Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 16 juni 2010 - Straatsburg
Gemeenschappelijk onderzoeks- en ontwikkelingsproject voor de Oostzee (BONUS-169) ***I
 Beheersstructuren van de Europese programma's voor radionavigatie per satelliet ***I
 Europees programma voor de observatie van de aarde (GMES) (2011–2013) ***I
 Vaststelling van het Statuut van het Internationale Agentschap voor hernieuwbare energie (IRENA) ***
 Machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed ***
 Aanneming van de euro door Estland op 1 januari 2011 *
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2010: Afdeling III – Commissie (overschot 2009)
 Kwijting 2008: Raad
 Rechten op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures ***I
 Organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen ***I
 Voedselinformatie aan de consumenten ***I
 EU 2020
 Economisch bestuur
 Instelling, bevoegdheden, aantal leden en ambtstermijn van de bijzondere commissie beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen voor een duurzame Europese Unie na 2013

Gemeenschappelijk onderzoeks- en ontwikkelingsproject voor de Oostzee (BONUS-169) ***I
PDF 196kWORD 33k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 inzake het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad over de deelneming van de Gemeenschap aan een gemeenschappelijk onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma voor de Oostzee (BONUS-169) dat door verschillende lidstaten is opgezet (COM(2009)0610 – C7-0263/2009 – 2009/0169(COD))
P7_TA(2010)0212A7-0164/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2009)0610),

–  gelet op artikel 251, lid 2, en de artikelen 169 en 172, lid 2, van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0263/2009),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665),

–  gelet op artikel 294, lid 3, en de artikelen 185 en 188, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 april 2010(1),

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7–0164/2010),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 juni 2010 met het oog op de aanneming van Besluit nr. .../2010/EU van het Europees Parlement en de Raad over de deelname van de Unie aan een gemeenschappelijk onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma voor de Oostzee (BONUS) dat door verschillende lidstaten is opgezet

P7_TC1-COD(2009)0169


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Besluit nr. 862/2010/EU)

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


Beheersstructuren van de Europese programma's voor radionavigatie per satelliet ***I
PDF 197kWORD 67k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1321/2004 van de Raad inzake de beheersstructuren van de Europese programma's voor radionavigatie per satelliet (COM(2009)0139 – C7-0103/2009 – 2009/0047(COD))
P7_TA(2010)0213A7-0160/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2009)0139),

–  gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 156 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0103/2009),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Parlement en de Raad getiteld ’Gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures’ (COM(2009)0665),

–  gelet op artikel 294, lid 3, en artikel 172 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 juli 2009(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Begrotingscommissie (A7-0160/2010),

1.  neemt het hierbij opgenomen standpunt in eerste lezing aan;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 juni 2010 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europese GNSS-Agentschap, tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1321/2004 van de Raad inzake de beheersstructuren van de Europese programma's voor radionavigatie per satelliet en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad

P7_TC1-COD(2009)0047


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EU) nr. 912/2010)

(1) PB C 317 van 23.12.2009, blz. 103.


Europees programma voor de observatie van de aarde (GMES) (2011–2013) ***I
PDF 210kWORD 69k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees programma voor aardobservatie (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011–2013) (COM(2009)0223 – C7-0037/2009 – 2009/0070(COD))
P7_TA(2010)0214A7-0161/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2009)0223),

–  gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 157, lid 3, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0037/2009),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Parlement en de Raad over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665),

–  gelet op artikel 294, lid 3 en artikel 189 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 januari 2010(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 5 mei 2010 om het standpunt van het Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0161/2010),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen van de lidstaten.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 juni 2010 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011-2013)

P7_TC1-COD(2009)0070


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EU) nr.911/2010)

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


Vaststelling van het Statuut van het Internationale Agentschap voor hernieuwbare energie (IRENA) ***
PDF 195kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de vaststelling van het Statuut van het Internationale Agentschap voor hernieuwbare energie (IRENA) door de Europese Unie (08612/2010 – C7-0109/2010 – 2009/0085(NLE))
P7_TA(2010)0215A7-0176/2010

(Goedkeuring – hernieuwde voorlegging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de vaststelling van het Statuut van het Internationale Agentschap voor hernieuwbare energie (IRENA) door de Europese Unie (08612/2010),

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2009)0326),

–  gezien zijn standpunt van 20 oktober 2009(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665 en COM(2010)0147),

–  gelet op artikel 194, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan de Raad het Parlement om goedkeuring heeft verzocht (C7-0109/2010),

–  gelet op artikel 59, lid 3, artikel 81 en artikel 90, lid 8, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A7-0176/2010),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de vaststelling van het Statuut;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0030.


Machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed ***
PDF 209kWORD 38k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 betreffende het ontwerpbesluit van de Raad houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (09898/2/2010– C7-0145/2010 – 2010/0066(NLE))
P7_TA(2010)0216A7-0194/2010

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (09898/2/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring, ingediend door de Raad overeenkomstig artikel 329, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0145/2010),

–  gelet op artikel 74 octies en artikel 81, lid 1 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken (A7-0194/2010),

A.  overwegende dat de Commissie op 17 juli 2006 een voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2201/2003 wat de bevoegdheid betreft en tot invoeging van regels inzake toepasselijk recht in huwelijkszaken (’Rome III’) (COM(2006)0399) heeft aangenomen,

B.  overwegende dat het voorstel gebaseerd was op artikel 61, onder c en artikel 67, lid 1 van het EG-Verdrag, op grond waarvan eenstemmigheid in de Raad vereist was,

C.  overwegende dat het Parlement het gewijzigde voorstel van de Commissie op 21 oktober 2008 overeenkomstig de raadplegingsprocedure heeft goedgekeurd(1),

D.  overwegende dat midden 2008 al duidelijk was geworden dat enkele lidstaten vanwege bepaalde specifieke problemen de voorgestelde verordening niet konden accepteren; overwegende dat één lidstaat in het bijzonder niet wilde dat zijn rechters vreemd echtscheidingsrecht zouden toepassen, dat die lidstaat beschouwde als restrictiever dan het eigen echtscheidingsrecht en dat deze lidstaat wenste zijn eigen materieel recht te blijven toepassen op voor de rechters van dat land aangevraagde echtscheidingen; overwegende dat aan de andere kant een grote meerderheid van de lidstaten van mening was dat regels inzake toepasselijk recht een essentieel onderdeel vormden van de voorgestelde verordening en dat deze regels er in sommige gevallen toe zouden leiden dat rechters buitenlands recht zouden moeten toepassen,

E.  overwegende dat de Raad in zijn vergadering op 5 en 6 juni 2008 concludeerde dat de unanimiteit ontbrak om met het voorstel voor een verordening door te gaan en dat onoverkomelijke moeilijkheden beletten die unanimiteit op dat moment of op korte termijn te bewerkstelligen en dat de doelen van de voorgestelde verordening niet binnen een redelijke termijn op grond van de ter zake geldende bepalingen van de Verdragen konden worden verwezenlijkt,

F.  overwegende dat in artikel 20 van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt bepaald dat lidstaten in het kader van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie onderling een nauwere samenwerking kunnen aangaan, mits ten minste negen lidstaten aan de nauwere samenwerking deelnemen, en dat zij daarbij gebruik kunnen maken van de instellingen van de Unie en die bevoegdheden kunnen uitoefenen op grond van de ter zake geldende bepalingen van de Verdragen, binnen de grenzen van en overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 en in de artikelen 326 tot en met 334 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

G.  overwegende dat tot dusver veertien lidstaten(2) te kennen hebben gegeven dat zij voornemens zijn op het gebied van het toepasselijke recht in huwelijkszaken onderling een nauwere samenwerking aan te gaan,

H.  overwegende dat het Parlement zich heeft vergewist van de verenigbaarheid met artikel 20 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 326 tot en met 334 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

I.  overwegende dat deze nauwere samenwerking met name geacht kan worden overeenkomstig artikel 20 van het Verdrag betreffende de Europese Unie de doelstellingen van de Unie te bevorderen, haar belangen te beschermen en haar integratieproces te versterken, in het licht van de uitgebreide raadpleging van belanghebbenden door de Commissie als onderdeel van de effectbeoordeling in het kader van haar groenboek (COM(2005)0082), de grote aantallen ’internationale’ huwelijken en de circa 140 000 echtscheidingen met een internationaal element die in 2007 in de Unie plaatsvonden, en tevens rekening houdend met het feit dat twee van de lidstaten die voornemens zijn deel te nemen aan de nauwere samenwerking, te weten Duitsland en Frankrijk, in dat jaar te maken hadden met het grootste aantal nieuwe ’internationale’ echtscheidingen,

J.  overwegende dat de harmonisatie van collisieregels de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid zal vergemakkelijken, omdat het wederzijds vertrouwen zal worden versterkt; overwegende dat er momenteel in de lidstaten die deelnemen aan de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken 26 verschillende collisieregelingen inzake echtscheiding van toepassing zijn en dat, indien op dit gebied nauwere samenwerking wordt aangegaan, dat aantal zal afnemen tot 13, zodat een grotere harmonisatie van de regels van internationaal privaatrecht tot stand wordt gebracht en het integratieproces wordt versterkt,

K.  overwegende dat duidelijk uit de voorgeschiedenis van dit initiatief blijkt dat het voorgestelde besluit als laatste redmiddel naar voren is gebracht en dat de met de nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn konden worden verwezenlijkt; overwegende dat ten minste negen lidstaten voornemens zijn aan de nauwere samenwerking deel te nemen; overwegende dat daarmee aan de vereisten van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is voldaan,

L.  overwegende dat tevens is voldaan aan de vereisten van de artikelen 326 tot en met 334 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

M.  overwegende dat nauwere samenwerking op dit gebied de Verdragen en het recht van de Unie met name eerbiedigt omdat geen afbreuk wordt gedaan aan het bestaande acquis, aangezien de enige regels van de Unie die op dit gebied bestaan betrekking hebben op de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en niet op het toepasselijke recht; overwegende dat nauwere samenwerking geen discriminatie op grond van nationaliteit teweegbrengt, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, omdat de voorgestelde collisieregels van toepassing zijn op alle partijen in procedures voor de rechterlijke instanties van de deelnemende lidstaten, ongeacht hun nationaliteit of woonplaats,

N.  overwegende dat nauwere samenwerking geen afbreuk doet aan de interne markt of de sociale en territoriale samenhang en geen belemmering of discriminatie in de handel tussen de lidstaten vormt, noch de mededinging tussen de lidstaten verstoort; overwegende dat nauwere samenwerking de goede werking van de interne markt veeleer vergemakkelijkt aangezien het mogelijke belemmeringen voor het vrije verkeer van personen uit de weg ruimt en de situatie voor burgers en juristen in de deelnemende lidstaten vereenvoudigt, zonder tot discriminatie tussen burgers te leiden,

O.  overwegende dat bij nauwere samenwerking de rechten, bevoegdheden en verplichtingen van de niet-deelnemende lidstaten worden geëerbiedigd, aangezien deze op dit gebied hun bestaande wetgeving inzake internationaal privaatrecht behouden; overwegende dat er geen internationale overeenkomsten bestaan tussen deelnemende en niet-deelnemende lidstaten die door nauwere samenwerking zouden worden geschonden; voorts overwegende dat nauwere samenwerking niet in strijd is met de verdragen van Den Haag inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsverplichtingen,

P.  overwegende dat nauwere samenwerking overeenkomstig artikel 328, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie openstaat voor alle lidstaten die op een later tijdstip wensen deel te nemen,

Q.  overwegende dat in artikel 333, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is vastgelegd dat de Raad (of nauwkeuriger: de leden van de Raad die de aan een nauwere samenwerking deelnemende lidstaten vertegenwoordigen) een besluit kan vaststellen waarin wordt bepaald dat hij volgens de gewone wetgevingsprocedure zal besluiten in plaats van volgens de bijzondere wetgevingsprocedure overeenkomstig artikel 81, lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat slechts raadpleging van het Parlement voorschrijft,

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerpbesluit van de Raad;

2.  verzoekt de Raad overeenkomstig artikel 333, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een besluit vast te stellen waarin wordt bepaald dat hij met betrekking tot het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de totstandbrenging van nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed volgens de gewone wetgevingsprocedure zal handelen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 15 E van 21.1.2010, blz. 128.
(2) België, Bulgarije, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië, Letland, Luxemburg, Hongarije, Malta, Oostenrijk, Portugal, Roemenië en Slovenië.


