Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 22 oktober 2009 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Ontwerp van algemene begroting 2010 (afdeling III)
 Ontwerp van algemene begroting 2010 (afdelingen I, II, IV, V, VI, VII, VIII, IX)
 Aanpassing van de salarissen en vergoedingen van personeelsleden van Europol *
 Gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten ("Integrale-GMO-verordening") *
 Stand van zaken van SIS II en VIS
 Democratieopbouw in de externe betrekkingen van de EU
 Europese Dienst voor extern optreden
 Voorbereiding van de Bijeenkomst van de TEC en de Top EU/USA
 Guinee
 Iran
 Sri Lanka

Ontwerp van algemene begroting 2010 (afdeling III)
PDF 252kWORD 73k
Resolutie
Bijlage
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, Afdeling III – Commissie (C7-0127/2009 – 2009/2002(BUD)) en over de nota van wijzingen nr. 1/2010 (SEC(2009)1133) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010
P7_TA(2009)0051A7-0038/2009

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,

–   gezien Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (Financieel Reglement)(2),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 2009 over de jaarlijkse beleidsstrategie van de Commissie voor de begrotingsprocedure 2010(4),

–   gezien het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, ingediend door de Commissie op 29 april 2009 (COM(2009)0300),

–   gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, opgesteld door de Raad op 10 juli 2009 (C7-0127/2009),

–   gezien de nota van wijzigingen nr. 1/2010 (SEC(2009)1133) bij het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010,

–   gelet op artikel 75 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0038/2009),

Belangrijkste punten

1.   herinnert eraan dat het zijn politieke prioriteiten en zijn evaluatie van het begrotingskader voor 2010 heeft uiteengezet in zijn resolutie van 10 maart 2009, waarin het Parlement zich zeer kritisch uitliet over de geringe beschikbare marges in de meeste rubrieken van het meerjarig financieel kader (MFK);

2.   betreurt het feit dat de Raad in zijn ontwerpbegroting verder heeft gesnoeid in het voorontwerp van begroting (VOB) van de Commissie: in de ontwerpbegroting is in totaal 137 944 miljoen EUR aan vastleggingskredieten uitgetrokken, 613 miljoen EUR minder dan in het VOB, en 120 521 miljoen EUR aan betalingskredieten, 1 795 miljoen EUR minder dan in het VOB; wijst erop dat het verschil tussen vastleggingen en betalingen hierdoor nog verder toeneemt, hetgeen strijdig is met het beginsel van goed financieel beheer;

3.   herinnert eraan dat de hoofddoelstelling van de begroting 2010 erin moet bestaan bijzondere aandacht te geven aan de recente economische crisis; wijst erop dat het Parlement in deze context de Europese burger voorop wil stellen en wil bewijzen dat de Europese Unie niet de oorzaak van het probleem is, maar wel een oplossing kan helpen vinden; heeft daarom de ontwerpbegroting van de Raad dienovereenkomstig gewijzigd om de EU-begroting te gebruiken als instrument om de huidige crisis te boven te komen door impulsen te geven aan de economische groei, het concurrentievermogen, de cohesie en de bescherming van de werkgelegenheid;

4.   bevestigt, na de ontwerpbegroting te hebben onderzocht, opnieuw dat subrubriek 1a geen adequate financiering van de behoeften van de EU inzake "Concurrentievermogen ter bevordering van groei en werkgelegenheid" mogelijk maakt en een tekort vertoont, met name met het oog op de bestrijding van de huidige economische crisis en het beperken van de mogelijke gevolgen daarvan; is van mening dat deze subrubriek grondig moet worden onderzocht en zo nodig moet worden herzien zodat de doelstellingen ervan de komende jaren kunnen worden verwezenlijkt;

5.   herinnert aan de als bijlage bij deze resolutie gevoegde gezamenlijke verklaring waarover het Parlement en de Raad tijdens het overleg in eerste lezing over de begroting 2010 op 10 juli 2009 overeenstemming hebben bereikt; heeft daarmee rekening gehouden bij de opstelling van zijn amendementen op de ontwerpbegroting;

Europees herstelplan

6.   benadrukt dat de financiering van de tweede fase van het Europees economisch herstelplan een prioriteit is voor het Parlement; is van plan de instrumenten waarin het IIA voorziet, te gebruiken om deze financiering te garanderen; herinnert er in dit verband aan dat de Europese Raad er in zijn ontwerpbegroting niet in geslaagd is zijn plannen te presenteren; herinnert eraan dat de financieringsovereenkomst de financiële toewijzingen voor de volgens de medebeslissingsprocedure vastgestelde programma's en voor de jaarlijkse begrotingsprocedure niet op de helling mag zetten, zoals is vermeld in de door de begrotingsautoriteit overeengekomen verklaring van 2 april 2009 over de financiering van het Europees economisch herstelplan; herinnert ook aan zijn standpunt over de beginselen en de zorgvuldigheid die in acht moeten worden genomen wanneer de beschikbare marges in een bepaalde rubriek worden gebruikt;

Subrubriek 1a

7.   is verbaasd over de extra bezuinigingen van de Raad in lijnen ter ondersteuning van de Lissabon-strategie, die op een besluit van de Europese Raad gebaseerd is; wijst erop dat dit haaks staat op wat er had moeten worden gedaan om de huidige economische crisis te bestrijden;

8.   verbindt zich ertoe alles in het werk te stellen om adequate financiële middelen te garanderen voor alle activiteiten en beleidsmaatregelen in het kader van subrubriek 1a die duurzame groei en werkgelegenheid stimuleren en de Europese burgers oplossingen bieden, namelijk door het vergroten van de energiezekerheid, meer steun voor onderzoek en innovatie en met name schone energietechnologie, de bevordering van het midden- en kleinbedrijf en het ondersteunen van levenslang leren; pleit voor uitbreiding en verdere ontwikkeling van het Erasmus programma, om de schepping van instapbanen voor jongeren te bevorderen; herinnert eraan dat het belangrijk is de uitvoering van kaderprogramma's te optimaliseren en verzoekt de Commissie rekening te houden met het standpunt dat het Parlement heeft vastgesteld in het kader van de kwijtingsprocedure 2007 voor de Commissie(5), met name paragrafen 113 tot en met 123, in verband met deze uitvoeringsproblemen;

9.   herinnert aan de herziene voorschriften in Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(6) ten behoeve van werknemers die te lijden hebben onder de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen, om hen te begeleiden bij hun herintrede op de arbeidsmarkt; herinnert eraan dat de hierboven bedoelde herziening tot doel had de toepassing van het fonds te verruimen om met de effecten van de huidige economische crisis rekening te houden; benadrukt dat dit fonds bij de tussentijdse herziening grondig moet worden doorgelicht;

Subrubriek 1b

10.   betreurt dat de Raad op het VOB besnoeit net nu de structuurfondsen en het Cohesiefonds zouden moeten worden gebruikt om economische groei en herstel te bevorderen; stelt voor om de betalingen voor de voornaamste lijnen (EFRO, ESF en Cohesiefonds) systematisch te verhogen teneinde de tenuitvoerlegging van het structuurbeleid te bevorderen, wat alle Europese burgers ten goede zal komen;

11.   wijst erop dat de huidige gebrekkige tenuitvoerlegging van het structuurbeleid en het cohesiebeleid voornamelijk te wijten is aan de geringe flexibiliteit in het stelsel van ingewikkelde regels en vereisten die door de Commissie en de lidstaten worden opgelegd;

12.   dringt erop aan dat de lidstaten alle bestaande instrumenten gebruiken om hun operationele programma's te versnellen of zelfs te herzien, teneinde op doeltreffender wijze het hoofd te bieden aan de gevolgen van de recente economische en financiële crisis; verzoekt de Commissie deze wijzigingen op zo kort mogelijke termijn goed te keuren om de uitvoering ervan niet te vertragen;

13.   dringt er bij de Raad op aan overeenstemming te bereiken over het voorstel tot wijziging van de algemene bepalingen inzake het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds dat de Commissie in juli 2009 heeft ingediend om de bepalingen betreffende het financieel beheer te vereenvoudigen;

14.   onderstreept dat uit deze subrubriek talloze belangrijke beleidsmaatregelen en activiteiten ter bestrijding van de klimaatverandering en ter ondersteuning van groei en werkgelegenheid worden gefinancierd en dat er meer moet worden gedaan om de inspanningen te concentreren op het effectief aanpakken van die prioriteiten;

15.   wijst nogmaals op het belang dat het hecht aan het solidariteitsbeginsel binnen de Unie; is van plan alles in het werk te stellen om meer toereikende financiële middelen voor het cohesiebeleid te garanderen, zodat de huidige en toekomstige uitdagingen het hoofd kan worden geboden; acht daarom een herziening van de N+2- en N+3-regel des te meer noodzakelijk, ten einde een integrale uitvoering van de structuurfondsen en het Cohesiefonds te kunnen waarborgen;

Rubriek 2

16.   is van oordeel dat de EU-begroting in haar huidige opzet niet doelmatig en realistisch de doelen kan aanpakken die de Unie zich heeft gesteld op het gebied van klimaatverandering; is van mening dat de Europese burger behoefte heeft aan een tastbaar Europees initiatief om de klimaatverandering te bestrijden, de gevolgen ervan het hoofd te bieden en de nodige beleidsmaatregelen te financieren;

17.   herinnert er met het oog op de conferentie van Kopenhagen in december 2009 aan dat de bestrijding van de klimaatverandering een van zijn topprioriteiten voor de begroting 2010 blijft; is echter van oordeel dat deze prioriteit onvoldoende aan bod komt in de ontwerpbegroting en wil daarom meer nadruk leggen op dit belangrijke beleidsgebied; herinnert de Commissie eraan na de klimaatconferentie tijdig een redelijk financieringsvoorstel in te dienen;

18.   benadrukt de prioriteit die zijn bevoegde commissie geeft aan steun voor de melkproducenten; besluit een duidelijke boodschap aan de Commissie en de Raad te richten door een bedrag van 300 miljoen EUR voor te stellen voor de oprichting van een Zuivelfonds; vraagt de Commissie met aandrang om met dit verzoek rekening te houden wanneer zij nota van wijzigingen nr. 2 indient;

19.   beslist de maatregelen voor breedbandinternet in plattelandsgebieden in het kader van het Europees economisch herstelplan te financieren uit de marge van rubriek 2, overeenkomstig de door de begrotingsautoriteit overeengekomen verklaring van 2 april 2009 over de financiering van het herstelplan;

20.   benadrukt dat programma's ter bevordering van de consumptie van landbouwproducten, zoals de schoolmelk- en schoolfruitregeling, meer financiële middelen moeten krijgen;

Subrubriek 3a

21.   onderkent dat de Europese burgers een veilig Europa willen en juicht de verhogingen in deze subrubriek ten opzichte van de begroting 2009 toe; onderkent dat alle landen van de Unie met betrekking tot de beleidsmaatregelen in deze subrubriek met tal van uitdagingen worden geconfronteerd; dringt er bij de lidstaten op aan de verhoging van de kredieten in deze subrubriek ten opzichte van de begroting 2009 te benutten om deze uitdagingen samen aan te pakken;

22.   benadrukt hoe belangrijk het is om via de EU-begroting voldoende middelen beschikbaar te stellen om legale immigratie in goede banen te leiden, ingezetenen van derde landen te integreren en tegelijk illegale immigratie tegen te gaan, met volledige inachtneming van de fundamentele mensenrechten, en de grenzen beter te beschermen, met inbegrip van de versterking van het Europees Terugkeerfonds en het Europees Vluchtelingenfonds om solidariteit tussen de lidstaten te bevorderen;

Subrubriek 3b

23.   wijst erop dat subrubriek 3b belangrijke beleidslijnen omvat die een rechtstreeks effect hebben op het dagelijks leven van de Europese burgers; is het oneens met de bezuinigingen van de Raad in deze subrubriek en onderschrijft de benadering van de gespecialiseerde commissies, die garandeert dat de verhoging van de kredieten gerechtvaardigd is;

24.   herinnert eraan dat uit de lage opkomst bij de Europese verkiezingen nogmaals is gebleken dat het voorlichtings- en communicatiebeleid in de begroting 2010 moet worden verbeterd; erkent dat dit een gemeenschappelijke uitdaging vormt voor de Commissie, de lidstaten en het Parlement, als noodzakelijk onderdeel van het democratische proces; heeft daarom amendementen ingediend om een deel van de kredieten die voor voorlichtings- en communicatiebeleid zijn uitgetrokken, in de reserve op te nemen; verzoekt de Commissie het Parlement haar plannen voor de tenuitvoerlegging van de conclusies van de Interinstitutionele Groep voor voorlichting (IGV) te presenteren;

Rubriek 4

25.   steunt de nota van wijzigingen nr. 1 op het VOB 2010 die de Commissie op 2 september 2009 heeft vastgesteld en die voorziet in een verhoging van twee lijnen: Palestina en de klimaatverandering in ontwikkelingslanden, twee prioriteiten van het Parlement;

26.   heeft besloten de begrotingslijn "klimaatverandering in ontwikkelingslanden" te verhogen in afwachting van de resultaten van de klimaatconferentie van Kopenhagen; benadrukt echter dat er een nieuw financieel instrument nodig is om de ontwikkelingslanden te helpen de gevolgen van de klimaatverandering het hoofd te bieden, zodat het instrument voor ontwikkelingssamenwerking in de toekomst kan worden gebruikt voor de taken waarvoor het oorspronkelijk bedoeld was;

27.   herhaalt dat het zeer bezorgd is over de gevaarlijk kleine speelruimte die resulteert uit de chronische onderfinanciering van een rubriek die voortdurend onder druk staat ten gevolge van crises in derde landen;

28.   verzoekt de Commissie een plan in te dienen om de financiële middelen die van het Stabiliteitsinstrument naar de Voedselfaciliteit zijn overgeheveld, in de loop van de periode 2010-2013 opnieuw op te nemen, zodat de Unie in rubriek 4 van de begroting over alle nodige financiële middelen beschikt om haar rol als mondiale partner te vervullen zoals de burgers van Europa verwachten; verzoekt de Commissie in dit verband een plan in te dienen om financiële middelen uit te trekken voor eventuele faciliteiten of mechanismen voor buitenlandse noodhulp die buiten het Stabiliteitsinstrument worden opgezet, zodat niet hoeft te worden geput uit de middelen die voor het Stabiliteitsinstrument zijn uitgetrokken;

29.   dringt er bij de Europese Raad op aan geen verregaande politieke toezeggingen inzake grotere financiële steun van de EU te doen zonder tegelijkertijd de nodige begrotingskredieten uit te trekken wanneer er een duidelijke tegenspraak is met de middelen die beschikbaar zijn in het kader van de jaarlijkse maxima van het huidige MFK;

30.   beschouwt het garanderen van de energievoorziening als een belangrijke kwestie voor de Unie; is daarom verheugd over de ondertekening van het Nabucco-project door alle deelnemende landen, en verwacht dat zij alle een consequente houding aannemen wanneer zij andere projecten behandelen die Nabucco op de helling zouden kunnen zetten;

31.   blijft rekenen op steun voor het vredesproces in Palestina en de wederopbouw in de Gazastrook; verzoekt de Commissie mee te delen welke maatregelen zij heeft getroffen om het risico dat uit deze begrotingslijn gefinancierde projecten en programma's worden misbruikt om terroristische organisaties, terroristische aanslagen of een inefficiënte bureaucratie te financieren, tot een minimum te beperken, en aan te geven of een deel van de steun bestemd is voor de wederopbouw van gebouwen of infrastructuur die eerder door de Unie of de lidstaten zijn gefinancierd en door militaire acties zijn vernield;

32.   benadrukt dat er voldoende middelen voor de EU-strategie voor het Oostzeegebied moeten worden uitgetrokken om acties te financieren die niet uit andere begrotingslijnen kunnen worden gefinancierd (coördinatie, voorlichting en proefprojecten in een van de vier onderdelen van het actieplan);

Rubriek 5

33.   heeft besloten een aantal van de bezuinigingen van de Raad in de administratieve uitgaven te aanvaarden op basis van een selectieve aanpak waarbij een evenwicht wordt beoogd tussen de algemene begrotingsprioriteiten, met inbegrip van nieuwe prioriteiten, en de noodzaak om de bestaande beleidsmaatregelen uit te voeren;

34.   heeft de kredieten voor personeelsuitgaven evenwel opnieuw opgenomen; wijst erop dat het totale bedrag van alle soorten administratieve uitgaven die buiten rubriek 5 worden gefinancierd, de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen; vraagt dat voorstellen van de Commissie om administratieve uitgaven naar de operationele rubrieken over te schrijven, in de toekomst naar behoren worden gemotiveerd; erkent dat operationele programma's niet kunnen functioneren zonder de nodige administratieve ondersteuning; is echter zeer bezorgd dat in het huidige MFK een deel van het totale bedrag voor meerjarenprogramma's in andere rubrieken dan rubriek 5 wordt gebruikt voor administratieve uitgaven;

35.   is bezorgd over de huidige aanbesteding voor een nieuwe Europese wijk; herhaalt dat het volledig op de hoogte wil worden gehouden over het selectieproces en dat de Commissie nadere informatie moet geven over haar vastgoedbeleid in het algemeen;

36.   verzoekt de Commissie een tijdschema te presenteren voor de voorstellen voor de driejaarlijkse herziening van het Financieel Reglement;

Proefprojecten en voorbereidende acties

37.   herinnert eraan dat het IIA per begrotingsjaar een totaalbedrag van 40 miljoen EUR voor proefprojecten en een totaalbedrag van 100 miljoen EUR voor voorbereidende acties toestaat, waarvan 50 miljoen EUR kan worden toegewezen aan nieuwe voorbereidende acties;

38.   beschouwt deze projecten als een onontbeerlijk instrument waarmee het Parlement de aanzet kan geven tot nieuwe beleidsmaatregelen voor de Europese burgers; stelt vast dat de Commissie voor alle proefprojecten en voorbereidende acties, op vier na, alleen betalingskredieten heeft toegewezen, wat het Parlement in de gelegenheid heeft gesteld nauwkeurig te onderzoeken of er wel of geen follow-up nodig was en of er wel of geen nieuwe vastleggingskredieten moesten worden goedgekeurd; heeft bovendien een aantal interessante nieuwe voorstellen onderzocht, waarvan slechts een aantal in de begroting 2010 kan worden opgenomen vanwege de beperkingen die door het IIA en de maxima van het MFK worden opgelegd;

39.   heeft prioriteit gegeven aan de uitvoering van proefprojecten en voorbereidende acties die zich in hun tweede of derde jaar bevinden; is van plan gedurende het begrotingsjaar 2010 nauwlettend toe te zien op de uitvoering van de lopende alsook de nieuw opgezette projecten en acties;

o
o   o

40.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen en wijzigingsvoorstellen op Afdeling III van het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de overige betrokken instellingen en organen.

BIJLAGE 1

VERKLARINGEN WAAROVER OP HET OVERLEG VAN 10 JULI 2009 OVEREENKOMST IS BEREIKT

GEZAMENLIJKE VERKLARING OP TE NEMEN IN DE RAADSNOTULEN

Personeelswerving in verband met de uitbreidingen van 2004 en 2007

"Het Europees Parlement en de Raad benadrukken nogmaals het belang van een volledige aanwerving voor alle ambten in verband met de uitbreidingen van 2004 en 2007, met name voor het middenkader en het hogere kader, en dringen er bij de instellingen en vooral het EPSO op aan alles in het werk te stellen om het gehele proces voor de bezetting van door de begrotingsautoriteit toegekende ambten te bespoedigen. Daarbij moeten de in artikel 27 van het ambtenarenstatuut vastgestelde criteria worden gehanteerd en moet ernaar worden gestreefd zo spoedig mogelijk tot een zo breed mogelijke geografisch evenredige basis te komen.

Het Europees Parlement en de Raad zijn voornemens het lopende aanwervingsproces op de voet te blijven volgen. Daartoe verzoeken zij elke instelling en het EPSO de begrotingsautoriteit tweemaal per jaar, te weten in maart en oktober, informatie te verstrekken over de stand van de aanwervingen in verband met de uitbreidingen in 2004 en 2007."

UNILATERALE VERKLARINGEN VAN DE RAAD OP TE NEMEN IN DE RAADSNOTULEN

1.  Betalingskredieten

"De Raad verzoekt de Commissie een gewijzigde begroting in te dienen indien zou blijken dat de kredieten in de begroting 2010 niet volstaan om de uitgaven onder de subrubrieken 1a (Concurrentiekracht ter bevordering van groei en werkgelegenheid) en 1b (Cohesie voor groei en werkgelegenheid) en de rubrieken 2 (Instandhouding en beheer van natuurlijke hulpbronnen) en 4 (De EU als mondiale partner) te dekken."

2.  Rubriek 4

"De Raad, akte nemend van het voornemen van de Commissie om een nota van wijzigingen op het VOB 2010 in te dienen waarin de bijkomende behoeften op het gebied van het externe optreden, meer bepaald de in de vorige nota's van wijzigingen behandelde en de in de conclusies van de Europese Raad van juni 2009 genoemde prioriteiten, in een latere fase worden bestreken, heeft zijn ontwerpbegroting voor 2010 opgesteld met een passende marge onder rubriek 4, zodat met deze nota van wijzigingen rekening kan worden gehouden."

