Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2001(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0284/2010

Ingediende teksten :

A7-0284/2010

Debatten :

PV 19/10/2010 - 12
CRE 19/10/2010 - 12

Stemmingen :

PV 20/10/2010 - 6.3
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0372

Aangenomen teksten
PDF 372kWORD 100k
Woensdag 20 oktober 2010 - Straatsburg
Standpunt van het Parlement inzake de ontwerpbegroting 2011 als gewijzigd door de Raad − alle afdelingen
P7_TA(2010)0372A7-0284/2010

Resolutie van het Europees Parlement van 20 oktober 2010 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2011 − alle afdelingen (12699/2010 – C7-0202/2010 – 2010/2001(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gelet op artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 maart 2010 over de prioriteiten voor de begrotingsprocedure 2011 – Afdeling III − Commissie(4),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 juni 2010 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2011(5),

–  gezien het ontwerp van algemene begroting voor het begrotingsjaar 2011, door de Commissie ingediend op 27 april 2010 (COM(2010)0300),

–  gezien het standpunt over de ontwerpbegroting van de Europese Unie, door de Raad vastgesteld op 12 augustus 2010 (12699/2010 - C7-0202/2010),

–  gezien nota van wijzigingen nr. 1/2011 bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2011, door de Commissie ingediend op 15 september 2010,

–  gelet op artikel 75 ter van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0284/2010),

AFDELING III
Hoofdthema's en prioriteiten voor de begroting van 2011

1.  is er vast van overtuigd dat de begrotingsprocedure onder het nieuwe Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) van alle betrokken instellingen een volledige politieke betrokkenheid op het hoogste niveau vereist; benadrukt dat de bemiddelingsprocedure tot doel heeft de standpunten van de twee takken van de begrotingsautoriteit nader tot elkaar te brengen en dat het gemeenschappelijke ontwerp van de begroting 2011 nog door beide takken moet worden goedgekeurd overeenkomstig hun respectieve regels en het bepaalde in artikel 314, lid 7 van het VWEU;

2.  acht de schriftelijke procedure waarvan de Raad zich bediend heeft voor de vaststelling van zijn standpunt bijzonder ongepast voor de begrotingsprocedure en vindt die procedure discutabel omdat een openbare en eenduidige politieke ondersteuning van een essentieel stuk wetgeving van de Unie door de Raad op ministersniveau ontbreekt;

3.  weet bovendien niet goed hoe het het standpunt van de Raad over de ontwerpbegroting (OB) voor 2011 moet beoordelen, aangezien de besnoeiingen die de Raad heeft aangebracht niet aan duidelijk bepaalde doelstellingen beantwoorden en eerder willekeurig en radicaal over de hele begroting lijken te zijn verdeeld; is van oordeel dat willekeurig snijden in begrotingskredieten geen goed begrotingsbeleid is;

4.  is van mening dat na de inwerkingtreding van het VWEU, waarmee het EU-beleid wordt uitgebreid en nieuwe bevoegdheidssferen worden gecreëerd − met name gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, concurrentievermogen en innovatie, ruimtevaart, energiebeleid, toerisme, bestrijding van de klimaatsverandering, sport en jeugdwerk, sociaal beleid, justitie en binnenlandse zaken − en dat een „Lisbonisering” van de begroting impliceert en dus dat de Europese Unie toereikende begrotingsmiddelen moet krijgen om haar doelstellingen te bereiken en vraagt dus van beide takken van de begrotingsautoriteit coherentie en consistentie vraagt voor wat betreft een verhoogde financiële capaciteit;

5.  wijst erop dat de EU-begroting ondanks de diverse verdragswijzigingen en het grotere aantal bevoegdheden dat naar het Unieniveau is overgeheveld, nog steeds slechts een bescheiden 1% van het BNI uitmaakt; verzet zich derhalve tegen de ingrijpende besnoeiingen die de Raad heeft aangebracht;

6.  heeft begrip voor de bezorgdheid die sommige delegaties in de Raad hebben geuit in verband met de bijzonder zware druk waaraan de begrotingen van de lidstaten in het begrotingsjaar 2011 zullen blootstaan, waardoor bezuinigingen meer dan ooit noodzakelijk zijn, maar is niettemin van oordeel dat willekeurig snijden in betalingskredieten geen goed begrotingsbeleid is; is bovendien van mening dat willekeurig snijden in vastleggingskredieten de tenuitvoerlegging van reeds overeengekomen EU-beleid en -programma's in het gedrang brengt;

7.  herinnert de Raad en de Commissie bovendien aan zijn resolutie van 29 maart 2007 over de toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie(6), waarin het Parlement onderstreepte dat het huidige stelsel van eigen middelen, waarbij 70% van de inkomsten rechtstreeks uit de nationale begrotingen afkomstig is, tot gevolg heeft dat de bijdrage aan de Europese Unie gevoeld wordt als een extra last voor de nationale begrotingen; is er diep van overtuigd dat alle EU-instellingen een duidelijk en bindend tijdschema overeen moeten komen om tot overeenstemming te komen over een nieuwe eigenmiddelenstelsel voordat het nieuwe MFK voor de jaren na 2013 in werking zal treden; verklaart zich bereid om alle mogelijke wegen daartoe te onderzoeken;

8.  herinnert er eens te meer aan dat de EU-begroting niet moet worden gevoeld en beoordeeld als louter een extra financiële last voor de nationale begrotingen, maar daarentegen beschouwd moet worden als een mogelijkheid om een extra dimensie te geven aan initiatieven en investeringen die van belang zijn en meerwaarde opleveren voor de EU in haar geheel en waartoe in de meeste gevallen gezamenlijk is besloten door het Parlement en de Raad, waardoor zij ook op nationaal niveau gelegitimeerd zijn; verzoekt de EU-instellingen een passend mechanisme te bepalen om de „kosten van niet-Europa” te berekenen en te beoordelen, zodat de besparingen die het bundelen van middelen voor de nationale begrotingen oplevert, duidelijk worden belicht;

9.  herhaalt dat het aanvullend karakter van de EU-begroting ten opzichte van de nationale begrotingen en de stimulans die daarvan uitgaat niet onderuit mogen worden gehaald door willekeurige bezuinigingen die in totaal slechts een oneindig klein deel (minder dan 0,02%) van de begrotingen van de 27 lidstaten samen uitmaken;