Aanneming van de euro door Estland op 1 januari 2011 *
PDF 204kWORD 38k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de aanneming van de euro door Estland op 1 januari 2011 (COM(2010)0239 – C7-0131/2010 – 2010/0135(NLE))
P7_TA(2010)0217A7-0182/2010

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2010)0239),

–  gezien het convergentieverslag van de Commissie van 2010 (COM(2010)0238) met betrekking tot Estland en het convergentieverslag van de Europese Centrale Bank (ECB) van mei 2010,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 juni 2006 over de uitbreiding van de eurozone(1),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 maart 2010 over het jaarverslag van de ECB over 2008(2),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 maart 2010 over het jaarverslag 2009 over de eurozone en de overheidsfinanciën(3),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 november 2008 over de EMU@10: de eerste tien jaar Economische en Monetaire Unie en de uitdagingen voor de toekomst(4) (resolutie EMU@10),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 juni 2007 over de verbetering van de raadplegingsprocedure van het Europees Parlement inzake de procedures voor de uitbreiding van de eurozone(5),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2003 over de aanbeveling van de Europese Centrale Bank voor een voorstel voor een beschikking van de Raad inzake een wijziging van artikel 10.2 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank(6),

–  gezien Besluit 2003/223/EG van de Raad van 21 maart 2003 inzake een wijziging van artikel 10.2 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank(7),

–  gelet op artikel 140, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0131/2010),

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0182/2010),

A.  overwegende dat in artikel 140, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) het bereiken van een hoge mate van duurzame convergentie wordt beoordeeld aan de hand van de mate waarin elke lidstaat aan de volgende criteria voldoet: het bereiken van een hoge mate van prijsstabiliteit, de houdbaarheid van de overheidsfinanciën; de inachtneming van de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme en de duurzaamheid van de door de lidstaat bereikte convergentie en van zijn deelneming aan het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel, hetgeen tot uitdrukking komt in het niveau van de rentevoet voor de lange termijn,

B.  overwegende dat Estland heeft voldaan aan de criteria van Maastricht als bepaald in artikel 140, lid 1, van het VWEU en het protocol (nr. 13) betreffende de convergentiecriteria dat als bijlage aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het VWEU is gehecht,

C.  overwegende dat de rapporteur een bezoek aan Estland heeft afgelegd om te beoordelen of het land klaar was om toe te treden tot de eurozone,

D.  overwegende dat de Commissie heeft verklaard dat EUROSTAT in nauwe samenwerking met het bureau voor de statistiek van Estland de kwaliteit heeft onderzocht van alle relevante data die door de autoriteiten van Estland zijn toegezonden,

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.  spreekt zich uit voor de aanneming van de euro door Estland op 1 januari 2011;

3.  merkt op dat de beoordeling van de Commissie en de Europese Centrale Bank (ECB) heeft plaatsgevonden tegen de achtergrond van de mondiale financiële, economische en sociale crises, die het vooruitzicht van nominale convergentie voor een groot aantal andere lidstaten hebben verslechterd;

4.  merkt op dat Estland aan de criteria heeft voldaan dankzij de vastberaden, geloofwaardige en standvastige inzet van de Estlandse regering en van de bevolking van Estland;

5.  is verontrust over de discrepantie tussen de convergentieverslagen van de Commissie en de ECB wat de duurzaamheid van de prijsstabiliteit betreft;

6.  merkt op dat in het Convergentieverslag 2010 van de ECB de handhaving van de inflatieconvergentie, zodra het huidige economische aanpassingsproces is voltooid, als een grote uitdaging wordt beschouwd;

7.  verzoekt de Estlandse regering om voortzetting van haar terughoudende begrotingsbeleid en van haar algemeen op stabiliteit gerichte beleid, gezien de macro-economische onevenwichtigheden en de risico's voor de prijsstabiliteit waarmee zij de komende jaren zal worden geconfronteerd;

8.  verzoekt de lidstaten de Commissie de naleving van de criteria van Maastricht te laten beoordelen op basis van definitieve, onafhankelijke, actuele en betrouwbare gegevens van hoge kwaliteit;

9.  verzoekt de Commissie het effect te simuleren van het reddingspakket van de eurozone op de begroting van Estland, wanneer dit land tot de eurozone toetreedt en zo lid wordt van de groep die de reddingsmiddelen garandeert;

10.  verzoekt de Commissie en de ECB alle aspecten in aanmerking te nemen bij het doen van een voorstel voor de definitieve wisselkoers voor de Estlandse kroon;

11.  verzoekt de Estlandse autoriteiten het tempo van hun praktische voorbereidingen op te voeren om een soepele overgang te waarborgen; verzoekt de regering van Estland ervoor te zorgen dat de invoering van de euro niet wordt gebruikt voor verborgen prijsstijgingen;

12.  verzoekt de Commissie en de ECB bij het Parlement verslag uit te brengen over de stappen die worden overwogen om de inflatie van activa als gevolg van de lage intrestvoeten tot een minimum te beperken;

13.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

14.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Centrale Bank, de Eurogroep en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 249.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0090.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0072.
(4) PB C 16 E van 22.1.2010, blz. 8.
(5) PB C 146 E van 12.6.2008, blz.251.
(6) PB C 61 E van 10.3.2004, blz. 374.
(7) PB L 83 van 1.4.2003, blz. 66.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2010: Afdeling III – Commissie (overschot 2009)
PDF 200kWORD 34k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2010 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, Afdeling III – Commissie (10930/2010 – C7-0153/2010 – 2010/2056(BUD))
P7_TA(2010)0218A7-0200/2010

Het Europees Parlement,

–  gelet op de artikelen 310 en 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag,

–  gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(1) (hierna ’het Financieel Reglement’), en met name op artikel 15, lid 3, en de artikelen 37 en 38 daarvan,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, definitief vastgesteld op 17 december 2009(2),

–  gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, ingediend door de Commissie op 16 april 2010 (COM(2010)0169),

–  gezien het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2010, opgesteld op 11 juni 2010 (10930/2010 – C7-0153/2010),

–  gelet op de artikelen 75 ter en 75 sexies van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0200/2010),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2010 tot doel heeft het overschot van het begrotingsjaar 2009, met name 2 253 591 199,37 EUR op te nemen in de begroting 2010,

B.  overwegende dat dit overschot hoofdzakelijk het gevolg is van méér inkomsten ten belope van 400 703 258 EUR, een onderbesteding van de uitgaven ten belope van 1 667 346 181 EUR en positieve wisselkoersverschillen ten belope van 185 541 760 EUR,

C.  overwegende dat de onderbesteding van de betalingskredieten in 2009 voor rubriek 1 451 miljoen EUR bedroeg, voor rubriek 2 244 miljoen EUR, voor rubriek 3 106 miljoen EUR, voor rubriek 4 603 miljoen EUR en voor rubriek 5 263 miljoen EUR,

D.  overwegende dat het gecombineerde effect van de zeer krappe begrotingsmarges en de toekomstige financiële behoeften bestaande beleidsprioriteiten in het gedrang kan brengen, terwijl een aanzienlijke onderbesteding tegelijkertijd de uitvoering van het EU-beleid aantast,

E.  overwegende dat bij de onderbesteding van de begroting 2009 rekening moet worden gehouden met het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2010 en met gewijzigde begroting nr.10/2009,

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2010 dat uitsluitend tot doel heeft het overschot van 2009 in de begroting op te nemen, overeenkomstig artikel 15 van het Financieel Reglement;

2.  benadrukt dat de feitelijke onderbesteding van de begroting 2009 niet beperkt is tot het overschot waarvan sprake in het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2010, maar meer dan 5 000 000 000 EUR bedraagt indien ook rekening wordt gehouden met gewijzigde begroting nr. 10/2009; waarschuwt er bijgevolg voor dat de gewijzigde begrotingen aan het eind van het jaar die het peil van de betalingskredieten verlagen en tegelijkertijd de totale bijdrage van de lidstaten in de financiering van de EU-begroting met hetzelfde bedrag verminderen, een vertekend beeld geven van de uitvoering van de begroting;

3.  keurt het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2010 zonder wijzigingen goed en verzoekt zijn Voorzitter te verklaren dat de gewijzigde begroting nr. 2/2010 definitief is vastgesteld en te zorgen voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(2) PB L 64 van 12.3.2010.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Kwijting 2008: Raad
PDF 249kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling II – Raad(1) (C7-0174/2009 – 2009/2070(DEC))
P7_TA(2010)0219A7-0096/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2008 – Deel I (C7-0174/2009)(3),

–  gezien het jaarverslag van de Raad aan de kwijtingsautoriteit over de in 2008 uitgevoerde interne controles,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2008, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag(5),

–  gelet op artikel 272, lid 10, de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag, alsook artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6), inzonderheid de artikelen 50, 86, 145, 146 en 147 daarvan,

–  gelet op Besluit nr. 190/2003 van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid betreffende de vergoeding van de reiskosten van de afgevaardigden van de leden van de Raad(7),

–  gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (IA)(8),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 november 2009 met de daarvan een integrerend deel uitmakende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling II – Raad(9),

–  gelet op artikel 77 en bijlage VI van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7-0096/2010),

A.  overwegende dat de Raad, bij monde van het Spaanse voorzitterschap heeft ingestemd met een herbeoordeling van het zogenoemde herenakkoord, dat reeds van 1970 dateert,

B.  overwegende dat ’de burgers het recht hebben te weten hoe hun belastinggeld wordt besteed en hoe de bevoegdheden die in handen zijn gegeven van politieke organen, worden gebruikt’(10),

C.  overwegende dat in de conclusies van de Europese Raad van Keulen van 3 en 4 juni 1999 wordt overwogen de Raad operationele capaciteiten te geven op het gebied van een versterkt gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid (GEVDB),

D.  overwegende dat met Besluit 2004/197/GBVB(11) van de Raad van 23 februari 2004 een mechanisme is ingesteld voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van EU-operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied, genaamd ATHENA, en dat dit besluit, samen met Besluit 2004/582/EG van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 28 april 2004 betreffende de voorrechten en immuniteiten die aan ATHENA worden verleend(12), voorrechten en immuniteiten aan ATHENA verleent en operationele bevoegdheid aan de Raad geeft,

E.  overwegende dat in Besluit 2000/178/GBVB van de Raad van 28 februari 2000 tot vaststelling van de regeling die van toepassing is op nationale deskundigen op militair gebied die bij het secretariaat-generaal van de Raad worden gedetacheerd gedurende de interimperiode(13) en in Besluit 2001/80/GBVB van de Raad van 22 januari 2001 houdende instelling van de Militaire Staf van de Europese Unie(14) wordt bepaald dat de uitgaven in verband met de detachering van militaire deskundigen worden aangerekend op de begroting van de Raad,

1.  merkt op dat de Raad in 2008 beschikte over vastleggingskredieten met een totale waarde van 743 miljoen EUR (2007: 650 miljoen EUR), waarvan 93,31% is besteed, een percentage dat aanzienlijk hoger is dan dat van 2007 (81,89%), maar nog steeds lager is dan het gemiddelde van de andere instellingen (95,67%);

2.  herhaalt, gelet op de problemen bij de kwijtingsprocedures in 2007 en 2008, het in zijn besluit van 25 april 2002 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2000 ingenomen standpunt(15) dat ’[...] het Europees Parlement en de Raad in het verleden de uitvoering van elkaars afdelingen van de begroting niet hebben onderzocht; is van oordeel dat, gezien het feit dat uitgaven op het gebied van buitenlandse zaken, veiligheid en defensie en van justitie en binnenlandse zaken, die uit de huishoudelijke begroting van de Raad worden gefinancierd, steeds meer de vorm aannemen van beleidsuitgaven, duidelijkheid moet worden geschapen in deze regeling, teneinde te komen tot een helder onderscheid tussen de traditionele huishoudelijke uitgaven en acties met betrekking tot nieuwe beleidsterreinen’;

3.  is van oordeel dat gezien de toename van de huishoudelijke uitgaven en in het bijzonder gezien het feit dat daar wellicht ook uitgaven van operationele aard bij zijn, de uitgaven van de Raad op dezelfde wijze moeten worden onderzocht als die van de overige Europese instellingen als onderdeel van de in artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde kwijtingsprocedure;

