Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2107(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0331/2010

Ingediende teksten :

A7-0331/2010

Debatten :

PV 14/12/2010 - 18
CRE 14/12/2010 - 18

Stemmingen :

PV 15/12/2010 - 9.10
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0485

Aangenomen teksten
PDF 204kWORD 116k
Woensdag 15 december 2010 - Straatsburg
Actieplan voor energie-efficiëntie
P7_TA(2010)0485A7-0331/2010

Resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2010 over een herziening van het Actieplan voor energie-efficiëntie (2010/2107(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2006 getiteld „Actieplan voor energie-efficiëntie – het potentieel realiseren” (COM(2006)0545),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 januari 2008 met als titel „Naar 20-20 in 2020 – Kansen van klimaatverandering voor Europa” (COM(2008)0030),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2008 getiteld „Energie-efficiëntie: verwezenlijking van de 20%-doelstelling” (COM(2008)0772),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 getiteld „Een energiebeleid voor Europa” (COM(2007)0001), gevolgd door de mededeling van de Commissie van 13 november 2008 getiteld „Tweede strategische toetsing van het energiebeleid - Een EU-actieplan inzake energiezekerheid en –solidariteit”, met begeleidende documenten (COM(2008)0781),

–  gelet op Verordening (EG) nr. 663/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 houdende vaststelling van een programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie (Europees energieprogramma ten behoeve van herstel)(1),

–  gelet op Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad (de „energiedienstenrichtlijn”)(2),

–  gelet op Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten(3),

–  gelet op Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters(4),

–  gelet op Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten(5),

–  gelet op Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen(6),

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG(7),

–  gelet op Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen(8),

–  gezien het inventarisatiedocument van de Commissie van 7 mei 2010 getiteld „Towards a new Energy Strategy for Europe 2011-2020” („Naar een nieuwe energiestrategie voor Europa 2011-2020”),

–  gezien het onafhankelijke onderzoek getiteld „Company Car Taxation. Subsidies, welfare and economy” („Belasting op bedrijfsvoertuigen. Subsidies, welzijn en economie”), dat op verzoek van de Commissie is uitgevoerd(9),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 3 februari 2009 over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid(10),

–  gelet op artikel 170, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat bepaalt dat de Unie bijdraagt aan de vaststelling en ontwikkeling van trans-Europese netwerken op de gebieden vervoer, telecommunicatie en energie-infrastructuur,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 mei 2010 resolutie over de inzet van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) voor het vergemakkelijken van de overgang naar een energie-efficiënte, koolstofarme economie(11),

–  gelet op artikel 34, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de EU over de bestrijding van sociale uitsluiting en armoede, dat bepaalt dat de Unie een waardig bestaan moet waarborgen aan allen die over onvoldoende middelen beschikken,

–  gelet op artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en van de Commissie regionaal beleid (A7-0331/2010),

A.  overwegende dat energie-efficiëntie en -besparingen de voordeligste en snelste manier is om de CO2- en andere emissies te verminderen en de continuïteit van de voorziening te verbeteren; overwegende dat brandstofgebrek strategisch kan worden aangepakt door een hoge mate van energie-efficiëntie in gebouwen en apparatuur; overwegende dat energie-efficiëntie een belangrijke prioriteit van de Europa 2020-strategie en van de Europese energiestrategie 2011-2020 is en overwegende dat de middelen binnen de overheidsinstellingen momenteel niet met deze ambitie overeenkomen,

B.  overwegende dat energiebesparing de sleutel tot het garanderen van een continu energievoorziening is, zo zou het bereiken van het besparingsdoel van 20% net zoveel energie besparen als vijftien Nabucco-pijpleidingen zouden kunnen aanvoeren,

C.  overwegende dat energiebesparing significante economische voordelen kan opleveren voor de eindverbruikers en de economie als geheel, alsmede sociale voordelen, inclusief de schepping van maximum 1 miljoen banen tegen 2020; overwegende dat de energie-invoer van de EU stijgt en in 2007 goed was voor 332 miljard EUR en dat cijfers van de Commissie aangeven dat de energiewinst tot 1000 EUR per gezin per jaar kan bedragen, die elders in de economie kan worden geherinvesteerd, en dat het halen van de doelstelling op het gebied van energie-efficiëntie het potentieel heeft de EU ongeveer 100 miljard EUR te laten besparen en de emissies met bijna 800 miljoen ton per jaar te verminderen; overwegende dat energiebesparings- en energie-efficiëntiebeleid daarom een oplossing voor energiearmoede is,

D.  overwegende dat de toekomstige ontwikkeling van de energieprijzen de mensen tot beperking van hun energieverbruik zal aanzetten; is van mening dat significante energiewinst daarom kan worden behaald door het stimuleren van efficiëntere gemeenschappelijke infrastructuren in gebouwen, verwarmingsinstallaties en in de vervoersector waar anders besluiten voor een beter energiegebruik buiten de controle en invloed van individuen of bedrijven liggen,

E.  overwegende dat de resultaten van academisch onderzoek er duidelijk op wijzen dat de inspanningen om de energie-efficiëntiedoelstelling van 20% in 2020 te halen moeten worden opgevoerd, ook op regionaal en lokaal niveau, aangezien deze doelstelling bij het huidige tempo van de vooruitgang in 2020 slechts ongeveer voor de helft zal worden gehaald, hoewel er reeds praktijken en technieken bestaan om dit doel te realiseren,

F.  overwegende dat er weliswaar een groot aantal op energiebesparing gerichte wetgevingsmaatregelen op EU-niveau en nationaal niveau is ingevoerd, maar dat niet al deze maatregelen tot de gewenste resultaten leiden,

G.  overwegende dat de terugverdientijd van investeringen in energie-efficiëntie betrekkelijk kort is vergeleken met andere investeringen en dat de investeringen het potentieel hebben om een aanzienlijk aantal nieuwe lokale banen te creëren, zowel in plattelandsgebieden als in stadsgebieden, die voor het merendeel niet kunnen worden geëxternaliseerd, met name in de bouwsector en bij kmo's, waarbij de bevolking zich hiervan bewust moet zijn en geschoolde werknemers voorhanden moeten zijn, om dit te laten slagen,

H.  overwegende dat gebruik van overheidsgeld in roulerende financiële instrumenten om financiële stimulansen aan energie-efficiëntiemaatregelen te geven het voordeel heeft, in tijden van budgettaire beperkingen, dat deze middelen zo voor het merendeel voor langere tijd gehandhaafd kunnen blijven,

I.  overwegende dat de vraagzijde steeds een belangrijke motor voor meer energieverbruik is geweest en er een reële behoefte bestaat om de markt- en regelgevingsbelemmeringen voor meer energie-efficiënte producten aan te pakken en het gebruik van deze producten te bevorderen om het energieverbruik los te koppelen van de economische groei,

J.  overwegende dat een reeks belemmeringen een volledig gebruik van alle energiebesparingsmogelijkheden in de weg staat, waaronder aanloopinvesteringskosten en niet-beschikbaarheid van geschikte financiering, ontbrekend besef, gesplitste stimulansen, zoals voor huurders/verhuurders en geen duidelijkheid over de vraag wie er verantwoordelijk is voor het behalen van de energiebesparingen,

K.  overwegende dat gebleken is dat verplichte doelstellingen op andere prioriteitsgebieden als hernieuwbare energiebronnen en luchtkwaliteit de dynamiek, eigendomsomstandigheden en de aandacht op EU-niveau en in internationaal verband opleveren die nodig zijn om te zorgen voor voldoende ambities in specifieke beleidsvormen en toewijding aan hun uitvoering,

L.  overwegende dat de vooruitgang bij energiebesparing wordt belemmerd doordat er geen verantwoording behoeft te worden afgelegd over het bereiken van de 20%-doelstelling en omdat daartoe geen bindende afspraken behoeven te worden nageleefd,

M.  overwegende dat gebouwen goed zijn voor ongeveer 40% van het energieverbruik en ongeveer 36% van de broeikasgasemissies in de EU en dat de bouw een groot deel van de EU-economie uitmaakt, met ongeveer 12% van het BBP van de EU; overwegende dat het moderniseringstempo van bestaande gebouwen te laag is en dat adequate maatregelen om het energieverbruik van bestaande gebouwen te beperken nog steeds ontbreken; overwegende dat een verhoging van het aantal en het niveau van grondige renovaties in het huidige gebouwenbestand van essentieel belang is om de beleidsdoelen van 2020 en 2050 ten behoeve van klimaat en energieverbruik te halen en een aanzienlijk aantal banen kan creëren en zo een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan het economisch herstel van de EU en overwegende dat oplossingen voor energie-efficiëntie met betrekking tot de bouwschil en met technische systemen en installaties al bestaan en zowel bij nieuwe als bestaande gebouwen kunnen worden uitgevoerd, waardoor aanzienlijke energiebesparingen mogelijk zijn,

