Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2009/2002(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0083/2009

Ingediende teksten :

A7-0083/2009

Debatten :

PV 15/12/2009 - 7
CRE 15/12/2009 - 7

Stemmingen :

PV 17/12/2009 - 7.1
CRE 17/12/2009 - 7.1
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2009)0115

Aangenomen teksten
PDF 360kWORD 104k
Donderdag 17 december 2009 - Straatsburg
Ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, als gewijzigd door de Raad (alle afdelingen)
P7_TA(2009)0115A7-0083/2009
Resolutie
 Bijlage
 Bijlage
 Bijlage
 Bijlage
 Bijlage

Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2009 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, als gewijzigd door de Raad (alle afdelingen) (11902/2009 – C7-0127/2009 – 2009/2002(BUD)) en over de nota's van wijzigingen nrs. 1/2010 (SEC(2009)1133 − 14272/2009 −C7-0215/2009), 2/2010 (SEC(2009)1462) − 16328/2009 − C7-0292/2009) en 3/2010 (SEC(2009)1635 − 16731/2009 − C7-0304/2009) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010

Het Europees Parlement,

   gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314, lid 9,

–   gelet op protocol nr. 2 tot wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, dat aan het Verdrag van Lissabon is gehecht, en met name de artikelen 3 en 5,

–   gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, en met name artikel 272, leden 1 tot en met 6,

–   gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 177, leden 1 tot en met 6 en artikel 106 bis,

–   gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(2),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3) (IIA), en met name het meerjarig financieel kader, dat wordt vernoemd in deel I en dat is opgenomen in bijlage I daarvan,

–   gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, opgesteld door de Raad op 13 juli 2009 (C7-0127/2009),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 oktober 2009 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, Afdeling III – Commissie (C7-0127/2009) en nota van wijzigingen nr. 1/2010 (SEC(2009)1133 − 14272/2009 − C7-0215/2009) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 oktober 2009 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, Afdeling I − Europees Parlement, Afdeling II − Raad, Afdeling IV − Hof van Justitie, Afdeling V – Rekenkamer, Afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité, Afdeling VII – Comité van de Regio's, Afdeling VIII – Europese Ombudsman, Afdeling IX – Europese toezichthouder voor gegevensbescherming (C7-0128/2009)(5),

–   gezien nota van wijzigingen nr. 2/2010 (SEC(2009)1462 − 16328/2009 − C7-0292/2009) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010,

–   gezien nota van wijzigingen nr. 3/2010 (SEC(2009)1635 − 16731/2009 − C7-0304/2009) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010 (Afdeling II - Raad),

–   gezien zijn amendementen en wijzigingsvoorstellen van 22 oktober 2009 op het ontwerp van algemene begroting(6),

–   gezien de wijzigingen die de Raad op 18 november 2009 heeft aangebracht in de amendementen en de wijzigingsvoorstellen van het Parlement op het ontwerp van algemene begroting,

–   gezien het resultaat van het begrotingsoverleg van 18 november 2009,

–   gezien de verklaring van de Raad betreffende het resultaat van zijn beraadslagingen over de door het Parlement aangenomen amendementen en wijzigingsvoorstellen op het ontwerp van algemene begroting,

–   gelet op artikelen 75 ter tot en met 75 sexies van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0083/2009),

Algemene resultaten van het begrotingsoverleg

1.   herinnert aan zijn politieke prioriteiten voor de begroting 2010 zoals in eerste instantie geformuleerd in zijn resoluties van 10 maart 2009 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2010 − Afdeling III − Commissie en over de andere afdelingen, en vervolgens nader omschreven in zijn resolutie van 22 oktober 2009 over het ontwerp van algemene begroting voor het begrotingsjaar 2010, Afdeling III – Commissie en andere afdelingen; benadrukt dat dit de richtsnoeren vormden voor zijn insteek tijdens het begrotingoverleg met de Raad over de begroting 2010 en voor zijn evaluatie van het begrotingskader voor het jaar 2010;

2.   verwelkomt de algemene overeenstemming over de begroting 2010, die is bereikt op de traditionele begrotingsoverlegvergadering met de Raad op 18 november 2009 vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in het bijzonder met betrekking tot de financiering van het Europees economisch herstelplan; benadrukt dat er tengevolge hiervan slechts uiterst kleine marges over zijn in het kader van de maxima voor alle rubrieken van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de begroting 2010, wat kan leiden tot moeilijkheden indien zich onvoorziene gebeurtenissen voordoen in de loop van 2010 waarvoor een begrotingsinjectie nodig is;

3.   herinnert eraan dat de begrotingsautoriteit sinds 2007 meermaals verplicht is geweest om het MFK 2007-2013 en het IIA te herzien om te voorzien in de nodige begrotingsmiddelen voor de financiering van beleid dat onvoldoende werd gefinancierd of dat niet werd voorzien binnen het financieel kader dat in 2006 werd goedgekeurd;

4.   benadrukt dat de marges voor de begrotingsjaren 2011-2013 die beschikbaar zijn volgens de financiële programmering die in mei 2009 door de Commissie werd gepubliceerd zeer klein zijn; onderstreept dat dit de instellingen kan verhinderen om nieuwe en betekenisvolle politieke initiatieven te nemen in de domeinen die door de nieuw aangewezen voorzitter van de Commissie als prioriteiten werden aangemerkt, zoals − om er maar enkele te noemen − de bestrijding van de klimaatverandering of de strategie "EU 2020"; benadrukt bovendien dat, na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, een aantal beleidsterreinen zal worden versterkt op het niveau van de EU, waardoor bijkomende EU-financiering nodig zal zijn; roept de nieuwe Commissie bijgevolg op onverwijld een verslag te publiceren over de werking van het IIA, zoals is vastgelegd in Verklaring 1 daarvan, samen met een aanpassing, een overzicht en een herziening van het huidige MFK 2007-2013, met inbegrip van de verlenging ervan tot 2015-2016;

