Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2009/2147(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0244/2010

Ingediende teksten :

A7-0244/2010

Debatten :

Stemmingen :

PV 07/09/2010 - 6.6
CRE 07/09/2010 - 6.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0296

Aangenomen teksten
PDF 111kWORD 32k
Dinsdag 7 september 2010 - Straatsburg
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich
P7_TA(2010)0296A7-0244/2010

Besluit van het Europees Parlement van 7 september 2010 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich (2009/2147(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich, dat op 14 juli 2009 werd ingediend door de Litouwse juridische autoriteiten, en van de ontvangst waarvan op 7 oktober 2009 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Viktor Uspaskich te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,

–  gelet op de artikelen 8 en 9 van het aan de Verdragen gehechte Protocol (Nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie,

–  gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964 en 10 juli 1986(1),

–  gelet op artikel 62 van de Grondwet van de Republiek Litouwen,

–  gelet op artikel 6, lid 2, en artikel 7 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0244/2010),

A.  overwegende dat rechtsvervolging is ingesteld tegen Viktor Uspaskich, lid van het Europees Parlement, die in het proces dat bij het Regionale strafgerecht van Vilnius is aangespannen wordt beschuldigd van strafbare feiten in de zin van artikel 24, lid 4, juncto artikel 222, lid 1, artikel 220, lid 1, artikel 24, lid 4, juncto artikel 220, lid 1, artikel 205, lid 1, en artikel 24, lid 4, juncto artikel 205, lid 1, van het Wetboek van strafrecht van Litouwen,

B.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tijdens de zittingsduur van het Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend, terwijl op deze immuniteit geen beroep kan worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen,

C.  overwegende dat de beschuldigingen die tegen de heer Uspaskich zijn ingebracht geen verband houden met een mening die hij in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die hij in de uitoefening van dat ambt heeft uitgebracht,

D.  overwegende dat een lid van de nationale volksvertegenwoordiging (de Seimas) overeenkomstig artikel 62 van de Grondwet van de Republiek Litouwen zonder de instemming van de Seimas niet strafrechtelijk verantwoordelijk mag worden gesteld, niet mag worden aangehouden en evenmin op andere wijze in zijn vrijheid mag worden beknot,

E.  overwegende dat artikel 62 tevens bepaalt dat een lid van de Seimas niet mag worden vervolgd om het uitbrengen van zijn stem of zijn toespraken in de Seimas, hoewel hij overeenkomstig de algemene procedure wel verantwoordelijk kan worden gesteld voor persoonlijke belediging of laster,

F.  overwegende dat de heer Uspaskich voornamelijk wordt beschuldigd van boekhoudfraude in verband met de financiering van een politieke partij gedurende een periode vóór zijn verkiezing tot lid van het Europees Parlement,

G.  overwegende dat geen overtuigend bewijs is aangedragen dat op fumus persecutionis (tendentieuze vervolging) zou kunnen duiden en de strafbare feiten waarvan de heer Uspaskich beschuldigd wordt niets te maken hebben met zijn werkzaamheden als lid van het Europees Parlement,

H.  overwegende dat het derhalve juist is zijn immuniteit op te heffen,

1.  besluit de immuniteit van Viktor Uspaskich op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Republiek Litouwen.

(1) Zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier, Jurispr. 1964, blz. 195, en Zaak 149/85, Wybot/Faure e.a., Jurispr. 1986, blz. 2391.

Juridische mededeling - Privacybeleid