Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2645(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0265/2010

Ingediende teksten :

B7-0265/2010

Debatten :

PV 18/05/2010 - 13
CRE 18/05/2010 - 13

Stemmingen :

PV 19/05/2010 - 6.12
CRE 19/05/2010 - 6.12
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0185

Aangenomen teksten
PDF 154kWORD 61k
Woensdag 19 mei 2010 - Straatsburg
Toetsingsconferentie over het Statuut van Rome
P7_TA(2010)0185B7-0265/2010

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2010 over de toetsingsconferentie over het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof in Kampala (Uganda)

Het Europees Parlement,

–  gezien het besluit van de Vergadering van de staten die partij zijn, dat is aangenomen tijdens de achtste plenaire zitting op 26 november 2009(1), om de toetsingsconferentie over het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof in Kampala (Uganda) te houden van 31 mei tot en met 11 juni 2010,

–  gezien de eerdere resoluties en verslagen over de toetsingsconferentie, en met name resolutie ICC-ASP/7/Res.2 over de procedure voor de benoeming en verkiezing van de rechters, de openbare aanklager en de substituten van de openbare aanklager van het Internationaal Strafhof,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over het Internationaal Strafhof, en met name die van 19 november 1998(2), 18 januari 2001(3) en 28 februari 2002(4), die van 4 juli 2002 over het wetsontwerp inzake de bescherming van Amerikaans overheidspersoneel(5) en die van 26 september 2002(6), en zijn resolutie van 22 mei 2008(7),

–  gezien het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC) en de inwerkingtreding ervan op 1 juli 2002,

–  gezien de verklaring die het Voorzitterschap van de Europese Unie op 1 juli 2002 namens de EU heeft afgelegd over het Internationaal Strafhof,

–  gezien het belang dat zowel het ICC als de EU hechten aan de consolidering van de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, het behoud van de vrede en het vergroten van de internationale veiligheid, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en als bepaald in artikel 21, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het feit dat de Raad van de Europese Unie op 16 juni 2003 Gemeenschappelijk Standpunt 2003/444/GBVB betreffende het Internationaal Strafhof(8) heeft vastgesteld, waarin staat dat de ernstige misdrijven die onder de jurisdictie van het ICC vallen, een bron van zorg zijn voor alle lidstaten, die vastberaden zijn samen te werken om die misdrijven te voorkomen en om een eind te maken aan de straffeloosheid van de daders, en dat tot doel heeft ertoe bij te dragen dat het ICC doeltreffend functioneert en universele steun geniet, zulks door een zo breed mogelijke deelname aan het Statuut van Rome te stimuleren,

–  gezien het actieplan als follow-up van het gemeenschappelijk standpunt(9) dat de EU op 4 februari 2004 heeft afgerond en dat beoogt de coördinatie van de activiteiten van de EU, het universele karakter en de integriteit van het Statuut van Rome en de onafhankelijkheid en de goede werking van het ICC te bevorderen,

–  gezien de vaststelling door de EU van een reeks „leidende beginselen”(10) die aangeven welke minimale benchmarks staten die partij zijn bij het ICC in acht moeten nemen wanneer zij bilaterale niet-overleveringsovereenkomsten aangaan,

–  gezien de besluiten(11) die de Raad van de Europese Unie op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid heeft vastgesteld met het oog op nauwere samenwerking tussen de lidstaten bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven op nationaal niveau,

–  gezien het programma van Stockholm, waarin de EU-instellingen wordt verzocht de maatregelen van de Unie en de lidstaten tegen straffeloosheid te steunen en te stimuleren en de strijd aan te binden tegen genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, en „de samenwerking tussen de lidstaten […] en het Internationaal Strafhof (ICC) te bevorderen”,

–  gezien de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt sinds de eerste rechters en openbare aanklager van het ICC zijn verkozen, en gezien het feit dat het ICC momenteel in vijf landen onderzoeken voert (Kenia, de Democratische Republiek Congo, Sudan/Darfur, Uganda en de Centraal-Afrikaanse Republiek),

–  gezien het feit dat de toetsingsconferentie over het ICC een goede gelegenheid is om na te denken over de voortgang van het ICC en zijn inspanningen om gewapende conflicten te voorkomen en op te lossen, met name onder verwijzing naar Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien de toelichting bij het Statuut van Rome waarin de jurisdictie van het ICC wordt omschreven en waarin verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie en „elke andere vorm van seksueel geweld” als misdaden tegen de menselijkheid worden aangemerkt,