5.   wijst er opnieuw op dat de Commissie eveneens de procedure voor het volgende MFK moet opstarten, zoals is vastgelegd in Verklaring 3 bij het IIA, om een degelijk publiek en open debat te lanceren over het volgende MFK;

6.   betreurt het feit dat de Raad niet bereid was de financiering van de lopende programma's van subrubriek 1a "Concurrentiekracht ter bevordering van groei en werkgelegenheid" te verhogen om tegemoet te komen aan de behoeften van de EU om de huidige crisis te kunnen weerstaan; is van mening dat deze rubriek grondig moet worden bestudeerd en zo nodig moet worden herzien, zodat de doelstellingen ervan de komende jaren kunnen worden verwezenlijkt;

7.   wijst op de gezamenlijke verklaringen die bij deze resolutie zijn gevoegd; heeft deze in aanmerking genomen bij de voorbereiding van zijn amendementen voor de tweede lezing;

8.   stelt het definitieve totaalbedrag van de vastleggingskredieten vast op 141 452 827 822 EUR, neerkomend op 1,2% van het BNI van de EU; stelt het totaalbedrag van de betalingen vast op 122 937 000 000 EUR, neerkomend op 1,04% van het BNI van de EU; stelt vast dat hierdoor een aanzienlijke marge overblijft van 11 220 000 000 EUR onder het plafond voor betalingen in het MFK voor 2010;

9.   is van mening dat het niveau van de betalingen niet bijdraagt aan het verminderen van het verschil tussen de niveaus van de vastleggingen en van de betalingen; is bezorgd over de gevolgen die dit kan hebben voor de ontwikkeling van de totale niet-betaalde vastleggingen (reste à liquider − RAL), die volgens het verslag voor 2008 van de Rekenkamer 155 miljard EUR bedragen, en voor de noodzaak om deze ontwikkeling in de toekomstige begrotingen te keren;

10.   herinnert aan de verklaring van de Raad van 10 juli 2009, waarin de Raad de Commissie verzoekt een gewijzigde begroting in te dienen indien zou blijken dat de betalingskredieten op de begroting 2010 niet volstaan om de uitgaven onder de subrubrieken 1a (Concurrentiekracht ter bevordering van groei en werkgelegenheid) en 1b (Cohesie voor groei en werkgelegenheid) en de rubrieken 2 (Instandhouding en beheer van natuurlijke hulpbronnen) en 4 (De EU als mondiale partner) te dekken;

11.   heeft nota genomen van de uitvoerbaarheidsnota van de Commissie met betrekking tot de amendementen op de ontwerpbegroting die in eerste lezing zijn goedgekeurd door het Parlement; besluit om nieuwe begrotingslijnen in te voeren voor klimaatverandering, de Wet voor kleine ondernemingen (SBA) en de Oostzeestrategie van de EU; heeft besloten bij de tweede lezing van de begroting rekening te houden met een aantal opmerkingen van de Commissie; zal echter vasthouden aan zijn in eerste lezing genomen besluiten;

Europees economisch herstelplan

12.   benadrukt dat de financiering van de tweede fase van het Europees economisch herstelplan een prioriteit was voor het Europees Parlement; herinnert eraan dat het de ontwerpbegroting van de Raad dienovereenkomstig heeft geamendeerd, om zo impulsen te geven aan de economische groei, het concurrentievermogen, de cohesie en de bescherming van de werkgelegenheid; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle projecten die in het kader van het herstelplan worden gefinancierd, de EU-milieuwetgeving ten volle naleven;

13.   verwelkomt de overeenkomst met de Raad over het Europees economisch herstelplan als een van de belangrijkste doelstellingen voor de begroting 2010, met name het feit dat daarmee de tweede stap van de financiering daarvan voor 2010 voltooid kan worden, waardoor wordt bevestigd dat de EU-begroting gebruikt kan worden als instrument om de huidige economische crisis te boven te komen; wijst erop dat de besluiten van het Parlement tot doel hadden de Europese burger voorop te stellen en te bewijzen dat de Europese Unie niet de oorzaak van het probleem is, maar wel een oplossing kan helpen vinden; verwelkomt de inzet van de instrumenten waar het IIA in voorziet teneinde de financiering te waarborgen, in het bijzonder punten 21 tot en met 23 en het gebruik van het flexibiliteitsinstrument overeenkomstig punt 27 van het IIA; herinnert er in dit verband aan dat de Raad zijn voorstel over dit onderwerp niet in eerste lezing heeft gepresenteerd;

Verdrag van Lissabon

14.   onderschrijft de gezamenlijke verklaring over de continuïteit van de begrotingsprocedure voor 2010 die werd ondertekend door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie tijdens het begrotingsoverleg van 18 november 2009, waarmee de drie instellingen de resultaten van de voorgaande besluiten die werden genomen tijdens de verschillende stappen van de begrotingsprocedure aanvaarden alsof ze werden genomen op grond van de bevoegdheden die ze krachtens het Verdrag van Lissabon hebben verworven;

15.   benadrukt de noodzaak om de EU te voorzien van de benodigde financiële middelen om maatregelen te ontwikkelen om tegemoet te komen aan de bestaande en nieuwe behoeften inzake de tenuitvoerlegging van het EU-beleid dat voortvloeit uit het nieuwe Verdrag van Lissabon; verzoekt de Commissie om met de aangegane begrotingsverplichtingen en de meerjarige gevolgen daarvan voor de begroting rekening te houden bij de presentatie van voorstellen voor de bijstelling, evaluatie en herziening van het huidige MFK 2007-2013 en de financiering van het nieuwe beleid voortvloeiend uit het Verdrag van Lissabon; roept de nieuwe Commissie op zich er duidelijk toe te verbinden aan dit verzoek te voldoen;

16.   stelt vast dat overeenstemming is bereikt over de financiering van de Europese Raad voor het begrotingsjaar 2010; herinnert eraan dat een nieuwe afdeling voor de financiering ervan moet worden opgenomen, zoals bepaald in artikel 316 van het Verdrag betreffende de werking van de EU;