4.  is van oordeel dat dergelijk onderzoek plaatsvindt aan de hand van de volgende schriftelijke documentatie die door alle instellingen wordt ingediend:

alsmede een mondelinge toelichting in de vergadering van de voor de kwijtingsprocedure bevoegde commissie;

   rekeningen over het voorgaande begrotingsjaar met betrekking tot de uitvoering van de begroting,
   een financieel overzicht van de activa en passiva,
   een jaarlijks activiteitenverslag over het budgettair en financieel beheer,
   een jaarverslag van de interne controleur,

5.  verwacht dat in de toekomst alle instellingen met een passende vertegenwoordiging bij het plenaire debat over de kwijting aanwezig zullen zijn;

6.  verwerpt de suggestie van de Raad dat het feit dat het Europees Parlement en de Raad in het verleden de uitvoering van elkaars afdelingen van de begroting niet hebben onderzocht voortvloeide uit een ’herenakkoord’ (resolutie vermeld in de notulen van de bijeenkomst van de Raad van 22 april 1970); is van mening dat het herenakkoord geen bindend document is en dat de uitleg die de Raad daaraan geeft veel te ruim is;

7.  is van mening dat het opstellen van de begroting en de kwijting twee afzonderlijke procedures zijn en dat het ’herenakkoord’ tussen het Parlement en de Raad over de voorbereiding van hun respectieve begrotingsafdelingen de Raad niet mag ontslaan van zijn verplichting volledig verantwoording af te leggen aan het publiek over het gebruik van de gelden die tot zijn beschikking worden gesteld;

8.  meent dat de kwijting 2008 op een cruciaal tijdstip komt, het moment namelijk waarop een formeel akkoord over de kwijtingsprocedure voor de nieuwe Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) duidelijk vorm moet krijgen met het oog op geloofwaardigheid dankzij volledige transparantie, en verzoekt de Commissie vóór het einde van de kwijtingsprocedure 2008 concrete, gedetailleerde en algemene plannen aan het Parlement voor te leggen voor de personeelsformatie en de organisatie- en controlestructuur van de EDEO, met inbegrip van de Militaire Staf van de EU, het Situatiecentrum, het directoraat crisisbeheersing en planning van het SGR, het civiel plannings- en uitvoeringsvermogen, alsmede het personeel van het secretariaat-generaal dat werkt aan het buitenlands en veiligheidsbeleid, waarin de personeelsuitbreiding en -toewijzing en de geplande effecten daarvan op de begroting zichtbaar zijn, en onmiddellijk onderhandelingen te starten met de begrotingsautoriteit op basis van de ingediende voorstellen;

9.  benadrukt dat verlening van kwijting voor dit jaar niet in aanmerking kan worden genomen voor kwijtingverlening voor de komende jaren tenzij de Raad aanzienlijke vooruitgang boekt op de aandachtspunten genoemd in paragraaf 5 van de resolutie van het EP van 25 november 2009;

10.  herhaalt zijn standpunt dat de Raad elk jaar in het Parlement aanwezig dient te zijn bij de presentatie van het jaarverslag van de Rekenkamer en bij het debat over de begrotingskwijting;

11.  vraagt de Raad en het Europees Parlement in hun hoedanigheid van begrotingsautoriteit, om met het oog op een betere uitwisseling van informatie over de respectieve begrotingen, een jaarlijkse procedure in te voeren met betrekking tot de kwijtingsprocedure; volgens die procedure zal het voorzitterschap van de Raad, vergezeld van de secretaris-generaal van de Raad, officieel bijeenkomen met de Commissie begrotingscontrole of een delegatie daarvan, bestaande uit de voorzitter, de coördinatoren en de rapporteur, ten einde alle informatie te verschaffen die nodig is met betrekking tot de uitvoering van de begroting van de Raad; stelt tevens voor dat de voorzitter van de bevoegde commissie de genoemde commissie systematisch en op de juiste manier van die besprekingen op de hoogte houdt;

12.  moedigt het Spaanse voorzitterschap aan een herziening uit te voeren van de informele regeling inzake de kwijting voor de begroting van de Raad en dringt aan op een verbintenis dat deze wordt opgenomen in de herziening van de financiële reglementen en dat dit gebeurt vóór de aanvang van de nieuwe financieringsperiode na 2013; dringt tevens erop aan dat vóór 15 oktober 2010 discussies hierover worden afgerond;

13.  herinnert de Raad aan het standpunt dat het Parlement had uitgedrukt in paragraaf 12 van zijn resolutie van 24 april 2007(16) over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2005: ’verlangt maximale transparantie op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB); verzoekt de Raad te waarborgen dat de begroting van de Raad overeenkomstig punt 42 van het Interinstitutioneel Akkoord [...] geen operationele uitgaven op het gebied van het GBVB bevat; behoudt zich voor de nodige stappen te nemen in geval dit akkoord wordt geschonden’;

14.  erkent dat de Raad het Parlement op verschillende wijzen raadpleegt en op de hoogte houdt over de ontwikkelingen met betrekking tot het GBVB; is echter van oordeel dat het jaarlijkse verslag van de Raad over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB dat overeenkomstig punt 43 van het IA wordt voorgelegd aan het Europees Parlement, zich beperkt tot een beschrijving van in het kader van het GBVB tot stand gekomen gemeenschappelijke standpunten, gemeenschappelijke optredens en uitvoeringsbesluiten en dat meer uitgebreide informatie moet worden verstrekt de komende jaren voor de kwijtingsexercitie;

15.  verzoekt de Raad opnieuw om gedetailleerde informatie over de aard van de uitgaven binnen titel 3 (’Uitgaven die voor de Raad voortvloeien uit de uitvoering van specifieke taken’), om het Parlement in staat te stellen na te gaan of alle uitgaven stroken met het IA en of geen van de uitgaven de vorm aanneemt van beleidsuitgaven;

16.  is bezorgd over het gemis aan transparantie rond de kosten van de activiteiten, met name de dienstreizen, van de bijzondere vertegenwoordigers, en verlangt dat een gedetailleerde opsplitsing van de uitgaven voor bijzondere vertegenwoordigers en hun missiebegroting op internet worden gepubliceerd;

17.  vraagt de Rekenkamer waarom zij in haar jaarverslag over 2008 betreffende de Raad geen melding heeft gemaakt van de onopgeloste problemen die het Parlement in zijn bovengenoemde resolutie van 25 november 2009 had aangestipt;

18.  neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer in pararaaf 11.10 van het jaarverslag 2008 over het feit dat de voortdurende overbudgettering (2005-2008) van het Secured European System for Automatic Messaging (SESAME) in strijd is met artikel 5, lid 3 van het Financieel Reglement; neemt kennis van het antwoord van de Raad en van zijn voornemen om de coördinatie van governancestructuren van belangrijke IT-projecten te verbeteren;

19.  verwelkomt de controles die de interne eenheid financiële controle van de Raad in 2008 heeft verricht (8 financiële audits en één gemengde), alsook het feit dat een aanzienlijk deel van de aanbevelingen van die eenheid zijn aanvaard; wijst er echter op dat de nota die hierover aan de kwijtingsautoriteit is toegestuurd tamelijk algemeen was en verzoekt om meer gedetailleerde informatie over het gevolg dat aan de aanbevelingen van de audits is gegeven;

20.  is ingenomen met het nieuwe geïntegreerde systeem voor beheer en financiële controle (SAP), dat sinds 1 januari 2008 operationeel is en dat besparingen en efficiencyverbetering voor de drie betrokken instellingen (de Raad, de Rekenkamer en het Hof van Justitie) heeft opgeleverd;

21.  is ingenomen met de bereikte resultaten op het gebied van de consolidatie van de organisatie na de EU-uitbreidingen van 2004 en 2007, met name de centralisatie van de vertaaleenheden en de aanwerving van ambtenaren uit de nieuwe lidstaten; is eveneens ingenomen met de invoering van een systeem van flexibele werktijden, dat bijdraagt tot een beter evenwicht tussen werk en privéleven; wijst echter op de lage bezettingsgraad van de posten van het organigram (gemiddeld 90%; 86% in 2007)

22.  merkt op dat de forse verhoging van de vooruitbetalingen voor het Residence Palace-gebouw (70 miljoen EUR in plaats van de geplande 15 miljoen EUR, met als doel de totale aankoopkosten te reduceren) mogelijk was vanwege de onderbesteding van de begroting over de hele lijn genomen (bestedingspercentage van 85,7%), en dringt erop aan dat het bouwbeleid in toekomstige jaarverslagen gedetailleerd wordt uiteengezet, zodat tijdens het kwijtingsproces een gedegen toezicht mogelijk is;

23.  is van mening dat de jaarlijkse begroting voor de vaste voorzitter van de Europese Raad gescheiden moet blijven van de begroting van de Raad, en met ingang van 2012 als een nieuwe begrotingsafdeling moet worden voorgelegd;

24.  is verheugd over de beloften van het Spaanse voorzitterschap om de kwijtingsprocedure te verduidelijken en te zorgen voor de volledige verantwoordingsplicht van de huishoudelijke begroting van de Raad bij het Parlement, en vraagt om een krachtig engagement bij de volgende voorzitterschappen om dit werk in dezelfde geest voort te zetten.

(1) Aangenomen teksten van 19.5.2010, P7_TA(2010)0180.
(2) PB L 71 van 14.3.2008.
(3) PB C 273 van 13.11.2009, blz. 1.
(4) PB C 269 van 10.11.2009, blz. 1.
(5) PB C 273 van 13.11.2009, blz. 122.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) Besluit dat voortvloeit uit het reglement van orde van de Raad van 22 juli 2002 (PB L 230 van 28.8.2002, blz. 7).
(8) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(9) PB L 19 van 23.1.2010, blz. 9.
(10) Europees Transparantie-Initiatief.
(11) PB L 63 van 28.2.2004, blz. 68.
(12) PB L 261 van 6.8.2004, blz. 125.
(13) PB L 57 van 2.3.2000, blz. 1.
(14) PB L 27 van 30.1.2001, blz. 7.
(15) PB L 158 van 17.6.2002, blz. 66.
(16) PB L 187 van 15.7.2008, blz. 21.


Rechten op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures ***I
PDF 193kWORD 64k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over de ontwerprichtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures (00001/2010 – C7-0005/2010 – 2010/0801(COD))
P7_TA(2010)0220A7-0198/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het initiatief van een groep lidstaten (00001/2010),

–  gelet op letter b) van artikel 76 en letter b) van de tweede alinea van artikel 82, lid 2, en artikel 289, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, overeenkomstig hetwelk de Raad het initiatief aan het Parlement heeft voorgelegd (C7-0005/2010),

–  gelet op artikel 294, lid 3, en artikel 15 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het voorstel van de Commissie (COM(2010)0082), dat dezelfde wetgevende doelstelling heeft,

–  gezien de met redenen omklede adviezen die zijn voorzitter door de nationale parlementen zijn toegezonden over de vraag of het initiatief met het subsidiariteitsbeginsel strookt,

–  gelet op de artikelen 44 en 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0198/2010),

1.  keurt onderstaand standpunt in eerste lezing goed;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 juni 2010 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2010/…/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures

P7_TC1-COD(2010)0801


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Richtlijn 2010/64/EU)


Organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen ***I
PDF 209kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2002/15/EG betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (COM(2008)0650 – C6-0354/2008 – 2008/0195(COD))
P7_TA(2010)0221A7-0137/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2008)0650),

–  gelet op artikel 251, lid 2, en de artikelen 71 en 137, lid 2, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0354/2008),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Parlement en de Raad getiteld ’Gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures’ (COM(2009)0665),

–  gelet op artikel 294, lid 3, en de artikelen 91 en 153, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 maart 2009(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0137/2010),

1.  verwerpt het voorstel van de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel in te trekken en met het Parlement de nodige maatregelen te treffen tot indiening van een nieuw voorstel;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en aan de nationale parlementen.

(1) PB C 228 van 22.9.2009, blz. 78.


Voedselinformatie aan de consumenten ***I
PDF 887kWORD 439k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten (COM(2008)0040 – C6-0052/2008 – 2008/0028(COD))
P7_TA(2010)0222A7-0109/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2008)0040),

–  gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0052/2008),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld „Gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures” (COM(2009)0665),

–  gelet op artikel 294, lid 3, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2008(1),

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7-0109/2010),

1.  keurt onderstaand standpunt in eerste lezing goed;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 juni 2010 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 en houdende intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijnen 94/54/EG en 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG, Richtlijnen 2002/67/EG en 2004/77/EG van de Commissie en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie

P7_TC1-COD(2008)0028


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In artikel 169 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt bepaald dat de Unie bijdraagt tot de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming door middel van de maatregelen die zij op grond van artikel 114 neemt.

