Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 6 mei 2009 - Straatsburg
Bevoegdheden van de vaste commissies
 Interparlementaire delegaties, delegaties in gemengde parlementaire commissies, delegaties in parlementaire samenwerkingscommissies en multilaterale parlementaire vergaderingen
 Intrekking van een richtlijn en van 11 achterhaalde beschikkingen en besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid *
 Intrekking van 14 achterhaalde verordeningen op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid *
 Steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) *
 Wijziging van het Reglement (verzoekschriftenprocedure)
 Wijziging van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006
 Gewijzigde begroting nr. 4/2009
 Gewijzigde begroting nr. 5/2009
 Energie-etikettering van televisies
 Niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces
 Algemene herziening van het Reglement
 Elektronische-communicatienetwerken en -diensten, privacybescherming en consumentenbescherming ***II
 Elektronische-communicatienetwerken en -diensten ***II
 Orgaan van regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau ***II
 Voor mobiele communicatie beschikbaar te stellen frequentiebanden ***I
 Gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen ***I
 Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering ***I
 Programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie ***I
 Kapitaalvereistenrichtlijnen ***I
 Gemeenschapsprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële diensten, financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen ***I
 Bescherming van dieren bij het doden *
 Vernieuwde sociale agenda
 Actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten

Bevoegdheden van de vaste commissies
PDF 167kWORD 77k
Besluit van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over de bevoegdheden van de vaste commissies
P6_TA(2009)0348B6-0269/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Conferentie van voorzitters,

–   gelet op artikel 174 van zijn Reglement,

1.   besluit de volgende vaste commissies in te stellen:

I. Commissie buitenlandse zaken,

II. Commissie ontwikkelingssamenwerking

III. Commissie internationale handel

IV. Begrotingscommissie

V. Commissie begrotingscontrole

VI. Commissie economische en monetaire zaken

VII. Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

VIII. Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

IX. Commissie industrie, onderzoek en energie

X. Commissie interne markt en consumentenbescherming

XI. Commissie vervoer en toerisme

XII. Commissie regionale ontwikkeling

XIII. Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

XIV. Commissie visserij

XV. Commissie cultuur en onderwijs

XVI. Commissie juridische zaken

XVII. Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

XVIII. Commissie constitutionele zaken

XIX. Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

XX. Commissie verzoekschriften;

2.   besluit bijlage VI van zijn Reglement te vervangen door de volgende tekst:

"BIJLAGE VI

Bevoegdheden van de parlementaire commissies

I. Commissie buitenlandse zaken

Deze commissie is bevoegd voor:

1. het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB). Daarbij wordt de commissie bijgestaan door een Subcommissie veiligheid en defensie;

2. de betrekkingen met andere EU-instellingen en -organen, de VN en andere internationale organisaties en interparlementaire vergaderingen voor aangelegenheden die onder haar bevoegdheid vallen;

3. de intensivering van de politieke betrekkingen met derde landen, met name die in de naaste omgeving van de Unie, door middel van belangrijke samenwerkings- en hulpverleningsprogramma's of internationale overeenkomsten, zoals associatie- en partnerschapsovereenkomsten;

4. de opening, follow-up en sluiting van onderhandelingen over toetreding van Europese staten tot de Unie;

5. kwesties betreffende de rechten van de mens, de bescherming van minderheden en de bevordering van democratische waarden in derde landen. Hierbij wordt de commissie bijgestaan door een Subcommissie mensenrechten. Onverminderd de relevante bepalingen, kunnen de vergaderingen van de subcommissie worden bijgewoond door leden van andere commissies en organen met bevoegdheden op dit terrein.

De commissie draagt zorg voor de coördinatie van de werkzaamheden van de gemengde parlementaire commissies en parlementaire samenwerkingscommissies, alsmede van de werkzaamheden van de interparlementaire delegaties, delegaties ad hoc en missies voor verkiezingswaarneming die onder haar bevoegdheid vallen.

II. Commissie ontwikkelingssamenwerking

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de bevordering en tenuitvoerlegging van en het toezicht op het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie, met name

(a) de politieke dialoog met de ontwikkelingslanden, zowel bilateraal als in relevante internationale organisaties en interparlementaire fora,

(b) hulpverlening aan en samenwerkingsovereenkomsten met de ontwikkelingslanden,

(c) bevordering van democratische waarden, goed bestuur en mensenrechten in de ontwikkelingslanden;

2. kwesties betreffende de ACS-EU-Partnerschapsovereenkomst en de betrekkingen met relevante organen;

3. de betrokkenheid van het Parlement bij missies voor verkiezingswaarneming, zo nodig in samenwerking met andere relevante commissies en delegaties.

Deze commissie draagt zorg voor de coördinatie van de werkzaamheden van de interparlementaire delegaties en delegaties ad hoc die onder haar bevoegdheid vallen.

III. Commissie internationale handel

Deze commissie is bevoegd voor:

aangelegenheden in verband met de vaststelling en tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk handelsbeleid en met de externe economische betrekkingen van de Unie, met name:

1. financiële, economische en handelsbetrekkingen met derde landen en regionale organisaties;

2. technische harmonisatie- of normalisatiemaatregelen op gebieden die bij internationale rechtsinstrumenten zijn geregeld;

3. betrekkingen met relevante internationale organisaties en met organisaties ter bevordering van de regionale, economische en commerciële integratie buiten de Unie;

4. de betrekkingen met de Wereldhandelsorganisatie, met inbegrip van de parlementaire dimensie ervan.

Deze commissie onderhoudt contacten met de relevante interparlementaire delegaties en delegaties ad hoc voorzover het gaat om de economische en commerciële aspecten van de betrekkingen met derde landen.

IV. Begrotingscommissie

Deze commissie is bevoegd voor:

1. het meerjarig financieel kader voor de ontvangsten en uitgaven van de Unie en voor het stelsel van eigen middelen van de Unie;

2. de begrotingsbevoegdheden van het Parlement ten aanzien van de begroting van de Unie en het voeren van onderhandelingen over en het ten uitvoer leggen van interinstitutionele akkoorden op dit gebied;

3. de raming van het Parlement overeenkomstig de bij het Reglement vastgestelde procedure;

4. de begrotingen van de gedecentraliseerde organen;

5. de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank;

6. de budgettering van het Europees Ontwikkelingsfonds, onverminderd de bevoegdheden van de voor de ACS-EU-Partnerschapsovereenkomst bevoegde commissie;

7. de financiële gevolgen van alle communautaire besluiten en de verenigbaarheid daarvan met het meerjarig financieel kader, onverminderd de bevoegdheden van de relevante commissies;

8. de follow-up en evaluatie van de tenuitvoerlegging van de lopende begroting onverminderd artikel 72, lid 1 van het Reglement, kredietoverschrijvingen, procedures voor personeelsformaties, huishoudelijke kredieten en adviezen inzake vastgoedprojecten met aanzienlijke financiële gevolgen;

9. het Financieel Reglement, met uitzondering van vraagstukken betreffende begrotingsuitvoering, -beheer en -controle.

V. Commissie begrotingscontrole

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de controle op de uitvoering van de begroting van de Unie en van het Europees Ontwikkelingsfonds, alsook de door het Parlement te nemen besluiten inzake de verlening van kwijting, met inbegrip van de interne kwijtingsprocedure, alsmede alle begeleidende maatregelen bij deze besluiten of ter uitvoering daarvan;

2. de afsluiting, verslaglegging en controle betreffende de rekeningen en balansen van de Unie, haar instellingen alsmede alle lichamen die door de Unie worden gefinancierd, met inbegrip van de vaststelling van de over te dragen kredieten en de bepaling van de saldi;

3. de controle op de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank;

4. het toezicht op de kosteneffectiviteit van de diverse vormen van communautaire financiering bij de tenuitvoerlegging van beleid van de Unie;

5. de behandeling van gevallen van fraude en onregelmatigheden bij de uitvoering van de begroting van de Unie, maatregelen ter voorkoming van en tot instelling van vervolging wegens dergelijke gevallen, alsmede de bescherming van de financiële belangen van de Unie in het algemeen;

6. de betrekkingen met de Rekenkamer, de benoeming van haar leden en de behandeling van haar verslagen;

7. het Financieel Reglement voorzover het gaat om begrotingsuitvoering, -beheer en -controle.

VI. Commissie economische en monetaire zaken

Deze commissie is bevoegd voor:

1. het economisch en monetair beleid van de Unie, de werking van de Economische en Monetaire Unie en het Europees monetair en financieel stelsel (met inbegrip van de betrekkingen met relevante instellingen of organisaties);

2. het vrij verkeer van kapitaal en betalingen (grensoverschrijdende betalingen, één enkele betalingsruimte, betalingsbalans, kapitaalverkeer en het beleid ten aanzien van het aangaan en verstrekken van leningen, controle op kapitaalbewegingen uit derde landen, maatregelen ter bevordering van de uitvoer van kapitaal van de Unie);

3. het internationaal monetair en financieel stelsel (met inbegrip van de betrekkingen met financiële en monetaire instellingen of organisaties);

4. regels inzake mededinging en staats- en overheidssteun;

5. belastingen;

6. de regeling van en het toezicht op financiële diensten, instellingen en markten, met inbegrip van financiële verslaglegging, controle, regels inzake financiële administratie, bedrijfsbestuur en andere vennootschapsrechtsaspecten die specifiek betrekking hebben op financiële diensten.

VII. Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Deze commissie is bevoegd voor:

1. het werkgelegenheidsbeleid en alle aspecten van het sociaal beleid, zoals arbeidsomstandigheden, sociale zekerheid en sociale bescherming;

2. gezondheids- en veiligheidsmaatregelen op het werk;

3. het Europees Sociaal Fonds;

4. het beroepsopleidingsbeleid, met inbegrip van beroepskwalificaties;

5. het vrij verkeer van werknemers en gepensioneerden;

6. de dialoog tussen de sociale partners;

7. alle vormen van discriminatie op het werk en op de arbeidsmarkt, met uitzondering van discriminatie op grond van geslacht;

8. de betrekkingen met

− het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop),

− de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden,

− de Europese Stichting voor opleiding,

− het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk,

− alsook betrekkingen met andere relevante EU-organen en internationale organisaties.

VIII. Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Deze commissie is bevoegd voor:

1. milieubeleid en maatregelen ter bescherming van het milieu, met name met betrekking tot

(a) lucht-, bodem- en waterverontreiniging, afvalbeheer en recycling, gevaarlijke stoffen en preparaten, geluidsniveaus, klimaatverandering en bescherming van biodiversiteit,

(b) duurzame ontwikkeling,

(c) maatregelen en overeenkomsten op internationaal en regionaal niveau ter bescherming van het milieu,

(d) herstel van milieuschade,

(e) civiele bescherming,

(f) het Europees Milieuagentschap,

(g) het Europees Chemicaliënagentschap;

2. volksgezondheid, met name

(a) programma's en specifieke acties op het gebied van de volksgezondheid,

(b) farmaceutische en cosmetische producten,

(c) gezondheidsaspecten van bioterrorisme,

(d) het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding;

3. aangelegenheden betreffende voedselveiligheid, met name

(a) etikettering en veiligheid van voedingsmiddelen,

(b) veterinaire wetgeving betreffende de bescherming tegen risico's voor de gezondheid van de mens; gezondheidscontrole op voedingsproducten en voedselproductiestelsels,

(c) de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Voedsel- en Veterinair Bureau.

IX. Commissie industrie, onderzoek en energie

Deze commissie is bevoegd voor:

1. het industriebeleid van de Unie en de toepassing van nieuwe technologieën, met inbegrip van maatregelen betreffende kleine en middelgrote ondernemingen;

2. het onderzoeksbeleid van de Unie, met inbegrip van de verspreiding en benutting van onderzoeksresultaten;

3. het ruimtebeleid;

4. de activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, het Centraal Bureau voor metingen op het gebied van de kernenergie, JET, ITER en andere projecten op dit gebied;

5. communautaire maatregelen betreffende het energiebeleid in het algemeen, een gegarandeerde energievoorziening en energie-efficiëntie, met inbegrip van de totstandbrenging en ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het gebied van de energie-infrastructuur;

6. het Euratom-Verdrag en het Voorzieningsagentschap van Euratom, nucleaire veiligheid, sluiting van nucleaire installaties en verwijdering van nucleair afval;

7. de informatiemaatschappij en informatietechnologie, met inbegrip van de totstandbrenging en ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het gebied van de telecommunicatie-infrastructuur.

X. Commissie interne markt en consumentenbescherming

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de coördinatie op communautair niveau van de nationale regelgevingen op het gebied van de interne markt en van de Douane-unie, met name

(a) het vrije verkeer van goederen, met inbegrip van de harmonisatie van technische normen,

(b) het recht van vestiging,

(c) het vrij verrichten van diensten, met uitzondering van financiële en postdiensten;

2. maatregelen ter vaststelling en afschaffing van potentiële belemmeringen voor de werking van de interne markt;

3. de bevordering en bescherming van de economische belangen van consumenten − met uitzondering van vraagstukken in verband met volksgezondheid en voedselveiligheid − in het kader van de totstandbrenging van de interne markt.

XI. Commissie vervoer en toerisme

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de ontwikkeling van een gemeenschappelijk beleid voor het vervoer per spoor, over de weg, over binnenwateren, over zee en door de lucht, met name

(a) gemeenschappelijke regels voor het vervoer binnen de Europese Unie,

(b) de totstandbrenging en ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het gebied van de vervoersinfrastructuur,

(c) de verlening van vervoersdiensten en de betrekkingen op vervoersgebied met derde landen,

(d) veiligheid van het vervoer,

(e) betrekkingen met internationale vervoersorganisaties;

2. postdiensten;

3. toerisme.

XII. Commissie regionale ontwikkeling

Deze commissie is bevoegd voor:

het regionaal en cohesiebeleid, en met name

(a) het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds en de overige instrumenten in het kader van het regionaal beleid van de Unie,

(b) de evaluatie van de gevolgen van andere beleidsvormen van de Unie inzake economische en sociale samenhang,

(c) coördinatie van de structuurinstrumenten van de Unie,

(d) ultraperifere regio's en eilanden alsmede de grensoverschrijdende en interregionale samenwerking,

(e) de betrekkingen met het Comité van de regio's, de interregionale samenwerkingsorganisaties en de plaatselijke en regionale autoriteiten.

XIII. Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de werking en ontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

2. plattelandsontwikkeling, met inbegrip van de activiteiten van de relevante financiële instrumenten;

3. wetgeving

(a) op veterinair en fytosanitair gebied en inzake diervoeding, voorzover deze maatregelen niet gericht zijn op bescherming tegen risico's voor de gezondheid van de mens,

(b) inzake dierhouderij en het welzijn van dieren;

4. verbetering van de kwaliteit van landbouwproducten;

5. voorziening van basislandbouwproducten;

6. het Communautair Bureau voor plantenrassen;

7. bosbouw.

XIV. Commissie visserij

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de werking en ontwikkeling van het gemeenschappelijk visserijbeleid en het beheer daarvan;

2. instandhouding van de visbestanden;

3. de gemeenschappelijke ordening van de markt in de sector visserijproducten;

4. het structuurbeleid in de sector visserij en aquacultuur, met inbegrip van de financieringsinstrumenten oriëntatie visserij;

5. internationale visserijovereenkomsten.

XV. Commissie cultuur en onderwijs

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de culturele aspecten van de Europese Unie, met name

(a) de verbetering van de kennis en verbreiding van cultuur,

(b) de bescherming en bevordering van culturele en taaldiversiteit,

(c) de instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed, culturele uitwisselingen en scheppend werk op artistiek gebied;

2. het onderwijsbeleid van de Unie, waaronder het hoger onderwijs in Europa, en bevordering van het stelsel van Europese scholen en levenslang leren;

3. audiovisueel beleid en de culturele en onderwijsaspecten van de informatiemaatschappij;

4. jeugdbeleid en de ontwikkeling van een sportbeleid en vrijetijdsbeleid;

5. voorlichtings- en mediabeleid;

6. samenwerking met derde landen op het gebied van cultuur en onderwijs, en betrekkingen met relevante internationale organisaties en instellingen.

XVI. Commissie juridische zaken

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de interpretatie en toepassing van het Europees recht, de conformiteit van EU-besluiten met het primaire recht, met name de keuze van rechtsgrondslag en de naleving van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel;

2. de interpretatie en toepassing van het internationaal recht, voorzover dit de Europese Unie betreft;

3. de vereenvoudiging van het Gemeenschapsrecht, met name wetgevingsvoorstellen tot officiële codificatie daarvan;

4. de rechtsbescherming van de rechten en prerogatieven van het Parlement, met inbegrip van interventies van het Parlement in voor het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken;

5. communautaire besluiten die de rechtsorde van de lidstaten raken, met name op het gebied van

(a) civiel recht en handelsrecht,

(b) vennootschapsrecht,

(c) recht inzake intellectuele eigendom,

(d) procesrecht;

6. maatregelen betreffende justitiële en bestuurlijke samenwerking in civiele zaken;

7. aansprakelijkheid voor milieuschade en sancties wegens milieudelicten;

8. ethische vraagstukken in verband met nieuwe technologieën, met toepassing van de procedure met medeverantwoordelijke commissies met de relevante commissies;

9. het Statuut van de leden en het Statuut van het personeel van de Europese Gemeenschappen;

10. voorrechten en immuniteiten, en onderzoek van de geloofsbrieven van de leden;

11. de organisatie en het Statuut van het Hof van Justitie;

12. het Harmonisatiebureau voor de interne markt.

XVII. Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de bescherming, op het grondgebied van de Unie, van de rechten van de burger, mensenrechten en grondrechten, met inbegrip van de bescherming van minderheden, als verankerd in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

2. maatregelen ter bestrijding van alle vormen van discriminatie, behalve van discriminatie op grond van geslacht, op het werk en op de arbeidsmarkt;

3. wetgeving inzake transparantie en de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens;

4. de totstandbrenging en ontwikkeling van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, met name

(a) maatregelen betreffende de binnenkomst en het verkeer van personen, asiel en migratie,

(b) maatregelen betreffende een geïntegreerd beheer van de gemeenschappelijke buitengrenzen,

(c) maatregelen betreffende politiële en justitiële samenwerking in strafzaken;

5. het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat, Europol, Eurojust, de Europese Politieacademie (EPA) en andere organen en agentschappen op dit gebied;

6. de vaststelling van een duidelijk gevaar van ernstige schending, door een lidstaat, van de beginselen welke de lidstaten gemeen hebben.

XVIII. Commissie constitutionele zaken

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de institutionele aspecten van het Europese integratieproces, met name in het kader van de voorbereiding en het verloop van conventies en intergouvernementele conferenties;

2. de tenuitvoerlegging van het EU-Verdrag en de evaluatie van de werking ervan;

3. de institutionele gevolgen van de uitbreidingsonderhandelingen van de Unie;

4. interinstitutionele betrekkingen, met inbegrip van de beoordeling van interinstitutionele akkoorden als bedoeld in artikel 120, lid 2 van het Reglement, met het oog op goedkeuring ervan door het Parlement;

5. eenvormige verkiezingsprocedure;

6. Europese politieke partijen, onverminderd de bevoegdheden van het Bureau;

7. de vaststelling van een ernstige en voortdurende schending, door een lidstaat, van de beginselen welke de lidstaten gemeen hebben;

8. de interpretatie en toepassing van het Reglement en voorstellen tot wijziging daarvan.

XIX. Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

Deze commissie is bevoegd voor:

1. de definiëring, bevordering en bescherming van de rechten van de vrouw in de Unie en daarmee samenhangende maatregelen van de Gemeenschap;

2. bevordering van de rechten van de vrouw in derde landen;

3. beleid gericht op de bewerkstelliging van gelijke kansen, waaronder gelijkheid van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft;

4. de afschaffing van alle vormen van discriminatie op grond van geslacht;

5. de toepassing en verdere ontwikkeling van gender mainstreaming in alle beleidssectoren;

6. de follow-up en uitvoering van internationale overeenkomsten en verdragen die van belang zijn voor de rechten van de vrouw;

7. het voorlichtingsbeleid ten behoeve van vrouwen.

XX. Commissie verzoekschriften

Deze commissie is bevoegd voor:

1. verzoekschriften;

2. betrekkingen met de Europese Ombudsman."

3.   besluit dat dit besluit in werking zal treden op de eerste dag van de eerste vergaderperiode van de zevende zittingsperiode;

4.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.


Interparlementaire delegaties, delegaties in gemengde parlementaire commissies, delegaties in parlementaire samenwerkingscommissies en multilaterale parlementaire vergaderingen
PDF 132kWORD 43k
Besluit van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het aantal interparlementaire delegaties, delegaties in gemengde parlementaire commissies, delegaties in parlementaire samenwerkingscommissies en multilaterale parlementaire vergaderingen
P6_TA(2009)0349B6-0268/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Conferentie van voorzitters,

–   gelet op de artikelen 188 en 190 van zijn Reglement,

–   gelet op de associatie- en samenwerkingsovereenkomsten en de andere overeenkomsten die de Unie met niet-EU-landen heeft gesloten,

–   erop bedacht om via een permanente interparlementaire dialoog de parlementaire democratie te versterken,

1.   besluit het aantal delegaties en hun regionale groeperingen als volgt vast te stellen:

a) Europa, Westelijke Balkan en Turkije

Delegaties in de:

– Gemengde Parlementaire Commissie EU-Kroatië

– Gemengde Parlementaire Commissie EU-Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

– Gemengde Parlementaire Commissie EU-Turkije

Delegatie voor de betrekkingen met Zwitserland, IJsland en Noorwegen en in de Gemengde Parlementaire Commissie voor de Europese Economische Ruimte (EER)

Delegatie voor de betrekkingen met Albanië, Bosnië-Herzegovina, Servië, Montenegro en Kosovo

b) Rusland, landen van het Oostelijk Partnerschap, Centraal-Azië en Mongolië

Delegatie in de parlementaire samenwerkingscommissie EU-Rusland

Delegatie in de parlementaire samenwerkingscommissie EU-Oekraïne

Delegatie in de parlementaire samenwerkingscommissie EU-Moldavië

Delegatie voor de betrekkingen met Wit-Rusland

Delegatie in de parlementaire samenwerkingscommissies EU-Armenië, EU-Azerbeidzjan en EU-Georgië

Delegatie in de parlementaire samenwerkingscommissies EU-Kazachstan, EU-Kirgizstan en EU-Oezbekistan, en voor de betrekkingen met Tadzjikistan, Turkmenistan en Mongolië

c) Maghreb, Masjrak, Israël en Palestina

Delegaties voor de betrekkingen met:

– Israël

– de Palestijnse Wetgevende Raad

– de Maghreblanden en de Unie van de Arabische Maghreb

– de Masjraklanden

d) Het Arabisch Schiereiland, Irak en Iran

Delegaties voor de betrekkingen met:

– het Arabisch schiereiland

– Irak

– Iran

e) Amerika

Delegaties voor de betrekkingen met:

– de Verenigde Staten

– Canada

– de landen in Midden-Amerika

– de landen van de Andes-Gemeenschap

– Mercosur

Delegatie in de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Mexico

Delegatie in de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Chili

f) Azië/Stille Oceaan

Delegaties voor de betrekkingen met:

– Japan

– de Volksrepubliek China

– India

– Afghanistan

– de Zuid-Aziatische landen

– de Zuidoost-Aziatische landen en de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN)

– het Koreaanse schiereiland

– Australië en Nieuw-Zeeland

g) Afrika

Delegaties voor de betrekkingen met:

− Zuid-Afrika

− het Pan-Afrikaanse Parlement

h) Multilaterale vergaderingen

Delegatie in de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU

Delegatie in de Euromediterrane Parlementaire Vergadering

Delegatie in de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering

Delegatie in de Parlementaire Vergadering Euronest

Delegatie voor de betrekkingen met de Parlementaire Vergadering van de NAVO

(die zal bestaan uit leden van de Subcommissie veiligheid en defensie);

2 a) besluit dat de EPO-commissies uitsluitend samengesteld zullen zijn uit leden van de Commissie internationale handel en de Commissie ontwikkelingssamenwerking − met waarborgen betreffende de leidende rol van de Commissie internationale handel als commissie ten principale − en dat zij hun werkzaamheden actief moeten coördineren met de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU;

b) besluit dat de Parlementaire Vergaderingen Euromed, Eurolat en Euronest uitsluitend samengesteld zullen zijn uit leden van de bilaterale of subregionale delegaties van elke Vergadering;

3.   herinnert aan het besluit van de Conferentie van voorzitters een Parlementaire Vergadering Euronest op te richten, samengesteld uit vertegenwoordigers van het Europees Parlement en de parlementen van de Oekraïne, Moldavië, Wit-Rusland, Armenië, Azerbeidzjan en Georgië; besluit ten aanzien van Wit-Rusland dat de Conferentie van voorzitters voorstellen zal indienen voor een vertegenwoordiging van Wit-Rusland in de Parlementaire Vergadering Euronest;

4.   besluit dat de Conferentie van delegatievoorzitters een ontwerp van jaarrooster van vergaderingen zal opstellen en dat de Conferentie van voorzitters, na raadpleging van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie internationale handel, dit vergaderrooster zal goedkeuren, met dien verstande evenwel dat de Conferentie van voorzitters naar gelang van de politieke ontwikkelingen het rooster kan wijzigen;

5.   besluit dat de fracties en de niet-ingeschreven leden voor elk soort delegatie een aantal vaste plaatsvervangers zullen aanwijzen dat niet groter mag zijn dan het aantal vaste leden die de fracties en de niet-ingeschreven leden vertegenwoordigen;

6.   besluit de samenwerking met en de raadpleging van de commissies die bij de werkzaamheden van de delegaties betrokken zijn, te intensiveren door in de gebruikelijke vergaderplaatsen gezamenlijke vergaderingen van deze organen te beleggen;

7.   zal er in de praktijk tevens naar streven dat een of meerdere rapporteurs/voorzitters van de commissies eveneens aan de werkzaamheden van de delegaties, parlementaire samenwerkingscommissies, gemengde parlementaire commissies en multilaterale parlementaire vergaderingen mogen deelnemen; en besluit dat de Voorzitter op gezamenlijk verzoek van de voorzitters van de betrokken delegaties en parlementaire commissies zijn toestemming voor dergelijke missies zal verlenen;

8.   besluit dat dit besluit in werking zal treden tijdens de eerste vergaderperiode van de zevende zittingsperiode;

9.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Intrekking van een richtlijn en van 11 achterhaalde beschikkingen en besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid *
PDF 189kWORD 29k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een beschikking van de Raad tot intrekking van Richtlijn 83/515/EEG en van 11 achterhaalde beschikkingen en besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2009)0088 – C6-0094/2009 – 2009/0022(CNS))
P6_TA(2009)0350A6-0203/2009

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2009)0088),

–   gelet op artikel 37 en artikel 300, leden 2 en 3, eerste alinea van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0094/2009),

–   gelet op artikel 51 en artikel 43, lid 1 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0203/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

4.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Intrekking van 14 achterhaalde verordeningen op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid *
PDF 189kWORD 29k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot intrekking van 14 achterhaalde verordeningen op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2009)0089 – C6-0095/2009 – 2009/0024(CNS))
P6_TA(2009)0351A6-0202/2009

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2009)0089),

–   gelet op artikel 37 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0095/2009),

–   gelet op artikel 51 en artikel 43, lid 1, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0202/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

4.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) *
PDF 431kWORD 112k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1698/2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (COM(2009)0038 – C6-0051/2009 – 2009/0011(CNS))
P6_TA(2009)0352A6-0259/2009

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2009)0038),

–   gelet op de artikelen 36 en 37 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0051/2009),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0259/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   erkent dat er onzekerheden bestaan wat betreft de beschikbaarheid van marges binnen rubriek 2; beklemtoont dat de financiering van het economisch herstelplan toekomstige behoeften in deze uitgavencategorie niet in gevaar mag brengen; spreekt zijn voorkeur uit voor het gebruik van marges van begrotingsjaren die aflopen;

3.   wijst erop dat het jaarlijks bedrag wordt vastgesteld tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure, overeenkomstig de bepalingen in punt 38 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006(1);

4.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

5.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

6.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

7.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  De financiering van het Europees economisch herstelplan moet geschieden overeenkomstig de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer1.
____________
1PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 1 ter (nieuw)
(1 ter)  De huidige marges in rubriek 2 mogen niet als vanzelfsprekend worden beschouwd en geen enkel akkoord over het economisch herstelplan mag toekomstige behoeften in welke uitgavencategorie dan ook in gevaar brengen.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 2
(2)  Van bovengenoemd bedrag wordt 1,5 miljard euro via het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) ter beschikking gesteld van alle lidstaten voor de ontwikkeling van breedbandinternet in plattelandsgebieden en als extra steun om in te spelen op de prioritaire doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 16 bis, lid 1, onder a) tot en met f), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (hierna "de nieuwe uitdagingen" genoemd).
(2)  Van bovengenoemd bedrag wordt 1 020 miljoen EUR via het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) ter beschikking gesteld van alle lidstaten voor de ontwikkeling van breedbandinternet in plattelandsgebieden en als extra steun om in te spelen op de prioritaire doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 16 bis, lid 1, onder a) tot en met f), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (hierna "de nieuwe uitdagingen" genoemd). Van dit bedrag moet 850 miljoen EUR in 2009 beschikbaar zijn, terwijl 170 miljoen EUR via een compensatiemechanisme in het kader van het overleg over de begroting 2010 moet worden gewaarborgd en in 2010 beschikbaar moet zijn.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  De begrotingsautoriteit heeft de begrotingslijn voor plattelandsontwikkeling voor 2009 met 249 840 000 miljoen EUR verhoogd. Deze bijkomende kredieten moeten beschikbaar worden gesteld voor maatregelen in het kader van het Europees economisch herstelplan die uit het ELFPO worden gefinancierd.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 4
(4)  Om erop toe te zien dat het aan elke lidstaat toegewezen deel van de aanvullende communautaire bijdrage wordt aangewend in overeenstemming met de doelstellingen van de twee beleidspakketten (nieuwe uitdagingen en breedbandinternet), moeten de lidstaten in hun nationaal strategisch plan het indicatieve bedrag vermelden dat overeenkomt met het bedrag van de verplichte modulatie, vermeerderd met de ongebruikte middelen die worden gegenereerd krachtens artikel 136 van Verordening (EG) nr. …, en met de verhoging van het totaalbedrag van de vastleggingskredieten zoals vastgesteld bij Besluit 2006/493/EG van de Raad, gewijzigd bij Besluit …. Deze bedragen worden aangewend voor de verbetering van de breedbandinternetinfrastructuur in plattelandsgebieden enerzijds en voor de nieuwe uitdagingen anderzijds.
(4)  Om erop toe te zien dat het aan elke lidstaat toegewezen deel van de aanvullende communautaire bijdrage wordt aangewend in overeenstemming met de doelstellingen van de twee beleidspakketten (nieuwe uitdagingen en breedbandinternet), moeten de lidstaten in hun nationaal strategisch plan het indicatieve bedrag vermelden dat overeenkomt met het bedrag van de verplichte modulatie, vermeerderd met de ongebruikte middelen die worden gegenereerd krachtens artikel 136 van Verordening (EG) nr. …, en met de verhoging van het totaalbedrag van de vastleggingskredieten zoals vastgesteld bij Besluit 2006/493/EG van de Raad, gewijzigd bij Besluit …. Deze bedragen worden aangewend voor de verbetering van de breedbandinternetinfrastructuur in plattelandsgebieden, voor de nieuwe uitdagingen en voor andere maatregelen die erop gericht zijn de fondsen maximaal te benutten en nieuwe banen te scheppen.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Om de benutting van hun programma's te verbeteren, kunnen de lidstaten de extra middelen aanwenden voor een fonds voor leningen en kredietgaranties.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 6
(6)  In de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2008 wordt verklaard dat de Europese Raad in het bijzonder zijn steun verleent aan het idee dat in het kader van het Europees economisch herstelplan de ontwikkeling van het hogesnelheidsinternet wordt gestimuleerd, ook in in dat opzicht slecht voorziene gebieden. Omdat de toegang tot internet in plattelandsgebieden vaak ontoereikend is, moet de steun voor breedbandinfrastructuur op het platteland worden opgedreven via de steunverlening in het kader van het ELFPO. Gezien het belang van deze prioriteit moeten de lidstaten de daarmee samenhangende concrete acties tegen eind 2009 in hun programma opnemen. Een lijst van soorten concrete acties op het gebied van breedbandinfrastructuur moet worden vastgesteld als hulpmiddel voor de lidstaten bij het identificeren van de ter zake relevante maatregelen binnen het rechtskader voor plattelandsontwikkeling.
(6)  In de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2008 wordt verklaard dat de Europese Raad in het bijzonder zijn steun verleent aan het idee dat in het kader van het Europees economisch herstelplan de ontwikkeling van het hogesnelheidsinternet wordt gestimuleerd, ook in in dat opzicht slecht voorziene gebieden. Omdat de toegang tot internet in plattelandsgebieden vaak ontoereikend is, moet de steun voor breedbandinfrastructuur en bijbehorende installaties op het platteland worden opgedreven via de steunverlening in het kader van het ELFPO. Gezien het belang van deze prioriteit moeten de lidstaten de daarmee samenhangende concrete acties tegen eind 2009 in hun programma opnemen. Een lijst van soorten concrete acties op het gebied van breedbandinfrastructuur en -voorzieningen moet worden vastgesteld als hulpmiddel voor de lidstaten bij het identificeren van de ter zake relevante maatregelen binnen het rechtskader voor plattelandsontwikkeling.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 10
(10)  In de plattelandsgebieden is er vaak een tekort aan breedbandinfrastructuur, zowel kleinschalig als grootschalig. Dit laatste aspect kan van cruciaal belang zijn voor de dienstverlening in minder toegankelijke plattelandsgebieden. Om de beschikbare middelen optimaal te benutten en een aanzienlijke ontwikkeling van breedbandinternet op het platteland mogelijk te maken, moeten alle daarvoor vereiste concrete acties subsidiabel zijn, ongeacht de omvang van de betrokken infrastructuur. De bestaande beperking inzake omvang van de basisvoorzieningen voor de plattelandseconomie en –bevolking mag derhalve niet gelden voor de concrete acties met betrekking tot breedbandinfrastructuur.
(10)  In de plattelandsgebieden is er vaak een tekort aan breedbandinfrastructuur, zowel kleinschalig als grootschalig. Dit laatste aspect is van cruciaal belang voor de dienstverlening in minder toegankelijke plattelandsgebieden, zoals berggebieden en insulaire gebieden. Om de beschikbare middelen en de bestaande infrastructuur optimaal te benutten en een aanzienlijke ontwikkeling van breedbandinternet en voorzieningen op het platteland mogelijk te maken, moeten alle daarvoor vereiste concrete acties subsidiabel zijn, ongeacht de omvang van de betrokken actieve of passieve infrastructuur of een deel ervan. De bestaande beperking inzake omvang van de basisvoorzieningen voor de plattelandseconomie en –bevolking mag derhalve niet gelden voor de concrete acties met betrekking tot breedbandinfrastructuur.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)  Gezien de noodzaak om snel te reageren op de huidige economische crisis, dienen betalingen in het begrotingsjaar 2009 te kunnen plaatsvinden.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat voor de regionale en lokale autoriteiten en mogelijke begunstigden specifieke informatie beschikbaar is over de nieuwe kansen die worden geboden door de herziene programma's voor plattelandsontwikkeling.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)  Er moeten speciale maatregelen worden getroffen om te voorzien in onderwijs- en opleidingscursussen gericht op het gebruik van breedbandinfrastructuur en -voorzieningen in plattelandsgemeenschappen, waarbij speciale aandacht dient te worden besteed aan beroepsopleiding van landbouwspecialisten, wier praktische vaardigheden dan kunnen worden gebruikt. Stimulering van de onderzoekssector moet in dat opzicht als prioritair worden beschouwd.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 16 bis – lid 1 – letter g
g) breedbandinternetinfrastructuur in plattelandsgebieden.
g) breedbandinternetinfrastructuur in plattelandsgebieden en voorzieningen voor openbare internettoegang in plattelandsgemeenschappen;
Amendement 13
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 16 bis – lid 1 – letter g bis (nieuw)
g bis) beheer van de gevolgen van de economische crisis voor de landbouw, met name ter ondersteuning van infrastructuur en netwerkvorming voor producenten en organisaties;
Amendement 14
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 16 bis – lid 1 – letter g ter (nieuw)
g ter) maatregelen die gericht zijn op het behouden of creëren van nieuwe banen op het platteland;
Amendement 15
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 16 bis – lid 1 – letter g quater (nieuw)
g quater) steunmaatregelen ten behoeve van jonge landbouwers.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 16 bis – lid 3 - letter b
b) een tabel met, voor de periode 1 januari 2009 – 31 december 2013, de totale communautaire bijdrage voor de in lid 1, onder a) tot en met f), bedoelde soorten concrete acties en de communautaire bijdrage voor de in lid 1, onder g), bedoelde soorten concrete acties.
b) een tabel met, voor de periode 1 januari 2009 – 31 december 2013, de totale communautaire bijdrage voor de in lid 1, onder a) tot en met f) en g bis) tot en met g quater), bedoelde soorten concrete acties en de communautaire bijdrage voor de in lid 1, onder g), bedoelde soorten concrete acties.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6 – letter a
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 69 – lid 2 bis
"2 bis. Het deel van het in lid 1 van dit artikel bedoelde bedrag dat voortvloeit uit de verhoging van het totaalbedrag van de vastleggingskredieten zoals vastgesteld bij Besluit 2006/493/EG van de Raad, gewijzigd bij Besluit …, wordt beschikbaar gesteld met ingang van 1 januari 2009. Het wordt aangewend voor de soorten concrete acties die verband houden met de in artikel 16 bis, lid 1, vastgestelde prioriteiten en wordt als volgt besteed:
"2 bis. Het deel van het in lid 1 van dit artikel bedoelde bedrag dat voortvloeit uit de verhoging van het totaalbedrag van de vastleggingskredieten zoals vastgesteld bij Besluit 2006/493/EG van de Raad, gewijzigd bij Besluit ..., evenals het bedrag van 249 840 000 EUR waarmee post 05 04 05 01 in het begrotingsjaar 2009 werd verhoogd, worden beschikbaar gesteld met ingang van 1 januari 2009. Zij worden aangewend voor de soorten concrete acties die verband houden met de in artikel 16 bis, lid 1, vastgestelde prioriteiten."
a) een derde (0,5 miljard euro) voor soorten concrete acties in verband met de in artikel 16 bis, lid 1, onder a) tot en met f), vastgestelde prioriteiten;
b) twee derde (1 miljard euro) voor soorten concrete acties in verband met de in artikel 16 bis, lid 1, onder g), vastgestelde prioriteit."
Amendement 18
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 69 – lid 4 − alinea 1 bis (nieuw)
a bis) aan lid 4 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"Ten aanzien van het in lid 2 bis, onder b), genoemde bedrag houdt de Commissie rekening met de verschillen in bestaande breedbanddekking in de lidstaten, met name in gebieden waar de toegang moeilijk is, en met de verschillende behoeften die daaruit voortvloeien."
Amendement 19
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6 – letter b
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 69 – lid 5 bis – alinea 1 bis (nieuw)
In het verslag over plattelandsontwikkeling dat de Commissie jaarlijks voorlegt moet een apart hoofdstuk zijn gewijd aan toezichtsoperaties in verband met de in artikel 16 bis, lid 1, onder g), genoemde prioriteiten.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6 – letter b
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 69 – lid 5 ter
5 ter.  Indien aan het einde van de looptijd van het programma het werkelijke bedrag van de communautaire bijdrage aan de in artikel 16 bis, lid 1, bedoelde concrete acties kleiner is dan het totaal van de in artikel 5 bis van het onderhavige artikel bedoelde bedragen, stort de lidstaat een deel van het resterende bedrag, dat ten hoogste overeenkomt met het bedrag waarmee de beschikbare toewijzingen voor andere dan in artikel 16 bis, lid 1, bedoelde concrete acties zijn overschreden, terug in de begroting van de Europese Gemeenschappen.
5 ter.  Indien aan het einde van de looptijd van het programma het werkelijke bedrag van de communautaire bijdrage aan de in artikel 16 bis, lid 1, bedoelde concrete acties kleiner is dan het totaal van de in artikel 5 bis van het onderhavige artikel bedoelde bedragen, neemt de lidstaat een deel van het resterende bedrag, dat ten hoogste overeenkomt met het bedrag waarmee de beschikbare toewijzingen voor andere dan in artikel 16 bis, lid 1, bedoelde concrete acties zijn overschreden, op in zijn eigen begroting voor plattelandsontwikkeling.
Indien aan het einde van de looptijd van het programma het werkelijke bedrag van de communautaire bijdrage aan de in artikel 16 bis, lid 1, onder a) tot en met f), bedoelde concrete acties kleiner is dan het in artikel 5 bis van het onderhavige artikel bedoelde bedrag voor deze soorten concrete acties, stort de lidstaat bovendien een deel van het resterende bedrag, dat ten hoogste overeenkomt met het bedrag waarmee de beschikbare toewijzingen voor de in artikel 16 bis, lid 1, onder g), bedoelde concrete acties zijn overschreden, terug in de begroting van de Europese Gemeenschappen. Indien evenwel het werkelijke bedrag van de communautaire bijdrage aan andere dan de in artikel 16 bis, lid 1, bedoelde concrete acties, kleiner is dan de door deze soorten concrete acties beschikbare toewijzingen, wordt het terug te storten bedrag verminderd met dat verschil.
Indien aan het einde van de looptijd van het programma het werkelijke bedrag van de communautaire bijdrage aan de in artikel 16 bis, lid 1, onder g), bedoelde concrete acties kleiner is dan het in artikel 5 bis van het onderhavige artikel bedoelde bedrag voor deze soorten concrete acties, stort de lidstaat eveneens een deel van het resterende bedrag, dat ten hoogste overeenkomt met het bedrag waarmee de beschikbare toewijzingen voor de in artikel 16 bis, lid 1, onder a) tot en met f), bedoelde concrete acties zijn overschreden, terug in de begroting van de Europese Gemeenschappen. Indien evenwel het werkelijke bedrag van de communautaire bijdrage aan andere dan de in artikel 16 bis, lid 1, bedoelde concrete acties, kleiner is dan de door deze soorten concrete acties beschikbare toewijzingen, wordt het terug te storten bedrag verminderd met dat verschil.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6 – letter b bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 69 – lid 6 bis (nieuw)
b bis) het volgende lid wordt toegevoegd:
"6 bis. Van het in lid 2 bis genoemde bedrag wordt 250 miljoen EUR beschikbaar gesteld voor betalingen in het begrotingsjaar 2009."
Amendement 22
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 6 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 69 bis (nieuw)
(6 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 69 bis
Fonds voor leningen en kredietgaranties
Niettegenstaande de bepalingen van artikel 69 kunnen de lidstaten het in artikel 69, lid 2 bis, genoemde bedrag aanwenden voor een fonds voor leningen en kredietgaranties. Voor de tenuitvoerlegging van dit artikel zijn de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)1, en in het bijzonder de artikelen 50, 51 en 52 daarvan, van toepassing.
_________
1PB L 368 van 23.12.2006, blz. 15."
Amendement 23
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 70 – lid 4 – alinea 2
"In afwijking van de in lid 3 vastgestelde maxima, mag de bijdrage uit het ELFPO worden verhoogd tot 90% in convergentiegebieden en tot 75% in niet-convergentiegebieden voor concrete acties van de in artikel 16 bis, lid 1, van deze verordening bedoelde soorten, met als maximum het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de verplichte modulatie op grond van artikel 9, lid 4, en artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. ..., vermeerderd met het in artikel 69, lid 2 bis, van de onderhavige verordening bedoelde bedrag en, met ingang van 2011, met de bedragen die worden gegenereerd krachtens artikel 136 van Verordening (EG) nr. ...";
"In afwijking van de in lid 3 vastgestelde maxima, mag de bijdrage uit het ELFPO worden verhoogd tot 100% in convergentiegebieden en tot 75% in niet-convergentiegebieden voor concrete acties van de in artikel 16 bis, lid 1, van deze verordening bedoelde soorten, met als maximum het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de verplichte modulatie op grond van artikel 9, lid 4, en artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. ..., vermeerderd met het in artikel 69, lid 2 bis, van de onderhavige verordening bedoelde bedrag en, met ingang van 2011, met de bedragen die worden gegenereerd krachtens artikel 136 van Verordening (EG) nr. ...";
Amendement 24
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 8 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Artikel 76 – lid 2 bis (nieuw)
(8 bis)  Aan artikel 76 wordt het volgende lid toegevoegd:
"2 bis. De lidstaten dienen specifieke informatie te verschaffen over de in artikel 16 bis genoemde nieuwe prioriteiten. Deze informatie dient te worden verstrekt aan regionale en lokale autoriteiten en mogelijke begunstigden van de maatregelen."
Amendement 25
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Bijlage
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Bijlage III ‐ Titel
Lijst van soorten concrete acties in verband met de in artikel 16 bis, lid 1, onder g), bedoelde prioriteit
Indicatieve lijst van soorten concrete acties in verband met de in artikel 16 bis, lid 1, onder g), bedoelde prioriteit
Amendement 26
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Bijlage
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Bijlage III – kolom 1 – regel 1
Totstandbrenging van nieuwe breedbandinfrastructuur, met name omleidingsvoorzieningen (bv. vaste systemen, terrestrische draadloze systemen, satellietsystemen of combinaties daarvan)
Totstandbrenging van nieuwe breedbandinfrastructuur, met name omleidingsvoorzieningen en grondapparatuur (bijv. vaste systemen, terrestrische draadloze systemen, satellietsystemen of combinaties daarvan), en andere noodzakelijke soorten steun (zoals installatie en onderhoud)
Amendement 27
Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit
Bijlage
Verordening (EG) nr. 1698/2005
Bijlage III – regel 3 bis (nieuw)
Het publiek toegang verschaffen tot breedbandvoorzieningen
Artikel 56: basisdiensten voor de plattelandseconomie en -bevolking

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Wijziging van het Reglement (verzoekschriftenprocedure)
PDF 226kWORD 81k
Besluit van het Europees Parlement van 6 mei 2009 tot wijziging van het Reglement van het Europees Parlement met betrekking tot de verzoekschriftenprocedure (2006/2209(REG))
P6_TA(2009)0353A6-0027/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien het schrijven van zijn Voorzitter van 20 juli 2006,

–   gelet op de artikelen 201 en 202 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie verzoekschriften (A6-0027/2009),

1.   besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.   wijst erop dat deze wijziging op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treedt, met uitzondering van de wijziging inzake artikel 193 bis (nieuw), die in werking zal treden op de eerste dag na de inwerkingtreding van de desbetreffende Verdragsbepaling;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendement
Amendement 1
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 191 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Wanneer een verzoekschrift ondertekend is door verscheidene natuurlijke of rechtspersonen, wijzen de ondertekenaars een vertegenwoordiger en plaatsvervangende vertegenwoordigers aan die voor de toepassing van het bepaalde in deze titel van het Reglement als de indieners worden beschouwd.
Wanneer geen vertegenwoordiger is aangewezen wordt de eerste ondertekenaar of een andere geschikte persoon als de indiener beschouwd.
Amendement 2
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 191 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Elke indiener kan op elk moment zijn steun voor het verzoekschrift intrekken.
Wanneer alle indieners hun steun voor het verzoekschrift hebben ingetrokken komt het verzoekschrift te vervallen.
Amendement 3
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 191 – lid 3
3.  De verzoekschriften dienen in één van de officiële talen van de Europese Unie te zijn opgesteld.
3.  De verzoekschriften dienen gesteld te zijn in een officiële taal van de Europese Unie.
Verzoekschriften die in een andere taal zijn gesteld, worden alleen in behandeling genomen als de indiener een in een officiële taal van de Europese Unie gestelde vertaling of samenvatting heeft bijgevoegd. Bij de behandeling door het Parlement wordt uitgegaan van deze vertaling resp. samenvatting. De briefwisseling van het Parlement met de indiener van het verzoekschrift wordt gevoerd in de officiële taal waarin de vertaling resp. samenvatting is gesteld.
Verzoekschriften die in een andere taal gesteld zijn, worden alleen in behandeling genomen als de indiener een in een officiële taal gestelde vertaling heeft bijgevoegd. De briefwisseling van het Parlement met de indiener van het verzoekschrift wordt gevoerd in de officiële taal waarin de vertaling is gesteld.
Het Bureau kan besluiten dat verzoekschriften en correspondentie met indieners in andere in een lidstaat gebruikte talen gesteld kunnen zijn.
Amendement 4
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 191 – lid 5
5.  De in het algemeen register ingeschreven verzoekschriften worden door de Voorzitter naar de bevoegde commissie verwezen, die moet onderzoeken of zij binnen het kader van de werkzaamheden van de Europese Unie vallen.
5.  De in het algemeen register ingeschreven verzoekschriften worden door de Voorzitter naar de bevoegde commissie verwezen, die vaststelt of het verzoekschrift al dan niet ontvankelijk is overeenkomstig artikel 194 van het EG-Verdrag.
Wanneer de bevoegde commissie niet tot overeenstemming komt over de ontvankelijkheid van het verzoekschrift, wordt het ontvankelijk verklaard als ten minste een vierde van de leden van de commissie daarom verzoekt.
Amendement 5
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 191 – lid 6
6.  De door de commissie niet ontvankelijk verklaarde verzoekschriften worden ter zijde gelegd; de indiener van het verzoekschrift wordt met opgave van redenen hiervan in kennis gesteld.
6.  De door de commissie niet ontvankelijk verklaarde verzoekschriften worden ter zijde gelegd; de indiener van het verzoekschrift wordt met opgave van redenen hiervan in kennis gesteld. Eventueel kunnen alternatieve verhaalmiddelen worden aanbevolen.
Amendement 6
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 191 – lid 7
7.  In dat geval kan de commissie de indiener aanbevelen zich tot de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat of van de Europese Unie te wenden.
Schrappen
Amendement 7
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 191 – lid 8
8.  Wordt door de indiener niet om vertrouwelijke behandeling van het verzoekschrift verzocht, dan wordt het ingeschreven in een openbaar register.
8.  Verzoekschriften die geregistreerd zijn worden in de regel openbare documenten. Om redenen van transparantie mag het Parlement de naam van de indiener en de inhoud van het verzoekschrift publiceren.
Amendement 8
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 191 – lid 8 bis (nieuw)
8 bis.  Onverminderd het bepaalde in lid 9 kunnen indieners verzoeken hun naam niet te publiceren ter bescherming van hun privacy, in welk geval het Parlement dit verzoek dient in te willigen.
Wanneer de klacht van de indiener om redenen van anonimiteit niet kan worden behandeld, wordt de indiener geraadpleegd over de vraag welke verdere stappen moeten worden ondernomen.
Amendement 9
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 191 – lid 8 ter (nieuw)
8 ter.  Indieners kunnen om vertrouwelijke behandeling van hun verzoekschrift verzoeken, in welk geval het Parlement passende voorzorgsmaatregelen treft om ervoor te zorgen dat de inhoud niet openbaar wordt gemaakt. De indieners worden op de hoogte gebracht van de precieze voorwaarden waaronder deze bepaling van toepassing is.
Amendement 10
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 192 – lid -1 (nieuw)
-1.  Ontvankelijke verzoekschriften worden door de ter zake bevoegde commissie behandeld in het kader van haar normale activiteiten, ofwel met een discussie op een gewone vergadering, ofwel per schriftelijke procedure. Indieners kunnen worden uitgenodigd deel te nemen aan de vergaderingen van de commissie waarop hun verzoekschrift zal worden besproken; zij kunnen ook zelf verzoeken op de vergadering aanwezig te mogen zijn. De voorzitter bepaalt of de indieners het woord mogen voeren.
Amendement 11
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 192 – lid 1
1.  De bevoegde commissie kan besluiten om over de door haar ontvankelijk verklaarde verzoekschriften verslagen op te stellen of anderszins een standpunt in te nemen.
1.  De commissie kan besluiten om over een ontvankelijk verklaard verzoekschrift een initiatiefverslag overeenkomstig artikel 45, lid 1, op te stellen of een beknopte ontwerpresolutie aan het Parlement voor te leggen, tenzij de Conferentie van voorzitters hiertegen bezwaar maakt. Deze ontwerpresoluties worden ingeschreven op de ontwerpagenda van de vergaderperiode die uiterlijk acht weken na de goedkeuring in de commissie wordt gehouden. Zij worden bij een enkele stemming en zonder debat in stemming gebracht, tenzij de Conferentie van voorzitters bij wijze van uitzondering besluit artikel 131 bis toe te passen.
De commissie kan, in het bijzonder voor verzoekschriften waarmee een wijziging van het geldende recht wordt beoogd, overeenkomstig artikel 46 het advies van een andere commissie inwinnen.
De commissie kan, overeenkomstig artikel 46 en bijlage VI, het advies inwinnen van andere commissies die voor het betrokken onderwerp bevoegd zijn.
Amendement 12
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 192 – lid 2
2.  Er wordt een elektronisch register ingesteld, waarin de burgers hun elektronische handtekening kunnen plaatsen onder een ontvankelijk verklaard en in het register ingeschreven verzoekschrift om zich aldus bij de eerste indiener aan te sluiten.
2.  Er wordt een elektronisch register ingesteld, waarin de burgers hun elektronische handtekening kunnen plaatsen onder een ontvankelijk verklaard en in het register ingeschreven verzoekschrift om zich aldus bij de eerste indiener aan te sluiten, of kunnen aangeven dat zij hun steun voor een verzoekschrift intrekken.
Amendement 13
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 192 – lid 3
3.  Voor de behandeling van verzoekschriften of voor de vaststelling van feiten kan de commissie rekwestranten horen, algemene hoorzittingen beleggen of onderscheidenlijk aan leden opdracht geven om ter plaatse de feiten vast te stellen.
3.  Voor het onderzoek van verzoekschriften, de vaststelling van feiten of het zoeken van oplossingen kan de commissie informatiebezoeken aan de bij het verzoekschrift betrokken lidstaat of regio afleggen.
Verslagen van deze bezoeken worden door de deelnemers aan het bezoek opgesteld. Deze worden door de commissie goedgekeurd en aan de Voorzitter toegezonden.
Amendement 14
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 192 – lid 4
4.  Ter voorbereiding van haar advies kan de commissie de Commissie verzoeken, documenten en inlichtingen te verstrekken en toegang te verschaffen tot haar diensten.
4.  De commissie kan de Commissie verzoeken haar bij te staan, met name door haar nadere bijzonderheden met betrekking tot de toepassing of de naleving van het Gemeenschapsrecht te geven en haar alle inlichtingen of documenten van belang voor het verzoekschrift te verstrekken. Vertegenwoordigers van de Commissie worden verzocht aan de vergaderingen van de commissie deel te nemen.
Amendement 15
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 192 – lid 5
5.  De commissie legt eventueel aan het Parlement ontwerpresoluties over de door haar behandelde verzoekschriften voor.
5.  De commissie kan de Voorzitter verzoeken haar advies of aanbeveling voor verdere actie of antwoord toe te zenden aan de Commissie, de Raad of de betrokken nationale autoriteiten.
De commissie kan eveneens verzoeken dat haar advies door de Voorzitter van het Parlement aan de Commissie of aan de Raad wordt toegezonden.
Amendement 16
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 192 – lid 7
7.  De Voorzitter brengt de indieners van de verzoekschriften op de hoogte van de hierover genomen beslissingen en van de motivering ervan.
7.  De indieners worden op de hoogte gebracht van het besluit van de commissie en de daaraan ten grondslag liggende redenen.
Wanneer de behandeling van een ontvankelijk verzoekschrift is afgerond, wordt het als afgesloten aangemerkt en wordt de indiener hiervan op de hoogte gesteld.
Amendement 17
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 193 bis (nieuw)
Artikel 193 bis
Burgerinitiatief
Wanneer het Parlement ervan in kennis wordt gesteld dat de Commissie is verzocht een wetgevingsvoorstel krachtens artikel 11, lid 4, van het EU-Verdrag in te dienen, gaat de Commissie verzoekschriften na of een en ander gevolgen kan hebben voor haar werkzaamheden; in voorkomend geval stelt zij de indieners die verzoekschriften hebben ingediend over hiermee samenhangende onderwerpen, hiervan in kennis.