–  gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie over de toetsingsconferentie over het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof in Kampala (Uganda),

–  gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU volledig achter het ICC staat en dat zij de universaliteit van het Statuut van Rome bepleit en de integriteit ervan verdedigt teneinde de onafhankelijkheid, legitimiteit en effectiviteit van de internationale rechtsgang te beschermen en te vergroten,

B.  overwegende dat de EU zich tijdens de onderhandelingen over de uitbreiding en het toetredingsproces van nieuwe EU-lidstaten ook tot doel stelde dat zoveel mogelijk landen het Statuut van Rome zouden ratificeren en toepassen; overwegende dat de ratificatie en toepassing van het Statuut van Rome ook een belangrijke doelstelling voor de EU moet zijn in haar betrekkingen met andere partners, in het bijzonder de Verenigde Staten, China, Rusland en Israël,

C.  overwegende dat de EU er stelselmatig naar streeft om een ICC-bepaling op te nemen in onderhandelingsmandaten en overeenkomsten met derde landen,

D.  overwegende dat eerbiediging, bevordering en waarborging van het universele karakter van de mensenrechten een onderdeel van het ethische en juridische acquis van de Unie vormt en een van de hoekstenen van de Europese eenheid en integriteit is(12),

E.  overwegende dat de rol van de EU als mondiale speler de afgelopen decennia groter is geworden,

F.  overwegende dat de speciale vertegenwoordigers van de EU het EU-beleid bevorderen en de belangen van de EU verdedigen in onrustige regio's en een actieve rol spelen in de inspanningen om de vrede, de stabiliteit en de rechtsstaat te consolideren,

G.  overwegende dat de EU in april 2006 de eerste regionale organisatie was die een overeenkomst inzake samenwerking en bijstand(13) met het ICC sloot,

H.  overwegende dat de EU via van het Europese Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) over een periode van tien jaar ruim 40 miljoen EUR heeft uitgetrokken om het ICC en het internationale strafrecht in het algemeen te steunen,

I.  overwegende dat de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU er actief voor heeft gezorgd dat internationaal strafrecht in de herziene ACS-EU-partnerschapsovereenkomst (Overeenkomst van Cotonou) opgenomen is en verscheidene resoluties heeft aangenomen die tot doel hebben de strijd tegen straffeloosheid te mainstreamen in de internationale ontwikkelingssamenwerking en de desbetreffende politieke dialoog,

J.  overwegende dat de toetsingsconferentie voor de staten die partij zijn, alsook voor andere partijen, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden, een uitstekende gelegenheid is om nogmaals krachtig te bevestigen dat zij zich ertoe verbinden recht te doen geschieden en verdachten ter verantwoording te roepen,

K.  overwegende dat de staten die partij zijn de toetsingsconferentie hebben aangegrepen om verder te gaan dan de voorgestelde wijzigingen in het Statuut van Rome en ruim tien jaar na de oprichting van het ICC een balans van het Hof op te maken en meer in het algemeen de stand van het internationale strafrecht te evalueren, met bijzondere aandacht voor vier thema's, namelijk complementariteit, samenwerking, het effect van het Statuut van Rome op slachtoffers en getroffen gemeenschappen, en vrede en recht,

L.  overwegende dat sommige regio's, zoals het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Azië, nog steeds ondervertegenwoordigd zijn onder de 111 staten die partij zijn bij het ICC,

M.  overwegende dat samenwerking tussen staten, internationale organisaties en het ICC essentieel is voor de effectiviteit en het slagen van het internationale strafrechtsstelsel, met name wat de handhavingscapaciteit betreft,

N.  overwegende dat het ICC op 19 april 2010 voor het eerst sinds zijn oprichting een verzoek tot vaststelling van niet-medewerking van een staat heeft ontvangen,

O.  overwegende dat het beginsel van complementariteit waarop het Statuut van Rome stoelt, inhoudt dat de staat zelf een onderzoek moet voeren en zo nodig personen moet vervolgen die van misdrijven naar internationaal recht verdacht worden,

P.  overwegende dat in de meeste conflictsituaties waarbij recht geen deel uitmaakte van het vredesproces, het geweld opnieuw is opgelaaid,

1.  betuigt nogmaals zijn krachtige steun voor het ICC en zijn doelstellingen; wijst erop dat het statuut van Rome door alle EU-lidstaten is geratificeerd als essentieel onderdeel van de democratische beginselen en waarden van de Unie en roept de lidstaten daarom op om het Statuut volledig in acht te nemen als onderdeel van het EU-acquis;