10.  wijst er andermaal op dat het Parlement, zoals het onder meer verklaard had in zijn resolutie van juni 2010 over het mandaat voor de trialoog, de beleidsmaatregelen op het gebied van jeugd, onderwijs en mobiliteit tot een van zijn belangrijkste prioriteiten voor de begroting 2011 heeft gemaakt omdat zij essentiële en noodzakelijke bestanddelen van de EU-strategie voor economisch herstel en van de EU 2020-strategie zijn; benadrukt dat de voorgestelde verhoging van middelen voor een aantal zorgvuldig gekozen begrotingslijnen zowel korte- als langetermijndoelstellingen voor de toekomst van de EU dient;

11.  herhaalt zijn vaste overtuiging dat de financiering van EU-beleid in een context van schaarse middelen en wereldwijde economische recessie zorgvuldig moet worden gecontroleerd, opdat alle overbodige uitgaven die geen duidelijke en identificeerbare doelen dienen, worden vermeden, in het besef dat de EU-begroting een meerwaarde biedt omdat zij een uitdrukking is van solidariteit en efficiëntie die verwezenlijkt worden dankzij het bundelen van middelen die anders over het nationale, het regionale en het plaatselijke niveau versnipperd zouden zijn; onderstreept tevens dat verreweg het grootste deel van de uitgaven ten laste van de EU-begroting gebruikt wordt voor langetermijninvesteringen die noodzakelijk zijn om de economische groei van de EU te stimuleren;

12.  wijst erop dat de marges die uit het meerjarig financieel kader (MFK) voortvloeien nauwelijks echte manoeuvreerruimte laten, met name in de subrubrieken 1a en 3b en in rubriek 4, en dat zij het vermogen van de EU beperken om enerzijds in te spelen op politieke veranderingen en onvoorziene behoeften en anderzijds haar prioriteiten te handhaven; wijst erop dat de omvang van de problemen waarmee Europa geconfronteerd wordt, middelen zou vergen die de huidige maxima van het MFK ver overstijgen; wijst er in dit verband op dat een grondige begrotingsherziening absoluut noodzakelijk is en dat onmiddellijke herziening van de maxima van het huidige MFK en van diverse voorschriften van het interinstitutioneel akkoord (IIA) van 17 mei 2006 over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer onvermijdelijk is geworden als gevolg van de diverse nieuwe uitdagingen en prioriteiten;

13.  vraagt de Raad met klem volledig rekening te houden met de duidelijke voorwaarden die het Parlement in zijn resolutie van 22 september 2010 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2007-2013 (COM(2010)00722010/0048(APP))(7) heeft gesteld aan het verlenen van zijn goedkeuring aan de nieuwe MFK-verordening, zoals bepaald in het VWEU;

14.  herinnert eraan dat de financiering van zijn prioriteiten en van de nieuwe beleidsmaatregelen die voortvloeien uit de inwerkingtreding van het VWEU onmogelijk wordt gemaakt door de MFK-maxima; benadrukt dat het, om de onderhandelingen in het bemiddelingscomité over de begroting 2011 te vergemakkelijken, voorgesteld heeft om deze beleidsmaatregelen ten koste van vergaande compromissen toch binnen die maxima te financieren; wijst er echter op dat dit alleen kan worden bereikt door de kredieten op andere specifieke en zorgvuldig gekozen begrotingslijnen te verlagen;

15.  bepleit ten sterkste de inbouw van een garantiefonds in de EU-begroting, dat gekoppeld moet worden aan het Europees financieel stabilisatiemechanisme; houdt eraan vast dat beide takken van de begrotingsautoriteit moeten worden betrokken bij besluiten omtrent de mobilisering van dit mechanisme; verlangt dat alle mogelijke begrotingsbehoeften die met dit mechanisme samenhangen, gefinancierd worden door een ad-hocherziening van het huidige MFK 2007-13 of van het IIA van 17 mei 2006, zodat de begrotingsautoriteit er tijdig en voldoende bij wordt betrokken;

16.  weigert een totaalbedrag van het standpunt van de Raad voor de betalingskredieten te zien als een streefcijfer dat bereikt wordt door uitgaven op verschillende lijnen te verhogen of te verlagen zonder een grondige evaluatie van de werkelijke behoeften;

17.  wijst erop dat deze wijze van handelen van de Raad gevolgen kan hebben voor het uitvoeringspercentage van de vastleggingen voor hetzelfde jaar, omdat daarmee het ondertekenen van nieuwe contracten vertraging oploopt, met name tijdens het laatste kwartaal, en dat zo de meerjarige leefcycli van de EU-programma's worden verstoord;

18.  is in het algemeen van oordeel dat niet moet worden gesnoeid in de uitgaven voor administratieve ondersteuning van EU-programma's, ten einde een snelle soepele uitvoering van die programma's te waarborgen, alsook de „kwaliteit” ervan en het toezicht erop; draait daarom alle verlagingen terug die de Raad in de lijnen voor het administratief beheer van die programma's heeft aangebracht;

Subrubriek 1a

19.  wijst erop dat de horizontale prioriteiten van het Parlement voor de begroting 2011 – jeugd, onderwijs en mobiliteit – vereisen dat onder de diverse beleidsmaatregelen doelgericht en sectoroverschrijdend wordt geïnvesteerd om zo de groei en de ontwikkeling in de EU te stimuleren; verklaart derhalve dat het de kredieten voor alle met die prioriteiten samenhangende programma's – Een leven lang leren, People en Erasmus Mundus – wil verhogen;

20.  is in het bijzonder van mening dat arbeidsmobiliteit van jongeren een essentieel middel is om een concurrerende en dynamische arbeidsmarkt in Europa tot stand te brengen en dus moet worden gestimuleerd; is daarom vóór verhoging van de middelen voor de European Employment Service (EURES) en fervent voorstander van de lancering van de voorbereidende actie „Je eerste EURES-baan”, dat tot doel heeft jongeren te helpen bij het vinden van een eerste baan en bij de toegang tot gespecialiseerd werk in een andere lidstaat, als eerste stap in de richting van een specifiek niet-academisch programma voor mobiliteit van jongeren;

21.  erkent de meerwaarde van door de EU gefinancierd onderzoek, dat de afzonderlijke nationale inspanningen en investeringen op onderzoeksgebied, met name op het gebied van energie – inclusief hernieuwbare energie – een extra impuls geeft, alsook de centrale rol van het midden- en kleinbedrijf (MKB) in de groei en de werkgelegenheid in Europa; betuigt derhalve andermaal zijn steun aan het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, met name het Programma voor ondernemerschap en innovatie en de programma's voor intelligente energie, en geeft blijk van die steun door de vastleggingen en betalingen op een aantal zorgvuldig gekozen lijnen te verhogen; merkt op dat soepele tenuitvoerlegging van de O&O-programma's gegarandeerd moet worden om te vermijden dat de kredieten aan het eind van het begrotingstijdvak worden overgeschreven naar een andere dan de oorspronkelijk bedoelde bestemming;