3.  Vastgoedbeleid van de instellingen en organen van de EU

"De Raad wijst nogmaals op zijn conclusies betreffende speciaal verslag nr. 2/2007 van de Rekenkamer over de uitgaven van de instellingen voor gebouwen en is van oordeel dat, aangezien uitgaven voor gebouwen een belangrijk aandeel van de totale administratieve uitgaven van de EU-instellingen vertegenwoordigen, een gezond financieel beheer van de uitgaven voor gebouwen van cruciaal belang is.

De Raad wijst nogmaals op het belang van intensieve interinstitutionele samenwerking op dat gebied. Hij beklemtoont dat de instellingen zo veel mogelijk moeten samenwerken en hun krachten moeten bundelen, zowel voor het huren of kopen van gebouwen als voor de gewone uitgaven. Hij verzoekt de instellingen indien passend faciliteiten te delen om de vastgoedkosten tot het noodzakelijke minimum te beperken.

In dat verband verwelkomt de Raad de reeds door de instellingen geleverde inspanningen voor interinstitutionele samenwerking en harmonisering van de methodes van vastgoedbeheer. Hij constateert met tevredenheid dat er onlangs in de interinstitutionele werkgroepen in Brussel en Luxemburg overeenstemming is bereikt over gemeenschappelijke richtsnoeren voor het bepalen en het meten van kantoorruimte. De Raad verzoekt de instellingen het potentieel te onderzoeken van verdere interinstitutionele samenwerking, onder meer wat betreft het delen van gebouwen, het gezamenlijk beheer van gebouwen en de eventuele mogelijkheid een interinstitutionele gebouwendienst op te richten.

De Raad roept de instellingen op vastgoedstrategieen op lange termijn uit te werken, gebaseerd op realistische ramingen van de toekomstige aantallen personeelsleden en met de nodige flexibiliteit in het evenwicht tussen eigen en gehuurde gebouwen, teneinde ad-hocbeslissingen betreffende gebouwen zoveel mogelijk te vermijden. Hij verzoekt de instellingen ook de beschikbare ruimte op de meest efficiente manier te gebruiken en waar mogelijk intern te rationaliseren. De Raad verwelkomt de reeds door de instellingen verrichte werkzaamheden op het gebied van alternatieve financieringsmethoden en ziet uit naar het aangekondigde rapport van de Commissie.

De Raad hecht groot belang aan het zo spoedig mogelijk ontvangen van de informatie die op grond van de toepasselijke bepalingen van het Financieel Reglement vereist is. Deze informatie moet bestaan uit onder meer grondige evaluaties van de behoeften en alomvattende kosten-batenanalyses, de diverse alternatieven, een afweging van de keuze tussen huren of kopen, alsook de alternatieve financieringsmogelijkheden, rekening houdend met alle financieringskosten. Ruim voordat de beslissing moet worden genomen, moet deze informatie ter beschikking worden gesteld van de beide takken van de begrotingsautoriteit, zodat deze hun standpunt zonder tijdsdruk kunnen bepalen.

Voorts herhaalt hij zijn oproep tot de secretarissen-generaal van de instellingen om voor de indiening van het voorontwerp van begroting informatie te verstrekken. De Raad is zich weliswaar bewust van de specifieke kenmerken van elke instelling en de bijzondere kenmerken van elk project, maar vraagt de instellingen voort te gaan met het harmoniseren van deze informatie aan de hand van gemeenschappelijke definities en indicatoren, die vergelijkingen van de beschikbare kantoorruimte en de kosten voor gebouwen tussen de verschillende instellingen mogelijk moeten maken, waaronder ook een consensus over de berekeningsmethode voor de jaarlijkse kosten van de eigen gebouwen, over de volledige gebruiksperiode beschouwd.

De Raad moedigt de instellingen aan door te gaan met het verbeteren van de energie-efficientie en het nemen van milieuvriendelijke maatregelen in hun gebouwen, waaronder de certificering volgens de milieunormen, telkens wanneer zulks passend en haalbaar is met de beschikbare middelen.

De Raad neemt nota van de uitstekende samenwerking tussen de instellingen en de overheidsadministraties van hun gaststaten, die een aanzienlijke bijdrage leveren tot het deugdelijk beheer van vastgoeddossiers.

De Raad herhaalt dat zijn opmerkingen evenzeer gelden voor de specifieke situatie van de uitvoerende agentschappen, en indien van toepassing, voor de gedecentraliseerde agentschappen."

UNILATERALE VERKLARING VAN DUITSLAND OP TE NEMEN IN DE RAADSNOTULEN

"Met betrekking tot de goedkeuring van het standpunt van de Raad over de ontwerpbegroting voor 2010 en gelet op de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg, verklaart Duitsland dat het programma "Voedselhulp voor de meest behoeftigen in de Europese Unie" overeenkomstig het Gemeenschapsrecht moet worden uitgevoerd. Duitsland is van oordeel dat voor dit programma geen beroep mag worden gedaan op aankopen op de markt. Het programma moet worden uitgevoerd in het licht van de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg."

BIJLAGE 2

Verklaringen van het Europees Parlement afgelegd tijdens de Bemiddeling over eerste lezing van de begrotingsprocedure 2010

Uitvoering van de begroting voor 2009 (Waarschuwingssysteem voor begrotingsramingen)

Het Europees Parlement is bezorgd over de stand van de uitvoering van de begroting voor 2009 als beschreven in het meest recente bericht van het waarschuwingssysteem voor begrotingsramingen, met name de vastleggingskredieten in de subrieken 3a en 3b en de betalingskredieten in de subrubrieken 1a, 3a, 3b en rubriek 5. Het Parlement benadrukt dat tewerk gegaan moet worden volgens het in het VOB vervatte tijdschema voor de uitvoering.

Het Europees Parlement vraagt de Commissie uiterlijk 31 augustus 2009 een verslag in te dienen waarin meer in detail wordt aangegeven wat de redenen (structuur, organisatie, beheer, procedure) zijn voor de vertragingen in de uitvoering van de betrokken programma's of beleidsgebieden.

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie tevens bewijsstukken te overleggen voor elk programma of beleidsgebied waarvoor de uitvoering afwijkt van de besluiten die de begrotingsautoriteit voor de begroting van 2009 genomen heeft.

Vereenvoudiging en een meer gericht gebruik van de structuurfondsen in de context van de economische crisis

Het Europees Parlement herinnert aan de gezamenlijke verklaringen van de drie instellingen over de uitvoering van het cohesiebeleid van november 2008 en april 2009 en onderstreept dat gestreefd moet blijven worden naar een snellere uitvoering van de structuur- en cohesiefondsen. Het is van oordeel dat onvoldoende vooruitgang is geboekt met de vereenvoudiging van de beoordelings-, goedkeuringsen beheersprocedures, zoals blijkt uit het geringe aantal goedgekeurde beheers- en controlesystemen en grote projecten. Het Parlement verzoekt de Commissie zich te blijven inzetten voor een vereenvoudiging van de uitvoeringsprocedures, in nauwe samenwerking met de lidstaten, en met name de goedkeuring van beheers- en controlesystemen en van grote projecten te bespoedigen, zodat sneller tot betaling kan worden overgegaan, met inachtneming van de <+2-regel.

Het Europees Parlement is van mening dat alle mogelijkheden die de structuurfondsen bieden, zoals het aanpassen en herzien van de operationele programma's, benut kunnen worden voor meer gerichte maatregelen die helpen de gevolgen van de economische crisis te boven te komen, vooral de maatregelen ter ondersteuning van groei en concurrentievermogen en ter beperking van verlies van banen, en verzoekt de lidstaten deze mogelijkheid aan te grijpen. Het Parlement roept de Commissie op te stimuleren dat gebruik wordt gemaakt van alle maatregelen die in de structuurfondsenverordeningen zijn opgenomen om groei en werkgelegenheid te ondersteunen, en dit met snelle, efficiënte procedures mogelijk te maken. Bovendien wijst het Europees Parlement op het belang van een volledige, efficiënte benutting van de beschikbare middelen.

Betalingskredieten

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie zo nodig een gewijzigde begroting in te dienen indien zou blijken dat de kredieten in de begroting 2010 niet volstaan om de uitgaven onder een bepaalde rubriek te dekken.

Rubriek 4

Het Europees Parlement, neemt akte van het voornemen van de Commissie om een nota van wijzigingen op het VOB 2010 in te dienen waarin de bijkomende behoeften op het gebied van het externe optreden, meer bepaald de in de vorige nota's van wijzigingen behandelde en de in de conclusies van de Europese Raad van juni 2009 genoemde prioriteiten, in een latere fase worden bestreken. "Het Europees Parlement memoreert dat de Commissie tijdens de overlegprocedure betreffende de begroting op 21 november 2008 heeft toegezegd een evaluatie van de situatie met betrekking tot rubriek 4 in te dienen, indien nodig vergezeld van relevante voorstellen. Het Europees Parlement verwacht dat de Commissie een meerjarige evaluatie van de behoeften op dit gebied bij de nota van wijzigingen zal voegen.

(1) PB L 253 van 7.10.2000, blz. 42.
(2) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0095.
(5) PB L 255 van 26.9.2009, blz. 36.
(6) PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26.


Ontwerp van algemene begroting 2010 (afdelingen I, II, IV, V, VI, VII, VIII, IX)
PDF 257kWORD 71k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2010, Afdeling I − Europees Parlement, Afdeling II − Raad, Afdeling IV − Hof van Justitie, Afdeling V − Rekenkamer, Afdeling VI − Europees Economisch en Sociaal Comité, Afdeling VII − Comité van de Regio's, Afdeling VIII − Europese Ombudsman en Afdeling IX − Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (C7-0128/2009 – 2009/2002B(BUD))
P7_TA(2009)0052A7-0037/2009

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(2),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 2009 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2010 – Afdelingen I, II en IV tot IX(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 mei 2009 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2010(5),

–   gezien zijn interne akkoord van 1988 waarin is bepaald zijn begrotingskredieten te beperken tot een limiet van 20% van het totaal van rubriek 5, uitgezonderd speciale uitgaven,

–   gezien het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, gepresenteerd door de Commissie op 29 april 2009 (COM(2009)0300),

–   gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, opgesteld door de Raad op 13 juli 2009 (C7-0128/2009),

–   gelet op artikel 75 en bijlage V van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie verzoekschriften (A7-0037/2009),

A.   overwegende dat in het voorontwerp van begroting (VOB) voor alle instellingen een marge van 236 597 323 EUR onder het plafond van het financieel kader voor het begrotingsjaar 2010 is overgebleven,

B.   overwegende dat er volgens het besluit van de Raad van 13 juli 2009 op de ontwerpbegroting (OB) een marge van 276 153 415 EUR onder dit plafond is overgebleven,

C.   overwegende dat de proefprocedure toegepast tijdens de begrotingsprocedure 2009, met nauwere samenwerking tussen het Bureau en de Begrotingscommissie en onderlinge samenwerking in een vroeg stadium op alle punten met belangrijke gevolgen voor de begroting, eveneens is gevolgd tijdens de begrotingsprocedure 2010,

D.   overwegende dat er op 15 september 2009, voorafgaand aan de stemmingen in de Begrotingscommissie en in de plenaire vergadering, een overlegvergadering tussen het Bureau en de Begrotingscommissie heeft plaatsgevonden,

Algemeen kader

1.   herinnert eraan dat de EU-instellingen hun begrotingen tegen de achtergrond van de economische en financiële situatie in Europa moeten opstellen en dat hieruit de inspanningen moeten blijken voor het verwezenlijken van de politieke doelstellingen met een zo doeltreffend mogelijk gebruik van de middelen;

2.   herhaalt zijn overtuiging dat begrotingsverzoeken volledig op de kosten moeten zijn gebaseerd en uitsluitend de werkelijke behoeften voor het uitvoeren van de aan de instelling toevertrouwde taken dienen te weerspiegelen, waarbij alles in het werk wordt gesteld om kosten te besparen, onder andere door een betere werkorganisatie, verschuivingen van bestaande middelen naar prioriteiten en minder bureaucratie, teneinde optimaal gebruik te maken van beperkte financiële middelen;

3.   verheugt zich over de constructieve houding en bereidheid tot samenwerken van alle instellingen met de begrotingsautoriteit, alsmede over hun snelle en nauwkeurige antwoorden op de gestelde vragen;

4.   onderstreept dat de uitgaven die specifiek zijn gerelateerd aan de eventuele inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, niet in de voorstellen zijn opgenomen; herinnert eraan dat indien dit verdrag in werking treedt, bestaande begrotingsinstrumenten, zoals een nota van wijzigingen of een gewijzigde begroting, mogelijk moeten worden gebruikt, indien dat noodzakelijk blijkt; is evenwel van mening dat in dat geval grondig moet worden onderzocht hoe de bestaande middelen zoveel mogelijk kunnen worden gereorganiseerd voordat verzoeken om extra middelen worden ingediend; herhaalt met het oog op de toekomst het belang van het waarborgen van een duurzame begroting en van een gezonde financiële marge onder deze rubriek;

5.   herhaalt dat er nog altijd ruimte voor verbetering is en voor een meer doeltreffend gebruik van begrotingsmiddelen op een aantal gebieden, waaronder interinstitutionele samenwerking, zoals eerder is benadrukt; is het met de Rekenkamer eens dat door nauwere samenwerking op het gebied van talendiensten enige ruimte voor besparingen zou kunnen worden gecreëerd; heeft dit derhalve als prioriteit voor 2010 gesteld en verzoekt de instellingen om op dit gebied verbeteringen door te voeren, onder andere door nieuwe onderhandelingen over de bestaande regelingen voor het gemeenschappelijk gebruik van middelen voor interne vertalingen;

6.   besluit met het oog daarop een transversale reserve van 5% voor externe vertaaldiensten in te stellen en benadrukt dat dit amendement voor alle instellingen met een eigen vertaalafdeling geldt; onder de gevraagde verbeteringen vallen nieuwe onderhandelingen over de bestaande regelingen voor het gemeenschappelijk gebruik van middelen voor interne vertalingen, om de efficiëntie te verhogen en besparingen te doen op vertaalgebied, overeenkomstig het speciaal verslag van de Rekenkamer op dit gebied; neemt nota van het feit dat deze reserve derhalve kan worden vrijgemaakt nadat een concreet voorstel voor een systeem voor het gemeenschappelijk gebruik van middelen voor interne vertalingen door de instellingen is gepresenteerd en door de begrotingsautoriteit is beoordeeld;

7.   benadrukt zijn wens dat de instellingen de mogelijkheid van telewerken voor vertalers opnieuw bestuderen; merkt op dat dit jaarlijks besparingen kan opleveren, in het bijzonder indien hierdoor kantoorruimte vrijkomt die voor andere doeleinden kan worden gebruikt; merkt op dat de Rekenkamer dit systeem (in beperkte mate) heeft ingevoerd en dat het goed functioneert;

8.   heeft besloten om een marge onder het plafond van rubriek 5 (administratieve uitgaven) van 222 344 665 EUR te bewaren en de totale verhoging van de begroting zo tot 2,1% te beperken; onderstreept dat hierdoor een deel van de door de Raad in de begroting van de instellingen aangebrachte besnoeiingen wordt hersteld, in die gevallen waar de specifieke verzoeken van de instellingen dit rechtvaardigen;

9.   is van oordeel dat het begrotingssysteem van de EU zich moet ontwikkelen tot een systeem dat vindingrijkheid en innovatieve oplossingen beloont; onderstreept in dit verband, en bij wijze van stimulans, dat efficiëntiewinsten en -besparingen die het gevolg zijn van dergelijke maatregelen van de instellingen door hen voor mogelijke andere prioriteiten zouden kunnen worden gebruikt; benadrukt evenwel dat middelen die ten gevolg van trage implementatie of onverwachte gebeurtenissen niet worden gebruikt in de regel aan de belastingbetaler moeten worden teruggegeven;

Afdeling 1 - Europees Parlement
Algemeen kader

10.   is verheugd over de goede en constructieve stemming tijdens de overlegvergadering op 15 september 2009 tussen zijn Bureau en zijn Begrotingscommissie; meent dat dit verder bijdraagt aan de totstandkoming van de begroting van het Parlement in een klimaat van onderlinge samenwerking en vertrouwen, alsmede aan de strikte toepassing van deugdelijke begrotingsbeginselen en transparantie; benadrukt dat de voorrechten van alle organen volledig dienen te worden gehandhaafd;

11.   herinnert eraan dat overeenstemming is bereikt op de volgende punten, die tijdens de overlegvergadering zijn behandeld:

   reserves (prioritaire projecten, reserve voor gebouwen, reserve voor onvoorziene uitgaven),
   herstructurering van DG INLO en de veiligheidsdienst,
   personeelsbehoeften voor 2010,
   - Huis van de Europese Geschiedenis,
   politieke partijen en stichtingen,
   meertaligheid,
   kennisbeheer;

12.   meent dat de uitwisseling van informatie en een goede timing van ontmoetingen tussen zijn Bureau en de Begrotingscommissie van wezenlijk belang zijn voor het welslagen en de verdere verbetering van hun samenwerking;

13.   onderstreept dat het Parlement, evenals alle andere instellingen, zo compleet mogelijke ramingen moet indienen in het voorjaar en het begin van de zomer; benadrukt dat een nota van wijzigingen uitsluitend in het najaar moet worden gebruikt in geval van onvoorziene gebeurtenissen en technische updates; erkent dat een verkiezingsjaar een specifieke situatie vormt waarin deze procedures op flexibeler wijze dienen te verlopen om de prerogatieven van het nieuwe Parlement te beschermen;

14.   wijst erop dat het totale peil van zijn begroting 19,87% van de toegestane uitgaven onder rubriek 5 (administratieve kredieten) van het meerjarig financieel kader bedraagt, d.w.z. dat het onder de limiet van 20% blijft die het Parlement zichzelf heeft opgelegd; herhaalt echter dat bij dit percentage geen rekening wordt gehouden met eventuele aanpassingen in geval van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, met name op het gebied van wetgeving, en blijft van mening dat een aanzienlijke marge van wezenlijk belang is; erkent dat de huidige beperkte marge verdere besparingen en herschikkingen noodzakelijk maakt, zodat voldaan kan worden aan bijkomende vereisten;

15.   is van mening dat een onderscheid tussen de vaste en variabele lasten van het Parlement besluiten over het totale niveau van zijn begroting en een deugdelijke follow-up daarvan zou vergemakkelijken met het oog op het handhaven van een duurzame begroting; heeft derhalve besloten om een gedeelte van drie specifieke begrotingslijnen in de reserve te plaatsen in afwachting van een verslag waarin de uitgaven onder titel 2 en 3 in verschillende soorten lasten en in vaste en variabele lasten worden opgesplitst; is van mening dat dankzij het onderscheid tussen vaste en variabele lasten van het Parlement, de langetermijnstrategieën op het gebied van gebouwen, het voorlichtings- en communicatiebeleid alsmede een kosten-batenanalyse van de verschillende werkzaamheden van het Parlement een "zero-based" begroting voor de komende jaren kan worden opgesteld; is van oordeel dat dit het mogelijk zal maken een begroting van het Parlement te krijgen die alleen de daadwerkelijke behoeften weerspiegelt, met meer transparantie, en grotere nauwkeurigheid en doeltreffendheid;

16.   merkt op dat in 2010 het nieuwe Statuut van de leden voor het eerst volledig wordt toegepast en dat dit aanzienlijke gevolgen heeft voor zijn begroting, waarin de desbetreffende kosten moesten worden verdisconteerd; stelt vast dat de bijkomende lasten in vergelijking met 2009 (waarin het Statuut gedeeltelijk is toegepast) op ongeveer 40 miljoen EUR worden geraamd, en vergeleken met de voorafgaande jaren op ongeveer 113 miljoen EUR;

17.   is echter van mening dat deze cijfers moeten worden uitgesplitst in enerzijds kosten die werkelijk onvermijdelijke juridische en budgettaire gevolgen zijn van de toepassing van het Statuut, en anderzijds kosten die afhankelijk zijn van de wijze waarop het stelsel in de praktijk wordt toegepast; verzoekt derhalve, vanuit begrotingsoogpunt, om een verslag over de toepassing van het stelsel voor reiskostenvergoedingen, dat op juiste en objectieve gegevens berust, en vóór 30 juni 2010 moet worden ingediend;

18.   is verheugd over de eind 2008 bereikte overeenstemming over het nieuwe statuut voor de medewerkers van de leden en heeft de begrotingsmiddelen opgevoerd voor het eerste volledige jaar van toepassing in 2010; is eveneens verheugd over de oprichting van een Tijdelijke Evaluatiewerkgroep die zich zal buigen over eventuele praktische problemen rond de invoering van de statuten voor de leden respectievelijk hun medewerkers, en hoopt de conclusies van deze werkgroep zo spoedig mogelijk te ontvangen, in ieder geval uiterlijk bij de presentatie door het Bureau van de raming voor 2011;

19.   wijst er met betrekking tot het totale niveau van de begroting en de hierboven behandelde punten eveneens op dat op de overlegvergadering is overeengekomen dat de voorgestelde reserves voor nieuwe politieke initiatieven worden teruggebracht tot 5 miljoen EUR, dat er een reserve voor onvoorziene uitgaven van 10 miljoen EUR wordt gehandhaafd en dat er een vastgoedreserve van 15 miljoen EUR wordt opgevoerd;