17.   herinnert aan zijn resolutie over de overgangsmaatregelen voor de begrotingsprocedure na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon; benadrukt dat deze maatregelen overeen moeten stemmen met de begrotingsbeginselen die zijn vastgelegd voor de jaarlijkse begrotingsprocedure; stelt voor alle wijzigingen van het Financieel Reglement op hetzelfde moment te behandelen tijdens de driejaarlijkse herziening ervan in 2010;

Subrubriek 1a

18.   verwelkomt de financiering van de ontmanteling van de kerncentrale van Kozloduy in 2010 door middel van het flexibiliteitsinstrument; herinnert eraan dat deze kwestie oorspronkelijk niet was opgenomen in het huidige MFK; is evenwel van mening dat voor deze kwestie, aangezien het een nieuwe begrotingspost betreft, een passende meerjarige financiering gevonden moet worden, vast te stellen in het kader van de komende begrotingsvoorstellen;

19.   betreurt de extra bezuinigingen van de Raad op lijnen ter ondersteuning van de Lissabonstrategie, die op een besluit van de Europese Raad gebaseerd is; wijst erop dat dit haaks staat op wat gedaan had moeten worden om de huidige economische crisis aan te pakken; is juist voornemens om deze lijnen te verhogen, al is het met kleine bedragen;

20.   roept op tot het volledig benutten van de kredieten voor alle activiteiten en beleidsmaatregelen in het kader van subrubriek 1a die duurzame groei en werkgelegenheid, met inbegrip van nieuwe "groene banen", stimuleren en de Europese burgers oplossingen bieden, namelijk door het vergroten van de energiezekerheid, meer steun voor onderzoek en innovatie en met name schone en hernieuwbare energietechnologie, de bevordering van het midden- en kleinbedrijf en het ondersteunen van levenslang leren; herinnert eraan dat het belangrijk is de uitvoering van kaderprogramma's te optimaliseren en verzoekt de Commissie zich met betrekking tot deze uitvoeringsproblemen te laten leiden door de opmerkingen van het Parlement, neergelegd in de paragrafen 113 tot en met 123 van zijn resolutie over de kwijting 2007 aan de Commissie(7), met name door de terugvorderingsprocedures te vereenvoudigen door gebruik te maken van gepaste procedures voor forfaitaire betaling en door rekening te houden met de goede trouw en de gewettigde verwachtingen van de begunstigden;

Subrubriek 1b

21.   betreurt en is verrast door het feit dat de Raad op de begroting bezuinigt net nu de structuurfondsen en het Cohesiefonds zouden moeten worden gebruikt om duurzame economische groei en herstel te bevorderen; herhaalt dat het Parlement de betalingen voor de voornaamste lijnen heeft verhoogd teneinde de tenuitvoerlegging van het structuurbeleid in de lidstaten te bevorderen, om op die manier het economisch herstel te verbeteren, wat alle Europese burgers ten goede komt;

22.   is bezorgd over het lage niveau van uitgevoerde betalingen voor de kaderprogramma's voor onderzoek in 2009 en is voornemens de tenuitvoerlegging daarvan in 2010 met een constructief oogmerk in het oog te houden; verzoekt de Commissie in dit verband om te blijven streven naar goede samenwerking bij de follow-up van deze programma's;

23.   wijst erop dat de huidige gebrekkige tenuitvoerlegging van het structuurbeleid en het cohesiebeleid voornamelijk te wijten is aan de geringe flexibiliteit in het stelsel van ingewikkelde regels en vereisten die door de Commissie en de lidstaten worden opgelegd;

24.   verwelkomt de gemeenschappelijke verklaring waarin wordt opgeroepen tot een vereenvoudiging en een meer gericht gebruik van de structuurfondsen en het Cohesiefonds om de gevolgen van de economische crisis op te vangen; herinnert aan de mogelijkheid om de operationele programma's met het oog hierop aan te passen en te herzien, en tegelijkertijd grotere nadruk te leggen op een verstandiger gebruik van deze middelen bij de ondersteuning van Europees en nationaal beleid ter bestrijding van klimaatverandering;

Rubriek 2

25.   verwelkomt de met de Raad bereikte overeenstemming over aanvullende steun voor melkproducenten, die momenteel een crisis doormaken, ter hoogte van 300 miljoen EUR, zoals gevraagd door het Parlement; beschouwt deze ondersteuning door de Raad als een uiting van de "geest van het Verdrag van Lissabon", aangezien het Parlement hiermee een gelijkwaardige positie inneemt op het vlak van de landbouwuitgaven; betreurt dat het voorstel van het Parlement voor de oprichting van een permanent zuivelfonds van de EU ter ondersteuning van de aanpassing van de sector niet is overgenomen; verzoekt de Commissie evenwel om nogmaals te bekijken of alternatieve of verdere maatregelen getroffen moeten worden met het oog op de ontwikkeling van de markt en het rapport van de groep deskundigen op hoog niveau inzake melk, teneinde het proces van herstructurering voor melkproducenten te ondersteunen; herhaalt zijn verzoek om een begrotingslijn te creëren waarmee permanent een zuivelfonds wordt opgericht;

26.   herinnert eraan dat de bestrijding van klimaatverandering een van de hoogste prioriteiten blijft voor de Europese Unie, zoals is gebleken op de conferentie van Kopenhagen in december 2009; is echter van oordeel dat deze prioriteit onvoldoende aan bod komt in de EU-begroting en wil daarom meer nadruk te leggen op dit belangrijke beleidsgebied; roept de nieuwe Commissie op om na de klimaatconferentie een financieringsvoorstel in te dienen;

Subrubriek 3a

27.   onderkent dat de Europese burgers een veilig Europa willen en juicht de verhogingen in deze subrubriek ten opzichte van de begroting 2009 toe; onderkent dat alle landen van de Unie met betrekking tot de beleidsmaatregelen in deze rubriek met tal van uitdagingen worden geconfronteerd;