22.  is uiterst bezorgd over de ontoereikendheid van de middelen die beschikbaar zijn voor de financiering van beleid dat de kern vormt van concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid en over de verslechtering van deze situatie met het oog op de komende financiering van de Europa 2020-strategie; wijst erop dat investeringen in beleidssectoren als onderwijs, onderzoek, innovatie, vervoer (met name TEN-T) en toerisme een cruciale rol spelen bij het stimuleren van groei en werkgelegenheid;

23.  acht het van het grootste belang dat de onlangs opgerichte Europese financiële autoriteiten van meet af aan naar behoren gefinancierd worden, opdat zij kunnen bijdragen aan de stabiliteit van het Europese en internationale financiële stelsel;

24.  is ervan overtuigd dat de financiering van Euratom – Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER opnieuw moet worden bezien tegen de achtergrond van het Commissievoorstel inzake de financiering van ITER voor 2012 en 2013; is niet bereid om herschikking binnen het bestaande zevende kaderprogramma voor onderzoek te accepteren om de toegenomen financiële behoeften, die niet langer stroken met het oorspronkelijke voorstel, te financieren; is derhalve van mening dat, gezien de vertraging bij de uitvoering en om de onderhandelingen met de Raad over de toekomstige financiering van ITER te op gang te brengen, een verlaging van de vastleggingen en betalingen van begrotingslijn 08 20 02 met 47 miljoen EUR de beste begrotingsoptie vormt;

25.  steunt het voorstel van de Commissie om betalingskredieten op te nemen op de lijn voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, ten einde de financiële procedures in verband met door beide takken van de begrotingsautoriteit goedgekeurde aanvragen te vereenvoudigen; herstelt derhalve het standaardbedrag en tekent daarbij aan dat het wellicht niet volstaat om in de behoeften voor 2011 te voorzien;

26. is ervan overtuigd dat er behoefte is aan een strategisch perspectief voor de Europese energiesituatie; merkt op dat de Commissie een Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET) heeft vastgesteld, maar dat de financiële voorwaarden ervan nog onduidelijk zijn; heeft daarom p.m.-lijnen gecreëerd voor diverse terreinen van het SET-plan, dat op korte termijn van start zou moeten gaan;
Subrubriek 1b

27.  merkt op dat het standpunt van de Raad geen verandering brengt in het Commissievoorstel voor de vastleggingen en onderstreept dat dit standpunt over de vastleggingen strookt met de begrotingstoewijzing in het MFK, rekening houdend met de technische aanpassing aan het financieel kader voor 2010 als bedoeld in punt 17 van het IIA van 17 juni 2006;

28.  betreurt de restrictieve aanpak van de Raad met betrekking tot de betalingen, die met 1 075 miljoen EUR (waarvan de helft voor de voltooiing van de programmeringsperiode 2006-2010) zijn verlaagd ten opzichte van de ramingen van de Commissie van de voor 2011 benodigde betalingen; wijst erop dat het Europees Parlement al geoordeeld had dat die ramingen mogelijkerwijs te laag waren en dat de aanpak van de Raad de noodzakelijke inhaaloefening voor de programma-uitvoering na de trage start in het begin van het tijdvak 2007-2013 in gevaar zou kunnen brengen, alsook de wetswijzigingen die het Parlement en de Raad onlangs overeengekomen zijn in het kader van het Europees economisch herstelplan;

29.  maakt derhalve de door de Raad aangebrachte verlaging ongedaan en brengt de betalingen terug op het niveau van de ontwerpbegroting; blijft bij zijn oorspronkelijke standpunt dat de Commissie en de Raad met spoed een gewijzigde begroting moeten indienen resp. vaststellen indien de betalingskredieten ontoereikend zouden blijken om de behoeften te dekken; is ingenomen met de verklaring van de Raad ter zake;

30.  herinnert eraan dat in het actieplan in het kader van de EU-strategie voor het Oostzeegebied verklaard wordt dat de voorgestelde acties voor zover mogelijk uit bestaande bronnen, waaronder de structuurfondsen en het Cohesiefonds, moeten worden gefinancierd; wijst erop dat in de conclusies van de Raad over EU-strategie voor het Oostzeegebied verklaard wordt dat die strategie afhankelijk is van een efficiënter gebruik van bestaande EU-instrumenten en –fondsen, alsook van andere bestaande hulpbronnen en financiële instrumenten; benadrukt dat deze strategie naar behoren moet worden erkend en gefinancierd;

Rubriek 2

31.  wijst erop dat het primaire doel van het GLB bestaat in het waarborgen van een stabiele markt en zekere voedselvoorziening en billijke inkomens voor landbouwers, alsook het beschermen van milieu en landschap, en verzoekt de Commissie derhalve in de begroting 2011 een financiële buffer in te bouwen die voor de nodige middelen tot ongecompliceerde toegang tot financiering zorgt, ingeval de markt in 2011 volatiliteit zou vertonen;

32.  erkent het nut van 300 miljoen EUR aan buitengewone financiering voor de zuivelsector waarvoor in de begroting 2010 was gezorgd; steunt de opvoering van een nieuwe begrotingslijn die als zuivelfonds moet fungeren en steun moet verlenen voor modernisering, diversificatie en herstructurering, alsook voor verbetering van de afzet en onderhandelingspositie van veehouders als reactie op de toenemende marktmacht van de verwerkingsindustrie en de detailhandel in de levensmiddelenketen; wijst erop dat de Commissie al een zuivelfonds heeft goedgekeurd;

33.  is van oordeel dat het nationale steunprogramma voor de wijnsector gehandhaafd moet worden, zij het op een lager peil; wijst erop dat de Commissie ten tijde van de hervorming van het marktstelsel voor wijn uitdrukkelijk had verklaard dat die hervorming begrotingsneutraal moest zijn;

34.  erkent dat de schoolfruitregeling en de schoolmelkregeling belangrijke programma's vormen die kinderen ertoe aanmoedigen gezond te eten; steunt het voorstel van de Commissie om meer middelen uit te trekken voor de deze twee regelingen en besluit de kredieten ervoor verder te verhogen; wijst op het belang van het programma voor behoeftige personen en besluit de kredieten ervoor te verhogen, maar herinnert eraan dat het programma ten uitvoer moet worden gelegd in het licht van de voor het Gerecht lopende zaken;