(2)  Het vrije verkeer van veilig ▌voedsel is een wezenlijk aspect van de interne markt, dat een aanzienlijke bijdrage levert tot de gezondheid en het welzijn van de burgers en hun sociale en economische belangen. Deze verordening dient zowel de belangen van de interne markt, doordat zij zorgt voor vereenvoudiging van de rechtspraak, voor rechtszekerheid en terugdringing van de bureaucratie, als van de burgers doordat zij een heldere, begrijpelijke en leesbare etikettering van levensmiddelen voorschrijft.

(3)  Om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consumenten te bereiken en hun recht op informatie te waarborgen, moet ervoor worden gezorgd dat de consumenten de nodige informatie krijgen over de levensmiddelen die zij consumeren. Koopbeslissingen kunnen onder meer door gezondheids-, economische, milieu-, sociale en ethische overwegingen worden beïnvloed.

(4)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(4) bepaalt dat het een algemeen beginsel van de levensmiddelenwetgeving is dat aan de consumenten een basis wordt geboden om met kennis van zaken keuzes te maken ten aanzien van de levensmiddelen die zij consumeren en dat praktijken worden voorkomen die de consument kunnen misleiden.

(5)  Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt(5) bestrijkt bepaalde aspecten van de verstrekking van informatie aan de consumenten, met name om misleidende acties en omissies van informatie te voorkomen. De algemene beginselen inzake oneerlijke handelspraktijken moeten worden aangevuld met specifieke voorschriften betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten.

(6)  Er worden voor alle levensmiddelen geldende uniale voorschriften inzake voedseletikettering vastgesteld in Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame(6). De meeste bepalingen van die richtlijn dateren uit 1978 en moeten daarom worden bijgewerkt.

(7)  Richtlijn 90/496/EEG van de Raad van 24 september 1990 inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen(7) stelt voorschriften vast inzake de inhoud en de presentatie van voedingswaarde-informatie op voorverpakte levensmiddelen. De vermelding van voedingswaarde-informatie is vrijwillig, tenzij een voedingswaardegerelateerde claim betreffende het levensmiddel wordt gemaakt. De meeste bepalingen van die richtlijn dateren uit 1990 en moeten daarom worden bijgewerkt.

(8)  De algemene etiketteringsvoorschriften worden aangevuld met een aantal bepalingen die van toepassing zijn op alle levensmiddelen in bijzondere omstandigheden of op bepaalde categorieën van levensmiddelen. Bovendien bestaat een aantal specifieke voorschriften die van toepassing zijn op specifieke levensmiddelen.

(9)  Hoewel de oorspronkelijke doelstellingen en de kernelementen van de huidige etiketteringwetgeving nog steeds geldig zijn, is het nodig dat de wetgeving wordt gestroomlijnd om te zorgen voor een gemakkelijkere toepassing en een grotere rechtszekerheid voor de belanghebbenden en om haar te moderniseren teneinde rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de voedselinformatie.

(10)  Er bestaat onder de burgers belangstelling voor het verband tussen voeding en gezondheid en voor de keuze van een aan de individuele behoeften aangepast voedingspakket. In het Witboek van de Commissie van 30 mei 2007 over een EU-strategie voor aan voeding, overgewicht en obesitas gerelateerde gezondheidskwesties staat dat voedingswaarde-etikettering één van de methodes is om de consumenten te informeren over de samenstelling van de levensmiddelen en hen te helpen een goed doordachte keuze te maken. Voorlichtings- en informatie campagnes vormen een belangrijk mechanisme voor het verbeteren van het inzicht van de consument in gegevens over voedsel. In de Uniestrategie voor het consumentenbeleid 2007-2013 is onderstreept dat het voor een doeltreffende concurrentie en de welvaart van de consumenten van essentieel belang is dat de consumenten in staat worden gesteld om goed doordachte keuzes te maken. Kennis van de grondbeginselen van de voeding en een adequate voedingswaarde-informatie op levensmiddelen zou er op significante wijze toe bijdragen dat de consument in staat wordt gesteld een dergelijke goed doordachte keuze te maken. Voorts is het zinnig en juist dat consumenten in de lidstaten om antwoord te krijgen op specifieke vragen over voedsel, gebruik kunnen maken van een neutrale informatiebron. Daarom moeten de lidstaten zorgen voor adequate hotlines. De levensmiddelensector kan eventueel bijdragen aan de financiering hiervan.

(11)  Om de rechtszekerheid te vergroten en te zorgen voor een rationele en consistente handhaving van de voorschriften is het dienstig dat de Richtlijnen 90/496/EEG en 2000/13/EG worden ingetrokken en worden vervangen door een enkele verordening die zorgt voor zekerheid voor zowel de consumenten als het bedrijfsleven en de administratieve lasten vermindert.

(12)  Voor de duidelijkheid is het dienstig dat andere horizontale wetsbesluiten worden ingetrokken en in deze verordening worden opgenomen, namelijk Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie van 15 april 1987 inzake de vermelding van het alcoholvolumegehalte bij etikettering van voor de eindverbruiker bestemde alcoholhoudende dranken(8), Richtlijn 94/54/EG van de Commissie van 18 november 1994 betreffende de vermelding op het etiket van bepaalde levensmiddelen van andere verplichte gegevens dan die waarin Richtlijn 79/112/EEG van de Raad voorziet(9), Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie van 8 maart 1999 houdende afwijkingen van artikel 7 van Richtlijn 79/112/EEG van de Raad inzake de etikettering van levensmiddelen(10), Richtlijn 2002/67/EG van de Commissie van 18 juli 2002 betreffende de etikettering van levensmiddelen die kinine en levensmiddelen die cafeïne bevatten(11), Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie van 31 maart 2004 inzake de etikettering van voedingsmiddelen en voedselingrediënten met toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen en/of fytostanolesters(12) en Richtlijn 2004/77/EG van de Commissie van 29 april 2004 tot wijziging van Richtlijn 94/54/EG wat betreft de etikettering van bepaalde levensmiddelen die glycyrrizinezuur en het ammoniumzout daarvan bevatten(13).

(13)  Het is nodig dat gemeenschappelijke definities, beginselen, voorschriften en procedures worden vastgesteld om een duidelijk kader en een gemeenschappelijke basis voor de uniale en nationale maatregelen inzake voedselinformatie te vormen.

(14)  Voor het volgen van een omvattende en evolutieve aanpak bij de verstrekking van informatie aan de consumenten over de levensmiddelen die zij consumeren, is het nodig dat wordt gezorgd voor een brede definitie van voedingsinformatiewetgeving, die voorschriften van algemene en specifieke aard omvat alsook voor een brede definitie van voedingsinformatie en -voorlichting, die ook informatie omvat die door andere middelen dan het etiket wordt verstrekt.

(15)  De voorschriften van de Unie zouden alleen van toepassing mogen zijn op ondernemingen waarvan de opzet een bepaalde continuïteit van de activiteiten en een bepaalde organisatiegraad impliceert. Activiteiten zoals het occasioneel leveren van levensmiddelen aan derden, het serveren van maaltijden en het verkopen van levensmiddelen door privépersonen, bij voorbeeld tijdens ▌charitatieve activiteiten of buurtfeesten en vergaderingen, alsook de verkoop van levensmiddelen in de diverse vormen van rechtstreekse verkoop vanuit boerenbedrijven vallen niet onder deze verordening. Om met name kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) in de ambachtelijke levensmiddelensector en de detailhandel in levensmiddelen, waartoe eveneens de grootkeukens worden gerekend, niet overmatig te belasten, dienen niet-voorverpakte producten van de etiketteringsplicht te worden vrijgesteld.

(16)  Cateringdiensten die worden geleverd door transportbedrijven, mogen alleen onder deze verordening vallen, als zij worden geleverd op routes tussen twee punten op het grondgebied van de Unie.

(17)  Cateringdiensten die worden verleend door bioscopen – met uitzondering van KMO's – dienen onder deze verordening te vallen wanneer het voedsel op het verkooppunt wordt verpakt in standaardverpakkingen die een vaste hoeveelheid bevatten, zodat de eindhoeveelheid en inhoud van voedsel of dranken vaststaan en meetbaar zijn.

(18)  De wetgeving inzake voedselinformatie moet eveneens gebaseerd zijn op informatie-eisen van de consumenten en ervoor zorgen dat de innovatie in de bedrijfstak levensmiddelen niet wordt verstikt. Doordat exploitanten in de levensmiddelenindustrie vrijwillige aanvullende gegevens kunnen verstrekken wordt aanvullende soepelheid mogelijk.

(19)  Het doel van het voorschrijven van verplichte voedselinformatie is de consumenten in staat te stellen bewuste koopbesluiten te nemen die aansluiten op hun individuele voedingswensen en -behoeften ▌.

(20)  Om het mogelijk te maken dat de voedselinformatiewetgeving wordt aangepast aan de ▌informatiebehoeften van de consumenten en om te voorkomen dat er overbodig verpakkingsafval ontstaat, moet de verplichte etikettering van levensmiddelen beperkt worden tot de vermelding van basisgegevens, die aantoonbaar van groot belang zijn voor de meeste consumenten ▌.

(21)  Nieuwe voorschriften voor verplichte voedselinformatie of nieuwe vormen van presentatie van informatie over levensmiddelen mogen echter alleen als dat nodig is, worden vastgesteld overeenkomstig de beginselen van subsidiariteit, evenredigheid, doorzichtigheid en duurzaamheid.

(22)  In aanvulling op de reeds bestaande regelingen tegen misleidende reclame moeten de voorschriften inzake voedselinformatie de vermelding van bijzonderheden verbieden die de consument misleiden, in het bijzonder informatie met betrekking tot de energetische waarde, de herkomst of de samenstelling van de levensmiddelen. Om doeltreffend te zijn moet dit verbod ook gelden voor de presentatie van levensmiddelen en de reclame die ervoor wordt gemaakt.

(23)  Van een aantal levensmiddelen wordt beweerd dat de consumptie ervan gunstige gevolgen heeft voor de gezondheid. Dit soort beweringen moet zodanig worden geformuleerd dat gewaarborgd is dat de gevolgen van gebruik van deze producten meetbaar of controleerbaar zijn.

(24)  Om een versnippering van de voorschriften betreffende de verantwoordelijkheid van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven ten aanzien van foute, misleidende of ontbrekende voedselinformatie te voorkomen, is het van wezenlijk belang dat de verantwoordelijkheden van de levensmiddelenbedrijven op dit gebied helder worden vastgelegd. Onverminderd artikel 19 van Verordening (EG) nr. 178/2002 reageren de exploitanten van levensmiddelenbedrijven die verantwoordelijk zijn voor detailhandels- en distributieactiviteiten die niet van invloed zijn op de voedselinformatie, onmiddellijk wanneer zij vernemen dat dergelijke informatie niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze verordening.

(25)  Er moet een lijst worden opgesteld van alle verplichte informatie die ▌moet worden verstrekt voor alle levensmiddelen die zijn bestemd voor de eindverbruiker en grootcateraars. Op die lijst moet de informatie blijven staan die reeds krachtens de bestaande wetgeving wordt voorgeschreven, aangezien die over het algemeen wordt beschouwd als een waardevol acquis voor de consumenteninformatie.

(26)  Nieuwe informatie- en communicatietechnologieën kunnen een belangrijke rol spelen bij het overbrengen van aanvullende informatie aan de consument, aangezien de uitwisseling van informatie dankzij deze technologieën snel en goedkoop kan gebeuren. Het is denkbaar dat consumenten aanvullende informatie krijgen via in supermarkten geplaatste terminals. Deze terminals zouden door het lezen van de streepjescode, informatie over het product in kwestie verschaffen. Een andere mogelijkheid bestaat erin dat de consumenten via een specifieke webpagina toegang wordt geboden tot aanvullende informatie.