N.  overwegende dat huizen niet op de klimaatverandering zijn berekend: in alle landen zijn er huizen die niet aangenaam koel zijn in de zomer of voldoende warm in de winter (meer dan 15% in Italië, Letland, Polen en Cyprus, en 50% in Portugal), terwijl in landen als Cyprus en Italië de huizen niet op koude winters zijn berekend,

O.  overwegende dat industriële elektromotoren 30-40% verbruiken van alle energie die wereldwijd wordt opgewekt en overwegende dat een behoorlijke optimalisering van de motorsystemen in kwestie, met name door de snelheid te regelen en door andere technieken te gebruiken, een besparing van 30 tot 60% van de verbruikte energie kan opleveren,

P.  overwegende dat tussen 50 en 125 miljoen Europeanen energiearmoede lijden en dat deze aantallen hoger kunnen komen te liggen door de economische crisis en de toenemende energieprijzen; overwegende dat de oorzaken van energiearmoede in de gehele EU universeel zijn en berusten op een combinatie van een laag inkomen van het huishouden, slechte normen inzake verwarming en isolatie en onbetaalbare energietarieven; onderstreept het feit dat energiebesparings- en energie-efficiëntiebeleid een strategische oplossing voor energiearmoede zijn,

Q.  overwegende dat het vervoer verantwoordelijk is voor bijna 30% van de totale Europese uitstoot aan broeikasgassen en dat overschakeling van auto's die conventionele fossiele brandstoffen gebruiken op voertuigen die van groene technologie gebruik maken en op energie uit hernieuwbare bronnen rijden, zou bijdragen aan een forse vermindering van de CO2-uitstoot en zou zorgen voor een optionele energieopslag, waardoor de energienetwerken het hoofd zouden kunnen bieden aan de fluctuerende productie van hernieuwbare energiebronnen,

R.  overwegende dat naar schatting 69% van het Europese woningbestand door de eigenaar bewoond wordt en 17% particulier verhuurd wordt door voornamelijk individuele woningeigenaren en overwegende dat de particuliere woningsector zich met financiële beperkingen geconfronteerd ziet in verband met de uitvoering van aanpassingen in verband met het energieverbruik,

S.  overwegende dat de huidige economische crisis kan leiden tot bespoediging van de overgang naar een efficiënte economie met geringe CO2-emissies en tot het bevorderen van een veranderde houding van de burger tegenover het energieverbruik,

T.  overwegende dat het van essentieel belang is dat nieuwe, geavanceerde energietechnologieën waarmee een duurzame energieproductie en een efficiënter energiegebruik mogelijk is, worden ontwikkeld en op de markt gebracht,

U.  overwegende dat het bindende doel bij de energie uit hernieuwbare bronnen van 20% van het eindverbruik vóór 2020 alleen gehaald zal worden als het bestaande gebouwenbestand wordt aangepakt,

V.  overwegende dat Europese bedrijven op een indrukwekkende reputatie kunnen bogen als het gaat om de beperking van hun emissies van broeikasgassen en, wat belangrijker is, het mogelijk maken van emissiereducties in de gehele Europese samenleving en ook in de wereld dankzij innovatieve producten en oplossingen,

W.  overwegende dat ernaar gestreefd moet worden de concurrentiepositie van energie-intensieve Europese bedrijven die met de wereldwijde concurrentie worden geconfronteerd, te behouden,

Naleving en uitvoering van de bestaande wetgeving

1.  verzoekt de lidstaten, lokale autoriteiten en met name de Commissie energie-efficiëntie de aandacht te geven die zij verdient en voor middelen (personeel en financiën) te zorgen die in overeenstemming met de ambities zijn;

2.  is van oordeel dat energie-efficiëntie moet worden geïntegreerd in alle relevante beleidsterreinen, zoals financiering, regionale en stadsontwikkeling, vervoer, landbouw, industriebeleid en onderwijs;

3.  verzoekt de Commissie om op tijd voor de energietop van 4 februari 2011 in het kader van haar herziene actieplan voor energie-efficiëntie (Energy Efficiency Action Plan, EEAP) een evaluatie te presenteren van de uitvoering van de bestaande wetgeving; is van mening dat het actieplan voor energie-efficiëntie op basis van de resultaten van de evaluatie maatregelen moet bevatten die de Commissie moet indienen om deze kloof te dichten om de algemene doelstelling op het gebied van energie-efficiëntie in 2020 te halen, zoals afzonderlijke doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie die overeenkomen met minimum 20% verbetering van de energie-efficiëntie tegen 2020 op EU-niveau en waarbij rekening wordt gehouden met de relatieve vertrekposities en de nationale omstandigheden, alsmede een voorafgaande goedkeuring van het nationale actieplan voor energie-efficiëntie van elke lidstaat; is van mening dat dergelijke aanvullende maatregelen billijk en meetbaar en metterdaad direct van invloed op de implementatie van de nationale plannen voor energie-efficiëntie moeten zijn; vraagt de Commissie en de lidstaten het eens te worden over een gemeenschappelijke methodiek voor het meten van de nationale energie-efficiëntiedoelstellingen en tevens voor het toezicht op de vooruitgang bij het bereiken van deze doelstellingen;

4.  hecht groot belang aan het planningsproces op Europees niveau; is van oordeel dat in het energieactieplan 2011-2020 de nodige aandacht moet worden besteed aan energie-efficiëntie en vraagt dat het nieuwe Europese actieplan voor energie-efficiëntie zo spoedig mogelijk wordt ingediend; is van mening dat energie-efficiëntie een belangrijke rol moet spelen in de toekomstige routekaart voor een koolstofarm energiesysteem en een koolstofarme economie tegen het jaar 2050;

5.  wenst dat de EU met betrekking tot energie-efficiëntie een bindend doel vaststelt van tenminste 20% vóór 2020, zodat de omschakeling op een duurzame en groene economie naderbij komt;

6.  is van mening dat het actieplan voor energie-efficiëntie ambitieus moet zijn en dat ermee moet worden gefocust op de volledige toeleveringsketen van energie en wenst dat in het plan een inventaris wordt gemaakt van de vooruitgang die met alle maatregelen uit het actieplan van 2006 is geboekt, meer werk wordt gemaakt van de uitvoering van de nog lopende energie-efficiëntiemaatregelen die overeenkomstig het actieplan van 2006 zijn genomen, en aanvullende maatregelen worden opgenomen die kostenefficiënt zijn en adequate principes die stroken met de criteria subsidiariteit en proportionaliteit, die vereist zijn om de 2020-doelstelling te halen;

7.  verzoekt de Commissie bij het ontwerp van het nieuwe actieplan voor energie-efficiëntie rekening met de behoeften van kwetsbare energieconsumenten te houden; merkt op dat energieconsumenten het meeste voordeel bij verbeteringen van de energie-efficiëntie zouden hebben, maar dat zij de middelen ontberen om de nodige investeringen te doen; verzoekt de lidstaten adequate maatregelen te nemen en effectief beleid vast te stellen, zoals nationale actieplannen of gerichte sociale maatregelen, om energiearmoede te verminderen en geregeld verslag over hun acties op dit gebied uit te brengen; is tevreden met het feit dat de Raad Energie het probleem van energiearmoede aanpakt en steunt de inspanningen van het Belgische voorzitterschap op dit punt; verzoekt de Commissie energiearmoede op alle beleidsterreinen in verband met energie aan te pakken;

8.  vraagt een herziening van de energiedienstenrichtlijn in 2011 met een verlengd tijdskader tot 2020, een kritische beoordeling van de nationale programma's voor energie-efficiëntie en de uitvoering hiervan, met inbegrip van gemeenschappelijke normen voor de verslaglegging waarin voorzien is in verplichte minimumelementen, zoals alle relevante beleidsmaatregelen op het gebied van energie-efficiëntie, inclusief zachte en ondersteunende instrumenten zoals financiering; een evaluatie en een rangschikking van de acties van de lidstaten en een samenvoeging van de verslagleggingsvereisten van de energiedienstenrichtlijn, de richtlijn inzake etikettering van het energieverbruik en de richtlijn inzake milieuvriendelijk productontwerp, indien wenselijk en als blijkt dat de lidstaten op deze manier van lasten worden bevrijd;