35.  steunt overeenkomstig zijn prioriteiten het opzetten van een proefproject met het oog op de bevordering van de uitwisseling van beste praktijken tussen jonge landbouwers, met name in verband met de uitdagingen die de Europese landbouwsector wachten;

36.  is ervan overtuigd dat de kredieten voor LIFE+ (Financieel instrument voor het milieu 2007-2013) verder moeten worden verhoogd om in de aanvullende maatregelen te kunnen voorzien; benadrukt dat de zorg voor het milieu een prioriteit van het milieu- en het landbouwbeleid is en dat verhoging van de middelen cruciaal is voor het behoud van natuur en biodiversiteit; is van mening dat er in aanvulling op LIFE+ in alle relevante EU-instrumenten vaste criteria in verband met duurzame ontwikkeling moeten worden ingevoerd;

Subrubriek 3a

37.  acht diverse programma's, zoals Terrorisme: preventie, paraatheid en beheersing van de gevolgen, essentieel voor de tenuitvoerlegging van het Programma van Stockholm en betuigt nogmaals dat zijn steun aan het programma Daphne - Geweldbestrijding, in het kader waarvan projecten die financiële steun zouden verdienen niet kunnen worden gefinancierd wegens gebrek aan middelen, alsook aan het programma Drugspreventie en voorlichting; legt in dit verband speciale nadruk op de bestrijding van geweld tegen vrouwen, zoals gedwongen abortus, geslachtsverminking, gedwongen sterilisatie en elke andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling;

38.  ziet, gezien de gebrekkige informatie die het Parlement over de volgende fasen van het SIS II-project heeft gekregen, het in de reserve plaatsen van kredieten als de beste manier om de gevraagde informatie over noodzakelijke verbeteringen alsnog los te krijgen;

39.  vindt dat de planning in het werkdocument van de diensten van de Commissie van 21 september 2010 niet volstaat als antwoord op het verzoek van het Parlement om informatie over de noodzakelijke verbeteringen en om een volledig overzicht van de budgettering van SIS II;

Subrubriek 3b

40.  herinnert eraan dat subrubriek 3b beleid inhoudt dat rechtstreekse gevolgen heeft voor het dagelijks leven van de Europese burgers, en is er vast van overtuigd dat het werkelijke potentieel van deze rubriek niet kan vrijkomen met de beperkte marge die het huidige MFK biedt; benadrukt dat de financiering die de Raad voor deze instrumenten voorstelt, niet strookt met de kernprioriteiten die onder deze rubriek vallen en wijst met name op de extreem hoge uitvoeringspercentages die de programma's in verband met jeugd tot dusver te zien hebben gegeven, wat aantoont dat er veel meer in deze programma's zou moeten worden geïnvesteerd;

41.  bevestigt zijn voornemen om de kredieten voor het programma „Jeugd in Actie”, de World Special Olympic Summer Games, de Informatiecentra en de lopende voorbereidende actie op sportgebied te verhogen; neemt kennis van het initiatief van de Raad om een nieuwe voorbereidende actie te presenteren voor de bescherming van herdenkingsplaatsen in Europa en is van mening dat deze voorbereidende actie het EU-burgerschap zou kunnen bevorderen door historische locaties waar gezamenlijke Europese gebeurtenissen worden herdacht in stand te houden en makkelijker toegankelijk te maken;

42.  acht het noodzakelijk dat de Commissie een alomvattende strategie presenteert voor betere communicatie naar de EU-burgers toe en voor het opzetten van een Europese publieke ruimte, in lijn met de interinstitutionele gezamenlijke verklaring „Communiceren over Europa in partnerschap” van oktober 2008;

Rubriek 4

43.  is er absoluut van overtuigd dat de rol van de EU op het wereldtoneel niet naar behoren kan worden gefinancierd binnen de huidige MFK-marges en dat de twee takken van de begrotingsautoriteit deze middelenschaarste niet moeten aanpakken door middel van last-minutecompromissen zonder zich naar behoren te bezinnen op de behoeften op middellange termijn; wijst erop dat een herziening van het MFK en de bijstelling van het maximum van rubriek 4 om rekening te houden met de behoeften die in 2006 nog niet te voorzien waren, een conditio sine qua non vormen voor een beheerbare en duurzame situatie in deze rubriek;

44.  is van oordeel dat, gezien de uiterst geringe manoeuvreerruimte binnen deze rubriek en met het oog op het door de Raad geïnitieerde streven naar bezuiniging, de financiering van prioriteiten alleen gegarandeerd kan worden door zorgvuldig gekozen verlagingen van kredieten op een beperkt aantal begrotingslijnen; is van mening dat de voorgestelde kredieten voor de ondersteuning van de wederopbouw van Afghanistan en voor macrofinanciële bijstand ten dele zouden kunnen worden verlaagd zonder dat het optreden daardoor ernstig in het gedrang zou komen; besluit in diezelfde geest om de kredieten voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid terug te brengen op het niveau van de begroting 2010, wat op grond van punt 42 van het IIA toegestaan is;

45.  herhaalt zijn toezegging dat het niet willekeurig zal snijden in de kredieten voor bijstand aan Palestina, het vredesproces en de UNRWA; verklaart evenwel nogmaals dat het er vast van overtuigd is dat de discrepantie tussen de globale financiële bijstand van de EU – die als geheel de belangrijkste donor is – en haar vrij beperkte invloed op het vredesproces even onterecht als onbegrijpelijk is en dat daaraan grondig aandacht moet worden besteed, met name in de context van de onlangs opgerichte Europese Dienst voor extern optreden;

46.  verklaart nogmaals tegenstander te zijn van de voorgestelde herschikking van kredieten van diverse instrumenten en programma's ten gunste van de post „Begeleidende maatregelen in de bananensector” en van het Instrument voor samenwerking met industrielanden (ICI+), waarvan de financiering ten tijde van de vaststelling van het huidige MFK niet was voorzien, maar herhaalt dat het deze instrumenten steunt; benadrukt dat het instrument voor ontwikkelingssamenwerking niet mag worden beschouwd als een fonds dat kan worden aangesproken voor de financiering van nieuwe behoeften in het kader van rubriek 4, maar dat het is opgericht en van middelen is voorzien voor een specifieke reeks doelstellingen waartoe de EU zich bij tal van gelegenheden heeft verplicht; verzoekt de Raad derhalve in te stemmen met meerjarenfinanciering van deze maatregelen via alle middelen waarin het IIA voorziet;