Wijziging van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006
PDF 313kWORD 84k
Resolutie
Bijlage
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het gewijzigd voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer ten aanzien van het meerjarig financieel kader (2007-2013) (COM(2009)0171 – C6-0508/2008 – 2008/2332(ACI))
P6_TA(2009)0354A6-0278/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien het gewijzigd voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2009)0171),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1) (IIA van 17 mei 2006), en met name op punten 21, 22 en 23 daarvan,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 maart 2009 over de tussentijdse herziening van het financiële kader 2007-2013(2) en zijn resolutie van 10 maart 2009 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2010(3),

–   gezien de conclusies van de trialoog van 2 april 2009,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0278/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de conclusies van de trialoog van 2 april 2009;

2.   legt er de nadruk op dat de overeenkomst die is bereikt over de herziening van het meerjarig financieel kader het resultaat is van een geslaagde interinstitutionele samenwerking als reactie op de financiële en economische crisis in de lidstaten, door de bevordering van solidariteit op het vlak van energiebronnen, de bevordering van breedbandinternet in plattelandsgebieden en steun voor de landbouwsector;

3.   herhaalt dat het Parlement met deze overeenkomst, in zijn dubbele hoedanigheid van wetgever en begrotingsautoriteit, zijn bestaande prioriteiten heeft beschermd, zoals het geval was tijdens de begrotingsprocedure 2008, toen een overeenkomst over de financiering van Galileo werd bereikt;

4.   stemt in met het politieke compromis om een compensatiemechanisme in te voeren, gepland voor de begrotingsprocedure 2010 en, enkel indien nodig, voor de begrotingsprocedure 2011; herhaalt dat het compensatiemechanisme, zoals is aangegeven in de door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 2 april 2009 tijdens de trialoog aangenomen gemeenschappelijke verklaring, de financiële middelen voor de programma's waarvoor de medebeslissingsprocedure geldt en de jaarlijkse begrotingsprocedure onverlet laat en dat het zal worden gefinancierd door alle in het rechtskader van de begroting opgenomen begrotingsmiddelen te benutten;

5.   herhaalt dat tekorten en overschotten nog steeds onopgelost zijn met de uitkomst van de onderhandelingen over het IIA van 17 mei 2006 en dat deze tekorten moeten worden aangepakt bij de tussentijdse herziening 2008-2009, zoals is vastgelegd in verklaring nr. 3 van het IIA van 17 mei 2006, alsook tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedures, indien mogelijk door middel van meer flexibiliteit en in ieder geval door gebruik te maken van alle middelen waarin het IIA van 17 mei 2006 voorziet; herhaalt dat de Commissie, zoals het Parlement heeft aangegeven in zijn eenzijdige verklaring tijdens de trialoog van 2 april 2009, bij de tussentijdse herziening rekening moet houden met de beginselen die zijn vastgelegd in de op 25 maart 2009 door het Parlement aangenomen resolutie;

6.   waarschuwt tegen het regelmatige gebruik van marges onder rubriek 2 om andere rubrieken te financieren, aangezien dit de belangen van de landbouwsector in gevaar kan brengen, ingeval van onverwachte dalingen van de marktprijzen;

7.   betreurt dat de overeenkomst met de Raad slechts twee maanden voor het einde van de zittingsperiode werd bereikt, waardoor er minder ruimte overbleef voor onderhandelingen, en betreurt dat de instellingen hierdoor onder druk kwamen te staan, hoewel dit gebeurde in de gebruikelijke sfeer van loyale samenwerking;

8.   hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

9.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

  10 verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 mei 2009

tot wijziging van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer ten aanzien van het meerjarig financieel kader (2007-2013)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(4), en met name op punt 21, de eerste en tweede alinea van punt 22, en punt 23 daarvan,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op de trialoogbijeenkomst van 2 april 2009 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeenstemming bereikt over de financiering, in het kader van het Europees economisch herstelplan voor de modernisering van infrastructuur en energiesolidariteit, van projecten op het gebied van energie en breedbandinternet, alsook voor de intensivering van de maatregelen die betrekking hebben op de "nieuwe uitdagingen" die in het kader van de evaluatie van de tussentijdse hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van 2003 (de zogeheten "check-up") zijn vastgesteld. Voor de financiering is als eerste stap een herziening vereist van het meerjarig financieel kader 2007-2013 overeenkomstig de punten 21, 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord, om voor het jaar 2009 het maximum voor vastleggingskredieten onder subrubriek 1a te verhogen met een bedrag van 2 000 000 000 EUR in huidige prijzen.

(2)  De stijging van het maximum voor subrubriek 1a wordt volledig gecompenseerd door het maximum voor vastleggingskredieten onder rubriek 2 voor 2009 met 2 000 000 000 EUR te verlagen.

(3)  Om een goede verhouding tussen vastleggingen en betalingen te handhaven, worden de jaarlijkse maxima voor betalingskredieten aangepast. De aanpassing zal neutraal zijn.

(4)  Bijlage I bij het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer moet dan ook als volgt worden gewijzigd(5),

BESLUITEN:

Enig artikel

Bijlage I bij het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer wordt vervangen door de bijlage bij onderhavig besluit.

Gedaan te Straatsburg, 6 mei 2009.

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

FINANCIEEL KADER 2007-2013, HERZIEN IN VERBAND MET HET EUROPEES ECONOMISCH HERSTELPLAN (IN CONSTANTE PRIJZEN VAN 2004)

(in miljoen EUR – constante prijzen van 2004)

VASTLEGGINGSKREDIETEN

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Totaal

2007-2013

1. Duurzame groei

50 865

53 262

55 883

54 860

55 400

56 866

58 256

385 392

1a Concurrentiekracht ter bevordering van groei en werkgelegenheid

8 404

9 595

12 021

11 000

11 306

12 122

12 914

77 362

1b Cohesie ter bevordering van groei en werkgelegenheid

42 461

43 667

43 862

43 860

44 094

44 744

45 342

308 030

2. Instandhouding en beheer van natuurlijke hulpbronnen

51 962

54 685

52 205

53 379

52 528

51 901

51 284

367 944

waarvan: marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betaling

43 120

42 697

42 279

41 864

41 453

41 047

40 645

293 105

3. Burgerschap, vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid

1 199

1 258

1 380

1 503

1 645

1 797

1 988

10 770

3a Vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid

600

690

790

910

1 050

1 200

1 390

6 630

3b Burgerschap

599

568

590

593

595

597

598

4 140

4. De EU als mondiale partner

6 199

6 469

6 739

7 009

7 339

7 679

8 029

49 463

5. Administratie (1)

6 633

6 818

6 973

7 111

7 255

7 400

7 610

49 800

6. Compensaties

419

191

190

0

0

0

0

800

TOTAAL VASTLEGGINGSKREDIETEN

117 277

122 683

123 370

123 862

124 167

125 643

127 167

864 169

als percentage van het bni

1,08%

1,09%

1,07%

1,05%

1,03%

1,02%

1,01%

1,048%

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

115 142

119 805

110 439

119 126

116 552

120 145

119 391

820 600

als percentage van het bni

1,06%

1,06%

0,96%

1,01%

0,97%

0,98%

0,95%

1,00%

Beschikbare marge

0,18%

0,18%

0,28%

0,23%

0,27%

0,26%

0,29%

0,24%

Maximum van de eigen middelen als percentage van het bni

1,24%

1,24%

1,24%

1,24%

1,24%

1,24%

1,24%

1,24%

(1) De pensioenuitgaven die onder het maximum van deze rubriek vallen, zijn berekend zonder de bijdragen van het personeel in de relevante regeling, binnen de grens van 500 miljoen EUR tegen de prijzen van 2004 voor de periode 2007-2013.

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0174.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0095 en 0096.
(4) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(5) Te dien einde zijn uit bovenstaande overeenkomst resulterende cijfers omgerekend naar het prijsniveau van 2004.


Gewijzigde begroting nr. 4/2009
PDF 207kWORD 31k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2009 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2009, afdeling III - Commissie (9126/2009 – C6-0156/2009 – 2009/2039(BUD))
P6_TA(2009)0355A6-0281/2009

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(1) en met name de artikelen 37 en 38 daarvan,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2009, definitief vastgesteld op 18 december 2008(2),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–   gezien het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2009 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2009, ingediend door de Commissie op 8 april 2009 (SEC(2009)0496),

–   gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2009, opgesteld door de Raad op 27 april 2009 (9126/2009 − C6-0156/2009),

–   gelet op artikel 69 van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0281/2009),

A.   overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2009 betrekking heeft op de herziening van de plafonds van de rubrieken 1a en 2 van het meerjarig financieel kader,

B.   overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2009 tot doel heeft deze budgettaire aanpassingen formeel te integreren in de begroting 2009,

1.   neemt kennis van het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2009;

2.   hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2009 zoals ingediend;

3.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(2) PB L 69 van 13.3.2009.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Gewijzigde begroting nr. 5/2009
PDF 207kWORD 31k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2009 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2009, afdeling III - Commissie (9127/2009 – C6-0157/2009 – 2009/2040(BUD))
P6_TA(2009)0356A6-0282/2009

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(1) en met name de artikelen 37 en 38 daarvan,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2009, definitief vastgesteld op 18 december 2008(2),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–   gezien het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2009 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2009, ingediend door de Commissie op 15 april 2009 (COM(2009)0177),

–   gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2009, opgesteld door de Raad op 27 april 2009 (9127/2009 − C6-0157/2009),

–   gelet op artikel 69 van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0282/2009),

A.   overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5 op de algemene begroting 2009 betrekking heeft op het in de begroting opnemen van het overschot van de uitvoering van de begroting 2008,

B.   overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2009 tot doel heeft deze budgettaire aanpassingen formeel te integreren in de begroting 2009,

1.   neemt kennis van het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2009;

2.   hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2009 zoals ingediend;

3.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(2) PB L 69 van 13.3.2009.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Energie-etikettering van televisies
PDF 116kWORD 38k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het ontwerp van richtlijn van de Commissie ter uitvoering en tot wijziging van Richtlijn 92/75/EEG van de Raad wat de etikettering van het energieverbruik van televisietoestellen betreft
P6_TA(2009)0357B6-0260/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien Richtlijn 92/75/EEG van de Raad van 22 september 1992 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaard-productinformatie van huishoudelijke apparaten(1), inzonderheid de artikelen 9 en 12 daarvan,

–   gezien het ontwerp van richtlijn van de Commissie ter uitvoering en tot wijziging van Richtlijn 92/75/EEG van de Raad wat de etikettering van het energieverbruik van televisietoestellen betreft,

–   gezien het advies van 30 maart 2009 van het in artikel 10 van Richtlijn 92/75/EEG bedoelde comité,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2006 getiteld "Actieplan voor energie-efficiëntie – het potentieel realiseren" (COM(2006)0545),

–   gezien het voorstel van de Commissie van 13 november 2008 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaard-productinformatie van energiegerelateerde producten (COM(2008)0778),

–   gezien zijn standpunt van 5 mei 2009 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaard-productinformatie van energiegerelateerde producten (herschikking)(2),

–   gelet op artikel 5 bis, lid 3, letter b), van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(3),

–   gelet op artikel 81, lid 2 en lid 4, letter b), van zijn Reglement,

A.   overwegende dat, overeenkomstig artikel 1 ervan, het belangrijkste doel van Richtlijn 92/75/EEG ('de kaderrichtlijn') erin bestaat "de harmonisatie mogelijk te maken van nationale voorschriften met betrekking tot de bekendmaking, met name door middel van etikettering en verstrekking van productinformatie, van informatie over het energieverbruik en het verbruik van andere belangrijke hulpbronnen, alsmede aanvullende informatie op dat gebied voor bepaalde soorten huishoudelijke apparaten, zodat de consument kan kiezen voor op energiegebied efficiëntere apparaten",

B.   overwegende dat de kaderrichtlijn ook bepaalt dat "de verstrekking van nauwkeurige, zinnige en vergelijkbare informatie over het specifieke energieverbruik van huishoudelijke apparaten het publiek ertoe kan aanzetten te kiezen voor apparaten die minder energie verbruiken",

C.   overwegende dat, zoals blijkt uit de evaluatie van de Commissie bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaard-productinformatie van energiegerelateerde producten (SEC(2008)2862), de oorspronkelijke succesvolle A-G-indeling in tal van landen overal ter wereld navolging heeft gekregen, zoals in Brazilië, China, Argentinië, Chili, Israël en Zuid-Afrika,

D.   overwegende dat televisietoestellen veel energie verbruiken en dat de opneming van deze toestellen in de regeling inzake de etikettering van energieverbruik overeenkomstig artikel 1, lid 2, van de kaderrichtlijn, een aanzienlijk besparingspotentieel inhoudt,

E.   overwegende dat de etikettering van het energieverbruik van televisietoestellen zoveel mogelijk in overeenstemming moet zijn met de bestaande etiketteringsregelingen voor andere huishoudelijke apparaten,

F.   overwegende dat de bovengenoemde mededeling van de Commissie stelt dat de bestaande indeling voor de etikettering "op basis van studies inzake ecologisch ontwerp om de vijf jaar, of wanneer nieuwe technologische ontwikkelingen dit rechtvaardigen, [zal] worden opgewaardeerd of opnieuw ingedeeld om het A-label voor te behouden aan de 10 à 20% best presterende installaties",

G.   overwegende dat het voor de succesvolle toepassing van de regeling inzake de etikettering van het energieverbruik van essentieel belang is om maatregelen te nemen die een duidelijke, volledige, vergelijkbare en voor de consument gemakkelijk te begrijpen informatieverstrekking over de energie-efficiëntie van huishoudelijke apparaten verzekeren,

H.   overwegende dat de inkomsten van de producenten van huishoudelijke apparaten zullen toenemen indien de consumenten een groter aantal efficiënte in plaats van minder efficiënte toestellen kopen,

I.   overwegende dat het ontwerp van richtlijn van de Commissie, specifiek in verband met de opmaak van het etiket en de indeling van de energie-efficiëntieklassen, een nieuwe wijziging invoert waarbij nieuwe A-klassen (bv. A-20%, A-40%, A-60%) worden toegevoegd, dat dit aanleiding kan geven tot nieuwe verwarring bij de consumenten en hun inzicht in de energie-efficiëntie-indeling kan verstoren, waardoor zij minder goed in staat zijn om voor meer energie-efficiënte toestellen te kiezen,

J.   overwegende dat de indeling met een beperkt aantal technische aanpassingen van de etikettering veel duidelijker en begrijpelijker zou zijn voor de consumenten,

K.   overwegende dat is gebleken dat de consumenten de A-G-indeling duidelijk vinden, maar dat de Commissie geen evaluatie heeft verricht om na te gaan of de invoering van de klassen A-20%, A-40% en A-60%, naast lege lagere klassen duidelijker dan wel misleidend is voor consumenten,

L.   overwegende dat een herindeling van de bestaande producten in een gesloten A-G-indeling met name zou voorkomen dat lege lagere klassen ontstaan, hetgeen consumenten zou kunnen misleiden,

M.   overwegende dat de invoering van deze bijkomende efficiëntieklassen in de bestaande A-G-indeling, ook voor andere producten, tot onduidelijkheid kan leiden over de vraag of de A-klasse voor een efficiënt of een inefficiënt product staat,

N.   overwegende dat een dergelijke maatregel niet tegemoetkomt aan de doelstelling van het basisbesluit om aan de consument nauwkeurige, zinnige en vergelijkbare informatie te verstrekken,

O.   overwegende dat de Commissie een voorstel tot herschikking van de kaderrichtlijn heeft ingediend, waarbij wellicht nieuwe wijzigingen zullen worden ingevoerd die op hun beurt weer gevolgen zullen hebben voor de voorgestelde uitvoeringsbepalingen,

1.   maakt bezwaar tegen de aanneming van het ontwerp van richtlijn van de Commissie ter uitvoering en tot wijziging van Richtlijn 92/75/EEG van de Raad wat de etikettering van het energieverbruik van televisietoestellen betreft;

2.   is van mening dat het ontwerp van richtlijn niet verenigbaar is met het doel van het basisbesluit;

3.   verzoekt de Commissie het ontwerp van richtlijn in te trekken en zo spoedig mogelijk, en in elk geval uiterlijk op 30 september 2009, een nieuw ontwerp, gebaseerd op een gesloten A-G-indeling, aan het in artikel 10 van Richtlijn 92/75/EEG bedoelde comité voor te leggen;

4.   meent dat de opmaak van het etiket een essentieel onderdeel is van de richtlijn inzake de etikettering van energieverbruik, waarover in het kader van de momenteel lopende medebeslissingsprocedure tot herziening en herschikking van de geldende richtlijn moet worden besloten;

5.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 297 van 13.10.1992, blz. 16.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0345.
(3) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


Niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces
PDF 139kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over de ontwerpbeschikking van de Commissie tot opstelling van het jaarlijkse actieprogramma 2009 voor niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces (deel II: Gerichte projecten)
P6_TA(2009)0358B6-0285/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(1) (DCI), inzonderheid op artikel 14, lid 1, b), daarvan,

–   gezien de ontwerpbeschikking van de Commissie tot opstelling van het jaarlijkse actieprogramma 2009 voor niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces (deel II: Gerichte projecten) (CMTD(2009)0387 – D004766/01),

–   gezien het advies van 15 april 2009 van het in artikel 35, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1905/2006 bedoelde comité (het DCI-beheerscomité),

–   gezien de 'Algemene beoordeling van maatregelen ter verhoging van het bewustzijn van de bevolking betreffende ontwikkelingskwesties in Europa / voorlichting over ontwikkelingssamenwerking' (EG referentienr. 2007/146962, definitief verslag),

–   gezien zijn resolutie van 13 maart 2008 over de uitdaging die het EU-beleid inzake ontwikkelingssamenwerking biedt voor de nieuwe lidstaten(2),

–   gelet op artikel 8 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(3),

–   gelet op artikel 81 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het DCI-beheerscomité zich op 15 april 2009 in een schriftelijke stemming positief heeft uitgesproken over het ontwerp voor het jaarlijkse actieprogramma 2009 voor niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces (deel II: Gerichte projecten (CMTD(2009)0387 − D004766/01),

B.   overwegende dat het Parlement, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Besluit 1999/468/EG en artikel 1 van de overeenkomst van 3 juni 2008 tussen het Europees Parlement en de Commissie over de voorwaarden voor de uitvoering van Besluit 1999/468/EG van de Raad, de ontwerp-uitvoeringsmaatregelen die aan het DCI-beheerscomité waren voorgelegd, heeft ontvangen, samen met de uitslag van de stemming,

C.   overwegende dat artikel 14, lid 1, b), van Verordening (EG) nr. 1905/2006 bepaalt dat het een van de doelstellingen van het thematische programma inzake niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces is om "de Europese bevolking meer vertrouwd te maken met de ontwikkelingsproblematiek en in de Gemeenschap en de toetredende landen actieve publieke steun te verwerven voor strategieën die zijn gericht op armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling in de partnerlanden",

D.   overwegende dat 11 lidstaten op 19 maart 2009 een gezamenlijke verklaring over niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces hebben doen toekomen aan de Commissie, waarin zij uiting gaven aan hun ongerustheid over het voornemen van de Commissie om geen rechtstreekse financiële steun (gerichte-projectenprocedure) meer te verlenen aan TRIALOG en DEEEP(4), twee projecten die al lopen sinds respectievelijk 1998 en 2003, en beide projecten er in plaats daarvan toe te verplichten deel te nemen aan een oproep tot het indienen van voorstellen,

E.   overwegende dat de 11 lidstaten (waaronder 9 'nieuwe' lidstaten) in deze gezamenlijke verklaring waarschuwen voor de hoogst onhandige timing van het voornemen van de Commissie om de rechtstreekse steun aan TRIALOG en DEEEP stop te zetten, gezien de huidige financiële toestand in veel van de 'nieuwe' lidstaten en de gevolgen hiervan voor het vermogen van NGO's om te blijven functioneren en groeien, en hun bezorgdheid uitspreken over het feit dat er een financieringsgat zou kunnen ontstaan dat beide bovengenoemde projecten schaadt, aangezien het zou leiden tot het verlies van deskundig personeel en knowhow alsmede de teloorgang van reeds opgebouwde netwerken,

F.   overwegende dat de voorzitter van de Commissie ontwikkelingssamenwerking uiting heeft gegeven aan een gelijkaardige bezorgdheid, namelijk in een brief van 19 maart 2009, waarin hij erop wees dat de commissie het verzamelen van informatie en de capaciteitsopbouw op het vlak van ontwikkelingssamenwerking in de nieuwe lidstaten evenals het voorlichten van het Europese publiek over ontwikkelingssamenwerking altijd als een prioriteit heeft aangemerkt, waarin hij de Commissie vraagt om het Parlement in kennis te stellen van de objectieve en transparante criteria op basis waarvan zij beslist welke activiteiten en projecten in aanmerking komen voor rechtstreekse financiële steun, en waarin hij tenslotte erom verzoekt dat de uitvoering van deze voorgestelde maatregel ten minste met één jaar wordt uitgesteld om eventuele financieringsgaten te voorkomen en het voortbestaan van deze uiterst nuttige projecten niet in gevaar te brengen,

G.   overwegende dat in de hiervoorgenoemde 'Algemene beoordeling van maatregelen ter verhoging van het bewustzijn van de bevolking betreffende ontwikkelingskwesties in Europa / voorlichting over ontwikkelingssamenwerking' wordt geconcludeerd dat het strategische gebruik van gerichte projecten ertoe heeft bijgedragen de doelstellingen van het programma voor cofinanciering met Europese NGO's voor ontwikkelingssamenwerking te realiseren, dat DEEEP een belangrijk coördinatiemechanisme is gebleken voor het verbeteren van de dialoog, het bevorderen van de uitwisseling van beste praktijken en het uitbouwen van netwerken en partnerschappen op EU-niveau alsook tussen nationale platformen en de EU, en dat TRIALOG door zijn werkzaamheden met nieuwe lidstaten en toetredende lidstaten op doeltreffende wijze heeft bijgedragen tot een verbetering van de dialoog en de capaciteitsopbouw,

H.   overwegende dat het gebrek aan publieke erkenning van de prioriteiten inzake ontwikkelingssamenwerking in de nieuwe lidstaten moet worden aangepakt door middel van een brede communicatie- en voorlichtingsstrategie, zoals werd beklemtoond in de resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2008 over de uitdagingen van het EU-beleid inzake ontwikkelingssamenwerking voor de nieuwe lidstaten, en dat het TRIALOG-programma hiertoe bijdraagt; en overwegende dat het DEEEP-programma tegemoet komt aan de in dezelfde resolutie gedane oproep tot meer voorlichting over en een betere bewustmaking van de ontwikkelingssamenwerking in het Europese onderwijs,

I.   overwegende dat de Commissie in het kader van het hiervoorgenoemde jaarlijkse actieprogramma 2009 eveneens voorstelt om rechtstreekse subsidies toe te kennen aan een project ter versterking van de bestuurscapaciteiten van Cuba dat moet worden uitgevoerd door de European Foundation of Management Development; overwegende dat de gerichte-projectprocedure in het kader van het thematische programma inzake niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces nog nooit is gebruikt voor activiteiten in partnerlanden,

J.   overwegende dat de Commissie vervolgens een memorandum ten behoeve van het DCI-comité 'niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten'(5) heeft uitgegeven, waarin zij de selectiecriteria voor gerichte acties toelicht en uitlegt dat deze criteria gebaseerd zijn op artikel 168 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement(6) en dat subsidies met name kunnen worden toegekend aan instanties met een juridisch of feitelijk monopolie, evenals voor specifieke acties waarvoor een bepaald soort instantie nodig is, wegens de technische knowhow, hoge specialisatiegraad of administratieve invloed van deze instantie,

1.   maakt bezwaar tegen de aanneming van de ontwerpbeschikking van de Commissie tot opstelling van het jaarlijkse actieprogramma 2009 voor niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces (deel II: Gerichte projecten (CMTD(2009)0387 − D004766/01), in haar huidige vorm;

2.   verzoekt de Commissie om verduidelijking van de criteria ter vaststelling van het bestaan van een juridisch of feitelijk monopolie, in aanmerking nemend dat de 11 lidstaten in hun gezamenlijke verklaring stellen dat er vanuit het standpunt van de nieuwe lidstaten nog altijd een feitelijk monopolie bestaat voor wat de activiteiten op Europese schaal van TRIALOG en DEEEP betreft;

3.   dringt aan op een open, transparante en horizontale toepassing van de criteria voor het toekennen van rechtstreekse subsidies aan gerichte projecten, zodat voor iedereen dezelfde concurrentievoorwaarden gelden; dringt er bijgevolg op aan dat dezelfde criteria gehanteerd worden ten aanzien van TRIALOG, DEEEP en het project ter versterking van de bestuurscapaciteiten van Cuba;

4.   dringt erop aan dat aan de hand van een strategisch, Europees programma ononderbroken financiering wordt gegarandeerd voor de waardevolle activiteiten betreffende het aanmoedigen van de uitwisseling van beste praktijken, het uitbouwen van netwerken en partnerschappen op EU-niveau en tussen nationale platformen en de EU, en voor het verbeteren van de dialoog en de opbouw van capaciteiten in de betrekkingen met 'nieuwe' lidstaten en toetredende lidstaten;

5.   verzoekt de Commissie om in het kader van haar op handen zijnde evaluatie(7) van het systeem van oproepen tot het indienen van voorstellen voor de thematische programma's een dialoog aan te gaan met het Parlement; acht het ongepast om vooruit te lopen op eventuele aanbevelingen voor wijzigingen of verbeteringen van het systeem die uit deze evaluatie kunnen voortvloeien; vraagt daarom dat de bestaande regelingen inzake rechtstreeks gesubsidieerde acties ongewijzigd in stand blijven gedurende een periode van 12 maanden en dat toekomstige wijzigingen een weerspiegeling vormen van de uitkomsten van het evaluatieproces en garant staan voor voorspelbare en duurzame ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten op lange termijn;

6.   roept de Commissie op haar ontwerpbeschikking tot opstelling van het jaarlijkse actieprogramma 2009 voor niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces (deel II: Gerichte projecten) (CMTD(2009)0387 – D004766/01) aan te passen in dier voege dat daarin projecten op EU-niveau worden opgenomen die tot doel hebben het bewustzijn betreffende ontwikkelingskwesties in de uitgebreide EU te verhogen en de uitwisseling van informatie over ontwikkelingssamenwerking binnen de EU te bevorderen;

7.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0097.
(3) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(4) DEEEP: "Development Education Exchange in Europe Project" (Project voor de uitwisseling van ontwikkelingsvoorlichting in Europa)- http://www.deeep.org/ TRIALOG: "NGO's voor ontwikkelingssamenwerking in de uitgebreide EU" − http://www.trialog.or.at/start.asp?ID=96
(5) AIDCO/F1/NC D(2009) van 6.4.2009 (D004766-01-EN-02).
(6) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1).
(7) De Palermo-II-procedure.


Algemene herziening van het Reglement
PDF 338kWORD 229k
Besluit van het Europees Parlement van 6 mei 2009 tot algemene herziening van het Reglement (2007/2124(REG))
P6_TA(2009)0359A6-0273/2009

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 201 en 202 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A6-0273/2009),

1.   besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.   besluit de gedragscode voor onderhandelingen over medebeslissingsdossiers, op 18 september 2008 door de Conferentie van voorzitters goedgekeurd, als bijlage XVI sexies in zijn Reglement op te nemen;

3.   besluit dat de amendementen op de eerste dag van de zevende zittingsperiode in werking treden;