9.  dringt er bij de lidstaten op aan om snel en efficiënt programma's voor markttoezicht en nalevingscontrole uit te voeren voor Richtlijn 2009/125/EG betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten, Richtlijn 2010/30/EU betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten en Verordening (EG) nr. 1222/2009 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters en verzoekt de Commissie de uitvoering van deze programma's te vergemakkelijken en te controleren en indien nodig inbreukprocedures te starten;

10.  stelt voor dat de Commissie, rekening houdend met de uitdaging en het belang van markttoezicht, dat een nationale bevoegdheid is, de samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen lidstaten moet vergemakkelijken, met name door een open databank te creëren met testresultaten en producten waarvan in een lidstaat is vastgesteld dat ze niet aan de eisen voldoen en door maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat een product waarvan in één lidstaat is vastgesteld dat het niet aan de eisen voldoet, snel wordt verwijderd van alle 27 markten;

11.  spoort de Commissie aan om na de inwerkingtreding van de herziene richtlijn energie-etikettering, en vóór de in de regelgeving vastgelegde datum (2014), de impact van de nieuwe opmaak van de etikettering van het energieverbruik en van de verplichte vermelding van de regeling inzake de etikettering van het energieverbruik in advertenties op het consumentengedrag te beoordelen, en bijkomende maatregelen te nemen om indien nodig de doeltreffendheid ervan te verhogen;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te bevorderen om het bewustzijn en de kennis van kwesties in verband met energie-efficiëntie te vergroten bij alle relevante belanghebbenden en bij alle beroepsspelers die hier in welke fase ook (beoordeling van de bestaande energieprestaties, ontwerp en uitvoering van energie-efficiëntieoplossingen, energie-efficiënte exploitatie en onderhoud) bij zijn betrokken;

13.  roept de Commissie en de lidstaten op de doeltreffendheid te herbekijken van wetgevingsmaatregelen om energie te besparen en om de energie-efficiëntie te verhogen;

14.  is van mening dat langetermijnovereenkomsten met de industriesector ervoor zorgen dat de vereisten met betrekking tot energie-efficiëntie in hoge mate worden nageleefd en bijgevolg kunnen leiden tot een jaarlijkse verhoging van de energie-efficiëntie met 2%;

Energie-infrastructuur (opwekking en transmissie)

15.  is van mening dat een krachtigere focus nodig is op systeeminnovaties als slimme netten (voor elektriciteit, maar ook voor verwarming en koeling), slimme meters, gasnetten die biogas integreren en energieopslag, die de energie-efficiëntie kunnen bevorderen door middel van minder congestie, minder afsluitingen van het net, eenvoudigere integratie van hernieuwbare technologieën, inclusief de gedecentraliseerde productie, minder strenge vereisten op het vlak van reserveopwekking en grotere en flexibelere opslagcapaciteiten; vraagt dat ervoor wordt gezorgd dat een eerlijk deel van deze winsten toekomt aan de eindafnemers;

16.  benadrukt dat collectieve verwarming/koelingsnetten bijdragen tot het realiseren van een energie-efficiënte economie tegen 2050 en benadrukt het feit dat een expliciete en veelomvattende strategie voor het opwekken en gebruik van warmte (industriële warmte, woningverwarming, koeling) nodig is (inclusief een methode met benchmarks voor verschillende brandstoffen voor collectieve verwarming/koelingsnetten) die gebaseerd is op synergieën tussen verschillende sectoren; verzoekt de Commissie een onderzoek uit te voeren om de efficiëntie ervan te vergroten; benadrukt dat deze netten open moeten staan voor concurrentie; wijst erop dat de verbetering van de energie-efficiëntie van het woningbestand zal leiden tot een vermindering van de vraag naar warmte, waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de capaciteit voor collectieve verwarming/koeling;

17.  benadrukt de belangrijke rol van energie-efficiëntie aan de aanbodkant; wijst erop dat transmissie en distributie aanzienlijk bijdragen tot energieverlies (met name in generatoren en transformatoren en als gevolg van extreem hoge weerstanden tijdens de transmissie) en dat een verkorting van de overdreven lange conversieketens voor de omzetting van één type van energie in een ander een aanzienlijke bron van besparing oplevert; benadrukt de rol die micro-opwekking, decentrale opwekking en gediversifieerde opwekking kunnen spelen bij het veiligstellen van de energievoorziening en het terugdringen van verliezen; is van oordeel dat er prikkels gegeven dienen te worden voor de verbetering van de infrastructuur en verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen om het onaangeboorde besparingspotentieel te ontsluiten, onder andere door duurzaamheidsrapporten voor elektriciteitscentrales in te voeren en maatregelen te nemen om het aanbrengen van nieuwe onderdelen in en de modernisering van elektriciteitscentrales te vergemakkelijken;

18.  beklemtoont dat naast energie-efficiëntie aan de bron (d.w.z. bij de productie van primaire energie) de oplossing van het probleem van de verliezen aan (elektrische) energie tijdens het transport door de netwerken als een prioriteit moet worden beschouwd; wijst erop dat een meer gedecentraliseerd productiesysteem de transportafstanden en dus de energieverliezen tijdens het transport zou verkleinen;

19.  vraagt de (petro)chemische industrie in de hele EU met aandrang de recuperatie van energie bij het affakkelen te vergroten;

20.  is van mening dat een krachtigere focus nodig is op de verbetering van de algemene efficiëntie van het energiesysteem, met name om het warmteverlies te beperken; vraagt daarom een herziening van de WKK-richtlijn in het kader van het werkprogramma 2011 om uiterst efficiënte WKK, micro-WKK, het gebruik van verlieswarmte van industrie en collectieve verwarming/koeling te bevorderen door de lidstaten ertoe aan te moedigen een stabiel en gunstig regelgevingskader in te stellen, door geïntegreerde planning van de energiebehoefte voor elektriciteit voor verwarming/koeling in te voeren, door prioritaire toegang tot het elektriciteitsnet voor WKK te overwegen en door het gebruik van uiterst efficiënte WKK en collectieve verwarming/koeling in gebouwen en duurzame financiering voor WKK te bevorderen, bijvoorbeeld door de lidstaten aan te moedigen financiële stimulansen in te voeren;

21.  onderstreept het belang van een gedistribueerd netwerk van warmtekrachtkoppeling (WKK) of tri-generatie, dat in de praktijk een verdubbeling van de totale energie-efficiëntie mogelijk maakt; wijst er bovendien op dat de opslag van warmte of koude de flexibiliteit van het netwerk tijdens piekuren kan vergroten, omdat daardoor de productie van elektriciteit en de opslag van warmte mogelijk wordt wanneer de productie de lokale behoeften overstijgt;

22.  verzoekt de lidstaten niet enkel zeer efficiënte industriële WKK te steunen, onder meer door over te schakelen van fossiele brandstoffen naar biomassa, maar eveneens, voor degene die over infrastructuur voor collectieve verwarming/koeling beschikken, het gebruik van WKK te bevorderen door de bouw en modernisering van systemen voor collectieve verwarming/koeling via adequate financierings- en regelgevingsmaatregelen te ondersteunen;

23.  acht het noodzakelijk om in het afvalverwerkingsproces biogas- en warmteverliezen te voorkomen door recuperatie en productie van stoom en/of elektriciteit; is van oordeel dat aan afvalverwerkingsbedrijven zonder enige vorm van warmterecuperatie of energieproductie geen vergunning mag worden verleend;

24.  is tevreden met het werk dat de Commissie momenteel verricht op het gebied van slimme netten en slimme meters; is van mening dat het belangrijk is te zorgen voor een stabiel, geharmoniseerd regelgevingskader voor de lange termijn voor slimme netten en slimme meters; dringt er bij de Commissie op aan de ontwikkeling van slimme netten en slimme meters te ondersteunen en te stimuleren door gemeenschappelijke normen vast te stellen, die vereisten op het vlak van privacy, gegevens en frequenties moeten omvatten; beveelt aan dat de taakgroep slimme netten van de Commissie voldoende rekening houdt met de meningen van alle belanghebbenden; verzoekt de Commissie regelmatig aan het Parlement verslag uit te brengen over de voortgang van de werkzaamheden;

25.  is verheugd over het werk van de Commissie „naar één energienet” en roept de Commissie in deze context op praktische voorstellen in te dienen om de vergunningsprocedures voor prioritaire infrastructuurprojecten te vereenvoudigen en te versnellen;

26.  roept de Commissie op de samenwerking tussen de EU en de energienetbeheerders te intensiveren (uitgebreide rol voor het ENTSB) met als doel de grensoverschrijdende netaansluitingen en prestaties te verbeteren;