28.   benadrukt hoe belangrijk het is om via de EU-begroting voldoende middelen beschikbaar te stellen om legale immigratie in goede banen te leiden, ingezetenen van derde landen te integreren en tegelijk illegale immigratie tegen te gaan, met volledige inachtneming van de fundamentele mensenrechten en internationale overeenkomsten, en de grenzen beter te beschermen, met inbegrip van het Europees Terugkeerfonds en het Europees Vluchtelingenfonds om solidariteit tussen de lidstaten te bevorderen;

Subrubriek 3b

29.   wijst erop dat subrubriek 3b belangrijke beleidslijnen omvat die een rechtstreeks effect hebben op het dagelijks leven van de Europese burgers; is het oneens met de bezuinigingen van de Raad in deze subrubriek en onderschrijft de benadering van de gespecialiseerde commissies, die garandeert dat de verhoging van de kredieten gerechtvaardigd is;

Rubriek 4

30.   herhaalt zeer bezorgd te zijn over de kleine speelruimte die resulteert uit de chronische onderfinanciering van een rubriek die voortdurend onder druk staat ten gevolge van crises in derde landen;

31.   roept de Europese Raad op geen verregaande politieke toezeggingen inzake grotere financiële steun van de EU te doen zonder tegelijkertijd de nodige begrotingskredieten uit te trekken wanneer er een duidelijke tegenspraak is met de middelen die beschikbaar zijn in het kader van de jaarlijkse maxima van het huidige MFK;

32.   benadrukt het belang van steun van de EU voor de ontwikkelingslanden bij hun inspanningen ter bestrijding van klimaatverandering; neemt er nota van dat blijkens de conclusies van de Europese Raad van 10 en 11 december 2009 de EU en de lidstaten bereid zijn om een bijdrage te leveren via een snelstartfinanciering van 2,4 miljard EUR per jaar voor de periode 2010 tot en met 2012; benadrukt evenwel dat er nood is aan informatie over de deelname en bijdrage van de EU-begroting in 2011 en 2012; benadrukt dat financiering op klimaatgebied afkomstig moet zijn van aanvullende middelen en niet verkregen moet worden via bezuinigingen op bestaande ontwikkelingshulp, zodat de EU haar toezeggingen inzake het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling kan nakomen;

33.   verwelkomt de oprichting van een Europese dienst voor extern optreden, die zo snel mogelijk onderworpen moet zijn aan parlementaire controle en aan controle op het gebied van begroting, alsmede aan begrotingscontrole achteraf; benadrukt in dit verband zijn verzoek om een uitvoerige presentatie op korte termijn van een algemene strategie voor de opzet van de dienst voor extern optreden, met inbegrip van plannen voor toekomstige samenwerking met het Parlement en het voorzitterschap van de Raad, ramingen van personeels- en administratieve kosten en andere vereisten, alsmede mogelijke besparingen door synergieën dankzij een gezamenlijk gebruik van faciliteiten en personeel;

34.   verzoekt de nieuwe Commissie om in haar voorstel voor een herziening van het MFK 2007-2013, dat zij zo snel mogelijk moet presenteren, rekening te houden met bovengenoemde punten bij de aanpak van problemen in rubriek 4;

35.   blijft rekenen op steun voor het vredesproces in Palestina en de wederopbouw in de Gazastrook; verzoekt de Commissie mee te delen welke maatregelen zij heeft getroffen om het risico dat uit deze begrotingslijn gefinancierde projecten en programma's worden misbruikt om terroristische organisaties, terroristische aanslagen of een inefficiënte bureaucratie te financieren, tot een minimum te beperken, en aan te geven of een deel van de steun bestemd is voor de wederopbouw van gebouwen of infrastructuur die eerder door de Unie of de lidstaten zijn gefinancierd en door militaire acties zijn vernield;

36.   beschouwt het garanderen van de energievoorziening als een kwestie van cruciaal belang voor de Unie; is daarom verheugd over de ondertekening van het Nabucco-project door alle deelnemende landen, en verwacht dat zij allen een consequente houding aannemen wanneer zij andere projecten behandelen die Nabucco zouden kunnen ondermijnen;

37.   benadrukt dat er voldoende middelen voor de EU-strategie voor het Oostzeegebied moeten worden uitgetrokken om acties te financieren die niet uit andere begrotingslijnen kunnen worden gefinancierd (coördinatie, voorlichting en proefprojecten in een van de vier onderdelen van het actieplan);

Rubriek 5 en andere afdelingen

38.   is ingenomen met de overeenstemming die is bereikt over rubriek 5, waarmee de administratieve werking van de EU-instellingen gewaarborgd wordt en tegelijkertijd, door middel van de overschrijving van 126,5 miljoen EUR, wordt bijgedragen aan de voltooiing van de financiering van het Europees economisch herstelplan;

39.   onderstreept tegelijkertijd dat de kleine marge in rubriek 5 voor 2010, deels voortkomend uit deze verschuiving van de middelen, een streng begrotingsbeheer door de instellingen in 2010 nodig zal maken, teneinde de beschikbare middelen op verstandige en kosteneffectieve wijze te benutten;

40.   is het ermee eens dat prioriteit voor het gebruik van de beschikbare marge moet worden gegeven aan de financiering van aanvullende uitgaven die rechtstreeks voortvloeien uit de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de werking van de EU, maar pas na een grondige bestudering van de beschikbare middelen en behoeften en de mogelijkheden voor verdere besparingen door alle instellingen;

41.   wijst op het feit dat de goedgekeurde Nota van wijzigingen nr. 3/2010 betreffende Afdeling II (Raad) een bedrag behelsde van 23,5 miljoen EUR, waarmee in rubriek 5 voor 2010 een marge overbleef van 72 miljoen EUR; betreurt dat de Raad dit voorstel presenteerde zonder rekening te houden met de administratieve vereisten van alle instellingen en nog vóór te beschikken over een omvattende analyse van die vereisten;

