Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2009/2614(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0141/2009

Ingediende teksten :

B7-0141/2009

Debatten :

PV 24/11/2009 - 3
CRE 24/11/2009 - 3

Stemmingen :

Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2009)0089

Aangenomen teksten
PDF 178kWORD 83k
Woensdag 25 november 2009 - Straatsburg
Conferentie van Kopenhagen over klimaatverandering
P7_TA(2009)0089B7-0141/2009

Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2009 over de EU-strategie voor de Conferentie van Kopenhagen over klimaatverandering (COP 15)

Het Europees Parlement,

–   gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering (UNFCCC) en het Kyoto-protocol bij het UNFCCC,

–   gezien het Actieplan van Bali (Besluit 1/COP 13),

–   gelet op de komende Vijftiende Conferentie van de Deelnemende Partijen (COP 15) van de UNFCCC en de Vijfde Conferentie van de Deelnemende Partijen aan het Protocol van Kyoto (COP/MOP 5), welke van 7 tot en met 18 december 2009 te Kopenhagen (Denmarken) zullen worden gehouden,

–   gezien het klimaat- en energiepakket dat het Parlement op 17 december 2008 heeft goedgekeurd, met name Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden(1) en gezien Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen(2),

–   gezien Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap(3),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 10 september 2009 getiteld "Meer internationale middelen om de strijd tegen klimaatverandering te financieren: Een Europese blauwdruk voor de overeenkomst van Kopenhagen" (COM(2009)0475),

–   onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over klimaatverandering, met name zijn resoluties van 4 februari 2009 over "2050: De toekomst begint vandaag – aanbevelingen voor een toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering"(4) en van 11 maart 2009 over een strategie van de EU voor een uitgebreide overeenkomst inzake de klimaatverandering in Kopenhagen en het ter beschikking stellen van voldoende middelen voor het beleid inzake klimaatverandering(5),

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van 20 december 2005 van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese Consensus"(6), en met name de punten 22, 38, 75, 76 en 105 daarvan,

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van 29 en 30 oktober 2009,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 oktober 2008 met de titel "Naar een wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering tussen de Europese Unie en de arme ontwikkelingslanden die het ergst door de klimaatverandering worden getroffen"(7),

–   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de onderhandelingen over een uitgebreide internationale overeenkomst over klimaatverandering voor de periode vanaf 2012 naar verwachting in december 2009 in Kopenhagen zullen worden afgerond; overwegende dat deze overeenkomst juridisch bindend moet zijn en moet aansluiten bij de laatste wetenschappelijke bewijzen, die erop duiden dat de klimaatverandering zich sneller en agressiever voltrekt dan eerder aangenomen, en met de doelstelling om de toename van de gemiddelde wereldwijde jaarlijkse oppervlaktetemperatuur tot 2ºC of minder boven de pre-industriële niveaus te beperken ("de 2ºC-doelstelling"),

B.   overwegende dat het om de 2ºC-doelstelling te bereiken nodig is dat de ontwikkelde landen het voortouw nemen met een significante vermindering van hun emissies en dat de ontwikkelingslanden eveneens tot het bereiken van deze doelstelling bijdragen,

C.   overwegende dat de ontwikkelingslanden het minst aan de klimaatverandering hebben bijgedragen, maar met de ernstigste consequenties daarvan worden geconfronteerd, en overwegende dat de klimaatverandering een risico betekent voor 40% van de internationale investeringen in armoedebestrijding en zo een bedreiging vormt voor de doeltreffendheid en duurzaamheid van het ontwikkelingswerk; overwegende dat er duidelijk behoefte is aan meer coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de klimaatverandering en ontwikkelingsinitiatieven,

D.   overwegende dat klimaatverandering de kans op conflicten over natuurlijke rijkdommen kan doen toenemen vanwege de afname van beschikbare landbouwgrond, toenemende waterschaarste, ontbossing of door migratie als gevolg van het klimaat; overwegende dat ook rekening moet worden gehouden met de mogelijke invloed op de volksgezondheid,

E.   overwegende dat ongeveer 20% van de uitstoot van broeikasgassen in de wereld voor rekening van de ontbossing komt, die ook een belangrijke oorzaak van het verlies aan biodiversiteit is, een ernstig gevaar vormt voor het ontwikkelingsproces en met name armen in hun bestaan bedreigt,

F.   overwegende dat er aanzienlijk meer middelen nodig zijn om in ontwikkelingslanden de noodzakelijke reductie- en aanpassingsmaatregelen te kunnen treffen, en dat er dan ook middelen beschikbaar moeten worden gesteld om de klimaatverandering met eenzelfde inzet aan te pakken als bij de huidige financiële crisis nodig was,

G.   overwegende dat het merendeel van de in verband met de klimaatverandering toegezegde kredieten afkomstig is uit begrotingen voor de officiële ontwikkelingshulp, zodat voor ontwikkelingshulp bestemde fondsen een andere bestemming krijgen en een ernstige bedreiging ontstaat voor de armoedebestrijding en het bereiken van de millenniumdoelstellingen,