27.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van een Europees netwerk van hoogspanningsgelijkstroom (high-voltage direct current – HVDC) dat het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, met name wind en waterkracht, kan optimaliseren, te steunen en te bevorderen, aangezien een dergelijk netwerk de transmissie van energie over lange afstanden met lage energieverliezen mogelijk maakt, en terzelfder tijd synergie tot stand kan brengen tussen alle hernieuwbare energiebronnen;

Stadsontwikkeling en gebouwen

28.  is voorstander van een gedecentraliseerde benadering op meerdere niveaus van het energiebeleid; onderstreept het feit dat energie-efficiëntie een doorslaggevende rol voor de ontwikkeling van stads- en plattelandsgebieden kan spelen; onderstreept het feit dat de steun voor initiatieven waarbij wordt gefocust op de verbetering van de energie-efficiëntie en de vermindering van de broeikasgasemissies op lokaal en regionaal niveau, zoals het Convenant van burgemeesters en het „Smart Cities” („Slimme Steden”)-initiatief, moet worden opgetrokken; benadrukt het potentieel voor de aanmoediging en de uitvoering van beste praktijken met betrekking tot energie-efficiëntie op het niveau van gemeentelijke en regionale instellingen; is voorts van mening dat, als het cohesiebeleid wordt afgestemd op de EU2020-strategie, dit tot slimme en duurzame groei in de lidstaten en de regio's kan bijdragen;

29.  verzoekt de Commissie het efficiëntiepotentieel in bestaande gebouwen te beoordelen, te beginnen met de gebouwen van overheidsinstellingen, inclusief scholen, en een kostenefficiënt streefcijfer voor de vermindering van het primaire energieverbruik van gebouwen voor te stellen; verzoekt de lidstaten realistische programma's uit te voeren om verregaande renovaties te steunen waarmee de vraag naar energie aanvankelijk met meer dan 50% zal worden verminderd ten opzichte van de prestaties vóór de renovatie en waarbij de hoogte van de financiële en/of fiscale en andere steun in verhouding staat tot de mate van verbetering; vraagt dat de lidstaten verplicht worden vaste jaarlijkse renovatiedoelstellingen in hun nationale actieplannen voor energie-efficiëntie op te nemen en verzoekt de Commissie beleidsopties voor te stellen over de manier om een gebouwenbestand met een energieverlies van bijna nul te realiseren in het kader van de routekaart voor energie 2050;

30.  roept de Commissie op het toepassingsgebied van het gebouwenbeleid te verruimen om ecodistricten te omvatten, om ervoor te zorgen dat de optimalisering van het gebruik van de hulpbronnen op plaatselijk niveau leidt tot een lager verbruik van primaire energie in gebouwen en verminderde kosten voor consumenten;

31.  is van mening dat het van essentieel belang is dat de woningen van energiearme huishoudens worden opgewaardeerd zodat ze in overeenstemming zijn met de hoogste normen op het vlak van energie-efficiëntie, zonder de dagelijkse kosten voor de „energiearmen” te verhogen; benadrukt dat hiervoor vaak aanzienlijke investeringen in woningen nodig zijn, maar dat dit tevens veel voordelen met zich meebrengt die niet te maken hebben met energie, zoals een lager sterftecijfer, een hoger algemeen welzijn, lagere schuldenlasten en lagere kosten in verband met gezondheidszorg door een vermindering van de vervuiling in huis en van de hinder door thermische factoren;

32.  roept de Commissie en de lidstaten op gebruik te maken van investment grade audits (energie-audits met het oog op de investeringswaardigheid) om de kwaliteit van energieprestatiecertificaten te beoordelen; roept de Commissie op om op basis van deze beoordelingen richtsnoeren op te stellen voor de lidstaten om de kwaliteit te waarborgen van hun energieprestatiecertificaten en om te waarborgen dat de maatregelen die worden genomen naar aanleiding van de aanbevelingen op basis van deze certificaten een verbetering van de energie-efficiëntie met zich meebrengen;

33.  is ervan overtuigd dat het voor het halen van de energie-efficiëntiedoelstelling van centraal belang is dat de overheidsdiensten op nationaal, regionaal en lokaal niveau het voortouw nemen; verzoekt de overheidsdiensten veel verder te gaan dan de vereisten die zijn vastgelegd in de richtlijn inzake de energieprestatie van gebouwen, met name door hun hele bestaande gebouwenbestand zo spoedig mogelijk te renoveren en het op een niveau te brengen dat vergelijkbaar is met de bijna-nulenergienorm, voor zover dit technisch en economisch mogelijk is; erkent anderzijds dat de bestaande budgettaire beperkingen, met name op regionaal en lokaal niveau, vaak de mogelijkheden van de overheid om als eerste te investeren beperken; verzoekt de Commissie en de lidstaten innoverende oplossingen te vergemakkelijken en te bevorderen om dit probleem aan te pakken, inclusief energieprestatiecontracten of instrumenten die gebaseerd zijn op de markt, en de overheidsdiensten te verzoeken kostenbesparingen te overwegen via budgettaire meerjarenkaders, als dit niet reeds wordt gedaan;

34.  erkent dat de Europese Unie een pioniersrol vervult; is van mening dat de EU-instellingen en -agentschappen een voorbeeld moeten stellen, met name in de gebouwen waarvan is vastgesteld dat zij potentieel op het gebied van energie-efficiëntie hebben, door deze gebouwen op kostenefficiënte wijze te renoveren tot een energieverlies van bijna nul tegen 2019, als onderdeel van een bredere audit van het energieverbruik van de instellingen;

35.  erkent het potentieel voor energiebesparingen in gebouwen, zowel in steden als op het platteland; merkt op dat er diverse belemmeringen voor aanpassingen ter verbetering van de energie-efficiëntie bestaan, in het bijzonder in de woonsector, bijvoorbeeld vooruit te betalen kosten, gesplitste stimulansen of gecompliceerde onderhandelingen in gebouwen met meerdere appartementen; vraagt om innovatieve oplossingen om deze belemmeringen op te heffen, zoals renovatieplannen voor districten, financiële stimulansen en technische bijstand; benadrukt het feit de EU-regelingen stimulansen moeten bieden voor een renovatie van gebouwen die verder gaat dan de wettelijke minimumvereisten en alleen bedoeld mogen zijn voor gebouwen met potentieel wat energie-efficiëntie betreft; vraagt dat opknaptechnieken worden bevorderd die voordeliger zijn, terwijl er een hoog niveau van energiebesparing mee wordt gegarandeerd;

36.  benadrukt dat het belangrijk is de hoge brandstofkosten voor armere gezinnen te verminderen door ingrijpende renovaties te steunen om het energieverbruik en de kosten terug te dringen; vraagt de bevoegde autoriteiten op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau bijzondere aandacht te besteden aan sociale huisvesting, door ervoor te zorgen dat de extra kosten van investeringen in energiebesparing niet worden doorgeschoven naar kwetsbare huurders;

37.  verzoekt de Commissie om in het kader van de komende innovatiestrategie nieuwe initiatieven ter ondersteuning van de uitrusting van gebouwen te bevorderen, bijvoorbeeld een innovatiepartnerschap voor energie-efficiëntie in energie-efficiënte steden/steden met een nulemissie;

38.  spoort de lidstaten aan de vervanging te bevorderen van bestaande inefficiënte gebouwen die niet tot het erfgoed behoren, wanneer renovatie niet duurzaam of kosteneffectief zou zijn;

39.  verzoekt de lidstaten de invoering te versnellen van energieprestatiecertificaten die op onafhankelijke wijze worden afgegeven door gekwalificeerde en/of geaccrediteerde deskundigen en een één-loketsysteem te creëren voor de verstrekking van technisch advies en technische ondersteuning, alsmede van financiële stimulansen op regionaal, nationaal en Europees niveau;

40.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voor een intensiever beroep op energieaudits en gestructureerde processen voor energiebeheer in bedrijven en industriële gebouwen te zorgen en mechanismen te ontwerpen om kmo's te assisteren; is van mening dat hierbij een versterking van de nationale regelingen of vrijwillige akkoorden moet worden ondersteund of dat deze regelingen of akkoorden moeten worden vastgesteld;

41.  verzoekt de Commissie alle middelen in te zetten die nodig zijn voor een ruime raadpleging, om verzet bij de lidstaten te voorkomen, alvorens uiterlijk op 30 juni 2011 haar vergelijkend methodologisch kader voor de berekening van het kostenoptimale niveau van de minimumeisen inzake energieprestaties in het kader van de richtlijn inzake de energieprestatie van gebouwen in te dienen; is van mening dat de vergelijkende methodologie, als zij eenmaal is vastgesteld, de spelers op de markt zal motiveren om in energie-efficiënte oplossingen te investeren;

