan tijdig in kennis was gesteld,

1.   merkt op dat de begroting van het Centrum van 17 100 000 EUR in 2006 is verhoogd tot 28 900 000 EUR in 2007;

2.   beschouwt het Centrum als een belangrijke instelling voor de verbetering en ontwikkeling van het Europees toezicht op ziekten, en voor de beoordeling en het signaleren van bestaande en opkomende bedreigingen voor de menselijke gezondheid door infectieziekten;

3.   stelt met voldoening vast dat het Centrum in 2007 een aanzienlijk aantal producten en diensten voor epidemiologie, toezicht en preventie en beheersing van overdraagbare aandoeningen heeft kunnen ontwikkelen en een ruime verscheidenheid aan wetenschappelijke rapporten heeft gepubliceerd;

4.   merkt op dat het percentage overdrachten in 2006 bijna 45% bedroeg, en dat daarin geen belangrijke verbetering is opgetreden in 2007, toen het nagenoeg 43% beliep, hetgeen aantoont dat het Centrum problemen ondervindt met de uitvoering van zijn begroting;

5.   wijst voorts op de opmerking van de Rekenkamer dat de omvang van de begrotingswijzigingen aantoont dat het toezicht op de uitvoering van de begroting op een aantal punten tekort schiet;

6.   neemt met bezorgdheid kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat deze situatie in strijd is met het jaarperiodiciteits- en het specialiteitsbeginsel;

7.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat, hoewel het werkprogramma 2007 van het Centrum activiteitsgeoriënteerd was, de begrotingswijzigingen niet vergezeld gingen van een evaluatie van de gevolgen daarvan voor het werkprogramma en voor de verwezenlijking van de doelstellingen;

8.   neemt met voldoening kennis van het antwoord van het Centrum dat het met ingang van 2008 een begin heeft gemaakt met de actualisering van zijn werkprogramma op basis van eventuele begrotingswijzigingen;

9.   neemt kennis van de kritiek van de Rekenkamer met betrekking tot de beperkte betrouwbaarheid van de aan de hand van een spreadsheet bijgehouden inventaris;

10.   neemt met voldoening ter kennis dat het Centrum inmiddels een nieuw inventarisatiesysteem heeft ingevoerd, dat zal worden gebruikt voor de afsluiting van de rekeningen over 2008;

11.   is bezorgd over de opmerking van de Rekenkamer dat het Centrum voor 500 000 EUR heeft gespendeerd aan renovatiewerkzaamheden in de door het Centrum gehuurde kantoorgebouwen en dat, evenals in 2006, tot deze werkzaamheden is besloten via een rechtstreekse overeenkomst tussen het Centrum en de eigenaar, zonder nadere specificatie omtrent de aard van de werken, de termijnen of de betalingsvoorwaarden; stelt vast dat deze praktijk volgens de Rekenkamer in strijd is met het Financieel Reglement en indruist tegen het zuinigheidsbeginsel;

12.   dringt er bij het Centrum op aan zijn werkmethoden zo spoedig mogelijk in overeenstemming te brengen met het Financieel Reglement en het zuinigheidsbeginsel, en in zijn rapport over het in 2008 gevoerde begrotings- en financieel beheer verslag uit te brengen over het gevolg dat het aan de opmerkingen van de Rekenkamer heeft gegeven;

13.   neemt kennis van de vooruitgang bij de uitvoering van het rekruteringsplan van het Centrum, maar benadrukt dat er verdere inspanningen nodig zijn om zijn personeelsformatie voltallig te maken;

Maatregelen in vervolg op voorgaande kwijtingsprocedures

14.   merkt op dat de Rekenkamer, evenals in 2006, tekortkomingen bij de uitvoering van de begroting heeft geconstateerd, en met name een hoog bedrag aan overgedragen kredieten;

15.   verzoekt het Centrum effectief gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer, met name wat betreft de uitvoering van de begroting, en in zijn volgende jaarverslag over 2008 te rapporteren over de genomen maatregelen en de bereikte resultaten;

o
o   o

16.   verwijst voor andere horizontale opmerkingen over het kwijtingbesluit naar zijn resolutie van 23 april 2009 over het financieel beheer en van het toezicht op EU-agentschappen(17).

(1) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 48.
(2) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 122.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 48.
(7) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 122.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(9) PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 48.
(12) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 122.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(14) PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 88 van 31.3.2009, blz. 126.
(17) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0274.


Kwijting 2007: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving
PDF 286kWORD 46k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0431/2008 – 2008/2258(DEC))
P6_TA(2009)0270A6-0175/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Waarnemingscentrum(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1920/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 over het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving(4), en met name artikel 15,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0175/2009),

1.   verleent de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Waarnemingscentrum voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integraal deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0431/2008 – 2008/2258(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2007(6),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Waarnemingscentrum(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1920/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 over het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving(9), en met name artikel 15,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0175/2009),

1.   neemt er kennis van dat de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving met de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer overeenstemt;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2007;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0431/2008 – 2008/2258(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2007(11),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Waarnemingscentrum(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1920/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 over het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving(14), en met name artikel 15,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0175/2009),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2007 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving op 22 april 2008 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2006(16), en in zijn resolutie bij het kwijtingsbesluit onder meer heeft gewezen op de volgende strategische doelstellingen uit het werkprogramma van het Centrum voor 2007 en voor de periode 2007-2009:

   ontwikkeling van controle achteraf van financiële transacties,
   ontwikkeling van een interne capaciteit voor risicobeoordeling en interne controle,
   ontwikkeling van instrumenten en procedures voor geïntegreerd middelenbeheer en bevordering van externe synergieën, met name met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), ook gevestigd in Lissabon,
   een gestructureerder en doeltreffender personeelsbeleid,
   het succesvol afwikkelen van de verhuizing naar de nieuwe vestiging in Lissabon,

1.   neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer dat de begrotingslijn voor IT-acties in de definitieve begroting, die is aangenomen in oktober 2007, met meer dan 80% is toegenomen ten opzichte van de oorspronkelijke begroting voor het jaar 2007, die is aangenomen in december 2006;

2.   neemt kennis van de verklaring van het Centrum dat de extra behoefte aan IT-uitrusting pas aan het licht kwam in het derde kwartaal van 2007, toen het schema voor de verhuizing van het Centrum naar het nieuwe gebouw en de technische behoeften waren vastgesteld;

3.   wijst op de bevinding van de Rekenkamer dat het Centrum en Noorwegen een meningsverschil hebben over de financiële bijdrage van Noorwegen aan de werkzaamheden van het Centrum, hetgeen is terug te voeren op verschillende formules in de ondertekende originele overeenkomst, toegepast door het Centrum, en in de overeenkomst zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad, toegepast door Noorwegen; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat deze verschillende toepassing van formules ertoe heeft geleid dat de Noorse bijdrage in de berekening van het Centrum circa 80 000 EUR hoger uitvalt dan in de berekening van Noorwegen;

4.   is tevreden met de informatie die het Centrum aan de rapporteur heeft verstrekt, waaruit blijkt dat er een compromis is gesloten volgens hetwelk Noorwegen een eenmalige betaling heeft gedaan van 34 230 EUR en heeft ingestemd met kwijtschelding van het bedrag dat het land aan het Centrum moet betalen en dat overeenkomt met het resterende bedrag van voornoemd verschil uit 2007; wijst erop dat de berekeningsmethode van het Centrum zal worden toegepast over het jaar 2008 en de berekeningsmethode van Noorwegen vanaf 2009;

5.   wijst erop dat de directeur van het Centrum van 1 maart 2008 tot 28 februari 2009 de rol van coördinator van het netwerk van agentschappen op zich heeft genomen;

Maatregelen naar aanleiding van voorgaande kwijtingsprocedures

6.   maakt op uit het verslag van 2007 over de werkzaamheden van het Centrum dat er procedures en instrumenten zijn opgezet voor reguliere toezichtcontroles en controles achteraf, en dat het Centrum het personeelsmanagement verder heeft ontwikkeld, in het bijzonder door een personeelportaal op zijn intranet te plaatsen dat informatie bevat over toepasselijke regels en processen;

7.   is ermee ingenomen dat het Centrum nauw samenwerkt met EMSA, ook gevestigd te Lissabon, zodat gebouwen kunnen worden gedeeld en gezamenlijk gebruik kan worden gemaakt van infrastructuur en diensten; merkt op dat de verhuizing gepland is voor het eerste kwartaal van 2009;

o
o   o

8.   verwijst voor andere horizontale opmerkingen over het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 23 april 2009 over het financieel beheer van en het toezicht op EU-agentschappen(17).

(1) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 67.
(2) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 164.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 67.
(7) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 164.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(9) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 67.
(12) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 164.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(14) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 1.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 88 van 31.3.2009, blz. 134.
(17) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0274.


Kwijting 2007: Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding
PDF 208kWORD 43k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0427/2008 – 2008/2254(DEC))
P6_TA(2009)0271A6-0177/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Centrum(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad van 10 februari 1975 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding(4), en met name artikel 12 bis,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0177/2009),

1.   verleent de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0427/2008 – 2008/2254(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2007(6),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Centrum(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad van 10 februari 1975 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding(9), en met name artikel 12 bis,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0177/2009),

1.   neemt er kennis van dat de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding met de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer overeenstemt;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2007;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0427/2008 – 2008/2254(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2007(11),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Centrum(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad van 10 februari 1975 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding(14), en met name artikel 12 bis,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0177/2009),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2007 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding op 22 april 2008 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2006(16) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder meer de aandacht vestigde op opmerkingen van de Rekenkamer betreffende een hoog percentage van overgedragen of geannuleerde kredieten, het ontbreken van een goede inventarisatieprocedure om activa te identificeren, registreren en kapitaliseren, een onvolledige documentatie van interne controleprocedures, en onregelmatigheden rond een aanbestedingsprocedure,

1.   gelukwenst het Centrum met het feit dat het anders dan in vorige jaren, van de Rekenkamer een positieve verklaring van betrouwbaarheid heeft gekregen voor het begrotingsjaar 2007, niet alleen ten aanzien van de rekeningen, maar ook ten aanzien van de onderliggende verrichtingen;

2.   neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat doelstellingen en prestatie-indicatoren vaak niet meetbaar waren, ofschoon het werkprogramma voor 2007 van het Centrum een opsomming bevatte van specifieke doelstellingen voor elke activiteit, met een gedetailleerde beschrijving van de te realiseren output; is het met de Rekenkamer eens dat dit beoordeling van de behaalde resultaten bemoeilijkt;

3.   constateert dat het Centrum aan een nauwkeuriger formulering van haar doelstellingen en prestatie-indicatoren werkt, en dat het voor begrotingsjaar 2008 een activiteitengeoriënteerde begroting heeft ingevoerd;

4.   onderschrijft de aanbeveling van de Rekenkamer aan het Centrum om precieze doelstellingen te formuleren en in zijn programmering een duidelijke koppeling aan te brengen tussen die doelstellingen en de voor realisering daarvan benodigde begrotingsmiddelen;

5.   verwacht dat het Centrum in zijn activiteitenverslag 2008 zal rapporteren met welke specifieke maatregelen aan de aanbevelingen van de Rekenkamer gevolg is gegeven;

6.   verwijst voor andere horizontale opmerkingen over het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 23 april 2009 over het financieel beheer en het toezicht op EU-agentschappen(17).

(1) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 45.
(2) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 130.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 39 van 13.2.1975, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 45.
(7) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 130.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(9) PB L 39 van 13.2.1975, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 45.
(12) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 130.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(14) PB L 39 van 13.2.1975, blz. 1.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 88 van 31.3.2009, blz. 109.
(17) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0274.


Kwijting 2007: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie
PDF 211kWORD 46k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0434/2008 – 2008/2261(DEC))
P6_TA(2009)0272A6-0178/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Bureau(2),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2965/94 van 28 november 1994 van de Raad tot oprichting van een Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie(4), en met name artikel 14,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0178/2009),

1.   verleent de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2007;

2.   formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over de afsluiting van de rekeningen van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0434/2008 – 2008/2261(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(6),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Bureau(7),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(8), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2965/94 van 28 november 1994 van de Raad tot oprichting van een Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie(9), en met name artikel 14,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(10), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0178/2009),

1.   neemt er kennis van dat de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie met de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer overeenstemt;

2.   gaat akkoord met de afsluiting van de rekeningen van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007 (C6-0434/2008 – 2008/2261(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(11),

–   gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van het Bureau(12),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 (5588/2009 – C6-0060/2009),

–   gelet op het EG-verdrag, en met name artikel 276,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13), en met name artikel 185,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 2965/94 van 28 november 1994 van de Raad tot oprichting van een Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie(14), en met name artikel 14,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(15), en met name artikel 94,

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0178/2009),

A.   overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2007 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.   overwegende dat het de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie op 22 april 2008 kwijting voor de uitvoering van de begroting van het bureau voor het begrotingsjaar 2006 verleend heeft(16), en in zijn begeleidende resolutie bij het besluit o.a.

–   nota heeft genomen van de opmerking van de Rekenkamer in haar verslag over 2006, dat het gecumuleerde begrotingsoverschot voor 2006 16,9 miljoen EUR bedroeg en het Vertaalbureau zijn opdrachtgevers in 2007 een bedrag van 9,3 miljoen EUR zou terugbetalen; zich geschaard heeft achter het standpunt van de Rekenkamer dat een dergelijke cumulatie van overschotten bewijst dat de methode voor de prijsbepaling van de vertalingen niet accuraat genoeg is,

–   de hoop heeft uitgesproken dat er snel een oplossing gevonden zou worden voor de kwestie in verband met het werkgeversaandeel in de pensioenbijdragen,

1.   neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer dat uit de controle van de aanbestedingsprocedures bleek dat de evaluatie van de gunningscriteria niet naar behoren was gedocumenteerd, daar een kosten-batenanalyse ontbrak van de diverse voorgestelde alternatieven ter motivering van de uiteindelijke keuze;

2.   merkt op dat de Rekenkamer van mening is dat in een van de zes gecontroleerde wervingsprocedures de transparantie niet verzekerd was, daar zij verscheidene anomalieën in de documenten van de betreffende procedure heeft gevonden;

3.   neemt kennis van de bereidheid van het Bureau om de door de Rekenkamer opgemerkte problemen met betrekking tot de aanbestedings- en wervingsprocedures te verhelpen en zijn procedures dienovereenkomstig aan te passen;

4.   verwacht van het Bureau dat het in zijn activiteitenverslag 2008 verslag uitbrengt over de genomen maatregelen en de bereikte resultaten;

Maatregelen in vervolg op voorgaande kwijtingsverslagen

5.   merkt op dat het Bureau in 2007 9 300 000 EUR aan zijn cliënten heeft terugbetaald uit de overgedragen resultaten van voorgaande begrotingsjaren;

6.   kan niet accepteren dat er nog steeds geen oplossing is gevonden in het conflict tussen het Vertaalbureau en de Commissie over het werkgeversaandeel in de pensioenbijdragen voor het personeel, hoewel er al vele jaren in kwijtingsresoluties op deze kwestie wordt gewezen;

7.   merkt op dat het Bureau een reserve heeft gecreëerd voor de eventuele betaling van deze bijdrage en dat voor 2007 deze reserve 2 228 928 EUR bedroeg;

8.   dringt erop aan dat de Commissie en het Bureau een snelle oplossing van hun geschil over de pensioenbijdragen voor het personeel proberen te bereiken; verzoekt het Bureau de kwijtingsautoriteit te informeren over de uitkomst van de onderhandelingen;

o
o   o

9.   verwijst voor andere horizontale opmerkingen over het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 23 april 2009 over het financieel beheer van en het toezicht op EU-agentschappen(17).

(1) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 42.
(2) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 116.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 314 van 7.12.1994, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 42.
(7) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 116.
(8) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(9) PB L 314 van 7.12.1994, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(11) PB C 278 van 31.10.2008, blz. 42.
(12) PB C 311 van 5.12.2008, blz. 116.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(14) PB L 314 van 7.12.1994, blz. 1.
(15) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(16) PB L 88 van 31.3.2009, blz. 118.
(17) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0274.


Kwijting 2007: algemene begroting EU, Raad
PDF 343kWORD 75k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling II − Raad (C6-0417/2008 – 2008/2277(DEC))
P6_TA(2009)0273A6-0150/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(1),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (C6-0417/2008)(2),

–   gezien het jaarverslag van de Raad aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(4),

–   gelet op de artikelen 272, lid 10, 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147 daarvan,

–   gelet op Besluit nr. 190/2003 van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid betreffende de vergoeding van de reiskosten van de afgevaardigden van de leden van de Raad(6),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(7),

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0150/2009),

1.   stelt zijn besluit tot verlening van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad voor de uitvoering van de begroting van de Raad voor het begrotingsjaar 2007 uit;

2.   formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie, die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling II – Raad (C6-0417/2008 – 2008/2277(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007(8),

–   gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 – Deel I (C6-0417/2008)(9),

–   gezien het jaarverslag van de Raad aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(10),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(11),

–   gelet op de artikelen 272, lid 10, 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(12), met name de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147 daarvan,

–   gelet op Besluit nr. 190/2003 van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid betreffende de vergoeding van de reiskosten van de afgevaardigden van de leden van de Raad(13).

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(14) (IIA),

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A6-0150/2009),

A.   overwegende dat de Raad weigert het volledige document betreffende de uitvoering van de begroting aan het Parlement voor te leggen, alsmede het volledige jaarlijkse activiteitenverslag en alleen het jaarlijkse activiteitenverslag van zijn intern financieel controleur heeft toegezonden,

B.   overwegende dat de Raad iedere officiële vergadering met het Parlement over zijn kwijting weigert,

C.   overwegende dat in de conclusies van de Europese Raad van Keulen van 3 en 4 juni 1999 wordt overwogen de Raad operationele capaciteiten te geven op het gebied van een versterkt gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid (GEVDB),

D.   overwegende dat de Raad er in zijn Besluit nr. 190/2003 geen misverstand over laat bestaan dat de kredieten voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen en met name dat "De secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid [...], bijgestaan door de plaatsvervangend secretaris-generaal, de volledige verantwoordelijkheid voor het beheer van de kredieten van afdeling II - Raad - van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen [draagt] en alle noodzakelijke maatregelen [neemt] om het goede beheer ervan te verzekeren. Hij voert deze kredieten uit overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen",

E.   overwegende dat met Besluit 2004/197/GBVB van de Raad(15) van 23 februari 2004 een mechanisme is ingesteld voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied, genaamd ATHENA, en dat dit besluit, samen met Besluit 2004/582/EG van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 28 april 2004 betreffende de voorrechten en immuniteiten die aan ATHENA worden verleend(16), een mechanisme instelt voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied en er voorrechten en immuniteiten aan verleent en operationele bevoegdheid aan de Raad geeft,

F.   overwegende dat in Besluit 2000/178/GBVB van de Raad van 28 februari 2000 tot vaststelling van de regeling die van toepassing is op nationale deskundigen op militair gebied die bij het secretariaat-generaal van de Raad worden gedetacheerd gedurende de interimperiode(17) en in Besluit 2001/80/GBVB van de Raad van 22 januari 2001 houdende instelling van de Militaire Staf van de Europese Unie(18) wordt bepaald dat de uitgaven in verband met de detachering van militaire deskundigen worden aangerekend op de begroting van de Raad,

G.   overwegende dat het jaarlijkse verslag van de Raad over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB dat uit hoofde van punt 43 van het IIA is voorgelegd aan het Europees Parlement, zich beperkt tot een beschrijving van de GBVB-activiteiten, zoals gemeenschappelijke standpunten, gemeenschappelijke optredens en uitvoeringsbesluiten,

1.   merkt op dat de Raad in 2007 beschikte over vastleggingskredieten met een totale waarde van 650 miljoen EUR (2006: 626 miljoen EUR), met een bestedingspercentage van 81,89%, lager dan in 2006 (91,79%) en onder het gemiddelde van de overige instellingen (93,82%);

2.   herhaalt het in zijn resolutie van 25 april 2002 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2000 ingenomen standpunt dat "[...] het Europees Parlement en de Raad in het verleden de uitvoering van elkaars afdelingen van de begroting niet hebben onderzocht; is van oordeel dat, gezien het feit dat uitgaven op het gebied van buitenlandse zaken, veiligheid en defensie en van justitie en binnenlandse zaken, die uit de huishoudelijke begroting van de Raad worden gefinancierd, steeds meer de vorm aannemen van beleidsuitgaven, duidelijkheid moet worden geschapen in deze regeling, teneinde te komen tot een helder onderscheid tussen de traditionele huishoudelijke uitgaven en acties met betrekking tot nieuwe beleidsterreinen"(19);

3.   verwerpt de suggestie van de Raad dat het feit dat het Europees Parlement en de Raad in het verleden de uitvoering van elkaars afdelingen van de begroting niet hebben onderzocht voortvloeide uit een "herenakkoord"; is van oordeel dat gezien het feit dat de uitgaven steeds meer de vorm aannemen van beleidsuitgaven, de uitgaven van de Raad op dezelfde wijze moeten worden onderzocht als de uitgaven van de overige instellingen als onderdeel van de in artikel 276 van het Verdrag bedoelde kwijtingprocedure;

4.   herhaalt zijn standpunt als uitgedrukt in paragraaf 3 van zijn resolutie van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2006: "betreurt dat de Raad in tegenstelling tot andere instellingen geen jaarlijks activiteitenverslag voorlegt aan het Europees Parlement, daarbij verwijzend naar het herenakkoord van 1970 [ … ] en het ontbreken van een overeenkomstige eis in het Financieel Reglement; verzoekt de Raad de beslissing om geen jaarlijks activiteitenverslag te publiceren en voor te leggen, te heroverwegen teneinde transparanter te zijn voor het grote publiek en de belastingbetalers"(20); herinnert eraan dat met deze verklaring ook ten volle tegemoet zou worden gekomen aan de paragrafen 44 en 45 van zijn resolutie van 19 februari 2008 over transparantie in financiële aangelegenheden(21); verzoekt de Raad om heroverweging van zijn besluit om zijn jaarlijkse activiteitenverslag niet op zijn website openbaar te maken;

5.   herhaalt zijn standpunt als uitgedrukt in paragraaf 12 van zijn resolutie van 24 april 2007 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2005: "verlangt maximale transparantie op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB); verzoekt de Raad te waarborgen dat de begroting van de Raad overeenkomstig punt 42 van het interinstitutionele akkoord [...] geen operationele uitgaven op het gebied van het GBVB bevat; behoudt zich voor de nodige stappen te nemen in geval dit akkoord wordt geschonden"(22);

6.   verzoekt de Raad artikel per artikel, post per post de exacte aard van de uitgaven aan te geven binnen titel 3 ("Uitgaven die voor de Raad voortvloeien uit de uitvoering van specifieke taken"), om het Parlement in staat te stellen na te gaan dat geen van de uitgaven van de uitvoering van de begroting van de Raad de vorm aanneemt van beleidsuitgaven, overeenkomstig het IIA;

7.   herhaalt zijn standpunt als uitgedrukt in paragraaf 58 van zijn resolutie van 23 mei 2007 over het jaarlijkse verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Europese Unie − 2005(23): "is van opvatting dat een echte beoordeling van de financiële gevolgen voor de begroting van de EU tot dusver is gehinderd door het ontbreken van proactieve informatieverstrekking van de zijde van de Raad, [...]; is van mening dat met de ondertekening van het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord het ogenblik is gekomen om deze bepalingen, die nu duidelijk zijn geformaliseerd, naar letter en geest ten uitvoer te leggen";

8.   is van mening dat de planning, voorbereiding en controle van een operatie door GBVB-personeel in het Secretariaat van de Raad basale en fundamentele onderdelen zijn van een operatie, en dat deze activiteiten veeleer worden uitgevoerd om beleid en operaties ten uitvoer te leggen dan als onderdeel van de normale werkzaamheden van het secretariaat van de Raad;

9.   merkt verbaasd op dat een substantieel deel (wel 66%) van begrotingslijn 2 2 0 2 van vertolking is overgeboekt naar GBVB/EVDB-reizen; merkt op dat dit bedrag in 2006 12 672 984 EUR was en wil op de hoogte worden gehouden van het bedrag voor dezelfde begrotingslijn voor 2007; verzoekt, omwille van de transparantie, een passende begrotingslijn voor deze doeleinden te creëren;

10.   eist transparantie met betrekking tot de uitgaven voor en door de EU-coördinator voor terrorismebestrijding;

11.   verzoekt de Raad het Parlement ex-post evaluaties van de individuele EVDB-acties te doen toekomen;

12.   herhaalt zijn in paragraaf 47 van bovengenoemde resolutie van 23 mei 2007 ingenomen standpunt: "spreekt nogmaals zijn teleurstelling uit over het feit dat de Raad het Parlement slechts heeft geïnformeerd en dat het Parlement slechts een beschrijvende lijst van in het voorgaande jaar uitgevoerde GBVB-activiteiten krijgt voorgelegd, zoals de Raad overigens zelf opmerkt in zijn inleidende opmerkingen bij de jaarverslagen, in plaats van aan het begin van elk jaar, zoals voorzien in artikel 28 van het EU-Verdrag, daadwerkelijk te worden geraadpleegd over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes voor dat jaar, met inbegrip van de financiële gevolgen daarvan, gevolgd door verslaglegging ten aanzien van de vraag of en, zo ja, op welke wijze rekening is gehouden met de bijdrage van het Parlement; en benadrukt dat deze handelswijze de facto een schending is van het bepaalde in artikel 21;";

13.   merkt op dat de Raad een besluit heeft genomen dat zal voorkomen dat bij pensionering compenserende verlofdagen kunnen worden uitbetaald en waarbij een verplichte regeling is ingevoerd in het kader waarvan alle resterende verlofdagen uiterlijk in 2009 volledig zullen zijn verdwenen; moedigt de Raad aan zich te houden aan deze termijn die hij zichzelf heeft opgelegd;

14.   is ingenomen met het feit dat een nieuw geïntegreerd systeem voor beheer en financiële controle (SAP), dat sinds 1 januari 2008 operationeel is, op interinstitutionele basis is opgezet door de Raad, de Rekenkamer en het Hof van Justitie, wat aanzienlijke begrotingsbesparingen en effiencyverbetering voor de drie betrokken instellingen oplevert;

15.   betreurt dat volgens het jaarlijks activiteitenverslag van de interne financieel controleur van de Raad, de Raad niet in staat is geweest de vacante posten in zijn dienst interne financiële controle te bezetten;

16.   neemt er nota van dat volgens hetzelfde jaarlijks activiteitenverslag, de interne financieel controleur de volledige afschaffing van de "comptes hors budget" heeft aanbevolen; verzoekt de Raad dergelijke rekeningen onmiddellijk en volledig af te schaffen;

17.   verzoekt de Raad het probleem van de "vérification des factures", op te lossen, zoals aanbevolen door de interne financieel controleur van de Raad;

18.   is van mening dat het herhaalde en tot dusver altijd geweigerde verzoek van het Parlement om meer transparantie over en nader parlementair toezicht op de uitgaven van de Raad op het gebied van het GBVB/EVDB gepaard zou moeten gaan met begrotingsamendementen die erop gericht zijn bepaalde relevante begrotingslijnen in de begroting van de Raad voor 2010 in de reserve te plaatsen;

19.   herhaalt dat het Parlement in zijn resolutie van 4 december 2008 over het Speciaal Verslag nr. 8/2007 van de Europese Rekenkamer over de administratieve samenwerking op het gebied van de BTW(24), de Raad heeft verzocht zich formeel uit te spreken over de bevindingen van de Rekenkamer; betreurt dat de Raad nog geen gevolg heeft gegeven aan dit verzoek; verzoekt de Raad informatie te verschaffen aan de bevoegde commissie van het Parlement over de redenen waarom hij zich niet formeel heeft uitgesproken, en over het gevolg dat is gegeven aan het Speciaal Verslag;

20.   verzoekt de Rekenkamer in haar volgende jaarverslag speciale aandacht aan de uitvoering van de begroting door de Raad te besteden;

Redenen voor het uitstellen van het kwijtingsbesluit

21.   geeft de volgende redenen voor het uitstel:

   a) de Raad is op geen enkele uitnodiging ingegaan voor een officiële ontmoeting met de ter zake bevoegde commissie van het Parlement of haar rapporteur ter bespreking van zaken in verband met zijn uitvoering van de begroting voor 2007;
   b) noch zijn bevoegde commissie noch haar rapporteur ontvingen vóór de stemming in de commissie over het ontwerpverslag op 16 maart 2009 enige uitgebreide schriftelijke reactie waarin het Parlement de informatie en documenten werden verstrekt waarom de Raad werd verzocht in de bijlage bij een door de rapporteur en de coördinatoren van zijn bevoegde commissie ondertekende brief van 18 februari 2009;
   c) het Parlement heeft van de Raad geen fundamentele documenten ontvangen, zoals het jaarlijkse activiteitenverslag en de volledige lijst van begrotingsoverschrijvingen;
   d) dit ontbreken van transparantie en het feit dat de Raad niet openstaat voor een officiële dialoog maakt een zinvolle kwijting onmogelijk en belet het Parlement met name na te gaan dat geen van de uitgaven van de uitvoering van de begroting door de Raad de vorm aanneemt van beleidsuitgaven, overeenkomstig het IIA;

Noodzakelijke verdere actie en aan het Parlement voor te leggen documenten

22.   verzoekt de secretaris-generaal van de Raad/Hoge vertegenwoordiger van het GBVB de bevoegde commissie van het Parlement uiterlijk 15 mei 2009 uitvoerig schriftelijk antwoord op de volgende vragen te geven:

A. over zijn "comptes hors budget" (zie aanbeveling R.2 van 2007 van de interne financieel controleur):

– Hoeveel "hors budget"- rekeningen had de Raad in 2007?

– Wanneer werden deze rekeningen ingesteld en met welk doel?

– Op welke rechtsgrond berusten deze rekeningen? Welk bedrag wordt door iedere afzonderlijke rekening gedekt?

– Kan de Raad de lijst van alle financiële verrichtingen voor elk van deze rekeningen voor het begrotingsjaar 2007 voorleggen en de lijst van gedelegeerd ordonnateurs per begrotingslijn?

B. over de "vérification des factures" (zie aanbeveling R.1 van 2007 van de interne financieel controleur):

– Om welke reden kwam de interne financieel controleur tot de conclusie dat de verificatie vooraf niet op een bevredigende manier functioneerde?

– Vallen alle begrotingslijnen onder controle vooraf dan wel achteraf?

– Hoeveel facturen werden er gecontroleerd, welk percentage facturen werd in de steekproef opgenomen en welk percentage daarvan bevatte fouten?

– Bereidde de Raad een actieplan voor om dit probleem op te lossen en zo ja, wanneer wordt dit uitgevoerd?

C. over begrotingslijn 2 2 0 2 (kosten van vertolking):

– Wat zijn de redenen voor de verdubbeling (van 2006 naar 2007) van begrotingslijn 2 2 0 2 voor vertolking?

– Waarom moet de Raad kredieten van deze begrotingslijn naar de reiskosten van delegatieleden overschrijven?

– Waarom gebruikte de Raad een bedrag van 12 672 000 EUR van vertolkingskosten voor reiskosten van delegatieleden in 2006?

– Waarom verhoogde hij de specifieke begrotingslijn niet voor hetzelfde bedrag in 2007?

– Welk specifiek bedrag schreef de Raad betreffende het begrotingsjaar 2007 van deze begrotingslijn over naar begrotingslijn 2 2 0 0 of enige andere begrotingslijn?

D. voor begrotingslijn 2 2 0 0 (reiskosten van de delegaties):

– De rechtsgrond voor deze begrotingslijn is deels Besluit nr. 190/2003 van de secretaris-generaal van de Raad/Hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, dat niet in het Publicatieblad is gepubliceerd.

– Kan de Raad niet ter bevordering van de transparantie al zijn besluiten op zijn website en in zijn verwijzingsregister publiceren?

E. voor begrotingslijn 3 0 0 2 (bijzondere adviseurs op het gebied van het EVDB/GBVB):

– Welk bedrag schreef de Raad voor het begrotingsjaar 2007 naar deze begrotingslijn over en voor hoeveel adviseurs was dit bestemd?

23.   verzoekt de secretaris-generaal van de Raad/Hoge vertegenwoordiger van het GBVB de bevoegde commissie van het Parlement uiterlijk 15 mei 2009 de volgende documenten voor te leggen:

   de volledige lijst van kredietoverschrijvingen in verband met de begroting voor 2007 van de Raad;
   zijn jaarlijkse activiteitenverslag voor het jaar 2007;
   de lijst van verenigingen die voor het begrotingsjaar 2007 geld ontvingen met een specificatie van de per vereniging ontvangen bedragen; (begrotingslijn 2 2 3 7 – overige huishoudelijke uitgaven).

(1) PB L 77 van 16.3.2007.
(2) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(3) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(4) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) Besluit dat voortvloeit uit het reglement van orde van de Raad van 22 juli 2002 (PB L 230 van 28.8.2002, blz. 7).
(7) PB C 139 van 14.6.2006, blz.1.
(8) PB L 77 van 16.3.2007.
(9) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.
(10) PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.
(11) PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.
(12) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(13) Besluit dat voortvloeit uit het reglement van orde van de Raad van 22 juli 2002 (PB L 230 van 28.8.2002, blz. 7).
(14) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(15) PB L 63 van 28.2.2004, blz. 68.
(16) PB L 261 van 6.8.2004, blz. 125.
(17) PB L 57 van 2.3.2000, blz. 1.
(18) PB L 27 van 30.1.2001, blz. 7.
(19) PB L 158 van 17.6.2002, blz. 66.
(20) PB L 88 van 31.3.2009, blz. 20.
(21) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0051.
(22) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 21.
(23) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 309.
(24) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0581, paragraaf 21.


Financieel beheer en toezicht bij de EU-agentschappen
PDF 222kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het financieel beheer en het toezicht op EU-agentschappen (2008/2207(INI))
P6_TA(2009)0274A6-0148/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien het verslag van 15 oktober 2008 van de Commissie aan het Europees Parlement betreffende de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2006 (COM(2008)0629) en het werkdocument van de Commissiediensten (SEC(2008)2579),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2008 getiteld "Europese agentschappen – Verdere ontwikkelingen" (COM(2008)0135),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 oktober 2008 over een strategie voor de toekomstige regeling van institutionele aspecten voor regelgevende agentschappen(1),

   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(2),

   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van 19 november 2002 van de Commissie houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3), en met name artikel 96,

   gezien het speciaal verslag nr. 5/2008 van de Europese Rekenkamer getiteld "Agentschappen van de Europese Unie: resultaten bereiken",

–   gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Begrotingscommissie (A6-0148/2009),

A.   overwegende dat deze resolutie voor elk orgaan in de zin van artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 de horizontale op- en aanmerkingen bevat die zijn vervat in het kwijtingsbesluit volgens artikel 96 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 en artikel 3 van bijlage V bij zijn Reglement,

B.   overwegende dat Parlement, Raad en Commissie na de goedkeuring van de reeds aangehaalde mededeling van de Commissie het project tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor de agentschappen opnieuw hebben gelanceerd en een interinstitutionele werkgroep hebben ingesteld,

Inleidende opmerkingen

1.   stelt vast dat de Europese Rekenkamer in 2007 audits heeft uitgevoerd bij 23 decentrale agentschappen, 3 uitvoerende agentschappen en het Euratom-Voorzieningsagentschap, een overeenkomstig het Euratom-Verdrag opgericht orgaan; merkt op dat de subsidies uit de Gemeenschapsbegroting voor de decentrale agentschappen in 2007 452 000 000 EUR bedroegen; beklemtoont dat meer dan 1 000 000 000 EUR via andere inkomsten zoals eigen ontvangsten uit vergoedingen, bijdragen van EVA-landen en speciale bijdragen van Gemeenschapsprogramma's, aan de begroting van de agentschappen toegewezen is;

2.   merkt op dat het aantal agentschappen dat aan de kwijtingsprocedure wordt onderworpen aanzienlijk is gestegen in de afgelopen jaren, van 8 in 2000 tot 21 decentrale plus drie uitvoerende agentschappen in 2007, afgezien van drie agentschappen die aan een audit door de Europese Rekenkamer onderworpen worden, maar niet aan kwijting door het Parlement;

3.   wijst erop dat de begrotingsautoriteit in de personeelsformatie voor de decentrale agentschappen 3 487,5 posten heeft toegestaan; merkt op dat er volgens de door de Rekenkamer overgelegde documenten 2 823 posten ingevuld zijn, naast de 961,5 arbeidscontractanten en nationale deskundigen;

4.   verheugt zich over het reeds aangehaalde verslag van de Commissie over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2006;

5.   vestigt er nogmaals de aandacht op dat het Gemeenschapsrecht geen juridische definitie van een agentschap bevat en onderschrijft de definitie van agentschappen als "door de Gemeenschappen opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid "(4); roept de drie categorieën agentschappen in herinnering die aan de definitie beantwoorden: decentrale agentschappen, uitvoerende agentschappen en andere organen;

6.   herhaalt daarbij de term "decentrale agentschappen" als algemene term voor de traditionele agentschappen; meent dat de term "regelgevend agentschap", die steeds meer als generieke term in gebruik komt, misleidend is, omdat niet alle decentrale agentschappen regelgevende taken hebben;

7.   herinnert eraan dat decentrale agentschappen door de Europese wetgever om verschillende redenen zijn opgericht, o.a. om bepaalde diensten te verlenen, specialistische expertise in te zetten en regelgevende en toezichthoudende taken uit te voeren;

8.   beschouwt het vaststellen van de begroting van decentrale organen en de beoordeling van de tenuitvoerlegging van die begroting als kernverantwoordelijkheden van zijn Begrotingscommissie;

9.   dringt er, in het belang van de transparantie, bij de Rekenkamer op aan om in haar volgend jaarverslag rekening te houden met de drie categorieën agentschappen;

10.   merkt op dat de Rekenkamer wat financiële discipline betreft verbetering heeft vastgesteld in vergelijking met het begrotingsjaar 2006, maar dat in een aantal van de agentschappen aanwervingen en aanbestedingen nog steeds zwakke punten vertonen die de ordonnateurs moeten aanpakken;

11.   betreurt dat de Rekenkamer bij veel agentschappen opnieuw ernstige problemen heeft vastgesteld in de toepassing van de aanbestedingsregels en het personeelstatuut; is niet bereid te aanvaarden dat deze zwakke punten na al die jaren nog niet zijn weggewerkt; meent dat de herziening van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 geen komaf zal maken met de problemen en dat het wettelijk kader grondig moet worden herzien;

12.   neemt nota van de verklaring van de Commissie dat de agentschappen die op ABAC (boekhouding op transactiebasis) zijn willen overstappen, alle noodzakelijke steun gekregen hebben; merkt op dat de agentschappen de steun in een aantal gevallen onvoldoende gevonden hebben;

Begrotingsplanning en -uitvoering

13.   merkt op dat overschatting van de benodigde kasmiddelen door agentschappen behandeld wordt in de gewijzigde Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002, die bepalingen ter versterking van de verplichting van de agentschappen bevat om in hun verzoeken om betaling nauwkeurige ramingen van hun daadwerkelijke behoefte aan kasmiddelen gedurende het hele jaar op te nemen om onnodige cashflows te voorkomen;

14.   dringt er bij de Commissie op aan om technische verlaging te overwegen om de overschotten te verminderen die ontstaan in geval van lage uitvoeringsgraad en aanhoudend hoge aantallen vacatures, wat tevens de bestemmingsontvangsten zou verminderen;

15.   neemt er daarbij nota van hoe moeilijk decentrale agentschappen het hebben om hoog gekwalificeerd personeel en deskundigen in dienst te nemen; vraagt de Commissie en het Europees Bureau voor personeelsselectie om hun steunverlening uit te breiden;

16.   dringt er bij de Commissie op aan om de begrotingsuitvoering van de agentschappen voor 2008 en 2009 nauwkeurig te blijven controleren en de nodige aanpassingen door te voeren in de begrotingsvoorstellen van de agentschappen;

17.   verwelkomt de pogingen van de Commissie om, sinds het voorontwerp van begroting voor 2009, systematisch rekening te houden met de laatste bekende overschotten (in het geval van het voorontwerp van begroting voor 2009 die van het jaar n-2) voor het berekenen van de bijdrage van de Gemeenschap; vraagt de Commissie om ter verbetering van transparantie en efficiëntie als algemene regel, gedetailleerde informatie te geven over de procedures voor het berekenen en verantwoorden van alle soorten bestemmingsontvangsten die de agentschappen ter beschikking staan, meer in het bijzonder degene die voortkomen uit overschotten van vroegere jaren;

18.   verheugt zich over het besluit van de Commissie om aan de wensen van de begrotingsautoriteit tegemoet te komen door bij de opstelling van het voorontwerp van begroting voor de decentrale agentschappen voor 2009 de bestemmingsontvangsten in aanmerking te nemen; meent dat dat ongetwijfeld een stap in de richting van een doorzichtiger begroting is;

19.   vestigt er de aandacht op dat de huidige instrumenten van bestemmingsontvangsten nog steeds risico's voor begrotingstransparantie en goed financieel beheer van EU-middelen inhouden, omdat ramingen van bestemmingsontvangsten moeilijk blijven en omdat ze door de verschillende soorten, jaren van oorsprong en vrijgaveprocedures niet op een duidelijke manier in begrotingsplanning en -beheer kunnen worden opgenomen;

20.   merkt op dat er in 2007 voor ongeveer 550 000 000 EUR aan fondsen voor Gemeenschapsprogramma's door drie uitvoerende agentschappen vastgelegd zijn; naast de beleidskredieten zijn er 47 000 000 EUR gebruikt voor administratieve doeleinden, d.w.z. het beheer van het bewuste uitvoerend agentschap; merkt op dat er in de agentschappen in kwestie 119 tijdelijke en 279 contractuele agenten werkzaam waren;

21.   stelt nogmaals dat de bedragen die uit de kredieten voor operationele programma's zijn genomen, worden aangewend voor de financiering van zuiver administratieve werkzaamheden; vraagt zijn Begrotingscommissie om de toekomstige ontwikkelingen in het uitbesteden van administratieve taken van de Commissie nauwgezet te volgen;

22.   merkt op dat het Voorzieningsagentschap van Euratom als administratieve eenheid van de Commissie functioneert, hetgeen blijkt uit de opbouw van de begroting en het gegeven dat de directeur-generaal ervan een personeelslid van de Commissie is;

Naleving van financieel reglement en personeelstatuut

23.   beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen herhaaldelijk worden bekritiseerd wegens niet-naleving van regels, waaronder Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, met name de regels inzake overheidsopdrachten en het personeelstatuut; merkt op dat de belangrijkste oorzaak is dat de meeste regels ontworpen zijn voor grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet voldoende capaciteit hebben om aan de eisen van de regelgeving te voldoen;

24.   betreurt dat de Commissie, ondanks het verzoek van het Parlement in zijn kwijtingsresoluties voor 2006 voor de agentschappen, geen snelle oplossing heeft gepresenteerd en verzoekt haar daarom opnieuw om een snelle oplossing ter verbetering van de efficiëntie te vinden door de administratieve taken van verschillende agentschappen samen te voegen;

25.   moedigt de Commissie aan om meer inspanningen te leveren om administratieve bijstand aan relatief kleine en vooral pas opgerichte agentschappen te verstrekken; roept, met de negatieve ervaringen uit het verleden in het achterhoofd, de Commissie op om de agentschappen zo snel mogelijk speciale richtsnoeren te verstrekken voor de toepassing van de financiële regels, aanwerving van personeel, openbare aanbestedingen, enz.;

26.   zal daarom het onderzoek naar mogelijkheid en haalbaarheid van gemeenschappelijke ondersteunende diensten voor Europese agentschappen ("Opportunity and feasibility of establishing common support services for EU agencies"), dat de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole laten uitvoeren, zeer grondig bestuderen;

Interne audit

27.   verheugt zich over het feit dat de Dienst interne audit van de Commissie in zijn activiteitenverslag 2007 afstand heeft genomen van zijn reserves van het jaar tevoren, toen hij verklaard heeft dat de dienst door gebrek aan middelen niet in staat was om ieder operationeel decentraal agentschap elk jaar aan een audit te onderwerpen;

28.   verheugt zich over de pragmatische samenwerking tussen de interne controleur van de Commissie en de interne controleurs en andere personen bij de agentschappen, die met interne audit belast zijn;

29.   herinnert eraan dat het de agentschappen in zijn kwijtingsresoluties voor 2006 voor de agentschappen gevraagd heeft of en op welke manier zij voldoen aan de verplichting van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 om de kwijtingsautoriteit en de Commissie een jaarlijks verslag te sturen over interne audits; betreurt, hoewel er 21 agentschappen aan de kwijtingsprocedure voor 2007 onderworpen zijn, dat het Parlement dergelijke verslagen slechts van twee agentschappen heeft ontvangen (het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) en het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA));

Evaluatie van de prestaties van de agentschappen

30.   stelt vast dat de Commissie maatregelen heeft genomen naar aanleiding van de kwijtingsresoluties voor 2006 voor de agentschappen en in september 2008 de laatste hand gelegd heeft aan

   (a) een samenvatting van de beoordeling van de decentrale agentschappen, met een lijst van al beoordeelde agentschappen en een samenvatting van de voornaamste bevindingen,
   (b) een document over de stand van zaken en planning van de evaluatie van de decentrale agentschappen, en
   (c) een meta-onderzoek naar de decentrale agentschappen - dwarsanalyse van bevindingen van beoordelingen ("Meta-study on decentralised agencies: cross-cutting analysis of evaluation findings"), opgesteld door een externe contractant;

31.   is ervan overtuigd dat de beoordeling van decentrale agentschappen die door de Commissie aangevat is, waarop zij toezicht houdt en die eind 2009 afgerond moet zijn, zal helpen inschatten waar de agentschappen tekortschieten; verheugt er zich over dat de Commissie een referentiegroep in het leven heeft geroepen die een begin zal maken met het onderzoek;

32.   herinnert aan de horizontale evaluatie van decentrale agentschappen door de Commissie, zoals bedoeld in de reeds aangehaalde mededeling van de Commissie, waarvan de resultaten beschikbaar moeten zijn tegen 2009-2010; roept de Commissie op om ervoor te zorgen dat de evaluatie van de agentschappen transparanter wordt, in het belang van zowel de agentschappen zelf als de belanghebbende partijen;

Tuchtprocedures

33.   herinnert eraan dat het Parlement in zijn kwijtingsresoluties voor 2006 de agentschappen gevraagd heeft om een gemeenschappelijke tuchtraad te overwegen; merkt op dat er vooruitgang is maar nog steeds moeilijkheden zijn, vooral door problemen om personeelsleden met de goede carrièretrap te vinden om in de raad te zetelen; vraagt de agentschappen om de begrotingsautoriteit te laten weten of de gemeenschappelijke tuchtraad voor de verschillende agentschappen al dan niet een haalbare kaart is, en zo niet, een alternatieve oplossing voor te stellen;

Speciaal verslag nr. 5/2008 van de Europese Rekenkamer

34.   verheugt zich over de tijdige publicatie van het reeds aangehaalde speciale verslag door de Rekenkamer en dringt er bij de decentrale agentschappen op aan om de in het verslag geconstateerde tekortkomingen in acht te nemen en maatregelen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Rekenkamer te nemen;

35.   wijst erop dat de oprichtingsbesluiten van de agentschappen van de EU een duidelijke definitie van hun taken en bevoegdheden moeten bevatten en de resultaatgerichte benadering van het werk van de agentschappen dienen te benadrukken;

36.   benadrukt dat de agentschappen meerjarige werkprogramma's moeten opstellen in overeenstemming met de meerjarige strategie van de Gemeenschap in de sector; de jaarlijkse werkprogramma's moeten duidelijke, specifieke en meetbare doelstellingen vastleggen, die vervolgens de basis moeten vormen van handelingen, middelen, benaderingen en tijdschema's om ervoor te zorgen dat de verwachte resultaten worden behaald; benadrukt dat werkprogramma's de limieten van de door de begrotingsautoriteit goedgekeurde begrotingen van de agentschappen moeten respecteren;

37.   eist dat de raad van bestuur van de EU-agentschappen de planning van de taken en de (financiële en personele) middelen in de grootst mogelijke onderlinge overeenstemming brengen door invoering van activiteitsgestuurde begroting en management (ABB/ABM), en onderstreept dat het beginsel van goed financieel beheer en begrotingsdiscipline op de agentschappen van toepassing is;

38.   merkt op dat er voor het werk van elk agentschap een risicobeoordeling zou moeten worden opgesteld voor optimaal beheer van de uitgaven en personele middelen;

39.   beveelt aan dat de Europese Rekenkamer doorgaat met de periodieke prestatie-audits van de agentschappen, maar dat ze zich tevens nog meer op de interne efficiëntie van de agentschappen richt en evalueert in hoeverre haar aanbevelingen zijn overgenomen;

Interinstitutionele dialoog over een gemeenschappelijk kader voor de agentschappen

40.   roept zijn suggestie in zijn genoemde resolutie in herinnering, dat de interinstitutionele werkgroep zich richt op, onder andere, de behoefte aan een standaardbenadering voor de presentatie van de activiteiten van de agentschappen gedurende het betreffende begrotingsjaar;

41.   verheugt zich over het besluit van 18 december 2008 van de Conferentie van voorzitters om 5 leden te benoemen in de delegatie van het Europees Parlement naar de interinstitutionele werkgroep die zich zal buigen over de rol van regelgevende agentschappen;

42.   beschouwt zijn reeds aangehaalde resolutie over een strategie voor de toekomstige regeling van de institutionele aspecten van de regelgevende agentschappen als een mandaat voor de parlementaire delegatie die werkzaam is in de interinstitutionele werkgroep;

43.   dringt aan op de noodzaak om minimale gemeenschappelijke normen voor de oprichting van decentrale agentschappen in de toekomst vast te stellen;

44.   verzoekt de Commissie en de agentschappen om in de tussentijd de door de agentschappen aangeleverde financiële documentatie in volledige, vergelijkbare en actuele vorm op de gemeenschappelijke website beschikbaar te stellen die door de Commissie en de decentrale agentschappen op het intranet van de Commissie opgezet is;

45.   vraagt de interinstitutionele werkgroep om in het licht van de kwijtingsprocedure 2007 de volgende punten te bespreken:

o
o   o

  

− de redenen achter problemen bij de begrotingsuitvoering, vooral het ontbreken van een top-downbenadering van begrotingen en personeelsbeleid van de agentschappen,

  

− hoe het komt dat naleving van de regels voor personeelsaanwerving en overheidsopdrachten bij veel agentschappen een terugkerend probleem is,

  

− de lering die uit de specifieke ervaringen van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) met betrekking tot agentschappen te halen is,

  

− hoe de beleidsuitvoering door agentschappen kostenefficiënter kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door de administratieve taken van verschillende agentschappen samen te voegen;

  

− hoe de diverse ondersteunende functies en diensten van de Commissie beter en sneller op de behoeften van de agentschappen kunnen inspelen;

   46. verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de agentschappen die aan deze kwijtingsprocedure onderworpen zijn, de Raad, de Commissie en de Europese Rekenkamer.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0495.
(2) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(3) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(4) Zie de argumenten die zijn ontwikkeld in de Studie inzake de kwijting van agentschappen door de Eenheid begrotingsondersteuning van het Europees Parlement, december 2006.