H.   overwegende dat een bindend internationaal kader dat tot emissiebeperkingen op de vereiste schaal leidt ook grote, onmiddellijke extra voordelen voor de volksgezondheid in de gehele wereld zal hebben, en dat de vorderingen op weg naar de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen zonder een dergelijk kader gevaar lopen, en de omgekeerde richting zouden kunnen inslaan,

I.   overwegende dat de EU de enige regio ter wereld is die zich bindende streefdoelen voor vermindering van broeikasemissies heeft gesteld door haar goedkeuring te hechten aan bovengenoemd klimaat- en energiepakket, bestaande uit wetgevende maatregelen waarmee in 2020 een unilaterale vermindering van de broeikasgassen met 20% ten opzichte van de niveaus van 1990 moet zijn bewerkstelligd, gekoppeld met het streven om tot een reductie van 30% of meer, overeenkomstig de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen, te komen als er in Kopenhagen een voldoende ambitieuze en bindende internationale overeenkomst tot stand komt die de andere ontwikkelde landen verplicht tot vergelijkbare inspanningen en de economisch al verder ontwikkelde ontwikkelingslanden aan hun verantwoordelijkheid en hun mogelijkheden aangepaste bijdragen oplegt,

J.   overwegende dat er op wereldschaal behoefte is aan een verandering van technologie en technologische samenwerking ter bespoediging van het tempo van innovatie en een schaalvergroting op het gebied van demonstratie en verspreiding, zodat alle landen toegang kunnen krijgen tot betaalbare, duurzame technologieën,

K.   overwegende dat energie-efficiency een cruciale rol speelt bij de beperking van CO2-emissies, met name bij de recente initiatieven inzake de energieprestaties van gebouwen en energie-etiketteringsvoorschriften,

L.   overwegende dat ambitieuze klimaatmaatregelen een bijdrage zouden leveren aan het oplossen van de huidige economische crisis door banen te creëren en de economische bedrijvigheid te doen toenemen, en overwegende dat het Internationale energie-agentschap een ambitieuze overeenkomst in Kopenhagen noodzakelijk acht om door de crisis vertraagde investeringen in goede banen naar in milieuopzicht duurzame investeringen te leiden,

M.   overwegende dat een aantal derde landen maatregelen heeft genomen ter bestrijding van de klimaatverandering, waaronder vaststelling van emissiebeperkingsdoelen,

N.   overwegende dat een ruim opgezette overeenkomst in Kopenhagen noodzakelijk is voor de aanpak van koolstoflekkage en om gelijke uitgangsposities voor allen te scheppen bij het streven naar een beperking met 30% van de broeikasgasemissies,

O.   overwegende dat voor een doeltreffende beperking van de uitstoot van broeikasgassen een holistische benadering vereist is die alle emitterende productie- en mobiliteitssectoren bestrijkt en die overwogen moet worden in het kader van een geslaagde overgang naar een duurzaam economisch model dat ervoor zorgt dat milieukwaliteit hand in hand gaat met economische groei, het scheppen van welvaart en technologische vooruitgang,

Doel

1.   dringt erop aan dat de EU een extern klimaatbeleid ontwikkelt en met één stem spreekt om haar leidende rol in de onderhandelingen op de COP 15 te handhaven, en in discussies met haar internationale partners veel ambitie toont, ten einde in Kopenhagen een ambitieuze en juridisch bindende internationale overeenkomst tot stand te brengen, overeenkomstig de meest recente wetenschappelijke inzichten en aansluitend bij de 2ºC-doelstelling;

2.   benadrukt dat nog voor het eind van dit jaar partijen in Kopenhagen tot een juridisch bindende overeenkomst moeten komen inzake de reductiedoelstellingen van de industrielanden en de financiering ervan, en een formeel proces moeten vaststellen teneinde in de eerste maanden van 2010 te komen tot een juridisch bindende, alomvattende klimaatovereenkomst, die bij 1 januari 2013 in werking treedt;

3.   roept de staatshoofden en regeringsleiders van alle COP 15-leden op aan dit verzoek de hoogste prioriteit te verlenen en politiek leiderschap aan de dag te leggen, en onderstreept hoe belangrijk het is dat deze staatshoofden en regeringsleiders zich vrijmaken om het conferentiedeel op hoog niveau bij te wonen ten einde elke kans uit te sluiten dat een overeenkomst over belangrijke nationale langetermijnverplichtingen op losse schroeven blijkt te staan omdat de aanwezige onderhandelaars niet over het vereiste politieke mandaat of de vereiste autoriteit beschikken;

4.   onderstreept dat het, om ervoor te zorgen dat de aangegane verbintenissen ook na afloop van de eerste periode van verbintenissen van het Kyoto-protocol worden gehonoreerd, dringend noodzakelijk is dat de onderhandelingen in Kopenhagen over een vervolgovereenkomst worden afgerond, en wijst erop dat iedere verdere vertraging bij het nemen van wereldomspannende maatregelen zou kunnen leiden tot een situatie waarin de toekomstige generaties de klimaatverandering niet langer onder controle kunnen houden;