47.  besluit een deel van de kredieten voor milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, waaronder energie, in de reserve te plaatsen totdat de Commissie een politiek bindend document heeft gepresenteerd waaruit blijkt dat dit „snelle start”-financieringspakket voor het klimaat werkelijk aanvullend is, dat in het kader ervan EU-middelen op geografisch gezien evenwichtige wijze worden toegewezen aan partnerregio's en dat het niet ten koste gaat van bestaande programma's voor ontwikkelingssamenwerking, en dat eveneens duidelijke informatie bevat over de criteria voor de selectie van de begunstigden, alsook nadere bijzonderheden over de overeenkomsten met de ontwikkelingslanden;

48.  start in alle relevante begrotingstitels met het mainstreamen van de EU-steun voor Fair Trade;

49.  is van oordeel dat er, in lijn met het vierpartijenoverleg over de oprichting van de Europese dienst voor extern optreden, een duidelijker afbakening van GBVB- en GVDB-missies moet komen, zulks omwille van de transparantie en van een overzichtelijke begroting; besluit derhalve de lijnen 19 03 01, 19 03 03 en 19 03 07 te splitsen en afzonderlijke begrotingslijnen op te voeren voor EUMM Georgië, EULEX Kosovo en EUPOL Afghanistan, die in 2011 de belangrijkste missies in het kader van het GVBV/GVDB zullen zijn;

50.  vraagt zich af waarom oud-leden van de Commissie nog steeds betaald worden ook al hebben zij een andere baan; verzoekt de Commissie met klem de huidige procedures grondig te herzien en het Parlement uiterlijk op 30 april 2011 een gedetailleerd verslag voor te leggen;

51.  is, overeenkomstig zijn resoluties over de trans-Atlantische betrekkingen, van oordeel dat het strategisch partnerschap EU-VS duidelijk tot uiting moet worden gebracht door middel van de invoering van een specifieke begrotingslijn „Samenwerking met de Verenigde Staten”;

52.  is ervan overtuigd dat de verdere verhoging van de financiële middelen voor de Turks-Cypriotische gemeenschap noodzakelijk is om het werk van het Comité vermiste personen op Cyprus en de herstelprojecten van het Technisch comité voor cultureel erfgoed naar behoren te kunnen financieren; acht het werk van beide comités van eminent belang voor beide gemeenschappen op Cyprus;

Rubriek 5

53.  verwerpt het algemene standpunt van de Raad over de uitgaven van rubriek 5, dat erin bestaat dat het totaalbedrag met meer dan 115 miljoen EUR wordt verlaagd door middel van het buiten de begroting houden van een salaris- en pensioenaanpassing van 1,85% en een algemene verlaging van de begrotingslijnen voor de Europese scholen, die haaks staat op de prioriteiten van het EP inzake jeugd, onderwijs en mobiliteit;

54.  benadrukt dat een dergelijke restrictieve aanpak op korte termijn weliswaar besparingen oplevert voor de begrotingen van de EU en de lidstaten, maar de tenuitvoerlegging van EU-beleid en -programma's in gevaar brengt; beklemtoont voorts dat de instellingen voldoende middelen moeten krijgen om hun taken te kunnen vervullen, met name na de inwerkingtreding van het VWEU;

55.  maakt derhalve de door de Raad aangebrachte verlagingen ongedaan en plaatst, in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie, de bedragen voor een salarisaanpassing van 1,85% in de reserve; is van mening dat het begroten van dergelijke uitgaven en kwestie van gezond en verstandig begrotingsbeheer is;

56.  herstelt de ontwerpbegroting van de Commissie voor alle andere hierboven genoemde verlagingen, behalve die met betrekking tot conferenties, vergaderingen en comités; acht de besnoeiingen in de begroting voor de Europese scholen onaanvaardbaar; vraagt zich bovendien af hoe de Raad de mogelijke personeelsomvang bij de diensten van de Commissie nauwkeuriger kan inschatten dan de Commissie zelf;

57.  verzoekt de Raad nota van wijzigingen nr. 1/2011 met spoed goed te keuren, zodat de Europese dienst voor extern optreden al begin 2011 met voldoende middelen van start kan gaan, maar besluit kredieten in de reserve te plaatsen totdat de vicevoorzitter van de Commissie/Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid de betrokken organen van het Parlement nader geraadpleegd heeft over de prioriteiten waarvoor zij de middelen wil gebruiken die als gevolg van het samengaan van bestaande structuren van de Commissie en de Raad zullen vrijkomen;

58.  stelt reserves in voor bepaalde administratieve lijnen, in afwachting van specifieke actie, follow-up of voorstellen van de Commissie of om aanvullende informatie van deze laatste te verkrijgen; stelt met name een herziening van de gedragscode voor leden van de Commissie en de strikte toepassing daarvan voor wat betreft de toewijzingsmodaliteiten van pensioenen van oud-leden als voorwaarde voor het vrijgeven van deze reserves;

Agentschappen

59.  steunt door de bank genomen de ramingen van de Commissie met betrekking tot de begrotingsbehoeften van de agentschappen en verwerpt de uitgangspunten waarop het uitgangspunt dat de Raad met betrekking tot de begrotingen van de gedecentraliseerde agentschappen van de EU in vergelijking met 2010 heeft gehanteerd, te weten:

   beperking van de verhoging tot 1,5% voor agentschappen „op kruissnelheid”;
   beperking van de verhoging tot 3% voor agentschappen met nieuwe taken en slechts de helft van de gevraagde posten;
   geen wijzigingen in de voorstellen van de Commissie voor nieuwe agentschappen;

60.  is echter van mening dat de EU-subsidie aan agentschappen die diensten tegen betaling leveren, niet moet worden verlaagd met het bedrag van de bestemmingsontvangsten, zodat die agentschappen genoeg begrotingsflexibiliteit houden om de volatiliteit van hun ontvangsten te compenseren;

61.  besluit verder de begrotingsmiddelen voor 2011 voor de drie nieuwe agentschappen voor financieel toezicht te verhogen overeenkomstig de geraamde begrotingsimpact van het resultaat van de onderhandelingen met de Raad, een reserve in te stellen voor het Europese Politiecollege in afwachting van de uitkomst van de kwijtingsprocedure 2008, de EU-subsidie voor de Europese Stichting voor opleiding te verhogen, overeenkomstig de prioriteiten van het Parlement, en de begrotingstoewijzing voor het Bureau voor visserijcontrole te verhogen, zodat het zich van zijn verplichtingen inzake controles in internationale wateren kan kwijten;