4.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendement
Amendement 1
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 9 – lid 1 – alinea 1
1.  Het Parlement kan transparantieregels inzake de financiële belangen van zijn leden vaststellen die als bijlage bij dit Reglement worden gevoegd.
1.  Het Parlement stelt transparantieregels inzake de financiële belangen van zijn leden vast, die als bijlage bij dit Reglement gevoegd zijn.
Amendement 2
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Waarnemers
1.  Wanneer er een verdrag betreffende de toetreding van een staat tot de Europese Unie is ondertekend, kan de Voorzitter met de instemming van de Conferentie van voorzitters het parlement van de toetredende staat uitnodigen uit zijn midden een aantal waarnemers aan te wijzen dat gelijk is aan het toekomstig aantal zetels van die staat in het Europees Parlement.
2.  Deze waarnemers nemen deel aan de werkzaamheden van het Parlement totdat het toetredingsverdrag in werking treedt, en hebben spreekrecht in commissies en fracties. Zij hebben geen stemrecht en zijn niet verkiesbaar voor functies in het Parlement. Hun deelname heeft geen rechtsgevolgen voor de werkzaamheden van het Parlement.
3.  Zij krijgen dezelfde behandeling als een lid van het Parlement wat betreft het gebruik van de faciliteiten van het Parlement en de vergoeding van de kosten die met hun functie van waarnemer verband houden.
Amendement 51
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 11
Oudste lid in jaren
Voorlopig voorzitterschap
1.  In de vergadering, als bedoeld in artikel 127, lid 2, alsmede in elke andere vergadering die gewijd is aan de verkiezing van de Voorzitter en van het Bureau, neemt het oudste lid in jaren van de aanwezige leden het ambt van voorzitter waar, totdat de Voorzitter voor gekozen is verklaard.
1.  In de vergadering, als bedoeld in artikel 127, lid 2, alsmede in elke andere vergadering die gewijd is aan de verkiezing van de Voorzitter en van het Bureau, neemt de oud-voorzitter, of bij diens afwezigheid, een van de oud-ondervoorzitters in volgorde van rangorde, of bij hun afwezigheid, het langst zittende lid, het ambt van voorzitter waar, totdat de Voorzitter voor gekozen is verklaard.
2.  Alleen beraadslagingen die betrekking hebben op de verkiezing van de Voorzitter of het onderzoek van de geloofsbrieven kunnen plaatsvinden onder voorzitterschap van het oudste lid in jaren.
2.  Alleen beraadslagingen die betrekking hebben op de verkiezing van de Voorzitter of het onderzoek van de geloofsbrieven kunnen plaatsvinden onder voorzitterschap van het lid dat overeenkomstig lid 1 voorlopig het ambt van voorzitter uitoefent.
Het oudste lid in jaren oefent de bevoegdheden uit van de Voorzitter als bedoeld in artikel 3, lid 2, tweede alinea. Alle andere kwesties die in verband met het onderzoek van de geloofsbrieven worden opgeworpen onder voorzitterschap van het oudste lid in jaren, worden verwezen naar de commissie belast met het onderzoek van de geloofsbrieven.
Het lid dat overeenkomstig lid 1 voorlopig het ambt van voorzitter uitoefent, oefent de bevoegdheden uit van de Voorzitter als bedoeld in artikel 3, lid 2, tweede alinea. Alle andere kwesties die in verband met het onderzoek van de geloofsbrieven worden opgeworpen onder diens voorzitterschap, worden verwezen naar de commissie belast met het onderzoek van de geloofsbrieven.
Amendement 52
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 13
1.  Eerst wordt overgegaan tot de verkiezing van de Voorzitter. De voordrachten moeten, vóór iedere stemming, worden medegedeeld aan het oudste lid in jaren, dat daarvan kennis geeft aan het Parlement. Indien na drie stemmingen geen kandidaat de volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen heeft behaald, kunnen bij de vierde stemming alleen kandidaat zijn de twee leden die bij de derde stemming het grootste aantal stemmen hebben behaald. Bij staking van stemmen wordt de in jaren oudste kandidaat voor gekozen verklaard.
1.  Eerst wordt overgegaan tot de verkiezing van de Voorzitter. De voordrachten moeten, vóór iedere stemming, worden medegedeeld aan het lid dat overeenkomstig artikel 11 voorlopig het ambt van voorzitter uitoefent, dat daarvan kennis geeft aan het Parlement. Indien na drie stemrondes geen kandidaat de volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen heeft behaald, kunnen bij de vierde stemronde alleen kandidaat zijn de twee leden die bij de derde stemronde het grootste aantal stemmen hebben behaald. Bij staking van stemmen wordt de kandidaat met de hoogste leeftijd voor gekozen verklaard.
2.  Zodra de Voorzitter is gekozen, draagt het oudste lid in jaren het voorzitterschap over. Alleen de gekozen Voorzitter kan een openingstoespraak houden.
2.  Zodra de Voorzitter is gekozen, draagt het lid dat overeenkomstig artikel 11 voorlopig het ambt van voorzitter uitoefent, het voorzitterschap over. Alleen de gekozen Voorzitter kan een openingstoespraak houden.
Amendement 3
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 24 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  De Conferentie van voorzitters is verantwoordelijk voor het organiseren van een gestructureerde dialoog met het Europees maatschappelijk middenveld over hoofdpunten van beleid. Deze dialoog kan de vorm aannemen van openbare debatten over onderwerpen van algemeen Europees belang, waaraan door geïnteresseerde burgers kan worden deelgenomen. Het Bureau wijst een ondervoorzitter aan die wordt belast met de organisatie van deze dialoog en daarover aan de Conferentie van voorzitters verslag uitbrengt.
Amendement 4
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 28 – lid 2
2.  Ieder lid kan vragen stellen over de werkzaamheden van het Bureau, de Conferentie van voorzitters en de quaestoren. Dergelijke vragen moeten schriftelijk worden ingediend bij de Voorzitter; zij worden, met de antwoorden, binnen een termijn van dertig dagen na de indiening ervan in het Bulletin van het Parlement gepubliceerd.
2.  Ieder lid kan vragen stellen over de werkzaamheden van het Bureau, de Conferentie van voorzitters en de quaestoren. Dergelijke vragen moeten schriftelijk worden ingediend bij de Voorzitter; zij worden aan de leden bekendgemaakt en met de antwoorden binnen een termijn van dertig dagen na de indiening op de website van het Parlement gepubliceerd.
Amendement 5
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 30 bis (nieuw)
Artikel 30 bis
Interfractiewerkgroepen
1.  Afzonderlijke leden kunnen interfractiewerkgroepen of andere niet-officiële groeperingen van leden vormen om informeel van gedachten te wisselen over specifieke onderwerpen over de scheidslijnen tussen fracties en commissies heen en om het contact tussen parlementsleden en maatschappij te bevorderen.
2.  Dergelijke groeperingen mogen geen activiteiten ontplooien die tot verwarring kunnen leiden voor wat betreft de officiële activiteiten van het Parlement en zijn organen. Mits voldaan is aan de voorwaarden van de door het Bureau vastgestelde regeling inzake de oprichting van die groeperingen, kunnen de fracties de activiteiten ervan faciliteren door verlening van logistieke steun. Dergelijke groeperingen doen opgave van eventuele steun van buiten overeenkomstig het bepaalde in bijlage I.
Amendement 6
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 36 – lid 1
1.  Elk voorstel van de Commissie of elk ander document van wetgevende aard wordt door de bevoegde commissie, onverminderd het bepaalde in artikel 40, getoetst op verenigbaarheid met de financiële vooruitzichten.
1.  Elk voorstel van de Commissie of elk ander document van wetgevende aard wordt door de bevoegde commissie, onverminderd het bepaalde in artikel 40, getoetst op verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader.
(Horizontaal amendement: de woorden "financiële vooruitzichten" worden overal in het Reglement vervangen door "meerjarig financieel kader".
Amendement 7
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 39 – lid 1
1.  Overeenkomstig artikel 192, tweede alinea van het EG-Verdrag kan het Parlement door het aannemen van een resolutie op basis van een initiatiefverslag van de bevoegde commissie de Commissie verzoeken het Parlement passende voorstellen ter vaststelling van nieuwe of tot wijziging van bestaande besluiten voor te leggen. De resolutie wordt aangenomen met de meerderheid van de leden van het Parlement. Tegelijkertijd kan het Parlement een termijn vaststellen voor de indiening van het voorstel.
1.  Overeenkomstig artikel 192, tweede alinea van het EG-Verdrag kan het Parlement door het aannemen van een resolutie op basis van een initiatiefverslag van de bevoegde commissie de Commissie verzoeken het Parlement passende voorstellen tot vaststelling van nieuwe of tot wijziging van bestaande besluiten voor te leggen. De resolutie wordt bij de eindstemming aangenomen bij meerderheid van de leden van het Parlement. Tegelijkertijd kan het Parlement een termijn vaststellen voor de indiening van het voorstel.
Amendement 8
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 45 – lid 2
2.  Het Parlement behandelt in initiatiefverslagen neergelegde ontwerpresoluties volgens de korte-presentatieprocedure als uiteengezet in artikel 131 bis. Amendementen op deze ontwerpresoluties zijn niet ontvankelijk voor behandeling ter plenaire vergadering, tenzij zij door de rapporteur worden ingediend om rekening te houden met nieuwe informatie. Overeenkomstig artikel 151, lid 4 kunnen evenwel alternatieve ontwerpresoluties worden ingediend. Dit lid is niet van toepassing, wanneer het onderwerp van het verslag in het kader van een debat van prioritair belang ter plenaire vergadering wordt behandeld, wanneer het verslag overeenkomstig het initiatiefrecht uit hoofde van artikel 38 bis of 39 wordt opgesteld, of wanneer het verslag kan worden aangemerkt als een beleidsverslag overeenkomstig de door de Conferentie van voorzitters vastgestelde criteria.
2.  Het Parlement behandelt in initiatiefverslagen neergelegde ontwerpresoluties volgens de kortepresentatieprocedure als uiteengezet in artikel 131 bis. Amendementen op deze ontwerpresoluties zijn slechts ontvankelijk voor behandeling ter plenaire vergadering indien zij worden ingediend door de rapporteur om rekening te houden met nieuwe informatie, of door ten minste een tiende van de leden van het Parlement. Fracties kunnen overeenkomstig artikel 151, lid 4, alternatieve ontwerpresoluties indienen. Dit lid is niet van toepassing, wanneer het onderwerp van het verslag in het kader van een debat van prioritair belang ter plenaire vergadering wordt behandeld, wanneer het verslag overeenkomstig het initiatiefrecht uit hoofde van artikel 38 bis of 39 wordt opgesteld, of wanneer het verslag kan worden aangemerkt als een beleidsverslag overeenkomstig de door de Conferentie van voorzitters vastgestelde criteria.
Amendement 9
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 47 – streepje 3
– de voorzitters, de rapporteur en de rapporteurs voor advies trachten het onderling eens te worden over onderdelen van de tekst die onder hun exclusieve of gezamenlijke bevoegdheid vallen en onderling de precieze voorwaarden van hun samenwerking overeen te komen;
– de voorzitters, de rapporteur en de rapporteurs voor advies gaan gezamenlijk na welke onderdelen van de tekst onder hun exclusieve of gezamenlijke bevoegdheid vallen en bereiken overeenstemming over de precieze voorwaarden van hun samenwerking. Ingeval er geen overeenstemming over de afbakening van de bevoegdheden wordt bereikt, wordt de zaak op verzoek van een van de betrokken commissies aan de Conferentie van voorzitters voorgelegd, die een uitspraak over de afbakening van de bevoegdheden kan doen of kan besluiten dat de procedure met gezamenlijke commissievergaderingen van artikel 47 bis moet worden toegepast; de tweede en derde zin van artikel 179, lid 2, zijn van overeenkomstige toepassing.
Amendement 10
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 47 – streepje 4
– de ten principale bevoegde commissie neemt de amendementen van een medeverantwoordelijke commissie zonder stemming over voorzover deze betrekking hebben op vraagstukken die naar de mening van de voorzitter van de ten principale bevoegde commissie op grond van bijlage VI en na raadpleging van de voorzitter van de medeverantwoordelijke commissie onder de exclusieve bevoegdheid van de medeverantwoordelijke commissie vallen, en voorzover deze niet in strijd zijn met andere delen van het verslag. Indien er op basis van het derde streepje een akkoord wordt bereikt, houden de voorzitters van de ten principale bevoegde commissies hiermee rekening;
– de ten principale bevoegde commissie neemt de amendementen van een medeverantwoordelijke commissie zonder stemming over voorzover deze betrekking hebben op vraagstukken die onder de exclusieve bevoegdheid van de medeverantwoordelijke commissie vallen. Indien amendementen die betrekking hebben op vraagstukken die onder de gezamenlijke bevoegdheid van de ten principale bevoegde commissie en de medeverantwoordelijke commissie vallen, door eerstgenoemde commissie worden verworpen, kan laatstgenoemde commissie die amendementen ter plenaire vergadering indienen;
Amendement 11
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 47 bis (nieuw)
Artikel 47 bis
Procedure met gezamenlijke commissievergaderingen
Indien voldaan is aan de in artikel 46, lid 1, en artikel 47 vermelde voorwaarden, kan de Conferentie van voorzitters, indien zij het vraagstuk bijzonder belangrijk acht, besluiten dat de procedure met gezamenlijke commissievergaderingen en gezamenlijke stemming van toepassing is. In dat geval stellen de respectieve rapporteurs een enkel ontwerpverslag op. De betrokken commissies behandelen dit en stemmen erover op gezamenlijke vergaderingen onder het gezamenlijk voorzitterschap van de betrokken voorzitters. De betrokken commissies kunnen intercommissiewerkgroepen instellen om de gezamenlijke vergaderingen en stemmingen voor te bereiden.
Amendement 12
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 51 – lid 2 – alinea 2
De raadplegingsprocedure is beëindigd als de ontwerpwetgevingsresolutie wordt aangenomen. Indien het Parlement de ontwerpwetgevingsresolutie niet aanneemt, wordt het voorstel naar de bevoegde commissie terugverwezen.
Met de aanneming van de ontwerpwetgevingsresolutie is de eerste lezing beëindigd. Neemt het Parlement de ontwerpwetgevingsresolutie niet aan, dan wordt het ontwerp naar de bevoegde commissie terugverwezen.
Amendement 13
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 51 – lid 3
3.  De tekst van het voorstel in de door het Parlement goedgekeurde versie en de desbetreffende resolutie worden door de Voorzitter als advies van het Parlement aan de Raad en de Commissie toegezonden.
3.  De tekst van het ontwerp in de door het Parlement goedgekeurde versie en de desbetreffende resolutie worden door de Voorzitter als standpunt van het Parlement aan de Raad en de Commissie toegezonden.
(Horizontaal amendement: in alle bepalingen betreffende de medebeslissingsprocedure worden de woorden "advies van het Parlement" overal in het Reglement vervangen door "standpunt van het Parlement".)
Amendement 14
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 52 – lid 1
1.  Indien een voorstel van de Commissie niet de meerderheid van de uitgebrachte stemmen verkrijgt, verzoekt de Voorzitter de Commissie, alvorens het Parlement over de ontwerpwetgevingsresolutie stemt, haar voorstel in te trekken.
1.  Wordt voor een voorstel van de Commissie niet de meerderheid van de uitgebrachte stemmen verkregen of wordt een door de bevoegde commissie of ten minste veertig leden ingediend voorstel tot verwerping aangenomen, dan verzoekt de Voorzitter de Commissie, alvorens het Parlement over de ontwerpwetgevingsresolutie stemt, haar voorstel in te trekken.
Amendement 15
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 52 – lid 2
2.  Doet de Commissie dat, dan stelt de Voorzitter vast dat voortzetting van de raadplegingsprocedure met betrekking tot dit voorstel overbodig is geworden en stelt hij de Raad hiervan in kennis.
2.  Indien de Commissie haar voorstel intrekt, dan verklaart de Voorzitter de procedure voor beëindigd en stelt hij de Raad hiervan in kennis.
Amendement 16
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 52 – lid 3
3.  Indien de Commissie haar voorstel niet intrekt, verwijst het Parlement de zaak terug naar de bevoegde commissie zonder over de ontwerpwetgevingsresolutie te stemmen.
3.  Indien de Commissie haar voorstel niet intrekt, verwijst het Parlement de zaak terug naar de bevoegde commissie zonder over de ontwerpwetgevingsresolutie te stemmen, tenzij het Parlement op voorstel van de voorzitter of rapporteur van de bevoegde commissie, een fractie of ten minste veertig leden wel tot stemming overgaat.
In dat geval brengt deze commissie binnen een door het Parlement vastgestelde termijn van ten hoogste twee maanden mondeling of schriftelijk opnieuw aan het Parlement verslag uit.
In geval van terugverwijzing brengt deze commissie binnen een door het Parlement vastgestelde termijn van ten hoogste twee maanden mondeling of schriftelijk opnieuw aan het Parlement verslag uit.
Amendement 59
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 65 bis (nieuw) (in te voegen in hoofdstuk 6: Beëindiging van de wetgevingsprocedure)
Artikel 65 bis
Interinstitutionele onderhandelingen bij wetgevingsprocedures
1.  Onderhandelingen met andere instellingen om in de loop van een wetgevingsprocedure tot overeenstemming te komen worden gevoerd met inachtneming van de gedragscode voor onderhandelingen over medebeslissingsdossiers (bijlage XVI sexies).
2.  Alvores dergelijke onderhandelingen te beginnen, dient de bevoegde commissie in beginsel met de meerderheid van haar leden in beginsel een besluit te nemen en een mandaat, richtsnoeren of prioriteiten vast te stellen.
3.  Wordt in het kader van de onderhandelingen, na goedkeuring van het verslag door de de commissie, een compromis met de Raad bereikt, dan wordt de commissie in elk geval vóór de stemming ter plenaire vergadering opnieuw geraadpleegd.
Amendement 18
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 66
1.  Indien de Raad overeenkomstig artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag het Parlement ervan in kennis stelt dat hij de amendementen van het Parlement heeft goedgekeurd, zonder het Commissievoorstel anderszins te wijzigen, of indien geen van beide instellingen het voorstel van de Commissie heeft gewijzigd, deelt de Voorzitter ter plenaire vergadering mede dat het voorstel definitief is vastgesteld.
Indien de Raad overeenkomstig artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag het Parlement ervan in kennis stelt dat hij het standpunt van het Parlement heeft goedgekeurd, deelt de Voorzitter, nadat overeenkomstig artikel 172 bis de laatste hand is gelegd aan de definitieve tekst, ter plenaire vergadering mede dat het voorgestelde besluit zoals geformuleerd in het standpunt van het Parlement is aangenomen.
2.  Alvorens deze mededeling te doen, vergewist de Voorzitter zich ervan dat de eventueel door de Raad in het voorstel aangebrachte technische aanpassingen niet van invloed zijn op de inhoud van het voorstel. In geval van twijfel raadpleegt hij de bevoegde commissie. Indien er wijzigingen zijn aangebracht die geacht worden van inhoudelijke aard te zijn, deelt de Voorzitter de Raad mede dat het Parlement zal overgaan tot een tweede lezing, zodra aan de in artikel 57 bedoelde voorwaarden is voldaan.
3.  Na de mededeling als bedoeld in lid 1 ondertekenen de Voorzitter en de voorzitter van de Raad beiden het voorgestelde besluit en dragen overeenkomstig artikel 68 zorg voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Amendement 19
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 68 – opschrift
Ondertekening van aangenomen besluiten
Vereisten voor de formulering van wetgevingsbesluiten
Amendement 20
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 68 – lid 1
1.  De tekst van de gezamenlijk door het Parlement en de Raad aangenomen besluiten worden door de Voorzitter en de secretaris-generaal ondertekend, nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd.
Schrappen
Amendement 21
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 68 – lid 7
7.  Bovenbedoelde besluiten worden door de secretarissen-generaal van het Parlement en de Raad gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Schrappen
Amendement 22
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 68 bis (nieuw) (in te voegen in hoofdstuk 6: Beëindiging van de wetgevingsprocedure)
Artikel 68 bis
Ondertekening van aangenomen besluiten
De volgens de procedure van artikel 251 van het EG-Verdrag aangenomen besluiten worden door de Voorzitter en de secretaris-generaal ondertekend en worden door de secretarissen-generaal van het Parlement en de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd, nadat de overeenkomstig artikel 172 bis de laatste hand is gelegd aan de aangenomen tekst en is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn afgesloten.
Amendement 68
Reglement van het Europees Parlement
Article 80 bis – lid 3 – alinea 3
Amendementen op ongewijzigd gebleven onderdelen kunnen evenwel in uitzonderlijke en individuele gevallen door de voorzitter van die commissie worden toegestaan, als deze van oordeel is dat daarvoor dwingende redenen bestaan in verband met de interne coherentie van de tekst of de samenhang met andere ontvankelijke amendementen. Deze redenen dienen in een schriftelijke motivering bij de amendementen te worden vermeld.
Wanneer de ter zake bevoegde commissie evenwel voornemens is, overeenkomstig punt 8 van het Interinstitutioneel Akkoord, ook amendementen op de gecodificeerde delen van het voorstel van de Commissie in te dienen, stelt zij de Raad en de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Alvorens tot stemming wordt overgegaan maakt laatstegenoemde overeenkomstig artikel 50 haar standpunt inzake de amendementen kenbaar en geeft zij aan of zij voornemens is het herschikkingsvoorstel in te trekken.
Amendement 23
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 83 – lid 1
1.  Wanneer het voornemen bestaat onderhandelingen aan te knopen over de sluiting, hernieuwing of wijziging van een internationale overeenkomst, met inbegrip van overeenkomsten op specifieke gebieden zoals monetaire zaken of handel, draagt de bevoegde commissie er zorg voor dat de Commissie het Parlement volledig inlicht over haar aanbevelingen voor een onderhandelingsmandaat, zo nodig op basis van vertrouwelijkheid.
1.  Wanneer het voornemen bestaat onderhandelingen te openen over de sluiting, hernieuwing of wijziging van een internationale overeenkomst, met inbegrip van overeenkomsten op specifieke gebieden zoals monetaire zaken of handel, kan de bevoegde commissie besluiten een verslag op te stellen of de procedure anderszins te volgen en de Conferentie van voorzitters daarvan in kennis te stellen. Eventueel kunnen andere commissies overeenkomstig artikel 46, lid 1, om advies worden gevraagd. Voor zover relevant zijn de artikelen 179, lid 2, en 47 en 47 bis van overeenkomstige toepassing.
De voorzitters en rapporteurs van de bevoegde commissie c.q. de medeverantwoordelijke commissies nemen gezamenlijk de nodige stappen om ervoor te zorgen dat de Commissie het Parlement volledig inlicht over de aanbevelingen voor een onderhandelingsmandaat, zo nodig op basis van vertrouwelijkheid, en dat zij het Parlement de in de leden 3 en 4 bedoelde informatie verstrekt.
Amendement 24
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 83 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.  Alvorens over te gaan tot de stemming ter verlening van goedkeuring, kan de bevoegde commissie, een fractie of ten minste een tiende van de leden het Parlement voorstellen het advies van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van de internationale overeenkomst met de Verdragen in te winnen. Indien het Parlement een dergelijk voorstel aanneemt, wordt de stemming ter verlening van goedkeuring uitgesteld, totdat het Hof advies heeft uitgebracht.
Amendement 25
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 97 – lid 3
3.  Het Parlement zet een register op van de documenten van het Parlement. Wetgevings- en andere documenten zoals vermeld in een bijlage1 bij dit Reglement worden rechtstreeks toegankelijk gemaakt via het register van het Parlement overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1049/2001. Referenties naar andere documenten van het Parlement worden voorzover mogelijk in het register opgenomen.
3.  Het Parlement zet een register op van de documenten van het Parlement. Wetgevingsdocumenten en bepaalde andere categorieën documenten worden rechtstreeks toegankelijk gemaakt via het register van het Parlement overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1049/2001. Verwijzingen naar andere documenten van het Parlement worden voorzover mogelijk in het register opgenomen.
De categorieën documenten die rechtstreeks voor het publiek toegankelijk zijn, worden opgenomen in een lijst die door het Parlement wordt aangenomen en als bijlage1 bij het Reglement wordt gevoegd. Deze lijst beperkt niet het recht van toegang tot documenten die niet onder de opgesomde categorieën vallen.
De categorieën documenten die rechtstreeks voor het publiek toegankelijk zijn, worden opgenomen in een lijst die door het Bureau wordt aangenomen en op de website van het Parlement wordt gepubliceerd. Deze lijst houdt geen inperking in op het recht van toegang tot documenten die niet onder de opgesomde categorieën vallen; die documenten worden op schriftelijk verzoek beschikbaar gesteld.
Documenten van het Parlement die niet rechtstreeks via het register toegankelijk zijn, worden op schriftelijk verzoek beschikbaar gesteld.
Het Bureau kan ten aanzien van de toegang regels vaststellen, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1049/2001, die in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt.
Het Bureau kan ten aanzien van de toegang regels vaststellen, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1049/2001, die in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt.
(Bijlage XV geschrapt.)
Amendement 26
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 103 – lid 1
1.  De leden van de Commissie, de Raad en de Europese Raad kunnen de Voorzitter te allen tijde verzoeken hun het woord te verlenen voor een verklaring. De Voorzitter besluit wanneer deze verklaring kan worden afgelegd en of een dergelijke verklaring wordt gevolgd door een uitvoerig debat, dan wel of de leden gedurende dertig minuten beknopte en nauwkeurig geformuleerde vragen kunnen stellen.
1.  De leden van de Commissie, de Raad en de Europese Raad kunnen de Voorzitter van het Parlement te allen tijde verzoeken hun het woord te verlenen voor een verklaring. De voorzitter van de Europese Raad legt na elke bijeenkomst van de Europese Raad een verklaring af. De Voorzitter van het Parlement besluit wanneer deze verklaring kan worden afgelegd en of een dergelijke verklaring wordt gevolgd door een uitvoerig debat, dan wel of de leden gedurende dertig minuten beknopte en nauwkeurig geformuleerde vragen mogen stellen.
Amendement 60
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 116 – lid 1
1.  Maximaal vijf leden kunnen een schriftelijke verklaring indienen van ten hoogste 200 woorden over een onderwerp dat valt binnen het kader van de werkzaamheden van de Europese Unie. De schriftelijke verklaringen worden in de officiële talen gedrukt en rondgedeeld. Zij worden met de namen van de ondertekenaars opgenomen in een register. Dit register is openbaar en ligt tijdens de vergaderperioden ter inzage bij de ingang van de vergaderzaal en tussen de vergaderperioden op een passende, door het College van quaestoren nader te bepalen plaats.
1.  Maximaal vijf leden kunnen een schriftelijke verklaring van ten hoogste 200 woorden indienen over een onderwerp dat onder de bevoegdheden van de Europese Unie valt en geen betrekking heeft op aangelegenheden die onder een lopende wetgevingsprocedure vallen. De Voorzitter verleent hiertoe van geval tot geval toestemming. De schriftelijke verklaringen worden in de officiële talen gedrukt en rondgedeeld. Zij worden met de namen van de ondertekenaars opgenomen in een register. Dit register is openbaar en ligt tijdens de vergaderperioden ter inzage bij de ingang van de vergaderzaal en tussen de vergaderperioden op een geschikte, door het College van quaestoren nader te bepalen plaats.
Amendement 27
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 116 – lid 3
3.  Wanneer een verklaring door de meerderheid van de leden van het Parlement is ondertekend, stelt de Voorzitter het Parlement hiervan in kennis en worden de namen van de ondertekenaars in de notulen vermeld.
3.  Is een verklaring door de meerderheid van de leden van het Parlement ondertekend, dan stelt de Voorzitter het Parlement hiervan in kennis en worden de namen van de ondertekenaars in de notulen vermeld en wordt de verklaring als aangenomen tekst gepubliceerd.
Amendement 28
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 116 – lid 4
4.   In dat geval wordt deze verklaring aan het einde van de vergaderperiode aan de in de verklaring aangegeven instellingen toegezonden met vermelding van de namen van de ondertekenaars. De verklaring wordt opgenomen in de notulen van de vergadering waarin kennis is gegeven van de verklaring. Met deze publicatie wordt de procedure afgesloten.
4.  De procedure wordt afgesloten met de toezending aan het einde van de vergaderperiode van de verklaring aan de adressaten met vermelding van de namen van de ondertekenaars.
Amendement 29
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 131 bis
Op verzoek van de rapporteur of op voorstel van de Conferentie van voorzitters, kan het Parlement ook besluiten dat een punt, waarvoor geen echt debat nodig is, ter plenaire vergadering middels een korte presentatie door de rapporteur wordt behandeld. In dat geval krijgt de Commissie de gelegenheid het woord te voeren en hebben de leden het recht om via de indiening van een extra schriftelijke verklaring overeenkomstig artikel 142, lid 7, te reageren.
Het Parlement kan ook, op verzoek van de rapporteur of op voorstel van de Conferentie van voorzitters, besluiten een punt waarvoor geen uitvoerig debat nodig is, middels een korte presentatie door de rapporteur ter plenaire vergadering te behandelen. In dat geval krijgt de Commissie de gelegenheid te reageren, waarna een debat van ten hoogste tien minuten volgt waarin de Voorzitter de leden volgens de "catch the eye"-procedure elk voor hooguit één minuut het woord kan verlenen.
Amendementen 30 en 66
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 142
Verdeling van de spreektijd
Verdeling van de spreektijd en sprekerslijst
1.  De Conferentie van voorzitters kan met het oog op het verloop van een beraadslaging voorstellen de spreektijd te verdelen. Het Parlement beslist zonder debat over dit voorstel.
1.  De Conferentie van voorzitters kan met het oog op het verloop van een debat voorstellen de spreektijd te verdelen. Het Parlement beslist zonder debat over dit voorstel.
1 bis.  Leden mogen alleen het woord voeren wanneer de Voorzitter hun het woord geeft. De sprekers voeren het woord vanaf hun plaats en richten zich tot de Voorzitter. Dwalen sprekers van het onderwerp af, dan roept de Voorzitter hen tot de orde.
1 ter.  De Voorzitter kan voor het eerste gedeelte van een debat een sprekerslijst opstellen met een of meer ronden van sprekers van elke fractie die het woord wensen te voeren, in volgorde van fractiegrootte, alsook een niet-ingeschreven lid.
2.  De spreektijd wordt op grond van de volgende criteria verdeeld:
2.  De spreektijd voor dit gedeelte van het debat wordt op grond van de volgende criteria verdeeld:
(a) een eerste gedeelte van de spreektijd wordt gelijkelijk over alle fracties verdeeld;
(a) een eerste gedeelte van de spreektijd wordt gelijkelijk over alle fracties verdeeld;
(b) een tweede gedeelte van de spreektijd wordt over de fracties verdeeld naar verhouding van hun ledental;
(b) een tweede gedeelte van de spreektijd wordt over de fracties naar verhouding van hun ledental verdeeld;
(c) de niet-ingeschrevenen krijgen collectief een spreektijd toegewezen, gebaseerd op de overeenkomstig het bepaalde in onder a) en b) aan elk der fracties toebedeelde gedeelten.
(c) de niet-ingeschrevenen krijgen collectief een spreektijd toegewezen, gebaseerd op de overeenkomstig het bepaalde onder a) en b) aan elk der fracties toegewezen gedeelten.
3.  Indien voor verschillende agendapunten een collectieve spreektijd wordt toegewezen, delen de fracties aan de Voorzitter mede, welk gedeelte van hun respectieve spreektijd voor elk van deze agendapunten zal worden gebruikt. De Voorzitter ziet erop toe dat deze spreektijd niet wordt overschreden.
3.  Wordt voor verschillende agendapunten een collectieve spreektijd toegewezen, dan delen de fracties de Voorzitter mede, hoe hun respectieve spreektijd over elk van deze agendapunten wordt verdeeld. De Voorzitter ziet erop toe dat deze spreektijd wordt aangehouden.
3 bis.  De resterende tijd voor het debat wordt niet op voorhand toegewezen. De Voorzitter geeft leden die het woord wensen te voeren in de regel niet meer dan één minuut het woord. De Voorzitter ziet er, voor zover mogelijk, op toe dat sprekers met verschillende politieke opvattingen en uit verschillende lidstaten aan het woord komen.
3 ter.  Bij voorrang kan het woord worden verleend aan de voorzitter of de rapporteur van de bevoegde commissie en aan de fractievoorzitters die namens hun fractie het woord wensen te voeren, of aan hun plaatsvervangers.
3 quater.  De Voorzitter kan leden die door opsteken van een blauwe kaart te kennen geven dat zij het lid dat het woord voert een vraag van ten hoogste een halve minuut willen stellen, het woord geven, indien de spreker ermee instemt en de Voorzitter ervan overtuigd is dat het debat daardoor niet wordt verstoord.
4.  De spreektijd is beperkt tot één minuut voor opmerkingen over de notulen, voorstellen van orde en wijzigingen van de definitieve ontwerpagenda of van de agenda.
4.  Voor opmerkingen over de notulen van de vergadering, voorstellen van orde en wijzigingen van de definitieve ontwerpagenda of van de agenda is de spreektijd beperkt tot één minuut.
4 bis.  Onverminderd zijn andere disciplinaire bevoegdheden kan de Voorzitter redevoeringen van leden die niet van tevoren het woord hebben gekregen of die na afloop van de toegewezen spreektijd blijven doorspreken, uit het volledig verslag van de vergaderingen laten schrappen.
5.  De Commissie en de Raad worden tijdens het debat over een verslag in de regel onmiddellijk gehoord na de inleiding door de rapporteur. Aan de Commissie, de Raad en de rapporteur kan opnieuw het woord worden verleend, met name om te reageren op opmerkingen van de leden.
5.  In een debat over een verslag krijgen de Commissie en de Raad in de regel onmiddellijk na de inleiding door de rapporteur het woord. De Commissie, de Raad en de rapporteur kunnen opnieuw het woord krijgen, met name om op de opmerkingen van de leden in te gaan.
6.  Onverminderd het bepaalde in artikel 197 van het EG-Verdrag tracht de Voorzitter met de Commissie en de Raad overeenstemming te bereiken over een adequate verdeling van de spreektijd voor deze instellingen.
6.  Onverminderd het bepaalde in artikel 197 van het EG-Verdrag tracht de Voorzitter met de Commissie en de Raad overeenstemming te bereiken over een passende verdeling van de spreektijd voor deze instellingen.
7.  Leden die tijdens een debat niet het woord hebben gevoerd, kunnen hoogstens één maal per vergaderperiode een schriftelijke verklaring indienen van niet meer dan 200 woorden, die bij het volledig verslag van de vergadering wordt gevoegd.
7.  Leden die in een debat niet het woord hebben gevoerd, mogen ten hoogste éénmaal per vergaderperiode een schriftelijke verklaring van maximaal 200 woorden indienen, die bij het volledig verslag van de vergadering wordt gevoegd.
(De artikelen 141 en 143 komen te vervallen.)
Amendement 32
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 150 – lid 6 – alinea 2 bis (nieuw)
Wanneer er minder dan honderd leden aanwezig zijn, mag het Parlement een dergelijk besluit niet nemen als ten minste een tiende van de aanwezige leden daartegen bezwaar maakt.
Amendement 33
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 156
Indien op een verslag meer dan 50 amendementen ter behandeling ter plenaire vergadering zijn ingediend, kan de Voorzitter, in overleg met de voorzitter van de bevoegde commissie, deze commissie verzoeken een vergadering bijeen te roepen om deze amendementen te behandelen. Amendementen die in dit stadium door minder dan een tiende van de commissieleden worden gesteund, worden niet ter plenaire vergadering in stemming gebracht.
Zijn op een verslag meer dan vijftig amendementen en verzoeken om stemming in onderdelen of aparte stemming voor behandeling ter plenaire ingediend, dan kan de Voorzitter, in overleg met de voorzitter van de bevoegde commissie, deze commissie verzoeken een vergadering bijeen te roepen om deze amendementen of verzoeken te behandelen. Amendementen of verzoeken om stemming in onderdelen of aparte stemming die in dit stadium door ten minste een tiende van de commissieleden worden gesteund, worden niet ter plenaire vergadering in stemming gebracht.
Amendement 34
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 157 – lid 1
1.  Wanneer de in stemming te brengen tekst verschillende bepalingen bevat, betrekking heeft op verschillende onderwerpen of te splitsen is in verschillende delen die elk een logische betekenis en regelende waarde hebben, kan door een fractie of ten minste veertig leden verzocht worden om stemming in onderdelen.
1.  Wanneer de in stemming te brengen tekst verschillende bepalingen bevat, betrekking heeft op verschillende onderwerpen of op te splitsen is in verschillende delen met een eigen betekenis en/of regelende waarde, kan door een fractie of ten minste veertig leden om stemming in onderdelen worden verzocht.
Amendement 35
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 159 bis (nieuw)
Artikel 159 bis
Eindstemming
Bij stemming over een ontwerp van wetgevingshandeling, wordt bij een enkele stemming dan wel bij de eindstemming hoofdelijk gestemd met gebruikmaking van de elektronische steminstallatie.
Amendement 36
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 160 – lid 1
1.  Benevens in de in de artikelen 99, lid 4 en 100, lid 5 bedoelde gevallen heeft hoofdelijke stemming plaats wanneer een fractie of ten minste veertig leden uiterlijk de avond vóór de stemming hierom schriftelijk verzoeken, tenzij de Voorzitter een andere termijn vaststelt.
1.  Behalve in de in de artikelen 99, lid 4, 100, lid 5 en 159 bis bedoelde gevallen wordt hoofdelijk gestemd, wanneer een fractie of ten minste veertig leden uiterlijk de avond vóór de stemming schriftelijk hierom verzoeken, tenzij de Voorzitter een andere termijn heeft vastgesteld.
Amendement 37
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 160 – lid 2 – alinea 1
2.  Hoofdelijke stemming vindt plaats in alfabetische volgorde, te beginnen bij de naam van een door het lot aan te wijzen lid. De Voorzitter wordt als laatste opgeroepen.
2.  Hoofdelijke stemming vindt plaats met gebruikmaking van de elektronische steminstallatie. Indien de elektronische steminstallatie om technische redenen niet kan worden gebruikt, vindt de hoofdelijke stemming plaats in alfabetische volgorde, te beginnen bij de naam van een door het lot aan te wijzen lid. De Voorzitter wordt als laatste opgeroepen om te stemmen.
Amendement 38
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 162 – lid 4 – alinea 1
4.  Bij geheime stemmingen wordt de telling van de stemmen verricht door twee tot zes bij loting onder de leden aangewezen stemopnemers.
4.  Bij geheime stemmingen worden de stemmen geteld door twee tot acht bij loting onder de leden aangewezen stemopnemers, tenzij elektronisch wordt gestemd.
Amendement 39
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 172
1.  De notulen van elke vergadering, bevattende de besluiten van het Parlement en de namen der sprekers, worden ten minste een half uur voor het begin van de volgende vergadering des namiddags rondgedeeld.
1.  De notulen van elke vergadering, waarin verslag wordt gedaan van het verloop van de vergadering, de besluiten van het Parlement en de namen der sprekers, worden ten minste een half uur voor de hervatting van de volgende vergadering na de middagonderbreking rondgedeeld.
Als besluiten bedoeld in dit lid gelden in het kader van de wetgevingsprocedures ook alle door het Parlement aangenomen amendementen, zelfs wanneer het betreffende voorstel van de Commissie overeenkomstig artikel 52, lid 1, respectievelijk het gemeenschappelijk standpunt van de Raad overeenkomstig artikel 61, lid 3 uiteindelijk is verworpen.
Als besluiten bedoeld in dit artikel gelden in het kader van de wetgevingsprocedures ook alle door het Parlement aangenomen amendementen, zelfs wanneer het desbetreffende Commissievoorstel overeenkomstig artikel 52, lid 1, respectievelijk het standpunt van de Raad overeenkomstig artikel 61, lid 3 uiteindelijk is verworpen.
De door het Parlement aangenomen teksten worden afzonderlijk rondgedeeld. Wanneer de door het Parlement aangenomen teksten met wetgevend karakter amendementen bevatten, worden zij in geconsolideerde versie gepubliceerd.
2.  Aan het begin van de vergadering des namiddags legt de Voorzitter de notulen van de vorige vergadering aan het Parlement ter goedkeuring voor.
2.  Bij de hervatting van de vergadering na de middagonderbreking legt de Voorzitter de notulen van de vorige vergadering aan het Parlement ter goedkeuring voor.
3.  Indien tegen de notulen bezwaren worden ingebracht, beslist het Parlement zo nodig of de verzochte wijzigingen in overweging zullen worden genomen. Geen der leden mag langer dan één minuut over de notulen het woord voeren.
3.  Wordt tegen de notulen bezwaar gemaakt, dan beslist het Parlement zo nodig over de vraag of de gewenste wijzigingen in overweging worden genomen. Leden mogen hierover hooguit één minuut het woord voeren.
4.  De notulen worden door de Voorzitter en de secretaris-generaal ondertekend en in het archief van het Parlement bewaard. Zij worden binnen een maand in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.
4.  De notulen worden door de Voorzitter en de secretaris-generaal ondertekend en in het archief van het Parlement bewaard. Zij worden in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.
Amendement 40
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 172 bis (nieuw)
Artikel 172 bis
Aangenomen teksten
1.  De door het Parlement aangenomen teksten wordt onmiddellijk na de stemming gepubliceerd. Ze worden tezamen met de notulen van de desbetreffende vergadering aan het Parlement voorgelegd en worden in het archief van het Parlement bewaard.
2.  Onder verantwoordelijkheid van de Voorzitter wordt in juridisch-taalkundig opzicht de laatste hand gelegd aan de door het Parlement aangenomen teksten Wordt een tekst op basis van een akkoord tussen het Parlement en de Raad aangenomen, dan leggen de beide instellingen, in nauwe samenwerking en in onderling overleg, de laatste hand aan die tekst.
3.  De procedure van artikel 204 bis is van toepassing wanneer, ter waarborging van de samenhang en de kwaliteit van de tekst overeenkomstig de wensen van het Parlement, aanpassingen vereist zijn die verder gaan dan correcties van typefouten en correcties met het oog op de concordantie van alle taalversies, taalkundige juistheid en terminologische consistentie.
4.  De volgens de procedure van artikel 251 van het EG-Verdrag aangenomen tekstenhebben de vorm van een geconsolideerde. Wanneer de stemming in het Parlement niet op basis van een akkoord met de Raad heeft plaatsgevonden, dan worden in de geconsolideerde tekst alle aangenomen amendementen duidelijk aangegeven.
5.  Nadat de laatste hand is gelegd aan de aangenomen standpunten, worden deze door de Voorzitter en de secretaris-generaal ondertekend en in het Publicatieblad bekendgemaakt.
Amendement 41
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 175 – opschrift
Instelling van tijdelijke commissies
Instelling van bijzondere commissies
Het Parlement kan, op voorstel van de Conferentie van voorzitters, te allen tijde tijdelijke commissies instellen, waarvan de bevoegdheden, de samenstelling en de ambtstermijn terzelfder tijd als het besluit tot instelling ervan worden vastgesteld; de ambtstermijn is maximaal twaalf maanden, tenzij het Parlement deze termijn bij het verstrijken ervan verlengt.
Het Parlement kan, op voorstel van de Conferentie van voorzitters, te allen tijde bijzondere commissies instellen, waarvan de bevoegdheden, de samenstelling en de ambtstermijn tegelijk met het besluit tot instelling worden vastgesteld; de ambtstermijn is maximaal twaalf maanden, tenzij het Parlement deze termijn bij het verstrijken ervan verlengt.
Aangezien de taken, de samenstelling en het mandaat van de tijdelijke commissies tegelijkertijd met het besluit tot de instelling ervan worden vastgesteld, betekent dat dat het Parlement later niet kan besluiten hun taken te veranderen, ongeacht de vraag of deze worden beperkt of uitgebreid.
Daar de bevoegdheden, de samenstelling en de ambtstermijn van de bijzondere commissies tegelijk met het besluit tot instelling worden vastgesteld, betekent dat dat het Parlement later niet kan besluiten tot wijziging, inperking of uitbreiding van die bevoegdheden.
Amendement 42
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 177 – lid 1 – interpretatie (nieuw)
Voor de getalsverhouding tussen de fracties mag niet van het dichtstbijzijnde in aanmerking komende gehele getal worden afgeweken. Indien een fractie afziet van lidmaatschap van een bepaalde commissie, blijven de betrokken zetels vacant en wordt het ledental van de commissie dienovereenkomstig verlaagd. Ruilen van commissielidmaatschappen tussen fracties is niet toegestaan.
Amendement 43
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 179 – lid 2
2.  Ingeval een vaste commissie zich onbevoegd verklaart een vraagstuk te behandelen, of in geval van een competentieconflict tussen twee of meer vaste commissies, wordt de competentiekwestie binnen vier werkweken na de kennisgeving van de verwijzing ter plenaire vergadering bij de Conferentie van voorzitters aanhangig gemaakt. De Conferentie van commissievoorzitters wordt hiervan in kennis gesteld. Zij kan de Conferentie van voorzitters een aanbeveling doen. De Conferentie van voorzitters neemt binnen zes werkweken na de aanhangigmaking een besluit. Zo niet, dan wordt de competentiekwestie ter fine van een besluit op de agenda van de eerstvolgende vergaderperiode geplaatst.
2.  Ingeval een vaste commissie zich onbevoegd verklaart een vraagstuk te behandelen, of in geval van een competentieconflict tussen twee of meer vaste commissies, wordt de competentiekwestie binnen vier werkweken na de kennisgeving van de verwijzing ter plenaire vergadering aan de Conferentie van voorzitters voorgelegd. De Conferentie van voorzitters neemt binnen zes werkweken een besluit aan de hand van een aanbeveling van de Conferentie van commissievoorzitters, dan wel, bij ontstentenis van een aanbeveling van de voorzitter ervan. Indien de Conferentie van voorzitters binnen deze termijn geen besluit heeft genomen, wordt de aanbeveling geacht te zijn goedgekeurd.
Amendement 44
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 179 – lid 2 – interpretatie (nieuw)
Commissievoorzitters kunnen in onderlinge overeenstemming een onderwerp naar een bepaalde commissie verwijzen, eventueel onder voorbehoud van toestemming voor een procedure met medeverantwoordelijke commissies overeenkomstig artikel 47.
Amendement 45
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 182 bis (nieuw)
Artikel 182 bis
Commissiecoördinatoren en schaduwrapporteurs
1.  De fracties kunnen een van hun leden als coördinator aanwijzen.
2.  De coördinatoren worden zo nodig door de voorzitter van de commissie bijeengeroepen ter voorbereiding van door de commissie te nemen besluiten, met name inzake de te volgen procedure en de benoeming van rapporteurs. De commissie kan de bevoegdheid tot het nemen van bepaalde besluiten, uitgezonderd besluiten tot goedkeuring van verslagen, adviezen en amendementen, aan de coördinatoren delegeren. De ondervoorzitters kunnen worden uitgenodigd om als raadgevers aan het coördinatorenberaad deel te nemen. De coördinatoren trachten tot overeenstemming te komen. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, kunnen zij slechts een besluit nemen met een meerderheid die, gezien de ledentallen van de fracties, duidelijk een ruime meerderheid van de commissie vertegenwoordigt.
3.  De fracties kunnen voor elk verslag een schaduwrapporteur aanwijzen om de voortgang bij de opstelling van het verslag te volgen en namens de fractie tot compromissen te komen. Hun namen worden aan de voorzitter medegedeeld. De commissie kan op voorstel van de coördinatoren besluiten de schaduwrapporteurs bij het overleg te betrekken om in medebeslissingsprocedures tot overeenstemming met de Raad te komen.
Amendement 46
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 184
De notulen van iedere commissievergadering worden rondgedeeld aan alle commissieleden; zij worden de commissie tijdens haar eerstvolgende vergadering ter goedkeuring voorgelegd.
De notulen van iedere commissievergadering worden aan alle commissieleden rondgedeeld en ter goedkeuring aan de commissie voorgelegd.
Amendement 47
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 186
Het bepaalde in de artikelen 11, 12, 13, 16, 17, 140, 141, 143, lid 1, 146, 148, 150 tot en met 153, 155, 157, lid 1, 158, 159, 161, 162, 164 tot en met 167, 170 en 171 is mutatis mutandis van toepassing op de commissievergaderingen.
Het bepaalde in de artikelen 11, 12, 13, 16, 17, 34 tot en met 41, 140, 141, 143, lid 1, 146, 148, 150 tot en met 153, 155, 157, lid 1, 158, 159, 161, 162, 164 tot en met 167, 170 en 171 is mutatis mutandis van toepassing op de commissievergaderingen.
Amendement 48
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 188 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.  De voorzitter van een delegatie krijgt de gelegenheid in een commissie het woord te voeren wanneer er een onderwerp aan de orde is dat onder de bevoegdheid van de delegatie valt. Hetzelfde geldt bij vergaderingen van delegaties voor de voorzitter of rapporteur van die commissie.
Amendement 49
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 192 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Indien het verslag met name betrekking heeft op de toepassing of interpretatie van het recht van de Europese Unie of op voorstellen tot wijziging van bestaande wetgeving, wordt de ter zake bevoegde commmissie overeenkomstig artikel 46, lid 1, en artikel 47, eerste en tweede streepje, als medeverantwoordelijke commissie aangewezen. De bevoegde commissie aanvaardt zonder te stemmen suggesties van de ter zake bevoegde commissie voor onderdelen van de ontwerpresolutie die betrekking hebben op de toepassing of interpretatie van het recht van de Europese Unie of op wijzigingen in bestaande wetgeving. Wanneer de bevoegde commissie dergelijke suggesties niet aanvaardt, kan de medeverantwoordelijke commissie ze rechtstreeks ter plenaire vergadering indienen.
Amendement 50
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 204 – letter c bis (nieuw)
(c bis) door de bevoegde organen van het Parlement goedgekeurde richtsnoeren en gedragscodes (bijlagen XVI bis, XVI ter en XVI sexies).

Elektronische-communicatienetwerken en -diensten, privacybescherming en consumentenbescherming ***II
PDF 220kWORD 90k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld, met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (16497/1/2008 – C6-0068/2009 – 2007/0248(COD))
P6_TA(2009)0360A6-0257/2009
RECTIFICATIES

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (16497/1/2008 – C6-0068/2009),

–   gezien zijn in eerste lezing(1) geformuleerde standpunt inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0698),

–   gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2008)0723),

–   gelet op artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A6-0257/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het Parlement;

2.   neemt kennis van de als bijlage aan deze resolutie gevoegde verklaringen van de Commissie;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 6 mei 2009 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming

P6_TC2-COD(2007)0248


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in tweede lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Richtlijn 2009/136/EG.)

BIJLAGE

Verklaring van de Commissie inzake de universele dienst

(Overweging 3 bis) − Universele dienst

De Commissie neemt nota van de tekst van overweging 3 bis die door het Europees Parlement en de Raad is vastgesteld.

De Commissie bevestigt in dit verband haar standpunt, zoals uiteengezet in haar mededeling van 25 september 2008 inzake de omvang van de universele dienst met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en –diensten (COM(2008)0572); in de loop van 2009 zal zij een breed debat op EU-niveau genereren waarin een groot aantal verschillende benaderingen zal worden besproken en tevens alle belanghebbende partijen hun standpunt kenbaar kunnen maken.

De Commissie zal het debat samenvatten in een mededeling aan het Europees Parlement en de Raad en zal vóór 1 mei 2010 zo nodig met voorstellen komen met betrekking tot de universeledienstrichtlijn.

Verklaring van de Commissie inzake de meldingsplicht bij inbreuken met betrekking tot gegevens

Artikel 2, onder h en artikel 4, lid 3 – richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie

Met de hervorming van het regelgevingskader inzake elektronische communicatie wordt een nieuw concept ingevoerd voor de Europese wetgeving inzake gegevensbescherming en privacy: een meldingsplicht voor aanbieders van elektronische-communicatiediensten en -netwerken. Dit is een belangrijke stap op weg naar meer veiligheid en een betere bescherming van de privacy, al beperkt het zich in dit stadium tot de elektronische-communicatiesector.

De Commissie neemt kennis van de wens van het Europees Parlement om de meldingsplicht bij inbreuken met betrekking tot persoonsgegevens niet te beperken tot de elektronische-communicatiesector, maar ook op te leggen aan andere entiteiten, bijvoorbeeld aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij. Een dergelijke aanpak zou volledig in lijn zijn met het algemene doel van het overheidsbeleid om de persoonsgegevens van EU-burgers beter te beschermen.

In dit verband bevestigt de Commissie haar standpunt, zoals uiteengezet tijdens de onderhandelingen over de hervorming van het regelgevingskader, namelijk dat de meldingsplicht voor aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten bij inbreuken met betrekking tot persoonsgegevens de weg effent voor een breder debat over algemeen toepasselijke vereisten met betrekking tot het melden van inbreuken op de privacy.

De Commissie zal derhalve onverwijld beginnen met de voorbereidende werkzaamheden, met inbegrip van een raadpleging van de belanghebbenden, opdat zij uiterlijk tegen eind 2011 zo nodig met passende voorstellen op dit gebied kan komen. Verder zal de Commissie overleg plegen met de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming om te bepalen in hoeverre er ruimte bestaat om de beginselen die zijn neergelegd in de bepalingen inzake inbreukmeldingen van Richtlijn 2002/58/EG onmiddellijk op andere sectoren van toepassing te verklaren, ongeacht de sector of het soort gegevens waar het om gaat.

(1) Aangenomen teksten van 24.9.2008, P6_TA(2008)0452.


Elektronische-communicatienetwerken en -diensten ***II
PDF 617kWORD 286k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en Richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (16496/1/2008 – C6-0066/2009 – 2007/0247(COD))
P6_TA(2009)0361A6-0272/2009

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (16496/1/2008 – C6-0066/2009),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0697),

–   gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2008)0724),

–   gelet op artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0272/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 6 mei 2009 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en Richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten

P6_TC2-COD(2007)0247


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De werking van de vijf richtlijnen die het bestaande regelgevingskader vormen voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn)(5), Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn)(6), Richtlijn 2002/20/EG (Machtigingsrichtlijn)(7), Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstenrichtlijn)(8), en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(9) (hierna samen "de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen" genoemd)) is onderworpen aan een periodieke toetsing van de Commissie, met name om te bepalen of in het licht van technologische en marktontwikkelingen wijzigingen nodig zijn.

(2)  De Commissie deed verslag over haar eerste bevindingen in haar mededeling van 29 juni 2006 over de herziening van het regelgevingskader van de EU voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten. Op basis van deze eerste bevindingen werd een openbare raadpleging gehouden waarin werd vastgesteld dat het voortdurend ontbreken van een interne markt voor elektronische-communicatiediensten het voornaamste aspect was waaraan in de hervorming van het regelgevingskader aandacht moest worden besteed. Gefragmenteerde regelgeving en onderlinge tegenstrijdigheden tussen de activiteiten van de nationale regelgevende instanties bleken niet alleen het concurrentievermogen van de sector in gevaar te brengen maar ook de belangrijke consumentenvoordelen die anders zouden voortvloeien uit grensoverschrijdende concurrentie en grensoverschrijdende diensten of zelfs diensten in de gehele Gemeenschap.

(3)  Het EU-regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten moet derhalve worden hervormd om de interne markt voor elektronische communicatie te voltooien door wat de voornaamste markten betreft het communautair regelgevingsmechanisme ten aanzien van exploitanten met aanmerkelijke marktmacht te versterken. Dit wordt aangevuld door Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad van ... [tot oprichting van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau](10). De hervorming omvat ook de definitie van een strategie voor doelmatig en gecoördineerd spectrumbeheer teneinde een Interne Europese Informatieruimte te verwezenlijken en versterking van de dienstenverstrekking aan gebruikers met een handicap, met het oog op een inclusieve informatiemaatschappij.

(4)  Met erkenning van het feit dat het internet van wezenlijk belang is voor het onderwijs en de praktische uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en de toegang tot informatie, moet elke beperking die wordt opgelegd aan de uitoefening van deze grondrechten in overeenstemming zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Commissie moet een breed openbaar debat over deze zaken opstarten.

(5)  Het doel is om specifieke sectorregels ex ante steeds meer terug te brengen, naarmate de concurrentie in de markt zich ontwikkelt, en dat elektronische communicatie uiteindelijk volledig wordt geregeld door het mededingingsrecht. In aanmerking genomen dat de markten voor elektronische communicatie de afgelopen jaren een sterke concurrentiedynamiek te zien hebben gegeven, is het essentieel dat ex-ante regulerende verplichtingen alleen worden opgelegd wanneer er geen daadwerkelijke en duurzame mededinging is.

(6)  Bij de evaluatie van de werking van de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen beoordeelt de Commissie of er, gelet op de ontwikkelingen op de markt en zowel met betrekking tot de mededinging als tot de consumentenbescherming, nog steeds behoefte is aan de bepalingen betreffende sectorspecifieke regulering ex-ante in de artikelen 8 tot en met 13 bis van Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn) en artikel 17 van Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstrichtlijn) dan wel of deze bepalingen moeten worden gewijzigd of ingetrokken.

(7)  Teneinde te zorgen voor een aanpak die proportioneel is en aangepast aan variërende mededingingvoorwaarden, moeten nationale regelgevende instanties in staat zijn markten vast te stellen op subnationale basis en regelgevingsverplichtingen op te heffen in markten of geografische gebieden waar een effectieve concurrentie op infrastructuurgebied bestaat.

(8)  Om de doelstellingen van de agenda van Lissabon te halen, moeten behoorlijke stimulansen worden geboden ter bevordering van investeringen in nieuwe hogesnelheidsnetwerken die de innovatie in inhoudrijke internetdiensten ondersteunen en het internationale concurrentievermogen van de Europese Unie versterken. Dergelijke netwerken hebben enorme mogelijkheden om consumenten en bedrijven in de hele Europese Unie van dienst te zijn. Het is derhalve van cruciaal belang duurzame investeringen in de ontwikkeling van deze nieuwe netwerken te bevorderen, en tegelijkertijd de mededinging te beschermen en de keuze voor de consument te vergroten door middel van voorspelbaarheid en consistentie van de regelgeving.

(9)  In haar mededeling van 20 maart 2006, getiteld "Overbrugging van de breedbandkloof" erkende de Commissie dat de Europese Unie geografisch verdeeld is voor wat betreft de toegang tot snelle breedbanddiensten. Eenvoudiger toegang tot radiospectrum zal de ontwikkeling van hogesnelheidsbreedbanddiensten in afgelegen gebieden bevorderen. Ondanks de algemene toename van de breedbandconnectiviteit zijn de toegangsmogelijkheden in verschillende gebieden beperkt, omwille van de hoge kosten vanwege de lage bevolkingsdichtheid en de grote afstanden. Om ervoor te zorgen dat er in onderontwikkelde gebieden in nieuwe technologieën wordt geïnvesteerd, dient de regelgeving op het gebied van de elektronische communicatie in overeenstemming te zijn met andere beleidsterreinen, zoals het beleid inzake overheidssteun, cohesiebeleid of de doelstellingen van het breder industriebeleid.

(10)  Overheidsinvesteringen in netwerken dienen plaats te vinden overeenkomstig het non-discriminatiebeginsel. De overheidssteun moet daartoe worden toegekend via open, transparante en vergelijkende procedures.

(11)  Om de nationale regelgevende instanties in staat te stellen te voldoen aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen, met name wat de eind-tot-eind interoperabiliteit betreft, zou de draagwijdte van de Kaderrichtlijn moeten worden uitgebreid tot bepaalde aspecten van radio-apparatuur en eindapparatuur voor telecommunicatie zoals beschreven in Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit(11) en de consumentenapparatuur die voor digitale televisie wordt gebruikt, teneinde de toegang voor gebruikers met een handicap te vergemakkelijken.

(12)  Bepaalde definities zouden moeten worden verduidelijkt of gewijzigd om rekening te houden met markt- en technologische ontwikkelingen en om dubbelzinnigheden uit de weg te ruimen die bij de uitvoering van het regelgevingskader zijn geconstateerd.

(13)  De onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties zou moeten worden versterkt om te zorgen voor een meer doeltreffende toepassing van het regelgevingskader en hun autoriteit en de voorspelbaarheid van hun besluiten te verhogen. Hiertoe zouden uitdrukkelijke bepalingen moeten worden opgenomen in de nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat een nationale regelgevende instantie die verantwoordelijk is marktreglering ex ante of voor geschillenbeslechting tussen ondernemingen, bij het uitoefenen van haar taken, beschermd is tegen externe interventie of politieke druk die haar onafhankelijke oordeel over de vraagstukken die haar worden voorgelegd in gevaar zouden kunnen brengen. Dergelijke externe invloed maakt een nationale instantie ongeschikt om volgens het regelgevingskader op te treden als een nationale regelgevende instantie. Met het oog hierop zouden van te voren voorschriften moeten worden opgesteld met betrekking tot de redenen die aanleiding geven voor ontslag van het hoofd van de nationale regelgevende instantie om ervoor te zorgen dat er volstrekt geen twijfels kunnen zijn over de neutraliteit van die instantie en dat de instantie niet gevoelig is voor externe factoren. Het is van belang dat de nationale regelgevende instanties die verantwoordelijk zijn voor ex ante marktregelgeving, over hun eigen begroting beschikken, zodat zij met name voldoende gekwalificeerd personeel kunnen aanwerven. Met het oog op transparantie zou die begroting jaarlijks gepubliceerd moeten worden.

(14)  Om de marktdeelnemers rechtszekerheid te bieden, moeten de beroepsinstanties hun taken effectief uitoefenen; met name moeten de beroepsprocedures niet al te lang zijn. Voorlopige maatregelen die de gevolgen van het besluit van een nationale regelgevende instantie schorsen, dienen alleen in dringende gevallen te worden verleend om te voorkomen dat de partij die om dergelijke maatregelen verzoekt ernstige en onherstelbare schade wordt toegebracht en indien dit noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van een belangenevenwicht.

(15)  De manier waarop beroepsinstanties voorlopige maatregelen hebben toegepast om besluiten van de nationale regelgevende instanties te schorsen loopt nogal uiteen. Om de verschillende benaderingen meer op elkaar af te stemmen moet een gemeenschappelijke norm worden gehanteerd die spoort met de communautaire jurisprudentie. De beroepsinstanties moeten ook gerechtigd zijn beschikbare gegevens die door BEREC zijn bekendgemaakt op te vragen. Aangezien de beroepsprocedure voor de algemene werking van het regelgevingskader van belang is, zou er een mechanisme moeten komen dat de informatie over beroepsprocedures inzake, en besluiten tot schorsing van, besluiten van de regelgevende instanties in alle lidstaten verzamelt en tevens over die informatie aan de Commissie verslag uitbrengt.

(16)  Om hun regelgevende taken op doeltreffende wijze te kunnen uitvoeren, moeten de gegevens die de nationale regelgevende instanties bijeen brengen onder meer gegevens bevatten over de detailhandelmarkten die verbonden zijn aan groothandelmarkten waar een exploitant een aanmerkelijke marktmacht bezit en die dan ook door de nationale regelgevende instantie worden gereguleerd. Het gaat hierbij ook om gegevens die de nationale regelgevende instantie in staat moeten stellen de mogelijke impact te beoordelen van geplande verbeteringen of veranderingen aan de netwerktopologie op de ontwikkeling van concurrentie of op groothandelproducten die beschikbaar worden gesteld aan andere partijen.

(17)  De nationale raadpleging op grond van artikel 6 van de Kaderrichtlijn dient te worden uitgevoerd vóór de raadpleging van de Gemeenschap op grond van de artikelen 7 en 7 bis van die richtlijn, zodat bij de communautaire raadpleging met de standpunten van de belanghebbende partijen rekening kan worden gehouden. Dit zou een tweede communautaire raadpleging in geval van wijzigingen van een geplande maatregel als gevolg van de nationale raadpleging overbodig maken.

(18)  Deze vrijheid om zelf te besluiten hoe het regelgevingskader moet worden uitgevoerd moet wel verenigbaar zijn met de ontwikkeling van consequente regelgevingspraktijken en een consequente toepassing van het regelgevingskader om doeltreffend bij te dragen tot de ontwikkeling en voltooiing van de interne markt. De nationale regelgevende instanties zouden derhalve hun steun moeten verlenen aan de interne marktactiviteiten van de Commissie en aan die van BEREC.

(19)  Het communautair mechanisme waarmee de Commissie de nationale regelgevende instanties ertoe kan brengen geplande maatregelen met betrekking tot de marktdefinitie en het aanwijzen van exploitanten met aanmerkelijke macht op de markt in te trekken, heeft in belangrijke mate bijgedragen tot een samenhangende aanpak om vast te stellen onder welke omstandigheden ex ante- regelgeving kan worden toegepast en voor welke exploitanten zij geldt. Bij het toezicht op de markt door de Commissie, en met name bij ervaringen met de procedure op grond van artikel 7 van de Kaderrichtlijn, is gebleken dat de nationale regelgevende instanties zelfs bij gelijke marktomstandigheden de oplossingen op zeer uiteenlopende manieren toepassen, waardoor de interne markt in elektronische communicatie kan worden ondermijnd. De Commissie kan derhalve bijdragen tot het waarborgen van een hoger niveau van samenhang in de toepassing van de oplossingen door adviezen te geven inzake de door de nationale regelgevende instanties voorgestelde ontwerpmaatregelen. Om te profiteren van de deskundigheid van de nationale regelgevende instanties inzake de marktanalyse, dient de Commissie, alvorens besluiten te nemen en/of adviezen uit te brengen, bij BEREC te rade te gaan.

(20)  Het is van belang dat het regelgevingskader tijdig wordt uitgevoerd. Wanneer de Commissie heeft besloten dat een nationale regelgevende instantie een geplande maatregel moet intrekken, zou deze instantie een herziene versie moeten indienen. Voor de kennisgeving van de herziene maatregel aan de Commissie op grond van artikel 7 van de Kaderrichtlijn zou met het oog op de rechtszekerheid een termijn moeten worden vastgesteld zodat de marktdeelnemers op de hoogte zijn van de duur van de marktherziening.

(21)  Gezien de korte termijnen in het communautaire raadplegingsmechanisme dient de Commissie de bevoegdheid te worden gegeven om aanbevelingen en/of richtsnoeren vast te stellen ter vereenvoudiging van de procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de nationale regelgevende instanties − bijvoorbeeld in gevallen die betrekking hebben op stabiele markten of die alleen geringe wijzigingen inhouden van maatregelen waarvan al eerder kennisgeving is gedaan − of om de invoering mogelijk te maken van een vrijstelling van kennisgeving om procedures in bepaalde gevallen te stroomlijnen.

(22)  Overeenkomstig de doelstellingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, zou het regelgevingskader er voor moeten zorgen dat alle gebruikers, met inbegrip van eindgebruikers met een handicap, ouderen en gebruikers met speciale sociale behoeften eenvoudig toegang hebben tot betaalbare, kwalitatief goede diensten. Verklaring 22 in bijlage bij de Slotakte van Amsterdam bepaalt dat de instellingen van de Gemeenschap bij het vaststellen van maatregelen krachtens artikel 95 van het EG-Verdrag rekening moeten houden met de behoeften van personen met een handicap.

(23)  Een concurrerende markt biedt de gebruikers een breed scala van inhoud, toepassingen en diensten. De nationale regelgevende instanties bevorderen het vermogen van de gebruikers om toegang te krijgen tot informatie en deze te verspreiden en om gebruik te maken van toepassingen en diensten.

(24)  Radiofrequenties zouden moeten worden beschouwd als een schaars openbaar bezit met een belangrijke publieke en marktwaarde. Het is in het algemeen belang dat spectrum vanuit economisch, sociaal en milieuvriendelijk oogpunt, rekening houdend met de belangrijke rol van radiospectrum voor elektronische communicatie, de doelstellingen van culturele diversiteit en pluralisme van de media, en sociale en territoriale cohesie zo doelmatig en doeltreffend mogelijk wordt beheerd. Obstakels voor een doelmatig gebruik ervan dienen daarom geleidelijk uit de weg te worden geruimd.

(25)  De activiteiten in de Europese Gemeenschap in verband met het radiospectrumbeleid doen geen afbreuk aan op communautair of nationaal niveau in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht genomen maatregelen om doelstellingen van algemeen belang na te streven, in het bijzonder met betrekking tot inhoudsregulering en audiovisueel en mediabeleid, en het recht van de lidstaten om hun radiospectrum te gebruiken en te organiseren met het oog op de openbare orde, de openbare veiligheid en defensie.

(26)  Gelet op de uiteenlopende situaties in de lidstaten, zou de omschakeling van analoge naar digitale terrestrische televisie in de Europese Gemeenschap kostbaar spectrum (ook wel "het digitaal dividend" genoemd) vrijmaken dankzij de superieure doorgifteefficiëntie van de digitale technologie.

(27)  Voordat een specifieke harmonisatiemaatregel uit hoofde van Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap ("Radiospectrumbeschikking")(12) wordt voorgesteld, dient de Commissie een effectbeoordeling te maken met een evaluatie van de kosten en baten van de voorgestelde maatregelen, zoals de verwezenlijking van schaalvoordelen en interoperabiliteit van diensten ten behoeve van de consument, het effect op de doelmatigheid van het spectrumgebruik, of de vraag naar het geharmoniseerde gebruik in de verschillende delen van de EU.

(28)  Hoewel het spectrumbeheer onder de bevoegdheid van de lidstaten blijft vallen, kan strategische planning en coördinatie en, indien nodig, harmonisatie op communautair niveau helpen ervoor te zorgen dat spectrumgebruikers ten volle profiteren van de interne markt en dat de belangen van de EU wereldwijd doeltreffend kunnen worden behartigd. Daartoe moeten zo nodig wetgevende meerjarenprogramma's voor het radiospectrumbeleid worden vastgesteld om de beleidslijnen en -doelstellingen uiteen te zetten voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik in de Gemeenschap. Deze beleidslijnen en -doelstellingen kunnen verwijzen naar de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik van radiospectrum die nodig zijn voor de totstandbrenging en werking van de interne markt en kunnen in voorkomende gevallen ook verwijzen naar de harmonisatie van procedures voor het verlenen van algemene machtigingen of individuele rechten voor het gebruik van radiofrequenties om indien nodig belemmeringen voor de interne markt uit de weg te ruimen. Deze beleidslijnen en -doelstellingen dienen in overeenstemming te zijn met de bepalingen van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen.

(29)  De Commissie heeft haar voornemen te kennen gegeven om vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn Besluit 2002/622/EG van de Commissie van 26 juli 2002 tot oprichting van een Beleidsgroep Radiospectrum(13) te wijzigen, zodat dit het Europees Parlement en de Raad een instrument biedt om de Beleidsgroep Radiospectrum (RSPG) te vragen, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, advies of verslag uit te brengen over het spectrumbeleid met betrekking tot elektronische communicatie, en zodat de RSPG de Commissie adviseert over de voorgestelde inhoud van de beleidsprogramma's voor het radiospectrum.

(30)  De spectrumbeheersbepalingen in deze richtlijn moeten in overeenstemming zijn met de werkzaamheden van de internationale en regionale organisaties die zich met radiospectrumbeheer bezig houden, zoals de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) en de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en van Telecommunicatie (CEPT), teneinde het efficiënte beheer en de harmonisatie van het gebruik van het spectrum in de Gemeenschap en tussen lidstaten en andere leden van de ITU te waarborgen.

(31)  Radiofrequenties zouden zodanig moeten worden beheerd dat schadelijke interferentie wordt vermeden. Om dergelijke interferentie te voorkomen en ervoor te zorgen dat regelgevingsinterventie tot het hoognodige wordt beperkt zou het basisconcept van schadelijke interferentie dan ook naar behoren moeten worden gedefinieerd.

(32)  Het huidige spectrumbeheer en het distributiesysteem is over het algemeen gebaseerd op administratieve besluiten die niet flexibel genoeg zijn om te kunnen worden aangepast aan technologische en economische ontwikkelingen, met name de snelle ontwikkeling van draadloze technologie en de stijgende vraag naar bandbreedte. De onnodige fragmentering van nationale beleidslijnen heeft de kosten opgedreven en geleid tot verlies van marktmogelijkheden voor spectrumgebruikers en heeft de innovatie vertraagd, hetgeen ten koste gaat van de interne markt, de consument en de economie als geheel. De voorwaarden voor toegang tot en gebruik van radiofrequenties kunnen variëren afhankelijk van het type exploitant terwijl de elektronische diensten die deze exploitanten verschaffen elkaar steeds meer overlappen zodat spanning ontstaat tussen houders van rechten, de kosten van toegang tot spectrum uiteenlopen en de werking van de interne markt potentieel wordt verstoord.

(33)  De nationale grenzen spelen steeds minder een rol bij het vaststellen van optimaal radiospectrumgebruik. Fragmentering van het beheer van toegang tot spectrumrechten beperkt investeringen en innovatie en stelt exploitanten en fabrikanten van apparatuur niet in staat schaalvoordelen te verwezenlijken, zodat de ontwikkeling van een interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten die gebruik maken van radiospectrum wordt gehinderd.

(34)  Flexibiliteit bij het beheer van spectrum en toegang tot spectrum zouden moeten worden uitgebreid door middel van technologie- en dienstenneutrale machtigingen om spectrumgebruikers zelf de beste technologieën en diensten te laten kiezen die zij willen toepassen in frequentiebanden die beschikbaar zijn verklaard voor elektronische communicatiediensten in de betreffende nationale frequentieallocatieplannen in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht ("beginselen van technologie en dienstenneutraliteit"). Technologieën en diensten zouden alleen administratief mogen worden vastgesteld wanneer er doelstellingen van algemeen belang in het geding zijn en moeten naar behoren worden gemotiveerd en periodiek opnieuw worden onderzocht.

(35)  Beperkingen van het beginsel van technologieneutraliteit moeten passend zijn, en mogen alleen mogelijk zijn om schadelijke interferentie te voorkomen, bijvoorbeeld door zendmaskers en limieten voor het zendvermogen op te leggen, om te zorgen voor bescherming van de volksgezondheid door de blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden te beperken, om de goede werking van diensten te waarborgen door een toereikende technische kwaliteit van de dienst, om een correct gezamenlijk gebruik van het spectrum mogelijk te maken, met name wanneer het gebruik daarvan alleen is onderworpen aan algemene machtigingen, om het efficiënte gebruik van het spectrum te vrijwaren, of om een doelstelling van algemeen belang na te streven in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht.

(36)  Spectrumgebruikers zouden vrij moeten kunnen bepalen welke diensten zij via het spectrum willen aanbieden rekening houdend met de overgangsmaatregelen in verband met eerder verworven rechten. Mits deze noodzakelijk en evenredig zijn moeten aan de andere kant maatregelen mogelijk zijn indien het gaat om een specifieke dienst die duidelijke doeleinden van algemeen belang dient, zoals de veiligheid van het menselijk leven, de noodzaak om de sociale, regionale en territoriale samenhang te bevorderen of het vermijden van een ondoelmatig gebruik van het spectrum. Deze doelstellingen zouden ook de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit moeten omvatten, alsook pluralisme van de media zoals gedefinieerd door de lidstaten in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht. Behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het menselijk leven te beschermen of, in uitzonderingsgevallen, om andere doelstellingen van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht gedefinieerd te verwezenlijken, zouden maatregelen niet mogen leiden tot exclusief gebruik voor bepaalde diensten maar veeleer aan de betrokken dienst voorrang moeten verlenen zodat dezelfde band tegelijk zoveel mogelijk door andere diensten of technologieën kan worden benut.

(37)  De lidstaten zijn bevoegd de draagwijdte en de aard te definiëren van eventuele uitzonderingen wat betreft het bevorderen van culturele en taalkundige diversiteit en pluralisme van de media.

(38)  Omdat de toewijzing van spectrum aan specifieke technologieën of diensten een uitzondering vormt wat betreft de beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit en de regel dat aanbieders zelf de dienst die wordt verschaft of de technologie die wordt gebruikt kunnen kiezen, zou een voorstel voor een dergelijke toewijzing transparant moeten zijn en aan een openbare raadpleging moeten worden onderworpen.

(39)  Voor meer flexibiliteit en efficiëntie kunnen de nationale regelgevende instanties spectrumgebruikers ook de mogelijkheid bieden om hun gebruiksrechten vrij over te dragen of te verhuren aan derden, zodat de waarde van spectrum door de markt wordt bepaald. Omdat de nationale regelgevende instanties kunnen zorgen voor doelmatig gebruik van spectrum zouden zij maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat de handel in spectrum leidt tot een verstoring van de concurrentie waarbij spectrum niet wordt gebruikt.

(40)  Voor de invoering van technologie- en dienstenneutraliteit en de handel in bestaande spectrumgebruiksrechten zijn wellicht overgangsregels nodig met inbegrip van maatregelen om te zorgen voor billijke concurrentie omdat bepaalde spectrumgebruikers bij het nieuwe systeem concurrentie kunnen aangaan met spectrumgebruikers die hun spectrumrechten hebben verworven onder veel zwaardere voorwaarden. Wanneer daarentegen met het oog op de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang rechten zijn verleend in afwijking van de algemene regels of aan de hand van criteria die niet objectief, transparant, evenredig en niet-discriminerend zijn, mogen de houders van dergelijke rechten slechts in zoverre ten nadele van nieuwe concurrenten worden begunstigd als nodig is om die of een andere daarmee verband houdende doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken.

(41)  Om de werking van de interne markt te bevorderen en de ontwikkeling van grensoverschrijdende diensten te steunen, zou de Commissie de bevoegdheid moeten worden verleend om technische uitvoeringsmaatregelen op het gebied van de toekenning van nummers vast te stellen.

(42)  Vergunningen die zijn afgegeven aan ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken en -diensten aanbieden zodat zij toegang krijgen tot openbaar of particuliere eigendom zijn fundamentele factoren bij het opzetten van elektronische-communicatienetwerken of nieuwe netwerkelementen. Onnodige complexiteit en vertraging bij de procedures voor het verlenen van toegangsrechten kunnen derhalve belangrijke obstakels vormen voor de ontwikkeling van concurrentie. Erkende ondernemingen zouden op eenvoudige wijze toegangrechten moeten kunnen verwerven. Nationale regelgevende instanties zouden het verwerven van toegangsrechten moeten kunnen coördineren, en relevante informatie toegankelijk moeten maken op hun websites.