Toegang tot de markt voor touringcar- en autobusdiensten (herschikking) ***II
PDF 197kWORD 84k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten (herschikking) (11786/1/2008 – C6-0016/2009 – 2007/0097(COD))
P6_TA(2009)0275A6-0215/2009
RECTIFICATIES

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (11786/1/2008 – C6-0016/2009)(1),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0264),

–   gelet op artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0215/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 (herschikking)

P6_TC2-COD(2007)0097


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in tweede lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. ....)

(1) PB C 62 E van 17.3.2009, blz. 25.
(2) Aangenomen teksten van 5.6.2008, P6_TA(2008)0249.


Voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerder ***II
PDF 197kWORD 86k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (11783/1/2008 – C6-0015/2009 – 2007/0098(COD))
P6_TA(2009)0276A6-0210/2009

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (11783/1/2008 – C6-0015/2009)(1),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0263),

–   gelet op artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0210/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad

P6_TC2-COD(2007)0098


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in tweede lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. ....)

(1) PB C 62 E van 17.3.2009, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten van 21.5.2008, P6_TA(2008)0217.


Toegang tot de markt voor het internationale goederenvervoer over de weg (herschikking) ***II
PDF 197kWORD 83k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 betreffende het gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (herschikking) (11788/1/2008 – C6-0014/2009 – 2007/0099(COD))
P6_TA(2009)0277A6-0211/2009

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (11788/1/2008 – C6-0014/2009)(1),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0265),

–   gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0211/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (herschikking)

P6_TC2-COD(2007)0099


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in tweede lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. ....)

(1) PB C 62 E van 17.3.2009, blz. 46.
(2) Aangenomen teksten van 21.5.2008, P6_TA(2008)0218.


Energieprestaties van gebouwen (herschikking) ***I
PDF 555kWORD 273k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestaties van gebouwen (herschikking) (COM(2008)0780 – C6-0413/2008 – 2008/0223(COD))
P6_TA(2009)0278A6-0254/2009

(Medebeslissingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0780),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 175, lid 1, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0413/2008),

–   gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1),

–   gezien de brief d.d. 3 februari 2009 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 80 bis, lid 3, van zijn Reglement,

–   gelet op de artikelen 80 bis en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0254/2009),

A.   overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en zoals dit hieronder is geamendeerd;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestaties van gebouwen (herschikking)

P6_TC1-COD(2008)0223


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie(5) van gebouwen is gewijzigd(6). Aangezien nieuwe ingrijpende wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)  De natuurlijke hulpbronnen waarvan het behoedzame en rationele gebruik in artikel 174 van het Verdrag is vermeld, omvatten aardolieproducten, aardgas en vaste brandstoffen die essentiële energiebronnen, maar tevens de belangrijkste emissiebronnen van kooldioxide zijn.

(3)  Aangezien 40% van het totale energieverbruik in de EU voor rekening van gebouwen komt, zijn een vermindering van het energieverbruik en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de gebouwensector ║ belangrijke ║ maatregelen die nodig zijn om de energieafhankelijkheid en de broeikasgasemissies van de EU te doen dalen. Tezamen met een sterker gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen zullen de maatregelen ter vermindering van het energieverbruik in de EU de Unie in staat stellen om te voldoen aan het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en haar langetermijnstreven de aardopwarming onder de 2 °C te houden, en tegen 2020 met ten minste 20% ten opzichte van 1990 te verlagen en met 30% in geval van een internationaal akkoord. Een vermindering van het energieverbruik en een sterker gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen spelen ook een belangrijke rol bij het versterken van de energievoorzieningszekerheid, het bevorderen van technologische ontwikkelingen en het scheppen van werkgelegenheid en kansen voor regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden.

(4)  Het beheer van de vraag naar energie is voor de Gemeenschap een belangrijk instrument om invloed uit te oefenen op de wereldenergiemarkt en daarmee op de continuïteit van de energievoorziening op middellange en lange termijn.

(5)  Om de doelstelling van 20% minder energieverbruik in de Gemeenschap tegen 2020 te bereiken, is tijdens de Europese Raad van maart 2007 gewezen op de behoefte om de energie-efficiëntie in de Gemeenschap te doen toenemen en is aangedrongen op een grondige en snelle tenuitvoerlegging van de prioriteiten uit de mededeling van de Commissie getiteld "Actieplan voor energie-efficiëntie − het potentieel realiseren". In dit actieplan is het significante potentieel voor kosteneffectieve energiebesparingen in de bouwsector geïdentificeerd. Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 31 januari 2008 opgeroepen tot een versterking van de bepalingen van Richtlijn 2002/91/EG en heeft bij herhaling, laatstelijk in zijn resolutie van 3 februari 2009 over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid(7), bepleit de doelstelling van een verhoging van de energie-efficiëntie met 20% tegen 2020 bindend te maken. Bovendien worden bij Besluit nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen(8), bindende nationale streefdoelen vastgesteld voor de vermindering van CO2-emissies, waarvoor energie-efficiëntie in de bouw van doorslaggevend belang is, en voorziet Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen(9) in de bevordering van energie-efficiëntie in het kader van de bindende doelstelling om in 2020 20 % van het totale energieverbruik van de EU te dekken met energie uit duurzame bronnen.

(6)  De Europese Raad van maart 2007 bevestigde nogmaals dat de Gemeenschap zich ertoe verbindt om energie uit hernieuwbare bronnen in de hele EU te ontwikkelen. Te dien einde onderschreef de Raad een bindend streefcijfer van 20% voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen tegen 2020. Bij Richtlijn 2009/28/EG wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het bevorderen van energie uit hernieuwbare bronnen. De Raad onderstreept de noodzaak om een factor voor energie uit hernieuwbare bronnen op te nemen in het kader van de verplichting om te voldoen aan de minimumvereisten op het gebied van energieprestatie overeenkomstig Richtlijn 2002/91/EG teneinde de vaststelling van minimumniveaus voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in gebouwen te bespoedigen.

(7)  Ongeveer 40% van het eindverbruik van energie in de Gemeenschap komt voor rekening van de woon- en tertiaire sector, die grotendeels uit gebouwen bestaat en die zich nog steeds uitbreidt, een tendens die ongetwijfeld tot een hoger energieverbruik en derhalve tot meer uitstoot van kooldioxide door deze sector zal leiden.

(8)  Het is nodig om concretere acties vast te stellen teneinde het aanzienlijke, nog niet gerealiseerde potentieel voor energiebesparingen in gebouwen te benutten en de grote verschillen tussen de resultaten van de lidstaten in deze sector te verminderen.

(9)  Bij de maatregelen voor de verdere verbetering van de energieprestaties van gebouwen moet rekening worden gehouden met de klimatologische en plaatselijke omstandigheden, alsmede met de binnenklimaateisen en de kosteneffectiviteit. De maatregelen mogen andere eisen die aan gebouwen worden gesteld, zoals toegankelijkheid, veiligheid en de gebruiksbestemming van het gebouw, niet in het gedrang brengen.

(10)  De energieprestaties van gebouwen dienen te worden berekend volgens een gemeenschappelijke methode met objectieve variabelen die rekening houden met regionale klimaatverschillen, en die behalve thermische kenmerken ook andere factoren in aanmerking neemt welke een steeds belangrijkere rol spelen, zoals verwarmings-, koel- en ventilatiesystemen, warmteterugwinning, zoneregeling, de toepassing van energie uit hernieuwbare bronnen, passieve verwarmings- en koelingselementen, zonwering, luchtkwaliteit in gesloten ruimten, geschikt daglicht, isolatie- en verlichtingsystemen, controle- en toezichtsystemen en het ontwerp van het gebouw. De methodologie voor het berekenen van de energieprestaties mag niet enkel gebaseerd zijn op het seizoen waarin verwarming nodig is, maar moet uitgaan van de jaarlijkse energieprestaties van een gebouw. De methode moet bovendien rekening houden met bestaande Europese normen.

(11)  De lidstaten moeten minimumeisen voor de energieprestaties van gebouwen vaststellen. Die vereisten moeten worden bepaald met het oog op een kostenoptimaal evenwicht tussen de gedane investeringen en de energiekosten die worden bespaard tijdens de volledige levensduur van het gebouw. Er dient te worden voorzien in de mogelijkheid om de lidstaten hun minimumeisen voor gebouwen op gezette tijden te laten evalueren met betrekking tot de vooruitgang van de techniek.

(12)  Deze richtlijn laat de artikelen 87 en 88 van het Verdrag onverlet. Het in deze richtlijn gebruikte begrip "stimulans" omvat derhalve geen staatssteun.

(13)  De Commissie werkt een gemeenschappelijke methodologie uit voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties. Deze methodologie moet aansluiten bij de methodologie die wordt gehanteerd in de Gemeenschapswetgeving die van toepassing is op de prestatievereisten voor de producten, bestanddelen en technische bouwsystemen waaruit het gebouw is samengesteld. De lidstaten maken van deze gemeenschappelijke methodologie gebruik om ▌minimumeisen inzake energieprestaties vast te stellen. Zij delen de resultaten van deze berekening en de gegevens die werden gebruikt om tot deze resultaten te komen, regelmatig mee aan de Commissie. Dit zal de Commissie in staat stellen de vooruitgang van de lidstaten wat betreft het bereiken van de kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestaties te beoordelen en er verslag over uit te brengen. ▌De lidstaten dienen deze ▌methodologie toe te passen wanneer zij hun minimumeisen inzake energieprestaties herzien en bepalen.

(14)  Gebouwen zijn van grote invloed op het energieverbruik op lange termijn. Gezien de lange renovatiecyclus van bestaande gebouwen zouden nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, daarom moeten voldoen aan minimumeisen inzake energieprestaties die zijn aangepast aan het plaatselijke klimaat. Aangezien de mogelijke toepassing van alternatieve systemen van energievoorziening in het algemeen niet volledig wordt onderzocht, moeten alternatieve systemen van energievoorziening worden overwogen voor nieuwe en bestaande gebouwen, ongeacht hun grootte volgens het beginsel dat er eerst voor moet worden gezorgd dat de energiebehoefte voor verwarming en koeling tot een minimaal kostenoptimaal niveau wordt teruggebracht.

(15)  Ingrijpende renovaties van bestaande gebouwen vormen, ongeacht hun omvang, een goede gelegenheid om kosteneffectieve maatregelen te nemen ter verbetering van de energieprestaties van het gehele gebouw. Door eisen voor kosteneffectieve maatregelen vast te leggen wordt gewaarborgd dat er geen obstakels ontstaan waardoor ingrijpende renovaties onaantrekkelijk worden.

(16)  Uit studies is gebleken dat de bouwsector inefficiënt is, waardoor de kosten voor de eindgebruiker duidelijk boven het optimale kostenniveau liggen. Er is berekend dat de bouwkosten met 30 à 35% zouden kunnen worden verminderd door de verspilling die in de meeste bouwprocessen en bij de meeste producten plaatsvindt, terug te dringen. De inefficiëntie in de bouwsector ondermijnt het doel en de opzet van deze richtlijn, aangezien de ongerechtvaardigd hoge kosten van bouw en renovatie de kosteneffectiviteit, en daarmee ook de energie-efficiëntie van de sector, verminderen. Met het oog op een goede werking van deze richtlijn dient de Commissie het functioneren van de bouwmarkt te evalueren en aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen van haar bevindingen en aanbevelingen. De lidstaten dienen zich in te spannen om een transparant prijsbeleid in de bouw- en renovatiesector te waarborgen en dienen passende maatregelen te treffen om belemmeringen voor de toegang van nieuwe marktdeelnemers, met name KMO's, tot de markt en tot relevante faciliteiten en infrastructuur weg te nemen.

(17)  Ter verhoging van de energie-efficiëntie van huishoudelijke apparaten, verwarming en koeling moeten informatietechnologieën worden ontwikkeld en in gebruik worden genomen − met als doel een "intelligent gebouw".

(18)  Er zijn maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat een groter aantal gebouwen niet alleen voldoet aan de huidige minimumeisen inzake energieprestaties, maar op zijn minst een zo hoog mogelijke energieprestatie waarborgt. Daartoe moeten de lidstaten nationale plannen opstellen, om te zorgen voor een toename van het aantal energieneutrale gebouwen ▌; zij brengen over die plannen regelmatig verslag uit bij de Commissie.

(19)  Om de verslagleggingslast voor de lidstaten te beperken, moet het mogelijk zijn de in het kader van deze richtlijn vereiste verslagen op te nemen in de actieplannen voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten ║(10). De openbare sector moet in alle lidstaten het voortouw nemen wat de energieprestaties van gebouwen betreft, en daartoe moeten in de nationale plannen ambitieuzere streefcijfers worden bepaald voor overheidsgebouwen.

(20)  De lidstaten moeten worden aangemoedigd om naast de in deze richtlijn vastgestelde acties aanvullende maatregelen te treffen ter bevordering van een hogere energieprestatie van gebouwen. Dergelijke maatregelen kunnen financiële en fiscale prikkels omvatten voor ondernemingen, huiseigenaren en huurders, waaronder ook verlaagde BTW-tarieven voor renovatiediensten.

(21)  De lidstaten moeten erop toezien dat de regulering van de energieprijzen voor de consument geen verstorend effect heeft waardoor prikkels tot energiebesparing uitblijven.

(22)  De toekomstige koper of huurder van een gebouw of delen daarvan moet via het energieprestatiecertificaat correcte informatie krijgen over de energieprestaties van het gebouw, alsmede praktisch advies over hoe die kunnen worden verbeterd. Eigenaren en huurders van bedrijfspanden moeten tevens worden verplicht informatie uit te wisselen over het daadwerkelijke energieverbruik, teneinde te waarborgen dat alle gegevens beschikbaar zijn om een geïnformeerde keuze te kunnen maken over de nodige verbeteringen. In het certificaat moet ook informatie worden verstrekt over de eigenlijke effecten van verwarming en koeling op de energiebehoeften van het gebouw, over het primaire energieverbruik en over de kooldioxide-uitstoot. De eigenaars van gebouwen moeten te allen tijde certificatie of een bewijs van actualisering kunnen aanvragen, en niet alleen als gebouwen worden verhuurd, verkocht of gerenoveerd.

(23)  De overheid moet het goede voorbeeld geven en de aanbevelingen in het energieprestatiecertificaat binnen de geldigheidsperiode ervan uitvoeren. De lidstaten moeten in hun nationale plannen maatregelen opnemen om overheidsdiensten te stimuleren verbeteringen op het gebied van energie-efficiëntie in een vroeg stadium over te nemen en de aanbevelingen in het energieprestatiecertificaat binnen de geldigheidsperiode ervan uit te voeren. Bij het opstellen van de nationale plannen moeten de lidstaten de vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden raadplegen.

(24)  In overeenstemming met de vereisten inzake de installatie van slimme meters, zoals vastgesteld bij Richtlijn 2006/32/EG, dienen eigenaren en huurders te worden voorzien van nauwkeurige real-time informatie over het energieverbruik in de door hen gebruikte gebouwen.

(25)  Gebouwen die door de overheid worden gebruikt en gebouwen die veelvuldig door het publiek worden bezocht, dienen een voorbeeldfunctie te vervullen op het gebied van zorg voor het milieu en energiegebruik en daarom dient voor die gebouwen regelmatig energiecertificering plaats te vinden. De verspreiding van informatie over die energieprestaties onder het publiek kan worden verbeterd door die energiecertificaten op een opvallende plaats aan te brengen. Indien lidstaten besluiten het gebruik van energie op te nemen in de certificeringvereisten voor energie, zou een locatiegebaseerde aanpak mogelijk moeten zijn waarbij een groep in dezelfde buurt gelegen gebouwen die door dezelfde organisatie worden gebruikt, op dezelfde energiemeters is aangesloten.

(26)  Als wordt gezorgd voor wederzijdse erkenning van energieprestatiecertificaten die zijn afgegeven door andere lidstaten, kan waarschijnlijk een grensoverschrijdende markt voor financiële en andere diensten voor de ondersteuning van energie-efficiëntie ontstaan. Om dit mogelijk te maken moet de Commissie minimumvoorschriften voor de inhoud en vorm van de certificaten en voor de accreditering als deskundige vaststellen. Elk energieprestatiecertificaat moet zowel in de taal van de eigenaar als in de taal van de huurder beschikbaar zijn, zodat de aanbevelingen makkelijk te begrijpen zijn.

(27)  De laatste jaren is het aantal airconditioningsystemen in de Europese landen toegenomen. Dit veroorzaakt in alle lidstaten aanzienlijke problemen op het gebied van piekbelasting, waardoor de kostprijs voor elektrische energie stijgt en de energiebalans in het gedrang komt. Er moet prioriteit worden verleend aan strategieën die bijdragen tot betere thermische prestaties van gebouwen tijdens de zomer. Met name technieken voor passieve koeling en in het bijzonder technieken die bijdragen tot het verbeteren van de kwaliteit van het binnenklimaat en van het microklimaat rond gebouwen moeten verder worden ontwikkeld.

(28)  Regelmatige controle van verwarmingsketels en airconditioningsystemen door gekwalificeerd personeel draagt bij tot handhaving van de correcte afstelling ervan in overeenstemming met de productspecificatie en leidt tot optimale prestaties uit milieu-, veiligheids- en energieoogpunt. Een onafhankelijke beoordeling van het gehele verwarmings- en airconditioningsysteem moet regelmatig plaatsvinden gedurende de levensduur van deze systemen, vooral vóór installatie of verbetering. Om de administratieve lasten voor eigenaars en huurders van gebouwen te beperken moeten de lidstaten ervoor zorgen dat bij de afgifte van energieprestatiecertificaten ook de verwarmings- en airconditioningsystemen worden gekeurd en dat beide keuringen zo veel mogelijk gelijktijdig gebeuren.

(29)  Een gemeenschappelijke benadering van de energieprestatiecertificering van gebouwen en van de controle van verwarmings- en airconditioningsystemen, uit te voeren door gekwalificeerd personeel en erkende deskundigen, wier onafhankelijkheid op basis van objectieve criteria wordt gegarandeerd, zal bijdragen tot gelijke voorwaarden wat betreft de inspanningen die in de lidstaten worden gedaan om energie in de gebouwensector te besparen en zal toekomstige eigenaars of gebruikers duidelijkheid verschaffen over de energieprestaties op de communautaire onroerendgoedmarkt. Om de kwaliteit van de energieprestatiecertificaten en van de controle van verwarmings- en airconditioningsystemen in de Gemeenschap te garanderen, dient in iedere lidstaat een controlemechanisme te worden opgezet.

(30)  De lokale en regionale overheden zijn van cruciaal belang voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Met hun vertegenwoordigers moet overleg plaatsvinden over elk aspect van de tenuitvoerlegging op nationaal of regionaal niveau. Lokale stedenbouwkundigen en bouwinspecteurs moeten geschikte richtsnoeren en middelen krijgen om de nodige taken uit te voeren.

(31)  Indien de toegang tot of de uitoefening van het beroep van installateur gereglementeerd is, gelden de voorwaarden voor de erkenning van beroepskwalificaties zoals vastgelegd in Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(11). De toepassing van deze richtlijn laat derhalve Richtlijn 2005/36/EG onverlet. In Richtlijn 2005/36/EG zijn eisen vastgesteld voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties, onder meer voor architecten, maar voorts moet ook worden gegarandeerd dat architecten en planologen in hun plannen en ontwerpen voldoende rekening houden met bijzonder energie-efficiënte technologieën. De lidstaten moeten ter zake duidelijke richtsnoeren opstellen, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2005/36/EG en met name de artikelen 46 en 49.

(32)  De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(12).

(33)  De Commissie moet met name de bevoegdheid krijgen om bepaalde delen van het in bijlage I bedoelde algemene kader aan te passen aan de technische vooruitgang, om een gemeenschappelijke methodologie vast te stellen voor het berekenen van de kostenoptimale minimumeisen inzake energieprestaties en om een definitie voor energieneutrale gebouwen vast te stellen, rekening houdend met de normale weersomstandigheden ter plaatse en de verwachte veranderingen daarin na verloop van tijd. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële elementen van deze richtlijn, onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële elementen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(34)  Aangezien 14% van het energieverbruik in de EU voor rekening komt van verlichting en gezien het feit dat met de modernste verlichtingssystemen een energiebesparing van 80% kan worden bereikt onder verlichtingsomstandigheden die in overeenstemming zijn met de Europese normen, wat een nog niet ten volle benutte mogelijkheid is om bij te dragen tot de verwezenlijking van de streefdoelen van de EU voor 2020, dient de Commissie de nodige stappen te nemen voor de goedkeuring van een richtlijn betreffende verlichtingontwerp die een aanvulling vormt op de maatregelen en doelstellingen van deze richtlijn. De verhoging van de energie-efficiëntie door een beter ontwerp van verlichting en de toepassing van energie-efficiënte lichtbronnen in overeenstemming met Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van ... [betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energie-gerelateerde producten (herschikking)](13)vormt een significante bijdrage tot een betere energieprestatie van gebouwen.

(35)  Aangezien de doelstellingen om de energie-efficiëntie van gebouwen te bevorderen niet in voldoende mate door de lidstaten kunnen worden gerealiseerd gezien de complexiteit van de gebouwensector en aangezien de uitdagingen inzake energieprestaties niet voldoende kunnen worden aangepakt via de nationale woningmarkt en dit, gelet op de omvang en de effecten van de acties, derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, als vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel vastgelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan wat voor de verwezenlijking van die doelstellingen nodig is.

(36)  De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot die bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijn materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijn.

(37)  Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VI, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijn onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn stimuleert verbeterde energieprestaties van gebouwen in de Gemeenschap, rekening houdend met zowel de klimatologische en plaatselijke omstandigheden buiten het gebouw als met de eisen voor het binnenklimaat en kostenoptimale niveaus van energieprestaties.

Deze richtlijn voorziet in eisen met betrekking tot:

   a) ▌een methode voor de berekening van de geïntegreerde energieprestaties van gebouwen en delen van gebouwen, van bestanddelen van gebouwen en van technische bouwsystemen;
   b) de toepassing van minimumeisen voor de energieprestaties van nieuwe gebouwen en delen van gebouwen;
   c) de toepassing van minimumeisen voor de energieprestaties van bestaande gebouwen ▌die een ingrijpende renovatie ondergaan en van bestanddelen van gebouwen en technische bouwsystemen wanneer deze worden vervangen of vernieuwd;
   d) nationale plannen en streefdoelen om te zorgen voor een toename van het aantal energieneutrale gebouwen ▌;
   e) de energiecertificering van gebouwen of delen van gebouwen,
   f) de regelmatige keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen in gebouwen;
   g) onafhankelijke systemen voor de controle van energieprestatiecertificaten en keuringsverslagen;
   h) opleiding, scholing en wederzijdse erkenning door de lidstaten van personen die de energieprestaties van gebouwen certificeren en verwarmings- en airconditioningsystemen keuren;
   i) nationale plannen voor het opheffen van belemmeringen in de bouw-, huur- en monumentenwetgeving en voor het scheppen van financiële prikkels.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

   (1) gebouw: een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen;
   (2) nieuw gebouw: een gebouw waarvoor de bouwvergunning is verkregen na de inwerkingtreding van deze richtlijn;
   (3) delen van gebouwen: appartementen of voor apart gebruik ontwikkelde eenheden die deel uitmaken van een bouwblok;
   (4) energieneutraal gebouw: een gebouw waarvan het totale jaarlijkse verbruik van primaire energie als gevolg van een zeer hoog niveau van energie-efficiëntie niet groter is dan de productie van energie ter plaatse uit hernieuwbare bronnen;
   (5) technische bouwsystemen: technisch materiaal voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening, verlichting en elektriciteitsproductie, meet-, toezicht- en controlesystemen of een combinatie daarvan;
   (6) energieprestaties van een gebouw: de berekende of gemeten hoeveelheid primaire energie die nodig is voor de vraag naar energie die verband houdt met een normaal gebruik van een gebouw, uitgedrukt in kWh/m2 per jaar, waaronder de energie die wordt gebruikt voor verwarming, warmwatervoorziening, koeling, ventilatie en ingebouwde verlichting rekening houdend met passieve zonne-energie, zonwering en natuurlijke verlichting;
   (7) primaire energie: energie uit hernieuwbare en niet-hernieuwbare bronnen die geen omzetting of transformatie heeft ondergaan;
   (8) energie uit hernieuwbare bronnen: energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen: wind, zon, aardwarmte, aerothermische en hydrothermische energie en energie uit de zee, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;
   (9) bouwschil: de geïntegreerde elementen die de binnenzijde van een gebouw scheiden van de buitenzijde ▌;
   (10) bestanddeel van een gebouw: een afzonderlijk deel van een gebouw dat van invloed is op de energieprestaties van het gebouw en dat niet onder de definitie van technische bouwsystemen valt, waaronder de vensters, de buitendeuren, de markiezen, de muren, de fundering, de kelderplaat, het plafond, het dak en isolatiesystemen;
   (11) ingrijpende renovatie: de renovatie van een gebouw, waarbij:
   a) de totale kosten van de renovatie met betrekking tot de bouwschil of de technische bouwsystemen hoger zijn dan 20% van de waarde van het gebouw, berekend op basis van de actuele bouwkosten in de betreffende lidstaat, exclusief de grond; of
   b) meer dan 25% van de oppervlakte van de bouwschil een renovatie ondergaat die een direct effect heeft op de energieprestaties van het gebouw;
   (12) Europese norm: een door het Europees Comité voor normalisatie, het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie of het Europees Instituut voor telecommunicatienormen goedgekeurde en voor publiek gebruik ter beschikking gestelde norm;
   (13) energieprestatiecertificaat: een door een lidstaat, of door een door deze lidstaat aangewezen rechtspersoon erkend certificaat waarin het resultaat van de berekening van de energieprestaties van een gebouw of delen van een gebouw wordt aangegeven volgens een overeenkomstig artikel 3 goedgekeurde methode;
   (14) warmtekrachtkoppeling: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;
   (15) kostenoptimaal niveau: het niveau waarbij de berekende kosten-batenanalyse over de levensduur van een gebouw positief is, ten minste rekening houdend met de actuele netto waarde van de investering en de bedrijfskosten (inclusief kosten voor energie), het onderhoud, inkomsten van geproduceerde energie, waar van toepassing, en verwijderingskosten ║;
   (16) airconditioningsysteem: een combinatie van de bestanddelen die nodig zijn voor een vorm van indoor luchtbehandeling, inclusief ventilatie;
   (17) c.v.-ketel: het geheel van ketellichaam en brander dat de verbrandingswarmte op een vloeistof overbrengt;
   (18) nominaal vermogen (uitgedrukt in kW): het maximale verwarmingsvermogen, uitgedrukt in kW, dat door de fabrikant voor continu gebruik is aangegeven en gegarandeerd, waarbij het door hem aangegeven nuttig rendement wordt gehaald;
   (19) warmtepomp: een machine, toestel of installatie dat/die ▌warmte van de natuurlijke omgeving zoals de lucht, het water of de bodem overdraagt aan gebouwen of industriële installaties door de natuurlijke warmtestroming om te keren van een lagere naar een hogere temperatuur. De hoeveelheid energie die een warmtepomp aan de omgeving moet onttrekken om als hernieuwbare energie in de zin van deze richtlijn te kunnen worden beschouwd, is vastgesteld bij Richtlijn 2009/28/EG;
   (20) energiearmoede: de toestand dat een huishouden meer dan 10% van het inkomen aan energie moet besteden om het huis te verwarmen tot een niveau dat volgens de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie aanvaardbaar is;
   (21) verlichtingssysteem: een combinatie van onderdelen die vereist zijn om in een bepaald lichtniveau te voorzien;
   (22) stadsverwarming of -koeling: de distributie van thermale energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen, voor het verwarmen of koelen van ruimtes of processen of voor warmwaterproductie;
   (23) verlichtingsontwerp: een plan of tekening met een nauwkeurige beschrijving van de samenstelling en indeling van verlichtingsarmaturen, met inbegrip van bijbehorende regelingsapparatuur.

Artikel 3

Vaststelling van een methodiek voor de berekening van de energieprestaties van gebouwen

1.  De Commissie stelt, na raadpleging van de relevante belanghebbenden en met name vertegenwoordigers van de plaatselijke, regionale en nationale autoriteiten uiterlijk op 31 maart 2010 voor de berekening van de energieprestaties van gebouwen een gemeenschappelijke methodiek vast overeenkomstig het algemene kader in bijlage I.

Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 22, lid 2.

2.  De lidstaten voeren deze gemeenschappelijke methodiek uit.

3.  De energieprestaties van gebouwen worden op transparante wijze uitgedrukt en omvatten een indicator voor de vraag naar primaire energie.

Artikel 4

Vaststelling van de minimumeisen voor de energieprestaties

1.  De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen opdat minimumeisen voor de energieprestaties van gebouwen en van bestanddelen van gebouwen en technische bouwsystemen en delen daarvan worden vastgesteld om ten minste kostenoptimale niveaus te bereiken, en worden berekend volgens de in artikel 3 bedoelde gemeenschappelijke methodiek.

Bij het vaststellen van de eisen raadplegen de lidstaten de overheid en andere belanghebbenden en kunnen zij onderscheid maken tussen nieuwe en bestaande gebouwen alsmede tussen verschillende categorieën gebouwen.

De eisen moeten consistent zijn met andere toepasselijke communautaire wetgeving en rekening houden met de algemene binnenklimaatsituatie en binnen- en buitenlicht - om eventuele negatieve neveneffecten zoals onvoldoende ventilatie of onvoldoende natuurlijk licht te voorkomen −, met de plaatselijke omstandigheden, met de gebruiksbestemming en met de ouderdom van het gebouw.

De eisen dienen regelmatig en ten minste om de vier jaar te worden getoetst, en ▌aan de technische vooruitgang in de bouwsector te worden aangepast.

Het bepaalde in dit artikel belet de lidstaten steun te geven voor de bouw van nieuwe gebouwen, ingrijpende renovaties en verbetering van bestanddelen en technische systemen die verder gaan dan de minimumvereisten van deze richtlijn.

2.  De lidstaten kunnen beslissen om ten aanzien van de volgende categorieën gebouwen geen eisen als bedoeld in lid 1 vast te stellen of toe te passen:

   a) gebouwen die officieel beschermd zijn als onderdeel van een daartoe aangewezen omgeving, dan wel vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, voor zover de toepassing van een specifieke minimumeis inzake energieprestaties hun karakter of aanzicht op onaanvaardbare wijze zou veranderen;
   b) gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten;
   c) tijdelijke gebouwen die in principe minder dan achttien maanden gebruikt worden, industriepanden, werkplaatsen en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven met een lage energiebehoefte en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven die in gebruik zijn bij een sector die onder een nationale sectorovereenkomst inzake energieprestaties valt;
  

   d) alleenstaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50 m2.

3.  Vanaf 30 juni 2012 verstrekken de lidstaten nog slechts stimulansen ▌voor de bouw of ingrijpende renovatie van gebouwen of delen van gebouwen, met inbegrip van bestanddelen van gebouwen, als de resultaten daarvan ten minste voldoen aan de minimumeisen inzake energieprestaties volgens de resultaten van de in artikel 5, lid 2, bedoelde berekening.

4.  ▌De lidstaten herzien de overeenkomstig lid 1 vastgestelde minimumeisen inzake energieprestaties en zorgen ervoor dat deze vereisten uiterlijk op 30 juni 2015 ten minste voldoen aan de resultaten van de in artikel 5, lid 2, bedoelde berekening.

5.  De lidstaten verlenen subsidie en technische advies voor specifieke programma's voor de aanpassing van historische gebouwen of centra aan energie-efficiëntie.

6.   nergieproductiesystemen en isolatiemaatregelen in historische centra worden aan een visuele-hinderbeoordeling onderworpen.

Artikel 5

Berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties

1.  De Commissie werkt, na raadpleging van de relevante belanghebbenden, met name vertegenwoordigers van de plaatselijke, regionale en nationale autoriteiten, en op basis van de in bijlage IV genoemde beginselen uiterlijk op 31 maart 2010 een gemeenschappelijke methodologie uit voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties voor gebouwen of delen van gebouwen. Deze gemeenschappelijke methodologie kan verwijzen naar relevante Europese normen en dient:

   een onderscheid te maken tussen nieuwe en bestaande gebouwen en tussen verschillende categorieën van gebouwen;
   de verschillende klimaatomstandigheden in de lidstaten en de waarschijnlijke verandering daarin tijdens de levensduur van het betrokken gebouw te weerspiegelen; en
   gemeenschappelijke aannamen of berekeningsmethoden voor energiekosten vast te stellen.

De Commissie toetst de gemeenschappelijke methodologie om de vijf jaar en actualiseert deze indien nodig.

Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2.  De lidstaten berekenen de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties aan de hand van de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke methodologie en de relevante parameters, zoals de klimatologische omstandigheden ▌.

De lidstaten brengen bij de Commissie verslag uit over alle inputgegevens en veronderstellingen die zij als basis voor deze berekeningen en de resultaten daarvan hebben gebruikt. Dit verslag wordt opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie. De lidstaten brengen om de drie jaar verslag uit bij de Commissie. Het eerste verslag wordt uiterlijk op 30 juni 2011 ingediend.

3.  De Commissie publiceert een verslag over de voortgang van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van dit artikel.

Artikel 6

Nieuwe gebouwen

▌De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat nieuwe gebouwen aan de overeenkomstig artikel 4 en het bepaalde in artikel 9 vastgestelde minimumeisen voor de energieprestaties voldoen.

Waar het gaat om nieuwe gebouwen bevorderen de lidstaten het gebruik van alternatieve systemen met een hoog rendement. Deze alternatieve systemen kunnen onder meer bestaan in:

   a) gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening gebaseerd op energie uit hernieuwbare bronnen;
   b) warmtekrachtkoppeling;
   c) stads/blokverwarming of -koeling, indien beschikbaar, in het bijzonder systemen die geheel of gedeeltelijk zijn gebaseerd op energie uit hernieuwbare bronnen;
   d) warmtepompen;
   e) ICT-apparatuur voor toezicht- en controledoeleinden.
  

Artikel 7

Bestaande gebouwen

De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer bestaande gebouwen een ingrijpende renovatie ondergaan of bestanddelen van gebouwen en technische bouwsystemen of onderdelen daarvan worden vernieuwd of vervangen, de energieprestaties ervan tot het niveau van de minimumeisen inzake energieprestaties worden opgevoerd, voor zover dit technisch, functioneel en economisch haalbaar is. Zij stellen deze minimumeisen voor de energieprestaties vast overeenkomstig artikel 4 en rekening houdend met de bepalingen in artikel 9. De eisen ▌worden vastgesteld ▌voor zowel de gerenoveerde systemen als de bestanddelen van gebouwen, wanneer deze vernieuwd of vervangen worden, alsook voor het gerenoveerde gebouw in zijn geheel, wanneer het om een ingrijpende renovatie gaat.

Als het gaat om gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, stimuleren de lidstaten dat de volgende alternatieve systemen met een hoog rendement worden bekeken en in aanmerking genomen:

   a) gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening gebaseerd op energie uit hernieuwbare bronnen;
   b) warmtekrachtkoppeling;
   c) stads/blokverwarming of -koeling, indien beschikbaar, in het bijzonder systemen die geheel of gedeeltelijk zijn gebaseerd op energie uit hernieuwbare bronnen;
   d) warmtepompen;
   e) ICT-apparatuur voor toezichts- en controledoeleinden.

Artikel 8

Technische bouwsystemenen bestanddelen van gebouwen

1.  De lidstaten stellen minimumeisen inzake energieprestaties vast met betrekking tot de bestanddelen van gebouwen en technische bouwsystemen die in de gebouwen zijn geïnstalleerd en in bedrijf gesteld en die niet vallen onder Richtlijn 2009/…/EG [houdende invoering van een kader voor de vaststelling van eisen met betrekking tot milieuvriendelijkheid en zuinig energiegebruik van producten] en de maatregelen ter uitvoering daarvan. Er worden eisen vastgesteld voor nieuwe bedrijfstechnische installaties, technische bouwsystemen en bestanddelen van gebouwen en onderdelen daarvan en voor de vervanging of het herstel daarvan, en die eisen worden toegepast voor zover zij technisch en functioneel haalbaar zijn.

De eisen hebben met name betrekking op:

   a) c.v.-ketels, andere warmtegeneratoren en warmtewisselaars van verwarmingssystemen, met inbegrip van stads/blokverwarming of -koeling;
   b) waterverwarmers in warmwatersystemen;
   c) centrale airconditioningseenheid of koudegenerator in airconditioningsystemen;
   d) geïnstalleerde verlichting;
   e) bestanddelen van gebouwen.

2.  De overeenkomstig lid 1 vastgestelde minimumeisen inzake energieprestaties moeten in overeenstemming zijn met alle wetgeving die van toepassing is op de producten waaruit het systeem en de bestanddelen van gebouwen bestaan en moeten gebaseerd zijn op de behoorlijke installatie van de producten en de geschikte aanpassing en controle van het technische bouwsysteem. Als het gaat om technische bouwsystemen moeten de eisen ervoor zorgen dat de technische installaties bij de ingebruikneming goed worden afgesteld, dat er een geschikt hydraulisch evenwicht wordt bereikt in de hydraulische "natte" verwarmingssystemen en dat de geschikte grootte en het geschikte type van product wordt gebruikt voor de installatie, gelet op het beoogde gebruik van het technische bouwsysteem.

3.  Overeenkomstig bijlage I van Richtlijn 2009/../EG van het Europees Parlement en de Raad van ... [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit](14). De lidstaten zorgen ervoor dat er "smart meters" worden geïnstalleerd in alle nieuwe gebouwen en gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd en wanneer een meter wordt vervangen, en stimuleren de plaatsing, waar nodig, van actieve controlesystemen, zoals systemen voor automatisering, controle en toezicht.

Artikel 9

Energieneutrale gebouwen

1.  De lidstaten stellen nationale plannen op om te zorgen voor een toename van het aantal energieneutrale gebouwen ▌.

De lidstaten verzekeren dat alle nieuwe gebouwen uiterlijk op 31 december 2018 energieneutrale gebouwen zijn.

De lidstaten stellen streefcijfers vast voor het minimale percentage ▌gebouwen die in respectievelijk 2015 en 2020 energieneutrale gebouwen zijn, gemeten als percentage van het totaal aantal gebouwen en als percentage van de totale bruikbare vloeroppervlakte.

Er worden afzonderlijke streefcijfers vastgesteld voor:

   a) nieuwe en gerenoveerde residentiële gebouwen;
   b) nieuwe en gerenoveerde niet-residentiële gebouwen;
   c) gebouwen waarin overheidsdiensten zijn gevestigd.

De lidstaten stellen afzonderlijke streefcijfers vast voor nieuwe en bestaande gebouwen als bedoeld onder c) die ten minste drie jaar voor de in dit artikel vastgestelde streefcijfers gelden, en houden daarbij rekening met de leidende rol die overheden dienen te vervullen op het gebied van energieprestaties van gebouwen.

2.  Het in lid 1 bedoelde nationale plan wordt opgesteld in overleg met alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van de plaatselijke en regionale overheden, en omvat onder meer de volgende elementen:

   a) tussentijdse streefcijfers, uitgedrukt als een percentage ║ van het totaal aantal gebouwen en van de totale bruikbare vloeroppervlakte in 2015en 2020;
   b) nadere informatie over de eisen van de lidstaat inzake minimale niveaus voor energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, zoals bepaald in Richtlijn 2009/28/EG en de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn;
   c) een overzicht van het hele beleid en alle informatie over genomen maatregelen ter bevordering van dergelijke gebouwen;
   d) nationale, regionale of lokale programma's ter ondersteuning van energieprestatiemaatregelen, zoals fiscale stimulansen, financiële instrumenten of een verlaagd BTW-tarief.

3.  De lidstaten delen de in lid 1 bedoelde nationale plannen tegen ten laatste 30 juni 2011 aan de Commissie mee en brengen om de drie jaar bij de Commissie verslag uit over de voortgang in de tenuitvoerlegging van hun nationale plannen. De nationale plannen en voortgangsverslagen ▌worden opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie.

4.  Binnen twee maanden na de bekendmaking van een nationaal plan door een lidstaat volgens lid 3 kan de Commissie, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, dat plan of een aspect ervan verwerpen als zij meent dat het niet voldoet aan alle eisen van dit artikel. In dat geval stelt de lidstaat wijzigingen voor. Binnen een maand na ontvangst van deze voorstellen aanvaardt de Commissie het plan of verzoekt zij om verdere specifieke wijzigingen. De Commissie en de betrokken lidstaat zetten alle redelijke stappen om het nationale plan binnen vijf maanden na de eerste bekendmaking ervan goed te keuren.

5.  De Commissie stelt overeenkomstig de definitie in artikel 2, uiterlijk op 31 december 2010 een gedetailleerde gemeenschappelijke definitie voor energieneutrale gebouwen vast.

Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

6.  De Commissie publiceert uiterlijk op 30 juni 2012 en vervolgens om de drie jaar een verslag over de voortgang van de lidstaten bij het bevorderen van de toename van het aantal energieneutrale gebouwen ▌. Op basis van dit verslag werkt zij een actieplan uit en stelt, indien nodig, maatregelen voor om het aantal dergelijke gebouwen te doen toenemen.

Artikel 10

Financiële stimulansen en marktbelemmeringen

1.  De lidstaten stellen uiterlijk 30 juni 2011 nationale actieplannen op waarin maatregelen worden voorgesteld om aan de in deze richtlijn vastgelegde eisen te voldoen door beperking van de wettelijke en marktbelemmeringen en de ontwikkeling van bestaande en nieuwe financiële en fiscale instrumenten om de energie-efficiëntie van nieuwe en bestaande gebouwen te verbeteren.

Deze voorgestelde maatregelen moeten toereikend, doeltreffend, transparant en niet-discriminerend zijn, de uitvoering van de aanbevelingen in het energieprestatiecertificaat schragen, gericht zijn op bevordering van forse verbeteringen van de energieprestatie van gebouwen wanneer een verbetering anders economisch niet haalbaar zou zijn, en steunmaatregelen omvatten voor huishoudens die gevaar lopen tot energiearmoede te vervallen.

De lidstaten vergelijken hun financiële en fiscale instrumenten met de instrumenten die vermeld staan in bijlage V en voeren, onverminderd de nationale wetgeving, ten minste twee maatregelen van die bijlage uit.

2.  De lidstaten doen deze nationale actieplannen als onderdeel van de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie toekomen aan de Commissie en actualiseren ze eens in de drie jaar.

3.  De Commissie dient uiterlijk op 30 juni 2010 na een effectbeoordeling wetgevingsvoorstellen in om de bestaande communautaire financiële instrumenten te versterken en nieuwe instrumenten voor te stellen ter ondersteuning van de uitvoering van deze richtlijn.

Deze voorstellen behelzen de volgende maatregelen:

   a) in het kader van de herziening van Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling(15) voor de volgende programmeringsperiode, een aanzienlijke verhoging van het maximumbedrag voor steunverlening uit het EFRO ter bevordering van energie-efficiëntie, zoals stadsverwarming en -koeling en investeringen in hernieuwbare energie in de woningsector alsmede verruiming van de mogelijkheden om dit soort projecten te subsidiëren;
   b) de aanwending van andere communautaire fondsen ter ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling, voorlichtingscampagnes en opleiding in verband met energie-efficiëntie;
   c) de oprichting van een fonds voor energie-efficiëntie met bijdragen uit de communautaire begroting, van de Europese Investeringsbank en van de lidstaten, dat ten doel heeft ervoor te zorgen dat er tegen 2020 meer particuliere en openbare investeringen worden gedaan in projecten voor verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen en hernieuwbare energie in gebouwen of bestanddelen van gebouwen. Dit fonds voor energie-efficiëntie moet worden opgenomen in de andere communautaire structuursteunprogramma's. De criteria voor de toekenning ervan worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(16), en het fonds moet uiterlijk in 2014 een feit zijn;
   d) een verlaagd btw-tarief voor diensten en producten, met inbegrip van energie uit hernieuwbare bronnen in gebouwen en bestanddelen van gebouwen, die dienen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

Artikel 11

Energieprestatiecertificaten

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om een systeem van energieprestatiecertificaten voor gebouwen op touw te zetten. Het energieprestatiecertificaat bevat de energieprestaties van een gebouw en referentiewaarden, zoals minimumeisen inzake energieprestaties, waarmee de eigenaars of huurders van het gebouw of delen daarvan de energieprestaties kunnen ▌beoordelen en deze gemakkelijk kunnen vergelijken met andere, al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen. Het certificaat kan voor gebouwen die niet voor bewoning bestemd zijn, indien nodig, ook het bestaande jaarlijkse energieverbruik vermelden, als bedoeld in bijlage I.

Wanneer een gebouw voorafgaand aan de bouw wordt verkocht of verhuurd, zal de verkoper (verhuurder) een nauwkeurige schriftelijke raming overleggen van de verwachte energieprestaties.

2.  Het certificaat bevat aanbevelingen voor de kostenoptimale verbetering van de energieprestaties van een gebouw of delen daarvan.

De in het energieprestatiecertificaat opgenomen aanbevelingen omvatten:

   a) maatregelen die verband houden met een ingrijpende renovatie van de bouwschil, met inbegrip van de isolatiesystemen, of technische bouwsystemen;
   b) maatregelen voor individuele onderdelen of elementen van een gebouw, losstaand van een ingrijpende renovatie van de bouwschil, met inbegrip van de isolatiesystemen, of technische bouwsystemen.

3.  De in het energieprestatiecertificaat opgenomen aanbevelingen moeten technisch haalbaar zijn voor het gebouw in kwestie en moeten transparante informatie verschaffen, met inbegrip van ten minste een duidelijke opgave van het berekende energiebesparingspotentieel van de maatregel, de huidige nettowaarde en de investeringskosten voor het specifieke gebouw of soort gebouw. De beoordeling van de kosten is gebaseerd op een reeks standaardvoorwaarden, waartoe ten minste behoren de beoordeling van energiebesparingen en de onderliggende energieprijzen, de financiële of fiscale stimulansen en rentevoeten voor investeringen die nodig zijn om de aanbevelingen ten uitvoer te leggen.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de overheidsinstanties en andere instellingen die de aankoop of renovatie van gebouwen financieren, bij het vaststellen van de hoogte van en de voorwaarden voor financiële stimulansen, fiscale maatregelen en leningen rekening houden met de opgegeven energieprestaties en de aanbevelingen in de energieprestatiecertificaten.

5.  Het energieprestatiecertificaat geeft aan of de eigenaar of huurder meer informatie kan verkrijgen over de in het certificaat verstrekte aanbevelingen. Daarnaast bevat het informatie over de stappen die moeten worden ondernomen om de aanbevelingen ten uitvoer te leggen, met inbegrip van informatie over beschikbare fiscale en financiële stimulansen en financieringsmogelijkheden.

6.  Gezien de voortrekkersrol die zij moeten spelen op het gebied van de energieprestaties van gebouwen dienen overheidsinstanties de aanbevelingen in het energieprestatiecertificaat dat is uitgegeven voor gebouwen waarzij werken, binnen de geldigheidsperiode ervan uit te voeren.