Personeelsbestand

20.   is verheugd over de overeenkomst over de personele middelen voor de begroting 2010 en stelt de door de administratie verschafte informatie op prijs over de posten die noodzakelijk worden geacht en de herstructureringsmaatregelen die tegelijkertijd worden voorgesteld;

21.   besluit een krediet voor 54 nieuwe posten in het organigram 2010 van het Parlement toe te staan volgens onderstaande indeling:

besluit tevens kredieten toe te staan voor de volgende opwaarderingen: 5 AD5 naar 5 AD7 in verband met de aanwerving van tolken, 30 AD7 naar 30 AD9 in verband met interne vergelijkende onderzoeken, en 30 AST3 naar 30 AST5, eveneens in verband met interne vergelijkende onderzoeken; besluit tevens kredieten toe te staan voor de omzetting van 5 AST6-posten in 2 AD11- en 3 AD12-posten in verband met "crossover" vergelijkende onderzoeken;

   vaste posten: 8 AD9, 17 AD5 en 28 AST1,
   tijdelijke posten: 2 AD10, 1 AD9 en 1 AD5,
   schrapping van 3 tijdelijke AST1-posten, goedgekeurd in het organigram 2009;

22.   benadrukt evenwel dat verdere inspanningen met het oog op de herschikking van reeds bestaande middelen en posten een wezenlijk onderdeel van zijn begrotingsprocedure moeten zijn; meent in dit verband dat zijn werkorganisatie en dienstenstructuur aan de politieke prioriteiten moeten worden aangepast om optimale resultaten te behalen en, budgettair gezien, de kosten te beperken; herinnert in dit verband aan zijn verzoek van het afgelopen jaar waarin het benadrukt hoe belangrijk het is om de personele middelen optimaal te verdelen over de kerntaken op wetgevingsgebied, de directe dienstverlening aan de leden en de administratieve ondersteunende taken, alsook om de uitgangspunten en prioriteiten die daaraan ten grondslag liggen beter uit te dragen;

23.   neemt in het bijzonder nota van de tijdens de overlegvergadering bereikte overeenstemming over de versterking van zijn afdeling voor gebouwen en vastgoedbeleid, teneinde deugdelijk onderhoud en veiligheid te waarborgen, waarbij de planning en controle worden verbeterd, hetgeen in combinatie met een coherent en verantwoord vastgoedbeleid redelijkerwijs op langere termijn tot besparingen zal leiden; gaat daartoe akkoord met de toekenning van 49 nieuwe posten over een periode van drie jaar; neemt eveneens nota van de overeenstemming tot financiering van 5 posten voor de reorganisatie van de veiligheidsdienst;

24.   is eveneens verheugd over de tijdens de overlegvergadering bereikte overeenstemming om de organisatie van DG INLO en de veiligheidsdienst door te lichten om te beoordelen of de hulpbronnen optimaal worden benut;

Wetgevingswerkzaamheden en meertaligheid

25.   herhaalt dat meertaligheid een zeer belangrijke rol speelt in de begroting 2010, zowel omwille van het behoud en zelfs de uitbreiding van het recht van alle leden op gelijke behandeling op het gebied van talendiensten, als omwille van het streven naar kostenbeperking dankzij verbeterde interinstitutionele samenwerking tussen alle instellingen; is verheugd over de doelgerichte aanvullende financiering op dit gebied in het begrotingsvoorstel en stemt hiermee in;

26.   is van mening dat het Parlement zich middenin een proces bevindt waarin het grotere wetgevende verantwoordelijkheden op zich neemt, hetgeen vraagt om volledige ondersteuning van de leden bij het verrichten van hun wetgevingswerkzaamheden; is in dit kader verheugd over het besluit van het Bureau van 6 mei 2009 om de directe ondersteuning van de leden in hun wetgevingswerkzaamheden te versterken, in het bijzonder tijdens de ontwerpfase van wetgevingsvoorstellen; meent dat nu ook aandacht moet worden geschonken aan de latere fases van de wetgevingsprocedures en acht het noodzakelijk dat leden toegang hebben tot correcte teksten in alle officiële talen, overeenkomstig de beginselen van meertaligheid en de doelstellingen van het beleid van de Unie ter verbetering van de wetgeving, teneinde de transparantie en de democratische legitimiteit van de standpunten van het Parlement in wetgevingsprocedures te versterken;

27.   herinnert eraan dat het Parlement regelmatig wetgevingsteksten waarover een akkoord bestaat, in stemming brengt in de vorm van in een vroeg stadium bereikte politieke compromissen, terwijl de Raad dergelijke teksten pas goedkeurt wanneer ze volledig afgerond zijn; meent dat het van wezenlijk belang is dat het Parlement correcte, definitieve teksten die in alle talen beschikbaar zijn behandelt en in stemming brengt; verzoekt om maatregelen op intern en interinstitutioneel niveau om te waarborgen dat de positie van Parlement op dit gebied gelijk is aan die van de Raad;

28.   is verheugd over de tijdens de overlegvergadering bereikte overeenstemming over het instellen van een transversale reserve van 5% op specifieke begrotingslijnen voor alle instellingen met een eigen vertaalafdeling, zoals hierboven beschreven;

29.   is bereid het systeem en de toegankelijkheid van vertalingen van plenaire vergaderingen, de zogenaamde volledige verslagen, opnieuw te bestuderen en te onderzoeken hoe dit systeem kan worden verbeterd door het gebruik van moderne technologie, terwijl tegelijkertijd belangrijke besparingen in de begroting worden gedaan; meent dat hierbij kan worden gedacht aan een systeem van vertaling op verzoek, hetgeen eveneens kan leiden tot een aanzienlijk snellere beschikbaarheid van de gevraagde teksten;

Vastgoedbeleid

30.   herhaalt zijn verzoek aan het Bureau om een coherente en verantwoordelijke strategie voor de lange termijn op het gebied van onroerend goed en gebouwen vast te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke probleem van stijgende onderhoudskosten, de noodzaak van renovatie en beveiligingskosten, en waarbij de duurzaamheid van de begroting van het Parlement wordt gewaarborgd, en verwacht dat deze strategie eind 2009 wordt gepresenteerd; neemt nota van het antwoord op de begrotingsresolutie van het afgelopen jaar, maar acht dit onvoldoende; benadrukt eveneens dat rekening moet worden gehouden met mogelijke toekomstige terugbetalingen van de Belgische autoriteiten volgens de overeenkomst over de huidige gebouwen van het Parlement in Brussel;

31.   wijst nogmaals op het belang dat het hecht aan veiligheidskwesties, die in nauw verband staan met zijn vastgoedbeleid, en is van mening dat een effectieve en evenwichtige aanpak op dit gebied noodzakelijk is; onderstreept in het bijzonder het specifieke karakter van een parlementsgebouw en de behoefte aan openheid en toegankelijkheid, waarbij gelijktijdig de veiligheid wordt gewaarborgd; toont zich tegelijkertijd bezorgd over de constant stijgende kosten op dit gebied en is van mening dat een gedifferentieerde aanpak noodzakelijk is, afhankelijk van de specifieke situatie van elke werklocatie;

32.   neemt er nota van dat de reden waarom het Bureau overweegt een nieuw gebouw in de buurt van haar huidige site te verwerven, terwijl het ervan uitgaat dat het een van zijn andere gebouwen niet langer voor parlementaire werkzaamheden nodig heeft, nadere verduidelijking behoeft;

Communicatie- en informatiebeleid

33.   is verheugd over de overeenkomst over de financiering van Europese politieke partijen en stichtingen, die zou moeten bijdragen aan betere communicatie met burgers en sterkere deelname van de burgers aan de Europese politiek; verzoekt om verdere discussies over begrotingsbeginselen voor de lange termijn op dit gebied;

34.   is verheugd over het uiteindelijke besluit van het Bureau over het beheersmodel voor het nieuwe bezoekerscentrum en besluit de gevraagde 13 posten toe te kennen om ervoor te zorgen dat het centrum zo spoedig mogelijk wordt geopend en uiterlijk tijdens de eerste helft van 2010;

35.   neemt nota van de tussen zijn Bureau en Begrotingscommissie bereikte overeenkomst over het Huis van de Europese geschiedenis; besluit om de gevraagde 1,5 miljoen EUR beschikbaar te stellen, die onder een geschikte, reeds in de begroting 2009 bestaande begrotingslijn dienen te worden opgenomen, om te waarborgen dat de architectuurwedstrijd verder kan gaan en conceptvoorstellen volgend jaar op tijd kunnen worden ontvangen; herhaalt zijn standpunt dat informatie over de totale kosten van het project noodzakelijk is; is verheugd over de afspraak om te streven naar bijkomende, externe financiering en de mogelijkheden voor samenwerking voor dit project te bestuderen;

36.   benadrukt het belang van een doelmatige organisatie van de vele informatiebronnen en -diensten voor de leden en het personeel van het Parlement; herinnert in dit verband aan de onlangs aangenomen ICT-strategie, onder zijn Directoraat-generaal voor IT, en het besluit om een Directoraat bibliotheek en documentenbeheer op te richten onder de diensten van het presidium; onderstreept verder de noodzaak om een algemeen kennisbeheerssysteem te ontwikkelen om de verspreiding van informatie te vereenvoudigen op politiek en administratief niveau; vraagt zijn Bureau om in het bijzonder te letten op de samenwerking tussen de verschillende diensten om ervoor te zorgen dat het algemeen beleid coherent en rendabel is, en is tenslotte verheugd dat op de overlegvergadering is afgesproken dat hierover op een vergadering van de Begrotingscommissie een presentatie zal worden verzorgd;

37.   meent eveneens dat dienstverlening op het gebied van documentenbeheer door het bovengenoemde nieuwe directoraat de toegang tot informatie zal verbeteren en zal bijdragen aan een beter begrip van de parlementaire activiteiten; benadrukt dat dit het werk van de leden zou moeten vereenvoudigen en de transparantie ten opzichte van de burgers zou moeten verbeteren; besluit om de begrotingselementen opgenomen in het voorontwerp van begroting goed te keuren; wenst evenwel recente informatie te ontvangen over de organisatie, de kosten en de personeelsvooruitzichten van het directoraat, alsmede zijn producten en diensten, waaronder de maatregelen ter verbetering van de toegankelijkheid van documenten;

38.   neemt nota van de door de Commissie internationale handel en de Commissie verzoekschriften ingediende adviezen en hun vergelijkbare standpunten; is van mening dat in de begrotingsamendementen en bij de stemming over het algemeen zo veel mogelijk rekening is gehouden met hun punten van zorg;

Afdeling IV − Hof van Justitie

39.   is van mening dat de toenemende werklast van het Hof in termen van raadplegingen en de nieuwe spoedprocedures een redelijke stijging van zijn operationele begroting en zijn personeelsformatie over de afgelopen twee jaar heeft gerechtvaardigd, met inbegrip van een aanzienlijke toename van het aantal personeelsleden voor 2009; acht het dan ook normaal dat niet om extra posten wordt verzocht voor 2010; is er niet van overtuigd dat de bezuinigingen van de Raad op voorziene salarissen en forfaitaire verlagingen correct zijn gezien het huidige aanwervingspeil en de huidige personeelsbezetting;

40.   besluit derhalve om de bedragen van het VOB opnieuw op te nemen op een aantal begrotingslijnen gezien de genoemde argumenten en na de adviezen van zijn commissies te hebben bestudeerd;

41.   merkt op dat het Hof nog altijd de gevolgen ondervindt van zijn nieuwe gebouwen en dat dit een problematisch effect heeft op de algemene groei van zijn begroting; vanuit dit perspectief en gezien deze verzonken kosten kan het de voorgestelde algemene begrotingsstijging van 4,5% aanvaarden,waarbij het aantekent dat die stijging van de operationele begroting van het Hof normaliter aanzienlijk lager ligt, namelijk rond de +2,5%;

Afdeling V - Rekenkamer

42.   stemt ermee in om naast de 20 posten van controleurs die in 2009 waren toegekend, nog eens 12 soortgelijke posten toe te kennen vanwege de toegenomen vraag, in het bijzonder van de kwijtingsautoriteit; benadrukt dat de personeelsbezetting en de werkverzoeken in de bredere context van de begroting en de Europese economie moeten worden beschouwd; is derhalve van mening dat de 32 nieuwe posten van controleurs die over een periode van twee jaar zijn toegekend, de Rekenkamer voor de komende jaren in een comfortabele positie plaatsen, maar verzoekt de Rekenkamer wel om de verzoeken in volgorde van urgentie en relatief belang te behandelen;

43.   neemt nota van de geraamde ontwikkeling van de kosten van de uitbreiding van het K3-gebouw en herhaalt dat, in vergelijking met een huurkoopoptie, het besluit om dit project direct uit de begroting te financieren de kosten zo laag mogelijk houdt voor de belastingbetaler; neemt nota van het feit dat het besluit om een bedrag van 55 miljoen EUR vervroegd af te lossen uit de begroting 2009 tot een aanzienlijke daling voor deze lijn voor 2010 heeft geleid;

44.   schaart zich achter de opmerking in de externe audit die ten aanzien van de Rekenkamer zelf is verricht en meent dat alle uitgaven voor dit project dienen te worden gedaan met de kredieten die voor de specifieke begrotingslijn voor gebouwen zijn toegekend en dat zij omwille van de transparantie niet onder andere rubrieken/lijnen dienen te worden opgenomen;

45.   besluit om een beperkt aantal uitgavenposten te verhogen voor de verspreiding van verslagen van de Rekenkamer onder het grote publiek, publicaties in het Publicatieblad en dienstreizen zodat, indien noodzakelijk, thematische deskundigen controleurs kunnen vergezellen, hetgeen het begrip en de kwaliteit van de bevindingen zal verbeteren;

Afdeling VI - Europees Economisch en Sociaal Comité

46.   besluit om een compromisstandpunt in te nemen tussen het aanvankelijke verzoek van het Comité en de ontwerpbegroting van de Raad; besluit derhalve om de toekenning van 6 extra posten (4 AD5, 1 AST3 en 1 AST1) goed te keuren en de forfaitaire verlaging voor salarissen en vergoedingen aan te passen tot 5%;

47.   verzoekt het Comité om een eerste samenvattend verslag in te dienen over de werking van het verbeterde planningsysteem voor vergader- en reiskosten, zoals aangekondigd in de vorige begroting;

48.   verzoekt met het oog op toekomstige begrotingen eveneens om een beknopte uitleg over de berekeningsmethode van reiskosten- en andere vergoedingen en de eventuele opties op dit gebied voor leden en personeel;

Afdeling VII - Comité van de Regio's

49.   stemt niet in met de schrapping door de Raad van alle tien voor het Comité gevraagde extra posten en besluit om vier van die posten opnieuw op te nemen als prioritaire posten voor het politieke werk van het Comité en in het bijzonder de regionale vergadering; herinnert er evenwel aan dat een stijging van het personeelsbestand van het Comité reeds was goedgekeurd voor 2009 en kan derhalve niet meer posten goedkeuren, gegeven de algemene economische situatie;

50.   besluit om een forfaitaire verlaging van 5% in te stellen na de argumenten van het Comité over het aanwervingspeil en het vacaturepercentage te hebben gehoord; merkt op dat hierdoor wordt gewaarborgd dat het Comité over voldoende financiële middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen, terwijl er toch nog een kleine besparing ten opzichte van het VOB wordt gedaan;

51.   neemt een compromisstandpunt in tussen de verzoeken van het Comité en de verlagingen van de Raad op verschillende operationele begrotingslijnen, waaronder middelen voor IT-ontwikkeling, kinderopvangvoorzieningen voor het personeel en maatregelen op het gebied van informatie en communicatie;

Afdeling VIII − Europese Ombudsman

52.   neemt de bedragen van het VOB gedeeltelijk opnieuw op na kennis te hebben genomen van de verlagingen van de Raad en de argumenten van de Ombudsman te hebben gehoord; benadrukt dat in het algemeen toch iets kan worden bespaard ten opzichte van het VOB;

53.   neemt bovendien een compromisstandpunt in tussen de Ombudsman en de Raad wat betreft de benodigde kredieten voor salarissen en vergoedingen;

54.   deelt de opvatting van de Ombudsman dat nagedacht dient te worden over het nut van uitgaven voor de verkiezing voor deze functie en is van mening dat het huidige systeem waarin deze uitgaven worden verspreid over verschillende jaren en verschillende begrotingsposten niet transparant is;

55.   is verbaasd dat dit orgaan vrijwel geen middelen voor opleidingsmaatregelen had en stemt dan ook in met een zekere stijging van deze middelen;

Afdeling IX - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

56.   erkent dat de Toezichthouder steeds vaker om adviezen wordt gevraagd over wetgeving (op het gebied van gegevensbescherming); heeft dit punt grondig behandeld en heeft nota genomen van de verklaring dat deze raadplegingen voor de Toezichthouder een verplicht karakter hebben; besluit derhalve enige aanpassingen aan te brengen ten opzichte van de ontwerpbegroting van de Raad;

57.   stemt in met de toekenning van twee extra posten (1 AD5 en 1 AST2), waarmee het een compromisstandpunt inneemt tussen de aanvankelijke verzoeken en het standpunt van de Raad; doet dit gezien het feit dat een verhoging van de financiering van nationale deskundigen eveneens is goedgekeurd;

58.   stemt eveneens in met een aantal verhogingen ten opzichte van het voorstel van de Raad voor een beperkt aantal andere begrotingsposten na de argumenten van de Toezichthouder te hebben gehoord;

o
o   o

59.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen op de afdelingen I, II, IV, V, VI, VII, VIII en IX van het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de overige betrokken instellingen en organen.

(1) PB L 253 van 7.10.2000, blz. 42.
(2) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0096.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0346.


Aanpassing van de salarissen en vergoedingen van personeelsleden van Europol *
PDF 192kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over het initiatief van de Tsjechische Republiek met het oog op de aanneming van een besluit van de Raad inzake de aanpassing van de basissalarissen en vergoedingen van personeelsleden van Europol (10985/2009 – C7-0099/2009 – 2009/0805(CNS))
P7_TA(2009)0053A7-0040/2009

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het initiatief van de Tsjechische Republiek (10985/2009),

–   gelet op het besluit van de Raad van 3 december 1998 houdende vaststelling van het statuut voor de personeelsleden van Europol(1), en in het bijzonder artikel 44 daarvan,

–   gelet op artikel 39, lid 1, van het EU­Verdrag op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0099/2009),

–   gelet op de artikelen 100 en 55 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0040/2009),

1.   stemt in met het initiatief van de Tsjechische Republiek;

2.   vraagt dat de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte stelt;

3.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd indien de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het initiatief van de Tsjechische Republiek;

4.   verzoekt zijn Voorzitter het advies van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering van de Tsjechische Republiek.

(1) PB C 26 van 30.1.1999, blz. 23.


Gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten ("Integrale-GMO-verordening") *
PDF 214kWORD 44k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over het voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten ("Integrale-GMO-verordening") (COM(2009)0539 − C7-0223/2009 − 2009/0152(CNS))
P7_TA(2009)0054

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2009)0539),

–   gelet op artikel 37 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0223/2009),

–   gelet op de artikelen 55 en 142 van zijn Reglement,

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 2
Voorstel voor een Verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3
Verordening (EG) nr. 1234/2007
Artikel 186 – punt a
3.  Artikel 186, onder a), wordt vervangen door:
3.  Artikel 186, onder a), wordt vervangen door:
"a) met betrekking tot de producten van de sectoren suiker, hop, rundvlees, melk en zuivelproducten, en schapen- en geitenvlees, als de prijzen voor een of meer van die producten op de markt van de Gemeenschap aanzienlijk stijgen of dalen;".
"a) met betrekking tot de producten van de sectoren suiker, hop, rundvlees en schapen- en geitenvlees, als de prijzen voor een of meer van die producten op de markt van de Gemeenschap aanzienlijk stijgen of dalen;
a bis) met betrekking tot melk en zuivelproducten, als de prijzen op de markt van de Gemeenschap voor een of meer van die producten aanzienlijk stijgen of dalen binnen de perioden van 12 maanden die aanvangen op 1 april 2009 en op 1 april 2010;".
Amendement 8
Voorstel voor een Verordening – wijzigingsbesluit
Artikel 1 – punt 3 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1234/2007
Artikel 188, punt 2 bis (nieuw)
(3 bis)  In artikel 188 wordt het volgende lid toegevoegd:
"2 bis. Het Europees Parlement wordt regelmatig door de Commissie op de hoogte gehouden van de werkzaamheden van het in artikel 195 bedoelde comité. Daartoe ontvangt het de agenda's van de vergaderingen van de comités, de aan de comités voorgelegde ontwerpen van maatregelen, alsmede de uitslagen van de stemmingen, beknopte verslagen van de vergaderingen en lijsten van de autoriteiten en organisaties waarvan de personen die door de lidstaten zijn aangewezen om hen te vertegenwoordigen deel uitmaken. Het Parlement wordt eveneens op de hoogte gebracht van alle door de Commissie aan de Raad toegezonden maatregelen of voorstellen voor te nemen maatregelen."