(27)  Wanneer sommige ingrediënten of andere stoffen bij de vervaardiging van levensmiddelen worden gebruikt en hierin nog aanwezig zijn, dan kunnen zij allergieën of intoleranties veroorzaken en in sommige gevallen zelfs de gezondheid van de betrokkenen in gevaar brengen. Het is dus belangrijk dat informatie over de aanwezigheid van levensmiddelenadditieven, technische hulpstoffen en andere stoffen met een wetenschappelijk bewezen allergene werking of die ziekterisico kunnen doen stijgen wordt verstrekt om met name consumenten die aan een voedselallergie of -intolerantie lijden in staat te stellen doelgericht levensmiddelen uit te kiezen die voor hen veilig zijn. Ook sporen van deze stoffen moeten aangegeven worden, zodat personen met ernstiger allergieën een veilige keuze kunnen maken. Hiervoor moeten gemeenschappelijke regels worden uitgewerkt.

(28)  Voedseletiketten moeten duidelijk en begrijpelijk zijn zodat zij de consumenten kunnen helpen bij het maken van gerichte voedsel- en voedingskeuzes. Uit studies blijkt dat de goede leesbaarheid van het etiket een belangrijk element is om er zoveel mogelijk voor te zorgen dat de op het etiket vermelde informatie de doelgroep beïnvloedt en dat onleesbare productinformatie één van de belangrijkste oorzaken van de ontevredenheid van de consumenten met voedseletiketten is. Bijgevolg moeten elementen zoals lettertype, kleur en contrast samen worden beschouwd.

(29)  Om te zorgen voor de verstrekking van voedselinformatie is het nodig dat ook rekening wordt gehouden met de verkoop van levensmiddelen op afstand. Hoewel het duidelijk is dat via verkoop op afstand geleverde levensmiddelen aan dezelfde informatievoorschriften moeten voldoen als in winkels verkochte levensmiddelen, is het nodig dat wordt verduidelijkt dat in dergelijke gevallen de relevante verplichte voedselinformatie ook beschikbaar moet zijn voordat de aankoop plaatsvindt.

(30)  Om de consumenten te voorzien van de voedselinformatie die zij nodig hebben om een doordachte keuze te maken, moet op alcoholhoudende mengdranken ook informatie worden verstrekt over de ingrediënten die zij bevatten.

(31)  In aansluiting op de resolutie van het Europees Parlement van 5 september 2007 over een EU-strategie ter ondersteuning van de lidstaten bij het beperken van aan alcohol gerelateerde schade(14), het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2008 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten, de werkzaamheden van de Commissie en de algemene bezorgdheid van het publiek over de schadelijke gevolgen van alcohol voor met name jonge en kwetsbare consumenten stelt de Commissie samen met de lidstaten een definitie vast voor dranken zoals speciaal voor jongeren bestemde „alcopops”. Gezien hun alcoholgehalte moeten voor „alcopops” strengere etiketteringseisen gelden en moeten deze in winkels duidelijk van frisdranken worden gescheiden.

(32)  Het is ook belangrijk dat aan de consumenten informatie over de andere alcoholhoudende dranken wordt verstrekt. Er bestaan reeds specifieke communautaire voorschriften betreffende de etikettering van wijn. In Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt(15) wordt een exhaustief stel technische normen vastgesteld die betrekking hebben op alle oenologische procedés, productiemethoden en wijzen van presentatie en etikettering van wijnen, zodat alle fasen in de keten worden bestreken en zodat de consumenten worden beschermd en naar behoren worden geïnformeerd. Deze wetgeving beschrijft met name op precieze en exhaustieve wijze de stoffen die in het productieproces worden gebruikt, tezamen met de voorwaarden voor het gebruik daarvan via een positieve lijst van oenologische procedés en behandelingen; niet in deze lijst opgenomen procedés zijn verboden. Daarom moet wijn in dit stadium worden vrijgesteld van de verplichting om een lijst van ingrediënten te vermelden en een voedingswaardedeclaratie te verstrekken. Wat betreft bier en gedistilleerde drank, als omschreven in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken(16), moeten dezelfde vrijstellingen van toepassing zijn om te zorgen voor een consistente aanpak en de nodige coherentie met de voor wijn vastgestelde voorwaarden. De Commissie zal echter vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een verslag opstellen en kan, zo nodig, in de context van deze verordening specifieke voorschriften voorstellen.

(33)  De vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst van een levensmiddel is verplicht overeenkomstig artikel 9, lid 1, letter k) en wanneer de afwezigheid daarvan de consumenten zou kunnen misleiden wat het werkelijke land of de werkelijke plaats van herkomst van dat product betreft. In andere gevallen ▌moet het land van oorsprong of de plaats van herkomst worden vermeld op een wijze die de consument niet misleidt en op grond van duidelijk omschreven criteria, zodat voor het gehele bedrijfsleven dezelfde voorwaarden gelden en de consumenten de informatie over het land van oorsprong of de plaats van herkomst van een levensmiddel beter begrijpen. Dergelijke criteria gelden echter niet ▌voor de aanduidingen in verband met de naam en het adres van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf.

(34)  Als exploitanten van levensmiddelenbedrijven ▌aangeven dat een levensmiddel afkomstig is uit de Europese Unie om de aandacht van de consumenten te vestigen op de kwaliteiten van hun product en de productienormen van de Europese Unie moeten dergelijke aanduidingen ▌aan geharmoniseerde criteria voldoen. Hetzelfde geldt, indien van toepassing, voor de aanduiding van de lidstaat.

(35)  De niet-preferentiële regels van oorsprong van de Unie zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(17) en de uitvoeringsbepalingen in Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993(18). De bepaling van het land van oorsprong moet zijn gebaseerd op die voorschriften, die bij de handelaren en de overheidsinstanties goed bekend zijn en de toepassing zullen vergemakkelijken.

(36)  De voedingswaardedeclaratie op een levensmiddel betreft informatie over de aanwezigheid van energie en bepaalde nutriënten en ingrediënten in levensmiddelen. De verplichte verstrekking van voedingswaarde-informatie op de voor- en achterzijde van de verpakking moet gesteund worden door maatregelen van de lidstaten, zoals een actieplan voeding als onderdeel van het nationale volksgezondheidsbeleid, waar specifieke aanbevelingen uit kunnen worden afgeleid op het gebied van de voedingseducatie van het grote publiek, en dat het maken van doordachte voedselkeuzes zal bevorderen.

(37)  In het bovenvermeld Witboek van de Commissie van 30 mei 2007 wordt bijzondere aandacht besteed aan bepaalde voedingselementen die van belang zijn voor de volksgezondheid. Daarom is het dienstig dat de voorschriften inzake de verplichte verstrekking van voedingswaarde-informatie stroken met de aanbevelingen van het Witboek.

(38)  Over het algemeen zijn de consumenten zich niet bewust van de potentiële bijdrage van alcohol­houdende dranken aan hun totale voeding. Daarom zou het nuttig zijn als de producenten de informatie over het energiegehalte van ▌alcoholhoudende dranken verstrekten.

(39)  Voor de rechtszekerheid en de samenhang van de unitaire wetgeving moet de vrijwillige vermelding van voedings- en gezondheidsclaims op voedseletiketten geschieden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen(19).

(40)  Om onnodige lasten voor de levensmiddelenproducenten en de handel te vermijden is het dienstig dat bepaalde categorieën van levensmiddelen die niet verwerkt zijn of waarvoor de voedingswaarde-informatie geen beslissende factor voor de aankoopbeslissing van de consument is, dan wel waarvan de buitenste verpakking of het etiket te klein is om er alle verplichte informatie op aan te brengen, worden vrijgesteld van een verplichte voedingswaardedeclaratie, tenzij de verplichting om dergelijke informatie te verstrekken wordt voorgeschreven door andere unitaire wetgeving.

(41)  Om de gemiddelde consument aan te spreken en het informatieve doel te dienen waarvoor zij wordt ingevoerd en gezien het huidige niveau van de kennis over voeding moet de verstrekte informatie voor de gemiddelde consument gemakkelijk te begrijpen zijn. Het lijkt zinvol de informatie in een en hetzelfde gezichtsveld weer te geven, zodat gewaarborgd is dat de consumenten de essentiële voedingswaarde-informatie meteen zien wanneer zij levensmiddelen kopen ▌.

(42)  Recente ontwikkelingen op het gebied van de uitdrukking van de voedingswaardedeclaratie, anders dan per 100g/100ml/portie, door sommige lidstaten en organisaties in de levensmiddelensector suggereren dat dergelijke regelingen de consumenten bevallen, aangezien zij hen kunnen helpen bij het snel maken van snelle keuzes. Er zijn echter geen wetenschappelijke gegevens voor de gehele Unie beschikbaar over de wijze waarop de gemiddelde consument de alternatieve uitdrukking van de informatie begrijpt en gebruikt. Om producten in verpakkingen van verschillende grootte gemakkelijker te kunnen vergelijken, is het dan ook zinnig de verplichte vermelding van de voedingswaarde per 100 g/100 ml te behouden, en indien nodig aanvullende vermeldingen per portie toe te staan. Als het levensmiddel als afzonderlijke portie is voorverpakt, moet ook de voedingswaarde per portie verplicht worden vermeld. Om te voorkomen dat misleidende gegevens worden verstrekt over de omvang van de portie, moeten door middel van een raadplegingsprocedure voor de hele Unie geldende normen voor de omvang van porties worden vastgesteld.

(43)  De declaratie in het hoofdgezichtsveld van de hoeveelheden voedingselementen en vergelijkende indicatoren in een gemakkelijk erkenbare vorm om een beoordeling van de voedingseigenschappen van een levensmiddel mogelijk te maken, moet in haar geheel als een deel van de voedingswaardedeclaratie worden beschouwd en mag niet worden behandeld als een groep van afzonderlijke claims.

(44)  Uit de ervaring blijkt dat vrijwillige voedselinformatie in veel gevallen wordt verstrekt ten koste van de duidelijkheid van de verplichte informatie. Daarom moeten criteria worden vastgesteld om de exploitanten van levensmiddelenbedrijven en de handhavingsautoriteiten te helpen bij het vinden van een goed evenwicht tussen de verstrekking van verplichte en vrijwillige voedselinformatie.

(45)  Ook bij niet-voorverpakte levensmiddelen en het aanbod van grote cateringbedrijven is informatie over mogelijke allergenen zeer belangrijk voor personen met een allergie. Daarom moet dergelijke informatie altijd voor de consument beschikbaar zijn.

(46)  De lidstaten mogen geen andere bepalingen goedkeuren dan die welke door deze verordening worden vastgesteld op het gebied dat zij harmoniseert, tenzij specifiek anders aangegeven in deze verordening. Aangezien nationale etiketteringseisen aanleiding kunnen geven tot belemmeringen voor het vrije verkeer in de interne markt, is het bovendien wenselijk dat de lidstaten aantonen waarom dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn en kenbaar maken wat zij zullen ondernemen om ervoor te zorgen dat de genomen maatregelen de handel zo weinig mogelijk hinderen.

(47)  De voorschriften inzake voedselinformatie moeten kunnen worden aangepast aan de snel veranderende sociale, economische en technologische omgeving.

(48)  Ten aanzien van bepaalde aspecten van voedselinformatie die aanleiding geven tot de ontwikkeling van innovatieve en moderne handelspraktijken, is het nodig dat voldoende experimenten en consumentenonderzoeken worden toegestaan en dat solide bewijsmateriaal over de beste systemen wordt verstrekt. Daarom moet de uniaal voedselinformatiewetgeving zich in dergelijke gevallen beperken tot de vaststelling van de essentiële voorschriften voor de bepaling van het niveau van de bescherming van de consument en flexibiliteit bieden voor de naleving van deze voorschriften, op een wijze die compatibel is met de bepalingen inzake de interne markt.

(49)  Om ervoor te zorgen dat meer gedetailleerde voorschriften inzake voedselinformatie op dialectische wijze worden opgesteld en vastgesteld en op beste praktijken zijn gestoeld, moeten op uniaal en nationaal niveau flexibele mechanismen worden opgezet die zijn gebaseerd op een openbare en transparante raadpleging en een duurzame wisselwerking tussen een groot aantal representatieve belanghebbenden. Dergelijke mechanismen kunnen leiden tot de ontwikkeling van nationale niet-bindende regelingen op grond van solide consumentenonderzoek en een brede raadpleging van belanghebbenden. Er moeten mechanismen worden opgezet die de consumenten in staat stellen de overeenkomstig een nationale regeling geëtiketteerde levensmiddelen te identificeren, bijvoorbeeld aan de hand van een identificatienummer of een symbool.

(50)  Om ervoor te zorgen dat de in de lidstaten behaalde resultaten een consistent niveau vertonen, is het nodig dat de constante uitwisseling van beste praktijken en ervaring tussen de lidstaten en met de Commissie wordt bevorderd en de deelname van de belanghebbenden aan dergelijke uitwisselingen wordt gestimuleerd.