Reductieverplichtingen

5.   onderstreept dat de internationale overeenkomst gebaseerd moet zijn op het beginsel van "gezamenlijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid", waarbij de geïndustrialiseerde landen het voortouw nemen bij de reductie van door hun binnenlandse emissies. Gezien hun economische "gewicht" moeten China, India en Brazilië, zich echter verplichten tot doelstellingen die vergelijkbaar zijn met die van de geïndustrialiseerde landen, terwijl andere opkomende economieën − overeenkomstig het Actieplan van Bali − in het kader van duurzame ontwikkeling op nationaal niveau adequate reductiemaatregelen moeten nemen die op meetbare, rapporteerbare en controleerbare wijze worden gesteund en mogelijk gemaakt met behulp van door de ontwikkelde landen verstrekte technologie, middelen en capaciteitsopbouw, met inachtneming, bij de overdracht van technologie, de bescherming van de industriële-eigendomsrechten en de bijzondere behoeften van de minst ontwikkelde landen;

6.   is van mening dat de overeenkomst van Kopenhagen de partijen tot bindende reducties moet verplichten, en in geval van verzuim in nader te definiëren sancties op internationaal niveau moet voorzien;

7.   herinnert eraan dat de internationale overeenkomst dient te waarborgen dat er in de ontwikkelde landen collectieve beperkingen van de emissies van broeikasgassen worden bereikt die in 2020 vergeleken bij 1990 bij de hogere waarden van het traject van 25-40% liggen, zoals is aanbevolen in het vierde verslag van het Internationale panel inzake klimaatverandering (IPCC 4AR), en dat recent wetenschappelijk onderzoek erop lijkt te wijzen dat er behoefte is aan een emissiebeperking van ten minste 40%; dringt erop aan dat deze beperking in het binnenland wordt behaald; herinnert eraan dat er voor de EU en de overige ontwikkelde landen een langetermijndoelstelling van tenminste 80% in 2050 ten opzichte van 1990 moet worden vastgesteld; herinnert eraan dat de uitstoot van broeikasgassen in de wereld uiterlijk in 2015 moet gaan dalen; benadrukt de noodzaak dat de reductiedoelen waarover in de internationale overeenkomst overeenstemming is bereikt aansluiten bij de 2°C-doelstelling en stroken met de meest recente wetenschappelijke inzichten; dringt daarom aan op een regelmatige herziening van de overeenkomst om ervoor te zorgen dat de reductiedoelstellingen ambitieus genoeg zijn om de 2°C-doelstelling te halen en dat deze doelstellingen aansluiten bij de meest recente wetenschappelijk inzichten; dringt aan op invoering van een wereldwijd koolstofregistratiemechanisme;

8.   vraagt de EU te verduidelijken onder welke voorwaarden zij bereid is toe te zeggen haar emissies nog meer te verminderen, en dat het publiek in de ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen hier rijp voor lijkt;

9.   wenst dat rapportageverplichtingen worden opgenomen in de overeenkomst van Kopenhagen die inhouden dat de in Bijlage 1 genoemde partijen actieprogramma's moeten opstellen voor het bereiken van emissiebeperkingen in de periode tot 2050 welke stroken met de limiet van 2°C;

10.   juicht de verbintenis van Japan toe om zijn emissies tegen 2020 met 25% te verminderen en begroet de positieve signalen uit China; roept de Verenigde Staten er in het licht van deze ontwikkelingen met klem toe op de tijdens de verkiezingscampagne gestelde streefdoelen bindend vast te leggen om een sterk signaal te geven aangaande de wil van de leidinggevende ontwikkelde landen om de strijd tegen de klimaatverandering aan te gaan; wijst er in dit verband voorts op dat het van grote betekenis is dat ook India een bijdrage levert;

11.   is verheugd over de bovengenoemde Mededeling van de Commissie van 10 september 2009 als een belangrijke stap in de discussie, en onderstreept in het bijzonder de rol van het Europees Parlement als begrotingsautoriteit;

12.   herinnert eraan dat de internationale overeenkomst er ook in moet voorzien dat de ontwikkelingslanden als groep de groei van hun emissies beperken tot 15 tot 30% onder het "gewone" niveau om ervoor te zorgen dat de 2ºC-doelstelling wordt bereikt;

13.   onderstreept dat de niet-Bijlage I-landen niet als één blok kunnen worden beschouwd aangezien ze niet allemaal beschikken over dezelfde mogelijkheden om te investeren in maatregelen voor het opvangen van en het aanpassen aan klimaatverandering, en ook hun vermogen om zich aan klimaatverandering aan te passen onderling verschilt;

14.   verzoekt de EU de leden van de COP 15-bijeenkomst een gemeenschappelijke visie voor het jaar 2050 en de periode daarna te ontwikkelen;

15.   herinnert voorts aan zijn aanbeveling om bepaalde beginselen die zijn aangenomen in het kader van het klimaat- en energiepakket als blauwdruk te gebruiken voor de te sluiten internationale overeenkomst, met name wat betreft het verplichte lineaire traject voor de door ontwikkelde landen aan te gane verbintenissen, de op basis van geverifieerde emissies en het bruto binnenlands product (BBP) toe te passen differentiatie en het striktere handhavingsregime met een jaarlijkse reductiefactor;