7.  De certificering van appartementen of van voor apart gebruik ontwikkelde eenheden die deel uitmaken van een bouwblok is mogelijk op basis van:

   a) een gemeenschappelijke certificering voor het gehele gebouw, wanneer het gaat om een blok met een gemeenschappelijk verwarmingssysteem; of
   b) keuring van de energieprestaties van dat appartement of die eenheid.

8.  De certificering van eengezinswoningen mag gebaseerd zijn op de beoordeling van een ander representatief gebouw met een soortgelijk ontwerp, soortgelijke omvang en soortgelijke eigenlijke energieprestaties, indien deze overeenstemming kan worden gegarandeerd door de deskundige die het energieprestatiecertificaat afgeeft.

9.  Het energieprestatiecertificaat is niet langer dan tien jaar geldig.

10.  De Commissie neemt uiterlijk op 30 juni 2010 richtsnoeren aan waarin minimumnormen voor de inhoud, taal en vorm van energieprestatiecertificaten worden gegeven.

Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

11.  Elke lidstaat erkent de in een andere lidstaat overeenkomstig deze richtsnoeren afgegeven certificaten en legt geen beperkingen op aan de vrijheid om financiële diensten te verlenen of de vrije vestiging om redenen die verband houden met het in een andere lidstaat afgegeven certificaat.

12.  Uiterlijk in 2011 ontwikkelt de Commissie op basis van informatie van de lidstaten en in overleg met de betrokken sectoren een vrijwillig gemeenschappelijk EU-certificeringssysteem voor de energieprestatie van niet-residentiële gebouwen middels de in artikel 21 genoemde comitologieprocedure.

Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt de wijzigingen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Uiterlijk in 2012 voert elke lidstaat de in alinea 1 bedoelde vrijwillige EU-certificering in, die naast de nationale certificeringsregeling zal functioneren.

Artikel 12

De afgifte van energieprestatiecertificaten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een energieprestatiecertificaat wordt afgegeven voor gebouwen of delen daarvan die worden gebouwd, verkocht of verhuurd en voor gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2 die veelvuldig door het publiek worden bezocht en voor gebouwen die door de overheid worden gebruikt.

2.  De lidstaten eisen dat bij de bouw van een gebouw of delen daarvan door de onafhankelijke expert die het certificaat afgeeft, als bedoeld in artikel 17, of door de verkoper aan de eigenaar een energieprestatiecertificaat wordt overhandigd.

3.  De lidstaten eisen dat, wanneer gebouwen of delen daarvan te koop worden aangeboden, de numerieke energieprestatie-indicator van het energieprestatiecertificaat wordt vermeld in alle advertenties voor de verkoop van het gebouw of delen daarvan, en dat het energieprestatiecertificaat aan de toekomstige koper wordt voorgelegd.

Het energieprestatiecertificaat wordt ten laatste op het moment van het sluiten van het contract van de verkoop van het gebouw of onderdelen daarvan door de verkoper aan de koper versterkt.

4.  De lidstaten eisen dat, wanneer gebouwen of delen daarvan te huur worden aangeboden, de numerieke energieprestatie-indicator van het energieprestatiecertificaat wordt vermeld in alle advertenties voor de verhuur van het gebouw of delen daarvan, en dat het energieprestatiecertificaat aan de toekomstige huurder wordt voorgelegd.

Het energieprestatiecertificaat wordt ten laatste op het moment van het sluiten van het huurcontract door de eigenaar aan de huurder versterkt.

5.  De eigenaar van een gebouw kan te allen tijde een erkend deskundige verzoeken om een energieprestatiecertificaat op te stellen, opnieuw te berekenen of te actualiseren, ongeacht de vraag of het gebouw nieuw is gebouwd of gerenoveerd en of het wordt verhuurd of verkocht.

6.  De lidstaten kunnen de in artikel 4, lid 2, bedoelde categorieën van gebouwen van de toepassing van de leden 1, 2, 3 en 4 van dit artikel uitsluiten.

Artikel 13

Afficheren van energieprestatiecertificaten

▌De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat in gebouwen die door overheidsdiensten worden gebruikt of gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 205 m2 die veelvuldig door het publiek worden bezocht, het energieprestatiecertificaat wordt geafficheerd op een opvallende plaats die duidelijk zichtbaar is voor het publiek.

Artikel 14

Keuring van verwarmingssystemen

1.  De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van met niet-hernieuwbare vloeibare of vaste brandstoffen gestookte c.v.-ketels met een nominaal vermogen van meer dan 20 kW. De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte ten opzichte van de verwarmingsbehoeften van het gebouw. De lidstaten mogen deze keuringen opschorten, wanneer een elektronisch toezicht- en controlesysteem is ingevoerd.

2.  De lidstaten kunnen de frequentie van de keuringen laten variëren naargelang het type en het nominaal vermogen ▌van het verwarmingssysteem. Bij het bepalen van de frequentie houden de lidstaten rekening met de kosten voor de keuring van het verwarmingssysteem en de geraamde besparingen van energiekosten die uit de keuring kunnen voortvloeien.

3.  Verwarmingssystemen met c.v.-ketels met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW dienen ten minste om de twee jaar gekeurd te worden;

voor gasketels kan deze periode verlengd worden tot vier jaar;

4.  In afwijking van de leden 1, 2 en 3 mogen de lidstaten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de gebruikers geadviseerd worden over vervanging van de c.v.-ketels, andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen om de doeltreffendheid en de juiste grootte van de ketel te beoordelen. Deze aanpak dient hetzelfde resultaat op te leveren als het bepaalde in de leden 1, 2 en 3.

De lidstaten die de in de eerste alinea van dit lid bedoelde maatregelen toepassen, brengen tegen ten laatste 30 juni 2011 bij de Commissie verslag uit over de gelijkwaardigheid van die maatregelen met de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde maatregelen. De lidstaten brengen om de drie jaar verslag uit bij de Commissie. De verslagen mogen worden opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie.

Indien de Commissie van oordeel is dat het in de tweede alinea bedoelde verslag van een lidstaat niet aantoont dat met deze aanpak hetzelfde resultaat wordt bereikt, zoals bepaald in de eerste alinea, dan kan zij binnen zes maanden na het verslag ontvangen te hebben eisen dat de lidstaat ofwel nadere informatie verstrekt of specifieke aanvullende maatregelen neemt. Als de Commissie een jaar na haar verzoek niet tevreden is met de verstrekte informatie of de genomen aanvullende maatregelen, dan kan zij de afwijking intrekken.

Artikel 15

Keuring van airconditioningsystemen

1.  De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van airconditioning- en ventilatiesystemen en omkeerbare warmtepompen met een nominaal koelvermogen van meer dan 5 kW. De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan gelet op de koelingsbehoefte van het gebouw. Tot de keuring van de ventilatiesystemen behoort ook een beoordeling van de luchtstromen.

De lidstaten mogen deze keuringen opschorten, wanneer een elektronisch toezicht- en controlesysteem is ingevoerd dat toezicht op afstand op de doelmatigheid en veiligheid van de systemen mogelijk maakt.

2.  De lidstaten kunnen de frequentie van de keuringen laten variëren naargelang het type en het nominaal vermogen van het airconditioningsysteem, het ventilatiesysteem of de omkeerbare warmtepompen. Bij het bepalen van de frequentie houden de lidstaten rekening met de kosten voor de keuring ▌en de geraamde besparingen van energiekosten die uit de keuring kunnen voortvloeien.

3.  Bij het vastleggen van de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen zorgen de lidstaten, voor zover dit economisch en technisch haalbaar is, ervoor dat de keuringen worden uitgevoerd overeenkomstig de keuringen van verwarmingssystemen en andere technische systemen als bedoeld in artikel 14 van deze richtlijn en de inspecties op lekkages als vastgelegd in Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen(17).

4.  In afwijking van de leden 1 en 2 mogen de lidstaten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de gebruikers geadviseerd worden over de vervanging of andere wijzigingen van het airconditioningsysteem, onder meer keuringen om de doeltreffendheid en de juiste grootte van het airconditioningsysteem te beoordelen. Deze aanpak dient bij benadering hetzelfde resultaat op te leveren als het bepaalde in de leden 1 en 2.

De lidstaten die de in de eerste alinea van dit lid bedoelde maatregelen toepassen, brengen uiterlijk op 30 juni 2011 bij de Commissie verslag uit over de gelijkwaardigheid van die maatregelen met de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen. De lidstaten brengen om de drie jaar verslag uit bij de Commissie. De verslagen mogen worden opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie.

Indien de Commissie van oordeel is dat het in de tweede alinea bedoelde verslag van een lidstaat niet aantoont dat met deze aanpak hetzelfde resultaat wordt bereikt, zoals bepaald in de eerste alinea, dan kan zij binnen zes maanden na het verslag ontvangen te hebben eisen dat de lidstaat ofwel nadere informatie verstrekt ofwel specifieke aanvullende maatregelen neemt. Als de Commissie een jaar na haar verzoek niet tevreden is met de verstrekte informatie of de genomen aanvullende maatregelen, dan kan zij de afwijking intrekken.

Artikel 16

Verslagen over de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen

1.  Dit artikel heeft betrekking op verslagen over de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen.

2.  Er wordt regelmatig een keuringsverslag ingediend voor elk gekeurd systeem. Het keuringsverslag bevat het volgende:

  a) een vergelijking van de energieprestaties van het gekeurde systeem met:
   (i) het best haalbare systeem dat beschikbaar is; en
   (ii) een soortgelijk systeem waarvan alle onderdelen voldoen aan het door de desbetreffende wetgeving vereiste energieprestatieniveau;
   b) aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestaties van het systeem van het gebouw of delen daarvan.

De onder b) bedoelde aanbevelingen hebben specifiek betrekking op het systeem en bieden transparante informatie over de kosteneffectiviteit ervan. De beoordeling van de kosteneffectiviteit is gebaseerd op een reeks standaardvoorwaarden, bijvoorbeeld voor de beoordeling van energiebesparingen en de onderliggende energieprijzen en rentevoeten voor investeringen.

3.  Het keuringsverslag wordt door de inspecteur aan de eigenaar of huurder van het gebouw overhandigd.

Artikel 17

Onafhankelijke deskundigen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de energieprestatiecertificering van gebouwen en de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen op onafhankelijke wijze worden uitgevoerd door gekwalificeerde en erkende deskundigen die hetzij in de hoedanigheid van zelfstandige hetzij in dienst van een openbaar orgaan of particuliere onderneming optreden.

De deskundigen worden geaccrediteerd naargelang hun competenties en hun onafhankelijkheid.

2.  De lidstaten zorgen voor de wederzijdse erkenning van de nationale kwalificatie en accreditatie.

3.  De Commissie stelt uiterlijk in 2011 richtsnoeren op met onder meer aanbevelingen voor minimumnormen voor de reguliere opleiding van deskundigen.

Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.  De lidstaten maken informatie over opleiding en accreditering openbaar toegankelijk. De lidstaten stellen ook een lijst met geaccrediteerde deskundigen op en maken deze bekend.

Artikel 18

Onafhankelijk controlesysteem

1.  De lidstaten stellen overeenkomstig bijlage II een onafhankelijk controlesysteem vast voor de energieprestatiecertificaten en voor de keuringsverslagen van verwarmings- en airconditioningsystemen. De lidstaten roepen gesplitste handhavingsmechanismen in het leven voor organisaties die verantwoordelijk zijn voor het opleggen van energieprestatiecertificaten en verslagen over de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen.

2.  De lidstaten mogen de tenuitvoerlegging van de onafhankelijke controlesystemen delegeren, mits ║ zien zij erop toezien dat die systemen ten uitvoer worden gelegd overeenkomstig bijlage II.

3.  De lidstaten vereisen dat de energieprestatiecertificaten en de in lid 1 genoemde keuringsverslagen geregistreerd worden of ter beschikking worden gesteld van de bevoegde instanties of organen waaraan de tenuitvoerlegging van de onafhankelijke controlesystemen door de bevoegde instanties op verzoek werd gedelegeerd.

Artikel 19

Evaluatie

De Commissie, bijgestaan door het bij artikel 22 ingestelde comité, voert een evaluatie van deze richtlijn uit en herziet deze eventueel uiterlijk in 2015 in het licht van de ervaring die is opgedaan met en de vorderingen die zijn gemaakt bij de toepassing ervan en doet zo nodig voorstellen voor onder andere:

   a) methoden om de energieprestaties van gebouwen in kaart te brengen op grond van het primaire energieverbruik en de kooldioxide-uitstoot;
   b) algemene stimulansen voor het nemen van extra maatregelen voor de energie-efficiëntie van gebouwen;
   c) vaststelling van een voor de hele Gemeenschap geldende eis dat bestaande gebouwen energieneutraal zijn.

Artikel 20

Informatie

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de eigenaars en huurders van gebouwen of delen daarvan te informeren over de verschillende methoden en praktijken om de energieprestaties te verbeteren.

2.  Meer bepaald verstrekken de lidstaten de eigenaars en huurders van gebouwen informatie over de energieprestatiecertificaten en keuringsverslagen en het doel ervan, over kosteneffectieve manieren om de energieprestaties van het gebouw te verbeteren en over de financiële gevolgen op middellange en lange termijn indien er geen actie wordt ondernomen, alsmede over financiële instrumenten die beschikbaar zijn om de energieprestaties van het gebouw te verbeteren. Middels voorlichtingscampagnes moeten eigenaars en huurders worden aangemoedigd om ten minste te voldoen aan de in de artikelen 4 en 9 genoemde minimumeisen.

Op verzoek assisteert de Commissie de lidstaten bij de voorlichtingcampagnes in het kader van lid 1 en de eerste alinea van dit lid, die kunnen worden opgezet in de vorm van communautaire programma's.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de plaatselijke en regionale overheden betrokken worden bij het opstellen van programma's voor voorlichting, opleiding en bewustmaking.

4.  De lidstaten moeten tevens met de medewerking van lokale en regionale overheden zorgen voor passende richtsnoeren en opleiding voor personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze richtlijn door planning en het opleggen van bouwvoorschriften. Deze richtsnoeren en opleiding moeten vooral de nadruk leggen op het belang van betere energieprestaties en een optimale combinatie mogelijk maken van verbeteringen in energie-efficiëntie en gebruikmaking van energie uit hernieuwbare bronnen en stadsverwarming en -koeling bij het plannen, ontwerpen, bouwen en renoveren van industrie- en woongebieden.

5.  Eigenaars en huurders van commerciële gebouwen wisselen informatie uit over het werkelijke energieverbruik.

6.  De lidstaten geven de Commissie informatie over:

   a) steunregelingen op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau ter bevordering van de energie-efficiëntie en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in gebouwen;
   b) het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen dat in gebouwen op nationaal en regionaal niveau wordt gebruikt, met inbegrip van specifieke informatie over de vraag of de energie uit hernieuwbare bronnen afkomstig is van een installatie ter plaatse, stadsverwarming en -koeling of warmtekrachtkoppeling.

Deze informatie wordt opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie.

7.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om meer installateurs op te leiden en te zorgen voor een hoger opleidingsniveau op het gebied van het plaatsen en inbouwen van de vereiste energie-efficiënte en hernieuwbare technologie, zodat zij de belangrijke rol kunnen spelen die hun toekomt bij het verbeteren van de energie-efficiëntie van gebouwen.

8.  Uiterlijk in 2010 creëert de Commissie een website met de volgende informatie:

   a) de meest recente versie van elk actieplan voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG;
   b) gedetailleerde informatie over bestaande maatregelen op communautair niveau voor verbetering van de energieprestaties van gebouwen, met inbegrip van alle toepasselijke financiële/fiscale instrumenten en bijzonderheden betreffende aanvragen en contactpunten;
   c) gedetailleerde informatie over nationale actieplannen en nationale, regionale en lokale maatregelen die in elke lidstaat gelden voor verbetering van de energieprestaties van gebouwen, met inbegrip van alle toepasselijke financiële/fiscale instrumenten en bijzonderheden betreffende wijze van aanvragen en contactpunten;
   d) voorbeelden van beste praktijken op het nationale, regionale en lokale vlak ter verbetering van de energieprestaties van gebouwen.

De in alinea 1 bedoelde informatie wordt verstrekt in een makkelijk toegankelijke vorm die begrijpelijk is voor normale huurders, eigenaars en bedrijven uit alle lidstaten en alle lokale, regionale en nationale overheden. De vorm is zodanig dat deze individuen en organisaties de voor hen beschikbare steun makkelijk opnemen om de energieprestaties van gebouwen te verbeteren en de steunmaatregelen van de verschillende lidstaten te vergelijken.

Artikel 21

Aanpassing van bijlage I aan de technische vooruitgang

De Commissie zorgt voor de aanpassing van de delen 3 en 4 van bijlage I aan de technische vooruitgang.

Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 22, lid 2.

Artikel 22

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 23

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 december 2010 datum in kennis van die bepalingen en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen daarop. De lidstaten verstrekken gegevens waaruit blijkt dat de sanctiebepalingen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie doeltreffend zijn.

Artikel 24

Omzetting

1.  De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2010 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan de artikelen 2 tot en met 18, 20 en 23 en de bijlagen I en II van deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een concordantietabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

De lidstaten passen die bepalingen wat betreft de artikelen 2, 3, 9, 11 tot en met 13, 17, 18, 20 en 23 toe vanaf ten laatste 31 december 2010.

De lidstaten passen die bepalingen wat betreft de artikelen 4 tot en met 8, 14 tot en met 16 en 18 toe op door de overheid gebruikte gebouwen vanaf uiterlijk 31 december 2010 en op andere gebouwen vanaf uiterlijk 31 januari 2012.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In die bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 25

Intrekking

Richtlijn 2002/91/EG, gewijzigd bij de in bijlage III, deel A, genoemde verordening, is met ingang van 1 februari 2012 niet meer geldig, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de termijn voor omzetting in nationaal recht en de toepassing van de in bijlage III, deel B, genoemde richtlijn.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VI.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 27

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Algemene kaderrichtsnoeren voor het berekenen van energieprestaties van gebouwen (als bedoeld in artikel 3)

1.  De energieprestaties van een gebouw worden bepaald op basis van de berekende of eigenlijke jaarlijkse primaire energie die wordt verbruikt om tegemoet te komen aan de verschillende behoeften die gepaard gaan met het gangbare gebruik ervan en geeft aan welke verwarmingsenergie en koelingsenergie (energie om oververhitting te voorkomen) vereist is om de beoogde temperatuur van het gebouw in stand te houden. Het verbruik wordt, waar van toepassing, afgewogen tegen de energie uit hernieuwbare bronnen die ter plaatse wordt geproduceerd.

2.  De energieprestaties van een gebouw worden op een transparante manier aangegeven en bevatten ook een numerieke indicator van ▌het primaire energieverbruik, uitgedrukt in kWh/m2 per jaar.

Bij de methode voor de berekening van de energieprestaties van gebouwen dient gebruik te worden gemaakt van de Europese normen en relevante communautaire wetgeving, met inbegrip van Richtlijn 2009/28/EG.

Bij de evaluatie van de energieprestatie van het elektriciteitsgebruik in een gebouw wordt bij de omrekeningsfactor van eind- naar primaire energie rekening gehouden met het gewogen jaarlijkse gemiddelde van het passende elektriciteitsbrandstoffen-mengsel.

3.  Bij de bepaling van de methode worden ten minste de volgende aspecten in aanmerking genomen:

  a) de volgende eigenlijke thermische kenmerken van het gebouw, inclusief binnenruimten
   (i) warmtecapaciteit;
   (ii) isolatie, als bereikt met de minst warmtegeleidende materialen die beschikbaar zijn;
   (iii) passieve verwarming;
   (iv) koelingselementen; en
   (v) koudebruggen;
   b) verwarmingsinstallatie en warmwatervoorziening, met inbegrip van de isolatiekenmerken;
   c) airconditioningsystemen, met inbegrip van koelsystemen;
   d) natuurlijke en mechanische ventilatie, wat ook luchtdichtheid kan omvatten;
   e) ingebouwde lichtsystemen die worden bepaald door een belichtingontwerp waarbij rekening wordt gehouden met de juiste lichtintensiteit voor de functies waarvoor de ruimte wordt gebruikt, de aanwezigheid van personen, de beschikbaarheid van de juiste hoeveelheid natuurlijk licht, de flexibele aanpassing aan de lichtintensiteit met betrekking tot de verschillende functies en de vraag of de installatie al dan niet voor woningen bedoeld is.
   f) ontwerp, plaatsing en oriëntatie van het gebouw, met inbegrip van het buitenklimaat;
   g) passieve zonnesystemen, zonwering;
   h) de kwaliteit van het binnenklimaat, inclusief het kunstmatig binnenklimaat;
   i) interne belasting.

4.  Bij deze berekening wordt, indien van toepassing, rekening gehouden met de positieve invloed van de volgende aspecten:

   a) plaatselijke blootstelling aan zonlicht, actieve zonnesystemen en andere verwarmings- en elektriciteitssystemen op basis van hernieuwbare energiebronnen;
   b) elektriciteit geproduceerd door middel van warmtekrachtkoppeling;
   c) verwarmings- en koelsystemen per blok of wijk;
   d) natuurlijk licht.

5.  Ten behoeve van deze berekening worden gebouwen op een geschikte wijze onderverdeeld in de volgende categorieën:

   a) eengezinswoningen van verschillende typen;
   b) appartementencomplexen;
   c) kantoren;
   d) onderwijsgebouwen;
   e) ziekenhuizen;
   f) hotels en restaurants;
   g) sportvoorzieningen;
   h) kleinhandelsgebouwen;
   i) groothandels- en logistieke gebouwen;
   k) andere typen energieverbruikende gebouwen.

BIJLAGE II

Onafhankelijke systemen voor de controle van energieprestatiecertificaten en keuringsverslagen

1.  De bevoegde instanties of organen waaraan de tenuitvoerlegging van het onafhankelijke controlesysteem door de bevoegde instanties is gedelegeerd, maken een willekeurige selectie van ten minste 0,5% van alle keuringsverslagen die jaarlijks door elke deskundige worden verstrekt en onderwerpen deze certificaten aan een controle. Indien een onafhankelijke deskundige slechts een paar keuringscertificaten afgeeft, maken de bevoegde instanties of organen een willekeurige selectie van ten minste één certificaat en onderwerpen zij dit aan een controle. De controle wordt uitgevoerd op een van de onderstaande niveaus en elk controleniveau wordt uitgevoerd voor ten minste een statistisch relevant aandeel van de geselecteerde keuringsverslagen:

   a) controle van de geldigheid van de inputgegevens van het gebouw, die worden gebruikt voor de afgifte van het energieprestatiecertificaat en de in het certificaat vermelde resultaten;
   b) controle van de inputgegevens en van de resultaten van het certificaat, inclusief de verstrekte aanbevelingen;
   c) volledige controle van de inputgegevens van het gebouw die worden gebruikt voor de afgifte van het energieprestatiecertificaat, volledige controle van de in het certificaat vermelde resultaten, inclusief de verstrekte aanbevelingen, en bezoek aan het gebouw om de overeenstemming na te gaan tussen de in het energieprestatiecertificaat vermelde specificaties en het gecertificeerde gebouw.

2.  Indien uit de controles blijkt dat niet aan de eisen is voldaan, maken de bevoegde instanties en organen een willekeurige selectie uit vijf extra keuringscertificaten die door dezelfde deskundige zijn afgegeven en onderwerpen zij deze certificaten aan een controle. De bevoegde instanties en organen leggen sancties op aan de deskundige, indien uit de bijkomende controles blijkt dat niet aan de eisen is voldaan. De ernstigste inbreuken kunnen worden gestraft met het intrekken van de erkenning van de deskundige.

3.  De bevoegde instanties of organen waaraan de tenuitvoerlegging van het onafhankelijke controlesysteem door de bevoegde instanties is gedelegeerd, maken een willekeurige selectie van ten minste 0,1% van alle keuringsverslagen die jaarlijks door elke deskundige worden afgegeven en onderwerpen deze verslagen aan een controle. Indien een onafhankelijke deskundige slechts een paar keuringscertificaten afgeeft, maken de bevoegde instanties of organen een willekeurige selectie van ten minste één certificaat en onderwerpen zij dit aan een controle. De controle wordt uitgevoerd op een van de onderstaande niveaus en elk controleniveau wordt uitgevoerd voor ten minste een statistisch relevant aandeel van de geselecteerde keuringsverslagen:

   a) controle van de geldigheid van de inputgegevens van het geïnspecteerde technische bouwsysteem, die worden gebruikt voor de afgifte van het keuringsverslag en de in het keuringsverslag vermelde resultaten;
   b) controle van de inputgegevens en van de resultaten van het keuringsverslag, inclusief de verstrekte aanbevelingen;
   c) volledige controle van de inputgegevens van het geïnspecteerde technische bouwsysteem, die worden gebruikt voor de afgifte van het keuringsverslag, volledige controle van de in het keuringsverslag vermelde resultaten, inclusief de verstrekte aanbevelingen, en bezoek aan het gebouw om de overeenstemming na te gaan tussen de in het keuringsverslag vermelde specificaties en het geïnspecteerde technische bouwsysteem.

4.  Indien uit de controles blijkt dat niet aan de eisen is voldaan, maken de bevoegde instanties en organen een willekeurige selectie uit vijf extra inspectieverslagen die door dezelfde deskundige zijn afgegeven en onderwerpen zij deze verslagen aan een controle. De bevoegde instanties en organen leggen sancties op aan de deskundige, indien uit de bijkomende controles blijkt dat niet aan de eisen is voldaan. De ernstigste inbreuken kunnen worden gestraft met het intrekken van de erkenning van de deskundige.

BIJLAGE III

Deel A

Ingetrokken richtlijn en wijziging ervan

(bedoeld in artikel 24)

Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 1 van 4.1.2003, blz. 65)

Verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 311 van 21.11.2008, blz. 1)

uitsluitend punt 9.9 van de bijlage

Deel B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing

(bedoeld in artikel 24)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Datum van aanvraag

2002/91/EG

4 januari 2006

4 januari 2009, alleen voor de artikelen 7, 8 en 9

BIJLAGE IV

Principes voor een gemeenschappelijke methodiek voor de berekening van kostenoptimale niveaus

Bij de vaststelling van een gemeenschappelijke methodiek voor de berekening van de kostenoptimale niveaus houdt de Commissie zich ten minste aan de volgende principes:

   zij leggen referentiegebouwen vast die worden gekenmerkt door en representatief zijn voor hun functionaliteit en geografische ligging, met inbegrip van interne en externe klimaatomstandigheden. Tot de referentiegebouwen behoren zowel nieuwe als bestaande residentiële en niet-residentiële gebouwen;
   zij leggen technische pakketten (bijv. isolatie van de schil of delen van het gebouw of energie-efficiëntere technische bouwsystemen) van maatregelen inzake energie-efficiëntie en energieleverantie vast die moeten worden geëvalueerd;
   zij leggen volledige technische pakketten voor energieneutrale gebouwen vast;
   zij beoordelen de behoefte aan energie voor verwarming en koeling, de geleverde energie, de ter plaatse geproduceerde hernieuwbare energie, de gebruikte primaire energie en de CO2-emissies van de referentiegebouwen (met inbegrip van de vastgelegde technische pakketten die zijn toegepast);
   zij evalueren de overeenkomstige energiegerelateerde investeringskosten, energiekosten en andere lopende kosten van de technische pakketten die op de referentiegebouwen toegepast zijn vanuit maatschappelijk gezichtspunt als vanuit het gezichtspunt van de eigenaar of investeerder;
   regionale/lokale arbeidskosten, inclusief materiaal.

Door de levenscycluskosten van een gebouw te berekenen op basis van de technische pakketten maatregelen die op een referentiegebouw worden toegepast, en deze af te zetten tegen de energieprestatie en/of CO2-emissies, wordt de kostenefficiëntie van verschillende niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties beoordeeld.

BIJLAGE V

Financiële instrumenten ter verbetering van de energieprestaties van gebouwen

Onverminderd de nationale wetgeving voeren de lidstaten ten minste twee financiële instrumenten van de volgende lijst uit:

   a) een verlaagd BTW-tarief voor goederen en diensten voor energiebesparing, goede energieprestaties en energie uit hernieuwbare bronnen;
   b) andere belastingverlagingen voor goederen en diensten voor energiebesparing of energie-efficiënte gebouwen, met inbegrip van belastingverlagingen voor de inkomens- of onroerendgoedbelasting;
   c) rechtstreekse subsidies;
   d) gesubsidieerde leningen en leningen met een lage rente;
   e) subsidieregelingen;
   f) garantieregelingen voor leningen;
   g) eisen aan of afspraken met energieleveranciers om financiële bijstand te bieden aan alle categorieën consumenten.

BIJLAGE VI

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 2002/91/EG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, aanhef

Artikel 2, aanhef

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 5

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 6 en bijlage I

Artikel 2, leden 7, 9, 11 en 12

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 13

Artikel 2, lid 4

Artikel 2, lid 14

Artikel 2, lid 15

Artikel 2, lid 5

Artikel 2, lid 16

Artikel 2, lid 6

Artikel 2, lid 17

Artikel 2, lid 7

Artikel 2, lid 18

Artikel 2, lid 8

Artikel 2, lid 19

Artikel 3

Artikel 20 en bijlage I

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6, lid 1

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 7, lid 1

Artikel 11, lid 7 en artikel 12, leden 1, 2, 3, 4 en 6

Artikel 7, lid 2

Artikel 11, leden 1 en 2

Artikel 7, lid 3

Artikel 13

Artikel 12, leden 4, 7 en 8

Artikel 8, aanhef

Artikel 14, aanhef

Artikel 8, onder a)

Artikel 14, leden 1 en 3

Artikel 14, lid 2

Artikel 8, onder b)

Artikel 14, lid 4

Artikel 9

Artikel 15, lid 1

Artikel 15, lid 2

Artikel 16

Artikel 10

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 11, aanhef

Artikel 19, aanhef

Artikel 11, onder a)

Artikel 19, onder a)

Artikel 11, onder b)

Artikel 19, onder b)

Artikel 12

Artikel 20

Artikel 13

Artikel 21

Artikel 14, lid 1

Artikel 22, lid 1

Artikel 14, lid 2

Artikel 22, lid 2

Artikel 23

Artikel 15, lid 1

Artikel 24, leden 1 en 2

Artikel 15, lid 2

Artikel 25

Artikel 16

Artikel 26

Artikel 17

Artikel 27

Bijlage

Bijlage I

Bijlagen II tot en met VI

(1) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.
(2) Standpunt van 13 mei 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(3) Standpunt van 21 april 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 23 april 2009.
(5) PB L 1 van 4.1.2003, blz. 65.
(6) Zie bijlage VI, deel A.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0038.
(8) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136.
(9) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16..
(10) PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64.
(11) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.
(12) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(13) PB L ....
(14) PB L ....
(15) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 1.
(16) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
(17) PB L 161 van 14.6.2006, blz. 1.


Ratingbureaus ***I
PDF 205kWORD 57k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over ratingbureaus (COM(2008)0704 – C6-0397/2008 – 2008/0217(COD))
P6_TA(2009)0279A6-0191/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0704),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0397/2008),

–   gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 23 april 2009 om het voorstel als geamendeerd goed te keuren overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, eerste streepje van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0191/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of het door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

P6_TC1-COD(2008)0217


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. ....)


Rechten van passagiers die over zee of binnewateren reizen ***I
PDF 326kWORD 146k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (COM(2008)0816 – C6-0476/2008 – 2008/0246(COD))
P6_TA(2009)0280A6-0209/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)08169),

–   gelet op artikel 251, lid 2, artikel 71, lid 1 en artikel 80, lid 2 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0476/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0209/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming

P6_TC1-COD(2008)0246


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1, en artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie║,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het optreden van de Gemeenschap op het vlak van zeevervoer moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers dat met andere vervoerswijzen vergelijkbaar is, Bovendien moeten de algemene eisen op het gebied van consumentenbescherming ║ volledig in acht worden genomen.

(2)  Aangezien scheepspassagiers de zwakkere partij bij de vervoersovereenkomst zijn, moeten de passagiersrechten in dit opzicht worden gevrijwaard, ongeacht hun nationaliteit of verblijfplaats binnen de Gemeenschap.

(3)  De interne markt voor vervoersdiensten voor passagiers over zee en binnenwateren moet voordelen opleveren voor de burgers in het algemeen. Gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit als gevolg van een handicap, leeftijd of een andere factor moeten derhalve de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van commerciële vervoersdiensten over zee die vergelijkbaar zijn met die welke andere burgers ter beschikking staan. Gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit hebben hetzelfde recht als alle andere burgers op vrij verkeer, keuzevrijheid en non-discriminatie.

(4)  In het licht van artikel 9 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en teneinde personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit mogelijkheden te bieden om over zee en binnenwateren te reizen, die vergelijkbaar zijn met die van andere burgers, moeten er regels worden vastgesteld voor non-discriminatie en bijstand tijdens hun reis. Het vervoer van die personen moet daarom worden aanvaard en niet geweigerd op grond van hun handicap of gebrek aan mobiliteit ▌. Zij moeten aanspraak kunnen maken op bijstand in havens, op inschepings- / ontschepingsplaatsen waar er geen haven is en aan boord van passagiersschepen. In het belang van de sociale integratie moeten de betreffende personen die bijstand kosteloos krijgen. Vervoerders moeten regels voor toegankelijkheid bepalen, bij voorkeur op basis van het Europese normalisatiesysteem.

(5)  Bij beslissingen over het ontwerp van nieuwe havens en terminals, en als onderdeel van grootschalige verbouwingen, moeten beheersorganen van havens en vervoerders die er werken ▌rekening houden met de behoeften van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit. Evenzo moeten vervoerders ▌rekening houden met dergelijke behoeften bij beslissingen over het ontwerp van nieuwe en te renoveren passagiersschepen in overeenstemming met Richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen(4).

(6)  De bijstand die verleend wordt in havens op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, moet gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit onder meer in staat stellen zich van het punt van aankomst bij de haven naar een passagiersschip te begeven en van het passagiersschip naar het punt vanwaar zij de haven verlaten, met inbegrip van het in- en ontschepen.

(7)  De bijstand moet zodanig worden gefinancierd dat de kosten evenredig worden gespreid over alle passagiers die een beroep doen op de vervoerder, en dat stimulansen om het vervoer van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit te weigeren, worden vermeden. De bijstand kan op de meest efficiënte wijze worden gefinancierd door aan elke passagier die een beroep doet op een vervoerder een heffing op te leggen, die in de basisprijs van het vervoerbewijs is inbegrepen. De kosten moeten op een volledig transparante manier worden vastgesteld en toegepast.

(8)  Bij het organiseren van de bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, alsmede bij de opleiding van hun personeel, moeten vervoerders rekening houden met de "Recommendation on the Design and Operation of Passenger Ships to Respond to Elderly and Disabled Persons' Needs" van de Internationale Maritieme Organisatie(5).

(9)  De bepalingen betreffende het inschepen van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit mogen geen afbreuk doen aan de algemene regels betreffende het inschepen van passagiers, die zijn verankerd in de vigerende internationale, communautaire of nationale regelingen.

(10)  Passagiers moeten voldoende worden ingelicht in geval van annulering of vertraging van een dienst. Die informatie moet passagiers helpen de nodige maatregelen te treffen en indien nodig informatie te verkrijgen over alternatieve aansluitingen.

(11)  Het ongemak dat passagiers door de annulering of lange vertraging van hun reis ondervinden, moet worden beperkt. Daartoe moeten passagiers voldoende worden verzorgd, en moeten zij hun reis kunnen annuleren en hun vervoerbewijzen terugbetaald krijgen of onder bevredigende voorwaarden een andere reis naar hun bestemming krijgen.

(12)  Vervoerders dienen passagiers een schadeloosstelling te betalen in geval van een vertraging of annulering van een dienst, op basis van de prijs van het vervoerbewijs, tenzij de vertraging of annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die zelfs door het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.

(13)  Vervoerders moeten samenwerken en op nationaal of Europees niveau regelingen treffen om de zorg voor en bijstand aan passagiers te verbeteren wanneer hun reis wordt onderbroken, met name in geval van langdurige vertragingen.

(14)  De onderhavige verordening doet geen afbreuk aan de rechten van passagiers die zijn vastgesteld bij Richtlijn 90/314/EEG van de Raad inzake pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten(6). Deze verordening is niet van toepassing wanneer een pakketreis geannuleerd wordt om andere redenen dan de annulering van de zeevervoersdienst.

(15)  Passagiers moeten volledig op de hoogte worden gesteld van hun rechten op grond van deze verordening, zodat ze die rechten effectief kunnen uitoefenen. De rechten van passagiers die over zee en binnenwateren reizen, moeten het ontvangen van informatie over de dienst vóór en tijdens de reis omvatten. Alle essentiële informatie verstrekt aan passagiers die over zee en binnenwateren reizen, moet tevens worden verstrekt in ▌formaten die toegankelijk zijn voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit.

(16)  De lidstaten moeten ervoor zorgen en erop toezien dat deze verordening wordt nageleefd en moeten een passende instantie voor de uitvoering van die handhavingstaken aanwijzen. Dit toezicht mag geen afbreuk doen aan het recht van passagiers om overeenkomstig het nationale procesrecht langs juridische weg schadevergoeding te eisen bij een rechtbank.

(17)  Passagiers moeten hun rechten kunnen uitoefenen middels gepaste, door de vervoerders ingestelde procedures voor het indienen van klachten of, in voorkomend geval, door het indienen van klachten bij de daartoe door de relevante lidstaat aangewezen instantie.

(18)  Klachten met betrekking tot bijstand in een haven of op een inschepings-/ ontschepingsplaats dienen te worden gericht aan de instantie die door de lidstaat waarin de haven is gelegen, is aangewezen als verantwoordelijk voor de handhaving van deze verordening. Klachten met betrekking tot bijstand door een vervoerder op zee dienen te worden gericht aan de nationale instantie die ║ door de lidstaat die de vergunning aan de vervoerder heeft afgegeven, is aangewezen als verantwoordelijk voor de handhaving van deze verordening. De voor de handhaving van deze verordening aangewezen instantie moet de macht en bevoegdheid hebben om afzonderlijke klachten te onderzoeken en een minnelijke schikking van het geschil te bevorderen.

(19)  De Commissie moet duidelijke regels voorstellen voor de rechten van de passagiers met betrekking tot verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid, toegankelijkheid en rechten van gehandicapten of personen met een beperkte mobiliteit op de punten waar de passagiers van vervoer over land worden overgebracht naar vervoer over zee of over binnenwateren.

(20)  De lidstaten dienen de regels vast te stellen inzake de sancties op overtredingen van deze verordening en ervoor te zorgen dat deze regels worden toegepast. De sancties, die de opdracht tot betaling van compensatie aan de betrokken passgier kunnen omvatten, moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(21)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming en bijstand verzekeren aan passagiers in alle lidstaten en garanderen dat de marktdeelnemers hun activiteiten in de eengemaakte markt in geharmoniseerde omstandigheden kunnen uitoefenen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de strekking en de gevolgen van de verordening, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(22)  Bij een toekomstig Europees wetgevingsinitiatief inzake passagiersrechten zou het zinvol zijn een horizontale wetgevende benadering te volgen waarbij alle vervoersmiddelen worden gedekt, gezien de noodzaak om gecombineerd vervoer te gebruiken.

(23)  De handhaving van deze verordening moet zijn gebaseerd op Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van ║ wetgeving inzake consumentenbescherming (verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming)(7). Die verordening moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(24)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(8) moet strikt worden uitgevoerd, om de privacy van passagiers die over zee en binnenwateren reizen, te verzekeren en om ervoor te zorgen dat de gevraagde informatie alleen dient om de in deze verordening neergelegde bijstandsverplichtingen te vervullen en niet ten nadele van de passagiers wordt aangewend.

(25)  De onderhavige verordening eerbiedigt de grondrechten en volgt de beginselen die met name door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel

In deze verordening zijn regels vastgesteld betreffende het volgende:

   (1) non-discriminatie tussen passagiers met betrekking tot vervoersvoorwaarden die door vervoerders worden aangeboden;
   (2) non-discriminatie en verplichte bijstand voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit;
   (3) de verplichtingen van vervoerders ten opzichte van passagiers in geval van annulering of vertraging;
   (4) minimale aan passagiers te verstrekken informatie;
   (5) klachtenbehandeling;
   (6) handhaving van passagiersrechten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op het commerciële vervoer van passagiers over zee en binnenwateren door passagiersschepen, met inbegrip van cruises, tussen of in havens of elke inschepings-/ontschepingsplaats op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is.

2.  Lidstaten mogen diensten die onder openbaredienstcontracten vallen, vrijstellen indien die contracten een bescherming van de passagiersrechten garanderen die vergelijkbaar is met deze verordening.

3.  De lidstaten kunnen stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten vrijstellen van deze verordening wanneer zij waarborgen dat de doelstellingen ervan door alternatieve regelgevingsmaatregelen kunnen worden verwezenlijkt en een niveau van bescherming van de passagiersrechten garanderen dat vergelijkbaar is met dat van de onderhavige verordening.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

   (a) "gehandicapten" of "personen met beperkte mobiliteit": personen wier mobiliteit bij het gebruik van vervoer beperkt is ten gevolge van een lichamelijke (zintuiglijke of motorische, permanente of tijdelijke) handicap, een verstandelijke of psychosociale handicap of stoornis, of enige andere oorzaak van handicap, of ten gevolge van leeftijd, en wier situatie vereist dat zij passende aandacht krijgen en dat de aan alle passagiers verstrekte diensten aan hen worden aangepast;
   (b) "annulering": het niet uitvoeren van een vooraf geplande dienst waarvoor ten minste één boeking werd gemaakt;
   (c) "vertraging": het verschil tussen de geplande vertrektijd of aankomsttijd van de passagier overeenkomstig de gepubliceerde dienstregeling en de werkelijke of verwachte vertrektijd of aankomsttijd;
   (d) "vervoerder": een persoon door wie of voor wiens rekening een vervoersovereenkomst werd afgesloten of de feitelijke vervoerder, naargelang het vervoer door de vervoerder zelf of een feitelijke vervoerder, met uitzondering van een touroperator, wordt uitgevoerd;
   (e) "commerciële vervoersdiensten voor passagiers over zee": diensten voor het zeevervoer van passagiers, uitgevoerd door een vervoerder via een reguliere of niet-reguliere route die het algemene publiek tegen vergoeding worden aangeboden, als route op zich of als onderdeel van een pakket;
   (f) "feitelijke vervoerder": een andere persoon dan de vervoerder en de touroperator, die feitelijk het vervoer in zijn geheel of gedeeltelijk verricht;
   (g) "haven": een uit land en water bestaand gebied met verbeteringswerken en voorzieningen die voornamelijk dienen voor de ontvangst van schepen, het laden en lossen daarvan, de opslag van goederen, het in ontvangst nemen en leveren van die goederen en het in- en ontschepen van passagiers;
   (h) "inschepings-/ontschepingsplaats": een uit land en water bestaand gebied, dat geen haven is, waar passagiers regelmatig in- en ontschepen;
   (i) "schip": een zee- of binnenvaartuig met uitzondering van luchtkussenvaartuigen;
   (j) "vervoersovereenkomst": een overeenkomst tussen een vervoerder ▌en een passagier voor de verstrekking van een of meer vervoersdiensten ongeacht of het vervoersbewijs gekocht werd bij een vervoerder, een tour operator, een verkoper van vervoersbewijzen of op het internet;
   (k) "vervoerbewijs": een geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële, inclusief elektronische, vorm dat door de vervoerder of door een door hem erkende verkoper van vervoerbewijzen is uitgegeven of toegestaan;
   (l) "verkoper van vervoerbewijzen": een tussenpersoon die vervoersdiensten over zee verkoopt, waaronder vervoerdiensten in het kader van een pakketreis voor rekening van een vervoerder of een touroperator;
   (m) "touroperator": een organisator ▌, maar geen vervoerder, zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 90/314/EEG;
   (n) "boeking": een papieren of elektronisch toelatingsbewijs dat recht geeft op vervoer onder vooraf bevestigde op naam gestelde vervoersvoorwaarden;
   (o) "passagiersschip": een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert;
  

   (p) "havenautoriteit" of "havenbeheerder": een instantie waarvan de doelstelling overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving, al dan niet in combinatie met andere activiteiten, bestaat in de administratie en het beheer van de haveninfrastructuur en de coördinatie, alsmede controle van de activiteiten van verschillende in de betrokken haven of het betrokken havensysteem opererende exploitanten. Zij kan bestaan uit verschillende afzonderlijke lichamen of verantwoordelijk zijn voor meer dan één haven;
   (q) "cruise": passagiersvervoer met een schip dat is voorzien van accommodatie en andere voorzieningen dat geen regelmatige of geplande passagiersdienst tussen twee of meer havens aanbiedt, maar waarbij passagiers gedurende een verblijf van meer dan één dag (nacht) gewoonlijk naar de inschepingshaven terugkeren;
   (r) "toegankelijke formaten": toegang van alle passagiers tot dezelfde informatie door gebruikmaking van tekst, brailleschrift, audio, video en/of elektronische formaten. Voorbeelden van toegankelijke formaten zijn onder meer pictogrammen, omgeroepen mededelingen en ondertitels, maar zij beperken zich hiertoe niet en kunnen variëren afhankelijk van de technische ontwikkelingen;
   (s) "passagier": iedere persoon die op grond van een vervoersovereenkomst reist en die geen voertuig, oplegger of goederen die als vracht of handelsgoederen vervoerd worden, begeleidt;
   (t) "aankomst": het werkelijke tijdstip waarop het vaartuig aan de aanlegplaats waar het aankomt wordt vastgelegd;
   (u) "vertrek": het werkelijke tijdstip waarop het vaartuig voor het vertrek naar zee gereed is gemaakt;
   (v) "prijs van het vervoersbewijs": de kosten die voor het vervoer en de accommodatie aan boord worden betaald. Niet inbegrepen zijn de kosten van maaltijden, andere activiteiten en eventuele aankopen aan boord;
   (w) "overmacht": een gebeurtenis of omstandigheid die niet te voorkomen was geweest, zelfs indien alle redelijke maatregelen zouden zijn genomen, zoals oorlog, invasie, maatregelen van buitenlandse vijanden, vijandelijkheden (al dan niet na een oorlogsverklaring), burgeroorlog, rebellie, revolutie, opstand, militaire macht of machtsmisbruik dan wel confiscatie, terroristische activiteiten, nationalisering, overheidssancties, blokkering, embargo, arbeidsconflict, staking, uitsluiting, onderbreking of storing van elektriciteitsvoorziening dan wel onvoorziene gebeurtenissen in de natuur, waaronder branden, overstromingen, aardbevingen, stormen, wervelstromen of andere natuurrampen. Gevallen van overmacht kunnen ook het gevolg zijn van extreme getijstromingen, sterke winden, uitzonderlijk hoge golven en ijsgang.

Artikel 4

Vervoersovereenkomst en niet-discriminerende voorwaarden

1.  Vervoerders bezorgen passagiers een bewijs van de sluiting van de vervoersovereenkomst door een of meer vervoerbewijzen uit te geven. De vervoerbewijzen worden beschouwd als voldoende bewijs van de sluiting van de overeenkomst en geven derhalve de in deze verordening bepaalde rechten.

2.  De door vervoerders of andere verkopers van vervoerbewijzen toegepaste contractvoorwaarden en tarieven zullen, onverminderd hun openbaredienst-verplichtingen betreffende sociale tarieven, aan het grote publiek worden aangeboden zonder enige discriminatie op grond van de nationaliteit of verblijfplaats van de eindgebruiker of op grond van de vestigingsplaats van de verkopers van vervoerbewijzen in de Gemeenschap.

Artikel 5

Uitsluiting van ontheffing

1.  De uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen kunnen niet worden beperkt of teniet worden gedaan door middel van onder andere een beperkings- of ontheffingsclausule in de vervoersovereenkomst.

2.  Vervoerders kunnen contractvoorwaarden aanbieden die voor de passagier gunstiger zijn dan de in deze verordening voorziene voorwaarden.

HOOFDSTUK II

RECHTEN VAN GEHANDICAPTEN EN PERSONEN MET BEPERKTE MOBILITEIT

Artikel 6

Voorkomen van instapweigering

1.  Vervoerders, verkopers van vervoerbewijzen en touroperators mogen om redenen van een handicap of beperkte mobiliteit niet weigeren om:

   (a) een boeking te aanvaarden, of een vervoerbewijs uit te geven, voor een reis waarop deze verordening van toepassing is;
   (b) een gehandicapte of een persoon met beperkte mobiliteit in een haven of inschepings-/ontschepingsplaats te laten inschepen, mits deze persoon over een geldig vervoerbewijs of een geldige boeking beschikt.

2.  Boekingen en vervoerbewijzen worden zonder extra kosten aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit aangeboden.

Artikel 7

Afwijkingen en bijzondere voorwaarden

1.  Niettegenstaande de bepalingen van artikel 6 mogen vervoerders, verkopers van vervoerbewijzen of touroperators ▌weigeren de boeking van een gehandicapte of een persoon met beperkte mobiliteit te aanvaarden, een vervoerbewijs aan een dergelijke persoon uit te geven of een dergelijke persoon te laten inschepen ▌║ wanneer de structuur van het passagiersschip het inschepen of vervoeren van de gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit fysiek onmogelijk maakt en wanneer hun niet het normale serviceniveau kan worden geboden op een veilige, waardige en in de praktijk haalbare manier.