(43)  Het is noodzakelijk de bevoegdheden van lidstaten ten aanzien van de houders van toegangsrechten te versterken, om te zorgen voor een eerlijke, efficiënte en milieuverantwoorde invoering dan wel aanleg van een nieuw netwerk, ongeacht eventuele verplichtingen voor een exploitant met aanmerkelijke macht op de markt om toegang te verlenen tot zijn elektronische-communicatienetwerk. Een verbetering van het gezamenlijk gebruik van faciliteiten kan de concurrentie aanzienlijk verbeteren en de totale financiële en milieukosten die de invoering van elektronische-communicatie-infrastructuur, met name van nieuwe toegangsnetwerken, voor de ondernemingen meebrengt, sterk verlagen. De nationale regelgevende instanties moeten over de bevoegdheid beschikken om houders van de rechten om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, voor te schrijven dergelijke faciliteiten of eigendom te delen (met inbegrip van fysieke collocatie), teneinde efficiënte investeringen in infrastructuur en de bevordering van innovatie aan te moedigen, zulks na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat moeten zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen. Dergelijke regelingen inzake gedeeld gebruik of coördinatie kunnen een omslagregeling bevatten voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom en zorgen voor een passende verdeling van de beloning voor risico tussen de betrokken ondernemingen. De nationale regelgevende instanties zouden met name het gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten zoals kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten, straatkasten, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, gebouwen of toegangen tot gebouwen, en een betere coördinatie van civiele werken moeten kunnen opleggen. De bevoegde autoriteiten, met name de plaatselijke autoriteiten, moeten tevens, in samenwerking met de nationale regelgevende instanties, passende coördinatieprocedures met betrekking tot openbare werken en andere passende openbare faciliteiten of eigendom vaststellen, die procedures kunnen omvatten waardoor gewaarborgd wordt dat belanghebbende partijen over informatie betreffende passende openbare faciliteiten of eigendom en lopende en voorgenomen openbare werken beschikken, dat zij tijdig over dergelijke werken worden geïnformeerd en dat gedeeld gebruik zoveel mogelijk wordt vergemakkelijkt.

(44)  Betrouwbare en veilige communicatie van informatie speelt een steeds grotere rol in de economie en de samenleving in het algemeen. De complexiteit van systemen, technisch falen of menselijke fouten, ongelukken of aanvallen kunnen gevolgen hebben voor de werking en beschikbaarheid van de fysieke infrastructuur die belangrijke diensten verstrekt voor EU-burgers, met inbegrip van e-Government diensten. Nationale regelgevende instanties moeten er dan ook voor zorgen dat de integriteit en veiligheid van openbare communicatienetwerken wordt gehandhaafd. Het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA)(14) zou moeten bijdragen tot een betere veiligheid van elektronische communicatie door onder meer expertise en adviezen te verstrekken en de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen. Zowel het ENISA als de nationale regelgevende instanties zouden moeten kunnen beschikken over de noodzakelijke middelen om hun taken uit te voeren, met inbegrip van bevoegdheden om voldoende informatie te kunnen verzamelen om de veiligheid van de netwerken of diensten te kunnen beoordelen en uitgebreide en betrouwbare gegevens over feitelijke incidenten op het gebied van de veiligheid die belangrijke gevolgen hebben gehad voor de exploitatie van netwerken of diensten. Omdat adequate beveiliging niet een eenmalige aangelegenheid is maar een voortdurend proces van toepassing, herziening en aanpassing, moeten aanbieders van elektronische communicatienetwerken en -diensten verplicht worden maatregelen te nemen om hun integriteit en veiligheid te beschermen, afgestemd op de ingeschatte risico's, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de meest recente technische mogelijkheden.

(45)  De lidstaten dienen de mogelijkheid te bieden voor een adequate periode van openbare raadpleging alvorens specifieke maatregelen worden aangenomen, om ervoor te zorgen dat ondernemingen die openbare communicatienetwerken of publiek beschikbare elektronische-communicatiediensten aanbieden, de nodige technische en organisatorische maatregelen nemen om de risico's voor de veiligheid van hun netwerken of diensten goed te beheren of de integriteit van hun netwerken zeker te stellen.

(46)  Wanneer overeenstemming moet worden bereikt over een gemeenschappelijke reeks veiligheidseisen, moet de Commissie bevoegdheid krijgen om technische uitvoeringsmaatregelen goed te keuren om een passende beveiliging mogelijk te maken van elektronische-communicatienetwerken en -diensten in de interne markt. ENISA moet bijdragen aan de harmonisatie van passende, technische en organisatorische veiligheidsmaatregelen door deskundig advies te verstrekken. De nationale regelgevende instanties moeten de bevoegdheid hebben om bindende instructies te geven met betrekking tot de technische uitvoeringsmaatregelen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de Kaderrichtlijn. Om hun taken te vervullen moeten zij de bevoegdheid hebben onderzoek in te stellen en in geval van niet-naleving sancties op te leggen.

(47)  Om ervoor te zorgen dat er geen sprake is van verstoring of beperking van de mededinging op de elektronische-communicatiemarkten, moeten de nationale regelgevende instanties maatregelen kunnen opleggen die gericht zijn op het voorkomen van het gebruik van een aanzienlijke marktmacht op de ene markt om invloed uit te oefenen op een andere, nauw verwante markt. Het dient duidelijk te zijn dat de onderneming die over een aanzienlijke marktmacht op de eerste markt beschikt, alleen kan worden aangemerkt als onderneming met een aanzienlijke marktmacht op de tweede markt indien de koppelingen tussen beide markten van dien aard zijn dat de marktmacht op de eerste markt op de tweede markt kan worden gebruikt en indien de tweede markt aan regelgeving ex ante kan worden onderworpen aan de hand van criteria die zijn vastgesteld in de aanbeveling betreffende relevante producten- en dienstenmarkten(15).

(48)  Om marktdeelnemers zekerheid te verschaffen over regelgevingsvoorwaarden, moet een termijn worden vastgesteld voor marktherzieningen. Daarom moeten marktanalyses regelmatig en binnen een redelijke en passende tijdspanne worden uitgevoerd. Deze tijdspanne hangt mede af van het feit of al eerder een marktanalyse werd uitgevoerd van de markt in kwestie, en deze aan de betrokkenen is medegedeeld. Wanneer een nationale regelgevende instantie verzuimt binnen de vastgestelde termijn een marktanalyse uit te voeren, dan kan dit een gevaar voor de interne markt betekenen, terwijl ook normale inbreukprocedures niet steeds tijdig het gewenste effect opleveren. Anders moet de betrokken nationale regelgevende instantie BEREC om bijstand kunnen verzoeken om de marktanalyse te voltooien. Deze bijstand kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een specifieke task force bestaande uit vertegenwoordigers van de andere nationale regelgevende instanties.

(49)  Aangezien de sector van elektronische communicatie een snel evoluerende sector is die gekenmerkt wordt door technologische innovatie en zeer dynamische markten moet de regelgeving op gecoördineerde en geharmoniseerde wijze op Gemeenschapsniveau kunnen worden aangepast omdat gebleken is dat uiteenlopende opvattingen van de nationale regelgevende instanties over de uitvoering van het regelgevingskader van de EU de ontwikkeling van de interne markt zouden kunnen belemmeren.

(50)  Een belangrijke taak van BEREC is in voorkomend geval adviezen te verstrekken in verband met grensoverschrijdende geschillen. De nationale regelgevende instanties moeten in die gevallen dan ook rekening houden met eventuele adviezen van BEREC.

(51)  Uit ervaring die werd opgedaan bij de uitvoering van het regelgevingskader van de EU blijkt dat bestaande bepalingen die de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid geven boetes op te leggen onvoldoende waren om aan te zetten tot naleving van de regelgeving. Adequate bevoegdheden op het gebied van de rechtshandhaving kunnen ertoe bijdragen dat het regelgevingskader van de EU tijdig wordt uitgevoerd zodat zekerheid bestaat over de regelgeving, hetgeen een belangrijke drijfveer is voor investeringen. Het gebrek aan doeltreffende bevoegdheden in geval van niet-naleving is van toepassing in het gehele regelgevingskader van de EU. De invoering van een nieuwe bepaling in de Kaderrichtlijn om niet-nakoming van verplichtingen op grond van de Kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen aan te pakken moet dan ook zorgen voor toepassing van consequente en samenhangende beginselen op naleving en sancties voor het volledige regelgevingskader van de EU.

(52)  Het bestaande regelgevingskader van de EU omvatte een aantal bepalingen om de overgang van het oude regelgevingskader van 1998 tot het nieuwe kader van 2002 te vergemakkelijken. Deze overgang is nu in alle lidstaten afgerond en de maatregelen zijn dan ook overbodig geworden zodat zij moeten worden ingetrokken.

(53)  Efficiënte investeringen en mededinging moeten tegelijkertijd worden aangemoedigd, teneinde economische groei, innovatie en de keuzevrijheid voor de consument op te voeren.

(54)  De mededinging kan het best worden bevorderd door een in economisch opzicht efficiënt niveau van investeringen in nieuwe en bestaande infrastructuur, indien nodig aangevuld met regelgeving om daadwerkelijke mededinging bij kleinhandelsdiensten te bereiken. Een efficiënt niveau van mededinging op basis van infrastructuur is de mate van duplicatie van infrastructuur waarbij van investeerders redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij een correct rendement behalen op basis van redelijke verwachtingen omtrent de ontwikkeling van de marktaandelen.

(55)  Bij het opleggen van verplichtingen voor de toegang tot nieuwe en betere infrastructuur moeten de nationale regelgevende instanties ervoor zorgen dat de voorwaarden voor de toegang de omstandigheden weerspiegelen die aan het besluit tot investering ten grondslag lagen en onder meer rekening houden met de ontwikkelingskosten, de verwachte aanvaarding van de nieuwe producten en diensten en het verwachte prijsniveau voor de consument. Bovendien moeten de nationale regelgevende instanties, om de investeerders zekerheid over hun planning te bieden, in staat zijn zo nodig voorwaarden voor de toegang vast te stellen die consistent zijn gedurende geschikte herzieningsperioden. Deze voorwaarden kunnen ook prijsafspraken inhouden die overeenkomstig het Gemeenschapsrecht afhangen van de omvang of duur van een contract, en mits deze niet discriminerend werken. Bij de opgelegde voorwaarden voor de toegang moet rekening worden gehouden met de noodzaak om daadwerkelijke concurrentie bij de dienstverlening aan consumenten en bedrijven in stand te houden.

(56)  Bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen verplichtingen en voorwaarden houden de nationale regelgevende instanties rekening met de verschillende mededingingsvoorwaarden in de verschillende regio's in hun lidstaat.

(57)  Bij het opleggen van maatregelen om de prijzen in de hand te houden moeten de nationale regelgevende instanties voor een specifiek nieuw investeringsproject een billijke beloning voor de investeerder mogelijk maken. Met name kunnen risico's verbonden zijn aan investeringsprojecten die specifiek zijn voor nieuwe toegangsnetwerken die producten steunen waarvoor de vraag op het moment van investeren onzeker is.

(58)  Besluiten van de Commissie krachtens artikel 19, lid 1 van de kaderrichtlijn dienen beperkt te zijn tot regelgevende beginselen, benaderingen en methoden. Om twijfel te voorkomen, dienen deze geen details voor te schrijven die normaliter de nationale omstandigheden moeten weerspiegelen, en geen alternatieve benaderingen te verbieden waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat deze dezelfde uitwerking hebben. Zulke besluiten moeten evenredig zijn en geen invloed hebben op de besluiten van de nationale regelgevende instanties die geen belemmering voor de interne markt opwerpen.

(59)  In bijlage I bij de Kaderrichtlijn is de lijst opgenomen van markten die moeten worden vermeld in de aanbeveling van de Commissie betreffende relevante producten- en dienstenmarkten waarvoor regelgeving ex ante gerechtvaardigd kan zijn. Deze bijlage moet worden ingetrokken omdat voldaan is aan de doelstelling om te fungeren als basis voor het opstellen van de aanvankelijke versie van de Aanbeveling betreffende relevante producten- en dienstenmarkten.

(60)  Het is voor een nieuwkomer economisch wellicht niet haalbaar om binnen een redelijke termijn naast het gehele plaatselijke-toegangsnetwerk van de gevestigde exploitant of een deel daarvan een tweede aan te leggen. In dit verband kan het verplicht verlenen van ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk of het subnetwerk van exploitanten met aanmerkelijke marktmacht op de markt voor breedbandtoegang voor particulieren leiden tot een betere markttoegang en meer concurrentie. Onder omstandigheden waar ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk of subnetwerk technisch of economisch niet haalbaar is, kan gebruik gemaakt worden van verplichtingen tot het verstrekken van niet-fysieke of virtuele netwerktoegang met vergelijkbare functionaliteit.

(61)  Met functionele scheiding waarbij een verticaal geïntegreerde exploitant operationeel gescheiden bedrijfseenheden moet oprichten, wil men bewerkstelligen dat alle downstreamexploitanten, met inbegrip van de eigen downstreamafdelingen van de verticaal geïntegreerde exploitant, volledig gelijkwaardige toegangsproducten kunnen worden geleverd. Met functionele scheiding kan de concurrentie in verschillende relevante markten worden verbeterd door discriminatie minder aantrekkelijk te maken en door het makkelijker te maken om na te gaan of de niet-discriminatieverplichtingen worden nageleefd en door hierop toezicht te houden. In uitzonderlijke gevallen kan het worden toegestaan als instrument wanneer men er maar niet in slaagt binnen een redelijke termijn in verschillende markten een situatie te verwezenlijken waarin geen discriminatie plaatsvindt en waar geen of weinig vooruitzicht is op concurrentie op infrastructuurgebied en men reeds een beroep heeft gedaan op een of meer andere maatregelen die eerder geschikt werden geacht. Het is uiterst belangrijk ervoor te zorgen dat met het opleggen van dit instrument de prikkels van de onderneming in kwestie om te investeren in haar netwerk niet worden weggenomen en negatieve gevolgen te voorkomen voor het welzijn van de consument. Het opleggen van functionele scheiding vereist een gecoördineerde analyse van verschillende relevante markten die verband houden met het toegangsnetwerk, in overeenstemming met de in artikel 16 van de Kaderrichtlijn beschreven marktanalyseprocedure. Bij het uitvoeren van de marktanalyse en het bepalen van de details van de maatregel, moeten de nationale regelgevende instanties met name aandacht besteden aan de producten die door de afzonderlijke bedrijfseenheden worden beheerd, rekening houdend met de uitrol van de netwerken en de mate van technologische vooruitgang, die van invloed kunnen zijn op de substitueerbaarheid van vaste en draadloze diensten. Om verstoring van de concurrentie op de interne markt te vermijden is voorafgaande goedkeuring van de voorstellen voor functionele scheiding door de Commissie vereist.

(62)  De tenuitvoerlegging van functionele scheiding betekent niet dat er geen passende coördinatiemechanismen moeten zijn tussen de afzonderlijke bedrijfseenheden om er voor te zorgen dat de rechten van de moedermaatschappij op economisch toezicht en beheerstoezicht beschermd worden.

(63)  De voortschrijdende integratie van de interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten vereist een betere coördinatie bij de toepassing van de regelgeving ex ante zoals bepaald uit hoofde van het EU-regelgevingskader voor elektronische communicatie.

(64)  Wanneer een verticaal geïntegreerde onderneming een groot deel of alle plaatselijke toegangsnetwerkactiva wil onderbrengen in een afzonderlijk rechtspersoon met een andere eigenaar of door een afzonderlijke bedrijfseenheid op te richten die zich bezighoudt met toegangsproducten, moet de nationale regelgevende instantie nagaan welk effect dit heeft op de bestaande regelgevingsverplichtingen die zijn opgelegd aan de verticaal geïntegreerde exploitant om ervoor te zorgen dat eventuele nieuwe regelingen verenigbaar zijn met Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn) en Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstenrichtlijn). De desbetreffende nationale regelgevende instantie moet een nieuwe analyse uitvoeren van de markten waarop de gescheiden eenheid actief is en dienovereenkomstig verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken. Hiertoe moet de nationale regelgevende instantie de onderneming kunnen verzoeken informatie te verstrekken.

(65)  Hoewel een nationale regelgevende instantie exploitanten die geen aanmerkelijke marktmacht bezitten verplichtingen onder sommige omstandigheden kan opleggen om eind-tot-eindverbindingen of interoperabiliteit van diensten tot stand te brengen, moet dit wel gebeuren in overeenstemming met het regelgevingskader van de EU en met name met de kennisgevingsprocedures.

(66)  De Commissie moet de bevoegdheid worden gegeven uitvoeringsmaatregelen goed te keuren om de voorwaarden voor toegang tot digitale televisie- en radiodiensten zoals beschreven in bijlage I aan te passen aan markt- en technologische ontwikkelingen. Dit geldt tevens voor de minimumlijst van punten in bijlage II die met het oog op de transparantieverplichting moet worden bekend gemaakt.

(67)  Wanneer de marktspelers gemakkelijker toegang krijgen tot de beschikbare radiofrequenties zal dit helpen belemmeringen voor de toegang tot de markt uit de weg te ruimen. Bovendien houdt technologische vooruitgang een vermindering in van het risico van schadelijke interferentie op bepaalde frequentiebanden, waardoor individuele gebruiksrechten minder noodzakelijk worden. Voorwaarden voor het gebruik van spectrumruimte om elektronische-communicatiediensten te verstrekken moeten derhalve in de regel worden vastgelegd in algemene machtigingen, behalve wanneer op grond van het spectrumgebruik individuele rechten nodig zijn ter bescherming tegen schadelijke interferentie, om de technische kwaliteit van de dienst te verzekeren om een efficiënt spectrumgebruik te waarborgen, of om te voldoen aan specifieke doelstellingen van algemeen belang. Beslissingen inzake de noodzaak om individuele rechten toe te kennen moeten transparant en evenredig zijn.

(68)  De eis dat het verlenen van gebruiksrechten diensten- en technologieneutraal moet zijn, zal, samen met de uitbreiding van de mogelijkheid om tussen ondernemingen rechten over te dragen, de vrijheid en middelen om elektronische-communicatiediensten aan het publiek te verstrekken vergroten en het zo makkelijker maken doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken. Bepaalde verplichtingen van algemeen belang die zijn opgelegd aan omroepen voor het verlenen van audiovisuele mediadiensten kunnen echter de toepassing van specifieke criteria voor het verlenen van gebruiksrechten noodzakelijk maken, indien blijkt dat zulks van fundamenteel belang is om te voldoen aan een specifieke doelstelling van algemeen belang als bepaald door de lidstaten overeenkomstig het Gemeenschapsrecht. Procedures die verband houden met het nastreven van doelstellingen van algemeen belang moeten onder alle omstandigheden transparant, objectief, evenredig en niet-discriminerend zijn.

(69)  Omdat een individueel gebruiksrecht de vrije toegang tot radiofrequenties beperkt, mag een dergelijk individueel, niet-verhandelbaar gebruiksrecht slechts een beperkte geldigheidsduur hebben. Wanneer de geldigheidsduur van gebruiksrechten wel kan worden verlengd, moeten de bevoegde nationale instanties eerst een evaluatie uitvoeren, met inbegrip van een openbare raadpleging, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkelingen inzake de markt, en de dekking, en met de technologische ontwikkeling. Gezien de spectrumschaarste moeten individuele rechten die aan ondernemingen worden verleend regelmatig worden geëvalueerd. Bij deze toetsing moeten de bevoegde nationale instanties de belangen van de houders van rechten afwegen tegen de noodzaak de handel in frequenties en een flexibeler gebruik van spectrum te bevorderen door waar mogelijk te werken met algemene machtigingen.

(70)  Kleine wijzigingen van rechten en plichten zijn wijzigingen die hoofdzakelijk van administratieve aard zijn, niet leiden tot verandering van de inhoud in substantie van de algemene machtigingen en de individuele gebruiksrechten en derhalve geen relatief voordeel voor de andere ondernemingen opleveren.

(71)  De bevoegde nationale instanties moeten de bevoegdheid hebben te zorgen voor een doeltreffend gebruik van spectrum en, wanneer sprake is van ongebruikt spectrum, maatregelen kunnen nemen om het tegen de vrije concurrentie indruisende achterhouden van frequenties te voorkomen omdat dat een belemmering kan vormen voor nieuwkomers op de markt.

(72)  Nationale regelgevende instanties moeten doelmatige actie kunnen nemen om toezicht te houden op en naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging of van het gebruiksrecht, met inbegrip van de bevoegdheid om doelmatige financiële sancties of administratieve sancties op te leggen wanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd.

(73)  Bij de voorwaarden voor die machtigingen moet rekening worden gehouden met specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de toegankelijkheid voor gebruikers met een handicap en de noodzaak van openbare autoriteiten en hulpdiensten om onderling en met het publiek te communiceren voor, tijdens of na grote rampen. Rekening houdend met het belang van technische innovatie moeten de lidstaten eveneens machtigingen kunnen verstrekken om spectrum te gebruiken voor experimentele doeleinden, afhankelijk van specifieke beperkingen en voorwaarden die strikt gemotiveerd moeten worden door de experimentele aard van dergelijke rechten.

(74)  Verordening (EG) nr. 2887/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk(16) heeft bewezen doeltreffend te zijn in de eerste fase van marktopening. Op grond van de Kaderrichtlijn moet de Commissie toezicht houden op de overgang van het regelgevend kader van 1998 naar het kader van 2002 en voorstellen op tafel leggen om die verordening te gelegener tijd in te trekken. Volgens het kader van 2002 hebben de nationale regelgevende instanties tot taak de groothandelsmarkt voor ongebundelde toegang tot metalen aansluitnetwerken en subnetten voor het verstrekken van breedband en spraakdiensten te analyseren zoals omschreven in de Aanbeveling inzake relevante markten voor producten en diensten. Omdat alle lidstaten deze markt ten minste een maal hebben geanalyseerd en passende verplichtingen gebaseerd op het kader van 2002 zijn vastgesteld is Verordening (EG) nr. 2887/2000 overbodig geworden en deze verordening moet derhalve worden ingetrokken.

(75)  De maatregelen die vereist zijn voor de tenuitvoerlegging van de Kader-, Toegangs- en Machtigingsrichtlijn moeten worden vastgesteld in overeenstemming met Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(17).

(76)  In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om aanbevelingen en/of uitvoeringsmaatregelen vast te stellen in verband met de kennisgeving overeenkomstig artikel 7 van de Kaderrichtlijn; de harmonisatie op het gebied van spectrum en nummering alsmede op verwante gebieden als veiligheid van netwerken en diensten; de identificatie van de relevante producten- en dienstenmarkten; de identificatie van transnationale markten; de uitvoering van de normen en de geharmoniseerde toepassing van de bepalingen van het regelgevingskader. Ook zou de Commissie de bevoegdheid moeten worden gegeven om uitvoeringsmaatregelen te nemen om de bijlagen I en II bij de Toegangsrichtlijn aan te passen aan de markt- en technologische ontwikkelingen. Aangezien het maatregelen van algemene strekking tot wijziging van nieuwe niet-essentiële onderdelen van deze richtlijnen, onder meer door hen aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten ze worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing, als bepaald in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn)

Richtlijn 2002/21/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)  Artikel 1, lid 1, wordt vervangen door:"

1.  Bij deze richtlijn wordt een geharmoniseerd kader voor de regulering van elektronische-communicatiediensten, elektronische-communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten vastgesteld, evenals bepaalde aspecten van eindapparatuur om de toegang voor gebruikers met een handicap te vergemakkelijken. De richtlijn legt taken van de nationale regelgevende instanties vast alsmede een reeks procedures om de geharmoniseerde toepassing van het regelgevingskader in de gehele Gemeenschap te waarborgen. ▌

"

2)  Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 1, onder a), wordt vervangen door:"
   a) "elektronische-communicatienetwerk": de transmissiesystemen en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele terrestrische netwerken, elektriciteitsnetten, voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie;
"
   b) wordt b) vervangen door:"
   b) "transnationale markten": overeenkomstig artikel 15, lid 4, gedefinieerde markten die de Gemeenschap of een aanzienlijk, zich over meer dan één lidstaat uitstrekkend, deel daarvan beslaan;
"
   c) punt d) wordt vervangen door:"
   d) "openbaar communicatienetwerk": een elektronisch-communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om voor het publiek beschikbare elektronische-communicatiediensten aan te bieden ter ondersteuning van de overdracht van informatie tussen netwerkaansluitpunten;
"
   d) wordt het volgende ingevoegd:"
d bis) "netwerkaansluitpunt" (NAP): het fysieke punt waarop een abonnee de toegang tot een openbaar communicatienetwerk wordt geboden; in het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties wordt het NAP bepaald door middel van een specifiek netwerkadres, dat met een abonneenummer of -naam kan zijn verbonden;"
   e) punt e) wordt vervangen door:"
   e) "bijbehorende faciliteiten": de bij een elektronisch-communicatienetwerk en/of een elektronische-communicatiedienst behorende diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten of elementen die het aanbieden van diensten via dat netwerk en/of dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en onder meer gebouwen of toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten en straatkasten omvatten;
"
   f) wordt het volgende ingevoegd:"
e bis) "bijbehorende diensten": de bij een elektronisch-communicatienetwerk en/of een elektronische-communicatiedienst behorende diensten die het aanbieden van diensten via dat netwerk en/of dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en onder meer nummervertaalsystemen of systemen met soortgelijke functies, voorwaardelijke toegangssystemen en elektronische programmagidsen alsmede andere diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten omvatten;"
   g) punt l) wordt vervangen door:"
_____________________
* PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
   l) "bijzondere richtlijnen": Richtlijn 2002/20/EG (Machtigingsrichtlijn), Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn), Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstenrichtlijn) en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)*;
"
   h) de volgende punten worden toegevoegd:"
   q) "spectrumtoewijzing": de aanwijzing van een specifieke frequentieband voor gebruik door een of meer soorten radiocommunicatiediensten, waar passend onder duidelijk omschreven voorwaarden;
   r) "schadelijke interferentie": interferentie die het functioneren van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsvoorzieningen in gevaar brengt, of die een overeenkomstig de geldende internationale, communautaire of nationale voorschriften werkende radiocommunicatiedienst op een andere wijze ernstig verslechtert, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;
   s) "oproep": door middel van een openbaar beschikbare elektronische-communicatiedienst tot stand gebrachte verbinding die tweewegspraakcommunicatie mogelijk maakt;
"

3)  Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 3 wordt vervangen door:"
3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze en tijdig uitoefenen. De lidstaten zien erop toe dat de nationale regelgevende instanties over voldoende financiële en menselijke middelen beschikken om de hun toegewezen taken uit te voeren."
   b) de volgende leden wordt toegevoegd:"
3 bis.  Onverminderd de bepalingen van de leden 4 en 5, treden de nationale regelgevende instanties die verantwoordelijk zijn voor marktregulering ex ante of voor de beslechtingen van geschillen tussen ondernemingen overeenkomstig artikel 20 of 21 van deze richtlijn, onafhankelijk op en vragen of aanvaarden zij geen instructies van andere instanties in verband met de uitoefening van deze taken die hun op grond van de nationale wetgeving tot omzetting van het Gemeenschapsrecht zijn toegewezen. Dit vormt geen beletsel voor toezicht overeenkomstig de nationale grondwet. Alleen beroepsinstanties die zijn opgezet in overeenstemming met artikel 4, zijn bevoegd besluiten van de nationale regelgevende instanties te schorsen of ongedaan te maken. De lidstaten zorgen ervoor dat het hoofd, of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van een nationale regelgevende instantie als bedoeld in de eerste alinea, of hun plaatsvervangers alleen kunnen worden ontslagen indien zij niet meer aan de tevoren in de nationale wetgeving vastgestelde eisen voor de uitoefening van dat ambt voldoen. Het besluit om het hoofd, of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de betrokken nationale regelgevende instantie te ontslaan wordt openbaar gemaakt op het moment van ontslag. Het ontslagen hoofd of, in voorkomend geval, de ontslagen leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de nationale regelgevende instantie ontvangen een motivering en hebben het recht de openbaarmaking daarvan te verlangen, indien zulks anders niet zou geschieden; in dat geval wordt zij openbaar gemaakt.
De lidstaten zorgen ervoor dat de in de eerste alinea bedoelde nationale regelgevende instanties over afzonderlijke jaarlijkse begrotingen beschikken. De begroting wordt openbaar gemaakt. De lidstaten zorgen er eveneens voor dat de nationale regelgevende instanties over voldoende financiële middelen en personeel beschikken om hen in staat te stellen actief deel te nemen aan en bij te dragen tot het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC)*.
3 ter.  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de doelstellingen van BEREC voor wat het bevorderen van de coördinatie van de regelgeving en van de coherentie betreft, actief worden ondersteund door de respectieve nationale regelgevende instanties.
3 quater.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de aanneming van hun beslissingen voor hun nationale markten zeer zorgvuldig rekening houden met door BEREC gegeven adviezen en gemeenschappelijk standpunten.
______________________________
* Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad van …? [tot oprichting van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau].";"

4)  Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 1 wordt vervangen door:"
  "1. De lidstaten zorgen ervoor dat er op nationaal niveau doeltreffende regelingen voorhanden zijn krachtens welke iedere gebruiker of onderneming die elektronische-communicatienetwerken en/of -diensten aanbiedt, die door een beslissing van een nationale regelgevende instantie is getroffen, het recht heeft om tegen die beslissing beroep in te stellen bij een lichaam van beroep dat onafhankelijk is van de betrokken partijen. Dit lichaam, bijvoorbeeld een rechtbank, bezit de nodige deskundigheid ▌om zijn taken effectief te kunnen uitoefenen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de feiten van de zaak op afdoende wijze in aanmerking worden genomen en dat er een doeltreffend mechanisme voor het instellen van beroep aanwezig is.
In afwachting van de uitkomst van het beroep wordt de beslissing van de nationale regelgevende instantie gehandhaafd, behalve wanneer overeenkomstig het nationaal recht voorlopige maatregelen worden verleend."
   b) het volgende nieuwe lid wordt ingevoegd:"
3.  De lidstaten verzamelen informatie over het algemene voorwerp van de beroepen, het aantal verzoeken voor beroep, de duur van de beroepsprocedures en het aantal besluiten om voorlopige maatregelen te verlenen. De lidstaten verstrekken die gegevens aan de Commissie, respectievelijk BEREC ingevolge een met redenen omkleed verzoek van de Commissie, respectievelijk BEREC."

5)  Artikel 5, lid 1, wordt vervangen door:"

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken en -diensten aanbieden, alle, ook financiële, informatie verstrekken die de nationale regelgevende instanties nodig hebben om de naleving te waarborgen van deze richtlijn, van de besluiten die zijn genomen in overeenstemming ermee en van de specifieke richtlijnen. Met name kunnen de nationale regelgevende instanties van deze ondernemingen verlangen dat zij informatie verstrekken met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen van hun netwerk of diensten die een impact zouden kunnen hebben op de diensten op groothandelsniveau die zij beschikbaar stellen aan concurrenten. Van ondernemingen met een aanmerkelijke macht op groothandelsmarkten kan ook worden verlangd dat zij gegevens verstrekken over de detailhandelsmarkten die verbonden zijn met die groothandelsmarkten.

Ondernemingen verstrekken dergelijke informatie op verzoek onverwijld en volgens de door de nationale regelgevende instantie vastgestelde termijnen en mate van detail. De door de nationale regelgevende instantie gevraagde informatie dient in evenredigheid te zijn met de uitvoering van die taak. De nationale regelgevende instantie noemt de redenen voor haar verzoek om informatie en behandelt de informatie overeenkomstig lid 3.

"

6)  De artikelen 6 en 7 worden vervangen door:"

Artikel 6

Raadpleging en transparantie

Behalve in gevallen die vallen onder artikel 7, lid 9, artikel 20 of artikel 21, zorgen de lidstaten ervoor dat, wanneer de nationale regelgevende instanties voornemens zijn krachtens deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen maatregelen te nemen, dan wel wanneer zij voornemens zijn krachtens artikel 9, leden 3 en 4, beperkingen vast te stellen die een belangrijke impact op de betrokken markt hebben, de belanghebbende partijen de mogelijkheid wordt geboden binnen een redelijke periode opmerkingen over de ontwerpmaatregel in te dienen.

De nationale regelgevende instanties publiceren hun nationale raadplegingsprocedures.

De lidstaten dragen zorg voor de oprichting van een enkel informatiepunt waar inzage verkregen kan worden in alle lopende raadplegingsprocedures.

De resultaten van de raadpleging worden door de nationale regelgevende instanties openbaar gemaakt, behalve in geval van vertrouwelijke informatie overeenkomstig het communautair en nationaal recht betreffende zakelijke vertrouwelijkheid.

Artikel 7

Consolidatie van de interne markt voor elektronische communicatie

1.  De nationale regelgevende instanties houden bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven taken zoveel mogelijk rekening met de doelstellingen van artikel 8, waaronder die welke verband houden met de werking van de interne markt.

2.  Nationale regelgevende instanties dragen bij tot de ontwikkeling van de interne markt door op transparante wijze met elkaar en met de Commissie en BEREC samen te werken om te zorgen voor de consistente toepassing in alle lidstaten van deze richtlijn en van de bijzondere richtlijnen. Hiertoe moeten zij met name samenwerken met de Commissie en BEREC om na te gaan welke soorten instrumenten en oplossingen het meest geschikt zijn om bepaalde soorten situaties op de markt aan te pakken.

3.  Behalve wanneer anders bepaald in aanbevelingen of richtsnoeren die zijn vastgesteld op grond van artikel 7 ter, nadat de in artikel 6 bedoelde raadpleging is afgesloten, maakt een nationale regelgevende instantie, wanneer zij voornemens is een maatregel te nemen die:

   a) valt binnen de draagwijdte van de artikelen 15 of 16 van deze richtlijn of de artikelen 5 of 8 van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn); en
   b) van invloed is op de handel tussen de lidstaten,
  

de ontwerpmaatregel tegelijkertijd toegankelijk is voor de Commissie, BEREC en de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten, vergezeld van een motivering, overeenkomstig artikel 5, lid 3, en brengt zij de Commissie, BEREC en de andere nationale regelgevende instanties daarvan op de hoogte. De nationale regelgevende instanties, BEREC en de Commissie krijgen een maand de tijd om opmerkingen in te dienen bij de nationale regelgevende instantie in kwestie. De periode van één maand kan niet worden verlengd.

4.  Indien een maatregel als bedoeld in lid 3 betrekking heeft op:

   a) het definiëren van een relevante markt die verschilt van de markten die in de aanbeveling overeenkomstig artikel 15, lid 1, zijn gedefinieerd; of
   b) het al dan niet aanwijzen van een onderneming die, hetzij individueel of gezamenlijk met anderen, aanzienlijke marktmacht bezit overeenkomstig artikel 16, leden 3, 4 of 5, ▌
  

en van invloed zou zijn op de handel tussen de lidstaten, en de Commissie de nationale regelgevende instantie heeft meegedeeld dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne Europese markt opwerpt of indien zij ernstige twijfels heeft omtrent de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met het Gemeenschapsrecht en met name met de in artikel 8 genoemde doelstellingen, wordt de vaststelling van de maatregel met nog eens twee maanden uitgesteld. Deze periode kan niet worden verlengd. De Commissie stelt de andere nationale regelgevende instanties in dat geval in kennis van haar voorbehouden.

5.  De Commissie kan binnen de in lid 4 genoemde periode van 2 maanden:

   a) een besluit nemen ▌waarmee zij van de betrokken nationale regelgevende instantie verlangt dat deze de ontwerp-maatregel intrekt; en/of
  

   b) het besluit nemen haar voorbehouden bij de in lid 4 bedoelde ontwerpmaatregelen in te trekken.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het advies van BEREC alvorens een besluit te nemen ▌. Het besluit ▌gaat vergezeld van een gedetailleerde en objectieve analyse van de redenen waarom de Commissie van mening is dat de ontwerpmaatregel niet dient te worden genomen, samen met specifieke voorstellen tot wijziging van de ontwerpmaatregel.

6.  Uiterlijk zes maanden na de dag waarop de Commissie overeenkomstig lid 5, onder a), een besluit heeft genomen waarmee van de nationale regelgevende instantie wordt verlangd dat deze een ontwerpmaatregel intrekt, trekt de nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel in dan wel wijzigt zij deze. Wanneer de ontwerpmaatregel wordt gewijzigd houdt de nationale regelgevende instantie een openbare raadpleging in overeenstemming met de in artikel 6 bedoelde procedures, en stelt zij de Commissie opnieuw in kennis van de gewijzigde ontwerpmaatregel overeenkomstig het bepaalde in lid 3.

7.  De betrokken nationale regelgevende instantie houdt zoveel mogelijk rekening met opmerkingen van andere nationale regelgevende instanties, BEREC en de Commissie en kan, uitgezonderd in de in de leden 4 en 5, onder a), genoemde gevallen, de uiteindelijke ontwerpmaatregel goedkeuren en, in voorkomend geval, aan de Commissie meedelen.

8.  De nationale regelgevende instantie deelt de Commissie en BEREC alle aangenomen definitieve maatregelen mee die onder artikel 7, lid 3, onder a) en b), vallen.

9.  In uitzonderlijke omstandigheden kan een nationale regelgevende instantie die oordeelt dat er een dringende noodzaak is om te handelen, in afwijking van de procedure genoemd in de leden 3 en 4, teneinde de concurrentie te waarborgen en de belangen van de gebruikers te beschermen, onmiddellijk evenredige en voorlopige maatregelen vaststellen. Zij deelt die maatregelen onverwijld volledig met redenen omkleed mede aan de Commissie, de andere nationale regelgevende instanties en BEREC. Een besluit van de nationale regelgevende instantie om dergelijke maatregelen permanent te maken of de periode waarvoor zij van toepassing zijn, te verlengen, valt onder de bepalingen van de leden 3 en 4.

"

7)  De volgende artikelen worden ingevoegd:"

Artikel 7 bis

Procedure voor de consequente toepassing van oplossingen

1.  Wanneer een maatregel in het kader van artikel 7, lid 3, voorgenomen maatregel bedoeld is om een verplichting voor een exploitant op te leggen, te wijzigen of in te trekken in toepassing van artikel 16 in samenhang met de artikelen 5 en 9 tot en met 13 van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn) en artikel 17 van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn), kan de Commissie, binnen de periode van één maand als bepaald in artikel 7, lid 3, de betrokken nationale regelgevende instantie en BEREC in kennis stellen van redenen waarom dat zij vindt dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne markt opwerpt of van de ernstige twijfels die zij heeft omtrent de verenigbaarheid van de maatregel met het Gemeenschapsrecht. In een dergelijk geval wordt het vaststellen van de maatregel uitgesteld tot drie maanden na de kennisgeving van de Commissie.

Bij uitblijven van een dergelijke kennisgeving kan de betrokken nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel vaststellen, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met eventuele opmerkingen die door de Commissie, BEREC of door andere nationale regelgevende instanties zijn gemaakt.

2.  Binnen de periode van drie maanden zoals genoemd in lid 1, zullen de Commissie, BEREC en de betreffende nationale regelgevende instantie nauw samenwerken, met als doel de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen in het licht van de doelstellingen van artikel 8, waarbij rekening wordt gehouden met de standpunten van marktdeelnemers en de noodzaak om te zorgen voor de ontwikkeling van een consequente regelgevingspraktijk.

3.  Binnen zes weken vanaf het begin van de periode van drie maanden als bedoeld in lid 1, brengt BEREC, handelend met een meerderheid van zijn leden, advies uit over de kennisgeving van de Commissie als bedoeld in dat lid, geeft aan of het van mening is dat de ontwerpmaatregel moet worden gewijzigd of ingetrokken en doet hiertoe zo nodig specifieke voorstellen. Dit advies is met redenen omkleed en wordt openbaar gemaakt.

4.  Indien BEREC in zijn advies de ernstige twijfels van de Commissie deelt, werkt het nauw samen met de betrokken nationale regelgevende instantie, met als doel de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen. Vóór het einde van de in lid 1 bedoelde periode van drie maanden kan de nationale regelgevende instantie:

   a) de ontwerpmaatregel wijzigen of intrekken, zoveel mogelijk rekening houdend met de in lid 1 bedoelde kennisgeving van de Commissie en de adviezen van BEREC;
   b) de ontwerpmaatregel handhaven.

5.  Indien BEREC de ernstige twijfels van de Commissie niet deelt of geen advies uitbrengt, of indien de nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel overeenkomstig lid 4 wijzigt of handhaaft, kan de Commissie binnen een maand na het einde van de in lid 1 bedoelde periode van drie maanden en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC:

   a) een aanbeveling doen waarin van de betrokken nationale regelgevende instantie wordt verlangd de ontwerpmaatregel te wijzigen of in te trekken en waarin zij haar aanbeveling met redenen omkleed, vooral wanneer BEREC de ernstige twijfels van de Commissie niet deelt, en specifieke voorstellen hiertoe voorstellen;
   b) het besluit nemen haar overeenkomstig lid 1 aangegeven voorbehouden in te trekken.

6.  Binnen een maand na de aanbeveling van de Commissie overeenkomstig lid 5, onder a), of de intrekking van haar voorbehouden overeenkomstig lid 5, onder b), deelt de betrokken nationale regelgevende instantie de vastgestelde definitieve maatregel aan de Commissie en BEREC mee.

Deze periode kan worden verlengd om de nationale regelgevende instantie in staat te stellen overeenkomstig artikel 6 een openbare raadpleging te houden.

7.Indien de nationale regelgevende instantie besluit de ontwerpmaatregel niet te wijzigen of in te trekken op basis van de overeenkomstig lid 5, onder a), gedane aanbeveling, dient zij dit met redenen te omkleden.  

8.De nationale regelgevende instantie kan de voorgestelde ontwerpmaatregel op elk moment tijdens de procedure intrekken.  

Artikel 7 ter

Uitvoeringsbepalingen

1.  Na een openbare raadpleging en na raadpleging van de nationale regelgevende instanties, en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC, kan de Commissie in verband met artikel 7 aanbevelingen en/of richtsnoeren aannemen tot vaststelling van het formaat, de inhoud en de gedetailleerdheid van de in artikel 7, lid 3, bedoelde kennisgeving, alsmede van de omstandigheden waaronder kennisgeving niet vereist zou zijn, en de wijze waarop de termijnen worden berekend.

2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen worden volgens de raadplegingsprocedure van artikel 22, lid 2, vastgesteld.

"

8)  Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door:"
Tenzij anders bepaald in artikel 9, dat handelt over radiofrequenties, houden de lidstaten zoveel mogelijk rekening met de wenselijkheid van voorschriften die technologisch neutraal zijn, en zorgen zij ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken, met name die welke erop gericht zijn daadwerkelijke concurrentie te waarborgen, eveneens daarmee rekening houden."
   b) in lid 2 worden de punten a) en b) vervangen door:"
   a) zij zorgen ervoor dat de gebruikers, met inbegrip van gebruikers met een handicap, oudere gebruikers en gebruikers met speciale sociale behoeften optimaal profiteren wat betreft keuze, prijs en kwaliteit;
   b) zij zorgen ervoor dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de mededinging is, met inbegrip van de doorgifte van inhoud;
"
   c) in lid 2 wordt punt c) geschrapt;
   d) in lid 3 wordt punt c) geschrapt;
   e) lid 3, onder d), wordt vervangen door:"
   d) zij werken met elkaar, met de Commissie en met de BEREC op transparante wijze samen om de ontwikkeling van een consistente regelgevende praktijk en de consistente toepassing van deze richtlijn en van de bijzondere richtlijnen te waarborgen.
"
   f) lid 4, onder e), wordt vervangen door:"
   e) zij schenken aandacht aan de behoeften van specifieke maatschappelijke groepen, met name gebruikers met een handicap, oudere gebruikers en gebruikers met speciale sociale behoeften;
"
   g) in lid 4 worden de punten g) en h) toegevoegd:"
   g) zij bevorderen het vermogen van de eindgebruikers om toegang te krijgen tot informatie en deze te verspreiden of om gebruik te maken van toepassingen en diensten van hun keuze;
   h) zij passen het beginsel toe volgens welk er zonder voorafgaande beslissing van de rechter geen enkele beperking aan de fundamentele rechten en vrijheden van de eindgebruikers dient te worden opgelegd, met name overeenkomstig artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie over de vrijheid van meningsuiting en informatie, behalve wanneer de openbare veiligheid bedreigd wordt, waarbij de beslissing van de rechter nadien mag volgen.
"
   h) het volgende nieuwe lid wordt ingevoegd:"
5.  Bij het nastreven van de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde beleidsdoelstellingen passen de nationale regelgevende instanties objectieve, doorzichtige, niet-discriminerende en proportionele regelgevingsbeginselen toe, onder meer op de volgende wijze:
   a) zij bevorderen de voorspelbaarheid van de regelgeving door te zorgen voor een consistente aanpak in de regelgeving tijdens geschikte herzieningsperioden;
   b) zij waarborgen dat er bij gelijke omstandigheden geen discriminatie plaatsvindt bij de behandeling van ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken en -diensten leveren;
   c) zij beschermen de concurrentie in het belang van de consument, en bevorderen waar nodig een op infrastructuur gebaseerde concurrentie;
   d) zij bevorderen efficiënte investeringen en innovatie in nieuwe en betere infrastructuur, onder meer door te zorgen dat er in de toegangsverplichtingen voldoende rekening wordt gehouden met het door de investering genomen risico en door verschillende samenwerkingsafspraken tussen investeerders en partijen die toegang willen hebben, toe te staan om het investeringsrisico te spreiden, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de concurrentie op de markt en het non-discriminatiebeginsel worden gevrijwaard;
   e) zij houden naar behoren rekening met de uiteenlopende omstandigheden die wat betreft concurrentie en consumenten in de verschillende geografische gebieden binnen een lidstaat bestaan;
   f) zij leggen regelgevende verplichtingen ex ante uitsluitend daar op waar geen effectieve en duurzame concurrentie is en zij verlichten de verplichtingen of heffen deze op zodra er wel aan die voorwaarde is voldaan.
"

9)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

Artikel 8 bis

Strategische planning en coördinatie van het radiospectrumbeleid ▌

1.  De lidstaten werken met elkaar en met de Commissie samen bij de strategische planning, coördinatie en harmonisatie van het gebruik van het radiospectrum in de Europese Gemeenschap. Daartoe houden zij onder meer rekening met economische, veiligheids-, gezondheids-, maatschappelijke, vrijemeningsuitings-, culturele, wetenschappelijke, sociale en technische aspecten van het beleid van de EU, alsmede met de uiteenlopende belangen van de kringen van radiospectrumgebruikers met het oog op de optimalisatie van het gebruik van het radiospectrum en het vermijden van schadelijke interferentie.

2.  Door met elkaar en met de Commissie samen te werken, bevorderen de lidstaten de coördinatie van de radiospectrumbeleidsaanpak in de Europese Gemeenschap en, in voorkomend geval, de harmonisatie van de voorwaarden inzake beschikbaarheid en efficiënt gebruik van het radiospectrum die vereist zijn voor het tot stand brengen en het functioneren van de interne markt op het gebied van elektronische communicatie.

3.  De Commissie kan, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum (RSPG), opgericht bij Besluit 2002/622/EG van de Commissie*, wetgevingsvoorstellen bij het Europees Parlement en de Raad indienen voor de vaststelling van meerjarenprogramma's voor het radiospectrumbeleid. Deze programma's bepalen de beleidslijnen en doelstellingen voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen.

4.  Wanneer dit nodig is om de effectieve coördinatie van de ▌belangen van de Europese Gemeenschap in internationale organisaties die bevoegd zijn voor radiospectrumaangelegenheden te garanderen ▌, kan de Commissie, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de ▌RSPG ▌, het Europees Parlement en de Raad voorstellen doen voor gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen.

__________________

* PB L 198 van 27.7.2002, blz. 49.

"

10)  Artikel 9 wordt vervangen door:"

Artikel 9

Beheer van de radiofrequenties voor elektronische-communicatiediensten

1.  Naar behoren rekening houdend met het feit dat radiofrequenties een publiek goed zijn dat een belangrijke maatschappelijke, sociale en economische waarde heeft, zorgen de lidstaten ervoor dat de radiofrequenties voor elektronische communicatiediensten op hun grondgebied efficiënt worden beheerd overeenkomstig de artikelen 8 en 8 bis. Zij zorgen ervoor dat de spectrumtoewijzing voor elektronische-communicatiediensten en de afgifte van algemene machtigingen of individuele gebruiksrechten voor die radiofrequenties door de bevoegde nationale instanties gebaseerd zijn op objectieve, transparante, niet-discriminerende en proportionele criteria.

Bij de toepassing van dit artikel eerbiedigen de lidstaten de desbetreffende internationale overeenkomsten, met inbegrip van de radioregelgeving van de ITU, en mogen zij overwegingen van openbare orde in aanmerking nemen.

2.  De lidstaten bevorderen de harmonisatie van het gebruik van radiofrequenties in de Gemeenschap in overeenstemming met de noodzaak een daadwerkelijk en efficiënt gebruik daarvan te waarborgen en met als doel voordelen voor de consumenten, zoals schaalvoordelen en interoperabiliteit van diensten. Zij handelen daarbij in overeenstemming met artikel 8 bis en Beschikking nr. 676/2002/EG (radiospectrumbeschikking).

3.  Tenzij anders bepaald in de tweede alinea zorgen de lidstaten ervoor dat alle soorten voor elektronische- communicatiediensten gebruikte technologie kunnen worden gebruikt op de radiofrequentiebanden die in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht beschikbaar zijn verklaard voor elektronische- communicatiediensten in hun nationale frequentietoewijzingsplannen.

De lidstaten kunnen echter proportionele en niet-discriminerende beperkingen opleggen met betrekking tot de soorten voor elektronische-communicatiediensten gebruikte technologie, indien dat nodig is om:

   a) schadelijke interferentie te vermijden;
   b) de volksgezondheid te beschermen tegen elektromagnetische velden;
   c) de technische kwaliteit van de dienst te garanderen;
   d) te zorgen voor zoveel mogelijk gedeeld gebruik van de radiofrequenties;
   e) een efficiënt spectrumgebruik te waarborgen; of
   f) een doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken overeenkomstig lid 4.

4.  Tenzij anders bepaald in de tweede alinea zorgen de lidstaten ervoor dat alle soorten elektronische-communicatiediensten kunnen worden aangeboden op de radiofrequentiebanden die in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht beschikbaar zijn verklaard voor elektronische-communicatiediensten in hun nationale frequentietoewijzingsplannen. De lidstaten kunnen echter proportionele en niet-discriminerende beperkingen opleggen met betrekking tot de soorten elektronische-communicatiediensten die worden aangeboden, ook, waar nodig, om te voldoen aan vereisten van de radioregelgeving van de ITU.

Maatregelen die vereisen dat een elektronische-communicatiedienst in een specifieke voor elektronische-communicatiediensten beschikbare band wordt aangeboden, worden gerechtvaardigd door de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met de communautaire wetgeving gedefinieerd, zoals, maar niet beperkt tot:

   a) veiligheid van het menselijk leven;
   b) het bevorderen van de sociale, regionale of territoriale samenhang;
   c) het vermijden van een ondoelmatig gebruik van radiofrequenties; of
   d) de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit en pluralisme van de media, bijvoorbeeld door het aanbieden van radio- en televisieomroepdiensten.

Een maatregel die het verlenen van iedere andere elektronische-communicatiedienst in een specifieke band verbiedt, mag alleen worden opgelegd wanneer zij gerechtvaardigd is op grond van de noodzaak de veiligheid van het menselijk leven te beschermen. De lidstaten mogen een dergelijke maatregel in uitzonderingsgevallen ook uitvaardigen voor de verwezenlijking van andere doelstellingen van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met de communautaire wetgeving gedefinieerd.

5.  De lidstaten heronderzoeken geregeld de noodzaak van de in de leden 3 en 4 bedoelde beperkingen en maatregelen en maken de resultaten van dat heronderzoek bekend.

6.  De leden 3 en 4 zijn van toepassing op spectrum dat is toegewezen voor elektronische-communicatiediensten, algemene machtigingen die zijn afgegeven en individuele gebruiksrechten voor radiofrequenties die zijn verleend na ...*.

Spectrumtoewijzingen, algemene machtigingen en individuele gebruiksrechten die bestonden op ...(18) vallen onder artikel 9 bis.

7.  Onverminderd het bepaalde in de bijzondere richtlijnen en rekening houdend met de relevante nationale omstandigheden, kunnen de lidstaten voorschriften vaststellen om hamsteren van spectrum te voorkomen, met name door strikte termijnen te bepalen waarbinnen de gebruiksrechten door de houder van de rechten daadwerkelijk moeten worden geëxploiteerd en door sancties toe te passen, met inbegrip van geldboetes of intrekking van de gebruiksrechten indien de termijnen niet worden nageleefd. Deze voorschriften moeten op evenredige, niet-discriminerende en transparante wijze worden opgesteld en toegepast.

"

11)  De volgende artikelen worden ingevoegd:"

Artikel 9 bis

Toetsing van de beperkingen op bestaande rechten

1.  Gedurende een periode van vijf jaar, die ingaat op ...*, mogen de lidstaten ▌houders van rechten op het gebruik van radiofrequenties die vóór die datum zijn verleend en die voor een periode van ten minste vijf jaar na die datum geldig zullen blijven, toestaan een aanvraag in te dienen bij de bevoegde nationale instantie om beperkingen die overeenkomstig artikel 9, leden 3 en 4, op hun rechten zijn gesteld, opnieuw te onderzoeken.

Alvorens zij een besluit neemt, stelt de nationale regelgevende instantie de houder van het recht in kennis van haar hernieuwde toetsing van de beperkingen, waarbij zij haar bevindingen aangaande de omvang van dit recht vermeldt, en de houder een redelijke termijn toekent om zijn verzoek in te trekken.

Wanneer de houder zijn verzoek intrekt, blijft het recht ongewijzigd tot het verstrijken ervan en uiterlijk tot het eind van de periode van vijf jaar.

2.  Na de in lid 1 bedoelde periode van vijf jaar nemen de lidstaten alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat alle resterende algemene machtigingen of individuele gebruiksrechten en spectrumtoewijzingen voor elektronische-communicatiediensten die op ...(19) bestonden, voldoen aan het bepaalde in artikel 9, leden 3 en 4.