Proefprojecten en voorbereidende acties

62.  benadrukt dat er een beperkt aantal proefprojecten en voorbereidende acties is goedgekeurd na een diepgaande beoordeling en evaluatie, mede in het licht van de nuttige eerste beoordeling door de Commissie in juli 2010 om overlapping met reeds onder bestaande EU-programma's vallende acties te voorkomen; herinnert eraan dat proefprojecten en voorbereidende acties tot doel hebben beleidsprioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven te lanceren die in de toekomst kunnen uitmonden in EU-activiteiten en -programma's;

Afdelingen I, II, IV, V, VI, VII, VIII, IX
Algemeen kader

63.  herinnert eraan dat de instellingen bij de opstelling van hun begroting blijk moeten geven van een goed en doeltreffend beheer en rekening moeten houden met de effecten van de huidige economische crisis, en dat zij moeten streven naar een effectief gebruik van middelen, zodat zij aan hun verplichtingen overeenkomstig het Verdrag van Lissabon kunnen voldoen, maar tegelijkertijd ook waar mogelijk trachten te bezuinigen;

64.  vestigt de aandacht op de door de Commissie bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakte en nog lopende zaak met betrekking tot de salarisaanpassingen en besluit, overeenkomstig het beginsel van voorzichtig begroten, de kredieten ter dekking van de gevolgen voor 2011 van een eventuele uitspraak van het Hof ten gunste van de Commissie over de betrokken salarisaanpassing van 1,85%, in de reserve te plaatsen;

65.  merkt op dat de Raad in de kredieten met betrekking tot Kroatië heeft gesnoeid, waarbij hij zich gebaseerd heeft op een andere werkhypothese over de datum van toetreding van dat land dan die welke door de Commissie wordt gehanteerd; besluit om bij gebrek aan nieuwe elementen die een wijziging op dit tijdstip wettigen, de benadering van de Commissie te volgen;

66.  heeft naar aanleiding van een evaluatie van de aanvragen van de instellingen besloten een deel van de door de Raad in de begroting van de instellingen aangebrachte besnoeiingen terug te draaien in de gevallen waarin het de specifieke verzoeken van de instellingen volledig gerechtvaardigd acht;

67.  wijst erop dat de Raad er nog steeds niet in geslaagd is een standpunt vast te stellen over de gewijzigde ontwerpbegroting nr. 2/2010 voor het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité, en dat er dus geen andere optie is dan de inhoud van die gewijzigde ontwerpbegroting in het kader van de begroting 2011 te bespreken;

Afdeling 1 – Europees Parlement
Algemeen kader

68.  benadrukt dat de onderhandelingen zich hebben voltrokken in twee vooroverlegvergaderingen in maart en april 2010 en dat over een groot aantal onderwerpen al duidelijke resultaten waren bereikt in de fase van de opstelling van de raming; is verheugd over de bereidwilligheid en de constructieve sfeer die deze vergaderingen hebben gekenmerkt; is ingenomen met het feit dat met de nota van wijzigingen die het Bureau in september 2010 heeft aangenomen geen ingrijpende wijzigingen worden aangebracht in de raming;

69.  beseft dat er een moeilijk maar bevredigend evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds de noodzaak de taken die ingevolge het Verdrag van Lissabon op het Parlement rusten volledig uit te voeren, wat betekent dat er meer middelen moeten komen, en anderzijds de toepassing van goede begrotingsbeginselen en soberheid in een tijd van financiële crisis; heeft daarom de verschillende begrotingslijnen gedetailleerd onder de loep genomen en enkele aanpassingen aangebracht in de kredieten die in de raming waren opgevoerd;

70.  wijst erop dat het totale peil van zijn begroting 1 700 349 283 EUR bedraagt, i.e. 20,21% van de toegestane uitgaven onder rubriek 5 (administratieve kredieten) van het MFK, hetgeen in lijn is met wat het in zijn eerdere resoluties heeft verklaard, nl. dat de uitgaven rond de 20% van de rubriek zouden moeten liggen;

71.  benadrukt in dit verband dat de door het Verdrag van Lissabon aanzienlijk toegenomen bevoegdheden en de daarmee samenhangende personele en andere behoeften inbegrepen zijn in dit bedrag;

72.  merkt op dat het definitieve bedrag waartoe de begrotingsautoriteit heeft besloten, een nettoverlaging van 6 198 071 EUR betekent ten opzichte van de ontwerpbegroting en van 25 029 014 EUR in vergelijking met de oorspronkelijke voorstellen van vóór het overleg met het Bureau;

73.  blijft bij zijn standpunt dat het nastreven van alle mogelijke bezuinigingen en de verdere reorganisatie en herschikking van bestaande hulpmiddelen hoe dan ook cruciale bestanddelen van zijn begrotingsbeleid vormen, speciaal in deze tijd van economische crisis;

Personele middelen

74.  wijst op de op de door het Bureau voorgestelde en door de Begrotingscommissie goedgekeurde sterke nadruk op de indirecte assistentie aan de leden, die met name bestaat in de uitbreiding van de capaciteiten van het Parlement op gebieden als onderzoek en beleidsanalyse, bibliotheekdiensten, beleidsafdelingen en daarmee samenhangende terreinen; wijst erop dat dit een aanvulling vormt, die noodzakelijk geworden is als gevolg van de nieuwe, sterkere rol van het Parlement, op de maatregelen inzake directe assistentie aan de leden die reeds in de begroting 2010 en de gewijzigde begroting nr. 1/2010 waren uitgebreid;

75.  herinnert aan zijn resolutie van 18 mei 2010 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2011(8) en de daaraan gehechte personeelsformatie; besluit thans daarin enkele aanpassingen aan te brengen, zoals beschreven in de navolgende paragrafen;

76.  herinnert aan zijn besluit om de capaciteit van de bibliotheekdiensten te verhogen, en bevestigt, als onderdeel van dit proces, de opvoering van 15 nieuwe posten voor 2011 en de omzetting van 13 tijdelijke ambten in vaste ambten; besluit de kredieten voor 8 van deze posten te verlagen met het oog op de spreiding van de aanwerving over een periode van twee jaar;

77.  heeft besloten de kredieten voor 30 posten (6 AD5 en 24 AST1) voor „Overige sectoren” in de reserve te plaatsen totdat de gevraagde aanvullende informatie is ontvangen;