Indien een boeking wordt geweigerd op grond van de eerste alinea, ▌getroosten vervoerders, verkopers van vervoerbewijzen of touroperators zich redelijke inspanningen om de persoon in kwestie een aanvaardbaar alternatief aan te bieden.

Een gehandicapte of een persoon met beperkte mobiliteit die in geval van een vroegtijdige boeking als passagier is geweigerd, ▌en de persoon die deze persoon begeleidt overeenkomstig lid 2, hebben recht op terugbetaling of een andere vaart overeenkomstig bijlage I. ▌

2.  ▌Een vervoerder, verkoper van vervoerbewijzen of touroperator kan eisen dat een gehandicapte of een persoon met beperkte mobiliteit wordt begeleid door een andere persoon, die in staat is de bijstand te bieden die de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit nodig heeft, voor zover dat strikt noodzakelijk is.

3.  Wanneer een vervoerder, verkoper van vervoerbewijzen of touroperator gebruik maakt van een in lid 1 of lid 2 toegestane afwijking, stelt hij de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit onmiddellijk in kennis van de redenen daarvan. Op verzoek deelt de vervoerder, verkoper van vervoerbewijzen of touroperator deze redenen binnen vijf werkdagen na het verzoek schriftelijk mee aan de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit.

Artikel 8

Toegankelijkheid en informatie

1.  Onder toezicht van de nationale handhavingsinstanties bepalen de vervoerders, met de actieve medewerking van de organisaties die de havens, de gehandicapten en de personen met beperkte mobiliteit vertegenwoordigen, niet-discriminerende toegangsregels voor het vervoer van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit en hun begeleiders, alsook alle beperkingen op het vervoer van deze personen of van mobiliteitsuitrusting ten gevolge van de structuur van passagiersschepen, teneinde aan de toepasselijke veiligheidsvereisten te voldoen. Die regels bevatten alle voorwaarden voor de toegang tot de zeevervoersdienst in kwestie, met inbegrip van de toegankelijkheid van de schepen en hun voorzieningen aan boord en van de gemonteerde hulpuitrusting.

2.  De in lid 1 vermelde regels moeten door vervoerders of verkopers van vervoerbewijzen, fysiek dan wel virtueel, ten minste op het moment van de boeking op passende manier, in toegankelijk formaat en ten minste in dezelfde talen als voor andere passagiers aan het publiek worden meegedeeld. Bij de bekendmaking van die informatie wordt bijzondere aandacht besteed aan de behoeften van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit.

3.  Op verzoek stellen vervoerders de internationale, communautaire of nationale wetgeving in toegankelijke formaten ter beschikking waarin de veiligheidsvereisten zijn bepaald waarop de niet-discriminerende toegangsregels zijn gebaseerd.

4.  Touroperators stellen de in lid 1 bepaalde regels ter beschikking die van toepassing zijn op reizen die deel uitmaken van pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, die zij organiseren, verkopen of aanbieden.

5.  Vervoerders, verkopers van vervoerbewijzen of touroperators garanderen dat alle relevante informatie betreffende de vervoersvoorwaarden, reisinformatie en informatie over de toegankelijkheid van de diensten, alsook een schriftelijke bevestiging van de bijstandverlening, in toegankelijke formaten beschikbaar is voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, ook bij onlineboeking en raadpleging van informatie op het internet.

Artikel 9

Recht op bijstand in havens

1.  Bij vertrek uit, doorvoer door of aankomst in een haven is de vervoerder verantwoordelijk voor het verzekeren van de in bijlage II vermelde kosteloze bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit op zodanige wijze dat de persoon in staat is aan boord of van boord te gaan van het schip waarvoor hij een vervoerbewijs heeft, onverminderd de toegangsregels als bedoeld in artikel 8, lid 1. De bijstand wordt aangepast aan de individuele behoeften van de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit.

2.  Een vervoerder mag de bijstand zelf verlenen of voor de verlening van de bijstand een overeenkomst sluiten met een of meer andere partijen. De vervoerder mag dergelijke overeenkomst(en) sluiten op eigen initiatief of op verzoek, inclusief van de havenautoriteit, met inachtneming van de bestaande diensten in de betreffende haven.

Wanneer een vervoerder voor de verlening van bijstand overeenkomsten sluit met een of meer andere partijen, blijft hij verantwoordelijk voor de verlening van de bijstand en voor de verzekering dat aan de in artikel 14, lid 1, vermelde kwaliteitsnormen wordt voldaan.

3.  Vervoerders mogen met het oog op de financiering van de bijstand in de haven op niet-discriminerende basis een specifieke heffing aan alle passagiers opleggen. Die specifieke heffing moet redelijk, kostengerelateerd en transparant zijn.

4.  Vervoerders stellen het handhavingsorgaan of de handhavingsorganen, als bedoeld in artikel 27, lid 1, een door een accountant gecontroleerd jaaroverzicht ter beschikking van de ontvangen heffingen en uitgaven in verband met de bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit.

5.  Conform artikel 12 dient de havenbeheerder zo nodig de haven toegankelijk te maken voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit.

Artikel 10

Recht op bijstand op inschepings-/ontschepingsplaatsen

Wanneer er voor een bepaalde bestemming of etappe geen haven is, wordt de bijstand overeenkomstig artikel 9 door de vervoerder op de inschepings-/ontschepingsplaats verleend.

Artikel 11

Recht op bijstand aan boord van schepen

Vervoerders verlenen ten minste de in bijlage III vermelde bijstand kosteloos aan gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit die in de haven waarop deze verordening van toepassing is, aankomen, vertrekken of overstappen.

Artikel 12

Voorwaarden waaronder bijstand wordt verleend

Vervoerders, havenbeheerders, verkopers van vervoerbewijzen en touroperators werken samen om bijstand te verlenen aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit overeenkomstig de artikelen 9, 10 en 11 alsmede de volgende punten:

   (a) de bijstand wordt verleend op voorwaarde dat de vervoerder, de verkoper van vervoerbewijzen of de touroperator waarbij het vervoerbewijs is gekocht, op het moment van de reservering of ten minste 48 uur voordat de bijstand nodig is, tenzij de bijstandverlener en de passagier een kortere kennisgevingsperiode overeenkomen, in kennis wordt gesteld van de behoefte van de persoon aan deze bijstand, met uitzondering van cruisereizen, waarbij de behoefte aan bijstand bij de reservering bekend moet worden gemaakt. Wanneer het vervoerbewijs recht geeft op meerdere reizen is één kennisgeving voldoende, mits er adequate informatie over de tijdstippen van de vervolgreizen wordt verstrekt;

(b)   vervoerders, verkopers van vervoerbewijzen en touroperators treffen alle nodige maatregelen om kennisgevingen over de behoefte aan bijstand door gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit te kunnen aanvragen en te ontvangen. De passagier ontvangt een bevestiging waarin vermeld staat dat er nota is genomen van de behoefte aan bijstand. Deze verplichtingen zijn van toepassing op al hun verkooppunten, inclusief verkoop via telefoon en internet;

   (c) indien geen kennisgeving wordt gedaan overeenkomstig punt a), leveren de vervoerders, verkopers van vervoerbewijzen en touroperators alle redelijke inspanningen om op zodanige wijze bijstand te verlenen dat de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit kan inschepen, overstappen of ontschepen in verband met de dienst waarvoor hij een vervoerbewijs heeft gekocht;
   (d) onverminderd de bevoegdheden van andere entiteiten ten aanzien van gebieden buiten het terrein van de haven wijst de havenbeheerder of een andere bevoegde persoon binnen de grenzen van de haven, zowel binnen als buiten de terminalgebouwen in voorkomend geval, vertrek- of aankomstpunten aan waar gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit hun aankomst kunnen melden en om bijstand kunnen verzoeken; deze punten worden duidelijk aangeduid en de passagier vindt er in een toegankelijk formaat de belangrijkste informatie over de haven en de geboden bijstand;
  (e) er wordt bijstand verleend op voorwaarde dat de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit zich meldt bij het aangewezen punt:
   op een door de vervoerder meegedeeld tijdstip, uiterlijk 60 minuten voor de geplande vertrektijd,
   indien geen tijdstip is meegedeeld, uiterlijk 30 minuten voor de gepubliceerde inschepingstijd, tenzij de passagier en degene die de bijstand verleent iets anders overeengekomen zijn, of
   in het geval van een cruise, op een door de vervoerder meegedeeld tijdstip, uiterlijk 60 minuten voor de check-intijd;
   (f) wanneer een gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit de hulp van een hond nodig heeft, wordt de accommodatie van die hond verzorgd mits de vervoerder, de verkoper van vervoerbewijzen of de touroperator daarvan in kennis werd gesteld overeenkomstig de geldende nationale regels inzake het vervoer van erkende hulphonden aan boord van passagiersschepen, indien zulke regels bestaan.

Artikel 13

Informatieoverdracht aan derden

1.  Indien de verlening van bijstand werd uitbesteed en de vervoerder ▌uiterlijk 48 uur vóór de geplande vertrektijd van het schip een kennisgeving van behoefte aan bijstand ontvangt, zendt de vervoerder de betrokken informatie zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 36 uur vóór de geplande vertrektijd van het schip door naar de onderaannemer.

2.  Indien de verlening van bijstand werd uitbesteed en de vervoerder ▌de kennisgeving van behoefte aan bijstand later dan 48 uur vóór de geplande vertrektijd van het schip ontvangt, zendt de vervoerder ▌de betrokken informatie zo snel mogelijk door naar de onderaannemer.

Artikel 14

Kwaliteitsnormen voor bijstand

1.  Vervoerders stellen een aantal kwaliteitsnormen vast voor de in bijlage II en III opgenomen bijstand en bepalen samen met organisaties die passagiers met een handicap en passagiers met beperkte mobiliteit vertegenwoordigen, de vereiste middelen om aan die normen te voldoen.

2.  Bij het vaststellen van de kwaliteitsnormen moet ten volle rekening worden gehouden met internationaal erkende beleidslijnen en gedragscodes om het vervoer van gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit te vergemakkelijken, met name de "Recommendation of the Design and Operation of Passenger Ships to Respond to Elderly and Disabled Persons' Needs" van de Internationale Maritieme Organisatie.

3.  Vervoerders moeten hun kwaliteitsnormen in toegankelijke formaten bekendmaken.

Artikel 15

Opleiding

Vervoerders drager er zorg voor dat:

   (a) al hun personeelsleden en die van hun onderaannemers die rechtstreekse bijstand verlenen aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, weten hoe zij aan de behoeften van personen met uiteenlopende handicaps of mobiliteitsbeperkingen kunnen voldoen;
   (b) al hun personeelsleden die in de haven werken en rechtstreeks te maken hebben met de reizigers, een opleiding krijgen over bijstand aan gehandicapten en over bewustmaking van de problematiek van gehandicapten, zoals beschreven in bijlage IV;
   (c) alle nieuwe personeelsleden die in direct contact komen met de reizigers bij hun indiensttreding een cursus over de problematiek van gehandicapten volgen en dat personeelsleden, waar nodig, bijscholing ontvangen.

Artikel 16

Compensatie met betrekking tot rolstoelen en mobiliteitsmiddelen

1.  Behalve indien de passagier die eigenaar is van het mobiliteitsmiddel al schadeloos is gesteld uit hoofde van Verordening (EG) nr. 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad, van 23 april 2009, betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen(9),wanneer rolstoelen of andere mobiliteitsmiddelen of onderdelen ervan verloren gaan of worden beschadigd tijdens de afhandeling in de haven of tijdens het vervoer aan boord van een schip, vóór, tijdens en na de reis, ontvangt de passagier aan wie deze middelen toebehoren een compensatie ▌, afhankelijk van wie op het moment van het verlies of de beschadiging voor de middelen verantwoordelijk was.

Zo nodig worden alle inspanningen geleverd om snel voor vervanging te zorgen die geschikt is met het oog op de behoeften van de betrokken passagier.

2.  Er geldt geen beperking op het bedrag van de compensatie die overeenkomstig dit artikel moet worden betaald.

HOOFDSTUK III

VERPLICHTINGEN VAN VERVOERDERS IN GEVAL VAN EEN ONDERBROKEN REIS

Artikel 17

Informatieverstrekking

1.  In geval van vertraging moet de vervoerder of, in voorkomend geval, de havenbeheerder uiterlijk 30 minuten na een geplande vertrektijd of één uur vóór een geplande aankomsttijd de passagiers op de hoogte brengen. Indien de informatie beschikbaar is, moet de vervoerder de passagiers op de hoogte brengen van de verwachte vertrek- en aankomsttijden ▌.

2.  Indien passagiers door een vertraging een aansluiting missen, moet de feitelijke vervoerder alle redelijke inspanningen leveren om de betrokken passagiers van de alternatieve aansluitingen op de hoogte te stellen.

3.  De vervoerder of het beheersorgaan van de haven zorgen ervoor dat gehandicapten of passagiers met een mobiliteitsbeperking de in de leden 1 en 2 vereiste informatie in toegankelijke formaten ontvangen.

Artikel 18

Recht op bijstand

1.  Indien een vervoerder redelijkerwijs verwacht dat een zeevervoersdienst een vertraging van meer dan 60 minuten na de geplande vertrektijd oploopt, worden aan de passagiers gratis maaltijden en verfrissingen aangeboden die in een redelijke verhouding tot de wachttijd staan, indien ze op het schip of in de haven beschikbaar zijn of redelijkerwijs kunnen worden aangeleverd.

2.  In geval van een vertraging waarbij een verblijf van één of meer nachten of een langer verblijf dan het door de passagier geplande verblijf noodzakelijk wordt, worden aan de passagiers niet alleen de in lid 1 bepaalde maaltijden en verfrissingen gratis aangeboden, maar ook een hotel- of ander verblijf en vervoer tussen de haven en de plaats van het verblijf ▌. De extra kosten van verblijf en vervoer die voor rekening komen van de vervoerder mogen niet meer bedragen dan tweemaal de prijs van het vervoerbewijs.

3.  Indien de zeevervoersdienst niet langer kan worden voortgezet, organiseren de vervoerders indien mogelijk en zo spoedig mogelijk alternatieve vervoersdiensten voor reizigers.

4.  Bij de toepassing van de leden 1, 2 en 3 besteedt de feitelijke vervoerder bijzondere aandacht aan de behoeften van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit en begeleidende personen.

Artikel 19

Vervoer langs een andere route of terugbetaling

1.  Wanneer een vervoerder redelijkerwijs verwacht dat een zeevervoersdienst meer dan 120 minuten vertraging zal oplopen ten opzichte van de geplande vertrektijd, zal de passagier onmiddellijk:

   (a) een alternatieve vervoersdienst onder redelijke voorwaarden aangeboden krijgen of, als dat niet haalbaar is, in kennis worden gesteld van passende alternatieve vervoersdiensten van andere vervoersexploitanten;
   (b) een terugbetaling van de prijs van het vervoersbewijs aangeboden krijgen als hij besluit niet met de vervoerder te reizen.

De betaling van de onder b) bedoelde vergoeding gebeurt onder dezelfde voorwaarden als de betaling van de in artikel 20, leden 3, 4 en 5, bedoelde compensatie.

2.  In afwijking van lid 1, wordt de passagiers van een cruise een alternatieve vervoerdienst of een vergoeding aangeboden overeenkomstig Richtlijn 90/314/EEG.

Artikel 20

Vergoeding van de prijs van het vervoerbewijs

1.  Zonder het recht op vervoer te verliezen, kan een passagier de vervoerder om schadevergoeding verzoeken indien hij bij aankomst vertraging oploopt ▌. De minimumbedragen van de vergoeding zijn als volgt:

   (a) 25% van de prijs van het vervoerbewijs bij een vertraging van 60 tot 119 minuten;
   (b) 50% van de prijs van het vervoerbewijs bij een vertraging van 120 minuten of meer;
   (c) 100% van de prijs van het vervoerbewijs indien de vervoerder de in artikel 19, lid 1 onder a) vermelde alternatieve diensten of informatie niet levert.

2.  Lid 1 is niet van toepassing op passagiers van een cruise. Deze hebben recht op schadevergoeding overeenkomstig Richtlijn 90/314/EEG.

3.  De vergoeding wordt betaald binnen een maand na de indiening van het verzoek om schadevergoeding. De schadevergoeding kan in bonnen en/of andere diensten worden uitbetaald indien de voorwaarden soepel zijn, met name wat betreft de geldigheidsduur en de bestemming. Indien de passagier daarom verzoekt, wordt de schadevergoeding uitbetaald in geld.

4.  Indien de vervoerder uiterlijk 3 dagen voor de geplande vertrektijd de annulering of het uitstel van de overtocht, dan wel de verlenging van de reistijd aankondigt, vervalt het recht op schadeloosstelling.

Artikel 21

Overmacht

De verplichtingen bepaald in de artikelen 18, 19 en 20 zijn niet van toepassing in gevallen van overmacht die de uitvoering van de vervoerdienst verhinderen.

Artikel 22

Andere vorderingen

Niets in deze verordening zal passagiers beletten om voor nationale rechtbanken een schadevergoeding te vorderen voor het uit de annulering of vertraging van vervoersdiensten voortvloeiende verlies. De krachtens deze verordening toegekende compensatie kan op eventuele verder toegekende compensatie in mindering worden gebracht.

Artikel 23

Bijkomende maatregelen ten voordele van passagiers

Onder toezicht van de nationale handhavingsinstantiestreffen de vervoerders samen met de belanghebbenden, beroepsorganisaties en consumenten-, passagiers-,haven- en gehandicaptenorganisaties maatregelen op nationaal of Europees niveau. Die maatregelen moeten de zorg voor passagiers bevorderen, met name in geval van langdurige vertragingen en de onderbreking of annulering van een reis.

HOOFDSTUK IV

INFORMATIE VOOR PASSAGIERS EN KLACHTENBEHANDELING

Artikel 24

Recht op reisinformatie

Havenbeheerders en vervoerders verstrekken passagiers gedurende hun reis voldoende informatie in toegankelijke formaten en in de gebruikelijke talen. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de behoeften van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit.

Artikel 25

Informatie over passagiersrechten

1.  Vervoerders moeten ervoor zorgen dat de passagiers uiterlijk bij de afvaart passende en begrijpelijke informatie wordt verstrekt over hun rechten uit hoofde van deze verordening. Voor zover de informatie door de vervoerder of de feitelijke vervoerder werd verstrekt, is de ander niet verplicht diezelfde informatie te verstrekken. De informatie wordt verstrekt in toegankelijke formaten en in de gebruikelijke talen. Bij de bekendmaking van die informatie wordt bijzondere aandacht besteed aan de behoeften van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit.

2.  Vervoerders en havenbeheerders zorgen ervoor dat informatie over de rechten van passagiers uit hoofde van deze verordening zowel aan boord van de schepen als in de havens openbaar wordt gemaakt. Die informatie bevat de contactgegevens van de in het kader van artikel 27, lid 1, door de lidstaten aangewezen handhavingsinstantie.

Artikel 26

Klachten

1.  De autoriteiten van de lidstaten zetten voor de onder deze verordening vallende rechten en verplichtingen een onafhankelijk klachtenbehandelingsmechnisme op, dat voor alle passagiers toegankelijk is, met inbegrip van gehandicapten en personen met een mobiliteitsbeperking.

2.  Passagiers kunnen een klacht indienen bij een vervoerder binnen de maand na de dag waarop een dienst werd uitgevoerd of had moeten worden uitgevoerd. Binnen de 20 werkdagen moet degene aan wie de klacht is gericht een gemotiveerd advies geven of, in gerechtvaardigd geval, meedelen op welke datum uiterlijk een antwoord kan worden verwacht. De termijn om te antwoorden mag niet langer duren dan twee maanden vanaf de ontvangst van de klacht.

3.  Indien er binnen de in lid 2 bepaalde termijn geen antwoord werd ontvangen, wordt de klacht gegrond geacht.

HOOFDSTUK V

HANDHAVING EN NATIONALE HANDHAVINGSINSTANTIES

Artikel 27

Nationale handhavingsinstanties

1.  Elke lidstaat wijst een instantie aan die verantwoordelijk is voor de handhaving van deze verordening. Elke instantie ziet erop toe dat de in artikel 8 genoemde toegankelijkheidsregels worden opgesteld en zorgt ervoor dat deze regels worden nageleefd en de rechten van de passagiers worden geëerbiedigd. Elke instantie is in haar organisatie, financieringsbeslissingen, rechtsstructuur en besluitvorming onafhankelijk van commerciële belangen.

2.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in overeenstemming met dit artikel aangestelde instantie, alsook van haar ▌verantwoordelijkheden.

3.  Elke passagier kan bij de krachtens lid 1 ▌door een lidstaat aangewezen ▌instantie een klacht indienen over een vermeende overtreding van deze verordening.

4.  Lidstaten die ervoor kiezen om een vrijstelling toe te kennen voor bepaalde diensten overeenkomstig artikel 2, lid 2, moeten voor een vergelijkbaar mechanisme voor de handhaving van passagiersrechten zorgen.

Artikel 28

Handhavingsverslag

1.  Elk jaar op 1 juni publiceren de overeenkomstig artikel 27 aangeduide handhavingsinstanties een verslag over hun activiteiten in het voorgaande jaar dat onder meer het volgende bevat:

   (a) een beschrijving van de genomen maatregelen om de bepalingen van deze verordening uit te voeren;
   (b) een verwijzing naar de procedure voor de afhandeling van individuele klachten;
   (c) een samenvatting van de in de betreffende lidstaat toepasselijke regels in verband met de toegankelijkheid voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit;
   (d) samengevoegde gegevens over klachten, waaronder over hun resultaat en de perioden waarin een oplossing werd gevonden;
   (e) gedetailleerde informatie over de toegepaste sancties;
   (f) andere belangrijke kwesties voor een betere handhaving van deze verordening.

2.  Teneinde een dergelijk verslag op te kunnen stellen, houden de handhavingsinstanties statistieken over de individuele klachten bij, overeenkomstig het onderwerp en de betrokken ondernemingen. Dergelijke gegevens moeten tot drie jaar na datum van het incident op verzoek van de Commissie of de nationale onderzoeksinstanties beschikbaar worden gesteld.

Artikel 29

Samenwerking tussen handhavingsinstanties

De overeenkomstig artikel 27, lid 1, aangewezen nationale handhavingsinstanties moeten informatie uitwisselen over hun werkzaamheden en over de beginselen en praktijken voor de besluitvorming ter bevordering van een consistente passagiersbescherming in de hele Gemeenschap. De Commissie steunt hen in die taak.

Artikel 30

Sancties

De lidstaten stellen regels vast met betrekking tot de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om te verzekeren dat deze regels worden toegepast. De vastgestelde sancties, die de opdracht tot betaling van compensatie aan de betrokken passagier kunnen omvatten, moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen deze bepalingen inzake sancties aan de Commissie mee en stellen haar onverwijld in kennis van alle wijzigingen van deze bepalingen.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 31

Rapportering

De Commissie brengt uiterlijk ...(10) aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking en de resultaten van deze verordening. Het verslag gaat waar nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen om de bepalingen van de verordening gedetailleerder ten uitvoer te leggen of te herzien.

Artikel 32

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004

In de bijlage van Verordening (EG) nr. 2006/2004 wordt het volgende punt toegevoegd:"

19.  Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad van … [betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming](11)

"

Artikel 33

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf ...(12), met uitzondering van de artikelen 6, 7, 26, 27 en 30, die van toepassing zijn vanaf ...(13)* na publicatie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Recht op terugbetaling of vervoer langs een andere route in geval van vroegtijdige boeking voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit

1.  Wanneer naar deze bijlage wordt verwezen, krijgen gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit de keuze tussen:

(a)  − volledige terugbetaling van het vervoerbewijs binnen zeven dagen, in contant geld, middels een elektronische overmaking aan de bank, per bankoverschrijving of bankcheque, met de schriftelijke toestemming van de passagier, tegen de prijs waarvoor het gekocht was, voor het gedeelte of de gedeelten van de reis die niet zijn gemaakt, en voor het gedeelte en de gedeelten die reeds zijn gemaakt indien verder reizen in het licht van het oorspronkelijke reisplan van de passagier geen zin meer heeft, alsmede in voorkomend geval,

   een retourreis naar het eerste vertrekpunt bij de eerste gelegenheid; of
   (b) een andere route onder vergelijkbare vervoersvoorwaarden naar hun eindbestemming bij de eerste gelegenheid; of
   (c) een andere route onder vergelijkbare vervoersvoorwaarden naar hun eindbestemming, op een latere datum naar keuze van de passagier, indien er nog plaatsen beschikbaar zijn.

2.  Lid 1, onder a), is ook van toepassing op passagiers wier reis onderdeel is van een pakket, behalve wat het recht op terugbetaling betreft indien dit recht bestaat krachtens Richtlijn 90/314/EEG.

3.  Wanneer, in het geval waarin een stad of regio wordt bediend door meerdere havens, de feitelijke vervoerder een passagier een reis aanbiedt naar een andere haven dan die waarvoor was geboekt, draagt de feitelijke vervoerder de kosten van de reis van die andere haven naar de haven waarvoor was geboekt of naar een andere met de passagier overeengekomen nabijgelegen bestemming.

BIJLAGE II

Bijstand in havens

Bijstand en regelingen die nodig zijn om gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit in staat te stellen om:

   mee te delen dat ze bij de haven zijn aangekomen en bijstand te vragen;
   zich van een aangeduid punt naar de eventuele incheckbalie of naar het schip te begeven;
   indien nodig, bagage in te checken en te registreren;
   zich van de eventuele incheckbalie naar het schip te begeven, inclusief het vervullen van de emigratie-, douane- en veiligheidsverplichtingen;
   aan boord te gaan van het schip; hiervoor moeten de nodige voorzieningen ter beschikking worden gesteld;
   zich van de deur van het schip naar hun stoel/ruimte te begeven;
   hun bagage op het schip op te bergen en weer bij zich te nemen;
   zich van hun stoel naar de deur van het schip te begeven;
   van boord te gaan van het schip; hiervoor moeten, waar nodig, liften, rolstoelen of andere voorzieningen ter beschikking worden gesteld;
   eventuele bagage weer bij zich te nemen, inclusief het vervullen van de immigratie- en douaneverplichtingen;
   zich van de bagagehal of de ontschepingsplaats naar een aangeduide uitgang te begeven;
   indien nodig, naar de toiletten te gaan.

Indien een gehandicapte of een persoon met beperkte mobiliteit wordt bijgestaan door een begeleider, moet deze persoon op verzoek de benodigde bijstand mogen verlenen in de haven en bij het in- en ontschepen.

Afhandeling van alle benodigde mobiliteitshulpmiddelen, inclusief apparatuur zoals elektrische rolstoelen.

Tijdelijke vervanging van verloren of beschadigde mobiliteitshulpmiddelen, niet noodzakelijkerwijze door identieke hulpmiddelen, maar door middelen met soortgelijke technische en functionele eigenschappen.

Indien nodig, grondafhandeling van erkende hulphonden.

Mededeling in een toegankelijk formaat van informatie die nodig is om in te schepen en te ontschepen.

BIJLAGE III

Bijstand aan boord van schepen

Vervoer van erkende hulphonden aan boord van het schip, voor zover de nationale regelgeving dit toestaat.

Afgezien van medische apparatuur, vervoer van maximaal twee mobiliteitshulpmiddelen per gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit, inclusief elektrische rolstoelen.

Mededeling van wezenlijke reisinformatie in een toegankelijk formaat.

Op verzoek alle redelijke inspanningen leveren om te komen tot een stoelopstelling die tegemoetkomt aan de behoeften van gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit, voor zover de veiligheidseisen en de beschikbaarheid dit toestaan.

Bijstand, indien nodig, om naar de toiletten te gaan.

Indien een gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit wordt bijgestaan door een begeleider levert de scheepvaartmaatschappij alle redelijke inspanningen om deze persoon een stoel te bieden naast de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit.

BIJLAGE IV

Cursus over de problematiek van gehandicapten

Bewustmaking van de problematiek van gehandicapten

De opleiding van personeel dat rechtstreeks met de reizigers te maken heeft, omvat:

   bewustmaking van en passende reacties op passagiers met lichamelijke, zintuiglijke (auditieve en visuele), verborgen of leerhandicaps, waaronder het maken van onderscheid tussen de verschillende mogelijkheden van individuen wier mobiliteit, oriëntatie of communicatie beperkt is;
   belemmeringen waarmee personen met beperkte mobiliteit worden geconfronteerd, waaronder belemmeringen op het vlak van gedrag, omgeving/fysiek en organisatie;
   erkende hulphonden, waaronder de rol en behoeften van een hulphond;
   het omgaan met onverwachte gebeurtenissen;
   interpersoonlijke en communicatievaardigheden ten behoeve van dove en slechthorende personen, ║ personen met een visuele handicap, ║ personen met een spraakhandicap of personen met een leerhandicap;
   algemeen bewustzijn van de richtsnoeren van de IMO betreffende de "Recommendation of the Design and Operation of Passenger Ships to Respond to Elderly and Disabled Persons' Needs";
   het voorzichtig leren omgaan met rolstoelen en andere mobiliteitshulpmiddelen om beschadiging te voorkomen (aan het personeel dat verantwoordelijk is voor de afhandeling van bagage indien van toepassing).

Bijstand aan gehandicapten

De opleiding van personeel dat rechtstreeks personen met beperkte mobiliteit bijstaat, omvat:

   het helpen van personen om in en uit een rolstoel te raken;
   vaardigheden om bijstand te verlenen aan personen met beperkte mobiliteit die met een hulphond reizen, waaronder de rol en behoeften van die honden;
   technieken voor de begeleiding van blinde en slechtziende passagiers ▌;
   kennis van de soorten hulpmiddelen die personen met beperkte mobiliteit gebruiken en kennis van hun gebruikswijze;
   het gebruik van de gehanteerde hulpmiddelen om personen bij de in- en ontscheping bij te staan en kennis van de gepaste inschepings- en ontschepingsprocedures die de veiligheid en waardigheid van personen met beperkte mobiliteit vrijwaren;
   voldoende begrip voor de behoefte aan betrouwbare en professionele bijstand. evenals begrip voor een mogelijk gevoel van onzekerheid bij bepaalde passagiers met een handicap tijdens de reis door hun afhankelijkheid van de verleende bijstand;
   kennis van EHBO.

(1) PB C ....
(2) PB C ....
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 23 april 2009.
(4) PB L 144 van 15.5.1998, blz. 1.
(5) IMO − Maritieme Veiligheidscommissie, Circ. 735, 24 juni 1996 bij de vaststelling van deze verordening.
(6) PB L 158 van 23.6.1990, blz. 59.
(7) PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1.
(8) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
(9) PB L 131 van 28.5.2009, blz. 24.
(10)* PB: drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
(11) PB C
(12)* PB: twee jaar na publicatie van deze verordening.
(13)** PB: één jaar na publicatie van deze verordening.


Rechten van autobus- en touringcarpassagiers ***I
PDF 563kWORD 158k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (COM(2008)0817 – C6-0469/2008 – 2008/0237(COD))
P6_TA(2009)0281A6-0250/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0817),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 71, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0469/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0250/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming

P6_TC1-COD(2008)0237


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie║,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Communautaire maatregelen inzake vervoer per autobus- en touringcar moeten er onder meer voor zorgen dat passagiers een bescherming genieten die vergelijkbaar is met die van andere vervoerswijzen, waar zij ook reizen. Bovendien moet ten volle rekening worden gehouden met de algemene vereisten van consumentenbescherming ║.

(2)  Aangezien de autobus- of touringcarpassagier bij de vervoersovereenkomst de zwakkere partij is, moeten zijn rechten in dit opzicht worden gewaarborgd, ongeacht de nationaliteit of de plaats in de Gemeenschap waar de passagier woont.

(3)  De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten vrij te stellen van deze verordening indien zij voor een vergelijkbaar niveau van passagiersrechten zorgen door alternatieve regelgevingsmaatregelen. Bij deze maatregelen moet rekening worden gehouden met passagiershandvesten voor multimodale openbaarvervoersnetwerken die de in artikel 1 van deze verordening genoemde kwesties omvatten. De Commissie moet onderzoeken of een reeks gemeenschappelijke passagiersrechten voor stedelijk, voorstedelijk en regionaal vervoer kan worden vastgesteld die alle vervoerswijzen omvat, en een verslag indienen bij het Parlement, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

(4)  De lidstaten moeten de ontwikkeling van passagiershandvesten voor stedelijke, voorstedelijke en regionale autobus- en/of touringcardiensten aanmoedigen waarin autobus- en/of touringcarondernemingen zich ertoe verbinden om de kwaliteit van hun dienstverlening te verbeteren en beter op de behoeften van hun passagiers in te spelen.

(5)  Bij maatregelen van de EU ter verbetering van passagiersrechten in het autobus- en touringcarvervoer moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van deze sector, die vooral uit kleine en middelgrote ondernemingen bestaat.

(6)  Bij een ongeval met de dood of letsel ║ tot gevolg moeten voor passagiers aansprakelijkheidsregels gelden die vergelijkbaar zijn met die welke van toepassing zijn op andere vervoerswijzen ║.

(7)  Passagiers moeten recht hebben op een voorschot om hun onmiddellijke economische behoeften na een ongeval te dekken.

(8)  Passagiers die schade hebben geleden ten gevolge van een ongeval dat door een verzekeringsgarantie wordt gedekt, moeten in eerste instantie schadevergoeding als bedoeld in deze verordening eisen van de autobus- en/of touringcaronderneming en mogen slechts een beroep doen op de verzekeringsmaatschappij indien die onderneming in gebreke blijft.

(9)  Bij verlies of beschadiging van bagage van passagiers moeten autobus- en touringcarondernemingen aansprakelijkheidsvoorwaarden gelden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor andere vervoerswijzen.

(10)  Alle burgers moeten gebruik kunnen maken van de aangeboden autobus- en touringcardiensten. Bijgevolg moeten gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, ongeacht of deze veroorzaakt wordt door een functiebeperking, leeftijd of enige andere factor, de mogelijkheden hebben om gebruik te maken van autobus- en touringcardiensten die vergelijkbaar zijn met die van andere burgers. Gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit hebben evenveel recht als alle andere burgers op vrij verkeer, keuzevrijheid en non-discriminatie.

(11)  In het licht van artikel 9 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en teneinde gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit vergelijkbare kansen als andere gebruikers te bieden om gebruik te maken van autobus- en touringcardiensten, moeten regels worden vastgesteld inzake non-discriminatie en bijstand tijdens de reis. Deze personen moet derhalve toegang krijgen tot het vervoer en mogen niet worden geweigerd op grond van hun handicap of gebrek aan mobiliteit, tenzij er sprake is van wettelijk vastgelegde veiligheidsredenen. Zij dienen recht op bijstand te krijgen in autobus- en touringcarterminals en aan boord van het voertuig, met inbegrip van het in- en uitstappen. Om sociale uitsluiting te vermijden, moet deze bijstand zonder bijkomende kosten worden verleend. Bus- en/of touringcarondernemingen moeten toegankelijkheidsregels vaststellen, bij voorkeur op basis van het Europees normalisatiesysteem.

(12)  Autobus- en/of touringcarondernemingen moeten hun personeel een specifieke opleiding geven zodat zij gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit de nodige bijstand kunnen verlenen. Deze opleiding moet worden verstrekt in het kader van Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen(4). De lidstaten moeten de autobus- en/of touringcarondernemingen voor zover mogelijk steunen bij het opzetten en uitvoeren van passende opleidingsprogramma's.

(13)  Bij beslissingen over het ontwerp van nieuwe terminals, en als onderdeel van grootschalige verbouwingen, moeten beheersorganen zonder uitzondering rekening houden met de behoeften van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit. Beheersinstanties van autobus- en touringcarterminals dienen in elk geval plaatsen te voorzien waar deze personen zich kunnen aanmelden en bijstand kunnen vragen.

(14)  Ook autobus- en/of touringcarondernemingen moeten met deze behoeften rekening houden wanneer zij beslissen over het ontwerp van nieuwe en gemoderniseerde voertuigen.

(15)  De lidstaten moeten de bestaande infrastructuur verbeteren wanneer dat nodig is om autobus- en/of touringcarondernemingen in staat te stellen de toegankelijkheid voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit te garanderen en hun de nodige bijstand te verlenen.

(16)  Maatregelen van de EU ter verbetering van onbelemmerde mobiliteit moeten prioritair een onbelemmerde toegang tot autobus- en touringcarterminals en -haltes bevorderen.

(17)  Overeenkomstig de conclusies van het COST 349-project inzake de toegankelijkheid van touringcars en lange-afstandsbussen moet de Commissie maatregelen voor toegankelijke en in de gehele EU interoperabele infrastructuur in autobus- en touringcarterminals en -haltes voorstellen.

(18)  De gebruikersrechten van autobus- en touringcarpassagiers voorzien onder meer in het recht op informatie over de dienstverlening voor en gedurende de reis. Alle essentiële informatie die aan autobus- en touringcarpassagiers wordt meegedeeld, moet ook in alternatieve voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit toegankelijke vormen worden aangeboden.

(19)  Deze verordening mag geen beperking inhouden van het recht van de autobus- en/of touringcarondernemingen om volgens het toepasselijk recht compensatie te verlangen van enig persoon, inclusief derden.

(20)  De hinder die reizigers ondervinden door uitval of grote vertraging van hun bus of touringcar moet worden beperkt. Hiertoe moeten de passagiers goed worden opgevangen en geïnformeerd. Passagiers moeten de mogelijkheid krijgen hun reis te annuleren en hun vervoerbewijzen terugbetaald krijgen, in bevredigende omstandigheden via een andere route te reizen of informatie te krijgen over alternatieve vervoersmogelijkheden. Indien autobus- en/of touringcarondernemingen aan passagiers niet de nodige bijstand verlenen, moeten passagiers recht hebben op een financiële compensatie.

(21)  Autobus- en/of touringcarondernemingen moeten samenwerken om op nationaal of Europees niveau regelingen te treffen om opvang van en de bijstand aan passagiers te verbeteren wanneer hun reis wordt onderbroken, met name bij grote vertragingen.

(22)  Deze verordening doet geen afbreuk aan de rechten van passagiers uit hoofde van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, vakantiepakketten en rondreispakketten(5). Deze verordening is niet van toepassing wanneer een pakketreis geannuleerd wordt om andere redenen dan de annulering van de autobus- of touringcardienst.

(23)  Passagiers moeten volledige informatie ontvangen over hun rechten uit hoofde van deze verordening, zodat ze die rechten ook daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

(24)  Passagiers moeten hun rechten kunnen uitoefenen via daartoe door autobus- en/of touringcarondernemingen opgezette passende klachtenprocedures of, eventueel, door een klacht in te dienen bij de daartoe door de betrokken lidstaat aangewezen instantie(s).

(25)  De lidstaten moeten ervoor zorgen en erop toezien dat hun autobus- en/of touringcarondernemingen deze verordening naleven en zij dienen een passende instantie voor de uitvoering van die handhavingstaken aan te wijzen. Dit toezicht mag geen afbreuk doen aan de rechten van passagiers om door middel van nationale rechtsprocedures bij een rechtbank schadevergoeding te eisen ║.

(26)  De lidstaten dienen sancties vast te stellen voor overtredingen van deze verordening, en ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(27)  Aangezien de doelstellingen van deze beschikking, namelijk in alle lidstaten een hoog en gelijkwaardig niveau te waarborgen van bescherming van en bijstand ║ aan autobus- en touringcarpassagiers, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de aanzienlijke internationale dimensie beter op communautair niveau worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(28)  Deze verordening mag geen afbreuk doen aan Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(6).

(29)  De handhaving van deze verordening dient te worden gebaseerd op Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming ("verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming")(7). Die verordening moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(30)  Deze verordening eerbiedigt de fundamentele rechten en voldoet aan de beginselen ║ die zijn erkend in, met name, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden voorschriften ingesteld met betrekking tot het volgende:

   (1) non-discriminatie tussen passagiers wat betreft de door autobus- en/of touringcarondernemingen ║ aangeboden vervoersvoorwaarden;
   (2) de aansprakelijkheid van autobus- en/of touringcarondernemingen bij ongevallen met de dood of letsel van passagiers ║ of verlies of beschadiging van hun bagage tot gevolg;
   (3) non-discriminatie en verplichte bijstand aan per autobus of touringcar reizende gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit;
   (4) de verplichtingen van autobus- en/of touringcarondernemingen ten aanzien van passagiers bij annulering of vertraging;
   (5) de minimaal aan passagiers mee te delen informatie;
   (6) klachtenbehandeling;
   (7) de handhaving van ║ passagiersrechten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op geregelde personenvervoersdiensten van autobus- en/of touringcarondernemingen.

2.  De lidstaten kunnen stedelijke en voorstedelijke ▌vervoersdiensten die het voorwerp uitmaken van openbaredienstcontracten, vrijstellen van deze verordening wanneer die contracten een niveau van bescherming van de passagiersrechten waarborgen dat vergelijkbaar is met dat van deze verordening.

3.  Op ongeregelde vervoersdiensten is uitsluitend hoofdstuk II van toepassing.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

   (1) "autobus- en/of touringcaronderneming": een vervoersonderneming die in haar staat van vestiging gemachtigd is tot het verrichten van vervoerdiensten met touringcars en autobussen overeenkomstig de door de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden voor toegang tot de markt en een vervoersonderneming die over een overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 684/92 van de Raad van 16 maart 1992 houdende gemeenschappelijke regels voor het internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen(8) afgegeven geldige communautaire vergunning beschikt voor internationale personenvervoerdiensten;
   (2) "ongeregeld vervoer": vervoersdiensten als bedoeld in artikel 2, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 684/92;
   (3) "geregeld vervoer": vervoersdiensten als bedoeld in artikel 2, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 684/92;
   (4) "vervoersovereenkomst": een overeenkomst tussen een autobus- en/of touringcaronderneming ▌en de passagier voor de levering van een of meer vervoerdiensten, ongeacht of het vervoerbewijs bij een vervoerder, touroperator of verkoper van vervoerbewijzen is gekocht;
   (5) "vervoerbewijs": een geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële, inclusief elektronische, vorm dat door de autobus- en/of touringcaronderneming of door een door haar erkende verkoper van vervoerbewijzen is uitgegeven of toegestaan;
   (6) "verkoper van vervoerbewijzen": tussenpersoon die autobus- of touringcardiensten, met inbegrip van diensten die als onderdeel van een pakket worden verkocht, verkoopt namens een autobus- en/of touringcaronderneming of een touroperator;
   (7) "touroperator": een organisator ▌in de zin van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 90/314/EEG;
   (8) "gehandicapte" of "persoon met beperkte mobiliteit": persoon wiens mobiliteit bij het gebruik van vervoer beperkt is ten gevolge van een lichamelijke (zintuiglijke of motorische, permanente of tijdelijke) handicap, een verstandelijke handicap, of stoornis of anderszins ontstane handicap, of ten gevolge van ouderdom, en wiens situatie vereist dat hij of zij passende aandacht krijgt en dat de aan alle passagiers verstrekte diensten aan zijn of haar behoeften worden aangepast;
   (9) "boeking": een papieren of elektronisch toelatingsbewijs dat recht geeft op vervoer onder van tevoren bevestigde, op naam gestelde vervoersvoorwaarden;
   (10) "terminalbeheerder": een organisatorische entiteit in een lidstaat die verantwoordelijk is gemaakt voor het beheer van een autobus- en/of touringcarterminal;
   (11) "annulering": het niet uitvoeren van een bepaalde geregelde dienst waarop ten minste daadwerkelijk één plaats was geboekt;
   (12) "vertraging": het tijdsverschil tussen het tijdstip waarop de reiziger volgens de openbaar gemaakte dienstregeling had moeten vertrekken of aankomen en het tijdstip van zijn reële of verwachte vertrek of aankomst;
   (13) "toegankelijke vormen": vormen als tekst, braille, audio, video en/of elektronische vormen, door middel waarvan passagiers toegang hebben tot dezelfde informatie.

Artikel 4

Vervoersovereenkomst en niet-discriminerende contractuele voorwaarden

1.  Autobus en/of touringcarondernemingen verschaffen passagiers een bewijs van de vervoersovereenkomst door een of meer vervoerbewijzen te overhandigen. Het vervoerbewijs levert volledig bewijs van het sluiten van de vervoersovereenkomst en verleent derhalve rechten uit hoofde van deze verordening.

2.  Onverminderd openbaredienstverplichtingen deze sociale tarieven voorschrijven, mogen autobus- en/of touringcarondernemingen en verkopers van vervoerbewijzen in hun aan het grote publiek aangeboden vervoersvoorwaarden en tarieven geen onderscheid maken op grond van nationaliteit, woonplaats van de eindgebruikers of de plaats in de Gemeenschap waar de autobus- en/of touringcaronderneming of de verkoper van vervoerbewijzen is gevestigd.

Artikel 5

Uitsluiting van verklaring van afstand

1.  Verplichtingen uit hoofde van deze verordening mogen niet worden beperkt of er mag geen afstand van worden gedaan door bijvoorbeeld een afwijking of restrictieve clausule in de vervoersovereenkomst.

2.  Autobus- en/of touringcarondernemingen mogen contractuele voorwaarden aanbieden die voor de passagier gunstiger zijn dan de in deze verordening neergelegde voorwaarden.

HOOFDSTUK II

AANSPRAKELIJKHEID VAN AUTOBUS- EN/OF TOURINGCARONDERNEMINGEN TEN AANZIEN VAN PASSAGIERS EN HUN BAGAGE

Artikel 6

Aansprakelijkheid bij overlijden of letsel van passagiers

1.  Overeenkomstig dit hoofdstuk zijn autobus- en/of touringcarondernemingen aansprakelijk voor het verlies of de schade ten gevolge van het overlijden of letsel van de reiziger, veroorzaakt door een ongeval dat de reiziger is overkomen terwijl hij zich in de bus of de touringcar bevond of bij het in- en uitstappen van het voertuig en dat voortvloeit uit de exploitatie van het autobus- en touringcarvervoer.

2.  De aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van autobus- en/of touringcarondernemingen kan noch bij wet, noch bij overeenkomst noch bij contract financieel worden begrensd.

3.  Voor vorderingen tot 220 000 EURper passagier kan een autobus- en/of touringcaronderneming haar aansprakelijkheid niet uitsluiten of beperken door te bewijzen dat zij de ingevolge lid 4, onder a), vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, tenzij het totale bedrag van de vordering hoger is dan het bedrag waarvoor overeenkomstig Tweede Richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven(9), verzekering verplicht is op grond van de nationale wetgeving van de lidstaat waar de autobus of touringcar gewoonlijk is gestald. In een dergelijk geval blijft de aansprakelijkheid beperkt tot dat bedrag.

4.  Een autobus- en/of touringcaronderneming is niet aansprakelijk overeenkomstig lid 1:

   (a) indien het ongeval is veroorzaakt door omstandigheden van het geval die geen verband houden met de exploitatie van de autobus- en touringcardiensten of die de vervoerder, ondanks het feit dat hij de in de specifieke omstandigheden vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, niet kon vermijden of waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;
   (b) indien het ongeval de schuld is van de passagier of door zijn nalatigheid is veroorzaakt.

5.  In geen geval:

   (a) mag uit deze verordening worden afgeleid dat de autobus- en/of touringcaronderneming de enige partij is die aansprakelijk kan worden gesteld voor schade; of
   (b) mogen de rechten van de autobus- en/of touringcaronderneming om de schade te verhalen op andere partijen overeenkomstig het in een lidstaat toepasselijke recht worden beperkt.

Artikel 7

Schadevergoeding

1.  In geval van overlijden van een passagier, omvat de schadevergoeding op grond van de aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 6 het volgende:

   (a) de ten gevolge van het overlijden van de passagier noodzakelijke kosten, met name die van het vervoer van het stoffelijk overschot en de lijkbezorging;
   (b) indien de dood niet onmiddellijk is ingetreden, de in lid 2 ║ bedoelde schadevergoeding.

2.  In geval van verwonding of elk ander lichamelijk of geestelijk letsel van de reiziger omvat de schadevergoeding:

   (a) de noodzakelijk kosten, met name die van behandeling en vervoer;
   (b) het vermogensnadeel dat de reiziger lijdt door een gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of door een toename van zijn behoeften.

3.  Indien door de dood van de passagier andere personen jegens wie hij een wettelijke onderhoudsplicht had of in de toekomst gehad zou hebben, hun onderhoud verliezen, moeten ook zij voor dit verlies schadeloos worden gesteld.

Artikel 8

Voorschotten

1.  In geval van overlijden of enig letsel van de passagiers, dat is veroorzaakt door een ongeval in verband met de exploitatie van de autobus- en touringcardiensten, en indien de passagier niet door enige andere reisverzekeringspolis is gedekt, betaalt de autobus- en/of touringcaronderneming onverwijld, en ieder geval binnen vijftien dagen nadat de identiteit van de schadevergoedingsgerechtigde natuurlijke persoon is vastgesteld, een voorschot dat toereikend moet zijn om de onmiddellijke economische noden te lenigen en dat evenredig is aan het geleden nadeel, mits er voldoende aanwijzingen zijn voor causaliteit die aan de vervoersonderneming kan worden toegeschreven.