3.  Bij de toepassing van dit lid nemen de lidstaten passende maatregelen om een eerlijke mededinging te bevorderen.

4.  Ten behoeve van de toepassing van dit artikel genomen maatregelen zijn niet als verlening van nieuwe gebruiksrechten aan te merken en vallen derhalve niet onder de desbetreffende bepalingen van artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2002/20/EG (Machtigingsrichtlijn).

Artikel 9 ter

Overdracht of verhuur van individuele rechten op het gebruik van radiofrequenties

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen individuele rechten op het gebruik van radiofrequenties in de banden waarvoor hierin is voorzien in de krachtens lid 3 vastgestelde uitvoeringsmaatregelen, overeenkomstig de voorwaarden die aan de rechten op het gebruik van radiofrequenties zijn verbonden en de nationale procedures kunnen overdragen of verhuren aan andere ondernemingen.

In andere banden kunnen de lidstaten voorzien in de mogelijkheid dat ondernemingen individuele rechten op het gebruik van radiofrequenties in overeenstemming met nationale procedures overdragen of verhuren aan andere ondernemingen.

De voorwaarden die aan de individuele rechten op het gebruik van radiofrequenties zijn verbonden, blijven gelden na de overdracht of de verhuur, tenzij door de bevoegde nationale instantie anders aangegeven.

De lidstaten kunnen ook bepalen dat de bepalingen van lid 1 niet van toepassing zijn indien het individuele recht van de onderneming op het gebruik van radiofrequenties oorspronkelijk zonder kosten is verkregen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat het voornemen van een onderneming om de rechten op het gebruik van radiofrequenties over te dragen, evenals de daadwerkelijke overdracht van die rechten, overeenkomstig de nationale procedures wordt meegedeeld aan de bevoegde nationale instantie die verantwoordelijk is voor de verlening van individuele gebruiksrechten, en bekend wordt gemaakt. Wanneer het gebruik van radiofrequenties geharmoniseerd is via de toepassing van Beschikking nr. 676/2002/EG (Radiospectrumbeschikking) of andere Gemeenschapsmaatregelen, voldoet dergelijke overdracht aan zulk geharmoniseerd gebruik.

3.  De Commissie kan passende uitvoeringsmaatregelen aannemen ter vaststelling van banden waarvoor gebruiksrechten tussen ondernemingen mogen worden overgedragen of verhuurd. Deze maatregelen hebben geen betrekking op frequenties die voor omroep worden gebruikt.

Deze technische uitvoeringsmaatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 22 lid 3.

"

12)  Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

   a) leden 1 en 2 worden vervangen door:"
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties toezicht uitoefenen op de verlening van rechten van gebruik van alle nationale nummervoorraden en het beheer van de nationale nummerplannen. De lidstaten zorgen ervoor dat voor alle openbare elektronische-communicatiediensten adequate nummers en nummerreeksen worden aangeboden. De nationale regelgevende instanties stellen objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures op voor de verlening van gebruiksrechten voor de nationale nummervoorraden.
2.  De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat nationale nummeringsplannen en -procedures zo worden toegepast dat alle aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten gelijk worden behandeld. In het bijzonder zorgen de lidstaten ervoor dat een onderneming waaraan het gebruiksrecht voor een nummerreeks is verleend, andere aanbieders van elektronische-communicatiediensten niet discrimineert wat de nummersequenties betreft die worden gebruikt om toegang te geven tot hun diensten."
   b) lid 4 wordt vervangen door:"
4.  De lidstaten ondersteunen harmonisatie van specifieke nummers of nummerreeksen binnen de Gemeenschap wanneer dat de werking van de interne markt en de ontwikkeling van pan-Europese diensten bevordert. De Commissie kan op dit gebied passende technische uitvoeringsmaatregelen nemen.
Deze maatregelen die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing."

13)  Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 1, tweede alinea, eerste streepje, wordt vervangen door:"
   handelt op basis van eenvoudige, efficiënte, transparante en openbare procedures die zonder discriminatie en onverwijld worden toegepast, en in ieder geval een besluit neemt binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag, behalve in gevallen van onteigening, en
"
   b) lid 2 wordt vervangen door:"
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat er, wanneer lokale of andere overheden de eigendom van of zeggenschap behouden over ondernemingen die openbare elektronische-communicatienetwerken en/of voor het publiek beschikbare elektronische-communicatiediensten exploiteren, een daadwerkelijke structurele scheiding is tussen de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de in lid 1 bedoelde rechten en de activiteiten die verband houden met de eigendom of zeggenschap."

14)  Artikel 12 wordt vervangen door:"

Artikel 12

Collocatie en gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten voor aanbieders van elektronische communicatienetwerken

1.  Wanneer een onderneming die elektronische-communicatienetwerken aanbiedt, krachtens de nationale wetgeving het recht heeft om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, dan wel een procedure kan volgen voor de onteigening of het gebruik van eigendom, moeten de nationale regelgevingsinstanties met volledige inachtneming van het evenredigheidsbeginsel het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom, met inbegrip van gebouwen, toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, masten, antennes, torens en andere ondersteuningsgebouwen, kabelgoten, leidingen, mangaten, straatkasten, ▌verplicht kunnen stellen.

2.  De lidstaten kunnen houders van de in lid 1 bedoelde rechten het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom (met inbegrip van fysieke collocatie) voorschrijven of maatregelen treffen om de coördinatie van publieke werken te vergemakkelijken ten einde het milieu, de volksgezondheid en de openbare veiligheid te beschermen of om stedenbouwkundige of planologische redenen, doch zulks pas na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen. Dergelijke regelingen inzake gedeeld gebruik of coördinatie kunnen een omslagregeling bevatten voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale autoriteiten ook de bevoegdheid hebben om na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen, verplichtingen op te leggen voor het gedeeld gebruik van bekabeling in gebouwen of tot aan het eerste punt van samenkomst of distributie indien dit zich buiten het gebouw bevindt, aan de houders van de in lid 1 bedoelde rechten en/of aan de eigenaar van de bekabeling, indien dit wordt gerechtvaardigd omwille van het feit dat duplicatie van dergelijke infrastructuur economisch inefficiënt of fysiek onuitvoerbaar zou zijn. Dergelijke regelingen inzake gedeeld gebruik of coördinatie kunnen een omslagregeling voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom bevatten, waar nodig aangepast aan de risico's.

4.  ▌De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde nationale autoriteiten van ondernemingen, indien daartoe verzocht door de bevoegde autoriteiten, kunnen verlangen de nodige informatie verstrekken, zodat deze autoriteiten, samen met de nationale regelgevende instanties, een gedetailleerd overzicht kunnen opstellen van de aard, de beschikbaarheid en de geografische locatie van de in lid 1 bedoelde faciliteiten en dit aan de belanghebbende partijen ter beschikking kunnen stellen.

5.  Maatregelen die door een nationale regelgevende instantie zijn genomen in overeenstemming met dit artikel moeten objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn. In voorkomend geval worden deze maatregelen in overleg met plaatselijke instanties uitgevoerd.";

"

15)  Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:"

HOOFDSTUK III bis

VEILIGHEID EN INTEGRITEIT VAN NETWERKEN EN DIENSTEN

Artikel 13 bis

Veiligheid en integriteit

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten aanbieden passende technische en organisatorische maatregelen nemen om de risico's voor de veiligheid van hun netwerken of diensten goed te beheersen. Deze maatregelen zorgen, gezien de stand van de techniek, voor een veiligheidsniveau dat is afgestemd op de risico's die zich voordoen. Er worden met name maatregelen genomen om de impact van veiligheidsincidenten op gebruikers en onderling verbonden netwerken zo laag mogelijk te houden.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die openbare communicatienetwerken aanbieden, alle nodige maatregelen nemen om te zorgen voor de integriteit van hun netwerken zodat kan worden gezorgd voor de continuïteit van de diensten die via deze netwerken worden geleverd.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten aanbieden de bevoegde nationale regelgevende instantie in kennis stellen van elke inbreuk op de veiligheid of elk verlies van integriteit die een belangrijke impact had op de exploitatie van netwerken of diensten.

In voorkomend geval brengt de betrokken nationale regelgevende instantie ▌de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten en de het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) op de hoogte ▌. De betrokken nationale regelgevende instantie kan het publiek hiervan op de hoogte brengen of eisen dat de ondernemingen dit doen, indien zij de bekendmaking van de schending in het algemeen belang acht.

Eenmaal per jaar dient de betrokken nationale regelgevende instantie bij de Commissie en ENISA een samenvattend verslag in over de kennisgevingen die zij heeft ontvangen en de maatregelen die overeenkomstig dit lid zijn genomen.

4.  De Commissie, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van ENISA, kan passende technische uitvoeringsmaatregelen nemen om de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde maatregelen te harmoniseren, met inbegrip van maatregelen die de omstandigheden, het formaat en de procedures definiëren die van toepassing zijn op de kennisgevingseisen. Deze technische uitvoeringsmaatregelen worden zoveel mogelijk gebaseerd op Europese en internationale normen, en beletten niet dat de lidstaten aanvullende eisen vaststellen om te voldoen aan de in de leden 1 en 2 genoemde doelstellingen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 13 ter

Toepassing en handhaving

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben om ondernemingen die openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten aanbieden bindende instructies, ook met betrekking tot de termijnen voor de uitvoering, te geven met het oog op de uitvoering van artikel 13 bis.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben ondernemingen die openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten aanbieden te vragen om:

   a) informatie te verschaffen die nodig is om de veiligheid en/of integriteit van hun diensten en netwerken te beoordelen, met inbegrip van gedocumenteerd veiligheidsbeleid; en
   b) een veiligheidscontrole te laten uitvoeren door een gekwalificeerde onafhankelijke instantie of een bevoegde nationale instantie en de resultaten ervan beschikbaar te stellen aan de nationale regelgevende instantie. De kosten van de controle worden door de onderneming gedragen.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevingsinstanties alle nodige bevoegdheden hebben om gevallen van niet-naleving te onderzoeken, evenals de effecten ervan op de beveiliging en integriteit van de netwerken.

4.  Deze bepalingen laten artikel 3 van deze richtlijn onverlet.

"

16)  In artikel 14 wordt lid 3 vervangen door:"

3.  Wanneer een onderneming aanmerkelijke marktmacht op een specifieke markt (de eerste markt) bezit, kan zij ook worden aangewezen als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht op een nauw verwante markt (de tweede markt) als de koppelingen tussen beide markten van dien aard zijn dat de marktmacht op de eerste markt op de tweede markt zo kan worden gebruikt dat de marktmacht van de onderneming wordt vergroot. Bijgevolg kunnen ingevolge de artikelen 9, 10, 11 en 13 van Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn) oplossingen worden toegepast om te voorkomen dat naar meer macht op de tweede markt wordt gestreefd, en wanneer die oplossingen ontoereikend blijken, kunnen oplossingen worden aangewend ingevolge artikel 17 van Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstrichtlijn).

"

17)  Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

   a) het kopje wordt vervangen door:"
Procedure voor het bepalen en definiëren van markten"
   b) in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:"
1.  Na een openbare raadpleging, met inbegrip van raadpleging van de nationale regelgevende instanties, en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC, neemt de Commissie volgens de raadplegingsprocedure van artikel 22, lid 2, een aanbeveling aan inzake relevante markten voor producten en diensten (de aanbeveling). Daarin worden de markten voor producten en diensten in de sector elektronische communicatie vermeld waarvan de kenmerken zodanig kunnen zijn dat het opleggen van regulerende verplichtingen als beschreven in de bijzondere richtlijnen gerechtvaardigd kan zijn, onverminderd markten die in bepaalde gevallen uit hoofde van het mededingingsrecht kunnen worden gedefinieerd. De Commissie definieert de markten overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht."
   c) lid 3 wordt vervangen door:"
3.  De nationale regelgevende instanties bepalen, zoveel mogelijk rekening houdend met de aanbeveling en de richtsnoeren, de relevante markten die overeenkomen met de nationale omstandigheden, met name relevante geografische markten binnen hun grondgebied, overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht. De nationale regelgevende instanties volgen de procedures van de artikelen 6 en 7 voordat zij markten definiëren die verschillen van de in de aanbeveling genoemde."
   d) lid 4 wordt vervangen door:"
4.  Na raadpleging, met inbegrip van raadpleging van de nationale regelgevende instanties, en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC, kan de Commissie volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 22, lid 3, een beschikking vaststellen waarin transnationale markten worden gedefinieerd."

18)  Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

   a) leden 1 en 2 worden vervangen door:"
1.  De nationale regelgevende instanties voeren een analyse uit van de relevante in de aanbeveling vermelde markten, en houden daarbij rekening met de in de aanbeveling genoemde markten, met maximale inachtneming van de richtsnoeren. De lidstaten zorgen ervoor dat deze analyse, in voorkomend geval, in samenwerking met de nationale mededingingsinstanties wordt uitgevoerd.
2.  Wanneer een nationale regelgevende instantie krachtens leden 3 en 4 van dit artikel, artikel 17, van Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstenrichtlijn), of artikel 8 van Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn) moet bepalen of ten aanzien van ondernemingen verplichtingen moeten worden opgelegd, gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken, bepaalt zij overeenkomstig de richtsnoeren op basis van haar analyse volgens lid 1 van dit artikel of een relevante markt daadwerkelijk concurrerend is."
   b) de leden 4, 5 en 6 worden vervangen door:"
4.  Wanneer een nationale regelgevende instantie vaststelt dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, gaat zij na welke ondernemingen op die markt afzonderlijk of gezamenlijk aanmerkelijke macht op de markt in de zin van artikel 14 hebben en legt zij de ondernemingen in kwestie passende specifieke wettelijke verplichtingen op als bedoeld in lid 2 van dit artikel of handhaaft zij deze verplichtingen wanneer zij reeds bestaan.
5.  In het geval van transnationale markten die worden omschreven in de beschikking als bedoeld in artikel 15, lid 4, dragen de betrokken nationale regelgevende instanties samen zorg voor de uitvoering van de marktanalyse, waarbij de richtsnoeren maximaal in acht worden genomen, en spreken zij zich op gecoördineerde wijze uit over het opleggen, handhaven, wijzigen of opheffen van wettelijke verplichtingen als bedoeld in lid 2 van dit artikel.
6.  Voor de in de leden 3 en 4 genoemde maatregelen gelden de procedures van de artikelen 6 en 7. De nationale regelgevende instanties voeren een analyse uit van de relevante markt en delen conform artikel 7 de corresponderende ontwerpmaatregel mee:
   a) binnen drie jaar na de aanneming van een eerdere maatregel met betrekking tot die markt. De termijn kan in uitzonderlijke gevallen echter met maximaal nog eens drie jaar worden verlengd wanneer de NRI daartoe bij de Commissie een gemotiveerd verzoek heeft ingediend en de Commissie binnen één maand geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verlenging;
   b) voor markten waarvoor nog niet eerder kennisgeving is gedaan bij de Commissie, binnen twee jaar na goedkeuring van een herziene aanbeveling inzake relevante markten of;
   c) voor lidstaten die onlangs zijn toegetreden tot de Unie, binnen twee jaar na hun toetreding.
"
   c) Het volgende nieuwe lid wordt ingevoegd:"
7.  Wanneer een regelgevende instantie haar analyse van een in de aanbeveling geïdentificeerde relevante markt niet binnen de in artikel 16, lid 6, vastgestelde termijn heeft uitgevoerd, verleent BEREC aan de betrokken nationale regelgevende instantie op haar verzoek bijstand bij de voltooiing van de analyse van de specifieke markt en de specifieke verplichtingen die moeten worden opgelegd. Met deze bijstand stelt de betrokken nationale regelgevende instantie conform artikel 7 de Commissie binnen zes maanden in kennis van de ontwerpmaatregel."

19)  Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

   a) in lid 1, eerste zin, wordt het woord "normen" vervangen door "niet-verplichte normen";
   b) lid 2, derde alinea, wordt als volgt gewijzigd:"
Indien dergelijke normen en/of specificaties ontbreken, moedigen de lidstaten de toepassing aan van internationale normen of aanbevelingen die door de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU), de Europese Conferentie van de administraties van posterijen en van telecommunicatie (CEPT), de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) zijn aangenomen."
   c) de leden 4 en 5 worden vervangen door:"
4.  Wanneer de Commissie voornemens is de toepassing van bepaalde normen en/of specificaties verplicht te stellen, publiceert zij een mededeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en nodigt zij alle betrokken partijen uit om hun opmerkingen openbaar mee te delen. De Commissie neemt de nodige uitvoeringsmaatregelen en stelt de toepassing van de relevante normen verplicht door deze te vermelden als verplichte normen in de lijst van normen en/of specificaties die wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
5.  Wanneer de Commissie van mening is dat de in lid 1 bedoelde normen en/of specificaties niet langer bijdragen tot de levering van geharmoniseerde elektronische-communicatiediensten of dat zij niet langer beantwoorden aan de behoeften van de consument of de technologische ontwikkeling in de weg staan, schrapt zij die normen en/of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen en/of specificaties volgens de raadplegingsprocedure van artikel 22, lid 2."
   d) in lid 6 worden de woorden "schrapt zij die normen en/of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen en/of specificaties volgens de procedure van artikel 22, lid 3" vervangen door "neemt zij passende uitvoeringsmaatregelen en schrapt zij die normen en/of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen en/of specificaties";
   e) wordt het volgende lid ingevoegd:"
6 bis.  De uitvoeringsmaatregelen die beogen niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, zoals beschreven in de leden 4 en 6, worden vastgesteld volgens de regelgevende procedure met toetsing als bedoeld in artikel 22, lid 3."

20)  Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

   a) in lid 1 wordt het volgende punt c) toegevoegd:"
   c) leveranciers van digitale tv-diensten en apparatuur om samen te werken bij het aanbieden van interoperabele tv-diensten voor eindgebruikers met een handicap.
"
   b) lid 3 wordt geschrapt;

21)  Artikel 19 wordt vervangen door:"

Artikel 19

Harmonisatieprocedures

1.  De Commissie kan, wanneer zij vaststelt dat verschillen bij de tenuitvoerlegging door de nationale regelgevende instanties van de in deze richtlijn en de specifieke richtlijnen gespecificeerde taken obstakels opwerpen voor de interne markt, onverminderd artikel 9 van deze Richtlijn en de artikelen 6 en 8 van Richtlijn 2002/20/EG (Machtigingsrichtlijn), zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC, een aanbeveling doen of een besluit vaststellen inzake de geharmoniseerde toepassing van de bepalingen van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen bij de verwezenlijking van de in artikel 8 uiteengezette doelstellingen.

2.  Wanneer de Commissie een aanbeveling doet overeenkomstig lid 1, handelt zij in overeenstemming met de in artikel 22, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van hun taken zoveel mogelijk rekening houden met dergelijke aanbevelingen. Wanneer een nationale regelgevende instantie besluit om een aanbeveling niet op te volgen, brengt zij de Commissie daarvan op de hoogte met vermelding van de motivering van haar standpunt.

3.  Besluiten die zijn genomen overeenkomstig lid 1 kunnen de identificatie omvatten van een geharmoniseerde of gecoördineerde aanpak van de volgende aangelegenheden:

   a) de inconsequente uitvoering van algemene benaderingen bij de regelgeving door de nationale regelgevende instanties met betrekking tot de regulering van de elektronische-communicatiemarkten ter toepassing van de artikelen 15 en 16, indien dit een obstakel opwerpt voor de interne markt. Dergelijke besluiten hebben geen betrekking op de specifieke kennisgevingen die overeenkomstig artikel 7 bis door de nationale regelgevende instanties worden gedaan.

In een dergelijk geval stelt de Commissie alleen een ontwerpbesluit voor:

   na ten minste twee jaar volgend op de goedkeuring van een aanbeveling van de Commissie over hetzelfde onderwerp; en
   zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC over de vaststelling van een dergelijk besluit, dat binnen drie maanden na het verzoek van de Commissie door BEREC wordt ingediend;
   b) nummering, met inbegrip van nummerreeksen, de meeneembaarheid van nummers en identificatienummers, nummer- en adresvertaalsystemen en toegang tot de 112-hulpdiensten.

4.  Het in lid 1 genoemde besluit, dat niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

5.  BEREC kan de Commissie op eigen initiatief advies verstrekken over de vraag of maatregelen moeten worden genomen overeenkomstig lid 1.

"

22)  Artikel 20, lid 1, wordt vervangen door:"

1.  Wanneer op een onder deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen vallend gebied een geschil in verband met de bestaande verplichtingen ontstaat tussen ondernemingen die diensten aanbieden waarbij een van de partijen een onderneming is die elektronische-communicatienetwerken of -diensten aanbiedt in een lidstaat, neemt de betrokken nationale regelgevende instantie op verzoek van een van beide partijen en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen in lid 2, een bindend besluit om het geschil te beslechten, en wel zo spoedig mogelijk of in ieder geval binnen vier maanden, met uitzondering van uitzonderlijke omstandigheden. De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat alle partijen volledig met de nationale regelgevende instantie samenwerken.

"

23)  Artikel 21 wordt vervangen door:"

Artikel 21

Beslechting van grensoverschrijdende geschillen

1.  Wanneer op een onder deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen vallend gebied een grensoverschrijdend geschil ontstaat, en indien dat onder de bevoegdheid van nationale regelgevende instanties van ten minste twee lidstaten valt, is de procedure van de leden 2, 3 en 4 van toepassing.

2.  Elke partij kan het geschil voorleggen aan de betrokken nationale regelgevende instanties. De bevoegde nationale regelgevende instanties coördineren hun werkzaamheden en hebben het recht BEREC te raadplegen om een consistente oplossing voor het geschil te vinden, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 8.

Verplichtingen die ondernemingen worden opgelegd door de nationale regelgevende instanties in het kader van de beslechting van een geschil zijn in overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen.

Elke nationale regelgevende instanties die bevoegd is in een dergelijk geschil kan BEREC verzoeken een aanbeveling te geven over de maatregelen die moeten worden genomen in overeenstemming met de bepalingen van de Kaderrichtlijn en/of de bijzondere richtlijnen om het geschil op te lossen.

Wanneer een dergelijk verzoek is gericht tot BEREC moet de nationale regelgevende instantie met bevoegdheid voor alle aspecten van het geschil het advies van BEREC afwachten alvorens maatregelen te nemen om het geschil op te lossen, onverminderd de mogelijkheid voor nationale regelgevende instanties om daar waar nodig urgente maatregelen te nemen.

Alle door een nationale regelgevende instantie aan een onderneming opgelegde verplichtingen om een geschil op te lossen moeten de bepalingen van deze richtlijn of de bijzondere richtlijn in acht nemen en zoveel mogelijk rekening houden met de door BEREC gegeven aanbeveling.

3.  De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde nationale regelgevende instanties gezamenlijk besluiten een geschil niet te beslechten wanneer er andere mechanismen bestaan, met inbegrip van bemiddeling, die beter zouden kunnen bijdragen tot het tijdig beslechten van het geschil overeenkomstig artikel 8.

Zij stellen de partijen onverwijld daarvan in kennis. Wanneer het geschil binnen vier maanden niet is beslecht, indien het geschil niet voor de rechter is gebracht en indien een van beide partijen daarom verzoekt, coördineren de nationale regelgevende instanties hun werkzaamheden om een oplossing voor het geschil te vinden, overeenkomstig artikel 8, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de door BEREC gegeven aanbeveling.

4.  De procedure van lid 2, laat het recht van elk van beide partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.

"

24)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

Artikel 21 bis

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten passend, doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op …(20) van deze bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

"

25)  Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 3 wordt vervangen door:"
3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, de leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit."
   b) lid 4 wordt geschrapt;

26)  Artikel 27 wordt geschrapt;

27)  Bijlage I wordt geschrapt;

28)  Bijlage II wordt vervangen door:"

BIJLAGE II

Criteria die de nationale regelgevende instanties dienen te hanteren wanneer zij een evaluatie van een gezamenlijke machtspositie maken overeenkomstig artikel 14, lid 2, tweede alinea.

Van twee of meer ondernemingen kan worden geconstateerd dat zij een gezamenlijke machtspositie hebben in de zin van artikel 14 indien zij, ook al zijn er geen structurele of andere banden tussen hen, opereren op een markt die gekenmerkt wordt door het ontbreken van werkelijke concurrentie en waar geen enkele afzonderlijke onderneming aanmerkelijke macht op de markt heeft. Conform het toepasselijke Gemeenschapsrecht en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake gezamenlijke machtsposities ▌zal dit waarschijnlijk het geval zijn als de markt geconcentreerd is en een aantal typische kenmerken vertoont, waarvan de volgende in het kader van elektronische communicatie het meest relevant kunnen zijn:

   geringe elasticiteit van de vraag;
   vergelijkbare marktaandelen;
   hoge juridische en economische drempels bij het betreden van de markt
   verticale integratie met collectieve leveringsweigering
   geen tegenwicht aan de koperszijde;
   geen potentiële concurrentie.

Dit is een indicatieve, niet-limitatieve lijst, en de criteria zijn niet cumulatief. De lijst is veeleer slechts bedoeld ter illustratie van de factoren die als bewijs zouden kunnen dienen om beweringen dat er sprake is van een gezamenlijke machtspositie te staven ▌.".

"

Artikel 2

Wijzigingen van Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn)

Richtlijn 2002/19/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)  Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 1, onder a), wordt vervangen door:"
     "a) "toegang": het beschikbaar stellen van faciliteiten en/of diensten aan een andere onderneming, onder uitdrukkelijke voorwaarden, hetzij op exclusieve hetzij op niet-exclusieve basis, met het oog op het aanbieden van elektronische-communicatiediensten of het aanbieden van diensten voor de informatiemaatschappij of inzake inhoud voor radio- en televisieomroepen. Deze term bestrijkt onder meer toegang tot netwerkelementen en verwante faciliteiten waarbij eventueel apparatuur kan worden verbonden met vaste of niet-vaste middelen (dit houdt met name toegang in tot het aansluitnet en tot faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om diensten te kunnen aanbieden via het aansluitnet); toegang tot materiële infrastructuur waaronder gebouwen, kabelgoten en masten; toegang tot relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen; toegang tot informatiesystemen of databases voor reservering, levering, bestelling, onderhouds- en herstelverzoeken en facturering; toegang tot nummervertaling of systemen met vergelijkbare functionaliteit; toegang tot vaste en mobiele netwerken, met name voor roaming; toegang tot voorwaardelijke toegangssystemen voor digitale-televisiediensten; toegang tot virtuele netwerkdiensten.
"
   b) punt e) wordt vervangen door:"
   e) "aansluitnet": fysieke circuit dat het netwerkaansluitpunt verbindt met een verdeler of een soortgelijke voorziening in het vaste openbare elektronische communicatienetwerk.
"

2)  Artikel 4, lid 1, wordt vervangen door:"

1.  Exploitanten van openbare communicatienetwerken zijn gerechtigd en, wanneer hun daarom wordt verzocht door daartoe overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2002/20/EG (Machtigingsrichtlijn) gemachtigde ondernemingen, verplicht te onderhandelen over interconnectie met het doel algemeen beschikbare elektronische-communicatiediensten aan te bieden, teneinde de verlening en de interoperabiliteit van de diensten in de gehele Gemeenschap te waarborgen. Exploitanten verlenen andere ondernemingen toegang en interconnectie onder voorwaarden die verenigbaar zijn met de verplichtingen die door de nationale regelgevende instantie worden opgelegd uit hoofde van de artikelen 5 tot en met 8.

"

3)  Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)   ║ lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

   i) de eerste alinea wordt vervangen door:"
1.  Met het oog op de doelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn), bevorderen, en waar nodig waarborgen de nationale regelgevende instanties overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn passende toegang en interconnectie, alsook interoperabiliteit van diensten, en oefenen zij daarbij hun bevoegdheid uit op een wijze die bevorderlijk is voor efficiëntie en duurzame concurrentie, efficiënte investeringen en innovatie, en die de eindgebruikers het grootste voordeel biedt."
   ii) letter a ter) wordt ingevoegd:"
a ter) in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is en voor zover noodzakelijk, verplichtingen kunnen opleggen aan ondernemingen die de toegang tot de eindgebruikers controleren om hun diensten interoperabel te maken."
   b) lid 2 wordt vervangen door:"
2.  Overeenkomstig lid 1, opgelegde verplichtingen en voorwaarden zijn objectief, transparant, evenredig en niet-discriminerend en worden toegepast volgens de procedure van de artikelen 6, 7 en 7 bis van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn)."
   c) lid 3 wordt geschrapt;
   d) lid 4 wordt vervangen door:"
3.  Wat de in lid 1 genoemde toegang en interconnectie betreft, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale regelgevende instantie de bevoegdheid heeft indien gerechtvaardigd, op eigen initiatief in te grijpen ter waarborging van de beleidsdoelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn), zulks overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en volgens de procedures van de artikelen 6 en 7, alsmede 20 en 21, van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn)."

4)  Artikel 6, lid 2, wordt vervangen door:"

2.  In het licht van de markt- en technologische ontwikkelingen kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen nemen om bijlage I te wijzigen. Deze maatregelen die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

"

5)  Artikel 7 wordt geschrapt;

6)  Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:"

   a) in lid 1 wordt "de artikelen 9, 10, 11, 12 en 13" vervangen door " de artikelen 9 tot en met 13 bis";
  b) lid 3 wordt als volgt gewijzigd:
  i) de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:

_____________________
* PB L 24 van 30.1.1998, blz. 1.
** PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.";
   bij het eerste streepje wordt "de artikelen 5, leden 1, 2 en artikel 6" vervangen door "artikel 5, lid 1 en artikel 6";
   bij het tweede streepje wordt "Richtlijn 97/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de telecommunicatiesector*" vervangen door "Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie**);
"

   ii) ║ de tweede alinea wordt vervangen door:"
Wanneer een nationale regelgevende instantie in uitzonderlijke omstandigheden voornemens is aan exploitanten met een aanmerkelijke marktmacht andere verplichtingen met betrekking tot toegang of interconnectie op te leggen dan die welke zijn vermeld in de artikelen 9 tot en met 13 van deze richtlijn, vraagt zij daarvoor toestemming aan de Commissie. De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het advies van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC)*. De Commissie neemt overeenkomstig artikel 14, lid 2, een besluit dat de nationale regelgevende instantie toestaat of verhindert dergelijke maatregelen te nemen.
___________________
* Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad van ... [tot oprichting van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau].";"

7)  Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 1 wordt vervangen door:"
  "1. De nationale regelgevende instanties kunnen overeenkomstig artikel 8 verplichtingen inzake transparantie met betrekking tot interconnectie en/of toegang opleggen op grond waarvan exploitanten nader genoemde informatie, zoals boekhoudkundige informatie, technische specificaties, netwerkkenmerken, eisen en voorwaarden voor levering en gebruik, met inbegrip van voorwaarden ter beperking van de toegang tot en/of het gebruik van diensten en toepassingen indien dergelijke voorwaarden door de lidstaten zijn toegestaan in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht, alsmede tarieven, openbaar moeten maken."
   b) lid 4 wordt vervangen door:"
4.  Onverminderd lid 3 zorgen de nationale regelgevende instanties ervoor dat, wanneer een exploitant verplichtingen uit hoofde van artikel 12 heeft aangaande groothandelstoegang tot netwerkinfrastructuur ▌, er een referentieofferte wordt gepubliceerd die ten minste de in bijlage II genoemde elementen bevat."
   c) lid 5 wordt vervangen door:"
5.  De Commissie kan de nodige wijzigingen van bijlage II goedkeuren om deze aan te passen aan de technologische en marktontwikkelingen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Bij de uitvoering van de bepalingen van dit lid kan de Commissie worden bijgestaan door BEREC."

8)  Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 1, onder a), wordt vervangen door:"
   a) derden toegang verlenen tot bepaalde netwerkelementen en/of faciliteiten, met inbegrip van toegang tot netwerkelementen die niet actief zijn en/of ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk, onder meer om carrierkeuze en/of carriervoorkeur en/of verkoopaanbod van abonneelijnen mogelijk te maken;
"
   b) lid 1, onder f), wordt vervangen door:"
   f) collocatie of andere vormen van gedeeld gebruik van bijbehorende faciliteiten aanbieden ▌;
"
   c) in lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:"
   j) toegang verschaffen aan verwante diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten.
"
   d) in lid 2, worden de inleidende formule en punt a) vervangen door:"
2.  Wanneer de nationale regelgevende instanties overwegen de in lid 1 genoemde verplichtingen op te leggen, en in het bijzonder bij de evaluatie van de vraag of dergelijke verplichtingen wel evenredig zijn met de doelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) betrekken zij met name de volgende factoren in hun overwegingen:
   a) de technische en economische levensvatbaarheid van het gebruik of de installatie van concurrerende faciliteiten, in het licht van het tempo van de marktontwikkeling, rekening houdend met de aard van en het soort interconnectie en/of toegang, inclusief de levensvatbaarheid van andere toeleveringsproducten zoals toegang tot kabelgoten;
"
   e) in lid 2 worden de punten c) en d) vervangen door:"
   c) de door de eigenaar van de faciliteit verrichte initiële investering, rekening houdend met de verrichte overheidsinvesteringen en de aan de investering verbonden risico's;
   d) de noodzaak om op de lange termijn de concurrentie in stand te houden, met speciale aandacht voor economisch doeltreffende concurrentie op basis van de infrastructuur;
"
   f) het volgende lid wordt toegevoegd:"
3.  Als een exploitant in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel de verplichting wordt opgelegd toegang te verlenen, kunnen de nationale regelgevende instanties conform de Gemeenschapswetgeving technische of operationele voorwaarden opleggen aan de aanbieder en/of de gebruikers van die toegang, wanneer dat nodig is om de normale werking van het netwerk te garanderen. Verplichtingen om specifieke technische normen of specificaties te volgen moeten in overeenstemming zijn met de overeenkomstig artikel 17, 1id 1, van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) vastgestelde normen en specificaties."

9)  Artikel 13, lid 1 wordt vervangen door:

"1. Een nationale regelgevende instantie kan overeenkomstig artikel 8 verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole opleggen, inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen, voor het verlenen van specifieke interconnectie- en/of toegangtypes, wanneer uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers. Om investeringen door de exploitant in nieuwegeneratienetwerken ook aan te moedigen, houden de nationale regelgevende instanties rekening met de door de exploitant gedane investeringen, en laten zij toe dat hij een redelijke opbrengst krijgt uit zijn kapitaalinbreng, waarbij zij de specifieke risico's van een bepaald nieuw netwerkproject waarin wordt geïnvesteerd in aanmerking nemen.";

10)  De volgende artikelen worden ingevoegd:"

Artikel 13 bis

Functionele scheiding

1.  Wanneer de nationale regelgevende instantie besluit dat de passende verplichtingen die zijn opgelegd krachtens de artikelen 9 tot en met 13 er niet in geslaagd zijn daadwerkelijke concurrentie tot stand te brengen en dat er belangrijke en blijvende concurrentieproblemen en/of markttekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot bepaalde markten voor toegangsproducten, kan zij in overeenstemming met de bepalingen van de tweede alinea van artikel 8, lid 3, een verplichting opleggen aan verticaal geïntegreerde ondernemingen om activiteiten die verband houden met het aanbieden van de desbetreffende toegangsproducten op groothandelsniveau in een onafhankelijke bedrijfseenheid te plaatsen.

Die bedrijfseenheid moet toegangsproducten en diensten leveren aan alle ondernemingen met inbegrip van andere bedrijfseenheden binnen de moedermaatschappij, binnen de dezelfde tijdspanne, en tegen dezelfde voorwaarden, met inbegrip van de prijs en diensten en door middel van dezelfde systemen en processen.

2.  Wanneer een nationale regelgevende instantie voornemens is functionele scheiding verplicht te stellen, dient het hiertoe een verzoek in te dienen bij de Commissie met:

   a) bewijs dat de in lid 1 bedoelde besluiten van de nationale regelgevende instantie rechtvaardigt;
   b) een gemotiveerde evaluatie die stelt dat er binnen een redelijke termijn weinig of geen kans is op daadwerkelijke en duurzame op infrastructuur gegronde concurrentie;
   c) een analyse van de verwachte impact op de regelgevende instantie, de onderneming, met name op de werknemers van de gescheiden onderneming en op de elektronische- communicatiesector als geheel, en op de stimuli om in haar sector als een geheel te investeren, met name in verband met de noodzaak te zorgen voor sociale en territoriale cohesie, en op andere belanghebbenden, met name de verwachte impact op de mededinging op het gebied van infrastructuur en eventuele gevolgen voor de consument;
   d) een analyse van de redenen waarom deze verplichting het efficiëntste middel zou zijn om de geïdentificeerde mededingingsproblemen / markttekortkomingen op te lossen.

3.  De ontwerpadviezen omvatten de volgende elementen:

   a) de exacte aard en het niveau van scheiding, waarbij met name de rechtsstatus van de afzonderlijke bedrijfseenheid wordt vermeld;
   b) de identificatie van de activa van de afzonderlijke bedrijfseenheid en de producten of diensten die door deze eenheid moeten worden geleverd;
   c) de bestuursregelingen om te zorgen voor de onafhankelijkheid van het personeel dat in dienst is bij de afzonderlijke bedrijfseenheid, en de dienovereenkomstige stimulerende structuur;
   d) voorschriften om te zorgen voor naleving van de wetgeving;
   e) voorschriften om te zorgen voor transparantie van de operationele procedures, met name naar de belanghebbenden toe;
   f) een toezichtprogramma om te zorgen voor naleving, met inbegrip van de publicatie van een jaarverslag.

4.  Naar aanleiding van het besluit van de Commissie inzake de ontwerpmaatregelen die moet worden genomen in overeenstemming met artikel 8, lid 3, voert de nationale regelgevende instantie een gecoördineerde analyse uit van de verschillende markten die verbonden zijn aan het toegangsnetwerk overeenkomstig de in artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) beschreven procedure. Op basis van dit onderzoek moet de nationale regelgevende instantie, overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken.

5.  Een onderneming die functionele scheiding kreeg opgelegd kan worden onderworpen aan alle in de artikelen 9 tot en met 13 vermelde verplichtingen op elke specifieke markt wanneer is vastgesteld dat het een onderneming betreft met aanmerkelijke marktmacht overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn), of andere verplichtingen die op grond van artikel 8, lid 3, door de Commissie zijn goedgekeurd.

Artikel 13 ter

Vrijwillige scheiding door een verticaal geïntegreerde onderneming

1.  Ondernemingen waarvan is vastgesteld dat zij aanmerkelijke marktmacht hebben in een of verschillende markten in overeenstemming met artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) brengen de nationale regelgevende instantie vooraf en tijdig, zodat de nationale regelgevende instantie het effect van de voorgenomen transactie kan beoordelen, op de hoogte wanneer zij voornemens zijn hun plaatselijke toegangsnetwerkactiva over te dragen of een belangrijk deel ervan aan een afzonderlijke rechtseenheid met een verschillende eigenaar, of een afzonderlijke bedrijfseenheid op te richten om alle kleinhandelaren, met inbegrip van de eigen kleinhandelafdelingen, volledige equivalente toegangsproducten aan te bieden.

Die ondernemingen stellen de nationale regelgevende instanties tevens in kennis van eventuele veranderingen van dat voornemen, alsmede van het eindresultaat van het scheidingsproces.

2.  De nationale regelgevende instantie onderzoekt welk het effect de voorgenomen transactie zal hebben op de bestaande regelgevende verplichtingen op grond van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn).

Hiertoe voert de nationale regelgevende instantie een gecoördineerde analyse uit van de verschillende markten die verbonden zijn aan het toegangsnetwerk in overeenstemming met de in artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) beschreven procedure.

Op basis van dit onderzoek moet de nationale regelgevende instantie, overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken.

3.  De juridisch en/of operationeel gescheiden bedrijfseenheden kunnen worden onderworpen aan alle in de artikelen 9 tot en met 13 vermelde verplichtingen op alle specifieke markten waar is vastgesteld dat de onderneming aanmerkelijke marktmacht heeft overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn), of andere verplichtingen die de Commissie op grond van artikel 8, lid 3, heeft toegestaan.

"

11)  Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 3 wordt vervangen door:"
3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit."
   b) lid 4 wordt geschrapt;

12)  Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

   a) de titel wordt vervangen door:"
Minimumlijst van punten die moeten voorkomen in het door aangemelde exploitanten met aanmerkelijke marktmacht te publiceren referentieaanbod voor toegang tot groothandelsnetwerkinfrastructuur, met inbegrip van gedeelde of volledig ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk op een vaste locatie;"
   b) definitie a) wordt vervangen door:"
   a) "subnetwerk": een gedeeltelijk aansluitnetwerk dat het netwerkaansluitpunt verbindt met een concentratiepunt of een ander bepaald tussenliggend aansluitpunt in het vaste openbare elektronische-communicatienetwerk;
"
   c) definitie c) wordt vervangen door:"
   c) "volledig ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk": het verlenen van toegang aan een ontvanger tot het aansluitnetwerk of het subnetwerk van de exploitant met aanmerkelijke marktmacht, waarbij toestemming wordt verleend voor het gebruik van de volledige capaciteit van de netwerkinfrastructuur;
"
   d) definitie d) wordt vervangen door:"
   d) "gedeelde toegang tot het aansluitnetwerk": het verlenen aan een ontvanger van toegang tot het aansluitnetwerk of subnetwerk van de aangemelde exploitant met aanmerkelijke marktmacht, waarbij toestemming wordt verleend voor het gebruik van een gespecificeerd deel van de capaciteit van de netwerkinfrastructuur, zoals een deel van de frequentie of iets gelijkwaardigs;
"
   e) punten 1, 2 en 3 van deel A worden vervangen door:"
1.  Netwerkelementen waartoe toegang wordt aangeboden, met in het bijzonder de volgende elementen, tezamen met passende bijbehorende faciliteiten:
   a) ontbundelde toegang tot aansluitnetwerken (volledige en gedeelde);
   b) ontbundelde toegang tot subnetwerken (volledige en gedeelde), met inbegrip van, indien relevant, toegang tot niet-actieve netwerkelementen voor de aanleg van omleidingsnetwerken.
   c) indien relevant, toegang tot kabelgoten voor het aanleggen van toegangsnetwerken;

2.  Informatie over de locaties van de fysieke aansluitpunten, waaronder straatkasten en distributienetwerken, beschikbaarheid van aansluitnetwerken, subnetwerken en omleidingsnetwerken op bepaalde delen van het toegangsnet, en indien relevant, informatie over de locaties van de kabelgoten en de beschikbaarheid in kabelgoten;
3.  Technische voorwaarden die verband houden met toegang tot en gebruik van aansluitnetwerken en subnetwerken, met inbegrip van de technische kenmerken van de tweeaderige metaalleiding, glasvezel of een equivalent, kabeldistributeurs en van kabelgoten, en bijbehorende faciliteiten, alsook, indien relevant, technische condities met betrekking tot toegang tot kabelgoten;"
   f) punt 1 van deel B wordt vervangen door:"
1.  Informatie over de bestaande desbetreffende plaatsen van de aangemelde exploitanten met aanmerkelijke marktmacht of plaatsen van de apparatuur en de geplande modernisering ervan*.
________________________________
* Om redenen van openbare veiligheid kan de beschikbaarheid van deze informatie beperkt worden tot belanghebbenden."

Artikel 3

Wijzigingen van Richtlijn 2002/20/EG (Machtigingsrichtlijn)

Richtlijn 2002/20/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)  Artikel 2, lid 2, wordt vervangen door:"

2.  De volgende definitie is eveneens van toepassing:

"algemene machtiging": regelgeving door de lidstaten waarbij rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of -diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die overeenkomstig de richtlijn kunnen gelden voor alle of voor specifieke soorten elektronische-communicatienetwerken en -diensten, overeenkomstig deze richtlijn.

"

2)  Aan artikel 3, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:"

Ondernemingen die grensoverschrijdende elektronische-communicatiediensten verlenen aan ondernemingen in diverse lidstaten zijn verplicht tot niet meer dan één kennisgeving per betrokken lidstaat.

"

3)  Artikel 5 wordt vervangen door:"

Artikel 5

Gebruiksrechten voor radiofrequenties en nummers

1.  De lidstaten vergemakkelijken het gebruik van radiofrequenties in het kader van algemene machtigingen. De lidstaten kunnen zo nodig individuele gebruiksrechten verlenen teneinde:

   schadelijke interferentie te vermijden;
   de technische kwaliteit van de dienst te verzekeren;
   een efficiënt spectrumgebruik te waarborgen, of
   andere doelstellingen van algemeen belang te vervullen die door de lidstaten overeenkomstig het Gemeenschapsrecht worden bepaald.

2.  Wanneer individuele gebruiksrechten moeten worden verleend voor radiofrequenties en nummers, verlenen de lidstaten die rechten op verzoek aan alle ondernemingen die diensten of netwerken aanbieden of gebruiken in het kader van de algemene machtiging, met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 6, 7 en 11, lid 1, onder c), van deze richtlijn en alle andere regels die een efficiënt gebruik van deze middelen moeten waarborgen overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn).

Onverminderd de door de lidstaten vooraf aangenomen specifieke criteria voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties aan aanbieders van inhoud voor radio- en televisieomroepen welke noodzakelijk zijn om de doelstellingen van algemeen belang overeenkomstig het Gemeenschapsrecht na te streven worden dergelijke rechten verleend door middel van procedures die objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, en in het geval van frequenties, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 9 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn). De procedures moeten open zijn behalve in gevallen waarin kan worden aangetoond dat het verlenen van individuele gebruiksrechten voor gebruik van radiofrequenties voor aanbieders van diensten inzake inhoud voor radio- en televisiediensten van fundamenteel belang is om te kunnen voldoen aan een specifieke verplichting die door de lidstaten van te voren is gedefinieerd als noodzakelijk met het oog op het algemeen belang overeenkomstig de communautaire wetgeving.

Bij het verlenen van gebruiksrechten specificeren de lidstaten of en onder welke voorwaarden deze kunnen worden overgedragen door de houder van de rechten. In het geval van radiofrequenties zijn deze bepalingen overeenkomstig de artikelen 9 en 9 ter van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).

Wanneer lidstaten gebruiksrechten verlenen voor een bepaalde termijn, moet de duur zijn aangepast aan de betrokken dienst, gelet op het nagestreefde doel, naar behoren rekening houdend met het feit dat een passende periode voor de afschrijving van investeringen nodig is.

Wanneer individuele rechten om radiofrequenties te mogen gebruiken worden verleend voor een periode van 10 jaar of meer en niet kunnen worden overgedragen of verhuurd tussen ondernemingen zoals toegestaan ingevolge artikel 9 ter van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn), zorgt de bevoegde nationale instantie ervoor dat de criteria om individuele gebruiksrechten te verlenen van toepassing zijn en in acht worden genomen voor de duur van de vergunning. Wanneer deze criteria ▌niet langer van toepassing zijn, worden de individuele gebruiksrechten veranderd in een algemene machtiging voor het gebruik van radiofrequenties, mits dit vooraf wordt aangemeld en na een redelijke periode, of kan het recht vrij worden overgedragen of verhuurd tussen ondernemingen overeenkomstig artikel 9 ter van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn).

3.  Besluiten over gebruiksrechten worden zo spoedig mogelijk, doch voor nummers uiterlijk binnen drie weken na ontvangst van de volledige aanvraag, door de nationale regelgevende instantie genomen, meegedeeld en gepubliceerd, en voor radiofrequenties die in het nationale frequentieplan zijn toegewezen voor elektronische communicaties binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag door de bevoegde instantie. Deze laatstgenoemde termijnen laten de toepasselijke internationale overeenkomsten betreffende het gebruik van radiofrequenties of van posities in de ruimte onverlet.

4.  Indien na overleg met de belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) is beslist dat gebruiksrechten voor nummers van uitzonderlijke economische waarde via vergelijkende en op mededinging gebaseerde selectieprocedures moeten worden verleend, kunnen de lidstaten de maximumperiode van drie weken met ten hoogste drie weken verlengen.

Artikel 7 is van toepassing op de vergelijkende en op mededinging gebaseerde selectieprocedure voor radiofrequenties.

5.  De lidstaten beperken het aantal te verlenen gebruiksrechten niet, tenzij dat noodzakelijk is om een efficiënt gebruik van radiofrequenties te waarborgen overeenkomstig artikel 7.

6.  De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat radiofrequenties daadwerkelijk en efficiënt worden gebruikt in overeenstemming met de artikelen 8 en 9, lid 2, van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn). Zij zorgen er ook voor dat de mededinging niet wordt verstoord als gevolg van een overdracht of accumulatie van gebruiksrechten voor radiofrequenties. Voor dergelijke doeleinden nemen de lidstaten passende maatregelen zoals een vermindering, intrekking of gedwongen verkoop van een recht om radiofrequenties te mogen gebruiken.

"

4)  Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 1 wordt vervangen door:"
1.  De algemene machtiging voor het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken en -diensten en de gebruiksrechten voor radiofrequenties en gebruiksrechten voor nummers kunnen alleen aan de in de bijlage I genoemde voorwaarden worden onderworpen. Deze voorwaarden moeten niet-discriminerend, evenredig en transparant zijn en in het geval van gebruiksrechten voor radiofrequenties in overeenstemming met artikel 9 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn)."
   b) in lid 2 wordt "de artikelen 16, 17, 18 en 19 van Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstenrichtlijn)" vervangen door "artikel 17 van Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstenrichtlijn)";
   c) in lid 3 wordt het woord "bijlage" vervangen door "bijlage I";

5)  Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

  a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
   i) de inleidende zin vervangen door:"
1.  Wanneer een lidstaat overweegt het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties te beperken of de duur van bestaande rechten te verlengen op andere wijze dan in overeenstemming met de in dergelijke rechten gespecificeerde voorwaarden, dient hij onder meer:"
   ii) punt c) wordt vervangen door:"
   c) elk besluit tot beperking van het verlenen van gebruiksrechten of het verlengen van gebruiksrechten met opgave van redenen bekend te maken;
"
   b) lid 3 wordt vervangen door:"
3.  Wanneer de verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties moet worden beperkt, verlenen de lidstaten deze rechten op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria. Dergelijke selectiecriteria moeten naar behoren belang hechten aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) en aan de eisen van artikel 9 van die richtlijn."
   c) in lid 5 wordt "artikel 9" vervangen door "artikel 9 bis";

6)  Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

   a) de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:"
1.  De nationale regelgevende instanties houden toezicht op de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging of van het gebruik van gebruiksrechten en met de specifieke in artikel 6, lid 2, bedoelde verplichtingen overeenkomstig artikel 11.
De nationale regelgevende instanties kunnen eisen dat ondernemingen die onder de algemene machtiging vallende elektronische-communicatienetwerken en -diensten aanbieden of gebruiksrechten hebben ten aanzien van radiofrequenties of nummers, de nodige informatie verstrekken om na te gaan of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of aan de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, overeenkomstig artikel 11.
2.  Indien een nationale regelgevende instantie van oordeel is dat een onderneming niet voldoet aan een of meerdere voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of aan de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, deelt zij dit aan de onderneming mee en geeft zij de onderneming een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken.
3.  De instantie in kwestie kan eisen dat de in lid 2 bedoelde inbreuk wordt gestopt, hetzij onmiddellijk hetzij binnen een redelijke termijn en neemt passende en evenredige maatregelen met het oog op naleving.
   a) ontmoedigende geldelijke sancties waar zulks passend is, waaronder eventueel periodieke sancties met terugwerkende kracht; en
   b) opdracht om de levering van een dienst of dienstenpakket te staken die bij voortzetting zou leiden tot een aanzienlijke verstoring van de mededinging, zolang de toegangsverplichtingen die na een marktanalyse uitgevoerd overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) zijn opgelegd, niet worden nageleefd.

De maatregelen en de daaraan ten grondslag liggende redenen worden onverwijld meegedeeld aan de onderneming met opgave van een redelijke termijn binnen welke de onderneming aan de maatregel moet voldoen."
   b) lid 4 wordt vervangen door:"
4.  Niettegenstaande het bepaalde in de leden 2 en 3 moeten de lidstaten de desbetreffende instantie de bevoegdheid geven om waar zulks passend is geldelijke sancties op te leggen aan ondernemingen indien zij binnen een door de nationale regelgevende instantie bepaalde redelijke termijn geen informatie verstrekken overeenkomstig de verplichtingen uit hoofde van artikel 11, lid 1, onder a) of onder b), van deze richtlijn of van artikel 9 van Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn)"
   c) lid 5 wordt vervangen door:"
5.  De nationale regelgevende instanties kunnen, bij ernstige en herhaaldelijke niet-nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of van de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, wanneer de in lid 3 van dit artikel bedoelde maatregelen om naleving van de voorwaarden te verzekeren hebben gefaald, een onderneming beletten verder elektronische-communicatienetwerken of -diensten aan te bieden, of de gebruiksrechten opschorten of intrekken. Sancties en straffen die doelmatig, evenredig en ontmoedigend zijn kunnen worden toegepast om de periode van een inbreuk te bestrijken, zelfs indien de inbreuk vervolgens is rechtgezet."
   d) lid 6 wordt vervangen door:"
6.  Ongeacht het bepaalde in de leden 2, 3 en 5 kan de betrokken instantie, wanneer zij over bewijzen beschikt dat een inbreuk op de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of op de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, een directe en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, of ernstige economische of bedrijfstechnische problemen voor andere aanbieders of gebruikers van elektronische-communicatienetwerken of -diensten tot gevolg zal hebben, in afwachting van een definitief besluit tussentijdse spoedmaatregelen nemen om een eind te maken aan de situatie. De betrokken onderneming krijgt vervolgens een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken en oplossingen voor te stellen. In voorkomend geval kan de instantie in kwestie de voorlopige maatregelen bevestigen die geldig zijn voor maximaal drie maanden."