2.  benadrukt dat het belangrijk is dat voor een Afrikaans land, Uganda, is gekozen om deze toetsingsconferentie te houden en steunt het verzoek van het ICC om een verbindingsbureau met de Afrikaanse Unie te openen in Addis Abeba, maar erkent tegelijk de universele dimensie van het stelsel van het Statuut van Rome;

3.  onderstreept het belang van het universaliteitsbeginsel van het statuut van Rome en roept de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op om actief om de toetreding tot en de ratificatie van het Statuut actief te bepleiten;

4.  herhaalt zijn standpunt dat geen enkele onschendbaarheidsovereenkomst ooit straffeloosheid mogelijk mag maken voor iemand die van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid of genocide wordt beschuldigd; verwelkomt de aankondiging van de regering van de VS dat er geen nieuwe onschendbaarheidsovereenkomsten zullen worden gesloten en roept de VS en hun partners op om de bestaande onschendbaarheidsovereenkomsten te herroepen;

5.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij op het hoogst mogelijke niveau, ook dat van staatshoofden en regeringsleiders, aan de toetsingsconferentie deelnemen en hun engagement voor het ICC publiekelijk herbevestigen;

6.  moedigt de lidstaten aan om hun engagement voor het ICC plechtig te herbevestigen en te wijzen op praktische maatregelen die zij plannen om het ICC te steunen, onder meer door te beloven het statuut van Rome toe te passen, de overeenkomst over de voorrechten en de immuniteiten van het ICC (APIC) te ratificeren en toe te passen, met andere landen die minder mogelijkheden hebben samen te werken om de universele aanvaarding van het ICC te bepleiten, en te bevestigen dat zij zullen bijdragen tot de versterking van het systeem van complementariteit en samenwerking, met name wat betreft het effect op slachtoffers en getroffen gemeenschappen alsook andere onderdelen van het Statuut van Rome;

7.  betuigt met klem zijn steun voor de opname van het misdrijf agressie in artikel 5, lid 1, van het Statuut van Rome betreffende de jurisdictie van het ICC; in dit verband is de bijzondere werkgroep van de Vergadering van de staten die partij zijn overeengekomen dat in het statuut onder „misdrijf agressie” wordt verstaan: „het plannen, voorbereiden, beginnen en uitvoeren, door een persoon wiens positie hem in staat stelt effectieve controle uit te oefenen of de leiding te hebben over het politieke of militaire optreden van een staat, van een daad van agressie die door de aard, ernst of omvang erven een duidelijke schending van het Handvest van de Verenigde Naties vormt”;

8.  bevestigt met klem dat bij om het even welk besluit over de definitie van „misdrijf agressie” de onafhankelijkheid van het ICC in acht moet worden genomen; beveelt aan dat de staten het voorstel goedkeuren waarbij geen jurisdictionele filter nodig is om vast te stellen of er een daad van agressie is gepleegd voordat de openbare aanklager van het ICC een onderzoek kan instellen; beveelt aan dat de toetsingsconferentie, indien zij besluit dat er een jurisdictionele filter moet worden vastgesteld, eist dat de vaststelling of er een daad van agressie is gepleegd, door de bevoegde kamer wordt verricht in de loop van de juridische procedure die reeds in het Statuut van Rome is vermeld;

9.  roept de lidstaten op om op zinvolle wijze tot de inventarisatie bij te dragen door deel te nemen aan de officiële panelgesprekken en de evenementen die door maatschappelijke organisaties (en andere belanghebbenden) worden georganiseerd in de marge van de officiële conferentie;

10.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij de toetsingsconferentie aangrijpen om hun engagement voor het ICC te herbevestigen door specifieke beloftes over de vier inventarisatiethema's en die beloften na te komen;

11.  steunt het ICC gedurende deze toetsingsconferentie bij de inventarisatie van alle fasen van de toepassing en het effect van het statuut van Rome, rekening houdend met het oogpunt van slachtoffers en getroffen gemeenschappen;