Financiering

16.   benadrukt dat een overeenkomst in Kopenhagen de noodzakelijke stimulans kan zijn voor een "Sustainable New Deal", die duurzame sociale en economische groei bevordert, ecologisch duurzame technologie, hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiency stimuleert, het energieverbruik omlaag brengt en nieuwe werkgelegenheid en sociale cohesie in zowel ontwikkelde landen als ontwikkelingslanden waarborgt; wijst op het feit dat ook rekening moet worden gehouden me de volksgezondheidsaspecten van klimaatverandering; herinnert aan het Stern-rapport over de economische effecten van klimaatverandering, waaruit blijkt dat er duidelijke economische redenen voor de internationale gemeenschap zijn om zo spoedig mogelijk op de klimaatverandering te reageren; erkent dat initiële investeringen door de publieke sector in een duurzame energie-infrastructuur en in aanvullende onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten de maatschappelijke kosten van de klimaatverandering zullen verminderen;

17.   onderstreept dat actieve participatie van alle landen bij het aanpakken van de klimaatuitdaging alleen tot stand zal komen als de ontwikkelingslanden en opkomende economieën een duurzame economische groei blijven doormaken; dringt daarom aan op beter geïntegreerde beleidsreacties op uitdagingen op het gebied van ontwikkeling en klimaat;

18.   onderstreept dat klimaatverandering een uitdaging is waarvoor geen pasklare politieke oplossing bestaat, maar dat de optelsom van de bestaande mogelijkheden en een drastische toename van de efficiëntie in alle sectoren van de economie en de samenleving zowel in de ontwikkelde landen als in de ontwikkelingslanden een bijdrage kunnen leveren aan het oplossen van het probleem van hulpbronnen en verdeling, en de weg naar een derde industriële revolutie zouden effenen;

19.   onderstreept dat de bevolking in ontwikkelingslanden de gevolgen van de klimaatverandering nog sterker zullen voelen en dat ook de ontwikkelingslanden er bijgevolg alle belang bij hebben een bijdrage te leveren aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake klimaatverandering;

20.   onderstreept de verantwoordelijkheid van de ontwikkelde landen om de ontwikkelingslanden voldoende, duurzame en voorspelbare financiële en technische steun te verlenen om hen in staat te stellen zich te verplichten tot beperking van hun broeikasgasemissies, zich aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering en door ontbossing en aantasting van de bossen veroorzaakte emissies te verminderen, alsmede de capaciteitsopbouw te versterken om te voldoen aan verplichtingen op grond van de toekomstige internationale overeenkomst inzake klimaatverandering;

21.   onderstreept dat deze verplichtingen om te voorzien in de vereiste financiële ondersteuning voor de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering in het kader van het UNFCC nieuw moeten zijn en een aanvulling moet vormen op de officiële ontwikkelingshulp en bovendien onafhankelijk moet zijn van de jaarlijkse begrotingsprocedures in de lidstaten; herinnert eraan dat deze middelen niet in de vorm van geconcessioneerde leningen moeten worden verdeeld, maar als subsidies; herinnert aan de reeds bestaande verplichtingen tot verlening van officiële ontwikkelingshulp, die erop gericht zijn tot 2015 0,7% van het BBP te bereiken;

22.   beklemtoont dat voor een ambitieuze overeenkomst van Kopenhagen snelle internationale overheidsfinanciering noodzakelijk is, en roept de EU ertoe op zich ten minste te verbinden tot het door de Commissie geraamde totale te financieren bedrag van 5 à 7 miljard EUR per jaar voor de periode 2010-2012;

23.   herinnert eraan dat de collectieve bijdrage van de EU voor de reductie-inspanningen en aanpassingsbehoeften van de ontwikkelingslanden voor 2020 niet onder een bedrag van 30 000 miljoen EUR per jaar zou moeten liggen, een bedrag dat zou kunnen stijgen naarmate er nieuwe kennis over de ernst van de klimaatverandering en de omvang van de kosten daarvan beschikbaar komt;

24.   nodigt de internationale gemeenschap ertoe uit haar financiële steun aan de ontwikkelingslanden ter aanpassing aan en verlichting van de klimaatverandering aanzienlijk te versterken door verkenning van andere innoverende financiële mechanismen (bij voorbeeld debt-for-nature-swaps (ruil van schulden tegen natuurbehoudsmaatregelen);

25.   onderstreept dat een aanzienlijk deel van de middelen die worden opgebracht door het veilen van certificaten in het kader van het EU-stelsel voor de emissiehandel (EU-ETS), waaronder ook veilingen voor het lucht- en het zeevervoer, opzij zou moeten worden gezet om ontwikkelingslanden in staat te stellen de klimaatverandering te bestrijden en zich hieraan aan te passen; onderstreept evenwel dat meer dan 50% van de emissies van de EU niet worden bestreken door het EU-ETS, dat in 2005 van start ging; wijst er daarom andermaal op dat het nodig is alternatieve strategieën te ontwikkelen opdat alle sectoren van de economie, niet alleen de industrie, en vooral de lidstaten zich van hun verantwoordelijkheid kwijten;