7)  In artikel 11 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

   a) lid 1, onder a), wordt vervangen door:"
   a) controle, hetzij systematisch, hetzij per geval, op de naleving van de voorwaarden 1 en 2 van deel A, voorwaarden 2 en 6 van deel B en voorwaarden 2 en 7 van deel C van bijlage I en op de naleving van de in artikel 6, lid 2, genoemde verplichtingen;
"
   b) in punt b) wordt het woord "bijlage" vervangen door "bijlage I";
   c) de volgende punten worden toegevoegd:"
   g) het waarborgen van efficiënt gebruik en efficiënt beheer van radiofrequenties;
   h) het evalueren van toekomstige ontwikkelingen van het netwerk of de diensten die gevolgen zouden kunnen hebben voor de groothandelsdiensten die beschikbaar zijn gesteld aan concurrenten.
"
   d) wordt de tweede alinea vervangen door:"
De in de punten a), b), d), e), f), g) en h) van de eerste alinea bedoelde informatie mag niet worden vereist vóór of als voorwaarde voor de toegang tot de markt."

8)  Artikel 14 wordt vervangen door:"

Artikel 14

Wijziging van rechten en verplichtingen

1.  Lidstaten zorgen ervoor dat de rechten, voorwaarden en procedures inzake algemene machtigingen en gebruiksrechten of rechten om faciliteiten te installeren alleen kunnen worden gewijzigd in objectief met redenen omklede gevallen en op evenredige wijze, in voorkomend geval rekening houdend met de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de overdraagbare gebruiksrechten voor radiofrequenties. Het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, zal op passende wijze worden bekendgemaakt en de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zullen over een adequate termijn kunnen beschikken om hun standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken; deze termijn bedraagt behoudens uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken.

2.  De lidstaten mogen de rechten om faciliteiten te installeren of gebruiksrechten voor radiofrequenties niet vóór het verstrijken van de periode waarvoor zij verleend zijn beperken of intrekken, behalve in met redenen omklede gevallen en, waar nodig, in overeenstemming met de relevante nationale bepalingen inzake compensatie voor de intrekking van rechten.

"

9)  Artikel 15, lid 1, wordt vervangen door:"

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat alle relevante informatie over rechten, voorwaarden, procedures, bijdragen, heffingen en besluiten betreffende algemene machtigingen en gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren op zodanige wijze wordt gepubliceerd en geactualiseerd dat alle belanghebbende partijen gemakkelijk toegang hebben tot deze informatie.

"

10)  In artikel 17 worden de leden 1 en 2 vervangen door:"

1.  Onverminderd artikel 9 bis van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) zorgen de lidstaten ervoor dat de machtigingen die op 31 december 2009 reeds bestaan in overeenstemming worden gebracht met de artikelen 5, 6 en 7 en bijlage I van deze richtlijn uiterlijk 2 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

2.  Wanneer de toepassing van lid 1 leidt tot een beperking van de rechten of een verzwaring van de verplichtingen in het kader van reeds bestaande algemene machtigingen of individuele gebruiksrechten, kunnen de lidstaten de geldigheid van die rechten of verplichtingen verlengen tot uiterlijk 30 september 2012, mits dit geen afbreuk doet aan de rechten van andere ondernemingen krachtens het Gemeenschapsrecht. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze verlengingen en de redenen daarvoor.

"

11)  De bijlage wordt gewijzigd als beschreven in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 4

Intrekking

Verordening (EG) nr. 2887/2000 wordt ingetrokken.

Artikel 5

Omzetting

1.  De lidstaten dienen uiterlijk ...(21) de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die maatregelen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf ...(22)*.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 7

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE

De bijlage bij Richtlijn 2002/20/EG (Machtigingsrichtlijn) is gewijzigd als volgt:

1.  De eerste alinea wordt vervangen door:"

Deze bijlage bevat de volledige lijst van voorwaarden die kunnen worden verbonden aan algemene machtigingen (deel A), rechten om radiofrequenties te gebruiken (deel B) en rechten om nummers te gebruiken (deel C) als bedoeld in artikel 6, lid 1, en artikel 11, lid 1, onder a), van deze richtlijn, binnen de grenzen zoals aangegeven in de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn).

"

2.  Deel A is gewijzigd als volgt:

   a) punt 4 wordt vervangen door:"
4.  Toegankelijkheid voor eindgebruikers van nummers van het nationale nummerplan, nummers van de Europese telefoonnummerruimte, de internationale universele gratis nummers en, waar zulks technisch en economisch haalbaar is, nummers van de nummerplannen van andere lidstaten, en de voorwaarden overeenkomstig Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstrichtlijn)."
   b) punt 7 wordt vervangen door:"
7.  Voor de sector elektronische communicatie specifieke bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)*.
______________________
* PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37."
   c) punt 8 wordt vervangen door:"
8.  Voor de sector elektronische communicatie specifieke voorschriften inzake consumentenbescherming, met inbegrip van voorwaarden overeenkomstig Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstrichtlijn), en voorwaarden inzake toegankelijkheid voor gebruikers met een handicap overeenkomstig artikel 7 van die richtlijn."
   d) in punt 11 wordt "Richtlijn 97/66/EG" vervangen door "Richtlijn 2002/58/EG";
   e) het volgende punt wordt ingevoegd:"
11 bis.  Voorwaarden voor het gebruik van mededelingen van overheidsinstanties aan het algemene publiek om het publiek te waarschuwen voor imminente dreigingen en om de gevolgen van grote rampen te verzachten."
   f) punt 12 wordt vervangen door:"
12.  Voorwaarden voor gebruik tijdens grote rampen of nationale noodsituaties om de communicatie tussen hulpdiensten en overheidsinstanties te waarborgen."
   g) punt 16 wordt vervangen door:"
16.  Beveiliging van openbare netwerken tegen ongeoorloofde toegang overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)."
   h) het volgende punt wordt toegevoegd:"
19.  Transparantieverplichtingen voor aanbieders van openbare communicatienetwerken die openbare elektronische-communicatiediensten aanbieden om eind-tot-eindverbindingen te waarborgen overeenkomstig de doelstellingen en beginselen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG, bekendmaking van de voorwaarden ter beperking van de toegang tot en/of het gebruik van diensten en toepassingen indien dergelijke voorwaarden door de lidstaten zijn toegestaan in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht alsmede, voor zover dit nodig en evenredig is, toegang van de nationale regelgevende instanties tot de informatie die zij nodig hebben om de juistheid van bedoelde bekendmaking te toetsen."

3.  Deel B wordt als volgt gewijzigd:

   a) punt 1 wordt vervangen door:"
1.  Verplichting om een dienst aan te bieden of een soort technologie te gebruiken waarvoor de gebruiksrechten voor de frequentie zijn verleend, met inbegrip van in voorkomend geval de dekkingsvereisten en kwaliteitseisen."
   b) punt 2 wordt vervangen door:"
2.  Daadwerkelijk en efficiënt gebruik van frequenties overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn)."
   c) het volgende punt wordt toegevoegd:"
9.  Specifieke verplichtingen voor experimenteel gebruik van radiofrequenties."

4.  In deel C wordt punt 1 als volgt gewijzigd:"

1.  Aanwijzing van de dienst waarvoor het nummer moet worden gebruikt, met inbegrip van alle vereisten met betrekking tot het verlenen van die dienst alsook, om twijfel te voorkomen, tariefbeginselen en maximumprijzen die voor de specifieke nummerreeks van toepassing kunnen zijn ter waarborging van de bescherming van de consument overeenkomstig artikel 8, lid 4, onder b), van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn).

"

(1) Aangenomen teksten van 24.9.2008, P6_TA(2008)0449.
(2) PB C 224 van 30.8.2008, blz. 50.
(3) PB C 257 van 9.10.2008, blz. 51.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 24 september 2008 (nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 16 februari 2009 (PB C 103 E van 5.5.2009, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 6 mei 2009.
(5) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.
(6) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.
(7) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.
(8) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51.
(9) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(10)+ PB: nummer, datum en vindplaats in PB invullen.
(11) PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10.
(12) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 1.
(13) PB L 198 van 27.7.2002, blz. 49.
(14) Verordening (EG) nr. 460/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 1).
(15) Aanbeveling van de Commissie van 11 februari 2003 betreffende relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronische-communicatiesector die overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen (PB L 114 van 8.5.2003, blz. 45).
(16) PB L 336 van 30.12.2000, blz. 4.
(17) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(18)* Datum van omzetting van deze richtlijn ║.
(19)* Datum van omzetting van deze richtlijn ║.
(20)* Termijn voor de omzetting van deze richtlijn.
(21)* 18 maanden na de datum van aanneming van het wijzigingsbesluit.
(22)** Een dag na de in de eerste alinea genoemde datum.


Orgaan van regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau ***II
PDF 193kWORD 84k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van de Europese Groep van regelgevende instanties voor telecommunicatie (GERT) (16498/1/2008 – C6-0067/2009 – 2007/0249(COD))
P6_TA(2009)0362A6-0271/2009

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (16498/1/2008 – C6-0067/2009),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0699),

–   gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2008)0720),

–   gelet op artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0271/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 6 mei 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau

P6_TC2-COD(2007)0249


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in tweede lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 1211/2009.)

(1) Aangenomen teksten van 24.9.2008, P6_TA(2008)0450.


Voor mobiele communicatie beschikbaar te stellen frequentiebanden ***I
PDF 197kWORD 34k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 87/372/EEG van de Raad inzake de voor een gecoördineerde invoering van openbare pan-Europese digitale cellulaire mobiele communicatie te land in de Gemeenschap beschikbaar te stellen frequentiebanden (COM(2008)0762 – C6-0452/2008 – 2008/0214(COD))
P6_TA(2009)0363A6-0276/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0762),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0452/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0276/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 mei 2009 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 87/372/EEG van de Raad inzake de voor een gecoördineerde invoering van openbare pan-Europese digitale cellulaire mobiele communicatie te land in de Gemeenschap beschikbaar te stellen frequentiebanden

P6_TC1-COD(2008)0214


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Richtlijn 2009/114/EG.)


Gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen ***I
PDF 265kWORD 105k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG (COM(2008)0636 – C6-0341/2008 – 2008/0192(COD))
P6_TA(2009)0364A6-0258/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0636),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 141, lid 3, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0341/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie juridische zaken (A6-0258/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 mei 2009 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad

P6_TC1-COD(2008)0192


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 141, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie║,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de regio's(2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 86/613/EEG van de Raad van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het zwangerschap(4) waarborgt dat in de lidstaten ten aanzien van mannen en vrouwen die een zelfstandige activiteit uitoefenen of die daartoe bijdragen, het beginsel van gelijke behandeling wordt toegepast. Richtlijn 86/613/EEG is wat betreft zelfstandigen en meewerkende echtgenoten niet zeer doeltreffend gebleken, en de werkingssfeer ervan dient te worden heroverwogen, aangezien discriminatie op grond van geslacht en intimidatie zich ook op andere terreinen dan arbeid in loondienst voordoet. Ter wille van de duidelijkheid dient Richtlijn 86/613/EEG door deze richtlijn te worden vervangen.

(2)  In haar Mededeling van 1 maart 2006, getiteld 'Routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010'(5) deelde de Commissie mee dat zij met het oog op een betere governance voor gendergelijkheid de bestaande, niet in 2005 herschikte EU-wetgeving inzake gendergelijkheid zou onderzoeken om die waar nodig bij te werken, te moderniseren en te herschikken. Bij de herschikkingsprocedure bleef Richtlijn 86/613/EEG buiten beschouwing.

(3)  In zijn conclusies van 5 en 6 december 2007 over een evenwichtige rolverdeling tussen mannen en vrouwen ten behoeve van werkgelegenheid, groei en sociale samenhang(6) riep de Raad de Commissie op om te onderzoeken of Richtlijn 86/613/EEG ║ eventueel diende te worden herzien om de rechten van zelfstandigen en hun meewerkende partners in verband met moeder- en vaderschap veilig te stellen.

(4)  Het Europees Parlement heeft de Commissie er bij voortduring toe opgeroepen Richtlijn 86/613/EEG te herzien, met name met het oog op een betere zwangerschapsbescherming voor zelfstandig werkzame vrouwen en ter verbetering van de situatie van meewerkende echtgenoten in de landbouw, de ambachtelijke sector, de handel, kleine en middelgrote ondernemingen en bij de vrije beroepen.

(5)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 21 februari 1997 over de situatie van medewerkende echtgenoten van zelfstandig werkenden(7)voorgesteld meewerkende echtgenoten verplicht te laten registreren, zodat zij niet langer onzichtbare werknemers zijn, en de lidstaten te verplichten meewerkende echtgenoten in staat te stellen zich aan te sluiten bij een verzekeringsstelsel voor zelfstandigen ter dekking van ziektekosten, invaliditeits- en pensioenuitkeringen.

(6)  In haar mededeling getiteld 'Vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21e eeuw'(8) heeft de Commissie bevestigd dat er maatregelen betreffende de genderkloof in het ondernemerschap en ten behoeve van een betere combinatie van privé- en beroepsleven moeten worden genomen.

(7)  Er bestaat reeds een aantal rechtsinstrumenten voor de uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling dat van toepassing is op zelfstandige arbeid, met name Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid(9) en Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)(10). Deze richtlijn dient derhalve niet te gelden voor de reeds onder andere richtlijnen vallende gebieden.

(8)  De huidige richtlijn moet van toepassing zijn op zelfstandigen en meewerkende echtgenoten, aangezien beide aan de bedrijfsactiviteiten deelnemen.

(9)  Meewerkende echtgenoten moeten een duidelijk omschreven beroepsstatus krijgen en hun rechten moeten worden vastgesteld.

(10)  Deze richtlijn dient niet te gelden voor aangelegenheden die al geregeld zijn in andere richtlijnen ter uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, in het bijzonder Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(11). Met name artikel 5 van Richtlijn 2004/113/EG betreffende verzekerings- en aanverwante financiële diensten blijft van toepassing.

(11)  Ter voorkoming van discriminatie op grond van geslacht is deze richtlijn zowel op directe als op indirecte discriminatie van toepassing. Intimidatie en seksuele intimidatie moeten worden beschouwd als discriminatie en zijn daarom verboden.

(12)  Krachtens artikel 141, lid 4, van het Verdrag mogen de lidstaten maatregelen handhaven of aannemen waarbij specifieke voordelen worden geboden om de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in hun beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren. In principe moeten deze maatregelen in de vorm van positieve acties ter verwezenlijking van gelijkheid niet als schending van het rechtsbeginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen worden beschouwd.

(13)  Voor zelfstandige arbeid houdt de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling in dat er geen discriminatie mag bestaan ten aanzien van de oprichting, leiding, vestiging of uitbreiding van een bedrijf of van enigerlei andere vorm van zelfstandige arbeid.

(14)  Gewaarborgd moet worden dat de voorwaarden voor de oprichting van een bedrijf door echtgenoten of overeenkomstig de nationale wetgeving erkende levenspartners, geen discriminatie op grond van echtelijke staat of gezinssituatie mogelijk maken. Voor de toepassing van deze richtlijn moeten de begrippen "gezinssituatie" en "familiebedrijf" worden geïnterpreteerd in het licht van de erkenning van levenspartnerschappen zoals vastgelegd in de desbetreffende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

(15)  Gezien de bijdrage van meewerkende echtgenoten aan het gezinsbedrijf, moeten zij in beginsel over ten minste hetzelfde niveau van bescherming als de zelfstandige kunnen beschikken, waarbij voor hen ▌dezelfde voorwaarden dienen te gelden als voor de zelfstandige. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om die keuze mogelijk te maken. In elk geval dient het beschermingsniveau van ▌meewerkende echtgenoten evenredig te zijn aan de mate waarin zij aan de werkzaamheden van de zelfstandige in het gezinsbedrijf deelnemen.

(16)  Op grond van de economische en lichamelijke kwetsbaarheid van zwangere zelfstandigen en zwangere meewerkende echtgenoten moet hun recht op zwangerschapsverlof worden toegekend, waarvan een gedeelte als verplicht zou moeten worden beschouwd. De lidstaten blijven bevoegd voor de vaststelling van de hoogte van de premies en voor alle regelingen betreffende uitkeringen en betalingen, mits de minimumnormen van deze richtlijn worden nageleefd. Gezien de specifieke situatie van zelfstandigen en meewerkende echtgenoten, moeten zij uiteindelijk zelf kunnen bepalen of zij van het recht op zwangerschapsverlof gebruik willen maken.

(17)  Om recht te doen aan de bijzondere kenmerken van het werk als zelfstandige, moeten vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten de mogelijkheid hebben, om ▌tijdens het zwangerschapsverlof in de mate van het mogelijke, naast een uitkering, beroep te kunnen doen op diensten voor tijdelijke vervanging.

(18)  Het vergroten van de efficiëntie en de doelmatigheid van de sociale stelsels, met name via betere stimulansen, betere administratie en evaluatie en de prioriteitsstelling bij uitgavenprogramma's, is nu van cruciaal belang om de financiële houdbaarheid van de Europese sociale modellen te garanderen. ▌

(19)  Personen die op grond van geslacht zijn gediscrimineerd, dienen over adequate mogelijkheden tot rechtsbescherming te beschikken. Om een doeltreffender niveau van bescherming te bieden, moeten ook verenigingen, organisaties en andere rechtspersonen gerechtelijke stappen namens of tot steun van slachtoffers kunnen ondernemen, naargelang de lidstaten bepalen, onverminderd de nationale procedurevoorschriften inzake vertegenwoordiging en verdediging in rechte.

(20)  De bescherming van zelfstandigen en meewerkende echtgenoten tegen discriminatie op grond van geslacht moet worden versterkt door de aanwezigheid in elke lidstaat van een orgaan ▌met de bevoegdheid om de betrokken problemen te onderzoeken, mogelijke oplossingen te zoeken en concrete bijstand aan de slachtoffers te verlenen. ▌

(21)  Aangezien de doelstellingen van het beoogde optreden, namelijk een gemeenschappelijk hoog niveau van bescherming tegen discriminatie in alle lidstaten waarborgen, niet ║ voldoende ║ door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap ║ overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

1.  In deze richtlijn wordt een kader vastgesteld voor de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen die een zelfstandige activiteit uitoefenen of die daartoe bijdragen, met betrekking tot alle aspecten die niet onder de Richtlijnen 2006/54/EG en 79/7/EEG vallen.

2.  Deze richtlijn is van toepassing op zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.

3.  De uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten blijft onder Richtlijn 2004/113/EG vallen.

Artikel 2

Definities

║ Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

   a) "zelfstandige werknemers": allen die onder de in de nationale wetgeving bepaalde voorwaarden voor eigen rekening een winstgevende activiteit uitoefenen, met inbegrip van landbouwers, ▌beoefenaars van vrije beroepen, ambachtslieden, handelaren en kleine en middelgrote ondernemingen;
   b) "meewerkende echtgenoten": de echtgenoten, respectievelijk overeenkomstig de nationale wetgeving erkende levenspartners, die, anders dan als loontrekkende of als vennoot, door verrichting van ofwel dezelfde, ofwel aanvullende werkzaamheden gewoonlijk en onder de in de nationale wetgeving bepaalde voorwaarden aan de uitoefening van de activiteit van de zelfstandige deelnemen;
   c) "directe discriminatie": hiervan is sprake wanneer iemand op grond van geslacht minder gunstig wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;
   d) "indirecte discriminatie": hiervan is sprake wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of procedure personen van het ene geslacht in vergelijking met personen van het andere geslacht bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of procedure objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn;
   e) "intimidatie": hiervan is sprake in het geval van ongewenst gedrag dat verband houdt met het geslacht van een persoon en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van die persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;
   f) "seksuele intimidatie": hiervan is sprake wanneer zich enige vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie voordoet met als doel of gevolg dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.

Artikel 3

Familiebedrijven

De lidstaten zorgen ervoor dat er geen discriminatie op grond van burgerlijke staat of gezinssituatie plaatsvindt ten aanzien van de voorwaarden voor het opzetten van een bedrijf tussen echtgenoten of overeenkomstig de nationale wetgeving erkende levenspartners. Als "familiebedrijf" worden alle bedrijven beschouwd die door echtgenoten en overeenkomstig de nationale wetgeving erkende levenspartners samen zijn opgericht. De erkenning van levenspartnerschappen is gebaseerd op de desbetreffende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 4

Het beginsel van gelijke behandeling

1.  Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten, in het bijzonder met betrekking tot de oprichting, leiding, vestiging of uitbreiding van een onderneming, dan wel ten aanzien van opstarten en uitbreiding van iedere andere vorm van zelfstandige arbeid.

2.  Intimidatie en seksuele intimidatie worden beschouwd als discriminatie op grond van geslacht en zijn derhalve verboden Het feit dat een persoon zulk gedrag afwijst of lijdzaam ondergaat, mag niet ten grondslag liggen aan een die persoon betreffende beslissing.

3.  Een opdracht tot het discrimineren van personen op grond van geslacht wordt beschouwd als discriminatie.

Artikel 5

Positieve actie

Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de praktijk te waarborgen, specifieke maatregelen handhaaft of aanneemt om de nadelen verband houdende met geslacht te voorkomen of te compenseren, bijvoorbeeld om vrouwelijk ondernemerschap te stimuleren.

Artikel 6

Oprichting van een vennootschap

Onverminderd bijzondere voorwaarden voor de toegang tot bepaalde werkzaamheden, die op mannen en vrouwen op gelijke wijze worden toegepast, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de voorwaarden voor oprichting van een vennootschap tussen echtgenoten, respectievelijk overeenkomstig de nationale wetgeving erkende levenspartners, niet restrictiever te maken dan de voorwaarden voor oprichting van een vennootschap tussen andere personen.

Artikel 7

Sociale bescherming voor meewerkende echtgenotenen levenspartners

De lidstaten nemen de nodige maatregelen waardoor meewerkende echtgenoten en levenspartners over ten minste hetzelfde niveau van bescherming kunnen beschikken als zelfstandigen onder dezelfde voorwaarden die voor zelfstandigen gelden. Indien deze uitbreiding van de uitkeringen krachtens de wetgeving van bepaalde lidstaten niet verplicht is, dan wordt deze toegekend na een verzoek van de meewerkende echtgenoot of levenspartner.

Deze maatregelen bieden waarborgen inzake de onafhankelijke toetreding van meewerkende echtgenoten tot bestaande socialezekerheidsstelsels voor zelfstandigen ter dekking van ziektekosten, invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen, waarbij zij onder dezelfde bijdrageregeling vallen als zelfstandigen, met dien verstande evenwel dat hun premies eventueel op forfaitaire grondslag mogen worden berekend.

De sociale bijdragen van meewerkende echtgenoten moeten fiscaal aftrekbaar zijn als bedrijfskosten, evenals de reële bezoldiging die de echtgenoten ontvangen, voor zover de bewuste diensten daadwerkelijk zijn geleverd en het om een gebruikelijke bezoldiging gaat voor dergelijke diensten.

Artikel 8

Zwangerschapsverlof

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen zodat vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten ▌in aanmerking kunnen komen voor een periode van zwangerschapsverlof die op hun specifieke behoefte is afgestemd. De duur van het zwangerschapsverlof kunnen zij zelf bepalen, zolang deze de in Richtlijn 92/85/EEG van de Raad(12) gespecificeerde periode niet overschrijdt.

2.  De lidstaten nemen, om te waarborgen dat de in lid 1 bedoelde personen hun in dit artikel vastgestelde rechten kunnen uitoefenen, de maatregelen op grond waarvan zij gedurende het zwangerschapsverlof een adequate uitkering ontvangen.

3.  De in lid 2 bedoelde uitkering wordt als adequaat beschouwd, wanneer zij een inkomen waarborgt dat ten minste gelijk is aan het inkomen dat de betrokken werkneemster zou ontvangen in geval van een onderbreking van haar werkzaamheden om gezondheidsredenen of, indien niet van toepassing, aan een andere op nationaal niveau vastgestelde gelijkwaardige uitkering, binnen de grenzen van een eventueel door de nationale wetten bepaald maximum, indien dit maximum niet tot discriminatie leidt.

4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen zodat vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten aanspraak kunnen maken op tijdelijke vervangingsdiensten of bestaande sociale diensten, naast de in lid 2 bedoelde uitkering.

Artikel 9

Erkenning van het werk van meewerkende echtgenoten

De lidstaten verbinden zich ertoe te onderzoeken op welke wijze de erkenning van het werk dat door meewerkende echtgenoten wordt verricht, kan worden bevorderd, en, in het licht van dit onderzoek, alle nodige stappen te zullen onderzoeken om die erkenning te bevorderen.

Artikel 10

Verdediging van rechten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat eenieder die meent door niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling schade of verlies te hebben geleden, toegang krijgt tot doeltreffende gerechtelijke en/of administratieve procedures, en wanneer zij zulks passend achten, ook tot bemiddelingsprocedures, voor de naleving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, zelfs na beëindiging van de verhouding waarin hij/zij zou zijn gediscrimineerd.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat verenigingen, organisaties en andere rechtspersonen, die er, overeenkomstig de in de nationale wetgeving vastgestelde criteria, een rechtmatig belang bij hebben dat deze richtlijn wordt nageleefd, namens of ter ondersteuning van de klager of klaagster met zijn, respectievelijk haar toestemming, met het oog op de naleving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen gerechtelijke en/of administratieve procedures kunnen aanspannen.

3.  De leden 1 en 2 laten de nationale regels betreffende de termijnen voor de instelling van een rechtsvordering aangaande het beginsel van gelijke behandeling onverlet.

Artikel 11

Compensatie of reparatie

De lidstaten nemen in hun interne rechtsorde de nodige maatregelen op om reële en effectieve compensatie of reparatie te waarborgen, naargelang zij bepalen, van de schade of het verlies geleden door een persoon als gevolg van discriminatie in de zin van deze richtlijn, op een wijze die afschrikkend is en evenredig aan het geleden verlies of de geleden schade. Deze compensatie of reparatie wordt niet beperkt tot een vooraf vastgesteld maximumbedrag.

Artikel 12

Organen voor gelijke behandeling

1.  De lidstaten wijzen een orgaan aan voor de bevordering, analyse en ondersteuning en het volgen van de gelijke behandeling van eenieder, zonder discriminatie op grond van geslacht, en treffen daarvoor de nodige maatregelen. Dit orgaan kan deel uitmaken van organen die op nationaal vlak verantwoordelijk zijn voor de verdediging van de mensenrechten of de bescherming van de rechten van het individu, of voor de uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat het in lid 1 bedoelde orgaan tot taak heeft:

   a) onverminderd de rechten van slachtoffers en van de in artikel 10, lid 2, bedoelde verenigingen, organisaties of andere rechtspersonen, onafhankelijke bijstand te verlenen aan slachtoffers van discriminatie bij de afwikkeling van hun klachten betreffende discriminatie;
   b) onafhankelijke onderzoeken naar discriminatie te verrichten;
   c) onafhankelijke verslagen te publiceren en aanbevelingen te doen over elk onderwerp dat met dergelijke discriminatie verband houdt;
   d) op het daartoe geëigende niveau beschikbare informatie uit te wisselen met soortgelijke Europese organen zoals het Europees Genderinstituut.

Artikel 13

Gendermainstreaming

De lidstaten houden daadwerkelijk rekening met de doelstelling van gelijkheid van mannen en vrouwen bij de opstelling en uitvoering van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, beleidsmaatregelen en activiteiten op de in deze richtlijn genoemde gebieden.

Artikel 14

Verspreiding van informatie

De lidstaten dragen er zorg voor dat op hun grondgebied alle betrokkenen door middel van alle passende middelen, waaronder het internet, adequate informatie ontvangen over de uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde bepalingen tezamen met de reeds van kracht zijnde relevante bepalingen.

Artikel 15

Niveau van bescherming

De uitvoering van deze richtlijn vormt onder geen beding een reden voor de verlaging van het in de lidstaten reeds bestaande niveau van bescherming tegen discriminatie op de door de richtlijn bestreken terreinen.

Artikel 16

Verslagen

1.  De lidstaten delen de Commissie uiterlijk ...(13) alle beschikbare informatie over de toepassing van deze richtlijn mee.

De Commissie stelt een samenvattend verslag op en legt dit uiterlijk ...(14)+ aan het Europees Parlement en de Raad voor. Het verslag gaat, zo nodig, vergezeld van voorstellen tot wijziging van deze richtlijn.

2.  Het verslag van de Commissie houdt rekening met de standpunten van de belanghebbende partijen.

Artikel 17

Evaluatie

Uiterlijk ...(15)++ evalueert de Commissie de toepassing van deze richtlijn en stelt zij zo nodig wijzigingen voor.

Artikel 18

Uitvoering

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ...(16) aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  Indien er zich bijzondere moeilijkheden voordoen die zulks rechtvaardigen, kan de in lid 1 bedoelde termijn om aan deze richtlijn te voldoen verlengd worden tot ...(17)+.

3.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 19

Minimumeisen

De lidstaten mogen bepalingen vaststellen of handhaven die voor de bescherming van het beginsel van gelijke behandeling gunstiger zijn dan die van deze richtlijn.

Artikel 20

Intrekking

Op ...+ wordt Richtlijn 86/613/EEG ingetrokken.

Artikel 21

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 22

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) Standpunt van 24 maart 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) PB C, blz. .
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 6 mei 2009.
(4) PB L 359 van 19.12.1986, blz. 56.
(5) COM(2006)0092.
(6)Document SOC 385 ║.
(7) PB C 85 van 17.3.1997, blz. 186.
(8) COM(2008)0412.
(9) PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24.
(10) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(11) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(12) PB L 348 van 28.11.1992, blz. 1.
(13)+ Vier jaarna goedkeuring van deze richtlijn.
(14)++ Vijf jaar na goedkeuring van deze richtlijn.
(15)+++ Zes jaar na goedkeuring van deze richtlijn.
(16)+ Twee jaar na goedkeuring van deze richtlijn.
(17)++ Drie jaar na goedkeuring van deze richtlijn.


Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering ***I
PDF 194kWORD 67k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (COM(2008)0867 – C6-0518/2008 – 2008/0267(COD))
P6_TA(2009)0365A6-0242/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0867),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 159, derde alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0518/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0242/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 mei 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering

P6_TC1-COD(2008)0267


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 546/2009.)


Programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie ***I
PDF 223kWORD 77k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van een programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie (COM(2009)0035 – C6-0049/2009 – 2009/0010(COD))
P6_TA(2009)0366A6-0261/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2009)0035),

–   gelet op artikel 251, lid 2, artikel 156 en artikel 175, lid 1, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0049/2009),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0261/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   neemt kennis van de als bijlage aan deze resolutie gevoegde verklaring van de Commissie;

3.   is van mening dat het in het wetgevingsvoorstel vermelde referentiebedrag alleen maar in overeenstemming is met het meerjarig financieel kader zodra dit is herzien;

4.   wijst er nogmaals op dat iedere herschikking die voor andere beleidssectoren van de EU negatieve gevolgen zou hebben doordat zij ten koste zou gaan van de daarvoor toegewezen middelen, moet worden vermeden;

5.   herinnert eraan dat het jaarlijks bedrag overeenkomstig de bepalingen van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1) wordt vastgesteld in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure;

6.   merkt op dat het wetgevingsproces kan worden afgerond, na dat er overeenstemming is bereikt over de financiering van het programma;

7.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

8.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 mei 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van een programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie

P6_TC1-COD(2009)0010


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 663/2009.)

BIJLAGE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE

"De Commissie benadrukt dat energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen zowel om ecologische redenen als om redenen van voorzieningszekerheid hoofdprioriteiten van het EU-energiebeleid zijn. De verordening zal tot deze prioriteiten bijdragen door te voorzien in aanzienlijke steun voor offshore-windenergieprojecten.

De Commissie memoreert in dit verband de diverse andere nieuwe initiatieven ter ondersteuning van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen, die zij met name heeft voorgesteld in haar Europees herstelplan waaraan de Europese Raad van december 2008 zijn goedkeuring heeft gehecht. Het gaat daarbij onder meer om:

Een wijziging van de EFRO-verordening om investeringen tot 8 miljard EUR in energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen in woningen mogelijk te maken in alle lidstaten. Een publiek-privaat partnerschap inzake een "Europees initiatief voor energie-efficiënte gebouwen", ter bevordering van groene technologieën en van de ontwikkeling van energie-efficiënte systemen en materialen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen. De begrotingsmiddelen voor deze actie worden op 1 miljard EUR geraamd: 500 miljoen EUR uit de bestaande begroting voor het zevende EG-kaderprogramma voor de periode 2007-2013, en 500 miljoen EUR van het bedrijfsleven.

Het EG-EIB-initiatief "EU-initiatief voor de financiering van duurzame energie", dat investeringen voor projecten op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen in stedelijke milieus mogelijk moet maken. De Commissie financiert een faciliteit voor technische bijstand uit het programma Intelligente energie voor Europa (toewijzing van 15 miljoen EUR voor 2009). Deze door de EIB beheerde faciliteit zal de toegang tot EIB-leningen met een aanzienlijk hefboomeffect vergemakkelijken.

De oprichting door institutionele beleggers uit de EU − onder leiding van de EIB − van een marktgeoriënteerd beleggingsfonds "Marguerite": het Europees Fonds 2020 voor energie, klimaatverandering en infrastructuur. Dit fonds investeert op de gebieden energie en klimaatverandering (TEN-E, duurzame energieproductie, hernieuwbare energie, nieuwe technologieën, energie-efficiëntie, voorzieningszekerheid en milieu-infrastructuur). De Commissie steunt dit initiatief.

Voorts zal de Commissie voor eind november 2009 de herziening van het actieplan inzake energie-efficiëntie presenteren, zoals gevraagd door de Raad (conclusies van de Europese Raad van maart 2009) en het Europees Parlement (EP-Resolutie P6_TA(2009)0064).

Deskundigen zijn het erover eens dat energie-efficiëntie de goedkoopste beschikbare optie is om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. De Commissie zal tegen november 2009 een gedetailleerde analyse voorleggen van de elementen die meer investeringen in energie-efficiëntie in de weg staan. Zij zal daarin met name nagaan of er behoefte is aan meer financiële stimulansen in de vorm van leningen met een lage rentevoet en/of subsidies en hoe de Europese begroting daartoe kan worden gebruikt, en zij zal, indien nodig, onder meer voorzien in extra middelen voor de financiering van energie-efficiëntie in het nieuwe EU-instrument voor energiezekerheid en −infrastructuur dat in 2010 zal worden voorgelegd.

Bij de herziening van het actieplan inzake energie-efficiëntie zal de Commissie bijzondere aandacht besteden aan de nabuurschapsdimensie van energie-efficiëntie. Zij zal nagaan hoe zij met stimulansen op financieel en regelgevend gebied buurlanden ertoe kan aanzetten hun investeringen in energie-efficiëntie op te voeren.

Indien de Commissie, bij de rapportage over de uitvoering van de verordening in 2010 conform artikel 28 daarvan, constateert dat een deel van de middelen voor de in de bijlage bij de verordening vermelde projecten niet tegen eind 2010 zal kunnen worden vastgelegd, dan stelt zij in voorkomend geval een geografisch evenwichtige wijziging van de verordening voor, zodat naast de bovengenoemde initiatieven ook projecten op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen kunnen worden gefinancierd, mede aan de hand van soortgelijke subsidiabiliteitscriteria als die voor de projecten welke staan vermeld in de bijlage bij deze verordening."

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Kapitaalvereistenrichtlijnen ***I
PDF 197kWORD 53k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer (COM(2008)0602 – C6-0339/2008 – 2008/0191(COD))
P6_TA(2009)0367A6-0139/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0602),

–   gezien de ontwerprichtlijn van de Commissie tot wijziging van bepaalde bijlagen bij Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad wat een aantal technische voorschriften inzake risicobeheer betreft, alsmede zijn betreffende resolutie van 16december 2008(1),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 47, lid 2, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0339/2008),

–   gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 29 april 2009 om het voorstel als gewijzigd goed te keuren overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0139/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 mei 2009 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer

P6_TC1-COD(2008)0191


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Richtlijn 2009/111/EG.)

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0607.


Gemeenschapsprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële diensten, financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen ***I
PDF 221kWORD 60k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Gemeenschapsprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële diensten, financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen (COM(2009)0014 – C6-0031/2009 – 2009/0001(COD))
P6_TA(2009)0368A6-0246/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2009)0014),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0031/2009),

–   gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 6 mei 2009 om het voorstel als geamendeerd goed te keuren, overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie juridische zaken en de Begrotingscommissie (A6–0246/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   is van mening dat het in het wetgevingsvoorstel vermelde indicatieve referentiebedrag verenigbaar moet zijn met het maximum van rubriek 1 A van het meerjarig financieel kader 2007-2013, en wijst erop dat het jaarlijkse bedrag in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure zal worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1);

3.   is van mening dat punt 47 van bovengenoemd Interinstitutioneel Akkoord van toepassing moet zijn als de Europese organen die mede worden gefinancierd uit het "programma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële diensten, financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen" agentschappen worden;

4.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

5.   hecht zijn goedkeuring aan de verklaring van het Parlement die als bijlage bij de onderhavige resolutie is gevoegd;

6.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 mei 2009 met het oog op de aanneming van Besluit nr. .../2009/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Gemeenschapsprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële diensten, financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen

P6_TC1-COD(2009)0001


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Besluit nr. 716/2009/EG.)

BIJLAGE

Verklaring van het Europees Parlement

De steeds ernstigere financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat met spoed moet worden gezorgd voor versterking van de convergentie en samenwerking op het gebied van toezicht in de hele EU. De ontwikkeling van gemeenschappelijke informatietechnologie-instrumenten en een gemeenschappelijke toezichtcultuur door de drie Comités van toezichthouders binnen de EU, CESR, CEBS en CEOIPS, kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van dat doel.

In afwachting van de inwerkingtreding van het Gemeenschapsprogramma voor de periode 2010-2013, verzoeken het Europees Parlement en de Raad de Commissie derhalve het voorstel uit te voeren om in 2009 tussentijdse financiering toe te kennen aan de drie EU-Comités van toezichthouders door middel van een besluit van de Commissie, met de volgende opzet:

  • de tussentijdse financiering door de Commissie zal plaatsvinden binnen het kader van de tenuitvoerlegging en ontwikkeling van de interne markt voor 2009, ten laste van begrotingslijn 12 02 01. Die tussentijdse financiering komt derhalve ten laste van de bestaande begroting van de Commissie, uit bedragen die voor 2009 reeds door de begrotingsautoriteit zijn toegewezen aan het directoraat-generaal Interne markt en diensten. Het financieringsbesluit zelf neemt aldus de vorm aan van een besluit van de Commissie.

  • De Commissie verstrekt de drie EU-Comités van toezichthouders beperkte actiesubsidies ter financiering van (i) sectorgebonden en sectoroverschrijdende opleidingsprojecten die worden opgezet door elk van de drie EU-Comités van toezichthouders (ii) in het geval van het CESR, een specifiek IT-project in het kader van het Transaction Reporting Exchange Mechanism (TREM) waartoe in de Richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID)(2) wordt bepaald, meer bepaald de uitbreiding van TREM tot over-the-counter-derivaten. Dit zijn strategische projecten die door de drie EU-Comités van toezichthouders als prioriteiten zijn genoemd.

  • Voor 2009 zal het totaalbedrag van de tussentijdse financiering door de Commissie ten hoogste 500 000 EUR bedragen; dat bedrag moet een deel van de door de EU-Comités van toezichthouders voor 2009 voorgestelde geselecteerde projecten en opleidingen dekken.

Het besluit van de Commissie inzake tussentijdse financiering is gerechtvaardigd gezien de uitzonderlijke omstandigheden van de huidige financiële crisis en het feit dat het beoogde Gemeenschapsprogramma pas in 2010 in werking zal treden. Het is derhalve niet de bedoeling dat het besluit een precedent vormt.

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz.1.
(2) Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1).


Bescherming van dieren bij het doden *
PDF 473kWORD 306k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van dieren bij het doden (COM(2008)0553 – C6-0451/2008 – 2008/0180(CNS))
P6_TA(2009)0369A6-0185/2009