Stand van zaken van SIS II en VIS
PDF 116kWORD 35k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over de stand van zaken van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie en het Visuminformatiesysteem
P7_TA(2009)0055B7-0097/2009

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat in Verordening (EG) nr. 2424/2001 van de Raad van 6 december 2001 de Commissie gemandateerd is om het Schengeninformatiesysteem (SIS) van de tweede generatie(1) te ontwikkelen, met als beoogde datum van inwerkingtreding maart 2007,

B.   overwegende dat het Parlement op 13 oktober 2006 goedkeuring heeft gehecht aan de Verordening (EG) nr. 1987/2006(2) heeft goedgekeurd, houdende de rechtsgrondslag voor het SIS II,

C.   overwegende dat het nieuwe systeem door een groot aantal problemen en vertragingen nog altijd niet operationeel is, en dat er twijfels zijn geuit omtrent de levensvatbaarheid van het project,

D.   overwegende dat een aantal landen, waaronder Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Cyprus, Bulgarije, Roemenië en Liechtenstein, niet in het SIS-systeem zullen worden geïntegreerd voordat een oplossing is gevonden,

E.   overwegende dat de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 4 en 5 juni 2009 goedkeuring heeft gehecht aan een aantal conclusies met betrekking tot de nieuwe oriëntatie van SIS II, die erop neerkomen dat het systeem verder moet worden ontwikkeld op basis van het bestaande SIS II-project, maar met het SIS 1 + RE-systeem als alternatief scenario,

F.   overwegende dat er twee technische tests (zogenaamde mijlpaaltest) zullen moeten worden gehouden, de eerste eind 2009 en de tweede in de zomer van 2010,

G.   overwegende dat de verwachting nu is dat SIS II pas in het laatste kwartaal van 2011 operationeel kan worden,

H.   overwegende dat het Parlement op 7 juni 2007 de Verordening (EG) nr. 767/2008(3) heeft goedgekeurd, houdende de rechtsgrondslag voor het Visuminformatiesysteem (VIS),

I.   overwegende dat de oprichting van het VIS, op basis van hetzelfde technische platform en ontwikkeld door dezelfde contractant als het SIS II-systeem, ook een prioriteit is voor de EU,

J.   overwegende dat ook het VIS vertraging oploopt, aangezien de datum van inwerkingtreding (eind 2009) niet zal worden gehaald en dat de inwerkingtreding misschien wel tot na september 2010 zal moeten worden uitgesteld ten gevolg van een aantal problemen bij het ontwikkelen van de kern van het VIS-systeem door de Commissie en gezien de voorbereidingen die op nationaal niveau in de lidstaten moet worden gedaan,

1.   beklemtoont het feit dat de oprichting van het SIS II onverminderd een prioriteit is voor het Parlement en dat het systeem zo snel mogelijk operationeel moet zijn, met een aantal verbeteringen en nieuwe functies zoals voorzien in de rechtsgrondslag, teneinde de veiligheid van de Europese burgers te vergroten en doeltreffende grenscontroles aan de buitengrenzen te waarborgen, in combinatie met garanties betreffende de voltooiing en samenhang van het Schengen-acquis;

2.   maakt zich ernstige zorgen over de vertraging van de inwerkingtreding van zowel het SIS II- als het VIS-systeem;

3.   vraagt direct na afloop van de technische mijlpaal 1-test op 22 december 2009 door de Commissie en de Raad te worden geïnformeerd over de resultaten ervan, alsook over de eventueel te nemen verdere stappen;

4.   dringt aan op volledige transparantie wat het implementatieproces betreft, alsook wat de financiële aspecten betreft, en verzoekt als medewetgever te worden geïnformeerd over het feit of de zogenaamde mijlpaal 1 en 2-tests nog onder het contract voor de ontwikkeling van het bestaande SIS II vallen of dat ze als aanvullende eisen moeten worden beschouwd, en over de extra kosten die dat laatste met zich mee zou brengen;

5.   verzoekt te worden meegedeeld of er boetes zijn opgelegd aan de contractant in verband met de vertragingen en de technische fouten die tot het mislukken van de eerdere tests hebben geleid en, indien van toepassing, de hoogte van die boetes; vraagt daarnaast te worden geïnformeerd over de extra kosten, ten gevolg van deze vertragingen en technische fouten, van de nieuwe tests en van het overschrijden van het tijdschema voor de ontwikkeling van het SIS II;

6.   dringt aan op samenwerking tussen en coördinatie van de inspanningen van de Commissie en de lidstaten om te voorkomen dat het scenario van SIS II zich herhaalt bij het VIS;

7.   vraagt de Raad en de Commissie een met redenen omklede uitleg te geven waarom zij vertrouwen houden in de huidige contractant en zijn vermogen het VIS en het SIS II zonder nieuwe vertragingen verder te ontwikkelen;

8.   benadrukt dat de Raad en de Commissie het Parlement bij alle beslissingen betreffende de ontwikkeling van het VIS en het SIS II moeten betrekken, met name wanneer de resultaten van de tests niet bevredigend zijn, resulterend in een koerswijziging aangaande zowel het VIS- als het SIS II-project, in het bijzonder een annulering van het contract met de verantwoordelijke onderneming;

9.   verzoekt de Commissie te verduidelijken of een eventuele annulering van het contract in het geval van het SIS II-project automatisch tot de inwerkingtreding van het alternatieve scenario zal leiden, en mee te delen wat de mogelijke gevolgen daarvan voor het VIS-project zijn;

10.   beklemtoont dat het Parlement voortdurend op de hoogte moet worden gehouden van de stand van zaken van de ontwikkeling van het SIS II en het VIS;

11.   geeft zijn bevoegde commissie opdracht dit onderwerp van nabij te volgen en zodra daartoe aanleiding is, en ten laatste na afronding van de mijlpaal 1-test, een follow-upoplossing voor de voltallige vergadering voor te bereiden;

12.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, alsmede de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 328 van 13.12.2001, blz. 4.
(2) PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4.
(3) PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60.


Democratieopbouw in de externe betrekkingen van de EU
PDF 154kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over democratieopbouw in de externe betrekkingen van de EU
P7_TA(2009)0056RC-B7-0118/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, met name artikel 21 daarvan, en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–   gelet op de artikelen 3, 6, 11 en 19 van het EU-Verdrag en de artikelen 177, 300 en 310 van het EG-Verdrag,

–   gezien alle overeenkomsten tussen de EU en derde landen en de mensenrechtenclausules in die overeenkomsten,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(1) dat op 12 december 2007 in Straatsburg is afgekondigd,

–   gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 8 september 2000, de "VN-Millenniumverklaring" (A/RES/55/2),

–   gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 4 december 2000 over de bevordering en consolidering van de democratie (A/RES/55/96),

–   gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 15 september 2005, "Slotdocument van de Wereldtop van 2005" (A/RES/60/1),

–   gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 20 december 2004 over de versterking van de rol van regionale, subregionale en andere organisaties en overeenkomsten bij het bevorderen en consolideren van de democratie (A/RES/59/201),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 11 april 2000 over verkiezingsondersteuning en verkiezingswaarneming door de EU (COM(2000)0191),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 maart 2001 over de mededeling van de Commissie over verkiezingsondersteuning en verkiezingswaarneming door de EU(2),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 8 mei 2001 over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen (COM(2001)0252),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen(3),

–   gezien de op 12 december 2003 vastgestelde Europese Veiligheidsstrategie,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 oktober 2003 over bestuur en ontwikkeling (COM(2003)0615),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 31 maart 2004 over bestuur in het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie(4),

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese consensus"(5),

–   gezien de Verklaring van Parijs van 2005 over doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de agenda voor actie van Accra van 2008 van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 30 augustus 2006 "Het bestuur binnen de Europese consensus over het ontwikkelingsbeleid – Naar een geharmoniseerde aanpak in de Europese Unie" (COM(2006)0421),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (EIDHR)(6),

–   gezien het besluit van zijn Bureau van 18 juni 2007 tot oprichting van het Bureau voor de bevordering van de parlementaire democratie,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 mei 2008 over verkiezingswaarnemingsmissies van de EU: doelstellingen, praktijken en uitdagingen voor de toekomst(7),

–   gezien de conclusies van de Raad van 18 mei 2009 betreffende het steunen van democratisch bestuur – versterking van het EU-kader,

–   onder verwijzing naar de vraag van 30 september 2009 aan de Commissie over democratieopbouw in de externe betrekkingen (O-0093/2009 – B7-0213/2009),

–   gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat democratie en mensenrechten fundamentele waarden van de Europese Unie en haar lidstaten zijn en van meet af aan een vast onderdeel van het Europese integratieproces hebben gevormd,

B.   overwegende dat in de oprichtingsverdragen van de Europese Unie de gehechtheid aan democratie en mensenrechten duidelijk wordt beklemtoond en dat de criteria van Kopenhagen inzake "stabiele instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en de eerbiediging en de bescherming van minderheden garanderen" een kernpunt van het uitbreidingsproces hebben gevormd,

C.   overwegende dat de visie van de EU over democratieopbouw en -ondersteuning nog niet in één enkel document werd vervat,

D.   overwegende dat de succesvolle integratie van politieke, sociale en economische rechten in de ruime opvatting van democratie in de EU een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het creëren van stabiliteit en welvaart op een nooit eerder in de wereldgeschiedenis vertoonde wijze,

E.   overwegende dat artikel 11 van het EU-Verdrag bepaalt dat "ontwikkeling en versterking van de democratie en de rechtsstaat, alsmede eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden" tot de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid behoren,

F.   overwegende dat artikel 21 van het EU-Verdrag zoals gewijzigd door het Verdrag van Lissabon bepaalt dat het internationaal optreden van de Unie berust en gericht is op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen en dat de Unie toeziet op de samenhang tussen de diverse onderdelen van haar extreme optreden en tussen het extreme optreden en het beleid van de Unie op andere terreinen,

G.   overwegende dat de bevordering en bescherming van alle mensenrechten een basisvoorwaarde is voor het bestaan van een democratische maatschappij, zoals nogmaals is bevestigd in Resolutie nr. A/RES/59/201 van de Algemene Vergadering van de VN, en overwegende dat democratische stelsels verschillende verschijningsvormen kunnen aannemen, zoals dat ook binnen de EU het geval is, maar dat democratie een universele waarde is en dat de wezenlijke beginselen en elementen ervan zijn neergelegd in talrijke internationale verklaringen en verdragen; overwegende dat deze elementen, zoals gedefinieerd in de twee bovenvernoemde resoluties van de Algemene Vergadering van de VN van respectievelijk 2000 en 2004 (A/RES/55/96 en A/RES/59/201), onder meer het volgende inhouden:

   eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering en de vrijheid van mening en van meningsuiting,
   het recht om rechtstreeks of via vrij gekozen vertegenwoordigers deel te nemen aan behandeling van openbare aangelegenheden, en te stemmen en gekozen te worden via eerlijke, periodieke vrije verkiezingen met algemeen en gelijk stemrecht en bij geheime stemming, opdat de vrije uiting van de wil van het volk wordt gegarandeerd,
   een pluralistisch stelsel van politieke partijen en organisaties,
   eerbieding van de rechtsstaat,
   de scheiding der machten en onafhankelijke rechtspraak,
   transparantie en verantwoordingsplicht van de overheid,
   vrije, onafhankelijke en pluralistische media,

H.   overwegende dat in de VN-Millenniumverklaring van 2000 wordt gesteld dat een op de wil van het volk steunend democratisch en representatief bestuur de beste waarborg vormt voor het recht van mannen en vrouwen om hun leven te leiden en hun kinderen op te voeden in waardigheid, zonder honger en zonder angst voor geweld, onderdrukking of onrecht,

I.   overwegende dat van echte democratie slechts sprake is als mannen en vrouwen op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan het politieke leven en de besluitvorming,

J.   overwegende dat democratie, ontwikkeling en eerbiediging van alle mensenrechten, met inbegrip van economische, sociale en culturele rechten, nauw met elkaar zijn verbonden en elkaar versterken,

K.   overwegende dat democratie ook nauw samenhangt met veiligheid, zoals wordt erkend in de Europese Veiligheidsstrategie, waarin wordt verklaard dat de verspreiding van behoorlijk bestuur, steun voor sociale en politieke hervormingen, de aanpak van corruptie en machtsmisbruik, de vestiging van de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten de beste manier vormen om de internationale orde te versterken,

L.   overwegende dat de Europese Unie beschikt over een breed scala aan instrumenten en middelen, variërend van politieke dialoog en diplomatieke initiatieven tot specifieke instrumenten voor financiële en technische samenwerking, waarmee zij de democratie en de mensenrechten wereldwijd kan ondersteunen,

M.   overwegende dat de externe financiële instrumenten van de Europese Unie, zoals het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) en het Stabiliteitsinstrument (IfS), alle belangrijke mogelijkheden bieden om steun te verlenen voor democratisch bestuur, institutionele opbouw en capaciteitsopbouw,

N.   overwegende dat het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) een essentieel instrument is voor financiële bijstand op het gebied van mensenrechten en democratie, aangezien het de hele wereld bestrijkt, zonder de instemming van het gastland kan worden gebruikt en rechtstreeks steun biedt aan maatschappelijke organisaties; overwegende dat de door het EIHDR gefinancierde verkiezingswaarnemingsmissies van de EU een belangrijk onderdeel uitmaken van de bijdrage die de Europese Unie levert aan de opbouw van democratische instellingen, die met name follow-up van de aanbevelingen van deze verkiezingswaarnemingsmissies omvat,

O.   overwegende dat het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol kan spelen bij de externe inspanningen van de Unie op het gebied van de democratieopbouw, zoals blijkt uit de bijdrage van vrijwilligers aan vredes- en democratieopbouwprogramma's,

P.   overwegende dat er meer duidelijkheid moet komen over de vraag welke democratieondersteuning van de democratie de EU momenteel biedt, hoe het uitgebreide arsenaal aan middelen en instrumenten van de Unie om de democratie wereldwijd te ondersteunen, in partnerlanden effect sorteert, en hoe die verschillende instrumenten en actoren werken, elkaar aanvullen en met elkaar in verbinding staan,

Q.   overwegende dat in de bovenvernoemde resolutie van 31 maart 2004 over de mededeling van de Commissie over bestuur en ontwikkeling het belang wordt benadrukt van "electorale en parlementaire hervormingen die verder gaan dan de invoering van verkiezingsstelsels met meer partijen, teneinde te zorgen voor meer en effectievere politieke activiteit onder de bevolking",

1.   deelt de opvatting dat er een coherenter en eenvormiger kader nodig is om de steun van de EU voor democratieopbouw, en in de eerste plaats de bevordering van democratische waarden en eerbiediging van de mensenrechten, wereldwijd doeltreffender te maken;

2.   is ingenomen met de inspanningen van het huidige EU-voorzitterschap en diens voorgangers om een pijleroverschrijdend initiatief voor democratieopbouw in het externe optreden van de Unie ten uitvoer te leggen, met als doel het EU-beleid beter af te stemmen, het optreden te versterken en het werk beter te coördineren, en beklemtoont dat er continu in die richting moet worden gewerkt in het kader van de conclusies van de Raad die in november 2009 moeten worden vastgesteld; benadrukt in dit verband dat de Raad daarbij naar behoren rekening moet houden met een aantal belangrijke beginselen zoals transparantie, toegang tot documenten, raadpleging en verantwoordingsplicht;

3.   beveelt aan dat in de conclusies van de komende Raad concrete en praktische voorstellen worden opgenomen voor een betere coördinatie van de democratieondersteuningsmaatregelen in het kader van de instrumenten van de EU op het gebied van buitenlands, mensenrechten- en ontwikkelingsbeleid; herhaalt dat de samenhang, de coördinatie en de doeltreffendheid van het externe optreden van de EU aanzienlijk kunnen worden verbeterd door landenstrategieën voor mensenrechten en democratie vast te stellen, die moeten worden beschouwd als referentiedocument waarin voor het betreffende derde land specifieke prioriteiten ter zake worden vastgesteld, die in alle desbetreffende externe beleidsmaatregelen en instrumenten van de EU met betrekking tot het betreffende land worden gemainstreamd;

4.   herhaalt dat democratisering en goed bestuur geen doelen op zich zijn, maar ook van vitaal belang zijn voor armoedevermindering, duurzame ontwikkeling, vrede en stabiliteit; wijst erop dat democratie, zoals het interne integratieproces van de EU laat zien, niet alleen politieke en burgerrechten helpt realiseren, maar ook economische, culturele en sociale rechten, waaronder ook solidariteit;

5.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij het opzetten van de nieuwe Dienst voor extern optreden te zorgen voor een effectieve integratie van mensenrechten en democratieopbouw in alle beleidsgebieden, en lering te trekken uit bestaande processen en ervaringen teneinde in het veld vooruitgang te boeken met de bevordering van democratische waarden;

6.   is van oordeel dat het verankeren van democratie en democratische processen in derde landen de beste vooruitzichten oplevert voor de totstandbrenging van doeltreffend beleid in verband met wereldwijde vraagstukken die ook voor de EU-burgers van belang zijn; wijst erop dat democratische stelsels bijvoorbeeld grensoverschrijdende misdaad, illegale immigratie en mensenhandel effectiever kunnen bestrijden en kunnen zorgen voor milieubescherming, een open mondiaal handelsstelsel en duurzame en concurrerende energiebevoorrading;

7.   verzoekt de EU met aandrang een gecoördineerde wereldwijde inzet ten behoeve van de democratie te bevorderen door publiekelijk de definitie van democratie van de Algemene Vergadering van de VN van 2005 te onderschrijven als uitgangspunt voor haar eigen democratiseringswerk;

8.   beklemtoont dat democratie niet kan worden geëxporteerd of van buitenaf kan worden opgelegd en dat een succesvolle strategie voor democratiebevordering alleen kan berusten op dialoog en de nodige inspanningen tot versterking van het maatschappelijk leven en verhoging van het democratisch besef in de ontwikkelingslanden impliceert; onderstreept dat de EU nog steeds vasthoudt aan de beginselen inzake eigen inbreng van de partnerlanden in hun ontwikkelingsstrategieën en -programma's; wijst er echter op dat deze processen door alle verschillende EU-instrumenten kunnen worden gesteund, naar gelang van de specifieke situatie van elk land;

9.   benadrukt dat de EU strategieën moet uitwerken om de ontwikkeling van een maatschappelijk middenveld en democratische structuren te bevorderen, en dat politieke stichtingen, niet-gouvernementele organisaties en academische instellingen in dit verband een belangrijke rol spelen en ondersteuning verdienen;

10.   stelt voor dat de Raad en de Commissie een alomvattende en gedetailleerde analyse verrichten van alle soorten EU-steun voor de democratie in een aantal partnerlanden, zodat op basis daarvan praktische aanbevelingen kunnen worden gedaan;

11.   beveelt de Raad en de Commissie aan de OESO-Verklaring van Parijs en het Actieprogramma van Accra inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp ten uitvoer te leggen bij hun acties ter ondersteuning van de democratie en stelt met name voor om op EU-niveau voor gezamenlijke democratiebeoordelingen, gezamenlijke programmering en lastenverdeling te zorgen, teneinde de impact en de zichtbaarheid van het democratieondersteunende optreden van de EU te vergroten;

12.   wijst nadrukkelijk op het belang van de mensenrechtenclausules die reeds in EU-overeenkomsten zijn vervat; herhaalt in dit verband dat het beter is eerst die clausules in bestaande overeenkomsten consequent toe te passen dan nieuwe overeenkomsten met extra voorwaarden uit te werken;

13.   stelt voor dat de Commissie stelselmatig een afdeling over de stand van de democratie en de mensenrechten opneemt in de landenstrategiedocumenten, de aanbevelingen van betrokken EU-verkiezingswaarnemingsmissies overneemt en waar mogelijk democratieondersteuning integreert in programma's met partnerlanden;

14.   wijst erop de activiteiten die uit hoofde van de diverse externe financieringsinstrumenten worden uitgevoerd, beter moeten worden gecoördineerd en dat optimaal gebruik moet worden gemaakt van de complementariteit tussen geografische en thematische instrumenten;

15.  verzoekt de Raad en de Commissie met klem om, alvorens nieuwe democratieopbouwinitiatieven te lanceren, een breed en alomvattend overleg te voeren met alle belanghebbenden in de EU-landen en derde landen, met inbegrip van institutionele, regionale en lokale actoren, verdedigers van de mensenrechten en onafhankelijke maatschappelijke organisaties;

16.   moedigt de Commissie aan om de democratische instellingen op alle niveaus, met name de parlementen en regionale en plaatselijke overheden, stelselmatiger te betrekken bij de voorbereiding en uitvoering van specifiek voor een bepaald land bestemde instrumenten, zoals overeenkomsten tussen de EU en het betreffende land en landenstrategiedocumenten;

17.   verzoekt de Commissie de oprichting van een uit vrijwilligers bestaand Europees Vredescorps te overwegen, en daarbij rekening te houden met de positieve ervaringen van het Europees Vrijwilligerswerk (EVS);

18.   wijst erop dat de ondersteuning van de democratie door de EU alomvattend moet zijn en alle punten van de bovenvernoemde resolutie van de Algemene Vergadering van de VN over de uitkomst van de Wereldtop van 2005 moet bestrijken, en dat bij de verstrekking van die steun aan de lange termijn moet worden gedacht; beschouwt het EIDHR als het belangrijkste financiële instrument hiervoor, en pleit voor handhaving en versterking van de desbetreffende steun;

19.   is ingenomen met de positieve bijdrage die de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU hebben geleverd aan de versterking van de democratische processen, de eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, goed bestuur en de rechtsstaat, en met name aan de verbetering van de verkiezingsprocessen overal ter wereld, maar wijst op de noodzaak van een coherent postelectoraal beleid, met bijzondere aandacht voor convergentie tussen technische en politieke follow-up en inbreng van het maatschappelijk middenveld, waarbij ontwikkelingssteun wordt gekoppeld aan democratische beginselen en waarden van democratisch bestuur;

20.   verzoekt de Commissie voort te bouwen op de geslaagde samenwerking met de VN bij verkiezingswaarnemingsmissies en meer gezamenlijke strategieën en projecten ter bevordering van democratie en mensenrechten te ontwikkelen in samenwerking met de VN en andere regionale organisaties, zoals de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE) en de Afrikaanse Unie;

21.   wijst erop dat bij de inspanningen van de EU op het gebied van democratieopbouw stelselmatiger de nadruk moet liggen op de rol van gekozen vertegenwoordigers, politieke partijen, een onafhankelijke rechterlijke macht en de media, evenals op de bevordering van de deelname van vrouwen aan het politieke en openbare leven; wijst ook op het belang van steun voor politieke stichtingen, niet-gouvernementele organisaties en academische instellingen;

22.   beveelt aan een specifieke strategie in te voeren voor de ondersteuning van nieuw- en democratisch gekozen parlementen, ten einde de democratie, de rechtsstaat en goed bestuur permanent te verankeren; roept voorts op om peer-to-peeroverleg tussen parlementsleden van verschillende nationaliteiten te ontwikkelen om na te gaan hoe de kiezersbelangen efficiënt en daadwerkelijk kunnen worden vertegenwoordigd, hoe efficiënt en daadwerkelijk toezicht kan worden gehouden op de uitvoerende macht en hoe een informatiestroom tussen alle delen van het overheidsapparaat gaande kan worden gehouden;

23.   bevestigt zijn eigen vastberadenheid om democratische processen te helpen versterken door een grotere rol te gaan spelen bij verkiezingswaarnemingen, de follow-up van de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU en parlementaire capaciteitsopbouw; verzoekt zijn Bureau voor de bevordering van de parlementaire democratie (OPPD) daartoe een omvattend actieplan bij de desbetreffende parlementaire commissies in te dienen, dat een duidelijke regeling voor samenwerking met interparlementaire delegaties en gemengde parlementaire commissies moet bevatten; acht het voorts belangrijk dat hierbij ook parlementaire vergaderingen zoals de ACS-EU-, EUROLAT-, EUROMED- en EURONEST-vergaderingen worden betrokken;

24.   moedigt de delegaties van de Commissie aan om met het OPPD samen te werken wanneer zij programma's ter ondersteuning van de parlementaire democratie overwegen of in gang zetten;

25.   beveelt aan een actieplan op te nemen in de conclusies van de Raad van november en vóór eind 2010 een evaluatie van de geboekte vooruitgang te verrichten; verzoekt het huidige voorzitterschap en de komende voorzitterschappen van de EU de resultaten van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen aan de bevoegde commissies van het Parlement te presenteren;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.
(2) PB C 343 van 5.12.2001, blz. 270.
(3) PB C 131 E van 5.6.2003, blz. 147.
(4) PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 550.
(5) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(6) PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0194.