2.  Onverminderd lid 1 wordt bij overlijden een voorschot van ten minste 21 000 EUR per passagier betaald.

3.  Een voorschot impliceert niet dat de aansprakelijkheid wordt erkend en mag worden verrekend met elk bedrag dat later op basis van deze verordening wordt uitgekeerd, maar behoeft niet te worden terugbetaald, tenzij de schade werd veroorzaakt door nalatigheid of schuld van de passagier, ▌wanneer degene die het voorschot ontvangen heeft, niet schadevergoedingsgerechtigd was of wanneer de daadwerkelijk geleden schade lager was dan het betaalde voorschot.

Artikel 9

Aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van bagage

1.  Autobus- en/of touringcarondernemingen zijn aansprakelijk voor verlies of beschadiging van alle aan hen toevertrouwde bagage. De maximumcompensatie bedraagt 1 800 EUR per passagier.

2.  Bij ongevallen in verband met de exploitatie van autobus- en touringcardiensten zijn autobus- en of touringcarondernemingen aansprakelijk voor het verlies of de beschadiging van de persoonlijke bezittingen die passagiers bij zich droegen of als handbagage bij zich hadden. De maximumcompensatie bedraagt 1 300 EUR per passagier.

3.  ▌Een autobus- en/of touringcaronderneming wordt niet aansprakelijk gesteld voor verlies of schade overeenkomstig de leden 1 en 2:

   (a) indien het verlies of de schade is veroorzaakt door omstandigheden die geen verband houden met de exploitatie van de autobus- en touringcardiensten en die de autobus- en/of touringcaronderneming, ondanks het feit dat zij de in de specifieke omstandigheden vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, niet kon vermijden en waarvan zij de gevolgen niet kon verhinderen;
   (b) indien het verlies of de schade de schuld is van de passagier of door diens nalatigheid is veroorzaakt.

HOOFDSTUK III

RECHTEN VAN GEHANDICAPTEN EN PERSONEN MET BEPERKTE MOBILITEIT

Artikel 10

Voorkomen van vervoersweigering

1.  Een autobus- en/of touringcaronderneming, haar verkoper van vervoerbewijzen of een touroperator mag niet om redenen van een handicap of beperkte mobiliteit ║ weigeren:

   (a) een boeking te aanvaarden voor een vervoersdienst of een vervoerbewijs af te geven voor een vervoersdienst waarop deze verordening van toepassing is;
   (b) een gehandicapte of een persoon met beperkte mobiliteit te laten instappen, mits deze persoon over een geldig vervoerbewijs of een geldige boeking beschikt.

2.  Boekingen en vervoerbewijzen worden gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit aangeboden zonder extra kosten.

Artikel 11

Afwijkingen en bijzondere voorwaarden

1.  Niettegenstaande de bepalingen van artikel 10 mag een autobus- en/of touringcaronderneming, haar verkoper van vervoerbewijzen of een touroperator op grond van een handicap of beperkte mobiliteit weigeren de boeking van een gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit te aanvaarden, ║ een vervoerbewijs af te geven of een dergelijke persoon te laten instappen ║:

   (a) wanneer het ontwerp van het voertuig het instappen of vervoeren van de gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit fysiek of feitelijk onmogelijk maken;
   (b) indien het voertuig of de infrastructuur op de plaats van vertrek of aankomst of onderweg niet adequaat uitgerust is om het veilige vervoer van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit te garanderen.

Indien een boeking wordt geweigerd op grond van de punten a) of b) van het eerste lid, doet de vervoerder, zijn verkoper van vervoerbewijzen of de touroperator redelijke inspanningen om de persoon in kwestie een aanvaardbaar alternatief aan te bieden.

2.  Een gehandicapte of een persoon met beperkte mobiliteit aan wie de toegang tot het voertuig op grond van zijn handicap of mobiliteitsbeperking is geweigerd, moet de keuze krijgen tussen het recht op terugbetaling en ▌een redelijk vervoersalternatief naar zijn bestemming binnen een vergelijkbare tijdsspanne.

3.  ▌Wanneer dat strikt noodzakelijk is, kan een autobus- en/of touringcaronderneming, haar verkoper van vervoerbewijzen of een touroperator verlangen dat een gehandicapte persoon of een persoon met beperkte mobiliteit wordt begeleid door een andere persoon die hem of haar de nodige bijstand kan verlenen indien:

   (a) de in lid 1, onder a) of b), genoemde voorwaarden van toepassing zijn; of
   (b) de bemanning van het voertuig in kwestie slechts uit één persoon bestaat die het voertuig bestuurt en niet in de mogelijkheid verkeert om de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit de in bijlage I genoemde bijstand te verlenen.

4.  Wanneer een autobus- en/of touringcaronderneming, haar verkoper van vervoerbewijzen of een touroperator de in lid 1 bedoelde afwijking inroept, stelt hij of zij de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit onverwijld in kennis van de redenen daarvoor, of stelt deze hem of haar op verzoek binnen vijf dagen na het verzoek schriftelijk in kennis daarvan.

Artikel 12

Toegankelijkheid en informatie

1.  Autobus- en/of touringcarondernemingen stellen, in samenwerking met de ▌in artikel 27 bedoelde ║ organisaties die gehandicapte personen en personen met beperkte mobiliteit, vertegenwoordigen niet-discriminerende toegangsregels vast voor het vervoer van gehandicapten, personen met beperkte mobiliteit en begeleiders teneinde aan de toepasselijke wettelijke veiligheidseisen te voldoen. Deze regels geven alle voorwaarden voor de toegang tot de betrokken autobus- en touringcardiensten, met inbegrip van de toegankelijkheid van de gebruikte voertuigen, de faciliteiten aan boord van het voertuig en de hulpmiddelen waarmee het is uitgerust.

2.  De in lid 1 bedoelde regels worden door autobus- en/of touringcarondernemingen of hun verkopers van vervoerbewijzen minstens op het moment waarop de boeking wordt gemaakt in toegankelijke vormen en in dezelfde talen als die waarin de informatie voor alle passagiers in het algemeen wordt meegedeeld, bekendgemaakt. Bij de bekendmaking van die informatie wordt bijzondere aandacht besteed aan de behoeften van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit.

3.  Op verzoek maken autobus- en/of touringcarondernemingen onmiddellijk de internationale, communautaire of nationale wetgeving waarin de veiligheids-voorschriften zijn vastgesteld en waarop de niet-discriminerende toegangsregels zijn gebaseerd, openbaar. Deze moet in toegankelijke vormen worden verstrekt.

4.  Touroperators maken de in lid 1 bedoeld regels die van toepassing zijn op reizen die deel uitmaken van pakketreizen, vakantiepakketten en rondreispakketten, die door hen worden georganiseerd, verkocht of te koop worden aangeboden, openbaar.

5.  Autobus- en/of touringcarondernemingen, hun verkopers van vervoerbewijzen of touroperators zorgen ervoor dat alle relevante informatie betreffende de reisvoorwaarden, het traject en de toegankelijkheid van de diensten, met inbegrip van online boekingen en informatie, in ▌toegankelijke vormen beschikbaar is voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit en bij uitbreiding ook voor personen die door hun ouderdom of jonge leeftijd niet zonder bijstand kunnen reizen, alsook voor begeleiders.

Artikel 13

Recht op bijstand

1.  Terminalbeheerders en autobus- en/of touringcarondernemingen zorgen voor, na en zo mogelijk tijdens ▌de reis gratis passende bijstand aan gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit als bedoeld in bijlage I. De bijstand wordt aangepast aan de individuele behoeften van de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit.

2.  Terminalbeheerders en autobus- en/of touringcarondernemingen kunnen ervoor opteren zelf bijstand te verlenen of daarvoor een contract sluiten met een of meerdere derde partijen. Zij kunnen op eigen initiatief of op verzoek een dergelijk contract sluiten.

Ook wanneer terminalbeheerders en autobus- en/of touringcarondernemingen voor het verlenen van bijstand een contract sluiten met een of meer derde partijen, blijven zij verantwoordelijk voor het verlenen van die bijstand.

3.  De bepalingen van dit hoofdstuk beletten terminalbeheerders en autobus- en/of touringcarondernemingen geenszins een ruimere bijstand te bieden dan de in bijlage I beschreven bijstand of aanvullende diensten aan te bieden bovenop de in die bijlage gespecificeerde diensten.

Artikel 14

Recht op bijstand in terminals

1.  Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening, bepalen de lidstaten in welke autobus- en touringcarterminals aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit bijstand moet worden verleend, rekening houdend met de behoefte aan een geografisch gespreide toegankelijkheid van het autobus- en touringcarvervoer. De lidstaten stellen de Commissie daarvan in kennis. De Commissie stelt een lijst van de aangewezen autobus- en touringcarterminals beschikbaar op internet.

2.  De terminalbeheerder van een overeenkomstig lid 1 door een lidstaat aangewezen terminal dient ervoor te zorgen dat de in deel a) van bijlage I bedoelde bijstand zonder extra kosten wordt aangeboden aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit wanneer die personen voldoen aan de in artikel 16 vastgestelde voorwaarden.

3.  Indien het gebruik van een erkende hulphond noodzakelijk is, wordt dit toegestaan mits de autobus- en/of touringcaronderneming, de verkoper van vervoerbewijzen of de touroperator hiervan overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften voor het vervoer van hulphonden op de hoogte is gebracht.

Artikel 15

Recht op bijstand aan boord

▌Bij het in- en uitstappen van de autobus of touringcar bieden autobus- en/of touringcarondernemingen aan gehandicapte personen of personen met beperkte mobiliteit kosteloos minstens de in deel b) van bijlage I bedoelde bijstand wanneer de betrokken persoon voldoet aan de in artikel 16 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 16

Voorwaarden waaronder bijstand wordt verleend

1.  Autobus- en/of touringcarondernemingen, terminalbeheerders, verkopers van vervoerbewijzen en touroperators werken samen om ervoor te zorgen dat bijstand wordt verleend aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, op voorwaarde dat de autobus- en/of touringcaronderneming, de terminalbeheerder, de verkoper van vervoerbewijzen of de touroperator minstens 24 uur voor het ogenblik waarop de bijstand moet worden verleend, in kennis wordt gesteld van de behoefte aan bijstand van de betrokkene, tenzij een kortere termijn wordt voorgesteld door degene die de bijstand verleent of wordt overeengekomen tussen degene die de bijstand verleent en de passagier.

2.  Autobus- en/of touringcarondernemingen, terminalbeheerders, verkopers van vervoerbewijzen en touroperators nemen alle nodige maatregelen om de indiening van aanvragen om bijstand door gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit te faciliteren. De passagier ontvangt een bevestiging dat zijn behoefte aan bijstand is gemeld. Deze verplichtingen gelden voor al hun verkoopskanalen, met inbegrip van verkoop via telefoon en het internet.

3.  Indien geen kennisgeving is gedaan overeenkomstig lid 1, doen autobus- en/of touringcarondernemingen, terminalbeheerders, verkopers van vervoerbewijzen en touroperators alle redelijke inspanningen om ervoor te zorgen dat bijstand wordt verleend zodat de gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit in de vertrekkende autobus of touringcar kan stappen, kan overstappen op een aansluitende dienst of bij aankomst kan uitstappen uit de autobus of touringcar waarvoor hij een vervoerbewijs heeft gekocht.

4.  Bijstand wordt verleend mits de betrokken zich aanmeldt op het daartoe aangewezen punt:

   op een vooraf door de autobus- en/of touringcaronderneming vastgesteld tijdstip, doch maximaal 60 minuten voor de geplande vertrektijd; of
   indien geen tijdstip is meegedeeld, uiterlijk 30 minuten voor de geplande vertrektijd, tenzij een ander tijdstip wordt voorgesteld door degene die de bijstand verleent of wordt overeengekomen tussen de passagier en degene die de bijstand verleent.

5.  De terminalbeheerder van een terminal die door een lidstaat is aangewezen overeenkomstig artikel 14, lid 1, wijst, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en onverminderd de bevoegdheden van andere instanties met betrekking tot de omgeving van de terminal, aankomst- en vertrekplaatsen aan binnen de terminal of op plaatsen, zowel binnen als buiten het terminalgebouw, waarvoor hij rechtstreeks bevoegd is, waar gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit zich kunnen aanmelden en bijstand kunnen aanvragen.

6.  De in lid 5 bedoelde aangewezen punten moeten duidelijk bewegwijzerd, toegankelijk en herkenbaar zijn voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, en op die plaatsen dient de nodige informatie over de terminal en de geboden bijstand in toegankelijke vormen beschikbaar te zijn.

Artikel 17

Mededeling van informatie aan een derde partij

1.  Wanneer de verlening van bijstand is uitbesteed en een autobus- en/of touringcaronderneming, de verkoper van vervoerbewijzen of de touroperator minstens 48 uur voor de geplande vertrektijd een kennisgeving van de behoefte aan bijstand ontvangt, deelt hij of zij de relevante informatie op dusdanige wijze mee dat de betrokken onderaannemer de kennisgeving uiterlijk 36 uur voor de geplande vertrektijd ontvangt.

2.  Wanneer de verlening van bijstand is uitbesteed en bij een autobus- en/of touringcaronderneming, de verkoper van vervoerbewijzen of de touroperator minder dan 48 uur voor de geplande vertrektijd van de autobus of touringcar een aanvraag om bijstand wordt ingediend, deelt deze de ║ informatie op dusdanige wijze mee dat de betrokken onderaannemer de kennisgeving zo snel mogelijk ontvangt.

Artikel 18

Opleiding

Autobus- en/of touringcarondernemingen en terminalbeheerders zorgen ervoor dat:

   (a) al hun personeelsleden en die van hun onderaannemers die rechtstreekse bijstand verlenen aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, weten hoe zij aan de behoeften van mensen met uiteenlopende handicaps of mobiliteitsproblemen kunnen voldoen;
   (b) al hun personeelsleden die rechtstreeks contact hebben met passagiers, een opleiding krijgen over bijstand aan gehandicapten en over het bewustzijn van de gehandicaptenproblematiek als omschreven in bijlage II;
   (c) alle nieuwe personeelsleden bij hun indiensttreding een cursus over de gehandicaptenproblematiek volgen en dat personeelsleden, waar nodig, bijscholing krijgen.

Artikel 19

Compensatie voor rolstoelen en mobiliteitshulpmiddelen

1.  Wanneer rolstoelen of andere mobiliteitshulpmiddelen, of onderdelen daarvan, tijdens de afhandeling in de terminal of tijdens het vervoer aan boord van een bus of touringcar verloren gaan of worden beschadigd, ontvangt de passagier aan wie deze hulpmiddelen toebehoren een schadevergoeding van de partij die bij het verlies of de beschadiging aansprakelijk was voor de uitrusting, namelijk de autobus- en/of touringcaronderneming of de terminalbeheerder.

Zo nodig wordt al het mogelijke gedaan om zo snel mogelijk vervanguitrusting aan te bieden met dezelfde technische en functionele kenmerken als de verloren of beschadigde uitrusting.

2.  Een autobus- en/of touringcaronderneming is niet aansprakelijk overeenkomstig lid 1:

   (a) indien het verlies of de schade is veroorzaakt door omstandigheden van het geval die geen verband houden met de exploitatie van de autobus- en touringcardiensten en die de autobus- en/of touringcaronderneming, ondanks het feit dat zij de in de specifieke omstandigheden vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, niet kon vermijden en waarvan zij de gevolgen niet kon verhinderen;
   (b) indien het verlies of de schade de schuld is van de passagier of door diens nalatigheid is veroorzaakt.

3.  Het bedrag van de op grond van dit artikel te betalen compensatie komt overeen met de daadwerkelijk geleden schade.

HOOFDSTUK IV

VERPLICHTINGEN VAN AUTOBUS- EN/OF TOURINGCARONDERNEMINGEN BIJ ONDERBREKING VAN DE REIS

Artikel 20

Aansprakelijkheid bij annulering of grote vertragingen

1.  Autobus- en/of touringcarondernemingen zijn aansprakelijk voor annuleringen, overboekingen en vertragingen van meer dan twee uur bij vertrek. Autobus- en/of touringcarondernemingen zijn alleen aansprakelijk voor annuleringen en vertragingen ten gevolge van omstandigheden waarover zij controle hebben. Zij zijn niet aansprakelijk voor vertragingen ten gevolge van files, grenscontroles en/of voertuigcontroles. In alle gevallen waarin ondernemingen aansprakelijk zijn, wordt aan de betrokken passagier ten minste:

   (a) zonder extra kosten alternatief vervoer geboden in redelijke omstandigheden van het geval of, wanneer zulks niet haalbaar is, informatie geboden over passende alternatieve vervoersdiensten van andere vervoersondernemingen;
   (b) de prijs van het vervoerbewijs terugbetaald tenzij de passagier het in punt a) bedoelde alternatief vervoer aanvaardt;
   (c) bovenop de terugbetaling als bedoeld in punt b), het recht toegekend op een compensatie van 50% van de prijs van het vervoerbewijs indien de autobus- en/of touringcaronderneming geen alternatief vervoer of informatie biedt als bedoeld in punt a). De vergoeding wordt betaald binnen een maand na de indiening van het verzoek om schadevergoeding;
   (d) indien hij het aangeboden alternatieve vervoer aanvaardt, het recht toegekend op een compensatie van 50% van de prijs van het vervoerbewijs, zonder dat hij het recht op vervoer verliest. Onder de prijs van het vervoerbewijs worden de volledige kosten verstaan die de passagier betaalt voor het vertraagde deel van de reis. De vergoeding wordt betaald binnen een maand na de indiening van het verzoek om schadevergoeding;
   (e) maaltijden en dranken aangeboden die in verhouding staan tot de wachttijd, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is;
   (f) hotel- of ander verblijf aangeboden alsmede vervoer tussen de terminal en de plaats van het verblijf indien een overnachting nodig is voordat de reis kan worden voortgezet;
   (g) indien de autobus of touringcar buiten gebruik is, vervoer aangeboden tussen de plaats waar het onbruikbare voertuig staat en een geschikte wachtplaats of terminal vanwaar de reis kan worden voortgezet.

2.  In andere dan de in lid 1 bedoelde gevallen zijn autobus- en/of touringcarondernemingen aansprakelijk voor vertragingen van meer dan twee uur bij aankomst indien de vertraging te wijten is aan:

   de nalatigheid en de schuld van de bestuurder; of
   een technisch defect van het voertuig.

   (a) het recht toegekend op een compensatie van 50% van de prijs van het vervoerbewijs. Onder de prijs van het vervoerbewijs worden de volledige kosten verstaan die de passagier betaalt voor het vertraagde deel van de reis. De vergoeding wordt betaald binnen een maand na de indiening van het verzoek om schadevergoeding;
   (b) bijstand geboden als bedoeld in lid 1, onder e), f) en g), van dit artikel.

3.  Een autobus- en/of touringcaronderneming wordt van deze aansprakelijkheid vrijgesteld indien de annulering of vertraging aan een van de volgende oorzaken te wijten is:

   (a) omstandigheden die geen verband houden met de exploitatie van de autobus- en touringcardiensten en die de autobus- en/of touringcaronderneming, ondanks het feit dat zij de in de specifieke omstandigheden van het geval vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, niet kon vermijden en waarvan zij de gevolgen niet kon verhinderen;
   (b) nalatigheid van de passagier; of
   (c) het handelen van een derde dat de autobus- en/of touringcaronderneming, ondanks het feit dat zij de in de specifieke omstandigheden van het geval vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, niet kon vermijden en waarvan zij de gevolgen niet kon verhinderen.

Artikel 21

Informatieverstrekking

1.  Bij vertraging brengen autobus- en/of touringcarondernemingen of, in voorkomend geval, de terminalbeheerders, ║ de passagiers op de hoogte van de verwachte vertrektijd en de verwachte aankomsttijd, zodra die informatie beschikbaar is, doch uiterlijk 30 minuten na de geplande vertrektijd respectievelijk één uur voor de geplande aankomsttijd. Deze informatie wordt ook verstrekt in vormen die toegankelijk zijn voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit.

2.  Indien passagiers door de vertraging een aansluiting missen, doen de autobus- en/of autocarondernemingen redelijke inspanningen om de betrokken passagiers te informeren over alternatieve reismogelijkheden.

Artikel 22

Verdere eisen tot schadevergoeding

Deze verordening is van toepassing onverminderd de rechten van een passagier op verdere compensatie. De uit hoofde van deze verordening toegekende compensatie kan op eventuele verdere compensatie in mindering worden gebracht.

Artikel 23

Extra maatregelen ten behoeve van passagiers

Vervoerders ontwikkelen samen en in samenspraak met de belanghebbenden, brancheorganisaties, consumentenverenigingen en verenigingen van passagiers en gehandicapten ║ nationale en Europese regelingen. Deze maatregelen hebben tot doel de dienstverlening aan de passagiers te verbeteren, met name bij grote vertragingen en onderbreking of annulering van de reis, met prioriteit voor bijstand aan passagiers die bijzondere behoeften hebben ten gevolge van hun handicap, beperkte mobiliteit, ziekte, hoge leeftijd of zwangerschap, en bij uitbreiding ook jonge kinderen en begeleiders.

Bij lange vertragingen en onderbreking of annulering van de reis moet de bijstand er vooral in bestaan dat de passagiers zo nodig medische verzorging, eten en drinken wordt verstrekt, regelmatig de meest recente informatie wordt verschaft en eventueel alternatief vervoer of logies wordt aangeboden.

HOOFDSTUK V

INFORMATIE VOOR PASSAGIERS EN KLACHTENBEHANDELING

Artikel 24

Recht op reisinformatie

Terminalbeheerders en autobus- en/of touringcarondernemingen verstrekken hun passagiers gedurende de volledige reis de nodige informatie in toegankelijke vormen.

Artikel 25

Informatie over passagiersrechten

║ Autobus- en/of touringcarondernemingen en terminalbeheerders moeten ervoor zorgen dat aan de passagiers uiterlijk bij het vertrek en tijdens de reis passende en begrijpelijke informatie wordt verstrekt over hun rechten uit hoofde van deze verordening. Deze informatie wordt meegedeeld in toegankelijke vormen. In deze informatie worden de contactgegevens vermeld van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 27, lid 1, aangewezen handhavingsinstantie.

Artikel 26

Klachten

1.  Autobus- en/of touringcarondernemingen zetten, voor zover dit nog niet bestaat, een voor alle passagiers, met inbegrip van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, toegankelijk mechanisme op voor de behandeling van klachten met betrekking tot de onder deze verordening vallende rechten en verplichtingen.

2.  Passagiers kunnen uiterlijk binnen een maand na de dag waarop de dienst is verricht of had moeten worden verricht een klacht indienen bij een autobus- en/of touringcaronderneming. Binnen 20 werkdagen geeft de onderneming waaraan de klacht is gericht een gemotiveerd antwoord of deelt zij, in gerechtvaardigde gevallen, de reiziger mee tegen welke datum een antwoord kan worden verwacht. Een klacht moet binnen twee maanden na de datum van ontvangst worden beantwoord.

3.  Indien de passagier binnen de in lid 2 vastgestelde termijn geen antwoord ontvangt, wordt de klacht geacht te zijn aanvaard.

4.  Autobus- en/of touringcarondernemingen brengen jaarlijks verslag uit over het aantal en het onderwerp van de ontvangen klachten, het gemiddelde aantal dagen waarbinnen deze zijn beantwoord en de corrigerende maatregelen die zijn genomen.

HOOFDSTUK VI

HANDHAVING EN NATIONALE HANDHAVINGSINSTANTIES

Artikel 27

Nationale handhavingsinstanties

1.  Elke lidstaat wijst een of meer instanties aan die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van deze verordening. Elke instantie neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de rechten van de reizigers worden gerespecteerd, met inbegrip van de naleving van de in artikel 12 bedoelde regels inzake toegankelijkheid. Elke instantie is in haar organisatie, financieringsbeslissingen, rechtsstructuur en besluitvorming onafhankelijk ▌.

2.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in overeenstemming met dit artikel aangewezen instantie(s) alsook van haar/hun respectieve verantwoordelijkheden.

3.  Deze instanties werken samen met organisaties die autobus- en touringcarondernemingen en consumenten vertegenwoordigen, met inbegrip van organisaties die gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit vertegenwoordigen.

4.  Elke passagier kan bij de relevante krachtens lid 1 aangewezen instantie een klacht indienen over een vermeende schending van deze verordening.

5.  Lidstaten die ervoor opteren bepaalde diensten op grond van artikel 2, lid 2, vrij te stellen van de toepassing van deze verordening, dienen te voorzien in een vergelijkbaar mechanisme voor de handhaving van de passagiersrechten.

Artikel 28

Verslag inzake handhaving

1.  Jaarlijks publiceren de overeenkomstig artikel 27, lid 1, aangewezen handhavingsinstanties op 1 juni een verslag over hun activiteiten tijdens het voorbije jaar, waarin onder meer de volgende elementen zijn opgenomen:

   (a) een beschrijving van de acties die zijn ondernomen om de bepalingen van de verordening ten uitvoer te leggen;
   (b) een vermelding van de procedure voor de behandeling van individuele klachten;
   (c) een samenvatting van de in de betrokken lidstaat geldende regels inzake de toegankelijkheid voor gehandicapte personen en personen met beperkte mobiliteit;
   (d) geaggregeerde gegevens betreffende klachten, met inbegrip van gegevens over het gevolg dat daaraan is gegeven en de afhandelingstermijnen;
   (e) details over opgelegde sancties;
   (f) andere aspecten die belangrijk zijn voor een betere handhaving van deze verordening.

2.  Met het oog op de opstelling van dat verslag houden de handhavinginstanties statistieken bij van individuele klachten, ingedeeld per onderwerp en per onderneming. Die gegevens kunnen tot drie jaar na de datum waarop het incident heeft plaatsgevonden, worden opgevraagd door de Commissie of de nationale onderzoeksinstanties.

Artikel 29

Samenwerking tussen handhavingsinstanties

De overeenkomstig artikel 27, lid 1, aangewezen nationale handhavingsinstanties wisselen informatie uit over hun werkzaamheden alsmede over hun besluitvormingsbeginselen en -praktijken met het oog op een consequente bescherming van de passagiers in de hele Gemeenschap. De Commissie ondersteunt hen hierbij.

Artikel 30

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van deze verordening, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die regels worden toegepast. De vastgestelde sancties, waaronder eventueel een bevel tot betaling van compensatie aan de betrokken passagier, moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze bepalingen en delen eventuele latere wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk mee.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 31

Verslaggeving

Uiterlijk ...(10) brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing en de effecten van deze verordening. Het verslag moet waar nodig vergezeld gaan van wetgevingsvoorstellen om de bepalingen van deze verordening nader te implementeren of te herzien.

Artikel 32

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004

In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2006/2004 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

18.  Verordening (EG) nr. ... van het Europees Parlement en de Raad van [] betreffende de rechten van bus- en autocarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (de verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming) (PB L ...)

"

Artikel 33

Inwerkingtreding

1.  Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Zij wordt van toepassing ...(11).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit

a)  Bijstand in terminals

Bijstand en regelingen die nodig zijn om gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit in staat te stellen om:

   zich in de terminal aan te melden en een aanvraag om bijstand in te dienen op een aangewezen locatie;
   zich te verplaatsen van dat punt naar de loketten, de wachtruimte en de instapzone.

b)  Bijstand aan boord van het voertuig

Bijstand en regelingen die nodig zijn om gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit in staat te stellen om:

   in de autobus of touringcar te stappen met behulp van een lift, rolstoel of andere passende uitrusting;
   hun bagage in te laden;
   hun bagage uit te laden,
   uit de autobus of touringcar te stappen;
   indien mogelijk, naar het toilet te gaan;
   voor zover mogelijk, een erkende hulphond mee te nemen aan boord van de autobus of touringcar;
   zich naar de zitplaatsen te begeven;
   belangrijke informatie over de reis in een toegankelijke vorm te ontvangen;
   indien mogelijk, bij tussenstops op het traject in en uit te stappen.

BIJLAGE II

Opleiding over de gehandicaptenproblematiek

a)  Bewustmaking van de gehandicaptenproblematiek

In de opleiding voor personeel dat rechtstreeks contact heeft met passagiers komen de volgende onderwerpen aan bod:

   bewustzijn van en passend reageren op personen met een fysieke, zintuiglijke (auditieve of visuele), of verborgen handicap of leermoeilijkheden, met inbegrip van de manier om de verschillende mogelijkheden van personen met beperkte mobiliteit, oriëntatie of communicatievaardigheden in te schatten;
   belemmeringen voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, met inbegrip van attitudeproblemen, omgevings-/fysieke obstakels en organisatorische belemmeringen;
   erkende hulphonden; met inbegrip van de rol en de behoefte van een hulphond;
   omgaan met onverwachte gebeurtenissen;
   sociale vaardigheden en technieken om te communiceren met doven en slechthorenden, visueel gehandicapten, mensen met een spraakprobleem en mensen met leermoeilijkheden;
   hoe om te gaan met rolstoelen en andere mobiliteitshulpmiddelen teneinde schade te vermijden (voor personeel dat verantwoordelijk is voor de bagageafhandeling indien relevant).

b)  Opleiding inzake bijstand aan gehandicapte personen

In de opleiding voor personeel dat bijstand verleent aan gehandicapte personen en personen met beperkte mobiliteit komen de volgende onderwerpen aan bod:

   hoe een rolstoelgebruiker helpen in- en uit zijn rolstoel te stappen;
   vaardigheden om bijstand te verlenen aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die reizen met een erkende hulphond, met aandacht voor de rol en de behoefte van deze honden;
   technieken voor de begeleiding van blinde en slechtziende passagiers en voor de omgang met en het vervoer van erkende hulphonden, in het besef dat hulphonden zijn opgeleid om uitsluitend de bevelen van hun baas te gehoorzamen en dat het niet aan het dienstdoende personeel is om met deze honden om te gaan;
   kennis van de soorten uitrusting om gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit te helpen en van de manier waarop die uitrusting moet worden gebruikt;
   het gebruik van in- en uitstaphulpmiddelen en van de correcte procedures voor bijstand bij het in- en uitstappen, waarbij de veiligheid en de waardigheid van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit wordt gewaarborgd;
   voldoende begrip van de behoefte aan betrouwbare en professionele bijstand; tevens bewustzijn van de mogelijke gevoelens van kwetsbaarheid die personen door hun afhankelijkheid van de geboden bijstand tijdens de reis kunnen ervaren;
   kennis van eerste hulp.

(1) PB C ...
(2) PB C …
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 23 april 2009.
(4) PB L 226 van 10.9.2003, blz. 4.
(5) PB L 158 van 23.6.1990, blz. 59.
(6) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
(7) PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1.
(8) PB L 74 van 20.3.1992, blz. 1.
(9) PB L 8 van 11.1.1984, blz. 17.
(10)* PB: drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
(11)* PB: twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.


Beschermingstermijn van het auteursrecht en bepaalde naburige rechten ***I
PDF 411kWORD 93k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (COM(2008)0464 – C6-0281/2008 – 2008/0157(COD))
P6_TA(2009)0282A6-0070/2009
RECTIFICATIES

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0464),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 47, lid 2, 55 en 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0281/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0070/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/116/EG ║ betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten

P6_TC1-COD(2008)0157


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, en de artikelen 55 en 95,

Gezien het voorstel van de Commissie║,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Overeenkomstig Richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten(3) is de beschermingstermijn voor uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen vastgesteld op 50 jaar.

(2)  Voor uitvoerende kunstenaars vangt deze periode aan met de uitvoering of, indien de vastlegging van de uitvoering binnen een termijn van 50 jaar na de uitvoering is gepubliceerd of medegedeeld aan het publiek, met die eerste publicatie of die eerste mededeling aan het publiek, afhankelijk van wat het eerst gebeurt.

(3)  Voor producenten van fonogrammen vangt de periode aan met de vastlegging van het fonogram of de publicatie ervan indien deze binnen een termijn van 50 jaar na de vastlegging plaatsvindt of, bij gebreke van publicatie, met de mededeling van het fonogram aan het publiek mits deze binnen een termijn van 50 jaar na de vastlegging plaatsvindt.

(4)  De maatschappelijke erkenning van het belang van de creatieve bijdrage van uitvoerende kunstenaars dient tot uiting te komen in een beschermingsniveau dat recht doet aan hun creatieve en artistieke bijdragen.

(5)  Uitvoerende kunstenaars beginnen hun carrière gewoonlijk op jonge leeftijd, zodat de huidige beschermingstermijn van 50 jaar voor de vastlegging van uitvoeringen veelal niet volstaat om hun uitvoeringen gedurende hun gehele leven te beschermen. Daarom worden sommige uitvoerende kunstenaars aan het eind van hun leven geconfronteerd met een inkomensgat. Bovendien kunnen zij vaak geen beroep doen op hun rechten om eventueel ongewenst gebruik van hun uitvoeringen tijdens hun leven te voorkomen of te beperken.

(6)  Uitvoerende kunstenaars moeten minstens tot aan het einde van hun leven kunnen beschikken over de inkomsten uit de uitsluitende rechten op reproductie en beschikbaarstelling, als bedoeld in Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij(4), ║ de billijke compensatie voor reproductie voor privégebruik in de zin van diezelfde richtlijn en de inkomsten uit de uitsluitende rechten op verspreiding en verhuur in de zin van Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom(5).

(7)  Daarom moet de beschermingstermijn voor vastleggingen van uitvoeringen en voor fonogrammen verlengd worden tot 70 jaar na het desbetreffende feit.

(8)  ▌De rechten op de vastlegging van de uitvoering dienen terug te keren naar de uitvoerende kunstenaar indien de producent van fonogrammen ervan afziet om voldoende (in de zin van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties) exemplaren voor verkoop aan te bieden van een fonogram dat zonder de termijnverlenging in het publiek domein zou vallen, of ervan afziet om dat fonogram toegankelijk te maken voor het publiek. Van deze mogelijkheid moet gebruik kunnen worden gemaakt nadat de producent van fonogrammen een redelijke tijd is gelaten voor deze twee exploitatiemogelijkheden. De rechten van de producent op het fonogram moeten bijgevolg vervallen om te voorkomen dat deze rechten co-existeren met de rechten van de uitvoerende kunstenaar op de vastlegging van de uitvoering, wanneer deze laatste rechten niet langer zijn overgedragen of afgestaan aan de producent van het fonogram.

(9)  Bij het aangaan van een contractuele relatie met een producent van fonogrammen moeten uitvoerende kunstenaars hun uitsluitende rechten op de verspreiding, verhuur, reproductie en beschikbaarstelling van vastleggingen van hun uitvoeringen gewoonlijk overdragen aan de producent. In ruil daarvoor wordt aan sommige uitvoerende kunstenaars een voorschot op de royalty's betaald. Zij ontvangen slechts royalty's wanneer de producent van fonogrammen het oorspronkelijke voorschot heeft terugverdiend en na aftrek van de bij contract vastgestelde bedragen. Andere uitvoerende kunstenaars dragen hun uitsluitende rechten over of staan deze af tegen een eenmalige vergoeding (niet-periodieke betaling) . Dit geldt met name voor uitvoerende kunstenaars die achtergrondmuziek verzorgen en niet in de aftiteling vermeld worden ("niet met naam vermelde uitvoerende kunstenaars"), maar soms ook voor uitvoerende kunstenaars die wel in de aftiteling vermeld worden ("met naam vermelde uitvoerende kunstenaars"). ▌

(10)  Teneinde te waarborgen dat uitvoerende kunstenaars die hun uitsluitende rechten hebben overgedragen aan producenten van fonogrammen ▌daadwerkelijk baat vinden bij de termijnverlenging, dient een reeks begeleidende maatregelen te worden ingevoerd. ▌

(11)  De eerste begeleidende maatregel moet producenten van fonogrammen ertoe verplichten om minstens eenmaal per jaar een ▌som opzij te leggen die overeenkomt met 20% van de inkomsten uit de uitsluitende rechten op de verspreiding, reproductie en beschikbaarstelling van fonogrammen. Met "inkomsten" worden bedoeld de inkomsten van de producent van fonogrammen vóór aftrek van de kosten.

(12)  Dezevergoedingen mogen uitsluitend ten goede komen van uitvoerende kunstenaars van wie de uitvoeringen zijn vastgelegd op een fonogram en die hun rechten hebben overgedragen of afgestaan aan de producent in ruil voor een eenmalige vergoeding. De op deze manier verkregen vergoedingen moeten minstens eenmaal per jaar op individuele basis worden verdeeld onder de niet met naam vermelde uitvoerende kunstenaars. Deze verdeling moet worden toevertrouwd aan maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging en nationale voorschriften inzake niet-verdeelbare gelden mogen worden toegepast. Om te voorkomen dat de inzameling en administratie van deze inkomsten een buitensporige belasting vormen, kunnen de lidstaten de mate reguleren waarin kleine ondernemingen verplicht zijn bij te dragen, indien deze betalingen onredelijk zijn in verhouding tot de daarmee samenhangende kosten van inzameling en administratie.

(13)  Artikel 5 van Richtlijn 2006/115/EG ║ kent echter aan uitvoerende kunstenaars reeds een niet voor afstand vatbaar recht op een billijke vergoeding voor de verhuur van onder andere fonogrammen toe. Evenzo is het niet gebruikelijk dat uitvoerende kunstenaars bij contract hun rechten op een enkele billijke vergoeding voor uitzending en mededeling aan het publiek overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2006/115/EG en hun rechten op een billijke compensatie voor reproductie voor privégebruik overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder b), van Richtlijn 2001/29/EG overdragen aan producenten van fonogrammen. Daarom hoeft bij de berekening van het totaalbedrag dat de producent van fonogrammen opzij moet leggen voor het bekostigen van de aanvullende vergoeding, geen rekening te worden gehouden met inkomsten die de producent van fonogrammen heeft verkregen uit de verhuur van fonogrammen en met de enkele billijke vergoeding voor uitzending en mededeling aan het publiek of met de billijke compensatie die is ontvangen voor het kopiëren voor privégebruik.

(14)  Een tweede begeleidende maatregel om overeenkomsten in het kader waarvan artiesten hun uitsluitende rechten op royaltybasis overdragen aan een producent van fonogrammen beter in evenwicht te brengen, dient te bestaan uit de "schone lei" voor kunstenaars die hun bovengenoemde uitsluitende rechten hebben overgedragen aan producenten van fonogrammen in ruil voor royalty's of een vergoeding. Om ervoor te zorgen dat uitvoerende kunstenaars ten volle kunnen profiteren van de verlenging van de beschermingstermijn dienen de lidstaten erop toe te zien dat, in het kader van de overeenkomsten tussen producenten van fonogrammen en uitvoerende kunstenaars, een percentage royalty's of vergoedingen, vrij van voorschotten of contractueel bepaalde kortingen aan de uitvoerende kunstenaars wordt uitbetaald gedurende de verlengde termijn.

(15)  Ter wille van de rechtszekerheid moet worden bepaald dat contractuele overdrachten of toekenningen van rechten op vastleggingen van uitvoeringen voorafgaande aan de datum waarop de lidstaten geacht worden de nodige maatregelen te nemen om deze richtlijn ten uitvoer te leggen, tenzij in de overeenkomst uitdrukkelijk anders is bepaald, van kracht blijven gedurende de verlengingsperiode. ▌

(16)  De lidstaten moeten kunnen bepalen dat over bepaalde voorwaarden van die overeenkomsten die voorzien in periodieke betaling, opnieuw kan worden onderhandeld ten gunste van uitvoerende kunstenaars. De lidstaten moeten procedures ter beschikking hebben voor het geval de heronderhandeling mislukt.

(17)  Aangezien de doelstellingen van de voorgestelde begeleidende maatregelen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, gelet op het feit dat nationale maatregelen op dit gebied zouden leiden tot een verstoring van de mededingingsvoorwaarden of negatieve gevolgen zouden hebben voor de reikwijdte van de uitsluitende rechten van producenten van fonogrammen zoals bepaald in de Gemeenschapswetgeving, en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken.

(18)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan nationale regels en overeenkomsten die in overeenstemming zijn met haar bepalingen, bijvoorbeeld collectieve overeenkomsten die in de lidstaten zijn gesloten tussen organisaties die uitvoerende kunstenaars vertegenwoordigen en organisaties die producenten vertegenwoordigen.

(19)  In sommige lidstaten geldt voor muziekwerken met tekst één beschermingstermijn, die wordt berekend vanaf de dag van overlijden van de langstlevende auteur, terwijl in andere lidstaten de muziek en de tekst een verschillende beschermingstermijn hebben. Muziekwerken met tekst worden vrijwel altijd door meerdere auteurs tot stand gebracht. Zo zijn opera's vaak het werk van een librettist en een componist. En in genres als jazz, rock en popmuziek komen de werken vaak in samenwerking tot stand.

(20)  De beschermingstermijn van muziekwerken met tekst, waarvan tekst en muziek zijn geschreven om samen te worden gebruikt, is derhalve onvoldoende geharmoniseerd, wat leidt tot belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en diensten, zoals grensoverschrijdende diensten voor collectief beheer. Om de opheffing van dergelijke belemmeringen te waarborgen, moet voor al deze werken die op de datum waarop de lidstaten deze richtlijn moeten hebben omgezet, bescherming genieten, dezelfde geharmoniseerde beschermingstermijn gelden in alle lidstaten.

(21)  Richtlijn 2006/116/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(22)  Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap eigen tabellen op te stellen die het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2006/116/EG

Richtlijn 2006/116/EG wordt als volgt gewijzigd:

(1)  In artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:"

7.  De beschermingstermijn van een muziekwerk met tekst bedraagt 70 jaar na de dood van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen: de tekstschrijver en de componist van het muziekwerk, mits hun beider bijdragen specifiek zijn gecreëerd voor het respectieve muziekwerk met tekst.

"

(2)   ║ Artikel 3, ║ wordt als volgt gewijzigd:

In lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:"

Indien echter

   binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering anders dan op een fonogram op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek medegedeeld is, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek;
   binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering op een fonogram op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek medegedeeld is, vervallen de rechten 70 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek.
  

In de tweede en derde zin van ║ lid 2, wordt het getal "50" vervangen door "70".

   c) de volgende leden worden ingevoegd:
  

Indien de producent van fonogrammen 50 jaar nadat het fonogram op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, indien het fonogram niet op geoorloofde wijze is gepubliceerd, 50 jaar nadat het op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld, verzuimt voldoende kopieën van het fonogram ten verkoop aan te bieden of voor het publiek beschikbaar te stellen, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, kan de uitvoerende kunstenaar het contract houdende overdracht of toekenning van zijn rechten op de vastlegging van zijn uitvoering aan een producent van fonogrammen (hierna "contract houdende overdracht of afstand") beëindigen. Het recht om het contract te beëindigen mag worden uitgeoefend indien de producent, binnen een jaar na de kennisgeving door de uitvoerende kunstenaar van zijn voornemen om het contract te beëindigen als bedoeld in de voorgaande volzin, geen uitvoering geeft aan de beide exploitatiehandelingen als vermeld in die volzin. De uitvoerende kunstenaar kan geen afstand doen van zijn recht op beëindiging. Wanneer een fonogram de vastlegging van uitvoeringen van meerdere uitvoerende kunstenaars bevat, kunnen de uitvoerende kunstenaars hun contracten houdende overdracht of afstand overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving beëindigen. Indien het contract houdende overdracht of afstand overeenkomstig dit lid beëindigd wordt, vervallen de rechten van de producent van fonogrammen op het fonogram.

2 ter.  Wanneer in een contract houdende overdracht of afstand aan de uitvoerende kunstenaar het recht op een niet-periodieke vergoeding wordt toegekend, heeft de uitvoerende kunstenaar recht op een jaarlijkse aanvullende vergoeding van de producent van fonogrammen voor ieder volledig jaar direct volgend op het 50ste jaar nadat het fonogram op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, indien het fonogram niet op geoorloofde wijze is gepubliceerd, het 50ste jaar nadat het op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld. De uitvoerende kunstenaar kan geen afstand doen van dit recht op een jaarlijkse aanvullende vergoeding.

2 quater.  Het totaalbedrag dat de producent van fonogrammen opzij moet leggen voor het bekostigen van de in lid 2 ter bedoelde aanvullende vergoeding komt overeen met 20% van de inkomsten die hij tijdens het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor voornoemde vergoeding wordt betaald, heeft verkregen uit de reproductie, verspreiding en toegankelijkmaking van het betrokken fonogram, volgend op het 50ste jaar nadat het op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, indien het fonogram niet op geoorloofde wijze is gepubliceerd, het 50ste jaar nadat het op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld.

De lidstaten zorgen ervoor dat de producenten van fonogrammen verplicht worden uitvoerende kunstenaars die recht hebben op de jaarlijkse aanvullende vergoeding als bedoeld in lid 2 ter, op verzoek alle informatie te verstrekken die nodig kan zijn om betaling van die vergoeding te verkrijgen.

2 quinquies.  De lidstaten zorgen ervoor dat het recht op ontvangst van de in lid 2 ter bedoelde jaarlijkse aanvullende vergoeding wordt beheerd door maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging.

2 sexies.  Indien een uitvoerende kunstenaar recht heeft op periodieke betalingen, worden er geen voorschotten of contractueel bepaalde kortingen ingehouden op de betalingen aan de kunstenaar volgend op het 50ste jaar nadat het fonogram op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, indien het fonogram niet op geoorloofde wijze is gepubliceerd, volgend op het 50ste jaar nadat het op geoorloofde wijze aan het publiek is meegedeeld.

"

(3)  In artikel 10 worden de volgende leden ingevoegd:"

5.  Artikel 3, lid 1, en lid 2 sexies, zoals gewijzigd bij Richtlijn .../.../EG(6)is van toepassing op vastleggingen van uitvoeringen en fonogrammen waarvoor de uitvoerende kunstenaar en de producent van fonogrammen, krachtens die bepalingen, nog beschermd zijn op ...(7)* en op vastleggingen van uitvoeringen en fonogrammen die na die datum ontstaan.

6.  Artikel 1, lid 7, geldt zoals ingevoegd bij Richtlijn .../.../EG(8), geldt voor muziekwerken met tekst waarvan ten minste het muziekwerk of de tekst vóór ...(9)* in ten minste een lidstaat beschermd is, en voor muziekwerken met tekst die na die datum ontstaan.

De eerste alinea laat exploitatiehandelingen die vóór ...*zijn verricht, onverlet. De lidstaten stellen de nodige bepalingen vast om met name de verworven rechten van derden te beschermen.

"

(4)  Het volgende artikel ║ wordt ingevoegd:"

Artikel 10 bis

Overgangsmaatregelen betreffende de omzetting van Richtlijn .../.../EG*:

1.  Tenzij contractueel uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt een contract houdende overdracht of afstand dat is gesloten vóór ...** ▌geacht van kracht te blijven na het tijdstip waarop de uitvoerende kunstenaar ▌, krachtens artikel 3, lid 1, in de versie vóór wijziging bij Richtlijn .../.../EG*, niet langer beschermd is.

2.  De lidstaten kunnen bepalen dat contracten houdende overdracht of afstand op grond waarvan een uitvoerende kunstenaar recht heeft op periodieke betalingen en die gesloten zijn vóór ...(10), na een termijn van 50 jaar nadat het fonogram op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, bij ontstentenis van een dergelijke publicatie, op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld, kunnen worden gewijzigd.

"

Artikel 2

Verslag

De Commissie dient uiterlijk ...(11)* bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn in het licht van de ontwikkeling van de digitale markt en, zo nodig, een voorstel tot nadere wijziging van Richtlijn 2006/116/EG.

Artikel 3

Evaluatie

De Commissie evalueert de eventuele behoefte aan een verlenging van de beschermingstermijn voor de rechten van uitvoerende kunstenaars en producenten in de audiovisuele sector en brengt uiterlijk op 1 januari 2010 aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de uitkomst van deze evaluatie. Zo nodig dient de Commissie een voorstel tot nadere wijziging van Richtlijn 2006/116/EG in.

Artikel 4

Omzetting

1.  De lidstaten doen uiterlijk ...(12) de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van deze bepalingen mee. ▌

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) Advies van 14 januari 2009 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 23 april 2009.
(3) PB L 372 van 27.12.2006, blz. 12.
(4) PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.
(5) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 28.
(6)* PB L ....
(7)** 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingrichtlijn.
(8)* PB L ...
(9)** 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingrichtlijn.
(10)* 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingrichtlijn.
(11)** 5 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingrichtlijn.
(12)* 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.


Intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen ***I
PDF 393kWORD 133k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het kader voor het toepassen van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen (COM(2008)0887 – C6-0512/2008 – 2008/0263(COD))
P6_TA(2009)0283A6-0226/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0887),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 71, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0512/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0226/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het kader voor het toepassen van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen

P6_TC1-COD(2008)0263


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie ║,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het toenemende wegvervoer dat samenhangt met de groei van de Europese economie en de mobiliteitseisen van de burgers, is een primaire oorzaak van toenemende congestie van het wegennet en toenemend energieverbruik, evenals van sociale en milieuproblemen.