12.  is bezorgd over het effect van het Statuut van Rome op slachtoffers, personen en gemeenschappen die getroffen zijn door misdrijven die onder de jurisdictie van het ICC vallen; acht het essentieel dat slachtoffers en getroffen gemeenschappen toegang hebben tot informatie over de werkzaamheden van het ICC en deze begrijpen, en dat de rechten en belangen van slachtoffers een hoofdzaak moeten zijn voor al wie bij het Statuut van Rome betrokken is, aangezien het ICC een rechtsprekende instelling is die een aanvulling vormt op de primaire rol van de staten, die ervoor moeten zorgen dat slachtoffers bescherming, toegang tot justitie en individuele of collectieve schadeloosstelling krijgen; is van mening dat de lidstaten:

   actief moeten meewerken wanneer het ICC een aanhoudingsbevel uitvaardigt tegen een persoon, teneinde de overdracht van die persoon aan het ICC voor berechting te vergemakkelijken;
   de innovatieve instrumenten moeten accepteren waarover het ICC beschikt om slachtoffers hun recht op toegang tot justitie te laten uitoefenen, met inbegrip van de mogelijkheid die slachtoffers hebben om aan de procedures voor het ICC deel te nemen en schadeloosstelling te eisen, rekening houdend met de complementaire rol van het slachtofferfonds bij het toekennen van schadeloosstelling en andere bijstand, waaronder getuigenbescherming ; ervoor moeten zorgen dat slachtoffers alsook hun advocaten de nodige rechtsbijstand en rechtsbescherming krijgen;
   de vooruitgang moeten erkennen die het ICC tot nog toe heeft geboekt met hulpverlening aan getroffen gemeenschappen, het ICC moeten aanmoedigen om deze werkzaamheden verder te ontwikkelen, en erop moeten wijzen dat het veldwerk van het ICC belangrijk is om het effect van het ICC op slachtoffers en getroffen gemeenschappen te vergroten;
   bijzondere aandacht moeten besteden aan groepen die vanouds gemarginaliseerd zijn, zoals vrouwen, kinderen en inheemse volkeren, zodat het internationaal strafrecht geen instrument wordt dat het onrecht en de stereotypering waaronder zij geleden hebben, bestendigt;
   een aanzienlijke financiële bijdrage aan het slachtofferfonds moeten aankondigen;
   in contact moet treden met maatschappelijke organisaties zodat hun standpunten naar behoren worden vertegenwoordigd, onder meer door deel te nemen aan de evenementen in de „People's Space” die door het Human Rights Network worden georganiseerd;

13.  herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om te zorgen voor volledige samenwerking tussen de staten die partij zijn, de ondertekenende staten en het ICC, overeenkomstig artikel 86 van het Statuut van Rome, opdat in de preambule vermelde voorwerp en doel van het Statuut worden geëerbiedigd, namelijk dat „ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven”, en wel door:

   nationale wetgeving betreffende samenwerking op te stellen overeenkomstig deel IX van het statuut van Rome, voor zover zij dat nog niet hebben gedaan;
   hun toezegging om het ICC alle nodige medewerking en bijstand te verlenen, zonder voorbehoud te herbevestigen;
   te overwegen om ad-hocovereenkomsten met het ICC te sluiten om slachtoffers en getuigen te hervestigen en uitvoering te geven aan de vonnissen van het ICC;
   ervoor te zorgen dat samenwerking een vast agendapunt wordt in de Vergadering van de staten die partij zijn bij het ICC, dat de reële uitdagingen en behoeften van het ICC worden besproken en dat de voortgang die de staten maken, wordt gemeten;

14.  is verheugd over de herziening en bespreking van artikel 124 („overgangsbepaling”) van het Statuut van Rome, dat staten de mogelijk geeft ervoor te kiezen dat hun onderdanen gedurende zeven jaar na de ratificatie niet onder de jurisdictie van het ICC inzake oorlogsmisdaden vallen, en roept op om deze bepaling onmiddellijk uit het Statuut te schrappen zodat de wet op gelijke wijze wordt toegepast op alle verdachten van vermeende oorlogsmisdaden die zijn begaan op het grondgebied of door onderdanen van staten die partij zijn bij het Statuut;

15.  roept de lidstaten op om prioriteit te geven aan het opnemen van het gebruik van bepaalde wapens bij een gewapend conflict van niet-internationale aard als oorlogsmisdaad onder de jurisdictie van het ICC, overeenkomstig het Belgische voorstel tot wijziging van artikel 8 van het statuut van Rome dat is ingediend op de achtste zitting van de Vergadering van de staten die partij zijn en dat beoogt de strafbaarstelling van het gebruik van gif, giftige wapens, verstikkende, giftige of andere gassen en alle analoge vloeistoffen, stoffen of apparaten, alsook kogels die in het lichaam uitzetten of fragmenteren, uit te breiden tot gewapende conflicten van niet-internationale aard;