Europese Dienst voor extern optreden
PDF 138kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over de institutionele aspecten van de oprichting van een Europese Dienst voor extern optreden (2009/2133(INI))
P7_TA(2009)0057A7-0041/2009

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 3, lid 5, en de artikelen 18, 21, 24, 26, 27 en 47 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de versie van het Verdrag van Lissabon,

–   gezien Verklaring nr. 15 ad artikel 27 van het Verdrag betreffende de Europese Unie die is gehecht aan de slotakte van de Intergouvernementele Conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 februari 2008 over het Verdrag van Lissabon, en met name punt 5, onder e)(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 september 2000 over de gemeenschappelijke communautaire diplomatieke dienst(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 juni 2001 over de mededeling van de Commissie over de ontwikkeling van de buitenlandse dienst(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 mei 2005 over de institutionele aspecten van de oprichting van een Europese Dienst voor extern optreden(4),

–   gezien de workshop van 10 september 2008 van de Commissie constitutionele zaken,

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0041/2009),

A.   overwegende dat de opzet van de toekomstige Europese Dienst voor extern optreden (EEAS) van het grootste belang is om de externe betrekkingen van de Unie coherenter en efficiënter te maken en meer zichtbaarheid te geven,

B.   overwegende dat de EEAS voortvloeit uit drie nieuwe elementen die door het Verdrag van Lissabon worden ingevoerd, namelijk de verkiezing van een niet-roterende voorzitter van de Europese Raad, die verantwoordelijk zal zijn voor de externe vertegenwoordiging van de Unie op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders, de aanwijzing door de Europese Raad, met de instemming van de voorzitter van de Commissie, van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die tevens vicevoorzitter van de Commissie verantwoordelijk voor externe betrekkingen zal zijn ("de VV/HV"), en de uitdrukkelijke toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de Unie, die haar volledige vrijheid geeft om op internationaal niveau op te treden,

C.   overwegende dat de EEAS een logische uitbreiding van het communautair acquis op het gebied van de externe betrekkingen van de Unie vormt, aangezien de EEAS voor meer coördinatie tussen de betrokken administratieve diensten zal zorgen met het oog op een gezamenlijke aanpak van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en de overeenkomstig het communautaire model onderhouden externe betrekkingen van de Gemeenschap; overwegende dat de EEAS een aanvulling op de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten vormt, zonder deze ter discussie te stellen,

D.   overwegende dat de Europese Unie de laatste decennia op het wereldtoneel een steeds belangrijker rol is gaan spelen, en dat een nieuwe benadering nodig is wil de EU coherent, consistent, efficiënt en gezamenlijk kunnen optreden en de mondiale opgaven aankunnen,

E.   overwegende dat het Europees Parlement steeds heeft gepleit voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese diplomatieke dienst die in verhouding staat tot de internationale rol van de Unie, en die de zichtbaarheid van de Unie en haar vermogen tot effectief optreden in de internationale arena moet vergroten; overwegende dat de Raad, de Commissie en de lidstaten dienen opgeroepen te worden de oprichting van een gemeenschappelijke EEAS aan te grijpen als gelegenheid voor de totstandbrenging van een coherenter, consistenter en doelmatiger buitenlands beleid,

F.   overwegende dat de oprichting van de EEAS ertoe moet bijdragen dat dubbel werk, inefficiëntie en verkwisting van middelen in het externe optreden van de Unie worden vermeden,

G.   overwegende dat de EEAS moet dienen om de EU meer zichtbaarheid te geven als leidende partner van de ontwikkelingslanden en moet voortbouwen op de nauwe betrekkingen van de EU met de ontwikkelingslanden,

H.   overwegende dat ontwikkelingssamenwerking in het Verdrag van Lissabon wordt vermeld als autonoom beleidsgebied met eigen doelstellingen, op gelijke voet met andere onderdelen van het extern beleid,

I.   overwegende dat de regeringen van de lidstaten in Verklaring nr. 15 ad artikel 27 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verklaard hebben dat de VV/HV, de Commissie en de lidstaten met voorbereidende werkzaamheden voor de EEAS moeten beginnen zodra het Verdrag van Lissabon ondertekend is,

J.   overwegende dat na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de VV/HV verantwoordelijk zal zijn voor de samenhang van het externe optreden van de Unie; overwegende dat hij in het kader van zijn taak als vicevoorzitter van de Commissie de bevoegdheden van de Commissie op het gebied van de externe betrekkingen zal uitoefenen en tegelijk in opdracht van de Raad verantwoordelijk zal zijn voor het GBVB ("dubbel mandaat"); overwegende dat de VV/HV gebruik zal maken van de EEAS; overwegende dat het personeel van de EEAS zal worden samengesteld uit ambtenaren van het secretariaat van de Raad en van de Commissie en van gedelegeerd personeel van nationale diplomatieke diensten,

K.   overwegende dat de Commissie, uit hoofde van de Verdragen en het in de jurisprudentie van het Hof van Justitie erkende recht van de communautaire instellingen zelf verantwoordelijk te zijn voor hun organisatie, naarmate het externe optreden van de Gemeenschappen zich uitbreidde tal van delegaties in derde landen en bij internationale organisaties heeft ingesteld; overwegende dat de Raad verbindingsbureaus in New York en Genève heeft om de betrekkingen met de Verenigde Naties te onderhouden; overwegende dat de gecombineerde inbreng van deze delegaties van de Commissie en verbindingsbureaus van de Raad, of de samenvoeging daarvan tot gezamenlijke vertegenwoordigingen van de Raad en de Commissie, een netwerk met ongeveer 5 000 personeelsleden zal vormen, dat een van de grondslagen voor de oprichting van de EEAS zal zijn,

L.   overwegende dat de organisatie en de werkwijze van de EEAS zodra het Verdrag van Lissabon in werking is getreden, zullen worden vastgesteld bij een besluit van de Raad op voorstel van de VV/HV, na raadpleging van het Parlement en met instemming van de Commissie,

M.   overwegende dat een aantal principekwesties in verband met de opzet van de EEAS tijdig moet worden opgelost zodat de dienst zijn werkzaamheden zo spoedig mogelijk na de aanwijzing van de VV/HV kan aanvatten,

N.   overwegende dat - in aanmerking nemende dat het Parlement over de oprichting van de EEAS zal moeten worden geraadpleegd, en lettend op de budgettaire consequenties - een vroegtijdige en inhoudelijke dialoog met het Parlement van essentieel belang is om te zorgen dat EEAS daadwerkelijk van start gaat en de nodige financiële middelen krijgt,

1.   wijst erop dat Conventie na diepgaande discussies over de opzet van de EEAS een model heeft voorgesteld waarin een belangrijke rol is weggelegd voor het Parlement en de Commissie; wijst erop dat de bijzondere procedure die de Intergouvernementele Conferentie uiteindelijk in het Verdrag van Lissabon heeft vastgesteld – namelijk een eenparig besluit van de Raad op voorstel van de VV/HV, na raadpleging van het Europees Parlement en met instemming van de Commissie – het evenwicht tussen de instellingen van de Unie handhaaft en vereist dat er consensus bestaat over een oplossing;

2.   herinnert de Commissie er nogmaals aan dat het besluit tot oprichting van de EEAS niet kan worden vastgesteld zonder instemming van de Commissie; verzoekt de Commissie bij de voorbereidende werkzaamheden ter zake haar volle institutionele gewicht in de schaal te leggen om het communautaire model op het gebied van de externe betrekkingen van de Unie te behouden en verder te ontwikkelen; herinnert er bovendien aan dat bij de oprichting van de EEAS overeenstemming moet worden bereikt over de begrotingsaspecten;

3.   vraagt de Commissie, de Raad, de lidstaten en de toekomstige HV/VV om duidelijk te kiezen voor overeenstemming over een alomvattend en ambitieus plan voor de oprichting van de EEAS, waarbij ook het Parlement betrokken wordt;

4.   beveelt aan om de aanpak van de EEAS, die zal worden opgericht overeenkomstig de artikelen 18, 27 en 40 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de versie van het Verdrag van Lissabon, te laten evolueren naar gelang van de ervaring; is van mening dat een orgaan als de EEAS niet volledig van tevoren kan worden omschreven of vastgelegd, maar door wederzijds vertrouwen, toenemende knowhow en gemeenschappelijke ervaring moet worden opgezet;

5.   herinnert eraan dat de EEAS de volledige toepassing van het Handvest van de grondrechten moet waarborgen, bij het externe optreden van de Unie in al zijn aspecten, in overeenstemming met de geest en het doel van het verdrag van Lissabon; onderstreept de verantwoordelijkheid van de EEAS voor het waarborgen van de samenhang tussen het externe optreden en andere beleidsterreinen, overeenkomstig artikel 21, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon;

6.   bevestigt de volgende beginselen en verzoekt de Commissie met aandrang om in toekomstige voorstellen vast te houden aan de naleving van deze beginselen, overeenkomstig de geest en het doel van de bepalingen van het Verdrag van Lissabon en de in de geest van de beraadslagingen van de Conventie:

   (a) het personeel van de EEAS moet op grond van verdienste, deskundigheid en uitmuntendheid worden benoemd en in passende en geografisch gezien evenwichtige verhoudingen afkomstig zijn van de Commissie, de Raad en nationale diplomatieke diensten via open en transparante procedures, zodat de VV/HV op gelijke wijze een beroep kan doen op de kennis en ervaring van alle drie; voorts moet de institutionele opzet van de EEAS een genderarchitectuur omvatten die een juiste afspiegeling is van de verplichtingen die de Unie ten aanzien van gendermainstreaming is aangegaan;
   (b) de EEAS moet een vorm aannemen die het externe optreden van de Unie en haar vertegenwoordiging in buitenlandse betrekkingen coherenter maakt; daartoe moeten met name de eenheden die met externe betrekkingen in engere zin belast zijn, alsook leidinggevende functies in de delegaties in derde landen onverwijld bij de EEAS worden ondergebracht; in de loop van de verdere ontwikkeling kan vervolgens worden overwogen welke andere functies aan de EEAS moeten worden toegewezen;
   (c) het is niet nodig alle directoraten-generaal van de Commissie hun bevoegdheden op het gebied van externe betrekkingen te ontnemen; met name op gebieden waar de Commissie uitvoeringsbevoegdheden heeft, moeten de huidige communautaire beleidsgebieden met een externe dimensie een geheel blijven vormen; de Commissie moet ter vermijding van dubbel werk een specifiek model voorleggen voor de desbetreffende diensten;
   (d) de eenheden voor militaire en civiele crisisbeheersing moeten onder het gezag van de VV/HV worden geplaatst, terwijl er voor het militaire personeel wellicht een andere bevel- en organisatiestructuur nodig zal zijn dan voor het civiele personeel; het is van essentieel belang dat de verschillende functionarissen binnen de EEAS hun inlichtingenanalyses delen om de VV/HV behulpzaam te kunnen zijn bij de vervulling van diens mandaat tot het voeren van een samenhangend, consistent en doelmatig extern beleid voor de Unie;
   (e) de delegaties van de Commissie in derde landen en de verbindingsbureaus van de Raad, alsmede zo mogelijk de bureaus van de speciale EU-gezanten, moeten worden samengevoegd tot "ambassades van de Unie" onder leiding van personeelsleden van de EEAS die verantwoording verschuldigd zijn aan de VV/HV; er mag niet worden belet dat gespecialiseerde adviseurs van de directoraten-generaal van de Commissie worden gedelegeerd om in dat kader te gaan werken;
   (f) de EEAS moet ervoor zorgen dat het Europees Parlement contactpersonen in de EU-delegaties heeft die garant staan voor de samenwerking met het Europees Parlement (bijvoorbeeld om de parlementaire contacten in derde landen te bevorderen);

7.   is van mening dat de EEAS als dienst met een uit organisatorisch en budgettair oogpunt eigen aard moet worden opgenomen in de administratieve structuur van de Commissie, daar dit volledige transparantie garandeert; is van oordeel dat in het besluit tot oprichting van de EEAS op juridisch bindende wijze, door middel van de leidinggevende bevoegdheden van de VV/HV, moet worden gegarandeerd dat de dienst overeenkomstig het Verdrag van Lissabon onderworpen is aan de besluiten van de Raad op de klassieke gebieden van het externe beleid (GBVB en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid) en de besluiten van het college van commissarissen op het gebied van de gezamenlijke externe betrekkingen; is van mening dat de EEAS als volgt moet worden opgezet:

   (a) alle personeelsleden van de EEAS moeten dezelfde vaste of tijdelijke status en dezelfde rechten en plichten hebben, ongeacht hun oorsprong; er mag bijvoorbeeld geen verschil zijn tussen tijdelijke en vaste functionarissen wat hun taken of hun plaats in het organisatieschema betreft; op grond van hun respectieve herkomst moeten tijdelijke personeelsleden onder het statuut van de EU-ambtenaren vallen, met dien verstande dat de autoriteiten van hun dienst van oorsprong hen in het belang van de dienst naar de EEAS delegeren;
   (b) de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag moeten worden toegewezen aan de VV/HV, zodat de dienstinstructies worden verstrekt overeenkomstig de uit het Verdrag voortvloeiende verantwoordelijkheden en zodat de VV/HR beslist over benoemingen, bevorderingen en beëindiging van arbeidsovereenkomsten;
   (c) in de context van de instructies die uit de in de Verdragen omschreven verantwoordelijkheden voortvloeien, moet het personeel van de EEAS over een zekere objectieve onafhankelijkheid beschikken, zodat de dienst zijn taken optimaal kan uitvoeren; deze onafhankelijkheid kan worden gegarandeerd door benoemingen voor een vaste termijn, bijvoorbeeld vijf jaar, die eventueel kan worden verlengd en die slechts kan worden verkort indien het personeelslid zich niet aan zijn ambtelijke verplichtingen houdt;
   (d) naar analogie van precedenten(5) moet de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de taken van het tot aanstelling bevoegde gezag met betrekking tot het beheer van de indienstneming van het EEAS-personeel en de uitvoering van de besluiten van de VV/HV betreffende benoemingen, bevorderingen en verlenging of beëindiging van arbeidsovereenkomsten, worden toegewezen aan het bevoegde directoraat-generaal van de Commissie;
   (e) detachering bij de EEAS door een nationale diplomatieke dienst moet worden beschouwd als integraal deel van de loopbaan binnen die dienst;
   (f) in het besluit tot oprichting van de EEAS moet de organisatiestructuur van de dienst worden vastgesteld, en moet de personeelsformatie in het kader van de begrotingsprocedure wordt goedgekeurd als onderdeel van de begroting van de Commissie (administratieve uitgaven), zodat de dienst op structurele wijze en gelijke tred houdend met de vastgestelde behoeften kan worden opgebouwd;
   (g) de oprichting van de EEAS noopt tot aanpassing van het interinstitutioneel akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(6), zoals bepaald in artikel 4 en deel II, punt G daarvan; wijst erop dat het beginsel van de verdeling in beleidsuitgaven en administratieve uitgaven (artikel 41, lid 2 van het Financieel Reglement(7)) strikt aangehouden moet worden;
   (h) de VV/HV moet per geval en naar gelang van de te verrichten taken beslissen wie hem/haar vervangt als hij/zij afwezig is;

8.   herinnert aan de noodzaak om met het Parlement tot overeenstemming te komen over de toekomstige voorstellen van de Commissie tot wijziging van het Financieel Reglement en het Statuut van het personeel; verklaart zich nogmaals vastbesloten om ten volle gebruik te maken van zijn begrotingsbevoegdheden waar het gaat om deze institutionele vernieuwingen; benadrukt dat alle aspecten rond de financieringsafspraken voor de EEAS onder toezicht moeten blijven staan van de begrotingsautoriteit, overeenkomstig de Verdragen;

9.   is van mening dat:

   (a) de EEAS onder leiding moet staan van een directeur-generaal die verantwoording verschuldigd is aan de VV/HV en dat de directeur-generaal de VV/HR in bepaalde gevallen kan vertegenwoordigen;
   (b) de EEAS moet worden onderverdeeld in een aantal directoraten die elk verantwoordelijk zijn voor een geostrategisch belangrijk gebied van de externe betrekkingen van de Unie, alsmede directoraten voor veiligheids- en defensiebeleid, civiele crisisbeheersing, multilaterale en horizontale kwesties, waaronder mensenrechten, en administratieve kwesties;
   (c) de EEAS in het kader van elk directoraat de samenwerking tussen de landeneenheden in Brussel en de delegaties (ambassades) van de Unie in derde landen structureert;
   (d) er geen verdubbeling mag zijn van de externe diensten in de Raad of in de Europese Raad;

10.   merkt op dat waar de delegaties van de EU in derde landen de bestaande diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten zullen aanvullen, zich mogelijkheden aandienen voor efficiëntiewinst op langere termijn, doordat de toekomstige EU-delegatie in veel gevallen consulaire diensten kan overnemen en kwesties rond Schengenvisa kan afhandelen;

11.   is van mening dat in het besluit betreffende de organisatie en het functioneren van de EEAS ook moet worden bepaald dat de ambassades van de Unie in derde landen de leden van alle instellingen van de Unie zo nodig en al naar gelang de middelen waarover zij beschikken, logistieke en administratieve ondersteuning moeten bieden;

12.   gaat ervan uit dat de delegaties van de Europese Unie integraal deel zullen uitmaken van de EEAS en dat zij hun instructies krijgen van de VV/HV en onder diens toezicht staan, terwijl zij administratief tot de Commissie behoren; verlangt echter van de toekomstige VV/HV de toezegging, dat hij/zij de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking van het Parlement zal informeren omtrent zijn/haar benoemingen op hoge posten van de EEAS en de commissies zullen toestaan hoorzittingen te houden met de kandidaten indien de commissies daartoe besluiten; verlangt tevens dat de toekomstige VV/HV zich verbindt met het Europees Parlement te zullen onderhandelen over het huidige Kaderakkoord(8), met name over toegang tot gevoelige informatie en andere kwesties die van belang zijn voor een soepele interinstitutionele samenwerking;

13.   stelt voor te onderzoeken in hoeverre de bij ambassades van de Unie gedelegeerde personeelsleden van nationale consulaire diensten naast de vervulling van hun politieke en economische taken zo nodig ook geleidelijk verantwoordelijk kunnen worden voor consulaire taken ten behoeve van burgers van derde landen en taken met betrekking tot de diplomatieke en consulaire bescherming van burgers van de Unie in derde landen, zoals reeds is bepaald in artikel 20 van het EG-Verdrag; stelt verder voor om mogelijkheden voor samenwerking tussen ambtenaren van het Parlement en de EEAS te overwegen;

14.   acht het noodzakelijk verdere maatregelen te nemen om ambtenaren van de Unie te scholen in externe betrekkingen; stelt voor om een Europese diplomatenschool op te richten die ambtenaren van de Unie en de lidstaten die taken op het gebied van externe betrekkingen moeten vervullen, in samenwerking met bevoegde instellingen in de lidstaten een passende opleiding in consulaire en gezantschapsprocedures, diplomatie en internationale betrekkingen, alsmede over de geschiedenis en het functioneren van de Europese Unie kan verstrekken;

15.   verzoekt de VV/HV om, rekening houdend met de in deze resolutie vermelde richtsnoeren, een ontwerpvoorstel voor een besluit betreffende de organisatie en het functioneren van de EEAS op te stellen; behoudt zich het recht voor om overeenkomstig artikel 27, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de versie van het Verdrag van Lissabon een gedetailleerd standpunt over dat voorstel vast te stellen en de financiële aspecten ervan in de loop van de begrotingsprocedure te onderzoeken; beveelt echter aan dat in een vroeg stadium over alle kwesties een politiek akkoord met het Parlement wordt bereikt, zodat na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon geen kostbare tijd wordt verspild met politieke controverse over de vorm die de EEAS moet aannemen;

16.   verzoekt de Commissie slechts met het voorstel van de VV/HV in te stemmen als het grotendeels overeenstemt met de in deze resolutie vermelde richtsnoeren of als er via contacten tussen de instellingen, waaronder het Parlement, consensus is bereikt over een andere compromisoplossing;

17.   is vastbesloten de voorgedragen vicevoorzitter van de volgende Commissie te verzoeken een standpunt in te nemen over de kwesties die in deze resolutie aan de orde worden gesteld, wanneer hij voor de ter zake bevoegde commissie verschijnt in de loop van de procedure voor de benoeming van de volgende Commissie;

18.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 184 E van 6.8.2009, blz. 25.
(2) PB C 135 van 7.5.2001, blz. 69.
(3) PB C 53 E van 28.2.2002, blz. 390.
(4) PB C 117 E van 18.5.2006, blz. 232.
(5) Bijvoorbeeld artikel 6 van Besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 28 april 1999 tot oprichting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136 van 31.5.1999, blz. 20).
(6) Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1).
(7) Verordening (EG, Euratom) Nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1).
(8) Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie (PB C 121 van 24.4.2001, blz. 122).