(2)  Het antwoord op die belangrijke uitdagingen kan niet beperkt blijven tot traditionele maatregelen waaronder, met name, de uitbreiding van het bestaande wegennet. Innovatie zal een belangrijke rol moeten spelen bij het vinden van geschikte oplossingen voor de Gemeenschap.

(3)  Intelligente vervoerssystemen (ITS) zijn geavanceerde toepassingen die, zonder intelligentie als zodanig te belichamen, gericht zijn op het aanbieden van innovatieve diensten inzake soorten vervoer en verkeersbeheer, en die uiteenlopende gebruikers in staat stellen zich beter te informeren en veiliger, meer gecoördineerd en "slimmer" gebruik te maken van vervoersnetwerken.

(4)  Door informatie- en communicatietechnologie toe te passen op de sector van het wegvervoer en de interfaces daarvan met andere vervoerswijzen (ITS) kan een aanzienlijke bijdrage worden geleverd aan het verbeteren van de milieuprestaties, van de efficiëntie, met inbegrip van energie-efficiëntie, van de veiligheid van het wegvervoer en van de mobiliteit van passagiers en goederen, terwijl tegelijkertijd het functioneren van de interne markt en verhoogde competitiviteit en werkgelegenheid worden verzekerd.

(5)  Er is een aantal geavanceerde toepassingen en communautaire mechanismen ontwikkeld voor uiteenlopende soorten vervoer, zoals spoorwegvervoer (ERTMS en TAF-TSI), open zee en binnenwateren (LRITS, SafeSeaNet, VTMIS, RIS), luchtvervoer (SESAR) en vervoer over land, bij voorbeeld van levende dieren.

(6)  De vooruitgang die is geboekt bij de toepassing van informatie- en communicatietechnologieën op andere vervoerswijzen moet nu worden vertaald in ontwikkelingen in de sector van het wegvervoer, met name met het oog op betere integratie op dat gebied tussen wegvervoer en andere vervoerswijzen.

(7)  Sommige lidstaten zijn al bezig met nationale toepassingen van deze technologieën in de sector van het wegvervoer, maar die invoering blijft gefragmenteerd en ongecoördineerd, en biedt geen waarborgen voor de geografische continuïteit van ITS-diensten in de hele Gemeenschap.

(8)  Om ITS op een gecoördineerde en effectieve wijze in te voeren in de hele Gemeenschap, moeten gemeenschappelijke specificaties worden vastgesteld. In eerste instantie moet prioriteit worden gegeven aan vier belangrijke terreinen voor de ontwikkeling en invoering van ITS.

(9)  De gemeenschappelijke specificaties zouden onder andere rekening moeten houden met en voortbouwen op de ervaring en resultaten die reeds op dit gebied zijn verkregen, met name in de context van het initiatief eSafety(4), dat in april 2002 door de Commissie is opgestart. Het eSafety Forum is als onderdeel van dat initiatief door de Commissie opgericht voor het bevorderen en verder implementeren van aanbevelingen ter ondersteuning van de ontwikkeling, invoering en het gebruik van eSafety-systemen.

(10)  Voertuigen die voornamelijk wegens hun historische betekenis worden gebruikt en die oorspronkelijk geregistreerd waren, en/of waarvoor typegoedkeuring is verleend en/of die in gebruik zijn genomen voordat deze richtlijn en de daarbij behorende uitvoeringsmaatregelen van kracht werden, vallen niet onder de in onderhavige richtlijn neergelegde voorschriften en procedures.

(11)  ITS moeten worden geënt op interoperabele systemen die zijn gebaseerd op open en publieke standaarden en zonder onderscheid beschikbaar zijn voor alle leveranciers en gebruikers van toepassingen en diensten.

(12)  In de toekomst moet de interoperabiliteit worden gewaarborgd van toepassingen en diensten die worden aangeboden door ITS-inzet, die er zo nodig eveneens voor zorgt dat ITS-toepassingen en -diensten te combineren zijn met voorgaande versies.

(13)  De invoering en het gebruik van ITS-toepassingen en diensten brengen de verwerking van persoonsgegevens met zich mee. Bij die verwerking moet de communautaire regelgeving in acht worden genomen, zoals neergelegd in onder meer Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(5) en in Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie(6).

(14)  Voor de invoering en het gebruik van ITS-toepassingen en -diensten, met name verkeers- en reisinformatiediensten, zullen gegevens over wegen, verkeer en reizen moeten verwerkt die zijn opgenomen in documenten die door organen uit de overheidssector van de lidstaten worden bewaard. Bij de verwerking en het gebruik van die gegevens moet de regelgeving van de Gemeenschap, zoals neergelegd in Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie(7), in acht worden genomen.

(15)  Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(8) stelt een kader vast voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, terwijl Richtlijnen 2002/24/EG(9) en 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad(10) respectievelijk betrekking hebben op de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en op de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, en verwisselbare getrokken machines. De bepalingen in deze richtlijnen hebben betrekking op in voertuigen geïnstalleerde, aan ITS gerelateerde apparatuur, maar zijn zij niet van toepassing op externe ITS-apparatuur en -software voor weginfrastructuur, waarvoor bijgevolg moet worden voorzien in nationale procedures voor typegoedkeuring.

(16)  Voor ITS-toepassingen en -diensten die een accurate en tijds- en plaatsbepaling vergen, moet een beroep worden gedaan op satellietinfrastructuur of een andere technologie die eenzelfde mate van precisie waarborgt(11), zoals specifieke communicatie over geringe afstand (DSRC).

(17)  Belangrijke belanghebbenden, zoals ITS-dienstaanbieders, verenigingen van gebruikers van ITS, vervoers- en infrastructuurexploitanten, vertegenwoordigers van fabrikanten, sociale partners, beroepsverenigingen en lokale autoriteiten zouden de mogelijkheid moeten hebben de Commissie advies ter verlenen over de commerciële en technische aspecten in verband met de invoering van ITS in de Gemeenschap.

(18)  De voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn nodige maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(12).

(19)  Met name zou de Commissie de bevoegdheid moeten om de bijlagen te wijzigen en de precieze specificaties voor de ontwikkeling, de implementatie en het gebruik van interoperabele ITS vast te stellen. Aangezien dit maatregelen van algemene streking zijn, met als doel niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen, onder andere door haar aan te vullen met nieuwe, niet-essentiële elementen, kunnen zij worden goedgekeurd overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.

(20)  Om een gecoördineerde aanpak te kunnen garanderen, moet de Commissie toezien op coherentie tussen de activiteiten van het door deze richtlijn opgerichte comité en die van het comité dat is opgericht bij Richtlijn 2004/52/EG van het Europese Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer in de Gemeenschap(13), het comité dat is opgericht bij Verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer(14), en het comité bedoeld in Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd(15).

(21)  Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, het verzekeren van de gecoördineerde invoering en het gecoördineerd gebruik van interoperabele ITS in de hele Gemeenschap, niet voldoende kan worden bereikt door de lidstaten en bijgevolg, vanwege de omvang en de gevolgen, beter kan worden bereikt op gemeenschapsniveau, kan de Gemeenschap maatregelen goedkeuren, overeenkomstig het in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Volgens het evenredigheidsbeginsel zoals beschreven in dat artikel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te bereiken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

Deze richtlijn stelt een kader vast voor de gecoördineerde en samenhangende invoering en het dito gebruik van ITS, waar onder interoperabele ITS, binnen de Gemeenschap en de ontwikkeling van de daarvoor benodigde specificaties.

Zij is van toepassing op alle ITS voor reizigers, voertuigen en infrastructuur en de interactie daarvan op het gebied van wegtransport met inbegrip van stedelijk vervoer, en de interfaces met andere vervoerswijzen.

De toepassing van de onderhavige richtlijn en de in artikel 4 bedoelde maatregelen laat de eisen van de lidstaten ten aanzien van openbare orde en veiligheid onverlet.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

   (a) "Intelligente vervoerssystemen (Intelligent Transport Systems, ITS)": systemen waarin informatie- en communicatietechnologie wordt toegepast, ter ondersteuning van het wegvervoer (met inbegrip van infrastructuur, voertuigen en gebruikers) en verkeers- en mobiliteitsbeheer en voor de interfaces met andere vervoerswijzen, waaronder de mogelijkheid van multimodale interoperabele kaartverkoop;
   (b) "interoperabiliteit": het vermogen van systemen en van de aan de basis daarvan liggende processen om onderling gegevens uit te wisselen en informatie en kennis te delen;
   (c) "ITS-toepassing": een operationeel instrument voor het toepassen van ITS;
   (d) "ITS-dienst": de invoering van een ITS-toepassing door een duidelijk omlijnd organisatorisch en operationeel kader met als doel bij te dragen aan ║ veiligheid, ║ efficiëntie, en comfort van de gebruikers en/of vervoers- en reisdiensten te faciliteren of te ondersteunen;
   (e) "ITS-dienstaanbieder": elke willekeurige aanbieder van een ITS-dienst, zij het openbaar of privé;
   (f) "ITS-gebruiker": elke willekeurige gebruiker van ITS-toepassingen of -diensten met inbegrip van reizigers, kwetsbare vervoersgebruikers, gebruikers en beheerders van weginfrastructuur, beheerders van wagenparken en noodhulpdiensten;
   (g) "nomadisch apparaat": een communicatie- of informatieapparaat dat door de bestuurder mee in een voertuig kan worden genomen om te gebruiken tijdens het rijden, zoals een mobiele telefoon, een navigatiesysteem of een zakcomputer;
   (h) "platform": de omvattende functionele, technische en operationele omgeving die de invoering, het aanbieden of de exploitatie van ITS-toepassingen en -diensten mogelijk maakt;
   (i) "kwetsbare vervoersgebruikers": niet gemotoriseerde weggebruikers zoals voetgangers, fietsers, motorrijders en gehandicapten of mensen met beperkte mobiliteit;
   (j) "minimumniveau van ITS-toepassingen en -diensten": het basisniveau van ITS-toepassingen en -diensten die onontbeerlijke bestanddelen van het trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-T) vormen.

Artikel 3

Invoering van ITS

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de gecoördineerde invoering en gebruik van doelmatige interoperabele ITS-toepassingen en -diensten binnen de Gemeenschap te verzekeren.

2.  Indien mogelijk zien de lidstaten erop toe dat ITS-toepassingen en -diensten in de Gemeenschap te combineren zijn met voorgaande versies.

3.  In het bijzonder moeten de lidstaten:

   (a) erop toezien dat betrouwbare en regelmatig bijgewerkte relevante gegevens over wegvervoer beschikbaar worden gesteld aan ITS-gebruikers en ITS-dienstaanbieders;
   (b) erop toezien dat wegverkeers- en reisgegevens en andere relevante informatie kunnen worden uitgewisseld tussen de bevoegde verkeersinformatie- en controlecentra in verschillende regio's of in verschillende lidstaten;
   (c) ITS toepassen op alle vormen van vervoer en de interfaces daartussen, waardoor een hoog integratiepeil tussen alle soorten vervoer wordt gewaarborgd;
   (d) de nodige maatregelen nemen om ITS-systemen op veiligheidsgebied in voertuigen en weginfrastructuur te integreren en om veilige mens/machine-interfaces (HMI's) te ontwikkelen, met name voor nomadische apparaten;
   (e) de nodige maatregelen treffen om de verschillende ITS-toepassingen voor de uitwisseling van informatie en communicatie tussen voertuigen en de weginfrastructuur in één enkel platform te integreren;
   (f) geografische versplintering en discontinuïteit voorkomen.

4.  Voor ITS-toepassingen en -diensten die een wereldwijde, continue, accurate en gegarandeerde tijds- en plaatsbepaling vergen, moet gebruik worden gemaakt van een infrastructuur op basis van satellieten, of van een andere technologie met een gelijk precisieniveau zoals DSRC.

5.  Bij de goedkeuring van de in leden 1 en 2 bedoelde maatregelen, moeten de lidstaten eisen dat de in bijlage I genoemde beginsels worden geëerbiedigd.

6.  De lidstaten houden rekening met de morfologische eigenaardigheden van de geografisch ver afgelegen gebieden en de afstanden die moeten worden afgelegd om hen te bereiken, en zij maken indien nodig uitzondering op het in bijlage I geformuleerde beginsel dat de kosten in verhouding moeten staan tot de doelmatigheid.

Artikel 4

Specificaties

1.  De Commissie moet specificaties definiëren voor de invoering en het gebruik van ITS, ▌voor de volgende prioriteitsgebieden:

   (a) optimaal gebruik van weg-, verkeers- en reisgegevens;
   (b) continuïteit van ITS-diensten voor verkeers- en vrachtbeheer op de Europese vervoerscorridors en in stedelijke agglomeraties;
   (c) veiligheid op en van wegen;
   (d) integratie van het voertuig in de transportinfrastructuur.

2.  De Commissie stelt specificaties vast voor de verplichte inzet en toepassing van het minimumniveau van ITS-toepassingen en -diensten, met name in onderstaande sectoren:

   (a) het aanbieden van diensten die EU-dekkende real-time verkeers- en reisinformatie verstrekken;
   (b) gegevens en procedures voor het verstrekken van kosteloze minimale universele verkeersinformatiediensten;
   (c) de geharmoniseerde invoering van eCall (automatische noodberichten) in heel Europa;
   (d) adequate maatregelen inzake veilige parkeerplaatsen voor vrachtwagens en bedrijfsvoertuigen en inzake telematisch gestuurde parkeer- en boekingssystemen.

3.  De Commissie moet specificaties bepalen voor de noodzakelijke inzet en toepassing van ITS die uitstijgen boven het minimale peil van ITS-toepassingen en -diensten voor de aanleg of het onderhoud van het trans-Europese wegennet (TERN) die door de Gemeenschap worden gecofinancierd.

4.  De specificaties moeten overeenkomen met de beginselen die worden genoemd in bijlage I en moeten ten minste de in bijlage II genoemde kernelementen omvatten.

5.  Ter waarborging van interoperabiliteit en verdeling van verantwoordelijkheden vult de Commissie waar nodig de in bijlage II opgesomde kernelementen aan met specificaties voor planning, tenuitvoerlegging en operationeel gebruik van ITS-diensten, en bepaalt zij de inhoud van diensten en de verplichtingen van aanbieders van diensten.

6.  In de specificaties worden eveneens de voorwaarden vastgelegd waarop de lidstaten in samenspraak met de Commissie aanvullende regels kunnen opleggen voor de verlening van deze diensten op hun gehele grondgebied of delen daarvan.

7.  De in de leden 1 tot en met 6 bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 9, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

8.  De Commissie voert, voordat de in leden 5 en 6 bedoelde specificaties worden aangenomen, een geëigende effectbeoordeling uit.

9.  Aanvullende beginselen en/of kernelementen van specificaties waarin de onderhavige richtlijn niet voorziet, moeten overeenkomstig de in artikel 251 van het Verdrag bedoelde procedure worden toegevoegd aan de bijlagen I en/of II.

Artikel 5

Typegoedkeuring van aan weginfrastructuur gerelateerde ITS-apparatuur en -software

1.  Wanneer zulks noodzakelijk is omwille van de efficiëntie, met inbegrip van energie-efficiëntie, de veiligheid of beveiliging, of de bescherming van het milieu, moeten ITS-apparatuur en -softwaretoepassingen die buiten het toepassingsgebied van Richtlijnen 2002/24/EG, 2003/37/EG en 2007/46/EG vallen, voordat zij in gebruik worden genomen een typegoedkeuring krijgen.

2.  Voor de in lid 1 bedoelde ITS-apparatuur en softwaretoepassingen moeten de desbetreffende specificaties inzake betrouwbaarheid worden medegedeeld aan de nationale organen die verantwoordelijk zijn voor de typegoedkeuring van ITS-apparatuur en softwaretoepassingen waarop deze richtlijn van toepassing is.

3.  De lidstaten dienen de Commissie in kennis te stellen van de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de typegoedkeuring van ITS-apparatuur en -softwaretoepassingen onder meer voor erkenning van de leveranciers van ITS-softwaretoepassingen, als bedoeld in deze richtlijn. De Commissie deelt die informatie mee aan de andere lidstaten.

4.  Door de nationale instanties van andere lidstaten als bedoeld in lid 3 uitgevaardigde typegoedkeuring worden door de andere lidstaten erkend.

5.  ITS-apparatuur en -software kunnen uitsluitend op de markt gebracht en in gebruik genomen worden, indien zij, wanneer zij naar behoren zijn geïnstalleerd en onderhouden en gebruikt worden voor het doel waarvoor zij bestemd zijn, de gezondheid en veiligheid van mensen en het milieu, overeenkomstig de desbetreffende Gemeenschapswetgeving, en, indien van toepassing, eigendom niet in gevaar brengen.

6.  ITS-apparatuur en -software worden geacht te voldoen aan de vastgestelde specificaties uit hoofde van artikel 4, indien zij voldoen aan de eventuele desbetreffende nationale of Europese normen overeenkomstig Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften inzake informatiemaatschappijdiensten(16).

Artikel 6

Comité technische normen en regelgeving

Indien een lidstaat of de Commissie van mening is dat de in artikel 5, lid 6 bedoelde normen niet geheel in overeenstemming zijn met de vastgestelde specificaties uit hoofde van artikel 4, stelt de betrokken lidstaat of de Commissie het bij artikel 5 van Richtlijn 98/34/EG ingestelde permanente comité daarvan gemotiveerd in kennis. Het comité brengt met spoed een advies uit.

In het licht van het advies van dit comité deelt de Commissie de lidstaten mede of de betrokken normen al dan niet moeten worden geschrapt uit de in artikel 5 van de onderhavige richtlijn bedoelde mededelingen.

Artikel 7

Regels betreffende privacy, beveiliging en hergebruik van informatie

1.  De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de verzameling, opslag en verwerking van persoonsgegevens in de context van de werking van ITS wordt uitgevoerd overeenkomstig de communautaire regelgeving ter bescherming van de vrijheden en fundamentele rechten van het individu, met name Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG.

2.  Ter waarborging van bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt het gebruik van anonieme gegevens voor de ITS-toepassing en/of -dienst, waar dit mogelijk is, aangemoedigd:

3.  Persoonlijke gegevens worden uitsluitend verwerkt indien verwerking noodzakelijk is voor de ITS-toepassing en/of -dienst.

4.  Bijzondere categorieën van gegevens als bedoeld in artikel 8 van Richtlijn 95/46/EG mogen alleen worden verwerkt wanneer de persoon waarop de gegevens betrekking hebben daartoe op basis van goede informatie toestemming heeft verleend.

5.  ▌De lidstaten zien erop toe dat ITS-gegevens en verslaglegging worden beschermd tegen misbruik, met inbegrip van onrechtmatige toegang, wijziging of verlies en dat zij niet mogen worden gebruikt voor andere doelen dan in deze richtlijn worden genoemd.

6.  Richtlijn 2003/98/EG is van toepassing.

Artikel 8

Programmering

1.  De Commissie stelt op de grondslag van de in bijlage II opgesomde kernelementen, voor het eerst uiterlijk ...(17)een jaarlijks werkprogramma op.

2.  De Commissie houdt rekening met de resultaten van de werkzaamheden die worden uitgevoerd door comités die zijn opgericht overeenkomstig andere wetsbesluiten van de Gemeenschap die betrekking hebben op de uiteenlopende sectoren van ITS, onder meer de in artikel 10 bedoelde Europese ITS-adviesgroep.

3.  De Commissie ziet er, in nauwe samenwerking met de lidstaten, op toe dat de inzet van ITS over het geheel genomen consistent is met en een aanvulling vormt op andere betrokken communautaire beleidsterreinen, programma's en acties.

4.  De Commissie werkt met betrekking tot de in bijlagen I en II opgenomen bepalingen actief samen met Europese en internationale normeringsorganen.

5.  De Commissie neemt volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure een besluit over:

   (a) aanneming en aanpassing van de jaarlijkse werkprogramma's;
   (b) bepaling van de voorrangssectoren van internationale samenwerking.

Het jaarlijkse werkprogramma en de voorrangssectoren voor internationale samenwerking worden bekend gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

6.  Overeenkomstig de in artikel 9, lid 3 bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, stelt de Commissie uiterlijk ...(18)een werkprogramma vast met doelen en termijnen voor de tenuitvoerlegging van de in bijlage II opgesomde kernelementen.

Artikel 9

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Europees ITS-comité ║, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 10

Europese ITS-adviesgroep

1.  De Commissie richt een Europese ITS-adviesgroep op, om haar te adviseren over de gehele zakelijke en technische aspecten van de invoering en het gebruik van ITS in de Gemeenschap. De groep zal worden samengesteld uit topvertegenwoordigers van relevante ITS-dienstaanbieders, verenigingen van gebruikers, vervoers- en infrastructuurexploitanten, fabrikanten, sociale partners, beroepsverenigingen, lokale overheid en andere relevante fora.

2.  De Commissie zorgt ervoor dat de vertegenwoordigers van de Europese ITS-Adviesgroep vakbekwaam zijn en dat de bedrijfssectoren en gebruikers die de gevolgen ondervinden van maatregelen die de Commissie eventueel uit hoofde van onderhavige richtlijn voorstelt, naar behoren in de Groep vertegenwoordigd zijn.

3.  De Europese ITS-Adviesgroep heeft tot taak een technisch advies op te stellen over de formulering van de in artikel 4 bedoelde specificaties.

4.  De werkzaamheden van de Europese ITS-Adviesgroep worden op doorzichtige wijze uitgevoerd.

Artikel 11

Verslaglegging

1.  De lidstaten dienen ten laatste ...(19) bij de Commissie een gedetailleerd verslag in over hun nationale activiteiten en projecten met betrekking tot de prioritaire terreinen volgens artikel 4, lid 1, waarin ten minste de informatie de in bijlage III vastgestelde informatie is opgenomen.

2.  De lidstaten delen ten laatste ...(20)* hun plannen voor nationale ITS-maatregelen in de volgende vijf jaar, met ten minste de in bijlage III vastgelegde informatie, mee aan de Commissie.

3.  De lidstaten brengen daarna jaarlijks verslag uit over ║ bij de tenuitvoerlegging van deze plannen de geboekte vooruitgang.

4.  De Commissie brengt halfjaarlijks aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag uit over de voortgang die is geboekt met de tenuitvoerlegging van onderhavige richtlijn, vergezeld van een analyse van het functioneren van de in bijlagen I en II uiteengezette voorschriften, en zij beoordeelt in hoeverre het noodzakelijk is deze richtlijn te wijzigen.

Met name brengt de Commissie halfjaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad verslaag uit over de stand van de financiering en zo nodig doet zij een voorstel voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het minimumniveau van ITS-toepassingen en -diensten.

Artikel 12

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om ten laatste ...(21) aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van deze bepalingen mee alsmede een transponeringstabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationale wetgeving mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 14

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

BEGINSELEN VOOR DE INVOERING VAN ITS ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 3

De selectie en invoering van ITS-toepassingen en -diensten gebeurt op basis van een beoordeling van de behoeften en overeenkomstig de volgende beginselen:

   (a) effectiviteit: het vermogen een tastbare bijdrage te leveren tot het oplossen van de belangrijkste uitdagingen aangaande wegvervoer in Europa (bijvoorbeeld het reduceren van congestie, verlagen van uitstoot, verbeteren van energie-efficiëntie, het tot stand brengen van een grotere veiligheid en betere beveiliging, het aanpakken van problemen in verband met kwetsbare vervoersgebruikers);
   (b) kosteffectiviteit: de verhouding tussen kosten en baten met betrekking tot het halen van doelstellingen;
   (c) geografische continuïteit: het vermogen naadloze diensten te leveren in de hele Gemeenschap en aan haar buitengrenzen, met name op het TEN-T;
   (d) interoperabiliteit: het vermogen van systemen om onderling gegevens uit te wisselen en om informatie en kennis te kunnen delen;
   (e) ontwikkelingsstadium: het ontwikkelingsniveau;
   (f) intermodaliteit − overheveling van vracht van het wegvervoer naar de korte vaart, spoorwegvervoer, binnenscheepvaart of een combinatie van soorten vervoer waarbij het traject over de weg zo doelmatig mogelijk is.

BIJLAGE II

KERNELEMENTEN VAN DE SPECIFICATIES ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4

(1)  Optimaal gebruik van weg-, verkeers- en reisgegevens

De specificaties voor het optimale gebruik van weg-, verkeers- en reisgegevens omvatten onder andere:

  (a) de definitie van de eisen inzake de accuraatheid en grensoverschrijdende beschikbaarheid voor ITS-gebruikers van verkeers- en reisinformatie in real-time, met name:
   de beschikbaarheid van accurate gegevens over openbare wegen en real-time verkeersgegevens die worden gebruikt voor verkeers- en reisinformatie in real-time voor ITS-dienstaanbieders,
   faciliteren van elektronische uitwisseling tussen de relevante overheid en belanghebbenden en de bevoegde ITS-dienstaanbieders, grensover-schrijdend,
   het tijdig bijwerken van gegevens over openbare wegen en verkeersgegevens die worden gebruikt voor real-time verkeers- en reisinformatie door de bevoegde overheid en belanghebbenden,
   het tijdig bijwerken van real-time verkeers- en reisinformatie door de ITS-dienstaanbieders;
  (b) de definitie van de eisen inzake het door de bevoegde overheid verzamelen van weg- en verkeersgegevens (met inbegrip van bijvoorbeeld verkeerscirculatieplannen, verkeersregels en aanbevolen routes, met name voor vrachtwagens) en voor het verstrekken van die gegevens aan ITS-dienstaanbieders, met name:
   de beschikbaarheid voor ITS-dienstaanbieders van gegevens over openbare wegen en verkeer (met inbegrip van bijvoorbeeld verkeerscirculatieplannen, verkeersregels en aanbevolen routes) die zijn verzameld door de bevoegde overheid,
   het mogelijk maken van elektronisch uitwisselen tussen de bevoegde overheid en de ITS-dienstaanbieders,
   het tijdig bijwerken van gegevens over openbare wegen en verkeer (met inbegrip van verkeerscirculatieplannen, verkeersregels en aanbevolen routes) door de bevoegde overheid,
   het tijdig bijwerken van de ITS-diensten en -toepassingen onder gebruikmaking van deze gegevens over openbare wegen en verkeer door de ITS-dienstaanbieders;
  (c) de definitie van de eisen inzake de accuraatheid en het ter beschikking stellen van gegevens over openbare wegen aan makers en dienstaanbieders van digitale kaarten, met name:
   de beschikbaarheid voor makers en dienstaanbieders van digitale kaarten, van gegevens over openbare wegen en verkeer die worden gebruikt voor digitale kaarten,
   het faciliteren van elektronische uitwisseling tussen de bevoegde overheid en belanghebbenden en de makers en aanbieders van digitale kaarten,
   het tijdig bijwerken van gegevens over openbare wegen en verkeer voor digitale kaarten door de bevoegde overheid en belanghebbenden,
   het tijdig bijwerken van de digitale kaarten door makers en dienstaanbieders van digitale kaarten;
  (d) de definitie van minimumvereisten voor het gratis verstrekken aan alle weggebruikers van "universele verkeersboodschappen", evenals de minimale inhoud daarvan, met name:
   het gebruik van een gestandaardiseerde lijst van veiligheidsgerelateerde verkeersgebeurtenissen ("universele verkeersboodschappen") die gratis aan ITS-gebruikers moeten worden doorgegeven,
   de compatibiliteit en de integratie van "universele verkeersboodschappen" in ITS-diensten voor verkeers- en reisinformatie in real-time.

(2)  Continuïteit van ITS-diensten voor verkeers- en vrachtbeheer op de Europese vervoerscorridors en in stedelijke agglomeraties

De specificaties voor de continuïteit en interoperabiliteit van de diensten voor verkeer- en vrachtbeheer voor de Europese vervoerscorridors en in stedelijke agglomeraties omvatten het volgende:

  (a) de definitie van de minimale/noodzakelijke eisen voor de continuïteit van ITS-diensten voor vracht en passagiers via vervoerscorridors en verschillende transportwijzen, met name:
   het faciliteren van elektronische uitwisseling van verkeersgegevens en informatie door de bevoegde verkeersinformatie-/controlecentra uit verschillende landen, regio's, stedelijke en interstedelijke gebieden,
   het gebruik van gestandaardiseerde informatiestromen of verkeersinterfaces tussen de bevoegde verkeersinformatie-/controlecentra;
  (b) de definitie van de nodige maatregelen om innovatieve ITS-technologieën (radiofrequentie-identificatie (RFID, DSRC of Galileo/Egnos) te gebruiken bij het tot stand brengen van ITS-toepassingen (met name het volgen en traceren van vracht onderweg en voor verschillende vervoerswijzen) voor de goederenlogistiek (eFreight), met name:
   de beschikbaarheid van relevante TS-technologieën voor en het gebruik ervan door ontwikkelaars van ITS-toepassingen,
   de integratie van de resultaten van lokalisatie (door bv. RFID, DSRC en/of Galileo/EGNOS) in hulpmiddelen en centra voor verkeersbeheer;
  (c) de definitie van de nodige maatregelen voor het ontwikkelen van een ITS-architectuur voor stedelijke mobiliteit, met inbegrip van een geïntegreerde en multimodale aanpak voor reisplanning, de vraag naar vervoer en verkeersbeheer, met name:
   de beschikbaarheid voor stedelijke controlecentra van gegevens over openbaar vervoer, reisplanning, vraag naar vervoer, en verkeers- en parkeergegevens,
   het faciliteren van de elektronische uitwisseling van multimodale gegevens tussen de verschillende stedelijke controlecentra voor openbaar of privévervoer,
   de integratie van alle relevante gegevens en informatie in één enkele architectuur;
   (d) bepaling van de maatregelen die noodzakelijk zijn om te zorgen voor naadloze ITS-diensten in de Gemeenschap en aan haar buitengrenzen.

(3)  Verkeersveiligheid

De specificaties voor ITS-toepassingen voor verkeersveiligheid omvatten het volgende:

  (a) de definitie van de nodige maatregelen voor de geharmoniseerde introductie van pan-Europees eCall, dat omvat:
   de beschikbaarheid van de vereiste voertuigeigen ITS-gegevens die moeten worden uitgewisseld,
   de beschikbaarheid van de nodige apparatuur in de (noodhulp)centra van de weginfrastructuur (Public Service Access Points) die de door de voertuigen uitgezonden gegevens ontvangen,
   het faciliteren van elektronische uitwisseling van gegevens tussen de voertuigen en de (noodhulp)centra van de weginfrastructuur (Public Service Access Points);
   (b) de vaststelling van de nodige maatregelen om de veiligheid van weggebruikers te garanderen met betrekking tot de HMI aan boord en het gebruik van nomadische apparaten, evenals de beveiliging van de communicatie in voertuigen;
   (c) de bepaling van maatregelen tot waarborging van de veiligheid van kwetsbare vervoersgebruikers door middel van systemen voor mobiliteitsbeheer voor aanbieders en gebruikers van diensten, met betrekking tot de inzet van geavanceerde hulpsystemen voor bestuurders (Advanced Driver Assistance Systems, (ADAS)) en HMI;
   (d) de definitie van de nodige maatregelen om de veiligheid en het comfort van kwetsbare weggebruikers te garanderen bij alle ITS-toepassingen;
  (e) de definitie van de nodige maatregelen om veilige parkeerplaatsen te bieden voor vrachtwagens en bedrijfsvoertuigen en op ITS-gebaseerde parkeer- en reserveringssystemen, met name:
   de beschikbaarheid van voldoende parkeerfaciliteiten,
   de beschikbaarheid van parkeerinformatie voor gebruikers,
   het mogelijk maken van elektronische uitwisseling van gegevens tussen parkeerplaatsen, centra en de voertuigen,
   de integratie van relevante ITS-technologieën in zowel voertuigen als parkeerfaciliteiten om de informatie betreffende beschikbare parkeerplaatsen bij te werken met het oog op reserveringen.

(4)  Integratie van het voertuig in de vervoersinfrastructuur

De specificaties voor ITS voor de integratie van het voertuig in de vervoersinfrastructuur omvatten het volgende:

  (a) de definitie van de nodige maatregelen voor het integreren van verschillende ITS-toepassingen in een open platform aan boord van voertuigen, in het bijzonder gebaseerd op:
   de identificatie van functionele vereisten van bestaande of geplande ITS-toepassingen,
   de definitie van een open architectuur die interoperabiliteit en/of onderlinge verbinding met infrastructuursystemen en -faciliteiten garandeert,
   de "plug and play" integratie van toekomstige nieuwe of opgewaardeerde ITS-toepassingen in een open platform aan boord van het voertuig,
   het gebruik van standaardiseringsprocessen voor de goedkeuring van de architectuur, en de open specificaties aan boord van voertuigen;
  (b) de definitie van de nodige maatregelen ter bevordering van de ontwikkeling en implementatie van coöperatieve (voertuiginfrastructuur-)systemen, met name:
   het faciliteren van de uitwisseling van gegevens en informatie tussen voertuigen onderling, tussen voertuig en infrastructuur, en tussen infrastructuren onderling,
   de beschikbaarheid aan de respectieve partijen (voertuig of weginfrastructuur) van de uit te wisselen relevante gegevens of informatie,
   het gebruik van een gestandaardiseerd berichtformaat voor deze uitwisseling van gegevens tussen het voertuig en de infrastructuur,
   de definitie van een communicatie-infrastructuur voor elk type uitwisseling van gegevens en informatie tussen voertuigen onderling, tussen het voertuig en de infrastructuur en tussen de infrastructuur en de infrastructuur,
   de bepaling van een raamwerk van regelgeving over de HMI om aansprakelijkheidsproblemen aan te pakken en met het oog op een betrouwbaarder aanpassing van functionele ITS-veiligheidsaspecten aan het menselijk gedrag,
   het gebruik van normaliseringsprocessen om de respectieve architecturen goed te keuren.

BIJLAGE III

RIchtsnoeren voor de inhoud van VERSLAGEN inzake nationale ITS-acties als bedoeld in artikel 11

(1)  De rapporten met betrekking tot de prioritaire terreinen die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, en die worden verschaft door de lidstaten overeenkomstig artikel 11 dekken het nationale beleidsniveau. Indien dat relevant is, kan in de verslagen ook informatie over het regionale of lokale beleidsniveau worden opgenomen.

(2)  Het overeenkomstig artikel 11, lid 1, te verstrekken verslag moet ten minste de volgende informatie bevatten:

   (a) de huidige nationale strategie inzake ITS;
   (b) de doelstellingen en de onderbouwing daarvan;
   (c) een korte beschrijving van de status van de invoering en randvoorwaarden van ITS;
   (d) prioritaire terreinen voor huidige acties en gerelateerde maatregelen;
   (e) een indicatie hoe deze strategie en deze acties of maatregelen bijdragen aan de gecoördineerde en interoperabele invoering van ITS-toepassingen en de continuïteit van diensten in de Gemeenschap (zie artikel 4, lid 1).

(3)  Het overeenkomstig artikel 11, lid 2, in te dienen verslag moet ten minste de volgende informatie bevatten:

   (a) de nationale strategie met betrekking tot ITS, met inbegrip van de doelstellingen daarvan;
   (b) een gedetailleerde beschrijving van de invoering en de randvoorwaarden van ITS;
   (c) de geplande prioritaire terreinen voor acties en daarmee samenhangende maatregelen, met inbegrip van een indicatie over hoe de in artikel 4, lid 1, vastgelegde prioritaire terreinen worden aangepakt;
  (d) een gedetailleerde toelichting van de tenuitvoerlegging van huidige en geplande acties wat betreft:
   instrumenten,
   hulpbronnen,
   raadpleging en actieve belanghebbenden,
   mijlpalen,
   toezicht.

(1) Advies van 13 mei 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) PB C ...
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 23 april 2009.
(4) http://www.esafetysupport.org/download/European_Commission/048-esafety.pdf.
(5) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
(6) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(7) PB L 345 van 31.12.2003, blz. 90.
(8) PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.
(9) PB L 124 van 9.5.2002, blz. 1.
(10) PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1.
(11) Zie Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad ║ (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1) en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad ║ (PB L 196 van 24.7.2008, blz. 1).
(12) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(13) PB L 166 van 30.4.2004, blz. 124.
(14) PB L 370 van 31.12.1985, blz. 8.
(15) PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.
(16) PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.
(17)* PB: drie maanden na inwerkingtreding van deze richtlijn
(18)* PB: zes maanden na inwerkingtreding van de deze richtlijn.
(19)* PB: Zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
(20)** PB: Twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
(21)* PB:12 maandenna de inwerkingtreding van deze richtlijn.


Programma Marco Polo II ***I
PDF 197kWORD 51k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1692/2006 tot instelling van het tweede Marco Poloprogramma voor de toekenning van communautaire financiële bijstand om de milieuprestaties van het vrachtvervoerssysteem te verbeteren ("Marco Polo II") (COM(2008)0847 – C6-0482/2008 – 2008/0239(COD))
P6_TA(2009)0284A6-0217/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0847),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 71, lid 1 en 80, lid 2 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0482/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Begrotingscommissie (A6-0217/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1692/2006 tot instelling van het tweede Marco Poloprogramma voor de toekenning van communautaire financiële bijstand om de milieuprestaties van het vrachtvervoerssysteem te verbeteren ("Marco Polo II")

P6_TC1-COD(2008)0239


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 923/2009.)


Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer ***I
PDF 373kWORD 149k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer (COM(2008)0852 – C6-0509/2008 – 2008/0247(COD))
P6_TA(2009)0285A6-0220/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0852),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 71, lid 1 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0509/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0220/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake een Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer

P6_TC1-COD(2008)0247


(voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie║,

Gezien van het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In het kader van de strategie van Lissabon voor groei en werkgelegenheid en de strategie voor duurzame ontwikkeling van de Gemeenschap is de totstandbrenging van een interne spoorwegmarkt, met name voor het goederenvervoer, een essentiële stap op weg naar een duurzame mobiliteit.

(2)  Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur ║(4) was een belangrijke stap tot de verwezenlijking van de interne spoorwegmarkt.

(3)  Om concurrerend te kunnen zijn met andere vervoerswijzen, moet het internationaal en binnenlands goederenvervoer per spoor, dat sinds 1 januari 2007 is opengesteld voor concurrentie, beschikken over een spoorweginfrastructuur van goede kwalitateit, die de mogelijkheid biedt snelle goederenvervoerdiensten diensten met een aantrekkelijke reistijd aan te bieden, en die betrouwbaar is, dat wil zeggen dat de verleende dienst daadwerkelijk voldoet aan de contractuele verbintenissen die zijn aangegaan met de spoorwegexploitanten.

(4)  De liberalisering van het goederenverkeer per spoor heeft weliswaar de intrede van nieuwe exploitanten in het spoorwegnetwerk mogelijk gemaakt, maar de marktmechanismen zijn ontoereikend om dit verkeer te organiseren, te reguleren en te beveiligen. Met name kan het goederenverkeer per spoor worden geoptimaliseerd en de betrouwbaarheid ervan worden gegarandeerd indien de procedures voor samenwerking en toewijzing van treinpaden, met name tussen infrastructuurbeheerders, worden versterkt.

(5)  De Raad heeft tijdens zijn bijeenkomst van 7 ║ april 2008 geconcludeerd dat een efficiënte benutting van infrastructuur moet worden bevorderd en dat de capaciteit van de spoorweginfrastructuur waar nodig moet worden uitgebreid door maatregelen op Europees en nationaal niveau, met name door wetgevende initiatieven.

(6)  In die context zou de totstandbrenging van een Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer waarop goederentreinen in goede omstandigheden kunnen rijden en vlot van het ene nationale net naar het andere kunnen rijden, de gebruiksvoorwaarden van de infrastructuur kunnen verbeteren.

(7)  Met het oog op de totstandbrenging van een Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer tonen de reeds genomen initiatieven op het gebied van de spoorweginfrastructuur aan dat de totstandbrenging van internationale corridors die voorzien in de specifieke behoeften van een of meer duidelijk geïdentificeerde segmenten van de markt van goederenvervoer, de meest geschikte methode is.

(8)  Het Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer moet in samenhang met het trans-Europees vervoersnetwerk ("TEN-V") en de corridors van het Europees signaleringssysteem voor spoorwegen ("ERTMS") worden opgezet. Daartoe is de gecoördineerde ontwikkeling van de ▌netten noodzakelijk, en in het bijzonder de integratie van de internationale goederencorridors in het bestaande TEN-V en de ERTMS-corridors. Bovendien moeten op communautair niveau geharmoniseerde regels worden vastgesteld voor deze goederencorridors. In voorkomend geval moet de totstandbrenging van deze corridors financieel ondersteund worden in het kader van het TEN-V-programma, het onderzoeksprogramma, het Marco Polo-programma, en andere communautaire beleidsvormen en fondsen zoals het Cohesiefonds.

(9)  Bij de creatie van een goederencorridor moet rekening worden gehouden met het bijzondere belang van de geplande uitbreiding van het TEN-V-netwerk naar de landen van het Europese Nabuurschapsbeleid, om te zorgen voor betere verbindingen met de spoorinfrastructuur van Europese derde landen.

(10)  In het kader van een goederencorridor moet gezorgd worden voor een goede coördinatie tussen de betrokken lidstaten en infrastructuurbeheerders, moet het goederenverkeer beter en voldoende worden gefaciliteerd, moeten efficiënte en voldoende verbindingen met de andere vervoersmodaliteiten tot stand worden gebracht om een efficiënt en geïntegreerd netwerk voor het goederenvervoer te ontwikkelen, en moeten voorwaarden worden geschapen die de ontwikkeling van concurrentie tussen de aanbieders van goederenvervoersdiensten per spoor bevorderen.

(11)  De totstandbrenging van een goederencorridor moet worden gebaseerd op voorstellen van de lidstaten in overleg met de infrastructuurbeheerders. In tweede instantie moet een en ander op Europees niveau worden goedgekeurd volgens een procedure die transparant en duidelijk omschreven is. De criteria voor de totstandbrenging van de goederencorridors moeten worden vastgesteld op een wijze die is aangepast aan de specifieke behoeften van de lidstaten en de infrastructuurbeheerders en die hen voldoende besluitvormings- en beheersruimte laten ▌.

(12)  Om de coördinatie tussen de lidstaten, infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen te bevorderen, zou voor elke goederencorridor een bestuursorgaan moeten worden ingesteld dat bestaat uit de verschillende bij die goederencorridor betrokken infrastructuurbeheerders.

(13)  Om aan de behoeften van de markt te voldoen, zouden de voorwaarden voor de verwezenlijking van een goederencorridor moeten worden gepresenteerd in een uitvoeringsplan, met daarin de acties om de prestaties van het goederenvervoer per spoor te verbeteren en het tijdschema voor de uitvoering daarvan. Om te zorgen dat de geplande of uitgevoerde acties voor de totstandbrenging van een goederencorridor voldoen aan de behoeften of verwachtingen van de markt, moeten alle spoorwegondernemingen die gebruik maken van de goederencorridor voorts regelmatig worden geraadpleegd volgens geëigende procedures die door het bestuursorgaan zijn vastgesteld.

(14)  Om de samenhang en de continuïteit van de infrastructuurcapaciteit die beschikbaar is langs de goederencorridor te waarborgen, moeten de investeringen in de goederencorridor worden gecoördineerd tussen de lidstaten, de betrokken infrastructuurbeheerders en de betrokken spoorwegondernemingen, alsmede, indien van toepassing, tussen de lidstaten en Europese derde landen, en worden afgestemd op de behoeften van de goederencorridor. Het programma voor de uitvoering van deze investeringen zou moeten worden gepubliceerd met het oog op goede informatieverstrekking aan de spoorwegondernemingen die op de corridor kunnen opereren. Er moet ook worden geïnvesteerd in de ontwikkeling van interoperabele systemen en de capaciteitsverhoging van de treinen.

(15)  Om dezelfde redenen moeten ook zware onderhoudswerkzaamheden, die heel vaak grote gevolgen hebben voor de capaciteit van de spoorweginfrastructuur, op het niveau van de goederencorridor worden gecoördineerd en moet hierover regelmatig actuele informatie worden bekendgemaakt.

(16)  Voor de bevordering van de ontwikkeling van goederenvervoer per spoor in de Gemeenschap is het eveneens noodzakelijk infrastructuren en systemen voor de ontwikkeling van het intermodaal goederenvervoer tot stand te brengen.

(17)  De betrokken lidstaten en de voor de goederencorridor bevoegde nationale veiligheidsautoriteiten kunnen overeenkomsten sluiten inzake de wederzijdse erkenning van voertuigen en vaardigheden van treinbestuurders. De veiligheidsautoriteiten van de bij de goederencorridor betrokken lidstaten dienen bij de tenuitvoerlegging van die overeenkomsten samen te werken.

(18)  Om het aanvragen van infrastructuurcapaciteit voor internationale goederenvervoersdiensten per spoor gemakkelijker te maken, moet één loket worden ingevoerd voor elke goederencorridor. Dit dient gebaseerd te worden op de bestaande initiatieven, met name die van RailNetEurope, een organisatie die fungeert als coördinatie-instrument voor de infrastructuurbeheerders en die bepaalde diensten levert aan de exploitanten van internationaal goederenvervoer.

(19)  Gelet op de verschillende tijdschema's voor de programmering van de dienstregelingen voor de diverse soorten verkeer is het wenselijk dat erop wordt toegezien dat aanvragen van infrastructuurcapaciteit voor het goederenvervoer compatibel zijn met de aanvragen voor het personenvervoer, gezien met name de respectieve sociaal-economische waarde ervan. De infrastructuurvergoeding dient te variëren naar gelang de kwaliteit en de betrouwbaarheid van het toegewezen treinpad.

(20)  Treinen die goederen vervoeren waarvoor een tijdige en stipte verzending van cruciaal belang is, zoals gedefinieerd door het bestuursorgaan, zouden voldoende voorrang moeten krijgen bij een stremming van het spoorverkeer.

(21)  Met het oog op meer concurrentie tussen aanbieders van goederenvervoersdiensten per spoor op de goederencorridor moeten andere aanvragers dan spoorwegondernemingen of hun samenwerkingsverbanden infrastructuurcapaciteit kunnen aanvragen.

(22)  Om het beheer van de goederencorridor te optimaliseren en voor een vlotter verloop en betere prestaties van het internationaal goederenvervoer per spoor te zorgen, dient te worden toegezien op een goede coördinatie tussen de toezichthoudende instanties voor spoorwegverkeer met betrekking tot de verschillende netten van de goederencorridor. Met het oog op een betere benutting van de spoorweginfrastructuur dient het beheer van die infrastructuur en van de strategische terminals langs de goederencorridor te worden gecoördineerd.

(23)  Om de toegang tot de informatie over het gebruik van alle hoofdinfrastructuren van de goederencorridor te vergemakkelijken en een toegang zonder discriminatie tot die infrastructuur te waarborgen, is het wenselijk dat aan alle aanbieders van internationale goederenvervoersdiensten per spoor een netverklaring met al deze informatie ter beschikking wordt gesteld.

(24)  Om de voordelen van de acties voor de totstandbrenging van de goederencorridor objectief te kunnen meten en teneinde voor een efficiënt toezicht op deze acties te kunnen zorgen, dienen prestatie-indicatoren voor de dienst langs de goederencorridor te worden vastgesteld en regelmatig te worden bekendgemaakt. De prestatie-indicatoren moeten in overleg met de belanghebbende verstrekkers en gebruikers van diensten op het gebied van goederenvervoer per spoor worden vastgesteld.

(25)  Aangezien het doel van deze verordening, namelijk het tot stand brengen van een Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer met een aantal goederencorridors, onvoldoende door de lidstaten alleen kan worden verwezenlijkt en dus gezien de omvang of de gevolgen beter op communautair niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in dit artikel opgenomen evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om dit doel te bereiken.

(26)  Voor de coördinatie van de investeringen en het beheer van de capaciteit en het verkeer moeten billijke regels worden opgesteld die gebaseerd zijn op samenwerking tussen de infrastructuurbeheerders, die in het kader van een internationale spoorwegcorridor een degelijke dienstverlening moeten bieden aan de exploitanten van goederenvervoer.

(27)  De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(5).

(28)  In het bijzonder moet de Commissie moet de bevoegdheid worden gegeven om de voor de uitvoering van deze verordening vereiste voorwaarden en criteria vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening, door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële elementen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(29)  Deze verordening heeft tot doel de efficiency van het goederenvervoer per spoor ten opzichte van andere vervoerswijzen te verbeteren, maar deze doelstelling moet ook worden nagestreefd via politieke maatregelen en de financiële betrokkenheid van de lidstaten en de Europese Unie. Er moet worden gezorgd voor coördinatie tussen de lidstaten op het hoogste niveau om de meest efficiënte werking van de goederencorridors te waarborgen. De financiële betrokkenheid bij infrastructuur en technische uitrusting zoals ERTMS dient, in aansluiting op de doelstelling van deze verordening, gericht te zijn op vergroting van de capaciteit en efficiency van het goederenvervoer,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel en werkingssfeer

1.  Deze verordening stelt de regels vast voor de totstandbrenging en de organisatie van het Europese spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer in internationale spoorwegcorridors voor een concurrerend goederenvervoer (║ "goederencorridors" ║). In deze verordening worden de regels vastgesteld voor de selectie en organisatie van de goederencorridors, evenals samenwerkingsbeginselen voor de planning van de investeringen en voor het beheer van de capaciteit en het verkeer.