42.  verzoekt de Commissie energiebenchmarks of -vereisten voor te stellen wat de installatie van straatverlichting door overheden betreft, inclusief een beroep op slimmere controles en energiebesparende gebruikspatronen tegen 2012; dringt erop aan dat deze maatregelen specificaties omvatten voor de totale levensduurkosten voor alle overheidsaanbestedingen voor verlichtingsinstallaties;

43.  dringt er bij de lidstaten op aan systematisch energie-efficiënte aanbestedingspraktijken te volgen; is van mening dat indien energie-efficiëntie systematisch wordt gedefinieerd als een gunningscriterium in overheidsopdrachten en als een voorwaarde wordt beschouwd voor de openbare financiering van projecten, dit het energie-efficiëntiebeleid aanzienlijk zal stimuleren;

ICT en producten

44.  verzoekt de Commissie een productbeleid te ontwikkelen waarmee voor meer consistentie van de beleidsmaatregelen op het gebied van milieuvriendelijke producten wordt gezorgd, door de vormgeving, herziening en uitvoering van de verschillende beleidsinstrumenten beter te coördineren, om te zorgen voor meer dynamisme wat de marktomvorming betreft en voor zinvollere consumentenvoorlichting met betrekking tot energiebesparing; verzoekt de Commissie daarom de richtlijn inzake milieuvriendelijk productontwerp en de richtlijn inzake de etikettering van het energieverbruik samen te herzien (d.w.z. het moment van de herziening van de richtlijn inzake de etikettering van het energieverbruik te vervroegen); is van mening dat idealiter de regels inzake de etikettering van het energieverbruik en de regels inzake groene overheidsaanbestedingen ook worden herzien op hetzelfde moment en gecoördineerd met de maatregelen op het gebied van milieuvriendelijk productontwerp en energie-etikettering worden uitgevoerd;

45.  vraagt een snelle en behoorlijke uitvoering van de richtlijn inzake milieuvriendelijk productontwerp en de richtlijn inzake de etikettering van het energieverbruik en betreurt de grote achterstand die er momenteel is; suggereert duidelijkere en kortere tijdslimieten voor de goedkeuring, door uitvoering voor te stellen of respectievelijk gedelegeerde handelingen voor nieuwe energiegerelateerde producten; betreurt het feit dat de Commissie nog niet het volledige potentieel van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp heeft benut en is er sterk van overtuigd dat deze betrekking moet hebben op meer producten, inclusief, indien wenselijk, nieuwe huishoudapparatuur, ICT, energiegerelateerde producten voor gebruik in gebouwen (bijvoorbeeld industriële elektrische motoren, machines, airconditioning, warmtewisselaars, verwarmings- en verlichtingsapparatuur en pompen), industriële en landbouwuitrusting, bouwmateriaal en producten voor efficiënt watergebruik; verzoekt de Commissie bij de goedkeuring van uitvoeringsvoorschriften rekening te houden met de verschillen tussen consumptiegoederen en investeringsgoederen en het bewijs van het potentieel voor energiebesparing en de haalbaarheid van de besparing te leveren alvorens uitvoeringsvoorschriften vast te stellen; dringt erop aan dat de minimumvereisten inzake energie-efficiëntie in de richtlijn inzake milieuvriendelijk productontwerp een specificatie van de totale levensduurkosten en -emissies voor alle producten omvat, het recyclageproces inbegrepen;

46.  verzoekt de Commissie bestaande Europese wetgeving, zoals de richtlijn inzake ecologisch ontwerp en de richtlijn energie-etikettering, te combineren, teneinde de EU-wetgeving zo efficiënt mogelijk ten uitvoer te leggen en gebruik te maken van synergieën, met name voor de consument;

47.  verzoekt de Commissie concrete initiatieven te nemen om ervoor te zorgen dat de hulpbronnen bij de totstandbrenging van producten efficiënter worden gebruikt, bijvoorbeeld via wetgevingsmaatregelen; wijst erop dat een verbetering van de hulpbronnenefficiëntie ook de energie-efficiëntie aanzienlijk ten goede zou komen;

48.  vindt dat er meer aandacht moet worden besteed aan het analyseren van de gevolgen van energie-efficiëntienormen, waaronder de relatie tussen de prijs en de kwaliteit van het eindproduct, de effecten ervan in termen van energie-efficiëntie en de voordelen voor de consument; erkent dat de Commissie al deze gevolgen analyseert, maar wenst dat de Commissie en de lidstaten veel meer doen voor de communicatie en de controle van alle producten, inclusief invoerproducten, zoals spaarlampen;

49.  is in verband hiermee van mening dat uniforme technische normen het geschikte middel zijn om een grotere marktpenetratie te verkrijgen voor energie-efficiënte producten, pompen en motoren enz;

50.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de wetgeving betrekking op producten, systemen en het energieverbruik hiervan heeft en acht het nodig het bewustzijn van de EU-burgers te vergroten wat de energie- en hulpbronnenefficiëntie van consumptie- en energiegerelateerde producten betreft; is van mening dat producten en componenten bij de beoordeling van het energieverbruik moeten worden beschouwd als geheel, in plaats van afzonderlijk;

51.  wijst er met nadruk op dat Europa het voortouw moet nemen bij de ontwikkeling van energiegerelateerde technologie en toepassingen voor een koolstofarm internet en koolstofarme ICT; benadrukt het feit dat ICT een belangrijke rol kan en moet spelen voor de bevordering van verantwoord energiegebruik in huishoudens, vervoer, energieopwekking en distributie, alsmede in de ICT-sector zelf (goed voor ongeveer 8% van het elektriciteitsverbruik); vraagt daarom dat met name het energie-efficiëntiepotentieel wordt beoordeeld van datacentra; is van mening dat meer steun voor innovatie altijd gepaard moet gaan met een vermindering van de administratieve rompslomp waarmee kandidaten te maken krijgen; erkent dat partnerschappen tussen de ICT-sector en sectoren met hoge broeikasgasemissies moeten worden ondersteund om de energie-efficiëntie en de emissies van deze sectoren te verbeteren;

52.  onderstreept dat het van cruciaal belang voor het succes van slimme meters is dat het publiek over de voordelen wordt geïnformeerd; wijst er nogmaals op dat in het initiatiefverslag van het Parlement over „een nieuwe digitale agenda voor Europa: 2015.eu” als beleidsdoel werd gesteld dat uiterlijk in 2015 50% van alle huizen in Europa uitgerust zouden zijn met slimme meters; is tevreden met het werk van de taskforce slimme meters en verzoekt de Commissie vóór eind 2011 een aantal aanbevelingen in te dienen om ervoor te zorgen dat:

   slimme meters er komen overeenkomstig het tijdschema van het derde pakket voor de gemeenschappelijke markt voor energie, zodat de doelstelling dat 80% van de gebouwen is uitgerust met slimme meters in 2020, wordt gehaald,
   de lidstaten tegen eind 2011 overeenstemming bereiken over de gemeenschappelijke functies die slimme meters minimaal hebben,
   consumenten voordelen door slimme meters hebben, bijvoorbeeld een lager energieverbruik, assistentie aan consumenten met een laag inkomen en kwetsbare consumenten, en aggregatie, waarbij de lasten van meer eindgebruikers worden gecombineerd om lagere tarieven te verkrijgen dan welke gebruiker ook individueel zou kunnen verkrijgen, in de nationale markten toegestaan is en bevorderd wordt,
   de lidstaten een strategie ontwikkelen en publiceren om ervoor te zorgen dat alle consumenten, inclusief kwetsbare personen en personen met een laag inkomen, de potentiële voordelen van slimme meters genieten,
   de nationale transmissiesysteembeheerders en regulatoren verplicht worden netwerktarieven volgens het gebruiksmoment vast te stellen, als financiële stimulans voor belastingsafschakeling en beheer van de vraagzijde,
   een uitvoeringsmaatregel voor milieuvriendelijk productontwerp voor slimme meters wordt voorbereid, om ervoor te zorgen dat deze producten energie-efficiënt zijn en geen onnodig extra energieverbruik voor huishoudens opleveren,
   in het lopende voorbereidende onderzoek naar netwerkgebonden waakstanden („networked standby modes”) dat wordt uitgevoerd in het kader van de richtlijn inzake milieuvriendelijk productontwerp, aandacht wordt besteed aan slimme meters, met het oog op mogelijke toekomstige regulering;