78.  besluit zijn goedkeuring te hechten aan de in de nota van wijzigingen voorgestelde internalisering van de accreditatiedienst en daarvoor 16 nieuwe posten toe te voegen aan de personeelsformatie (1 AD5 en 15 AST1) en de daarmee overeenkomende kredieten beschikbaar te stellen;

79.  hecht overeenkomstig de nota van wijzigingen zijn goedkeuring aan de volgende begrotingsneutrale maatregelen:

   omzetting van 5 bestaande tijdelijke ambten in vaste ambten (1 AD9T in 1 AD5P, 1 AD8T in 1 AD5P, 1 AD5T in 1 AD5P en 2 AST3T in 2 AST1P),
   opwaardering van twee tijdelijke AD11-ambten tot AD12-ambten,
   omzetting van 15 AST-ambten ( 5 AST10, 5 AST6 en 5 AST5) in 15 AD5-ambten;

80.  heeft overeenkomstig zijn besluit inzake kredietoverschrijving C1/2010 de in de reserve geplaatste kredieten in verband met Kroatië vrijgegeven en op de lijn geplaatst voor het inhuren van contractpersoneel;

Rechtstreekse assistentie aan de leden

81.  besluit naar aanleiding van zijn eerdere grondige debat over de vergoeding voor parlementaire medewerkers in verband met gewijzigde begroting nr. 1/2010 en de voorstellen van het Bureau voor 2011 voor een tweede verhogingstranche, om deze kredieten in de reserve te houden; neemt nota van de antwoorden van de administratie, maar vindt dat die in dit stadium geen verdere verhoging rechtvaardigen; herhaalt het verzoek om informatie van zijn resolutie van 25 maart 2010 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2011(9);

82.  verwerpt het verzoek van het Bureau om opwaardering van de posten van de medewerkers van de quaestoren van AST4 naar AST8;

Vastgoedbeleid

83.  heeft de omschrijving van begrotingslijn 2 0 0 8 gewijzigd om voor meer transparantie van de verschillende vastgoedprojecten te zorgen;

84.  verzoekt regelmatig op de hoogte te worden gehouden van nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot vastgoedprojecten met aanzienlijke begrotingsgevolgen, zoals het KAD-gebouw, en wacht op de antwoorden met betrekking tot de begrotingsimpact van mogelijke parallelle bouwprojecten in Brussel;

Communicatie- en informatiebeleid

85.  neemt kennis van het antwoord over de stand van zaken op het gebied van een kennisbeheersysteem, waarvan echter in dit stadium van het project nog niet kan worden uitgemaakt of het aan de gewekte verwachtingen zal voldoen; benadrukt de noodzaak van een tijdschema voor de invoering van dit systeem; herhaalt het verzoek dat het in de resolutie over de richtsnoeren had geformuleerd, nl. dat een dergelijk systeem eenvoudig toegankelijk moet zijn voor de Europese burgers via internet; verzoekt om informatie over de vraag hoe er als gevolg van de invoering van het kennisbeheersysteem kan worden bezuinigd;

86.  merkt op dat talrijke leden vragen hebben gesteld over de inhoud van en de stand van zaken bij het IT-mobiliteitsproject, dat wellicht nader moet worden geanalyseerd en besproken; heeft besloten de kredieten voor dit project voorlopig in de reserve te plaatsen om die bespreking en die analyse mogelijk te maken;

87. wenst te worden geïnformeerd over de ontwikkelingen met betrekking tot de Web-TV van het Parlement, en besluit 1 miljoen EUR in de reserve te plaatsen;
Kwesties in verband met het milieu

88.  herhaalt zijn steun voor de effectieve invoering van concrete prikkels en maatregelen om meer en beter gebruik te maken van minder vervuilende vervoermiddelen dan vliegtuigen en auto's, zoals openbaar vervoer en fietsen, wat ook zou kunnen helpen bij het vinden van bezuinigingsmogelijkheden op posten als „vervoermiddelen”;

89.  benadrukt in dit verband dat er verdere maatregelen moeten worden genomen om zowel de begrotings- als de milieuefficiëntie van de middelen te verbeteren;

90.  is ingenomen met het feit dat er in totaal 4 miljoen EUR extra kan worden bezuinigd op de begrotingspost voor reiskosten van de leden en op die voor energieverbruik;

Meerjarenprojecten en andere uitgavenposten

91.  besluit met betrekking tot het Huis van de Europese geschiedenis het gevraagde bedrag van 2,5 miljoen EUR voor verdere studies in de reserve te plaatsen; wijst erop dat er nog geen inzicht is in de totale kosten van het project zolang de beoordeling van de voorstellen van de architecten niet is afgerond; verwijst ook naar de overige verzoeken die in diverse resoluties van het Parlement waren geformuleerd maar waarop nog niet is gereageerd, zoals de mogelijkheid van samenwerking met andere instellingen en eventuele geïnteresseerde partners;

92.  besluit de kredieten voor een aantal begrotingslijnen aan te passen en reserves in te stellen voor lijnen waarvoor de precieze financiële behoeften moeilijk te voorspellen zijn en waar zich in de loop van het jaar eventueel extra behoeften of bezuinigingsmogelijkheden zouden kunnen voordoen;

93.  herinnert eraan dat het oorspronkelijke bedrag van 1,2 miljoen EUR dat voorzien was voor de financiering van het besluit van het Bureau tot invoering van een ambtsvergoeding, in het stadium van de raming en van het overleg tussen de Begrotingscommissie en het Bureau was teruggebracht tot 400 000 EUR; herinnert er vervolgens aan dat uitgaven in verband met deze ambtsvergoeding alleen kunnen worden vergoed indien er bewijsstukken worden overgelegd die die uitgaven volledig rechtvaardigen; wijst erop dat andere verhogingen in vergelijking met het begrotingsjaar 2010 hoofdzakelijk te maken hebben met de voorraad representatie-artikelen voor de Protocoldienst; is van mening dat de uitgaven voor deze post waarschijnlijk in de komende jaren kunnen worden verlaagd als de voorraad dit jaar wordt vernieuwd; wijst op de noodzaak van een voorzichtig begrotingsbeleid ten aanzien van aanvragen voor dienstreizen tussen en buiten de vergaderplaatsen van het Parlement en andere dienstreizen, alsook van de grootst mogelijke zelfdiscipline met betrekking tot uitgaven voor representatie in deze tijden van economische crisis; zou het derhalve ten zeerste toejuichen als de uitgaven in de loop van het jaar lager zouden zijn dan de oorspronkelijk geraamde behoeften;