26.   benadrukt dat bij de komende herziening van de EU-begroting de aandacht vooral moet uitgaan naar het beschikbaar stellen van voldoende middelen voor maatregelen ter bescherming tegen en aanpassing aan de klimaatverandering;

27.   stelt de ontwikkelde landen voor te overwegen een deel van hun BBP opzij te zetten voor een samenwerkingsfonds voor de invoering van technologieën voor schone energie, naast de reeds bestaande fondsen voor ontwikkelingshulp;

28.   zegt zijn steun toe aan het Noorse voorstel betreffende de handel in certificaten (Assigned Amount Units) evenals aan de voorstellen van Denemarken en Mexico;

29.   wenst dat in de bestuursstructuren die met betrekking tot de klimaatfinanciering worden ingericht, op grond van de overeenkomst van Kopenhagen een gelijke vertegenwoordiging van ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden gewaarborgd is; benadrukt verder dat om te waarborgen dat de overdracht van middelen op duurzame wijze geschiedt, gebruik moet worden gemaakt van ervaringen in het ontwikkelingsbeleid en van erkende beginselen, zoals dat van "goed bestuur"; wijst erop dat de donorlanden moeten investeren in een vergroting van de "absorptiecapaciteit" in de ontwikkelingslanden, zodat deze de middelen doeltreffend kunnen inzetten;

Samenwerking met ontwikkelingslanden

30.   dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de bestaande klimaatpartnerschappen met ontwikkelingslanden te versterken, en nieuwe partnerschappen aan te gaan waar deze nog niet aanwezig zijn, en daarbij aanzienlijk meer middelen beschikbaar te stellen voor ontwikkeling en overdracht van technologie, overstemming over intellectuele-eigendomsrechten en institutionele capaciteitsopbouw, onder meer voor Nationale programma's voor aanpassing (NAPA's) als belangrijke instrumenten voor de aanpassing aan de klimaatverandering, die eigen inbreng en beheer bevorderen;

31.   dringt erop aan dat de internationale klimaatveranderingsovereenkomst voor de jaren na 2010 rekening moet houden met de bestaande ontwikkelingsprocessen op zowel internationaal als nationaal niveau; verzoekt de Commissie en de lidstaten de noodzakelijke verbanden tussen de klimaatverandering en de millenniumdoelstellingen aan te brengen door integratie van aanpassing aan en opvangen van de gevolgen van de klimaatverandering in projecten en programma's die gericht zijn op het halen van de millenniumdoelstellingen, alsmede in alle armoedebestrijdingsstrategieën;

32.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om een aanzienlijke verhoging van de begroting voor het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering (GCCA) en stelt voor hiervoor als een van de financieringsbronnen de verwachte opbrengst te gebruiken van de veilingen in het EU ETS; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering zich ontwikkelt als vereffeningsbureau voor de financiering van het aanpassingsproces in de ontwikkelingslanden, zodat nieuwe bilaterale EU-initiatieven achterwege kunnen blijven;

33.   constateert dat de klimaatverandering ertoe leidt dat mensen hun oorspronkelijke woonplaats verlaten en dat daardoor een nieuwe, gedwongen migratie ontstaat waarop de internationale gemeenschap een adequaat antwoord moet hebben; appelleert aan de internationale gemeenschap over te gaan tot het inventariseren en aanpakken van leemten in de wet in verband met de bescherming van klimaatvluchtelingen en een specifiek bijstands- en beschermingssysteem op te zetten;

34.   acht het noodzakelijk te waarborgen dat instellingen verantwoording afleggen en vertrouwen kweken door toe te zien op een billijke vertegenwoordiging van donorlanden en begunstigde landen in de bestuursorganen van financieringsinstellingen voor het aanpassingsproces;

Energie en energie-efficiency

35.   is van oordeel dat een wereldwijde omschakeling naar een doeltreffende, duurzame economie niet alleen nodig is om een gevaarlijke klimaatverandering door middel van vermindering van broeikasgasemissies te voorkomen, maar ook het potentieel in zich bergt investeringen, werkgelegenheid, economische groei en concurrentievermogen te vergroten en de levenskwaliteit te verbeteren, zonder het doel van gegarandeerde toegang tot moderne energiediensten voor allen in gevaar te brengen; onderstreept dan ook de dringende noodzaak om de energie-efficiency wereldwijd te verbeteren en het aandeel van hernieuwbare energiebronnen te vergroten;

36.   beklemtoont dat een internationale verschuiving naar een koolstofarme economie alleen mogelijk is indien kernenergie op de middellange termijn als een belangrijk onderdeel van de energiemix wordt beschouwd; wijst er evenwel op dat de onderwerpen veiligheid en zekerheid van de nucleaire brandstof cyclus op adequate wijze op internationaal niveau moeten worden aangepakt om het hoogst mogelijke veiligheidsniveau te garanderen;

37.   dringt er bij alle regeringen, met inbegrip van de EU en de regeringen van de lidstaten, op aan de energie-efficiency te stimuleren; dringt er bij de lidstaten van de EU op aan meer ambitie in verband met het energie-efficiency pakket te tonen, met name bij de nieuwe opzet van de richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen (COM(2008)0780), teneinde tot een dynamische en van coherentie getuigende overeenkomst met de Raad te komen, en daarbij een duidelijk signaal te geven in verband met de EU-verbintenissen met het oog op de overeenkomst van Kopenhagen, en de overgang naar een vermindering van 30% van de broeikasgasemissies te vergemakkelijken;