53.  merkt op dat technologische vooruitgang kansen voor stapsgewijze veranderingen op het gebied van energie-efficiëntie kan creëren; verzoekt de Commissie in het SET-plan een onderdeel op te nemen over de ontwikkeling en bevordering van technologie, materiaal, bijvoorbeeld voor de bouw of voor de fabricatie van machines, en producten, bijvoorbeeld verlichtingssystemen met ultraweinig energie of afdrukbare elektronica, die energie- en hulpbronnenefficiëntie bevorderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten stimulansen en programma's voor te stellen voor bijzonder innoverende technologie, inclusief gerichte O&O-activiteiten, productie van kleine hoeveelheden enz;

54.  om de energie-efficiëntie te bevorderen, verzoekt de Commissie in samenwerking met de nationale energiereguleringsinstanties het werk met betrekking tot slimme netten en slimme meters te combineren met prijsstimulansen (gedifferentieerde tarieven) en meer prijsflexibiliteit, bijvoorbeeld per uur, in de nationale tarieven om verminderingen van het elektriciteitsverbruik te stimuleren en herinnert aan de bepalingen waarbij de lidstaten er in het kader van het derde energiepakket toe worden aangezet innovatieve prijsformules te ontwikkelen;

55.  wenst dat maatregelen worden getroffen om boemerangeffecten te verhelpen, teneinde te garanderen dat de impact van technologische verbeteringen niet wordt tenietgedaan door een neerwaartse druk op de energieprijzen en toenemend verbruik;

Vervoer

56.  verzoekt de Commissie een ambitieus witboek te publiceren over vervoer om een duurzaam Europees vervoersbeleid te ontwikkelen waarmee de invoering van energie-efficiënte nieuwe technologie wordt bevorderd en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, met name olie, verminderd, eventueel via elektrificering en andere middelen; wil in verband hiermee dat in het kader van infrastructuur en ruimtelijke ordening meer rekening met het energieaspect wordt gehouden;

57.  is van oordeel dat met het oog op de beperking van de vervoersemissies dringend gebruik moet worden gemaakt van alle instrumenten, inclusief voertuigen- en brandstofbelasting, etikettering, minimale efficiëntienormen en maatregelen ter verbetering en bevordering van het openbaar vervoer;

58.  onderstreept het feit dat de invoering van informatie- en communicatietechnologie (ICT) in de sector van het wegvervoer en de interfaces ervan met andere vervoerswijzen een aanzienlijke bijdrage zal leveren tot de verbetering van de energie-efficiëntie, veiligheid en bedrijfszekerheid van het wegvervoer, en zelfs nog meer in combinatie met een verbetering van de logistiek en andere manieren om het vervoer te rationaliseren, en verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een gecoördineerde en effectieve invoering van e-Freight en intelligente vervoerssystemen (Intelligent Transport Systems, ITS) in de Unie als geheel;

59.  onderstreept dat het om de bovengenoemde energie-efficiëntiedoelstellingen te verwezenlijken van cruciaal belang is dat wordt geïnvesteerd in de vervoersector, met name in systemen voor spoorweg- en stadsvervoer, teneinde het gebruik van energie-intensievere systemen tot een minimum te beperken;

60.  benadrukt het feit dat de energie-efficiëntie van het vervoerssysteem als geheel moet worden verbeterd door een modal shift van energie-intensieve vervoersmodi als vrachtwagens en auto's naar energiezuinige als het spoor, fietsen en lopen voor passagiers of het spoor en milieuvriendelijk vervoer per schip voor goederen;

61.  erkent dat meer brandstofefficiëntie in voertuigen het brandstofverbruik aanzienlijk kan verlagen en verzoekt de Commissie de vooruitgang te beoordelen die voor diverse vervoersmodi in de richting van emissieverminderingen wordt geboekt en te zorgen voor een langetermijnplanning, met name in de autosector en het wegvervoer, door bijkomende doelstellingen te bepalen, indien nodig, en bijkomende normen inzake energie-efficiëntie te bevorderen, bijvoorbeeld voor mobiele airconditioning, en is van mening dat de EU moet streven naar efficiëntiewinst die mondiaal toonaangevend is; merkt op dat consumenteninformatie en reclame een belangrijke rol kunnen spelen om de consumenten in de richting van efficiëntere aankoopkeuzen en rijgewoonten te sturen;

62.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling en het gebruik van innoverende uitrusting om de energie-efficiëntie te verbeteren (bijvoorbeeld spoilers voor vrachtwagens en andere vormen van betere aerodynamica of werking) voor alle vervoerswijzen op kostenefficiënte wijze te bevorderen;

63.  moedigt in verband hiermee de bevordering aan van het gebruik van energie-efficiënte banden, zonder toegevingen te doen op de veiligheid, en verzoekt de Commissie minimumeisen vast te stellen voor de energie-efficiëntie van voertuigen die worden gekocht door overheidsinstanties en van de banden die op deze voertuigen worden geplaatst; verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2011 een strategie in te dienen om het brandstofverbruik en de CO2-emissies te verminderen van zware bedrijfsvoertuigen, die momenteel zo goed als ongemoeid worden gelaten;

64.  verzoekt de Commissie te overwegen één verplicht pan-Europees etiketteringssysteem voor personenwagens in te voeren, hetgeen een positief effect zou hebben door de marktverstoringen te verminderen, het bewustzijn van de bevolking in Europa te vergroten en de technologische innovatie te ondersteunen wat de vermindering van het energieverbruik en de vervuilende emissies van voertuigen betreft; verzoekt de Commissie ook de mogelijkheid te onderzoeken het voorgestelde ene etiketteringssysteem uit te breiden naar elektrische en hybride voertuigen;

65.  verzoekt de Commissie uiterlijk midden 2011 kadervoorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van elektrische voertuigen, met name wat de standaardisering betreft van de infrastructuur en de oplaadtechnologie, om de interoperabiliteit en veiligheid van de infrastructuur te garanderen, en de plaatsing van oplaadinfrastructuur in de lidstaten te bevorderen; verzoekt de Commissie voorts geharmoniseerde vereisten vast te stellen voor de goedkeuring van elektrische voertuigen, met specifieke aandacht voor gezondheid en veiligheid, zowel van de werknemers als van de eindgebruikers; verzoekt de Commissie te zorgen voor vergelijkbare kadervoorwaarden voor de ontwikkeling van voertuigen waarbij gebruik wordt gemaakt van brandstofcellen of andere duurzamere energiebronnen;

66.  herhaalt dat oplossingen met intermodaal vervoer moeten worden bevorderd, alsmede de ontwikkeling van intelligente vervoerssystemen, om energiebesparingen in de vervoerssector te realiseren (inclusief congestieheffingen, informatietechnologie op het gebied van verkeersbeheer, spoorweginfrastructuur enz.);

67.  verzoekt de lidstaten belastingsregelingen af te schaffen waarbij de aankoop van auto's met een onefficiënt brandstofgebruik wordt gestimuleerd en deze te vervangen door belastingsregelingen waarbij de aankoop van auto's met een efficiënt brandstofgebruik wordt gestimuleerd;

68.  erkent dat de inzet van modulaire trekkeropleggercombinaties een duurzame oplossing is die bijdraagt tot een hoger niveau van energie-efficiëntie in de sector van het wegvervoer; erkent voorts dat de verschillende regels waarmee modulaire trekkeropleggercombinaties te maken krijgen, wanneer zij landsgrenzen overschrijden, hinderlijk zijn voor een intensiever gebruik van deze methode van vervoer over de weg; verzoekt de Commissie te onderzoeken welke verschillen in de regels gemakkelijk kunnen worden weggewerkt en hoe voor meer grensoverschrijdend vervoer met modulaire trekkeropleggercombinaties kan worden gezorgd;

69.  is van mening dat prijssignalen van cruciaal belang zijn om de energie-efficiëntie te vergroten en dat een herziene energiebelasting deel van het herziene actieplan voor energie-efficiëntie moet uitmaken, aangezien de inzet van economische instrumenten de meest kostenefficiënte manier is om energiebesparing te bevorderen;

Stimulansen en financiering

70.  herinnert de Commissie en de lidstaten aan de trias energetica, die bepaalt dat de vraag naar energie moet worden teruggedrongen vóór investeringen in extra energievoorziening worden overeengekomen;

71.  verzoekt de Commissie een verslag in te dienen over de noodzaak van meer financiële ondersteuning om de energie-efficiëntie in het bestaande gebouwenbestand te vergroten, met een evaluatie van de bestaande financiële instrumenten; is van mening dat de Commissie voorstellen moet indienen over de manier waarop een EU-kader van roulerende financiële instrumenten ter ondersteuning of garantie van aanvullende maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie, bestaande nationale regelingen en distributiekanalen (bijvoorbeeld door risicodeling) kan worden ingesteld en om de invoering en verbetering van regelingen inzake energie-efficiëntie in de lidstaten aan te moedigen; vraagt de Commissie in het kader van het actieplan voor energie-efficiëntie beleidsopties voor te stellen met betrekking tot de manier om ervoor te zorgen dat energie-efficiëntiefondsen op nationaal, regionaal of lokaal niveau voorhanden zijn; is van mening dat deze fondsen, bijvoorbeeld via financiële tussenpersonen, een belangrijke rol kunnen spelen voor de ontwikkeling van de bedoelde instrumenten, die financieringsmogelijkheden zouden verstrekken aan particuliere eigenaars, kmo's en leveranciers van energiediensten; steunt de idee dat deze instrumenten meer steun voor krachtigere energiebesparingsmaatregelen bevorderen;