42.   vestigt in dit verband de aandacht op de gemeenschappelijke verklaring inzake rubriek 5, waarin bovengenoemde punten aan bod komen en die als basis zal dienen om eventuele aanvullende behoeften van het Parlement en de andere instellingen te financieren; benadrukt dat een dergelijk besluit alleen gebaseerd mag zijn op de nieuwe functies die voortvloeien uit het Verdrag en slechts genomen mag worden na een grondige beoordeling van het gebruik en de eventuele reorganisatie van bestaande structuren en posten; benadrukt tevens, voor zijn eigen afdeling van de begroting en met het oog op dergelijke eventuele aanvullende behoeften, dat gestreefd dient te worden naar een eerlijke verdeling tussen het algemeen secretariaat, de fracties en de leden;

43.   dringt er bij alle instellingen op aan om alle administratieve behoeften die voortvloeien uit de aanpassingen van de bezoldigingen en de pensioenen zoveel mogelijk te dekken binnen de kredieten die nu voor elke afdeling zijn begroot;

44.   verwelkomt de gemeenschappelijke verklaring over het gebouwenbeleid en herhaalt dat dit terrein, dat een aanzienlijk deel van de administratieve uitgaven van de EU behelst, van groot belang is in verband met het waarborgen van een doeltreffend en transparant gebruik van beschikbare middelen; verzoekt de uitvoerende organen van alle instellingen om de overeengekomen beginselen onverwijld te implementeren;

45.   is voornemens om binnen zijn eigen afdeling van de begroting nauw toezicht te houden op onder meer de kwesties in verband met de overeengekomen hoorzitting over interne communicatie (gebruik en besteding van middelen), met onder meer aandacht voor "kennisbeheer", alsmede alle onderwerpen die te maken hebben met het Huis van de Europese Geschiedenis, waaronder de kwesties van eventuele cofinanciering en samenwerking bij dit project; herinnert aan de overeenkomst die in dit verband is bereikt op het interne begrotingsoverleg;

46.   besluit om zijn standpunt in eerste lezing met betrekking tot de "overige instellingen" volledig te handhaven, met de redenen die reeds zijn uiteengezet in zijn resolutie over de eerste lezing;

Proefprojecten en voorbereidende acties

47.   beschouwt proefprojecten en voorbereidende acties als een onontbeerlijk instrument waarmee het Parlement de aanzet kan geven tot nieuwe beleidsmaatregelen voor de Europese burgers; heeft besloten om gebruik te maken van de volledige bedragen waar het IIA in voorziet voor proefprojecten (maximaal 40 miljoen EUR per begrotingsjaar), maar om voor voorbereidende acties (maximaal 100 miljoen EUR in het IIA, waarvan maximaal 50 miljoen EUR voor nieuwe voorbereidende acties) een marge over te laten;

48.   heeft prioriteit gegeven aan de uitvoering van proefprojecten en voorbereidende acties die zich in hun tweede of derde jaar bevinden; is van plan gedurende het begrotingsjaar 2010 nauwlettend toe te zien op de uitvoering van de lopende alsook de nieuw opgezette projecten en acties;

o
o   o

49.   verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de begroting definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

50.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de overige betrokken organen.

(1) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(2) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0051.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0052.
(6) Aangenomen teksten van die datum, bijlage.
(7) Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling III − Commissie en uitvoerende agentschappen (PB L 255 van 26.9.2009, blz. 36).


BIJLAGE 1

VERKLARINGEN OVEREENGEKOMEN TIJDENS DE OVERLEGVERGADERING VAN 18 NOVEMBER 2009

Gezamenlijke verklaring over de continuering van de begrotingsprocedure 2010

"Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wijzen erop dat, tot en met 30 november 2009, de begrotingsprocedure voor de begroting 2010 op grond van het Verdrag van Nice is verlopen.

Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 zal de procedure worden afgesloten op grond van het nieuwe artikel 314, punt 9, van dat Verdrag, dit wil zeggen met de constatering door de voorzitter van het Europees Parlement dat de begroting definitief is vastgesteld.

De drie instellingen beschouwen de begrotingsprocedure als een geheel dat doorloopt onder de twee genoemde verdragen; zij zijn het derhalve erover eens dat de fasen van de procedure die zijn afgesloten op grond van het Verdrag van Nice, te beschouwen zijn als afgesloten fasen in de zin van het nieuwe artikel 314 van het Verdrag van Lissabon.

In diezelfde geest staan de drie instellingen op het standpunt dat het akkoord dat het Europees Parlement en de Raad in de overlegvergadering van 18 november 2009 hebben bereikt, en de daarop volgende tweede lezing door de Raad over de begrotingen voor 2009 en 2010 alsook het resultaat van de tweede lezing door het Europees Parlement inhoudelijk kunnen worden beschouwd als de goedkeuring van een gemeenschappelijke ontwerp-begroting in de zin van artikel 314 VWEU, in volledige overeenstemming met het meerjarig financieel kader."


BIJLAGE 2

Gezamenlijke verklaring over het vastgoedbeleid van de EU-instellingen en -organen

"Het Europees Parlement en de Raad wijzen nogmaals op hun respectieve conclusies betreffende speciaal verslag nr. 2/2007 van de Rekenkamer over de uitgaven van de instellingen voor gebouwen en verklaren dat een gezond financieel beheer van de uitgaven voor gebouwen van cruciaal belang is, aangezien uitgaven voor gebouwen een belangrijk aandeel van de totale administratieve uitgaven van de EU-instellingen vertegenwoordigen.

Zij herhalen dat een doeltreffende interinstitutionele samenwerking op dit gebied belangrijk is, en verzoeken de instellingen deze samenwerking verder te intensiveren, en waar mogelijk faciliteiten te delen zonder dat het functioneren van de verschillende instellingen hierdoor wordt gehinderd. Zij zijn ingenomen met de door de instellingen reeds geleverde inspanningen ter zake.

Zij wijzen erop dat de vaststelling van bouwstrategieën voor de middellange termijn tot de lange termijn essentieel is voor een gezonde planning en een gezond financieel beheer.