Voorbereiding van de Bijeenkomst van de TEC en de Top EU/USA
PDF 174kWORD 75k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over de aanstaande topontmoeting EU-VS en de vergadering van de trans-Atlantische Economische Raad
P7_TA(2009)0058RC-B7-0095/2009

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 8 mei 2008 over de trans-Atlantische Economische Raad(1), van 5 juni 2008 over de komende top EU-VS(2), en van 26 maart 2009 over de stand van de trans-Atlantische betrekkingen in de nasleep van de VS-verkiezingen(3),

–   gezien de resultaten van de EU-VS-topbijeenkomst op 5 april 2009 in Praag,

–   gezien het voortgangsverslag dat tijdens de derde bijeenkomst van de trans-Atlantische Economische Raad (TEC) op 12 december 2008 is aangenomen, en de gezamenlijke verklaring die is aangenomen tijdens de bijeenkomst van het trans-Atlantische overleg (TWD) van parlementsleden in april 2009 in Praag,

–   gezien het verslag van de afvaardiging van de Verenigde Naties over het geschil in Gaza onder leiding van rechter Goldstone, dat op 15 september 2009 is gepubliceerd,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 september 2009over de voorgenomen internationale overeenkomst inzake het beschikbaar stellen van gegevens over het betalingsverkeer aan het Ministerie van Financiën van de Verenigde Staten voor de preventie en bestrijding van terrorisme en van de financiering ervan(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 oktober 2009 over de op 24 en 25 september 2009 in Pittsburgh gehouden G20-Top(5),

–   gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de Europese Unie ingenomen is met de bereidheid tot samenwerking van de regering van de VS op internationaal vlak en met het aanhalen van de banden tussen de EU en de VS, wat een hoeksteen is van het buitenlandse beleid van de EU,

B.   overwegende dat de EU en de VS een strategische rol bekleden wat de wereldwijde economische problemen aangaat, aangezien hun bruto binnenlands product (BBP) meer dat de helft van het wereldwijde BBP vertegenwoordigt, en dat de twee partners 's werelds grootste bilaterale handels- en investeringspartnerschap onderhouden, dat bijna 40% van de wereldhandel omvat,

C.   overwegende dat de EU en de VS tevens gemeenschappelijke politieke belangen hebben, en in de wereldwijde politieke arena de verantwoordelijkheid delen voor de bevordering van vrede, eerbiediging van de mensenrechten en stabiliteit, en voor het aanpakken van verschillende wereldwijde gevaren en uitdagingen, zoals nucleaire proliferatie, terrorisme, klimaatverandering, continuïteit van de energievoorziening en het opzetten van koolstofarme economieën, en de uitroeiing van armoede, alsmede het bereiken van andere millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MDGs),

D.   overwegende dat het werk van de TEC dient te worden voortgezet in de richting van verwezenlijking van een geïntegreerde trans-Atlantische markt uiterlijk in 2015, hetgeen een essentieel middel is om groei en herstel van de economie aan te zwengelen,

E.   overwegende dat een gezamenlijke leiding door de EU en de VS bovendien nodig is om de ontwikkelingsronde van Doha te doen slagen,

F.   overwegende dat het van belang is dat de rol van de wetgevers in het TEC-proces duidelijk tot uiting komt, en dat de prioriteiten van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen,

G.   overwegende dat de EU en de VS te maken zullen krijgen met een toenemend wereldwijd energieverbruik en de noodzaak om de in Kopenhagen vast te stellen wereldwijde verplichtingen ter bestrijding van klimaatverandering in daden om te zetten, en dat de nieuwe normen en maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie geen nieuwe hinderpalen voor het trans-Atlantische handelsverkeer mogen opwerpen, noch de zekerheid en veiligheid van splijtbaar materiaal in het gedrang mogen brengen,

H.   overwegende dat de instrumenten voor het buitenlands beleid van het Verdrag van Lissabon de EU in staat zullen stellen een krachtigere en coherentere rol op het internationale toneel te vervullen,

I.   overwegende dat de financiële en economische crisis zich binnen korte tijd heeft ontwikkeld tot een crisis op de arbeidsmarkt met ernstige maatschappelijke consequenties, en dat de trans-Atlantische partners een gedeelde verantwoordelijkheid dragen voor het aanpakken van de sociale dimensie van de economische crisis,

J.   overwegende dat recente enquêtes, zoals de Transatlantic Trends 2009 van het Duitse Marshall Fonds, aantonen dat de steun van de EU-burgers voor de regering van de VS groter is dan ooit, en dat dit als basis kan dienen voor een nieuw elan in de betrekkingen tussen de EU en de VS,

Topontmoeting EU-VS

1.   bekrachtigt andermaal dat de betrekkingen tussen de EU en de VS het belangrijkste strategische partnerschap van de EU vormen en onderstreept hoe belangrijk het is dat de EU en de regering van de VS hun strategische dialoog, samenwerking en coördinatie intensiveren waar het gaat om wereldwijde problemen en regionale conflicten; verzoekt de Commissie na afloop van de aanstaande topontmoeting EU-VS een mededeling voor te leggen over een strategisch partnerschap tussen de EU en de VS;

2.   dringt er bij beide partijen op aan de eerbiediging van de mensenrechten in de wereld als kernelement van hun beleid te bevorderen; beklemtoont de noodzaak van intensieve coördinatie bij preventieve diplomatie en crisisbeheersing; doet een beroep op de Amerikaanse regering tot toetreding en ratificatie van het statuut van Rome van het Internationaal Strafhof; dringt andermaal met klem aan op afschaffing van de doodstraf; verzoekt de Amerikaanse regering de internationale normen inzake de rechtsstaat opnieuw integraal toe te passen, alle buitengerechtelijke maatregelen op te schorten en een eind te maken aan de straffeloosheid voor schending van de mensenrechten;

3.   acht het noodzakelijk dat beide partners tijdens de Top EU-VS de leiding nemen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de G20-toezeggingen; dringt daarom aan op coördinatie inzake het pakket VS-maatregelen tot hervorming van de financiële sector en de huidige hervormingen van de EU-wetgeving, met inbegrip van de opzet van het financieel toezicht, en verzoekt beide partners nauwer samen te werken op het gebied van de modernisering van het IMF;

4.   wijst op het belang van samenwerking tussen EU en VS bij de totstandbrenging van een internationale overeenkomst in het kader van de VN-conferentie over klimaatverandering (COP 15) in Kopenhagen in december 2009 op basis van wetenschappelijk bewijs en met inbegrip van voldoende internationale steun voor de financiering van opvang van de gevolgen van en aanpassing aan de klimaatverandering in ontwikkelingslanden; verzoekt het Voorzitterschap van de EU tijdens de topontmoeting EU-VS te streven naar grootschalige toezeggingen van de VS zich te houden aan de verplichtingen in aansluiting op Kyoto, en naar samenwerking van de zijde van de VS bij de bevordering van koppelingen tussen het emissiehandelsstelsel van de EU en regionale of federale handelsprogramma's in de VS;

5.   dringt erop aan dat de institutionele mechanismen van de betrekkingen tussen de EU en de VS moeten worden versterkt, zodra het Verdrag van Lissabon van kracht wordt, overeenkomstig zijn reeds aangehaalde resolutie van 26 maart 2009;

6.   dringt er bij de EU en de VS op aan op de komende topontmoeting tot een akkoord te komen over een krachtiger trans-Atlantisch partnerschap, teneinde in staat te zijn het hoofd te bieden aan de gemeenschappelijke wereldwijde problemen, met name op het gebied van nucleaire non-proliferatie en ontwapening, terrorismebestrijding, klimaatverandering, eerbiediging van de mensenrechten, bestrijding van pandemieën en het bereiken van de MDGs; benadrukt dat de ontwikkelingslanden de mondiale financiële en economische crisis niet hebben veroorzaakt, maar er wel onevenredig zwaar door worden getroffen;

7.   onderstreept het belang van de NAVO als hoeksteen van trans-Atlantische veiligheid; is van mening dat relevante ontwikkelingen in deze bredere veiligheidsopzet dienen te worden behandeld in overleg met Rusland en de niet tot de EU behorende OVSE-landen, teneinde de consensus inzake veiligheid aan weerszijden van de Atlantische Oceaan nieuw leven in te blazen; wijst op de betekenis van het EVDB en de waarde van een uitgebreid Europees defensievermogen voor een grotere trans-Atlantische veiligheid;

8.   is in dit verband ingenomen met de beslissing van de Russische Federatie en de VS om onderhandelingen aan te knopen over een nieuw uitgebreid en juridisch bindend akkoord ter vervanging van het verdrag over de vermindering van strategische bewapening (START) dat in december 2009 afloopt, en de ondertekening van het gemeenschappelijk voornemen over een vervolg op het START-1-verdrag door president Barack Obama en president Dmitri Medvedev in Moskou op 6 juli 2009;

9.   verwelkomt de aankondiging door de president van de VS dat hij de ratificatie van het alomvattende kernteststopverdrag (CTBT) zal bespoedigen; dringt er bij de Raad op aan op positieve en proactieve wijze bij te dragen aan de voorbereiding van de volgende conferentie over de herziening van het non-proliferatieverdrag (NPT) in 2010, in nauwe samenwerking met de VS en Rusland;

10.   onderstreept dat de twijfelachtige aard van het Iraanse nucleaire programma het systeem voor non-proliferatie en stabiliteit in de regio en in de wereld in gevaar brengt; steunt het streven om via onderhandelingen met Iran tot een oplossing te komen, door middel van de tweesporenstrategie van dialoog en sancties, in overleg met de overige leden van de Veiligheidsraad en het Internationaal Agentschap voor Kernenergie;

11.   is bezorgd over de recente kernproeven van de Democratische Volksrepubliek Korea en de afwijzing van Resolutie 1887 (2009) van de Veiligheidsraad van de VN van 24 september 2009 door dit land; steunt niettemin de door de VS gevolgde aanpak van een bilaterale dialoog, in het kader van de zespartijenbesprekingen om tot het atoomvrij maken van het Koreaanse schiereiland te komen;

12.   neemt ter kennis dat de VS hun oorspronkelijke plannen voor een raketverdedigingsschild in Europa hebben laten varen en dat zij nieuwe plannen hebben; dringt aan op een nieuwe mondiale veiligheidsstructuur waarbij met name de EU, de VS, Rusland en China betrokken zijn;

13.   verzoekt beide partners een triloog met Latijns-Amerika te bevorderen, een regio die de opvattingen over democratie, mensenrechten en het beginsel van multilateralisme, deelt;

14.   herhaalt hoe belangrijk het voor beide partners is om in een klimaat van vertrouwen en transparantie een gecoördineerde benadering te bevorderen van hun beleid ten opzicht van Iran, Irak, Afghanistan en Pakistan; dringt er bij de EU, de VS, de NAVO en de VN op aan een nieuw gemeenschappelijk strategisch concept te ontwikkelen dat alle componenten van het internationale engagement omvat, en waaraan alle buurlanden verzocht worden deel te nemen, ten einde tot stabiliteit in de regio te komen;

15.   is van mening dat de op uitnodiging van president Obama gehouden eerste ontmoeting op 23 september 2009 tussen de Israëlische premier Benjamin Netanyahu en de Palestijnse leider Mahmoud Abbas de verwachtingen niet heeft waargemaakt; bevestigt nogmaals dat het welslagen van het vredesproces in het Midden-Oosten voor de EU en de VS een van de belangrijkste prioriteiten is en verzoekt de EU en de VS gezamenlijk een actief optreden van het Kwartet te bevorderen op zoek naar een gemeenschappelijke basis voor een vreedzame oplossing, met als doel een tweestatenstructuur met een onafhankelijke, levensvatbare Palestijnse staat; verzoekt de Top mogelijke mechanismen te bezien om een gebaar te maken naar de Arabische wereld; verzoekt om beëindiging van de uiterst moeilijke humanitaire situatie in de Gazastrook; betreurt de rol die Hamas speelt bij de beknotting van de persoonlijke vrijheid en de mensenrechten;

16.   spreekt de wens uit dat beide partijen er tijdens de Top overeenstemming over bereiken dat een geslaagd afronding van de Doha-ronde maatregelen dient te omvatten tot voorkoming van sterk schommelende landbouwprijzen en voedseltekorten; dringt er bij de leiders op aan de uiteindelijke ontwikkelingsdoelstelling van deze ronde niet uit het oog te verliezen en hun toezegging om 0,7% van hun BBP aan ontwikkelingssamenwerking te besteden, na te komen; wijst op de noodzaak rekening te houden met recente hervormingen van het gemeenschappelijke landbouwbeleid en wenst dat soortgelijke aanpassingen worden aangebracht in de Farm Bill van de VS; herinnert aan de ontwikkelingen bij eerdere geschillen, zoals over rundvlees met hormonen, met chloor behandeld kippenvlees en het toelaten van bepaalde genetisch gemodificeerde producten; is ervan overtuigd dat problemen die van invloed zijn op de onderlinge handel in landbouwproducten door middel van aanhoudend overleg kunnen worden aangepakt voordat zij aan geschilleninstanties in het kader van de WTO moeten worden voorgelegd;

17.   neemt kennis van het idee om een trans-Atlantische energieraad op te richten; onderstreept met kracht dat deze zich uitsluitend zou moeten bezighouden met de aspecten van dit onderwerp die duidelijk betrekking hebben op het buitenlands en veiligheidsbeleid, en dat de raad in de toekomst zou moeten worden ondergebracht bij de trans-Atlantische Politieke Raad (TPC), en dat de TEC het algemene energiebeleid zou moeten afhandelen;

18.   verwelkomt de recente uitbreiding van het programma voor visumontheffing tot nog eens zeven EU-lidstaten; roept de VS niettemin op de visumregeling voor de hele EU af te schaffen en alle EU-burgers gelijk te behandelen, op grond van volledige wederkerigheid; laakt de geplande invoering van administratiekosten voor de verstrekking van voor reisvergunningen aan EU-burgers via het elektronisch systeem (ESTA) en verzoekt de Commissie dit als prioritaire kwestie met de regering van de VS aan de orde te stellen, met inbegrip van het alternatief dat er aan VS-burgers soortgelijke verplichtingen worden opgelegd;

19.   verzoekt de VS volledige en doelmatige tenuitvoerlegging mogelijk te maken van de eerste fase van het luchtvaartovereenkomst tussen EU en VS, alsook van de overeenkomst tussen EU en VS inzake de veiligheid van de luchtvaart; wijst de Commissie en de VS-instanties er nogmaals op dat sommige lidstaten de overeenkomst inzake de eerste fase wellicht opzeggen als er geen overeenkomst inzake de tweede fase wordt gesloten; verzoekt de VS af te zien van maatregelen die indruisen tegen uitgebreidere samenwerking, zoals de maatregelen met betrekking tot reparatiewerkplaatsen in het buitenland, antitrustvrijstellingen en nationaliteit van vliegtuigen waarvan gewag wordt gemaakt in resolutie 915 van het Huis van Afgevaardigden;

Vergadering en versterking van de TEC

20.   onderstreept dat een nauwer trans-Atlantisch partnerschap met als streven de voltooiing van de trans-Atlantische markt uiterlijk in 2015 en gebaseerd op het beginsel van een sociale markteconomie een essentieel instrument vormt voor het modelleren van de globalisering en voor het aanpakken van de economische en sociale crisis in de wereld; wijst er nogmaals op dat tal van non-tarifaire belemmeringen voor de handel en de investeringen die de TEC uit de weg zal moeten ruimen veroorzaakt zijn door bewust optreden van wetgevingsinstanties ter bescherming van sociale, gezondheidsgerelateerde, culturele of milieudoelstellingen en dus niet kunnen worden weggenomen zonder een desbetreffende wetgevingsmaatregel;

21.   verzoekt de Commissie een gedetailleerde routekaart op te stellen van de hindernissen die dit doel nu nog in de weg staan; wijst andermaal op het onderzoek dat het Parlement in zijn begroting voor 2007 heeft goedgekeurd en gefinancierd; vraagt zich af waarom geen van beide documenten tot dusverre door de Commissie is vrijgegeven hoewel het Parlement hierom herhaaldelijk heeft verzocht; stelt 15 november 2009 vast als uiterste datum voor indiening ervan;

22.   meent dat de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van energie-efficiëntie en -technologie (met inbegrip van "groene energie") en op het gebied van energieregelgeving binnen de TEC kan worden geregeld; dringt erop aan dat de trans-Atlantische samenwerking inzake gewaarborgde energieleverantie een centraal thema is, dat regelmatig behandeld wordt in de TPC, waarvan het Europees Parlement in zijn reeds aangehaalde resolutie van 26 maart 2009 de oprichting heeft voorgesteld;

23.   meent dat de trans-Atlantische economische samenwerking beter controleerbaar, transparanter en meer voorspelbaar moet worden; dat vergaderroosters, agenda's, routekaarten en tussentijdse verslagen regelmatig openbaar moeten worden gemaakt en onmiddellijk worden gepubliceerd op een website; stelt voor een jaarlijks debat te houden over de vooruitgang op de punten die in de TEC aan de orde zijn gekomen en over de structuur van de TEC;

24.   is niettemin van mening dat de TEC attent moet blijven op de gevolgen die overheidsmaatregelen op het gebied van zaken als de persoonlijke levenssfeer en normen voor gegevensbescherming, biometrische specificaties, veiligheid van de luchtvaart, reisdocumenten en uitwisseling van passagiersgegevens hebben voor handelsactiviteiten;

25.   vraagt de autoriteiten van de VS en de Commissie om een verdere intensivering van hun onderhandelingen voor het vinden van evenwichtige oplossingen voor onder meer de behoeften in verband met de veiligheid van het luchtverkeer en de gegevensbescherming op het gebied van de registratie van passagiersnamen (PNR), voor de herziening van de veiligheidscontroles op luchthavens en voor sterkere integratiemaatregelen ter beperking van de gevolgen voor de klimaatverandering van de trans-Atlantische en internationale luchtvaart in de onderhandelingen van Kopenhagen en de ICAO-overeenkomsten;

De rol van de TWD in de TEC

26.   herhaalt zijn oproep aan de politieke leiders in de EU en de VS en aan de covoorzitters van de TEC, om rekening te houden met de sleutelrol die de parlementen spelen voor het welslagen van de TEC; dringt erop aan dat zij de vertegenwoordigers van de TWD ten volle en rechtstreeks bij de TEC betrekken, aangezien de parlementsleden de verantwoordelijkheid voor vaststelling van en controle op tal van TEC-besluiten delen met de overeenkomstige uitvoerende instanties;

27.   acht het van essentieel belang dat de meest geschikte leden van het Congres en van het Europees Parlement deelnemen aan het overleg tussen parlementsleden en aan het TEC-proces, om te voorkomen dat de wetgeving onbedoelde gevolgen heeft voor de trans-Atlantische handel en investeringen; wenst dat de nieuwe overeenkomst de huidige TWD opwaardeert tot een trans-Atlantische interparlementaire assemblee, overeenkomstig de aanbeveling die het Europees Parlement in zijn reeds aangehaalde resolutie van 26 maart 2009 heeft geformuleerd;