72.  is van mening dat bij de totstandbrenging van dit kader aandacht moet gaan naar alle financiële middelen die in de lidstaten beschikbaar zijn, om te zorgen voor synergie en overlapping met andere financiële instrumenten te voorkomen;

73.  is tevreden met de steun die in de Europa 2020-strategie wordt gegeven aan een verplaatsing van de belastingsdruk naar energie- en milieubelastingen, die voor consumenten en bedrijven stimulansen voor energie-efficiëntie en banenschepping kunnen creëren; verzoekt de lidstaten de mogelijkheid te overwegen de BTW-tarieven voor renovatiewerken ter bevordering van de energie-efficiëntie te verlagen;

74.  verzoekt de Commissie jaarlijks een verslag in te dienen over de vraag of en hoe op nationaal niveau adequate stimulansen (fiscale stimulansen en stimulansen in de vorm van subsidies) zijn ingevoerd, bijvoorbeeld, wat particulieren en kmo's betreft, de afschrijving van kleine industriële uitrusting tot 10 000 EUR of, wat de industrie betreft, de progressieve afschrijving van 50% in het eerste jaar of de invoering van adequate investeringsstimulansen en onderzoekssubsidies, om maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie te bevorderen;

75.  wijst erop dat de regeling van de Unie voor de handel in broeikasgasemissierechten een enorme potentiële bron van middelen voor investeringen in energie-efficiëntie is; merkt op dat de veiling van EU-emissierechten miljarden euro zal opleveren; herinnert eraan dat volgens de richtlijn betreffende de handel in emissierechten op zijn minst 50% van deze inkomsten moet gaan naar maatregelen voor de aanpassing aan en de bestrijding van de klimaatverandering, inclusief energie-efficiëntie; benadrukt het feit dat deze inkomsten en de inkomsten van de koolstofbelasting prioritair moeten gaan naar een kostenefficiënte financiering en verspreiding van technologie met betrekking tot energie-efficiëntie; merkt voorts op dat de EU-bedrijven miljoenen kredieten in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling kopen, vooral in China en India, terwijl zij zouden kunnen investeren in het mechanisme voor schone ontwikkeling en de minst ontwikkelde landen of in energie-efficiëntie in Europa;

76.  is van mening dat bij dit kader rekening moet worden gehouden met de ervaring die is opgedaan met bestaande roulerende instrumenten die door openbare financiële tusseninstanties ter beschikking worden gesteld, dat bestaande EU-fondsen bij dit kader moeten worden betrokken en dat dit kader zo moet worden ontworpen dat andere openbare of particuliere fondsen worden aangetrokken, om een zo groot mogelijk hefboomeffect te creëren; is van mening dat de Commissie niet altijd de enige bron van alle financiële middelen kan zijn; verzoekt de Commissie een centrale rol te spelen met betrekking tot de ontgrendeling van en de creatie van een hefboomeffect voor de financiering die beschikbaar is zowel openbare als in particuliere financiële instellingen; is van mening dat de Commissie financiële instellingen en financieringsprogramma's als de Europese Investeringsbank moet aanmoedigen hoge prioriteit aan innoverende initiatieven op het gebied van energie-efficiëntie te geven, met name wanneer deze bijdragen tot andere EU-doelstellingen zoals meer banen;

77.  erkent dat het ontbreken van voorfinanciering een grote belemmering is voor de renovatie van gebouwen in de residentiële en de kmo-sector en verzoekt de Commissie een lijst van innoverende oplossingen en beste praktijken voor de oplossing van dit probleem op te stellen, bijvoorbeeld succesvolle „pay-as-you-save”-mechanismen, roulerende fondsen en groene investeringsbanken (naar het model van de KfW in Duitsland en de Caisse des Dépôts in Frankrijk);

78.  stelt vast dat de noodzaak van aanloopinvesteringen een van de grootste belemmeringen vormt voor de verwezenlijking van energie-efficiëntie op lokaal en regionaal niveau; is ervan overtuigd dat bij maatregelen op EU-niveau terdege rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor, en de budgettaire beperkingen van, gemeenten en regio's; beveelt de Commissie daarom aan plaatselijke en regionale vertegenwoordigers te raadplegen teneinde ontwikkelingsrichtsnoeren op het gebied van energie op te stellen en financiële ondersteuning te bieden voor lokale en regionale projecten in de vorm van innovatieve programma's waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande energiebronnen en de structuurfondsen;

79.  is tevreden met het akkoord tussen het Parlement en de Raad om niet vastgelegde middelen in het kader van de EEPR-verordening te gebruiken voor de instelling van een speciaal financieel instrument om initiatieven op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen op lokaal en regionaal niveau te ondersteunen; merkt tegelijk op dat investeringen in energie-efficiëntie, ondanks het aanzienlijke potentieel ervan wat banenschepping betreft, onterecht weinig ondersteuning in het Europees Economisch Herstelprogramma krijgt;

80.  benadrukt het feit dat de bestaande EU-fondsen, bijvoorbeeld het EFRO en het ELFPO, beter voor maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie moeten worden gebruikt; dringt er bij de lidstaten op aan energie-efficiëntie aan te merken als prioriteit in hun operationele programma's en roept de Commissie en de nationale autoriteiten op om manieren te ontwikkelen teneinde de inzet van structuurfondsen voor maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie te vergemakkelijken, zoals betere informatievoorziening op lokaal niveau of de invoering van centrale loketten, en herinnert er tot slot aan dat deze maatregelen moeten worden geëvalueerd en dat de winst op het gebied van energie-efficiëntie bij deze evaluatie een belangrijke parameter kan zijn;

81.  in het kader van de verwachte herziening van het cohesiebeleid en regionaal beleid en van de financiële vooruitzichten van de EU, vraagt ervoor te zorgen dat energiebesparing een van de voorwaarden voor de toekenning van EU-steun wordt en wenst dat er wordt nagedacht over de mogelijkheid om een groter deel van de nationale toewijzingen aan maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen te besteden;

82.  verzoekt de Commissie de evaluatie halverwege de looptijd te gebruiken om meer middelen aan energie-efficiëntieprogramma's toe te wijzen en de mogelijkheid te ondersteunen tot 15% van het EFRO voor energie-efficiëntie te gebruiken;

83.  benadrukt dat op lokaal en regionaal bestuursniveau technische ondersteuning en financiële instrumentering moet worden ontwikkeld om lokale actoren te steunen bij het opzetten van projecten, bijvoorbeeld door gebruik te maken van ELENA, het instrument voor technische bijstand van de EIB, en van de ervaringen van leveranciers van energiediensten;

84.  verzoekt de Commissie de financieringsfaciliteiten (bijv. Elena) te versterken en de instelling te overwegen van aanvullende faciliteiten die in het kader van het programma Intelligente Energie worden gefinancierd;

85.  wijst erop dat het beleid inzake energie-efficiëntie erop gericht moet zijn zo veel mogelijk partijen, zowel publieke als private, bij de zaak te betrekken, om het grootst mogelijke hefboomeffect te verkrijgen, banen te scheppen, bij te dragen tot groenere groei en de totstandbrenging van een concurrerende, samenhangende en duurzame Europese markt voor energie-efficiëntie aan te moedigen;

86.  merkt op dat, als energiebedrijven wordt opgedragen energiebesparingsverplichtingen na te komen, dit extra financieringsmiddelen voor maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie kan opleveren, bijvoorbeeld een kabelheffing voor transmissiesysteembeheerders of distributiesysteembeheerders, middelen die worden verstrekt door leveranciers om hun verplichting na te komen of boetes als niet aan de vereisten wordt voldaan;

87.  merkt op dat, hoewel een groot deel van het aanloopkapitaal dat voor investeringen in energie-efficiëntie nodig is, zal moeten komen van de particuliere sector, overheidsoptreden nodig is om te helpen de falende marktwerking te compenseren en ervoor te zorgen dat de overstap naar een koolstofarme economie tijdig plaatsvindt om de EU-doelstellingen op het gebied van hernieuwbare energiebronnen en emissievermindering te halen;