2.  Deze verordening is van toepassing op het beheer en het gebruik van spoorweginfrastructuur voor binnenlandse en internationale spoorwegdiensten, met uitzondering van:

   a) autonome plaatselijke en regionale netwerken voor personenvervoersdiensten op spoorweginfrastructuur, behalve als deze diensten worden verstrekt in een deel van een goederencorridor;
   b) netten die uitsluitend bestemd zijn voor stads- en voorstadsvervoersdiensten voor reizigers;
   c) regionale netten die uitsluitend worden gebruikt voor regionaal goederenvervoer door één spoorwegonderneming die niet onder Richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap(6) valt, zolang geen andere aanvrager capaciteit op dat net aanvraagt;
   d) spoorweginfrastructuur in particulier bezit die uitsluitend door de eigenaar voor diens goederenvervoer gebruikt wordt.

Artikel 2

Definities

1.  Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities in artikel 2 van Richtlijn 2001/14/EG van toepassing.

2.  Naast de definities als bedoeld in lid 1, zijn de volgende definities van toepassing:

   a) "goederencorridor": het geheel van spoorlijnen die zich op het grondgebied van de lidstaten en, in voorkomend geval, van Europese derde landen bevinden en die twee of meer strategische terminals verbinden ▌, en die bestaan uit een hoofdas, alternatieve routes en sporen die deze verbinden, alsmede de spoorweginfrastructuur en de uitrusting daarvan in de goederenterminals, de rangeerstations evenals de aansluitingen daarop, inclusief alle met het spoor verband houdende diensten die zijn opgenomen in bijlage II bij Richtlijn 2001/14/EG;
   b) "uitvoeringsplan": het document met de strategie, ║ en de middelen waarmee de betrokken partijen tijdens een bepaalde periode de activiteiten willen ontwikkelen die vereist en voldoende zijn om de goederencorridor te ontwikkelen;
   c) "zware onderhoudswerkzaamheden": elke werkzaamheid of reparatie aan de spoorweginfrastructuur en de uitrusting daarvan die nodig is om treinen over de goederencorridor te laten rijden, die minimum een jaar op voorhand is gepland enwaarbij overeenkomstig artikel 28 van Richtlijn 2001/14/EG infrastructuurcapaciteit is gereserveerd;
   d) "terminal": een langs de goederencorridor aangebrachte installatie die speciaal is ingericht om hetzij het laden en/of lossen van goederentreinen ║ en ║ overslag tussen goederenvervoersdiensten per spoor en weg-, zee-, waterweg- en luchtvervoersdiensten mogelijk te maken, hetzij goederentreinen te kunnen samenstellen of de samenstelling daarvan te kunnen wijzigen;
   e) "strategische terminal": een terminal van de goederencorridor die opengesteld is voor alle aanvragers en die al een belangrijke rol speelt, of moet spelen, bij het goederenvervoer per spoor over de goederencorridor;
   f) "één loket": door elke infrastructuurbeheerder van de goederencorridor opgerichte gemeenschappelijke instantie die aanvragers in staat stelt ▌een treinpad aan te vragen voor een traject dat minimaal één grens overschrijdt.

HOOFDSTUK II

OPZET EN BESTUUR VAN HET EUROPESE SPOORWEGNET VOOR EEN CONCURREREND GOEDERENVERVOER

Artikel 3

Selectie van de goederencorridors

1.  De goederencorridor verbindt ten minste twee lidstaten en beoogt de exploitatie mogelijk te maken van internationale en binnenlandse goederenvervoersdiensten per spoor ▌. De corridor bezit de volgende kenmerken:

   a) hij maakt deel uit van, of is ten minste compatibel met, TEN-V of, in voorkomend geval, met de ERTMS-corridors. Zo nodig kunnen sommige niet in TEN-V opgenomen segmenten met veel of potentieel veel goederenverkeer deel uitmaken van de corridor;
   b) hij maakt een aanzienlijke ontwikkeling van het goederenvervoer per spoor mogelijk en houdt rekening met de grote handels- en verkeersstromen van het goederenvervoer;
   c) hij is gerechtvaardigd op basis van een sociaaleconomische analyse. Die analyse heeft onder meer betrekking op de delen van de goederencorridor waar de toewijzing van infrastructuurcapaciteit grote gevolgen heeft voor het goederen- en personenverkeer. Voorts wordt een analyse gemaakt van de belangrijkste effecten op de externe kosten;
   d) hij maakt betere verbindingen tussen aangrenzende lidstaten en Europese derde landen mogelijk;
   e) voor de verwezenlijking van de corridor is een uitvoeringsplan opgesteld.

2.  Tot de totstandbrenging of wijziging van een goederencorridor wordt besloten door de betrokken lidstaten. Zij delen van tevoren hun voornemens aan de Commissie mee en voegen een voorstel bij dat samen met de betrokken infrastructuurbeheerders is opgesteld, rekening houdend met de initiatieven en standpunten van de spoorwegondernemingen die de corridor gebruiken of daarvoor belangstelling hebben en met de in de bijlage vastgestelde criteria. Belanghebbende spoorwegondernemingen kunnen aan het proces deelnemen, als er voor hen aanzienlijke investeringen aan verbonden zijn.

3.  De verwezenlijking van de goederencorridors verloopt als volgt:

   a) uiterlijk ...(7) moet voor het grondgebied van elke lidstaat die ten minste twee directe spoorverbindingen met andere lidstaten heeft, ten minste één voorstel voor een goederencorridor worden ingediend;
   b) uiterlijk ...(8)* moet het grondgebied van elke lidstaat ten minste beschikken over ▌een goederencorridor.
  

4.  De Commissie neemt kennis van de in lid 2 bedoelde voorstellen voor de totstandbrenging van goederencorridors en onderzoekt de samenhang ervan met de in de bijlage opgenomen beoordelingscriteria. Zij kan door haar passend geachte bezwaren of voorstellen tot wijziging indienen.

5.  In de goederencorridor kunnen delen van spoorwegnetten van Europese derde landen worden opgenomen. In voorkomend geval moeten die delen in overeenstemming zijn met het TEN-V-beleid.

6.  Wanneer tussen twee of meer lidstaten onenigheid bestaat over de ontwikkeling of wijziging van een goederencorridor die betrekking heeft op de op hun grondgebied gelegen spoorweginfrastructuur, raadpleegt de Commissie, op verzoek van een van de betrokken lidstaten, het in artikel 18 bedoelde comité hierover. Het advies van het comité wordt ter kennis van gebracht van de betrokken lidstaten. De betrokken lidstaten houden met dit advies rekening om een oplossing te vinden.

7.  De maatregelen die beogen niet-essentiële elementen van deze verordening te wijzigen door de bijlage aan te passen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 4

Beleid inzake de goederencorridors

1.  De bij een goederencorridor betrokken lidstaten werken samen met het oog op de ontwikkeling van de goederencorridor overeenkomstig het uitvoeringsplan ervan. Zij stellen de algemene doelstellingen van de goederencorridor vast en zien erop toe dat deze doelstellingen worden nagestreefd in het uitvoeringsplan.

2.  Voor elke goederencorridor richten de betrokken infrastructuurbeheerders ║ een bestuursorgaan op dat belast is met de vaststelling, de aansturing van de verwezenlijking en de actualisering van het uitvoeringsplan voor de goederencorridor. De belanghebbende spoorwegondernemingen of samenwerkingsverbanden van spoorwegondernemingen die geregeld van de corridor gebruik maken, hebben recht op een adviserende rol in dit orgaan. Het bestuursorgaan brengt regelmatig verslag uit van zijn activiteiten aan de betrokken lidstaten, en in voorkomend geval aan de Commissie en de in artikel 17 bis van Beschikking nr. 1692/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een transeuropees vervoersnet(9) bedoelde Europese coördinatoren voor de in de goederencorridor geïntegreerde prioritaire TEN-V-projecten ║.

3.  De betrokken lidstaten kunnen een raad van bestuur opzetten die bevoegd is om toestemming te verlenen voor het door het bestuursorgaan opgestelde uitvoeringsplan voor de corridor en op de uitvoering hiervan toe te zien. In dat geval worden de afzonderlijke leden van de raad van bestuur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten gemandateerd.

4.  Het bestuursorgaan is een onafhankelijke juridische entiteit. Het kan worden opgericht in de vorm van een Europees economisch samenwerkingsverband in de zin van Verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad(10) en bezit de status van een dergelijk samenwerkingsverband.

5.  De leden van het bestuursorgaan stellen de directeur van het orgaan aan voor een termijn van ten minste drie jaar.

6.  Er wordt een werkgroep opgericht, bestaande uit de beheerders en eigenaars van de in artikel 9 bedoelde strategische terminals van de goederencorridor, inclusief zee- en binnenhavens. Deze werkgroep kan advies uitbrengen over elk voorstel van het bestuursorgaan dat rechtstreekse gevolgen heeft voor de investeringen in en het beheer van de strategische terminals. Het bestuursorgaan kan geen met dat advies strijdige besluiten nemen.

Artikel 5

Maatregelen voor verwezenlijking van de goederencorridor

1.  Het door het bestuursorgaan goedgekeurde en regelmatig aangepaste uitvoeringsplan bevat ten minste:

   a) een beschrijving van de kenmerken van de goederencorridor, met inbegrip van mogelijke knelpunten, alsook het programma voor de uitvoering van de maatregelen die noodzakelijk zijn om de verwezenlijking van de goederencorridor te vergemakkelijken;
   b) de essentiële elementen van de in lid 2 bedoelde marktstudie;
   c) de doelstellingen van het bestuursorgaan en zijn programma ter verbetering van de prestatie van de goederencorridor ▌volgens de bepalingen van artikel 16.
  

2.  Er wordt een marktstudie uitgevoerd en op gezette tijden geactualiseerd. Deze studie heeft betrekking op de geconstateerde en verwachte ontwikkelingen van het verkeer op de goederencorridor en de elementen van het vervoerssysteem die daaraan zijn gekoppeld, een en ander met het oog op de ontwikkeling of eventuele aanpassing van het uitvoeringsplan voor de goederencorridor. Hierin worden de veranderingen in de verschillende verkeersstromen onderzocht en komen ook de belangrijkste elementen aan bod van de sociaaleconomische analyse als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder c), alsook de mogelijke kosten-batenscenario's en de financiële gevolgen op lange termijn.

3.  Er wordt een programma opgesteld voor de verwezenlijking van de goederencorridor en de verbetering van de prestaties daarvan. Dit programma omvat met name de gemeenschappelijke doelstellingen, de technische keuzes en het tijdschema van de voor de spoorweginfrastructuur en de uitrusting daarvan noodzakelijke acties ter uitvoering van alle in de artikelen 7 tot en met 16 bedoelde maatregelen die de eventuele beperkingen van de capaciteit van de spoorwegen moeten voorkomen of tot een minimum beperken.

Artikel 6

Raadpleging van de aanvragers

1.  Ten behoeve van een passende participatie van de aanvragers ║ die gebruik kunnen maken van de goederencorridor, stelt het bestuursorgaan overlegmechanismen in.

2.  De aanvragers voor het gebruik van de goederencorridor, inclusief aanbieders van diensten op het gebied van goederenvervoer per spoor, aanbieders van diensten op het gebied van personenvervoer, bevrachters, expediteurs en de organen die hen vertegenwoordigen, worden vóór de goedkeuring van het uitvoeringsplan en bij de actualisering ervan geraadpleegd door het bestuursorgaan. Wanneer het bestuursorgaan en de aanvragers geen overeenstemming bereiken, kunnen laatstgenoemden zich wenden tot de bevoegde toezichthoudende instanties als bedoeld in artikel 17.

HOOFDSTUK III

INVESTERINGEN IN DE GOEDERENCORRIDOR

Artikel 7

Planning van de investeringen

1.  Het bestuursorgaan stelt op en keurt goed:

   a) een gemeenschappelijk plan voor infrastructuurinvesteringen met betrekking tot de goederencorridor voor de lange termijn, en wel voor ten minste 10 jaar;
   b) in voorkomend geval een gemeenschappelijk investeringsplan met betrekking tot de goederencorridor voor de middellange termijn (ten minste 2 jaar).

De investeringsplannen bevatten een lijst van geplande projecten voor de uitbreiding, vernieuwing of aanpassing van de spoorweginfrastructuur en de uitrusting daarvan langs de corridor, de desbetreffende financiële behoeften en de financieringsbronnen.

2.  De in lid 1 bedoelde investeringsplannen bevatten een strategie voor de invoering van interoperabele systemen langs de goederencorridor die aan alle essentiële eisen en technische specificaties voldoet die ║ van toepassing zijn op de spoorwegnetten als bedoeld in Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (herschikking)(11). Deze strategie is gebaseerd op een kosten-batenanalyse van de invoering van deze systemen. Zij moet coherent zijn met de nationale en Europese plannen voor de invoering van interoperabele systemen, met name het plan voor invoering van het ║ ERTMS, alsmede met grensoverschrijdende verbindingen en interoperabele systemen met derde landen, indien van toepassing.

3.  In voorkomend geval wordt in de investeringsplannen melding gemaakt van de geplande Europese bijdrage uit hoofde van het TEN-V-programma of andere beleidsvormen, fondsen en programma's, en wordt daarin de strategische samenhang daarmee gemotiveerd.

4.  De in lid 1 bedoelde investeringsplannen bevatten ▌een strategie voor de capaciteitsverhoging van goederentreinen die op de goederencorridor kunnen rijden, en wel voor de verwijdering van de vastgestelde knelpunten, de verbetering van de bestaande infrastructuur en de bouw van nieuwe infrastructuur. De strategie kan maatregelen omvatten voor een toename van de lengte, de spoorwijdte, het profiel, het snelheidsbeheer, de vervoerde lading of de asbelasting voor treinen die op de goederencorridor rijden.

5.  De in lid 1 bedoelde investeringsplannen worden bekendgemaakt in het in artikel 15 bedoelde rapport en worden regelmatig geactualiseerd. Zij maken deel uit van het uitvoeringsplan van de goederencorridor.

Artikel 8

Coördineren van de werkzaamheden

De infrastructuurbeheerders van de goederencorridor coördineren op passende wijze, volgens een passend tijdschema en overeenkomsitg hun respectieve overeenkomsten als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2001/14/EG hun programma's voor alle werkzaamheden aan de infrastructuur en de uitrusting ervan die de beschikbare capaciteit van het netwerk zouden beperken.

Artikel 9

Strategische terminals

1.  Het bestuursorgaan stelt in overleg met de in artikel 4, lid 6, bedoelde werkgroep een geïntegreerde strategie vast voor de ontwikkeling van de strategische terminals om te zorgen dat deze voldoen aan de behoeften van het goederenverkeer per spoor dat op de goederencorridor rijdt, met name als intermodale knooppunten langs de goederencorridors. Begrepen hierin is samenwerking met de regionale, lokale en nationale autoriteiten; het aanwijzen van grond om terminals voor goederenvervoer per spoor te ontwikkelen en de beschikbaarstelling van middelen om deze ontwikkeling te bevorderen. Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat voldoende terminals op strategische locaties worden gecreëerd, op basis van het verwachte verkeersvolume.

2.  Het bestuursorgaan neemt adequate maatregelen voor de uitvoering van deze strategie. Het evalueert de strategie regelmatig.

HOOFDSTUK IV

BEHEER VAN DE GOEDERENCORRIDOR

Artikel 10

Eén loket voor aanvragen van internationale treinpaden

1.  Het bestuursorgaan voert één loket in voor het behandelen van de aanvraag van treinpaden voor een goederentrein die ten minste één grens overschrijdt via de goederencorridor of gebruik maakt van verschillende netten.

2.   Afzonderlijke infrastructuurbeheerders van een goederencorridor kunnen worden aangesteld om te fungeren als front office van het ene loket voor de gegadigden die treinpaden aanvragen.

3.  De betrokken toezichthoudende instanties, als bedoeld in artikel 17 ║, zien erop toe dat de activiteiten van het ene loket op transparante en niet-discriminerende wijze worden uitgeoefend.

Artikel 11

Categorieën van treinpaden in de goederencorridors

1.  Het bestuursorgaan stelt categorieën van voor het goederenvervoer bestemde treinpaden vast die voor de hele goederencorridor gelden en werkt deze periodiek bij. Ten minste één van deze categorieën ║ omvat onder deze categorieën van paden, een treinpad met snel en gegarandeerd stipt vervoer("gefaciliteerd goederenvervoer").

2.  De criteria voor de vaststelling van de categorieën goederenverkeerstypen worden door het bestuursorgaan vastgesteld na raadpleging van de aanvragers die waarschijnlijk van de goederencorridor gebruik zullen maken.

Artikel 12

Aan de goederentreinen toegewezen treinpaden

1.  Naast de gevallen als bedoeld in artikel 20, lid 2, van Richtlijn 2001/14/EG houden de betrokken infrastructuurbeheerders een reservecapaciteit aan, op basis van de evaluatie van de marktbehoeften voor de reservecapaciteit. De infracstructuurbeheerders publiceren vóór de jaarlijkse bepaling van de dienstregeling als bedoeld in artikel 18 van Richtlijn 2001/14/EG en op basis van het geobserveerde goederenvervoer en de marktstudie als bedoeld in artikel 5, lid 2, van deze verordening de dienstregeling van het treinpad dat nodig is om te beantwoorden aan de vereisten van internationaal gefaciliteerd goederenvervoer voor het volgende begrotingsjaar.

2.  De infrastructuurbeheerders houden, na de voorlopige evaluatie van de passende behoefte om een reservecapaciteit voor ad hocaanvragen te vormen, binnen de definitieve dienstregeling een reserve aan, waarbij een voldoende kwaliteitsniveau van het toegewezen treinpad wordt gewaarborgd wat betreft trajecttijd en aan het internationaal gefaciliteerd goederenvervoer aangepaste dienstregelingen, om snel en adequaat te kunnen reageren op de in artikel 23 van Richtlijn 2001/14/EG bedoelde ad-hocaanvragen voor capaciteit ▌.

3.  Behalve in geval van overmacht kan een treinpad dat overeenkomstig het onderhavige artikel is toegewezen aan een gefaciliteerde goederenvervoersactiviteit niet minder dan één maand voor de geplande dienstregeling worden ingetrokken zonder instemming van de betrokken aanvrager. De aanvrager kan de zaak aanhangig maken bij de toezichthoudende instantie. Overeenkomstig de bepaling van artikel 27 van Richtlijn 2001/14/EG, kunnen infrastructuurbeheerders in hun netverklaring vastleggen op welke wijze bij het vaststellen van de bij de toewijzingsprocedure te hanteren prioriteiten rekening zal worden gehouden met vroegere benuttingsgraden van treinpaden voor gefaciliteerd goederenvervoer.

4.  De infrastructuurbeheerders van de goederencorridor en de in artikel 4, lid 6, bedoelde werkgroep voeren procedures in met het oog op een optimale coördinatie van de toewijzing van capaciteit overeenkomstig het onderhavige artikel, rekening houdend met de toegang tot de in artikel 9 bedoelde strategische terminals.

5.  De infrastructuurbeheerders nemen in hun netverklaringen een vergoeding op voor toegewezen maar uiteindelijk toch niet gebruikte treinpaden. De hoogte van deze vergoeding is adequaat, ontradend en doeltreffend.

Artikel 13

Gemachtigde aanvragers

In afwijking van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2001/14/EG kunnen andere aanvragers dan spoorwegondernemingen en hun internationale samenwerkingsverbanden treinpaden aanvragen voor het vervoer van goederen wanneer die betrekking hebben op verscheidene segmenten van de goederencorridor.

Artikel 14

Beheer van het verkeer

1.  Op voorstel van het bestuursorgaan van de goederencorridor en met inachtneming van de in lid 2 genoemde beginselen en plannen, stellen de infrastructuurbeheerders van de goederencorridor voor de verschillende soorten treinpaden, met name voor de voor vertraagde treinen toegewezen treinpaden, op elk deel van de goederencorridor de voorrangsregels vast bij stremming van het verkeer als bedoeld in de in artikel 3 en bijlage I van Richtlijn 2001/14/EG bedoelde netverklaring, en maken zij deze bekend.

2.  De in lid 1 bedoelde voorrangsregels moeten ten minste bepalen dat het treinpad dat is toegewezen aan een gefaciliteerde goederentrein die de oorspronkelijke bepalingen voor zijn treinpad in acht neemt, met uitzondering van de spitsuren wanneer dit lid niet van toepassing is, zoveel mogelijk wordt gevolgd, of er althans op gericht zijn de totale vertraging tot een minimum te beperken met vooral aandacht voor de vertraging van treinen met gefaciliteerd goederenvervoer. Het bestuursorgaan zorgt samen met de aanvragers voor de opstelling en bekendmaking van:

   a) principes voor de regeling van de treinen om ervoor te zorgen dat treinen met gefaciliteerd goederenvervoer de best mogelijke behandeling krijgen wat de toewijzing van de beperkte capaciteit betreft;
   b) noodplannen in geval van stremming van het verkeer op de corridor die op de genoemde principes zijn gebaseerd.

Via de beheerder van de infrastructuur bepaalt iedere lidstaat in de netverklaring wat de spitsuren zijn. Spitsuren komen uitsluitend voor op werkdagen en beslaan een periode van ten hoogste drie uur in de ochtend en drie uur in de middag. Bij het vaststellen van spitsuren wordt rekening gehouden met passagiersvervoer op regionale en lange-afstandslijnen.

3.  De infrastructuurbeheerders van de goederencorridor stellen coördinatieprocedures op voor het beheer van verkeer langs de goederencorridor.

4.  De infrastructuurbeheerders van de goederencorridor en de in artikel 4, lid 6, bedoelde werkgroep stellen procedures op voor een optimale onderlinge afstemming van de exploitatie van de spoorweginfrastructuur en die van de in artikel 9 bedoelde strategische terminals.

Artikel 15

Informatie over de voorwaarden voor het gebruik van de goederencorridor

Het bestuursorgaan stelt een rapport op, en maakt dit bekend, waarin de volgende informatie is opgenomen:

   a) alle informatie die is opgenomen in de overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2001/14/EG opgestelde netverklaringen met betrekking tot de goederencorridor;
   b) de lijst en de kenmerken van de strategische terminals, alsmede alle informatie over de voorwaarden voor toegang tot de strategische terminals.

Artikel 16

Kwaliteit van de dienstverlening op de goederencorridor

1.  De infrastructuurbeheerders van de goederencorridor waarborgen de samenhang tussen de vigerende prestatieregelingen op de goederencorridor, als bedoeld in artikel 11 van Richtlijn 2001/14/EG. Op deze samenhang wordt toezicht gehouden door door de toezichthoudende instanties, die met betrekking tot dit toezicht samenwerken overeenkomstig artikel 17, lid 1.

2.  Om de kwaliteit van de dienstverlening en de capaciteit van de internationale en binnenlandse diensten voor goederenvervoer op de goederencorridor te meten, pleegt het bestuursorgaan met de aanvragers die de corridors waarschijnlijk zullen gebruiken en met de gebruikers voor de diensten op het gebied van goederenvervoer per spoor over de prestatie-indicatoren voor de goederencorridor overleg. Na dit overleg stelt het bestuursorgaan de indicatoren vast en maakt het deze ten minste één keer per jaar bekend.

Artikel 17

Toezichthoudende instanties

1.  De in artikel 30 van Richtlijn 2001/14/EG bedoelde voor de goederencorridor bevoegde toezichthoudende instanties werken samen voor het toezicht op de internationale activiteiten van de infrastructuurbeheerders en op de aanvragers van treinpaden op de goederencorridor. Zij plegen overleg en wisselen informatie uit. In voorkomend geval vragen zij de nodige informatie aan de infrastructuurbeheerders van de lidstaat waarvoor zij bevoegd zijn. Infrastructuurbeheerders en andere derden die bij de internationale capaciteitstoewijzing zijn betrokken, zijn verplicht de bevoegde toezichthoudende instanties onverwijld alle nodige informatie over de internationale treinpaden en capaciteit waarvoor zij verantwoordelijk zijn, te verstrekken.

2.  Bij een klacht van een aanvrager over internationale goederenvervoersdiensten per spoor of in het kader van een ambtshalve ingesteld onderzoek raadpleegt de betrokken toezichthoudende instantie de toezichthoudende instantie van elke andere lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokken goederencorridor loopt en vraagt zij deze om de nodige informatie alvorens een beslissing te nemen. De andere toezichthoudende instanties verstrekken alle informatie die zij zelf krachtens hun nationale wetgeving mogen vragen. In voorkomend geval doet de toezichthoudende instantie waarbij de klacht is ingediend of die het ambtshalve ingestelde onderzoek heeft geïnitieerd, het dossier toekomen aan de bevoegde toezichthoudende instantie om haar in staat te stellen om maatregelen te nemen ten aanzien van de betrokken partijen overeenkomstig de procedure van artikel 30, lid 5 en 6 van Richtlijn 2001/14/EG.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 18

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 ervan.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 ervan.

Artikel 19

Afwijking

In voorkomend geval kan een lidstaat afwijken van de bepalingen van deze verordening. Daartoe dient hij een gemotiveerd verzoek om afwijking bij de Commissie in. De Commissie neemt een beslissing op dit verzoek, in overeenstemming met de in artikel 18, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, met inachtneming van de geografische situatie en de ontwikkeling van de goederenvervoersdiensten per spoor in de lidstaat die het verzoek om afwijking heeft ingediend.

Artikel 20

Follow-up van de tenuitvoerlegging

De betrokken lidstaten verstrekken de Commissie om de twee jaar vanaf de verwezenlijking van de goederencorridor een rapportr met de resultaten van hun samenwerking als bedoeld in artikel 4, lid 1. De Commissie analyseert dit rapport en stelt het in artikel 18 bedoelde comité daarvan in kennis.

Artikel 21

Verslag

De Commissie evalueert geregeld de toepassing van deze verordening. Zij brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, de eerste keer binnen ...(12) en vervolgens om de drie jaar.

Artikel 22

Herziening

Indien de Commissie in geval van herziening van de TEN-V-richtsnoeren, overeenkomstig de voorwaarden in artikel 18, lid 3, van Beschikking nr. 1692/96/EG, concludeert dat het dienstig is deze verordening aan te passen aan die richtsnoeren, dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in voor een dienovereenkomstige wijziging van deze verordening. Evenzo kunnen sommige besluiten in het kader van deze verordening nopen tot herziening van de TEN-V-richtsnoeren.

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na de datum van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

Criteria voor het beoordelen van de voorstellen voor de totstandbrenging van een goederencorridor

De selectie van goederencorridors als bedoeld in artikel 3, evenals de totstandbrenging van het spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer vinden plaats aan de hand van de volgende criteria:

   (a) De lidstaten ondertekenen een intentieverklaring waarin zij verklaren de goederencorridor te willen realiseren.
  

   (b) Wanneer het traject van de goederencorridor samenvalt met een gedeelte (of subgedeelte) van een of meer prioritaire projecten van de TEN-V(13), wordt dit opgenomen in de goederencorridor, behalve wanneer het een gedeelte betreft dat is bestemd voor personenvervoerdiensten.
   (c) De voorgestelde goederencorridor doorkruist ten minste drie lidstaten of ten minste twee lidstaten wanneer de afstand tussen de verbindingspunten die aan de voorgestelde goederencorridor liggen meer dan 500 kilometer bedraagt.
   (d) De goederencorridor is economische haalbaar een biedt voldoende sociaaleconomische voordelen.
   (e) Er is voldoende samenhang tussen alle door de lidstaten voorgestelde goederencorridors om tot een Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer te komen.
   (f) Er is voldoende samenhang met de bestaande Europese spoorwegnetten, zoals de ERTMS-corridors en de corridors die zijn vastgesteld door RailNetEurope.
   (g) Er is een goede onderlinge verbinding met de andere vervoersmodaliteiten, met name dankzij een adequaat netwerk van strategische terminals, onder meer met betrekking tot zeehavens en in het binnenland.
   (h) Er is een adequate aanpak voorgesteld voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de artikelen 4 tot en met 16.

(1) PB C van , blz. .
(2) PB C van , blz. .
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 23 april 2009.
(4) PB L 75 van 15.3.2001, blz. 29.
(5) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(6) PB L 237 van 24.8.1991, blz. 25.
(7)* PB: een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
(8)** PB: drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
(9) PB L 228 van 9.9.1996, blz. 1.
(10) PB L 199 van 31.7.1985, blz. 1.
(11) PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1.
(12)* PB: vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
(13) Zoals genoemd in bijlage III van Beschikking nr. 1692/96/EG.


Rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg ***I
PDF 479kWORD 246k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (COM(2008)0414 – C6-0257/2008 – 2008/0142(COD))
P6_TA(2009)0286A6-0233/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0414),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0257/2008),

–   gelet op het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

–   gelet op de artikelen 51 en 35 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, Commissie economische en monetaire zaken, Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie juridische zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0233/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 april 2009 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg

P6_TC1-COD(2008)0142


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie║,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming(3),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Overeenkomstig artikel 152, lid 1, van het Verdrag moet bij de bepaling en uitvoering van elk beleid en optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid worden verzekerd. Dit betekent dat de Gemeenschapswetgever ook wanneer hij op grond van andere Verdragsbepalingen handelt, een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid moet waarborgen.

(2)  Omdat aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 95 van het Verdrag als rechtsgrondslag wordt voldaan, moet de Gemeenschapswetgever die rechtsgrondslag zelfs gebruiken wanneer de bescherming van de volksgezondheid een doorslaggevende factor is voor de gemaakte keuzen; artikel 95, lid 3, van het Verdrag verlangt in dit verband expliciet dat ▌wordt uitgegaan van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, daarbij in het bijzonder rekening houdend met alle nieuwe ontwikkelingen die op wetenschappelijke gegevens zijn gebaseerd.

(3)  Op 9 juni 2005 heeft het Europees Parlement met 554 stemmen tegen 12 een resolutie over de mobiliteit van patiënten en ontwikkelingen in de gezondheidszorg in de Europese Unie(5) aangenomen, waarin het verzoekt om rechtszekerheid en duidelijkheid over rechten en procedures voor patiënten, gezondheidswerkers en lidstaten.

(4)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en gaat met name uit van de algemene rechtsbeginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(6)("het Handvest"). Het recht op toegang tot gezondheidszorg en het recht op medische verzorging onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden, zijn krachtens artikel 35 van het Handvest ║ erkend. De tenuitvoerlegging en toepassing van deze richtlijn moeten in het bijzonder geschieden met inachtneming van het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de gelijkheid voor de wet, het beginsel van non-discriminatie en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die zijn neergelegd in de artikelen 7, 8, 20, 21 en 47 van het Handvest.

(5)  De gezondheidsstelsels van de Gemeenschap vormen een belangrijk onderdeel van het hoge niveau van sociale bescherming in Europa en dragen bij tot sociale samenhang en sociale rechtvaardigheid, alsook tot duurzame ontwikkeling║. Bovendien maken zij deel uit van het bredere kader van diensten van algemeen belang.

(6)  Deze richtlijn eerbiedigt de vrijheid van elke lidstaat om te beslissen welke soort gezondheidszorg hij passend acht en laat deze vrijheid onverlet. Geen van de bepalingen van deze richtlijn mag op zodanige wijze worden uitgelegd dat de fundamentele ethische keuzes van de lidstaten worden ondermijnd.

(7)  Hoewel het Hof van Justitie de bijzondere aard van gezondheidsdiensten heeft erkend, heeft zij ook bij herhaling bevestigd dat alle gezondheidsdiensten onder het toepassingsgebied van het Verdrag vallen.

(8)  Over bepaalde vraagstukken in verband met grensoverschrijdende gezondheidszorg, zoals de vergoeding van de kosten van gezondheidszorg die wordt verstrekt in een andere lidstaat dan die waar de ontvanger van de zorg woonachtig is, heeft het Hof van Justitie zich al uitgesproken. Het is belangrijk deze vraagstukken in een specifiek communautair rechtsinstrument te behandelen met het oog op een algemenere en doeltreffendere toepassing van de door het Hof van Justitie in afzonderlijke zaken ontwikkelde beginselen.

(9)  In zijn conclusies van 1 en 2 juni 2006 betreffende de gemeenschappelijke waarden en beginselen van de gezondheidsstelsels van de Europese Unie ("Conclusies van de Raad van 1-2 juni 2006")(7) heeft de Raad ║ zijn goedkeuring gehecht aan een verklaring betreffende "de gemeenschappelijke waarden en beginselen ║" en de bijzondere waarde erkend van een initiatief op het gebied van grensoverschrijdende gezondheidszorg waarbij de Europese burgers duidelijkheid wordt geboden omtrent hun rechten bij verplaatsing van de ene lidstaat naar een andere teneinde de rechtszekerheid te waarborgen.

(10)  Deze richtlijn is bedoeld om een algemeen kader voor de verlening van veilige, hoogwaardige en efficiënte grensoverschrijdende gezondheidszorg in de Gemeenschap tot stand te brengen met betrekking tot patiëntenmobiliteit ▌alsmede een hoog niveau van bescherming van de gezondheid, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de vaststelling van de socialezekerheidsvoorzieningen in verband met gezondheid en voor de organisatie en verstrekking van gezondheidszorg en geneeskundige verzorging, alsmede socialezekerheidsvoorzieningen, in het bijzonder in verband met ziekte.

(11)  Deze richtlijn betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg is van toepassing op alle soorten gezondheidszorg. Zoals het Hof van Justitie heeft bevestigd, wordt de gezondheidszorg noch door de bijzondere aard ervan, noch door de wijze waarop zij wordt georganiseerd of gefinancierd, aan het grondbeginsel van vrij verkeer onttrokken. Deze richtlijn is niet van toepassing op bijstand en ondersteuning van gezinnen en individuen met een bepaalde langdurige zorg-, ondersteunings-, verzorgings- of hulpbehoefte, voor zover het gaat om een bepaalde deskundige behandeling of hulp in het kader van een sociaalzekerheidsstelsel. Dit zijn vooral diensten op het gebied van langdurige zorg die noodzakelijk worden geacht om de hulpbehoevende een zo volwaardig en onafhankelijk mogelijk leven te bieden. Deze richtlijn is bijvoorbeeld niet van toepassing op verzorgingshuizen of huisvesting of op ondersteuning van ouderen of kinderen door sociaal werkers, vrijwilligers of andere professionele dienstverleners dan gezondheidswerkers.

(12)  Deze richtlijn is niet van toepassing op orgaantransplantaties. Wegens hun specifieke karakter zullen deze worden geregeld bij een afzonderlijke richtlijn.

(13)  Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "grensoverschrijdende gezondheidszorg" alleen het gebruik van gezondheidszorg in een andere lidstaat dan die degene waar de patiënt verzekerd is, verstaan. Deze situatie wordt bedoeld met "mobiliteit van patiënten".

(14)  Zoals de lidstaten in de conclusies van de Raad van 1-2 juni 2006 erkend hebben, is er een reeks operationele beginselen die door de gezondheidsstelsels in de hele Gemeenschap worden gedeeld. Tot deze operationele beginselen behoren kwaliteit, veiligheid, zorg die gebaseerd is op feiten en ethiek, betrokkenheid van de patiënt, verhaal, het grondrecht op privacy ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, en vertrouwelijkheid. Patiënten, gezondheidswerkers en autoriteiten die voor de zorgstelsels verantwoordelijk zijn, moeten erop kunnen vertrouwen dat in de hele Gemeenschap deze operationele beginselen worden nageleefd en wordt gezorgd voor de daarvoor benodigde structuren. Daarom is het passend dat de autoriteiten van de lidstaat waar de gezondheidszorg wordt verleend, verantwoordelijk worden voor het waarborgen van de naleving van deze operationele beginselen. Dit is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat patiënten vertrouwen krijgen in grensoverschrijdende gezondheidszorg, hetgeen onontbeerlijk is om ▌patiëntenmobiliteit en ▌een hoog niveau van gezondheidsbescherming tot stand te brengen. Ondanks deze gemeenschappelijke waarden wordt aanvaard dat lidstaten om ethische redenen verschillende beslissingen nemen over de beschikbaarheid van bepaalde behandelingen en de concrete voorwaarden voor toegang daartoe. Deze richtlijn laat ethische diversiteit onverlet.

(15)  Omdat van tevoren niet bekend is of een bepaalde zorgaanbieder gezondheidszorg aan een patiënt uit een andere lidstaat of aan een patiënt uit zijn eigen lidstaat zal verlenen, moeten de voorschriften waarmee gewaarborgd wordt dat gezondheidszorg volgens gemeenschappelijke beginselen en duidelijke kwaliteits- en veiligheidsnormen wordt verleend, op alle soorten gezondheidszorg van toepassing zijn teneinde de vrijheid om grensoverschrijdende gezondheidszorg te verlenen en te ontvangen te verzekeren, hetgeen de doelstelling van deze richtlijn is. De autoriteiten van de lidstaten moeten de gemeenschappelijke overkoepelende waarden universaliteit, toegang tot hoogwaardige zorg, rechtvaardigheid en solidariteit in acht nemen, die reeds door de instellingen van de Gemeenschap en de lidstaten algemeen zijn omarmd als reeks waarden die door de gezondheidsstelsels in heel Europa worden gedeeld. De lidstaten moeten tevens waarborgen dat deze waarden jegens patiënten en burgers uit andere lidstaten in acht worden genomen en dat alle patiënten een rechtvaardige behandeling krijgen op basis hun zorgbehoefte, en niet op basis van de lidstaat waar zij bij het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten. Daarbij moeten de lidstaten de beginselen van het vrije verkeer van personen op de interne markt, non-discriminatie op grond van onder meer nationaliteit ▌, en de noodzakelijkheid en evenredigheid van eventuele beperkingen op het vrije verkeer naleven. Deze richtlijn verplicht zorgaanbieders echter geenszins patiënten uit andere lidstaten voor geplande behandelingen te aanvaarden of voorrang te geven ten koste van andere patiënten met soortgelijke zorgbehoeften, die hierdoor bijvoorbeeld langer op een behandeling zouden moeten wachten. Om patiënten in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken wanneer zij in een andere lidstaat gezondheidszorg wensen te ontvangen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat patiënten de nodige informatie krijgen over de gezondheids- en kwaliteitsnormen die gelden in de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, alsook over de kenmerken van de gezondheidszorg die door een bepaalde zorgaanbieder wordt verstrekt. Deze informatie moet ook beschikbaar worden gesteld in vormen die toegankelijk zijn voor mensen met een handicap.

(16)  Bovendien moeten patiënten uit andere lidstaten op dezelfde manier worden behandeld als onderdanen van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt en mogen zij overeenkomstig de algemene beginselen van rechtvaardigheid en non-discriminatie, zoals vastgelegd in artikel 21 van het Handvest, op generlei wijze worden gediscrimineerd op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. De lidstaten mogen bij behandelingen alleen onderscheid maken naar verschillende groepen patiënten wanneer zij kunnen aantonen dat dit om legitieme medische redenen gerechtvaardigd is, zoals bij specifieke maatregelen voor vrouwen of bepaalde leeftijdsgroepen (bv. gratis vaccinatie van kinderen of ouderen). Voorts moet deze richtlijn, omdat zij de grondrechten eerbiedigt en uitgaat van de beginselen die met name in het Handvest ║ zijn vastgelegd, ten uitvoer worden gelegd en worden toegepast met inachtneming van het recht op gelijkheid voor de wet en het beginsel van non-discriminatie, overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die zijn neergelegd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest. Deze richtlijn is van toepassing onverminderd Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(8), Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(9), Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(10), en Richtlijn 2009/.../EG van de Raad van ... betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid(11) ter uitvoering van artikel 13 van het Verdrag. Daarom is in de richtlijn bepaald dat patiënten op dezelfde manier moeten worden behandeld als onderdanen van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, en onder meer recht hebben op bescherming tegen discriminatie overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en kunnen gebruikmaken van de wetgeving van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt.

(17)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat patiënten er bij de toepassing van deze richtlijn niet tegen hun wil toe worden aangezet om te worden behandeld buiten hun lidstaat van aansluiting.

(18)  Er moeten tevens maatregelen worden genomen om vrouwen een gelijkwaardige toegang tot de gezondheidszorg en tot specifieke zorg voor vrouwen, met name gynaecologische en verloskundige zorg, te garanderen.

(19)  Maatregelen die de lidstaten nemen om te waarborgen dat de verstrekte gezondheidszorg aan duidelijke kwaliteits- en veiligheidsnormen voldoet, mogen in geen geval nieuwe beperkingen inhouden op het vrije verkeer van gezondheidswerkers, zoals vastgelegd in het Verdrag en in het bijzonder geregeld in Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(12).

(20)  Er moet stelselmatig en permanent worden gewerkt aan verbetering van de kwaliteits- en veiligheidsnormen overeenkomstig de conclusies van de Raad van 1-2 juni 2006, met inachtneming van de vooruitgang van de internationale medische wetenschap, de algemeen erkende goede medische praktijken en nieuwe medische technologieën.

(21)  Onderzoek wijst erop dat gezondheidszorg in 10% van de gevallen schade oplevert. Ervoor zorgen dat de lidstaten waar de behandeling plaatsvindt, beschikken over een systeem (met inbegrip van de verlening van nazorg) voor de omgang met veronderstelde schade als gevolg van gezondheidszorg, zoals gedefinieerd door de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, is dan ook essentieel om te voorkomen dat een gebrek aan vertrouwen in deze mechanismen een belemmering voor de verbreiding van grensoverschrijdende gezondheidszorg vormt. De dekking van schade en de vergoeding door de stelsels van het land waar de behandeling plaatsvindt, mag de lidstaten niet beletten de dekking van hun binnenlandse stelsels uit te breiden tot patiënten uit hun land die zich in het buitenland willen laten behandelen wanneer dit in het belang van de patiënt is, in het bijzonder voor patiënten voor wie het gebruik van gezondheidszorg in een andere lidstaat noodzakelijk is.

(22)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er voor de op hun grondgebied verleende gezondheidszorg op de aard en de omvang van het risico afgestemde mechanismen zijn die patiënten beschermen en schadeloosstellen in geval van schade. De aard en/of de wijze van uitvoering van die mechanismen worden echter door de lidstaat bepaald.

(23)  Het recht op bescherming van persoonsgegevens is een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 8 van het Handvest ║. Om de continuïteit van grensoverschrijdende gezondheidszorg te kunnen waarborgen, moeten persoonsgegevens over de gezondheid van patiënten worden doorgegeven. Deze persoonsgegevens moeten vrij van de ene naar de andere lidstaat kunnen worden doorgegeven, maar tegelijkertijd moeten de grondrechten van personen worden gewaarborgd. Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens geeft personen recht op toegang tot de persoonsgegevens(13) die hun gezondheid betreffen, bijvoorbeeld tot medische patiëntendossiers waarin onder meer informatie over diagnosen, onderzoeksresultaten, beoordelingen door behandeld artsen en verrichte behandelingen en ingrepen wordt opgenomen. Deze bepalingen zijn ook van toepassing in het kader van de grensoverschrijdende gezondheidszorg waarop deze richtlijn betrekking heeft. De patiënt moet de vrijgave van zijn persoonsgegevens op elk moment kunnen herroepen en moet de bevestiging krijgen dat zijn gegevens gewist zijn.

(24)  Het recht op vergoeding van de kosten van in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg door het wettelijk socialezekerheidsstelsel waarbij patiënten verzekerd zijn, is door het Hof van Justitie in diverse arresten erkend. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de Verdragsbepalingen ▌de vrijheid impliceren van ontvangers van gezondheidszorg, waaronder zij die geneeskundige behandeling behoeven, om zich met het oog daarop naar een andere lidstaat te begeven. ▌Het Gemeenschapsrecht laat de bevoegdheid van de lidstaten om hun stelsels van gezondheidszorg en sociale zekerheid in te richten onverlet ▌.

(25)  Overeenkomstig de in de rechtspraak van het Hof van Justitie vastgestelde beginselen en zonder afbreuk te doen aan het financiële evenwicht van de stelsels van gezondheidszorg en sociale zekerheid van de lidstaten, dient te worden gezorgd voor een grotere rechtszekerheid ten aanzien van de vergoeding van kosten voor gezondheidszorg, zowel voor de patiënten als voor de gezondheidswerkers, zorgaanbieders en socialezekerheidsinstellingen.

(26)  Deze richtlijn heeft geen betrekking op de vergoeding van de kosten van gezondheidszorg die tijdens een tijdelijk verblijf van verzekerden in een andere lidstaat medisch noodzakelijk wordt. Ook doet deze richtlijn niet af aan het recht van patiënten om toestemming te krijgen voor een behandeling in een andere lidstaat wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden in de verordeningen betreffende de coördinatie van socialezekerheidsregelingen, in het bijzonder in artikel 22 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(14) en in artikel 20 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(15).

(27)  ▌Patiënten moeten erop kunnen rekenen dat de kosten van in een andere lidstaat dan hun lidstaat van aansluiting verstrekte gezondheidszorg en daaraan gerelateerde goederen ten minste tot hetzelfde niveau worden vergoed als voor dezelfde of een net zo werkzame behandeling in de lidstaat van aansluiting geldt indien de gezondheidszorg of de goederen daar zouden zijn betrokken. Hiermee wordt niet afgedaan aan de verantwoordelijkheid van de lidstaten om de hoogte van de ziektekostendekking van hun burgers vast te stellen en worden grote gevolgen voor de financiering van de nationale gezondheidszorgstelsels voorkomen. Indien dit gunstiger is voor de patiënt, mogen de lidstaten in hun nationale wetgeving bepalen dat de kosten van de behandeling worden vergoed volgens het tarief dat geldt in de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt. Dit kan in het bijzonder het geval zijn voor behandelingen die via de in artikel 17 van deze richtlijn genoemde Europese referentienetwerken worden verleend.

(28)  Voor de patiënt zijn beide systemen dan ook coherent; ofwel deze richtlijn, ofwel Verordening (EEG) nr. 1408/71 is van toepassing. Wanneer een verzekerde een voor zijn gezondheidstoestand passende behandeling, gelet op zijn gezondheidstoestand van dat moment en het te verwachten ziekteverloop, niet binnen een medisch verantwoorde termijn kan worden gegeven en deze verzekerde toestemming vraagt om die behandeling in een andere lidstaat te ondergaan, moet deze toestemming, onder de in de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EG) nr. 883/2004 vermelde voorwaarden, altijd worden verleend. Wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan, mogen de gunstigere rechten die door deze Verordeningen ║ worden gewaarborgd, de patiënt niet worden onthouden.

(29)  De patiënt kan het mechanisme kiezen waaraan hij de voorkeur geeft, maar wanneer de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 gunstiger voor hem is, mogen de door die verordening gewaarborgde rechten hem in geen geval worden onthouden.

(30)  De patiënt mag in geen geval financieel voordeel hebben van de in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg of gekochte goederen. Bijgevolg moet de vergoeding van de kosten ▌beperkt zijn tot de feitelijke kosten ▌. De lidstaten kunnen beslissen om andere, daarmee samenhangende kosten, zoals therapeutische behandeling, te vergoeden, mits de totale kosten het bedrag dat in de lidstaat van aansluiting zou worden vergoed, niet overschrijden.

(31)  Deze richtlijn heeft evenmin tot doel patiënten recht te geven op vergoeding van de kosten van behandeling of aankoop van goederen in een andere lidstaat wanneer de wetgeving van de lidstaat van aansluiting van de patiënt niet in een dergelijke behandeling of dergelijke goederen voorziet. Ook belet deze richtlijn de lidstaten niet hun regeling voor verstrekkingen en goederen overeenkomstig de bepalingen ervan uit te breiden tot in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg of verstrekte goederen. In deze richtlijn wordt erkend dat het recht op behandeling niet altijd op nationaal niveau door de lidstaten wordt vastgesteld en dat lidstaten hun eigen stelsels van gezondheidszorg en sociale zekerheid zodanig mogen inrichten dat het recht op behandeling op regionaal of lokaal niveau wordt bepaald.

(32)  Indien er verschillende methoden beschikbaar zijn om een bepaalde ziekte of een bepaald letsel te behandelen, moet de patiënt recht hebben op vergoeding van alle behandelingsmethoden die voldoende door de internationale medische wetenschap beproefd zijn, zelfs indien deze niet voorhanden zijn in de lidstaat van aansluiting van de patiënt.

(33)  Deze richtlijn voorziet niet in de overdracht van socialezekerheidsrechten tussen lidstaten of andere coördinatie van socialezekerheidsregelingen. De bepalingen betreffende voorafgaande toestemming en de vergoeding van de kosten van in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg dienen uitsluitend om de vrijheid om gezondheidszorg te verlenen voor zowel patiënten als zorgaanbieders te waarborgen en ongerechtvaardigde belemmeringen voor die fundamentele vrijheid in de lidstaat van aansluiting van de patiënt weg te nemen. De verschillen tussen de nationale gezondheidszorgstelsels en de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging, worden door deze richtlijn bijgevolg volledig geëerbiedigd.

(34)  Uit hoofde van deze richtlijn hebben patiënten in de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, recht op alle geneesmiddelen of medische hulpmiddelen waarvoor in die lidstaat ▌een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven, ook als in de lidstaat van aansluiting voor dat geneesmiddel of medische hulpmiddel geen vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven, aangezien dit een onmisbaar aspect is om in een andere lidstaat een specifieke doeltreffende behandeling voor de patiënt te kunnen krijgen.