Zij onderstrepen dat transparante en controleerbare procedures essentieel zijn voor het bereiken van doeltreffende en efficiënte oplossingen en een gezond financieel beheer.

Zij moedigen de instellingen aan voort te gaan met het nemen van energie-efficiëntiemaatregelen en milieumaatregelen in hun gebouwen en deze aanpak te intensiveren, onder meer door middel van certificering overeenkomstig milieunormen waar dit gezien de beschikbare middelen passend en haalbaar is en zijn ten zeerste ingenomen met de op dit gebied reeds geboekte vorderingen.

Wat de bepalingen van het Financieel Reglement betreft, met name het overleg op grond van artikel 179, hechten zij er veel belang aan dat zij tijdig alle informatie betreffende het project ontvangen die voor hun besluitvorming nodig is. Deze informatie dient, ongeacht de officiële termijnen, beschikbaar te worden gesteld zodat de beide takken van de begrotingsautoriteit zonder tijdsdruk hun standpunt kunnen bepalen. De informatie dient behoeftenanalyses en kosten-batenanalyses te bevatten voor de verschillende alternatieven, waarbij de mogelijkheden voor huur en koop zijn aangegeven, alsmede transparante informatie over de alternatieve financieringsmogelijkheden, de financiële gevolgen op de lange termijn en de verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader.

Zij zijn ingenomen met de door de Commissie aangevatte werkzaamheden betreffende alternatieve financieringsmethodes en wachten het komende verslag af.

Zij roepen de secretarissen-generaal van de instellingen op uitvoerige informatie te verstrekken over bouwaangelegenheden, met het voorontwerp van begroting en de bijbehorende ramingen.

Zij zijn zich weliswaar bewust van de specifieke behoeften van elke instelling en het bijzondere karakter van elk project, maar vragen de instellingen door te gaan met het harmoniseren van deze informatie aan de hand van gemeenschappelijke definities en indicatoren, die vergelijkingen van de beschikbare kantoorruimte en de kosten voor gebouwen mogelijk moeten maken, waaronder ook een consensus over de berekeningsmethode voor de jaarlijkse kosten van de gebouwen, over de volledige gebruiksperiode beschouwd. In dit verband nemen zij er met voldoening nota van dat interinstitutionele werkgroepen recentelijk overeenstemming hebben bereikt over gemeenschappelijke richtsnoeren voor het definiëren en opmeten van kantoorruimte.

Zij herinneren eraan dat deze opmerkingen in voorkomend geval eveneens van toepassing zijn op de specifieke situaties van uitvoerende en gedecentraliseerde agentschappen.

Zij nemen nota van de voortreffelijke samenwerking tussen de instellingen en de overheden van de ontvangende lidstaten."


BIJLAGE 3

Gezamenlijke verklaring betreffende de vereenvoudiging en een gerichter gebruik der structuur- en cohesiefondsen inde context van de economische crisis

"Het Europees Parlement en de Raad herinneren aan de gezamenlijke verklaringen van de drie instellingen over de uitvoering van het Cohesiebeleid van november 2008 en april 2009 en onderstrepen dat de uitvoering van de structuur- en cohesiefondsen verder moet worden versneld. Zij merken op dat het percentage goedkeuringen in het kader van de beheers- en controlesystemen en grote projecten geleidelijk is verbeterd, maar achten het tempo van de goedkeuringen te traag. Zij verzoeken de Commissie zich te blijven inzetten voor een vereenvoudiging van de uitvoeringsprocedures, in nauwe samenwerking met de lidstaten, en met name de goedkeuring van grote projecten te bespoedigen, zodat sneller tot betaling kan worden overgegaan.

Het Europees Parlement en de Raad zijn van mening dat alle mogelijkheden die de structuurfondsen bieden, benut kunnen worden voor meer gerichte maatregelen die helpen de gevolgen van de economische crisis te boven te komen, vooral de maatregelen ter ondersteuning van groei en concurrentievermogen en ter beperking van verlies van banen. Het Europees Parlement en de Raad wijzen erop dat binnen de huidige regelgeving reeds de mogelijkheid bestaat om de operationele programma's aan te passen en te herzien. Het Europees Parlement en de Raad roepen de Commissie op het mogelijk te maken dat lidstaten daartoe verzoeken indienen via snelle, efficiënte procedures. Bovendien wijzen het Europees Parlement en de Raad op het belang van een volledige, efficiënte benutting van de beschikbare middelen."


BIJLAGE 4

Gezamenlijke verklaring over Rubriek 5

"Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie nemen er nota van dat de aanneming van nota van wijzigingen nr. 3/2010 betreffende Afdeling II − Raad − voor de financiering van de Europese Raad in 2010 ten belope van een bedrag van 23,5 miljoen EUR geen gevolgen heeft voor de benutting van de marge onder rubriek 5, die 72 miljoen EUR blijft bedragen, en zijn het erover eens dat, gezien de krappe marge van rubriek 5 in 2010 en de noodzaak de volledig financiering van het Europees economisch herstelplan (EERP) te waarborgen, in het kader van de benutting van de beschikbare marge van rubriek 5 voorrang moet worden gegeven aan de financiering van aanvullende uitgaven die rechtstreeks het gevolg zijn van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. Daarbij zullen de drie instellingen ernaar streven alle administratieve behoeften in verband met de bezoldiging van het personeel te dekken met de kredieten die in hun respectieve afdelingen in de begroting voor 2010 zijn opgenomen.

Het Europees Parlement en de Raad dringen er bij de andere instellingen op aan al het mogelijke te doen om de administratieve behoeften in verband met de bezoldiging van hun personeel te financieren binnen de kredieten die zijn opgenomen in hun respectieve afdelingen van de begroting 2010. Verzoeken om aanvullende kredieten zullen enkel in overweging worden genomen nadat zij hebben aangetoond dat alle mogelijkheden voor een interne herschikking zijn uitgeput."