88.  verzoekt de Commissie EU-maatregelen te bevorderen ter ondersteuning van technische assistentie door ervaren (nationale en internationale) financiële tusseninstanties:

   om het bewustzijn en de kennis bij de beheersinstanties en de openbare en particuliere financiële instellingen te verbeteren wat financieringsstrategieën en institutionele vereisten betreft om investeringen in energie-efficiëntie te ondersteunen,
   om openbare en particuliere financiële instellingen te ondersteunen bij de uitvoering van de maatregelen en financiële instrumenten in kwestie,
   om duurzame en efficiënte financiële instrumenten te structureren om de voor investeringen op het gebied van energie-efficiëntie beschikbare middelen beter te benutten,
   om de overdracht van ervaring met beste praktijken onder de lidstaten en hun financiële tusseninstanties aan te moedigen,
   om een doeltreffend communicatie-instrument te creëren en een op de burgers gerichte dialoog te initiëren om informatie over energie-efficiëntie te verspreiden onder specifieke categorieën van personen en dier gedrag op het gebied van energieverbruik te sturen;

89.  erkent dat een goed werkende energiemarkt energiebesparing stimuleert; verzoekt de Commissie de rol van energiebedrijven, inclusief leveranciers van energiediensten, met betrekking tot de bevordering van energie-efficiëntie te beoordelen en hierover verslag uit te brengen en verzoekt de Commissie en de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen om energiebedrijven ertoe aan te zetten in energie-efficiëntie te investeren en een verbetering van de energie-efficiëntie van de eindgebruiker te bevorderen; verzoekt de Commissie om op de beste praktijken gebaseerde aanbevelingen in te dienen waaruit de lidstaten het geschiktste model voor de situatie in het land kunnen kiezen, bijvoorbeeld een stelsel van witte certificaten, belastingvrijstellingen, echtstrekse stimulansen enz;

90.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en het lokale en regionale bestuursniveau hun inspanningen op te voeren voor een verbetering van het onderwijs en de opleiding van alle soorten van energie-efficiëntiedeskundigen, maar vooral van technici die een tussenpositie bekleden, in alle sectoren, maar vooral in de hele waardeketen van gebouwen en in kmo's, om de vaardigheden van vaklui uit de bouwsector te vergroten; zodat groene lokale banen worden gecreëerd, terwijl de uitvoering van een ambitieuze wetgeving op het gebied van energie-efficiëntie wordt vergemakkelijkt; vraagt in verband hiermee dat de structuurfondsen en het Cohesiefonds ten volle voor opleidingsactiviteiten worden benut en dat de middelen in deze fondsen worden opgetrokken;

91.  verzoekt de Commissie de toepasbaarheid te onderzoeken van innoverende vormen van regulering waarbij het substantiële potentieel voor energiebesparing in de nieuwe lidstaten effectief kan worden gecombineerd met het kapitaal en het technologische potentieel van de meer ontwikkelde lidstaten;

92.  benadrukt het feit dat de ontwikkeling van de markten voor energiediensten moet worden bevorderd; verzoekt de Commissie bij de herziening van de energiedienstenrichtlijn maatregelen te overwegen om energieprestatiecontracten in de privésector te bevorderen; is van mening dat bedrijven die energiediensten leveren, in vele opzichten het best geplaatst zijn om gezinnen, kmo's en de overheid te helpen om het obstakel van de hoge initiële investeringskosten te overwinnen, wanneer bestaande gebouwen met het oog op een hogere energie-efficiëntie worden gerenoveerd; stelt de Commissie voor een studie uit te voeren om de beste praktijken in de lidstaten te beoordelen en om obstakels en barrières te identificeren die beletten dat het potentieel van het financieringsmechanisme ten volle wordt benut;

93.  wijst erop dat ondernemingen vanwege hun inspanningen op het gebied van innovatie een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling en uitvoering van energiebesparende maatregelen; hoopt dat de structuurfondsen zullen bijdragen aan een actieve deelname van ondernemingen aan projecten op het gebied van energie-efficiëntie;

94.  herhaalt zijn verzoek om een versterkt hoofdstuk over energie-efficiëntie in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid en om de systematische opname van een hoofdstuk hierover in de dialogen van de EU met derde landen;

95.  stelt vast dat er kansen en potentiële opportuniteiten ontstaan voor Europese ondernemingen in de vorm van de ontwikkeling, de fabricatie en het op de markt brengen van energie-efficiënte technologie (bijvoorbeeld voor toepassingen op het gebied van motoren en aandrijvingen, verlichting, elektrische apparatuur enz.);

96.  is in verband hiermee van mening dat de ontwikkeling en het op de markt brengen van innoverende technologie de basis is voor een verbetering van de energie-efficiëntie op alle toepassingsgebieden, voor een vermindering van de broeikasgasemissies en voor de verhoging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen;

97.  beklemtoont dat energie-efficiëntie een prioriteit moet zijn in het komende achtste kaderprogramma voor onderzoek;

98.  verzoekt de Commissie om van energie-efficiëntie een van de belangrijkste prioriteiten van het achtste kaderprogramma voor onderzoek te maken en een aanzienlijk deel van de middelen toe te wijzen aan subprogramma's op het gebied van energie-efficiëntie van het soort van het programma Intelligente Energie; benadrukt het feit dat de middelen voor onderzoek, ontwikkeling en demonstratie op het gebied van energie tegen 2020 moeten worden verhoogd in vergelijking met het huidige niveau, inclusief een significante verhoging van de toekomstige EU-begroting, met name voor hernieuwbare energie, slimme netten en energie-efficiëntie;

99.  is van mening dat meer belang moet worden gehecht aan energiebesparingsmaatregelen in het kader van internationale klimaatgesprekken; is van mening dat ambitieus energie-efficiëntiebeleid beter kan worden gevoerd en minder effect heeft op het concurrentievermogen, als het internationaal wordt geharmoniseerd; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom de internationale partners van de EU er tijdens de komende gesprekken in Cancún van te overtuigen dat gecoördineerde energie-efficiëntiemaatregelen nodig zijn;

100.  schaart zich achter de oproep van de groep van G20-landen in hun verklaring van de top van Toronto van 27 juni 2010 om subsidies voor fossiele brandstoffen op middellange termijn geleidelijk af te schaffen en wijst erop dat op deze manier miljarden euro kunnen worden vrijgemaakt, die opnieuw kunnen worden ingezet voor de ondersteuning van energie-efficiëntiemaatregelen, zodat veel beter wordt bijgedragen tot de strategische energiedoelstellingen van de EU van duurzaamheid, concurrentievermogen en continuïteit van de voorziening;

101.  is van mening dat bij de ontwikkeling van energiebeleid altijd rekening met de sociale dimensie van de energiedialoog, die betrekking heeft op aspecten als mensenrechten, energiearmoede en de bescherming van consumenten met een laag inkomen, moet worden gehouden;

102.  erkent dat in beleidsmaatregelen inzake energie-efficiëntie tot nu toe onvoldoende aandacht is besteed aan de factor maatschappelijke acceptatie van vermindering van het energieverbruik; benadrukt dat niet alleen het gedrag van consumenten bepalend is voor het succes van maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie, maar dat ook het vertrouwen van de consument moet worden bevorderd; dringt erop aan in het toekomstige actieplan inzake energie-efficiëntie aanvullende ondersteunende maatregelen op te nemen ter verbetering van de sociale acceptatie; onderstreept de belangrijke rol die de regionale en lokale niveaus kunnen spelen bij de totstandkoming van een consensus;

103.  benadrukt het feit dat een intensiever voorlichtingsbeleid van de Commissie en de lidstaten voor alle betrokkenen met betrekking tot kwesties op het gebied van energiebesparing en energie-efficiëntie belangrijk is en verzoekt de Commissie en de lidstaten de toegang tot informatie over kwesties op het gebied van energiebesparing en energie-efficiëntie te verbeteren en voort te vergemakkelijken;

o
o   o

104.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 200 van 31.7.2009, blz. 31.
(2) PB L 114 van 27.04.06, blz. 64.
(3) PB L 153 van 18.06.10, blz. 1.
(4) PB L 342 van 22.12.2009, blz. 46.
(5) PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.
(6) PB L 153 van 18.06.10, blz. 13.
(7) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.
(8) PB L 207 van 6.8.2010, blz. 1.
(9) Copenhagen Economics, http://ec.europa.eu/taxation_customs/resources/documents/taxation/gen_info/economic_analysis/tax_papers/taxation_paper_22_en.pdf
(10) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 16.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0153.

Juridische mededeling - Privacybeleid