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0553),

–   gelet op artikel 37 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0451/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0185/2009),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van dieren bij het doden
Voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van dieren bij het slachten en doden
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft twee adviezen opgesteld over de welzijnsaspecten van de meest gebruikte methoden voor het bedwelmen en doden van bepaalde diersoorten, te weten het advies over de welzijnsaspecten met betrekking tot de meest gebruikte methoden voor het bedwelmen en doden van de belangrijkste commerciële diersoorten (2004) en het advies over de welzijnsaspecten met betrekking tot de meest gebruikte methoden voor het bedwelmen en doden die toegepast worden op voor commerciële doeleinden gehouden herten, geiten, konijnen, struisvogels, eenden, ganzen en kwartels (2006). De communautaire wetgeving op dit gebied dient geactualiseerd te worden om de strekking van deze adviezen in aanmerking te kunnen nemen. De aanbevelingen om het gebruik van koolstofdioxide voor varkens en pluimvee en het gebruik van waterbadbedwelmers voor pluimvee geleidelijk uit te bannen zijn niet in dit voorstel opgenomen, omdat uit de effectbeoordeling is gebleken dat die uitbanning op dit moment in de EU economisch nog niet haalbaar is. Daarnaast maakt een aantal andere aanbevelingen ook geen deel uit van deze verordening, aangezien zij op technische parameters betrekking hebben die aan de orde dienen te komen in de uitvoeringsmaatregelen of in de codes voor goede praktijken. De aanbevelingen voor kweekvissen zijn niet in het voorstel opgenomen omdat hiervoor eerst een nader wetenschappelijk advies en een nadere economische evaluatie vereist is.
(6)  De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft twee adviezen opgesteld over de welzijnsaspecten van de meest gebruikte methoden voor het bedwelmen en doden van bepaalde diersoorten, te weten het advies over de welzijnsaspecten met betrekking tot de meest gebruikte methoden voor het bedwelmen en doden van de belangrijkste commerciële diersoorten (2004) en het advies over de welzijnsaspecten met betrekking tot de meest gebruikte methoden voor het bedwelmen en doden die toegepast worden op voor commerciële doeleinden gehouden herten, geiten, konijnen, struisvogels, eenden, ganzen en kwartels (2006). In 2001 heeft het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren (WCGWD) een verslag goedgekeurd over het welzijn van dieren in de bontproductie, waartoe een evaluatie behoorde van de methoden voor het doden van dieren in pelsfokkerijen. De communautaire wetgeving op dit gebied dient geactualiseerd te worden om de strekking van deze adviezen in aanmerking te kunnen nemen. De aanbevelingen om het gebruik van koolstofdioxide voor varkens en pluimvee en het gebruik van waterbadbedwelmers voor pluimvee geleidelijk uit te bannen zijn niet in dit voorstel opgenomen, omdat uit de effectbeoordeling is gebleken dat die uitbanning op dit moment in de EU economisch nog niet haalbaar is. Daarnaast maakt een aantal andere aanbevelingen ook geen deel uit van deze verordening, aangezien zij op technische parameters betrekking hebben die aan de orde dienen te komen in de uitvoeringsmaatregelen of in de codes voor goede praktijken. De aanbevelingen voor kweekvissen zijn niet in het voorstel opgenomen omdat hiervoor eerst een nader wetenschappelijk advies en een nadere economische evaluatie vereist is.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  In het Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren wordt de noodzaak onderstreept om bij het opstellen en uitvoeren van het communautair beleid inzake onder andere de landbouw en de interne markt, de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten te respecteren met betrekking tot religieuze riten, culturele tradities en regionaal erfgoed. Het is derhalve wenselijk om culturele evenementen van het toepassingsgebied van deze verordening uit te sluiten indien de naleving van de vereisten voor het dierenwelzijn een negatief effect zou hebben op het wezenlijke karakter van het betreffende evenement.
(15)  In het Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren wordt de noodzaak onderstreept om bij het opstellen en uitvoeren van het communautair beleid inzake onder andere de landbouw en de interne markt, de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten te respecteren met betrekking tot religieuze riten, culturele tradities of tradities met een religieuze oorsprong, en regionaal erfgoed. Het is derhalve noodzakelijk om culturele, religieuze en traditionele evenementen van het toepassingsgebied van deze verordening uit te sluiten indien de naleving van de vereisten voor het dierenwelzijn een negatief effect zou hebben op het wezenlijke karakter van het betreffende evenement.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Daarnaast hebben culturele tradities betrekking op geërfde, ingeburgerde of gebruikelijke denk-, handelings- of gedragspatronen, hetgeen in feite vergelijkbaar is met het concept van gebruiken die zijn overgedragen door of zijn overgenomen van een voorganger. Die tradities leveren een bijdrage aan het in stand houden van oude, gevestigde sociale banden tussen generaties. Mits dergelijke activiteiten niet van invloed zijn op de markt voor dierlijke producten en niet ingegeven zijn door productiedoeleinden, is het wenselijk om het doden van dieren in het kader van dergelijke evenementen uit te sluiten van het toepassingsgebied van deze verordening.
(16)  Daarnaast hebben culturele tradities of tradities met een religieuze oorsprong betrekking op geërfde, ingeburgerde of gebruikelijke denk-, handelings- of gedragspatronen, hetgeen in feite vergelijkbaar is met het concept van gebruiken die zijn overgedragen door of zijn overgenomen van een voorganger. Die tradities leveren een bijdrage aan het in stand houden van oude, gevestigde sociale banden tussen generaties. Mits dergelijke activiteiten niet van invloed zijn op de markt voor dierlijke producten en niet ingegeven zijn door productiedoeleinden, is het noodzakelijk om het slachten van dieren in het kader van dergelijke evenementen uit te sluiten van het toepassingsgebied van deze verordening.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Het is onvermijdelijk dat de hierboven genoemde nieuwe uitdagingen aanmerkelijke financiële implicaties hebben voor exploitanten in de EU. Om te kunnen voldoen aan de voorschriften die zijn vastgelegd in deze verordening, moet er voldoende financiering vanuit de EU beschikbaar worden gesteld voor de financiële ondersteuning die nodig is om de Europese Unie in staat te stellen leiderschap op het gebied van dierenwelzijn te tonen in de internationale context.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Afhankelijk van de wijze waarop zij bij het slachten of doden gebruikt worden, kunnen sommige bedwelmingsmethoden tot de dood van dieren leiden op een manier die geen pijn en zo weinig mogelijk angst en lijden bij het dier veroorzaakt. Er behoeft dan ook geen onderscheid gemaakt te worden tussen omkeerbare en niet-omkeerbare bedwelmingsmethoden.
(24)  Afhankelijk van de wijze waarop zij bij het slachten of doden gebruikt worden, kunnen sommige bedwelmingsmethoden tot de dood van dieren leiden op een manier die geen pijn en zo weinig mogelijk angst en lijden bij het dier veroorzaakt.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  In Verordening (EG) nr. 854/2004 is een lijst van inrichtingen opgenomen van waaruit gespecificeerde producten van dierlijke oorsprong in de Gemeenschap ingevoerd mogen worden. Ten behoeve van die lijst dienen de algemene en de aanvullende eisen die van toepassing zijn op slachthuizen, in aanmerking te worden genomen.
(32)  In Verordening (EG) nr. 854/2004 is een lijst van inrichtingen opgenomen van waaruit gespecificeerde producten van dierlijke oorsprong in de Gemeenschap ingevoerd mogen worden. Ten behoeve van die lijst dienen de algemene en de aanvullende eisen die van toepassing zijn op slachthuizen, in aanmerking te worden genomen. De Commissie moet ervoor zorgen dat de invoer van vlees en vleesproducten uit derde landen die voor de interne markt zijn bestemd, voldoet aan de algemene regels die in deze verordening worden vastgelegd.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  Slachthuizen en de uitrusting die daarin wordt gebruikt, zijn ontworpen voor bepaalde categorieën dieren en hebben een bepaalde capaciteit. Indien die capaciteit wordt overschreden of indien de uitrusting voor een doel wordt ingezet waarvoor zij niet is ontworpen, kan dit een negatief effect op het welzijn van dieren hebben. De bevoegde autoriteiten dienen daarom de beschikking te krijgen over informatie over deze aspecten, die tevens geïntegreerd moet worden in de erkenningsprocedure voor slachthuizen.
(33)  Slachthuizen en de uitrusting die daarin wordt gebruikt, zijn ontworpen voor bepaalde categorieën dieren en hebben een bepaalde capaciteit. Indien die capaciteit wordt overschreden of indien de uitrusting voor een doel wordt ingezet waarvoor zij niet is ontworpen, kan dit een negatief effect op het welzijn van dieren hebben. De bevoegde autoriteiten dienen daarom de beschikking te krijgen over informatie over deze aspecten, die tevens geïntegreerd moet worden in de erkenningsprocedure voor slachthuizen. Kleine, regelmatig gecontroleerde slachthuizen met een slachtcapaciteit van maximaal 50 stuks grootvee per week of 150 000 stuks pluimvee per jaar, die voornamelijk levensmiddelen rechtstreeks aan de consument verkopen, hebben geen uitgebreide vergunningsprocedure nodig om aan de algemene beginselen van deze verordening te voldoen.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 34 bis (nieuw)
(34 bis)  Het is noodzakelijk het lijden van dieren door angst en stress voorafgaand aan het slachten te vermijden. Derhalve is het raadzaam slachthuizen dusdanig in te richten, de processen in het slachthuis zo te plannen en het personeel dusdanig op te leiden dat lijden, angst en pijn voor de dieren vanaf het uitladen tot het slachten vermeden worden.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 35
(35)  Met betrekking tot de bouw, indeling en uitrusting van slachthuizen wordt er regelmatig wetenschappelijke en technische vooruitgang geboekt. Het is dan ook belangrijk dat de Gemeenschap de Commissie de bevoegdheid verleent voor het wijzigen van de eisen die van toepassing zijn op de bouw, indeling en uitrusting van slachthuizen, waarbij een uniform en hoog niveau van dierenbescherming gehandhaafd wordt.
(35)  Met betrekking tot de bouw, indeling en uitrusting van slachthuizen wordt er regelmatig wetenschappelijke en technische vooruitgang geboekt. Het is dan ook belangrijk dat de Gemeenschap de Commissie de bevoegdheid verleent voor het wijzigen van de eisen die van toepassing zijn op de bouw, indeling en uitrusting van slachthuizen, waarbij een uniform en hoog niveau van dierenbescherming gehandhaafd wordt. De ontwikkeling van betere bedwelmingsmethoden moet voortdurend bevorderd worden. Onderzoek dient zich tevens uit te strekken tot alternatieven voor het doden van overtollige kuikens.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 37
(37)  Het doden zonder bedwelming vereist dat de keel van dieren accuraat wordt doorgesneden om het lijden te bekorten. Bij dieren die na het doorsnijden niet mechanisch gefixeerd zijn, zal het verbloeden daarnaast waarschijnlijk langer duren, waardoor hun lijden onnodig wordt verlengd. Dieren die zonder bedwelming worden geslacht, dienen dan ook elk afzonderlijk gefixeerd te worden.
(37)  Het doden zonder bedwelming vereist dat de keel van dieren accuraat wordt doorgesneden om het lijden te bekorten. Bij dieren die na het doorsnijden niet mechanisch gefixeerd zijn, zal het verbloeden daarnaast waarschijnlijk langer duren, waardoor hun lijden onnodig wordt verlengd. Dieren die zonder bedwelming worden geslacht, dienen dan ook elk afzonderlijk gefixeerd te worden en onmiddellijk na het doorsnijden van de keel doeltreffend bedwelmd te worden.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  Met betrekking tot het behandelen en fixeren van dieren in slachthuizen wordt regelmatig wetenschappelijke en technische vooruitgang geboekt. Het is dan ook van belang dat de Gemeenschap de Commissie de bevoegdheid geeft om de eisen die van toepassing zijn op het omgaan met en fixeren van dieren vóór het slachten aan te passen, waarbij een hoog beschermingsniveau van de dieren gewaarborgd blijft.
(38)  Met betrekking tot het behandelen en fixeren van dieren in slachthuizen en pelsfokkerijen wordt regelmatig wetenschappelijke en technische vooruitgang geboekt. Het is dan ook van belang dat de Gemeenschap de Commissie de bevoegdheid geeft om de eisen die van toepassing zijn op het omgaan met en fixeren van dieren vóór het doden aan te passen, waarbij een hoog beschermingsniveau van de dieren gewaarborgd blijft.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2 – letter a – punt i
i) gedurende technische of wetenschappelijke experimenten die onder de supervisie van de bevoegde autoriteit worden uitgevoerd;
i) in het kader van de activiteiten die zijn geregeld in Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt1;
__________
1PB L 358 van 18.12.1986, blz. 1.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2 – letter a – punt ii
ii) tijdens de jacht;
ii) tijdens de jacht en sportvisserij;
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2 – letter a – punt iv bis (nieuw)
iv bis) in het kader van traditionele slacht voor eigen consumptie, bij gelegenheid van de belangrijke religieuze feestdagen zoals bijvoorbeeld Pasen en Kerstmis, en alleen gedurende een periode van tien dagen hieraan voorafgaand;
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2 – letter b bis (nieuw)
b bis) op semigedomesticeerde herten, die in het veld worden afgeschoten en verwerkt worden via een wildhouderij;
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – letter b
b) "daarmee verband houdende activiteiten": activiteiten zoals het behandelen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen en verbloeden van dieren die worden verricht in de context van het doden van dieren op de locatie waar de dieren worden gedood;
b) "daarmee verband houdende activiteiten": activiteiten zoals het uitladen, behandelen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen en verbloeden van dieren die worden verricht in de context van het doden van dieren op de locatie waar de dieren worden geslacht;
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – letter b bis (nieuw)
b bis) "bevoegde autoriteit": de centrale autoriteit van een lidstaat die bevoegd is om toe te zien op de naleving van de eisen van de onderhavige verordening, of elke andere autoriteit waaraan de centrale autoriteit bedoelde bevoegdheid heeft gedelegeerd;
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – letter d bis (nieuw)
d bis) "bewusteloosheid": een staat van niet-bewust zijn waarin de hersenfunctie tijdelijk of blijvend verstoord is en waarna het dier niet meer in staat is te reageren op normale stimuli, waaronder pijn;
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – letter f
f) "bedwelmen": iedere bewust gebruikte methode die een dier pijnloos in een staat van bewusteloosheid en gevoelloosheid brengt, met inbegrip van methoden die onmiddellijk de dood tot gevolg hebben;
f) "bedwelmen": iedere bewust gebruikte methode die een dier in een staat van bewusteloosheid en gevoelloosheid brengt, met inbegrip van methoden die onmiddellijk de dood tot gevolg hebben;
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – letter g
g) "religieuze rite": een reeks handelingen verband houdende met het slachten van dieren die voorgeschreven is door een godsdienst als de islam of het jodendom;
g) "religieuze rite": een reeks handelingen verband houdende met het slachten van dieren die voorgeschreven is door een godsdienst of bij gelegenheid van bepaalde religieuze feestdagen wordt verricht;
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – letter k
k) "slachthuis": elke inrichting die gebruikt wordt voor het slachten van landdieren;
k) "slachthuis": inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie;
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – letter m
m) "pelsdieren": dieren of soorten zoogdieren die voornamelijk worden gehouden ten behoeve van de productie van pelzen, zoals nertsen, bunzingen, vossen, wasberen, beverratten en chinchilla's;
m) "pelsdieren": dieren of soorten zoogdieren die voornamelijk worden gehouden ten behoeve van de productie van pelzen, zoals nertsen, bunzingen, vossen, wasberen, wasbeerhonden, beverratten, konijnen en chinchilla's;
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter a
a) fysiek comfort en fysieke bescherming wordt geboden, met name doordat zij schoon worden gehouden in een omgeving met een adequate temperatuurregeling die ook bescherming biedt tegen vallen of uitglijden;
a) fysiek comfort en fysieke bescherming wordt geboden, met name doordat zij worden gehouden in een omgeving met een adequate temperatuurregeling die ook bescherming biedt tegen vallen of uitglijden;
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter d
d) geen tekenen van pijn, angst, agressie of ander abnormaal gedrag vertonen;
d) geen tekenen van pijn, agressie of ander abnormaal gedrag vertonen;
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter f
f) niet van negatieve interacties te lijden hebben.
Schrappen
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Het doden van overtollige eendagskuikens, onafhankelijk van de toegepaste methoden, is niet meer toegestaan zodra er geschikte alternatieven zijn voor het doden van deze dieren.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1
2.  Dieren mogen in afwijking van lid 1 gedood worden zonder voorafgaande bedwelming indien zulks wordt voorgeschreven door religieuze riten, mits het doden in een slachthuis plaatsvindt.
2.  Overeenkomstig religieuze riten mogen dieren worden geslacht zonder voorafgaande bedwelming, mits het slachten in een slachthuis plaatsvindt.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 2
De lidstaten zijn echter niet verplicht om deze uitzondering toe te passen.
Schrappen
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  Het bedwelmen wordt uitgevoerd volgens de methoden zoals beschreven in bijlage I.
1.  Het bedwelmen wordt uitgevoerd volgens de methoden zoals beschreven in bijlage I. Teneinde rekening te houden met wetenschappelijke en technische vorderingen kan de Commissie nieuwe bedwelmingsmethoden goedkeuren op basis van een beoordeling door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en in overeenstemming met de procedure bedoeld in artikel 22, lid 2.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 – alinea 1
2.  Het personeel dat verantwoordelijk is voor de bedwelming, voert periodieke controles uit om te waarborgen dat de dieren geen tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vertonen in de periode gelegen tussen het eind van het bedwelmingsproces en de vaststelling van overlijden.
2.  Het personeel dat verantwoordelijk is voor de bedwelming, voert periodieke controles uit om te waarborgen dat de dieren geen tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vertonen in de periode gelegen tussen het eind van het bedwelmingsproces en het overlijden.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Na de bedwelming moet zo snel mogelijk worden begonnen met het verbloeden.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3 – alinea 2
Elke wijziging dient echter een niveau van dierenwelzijn te waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan dat van de bestaande methoden,hetgeen moet blijken uit wetenschappelijk bewijsmateriaal dat in relevante, internationaal erkende, collegiaal getoetste tijdschriften is gepubliceerd.
Elke wijziging dient echter een niveau van dierenwelzijn te waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan dat van de bestaande methoden. Dit moet blijken uit adequaat wetenschappelijk bewijsmateriaal.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 4
4.  Volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde procedure kunnen communautaire codes voor goede praktijken worden vastgesteld met betrekking tot de in bijlage I beschreven methoden
4.  Volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde procedure kunnen communautaire richtsnoeren voor het opstellen van procedures en uitvoeren van regels worden vastgesteld met betrekking tot de in bijlage I beschreven methoden.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1
2.  Exploitanten stellen dienovereenkomstige standaardwerkwijzen op en voeren die uit om te waarborgen dat het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten overeenkomstig artikel 3, lid 1, plaatsvinden.
2.  Exploitanten stellen dienovereenkomstige standaardwerkwijzen op en voeren die uit om te waarborgen dat het slachten van dieren en daarmee verband houdende activiteiten overeenkomstig artikel 3, lid 1, plaatsvinden. Te dien einde kunnen op slachthuizen de procedures worden toegepast die zijn vastgelegd in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 852/2004.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3
3.  Op verzoek worden de standaardwerkwijzen ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteit.
3.  Op verzoek worden de standaardwerkwijzen ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteit. Telkens als er veranderingen zijn doorgevoerd in standaardwerkwijzen moet de officiële dierenarts schriftelijk op de hoogte worden gesteld.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De bevoegde autoriteit kan wijzigingen aanbrengen in de standaardwerkprocedures wanneer deze duidelijk niet in overeenstemming zijn met de algemene regels en vereisten die in deze verordening zijn vastgesteld.
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing op het doden van dieren in slachthuizen waar wekelijks niet meer dan 50 stuks grootvee worden geslacht.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter a
a) het omgaan met en het verzorgen van dieren voorafgaand aan de fixatie;
a) het toevoeren van dieren met het oog op de fixatie, de bedwelming of het slachten;
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter f
f) het verbloeden van levende dieren.
f) het verbloeden van levende dieren en/of het slachten als bedoeld in artikel 4, lid 2.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter f bis (nieuw)
f bis) het doden van pelsdieren.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3
3.  Het doden van pelsdieren geschiedt onder supervisie van een persoon die beschikt over het in artikel 18 bedoelde getuigschrift van vakbekwaamheid, dat alle activiteiten omvat die onder zijn of haar supervisie worden uitgevoerd.
Schrappen
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – letter a
a) de categorieën of gewichtsklassen van dieren waarvoor de uitrusting is bedoeld;
a) de soorten of gewichtsklassen van dieren waarvoor de uitrusting is bedoeld;
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – letter c bis (nieuw)
c bis) het onderhoud en de ijking van de uitrusting;
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
2.  Tijdens slachtactiviteiten is er onmiddellijk en ter plekke adequate back-upbedwelmingsuitrusting beschikbaar die wordt ingezet bij een storing of fout in de oorspronkelijk gebruikte bedwelmingsuitrusting.
2.  Tijdens slachtactiviteiten is er onmiddellijk en ter plekke een adequate back-upbedwelmingsmethode beschikbaar die wordt ingezet bij een storing of fout in de oorspronkelijk gebruikte bedwelmingsuitrusting. Wanneer deze back-upbedwelmingsmethode zware installaties betreft, is mobiele apparatuur geschikt.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Geen dier mag worden gefixeerd wanneer de slachter die verantwoordelijk is voor de bedwelming en het slachten van het dier daarvoor nog niet gereed is.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 10
De voorschriften van de hoofdstukken II en III van deze verordening zijn relevant voor de toepassing van artikel 12, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 854/2004.
Bij de inspectie van slachthuizen of inrichtingen in derde landen die zijn of moeten worden erkend met het oog op de uitvoer naar de Europese Unie overeenkomstig de communautaire regelgeving, vergewissen de deskundigen van de Commissie zich ervan dat de in artikel 5 bedoelde levende dieren zijn geslacht onder omstandigheden die, voor wat het dierenwelzijn betreft, ten minste even goede waarborgen bieden als in deze verordening zijn voorgeschreven.
Vlees uit derde landen kan alleen worden ingevoerd wanneer het keuringscertificaat dat dit vlees begeleidt, aangevuld is met een verklaring dat aan bovenstaande eis is voldaan.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Regeling voor de invoer vanuit derde landen
De Commissie zorgt ervoor dat vlees en producten op basis van vlees afkomstig uit derde landen en bestemd voor consumptie op de interne markt in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze verordening.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2 – inleidende formule
2.  Voor de toepassing van deze verordening keurt de bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004, voor elk slachthuis het volgende goed:
2.  Voor de toepassing van deze verordening keurt de bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004, voor elk slachthuis met een slachtcapaciteit van meer dan 50 stuks grootvee per week of 150 000 stuks pluimvee per jaar het volgende goed
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2 – letter a
a) de maximale verwerkingscapaciteit voor elke slachtlijn;
Schrappen
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2 – letter c
c) de maximale capaciteit van onderbrenglocaties die bestemd zijn voor eenhoevigen en runderen, schapen, geiten, varkens, pluimvee en lagomorfen.
c) de maximale capaciteit van onderbrenglocaties die bestemd zijn voor eenhoevigen en runderen, schapen, geiten, varkens, pluimvee, loopvogels en konijnachtigen.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  Exploitanten waarborgen dat dieren die zonder bedwelming gedood worden, mechanisch gefixeerd zijn.
2.  Exploitanten waarborgen dat, voorzover van toepassing en in het geval van religieus slachten waarbij dieren zonder bedwelming geslacht worden,de dieren mechanisch gefixeerd zijn.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3 – letter e
e) het gebruik van elektrische stroomstoten die dieren niet onder gecontroleerde omstandigheden bedwelmen of doden, met name alle toepassingen met elektrische stroom die niet aan beide zijden van de hersenen wordt toegediend.
Schrappen
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3 – alinea 2
Het bepaalde onder a) en b) is echter niet van toepassing op de haken die voor pluimvee worden gebruikt.
Het bepaalde onder a) en b) is echter niet van toepassing op de haken die voor pluimvee en konijnachtigen worden gebruikt.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1
1.  Exploitanten dienen adequate controleprocedures op te stellen en te gebruiken om te verifiëren en vast te stellen dat slachtdieren effectief bedwelmd zijn in de periode gelegen tussen het eind van het bedwelmingsproces en de vaststelling van overlijden.
1.  Exploitanten dienen adequate controleprocedures op te stellen en te gebruiken om te verifiëren en vast te stellen dat slachtdieren effectief bedwelmd zijn in de periode gelegen tussen het eind van het bedwelmingsproces en de vaststelling van overlijden. Dieren moeten dood zijn voordat enige andere potentieel pijnlijke uitslachtingsprocedure of behandeling wordt uitgevoerd.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Exploitanten van pelsdierhouderijen dienen de bevoegde autoriteit vooraf te melden wanneer er dieren gedood zullen worden teneinde de officiële dierenarts in staat te stellen te controleren of aan de vereisten die zijn vastgelegd in deze verordening, en aan de standaardwerkwijzen, wordt voldaan.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 5
5.  Volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde procedure kunnen communautaire codes voor goede praktijken worden vastgesteld met betrekking tot de controleprocedures in slachthuizen.
5.  Volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde procedure kunnen communautaire richtlijnen voor het opstellen van procedures en de uitvoering van regels worden vastgesteld met betrekking tot de controleprocedures in slachthuizen.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De officiële dierenarts dient de bovengenoemde controleprocedures en het naleven van de standaard-werkwijzen regelmatig te controleren.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid -1 (nieuw)
-1.  De exploitanten zijn verantwoordelijk voor de naleving van de in onderhavige verordening vastgelegde voorschriften.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1
1.  Exploitanten benoemen voor elk slachthuis een functionaris voor het dierenwelzijn die verantwoordelijk is voor de naleving in dat slachthuis van de voorschriften van deze verordening. Deze functionaris rapporteert rechtstreeks aan de exploitant over zaken die verband houden met het welzijn van dieren.
1.  Exploitanten benoemen voor elk slachthuis een functionaris voor het dierenwelzijn die verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving in dat slachthuis van de voorschriften van deze verordening. Deze functionaris rapporteert rechtstreeks aan de exploitant over zaken die verband houden met het welzijn van dieren.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 5
5.  De leden 1 en 4 zijn niet van toepassing op slachthuizen waar minder dan 1 000 stuks vee (zoogdieren) of minder dan 150 000 stuks pluimvee per jaar worden geslacht.
5.  Slachthuizen waar minder dan 1 000 stuks vee (zoogdieren) of minder dan 150 000 stuks pluimvee per jaar worden geslacht, kunnen worden geëxploiteerd met een functionaris voor dierenwelzijn, waarbij de procedure voor het verkrijgen van een certificaat van beroepsvaardigheid vereenvoudigd wordt overeenkomstig voorschriften vastgesteld door de bevoegde autoriteit.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 1
1.  De bevoegde autoriteit en de exploitanten die betrokken zijn bij een ruimingsoperatie stellen voorafgaand aan die operatie een actieplan op om te waarborgen dat aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan.
Schrappen
In de rampenplannen die krachtens de communautaire wetgeving inzake de diergezondheid vereist zijn, worden – op basis van de hypothese die in het rampenplan is geformuleerd over de omvang en de locatie van vermoedelijke ziekte-uitbraken – met name de voorgenomen slachtmethoden en de corresponderende standaardwerkwijzen voor het waarborgen van de voorschriften van deze verordening opgenomen.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 3
3.  Voor de toepassing van dit artikel en in uitzonderlijke omstandigheden kan de bevoegde autoriteit afwijkingen toestaan van een of meer van de voorschriften van deze verordening wanneer die autoriteit van mening is dat de naleving waarschijnlijk van invloed zal zijn op de volksgezondheid of een aanzienlijke vertraging zal opleveren in het proces om de ziekte uit te bannen.
3.  Voor de toepassing van dit artikel en in gevallen van overmacht kan de bevoegde autoriteit in uitzonderlijke omstandigheden afwijkingen toestaan van een of meer van de voorschriften van deze verordening wanneer die autoriteit van mening is dat de naleving waarschijnlijk van invloed zal zijn op de volksgezondheid of een aanzienlijke vertraging zal opleveren in het proces om de ziekte uit te bannen of het dierenwelzijn nog meer zal schaden.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 4
4.  Binnen één jaar na de beëindigingsdatum van de ruimingsoperatie doet de bevoegde autoriteit als bedoeld in lid 1 de Commissie een evaluatieverslag van de resultaten toekomen; dat verslag wordt ook voor het publiek beschikbaar gemaakt, met name via internet.
Schrappen
In het verslag wordt met name aandacht besteed aan:
a) de aanleiding voor de ruiming;
b) het aantal en de soorten dieren die gedood zijn;
c) de bedwelmingsmethoden en de methoden die gebruikt zijn om de dieren te doden;
d) een beschrijving van de geconstateerde problemen en, waar van toepassing, de gevonden oplossingen om het lijden van de betrokken dieren te verlichten of zo veel mogelijk te beperken;
e) alle afwijkingen waarvoor op grond van lid 3 toestemming is gegeven.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 16
In noodsituaties neemt de persoon die verantwoordelijk is voor de betreffende dieren, alle noodzakelijke maatregelen om de dieren zo snel mogelijk te doden.
In geval van noodslachtingen neemt de persoon die verantwoordelijk is voor de betreffende dieren, alle noodzakelijke maatregelen om de dieren zo snel mogelijk te slachten, onverminderd de voorwaarden voor noodslachtingen buiten het slachthuis zoals die zijn neergelegd in bijlage III, sectie I, hoofdstuk VI, bij Verordening (EG) nr. 853/2004.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 17
Artikel 17
Referentiecentra
1.  Elke lidstaat wijst een nationaal referentiecentrum aan (hierna: "het referentiecentrum" genoemd) om de volgende taken uit te voeren:
Schrappen
a) het verstrekken van wetenschappelijke en technische expertise met betrekking tot de goedkeuring van slachthuizen;
b) het uitvoeren van beoordelingen van nieuwe bedwelmingsmethoden;
c) het actief bevorderen dat exploitanten en andere belanghebbenden codes voor goede praktijken ontwikkelen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening, alsmede het publiceren en verspreiden van dergelijke codes en het controleren van de toepassing ervan;
d) het ontwikkelen van richtsnoeren voor de bevoegde autoriteit met het oog op de uitvoering van deze verordening;
e) het accrediteren van organen en entiteiten voor het verlenen van getuigschriften van vakbekwaamheid overeenkomstig artikel 18;
f) het corresponderen en samenwerken met de Commissie en met andere referentiecentra om technische en wetenschappelijke informatie en beste praktijken uit te wisselen met het oog op de uitvoering van deze verordening.
2.  Binnen één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening verstrekken de lidstaten nadere gegevens over hun referentiecentrum aan de Commissie en de andere referentiecentra en maken zij die informatie tevens via internet voor het publiek beschikbaar.
3.  Referentiecentra kunnen ook de vorm van een netwerk van afzonderlijke entiteiten hebben, mits alle in lid 1 genoemde taken voor alle relevante activiteiten die in de betreffende lidstaat worden uitgevoerd, zijn toegewezen.
De lidstaten kunnen voor de uitvoering van een of meer van die taken ook een entiteit aanwijzen die zich buiten hun eigen grondgebied bevindt.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 1 – letter b
b) het verstrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid als bewijs voor het met goed gevolg afleggen van een onafhankelijk afsluitend examen; de onderwerpen van dit examen zijn relevant voor de betreffende diersoorten en zijn in overeenstemming met de activiteiten zoals genoemd in artikel 7, lid 2, en met de onderwerpen in bijlage IV;
b) het waarborgen dat degenen die belast zijn met het ontwikkelen of handhaven van de in artikel 6 genoemde standaard-werkwijzen, adequaat zijn opgeleid;
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 1 – letter c
c) het goedkeuren van opleidingsprogramma's voor de cursussen als bedoeld onder a) en van de inhoud en uitvoeringsbepalingen van het examen als bedoeld onder b);
Schrappen
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2
2.   De bevoegde autoriteit kan het organiseren van de cursussen, het afsluitend examen en het verstrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid aan een afzonderlijk orgaan of aan een afzonderlijke entiteit delegeren dat/die:
2.   De opleidingen worden ontwikkeld en in voorkomend geval verzorgd door de eigen onderneming of een door de bevoegde autoriteit gemachtigde organisatie.
a) over de noodzakelijke expertise, medewerkers en uitrusting beschikt om die taken uit te voeren;
Deze onderneming of organisatie verstrekt getuigschriften van vakbekwaamheid op dit terrein.
b) onafhankelijk is en niet in belangenconflicten verstrengeld zal raken als gevolg van het verstrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid;
De bevoegde autoriteit ontwikkelt en verzorgt opleidingen en verstrekt getuigschriften van vakbekwaamheid voorzover zij dat nodig acht.
c) geaccrediteerd is bij het referentiecentrum.
De nadere gegevens over dergelijke organen en entiteiten worden voor het publiek beschikbaar gemaakt, met name via internet.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 3 – alinea 1
3.   Op de getuigschriften van vakbekwaamheid wordt niet alleen aangegeven voor welke categorieën dieren, maar ook voor welke van de activiteiten als bedoeld in artikel 7, leden 2 en 3, het getuigschrift geldig is.
3.   De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor het goedkeuren van de inhoud van de in lid 2 genoemde opleidingen.
Amendementen 69 en 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 3 – alinea 2
De geldigheidsduur van getuigschriften van vakbekwaamheid bedraagt maximaal vijf jaar.
De geldigheidsduur van getuigschriften van vakbekwaamheid is onbeperkt. De bezitters van getuigschriften van vakbekwaamheid zijn verplicht regelmatig aan scholingen deel te nemen.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2
2.  Tot en met 31 december 2014 kunnen de lidstaten de getuigschriften van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 18 zonder examen verstrekken aan personen die kunnen aantonen dat zij gedurende een onafgebroken periode van minimaal [tien] jaar relevante professionele werkervaring hebben opgedaan.
2.  Tot en met 31 december 2014 kunnen de lidstaten de getuigschriften van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 18 zonder examen verstrekken aan personen die kunnen aantonen dat zij een passende opleiding hebben genoten en voor de inwerkingtreding van de onderhavige verordening minimaal 12 maanden relevante professionele werkervaring hebben opgedaan.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Vóór 1 januari 2013 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een wetsvoorstel in over de vaststelling van voorwaarden en regels voor het gebruik van mobiele slachthuizen in de Europese Unie, waarbij ervoor wordt gezorgd dat in deze mobiele eenheden alle voorzorgsmaatregelen worden genomen, opdat het dierenwelzijn niet in het gedrang komt.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – hoofdstuk I – tabel I – regel nr. 2 – categorie dieren
Herkauwers tot 10 kg, pluimvee en lagomorfen.
Herkauwers, pluimvee en konijnachtigen.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – hoofdstuk I – tabel I – regel nr. 2 – cruciale parameters – alinea 2
Adequate snelheid en diameter van de pen gerelateerd aan de grootte van het dier en de diersoort.
Adequate snelheid en diameter van de pen (contactplaatmethode) gerelateerd aan de grootte van het dier en de diersoort.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – hoofdstuk I – tabel 2 – regel nr. 2 – naam
Elektrisch doden (kop tot rug)
Elektrisch bedwelmen of slachten (kop tot hart of kop tot rug)
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – hoofdstuk I – tabel 2 – regel nr. 2 – categorie dieren
Alle diersoorten, met uitzondering van lammeren en biggen met een levend gewicht van minder dan 5 kg en runderen.
Alle diersoorten.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – hoofdstuk I – tabel 3 – regel nr. 2 – categorie dieren
Varkens en pluimvee
Varkens, pluimvee en pelsdieren
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – hoofdstuk II – punt 7 – alinea 1 bis (nieuw)
Kooldioxide met concentraties van meer dan 30% mag niet worden gebruikt voor het bedwelmen of slachten van pluimvee in slachthuizen. Dergelijke concentraties mogen alleen worden gebruikt bij het doden van overtollige kuikens of voor ziektepreventie.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 2.3
2.3  Tussen de stalruimte en het looppad dat naar het bedwelmingspunt leidt, is een wachthok beschikbaar met een effen vloer en stevige zijwanden om een gestage toevoer van dieren voor de bedwelming en het doden te waarborgen en om te voorkomen dat dierenbegeleiders dieren op moeten jagen vanuit de stalruimte. Het ontwerp van deze wachtruimte is zodanig dat dieren niet vast kunnen komen te zitten of vertrapt kunnen worden.
2.3  Tussen de stalruimte en het looppad dat naar het bedwelmingspunt leidt, is een wachthok beschikbaar om een gestage toevoer van dieren voor de bedwelming en het slachten te waarborgen en om te voorkomen dat dierenbegeleiders dieren op moeten jagen vanuit de stalruimte. Het ontwerp van deze wachtruimte is zodanig dat dieren niet vast kunnen komen te zitten of vertrapt kunnen worden.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 3.2
3.2  Fixatieboxen die in combinatie met een penschiettoestel worden gebruikt, zijn voorzien van een systeem dat zowel de laterale als de verticale beweging van de kop van het dier beperkt.
Schrappen
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 3.3
3.3  Er mogen geen systemen gebruikt worden waarmee runderen in een geroteerde of onnatuurlijke houding worden gefixeerd.
Schrappen
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 4.1 bis (nieuw)
4.1 bis De uitrusting voor elektrische bedwelming moet:
a) voorzien zijn van een systeem waarmee op zichtbare of hoorbare wijze wordt aangegeven hoelang het apparaat contact maakt met het dier;
b) in verbinding staan met een toestel waarmee voltage en stroom bij belasting worden aangegeven. Dit toestel moet zo worden geplaatst dat deze gegevens voor de bedwelmer duidelijk zichtbaar zijn.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 4.2
4.2  De elektrische apparatuur levert een constante stroom.
Schrappen
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 7.2
7.2  Voorzieningen voor pluimvee zijn zodanig ontworpen en gebouwd dat de dieren in transportkratten aan de gasmengsels blootgesteld kunnen worden zonder dat zij uitgeladen hoeven te worden.
7.2  Levend pluimvee moet in de transportkratten of op transportbanden aan de gasmengsels worden blootgesteld.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 1.2
1.2  De dieren worden zo spoedig mogelijk na aankomst uitgeladen en vervolgens zonder onnodige vertraging geslacht.
Schrappen
Bij pluimvee en lagomorfen mag de totale transporttijd plus de tijd tussen het moment van uitladen en de uiteindelijke slacht niet meer dan 12 uur bedragen.
Met uitzondering van lagomorfen mag bij zoogdieren de totale transporttijd plus de tijd tussen het moment van uitladen en de uiteindelijke slacht niet meer bedragen dan:
a) 19 uur voor niet-gespeende dieren;
b) 24 uur voor eenhoevigen en varkens;
c) 29 uur voor herkauwers.
Na het verstrijken van genoemde termijnen worden de dieren ondergebracht en gevoederd, waarna zij vervolgens met gepaste, regelmatige tussenpozen een redelijke hoeveelheid voer dienen te krijgen. In dergelijke gevallen worden de dieren voorzien van een adequate hoeveelheid strooisel of gelijksoortig materiaal dat een mate van comfort waarborgt die afgestemd is op de diersoort en de betreffende hoeveelheid dieren. Dit materiaal dient urine en uitwerpselen op adequate wijze te absorberen.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 1.5
1.5  Bij het slachten krijgen niet-gespeende dieren, melkvee, vrouwelijke dieren die tijdens het transport hebben geworpen en dieren die in containers zijn afgeleverd, voorrang boven andere soorten dieren. Indien dit niet mogelijk is, worden maatregelen getroffen om hun lijden te verlichten, met name door:
Schrappen
a) melkvee te melken met tussenpozen van maximaal 12 uur;
b) adequate voorzieningen te treffen voor het zogen en het welzijn van pas geboren dieren als een dier heeft geworpen;
c) dieren die in containers zijn afgeleverd van drinkwater te voorzien.
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 1.7 – letter c
c) de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun vermijdbare pijn of vermijdbaar lijden berokkent;
c) de dieren bij kop, oren, horens, poten (met de uitzondering van de poten van pluimvee en konijnachtigen), staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun vermijdbare pijn of vermijdbaar lijden berokkent;
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 1.8 bis (nieuw)
1.8 bis Elektrische bedwelmingsapparatuur mag niet worden gebruikt om de dieren in bedwang te houden, te fixeren of in beweging te brengen.
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 1.8 ter (nieuw)
1.8 ter Dieren die niet in staat zijn om te lopen, mogen niet naar de slachtplaats worden gesleept, maar moeten worden geslacht op de plaats waar zij liggen.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 2.1
2.1  Elk dier dient over voldoende ruimte te beschikken om op te kunnen staan, te gaan liggen en rond te draaien.
2.1  Met uitzondering van volwassen runderen die gedurende een redelijke termijn in een eenlingbox worden geplaatst, dient elk dier over voldoende ruimte te beschikken om op te kunnen staan, te gaan liggen en rond te draaien.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 2 bis (nieuw)
2 bis Bedwelming met een penschiettoestel
2 bis.1  Het penschiettoestel moet zo worden geplaatst dat het projectiel in de hersenschors binnendringt. In het bijzonder moet het schieten van runderen in de nekpositie worden verboden. Bij schapen en geiten is dit wel toegestaan als een schot in het voorhoofd in verband met de aanwezigheid van horens niet mogelijk is. In dat geval moet het instrument onmiddellijk achter de aanzet van de horens worden geplaatst, waarbij moet worden gericht op de bek; het verbloeden moet binnen 15 seconden na het schot beginnen.
2 bis.2  Wanneer gebruik wordt gemaakt van een penschiettoestel, moet de bedwelmer zich er na elk schot van vergewissen dat de pen volledig in de loop terugschuift. Als dit niet het geval is, mag het penschiettoestel niet meer worden gebruikt totdat het is gerepareerd.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 2 ter (nieuw)
2 ter Het fixeren van dieren
Een dier mag niet in een bedwelmingsbox worden geplaatst en zijn hoofd mag niet geplaatst worden in een toestel om zijn bewegingen te beperken, tenzij de persoon die het dier moet bedwelmen hiertoe gereed is zodra het dier in de bedwelmingsbox geplaatst wordt of zijn hoofd wordt vastgezet.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 3.1
3.1  Wanneer het bedwelmen, het aanhaken, het ophangen en het laten verbloeden van de dieren door dezelfde persoon worden uitgevoerd, moet die persoon al deze handelingen achtereenvolgens bij één bepaald dier hebben uitgevoerd voordat hij met de uitvoering daarvan bij een ander dier begint.
3.1  Wanneer het bedwelmen, het aanhaken, het ophangen en het laten verbloeden van de dieren door dezelfde persoon worden uitgevoerd, moet die persoon al deze handelingen achtereenvolgens bij één bepaald dier hebben uitgevoerd voordat hij met de uitvoering daarvan bij een ander dier begint. Deze vereiste is niet van toepassing als groepsgewijs bedwelmen wordt toegepast.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 3.1 bis (nieuw)
3.1 bis Het verbloeden moet onverwijld na de bedwelming beginnen en op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat de verbloeding snel, overvloedig en volledig is.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 3.2 bis (nieuw)
3.2 bis Na het insnijden mogen geen verdere slachthandelingen worden verricht of elektrische prikkels worden gegeven tot het verbloeden is beëindigd, en in elk geval niet voor het verstrijken van:
a) in het geval van een kalkoen of een gans, een periode van tenminste 120 seconden;
b) in het geval van andere vogelsoorten, een periode van tenminste 90 seconden;
c) in het geval van bedwelmde runderen, een periode van tenminste 30 seconden;
d) in het geval van niet-bedwelmde runderen, een periode van tenminste 120 seconden;
e) in het geval van schapen, geiten, varkens en herten, een periode van tenminste 20 seconden.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – lid 3.2 ter (nieuw)
3.2  ter. Wanneer een drachtig dier wordt geslacht, moet:
a) indien de baarmoeder intact is, de foetus daarin blijven totdat deze dood is.
b) in geval van twijfel, of wanneer er na slachting een bij bewustzijn verkerende foetus wordt ontdekt in de baarmoeder van een dier, moet deze onmiddellijk worden verwijderd, bedwelmd met een penetrerend penschiettoestel en gedood door verbloeding.
Slachthuizen moeten beschikken over de juiste apparatuur om deze procedure snel te kunnen uitvoeren indien dit vereist is.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – letter 3.3
3.3  Vogels mogen niet met behulp van automatische halsafsnijders worden geslacht, tenzij kan worden vastgesteld of die halsafsnijders de bloedvaten al dan niet daadwerkelijk hebben doorgesneden. Indien blijkt dat de halsafsnijder niet effectief heeft gefunctioneerd, wordt de vogel onmiddellijk gedood.
3.3  Vogels mogen niet met behulp van automatische halsafsnijders worden geslacht, tenzij kan worden vastgesteld of die halsafsnijders de bloedvaten al dan niet daadwerkelijk hebben doorgesneden. Indien blijkt dat de halsafsnijder niet effectief heeft gefunctioneerd, wordt de vogel onmiddellijk geslacht.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – letter f bis (nieuw)
f bis) het doden van pelsdieren;
praktische aspecten met betrekking tot het omgaan met en het fixeren van dieren;
praktische aspecten van bedwelmingstechnieken;
back-upmethoden voor het bedwelmen en/of doden van dieren;
onderhoud van de uitrusting voor het bedwelmen en/of doden van dieren;
controle op de effectiviteit van het bedwelmen.

Vernieuwde sociale agenda
PDF 192kWORD 94k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over de vernieuwde sociale agenda (2008/2330(INI))
P6_TA(2009)0370A6-0241/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2008 over de vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21e eeuw (COM(2008)0412) (mededeling over de vernieuwde sociale agenda),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 november 2008 met aanbevelingen aan de Commissie over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 oktober 2008 over de uitdagingen voor collectieve overeenkomsten in de EU(2),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2008 over een hernieuwde inzet voor een sociaal Europa: versterking van de open coördinatiemethode voor sociale bescherming en sociale integratie (COM(2008)0418),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 3 februari 2009 over de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht en solidariteit tussen de generaties(3),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2008 over non-discriminatie en gelijke kansen: een vernieuwd engagement (COM(2008)0420),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2008 over een Europees economisch herstelplan (COM(2008)0800),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2008 over een beter evenwicht tussen werk en privéleven: meer steun voor het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven (COM(2008)0635),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 12 oktober 2006 over de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn in de EU (COM(2006)0574), en onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 november 2008 over de toekomst van socialezekerheidsstelsels en pensioenen: financiering en ontwikkeling in de richting van individualisering(4),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 17 oktober 2007 over de sociale bescherming moderniseren voor meer sociale rechtvaardigheid en economische samenhang: werk maken van de actieve integratie van de mensen die het verst van de arbeidsmarkt af staan (COM(2007)0620), en onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 oktober 2008 over de bevordering van sociale integratie en bestrijding van armoede, met inbegrip van armoede onder kinderen, in de EU(5),

–   gezien Aanbeveling 92/441/EEG van de Raad van 24 juni 1992 inzake gemeenschappelijke criteria met betrekking tot toereikende inkomsten en prestaties in de stelsels van sociale bescherming(6),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 27 juni 2007 getiteld "Naar gemeenschappelijke beginselen inzake flexizekerheid: meer en betere banen door flexibiliteit en zekerheid" (COM(2007)0359), en onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 november 2007 over gemeenschappelijke beginselen inzake flexizekerheid(7),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 25 juni 2008 getiteld "Denk eerst klein" − Een "Small Business Act" voor Europa (COM(2008)0394),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2007 getiteld "Balans van de sociale realiteit − Interimverslag aan de Europese Voorjaarsraad 2007" (COM(2007)0063), en onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2007 over de balans van de sociale realiteit(8),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 24 mei 2006 getiteld "Bevordering van waardig werk voor iedereen − Bijdrage van de Europese Unie aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld" (COM(2006)0249), en onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 mei 2007 over bevordering van waardig werk voor iedereen(9),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 oktober 2005 over vrouwen en armoede in de Europese Unie(10), en naar de definitie van armoede die erin is opgenomen,

–   gezien zijn standpunt van 17 juni 2008 ten aanzien van het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010)(11),

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de bepalingen betreffende de sociale rechten, en gelet op artikel 136 van het EG-Verdrag,

–   gezien het groenboek van de Commissie van 22 november 2006 getiteld "De modernisering van het arbeidsrecht met het oog op de uitdagingen van de 21e eeuw" (COM(2006)0708),

–   gezien het groenboek van de Commissie van 18 juli 2001 getiteld "De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven" (COM(2001)0366) en de mededeling van de Commissie van 22 maart 2006 getiteld "Tenuitvoerlegging van het partnerschap voor groei en werkgelegenheid: Europa moet een voorbeeld worden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2006)0136), en onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2007 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap(12),

–   onder verwijzing naar zijn verklaring van 22 april 2008 over het uit de wereld helpen van dakloosheid(13),

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de VN van 1966,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0241/2009),

A.   overwegende dat de dramatische stijging van de werkloosheid, die vooral de meest kwetsbare sociale groepen ernstig zal treffen, het voornaamste negatieve gevolg van de huidige financiële en economische crisis zal zijn voor de EU; overwegende dat een hoog werkloosheidsniveau gepaard gaat met toename van armoede en ongelijkheid op gezondheidsgebied, uitsluiting, criminaliteit, onveiligheid en gebrek aan vertrouwen,

B.   overwegende dat de EU zich al voor de huidige crisis geconfronteerd zag met moeilijkheden als gevolg van een zwakke economische groei, een gevaarlijke demografische situatie en problemen die het leven in een toenemend globaliserende wereldeconomie met zich brengt,

C.   overwegende dat in 2007 15,2% van de burgers van de Unie tussen 18 en 24 jaar vroegtijdig schoolverlater was,

D.   overwegende dat werk voor veel mensen in de EU nog steeds geen ontsnappingsweg uit de armoede is, gezien het feit dat in 2006 8% van de werkenden blootstond aan het risico van armoede,

E.   overwegende dat 16% van de Europese burgers in 2006 blootstond aan het risico van armoede; overwegende dat met name kinderen, grote gezinnen, alleenstaande ouders, werklozen, personen met een handicap, jongeren, ouderen, etnische minderheden en migranten kwetsbaar zijn,

F.   overwegende dat vrouwen nog steeds een groter armoederisico lopen dan mannen, onder meer vanwege hun economische afhankelijkheid, het aanhoudende beloningsverschil tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en het hoger aantal vrouwen in minderbetaalde banen; overwegende dat deze situatie het risico vergroot dat armoede wordt overgedragen op volgende generaties,

G.   overwegende dat de prijsstijgingen in de afgelopen jaren een aanzienlijk effect hebben gehad op de huishoudbudgets en de kwetsbare groepen van de samenleving onevenredig hard hebben geraakt,

H.   overwegende dat uit diverse studies (onder meer Future of Work Research van de Russell Sage Foundation) is gebleken dat een op de vier werkenden in de meest ontwikkelde economieën binnen afzienbare tijd wellicht slechtbetaald werk moet doen en een groter risico op armoede loopt; overwegende dat slechtbetaalde banen grote gelijkenis lijken te vertonen, in de zin dat ze vaak de vorm aannemen van een atypische arbeidsverhouding, waarbij laagopgeleide werknemers, deeltijds werkenden, vrouwen, immigranten en jongere werknemers een hoger risico lopen; overwegende dat er een tendens bestaat dat slechtbetaald werk veelal van generatie op generatie wordt doorgegeven en dat dit de toegang tot een goede opleiding, goede zorgvoorzieningen en andere primaire levensomstandigheden bemoeilijkt,

I.   overwegende dat artikel 2 van het EG-Verdrag bepaalt dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een van de fundamentele waarden van de Europese Unie is,

J.   overwegende dat de EU wordt geconfronteerd met een demografische verandering, waarvan de belangrijkste kenmerken een hogere levensverwachting en een laag vruchtbaarheidscijfer zijn, hoewel in sommige landen tekenen van een ommekeer in laatstgenoemde trend zijn te zien,

K.   overwegende dat de demografische verandering naar verwachting leidt tot een verdubbeling van de afhankelijkheidsratio van ouderen tot 2050, wat met name gevolgen heeft voor de fysieke en mentale gezondheid van de bevolking,

L.   overwegende dat de Commissie in haar "Demography Report 2008: Meeting Social Needs in an Ageing Society" (SEC(2008)2911) de cruciale rol erkent die informele verzorgers in onze samenleving spelen; verzoekt de Commissie in haar toekomstige beleidsformulering rekening te houden met de sterke sociale argumenten voor de integratie van verzorgers;

M.   overwegende dat de gevolgen van de financiële crisis voor de echte economie nog niet volledig bekend zijn, maar dat het onmogelijk zal worden om het beoogde doel − tussen 2008 en 2009 5 miljoen banen creëren in de EU − te verwezenlijken; overwegende dat een economische recessie tot meer werkloosheid en zeker meer armoede leidt en de Europese sociale modellen voor uitdagingen stelt,

N.   overwegende dat de financiële en economische crisis tot hogere werkloosheid en onzekerheid leidt, die op hun beurt een zware wissel trekken op de sociale cohesie in de EU en zorgen voor sociale verstoringen en spanningen in heel wat lidstaten,

O.   overwegende dat de Europese Unie zich heeft verplicht tot duurzame sociale en milieuontwikkeling en dat de mogelijkheden voor het scheppen van banen die uit deze verplichting kunnen voortkomen, volledig moeten worden benut,

P.   overwegende dat een sociale dialoog belangrijk kan zijn om uit de vertrouwenscrisis te komen, die nog wordt verergerd door de economische crisis, doordat veel mensen in onze samenleving bang zijn voor de toekomst; overwegende dat dezelfde prioriteit moet worden toegekend aan degenen die nu al uitgesloten zijn en wier situatie door de huidige crisis verder verslechtert,

Q.   overwegende dat de institutionele regelingen van de EU die interventionistischer van aard zijn en worden gekenmerkt door een zekere mate van inkomensherverdeling en een algemeen begrip van een "Europees sociaal model", een positief effect hebben op de kwaliteit van de loopbanen van miljoenen mannen en vrouwen in de meer benadeelde sectoren van onze arbeidsmarkten,

R.   overwegende dat inachtneming van nationale wetgeving en verdragskaders, die worden gekenmerkt door een evenwicht tussen arbeidsrecht en collectieve overeenkomsten die deze modellen reguleren, een eerste vereiste is voor geharmoniseerde waarden in een verscheidenheid van systemen,

S.   overwegende dat de regels en procedures die in collectieve onderhandelingen door de sociale partners zijn opgesteld, niet langer van toepassing zijn op atypische arbeidsverhoudingen,

T.   overwegende dat de vernieuwde sociale agenda gebaseerd zou moeten zijn op het beginsel dat effectief en efficiënt sociaal beleid bijdraagt aan economische groei en voorspoed, en dat dit eveneens kan helpen om de teruglopende steun van burgers voor de EU te helpen herstellen,

U.   overwegende dat het te betreuren valt dat de vernieuwde sociale agenda geen gewag maakt van de rechtszekerheid van de sociale diensten van algemeen belang,

V.   overwegende dat er grote bezorgdheid is geuit over de rol en zichtbaarheid van de vernieuwde sociale agenda, waaronder gebrek aan helderheid over het doel ervan of ten aanzien van de follow-up en de vermindering van het belang dat wordt gehecht aan de sociale open coördinatiemethode,

W.   overwegende dat de Europese sociale modellen een eenheid van waarden zijn in een diversiteit van systemen en in hun algemeenheid tot de bevoegdheden van de lidstaten behoren, en dat de doelstellingen van een sociaal Europa, zoals vastgesteld in het EG-Verdrag, het Handvest van de grondrechten en het Verdrag van Lissabon, moeten worden benadrukt als overkoepelende doelstellingen voor de EU, als zij wil tegemoetkomen aan de verwachtingen en angsten van haar burgers; overwegende dat tijdens diverse bijeenkomsten van de Europese Raad in het voorjaar herhaaldelijk werd gewezen op het doel armoede en sociale uitsluiting uit te roeien en op de noodzaak om in Lissabon de sociale dimensie te versterken; overwegende dat het mislukken en slagen van nationaal sociaal en werkgelegenheidsbeleid ook gevolgen kan hebben voor andere lidstaten, en dat het debat over de hervorming van het Europees sociaal model daarom aan de basis van deze interactie tussen de EU en de lidstaten moet liggen,

X.   overwegende dat het mislukken van de Lissabonstrategie ter vermindering van de armoede, die momenteel 78 000 000 personen treft, en de toenemende ongelijkheid echt zorgbarend zijn; overwegende dat de EU vorderingen moet maken op het gebied van ontwikkeling en tenuitvoerlegging van Europese en nationale streefcijfers ter vermindering van armoede en sociale uitsluiting, alsook op belangrijke beleidsgebieden waarvoor reeds indicatoren bestaan, als we de mensen ervan willen overtuigen dat de EU in de eerste plaats bestaat om de mensen te dienen en dan pas het bedrijfsleven en de banken,

Y.   overwegende dat in diverse procedures bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen het begrip "bepalingen die van cruciaal belang zijn voor de bescherming van de politieke, sociale en economische orde" wordt gebruikt zonder dat duidelijk wordt gemaakt wie in dit verband bepaalt welke bepalingen cruciaal zijn voor de bescherming van de algemene bepalingen van openbare orde in een lidstaat,

Z.   overwegende dat het Hof van Justitie van mening is dat het niet aan de lidstaten is om unilateraal het begrip openbare orde te definiëren of unilateraal alle bindende bepalingen van hun arbeidswetgeving op te leggen aan dienstverleners die in een andere lidstaat zijn gevestigd, en dat het onduidelijk is wie in dit verband wel bevoegd is als de lidstaten het niet zijn,

AA.   overwegende dat er geen duidelijk onderscheid bestaat tussen onderaanneming van werk en dubieuze handel in en verrichten van diensten die gebaseerd zijn op wettige contracten met schijnzelfstandigen; overwegende dat het verschil tussen frauduleuze praktijken en eerlijke, civiele en commerciële zakenrelaties aan de orde moet worden gesteld,

Prioritaire acties
Europese sociale modellen

1.   verzoekt de Raad en de Commissie, gezien de economische recessie, het belang van een sterk sociaal Europa opnieuw te bevestigen, dat een duurzaam, effectief en efficiënt sociaal en werkgelegenheidbeleid omvat; verzoekt de Commissie een ambitieuze agenda voor het sociaal beleid op te stellen voor de periode 2010-2015;

2.   dringt er bij de Commissie op aan een coherent beleidsplan over waardig werk voor te leggen dat op één lijn ligt met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

3.   benadrukt hoe belangrijk het is om het scheppen van banen en de bevordering van de werkgelegenheid in deze moeilijke tijden boven op de sociale agenda te plaatsen; is van mening dat meer flexibiliteit op de werkplek nu belangrijker is dan ooit;

4.   verzoekt de Commissie de vernieuwde sociale agenda te combineren met andere initiatieven zoals het Europees pact voor gendergelijkheid, het Europees pact voor de jeugd, en de Europese alliantie voor het gezin, zodat achtergestelde bevolkingsgroepen beter toegang hebben tot sociale voorzieningen;

5.   is bezorgd dat de door de Commissie in haar mededeling over de vernieuwde sociale agenda voorgestelde maatregelen niet samenhangend genoeg zijn om de huidige armoede en uitsluiting in de EU te bestrijden en het hoofd te bieden aan de huidige uitdagingen voor de sociale cohesie;

6.   betreurt met name dat de mededeling van de Commissie over de vernieuwde sociale agenda geen voorstellen over de volgende kwesties bevat, die van cruciaal belang zijn voor het bereiken van een evenwicht tussen economische vrijheden en sociale rechten:

   een richtlijn die voorziet in fundamentele arbeidsrechten voor alle werknemers, ongeacht de arbeidsstatus, teneinde het groeiende aantal atypische werknemers te beschermen;
   een herziening van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(14) die vergezeld gaat van een sekseneutraal arbeidsevaluatiesysteem, om het beloningsverschil tussen vrouwen en mannen te verminderen, zowel binnen als tussen de economische sectoren; en
   een richtlijn inzake grensoverschrijdende collectieve onderhandelingen, overeenkomstig de feitelijke omstandigheden van het grensoverschrijdende handelen van ondernemingen;

7.   benadrukt dat het noodzakelijk is verder minimumnormen op het gebied van arbeidsrechten te ontwikkelen; is zich ervan bewust dat noch economische vrijheden noch mededingingsregels voorrang mogen hebben op de sociale grondrechten;

8.   wijst erop dat sociaal beleid belangrijke acties moet behelzen, zoals een betere balans tussen sterkere sociale rechten en marktvrijheden, het bestrijden van discriminatie en het bevorderen van gelijkheid, het moderniseren en hervormen van de Europese sociale modellen en tegelijkertijd het versterken van de waarden ervan;

9.   merkt op dat de afbakening van de definitie van "bepalingen die van cruciaal belang zijn voor de bescherming van de politieke, sociale en economische orde" van de lidstaten een politieke kwestie is en derhalve gedefinieerd moet worden op basis van een democratisch gelegitimeerd proces; roept de Commissie derhalve op om een open debat op gang te brengen teneinde duidelijkheid in de vraag te brengen wie deze algemene bepalingen voor de openbare orde definieert, en indien nodig wetsvoorstellen voor te leggen;

10.   is van mening dat dit niet het goede moment is om de sociale uitgaven te verlagen, maar wel om de structuurhervormingen te versterken; is verder van mening dat de Europese Unie de infrastructuur van de sociale modellen van de lidstaten, met inbegrip van sociale diensten van algemeen belang, moet ondersteunen door het belang van de universele toegang, kwaliteit en duurzaamheid van deze infrastructuur opnieuw te bevestigen;

11.   betreurt dat de Commissie, hoewel de financiële crisis het belang van overheidsoptreden voor het behoud van de economische activiteit en de versterking van de sociale samenhang aantoont, de toekomst en de cruciale rol van de openbare dienstverlening in de Europese Unie niet veilig heeft gesteld door een voorstel voor een kaderrichtlijn inzake diensten van algemeen belang in te dienen;

12.   verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel voor te leggen om de rechtszekerheid te waarborgen van de sociale diensten van algemeen belang;

13.   benadrukt dat het noodzakelijk is manieren te vinden om de nationale socialezekerheidsstelsels te moderniseren en te hervormen om armoede uit te roeien door middel van een perspectief voor de lange termijn, met name voor wat betreft toereikende minimuminkomens, pensioenen en gezondheidszorg; benadrukt dat er mogelijkheden zijn om de financiële duurzaamheid van de stelsels van minimumlonen en pensioenen te versterken, evenals de kwaliteit en de efficiëntie van de gezondheidszorg via de verbetering van hun organisatie en toegang en via meer samenwerking tussen de publieke en privé-sector, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, en om extra inspanningen te ondersteunen om progressieve belastingstelsels in het leven te roepen die ongelijkheden kunnen verminderen;

14.   wijst erop dat een aantal lidstaten het concept minimumloon hanteert; meent dat andere lidstaten profijt zouden kunnen trekken van het bestuderen van de ervaringen die daarmee zijn opgedaan; roept de lidstaten op om de voorwaarden voor sociale en economische deelname voor allen te waarborgen en met name te zorgen voor regelgeving, onder meer betreffende minimumlonen, of andere juridische en algemeen bindende regelingen of door middel van collectieve overeenkomsten die aansluiten bij de nationale gebruiken, die voltijdwerkers in staat stellen een behoorlijk bestaan te leiden met hun inkomen;

15.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om de toegang tot basisbankdiensten voor alle burgers te garanderen;

16.   bevestigt dat sport en culturele activiteiten essentiële instrumenten voor sociale integratie zijn die bijdragen aan persoonlijke ontwikkeling, het belang van de samenleving dienen en talenten koesteren;

17.   verwacht van de Commissie dat milieu- en gezondheidskwesties snel worden geïntegreerd in alle beleidsvormen van de Europese Unie om zo een verhoogd niveau van gezondheids- en milieubescherming te garanderen, in overeenstemming met de bepalingen van het EG-Verdrag;

18.   deelt de wil van de Commissie om de Sociale Agenda met een aantal nieuwe gebieden uit te breiden; betreurt dat het milieu er te vaak alleen uit het oogpunt van de klimaatverandering in aan bod komt; is verheugd over de vernieuwde verklaringen van de Commissie die een duurzame economie met weinig CO2-uitstoot bevorderen, maar betreurt dat het voorstel van de Commissie geen enkele concrete maatregel bevat die erop is gericht om rekening te houden met de sociale en gezondheidsgevolgen van de milieu- en klimaatcrisis;

19.   onderstreept dat extreme armoede en de sociale uitsluiting die daaruit voortvloeit, niet kunnen worden gevat in alleen cijfers of economische termen, maar ook moeten worden uitgedrukt in termen van mensenrechten en burgerschap; erkent dat het beginsel van vrij verkeer van kapitaal en goederen alleen het niet mogelijk maakt armoede en chronische armoede uit te bannen en dat grote armoede mensen van kansen berooft en de mensen die zij treft verhindert deel te nemen aan het leven van de gemeenschap, omdat ze onverschillig worden voor hun omgeving;

Sociaal en werkgelegenheidsbeleid

20.   is ingenomen met de voorstellen die de Commissie in haar pakket inzake het combineren van werk en privéleven eind 2008 heeft gedaan; moedigt de Commissie aan aanbevelingen te doen aan de lidstaten die achterlopen op de doelstellingen van de Europese Raad van Barcelona van 2002 voor wat betreft de voorzieningen voor kinderopvang voor 2010; verzoekt de Commissie werkgevers aan te moedigen meer open te staan voor flexibele arbeidsregelingen voor een betere aansluiting tussen privé- en beroepsleven door het gebruik en de kennis van ICT en nieuwe vormen van arbeidsorganisatie te optimaliseren en zodoende flexibele werktijden en de compatibiliteit met werktijden van bedrijven, besturen en schooltijden te bevorderen;

21.   verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een betere aansluiting tussen privéleven, gezin en beroepsleven door het gebruik en de kennis van ICT en nieuwe vormen van arbeidsorganisatie te optimaliseren, daarbij rekening houdend met de behoeften en het welzijn van de kinderen, en het bevorderen van een effectievere bescherming van de werkgelegenheid die het recht van ouders en verzorgers op flexibele werktijden die tegemoet komen aan hun behoeften bevestigt, en met name aandacht te besteden aan mensen met lage inkomens, in onzekere arbeidssituaties en met banen van lage kwaliteit;

22.   betreurt het zwakke karakter van de beleidsmaatregelen van de EU en van de lidstaten gezien de groeiende armoede, met name onder kinderen;

23.   moedigt de lidstaten aan met het oog op sociale integratie te voorzien in nationale regelingen voor een minimumloon, overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel;

24.   is van mening dat nieuwe demografische uitdagingen het hoofd kunnen worden geboden door iets te doen aan de situatie van vrouwen die in armoede leven en ongelijke en inadequate toegang hebben tot voeding, huisvesting, onderwijs en beloning en die problemen hebben om beroeps-, gezins- en privéleven met elkaar te combineren;

25.   vraagt om een effectievere preventie en bestrijding van vroegtijdig schoolverlaten onder het motto "school loont de moeite"; vraagt om effectief georganiseerde onderwijsstelsels en leerplannen die zijn aangepast aan de arbeidsmarkt van morgen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van de samenleving en de technologische ontwikkelingen; dringt aan op verdere bevordering en ondersteuning van het concept van "tweedekansonderwijs" en van informeel en niet-formeel leren die leiden tot hogere participatie van jongeren en volwassenen dan in een traditionele schoolomgeving en bijgevolg bijdragen aan de daling van het aantal voortijdige schoolverlaters in de Europese Unie; vraagt om deze reden om de lang verwachte uitbanning van alle ongelijkheden van kansen in onderwijsstelsels in de EU, met name de uitbanning van gesegregeerd onderwijs en onderwijs van laag niveau die onomkeerbare negatieve gevolgen hebben voor gemarginaliseerde bevolkingsgroepen, met name Roma;

26.   dringt aan op de noodzaak voor effectievere levenslange leer- en opleidingsacties die zijn gericht op het beter uitrusten van burgers, met name de minder opgeleiden, om de arbeidsmarkt zonder strubbelingen en discriminatie (opnieuw) te betreden, en die bijdragen aan sociale innovatie; stelt voor om de nadruk te leggen op ondernemersvaardigheden en met name op ondersteuning van ondernemerschap van vrouwen en jongeren, op ICT- en communicatievaardigheden, financiële geletterdheid en taalvaardigheden;