(51)  De lidstaten moeten officiële controles uitvoeren om deze verordening te handhaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn(20).

(52)  De verwijzingen naar Richtlijn 90/496/EEG in Verordening (EG) nr. 1924/2006 en in Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen(21) moeten worden bijgewerkt om met deze verordening rekening te houden. De Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(53)  Om de belanghebbende partijen, vooral KMO's, in staat te stellen om voedingswaarde-informatie op hun producten aan te brengen, moet de toepassing van de maatregelen om de vermelding van voedingswaarde-informatie verplicht te stellen via uitgebreide overgangsperioden geleidelijk worden ingevoerd, waarbij voor microbedrijven nog in een bijkomende overgangsperiode moet worden voorzien.

(54)  Natuurlijk kunnen ook producten van de ambachtelijke levensmiddelensector en verse producten van de kleinhandel in voeding die rechtstreeks op de plaats van verkoop worden geproduceerd, stoffen bevatten die bij gevoelige personen allergische of intolerantiereacties veroorzaken. Aangezien met name niet-voorverpakte producten evenwel in rechtstreeks contact met de klant worden verkocht, moet de desbetreffende informatie bijvoorbeeld worden verstrekt via het verkoopsgesprek of via een duidelijk zichtbaar bord in de verkoopszone dan wel via informatiemateriaal dat is uitgestald.

(55)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter op uniaal niveau kunnen worden gerealiseerd, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(56)  De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen.

(57)  Om uniforme uitvoeringsvoorwaarden te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend om technische richtsnoeren vast te stellen voor de interpretatie van de lijst van ingrediënten die allergieën of intoleranties veroorzaken, om te bepalen hoe de datum van minimale houdbaarheid moet worden vermeld en om een standpunt in te nemen met betrekking tot de nationale bepalingen van een lidstaat. Overeenkomstig artikel 291 VWEU worden volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordening vooraf de algemene voorschriften en beginselen vastgelegd die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren. In afwachting van de vaststelling van die verordening en gezien de noodzaak om deze verordening zo spoedig mogelijk vast te stellen, moet de controle door de lidstaten worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(22), met uitzondering van de regelgevingsprocedure met toetsing, die niet van toepassing is, voor zover deze bepalingen compatibel blijven met de gewijzigde Verdragen. De verwijzingen naar deze bepalingen moeten evenwel worden vervangen door verwijzingen naar de in de nieuwe verordening vastgestelde voorschriften en beginselen, zodra deze verordening in werking treedt,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Deze verordening stelt de algemene beginselen, voorschriften en verantwoordelijkheden in verband met voedselinformatie, en met name voedseletikettering, vast. Zij stelt de middelen voor de waarborging van het recht van de consumenten op informatie en de procedures voor de verstrekking van voedselinformatie vast, rekening houdend met de noodzaak om voldoende flexibiliteit te bieden om te kunnen reageren op toekomstige ontwikkelingen en nieuwe informatievereisten.

2.  Deze verordening is van toepassing op alle stadia van de voedselketen waar het gaat om de verstrekking van voedselinformatie aan de eindverbruiker.

Zij is van toepassing op alle voorverpakte levensmiddelen die voor afgifte aan de eindverbruiker bestemd zijn, alsmede voor levensmiddelen die voor levering aan grootcateraars bestemd zijn.

Zij is niet van toepassing op levensmiddelen die rechtstreeks op de plaats van verkoop vóór de aflevering aan de eindverbuiker worden verpakt.

Cateringdiensten die worden geleverd door transportbedrijven, mogen alleen onder deze verordening vallen, als zij worden geleverd op routes tussen twee punten op het grondgebied van de Unie.

3.  Deze verordening is uitsluitend van toepassing op levensmiddelen die worden bereid in het kader van een commerciële activiteit, waarbij het begrip „commerciële activiteit” een bepaalde continuïteit van de activiteiten en een bepaalde organisatie impliceert. Activiteiten zoals het occasioneel behandelen, serveren en verkopen van levensmiddelen door privépersonen tijdens evenementen zoals charitatieve activiteiten, buurtfeesten en vergaderingen, vallen niet onder deze verordening.

4.  Levensmiddelen die afkomstig zijn uit derde landen mogen pas in de Unie worden verdeeld als zij voldoen aan de vereisten van deze verordening.

5.  Deze verordening is van toepassing onverminderd de etiketteringsvoorschriften die zijn vastgesteld in specifieke wetgeving van de Unie voor bijzondere levensmiddelen. Uiterlijk op ...(23) publiceert de Commissie een lijst van alle etiketteringsvoorschriften die in specifieke Unitaire wetgeving voor bijzondere levensmiddelen zijn vastgesteld en biedt zij inzage in deze lijst via internet.

Uiterlijk …(24)* dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de mate waarin die specifieke etiketteringseisen voldoen aan de onderhavige verordening. Zo nodig voegt de Commissie een desbetreffend voorstel bij dat verslag om deze verordening te wijzigen.

Artikel 2

Definities

1.  Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

   a) de definities van „levensmiddel”, „levensmiddelenwetgeving”, „levensmiddelenbedrijf”, „exploitant van een levensmiddelenbedrijf”, „detailhandel”, „in de handel brengen” en „eindverbruiker” in artikel 2 en in artikel 3, punten 1), 2), 3), 7), 8) en 18), van Verordening (EG) nr. 178/2002;
   b) de definitie van „verwerking”, „onverwerkte producten” en „verwerkte producten” in artikel 2, lid 1), onder m), n) en o), van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne(25);
   c) de definities van „levensmiddelenadditieven” en „technische hulpmiddelen” in artikel 1, lid 2, en in artikel 1, lid 3, onder a) van Richtlijn 89/107/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt(26);
   d) de definitie van „aroma” in artikel 1, lid 2, onder a), van Richtlijn 88/388/EEG van de Raad van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's(27);
   e) de definities van „vlees” en „separatorvlees” in de punten 1.1 en 1.14 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong(28);
   f) de definities van „claim”, „nutriënt”, „andere stof”, „voedingsclaim” en „gezondheidsclaim” in artikel 2, lid 2, punten 1) tot en met 5), van Verordening (EG) nr. 1924/2006.

2.  De volgende definities zijn ook van toepassing:

   a) „voedselinformatie”: informatie over een levensmiddel, die ter beschikking van de eindverbruiker wordt gesteld door middel van een etiket, ander begeleidend materiaal of andere middelen, waaronder moderne technieken of mondelinge communicatie. Zij bestrijkt geen commerciële communicatie als omschreven in Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt(29);
   b) „grootcateraars”: bedrijven of instellingen (inclusief automaten, voertuigen en vaste of mobiele kramen), zoals restaurants, kantines, scholen, ziekenhuizen en cateringbedrijven waar in het kader van de normale bedrijfsactiviteit voedsel ▌wordt bereid dat ▌voor directe consumptie door de eindverbruiker is bestemd;
   c) „voorverpakt levensmiddel”: een verkoopeenheid die bestemd is om als zodanig aan de eindverbruiker en grootcateraars te worden aangeboden en bestaat uit een levensmiddel in het verpakkingsmateriaal, ▌waarbij dit verpakkingsmateriaal het levensmiddel geheel of ten dele kan bedekken, maar zodanig dat de inhoud niet kan worden veranderd zonder dat het verpakkingsmateriaal wordt geopend of aangetast;
   d) 'niet-voorverpakte levensmiddelen„: levensmiddelen die zonder verpakking aan de eindverbruiker te koop worden aangeboden en eventueel pas op het moment van de verkoop aan de eindverbruiker worden verpakt, en levensmiddelen en verse producten die op de plaats van verkoop tevoren worden verpakt met het oog op onmiddellijke verkoop;
   e) „ambachtelijk geproduceerd levensmiddel”: een levensmiddel dat in een bedrijf is geproduceerd welk volgens het nationale handelsrecht in een nationaal register is opgenomen als ambachtsbedrijf, en dat rechtstreeks ten behoeve van de consument is geproduceerd;
   f) „ingrediënt”: elke stof, waaronder levensmiddelenadditieven en voedingsenzymen, en elk ingrediënt van een samengesteld ingrediënt, die/dat bij de vervaardiging of de bereiding van een levensmiddel wordt gebruikt en ▌in het eindproduct aanwezig is, zelfs in een veranderde vorm;
   g) „plaats van herkomst”: de plaats, het land of de streek waar de producten of ingrediënten van agrarische oorsprong geheel en al worden verkregen, overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2913/92;
   h) „samengesteld ingrediënt”: een ingrediënt dat zelf het product van meer dan één ingrediënt is;
   i) „etiket”: elk(e) label, merknaam, merkteken of afbeelding of ander beschrijvend materiaal, geschreven, gedrukt, gestencild, als merkteken aangebracht, in reliëf uitgevoerd of ingeperst op of bevestigd aan een levensmiddelrecipiënt;
   j) „etikettering”: de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieks- of handelsmerken, afbeeldingen of tekens die betrekking hebben op een levensmiddel en voorkomen op een verpakkingsmiddel, document, schriftstuk, etiket, band of label, dat bij dit levensmiddel is gevoegd of daarop betrekking heeft;
   k) „gezichtsveld”: alle oppervlakken van een verpakking die uit één gezichtspunt kunnen worden gelezen, waarbij een snelle en gemakkelijke toegang tot de etiketteringsinformatie wordt geboden ▌;
   l) „leesbaarheid”: schrift, druk, reliëfdruk, markering, gravure, stempeling, enz. die de consument met een normaal gezichtsvermogen in staat stellen de inhoud van etiketteringen op levensmiddelen, zonder optische hulpmiddelen waar te nemen; de leesbaarheid hangt af van de grootte van het schrift, het soort schrift, de dikte van streepjes of stippeltjes van het schrift, de afstand tussen de woorden, letters en regels, de verhouding tussen de letterbreedte en -hoogte alsmede het contrast tussen het schrift en de achtergrond.
   m) „gebruikelijke benaming”: een benaming die zonder dat verdere uitleg nodig is, als de benaming van het levensmiddel wordt begrepen door de consumenten in de lidstaat waar het wordt verkocht;
   n) „beschrijvende benaming”: een benaming die een beschrijving van het levensmiddel en, zo nodig, van het gebruik daarvan geeft en die duidelijk genoeg is om de consumenten in staat te stellen de echte aard daarvan te kennen en het te onderscheiden van andere producten waarmee het zou kunnen worden verward;
   o) 'uit één enkel ingrediënt bestaand product„: een levensmiddel dat, met uitzondering van zout, suiker, specerijen, water, additieven, aroma's of enzymen, slechts één ingrediënt bevat;
   p) „essentiële voorschriften”: de voorschriften die het niveau van de consumentenbescherming en de voedselinformatie ten aanzien van een gegeven kwestie bepalen en die zijn vastgelegd in een unitair wetsbesluit ▌;
   q) „datum van minimale houdbaarheid”: de datum tot waarop het levensmiddel zijn specifieke eigenschappen behoudt, mits het ▌wordt bewaard zoals aangegeven dan wel op een speciale, op de verpakking aangegeven manier;
   r) „uiterste consumptiedatum”: de datum waarvoor een levensmiddel moet worden geconsumeerd; na deze datum mag het levensmiddel niet meer aan consumenten worden verstrekt of verwerkt;
   s) 'productiedatum„: datum waarop producten zijn geproduceerd en eventueel verpakt en diepgevroren;
   t) „beste praktijken”: normen, regelingen, initiatieven en andere door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde activiteiten, waarvan uit ervaring en onderzoek is gebleken dat zij voor de meeste consumenten het meest doeltreffend zijn en die als een model voor anderen worden beschouwd;
   u) 'surrogaatlevensmiddel„: levensmiddel dat op een ander levensmiddel lijkt en waarbij een ingrediënt dat normaal wordt gebruikt, geheel of gedeeltelijk wordt gemengd met of vervangen door een ander ingrediënt.

3.  Voor de toepassing van deze verordening verwijst het land van oorsprong van een levensmiddel naar de oorsprong van een levensmiddel als bepaald overeenkomstig de artikelen 23 tot en met 26 van Verordening (EEG) nr. 2913/92.