TEC en de economische en financiële crisis

28.   is er verheugd over dat de TEC advies krijgt van een kring van belanghebbenden, onder wie vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, en wenst dat er een vergelijkbare rol wordt gegeven aan vertegenwoordigers van de vakbewegingen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, zodat de sociale dimensie volledig bij de zaken wordt betrokken; dringt erop aan dat de leiding van de trans-Atlantische werknemersdialoog (TALD) en de toekomstige trans-Atlantische energiedialoog in de adviesgroep worden opgenomen; is echter van mening dat onderscheid moet worden gemaakt tussen die raadgevende rol en de wetgevende rol van het Amerikaanse Congres en het Europees Parlement;

29.   onderstreept de rol van de TEC bij het bevorderen en verzekeren van een gecoördineerd wetgevend antwoord van de VS en de EU op de crises, met name ten aanzien van alternatieve beleggingsfondsen, de infrastructuur van de financiële markten (inzonderheid "over the counter"- (OTC) derivatenmarkten), kapitaalvereisten, belastingparadijzen en grensoverschrijdende oplossingen voor gevallen van insolvabiliteit; verzoekt de TEC om een onderzoek van coördinatie en optimale werkmethoden inzake beloningsbeleid voor financiële instellingen, waardoor wordt gewaarborgd dat de beloning gebaseerd is op langetermijnresultaten en waardoor het gevaar van blootstelling aan risico's wordt beperkt;

30.   wijst erop dat het risico van een kredietcrisis nog niet voorbij is; wijst er in dit verband op dat een gecoördineerd macro-economisch beleid van levensbelang is voor de verwezenlijking van een duurzaam herstel van de wereldeconomie en voor het aanpakken van de toenemende werkloosheid;

31.   verzoekt de TEC erop aan te dringen dat de VS-autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van het Basel II-raamwerk rekening houden met de wijzigingen in de EU-richtlijnen inzake kapitaalvereisten; is ingenomen met het voorstel van de regering van de VS om alle OTC-derivaten te reguleren en met hun inspanningen voor een centraal verrekeningsinstituut voor complexe producten; verzoekt de TEC na te gaan hoe een gecoördineerde aanpak van activaklassen en gelijkwaardigheid van rechtspersonen en infrastructuur kan worden bevorderd;

32.   verzoekt de TEC erop toe te zien dat de VS-autoriteiten rekening houden met de voorgestelde EU-richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsfondsen (AIFM-richtlijn), teneinde arbitrage op het gebied van de regelgeving te voorkomen;

33.   dringt bij de TEC aan op aanpak van het probleem van instellingen die te groot zijn om failliet te gaan en steunt de G20-voorstellen voor "living will"-noodprogramma's voor grensoverschrijdende instellingen van systemisch belang; is van mening dat financiële instellingen van systemisch belang eventueel kunnen worden verplicht tot strengere openbaarmakingseisen, zoals beperking van het bedrijfsgeheim, evenals in het kader van de mededingingswetgeving van de EU het geval is met bedrijven die een dominante marktpositie innemen;

34.   steunt de oproep van de G20 om de harmonisatie van boekhoudkundige normen te bespoedigen; dringt erop aan dat de TEC de Financial Accounting Standards Board (FSAB) en de International Accounting Standards Board (IASB) verzoekt tot een enkele reeks algemeen geldende boekhoudkundige normen van hoge kwaliteit te komen en hun harmonisatieproject vóór juni 2011 te voltooien; beklemtoont dat de IASB moet doorgaan met zijn bestuurlijke hervormingen;

35.   verzoekt de TEC erop aan te dringen dat de Amerikaanse autoriteiten zich houden aan hun routekaart om Amerikaanse gebruikers te verplichten de internationale standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) toe te passen; herinnert aan zijn verzoek dat de Amerikaanse Securities and Exchange Commission (SEC) IFRS erkent als gelijkwaardig aan de (Amerikaanse GAAP) totdat de VS IFRS heeft aanvaard, zoals is vastgesteld door de Europese Unie en totdat het besluit is genomen dat Amerikaanse gebruikers IFRS dienen toe te passen; verzoekt de TEC een uitsplitsing naar land te bevorderen in de verslaglegging voor multinationale groepen;

36.   spreekt de wens uit dat de TEC aandringt op wijzigingen in de controle op het verzekeringswezen in de VS, zodat de EU het Amerikaanse stelsel voor controle op het verzekeringswezen op grond van de voorwaarden die uiteen worden gezet in de Solventie II richtlijn als gelijkwaardig kan erkennen; is van mening dat het initiatief tot oprichting van een bureau op het gebied van nationale verzekeringen de samenwerking tussen de EU en de VS ten goede zou komen; roept de TEC op ervoor te zorgen dat de Amerikaanse autoriteiten vooruitkomen met de controle op het verzekeringswezen op federaal niveau door, indien noodzakelijk, fiscale en andere vraagstukken te scheiden van het zuivere controleaspect;

37.   is ingenomen met de uitbreiding van het Wereldforum inzake transparantie en informatie-uitwisseling (GFTEI) en beschouwt het als een veelbelovende stap dat alle 87 landen die deel uitmaken van de GFTEI hebben besloten de OESO-norm voor het uitwisselen van fiscale informatie goed te keuren; spoort de TEC aan ervoor te zorgen dat de EU en de VS hun gemeenschappelijke mondiale leiderschap tonen door erop toe te zien dat de noodzakelijke stimulansen, met inbegrip van sancties, in maart 2010 van toepassing zijn, en om spoedig samen met alle betrokken partijen een programma voor collegiale toetsing ten uitvoer te leggen om de geboekte vooruitgang te evalueren; meent echter dat deze maatregelen moeten worden versterkt om het ontduiken en ontwijken van belastingen te bestrijden; onderstreept dat automatische informatie-uitwisseling in alle grensoverschrijdende belastingkwesties de regel zal zijn;

38.   veronderstelt dat de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen tussen de VS en de EU een aanzienlijk effect zal hebben op de houding van bedrijven ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen en op hun positieve betrokkenheid bij sociale en milieutechnische vraagstukken; meent dat de samenwerking op het gebied van regelgeving rekening moet houden met de versterking van de EU wetgeving in de richtlijn kapitaalvereisten, met name het beloningsbeleid in de sector van de financiële diensten;

39.   spreekt zijn waardering uit voor de conclusies van de leiders van de G20;

TEC en intellectuele eigendom

40.   roept de TEC op om tijdens de volgende bijeenkomst werk te maken van een strategische trans-Atlantische samenwerking inzake de bescherming van de intellectuele eigendom, onder strikte eerbiediging van individuele grondrechten en burgerrechten; onderstreept dat de verspreiding van technologieën geen afbreuk mag doen aan het stelsel van de bescherming van intellectuele eigendom, dat een garantie vormt voor de mogelijkheid om financiële en zakelijke risico's te nemen die eigen is aan het innovatieproces;

41.   herinnert de TEC aan het feit dat de informatiemaatschappij een cruciale pijler is van de trans-Atlantische economische ruimte en is gebaseerd op toegang tot kennis en op een nieuw model voor de bescherming en het delen van digitale inhoud, met inachtneming van evenredigheid;

TEC en consumentenbescherming

42.   vraagt de TEC gemeenschappelijke acties te bevorderen om ervoor te zorgen dat derde landen, met name China, hun normen inzake productveiligheid optrekken tot het niveau van de EU/VS, inzonderheid voor speelgoed; dringt tevens aan op strikt toezicht, aan beide zijden van de Atlantische oceaan, op de naleving van de veiligheidsnormen voor producten, inzonderheid speelgoed, en op strengere nationale inspecties;

43.   vraagt de Commissie om binnen de TEC sterkere en doeltreffender mechanismen voor een grensoverschrijdende samenwerking op handhavingsgebied te ontwikkelen, met als doel het "RAPEX"-alarmsysteem van de EU voor consumentenproducten die een ernstig risico inhouden voor de consument te koppelen aan het alarmsysteem van de US Consumer Product Safety Commission, en de activiteiten van het samenwerkingsnetwerk voor consumentenbescherming (CPC-network) te integreren met die van de autoriteiten van de VS;

44.   stelt voor dat de TEC een bindend samenwerkingsinstrument sanctioneert dat het delen van gegevens over productveiligheid en de opstelling van een gezamenlijk programma van samenwerkingsmaatregelen zou structureren en vergemakkelijken;

45.   vraagt de Commissie om bespoediging van haar werkzaamheden aan een reeds lang vertraagde bilaterale overeenkomst voor samenwerking op handhavingsgebied, waarbij haar handhavingswerkzaamheden in het kader van de verordening betreffende samenwerking ter bescherming van de consument(6) van de EU en van de US Safe Web Act worden uitgebreid tot de VS;

46.   verzoekt de Commissie er met haar tegenhangers in de VS voor te zorgen dat de TEC manieren kan onderzoeken om de bescherming van de digitale rechten van de consument te vergroten, alsook inzake voorschriften voor producten met gebreken;

Bilaterale handel - Douaneaangelegenheden, markttoezicht en veiligheid van de handel

47.   verzoekt de TEC de versteviging van de samenwerking tussen de douane- en markttoezichtinstanties van EU en VS te bevorderen, om te voorkomen dat gevaarlijke goederen, met name gevaarlijk speelgoed, de consument bereiken;

48.   verzoekt de TEC uiting te geven aan de verontrusting van de EU over de door het Congres van de VS vastgestelde unilaterale wetgevende maatregel van de VS met betrekking tot het 100% doorlichten van zeecontainers voor goederenvervoer met bestemming VS; is van oordeel dat het nuttig zou zijn als de TEC in Brussel en Washington studiebijeenkomsten organiseert over het 100% doorlichten om tot meer begrip tussen de parlementsleden van EU en VS te komen en een spoedige en voor beide zijden aanvaardbare oplossing van dit probleem te bevorderen; verzoekt de Commissie voor de aanstaande bijeenkomst van de TEC de kosten te beoordelen die deze maatregel kan hebben voor het bedrijfsleven en de economie in de EU, alsook de mogelijke gevolgen voor de douanewerkzaamheden;

49.   is vastbesloten de VS-wetgever te blijven verzoeken, en verzoekt de Commissie dit in het kader van de TEC eveneens te doen, de verplichting tot 100% doorlichten te heroverwegen, en met de VS een samenwerking van de grond te brengen op basis van risicobeheer met inbegrip van wederzijdse erkenning van programma's voor handelssamenwerking van EU en VS, overeenkomstig het SAFE-kader van normen van de Werelddouaneorganisatie;

Wederzijdse erkenning en standaardisatie

50.   verzoekt de Commissie tegen de achtergrond van de aanstaande TEC-bijeenkomst, te streven naar de officiële vaststelling van procedures voor de wederzijdse erkenning van conformiteitsverklaringen voor producten die onderworpen zijn aan verplichte tests door derden, met name voor ICT-apparatuur en elektrische uitrustingen; vraagt de Commissie onverkort vast te houden aan de wederzijdse erkenning van wettelijk vastgestelde maateenheden, met name aanvaarding in de VS van EU-producten met etiketten die uitsluitend metrische eenheden vermelden; met de VS-instanties te spreken over standaardisatie, rondetafelgesprekken over normen te organiseren waarin de aandacht vooral gericht wordt op vernieuwende oplossingen, en te zorgen voor internationale coördinatie;

Milieu- en volksgezondheidsaangelegenheden

51.   acht een dialoog in de TEC over nieuwe voedingsproducten en het gebruik van nieuwe technologie bij de productie van voedsel van het hoogste belang; wijst met nadruk op de verontrusting over klonen in de veeteelt;

52.   spreekt zijn waardering uit voor het feit dat de regering van de VS heeft erkend dat haar Wet inzake het beheersen van giftige stoffen moet worden herzien; verzoekt de EU en de VS samen te werken om in de VS een stelsel van regelgeving op te zetten dat resulteert in een beschermingsniveau dat vergelijkbaar is met REACH;

Energie, industrie en wetenschappen

53.   dringt erop aan dat in de TEC, wanneer wetgeving wordt overwogen met trans-Atlantische gevolgen, wordt samengewerkt in alle aangelegenheden die van invloed zijn op het regelgevingsklimaat voor de industrie, volgens de aanpak van de wet inzake kleine bedrijven van de EU − eerst klein denken;

54.   moedigt de TEC aan samenwerking tot stand te brengen met het oog op een gezamenlijke energiestrategie, waarin diversificatie wordt gesteund en een milieuefficiënte economie wordt bevorderd, ter verhoging van de zekerheid van energieleverantie, en moedigt de TEC aan bij te dragen tot het vinden van duurzaamheidsnormen voor biobrandstoffen;

55.   verzoekt de TEC met klem de samenwerking op onderzoeksgebied aan te moedigen om beter gebruik te maken van de mogelijkheden van de uitgebreide Overeenkomst inzake wetenschap en technologie tussen de EU en de VS;

Internationale handel

56.   meent dat de toegang tot de markten van derde landen voor de EU en de VS een gemeenschappelijke zorg en een gemeenschappelijk belang is; is ervan overtuigd dat de TEC een belangrijke rol kan spelen bij het stimuleren van een gezamenlijke aanpak van EU en VS in hun handelsbetrekkingen met derde landen; verzoekt de TEC te streven naar een meer gezamenlijke benadering van nieuwe vrijhandelsovereenkomsten door VS en de EU, teneinde dergelijke overeenkomsten te harmoniseren met inbegrip van de sociale en milieunormen;

57.   verzoekt de TEC zich te buigen over het juridische kader en de technische normen ter correctie van onduidelijke juridische voorwaarden, overeenkomsten, verplichtingen en rechtszekerheid in de VS;

Justitiële en politiële samenwerking, visa

58.   spreekt de hoop uit dat de op 28 oktober 2009 in Washington DC geplande ministersvergadering EU-VS een gezamenlijke verklaring over politiële en justitiële samenwerking aanneemt, met name over cyberveiligheid;

59.   bevestigt nogmaals dat het het terrorisme vastberaden wil bestrijden en er vast van overtuigd is dat er een juist evenwicht moet worden gevonden tussen veiligheidsmaatregelen en bescherming van burgerlijke vrijheden en grondrechten, en dat het recht op privacy en gegevensbescherming optimaal moet worden geëerbiedigd; bevestigt andermaal dat noodzaak en evenredigheid sleutelbeginselen zijn zonder welke terrorismebestrijding nooit doeltreffend zal zijn;

60.   meent dat een gezond wettelijk en politiek kader nodig is voor een intensieve samenwerking tussen de EU en de VS in zaken op het terrein van justitie, vrijheid en veiligheid en dat een sterker partnerschap met betrokkenheid van de parlementaire en democratische dimensie essentieel is voor de aanpak van gemeenschappelijke uitdagingen als de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad, rekening houdend met de grondrechten en de regels van de rechtsstaat, justitiële samenwerking in strafzaken en politiesamenwerking, het migratiebeheer en de bescherming van het recht asiel aan te vragen alsmede de bevordering van een visumvrij verkeer van alle bonafide burgers tussen de twee gebieden;

61.   wijst er in dit verband opnieuw op dat de Europese Unie stoelt op de beginselen van de rechtsstaat en dat elke overdracht van Europese persoonsgegevens aan derde landen om veiligheidsredenen gepaard moet gaan met procedurele waarborgen en recht op verdediging en in overeenstemming moet zijn met de gegevensbeschermingswetgeving op nationaal en Europees niveau;

62.   herinnert eraan dat in het trans-Atlantische kader van de overeenkomst tussen de EU en de VS inzake rechtshulp, die op 1 januari 2010 in werking zal treden, in artikel 4 van die overeenkomst wordt bepaald dat op via nationale overheidsinstanties ingediend verzoek toegang kan worden verkregen tot bepaalde financiële gegevens en dat dit een betere rechtsgrondslag zou kunnen zijn voor de overdracht van SWIFT-gegevens dan de voorgestelde interimovereenkomst;

63.   constateert dat over een interimovereenkomst voor de overdracht van dergelijke gegevens tussen de EU en de VS wordt onderhandeld, dat deze moet gelden voor een overgangsperiode en na uiterlijk 12 maanden afloopt en dat het Europees Parlement en de nationale parlementen volledig moeten worden betrokken bij een nieuwe overeenkomst waarover, onverminderd de procedure die uit hoofde van het Verdrag van Lissabon gevolgd moet worden, onderhandeld zal worden, en dat daarbij voldaan moet zijn aan de voorwaarden zoals vermeld in paragraaf 3 van zijn reeds aangehaalde resolutie van 17 september 2009;

o
o   o

64.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Congres van de Verenigde Staten, de covoorzitters van het trans-Atlantisch overleg van parlementsleden, en de covoorzitters en het secretariaat van de trans-Atlantische Economische Raad.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0192.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0256.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0193.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0016.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0028.
(6) Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1).


Guinee
PDF 255kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over de situatie in Guinee
P7_TA(2009)0059RC-B7-0102/2009

Het Europees Parlement,

–   gezien het communiqué dat op 13 oktober 2009 door de internationale contactgroep voor Guinee is uitgevaardigd in Abuja (Nigeria),

–   gezien de onstabiele situatie die reeds lange tijd aanhoudt in de regio van de Manorivier, en waardoor de plaatselijke bevolking wordt getraumatiseerd,

   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Guinee,

–   gezien de verklaring van het Voorzitterschap namens de Europese Unie van 29 september 2009, betreffende de geweldplegingen in Conakry (Republiek Guinee),

–   gezien het debat dat op 7 oktober 2009 werd gehouden in het Parlement,

–   gelet op artikel 122 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat een militaire junta onder leiding van kapitein Moussa Dadis Camara op 23 december 2008 na het overlijden van president Lansane Conté de macht heeft gegrepen in Guinee,

B.   overwegende dat bij de onderdrukking van een vreedzame betoging van de oppositie, georganiseerd op 28 september 2009, de verjaardag van het referendum waardoor het land onafhankelijk is geworden, volgens verschillende bronnen tussen de honderd en tweehonderd doden zijn gevallen (militairen hebben talrijke lijken verwijderd om de telling ervan onmogelijk te maken, waardoor de families van de overledenen niet konden rouwen), en meer dan duizend personen gewond zijn geraakt, doordat ze werden geraakt door kogels of doordat ze met een bajonet werden opengereten, en dat er melding werd gemaakt van talrijke verkrachtingen,

C.   overwegende dat vertegenwoordigers van de oppositie werden geslagen, verwond en gearresteerd, dat journalisten die zich kritisch uitlaten over de machthebbers worden vervolgd, en dat er een reëel risico bestaat dat de junta het land doet afstevenen op een etnisch conflict,

D.   overwegende dat in afgrijselijke getuigenissen gewag wordt gemaakt van soldaten die de kolf en zelfs de bajonet van hun geweren gebruiken om vrouwen te verkrachten, terwijl andere vrouwen zouden zijn beroofd van hun kledij en hun waardigheid, alvorens publiekelijk te worden vernederd en verkracht door de veiligheidstroepen,

E.   overwegende dat de gewelddadigheden tegen vrouwen moeten worden beschouwd als oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, en dat alle daders hiervan voor de rechter moeten worden gebracht, zodat een einde kan worden gemaakt aan de straffeloosheid,

F.   overwegende dat artikelen 8 en 9 van de Overeenkomst van Cotonou, die door Guinee is ondertekend, de eerbiediging van de mensenrechten en de democratie vereisen,

G.   overwegende dat op 27 juli 2009 een stappenplan om de overgang naar de democratie te organiseren is opgesteld, overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou,

H.   overwegende dat de leden van de junta afkomstig van de Nationale Raad voor Democratie en Ontwikkeling zich ertoe hadden verbonden om zo snel mogelijk vrije verkiezingen te houden, zonder zichzelf hierbij kandidaat te stellen,

I.   overwegende dat de procureur van het Internationaal Strafhof een vooronderzoek heeft ingesteld naar de situatie in Guinee, om te bepalen of er misdaden zijn begaan die vallen onder de bevoegdheid van het Internationaal Strafhof,

J.   overwegende dat de militaire junta, door het onverantwoorde gebruik van de strijdkrachten om het volk te onderdrukken, zichzelf buitenspel heeft gezet om de overgang van het land naar de democratie te organiseren, door middel van vrije en eerlijke verkiezingen,

K.   overwegende dat de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten en de Afrikaanse Unie een standpunt hebben ingenomen, en dat president Blaise Compaoré van Burkina Faso is benoemd tot "bemiddelaar",

L.   overwegende dat de internationale contactgroep voor Guinee, bestaande uit diplomaten van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten, de Verenigde Naties, de Afrikaanse Unie en de Europese Unie, alsook uit vertegenwoordigers van de internationale organisaties die toezicht houden op het naleven van de mensenrechten, een bezoek heeft gebracht aan Guinee en hierover een verslag heeft opgesteld,

M.   overwegende dat de Europese Unie en Guinee een partnerschapsovereenkomst inzake visserij hebben ondertekend in december 2008(1), enkele dagen voor de staatsgreep die kapitein Dadis Camara aan de macht heeft geholpen, in het kader waarvan de eerste betaling moet plaatsvinden op 30 november 2009,