38.   onderstreept dat het gebruik op grote schaal van fossiele brandstoffen bij de opwekking van energie in de gehele wereld een voorname bron van CO2-emissies vormt; erkent dat fossiele brandstoffen op de middellange termijn een belangrijke rol in de energievoorziening zullen blijven spelen; dringt er bij de onderhandelende partijen op aan een groot belang toe te kennen aan de verdere ontwikkeling en het verdere gebruik van duurzame technologieën voor een efficiënt en emissiebeperkend gebruik van fossiele brandstoffen voor het opwekken van elektriciteit;

39.   is van oordeel dat zowel de emissiereductiedoelen als de financieringstoezeggingen moeten worden onderworpen aan een nadrukkelijker handhavingsregeling, met inbegrip van een vroegtijdig waarschuwingssysteem en sancties, zoals intrekking van toekomstige Toegewezen Eenheden;

Aanpassing

40.   onderstreept de historische verantwoordelijkheid van de ontwikkelde landen voor een onomkeerbare klimaatverandering en herinnert aan de verplichting de ontwikkelingslanden en minst ontwikkelde landen te helpen zich aan deze veranderingen aan te passen;

41.   vraagt de EU en de lidstaten de ontwikkelingslanden te helpen bij hun capaciteitsopbouw om zich aan de klimaatverandering aan te passen en voldoende technologische steun te verlenen aan de landen die het meest door een veranderend milieu worden getroffen;

42.   onderkent het belang van proactieve aanpassing aan onvermijdelijke klimaatverandering, in het bijzonder in de meest kwetsbare gebieden en groepen binnen samenlevingen en benadrukt het belang van bewustmaking om de aanpassing aan de klimaatverandering op een zo efficiënt mogelijke wijze te laten verlopen;

43.   onderstreept dat de EU en de lidstaten ook acties moeten bevorderen ter ondersteuning van een spoedige uitvoering van aanpassingsmaatregelen binnen de EU, teneinde middelen voor toekomstige internationale maatregelen beschikbaar te houden;

Technologische samenwerking en onderzoek

44.   is ervan overtuigd dat een nieuwe benadering van technologische samenwerking vereist is om de nodige versnelling van het innovatietempo en vergroting van de verspreidingsschaal te bereiken, zodat alle landen toegang krijgen tot betaalbare, klimaatvriendelijke technologieën en daarbij rekening houden met vragen omtrent intellectuele-eigendomsrechten;

45.   is van mening dat de overeenkomst van Kopenhagen moet voorzien in technologische actieprogramma's voor essentiële technologieën voor het aanpassen aan en opvangen van de gevolgen van de klimaatverandering, zodat in de gehele technologieketen steun wordt gegeven aan het bereiken van doelen als een aanzienlijke verhoging van de financiering van onderzoek, ontwikkeling en demonstratie in verband met aanpassing aan/opvangen van de gevolgen van de klimaatverandering; betuigt in dit verband zijn steun aan het oordeel van de Commissie dat de onderzoeks-, ontwikkelings − en demonstratiewerkzaamheden in de gehele wereld in verband met energie ten opzichte van hun huidige omvang vóór 2012 tenminste verdubbeld moeten worden en vóór 2020 verviervoudigd;

46.   dringt er bij de ontwikkelde landen op aan meer te investeren in nieuwe en geavanceerde technologieën voor duurzame en energie-efficiënte productieprocessen; acht een verbetering van de financiering voor internationale samenwerking inzake klimaatverandering in het kader van het Zevende kaderprogramma voor onderzoek van essentieel belang;

Een wereldwijde koolstofmarkt

47.   benadrukt dat marktgerichte oplossingen, met inbegrip van de ontwikkeling van een wereldwijde koolstofmarkt via "cap and trade"-mechanismen of belastingregelingen in ontwikkelde landen, weliswaar in de nabije toekomst geen oplossing vormen voor ontwikkelingslanden, maar dat dit niettemin de langetermijndoelstelling van alle onderhandelingen moet blijven vormen; roept de EU en haar partners in de wereld op in de nabije toekomst naar de meest doeltreffende manier te zoeken om koppelingen tussen de EU-ETS en regionale of federale handelsregelingen in de VS en elders te bevorderen, die op hun beurt weer tot meer diversiteit van de reductiemogelijkheden, een adequatere omvang van de markten en meer liquiditeit, en uiteindelijk tot een efficiëntere verdeling van de middelen zouden kunnen leiden;

48.   wijst erop dat een goed functionerende wereldwijde koolstofmarkt van wezenlijk belang is voor de economie van de EU, opdat zij haar ambitieuze toezeggingen inzake de vermindering van broeikasgasemissies tot 2020 kan nakomen; wijst op de noodzaak van een alomvattende internationale overeenkomst voor de periode na 2012 waarin wordt vastgelegd dat andere ontwikkelde landen vergelijkbare inspanningen zullen doen om het risico van koolstoflekken te bezweren, met name met het oog op de reductiedoelstellingen voor broeikasgassen voor de lange termijn; benadrukt in dit verband de sleutelrol van nauwe samenwerking tussen opkomende en ontwikkelde economieën;