4.  De specifieke definities in bijlage I zijn ook van toepassing.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE BEGINSELEN INZAKE VOEDSELINFORMATIE

Artikel 3

Algemene doelstellingen

1.  Bij de verstrekking van voedselinformatie wordt gestreefd naar een hoog niveau van bescherming van de gezondheid, transparantie en vergelijkbaarheid van producten in het belang van de consument, zodat een basis wordt verschaft voor het maken van goed doordachte keuzes en het veilig gebruik van levensmiddelen ▌.

2.  Voedseletiketteringen moeten voor de gemiddelde consument gemakkelijk op te merken, leesbaar en begrijpelijk zijn.

3.  De voedselinformatiewetgeving beoogt de verwezenlijking in de Unie van het vrije verkeer van legaal geproduceerde en in de handel gebrachte levensmiddelen ▌.

4.  Wanneer de voedselinformatiewetgeving nieuwe voorschriften vaststelt, wordt, tenzij deze voorschriften betrekking hebben op de bescherming van de volksgezondheid, een overgangsperiode toegestaan na de inwerkingtreding van de nieuwe voorschriften, waarin levensmiddelen met etiketten die niet aan de nieuwe voorschriften voldoen, toch in de handel mogen worden gebracht, en levensmiddelen die vóór het einde van de overgangsperiode in de handel zijn gebracht, verkocht mogen blijven worden totdat zij zijn uitgeput. In de nieuwe regels betreffende levenmiddelenetikettering wordt een uniforme toepassingsdatum opgenomen, die door de Commissie in overleg met de lidstaten en de belanghebbenden wordt vastgesteld.

Artikel 4

Beginselen van de verplichte voedselinformatie

1.  Wanneer de wet voedselinformatie voorschrijft, betreft dit informatie die, met name, onder een van de volgende categorieën valt:

   a) informatie over de identiteit en samenstelling, hoeveelheden, eigenschappen of andere kenmerken van het levensmiddel;
  b) informatie over de bescherming van de gezondheid van de consumenten en het veilig gebruik van een levensmiddel. Dit betreft met name informatie over:

   i) samenstellingsattributen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van bepaalde groepen consumenten;
   ii) houdbaarheid, bewaring, eventueel eisen ten aanzien van de houdbaarheid na het openen, en veilig gebruik;
   c) informatie over de voedingskenmerken om de consumenten, onder wie personen met speciale voedingsbehoeften, in staat te stellen goed doordachte keuzes te maken.

2.  Bij het overwegen van de noodzaak van verplichte voedselinformatie wordt rekening gehouden met de mogelijke kosten en voordelen voor belanghebbenden (o.m. consumenten, producenten en anderen) van het verstrekken van bepaalde informatie ▌.

Artikel 5

Raadpleging van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid

Maatregelen uit hoofde van de voedselinformatiewetgeving die gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid, worden na raadpleging van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (hierna „de Autoriteit”) vastgesteld.

HOOFDSTUK III

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN INZAKE VOEDSELINFORMATIE EN VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE EXPLOITANTEN VAN LEVENSMIDDELENBEDRIJVEN

Artikel 6

Basisvoorschrift

Voor levensmiddelen die bestemd zijn voor levering aan de eindverbruiker of aan grootcateraars wordt voedselinformatie overeenkomstig deze verordening verstrekt.

Artikel 7

Eerlijke informatiepraktijken

1.  Voedselinformatie mag niet misleidend zijn, met name:

   a) doordat de beschrijving en/of afbeelding van het levensmiddel de consument zou kunnen misleiden met betrekking tot de aard, identiteit, eigenschappen, samenstelling, afzonderlijke ingrediënten en de hoeveelheid, die daarvan in het product aanwezig is, houdbaarheid, land van oorsprong of plaats van herkomst en wijze van vervaardiging of verkrijging;
   b) door via het etiket of afbeeldingen op de verpakking te suggereren dat sprake is van een bepaald product of ingrediënt, terwijl in feite sprake is van een surrogaatlevensmiddel of een vervanging van een ingrediënt dat als regel voor een product wordt gebruikt. In dergelijke gevallen moet op de verpakking duidelijk „surrogaat” of „geproduceerd met gebruikmaking van (vermelding van het vervangende ingrediënt) in plaats van (vermelding van het vervangen ingrediënt)” worden vermeld;
   c) door bij vleesproducten te suggereren dat het om een natuurlijk gegroeid stuk vlees gaat, terwijl het product uit stukjes vlees is samengesteld. In dergelijke gevallen moet het product op de zichtbare kant van de verpakking worden voorzien van de vermelding „gebonden vlees, samengesteld uit stukjes vlees”;
   d) door aan het levensmiddel effecten of eigenschappen toe te schrijven die het niet bezit;
   e) door te suggereren dat het levensmiddel bijzondere kenmerken vertoont, hoewel alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde kenmerken bezitten, dan wel door nadrukkelijk te wijzen op het ontbreken van bepaalde ingrediënten en/of voedingsstoffen, die in het desbetreffende soort levensmiddel logischerwijze niet aanwezig zijn;
   f) door expliciet reclame te maken met een duidelijke vermindering van het suiker- en/of vetgehalte, wanneer niet tevens het energiegehalte (kilojoule, resp. kilocalorieën) dienovereenkomstig is gereduceerd;
   g) door het woord „dieet” te vermelden als het voedingsmiddel niet voldoet aan de communautaire voorschriften inzake levensmiddelen die voor een bijzondere voedingswijze bestemd zijn;
   h) voor melk: door melk als „vers” aan te duiden terwijl de uiterste houdbaarheidsdatum meer dan zeven dagen na de vuldatum ligt.

2.  Voedselinformatie moet nauwkeurig, duidelijk en begrijpelijk voor de consument zijn.

3.  Behoudens de afwijkingen waarin wordt voorzien in de unitaire wetgeving betreffende natuurlijk mineraalwater en voor een bijzondere voeding bestemde levensmiddelen, mag de voedselinformatie aan levensmiddelen geen eigenschappen toeschrijven inzake het voorkomen, behandelen of genezen van een menselijke ziekte, noch toespelingen maken op dergelijke eigenschappen.

4.  De leden 1 en 3 gelden ook voor:

   a) reclame;
   b) de wijze van aanbieding van de levensmiddelen en met name de vorm of het uiterlijk van de levensmiddelen of de verpakking, het gebruikte verpakkingsmateriaal, de wijze waarop zij worden gepresenteerd, alsmede de omgeving waarin zij worden uitgestald.

Artikel 8

Verantwoordelijkheden

1.  De voor de voedselinformatie verantwoordelijke persoon garandeert de aanwezigheid en juistheid van de informatie.

2.  De voor voedselinformatie verantwoordelijke persoon is de exploitant van het levensmiddelenbedrijf dat als eerste een levensmiddel op de EU-markt brengt, of, indien van toepassing, de exploitant van het levensmiddelenbedrijf onder wiens naam of bedrijfsnaam het levensmiddel wordt verhandeld.

3.  Voor zover de activiteit van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven op de voedselinformatie binnen het onder hun toezicht vallende bedrijf betrekking heeft, zorgen zij ervoor dat de verstrekte informatie aan de voorschriften van deze verordening voldoet.

4.  De exploitanten van levensmiddelenbedrijven die verantwoordelijk zijn voor de detailhandels- en distributieactiviteiten die niet van invloed zijn op de voedselinformatie, treden met de nodige zorgvuldigheid op om er binnen de grenzen van hun respectieve activiteiten toe bij te dragen dat de voedselinformatievoorschriften worden nageleefd, met name door geen levensmiddelen te leveren waarvan zij op grond van de informatie waarover zij beschikken en als professionals weten of veronderstellen dat zij niet aan deze voorschriften voldoen.

5.  De exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgen er in het onder hun controle staande bedrijf voor dat de informatie over niet-voorverpakte levensmiddelen beschikbaar wordt gemaakt voor de exploitant die het levensmiddel doorverkoopt of verwerkt, zodat deze, indien hem dat wordt gevraagd, in staat is om de in artikel 9, lid 1, onder a) tot en met c), ▌f), en h) vermelde verplichte voedselinformatie aan de eindverbruiker te verstrekken.

6.  In de volgende gevallen zorgen de exploitanten van levensmiddelenbedrijven er in het onder hun controle staande bedrijf voor dat de in artikel 9 voorgeschreven verplichte vermeldingen worden aangebracht op de buitenste verpakking waarin het levensmiddel in de handel wordt aangeboden, of op de op die levensmiddelen betrekking hebbende handelsdocumenten als kan worden gegarandeerd dat deze documenten de levensmiddelen waarop zij betrekking hebben vergezellen, dan wel tegelijkertijd met of vóór de levering worden verzonden:

   a) wanneer de voorverpakte levensmiddelen bestemd zijn voor de eindverbruiker, maar worden verhandeld in een stadium vóór de verkoop aan de eindverbruiker en wanneer dit stadium niet de verkoop aan een grootcateraar is;
   b) wanneer de voorverpakte levensmiddelen bestemd zijn om aan grootcateraars te worden geleverd om daar te worden toebereid, verwerkt, verdeeld of versneden.

Niettegenstaande de eerste alinea zorgen exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor dat de in artikel 9, lid 1, onder a), e), f), h) en j), bedoelde vermeldingen ook voorkomen op de buitenste verpakking waarin het levensmiddel in de handel wordt aangeboden.

HOOFDSTUK IV

VERPLICHTE VOEDSELINFORMATIE

AFDELING 1

INHOUD EN PRESENTATIE

Artikel 9

Lijst van verplichte vermeldingen

1.  Overeenkomstig de artikelen 11 tot en met 33 en behoudens de in dit hoofdstuk vervatte uitzonderingen zijn de volgende vermeldingen verplicht:

   a) de benaming waaronder het product wordt verkocht;
   b) de lijst van ingrediënten;
   c) in bijlage II opgenomen ingrediënten die allergieën of intoleranties veroorzaken en daarvan afgeleide stoffen, met inachtneming van specifieke bepalingen betreffende niet-voorverpakte levensmiddelen;
   d) de hoeveelheid van bepaalde ingrediënten of categorieën ingrediënten overeenkomstig bijlage VII;
   e) de nettohoeveelheid van het levensmiddel op het moment van verpakking;
   f) de datum van minimale houdbaarheid of, in het geval van levensmiddelen die uit microbiologisch oogpunt bederfelijk zijn, de uiterste consumptiedatum;
   g) bij diepvriesproducten de productiedatum;
   h) bijzondere bewaarvoorschriften en/of gebruiksvoorwaarden, o.m. informatie over de wijze van invriezing en opslag en de houdbaarheid voor en na het openen van de verpakking, als het levensmiddel zonder deze informatie niet naar behoren kan worden gebruikt;
   i) een gebruiksaanwijzing, als het levensmiddel zonder gebruiksaanwijzing niet behoorlijk kan worden gebruikt;
   j) de naam of handelsnaam of een geregistreerd handelsmerk en het adres van de in de Unie gevestigde fabrikant of de verpakker, en voor uit derde landen afkomstige producten de verkoper/de importeur of eventueel de exploitant van een levensmiddelenbedrijf onder wiens naam of handelsnaam het levensmiddel op de markt wordt gebracht.
  k) het land ▌of de plaats van herkomst voor de volgende producten:
   vlees,
   vlees van gevogelte,
   zuivelproducten,
   verse groenten en vers fruit,
   andere uit één enkel ingrediënt bestaande producten, en
   vlees en vlees van gevogelte wanneer het als ingrediënt in verwerkte levensmiddelen wordt gebruikt.

Voor vlees en vlees van gevogelte mag als land of plaats van herkomst slechts dan een enkele plaats worden vermeld als de dieren in hetzelfde land of op dezelfde plaats zijn geboren, gehouden en geslacht. In andere gevallen wordt informatie verstrekt over de verschillende plaatsen waar de dieren zijn geboren, gehouden en geslacht.

Indien het om bepaalde redenen niet praktisch is het land van herkomst op het etiket te vermelden, kan in plaats daarvan onderstaande opmerking worden gemaakt: „van niet-gespecificeerde herkomst”.

Voor alle andere levensmiddelen, het land ▌of de plaats van herkomst indien het weglaten daarvan de consument zou kunnen misleiden aangaande het werkelijke land of de werkelijke plaats van herkomst van het levensmiddel, met name als de bij het levensmiddel gevoegde informatie of het etiket in zijn geheel anders zou impliceren dat het levensmiddel een verschillend land of een verschillende plaats van herkomst heeft; in dergelijke gevallen geschiedt de aanduiding door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden.

   l) voor dranken met een alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2%: het effectieve alcoholvolumegehalte;
   m) een voedingswaardedeclaratie.