BIJLAGE 5

Unilaterale verklaring van de Commissie over de buitengebruikstelling van de kerncentrale van Kolodzuy

De Commissie heeft er kennis van genomen dat het Europees Parlement de kwestie van de meerjarige gevolgen voor de begroting van de voorgestelde nieuwe rechtshandeling ter voortzetting van de financiering voor de buitengebruikstelling van de kerncentrale van Kolodzuy tot 2013 aan de orde heeft gesteld.

De Commissie zal bij haar beoordeling van de werking van het Interinstitutioneel Akkoord eveneens rekening houden met deze gevolgen.

GEZAMENLIJKE VERKLARING

Overgangsmaatregelen die van toepassing zijn op de begrotingsprocedure na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon

"Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, hierna gezamenlijk "de instellingen" genoemd, zijn het volgende overeengekomen:

1.  Met deze verklaring wordt beoogd de overgangsmaatregelen overeen te komen die nodig zijn voor de continuïteit van het EU-optreden en een vlotte overgang naar het nieuwe juridische kader voor de begrotingsprocedure als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon.

2.  Deze overgangsmaatregelen zijn van toepassing totdat in het passende wetgevingskader overeenkomstige voorschriften zijn vastgesteld.

3.  Deze verklaring laat de respectieve begrotingsbevoegdheden van de instellingen als vastgesteld in het Verdrag, alsook in afgeleid recht, onverlet.

I.TIJDSCHEMA VAN DE BEGROTINGSPROCEDURE

4.  De instellingen bevestigen hun voornemen om de trialoog over de begrotingsprioriteiten van het betrokken jaar tijdig vóór de aanneming van de ontwerpbegroting door de Commissie, en uiterlijk in april, te beleggen.

5.  De instellingen komen overeen dat het onderstaande tijdschema, dat is gebaseerd op het huidige pragmatische tijdschema en de vereisten op grond van de nieuwe procedure, op de begrotingsprocedure voor 2011 van toepassing zal zijn:

-  De Commissie neemt de ontwerp-begroting aan in week 17 (eind april) of uiterlijk in week 18 (begin mei).

-  De Raad rondt zijn lezing uiterlijk aan het eind van week 30 (eind juli) af.

De instellingen komen tijdig vóór de lezing door de Raad bijeen voor een gedachtewisseling.

-  De Begrotingscommissie (COBU) van het Europees Parlement stemt uiterlijk eind week 39 (eind september/begin oktober) over haar lezing.

-  Het Europees Parlement stemt uiterlijk in week 42 (medio oktober) in plenaire vergadering over zijn lezing.

Totdat het bemiddelingscomité bijeen wordt geroepen, kan de Commissie zo nodig overeenkomstig artikel 314, lid 2, van het VWEU wijzigingen, met inbegrip van geactualiseerde uitgavenramingen voor landbouw, in de ontwerp-begroting aanbrengen. Zodra informatie over de actualiseringen beschikbaar is, legt de Commissie die informatie ter bespreking voor aan de twee takken van de begrotingsautoriteit.

Zodra het Europees Parlement over zijn lezing heeft gestemd door amendementen aan te nemen, zoals bepaald in artikel 314, lid 4, onder c), van het VWEU, belegt de voorzitter van het Europees Parlement, in overleg met de voorzitter van de Raad, onverwijld een vergadering van het bemiddelingscomité. Daartoe:

   werken de instellingen nauw samen teneinde de werkzaamheden van het bemiddelingscomité binnen 21 dagen en uiterlijk aan het eind van week 45 (medio november) te voltooien;
   worden ter voorbereiding van een akkoord over een gezamenlijke tekst van het bemiddelingscomité de noodzakelijke documenten zo spoedig mogelijk tussen de instellingen uitgewisseld.

Zodra het bemiddelingscomité een gezamenlijke tekst is overeengekomen, streven het Europees Parlement en de Raad ernaar zo spoedig mogelijk het resultaat van het bemiddelingscomité, overeenkomstig hun respectieve reglement van orde, in het kader van artikel 314, lid 6, van het VWEU goed te keuren.

6.  Tenzij de instellingen een ander tijdschema overeenkomen, wordt voor de toekomstige begrotingsprocedures een soortgelijk tijdschema gevolgd.

7.  De instellingen bevestigen hun voornemen om, vóór de aanneming van de ontwerp-begroting voor 2011 door de Commissie, beginselen en regels voor samenwerking in de begrotingsprocedure overeen te komen, ook met betrekking tot de organisatie van het bemiddelingscomité.

II.INTERINSTITUTIONELE SAMENWERKING INZAKE GEWIJZIGDE BEGROTINGEN

Algemene beginselen

8.  Gelet op het feit dat gewijzigde begrotingen vaak betrekking hebben op specifieke en soms dringende aangelegenheden, komen de instellingen de onderstaande beginselen overeen opdat op passende wijze tussen de instellingen wordt samengewerkt met het oog op een vlotte en spoedige aanneming van de gewijzigde begrotingen en zoveel mogelijk wordt voorkomen dat voor gewijzigde begrotingen een bemiddelingsvergadering moet worden belegd.

9.  De instellingen zullen proberen het aantal gewijzigde begrotingen zoveel mogelijk te beperken.

Tijdschema

10.  De Commissie stelt de twee takken van de begrotingsautoriteit vooraf in kennis van de mogelijke data waarop zij ontwerpen van gewijzigde begroting aanneemt, zonder vooruit te lopen op de definitieve datum van aanneming.

11.  Overeenkomstig zijn respectieve reglement van orde streeft elke tak van de begrotingsautoriteit ernaar het door de Commissie voorgestelde ontwerp van gewijzigde begroting zo spoedig mogelijk na de aanneming ervan te bespreken.