Afdeling IV – Hof van Justitie

94.  besluit 29 van de 39 gevraagde nieuwe posten toe te kennen, hoofdzakelijk in verband met het toenemende aantal zaken en de daarmee samenhangende hoeveelheid werk, waarvoor extra voor jurist-vertalers en vertalers nodig zijn (24 van de posten hebben hierop betrekking), plus een beperkt aantal andere gerechtvaardigde nieuwe posten;

95.  merkt op dat de Raad in zijn lezing de kredieten voor personeel heeft verlaagd op een wijze die geen recht doet aan de hoge bezettingsgraad van posten die het Hof van Justitie in 2009 en de eerste helft van 2010 heeft verwezenlijkt; besluit derhalve de door de Raad aangebrachte verlaging met 3% (die gelijkstaat met een verhoging van de forfaitaire verlaging van 2,5% naar 5,5%) moet worden verminderd tot 1%, opdat in de noodzakelijke behoeften van de personeelsformatie van het Hof van Justitie kan worden voorzien, zodat het Hof zijn taken naar behoren kan uitvoeren;

96.  neemt een compromisstandpunt in met betrekking tot diverse lijnen voor ondersteunende uitgaven door meer toe te kennen dan de Raad maar minder dan in de ontwerpbegroting was voorgesteld; maakt een uitzondering voor bepaalde IT-gerelateerde uitgaven waarvoor overeenkomstig de aanbevelingen van externe controleurs voor twee lijnen het volle bedrag wordt toegekend;

Afdeling V – Rekenkamer

97.  merkt op dat de Raad slechts marginale wijzigingen heeft aangebracht in de begroting van de Rekenkamer en dat de resulterende bedragen in het algemeen acceptabel zijn; merkt op dat er de afgelopen twee jaar 32 posten voor controleurs bijgekomen zijn en dat er daarna in een geest van zelfbeperking geen extra personeel is aangevraagd, hoewel dat oorspronkelijk wel was gepland;

98.  is ingenomen met het stelselmatige streven van de Rekenkamer naar verlaging van zijn uitgaven voor administratieve ondersteuning en naar het verrichten van interne begrotingsaudits; wil nader onderzoeken in hoeverre andere instellingen gebruik kunnen maken van de deskundigheid van de Rekenkamer ter zake;

Afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité

99.  besluit tot een compromis ten aanzien van de nieuwe posten waarom in verband met het Verdrag van Lissabon was gevraagd, volgens de lijnen die reeds in de zomer door het Spaanse voorzitterschap waren geschetst, bestaande in de instelling van 11 nieuwe posten voor de toegenomen werklast als gevolg van de toegenomen bevoegdheden, als volgt uitgesplitst: 6 AD5-posten, 3 tijdelijke AD9-posten en 2 AST3-posten;

100.  merkt op dat deze nieuwe posten onder meer bedoeld zijn om de capaciteit van het Comité op het gebied van raadplegingen, programmering en betrekkingen met het maatschappelijk middenveld te vergroten en dat deze oplossing een aanvaardbaar compromis vormt tussen de oorspronkelijke verzoeken van het Comité en de ontwerpbegroting als gewijzigd door de Raad;

101.  besluit, na nota te hebben genomen van het huidige aantal vacatures en na het Comité hierover te hebben gehoord, op de salarissen een forfaitaire verlaging van 4,5% toe te passen in plaats van de door de Raad voorgestelde 5,5%, zulks om een effectieve opvulling van vacatures niet te hinderen;

102.  benadrukt de noodzaak van onmiddellijke toepassing van het besluit van het Comité om de reistickets van zijn leden in principe te vergoeden op basis van de werkelijke kosten en de thans nog bestaande mogelijkheid van vergoeding op basis van vaste tarieven af te schaffen; is in beginsel ingenomen met dit besluit, heeft de kredieten in verband met deze verandering van systeem beschikbaar gemaakt en zal deze kwestie blijven volgen;

103.  stemt voor diverse lijnen in verband met administratieve ondersteuning in met een beperkt aantal verhogingen ten opzichte van de lezing van de Raad, die toch nog een bezuiniging betekenen ten opzichte van de ontwerpbegroting;

Afdeling VII – Comité van de Regio's

104.  besluit tot een compromis ten aanzien van de nieuwe posten waarom in verband met het Verdrag van Lissabon was gevraagd, volgens de lijnen die reeds in de zomer door het Spaanse voorzitterschap waren geschetst, bestaande in de instelling van 18 nieuwe posten voor de toegenomen werklast als gevolg van de toegenomen bevoegdheden, als volgt uitgesplitst: 2 AD9, 5 AD7, 7 AD5, 2 AST3 en 2 AST1;

105.  merkt op dat deze nieuwe posten onder meer bedoeld zijn om de capaciteit van het Comité op het gebied van subsidiariteit, territoriale cohesie, effectbeoordelingen, raadplegingen en uitbreiding van interregionale activiteiten te vergroten;

106.  besluit, na de argumenten van het Comité over het aanwervingspeil en het vacaturepercentage te hebben gehoord, om een forfaitaire verlaging van 5% door te voeren;

107.  neemt met betrekking tot diverse lijnen voor administratieve ondersteuning een compromisstandpunt in tussen de aanvragen van het Comité en de door de Raad aangebrachte verlagingen;

Afdeling VIII – Europese Ombudsman

108.  acht de ontwerpbegroting voor deze instelling in grote lijnen bevredigend en merkt ook op dat de Raad daar nauwelijks iets in heeft veranderd;

109.  benadrukt echter dat het over het opvoeren van een nieuwe tijdelijke post, zonder begrotingsgevolgen daar dezelfde uitgaven momenteel worden betaald door middel van contracten, een andere mening is toegedaan dan de Raad, en besluit dus daaraan zijn goedkeuring te hechten;

Afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

110.  besluit, gezien de gecombineerde werklast van deze instelling (eerder bestaande verplichtingen plus de nieuwe verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Lissabon, die leidt tot meer raadpleging voorafgaand aan wetgeving met gevolgen voor de gegevensbescherming), voor 2011 2 nieuwe posten op te voeren (1 AD6 en 1 AD9);

111.  heeft een restrictieve koers gevolgd ten aanzien van verzoeken met betrekking tot andere begrotingslijnen en verzoekt de Toezichthouder intern en binnen de bestaande begrotingen in deze behoeften te voorzien;

o
o   o

112.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de andere betrokken instellingen en organen.

(1) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(2) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0086.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0205.
(6) PB C 27 E van 31.1.2008, blz. 214.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0328.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0171.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0087.

Juridische mededeling - Privacybeleid