(35)  De lidstaten mogen ook voor patiënten die zich in een andere lidstaat willen laten behandelen, algemene voorwaarden, behandelingscriteria en wettelijke en administratieve formele eisen aan de ontvangst van gezondheidszorg en de vergoeding van de kosten daarvan blijven stellen, mits deze voorwaarden noodzakelijk zijn, in redelijke verhouding staan tot het doel en niet discretionair en discriminerend zijn; zo kunnen zij verlangen dat de patiënten een huisarts raadplegen alvorens een specialist te consulteren of intramurale zorg te ontvangen. Het is daarom passend te verlangen dat deze algemene voorwaarden en formele eisen op objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze worden toegepast, vooraf bekend zijn, primair op medische overwegingen berusten en voor patiënten die zich in een andere lidstaat willen laten behandelen geen extra belasting vormen ten opzichte van patiënten die in hun lidstaat van aansluiting worden behandeld, en dat de beslissingen zo snel mogelijk worden genomen. Dit laat de rechten van de lidstaten om criteria of voorwaarden inzake voorafgaande toestemming vast te stellen voor patiënten die zich in hun lidstaat van aansluiting willen laten behandelen, onverlet.

(36)  Alle soorten gezondheidszorg die overeenkomstig deze richtlijn niet als intramurale zorg worden beschouwd, moeten als extramurale zorg worden beschouwd. Gezien de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake het vrije verkeer van diensten is het passend dat geen voorafgaande toestemming wordt verlangd voor de vergoeding van de kosten van in een andere lidstaat verstrekte extramurale zorg door het wettelijk socialezekerheidsstelsel van een lidstaat van aansluiting. Voor zover de vergoeding van deze zorg binnen de grenzen van de dekking van de ziektekostenregeling in de lidstaat van aansluiting blijft, zal het ontbreken van een eis van voorafgaande toestemming het financiële evenwicht van de socialezekerheidsregelingen niet aantasten.

(37)  Er is geen voor alle gezondheidsstelsels van de Gemeenschap geldende definitie van "intramurale zorg", en de uiteenlopende interpretaties van dit begrip kunnen dan ook een hinderpaal vormen voor de vrijheid van patiënten om gezondheidszorg te ontvangen. Om die hinderpaal weg te nemen moet een communautaire definitie van intramurale zorg worden vastgesteld. Intramurale zorg is over het algemeen zorg waarbij de patiënt overnachtingsaccommodatie moet worden geboden. Het kan echter ook passend zijn bepaalde andere soorten gezondheidszorg ║ onder de regeling voor intramurale zorg te laten vallen, indien voor die gezondheidszorg zeer gespecialiseerde en kostenintensieve medische infrastructuur of apparatuur vereist is (bv. technologisch geavanceerde scanners voor diagnostiek) of indien aan de behandeling een bijzonder risico voor de patiënt of voor de bevolking verbonden is (bv. behandeling van ernstige infectieziekten). ▌

(38)  De beschikbare gegevens wijzen erop dat de toepassing van de beginselen van het vrije verkeer op het gebruik van gezondheidszorg in een andere lidstaat binnen de grenzen van de door de wettelijke ziektekostenverzekeringsregeling van de lidstaat van aansluiting gewaarborgde dekking, de gezondheidsstelsels van de lidstaten en de betaalbaarheid van hun socialezekerheidsstelsels niet zal aantasten. Het Hof van Justitie heeft echter erkend dat niet uitgesloten kan worden dat een ernstige aantasting van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel en de doelstelling een evenwichtige en voor eenieder toegankelijke verzorging door artsen en ziekenhuizen in stand te houden, dwingende redenen van algemeen belang kunnen vormen waardoor een belemmering van het beginsel van het vrij verrichten van diensten gerechtvaardigd kan zijn. Het Hof van Justitie heeft ook erkend dat het aantal ziekenhuizen, hun geografische spreiding, hun inrichting en de uitrusting waarover zij beschikken, en zelfs de aard van de medische diensten die zij kunnen aanbieden, aspecten zijn die moeten kunnen worden gepland. Deze richtlijn moet voorzien in een systeem van voorafgaande toestemming voor de vergoeding van de kosten van in een andere lidstaat ontvangen intramurale zorg wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de kosten zouden door zijn socialezekerheidsstelsel zijn vergoed indien de zorg op zijn grondgebied zou zijn verleend en het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel wordt door de uitstroom van patiënten als gevolg van de toepassing van deze richtlijn ernstig aangetast of zal daardoor waarschijnlijk ernstig worden aangetast en/of de planning en rationalisering die in de ziekenhuissector plaatsvinden om overcapaciteit van ziekenhuizen, ongelijkheden bij de verlening van intramurale zorg en logistieke en financiële verspilling te voorkomen, de instandhouding van een evenwichtige en voor eenieder toegankelijke verzorging door artsen en ziekenhuizen of de instandhouding van behandelingscapaciteit of medische deskundigheid op zijn grondgebied, worden door deze uitstroom van patiënten ernstig aangetast of zullen daardoor waarschijnlijk ernstig worden aangetast. Omdat ingewikkelde aannamen en berekeningen nodig zijn om de gevolgen van een verwachte uitstroom van patiënten nauwkeurig in te schatten, mag volgens deze richtlijn een systeem van voorafgaande toestemming worden toegepast wanneer er voldoende redenen zijn om te verwachten dat het socialezekerheidsstelsel ernstig zal worden aangetast. Ook de reeds bestaande systemen van voorafgaande toestemming die aan de voorwaarden in artikel 8 voldoen, moeten hieronder vallen.

(39)  Als een lidstaat besluit overeenkomstig deze richtlijn een systeem van voorafgaande toestemming voor de vergoeding van de kosten van in een andere lidstaat verleende intramurale of gespecialiseerde zorg in te voeren, moeten de kosten van dergelijke in een andere lidstaat verleende zorg door de lidstaat van aansluiting in ieder geval worden vergoed tot ten minste het bedrag dat vergoed zou worden indien dezelfde of een voor de patiënt even doeltreffende behandeling in de lidstaat van aansluiting zou zijn uitgevoerd; het vergoede bedrag mag echter niet hoger zijn dan de feitelijke kosten van de ontvangen gezondheidszorg. Als aan de voorwaarden in artikel 22, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt voldaan, moet deze toestemming echter worden verleend en moeten de prestaties overeenkomstig die verordening worden verstrekt. Dit geldt in het bijzonder wanneer de toestemming is verleend nadat het verzoek administratief of rechterlijk is getoetst en de betrokken persoon de behandeling in een andere lidstaat heeft ontvangen. In dat geval zijn de artikelen 6, 7, 8 en 9 van deze richtlijn niet van toepassing. Dit is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie waarin geoordeeld is dat patiënten aan wie, naar later is gebleken, ten onrechte toestemming is geweigerd, recht hebben op volledige vergoeding van de kosten van de in een andere lidstaat ondergane behandeling overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar de behandeling heeft plaatsgevonden.

(40)  De voorafgaande toestemming kan slechts worden geweigerd in het kader van een eerlijke en transparante procedure. De door de lidstaten ingestelde regels voor het indienen van een aanvraag om toestemming en de mogelijke gronden voor weigering moeten op voorhand worden bekendgemaakt. Weigeringen moeten beperkt blijven tot het strikt noodzakelijke en moeten in verhouding zijn met de doelstellingen van de invoering van een systeem van voorafgaande toestemming.

(41)  Patiënten met een levensbedreigende aandoening die op een wachtlijst staan voor medische behandeling in hun eigen land en dringend behandeling nodig hebben, hoeven geen voorafgaande toestemming te vragen, aangezien een dergelijke procedure er toe zou kunnen leiden dat patiënten niet tijdig in een andere lidstaat behandeld worden.

(42)  De procedures voor grensoverschrijdende gezondheidszorg die de lidstaten vaststellen moeten de patiënten zodanige garanties in verband met objectiviteit, non-discriminatie en transparantie bieden dat gewaarborgd wordt dat de beslissingen van de nationale autoriteiten tijdig, zorgvuldig en met inachtneming van die algemene beginselen en de individuele omstandigheden van elk geval worden genomen. Dit geldt ook voor de feitelijke terugbetaling van de in een andere lidstaat gemaakte gezondheidszorgkosten na terugkeer van de patiënt. Patiënten moeten gewoonlijk binnen vijftien kalenderdagen over een beslissing over grensoverschrijdende gezondheidszorg kunnen beschikken. Die termijn moet echter korter zijn wanneer het spoedeisende karakter van de behandeling dit vereist. Deze algemene voorschriften moeten de erkenningsprocedures en voorschriften voor de verlening van diensten in Richtlijn 2005/36/EG ║ in elk geval onverlet laten.

(43)  Passende voorlichting over alle essentiële aspecten van grensoverschrijdende gezondheidszorg is nodig om patiënten in staat te stellen hun rechten op grensoverschrijdende gezondheidszorg in de praktijk uit te oefenen. De meest efficiënte manier om dergelijke voorlichting voor grensoverschrijdende gezondheidszorg te geven, is de instelling van centrale contactpunten voor patiënten in elke lidstaat, die voorlichting over grensoverschrijdende gezondheidszorg kunnen geven met aandacht voor de context van het nationale gezondheidsstelsel. Omdat voor vragen over aspecten van grensoverschrijdende gezondheidszorg overleg tussen de autoriteiten in verschillende lidstaten nodig is, moeten deze centrale contactpunten ook een netwerk vormen om dergelijke vragen op de meest efficiënte wijze te beantwoorden. De contactpunten moeten met elkaar samenwerken en patiënten in staat stellen met kennis van zaken beslissingen over grensoverschrijdende gezondheidszorg te nemen. Ook moeten zij informatie verstrekken over de mogelijkheden om problemen met grensoverschrijdende gezondheidszorg op te lossen, in het bijzonder over buitengerechtelijke regelingen voor de beslechting van grensoverschrijdende geschillen. Wanneer zij regelingen voor voorlichting over grensoverschrijdende gezondheidszorg treffen, moeten de lidstaten stilstaan bij de noodzaak om de informatie in toegankelijke vorm te verstrekken en om ten behoeve van kwetsbare patiënten, mensen met een handicap en mensen met complexe behoeften voorlichting mogelijke bronnen van extra bijstand te vermelden.

(44)  Wanneer een patiënt gezondheidszorg ontvangt in een lidstaat die niet het land is waar hij verzekerd is, is het cruciaal dat hij van tevoren van de geldende voorschriften op de hoogte is. Een soortgelijke duidelijkheid is vereist wanneer ▌grensoverschrijdende gezondheidszorg wordt verleend, zoals telegeneeskunde. In die gevallen is volgens de algemene beginselen in artikel 5 de wetgeving van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt van toepassing, aangezien de lidstaten uit hoofde van artikel 152, lid 5, van het Verdrag verantwoordelijk zijn voor de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging. Dit zal de patiënt helpen met kennis van zaken beslissingen te nemen en zal misverstanden en misvattingen voorkomen. Bovendien zal hierdoor veel vertrouwen tussen de patiënt en de zorgverlener ontstaan.

(45)  De lidstaten moeten beslissen over de vorm van de nationale contactpunten, evenals over hun aantal. De nationale contactpunten mogen ook in bestaande informatiecentra worden opgenomen of op de activiteiten daarvan voortbouwen, mits duidelijk wordt aangegeven dat zij tevens nationale contactpunten voor grensoverschrijdende gezondheidszorg zijn. De nationale contactpunten moeten over de nodige middelen beschikken om informatie over de belangrijkste aspecten van grensoverschrijdende gezondheidszorg te kunnen geven en patiënten zo nodig praktische hulp te kunnen bieden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat organen die de gezondheidswerkers vertegenwoordigen aan deze activiteiten deelnemen. Het bestaan van nationale contactpunten mag de lidstaten niet beletten overeenkomstig de specifieke inrichting van hun gezondheidszorgstelsel op regionaal of plaatselijk niveau andere met elkaar verbonden contactpunten op te richten. De nationale contactpunten moeten in staat zijn de patiënten relevante informatie over grensoverschrijdende gezondheidszorg te verstrekken en hun hulp te bieden. Dit mag geen rechtshulp omvatten.

(46)  Er is samenwerking tussen de zorgaanbieders, zorginkopers en regelgevers van verschillende lidstaten op nationaal, regionaal of lokaal niveau nodig, zodat veilige, hoogwaardige en efficiënte grensoverschrijdende zorg kan worden gewaarborgd. Dit geldt in het bijzonder voor grensregio's, waar grensoverschrijdende gezondheidszorg de meest efficiënte wijze kan zijn om de gezondheidszorg voor de plaatselijke bevolking te organiseren, maar waar samenwerking tussen de gezondheidsstelsels van verschillende lidstaten nodig is om dergelijke grensoverschrijdende gezondheidsdiensten blijvend tot stand te kunnen brengen. Deze samenwerking kan bestaan in gezamenlijke planning, wederzijdse erkenning of aanpassing van procedures of normen, interoperabiliteit van de nationale informatie- en communicatietechnologiesystemen, praktische mechanismen om de continuïteit van de zorg te waarborgen of praktische bevordering van tijdelijke of incidentele verlening van grensoverschrijdende gezondheidszorg door gezondheidswerkers. ▌

(47)  De Commissie moet samenwerking tussen de lidstaten op de in hoofdstuk IV van deze richtlijn genoemde gebieden aanmoedigen, en kan overeenkomstig artikel 152, lid 2, van het Verdrag in nauw contact met de lidstaten alle dienstige initiatieven nemen om deze coördinatie te vergemakkelijken en bevorderen. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het mogelijke gebruik van een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS).

(48)  Wanneer geneesmiddelen in de lidstaat van aansluiting van de patiënt overeenkomstig Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik(16), inclusief de toekomstige richtlijnen over vervalste geneesmiddelen en geneesmiddelenbewaking, zijn toegelaten en in een andere lidstaat voor een bepaalde patiënt zijn voorgeschreven, moet een dergelijk recept in principe in de eigen lidstaat van de patiënt medisch of in apotheken erkend en gebruikt kunnen worden. De opheffing van de wettelijke en bestuursrechtelijke belemmeringen voor een dergelijke erkenning doet niet af aan de noodzaak van passende instemming door de behandelend arts of apotheker van de patiënt in elk afzonderlijk geval indien dit uit hoofde van de bescherming van de menselijke gezondheid gerechtvaardigd is, noodzakelijk is en evenredig is met die doelstelling. Een dergelijke medische erkenning moet bovendien de beslissing van de lidstaat van aansluiting over de opname van dergelijke geneesmiddelen in het vergoedingenpakket van het socialezekerheidsstelsel waarbij de patiënt is aangesloten, en de geldigheid van nationale bepalingen inzake prijzen en betaling onverlet laten. De toepassing van het erkenningsbeginsel zal worden bevorderd door de nodige maatregelen goed te keuren om de veiligheid van de patiënt te waarborgen en misbruik van of verwarring over geneesmiddelen te voorkomen.

(49)  Aan alle patiënten met aandoeningen waarvoor een bijzondere concentratie van middelen of deskundigheid vereist is, moet gezondheidszorg worden verleend door de Europese referentienetwerken, zodat betaalbare, hoogwaardige en kosteneffectieve zorg wordt geboden; deze netwerken kunnen tevens een centrale rol spelen op het gebied van medische opleiding, onderzoek en uitwisseling en beoordeling van informatie. Er moet een mechanisme voor de identificatie en ontwikkeling van de Europese referentienetwerken worden ingesteld om op Europees niveau de gelijke toegang tot hoogwaardige, gedeelde expertise op een bepaald medisch gebied voor alle patiënten en voor gezondheidswerkers te organiseren.

(50)  Technologische ontwikkelingen op het gebied van de grensoverschrijdende verlening van gezondheidszorg met behulp van informatie- en communicatietechnologieën kunnen tot gevolg hebben dat de uitoefening van de toezichthoudende taak door de lidstaten onduidelijk wordt, en zo het vrije verkeer van gezondheidszorg belemmeren en mogelijk verdere risico's voor de bescherming van de gezondheid als gevolg van deze wijze van verlening opleveren. Voor de grensoverschrijdende verlening van gezondheidszorg met behulp van informatie- en communicatietechnologieën worden in de Gemeenschap zeer uiteenlopende en incompatibele indelingen en normen gehanteerd, waardoor belemmeringen voor deze wijze van verlening van grensoverschrijdende gezondheidszorg, alsmede mogelijke risico's voor de bescherming van de gezondheid ontstaan. Daarom is communautaire harmonisatie op deze gebieden nodig, en om de verantwoordelijkheden en normen op dat gebied snel genoeg te kunnen vaststellen en aanpassen om bij de voortdurende ontwikkeling van de desbetreffende technologieën en technieken aan te sluiten, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen uitvoeringsmaatregelen vast te stellen.

(51)  De interoperabiliteit van electronische gezondheidszorgoplossingen (e-health) moet worden bewerkstelligd met inachtneeming van de nationale regelingen inzake de verstrekking van gezondheidsdiensten die zijn aangenomen om de patiënt te beschermen, met inbegrip van wetgeving inzake internetapotheken, in het bijzonder nationale verboden op de verzending per post van receptplichtige geneesmiddelen overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie en Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten(17).

(52)  Om de gezondheidszorg in het algemeen, en grensoverschrijdende gezondheidszorg in het bijzonder, onder efficiënt toezicht te kunnen stellen en efficiënt te kunnen plannen en beheren, zijn regelmatige statistieken en aanvullende gegevens over grensoverschrijdende gezondheidszorg nodig; de productie hiervan moet zo veel mogelijk in de bestaande gegevensverzamelingssystemen worden geïntegreerd. Op deze wijze worden een passend toezicht en een passende planning mogelijk, waarbij rekening wordt gehouden met grensoverschrijdende zorg. Het gaat onder meer om passende structuren op communautair niveau, zoals het communautair statistisch systeem, en met name Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk(18), het gezondheidsinformatiesysteem dat is opgericht in het kader van het gezondheidsprogramma dat is vastgesteld bij Besluit nr. 1786/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008)(19) en andere monitoringactiviteiten, zoals die van het Europese centrum dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding(20).

(53)  De voortdurende ontwikkeling van de medische wetenschap en de gezondheidstechnologieën biedt de gezondheidsstelsels van de lidstaten kansen, maar stelt deze ook voor zware opgaven. De evaluatie van gezondheidstechnologieën en de mogelijke beperking van de toegang tot nieuwe technologieën als gevolg van bepaalde besluiten van bestuursorganen werpen echter een aantal fundamentele sociale vragen op, die de deelneming van een groot aantal belanghebbenden en de totstandbrenging van een levensvatbaar bestuursmodel vereisen. Daarom is niet alleen de medewerking gewenst van de bevoegde instanties van alle lidstaten, maar ook van alle andere betrokkenen, met inbegrip van de gezondheidswerkers en vertegenwoordigers van de patiënten en de industrie. Bovendien moet de samenwerking berusten op uitvoerbare beginselen van goed bestuur, zoals transparantie, openheid, objectiviteit en onpartijdigheid van de procedures.

(54)  De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(21).

(55)  In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om in samenwerking met deskundigen en belanghebbenden een lijst van specifieke criteria en voorwaarden waaraan Europese referentienetwerken moeten voldoen, alsmede de procedure voor de oprichting van Europese netwerken, vast te stellen. Daar het ║ maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.

(56)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de vaststelling van een algemeen kader voor de verlening van veilige, hoogwaardige en efficiënte grensoverschrijdende gezondheidszorg in de Europese Unie, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(57)  De lidstaat van aansluiting en de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt moeten er via voorafgaande bilaterale samenwerking en in overleg met de patiënt voor zorgen dat in elke lidstaat passende nazorg en ondersteuning na de toegestane geneeskundige behandeling aanwezig is en dat de patiënten duidelijk worden voorgelicht over nazorgopties en kosten. Hiertoe moeten de lidstaten maatregelen nemen om te zorgen dat de nodige medische en sociale zorggegevens van de patiënt worden doorgegeven met inachtneming van de vertrouwelijkheid ervan en dat medische en sociale zorgverleners in de twee landen elkaar kunnen raadplegen teneinde de hoogste kwaliteit van behandeling en nazorg (met inbegrip van sociale ondersteuning) voor de patiënt te kunnen verzekeren.

(58)  Doordat deze richtlijn het vrij verkeer van patiënten binnen de Europese Unie vergemakkelijkt, zal waarschijnlijk concurrentie ontstaan tussen de zorgaanbieders. Deze concurrentie zal waarschijnlijk bijdragen tot een verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg voor iedereen in het algemeen en tot de oprichting van "centres of expertise",

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel

Deze richtlijn stelt regels vast voor de toegang tot veilige en hoogwaardige gezondheidszorg in een andere lidstaat en voorziet in samenwerkingsmechanismen tussen de lidstaten op het gebied van gezondheidszorg, waarbij de nationale bevoegdheden op het gebied van de organisatie en verstrekking van gezondheidszorg ten volle worden geëerbiedigd.

Bij de toepassing van deze richtlijn eerbiedigen de lidstaten de principes van hoogwaardige zorg en billijkheid.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze richtlijn is van toepassing op de verlening van grensoverschrijdende gezondheidszorg, ongeacht de wijze van organisatie, verstrekking of financiering, en onafhankelijk van de vraag of het publieke of private zorg betreft. Zij laat het bestaande wettelijke kader voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels dat is ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de opvolger hiervan, Verordening (EG) nr. 883/2004, onverlet.

Deze richtlijn is niet van toepassing op gezondheidsdiensten waarbij de nadruk ligt op langetermijnverzorging, daaronder begrepen diensten die worden verleend over een lange tijdsspanne en die tot doel hebben om hulpbehoevenden te ondersteunen bij de uitvoering van routinematige taken van elke dag.

Deze richtlijn is evenmin van toepassing op orgaantransplantaties.

Artikel 3

Verband met andere bepalingen van de Gemeenschap

1.  Deze richtlijn is van toepassing onverminderd:

   a) Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties;
   b) Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt ("Richtlijn inzake elektronische handel")(22);
   c) Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(23);
   d) Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau(24) en Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik;
   e) Richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik(25);
   f) Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(26);
   g) Richtlijn 2000/43/EG ║ houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming;
   h) Richtlijn 2004/113/EG houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten;
   i) Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;
   j) Richtlijn 2009/.../EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;
   k) de verordeningen betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsregelingen, in het bijzonder artikel 22 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 ║ betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en Verordening (EG) nr. 883/2004 ║ betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;
   l) Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS)(27);
   m) Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong(28);
   n) Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen(29);
   o) Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche(30), voor wat betreft de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden.

2.  Deze richtlijn heeft geen betrekking op de vergoeding van de kosten van gezondheidszorg die tijdens een tijdelijk verblijf van verzekerden in een andere lidstaat medisch noodzakelijk worden. Evenmin is deze richtlijn van invloed op de rechten van de patiënten om toestemming te verkrijgen voor behandeling in een andere lidstaat indien voldaan wordt aan de voorwaarden die gesteld worden in de verordeningen inzake de coördinatie van de stelsels van sociale zekerheid, met name aan artikel 22 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 20 van Verordening (EG) nr. 883/2004.

3.  De lidstaten passen deze richtlijn overeenkomstig het ║ Verdrag toe.

Artikel 4

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

   a) "gezondheidszorg": gezondheidsdiensten of -goederen, zoals geneesmiddelen en medische apparaten, die door gezondheidswerkers aan patiënten worden verstrekt of voorgeschreven om de gezondheidstoestand van deze laatsten te beoordelen, te behouden of te herstellen of om te voorkomen dat deze laatsten ziek worden, ongeacht de wijze van organisatie, verstrekking of financiering op nationaal niveau, en onafhankelijk van de vraag of het ║ publieke dan wel private zorg betreft;
   b) "gezondheidsgegevens": informatie over de fysieke of mentale gezondheid van een persoon, of over de verlening van een gezondheidsdienst aan een persoon, waaronder: informatie over de registratie van het individu voor de verlening van gezondheidsdiensten; informatie over betalingen of voorwaarden voor gezondheidszorg met betrekking tot het individu; een aan een persoon toegekend cijfer, symbool of kenmerk dat als unieke identificatie van het individu geldt voor gezondheidsdoeleinden; informatie over het individu die tijdens de verstrekking van gezondheidszorg aan hem is verzameld; informatie die uit het testen of onderzoeken van een lichaamsdeel of lichaamseigen stof voortkomt; en de identificatie van een persoon (gezondheidswerker) als verstrekker van gezondheidszorg aan het individu;
   c) "grensoverschrijdende gezondheidszorg": gezondheidszorg die wordt verleend in een andere lidstaat dan die waar de patiënt verzekerd is ▌;
  

   d) "gezondheidswerker": een arts, verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger (verpleegkundige), beoefenaar der tandheelkunde (tandarts), verloskundige of apotheker in de zin van Richtlijn 2005/36/EG of een andere beroepsbeoefenaar die werkzaamheden in de gezondheidszorg verricht die behoren tot een gereglementeerd beroep, als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder a), van Richtlijn 2005/36/EG, of een persoon die in de lidstaat van behandeling rechtmatig werkzaamheden in de gezondheidszorg verricht;
   e) "zorgaanbieder": een gezondheidswerker als gedefinieerd onder d), of een rechtspersoon die op het grondgebied van een lidstaat rechtmatig gezondheidszorg verstrekt;
   f) "patiënt": een natuurlijk persoon die in een lidstaat gezondheidszorg ontvangt of wenst te ontvangen;
   g) "verzekerde": ▌een verzekerde als gedefinieerd in artikel 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 883/2004 of als gedefinieerd in de polisvoorwaarden van particuliere ziektekostenverzekeringen;

h)   "lidstaat van aansluiting": de lidstaat waar de patiënt verzekerd is of de lidstaat waar de patiënt woonachtig is, indien dit een andere lidstaat is.

Indien de ziektekostenverzekeringsinstantie van de lidstaat waar de patiënt woonachtig is, op grond van de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, respectievelijk Verordening (EG) nr. 883/2004 verantwoordelijk is voor het verlenen van prestaties overeenkomstig de wetgeving van die staat, wordt die lidstaat voor de toepassing van deze richtlijn beschouwd als de lidstaat van aansluiting.

i)   "lidstaat waar de behandeling plaatsvindt": de lidstaat op het grondgebied waarvan de grensoverschrijdende gezondheidszorg feitelijk wordt verleend;

   j) "medisch hulpmiddel": een medisch hulpmiddel als gedefinieerd in Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen(31), Richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen(32)of Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek(33);
   k) "goederen die worden gebruikt in de gezondheidszorg": goederen die gebruikt worden met het oog op het behoud of het verbeteren van iemands gezondheidstoestand, zoals medische hulpmiddelen en geneesmiddelen;
   l) "geneesmiddel": een geneesmiddel als gedefinieerd in Richtlijn 2001/83/EG;
   m) "recept": een medisch recept als gedefinieerd in Richtlijn 2001/83/EG, met inbegrip van elektronisch verstrekte en verzonden recepten (elektronische recepten);
   n) "gezondheidstechnologie": een geneesmiddel of een medisch hulpmiddel of medische en chirurgische procedures alsmede maatregelen voor ziektepreventie, diagnose of behandeling waarvan in de gezondheidszorg gebruik wordt gemaakt;
   o) "schade" wordt in grensoverschrijdende gezondheidszorg gedefinieerd onder verwijzing naar het bestaande rechtskader in de lidstaat van behandeling, waarbij per lidstaat kan verschillen wat onder schade wordt verstaan;
   p) "medisch dossier van de patiënt" of "medische voorgeschiedenis": alle documenten met gegevens, beoordelingen en informatie van enigerlei aard over de toestand en klinische ontwikkeling van een patiënt gedurende het zorgproces.

HOOFDSTUK II

AUTORITEITEN VAN DE LIDSTATEN DIE VERANTWOORDELIJK ZIJN VOOR DE NALEVING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE BEGINSELEN VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

Artikel 5

Verantwoordelijkheden van de autoriteiten van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt

1.  De lidstaat waar de behandeling plaatsvindt is verantwoordelijk voor de organisatie en verstrekking van de gezondheidszorg. Deze lidstaat stelt in dit verband, rekening houdend met de beginselen van universaliteit, toegang tot hoogwaardige zorg, rechtvaardigheid en solidariteit, duidelijke kwaliteitsnormen voor de op zijn grondgebied verleende gezondheidszorg vast, zorgt ervoor dat de bestaande EU-wetgeving over veiligheidsnormen wordt nageleefd en waarborgt dat:

   a) wanneer gezondheidszorg wordt verleend in een andere lidstaat dan die waar de patiënt verzekerd is, de wetgeving van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, van toepassing is;
   b) de onder a) bedoelde gezondheidszorg wordt verstrekt volgens kwaliteitsnormen en -richtsnoeren die door de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, zijn vastgesteld;
   c) aan patiënten en zorgaanbieders uit andere lidstaten door het nationale contactpunt van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, onder meer met elektronische middelen informatie wordt verstrekt over de kwaliteitsnormen en -richtsnoeren, inclusief de bepalingen over toezicht, en over beschikbaarheid, kwaliteit en veiligheid, behandelingsopties, prijzen, resultaten van de verleende gezondheidszorg, toegankelijkheid voor personen met een handicap, gegevens betreffende de registratiestatus en verzekeringsdekking van de zorgaanbieder of andere individuele of collectieve vormen van bescherming met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheid;
   d) de zorgaanbieders alle relevante informatie verstrekken om patiënten in staat te stellen met kennis van zaken beslissingen te nemen ▌;
   e) de patiënten over klachtenprocedures ▌beschikken en aanspraak kunnen maken op een schadeloosstelling ingeval zij schade ondervinden als gevolg van de ontvangen gezondheidszorg, en dat er mechanismen bestaan die de mogelijkheid van verhaal garanderen;
   f) er voor de behandeling die op hun grondgebied plaatsvindt op de aard en omvang van het risico afgestemde systemen van beroepsaansprakelijkheidsverzekering zijn ingesteld, dan wel een waarborg of een soortgelijke regeling ▌;
   g) het grondrecht op privacy ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor de communautaire bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens, in het bijzonder de Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG, wordt beschermd;
   h) patiënten uit andere lidstaten eender worden behandeld als onderdanen van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt en overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en de wetgeving van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt tegen directe of indirecte discriminatie op grond van ras, etnische afkomst, geslacht, religie of geloof, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid worden beschermd. Deze richtlijn verplicht zorgaanbieders in een lidstaat evenwel niet om gezondheidszorg te verlenen aan een verzekerde persoon uit een andere lidstaat of om de verlening van gezondheidszorg aan een verzekerde persoon uit een andere lidstaat prioriteit te geven ten nadele van een persoon met soortgelijke gezondheidsbehoeften die verzekerd is in de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt;
   i) patiënten die een behandeling hebben ondergaan, recht hebben op een schriftelijk of elektronisch dossier over die behandeling en medische aanbevelingen voor de voorzetting van hun behandeling.

2.  De autoriteiten van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, houden aan de hand van de overeenkomstig artikel 21 verzamelde gegevens regelmatig toezicht op de toegankelijkheid, de kwaliteit en de financiële staat van hun gezondheidszorgstelsels.

3.  Om de veiligheid van de patiënten zo goed mogelijk te waarborgen zien de lidstaten van behandeling en van aansluiting erop toe dat:

   a) patiënten klachten kunnen indienen en genoegdoening en schadevergoeding verkrijgen wanneer zij door een ontvangen gezondheidszorg schade ondervinden;
   b) de kwaliteits- en veiligheidsnormen van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, bekend worden gemaakt in een voor de burgers begrijpelijke en toegankelijke taal en vorm;
   c) er een recht is op continuïteit van de zorg door middel van onder meer de doorgifte van relevante medische gegevens met betrekking tot de patiënt, met inachtneming van het bepaalde in lid 1, onder g) en overeenkomstig artikel 15, en patiënten na de ontvangen behandeling recht hebben op een schriftelijk of elektronisch dossier over die behandeling en medische aanbevelingen voor de voortzetting van hun behandeling;
   d) de lidstaat van aansluiting, in het geval van complicaties als gevolg van een in het buitenland verstrekte medische behandeling of indien een bijzondere medische nabehandeling nodig blijkt, gezondheidszorg waarborgt van een gelijkwaardig niveau als een op zijn grondgebied verstrekte medische behandeling;
   e) de lidstaten elkaar onmiddellijk en op proactieve wijze informatie verstrekken over zorgaanbieders of gezondheidswerkers, indien reguleringsmaatregelen zijn getroffen tegen hun registratie of tegen hun recht van dienstverlening.

4.  Overeenkomstig de regelgevingsprocedure bedoeld in artikel 22, lid 2, stelt de Commissie de nodige maatregelen vast voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijk beveiligingsniveau voor medische gegevens, rekening houdend met de bestaande technische normen op dit gebied.

5.  Voor zover dit nodig is om de verlening van grensoverschrijdende gezondheidszorg te bevorderen, kan de Commissie samen met de lidstaten richtsnoeren ontwikkelen om de toepassing van lid 1 te vergemakkelijken; daarbij wordt uitgegaan van een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid.

6.  Voor de toepassing van dit artikel creëren de lidstaten een transparant mechanisme ter berekening van de kosten die voor de verleende gezondheidszorg moeten worden aangerekend. Dit berekeningsmechanisme is gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende criteria die vooraf bekend zijn, en wordt op het juiste administratieve niveau toegepast in gevallen waar de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt, over een gedecentraliseerde gezondheidszorg beschikt.

7.  Gezien het grote belang dat de waarborging van kwaliteit en veiligheid van grensoverschrijdende zorg heeft voor met name de patiënt, worden bij het ontwerpen van normen en richtsnoeren als bedoeld in de leden 1 en 5 in ieder geval de (grensoverschrijdende) patiëntenorganisaties betrokken.

HOOFDSTUK III

GRENSOVERSCHRIJDENDE GEZONDHEIDSZORG ▌

Artikel 6

Verantwoordelijkheden van de autoriteiten van de lidstaat van aansluiting

1.  Behoudens de bepalingen in deze richtlijn, in het bijzonder de artikelen 7, 8 en 9, waarborgt de lidstaat van aansluiting dat verzekerden die naar een andere lidstaat reizen om daar tijdens hun verblijf gezondheidszorg te ontvangen of die in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg willen ontvangen, niet belet worden in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg te ontvangen wanneer de desbetreffende behandeling deel uitmaakt van de prestaties waarop de verzekerde uit hoofde van de wetgeving, bestuursrechtelijke regelingen, richtsnoeren en gedragscodes van de medische beroepen van de lidstaat van aansluiting recht heeft. Onverminderd Verordening (EEG) nr. 1408/71 en, vanaf de datum van inwerkingtreding ervan, Verordening (EG) nr. 883/2004 vergoedt de lidstaat van aansluiting de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt of de verzekerde de kosten die door zijn wettelijke socialezekerheidsstelsel zouden zijn vergoed indien een even doeltreffende gezondheidszorg op zijn grondgebied zou zijn verleend. Als een lidstaat van aansluiting weigert de behandeling te vergoeden, moet deze lidstaat een medische rechtvaardiging voor zijn besluit verstrekken. In alle gevallen bepaalt de lidstaat van aansluiting welke gezondheidszorg wordt vergoed, ongeacht waar deze wordt verleend.

Patiënten met een zeldzame ziekte moeten het recht hebben een beroep op de gezondheidszorg in een andere lidstaat te doen en vergoeding daarvoor te krijgen, zelfs wanneer de behandeling in kwestie niet behoort tot de prestaties waarin in de wetgeving van de lidstaat van aansluiting is voorzien.

2.  De kosten van in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg worden door de lidstaat van aansluiting overeenkomstig deze richtlijn vergoed of rechtstreeks betaald tot het bedrag dat vergoed zou worden voor dezelfde ziekte, onder dezelfde voorwaarden als bepaald in lid 1, in de lidstaat van aansluiting ║; het vergoede bedrag is echter niet hoger dan de feitelijke kosten van de ontvangen gezondheidszorg. De lidstaten kunnen beslissen om andere, daarmee samenhangende kosten, zoals therapeutische behandeling en verblijfs- en reiskosten, te vergoeden.

3.  De extra kosten die personen met een handicap wellicht moeten maken bij behandeling in een andere lidstaat als gevolg van een of meer handicaps worden door de lidstaat van aansluiting overeenkomstig de nationale wetgeving vergoed, mits deze extra uitgaven voldoende met bewijzen gestaafd zijn.

4.  De lidstaat van aansluiting kan aan een patiënt die in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg wil ontvangen, dezelfde voorwaarden, behandelingscriteria en wettelijke en administratieve formele, op lokaal, nationaal of regionaal niveau vastgestelde eisen stellen om de gezondheidszorg te kunnen ontvangen en de kosten daarvan vergoed te krijgen als hij zou stellen indien deze gezondheidszorg op zijn grondgebied zou zijn verleend, mits deze niet discriminerend zijn, geen belemmering vormen voor het vrije verkeer van patiënten en goederen, zoals geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, en vooraf bekend zijn. Daarbij mag worden verlangd dat de verzekerde met het oog op de toepassing van deze voorwaarden, criteria of formele eisen wordt onderzocht door een gezondheidswerker of ambtenaar die diensten verricht voor het wettelijke socialezekerheidsstelsel van de lidstaat van aansluiting, voor zover een dergelijk onderzoek ook vereist zou zijn om toegang tot de gezondheidszorg in de lidstaat van aansluiting te krijgen.

5.  Voor de toepassing van dit artikel beschikken de lidstaten ▌over een transparant mechanisme voor de berekening van de door het wettelijke socialezekerheidsstelsel of andere wettelijke publieke stelsels vergoede kosten van in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg. Dit mechanisme berust op objectieve, niet-discriminerende en vooraf bekende criteria en de volgens dit mechanisme vergoede kosten zijn niet lager dan die welke vergoed zouden worden indien deze gezondheidszorg op het grondgebied van de lidstaat van aansluiting zou zijn verleend. Het mechanisme wordt op het juiste administratieve niveau toegepast in gevallen waar de lidstaat van aansluiting over een gedecentraliseerde gezondheidszorg beschikt.

6.  Patiënten die in een andere lidstaat dan hun lidstaat van aansluiting gezondheidszorg ║ ontvangen of die in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg willen ontvangen, wordt overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor de communautaire bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens, in het bijzonder de Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG, toegang gegeven tot hun medische dossiers. Indien de medische dossiers in elektronische vorm worden bijgehouden, moeten de patiënten recht hebben op een kopie van deze dossiers of op afstand toegang krijgen tot deze dossiers. Gegevens worden alleen met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de patiënt of de familieleden van de patiënt doorgegeven.

7.  De bepalingen van dit hoofdstuk laten de sluiting van grensoverschrijdende contractuele regelingen inzake geplande gezondheidszorg onverlet.

Artikel 7

Extramurale zorg

De lidstaat van aansluiting stelt de vergoeding van de kosten van in een andere lidstaat verleende extramurale zorg of de aankoop van in een andere lidstaat gekochte goederen die worden gebruikt in de gezondheidszorg niet afhankelijk van voorafgaande toestemming als de kosten van die zorg of die goederen door zijn socialezekerheidsstelsel vergoed zouden worden indien de zorg op zijn grondgebied zou zijn verleend of de goederen op zijn grondgebied zouden zijn aangekocht.

Artikel 8

Intramurale ▌zorg

1.  Met het oog op de vergoeding van de kosten van in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg overeenkomstig deze richtlijn is de definitie van "intramurale zorg" die door de lidstaat van aansluiting wordt gehanteerd, beperkt tot:

   a) gezondheidszorg waarvoor ten minste voor één nacht overnachtingsaccommodatie voor de patiënt nodig is; of
   b) gezondheidszorg die zeer gespecialiseerd is en/of waarvoor zeer gespecialiseerde en kostenintensieve medische infrastructuur of apparatuur vereist is; of
   c) gezondheidszorg die behandelingen omvat waaraan een bijzonder risico voor de patiënt of voor de bevolking verbonden is.
  

2.  De lidstaat van aansluiting mag voor de vergoeding door zijn socialezekerheidsstelsel van de kosten van in een andere lidstaat verleende intramurale zorg een systeem van voorafgaande toestemming hanteren als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

   a) indien de gezondheidszorg op zijn grondgebied was verleend, zou zij door het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat zijn vergoed; en
  b) het ontbreken van voorafgaande toestemming kan leiden of zal waarschijnlijk leiden tot ernstige aantasting van:
   i) het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat; en/of
   ii) de planning en rationalisering die in de ziekenhuissector plaatsvinden om overcapaciteit van ziekenhuizen, ongelijkheden bij de verlening van intramurale zorg en logistieke en financiële verspilling te voorkomen, de instandhouding van een evenwichtige en voor eenieder toegankelijke verzorging door artsen en ziekenhuizen of de instandhouding van behandelingscapaciteit of medische deskundigheid op het grondgebied van de lidstaat.

Dit systeem laat Verordening (EEG) nr. 1408/71 en, vanaf de datum van inwerkingtreding ervan, Verordening (EG) nr. 883/2004 onverlet.

3.  Het systeem van voorafgaande toestemming geldt onverminderd artikel 3, lid 2, en is beperkt tot hetgeen noodzakelijk en evenredig is, is gebaseerd op duidelijke en transparante criteria en vormt geen middel tot willekeurige discriminatie of een belemmering voor het vrije verkeer van patiënten.

4.  Wanneer voorafgaande toestemming is gevraagd en gegeven, zorgt de lidstaat van aansluiting ervoor dat de patiënt alleen kosten vooraf hoeft te betalen die ook vooraf hadden moeten worden betaald als de zorg in het kader van het gezondheidsstelsel van zijn lidstaat van aansluiting zou zijn verstrekt. Voor eventuele andere kosten streven de lidstaten ernaar het geld rechtstreeks te laten overmaken tussen de zorgfinanciers en de zorgaanbieders.

5.  Er moeten systemen voor het aanvragen van voorafgaande toestemming beschikbaar worden gesteld op lokaal/regionaal niveau en deze moeten toegankelijk en transparant zijn voor de patiënten. De voorschriften voor het aanvragen en weigeren van voorafgaande toestemming moeten vóór het indienen van een aanvraag beschikbaar zijn, zodat de aanvraag op eerlijke en transparante wijze kan worden gedaan.

6.  Patiënten die in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg wensen te ontvangen, wordt het recht gegarandeerd om in hun lidstaat van aansluiting om voorafgaande toestemming te vragen.

7.  De lidstaat van aansluiting stelt alle relevante informatie over de krachtens lid 3 ingevoerde systemen van voorafgaande toestemming, met inbegrip van beroepsprocedures in geval van weigering van toestemming, ter beschikking van het publiek.

8.  Bij elk verzoek om toestemming van een verzekerde om gezondheidszorg in een andere lidstaat te ontvangen gaat de lidstaat van aansluiting na of is voldaan aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 883/2004 en verleent hij, indien dit zo is, voorafgaande toestemming overeenkomstig deze verordening.

9.  Patiënten met zeldzame ziekten hebben geen voorafgaande toestemming nodig.

Artikel 9

Procedurele waarborgen voor grensoverschrijdende gezondheidszorg ▌

1.  De lidstaat van aansluiting waarborgt dat de administratieve procedures voor grensoverschrijdende gezondheidszorg ▌waarvoor voorafgaande toestemming vereist is als bedoeld in artikel 8, lid 2, voor de vergoeding van de in een andere lidstaat gemaakte gezondheidszorgkosten, en de overige voorwaarden en formele eisen als bedoeld in artikel 6, lid 4, berusten op objectieve, niet-discriminerende en vooraf bekendgemaakte criteria, die noodzakelijk zijn en evenredig zijn met de beoogde doelstelling. Wanneer aan de voorwaarden in artikel 22, lid 1, onder c), en lid 2 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt voldaan, wordt een verzekerde altijd toestemming verleend uit hoofde van de verordeningen betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsregelingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder k) van deze richtlijn.

2.  Dergelijke procedures zijn gemakkelijk toegankelijk en kunnen waarborgen dat de ingediende verzoeken binnen vooraf door de lidstaten vastgestelde en bekendgemaakte redelijke termijnen objectief en onpartijdig behandeld worden.

3.  De lidstaat van aansluiting zorgt ervoor dat patiënten die voorafgaande toestemming hebben verkregen voor grensoverschrijdende gezondheidszorg, alleen voorafgaande of bijkomende betalingen aan het zorgstelsel en/of de zorgaanbieders in de lidstaat van behandeling hoeven te betalen voor zover deze betalingen in de lidstaat van aansluiting zelf ook vereist zouden zijn.

4.  De lidstaten houden bij de vaststelling van de termijnen waarbinnen verzoeken om grensoverschrijdende gezondheidszorg ▌moeten worden behandeld en bij de behandeling van deze verzoeken rekening met:

   a) de specifieke ziekte;
   b) individuele omstandigheden;
   c) de hoeveelheid pijn die de patiënt heeft;
   d) de aard van zijn handicap; en
   e) de vraag of hij beroepswerkzaamheden kan verrichten.

5.  Systemen voor het aanvragen van voorafgaande toestemming worden beschikbaar gesteld op het adequate niveau voor de uitvoering van de gezondheidszorg van de lidstaat en zijn toegankelijk en transparant voor de patiënt. De voorschriften voor het aanvragen en weigeren van voorafgaande toestemming moeten vóór het indienen van een aanvraag beschikbaar zijn, zodat de aanvraag op eerlijke en transparante wijze kan worden gedaan.

6.  De lidstaten waarborgen dat alle administratieve of medische beslissingen over grensoverschrijdende gezondheidszorg per geval medisch of bestuursrechtelijk getoetst kunnen worden, en tevens in rechte kunnen worden betwist, waarbij ook tijdelijke maatregelen kunnen worden genomen.

7.  De Commissie verricht binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn een haalbaarheidsstudie naar de oprichting van een clearinginstelling om de vergoeding van kosten in het kader van deze richtlijn tussen verschillende landen, gezondheidszorgstelsels en muntzones te vergemakkelijken. Zij brengt daarover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad en dient zo nodig een wetgevingsvoorstel in.

Artikel 10

Voorafgaande toestemming

De lidstaten kunnen de patiënten een vrijwillig systeem van voorafgaande melding aanbieden waarbij de patiënt, in ruil voor deze melding, een schriftelijke bevestiging krijgt waarop het maximumbedrag vermeld staat dat zal worden betaald. De patiënt kan deze schriftelijke bevestiging alsdan meenemen naar het ziekenhuis waar hij wordt behandeld, waarna de kosten rechtstreeks door de lidstaat van aansluiting aan dit ziekenhuis worden vergoed.

Artikel 11

Europese Ombudsman voor patiënten

De Commissie dient binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn een wetgevingsvoorstel in om een Europese Ombudsman voor patiënten in te stellen. De Europese Ombudsman voor patiënten behandelt en, indien nodig, bemiddelt in zaken waar patiënten een klacht indienen met betrekking tot voorafgaande toestemming, terugbetaling van kosten of schade. Op de Europese Ombudsman voor patiënten wordt pas een beroep gedaan, wanneer alle klachtmogelijkheden binnen de lidstaat in kwestie zijn uitgeput.

Artikel 12

Voorlichting van patiënten over het gebruik van gezondheidszorg in een andere lidstaat

1.  De lidstaat van aansluiting waarborgt dat er, onder meer met elektronische middelen, gemakkelijk toegankelijke mechanismen zijn ingesteld om patiënten op verzoek snel informatie te geven over het ontvangen van gezondheidszorg in een andere lidstaat en de voorwaarden die daarop van toepassing zijn, alsook over de rechten van patiënten, de procedures voor de toegang tot die rechten en de beroeps- en verhaalmogelijkheden waarover de patiënt beschikt als dergelijke rechten hem worden onthouden, onder meer in geval van schade als gevolg van in een andere lidstaat ontvangen gezondheidszorg. Deze informatie wordt zo gepubliceerd dat zij toegankelijk is voor personen met een handicap. De lidstaten raadplegen de belanghebbenden, waaronder patiëntenorganisaties, om te garanderen dat de informatie duidelijk en toegankelijk is. In de informatie over grensoverschrijdende gezondheidszorg wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de rechten die patiënten hebben op grond van deze richtlijn en de rechten die voortvloeien uit de verordeningen betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsregelingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder k).

2. Naast de in lid 1 genoemde informatie wordt ook informatie over gezondheidswerkers en zorgaanbieders met elektronische middelen gemakkelijk toegankelijk gemaakt door de lidstaat waar de gezondheidswerkers en zorgaanbieders geregistreerd zijn; deze informatie omvat naam, registratienummer en praktijkadres van de gezondheidswerkers en eventuele beperkingen die hun in de uitoefening van hun beroep zijn opgelegd.

Artikel 13

Toepasselijke voorschriften in geval van in een andere lidstaat verleende gezondheidszorg

1.  Wanneer gezondheidszorg wordt verleend in een andere lidstaat dan die waar de patiënt verzekerd is, ▌is overeenkomstig artikel 5 de wetgeving van de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt van toepassing.

2.  Dit artikel is niet van toepassing op de erkenning van beroepskwalificaties.

Artikel 14

Nationale contactpunten voor grensoverschrijdende gezondheidszorg

1.  De lidstat