N.   overwegende dat het ultimatum dat de Afrikaanse Unie had gesteld aan kapitein Dadis Camara, om opnieuw te bevestigen dat hij geen kandidaat zal zijn bij de volgende presidentsverkiezingen, is verlopen,

O.   overwegende dat de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten de internationale gemeenschap heeft opgeroepen een neutrale troepenmacht te ontplooien in Guinee om de bevolking en de oppositie te beschermen, en overwegende dat de "internationale contactgroep voor Guinee" heeft opgeroepen een embargo in te stellen voor alle wapens met Guinee als bestemming,

P.   overwegende dat er ontwikkelingsmogelijkheden zijn in Guinee, gelet op de aanzienlijke delfstoffenrijkdom waarover het land beschikt; overwegende dat Guinee door Transparency International wordt ingedeeld bij de meest corrupte landen in Afrika,

1.   veroordeelt de bloederige en dodelijke onderdrukking van de ongewapende betogers en betuigt zijn deelneming aan de familieleden van de slachtoffers;

2.   veroordeelt alle uitingen van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes en vraagt om de oprichting van een dienst voor medische en psychologische bijstand voor de slachtoffers van verkrachting; vraagt de Commissie met spoed specifieke programma's op te starten voor de rehabilitatie van vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld in Guinee;

3.   is verheugd over het communiqué dat door de internationale contactgroep voor Guinee is uitgevaardigd naar aanleiding van haar vergadering van 12 oktober 2009 in Abuja over de crisis in Guinee, en waarin ze de militaire junta oproept "alle personen die willekeurig worden vastgehouden vrij te laten, en met name de personen die worden vastgehouden in verband met de gebeurtenissen van 28 september 2009 in Conakry", en waarin de junta eveneens wordt opgedragen om er vóór zaterdag 17 oktober voor te zorgen dat de nodige maatregelen zijn getroffen opdat leden van de junta niet kunnen deelnemen aan de presidentsverkiezingen die gepland zijn voor januari 2010;

4.   is verheugd over de oprichting door de Verenigde naties van een internationale en onafhankelijke onderzoekscommissie belast met het aanduiden van de verantwoordelijken van dit bloedbad, en over het instellen van een vooronderzoek door het Internationaal Strafhof, om ervoor te zorgen dat een eind wordt gemaakt aan de straffeloosheid;

5.   vraagt dat al het mogelijke wordt gedaan om de veiligheid te waarborgen van de getuigen en van de families van de slachtoffers die door de internationale onderzoekscommissie zullen worden gehoord;

6.   dringt bij de aan de macht zijnde junta aan op eerbiediging van het recht op een vrije mening, de vrijheid van meningsuiting en vereniging, waaronder het recht van vreedzame vergadering, zoals neergelegd in de Universele verklaring inzake de rechten van de mens;

7.   is van mening dat enkel een door middel van vrije en eerlijke verkiezingen verkozen regering wettelijk is en in staat is om op lange termijn de belangen van het land te behartigen;

8.   vraagt om de instelling van een overgangsregering, waarin de belangrijkste oppositie-partijen zijn vertegenwoordigd, met als opdracht de parlements- en presidentsverkiezingen voor te bereiden;

9.   vraagt aan de Raad om de "passende maatregelen" te nemen waarin artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou voorziet en om de mogelijkheden te onderzoeken om te reageren op de vraag van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten door een missie ter ondersteuning van een Afrikaanse troepenmacht voor de bescherming van de bevolking te organiseren, om deze troepenmacht de nodige middelen te verlenen om haar missie succesvol uit te voeren, alsook om een civiele missie op langere termijn te organiseren om bij te dragen aan de organisatie van de veiligheidstroepen;

10.   vraagt de Afrikaanse Unie om, in samenwerking met de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten, zware sancties op te leggen aan de medewerkers van de militaire junta en om tegelijkertijd een nationale dialoog op te starten in het kader van een "waarheids- en verzoeningscommissie";

11.   vraagt alle staten de levering van wapens en munitie aan het leger en de politiediensten op te schorten, alsook van alle andere voorzieningen die kunnen worden gebruikt door de Guinese veiligheidstroepen om de mensenrechten te schenden, overeenkomstig het standpunt van de internationale contactgroep voor Guinee;

12.   betreurt het feit dat zowel Chinese staatsbedrijven als privébedrijven die in Guinee investeren bijna onverschillig staan tegenover de mensenrechten van de burgers van dit land;

13.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de instellingen van de Afrikaanse Unie en van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten, alsook aan de in de Republiek Guinee aan de macht zijnde junta.

(1) Protocol tot vaststelling, voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012, van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Guinee inzake de visserij voor de kust van Guinee (PB L 156 van 19.6.2009, blz. 40).


Iran
PDF 121kWORD 42k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over Iran
P7_TA(2009)0060RC-B7-0104/2009

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran, met name over de mensenrechten,

–   gezien de verklaringen van het voorzitterschap van de EU, de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, de EU-ministers van Buitenlandse Zaken, de staatshoofden en regeringsleiders van de G8, de Europese Raad en de Voorzitter van het Europees Parlement over de onderdrukking van demonstraties tijdens de onrust na de verkiezingen in Iran in juni 2009,

–   gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 23 september 2009 over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

–   gezien de verklaring van de Voorzitter van het Europees Parlement van 9 oktober 2009 over de blijvende strijd van het EP voor wereldwijde afschaffing van de doodstraf, en de specifieke veroordeling van de terdoodbrenging van jeugdige delinquenten en van de aanstaande executies in Iran,

–   gezien de verklaring van het voorzitterschap van de Europese Unie van 13 oktober 2009 over de executie van Behnoud Shojaee in Iran,

–   gezien de verklaring van het voorzitterschap van de Europese Unie van 20 september 2009, waarin het zijn veroordeling uitsprak van de herhaalde ontkenning van de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad van de Holocaust en het bestaansrecht van de staat Israël,

–   gezien de verklaring van het voorzitterschap van de Europese Unie van 18 oktober 2009, waarin het zijn veroordeling uitsprak van de zelfmoordaanslag tijdens het voorgaande weekend in de Iraanse provincie Sistan-Baluchestan, waarbij ten minste 42 doden vielen,

–   gezien de op 18 december 2007 en 18 december 2008 aangenomen resoluties 62/149 resp. 63/168 van de Algemene Vergadering van de VN over een moratorium op de doodstraf,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag voor de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij de Islamitische Republiek Iran partij is,

–   gelet op artikel 122 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de algemene mensenrechtensituatie in Iran is blijven verslechteren, met name sinds de presidentsverkiezingen van juni 2009,

B.   overwegende dat Iran, na China, het land is met het hoogste aantal executies, en dat dit aantal is verviervoudigd sinds president Mahmoud Ahmedinejad in 2005 aan de macht kwam; overwegende dat Iran het enige land ter wereld is waar jeugdige overtreders nog ter dood worden gebracht, en dat volgens berichten van mensenrechtenadvocaten ten minste 140 kinderen in Iran wachten op de uitvoering van hun doodstraf,

C.   overwegende dat Behnoud Shojaee op 11 oktober 2009 werd opgehangen, ondanks krachtige nationale en internationale pleidooien om zijn leven te sparen, en dat hij de derde jeugdige overtreder is die sinds begin 2009 in de Islamitische Republiek Iran is geëxecuteerd, na Delara Darabi en Molla Gol Hassan, en overwegende dat de jeugdige overtreders Safar Angooti en Abbas Hosseini waarschijnlijk binnenkort ter dood worden gebracht,

D.   overwegende dat foltering en mishandeling van gevangenen, de ontzegging van slaap, eenzame opsluiting, clandestiene detentie en de toepassing van wrede, onmenselijke en vernederende straffen en onschendbaarheid voor staatsfunctionarissen in Iran nog steeds heel gangbare praktijken zijn,

E.   overwegende dat de gewelddadige onderdrukking van politieke tegenstanders, mensenrechtenactivisten, journalisten, bloggers, leraren, intellectuelen, academici, homoseksuelen, vrouwen, studenten, vakbonden en personen die tot een godsdienstige, etnische of taalkundige minderheid behoren, is toegenomen,

F.   overwegende dat zeven leiders van het Baha'i-geloof nog altijd in hechtenis zitten, uitsluitend vanwege hun religieuze overtuigingen,

G.   overwegende dat president Mahmoud Ahmadinejad, nadat hij op 12 juni 2009 werd uitgeroepen tot winnaar van de verkiezingen, op 4 augustus 2009 formele instemming kreeg voor een tweede ambtstermijn, terwijl zijn tegenstanders in de verkiezingsstrijd, Mir-Hossein Mousavi en Mehdi Karrubi, evenals talrijke waarnemers, de autoriteiten beschuldigden van grootschalige vervalsing van de verkiezingsresultaten,

H.   overwegende dat in de daaropvolgende weken en maanden tienduizenden betogers de straat op gingen; overwegende dat daarbij zo'n 150 doden vielen en meer dan duizend demonstranten werden gearresteerd,

I.   overwegende dat er nog monsterprocessen worden gevoerd tegen naar verluidt 140 oppositieaanhangers, waaronder vooraanstaande hervormers en activisten die worden beschuldigd van overtredingen die variëren van ordeverstoring tot spionage en pogingen tot het omverwerpen van het Iraanse regime,

J.   overwegende dat vier personen naar aanleiding van de protesten ter dood zijn veroordeeld, hoewel zij reeds sinds april, lang vóór het plaatsvinden van de verkiezingsdemonstraties, in hechtenis zaten,

K.   overwegende dat uit verslagen van mensenrechtenorganisaties is gebleken dat de afgelopen weken tientallen journalisten, fotografen en bloggers Iran hebben verlaten of proberen te ontvluchten, duizenden personen hun baan hebben verloren, talrijke kranten door de autoriteiten zijn gesloten en negentien journalisten en vijf bloggers naar verluidt nog altijd door de Iraanse autoriteiten worden vastgehouden,

1.   uit zijn ernstige twijfels over de nauwkeurigheid van de verkiezingsresultaten op basis waarvan president Mahmoud Ahmedinajad een tweede ambtstermijn heeft gekregen, ondanks sterke aanwijzingen van grootschalige verkiezingsfraude; is van mening dat de geloofwaardigheid van de Iraanse president serieus is aangetast;

2.   brengt hulde aan alle moedige Iraanse mannen en vrouwen die hun fundamentele vrijheden en de democratische beginselen verdedigen, en hun wens uitdragen om in een maatschappij te leven die vrij is van onderdrukking en intimidatie; bewijst bijzondere eer aan de Iraanse vrouwen die een cruciale rol hebben gespeeld tijdens de demonstraties na de verkiezingen in juni, met name aan Neda Agha Soltan, die het symbool is geworden van de gewelddadige onderdrukking, en aan Shadi Sadr, de mensenrechtenactivist die op 15 juli 2009 werd gearresteerd wegens het spreken in het openbaar over mensenrechtenschendingen in gevangenissen ten aanzien van gedetineerden na de omstreden presidentsverkiezingen van Iran;

3.   veroordeelt het grootschalige en buitensporige gebruik van geweld, de willekeurige arrestaties en veronderstelde foltering bij de onderdrukking van de opstanden naar aanleiding van de omstreden Iraanse presidentsverkiezingen; verzoekt de Iraanse regering om de fundamentele politieke en burgerrechten in acht te nemen en met name het recht op vrije meningsuiting, en dringt erop aan dat alle vreedzame demonstranten en eenieder die in een breder kader van de recente onrust is gearresteerd, of het nu gaat om studenten, academici, campagnevoerders, journalisten of mensenrechtenactivisten, onvoorwaardelijk wordt vrijgelaten;

4.   verzoekt de Iraanse autoriteiten het Internationale Comité van het Rode Kruis zonder uitzondering toegang te verlenen tot alle gevangenen, en om internationale mensenrechtenorganisaties toe te staan de situatie in het land te volgen;

5.   verzoekt de Iraanse autoriteiten in de wetgeving en in de praktijk een eind te maken aan alle vormen van marteling en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, het recht op een eerlijke procesvoering te handhaven en een eind te maken aan het niet bestraffen van schendingen van de mensenrechten;

6.   veroordeelt de zelfmoordbomaanslag die op 17 oktober 2009 plaatsvond in Sistan-Baluchestan en waarbij tientallen mensen omkwamen of gewond raakten; vreest dat er een verband zou kunnen bestaan tussen deze zelfmoordaanslag en de onderdrukking van etnische en religieuze minderheden in deze provincie; verwerpt het gebruik van terrorisme als middel voor het oplossen van politieke geschillen;

7.   herhaalt zijn verzoek aan de Iraanse autoriteiten aan de verplichtingen van de regering te voldoen met betrekking tot het respecteren van religieuze minderheden en de Baha'i-leiders Fariba Kamalabadi, Jamaloddin Khanjani, Afif Naeimi, Saeid Rasaie, Mahvash Sabet, Behrouz Tavakkoli en Vahid Tizfahm onmiddellijk vrij te laten;

8.   herhaalt zijn verzoek aan de Iraanse autoriteiten om de doodstraf volledig af te schaffen en om in de tussentijd een moratorium in te stellen op alle executies, overeenkomstig het dringende verzoek in de Resoluties 62/149 en 63/168 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties;

9.   veroordeelt de terdoodveroordelingen en de executies in Iran ten stelligste, met name ten aanzien van jeugdige overtreders en minderjarigen, en protesteert met klem tegen de executie van Behnoud Shojaee op 11 oktober 2009 in Iran; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan zich te houden aan de internationaal erkende juridische garanties met betrekking tot minderjarigen, zoals het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, en verzoekt hen dringend om Safar Angooti en Abbas Hosseini niet te executeren;

10.   beveelt aan dat er een speciale afgezant wordt uitgezonden door de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN om de situatie van politieke gevangenen te volgen en om te verzekeren dat de Iraanse autoriteiten zich houden aan internationale procedurenormen en aan hun wettelijke mensenrechtenverplichtingen;

11.   betreurt de systematische beperking van de vrijheid van informatie door het blokkeren van websites, hun te verbieden verslag uit te brengen over niet-toegestane demonstraties en door het invoeren van nieuwe beperkingen voor journalisten door hen te verplichten tot het verkrijgen van toestemming voordat zij verslag mogen uitbrengen;

12.   verzoekt de Iraanse autoriteiten te stoppen met het vervolgen van journalisten die in dienst zijn van internationale media, en verzoekt hen met name om de onmiddellijke vrijlating van Fariba Pajooh, een jonge Iraans-Canadese journalist en bekende blogger, die op 24 augustus 2009 in haar huis in Teheran werd gearresteerd;

13.  veroordeelt het feit dat de mensenrechtenactivist Abdolfattah Soltani op 2 oktober 2009 werd verhinderd om van Teheran naar Nuremberg, Duitsland, af te reizen om de door die stad toegekende mensenrechtenprijs in ontvangst te nemen;

14.   roept de Commissie op in Teheran een EU-delegatie op te zetten, teneinde de dialoog met de autoriteiten en het maatschappelijk middenveld te bevorderen en te versterken en de samenwerking te intensiveren, met name inzake de steun aan vluchtelingen en de bestrijding van de drugshandel;

15.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de VN-mensenrechtenraad en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.


Sri Lanka
PDF 116kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over Sri Lanka
P7_TA(2009)0061RC-B7-0100/2009

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties van 18 mei 2000(1), 14 maart 2002(2) en 20 november 2003(3) over Sri Lanka, zijn resoluties van 13 januari 2005(4) over de recente tsunamiramp in de Indische Oceaan, van 18 mei 2006(5) over de situatie in Sri Lanka en van 5 februari 2009(6) over Sri Lanka,

–   gezien de open brieven van de commissaris voor buitenlandse betrekkingen van 16 juni 2009 en 21 september 2009 over de situatie in Sri Lanka,

–   gezien de conclusies van de Raad van 18 mei 2009 over Sri Lanka,

–   gelet op artikel 122 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de controle over alle gebieden in het noorden van Sri Lanka die voorheen in handen waren van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE ) weer is overgenomen,

B.   overwegende dat bij het 25 jaar durende conflict dat in 2009 eindigde na de overwinning op de LTTE, meer dan 90 000 doden zijn gevallen,

C.   overwegende dat na het einde van het conflict meer dan 250 000 Tamil-burgers met het oog op screening en hervestiging in kampen worden vastgehouden, waar er sprake is van ernstige problemen als overbevolking, een gebrek aan schoon water, aan sanitaire en medische voorzieningen, en aan bewegingsvrijheid,

D.   overwegende dat de regering van Sri Lanka humanitaire hulp- en mensenrechtenorganisaties een behoorlijke toegang tot de kampen ontzegt,

E.   overwegende dat de internationale gemeenschap humanitaire hulp moet blijven verlenen, inclusief getraind personeel,

F.   overwegende dat de regering van Sri Lanka de zorgen en belangen van de Tamil-burgers op een genereuze en proactieve manier moet aanpakken en het dertiende amendement op de Srilankaanse grondwet, alsmede verdere belangrijke decentralisatiemaatregelen snel en volledig ten uitvoer moet leggen, zodat de Tamils de overwinning op de LTTE ook als bevrijding zien,

G.   overwegende dat de mensenrechtensituatie zich zonder de betrokkenheid van permanente internationale waarnemers, in het bijzonder van organisaties als het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC), waarschijnlijk niet zal verbeteren,

H.   overwegende dat talloze journalisten die zich bezighouden met de berichtgeving over de periode van het conflict en de periode daarna te maken hebben gekregen met geweld en intimidatie,

I.   overwegende dat het economisch herstel van Sri Lanka voor een groot deel afhankelijk is van directe buitenlandse investeringen en van de voortzetting van steun door de EU,

J.   overwegende dat grote delen van de voormalige conflictgebieden nog vervuild zijn door antipersoonsmijnen en andere explosieve overblijfselen van oorlogshandelingen,

1.   betreurt ten zeerste dat er nog steeds meer dan 250 000 mensen in kampen worden vastgehouden en verzoekt de regering van Sri Lanka alle benodigde stappen te nemen om ervoor te zorgen dat deze mensen op korte termijn naar hun woonplaatsen kunnen terugkeren, alsmede dringend te zorgen voor humanitaire hulp, overeenkomstig de verplichting van de regering om alle onder zijn jurisdictie vallende personen bescherming te bieden; benadrukt dat het ICRC en de gespecialiseerde organen van de VN bij dit proces een centrale rol moet krijgen;

2.   doet een beroep op de autoriteiten van Sri Lanka om humanitaire hulporganisaties vrije toegang tot de kampen te verlenen om de mensen in de kampen de benodigde humanitaire hulp te bieden, met name met het oog op het komende regenseizoen in het noorden van het land;

3.   doet een beroep op de internationale gemeenschap het humanitaire beschermheerschap voort te zetten om een bijdrage te leveren aan blijvende vrede en verzoekt de internationale donoren steunverlening ten bate van de kampen te koppelen aan de voorwaarde dat toezeggingen met betrekking tot herhuisvesting worden nagekomen en tevens een tijdgebonden programma op te zetten met betrekking tot de steun aan de kampen;

4.   verzoekt de leiders van de Tamils zich in te zetten voor een politieke regeling en terrorisme en geweld voor eens en altijd af te zweren;

5.   beklemtoont dat op de regering van Sri Lanka de verplichting rust bij gerechtelijke procedures tegen leden van de LTTE de internationale normen voor de mensenrechten in acht te nemen;

6.   erkent de ontwikkeling door Sri Lanka van een nationaal actieplan ter bevordering en bescherming van de mensenrechten;

7.   doet een beroep op de regering van Sri Lanka om plannen op te zetten voor verzoening en regionale decentralisatie, overeenkomstig de grondwet van het land;

8.   dringt er bij de regering van Sri Lanka op aan een einde te maken aan de onderdrukking van de media op grond van de wetgeving tegen terrorisme en de persvrijheid weer te garanderen, en verzoekt de regering, nu er een einde is gekomen aan het conflict, de antiterrorismewetgeving te herzien en te waarborgen dat vermeende schendingen van de persvrijheid volledig en op een open en transparante wijze worden onderzocht;

9.   dringt er bij de regering van Sri Lanka op aan meer en uitvoeriger aandacht te besteden aan het ruimen van landmijnen, die een ernstig obstakel vormen voor wederopbouw en economisch herstel; dringt er in dit verband bij de regering van Sri Lanka op aan de zeer positieve stap te zetten van toetreding tot het Verdrag van Ottawa (het verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens), en verzoekt de Commissie met name om extra steun te verlenen met het oog op dringende acties inzake de opruiming van mijnen in Sri Lanka;

10.   spreekt zijn waardering uit over de totstandbrenging van de wet inzake de steun aan en bescherming van slachtoffers en getuigen, momenteel in tweede lezing bij het parlement van Sri Lanka;

11.   neemt kennis van het houden van de plaatselijke verkiezingen in noord Sri Lanka;

12.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de secretaris-generaal van het Britse Gemenebest, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, Human Rights Watch, de internationale campagne voor het verbieden van landmijnen, de regering van Sri Lanka en alle andere lidstaten van de Zuid-Aziatische Associatie voor regionale samenwerking.

(1) PB C 59 van 23.2.2001, blz. 278.
(2) PB C 47 E van 27.2.2003, blz. 613.
(3) PB C 87 E van 7.4.2004, blz. 527.
(4) PB C 247 E van 6.10.2005, blz. 147.
(5) PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 384.
(6) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0054.

Juridische mededeling - Privacybeleid