27.   benadrukt dat het noodzakelijk is het onderwijs in Europa te verbeteren door het compatibiliteits- en vergelijkbaarheidsproces van de onderwijsstelsels in de lidstaten dynamischer te maken om de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties en -normen te vergemakkelijken;

28.   is van mening dat een actief sociaal integratiebeleid een beslissend effect dient te hebben op het uitroeien van armoede en sociale uitsluiting, zowel voor mensen met betaald werk ("arme werkenden") als voor mensen zonder betaald werk;

29.   onderstreept de noodzaak om de samenwerking tussen universiteiten en het bedrijfsleven te bevorderen, aangezien het belangrijk is ervoor te zorgen dat deze partners de handen ineenslaan en elkaar in het belang van hun eigen organisaties, personeel en studenten ondersteunen; is van mening dat bruggen moeten worden geslagen tussen universitaire-onderwijsprogramma's en het bedrijfsleven, en dat het bedrijfsleven de mogelijkheid moet hebben studieprogramma's aan te vullen, stages aan te bieden, opendeurdagen voor studenten te organiseren ,enzovoort;

30.   vestigt de aandacht op de noodzaak van een evenwichtigere benadering van flexibiliteit, zekerheid en garanties voor fatsoenlijke lonen, gericht op het integreren van jongeren en ouderen, vrouwen, langdurig werklozen en gehandicapten op de arbeidsmarkt; stelt voor dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van nationale flexizekerheidsstrategieën de resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2007 over gemeenschappelijke beginselen inzake flexizekerheid in overweging nemen;

31.   benadrukt dat met name in tijden van financiële en economische crisis, die vaak leiden tot ontslag en reorganisaties, de participatie van werknemers in het besluitvormingsproces in ondernemingen dat direct betrekking heeft op hun werk en levensonderhoud, van essentieel belang is; is ingenomen met de recente herziening(15) van Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers(16); herhaalt zijn verzoek voor het versterken van de werking van Europese ondernemingsraden zoals vastgelegd in zijn resolutie van 4 september 2001 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 94/45/EG(17);

32.   benadrukt dat het sociaal en werkgelegenheidsbeleid het creëren van banen moeten bevorderen, zo spoedig mogelijk moeten worden uitgevoerd om het hoofd te bieden aan de huidige economische crisis, mogelijkheden voor werk en onderwijs moeten bieden en inkomensverlies moeten verlichten; is van oordeel dat dit beleid mensen actief moet motiveren om naar arbeidsmogelijkheden te zoeken of hun eigen ondernemersactiviteiten te starten; is van oordeel dat de lidstaten hiertoe de aanbieding van betaalbare financieringskanalen moeten overwegen, zoals kredietgaranties, verlaagde rente of forfaitaire werkloosheidsuitkeringen, waarbij tegelijkertijd het inkomensverlies wordt verlicht en opleidingsmogelijkheden worden geboden om werklozen te helpen een nieuwe baan te vinden; herinnert aan de integrale aanpak van actieve inclusie door de Commissie die passende inkomenssteun, toegang tot inclusieve arbeidsmarkten en hoogwaardige diensten omvat;

33.   nodigt de Commissie uit om initiatieven te nemen die leiden tot een duidelijk onderscheid tussen werkgevers, schijnzelfstandigen en kleine ondernemers enerzijds en werknemers anderzijds;

34.   acht het buitengewoon belangrijk om moeders te ondersteunen door te voorzien in passende toelages gedurende de opvoeding van de kinderen en door het creëren van gunstige voorwaarden voor een terugkeer op de arbeidsmarkt, waarbij extra aandacht uitgaat naar alleenstaande moeders omdat zij een kwetsbare groep vormen;

35.   wijst erop dat de sociale economie, die een andere vorm van ondernemerschap is, op essentiële wijze bijdraagt aan een duurzame Europese economie door rentabiliteit met solidariteit te combineren; is evenwel van mening dat ondernemingen in de sociale economie een betrouwbaar wetgevingskader nodig hebben; benadrukt de zeer belangrijke bijdrage van vrijwilligerswerk in de sociale sector, met name bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en bij de ondersteuning van de minst begunstigde groepen in de samenleving;

36.   onderstreept dat niet alle mensen in staat zijn om te werken en dat er evenmin genoeg banen zijn voor iedereen, en bevestigt het belang van de tenuitvoerlegging van Aanbeveling 92/441/EEG, die werd bekrachtigd door de Europese Raad van 11-12 december 2008, die voorziet in "inkomsten en prestaties die toereikend zijn om een menswaardig bestaan te leiden", door minimuminkomensregelingen uit te breiden naar alle lidstaten en de niveaus zodanig te verhogen dat de toegang en toereikendheid zijn gewaarborgd;

37.   is van mening dat de ontwikkeling van microkredieten een belangrijke rol kan spelen bij het ondersteunen (op de lange termijn) van werklozen om zelfstandig ondernemer te worden; wijst erop dat microkredieten al in tal van dergelijke situaties van nut waren bij de terugkeer in het arbeidsproces en dat dit strookt met de Lissabon-strategie; verzoekt de Commissie de verstrekking van en de toegang tot informatie over de mogelijkheden en beschikbaarheid van microkrediet te verbeteren en zich actief te richten op die groepen in de samenleving die het meest voordeel zouden kunnen hebben van microkrediet en die deze kredietverstrekking het hardst nodig hebben;

38.   vraagt om de bevordering van een betere koppeling tussen de uitvoering van flexizekerheid en de uitbreiding van de sociale dialoog, met inachtneming van nationale gewoonten en gebruiken;

39.   dringt aan op het wegnemen van bureaucratische hindernissen voor kleine en middelgrote ondernemingen; verzoekt om verdere uitvoering van de beginselen die de Commissie heeft voorgesteld in haar mededeling over een "Small Business Act" voor Europa;

40.   stelt, met volledige erkenning van het feit dat het loonbeleid onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt, voor dat de sociale partners op nationaal niveau nieuwe methoden voor loonbeleid bespreken, waarbij de huidige procentuele daling van de verhouding loon/winst kan worden omgekeerd en een hoger deel van de bedrijfswinst in werknemersparticipatie kan worden verwerkt door middel van regelingen die de inflatiegevolgen verminderen; is van mening dat door dergelijke regelingen de extra inkomsten van werknemers naar speciale kapitaalfondsen kunnen worden geleid die door bedrijven worden opgezet; dringt aan op een debat over middelen die bedrijven aanmoedigen om dergelijke methoden te gaan hanteren alsook op een debat over het juridisch kader dat de geleidelijke toegang van werknemers tot deze fondsen moet reguleren; wijst de sociale partners op het belang van een hernieuwde inzet voor "lonen die een waardig bestaan mogelijk maken", die minimuminkomens garanderen die duidelijk boven het toereikende inkomensniveau liggen om mensen in staat te stellen te ontsnappen aan armoede en te profiteren van hun werk;

41.   dringt aan op de bevordering van non-discriminatie en gelijke kansen die berust op zowel een degelijke wettelijke basis als op een verscheidenheid aan beleidsinstrumenten, en mainstreaming van non-discriminatie en gelijkheid voor wat betreft alle aspecten van de hernieuwde sociale agenda;

42.   vraagt de Commissie om studies te verrichten naar de gevolgen van kennismobiliteit op de middellange en lange termijn en de resultaten ervan te gebruiken als stevige basis voor maatregelen om de negatieve effecten te verzachten;

Immigratie

43.   vestigt de aandacht op het negatieve gevolg (mogelijke braindrain) dat immigratie kan hebben op het ontwikkelingsproces in de landen van herkomst, mede vanuit het oogpunt van familiestructuren, gezondheid, onderwijs en onderzoek; wijst anderzijds op de gevolgen van de economische crisis die zorgen voor onevenwicht op de werkgelegenheidsmarkt in de gastlanden;

44.   benadrukt het belang van ethisch verantwoorde aanwerving uit derde landen, met name voor wat betreft personen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg, en roept de lidstaten op een code van goede praktijken voor internationale aanwerving te ontwikkelen indien ze dit nog niet hebben gedaan;

45.   benadrukt dat het gevolg op de lange termijn van immigratie op de demografische verandering onzeker is omdat het afhankelijk is van de veranderlijkheid van migratiestromen, gezinshereniging en vruchtbaarheidscijfers;

46.   is van mening dat immigranten, indien zij legaal in dienst zijn, een bijdrage kunnen leveren aan de duurzame ontwikkeling van socialezekerheidsstelsels en eveneens hun eigen pensioen en sociale rechten kunnen garanderen;

47.   benadrukt dat een geslaagd, op mensenrechten gebaseerd immigratiebeleid een samenhangende en geïntegreerde strategie voor de integratie van migranten moet bevorderen, op basis van gelijke kansen en van de waarborging van hun grondrechten, en die voor een evenwicht zorgt tussen rechten en plichten;

48.   is ingenomen met het voorstel van de Commissie om sancties op te leggen aan werkgevers die onderdanen van derde landen zonder verblijfsvergunning in dienst nemen of hebben; benadrukt het belang van het bestrijden van uitbuiting van onderdanen van derde landen zonder verblijfsvergunning, waarbij tegelijkertijd de rechten van mensen in kwetsbare posities moeten worden geëerbiedigd; roept de Commissie in dit verband op de kans op legaal werk voor onderdanen van derde landen met verblijfsvergunning te bevorderen;

49.   is ingenomen met het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (COM(2008)0414); vestigt evenwel de aandacht op het feit dat de richtlijn op haar beurt niet mag leiden tot een grotere discriminatie van burgers van de Unie op grond van hun economische status;

50.   is van mening dat het versterken van de tenuitvoerlegging en handhaving van de bestaande arbeidswetgeving onder de nationale en communautaire wetgeving en onder de verdragen van de ILO prioritair moeten zijn voor de instellingen van de Europese Unie en de lidstaten;

51.   benadrukt de noodzaak om de antidiscriminatiewetgeving in de EU verder te verscherpen; roept de Commissie op de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten te stimuleren om de succesvolle integratie van migranten verder te bevorderen; merkt op dat met name in economisch zware tijden de meest kwetsbare groepen in de samenleving, waartoe vaak ook de migranten behoren, naar verhouding sterker worden geraakt;

De EU op extern niveau

52.   is van mening dat de EU in haar externe betrekkingen een proactievere rol kan spelen bij het stimuleren van essentiële sociale en milieunormen; is ervan overtuigd dat de EU zich extra moet inspannen met betrekking tot mechanismen voor preventie, toezicht en straffen van schendingen;

53.   is van oordeel dat de EU meer kan doen om de internationale agenda te beïnvloeden voor wat betreft de agenda voor waardig werk en de naleving van regels van de IAO, mensenrechten en fundamentele vrijheden actief moet bevorderen, en dat dit kan bijdragen aan het bereiken van wereldvrede en eveneens aan de bescherming van belangen en waarden van de EU;

54.   benadrukt het feit dat de ontwikkeling van het juridische kader van de Gemeenschap, hetzij door primaire, hetzij door secundaire wetgeving, in geen enkel opzicht in tegenspraak mag zijn met internationale verplichtingen die voortvloeien uit de IAO-verdragen;

55.   merkt op dat de EU zou moeten streven naar een globaliseringsproces dat sociaal geïntegreerder is en duurzaam is voor economie en milieu; merkt op dat de wijze waarop ondernemingen handelen niet alleen grote economische gevolgen heeft maar ook aanzienlijke sociale gevolgen, zowel in de EU als in derde landen, met name in ontwikkelingslanden; dringt er daarom bij de Commissie op aan het concept "maatschappelijk verantwoord ondernemen" te bevorderen, hetzij door het bevorderen van zachte wetgeving of waar nodig door wetsvoorstellen;

Structuurfondsen

56.   stelt voor de mogelijkheden van structuurfondsen door vereenvoudiging, flexibiliteit en betere procedures en de sociale integratiedimensie te versterken, teneinde lidstaten te helpen het resultaat van hun sociaal en werkgelegenheidsbeleid te optimaliseren; dringt er bij de lidstaten en regio's op aan overeenkomstig artikel 16 van de verordening houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen(18) de partners er volledig bij te betrekken; beveelt nadrukkelijk aan om het Europees Sociaal Fonds (ESF) toegankelijk te maken voor partners ten behoeve van de opbouw van capaciteit;

57.   wijst erop dat de hernieuwde sociale agenda een duidelijke verplichting moet bevatten tot het gebruik van de structuur- en cohesiefondsen van de EU ter verwezenlijking van de doelstellingen van de sociale agenda; vraagt de lidstaten derhalve om gebruik te maken van het ESF en alle andere structuurfondsen, om zowel de inzetbaarheid van de mensen als de sociale infrastructuur te verbeteren;

58.   erkent dat de structuurfondsen in feite de belangrijkste steuninstrumenten blijven voor het verwezenlijken van sociale doelstellingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de synergieën met andere programma's te bevorderen en coherentie binnen de kaderprogramma's, zoals Daphne, Progress, het programma "Volksgezondheid" en het programma "Europa voor burgers" te ondersteunen;

59.   vraagt om speciale aandacht voor de regio's die het meest worden beïnvloed door de globalisering en voor regio's in de nieuwe lidstaten die zich in een sociaal convergentieproces bevinden;

60.   stelt voor dat het PROGRESS-programma bijdraagt tot een betere beoordeling van de modernisering van Europese sociale modellen door de evaluatie van proefprojecten;

61.   is van mening dat het vrije verkeer van personen in de interne markt in sommige delen van de EU, met name in de grote steden, heeft geleid tot nieuwe problemen die verband houden met het bieden van urgente sociale bescherming aan mensen die zichzelf niet kunnen bedruipen, waardoor nog meer druk ontstaat op (charitatieve) particuliere en overheidsdiensten die noodhulp bieden, bijvoorbeeld voor daklozen of gemarginaliseerde bevolkingsgroepen in onze samenleving;

Instrumentele acties
Sociale en maatschappelijke dialoog

62.   benadrukt dat flexibiliteit en aanvaarding van verandering door burgers vergroot kan worden door meer wederzijds vertrouwen, dat kan worden versterkt door een effectievere en transparantere sociale dialoog en door een effectievere participatiedemocratie te waarborgen op het gebied van beleidsvoorbereiding en -uitvoering;

63.   acht het bijzonder belangrijk dat de sociale dialoog de beleidslijnen op het gebied van sociale zekerheid en gezondheid op het werk, en in het algemeen een beter leven en beter werk, bevordert; verzoekt de Commissie na te denken over hoe werknemers die geen voltijdse baan hebben (tijdelijke werknemers, deeltijdse werknemers, werknemers met een contract van bepaalde duur) kunnen worden betrokken bij de sociale dialoog;

64.   vraagt, gezien het feit dat de resultaten van de onderhandelingen tussen de Europese sociale partners nauwelijks bekend zijn of worden gemaakt, om het bevorderen van de bekendheid van de resultaten van de sociale dialoog, teneinde de invloed ervan te vergroten en de ontwikkeling ervan te stimuleren;

65.   is van mening dat de samenwerkingscultuur, die op de arbeidsmarkt geleidelijk in de plaats is gekomen van een conflictcultuur, onverminderd aangemoedigd moet worden door het bevorderen van de sociale dialoog;

66.   is van mening dat de uit het maatschappelijk middenveld afkomstige organisaties en mensen die armoede en sociale uitsluiting ervaren nog directer en op basis van gelijke voet betrokken moeten worden bij de debatten over het economische en sociale model;

67.   merkt op dat sociale partners zich moeten inspannen om met meerjarenplannen te werken, met specifieke agenda's en tijdschema's die zijn gericht op een duurzame strategie voor de lange termijn;

68.   roept op tot een breed debat tussen Europese belanghebbenden, nationale overheden, werkgevers en werknemers en het maatschappelijke middenveld over de sociale agenda voor de periode na 2010;

69.   merkt op dat de lidstaten nieuwe, meetbare, bindende en kwantitatieve sociale doelen en indicatoren voor de Lissabonstrategie na 2010 zouden moeten steunen, inclusief verbintenissen om te komen tot uitroeiing van armoede en sociale uitsluiting, alsmede de ontwikkeling van een nieuw sociaal vooruitgangspact dat de doelstellingen en architectuur omvat voor een nieuwe, sociaal duurzame en mondiaal rechtvaardige EU, die de sociale OCM als cruciale pijler zou moeten uitbouwen en versterken;

70.   merkt op dat bedrijven in de EU niet alleen in economisch opzicht een belangrijke rol spelen, maar ook in sociaal opzicht; vestigt daarom de aandacht op het bevorderen van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de noodzaak om spoedig progressie te boeken op het gebied van hoogwaardig werk, inclusief lonen die een menswaardig bestaan mogelijk maken, om het fundament van het sociale model te verstevigen en om sociale dumping te voorkomen;

71.   is voorstander van een effectieve dialoog tussen het Europees Parlement en het maatschappelijk middenveld, een dialoog die ook noodzakelijk is in de lidstaten op centraal, regionaal en lokaal niveau;

72.   merkt op dat een Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk een ideale mogelijkheid voor de EU zou bieden om in contact te komen met het maatschappelijk middenveld; verzoekt de Commissie voorbereidingen te treffen door zo spoedig mogelijk een passend wetsvoorstel te doen zodat 2011 tot Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk kan worden verklaard;

73.   is van mening dat het maatschappelijk middenveld vanaf het begin moet worden betrokken bij de besluitvormingsprocessen, dat informatie openbaar moet zijn, dat er wederzijds feedback moet worden gegeven en dat de deelnemers duidelijk moet worden gemaakt hoeveel ruimte voor verandering er is;

74.   wijst op het belang en de waarde van de overlegprocedure als een effectief instrument om burgers in staat te stellen direct input te kunnen geven aan de beleidsontwikkeling op EU-niveau; verzoekt de Commissie om verdere maatregelen te nemen om de bewustwording ten aanzien van toekomstig EU-overleg via de media en andere daartoe aangewezen fora op nationaal, regionaal en lokaal niveau te bevorderen;

75.   acht het noodzakelijk dat de Europese instellingen, de nationale sociale partners en het maatschappelijk middenveld een 'sociaal pact' sluiten dat sociale acties met realistische, bindende doelen en indicatoren omvat;

76.   merkt op dat participatie van de burger begint in de jeugd en verzoekt derhalve om bevordering en ondersteuning van participatiestructuren en lokale, regionale en nationale initiatieven voor kinderen en jongeren;

EU-wetgeving

77.   benadrukt dat het noodzakelijk is vooruitgang te boeken en de regelgeving inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels, de richtlijn betreffende de overdraagbaarheid van pensioenrechten en het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling ongeacht religie of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, af te ronden;

78.   vraagt om verbetering van het wetgevingsproces op EU-niveau, door duidelijk te maken waarom er acties op EU-niveau nodig zijn, door de kwaliteit van de inhoud te waarborgen en door een degelijke en onafhankelijke effectbeoordeling van de sociale, ecologische en economische gevolgen te bieden; verzoekt in het bijzonder om een effectieve tenuitvoerlegging van het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven"(19) van 2003;

79.   benadrukt dat een effectieve samenwerking tussen de lidstaten en een effectieve bewaking van de omzetting van EU-wetgeving een prioriteit moet zijn;

80.   is van mening dat het maatschappelijk middenveld moet worden betrokken bij de verbetering van het wetgevingsproces op EU-niveau en dat dit de zorgen van burgers moet aanpakken, om burgers aldus dichter bij de EU te brengen;

Open coördinatiemethode (OCM)

81.   is van mening dat er een betere koppeling op EU-niveau moet zijn tussen economisch, milieu- en sociaal beleid, met een herbevestiging van de oorspronkelijke doelstellingen van de Lissabon-strategie en de noodzaak om ervoor te zorgen dat economisch en werkgelegenheidsbeleid actief bijdragen aan het uitroeien van armoede en sociale uitsluiting;

82.   benadrukt de noodzaak van het vaststellen van een rechtelijk bindend handvest van sociale grondrechten;

83.   merkt op dat het Verdrag van Lissabon waarborgt dat er bij het definiëren en uitvoeren van EU-beleid rekening moet worden gehouden met zeer relevante aspecten van sociaal beleid;

84.   is van mening dat de Lissabonstrategie van na 2010 een sterkere OCM moet behelzen en nodigt de Commissie uit om de lidstaten te blijven aanmoedigen om nationaal gekwantificeerde streefcijfers met betrekking tot armoedevermindering en sociale integratie te definiëren, met name op basis van nieuwe meetbare en kwantitatieve indicatoren;

85.   verzoekt de Raad en de Commissie om mogelijkheden te creëren voor een daadwerkelijke betrokkenheid van het Parlement bij de Lissabonstrategie van na 2010;

o
o   o

86.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0544.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0513.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0039.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0556.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0467.
(6) PB L 245 van 26.8.1992, blz. 46.
(7) PB C 297 E van 20.11.2008, blz. 174.
(8) PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 463.
(9) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 321.
(10) PB C 233 E van 28.9.2006, blz.130.
(11) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0286.
(12) PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 45.
(13) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0163.
(14) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(15) Richtlijn 2009/38/EG (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).
(16) PB L 254 van 30.9.1994, blz. 64.
(17) PB C 72 E van 21.3.2002, blz. 68.
(18) Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25).
(19) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.


Actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten
PDF 174kWORD 79k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (2008/2335(INI))
P6_TA(2009)0371A6-0263/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2008 over een aanbeveling van de Commissie inzake de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (COM(2008)0639),

–   gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in het bijzonder de artikelen 99, 137 en 141 daarvan,

–   gezien Aanbeveling 2008/867/EG van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(1),

–   gezien Aanbeveling 92/441/EEG van de Raad van 24 juni 1992 inzake gemeenschappelijke criteria met betrekking tot toereikende inkomsten en prestaties in de stelsels van sociale bescherming(2),

–   gezien de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 11 en 12 december 2008,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 13 februari 2009 getiteld "Voorstel voor het gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale inclusie 2009" (COM(2009)0058) en het werkdocument van de Commissie van 24 februari 2009 getiteld "Gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale inclusie 2008; Landenprofielen (SEC(2009)0255),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 30 november 2006 over de situatie van personen met een handicap in de uitgebreide Europese Unie: het Europees Actieplan 2006-2007(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 september 2006 over de verbetering van de geestelijke gezondheid van de bevolking – Naar een strategie inzake geestelijke gezondheid voor de Europese Unie(4),

–   gezien de vooruitgang die in de EU is geboekt op het gebied van gelijke kansen en non-discriminatie met betrekking tot de omzetting van de Richtlijnen 2000/43/EG en 2000/78/EG,

–   gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de status van vluchtelingen,

–   gelet op het Verdrag van de Raad van Europa inzake acties tegen mensenhandel,

–   gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de rechten van personen met een handicap,

–   gelet op Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(5),

–   gezien de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 17 oktober 2007 getiteld "De sociale bescherming moderniseren voor meer sociale rechtvaardigheid en economische samenhang: werk maken van de actieve integratie van de mensen die het verst van de arbeidsmarkt af staan" (COM(2007)0620) en onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 oktober 2008 over de bevordering van sociale integratie en bestrijding van armoede, met inbegrip van armoede onder kinderen, in de EU(6),

–   gezien de aanbevelingen van de Europese sociale partners in het verslag van 18 oktober 2007 getiteld "Key Challenges Facing European Labour Markets: A Joint Analysis of European Social Partners",

–   gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2007 getiteld "Balans van de sociale realiteit – Interimverslag aan de Europese Voorjaarsraad 2007" (COM(2007)0063) en onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2007 hierover(7),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2008 getiteld "Vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21e eeuw" (COM(2008)0412) en onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 mei 2009 hierover(8),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 12 oktober 2006 getiteld "Houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn in de EU" (COM(2006)0574) en onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 november 2008 over de toekomst van socialezekerheidsstelsels en pensioenen: financiering en ontwikkeling in de richting van individualisering(9),

–   onder verwijzing naar zijn verklaring van 22 april 2008 over het uit de wereld helpen van dakloosheid(10),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 mei 2007 over bevordering van waardig werk voor iedereen(11),

–   gelet op Besluit nr. 1098/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010)(12),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 februari 2009 over de sociale economie(13),

–   gezien Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(14),

–   gezien Besluit nr. 1720/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 tot vaststelling van een actieprogramma op het gebied van een leven lang leren(15),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 januari 2008 over volwasseneneducatie: een mens is nooit te oud om te leren(16),

–   gezien het Protocol betreffende de diensten van algemeen belang dat is gehecht aan het Verdrag van Lissabon(17),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0263/2009),

A.   overwegende dat actieve inclusie niet in de plaats mag komen van sociale inclusie, aangezien kwetsbare groepen die niet op de arbeidsmarkt kunnen participeren recht hebben op een waardig leven en een volwaardige participatie in de samenleving, en dat daarom iedereen over een minimuminkomen moet kunnen beschikken en toegang moet hebben tot betaalbare, hoogwaardige sociale voorzieningen, ongeacht of hij in staat is op de arbeidsmarkt te participeren,

B.   overwegende dat actieve inclusie niet alleen verband houdt met de capaciteiten van mensen, maar ook met de wijze waarop de maatschappij is georganiseerd; overwegende dat daarom ook de structurele oorzaken van uitsluiting, waaronder discriminatie en ontoereikende dienstverlening, moeten worden aangepakt,

C.   overwegende dat uitsluiting van de arbeidsmarkt niet zozeer het gevolg is van een gebrek aan inspanningen van het individu, als wel van het ontbreken van voldoende mogelijkheden om waardig werk te vinden,

D.   overwegende dat het recht op een minimuminkomen en toegang tot sociale voorzieningen van hoge kwaliteit niet afhankelijk moeten worden gesteld van integratie in de arbeidsmarkt; overwegende dat het hebben van een minimuminkomen en toegang tot sociale voorzieningen van hoge kwaliteit een eerste vereiste zijn voor integratie in de arbeidsmarkt,

E.   overwegende dat degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan vaak mensen zijn die meerdere en complexe behoeften, problemen en nadelen hebben, zoals langdurig moeten rondkomen met een laag of ontoereikend inkomen, langdurige werkloosheid, een laag opleidingsniveau en analfabetisme, opgroeien in een kwetsbaar gezin, handicaps, een zwakke gezondheid, onzekere of helemaal geen huisvesting, een woonomgeving die wordt gekenmerkt door vele vormen van achterstand,en racisme en discriminatie, en dat strategieën voor inclusie daarom een afspiegeling moeten vormen van de verscheidenheid van de mensen die zijn uitgesloten,

F.   overwegende dat sociale uitsluiting en uitsluiting van de arbeidsmarkt ernstige gevolgen hebben voor de geestelijke gezondheid van de betrokken personen en gelet op het feit dat langdurig werklozen een groter risico lopen op depressies of andere psychische aandoeningen,

G.   overwegende dat personen die ver van de arbeidsmarkt af staan een grote behoefte hebben aan beroepsopleiding omdat zij ofwel niet voldoende schoolopleiding hebben genoten, ofwel deze opleiding niet meer kunnen benutten vanwege hun lange afwezigheid van de arbeidsmarkt,

H.   overwegende dat de meest kwetsbare groepen vaak worden benadeeld door de voorwaarden van het activeringsbeleid en dat deze effecten in het oog moeten worden gehouden en voorkomen moet worden dat kwetsbare groepen daardoor negatieve gevolgen ondervinden,

I.   overwegende dat maatregelen gericht op actieve inclusie gepaard moeten gaan met de ontwikkeling van EU- en nationale doelstellingen op het gebied van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting,

J.   overwegende dat de meeste gezinshoofden, de meeste alleenstaande ouders en de meeste verzorgers vrouw zijn; overwegende dat voor een beleid gericht op actieve inclusie daarom een veelomvattend pakket maatregelen nodig is dat juist die vrouwen die het verst van de arbeidsmarkt af staan daadwerkelijk in staat stelt om van dat beleid te profiteren; overwegende dat de arbeidsmarktsituatie van vrouwen rechtstreeks verband houdt met leeftijdsgerelateerde armoede, waarvan met name vrouwen het slachtoffer zijn,

K.   overwegende dat in tijden van economische neergang en groeiende werkloosheid het risico bestaat dat werknemers in groten getale worden ontslagen, zodat het aantal mensen dat reeds armoede lijdt en van de arbeidsmarkt is uitgesloten, nog toeneemt, vooral de meest kwetsbare groepen, zoals vrouwen, ouderen en gehandicapten; dat het daarom van essentieel belang is dat een beleid gericht op sociale inclusie en een daaraan gerelateerd arbeidsmarktbeleid via een geïntegreerde en coherente aanpak worden uitgevoerd in het kader van het Europees economisch herstelplan; overwegende dat een deel van de openbare middelen gebruikt zou moeten worden voor het handhaven en verbeteren van de investeringen in de sociale sector, de gezondheidszorg, het onderwijs en andere essentiële sociale diensten en diensten van algemeen belang,

L.   overwegende dat de opvatting dat de beste manier om uit een situatie van uitsluiting te geraken het hebben van werk is, alleen juist is wanneer het gaat om duurzaam, kwalitatief hoogwaardig werk dat adequaat wordt beloond; overwegende dat het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk nog steeds slecht wordt nageleefd,

M.   overwegende dat mantelzorgers essentiële diensten op het vlak van zorg, onderwijs en ondersteuning bieden buiten de arbeidsmarkt om, zonder inkomen of sociale rechten, en dat zij geen aanspraak kunnen maken op herintreding op de arbeidsmarkt of erkenning van de vaardigheden die zij tijdens het verlenen van mantelzorg hebben verworven of ontwikkeld,

1.   verwelkomt het feit dat de Commissie haar Aanbeveling 2008/867/EG baseerde op Aanbeveling 92/441/EEG, waarin het fundamentele recht van personen op voldoende inkomsten en bijstand om een menswaardig bestaan te kunnen leiden, wordt erkend en gemeenschappelijke beginselen worden omschreven voor het verwezenlijken van dat recht; onderschrijft de gemeenschappelijke beginselen en praktische richtsnoeren als gepresenteerd in Aanbeveling 2008/867/EG over de strategie voor actieve inclusie die gebaseerd is op drie pijlers, namelijk passende inkomenssteun, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten, en wijst er inzonderheid op dat elke strategie voor actieve inclusie op de volgende beginselen moet zijn gestoeld: eerbiediging van de rechten van het individu, en de menselijke waardigheid, non-discriminatie, gelijke kansen en gendergelijkheid, alsook op het bevorderen van arbeidsmarktintegratie in combinatie met volledige participatie in de samenleving; en het verwezenlijken van de beginselen kwaliteit, toereikendheid en toegankelijkheid voor alle drie pijlers;

2.   is het met de Raad eens dat de uitvoering van Aanbeveling 92/441/EEG met betrekking tot minimuminkomsten en sociale overdrachten moet worden verbeterd, dat de sociale bijstand in een minimuminkomen dient te voorzien dat volstaat om een waardig leven te kunnen leiden, ten minste op een niveau dat boven de "armoedegrens" ligt en voldoende is om mensen uit de armoede te halen, en dat het gebruik van uitkeringen moet worden verbeterd;

3.   is ingenomen met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2008 in zaak C-303/06 betreffende verzorgers die op grond van hun band met een gehandicapte worden gediscrimineerd; verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen te nemen om verzorgers tegen dergelijke discriminatie bij de toegang tot de arbeidsmarkt te beschermen en moedigt de lidstaten aan de nodige stappen te ondernemen om de naleving van het arrest van het Hof te waarborgen;

4.   verzoekt de lidstaten voor passende inkomenssteun te zorgen, teneinde armoede en sociale uitsluiting te bestrijden; wijst op de noodzaak van passende inkomenssteun op basis van de Aanbevelingen 92/441/EEG en 2008/867/EG, die adequaat, transparant, voor iedereen toegankelijk en betaalbaar op lange termijn moet zijn;

5.   acht het van essentieel belang dat de Commissie en de lidstaten zorg dragen voor de uitvoering van Richtlijn 2000/78/EG, die een algemeen kader voor gelijke behandeling op de arbeidsmarkt creëert, teneinde discriminatie in arbeid en beroep op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid doeltreffend te bestrijden;

6.   herhaalt zijn verzoek aan de Raad om in te stemmen met een EU-doelstelling voor minimuminkomensregelingen en ondersteunende uitkeringsregelingen waarbij inkomenssteun wordt verschaft die minstens 60% van het nationale gemiddelde inkomen bedraagt, alsook met een tijdschema voor de verwezenlijking van deze doelstelling in alle lidstaten;

7.   erkent dat de interactie tussen sociale bijstand en activiteit op de arbeidsmarkt complex is; met name wanneer het gaat om kortetermijn-, seizoens-, onzeker of deeltijdwerk en wanneer de uitkeringsvoorwaarden en socialezekerheidsstelsels of marginale belastingtarieven een ontmoedigend effect kunnen hebben op het aanvaarden van betaald werk en het stelsel van de sociale bijstand niet flexibel genoeg is; verzoekt daarom met klem om het ontwikkelen van systemen die personen die zich in een overgangsfase bevinden op doeltreffende wijze de helpende hand bieden, in plaats van ze te "straffen" of te ontmoedigen of de bijstand te snel stop te zetten wanneer ze weer aan het arbeidsproces gaan deelnemen;

8.   benadrukt het belang van het bieden van sociale bijstandsuitkeringen voor arbeidsgeschikte personen met een handicap; wijst er evenwel op dat deze taak in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel binnen de bevoegdheden van de lidstaten valt;

9.   wijst erop dat de ontvangers van passende inkomenssteun en hun gezinsleden in staat zullen worden gesteld om het risico van armoede te voorkomen en actieve burgers te worden die een bijdrage leveren aan het sociale en economische leven en de solidariteit tussen de generaties;

10.   doet de lidstaten de aanbeveling om de invoering van een minimumloonbeleid actief te overwegen als middel tegen het groeiende aantal "werkende armen" en om degenen die ver van de arbeidsmarkt af staan, daadwerkelijk uitzicht op werk te bieden;

11.   is van oordeel dat het voor actieve inclusie noodzakelijk is om de verschillen tussen regio's en streken, binnen de Gemeenschap te verminderen, middels versnelling van het proces van herstel van de door de economische crisis getroffen gebieden en van ontwikkeling van plattelandsgebieden;

12.   verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen ter bestrijding van de zwarte markt of "ondergrondse" arbeidsmarkt, aangezien dit verschijnsel de betrokkenen uitsluit van bepaalde sociale diensten en voorzieningen;

13.   verzoekt om een beleid gericht op actieve inclusie dat:

   in overeenstemming is met de levenscyclusbenadering die in het beleid op het gebied van onderwijs, levenslang leren, sociale zaken en werkgelegenheid wordt gehanteerd;
   op maat is gesneden en gericht op een specifiek doel en concrete behoeften;
   is gebaseerd op een geïntegreerde en participatieve benadering; en
   de voorwaarden die essentieel zijn voor participatie eerbiedigt en geen voorwaarden stelt die het gevaar inhouden dat mensen geen minimuminkomen hebben om van te leven;

14.   verzoekt de Commissie om op het terrein van actieve en sociale inclusie een methode van kostprijsberekening te hanteren waarbij alle kosten in aanmerking worden genomen, omdat de ervaring leert dat door vroege investeringen en preventieve actie de totale kosten voor de maatschappij op de lange termijn lager kunnen uitvallen; verwelkomt in dit verband het voorstel in Aanbeveling 2008/867/EG om meer in sociale inclusie te investeren;

15.   is van oordeel dat de lidstaten achtergestelde groepen (zoals mensen met een handicap of chronisch zieken, alleenstaande ouders of huishoudens met een groot aantal kinderen) gerichte aanvullende uitkeringen moeten bieden waarmee extra kosten kunnen worden gedekt voor onder meer persoonlijke hulp, het gebruik van specifieke faciliteiten en medische en maatschappelijke zorg, door onder andere betaalbare geneesmiddelenprijzen vast te stellen voor minder bedeelde sociale groepen; hamert op de noodzaak van een behoorlijk niveau van invaliditeits- en pensioenuitkeringen;

16.   is het ermee eens, vooral gezien de vaak complexe behoeften van mensen, dat het noodzakelijk is op maat gesneden maatregelen gericht op actieve inclusie te ontwikkelen en uit te voeren waarbij tegelijkertijd wordt gekeken naar het minimuminkomen van mensen, hun integratie in de arbeidsmarkt en de toegang tot sociale voorzieningen, dat het zwaartepunt moet liggen bij vroegtijdige herkenning en preventieve actie en dat de meest kwetsbare personen prioriteit moeten hebben;

17.   is van oordeel dat bij het ontwikkelen en uitvoeren van dergelijke maatregelen rekening moet worden gehouden met de mening van degenen waarop de maatregelen zijn gericht; verzoekt de lidstaten de versterking van de rol van sociale non-gouvernementele organisaties te ondersteunen teneinde hun betrokkenheid bij de formulering en uitvoering van het beleid te bevorderen;

18.   verzoekt de lidstaten een meer constructieve beleidsaanpak inzake drugs te ontwikkelen, waarbij de nadruk wordt gelegd op preventie, voorlichting en de behandeling van verslaving in plaats van strafrechtelijke sancties;

19.   wenst dat personen met psychische gezondheidsproblemen en personen met leermoeilijkheden niet langer worden gestigmatiseerd en roept op tot bevordering van geestelijke gezondheid en welzijn, preventie van psychische aandoeningen en beschikbaarstelling van meer middelen voor behandeling en zorg;

20.   is van mening dat, aangezien aan uitsluiting gerelateerde problemen zich in veel gevallen al in de vroegste levensjaren voordoen, het absoluut noodzakelijk is dat preventieve actie wordt ondernomen om ervoor te zorgen dat kinderen en jongeren die het grootste risico lopen al in een vroeg stadium, ruim voordat ze zonder diploma de school of de opleiding verlaten, als zodanig worden herkend; merkt op dat jongeren die van school worden uitgesloten een grotere kans maken om bij asociale of criminele handelingen betrokken te raken, waardoor het voor hen nog moeilijker wordt om later de arbeidsmarkt te betreden; is van mening dat een brede dialoog tussen belanghebbenden en steun voor preventieve actie en sociale voorzieningen om kwetsbare kinderen en jongvolwassenen meer kansen te bieden, onmisbaar zijn voor het welslagen van elk integratiebeleid; beklemtoont voorts het belang van de uitsluitingsproblematiek rond ouderen die hun baan kwijt raken en vervolgens de arbeidsmarkt niet meer op kunnen;

21.   is van oordeel dat zorgvuldig rekening dient te worden gehouden met de behoeften van jongeren die een eerste baan zoeken en dat op nationaal niveau een beleid moet worden ontwikkeld en maatregelen moeten worden genomen om de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt te bevorderen; is voorts van oordeel dat jongerenorganisaties via een gestructureerde dialoog voortdurend dienen te worden betrokken bij de werkzaamheden van de EU-instellingen en de lidstaten;

22.   verzoekt de lidstaten meer te doen om de problemen van mantelzorgers aan te pakken en in het bijzonder aandacht te besteden aan het recht van personen om te bepalen of zij mantelzorger willen zijn en in welke mate zij mantelzorg wensen te bieden, aan de mogelijkheid om zorgtaken te combineren met betaald werk en een baan, alsmede aan de toegang tot socialezekerheidsstelsels en pensioenen, teneinde armoede als gevolg van het verlenen van mantelzorg te voorkomen;

23.   verwelkomt de erkenning van de noodzaak van universele toegang tot betaalbare sociale voorzieningen van hoge kwaliteit als een fundamenteel recht en een essentieel element van het Europees sociaal model en als een middel om mensen aan het werk te houden, evenals de erkenning van de beginselen zoals die zijn neergelegd in Aanbeveling 2008/867/EG; is van mening dat tot dergelijke sociale voorzieningen moeten worden gerekend een stabiele, betaalbare huisvesting, toegankelijk openbaar vervoer, een basisniveau van beroepsopleiding, gezondheidszorg alsmede toegang tot betaalbare energie- en andere netwerkdiensten; merkt op dat wat betreft het waarborgen van universele-dienstverplichtingen op het gebied van diensten van algemeen belang vooruitgang moet worden geboekt; is van mening dat een actieplan moet worden ontwikkeld tot vaststelling van een kaderrichtlijn van de EU inzake diensten van algemeen belang ten einde deze verplichtingen te waarborgen; merkt op dat nog onvoldoende vooruitgang wordt geboekt bij het bereiken van de Barcelonadoelstellingen voor betaalbare kinderopvang van hoge kwaliteit, een voorziening die beschikbaar moet zijn voor alle kinderen in het basisonderwijs; merkt tevens op dat ook aan de zorgbehoeften van andere afhankelijke personen onvoldoende tegemoet wordt gekomen en dat deze aan een vergelijkbaar proces moeten worden onderworpen;

24.   is van mening dat het tegengaan van de discriminatie van personen in verband met de toegang tot goederen, diensten en faciliteiten van centraal belang is voor integratie en is derhalve verheugd over het voorstel voor een algemene richtlijn ter bestrijding, buiten de sfeer van het werk, van discriminatie op grond van leeftijd, handicap, seksuele geaardheid en godsdienst of overtuiging;

25.   spoort de lidstaten aan te bekijken in hoeverre standaardtarieven voor minder draagkrachtige huishoudens kunnen worden ingesteld voor kwetsbare groepen, bijvoorbeeld op het gebied van de energievoorziening en openbaar vervoer, alsook voorzieningen voor het verkrijgen van microkredieten om actieve integratie te bevorderen, evenals gratis gezondheidszorg en onderwijs voor personen met problemen van materiële aard;

26.   roept de lidstaten op de bevoegdheden van kredietverenigingen uit te breiden, zodat mensen in een veilige en gereguleerde omgeving geld kunnen sparen en lenen, en een oplossing te zoeken voor de steeds problematischer wordende persoonlijke schulden; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat iedereen het recht heeft om een bankrekening te openen tegen redelijke tarieven, aangezien een bankrekening een belangrijk middel is om te kunnen deelnemen aan het economische en sociale leven;

27.   verzoekt de lidstaten om mensen met een handicap zowel de noodzakelijke extra steun te geven zowel voor het betreden van de arbeidsmarkt als tijdens het werk; dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan op aan over te gaan tot ondertekening en ratificatie van het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de rechten van personen met een handicap en het bijbehorende Facultatief Protocol; merkt op dat de lidstaten passende procedures en structuren moeten vaststellen voor effectieve tenuitvoerlegging van dat verdrag op hun grondgebied;

28.   is van mening dat jongeren te kampen hebben met specifieke obstakels voor actieve integratie, waaronder ongerechtvaardigde discriminatie op grond van leeftijd en moeilijkheden wat betreft de toegang tot betaalbare beroepsopleidingen;

29.   is verheugd dat mensen met een handicap steeds minder vaak in tehuizen terechtkomen, maar merkt op dat hiervoor een toereikend niveau van hoogwaardige extramurale diensten nodig is waardoor zij zelfstandig kunnen wonen, alsmede het recht op persoonlijke bijstand, het recht op economische onafhankelijkheid en volledige deelname aan de maatschappij in de lidstaten;

30.   roept de Commissie en de lidstaten op voldoende middelen beschikbaar te stellen om de toegang te vergemakkelijken tot programma's voor levenslang leren om de uitsluiting van onder meer ouderen van werkgelegenheid te beperken en hun voortdurende deelname aan het sociale en culturele leven en hun betrokkenheid bij de maatschappij te bevorderen;

31.   is van mening dat meer maatregelen dienen te worden genomen om huiselijk geweld en misbruik van kinderen en ouderen tegen te gaan;

32.   verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de bestaande communautaire wetgeving inzake gendergelijkheid, gelijkheid in het algemeen en non-discriminatie volledig, naar behoren en doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd; roept op tot de uitbreiding en handhaving van die wetgeving teneinde structurele belemmeringen voor de toegang tot de arbeidsmarkt, beroepsonderwijs en -opleidingen weg te nemen;

33.   gelooft dat hoogwaardig onderwijs een essentiële voorwaarde is voor succesvolle toekomstige arbeidsparticipatie en integratie; roept de lidstaten op om de wetgeving inzake openbaar onderwijs uit te breiden teneinde alle barrières voor onderwijs uit de wereld te helpen, om zo voor integraal onderwijs en gelijke toegang voor iedereen te zorgen; is van mening dat personen die lange tijd van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, met voorrang in aanmerking moeten komen voor financiering van een leven lang leren, vooral als het gaat om sleutelcompetenties;

34.   verzoekt de Commissie en de lidstaten het beginsel van gender mainstreaming toe te passen in alle onderdelen van de strategie voor actieve inclusie;

35.   is van mening dat bij opleidingen die worden aangeboden rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van de betreffende personen, en dat die opleidingen geschikt voor hen moeten zijn; verzoekt om gerichte in plaats van standaardopleidingen en -integratiemaatregelen, waarbij vaak geen rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van mensen met een handicap, met zorgverantwoordelijkheden of met gezondheidsproblemen; wijst op de 'best practices' van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en EQUAL op het terrein van opleidingsmethoden waarbij een aanpak wordt gehanteerd die specifiek is gericht op degenen die het verst af staan van de arbeidsmarkt, welke aanpak uitgaat van hun concrete behoeften en ook niet-gedocumenteerde vaardigheden en in het kader van informeel onderwijs opgedane vaardigheden erkent;

36.   doet de aanbeveling de kwaliteit in het onderwijs te verhogen en de onderwijssystemen te correleren aan de arbeidsmarkt en de vereisten van maatschappelijke participatie, alsmede de polarisatie te verminderen, zowel vanuit het oogpunt van toegang tot alle vormen van onderwijs als vanuit het oogpunt van kwaliteit van het te geven onderwijs;

37.   is van mening dat personen in het kader van hun opleiding ook bewust moeten worden gemaakt van hun rechten en plichten op het werk, met inbegrip van een gedegen voorbereiding in gezondheids- en veiligheidsaspecten en hun rechten om lid van een vakbond te zijn, hun recht op voorlichting en raadpleging en op levenslang leren en scholing;

38.   merkt op dat het risico bestaat dat bij de toewijzing van financiële middelen voor het voorbereiden op de arbeidsmarkt van degenen die het verst van die arbeidsmarkt af staan, meer enge benaderingen die op gemakkelijk kwantificeerbare resultaten zijn gebaseerd de voorkeur krijgen boven meer creatieve benaderingen; verzoekt de Commissie daarom om een betere financiering van bottom-upbenaderingen uit de Structuurfondsen, en vooral uit het ESF, en om de ontwikkeling van indicatoren voor het meten van de vorderingen inzake sociale en actieve inclusie, zodat de aandacht wordt gericht op innovatieve basisinitiatieven voor het bevorderen van actieve inclusie, als onderdeel van de doelstellingen van sociale inclusie die zijn benadrukt bij het oormerken, in het kader van de Lissabondoelstellingen, van de Structuurfondsen, de voorgestelde financiering voor sociale innovatie en andere financieringsstromen;

39.   wijst erop dat demografische veranderingen naar verwachting tegen 2030 tot een verhouding tussen actieven en niet-actieven van 2:1 zullen leiden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan dat zij beleid inzake actieve inclusie ontwikkelen om ervoor te zorgen dat mantelzorgers die hun baan zullen moeten opgeven hiervan op latere leeftijd niet de dupe worden;

40.   wijst op de noodzaak van het creëren van een inclusieve arbeidsmarkt als de kern van elke strategie gericht op actieve inclusie, een arbeidsmarkt met fatsoenlijke arbeidsomstandigheden waarop alle werkenden uit verschillende banen kunnen kiezen, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende werkplekbehoeften, de individuele behoeften van werknemers, werkpatronen, arbeidstijdmodellen, uiteenlopende kwalificatieniveaus en verschillende behoeften wat betreft de combinatie van gezins-, privé- en beroepsleven; merkt op dat hoogwaardig werk van essentieel belang is voor de bevordering van baanbehoud;

41.   verzoekt de lidstaten een concurrerende arbeidsmarkt te ontwikkelen, die het opzetten van publieke en particuliere socialezekerheidssystemen tegen redelijke kosten, dient aan te moedigen, zodat belanghebbenden, met inbegrip van degenen die tot etnische minderheden behoren, ervoor kunnen kiezen om de risico's op uitsluiting van de arbeidsmarkt te verkleinen;

42.   verzoekt de lidstaten middelen en instrumenten te gebruiken om alle actoren te motiveren inclusieve arbeidsmarkten te creëren en de participatie te vergroten van degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan; wijst in dit verband in het bijzonder op instrumenten in de context van de plaatselijke sociale dialoog, financiële prikkels, belastingvoordelen en de ontwikkeling van de sociale economie; is verheugd over de aanbeveling van de Commissie om steun te verlenen voor de sociale economie als cruciale bron voor startersbanen voor personen met een handicap;

43.   wijst erop dat lokale en regionale autoriteiten een drievoudige rol toekomt bij het stimuleren van actieve inclusie: als werkgever, als bevorderaar van economische ontwikkeling en werkgelegenheid en als verlener van openbare diensten, met inbegrip van diensten voor de meest kwetsbare groepen van de samenleving; roept de lidstaten op om op regionaal en lokaal niveau netwerken op te bouwen om mensen naar gelang hun specifieke situatie te adviseren over en te verwijzen naar instanties die hen bij de toegang tot de arbeidsmarkt helpen en specifieke sociale diensten verlenen (zoals sociale uitkeringen, gezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, sociale zorg en beroepsopleiding);

44.   wijst er met klem op dat er meer moet worden ondernomen om de barrières voor sociale inclusie weg te nemen waarmee asielzoekers zich geconfronteerd zien; roept de lidstaten op stappen te ondernemen om een eind te maken aan de afhankelijkheid van asielzoekers van uitkeringen door hun toe te staan te werken, en de mogelijkheden te bezien om meer legale immigratieroutes te ontwikkelen;

45.   dringt er bij alle lidstaten op aan een op de mensenrechten gebaseerd asielbeleid te waarborgen dat in overeenstemming is met het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en andere relevante mensenrechtenwetgeving;

46.   erkent dat de mensenhandel onnoemelijk veel leed en sociale uitsluiting veroorzaakt en roept de lidstaten op zich sterker in te spannen om de wetgeving op het vlak van de bestrijding van mensenhandel en discriminatie te handhaven, de slachtoffers van mensenhandel in de samenleving te re-integreren en in het bijzonder het Verdrag inzake de bestrijding van mensenhandel te ondertekenen, te ratificeren en ten uitvoer te leggen;

47.   dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan zich uit te spreken tegen de misleidende vervaging van het onderscheid tussen economische migratie en het aanvragen van asiel, en tussen economische migratie en het aanvragen van asiel enerzijds en illegale immigratie anderzijds;

48.   is van mening dat detentie zonder passende reclassering en scholing de inclusie van de betrokkenen belemmert en vaak alleen tot verdere sociale uitsluiting, werkloosheid en criminaliteit leidt;

49.   is van mening dat het vasthouden aan een verplichte pensioenleeftijd een belemmering vormt voor actieve inclusie en velen die eventueel zouden willen blijven werken, onnodig van de arbeidsmarkt uitsluit;

50.   verzoekt de Commissie het beleidsproces met betrekking tot actieve inclusie, in het bijzonder wat hoogwaardige sociale diensten betreft, nauw te coördineren met de lopende ontwikkeling van een vrijwillig kader van hoogwaardige sociale diensten van algemeen belang, en onverwijld alle mogelijkheden te onderzoeken om de juridische context te verduidelijken waarin sociale diensten van algemeen belang worden verricht en voor dergelijke diensten een juridisch kader op te stellen dat als referentiepunt dient, met name door middel van de vaststelling van wetgevingsinstrumenten, waaronder een kaderrichtlijn;

51.   herhaalt met klem zijn recente verzoek aan de Commissie en de Raad om doelstellingen te formuleren voor het reduceren van armoede (armoede in het algemeen, van kinderen, onder mensen met een baan en hardnekkige langdurige armoede), voor een minimuminkomenniveau door middel van pensioenen, en voor toegang tot en de kwaliteit van gezondheidszorg (vermindering van de kindersterfte, verbetering van de gezondheid en verlenging van de levensverwachting, enz.); herhaalt zijn verzoek om als EU-doelstelling te formuleren dat kinderarmoede tegen 2012 met 50% is verminderd en dat dakloosheid onder kinderen, jongeren en volwassenen tegen 2015 is uitgebannen;

52.   verzoekt om een concreet stappenplan voor de uitvoering van strategieën voor actieve inclusie die zijn gebaseerd op de participatie van het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden, met inbegrip van mensen die in armoede leven; is van mening dat dit stappenplan tijdschema's en realistische kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen moet bevatten die zijn gebaseerd op specifieke indicatoren en dienen te worden vastgesteld na een uitvoerige dialoog met de belanghebbenden; is tevens van mening dat daarin moet worden aangeven hoe actieve inclusie moet worden gerealiseerd en gemonitord via de open coördinatiemethode voor sociale zekerheid en sociale inclusie, met name op lokaal, regionaal en nationaal niveau; is derhalve ingenomen met het initiatief van de Commissie om de lokale overheden te betrekken bij het toezicht op de uitvoering van strategieën voor actieve inclusie, door de financiering van een netwerk van lokale waarnemingscentra inzake actieve inclusie uit middelen van het Progress-programma; verzoekt de Commissie en de lidstaten deze waarnemingscentra een sterke rol te geven in het toekomstige beleidsvormingsproces en de belangrijkste programma's inzake actieve inclusie in het kader van nationale hervormingsprogramma's van de herziene Lissabon-strategie en met name de Europese werkgelegenheidsstrategie;

53.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11.
(2) PB L 245 van 26.8.1992, blz. 46.
(3) PB C 316 E van 22.12.2006, blz. 370.
(4) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 148.
(5) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(6) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0467.
(7) PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 463.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0370.
(9) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0556.
(10) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0163.
(11) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 321.
(12) PB L 298 van 7.11.2008, blz. 20.
(13) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0062.
(14) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(15) PB L 327 van 24.11.2006, blz. 45.
(16) PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 46.
(17) PB C 306 van 17.12.2007, blz. 158.

Juridische mededeling - Privacybeleid