12.  Om de procedure sneller te doen verlopen, zorgen de twee takken van de begrotingsautoriteit ervoor dat hun respectieve tijdschema's zoveel mogelijk op elkaar worden afgestemd zodat de besprekingen op samenhangende en convergente wijze kunnen worden gevoerd. Zij streven er derhalve naar zo spoedig mogelijk een indicatief tijdschema op te stellen voor de diverse fasen die leiden tot de definitieve vaststelling van de gewijzigde begroting.

De twee takken van de begrotingsautoriteit houden rekening met de relatieve urgentie van de gewijzigde begroting en met de noodzaak die tijdig goed te keuren, zodat zij in het betrokken jaar effect kan sorteren.

Samenwerking tijdens de lezingen van elke tak van de begrotingsautoriteit

13.  De instellingen werken tijdens de gehele procedure te goeder trouw samen om het pad te effenen voor de vaststelling van gewijzigde begrotingen in een vroeg stadium van de procedure.

Voor zover nodig en indien er kans is op uiteenlopende standpunten, kan elke tak van de begrotingsautoriteit, alvorens zijn definitief standpunt over de gewijzigde begroting in te nemen, alsook de Commissie, voorstellen een specifieke trialoog te beleggen om de uiteenlopende standpunten te bespreken en te trachten tot een compromis te komen.

14.  Alle door de Commissie voorgestelde ontwerpen van gewijzigde begroting die nog niet definitief zijn goedgekeurd, worden stelselmatig op de agenda van de voor de jaarlijkse begrotingsprocedure geplande trialogen geplaatst. De Commissie dient de ontwerpen van gewijzigde begroting in en de twee takken van de begrotingsautoriteit maken voor zover mogelijk hun respectieve standpunt bekend vóór de aanvang van de trialoog.

15.  Indien er tijdens de trialoog een compromis wordt bereikt, zegt elke tak van de begrotingsautoriteit toe de resultaten van de trialoog in overweging te nemen bij de bespreking van de gewijzigde begroting overeenkomstig het Verdrag en zijn respectieve reglement van orde.

Samenwerking na de lezingen van elke tak van de begrotingsautoriteit

16.  Indien het Europees Parlement het standpunt van de Raad zonder amendementen goedkeurt, is de gewijzigde begroting vastgesteld.

17.  Indien het Europees Parlement bij meerderheid van zijn leden amendementen aanneemt, is artikel 314, lid 4, punt c), van toepassing. Voordat het bemiddelingscomité bijeenkomt, wordt echter een trialoog belegd.

   Indien er tijdens de trialoog een akkoord wordt bereikt, en onder voorbehoud van instemming door elke tak van de begrotingsautoriteit, wordt de bemiddeling per briefwisseling afgesloten zonder dat het bemiddelingscomité bijeenkomt.
   Indien er tijdens de trialoog geen akkoord wordt bereikt, komt het bemiddelingscomité bijeen en organiseert het zijn werkzaamheden naar gelang van de omstandigheden, teneinde het besluitvormingsproces in de mate van het mogelijke af te ronden vóór de termijn van eenentwintig dagen als bedoeld in artikel 314, lid 6, van het VWEU. Het bemiddelingscomité kan per briefwisseling tot besluiten komen.

III.OVERSCHRIJVINGEN

18.  De bepalingen inzake overschrijvingen waartoe de Commissie en de andere instellingen besluiten (met name de artikelen 22 en 23 van het Financieel Reglement), worden door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon onverlet gelaten, maar de instellingen onderkennen dat de bepalingen van artikel 24 van het Financieel Reglement, die op het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven gebaseerd zijn, door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon worden achterhaald, aangezien dit onderscheid in het VWEU achterwege is gelaten.

19.  De instellingen zijn het erover eens dat, zolang de bepalingen van artikel 24 van het Financieel Reglement niet zijn aangepast, operationele procedures moeten worden vastgesteld voor een vlotte behandeling van overschrijvingen. Daartoe komen zij overeen dat het huidige artikel 24, lid 4, van het Financieel Reglement, dat zij verenigbaar achten met de bevoegdheden van de twee takken van de begrotingsautoriteit uit hoofde van het VWEU, voorlopig wordt toegepast.

20.  De procedure voor overschrijvingen is in de praktijk als volgt:

   a) De Commissie dient haar voorstel gelijktijdig bij de twee takken van de begrotingsautoriteit in.
   b) De begrotingsautoriteit besluit op de in punt c) beschreven wijze over de kredietoverschrijvingen, tenzij in deel II, titel I, van het Financieel Reglement anders is bepaald.
   c) Behoudens in dringende omstandigheden wordt door de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, en door het Europees Parlement een besluit over het Commissievoorstel genomen binnen zes weken vanaf de datum waarop beide instellingen het voorstel voor elke aan hen voorgelegde overschrijving hebben ontvangen.
  d) Het voorstel voor een overschrijving is goedgekeurd indien binnen de periode van zes weken:
   beide takken ermee instemmen;
   een van beide takken ermee instemt en de andere tak zich van een besluit onthoudt;
   beide takken zich van een besluit onthouden dan wel geen besluit hebben genomen dat ingaat tegen het Commissievoorstel.
  e) De periode van zes weken als bedoeld in punt d) wordt teruggebracht tot drie weken, tenzij een tak van de begrotingsautoriteit anders verzoekt, indien:

of
   i) de overschrijving minder dan 10% vertegenwoordigt van de kredieten van het begrotingsonderdeel van waaruit de overschrijving plaatsvindt, en niet meer dan 5 miljoen EUR bedraagt;
   ii) de overschrijving enkel betrekking heeft op betalingskredieten en het totaalbedrag van de overschrijving niet meer dan 100 miljoen EUR bedraagt.
   f) Indien een van de twee takken van de begrotingsautoriteit de overschrijving heeft gewijzigd terwijl de andere tak ermee heeft ingestemd of zich van een besluit onthoudt, of indien beide takken de overschrijving hebben gewijzigd, wordt het laagste bedrag waaraan hetzij het Europees Parlement, hetzij de Raad zijn goedkeuring heeft gehecht, geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de Commissie haar voorstel intrekt."

Juridische mededeling - Privacybeleid