16.  benadrukt de doeltreffendheid van de complementariteit van het ICC, die de grondslag vormt van het hele internationale strafrechtsstelsel (het stelsel van het Statuut van Rome) en die inhoudt dat de hoofdverantwoordelijkheid van de staten voor het onderzoeken en vervolgen van internationale misdrijven duidelijk wordt versterkt door de aanvullende (subsidiaire) jurisdictie van het ICC;

17.  is er ten stelligste van overtuigd dat de lidstaten tijdens de besprekingen in Kampala:

   moeten bevestigen dat zij de hoofdverantwoordelijkheid dragen voor het onderzoeken en vervolgen van oorlogsmisdaden, genocide en misdaden tegen de menselijkheid, en zich ertoe moeten verbinden overeenkomstig het Statuut van Rome definities van oorlogsmisdaden, genocide en misdaden tegen de menselijkheid in hun wetgeving op te nemen;
   aan „positieve complementariteit” moeten doen, onder meer door de nadruk te leggen op de noodzaak van effectieve internationale procedures, ook in landen waar een grote behoefte aan rechtspraak is, zoals in ICC-probleemlanden en landen waarover het ICC een eerste analyse verricht;
   moeten benadrukken hoe belangrijk het is doeltreffende nationale procedures in te leiden en te voeren en met name het gebrek aan politieke wil van staten aan te pakken;
   moeten benadrukken dat het van essentieel belang is dat staten de politieke wil ontwikkelen om hun verplichtingen in het kader van de complementariteit na te komen, en maatregelen moeten nemen om staten aan te moedigen om te kiezen voor recht en tegen straffeloosheid;

18.  roept alle staten die partij zijn bij het Statuut van Rome, en met name de EU-lidstaten, op om nationale wetgeving vast te stellen of uit te voeren opdat zij ten volle met het ICC kunnen samenwerken;

19.  roept alle staten die partij zijn bij het Statuut van Rome op om overeenkomsten met het ICC te sluiten over de hervestiging van slachtoffers en getuigen en over strafuitvoering;

20.  roept de EU, de lidstaten en de andere internationale donoren op om steun te verlenen voor de hervormingsprocessen en de nationale capaciteitsopbouw die tot doel hebben een onafhankelijke rechterlijke macht, de ordehandhaving en het gevangeniswezen te versterken in alle ontwikkelingslanden die rechtstreeks te maken hebben met misdrijven die onder het Statuut van Rome vallen, opdat het complementariteitsbeginsel effectief wordt toegepast en de arresten van het ICC door de staten worden nageleefd;

21.  roept de staten die partij zijn op om op basis van de besprekingen in Kampala een resolutie aan te nemen waarin wordt benadrukt hoe belangrijk het is dat slachtoffers recht wordt gedaan in het kader van een eerlijk en onpartijdig proces;

22.  roept de EU-lidstaten op om hun engagement voor het ICC te vernieuwen voor de toekomst;

23.  ondersteunt het voorstel van de vertegenwoordigers op hoog niveau van de verdragsluitende partijen bij het Statuut van Rome van het ICC om 17 juli − de dag van de aanneming van het Statuut van Rome in 1998 − tot Dag van het Internationale Strafrechtstelsel uit te roepen;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten.

(1)Resolutie ICC-ASP/8/Res.6.
(2)PB C 379 van 7.12.1998, blz. 265.
(3)PB C 262 van 18.9.2001, blz. 262.
(4)Aangenomen teksten, P5_TA(2002)0082.
(5)Aangenomen teksten, P5_TA(2002)0367.
(6)Aangenomen teksten, P5_TA(2002)0449.
(7)Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0238.
(8)PB L 150 van 18.6.2003, blz. 67.
(9)Raadsdocument 5742/04.
(10)Leidende beginselen van de EU betreffende regelingen tussen een staat die partij is bij het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en de Verenigde Staten betreffende de voorwaarden voor overlevering van personen aan het Hof.
(11)Besluit 2002/494/JBZ van 13 juni 2002 tot instelling van een Europees netwerk van aanspreekpunten inzake personen die verantwoordelijk zijn voor genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven (PB L 167 van 26.6.2002, blz. 1), Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1), Besluit 2003/335/JBZ van 8 mei 2003 inzake opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven (PB L 118 van 14.5.2003, blz. 12).
(12)Artikel 2, artikel 3, lid 5, en artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
(13)PB L 115 van 28.4.2006, blz. 50.

Juridische mededeling - Privacybeleid