49.   ziet het Clean Development Mechanism (CDM) van het Kyoto-protocol als een mogelijke manier om de ontwikkelingslanden in staat te stellen aan de koolstofmarkt deel te nemen; onderstreept evenwel dat het gebruik van compensaties waarmee ontwikkelde landen aan de emissiereductiedoelstellingen voldoen geen deel kan uitmaken van de verantwoordelijkheid van de ontwikkelingslanden om hun broeikasgasemissies in het kader van een internationale klimaatveranderingsovereenkomst te beperken, en geen substituut vormt voor financiële en technologische steun aan ontwikkelingslanden voor hun reductiemaatregelen;

50.   dringt er bovendien op aan dat strenge kwaliteitsnormen voor projecten deel moeten uitmaken van toekomstige compensatiemechanismen om te voorkomen dat de ontwikkelde landen in plaats van de ontwikkelingslanden goedkopere reductieopties voor zich opeisen, en dat zij de garantie moeten bieden dat dergelijke projecten van een hoog niveau zijn, met betrouwbare, controleerbare en concrete emissiebeperkingen die ook een duurzame ontwikkeling in dergelijke landen ondersteunen;

51.   is van mening dat het CDM en de gezamenlijke toepassing (JI) moeten worden hervormd met inachtneming van deze kwaliteitsnormen voor projecten; onderschrijft bovendien het standpunt van de Commissie dat voor de periode na 2012 sectorale mechanismen moeten worden overeengekomen voor economisch sterker ontwikkelde ontwikkelingslanden, zodat zij een doeltreffend middel kunnen gaan vormen om het klimaat te beschermen en duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden te bevorderen;

52.   benadrukt dat de EU en de lidstaten eerst binnen de EU hun toezeggingen inzake bestrijding van klimaatverandering gestand moeten doen en herinnert alle partijen eraan dat het gebruik van flexibele mechanismen tot een minimum moet worden beperkt;

Verandering van landgebruik, ontbossing en aantasting van bossen en van natuurlijke hulpbronnen

53.   is van mening dat aan ontwikkelingslanden substantiële financiële steun alsmede technische en administratieve bijstand moet worden geboden om de bruto tropische ontbossing uiterlijk tegen 2020 tot staan te brengen, en dat vastbeslotenheid op dit vlak van doorslaggevend belang zal zijn in de internationale onderhandelingen voor een uitgebreide en wereldwijde klimaatovereenkomst voor de periode na 2012;

54.   onderstreept dat de instandhouding van natuurlijke koolstofputten de meest efficiënte en effectieve manier is om de klimaatverandering te milderen en geen schadelijke of onvoorziene neveneffecten heeft; is bovendien van mening dat een alomvattend bosbouwbeleid van onschatbare waarde is voor de aanpak van de klimaatverandering;

55.   dringt erop aan dat de EU er zich toe verbindt bij te dragen aan de internationale financiële inspanningen om ontbossing tegen te gaan en bebossing voor niet-commerciële doeleinden in de hele wereld te bevorderen;

56.   benadrukt dat de bescherming van bossen essentieel is voor het welslagen van de klimaatbescherming wereldwijd, en roept de EU en de lidstaten met klem op de noodzaak van de instandhouding van bossen te erkennen en dit aspect te verwerken in een internationale overeenkomst;

57.   deelt de opvatting van de Commissie dat overheidsfinanciering het meest realistische instrument is waarmee stimuli kunnen worden gegeven om ontbossing in de periode tussen 2013 en 2020 tegen te gaan; verzoekt de EU en de lidstaten bovendien om voor het tijdvak 2010-2012 middelen beschikbaar te stellen voor vroegtijdig optreden in ontwikkelingslanden en steunt in dit verband het voorstel van de Commissie inzake de invoering van een wereldwijd boskoolstofmechanisme (GFCM) in het kader van het UNFCCC, gebaseerd op een regeling voor permanente financiering; verzoekt de lidstaten hun inzet voor stopzetting van de wereldwijde ontbossing, aantasting van bossen en land en verwoestijning te schragen door een substantieel gedeelte van de opbrengsten van de veiling van de EU-ETS te bestemmen voor het terugdringen van ontbossing en aantasting van bossen in de ontwikkelingslanden; verzoekt de lidstaten hun steun te geven aan het voorstel van de Commissie om het financieringsvoorstel van Noorwegen te omarmen en toekomstige veilingopbrengsten van de toegewezen hoeveelheden voor een deel aan het GFCM toe te wijzen;

58.   beklemtoont dat het toekomstige GFCM gekoppeld moet zijn aan de besluiten en moet bijdragen tot de doelstellingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit en dat de gevolgen voor de biodiversiteit expliciet het voorwerp moeten zijn van de activiteiten, regels en modaliteiten in het kader van het VN-programma "Vermindering van emissies afkomstig uit ontbossing en aantasting" (REDD); is van mening dat het GFCM eerst en vooral moet zorgen voor de bescherming van oerbossen; meent dat industriële bosbouwactiviteiten die slechts een geringe rol spelen bij de bestrijding van klimaatverandering en die de biodiversiteit in gevaar kunnen brengen, niet voor subsidie uit hoofde van het GFCM in aanmerking mogen komen;

59.   benadrukt dat elke toekomstige GFCM de rechten van autochtone bevolkingsgroepen en plaatselijke gemeenschappen moet eerbiedigen, inclusief hun recht op collectieve eigendom en autonome inheemse grondgebieden, en moet voorzien in hun volledige en daadwerkelijke inspraak en medebeslissingsrecht op alle niveaus, ook bij de opstelling en tenuitvoerlegging van nationale REDD-plannen en de toewijzing of verdeling van subsidies;

60.   dringt er bij de EU op aan strenge maatschappelijke en milieunormen voor REDD te stimuleren; verzoekt de EU te pleiten voor REDD-mechanismen die verder gaan dan de huidige projectmatige aanpak van CDM en die gericht zijn op de onderliggende oorzaken van ontbossing, zoals slecht bestuur, armoede, corruptie en gebrek aan rechtshandhaving, middels ondersteuning van beleids- en institutionele hervormingen op lokaal, regionaal en nationaal niveau;

61.   wenst dat de milieueffectiviteit van de emissiebeperkingsdoelstellingen van bijlage I de leidraad wordt voor de wijze waarop de EU omgaat met internationale boekhoudregels voor bosbeheer en LULUCF in het algemeen;

62.   wijst erop dat de praktijken die in diverse sectoren, zoals die in verband met waterbeheer, ecosysteembewaking, landbouwproductie, bodemgesteldheid, verandering van grondbestemming, gezondheidszorg, voedselveiligheid en risicobeperking bij rampen, worden gevolgd, de klimaatverandering mede veroorzaakt en verergerd hebben, maar dat die sectoren tegelijkertijd ook ernstig geleden hebben onder de negatieve gevolgen van die klimaatverandering; is van oordeel dat deze dimensies beide tot uiting moeten komen in de overeenkomst van Kopenhagen, en dat er gerichte maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat deze sectoren in hoge bijdrage bijdragen aan de strijd tegen klimaatverandering en zich in hoge mate daaraan kunnen aanpassen;

Internationaal lucht- en zeevervoer

63.   herinnert eraan dat de luchtvaart naast de koolstofemissies nog een reeks andere gevolgen heeft die het aardopwarmingspotentieel van die sector ruwweg verdubbelen; wenst dat de EU ervoor zorgt dat hiermee rekening wordt gehouden in de overeenkomst van Kopenhagen;

64.   dringt, gezien het mislukken van de besprekingen met de Internationale burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Internationale maritieme organisatie (IMO), aan op opname van de internationale lucht- en zeevaart in een overeenkomst in het kader van het UNFCCC;

65.   dringt erop aan dat in internationale overeenkomsten in de lucht- en zeevaartsector dezelfde bindende doelstellingen worden opgenomen als die welke voor andere sectoren gelden; dringt er verder op aan dat in een wereldomvattend kader ten minste 50% van de rechten op dit gebied wordt geveild;

Rol van het maatschappelijk middenveld

66.   wijst op het grote belang van brede informatie, raadpleging en participatie van de plaatselijke bevolking in het kader van besluitvormingsprocessen en spoort met name steden, regio's en agglomeraties ertoe aan om, met steun van de overheid, hun eigen voorlichtingscampagnes te lanceren, bijvoorbeeld ook in verband met specifieke reductiedoelstellingen;

67.   erkent, gezien het feit dat twee derde deel van de mensheid in 2030 in stedelijke centra zal wonen, dat aan steden, lokale en regionale autoriteiten een cruciale rol zal toekomen bij de uitvoering van praktische klimaatacties; is verheugd over de inzet die de World Mayors and Local Governments Climate Protection Agreement toonde en dringt erop aan dat de EU de inschakeling van steden, lokale en regionale autoriteiten bevordert bij de ontwikkeling en uitvoering van nationale strategieën inzake klimaatverandering, waaronder actieplannen voor het opvangen van de gevolgen en actieprogramma's op het gebied van aanpassing;

Delegatie van het Europees Parlement

68.   is van mening dat de EU-delegatie een belangrijke rol in deze onderhandelingen over klimaatverandering vervult, en acht het dan ook onaanvaardbaar dat de leden van het Europees Parlement die deel uitmaken van die delegatie niet in staat waren de EU-coördinatievergaderingen op de vorige Conferentie van de partijen bij te wonen; verwacht dat de deelnemers van het Europees Parlement in Kopenhagen wél toegang tot dergelijke vergaderingen krijgen, ten minste in de hoedanigheid van waarnemer, al dan niet met het recht om het woord te voeren;

o
o   o

69.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering, met het verzoek haar te doen toekomen aan alle verdragsluitende partijen buiten de EU.

(1) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 63.
(2) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136.
(3) PB L 8 van 13.1.2009, blz. 3.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0042.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0121.
(6) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0491.

Juridische mededeling - Privacybeleid