2.  De in lid 1 bedoelde vermeldingen worden aangegeven in woord en getal▌.

Artikel 10

Vrijstellingen voor micro-ondernemingen

Ambachtelijk door micro-ondernemingen vervaardigde producten zijn vrijgesteld van de eisen zoals vermeld in artikel 9, lid 1, onder m). Er is voorts vrijstelling mogelijk van de verplichte vermeldingen als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a) tot en met l), indien de producten op de plaats van vervaardiging worden verkocht, mits het verkooppersoneel de informatie op verzoek kan verstrekken. Anderzijds is het mogelijk deze informatie via etiketten op de schappen te verstrekken.

Artikel 11

Bijkomende verplichte vermeldingen voor specifieke types of categorieën levensmiddelen

1.  Naast de vermeldingen in artikel 9, lid 1, worden in bijlage III bijkomende verplichte vermeldingen voor specifieke types of categorieën levensmiddelen vastgesteld.

2.  De Commissie kan bijlage III wijzigen door middel van gedelegeerde handelingen, overeenkomstig artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden.

Artikel 12

Maten en gewichten

Artikel 9 laat onverlet dat er specifiekere uniale maatregelen betreffende maten en gewichten genomen worden. De bepalingen van Richtlijn 2007/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van regels betreffende nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten(30) moeten in acht worden genomen.

Artikel 13

Beschikbaarheid van de verplichte voedselinformatie en plaats waar zij wordt aangebracht

1.  Verplichte voedselinformatie is overeenkomstig deze verordening voor alle levensmiddelen beschikbaar en gemakkelijk toegankelijk.

2.  Bij voorverpakte levensmiddelen wordt de verplichte voedselinformatie aangebracht op de verpakking ▌.

Artikel 14

Presentatie van de verplichte vermeldingen

1.  Wanneer zij op de verpakking of op het daaraan bevestigde etiket worden aangebracht, worden de in artikel 9, lid 1 bedoelde verplichte vermeldingen zodanig op de verpakking of op het etiket afgedrukt dat ze duidelijk leesbaar zijn, onverminderd de specifieke wetgeving van de Unie die van toepassing is op bijzondere levensmiddelen, wat de in artikel 9, lid 1, onder a) tot en met l) bedoelde vereisten betreft. Er moet rekening worden gehouden met normen zoals lettergrootte, lettersoort, contrast tussen gedrukte tekst en achtergrond en letter- en regelafstand.

In het kader van een raadplegingsprocedure stelt de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden met de betrokken belanghebbenden, waaronder consumentenorganisaties, een bindend concept op waarin de richtsnoeren worden gespecificeerd voor de leesbaarheid van voedselinformatie voor de consument.

2.  Wanneer producten bedoeld zijn als bijzondere voeding zoals bepaald in Richtlijn 1999/21/EG van de Commissie van 25 maart 1999 betreffende dieetvoeding voor medisch gebruik(31) ten behoeve van zuigelingen en kleuters, die vallen onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2006/141/EG van de Commissie van 22 december 2006 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding(32)en Richtlijn 2006/125/EG van de Commissie van 5 december 2006 inzake bewerkte voedingsmiddelen op basis van en babyvoeding voor zuigelingen en peuters(33), waarvoor verplichte etiketteringseisen gelden overeenkomstig de unitaire wetgeving in aanvulling op de bijzonderheden waarnaar wordt verwezen in artikel 9, lid 1, van deze verordening moet de lettergrootte zodanig zijn dat zij voldoet aan de eis dat informatie voor de consument leesbaar moet zijn en dat in verband met het specifieke gebruik van het levensmiddel aanvullende informatie moet worden verstrekt.

3.  De in artikel 9, lid 1, onder a), e) en l), bedoelde vermeldingen staan in hetzelfde gezichtsveld.

4.  Lid 3 is niet van toepassing op de in artikel 17, leden 1 en 2, bedoelde levensmiddelen. In lidstaten met meer dan een officiële taal kunnen voor dergelijke verpakkingen of recipiënten bijzondere nationale voorschriften worden ingevoerd.

5.  Afkortingen, waaronder initialen, mogen niet worden gebruikt als zij de consument kunnen misleiden.

6.  Verplichte voedselinformatie wordt op een duidelijk zichtbare plaats en in duidelijk leesbare en, zo nodig, onuitwisbare letters aangebracht. Andere aanduidingen, afbeeldingen of ander materiaal, dan wel de levensmiddelenverpakking zelf, bij voorbeeld een geplakte vouw, mogen de verplichte informatie in geen geval verbergen, minder zichtbaar maken ▌of onderbreken.

7.  De vermelding van de verplichte bijzonderheden mag niet leiden tot een vergroting van de maat en/of het volume van het verpakkingsmateriaal of de voedselrecipiënt en mag evenmin op een andere wijze aanleiding tot een grotere belasting van het milieu geven.

Artikel 15

Verkoop op afstand

Onverminderd de in artikel 9 vastgestelde informatievoorschriften geldt voor levensmiddelen die ten verkoop worden aangeboden door middel van communicatie op afstand, als omschreven in artikel 2 van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten(34), dat:

   a) de ▌voedselinformatie als bedoeld in de artikelen 9 en 29 op verzoek van de consument beschikbaar is voordat de aankoop plaatsvindt en ▌op het materiaal ter ondersteuning van de verkoop op afstand kan voorkomen of via andere passende middelen wordt verstrekt;
   b) de in artikel 9, lid 1, onder f)en i), bedoelde informatie pas bij de aflevering verplicht is.

Artikel 16

Taalvoorschriften

1.  Onverminderd artikel 9, lid 2, wordt de verplichte voedselinformatie aangebracht in een gemakkelijk te begrijpen taal voor de consumenten van de lidstaten waar een levensmiddel in de handel wordt gebracht.

2.  De lidstaten waar een levensmiddel in de handel wordt gebracht, kunnen eisen dat op hun grondgebied voor de vermeldingen op de etikettering gebruik wordt gemaakt van één of meer talen die tot de officiële talen van de Unie behoren.

3.  Levensmiddelen die in belastingvrije winkels worden verkocht, kunnen in de handel worden gebracht met uitsluitend Engelse vermeldingen.

4.  De leden 1 en 2 vormen geen beletsel voor het aanbrengen van vermeldingen in meer dan één taal.

Artikel 17

Vrijstelling vande eis bepaaldebijzonderheden verplicht te vermelden

1.  Bij glazen flessen die bestemd zijn om opnieuw te worden gebruikt, die op onuitwisbare wijze zijn gemerkt en waarop bijgevolg geen etiket, band of label is aangebracht, zijn alleen de vermeldingen bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), c), e) en f) ▌, verplicht.

2.  Bij verpakkingen of recipiënten waarvan het grootste bedrukbare oppervlak minder dan 80 cm2 bedraagt, zijn alleen de vermeldingen als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), c), e) en f) en artikel 29, lid 1, onder a), op de verpakking of op het etiket verplicht. De vermelding van verdere bijzonderheden op de verpakking op vrijwillige basis is mogelijk. De in artikel 9, lid 1, onder b), bedoelde vermeldingen worden met behulp van andere middelen verstrekt of zijn op verzoek van de consument beschikbaar.

3.  Onverminderd andere uniale wetgeving waarbij een verplichte voedingswaardedeclaratie wordt voorgeschreven, is de in artikel 9, lid 1, onder l), bedoelde voedingswaardedeclaratie niet verplicht voor de in bijlage IV vermelde levensmiddelen.

Bij niet-voorverpakte producten, met inbegrip van producten van cateringaanbieders zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b), zijn de in de artikelen 9 en 29 beschreven vermeldingen niet verplicht.

AFDELING 2

GEDETAILLEERDE BEPALINGEN INZAKE VERPLICHTE VERMELDINGEN

Artikel 18

Benaming van het levensmiddel

1.  De benaming van het levensmiddel is de benaming waarin de desbetreffende wetgeving voorziet. Bij ontstentenis van een dergelijke benaming is de benaming van het levensmiddel zijn gebruikelijke benaming of, als er geen gebruikelijke benaming bestaat of de gebruikelijke benaming niet wordt gebruikt, wordt een beschrijvende benaming van het levensmiddel gegeven.

2.  In bijlage V worden specifieke bepalingen vastgesteld inzake het gebruik van de benaming van het levensmiddel en de vermeldingen die tezamen met de benaming worden aangebracht.

Artikel 19

Lijst van ingrediënten

1.  De lijst van ingrediënten wordt voorzien van of voorafgegaan door een passende hoofding die bestaat uit het woord „ingrediënten” of dat woord omvat. Deze lijst bestaat uit de opsomming van alle ingrediënten van het levensmiddel in dalende volgorde van gewicht waarin zij bij de bereiding van het levensmiddel worden gebruikt.

2.  Indien een product nanomateriaal bevat, moet dit in de lijst met bestanddelen ondubbelzinnig worden vermeld met de toevoeging „nano”.

3.  De ingrediënten worden aangeduid met hun specifieke benaming, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 18 en bijlage V.

4.  De technische voorschriften voor de toepassing van de leden 1 en 3 worden vastgesteld in bijlage VI.

Artikel 20

Algemene uitzonderingen op eisen ten aanzien van de lijst van ingrediënten

Voor de volgende levensmiddelen hoeft geen lijst van ingrediënten te worden verstrekt:

   a) verse groenten en fruit, inclusief aardappelen, die niet zijn geschild of gesneden of soortgelijke bewerkingen hebben ondergaan;
   b) koolzuurhoudend water waarvan de hoedanigheid blijkt uit de benaming;
   c) gistingsazijn indien deze uitsluitend afkomstig is van één basisproduct en mits er geen ander ingrediënt aan is toegevoegd;
   d) kaas, boter, gezuurde melk en gezuurde room waaraan geen andere ingrediënten zijn toegevoegd dan melkbestanddelen, enzymen en culturen van micro-organismen die noodzakelijk zijn voor de vervaardiging, of zout dat noodzakelijk is voor de bereiding van andere kaas dan verse kaas of smeltkaas;
   e) alcoholhoudende dranken. De Commissie stelt ...(35) een verslag over de toepassing van dit lid op deze producten op en kan dit verslag vergezeld laten gaan van een voorstel voor specifieke maatregelen tot vaststelling van de voorschriften voor de verstrekking van voedingswaarde-informatie met betrekking tot deze producten aan de consument. Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld door middel van gedelegeerde handelingen, in overeenstemming met artikel 42 en met inachtneming van de in de de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden;
  f) uit één ingrediënt bestaande levensmiddelen waarbij:
   i) de benaming van het levensmiddel identiek is aan de benaming van het ingrediënt; of
   ii) de benaming van het levensmiddel de duidelijke identificatie van de aard van het ingrediënt mogelijk maakt.

Artikel 21

Als ingrediënten van een levensmiddel gelden niet ▌:

   a) bestanddelen van een ingrediënt die er tijdens de bereiding tijdelijk aan worden onttrokken en er vervolgens weer in worden verwerkt in een hoeveelheid die het aanvankelijke gehalte niet overschrijdt;
  b) levensmiddelenadditieven en enzymen:
   i) waarvan de aanwezigheid in een levensmiddel uitsluitend te wijten is aan het feit dat zij verwerkt waren in één of meer ingrediënten van dat levensmiddel, mits zij in het eindproduct geen technologische functie meer vervullen; of
   ii) die worden gebruikt als technologische hulpstoffen;
   c) stoffen die in strikt noodzakelijke doses als oplosmiddelen of dragers van voedingsstoffen, levensmiddelenadditieven, enzymen of aroma's worden gebruikt;
   d) stoffen die geen levensmiddelenadditieven zijn, maar die op dezelfde wijze en voor hetzelfde doel als technologische hulpstoffen worden gebruikt en, zelfs in gewijzigde vorm, nog in het eindproduct aanwezig zijn;
  e) water:
   i) indien het water tijdens de bereiding alleen wordt gebruikt om een ingrediënt dat in geconcentreerde of gedehydrateerde vorm is gebruikt, weer in zijn oorspronkelijke staat te brengen; of
   ii) in geval van een opgietvloeistof die gewoonlijk niet wordt geconsumeerd.

Artikel 22

Etikettering van bepaalde stoffen die allergieën of intoleranties veroorzaken

1.  In bijlage II opgenomen ingrediënten en stoffen die afkomstig zijn van een in die bijlage opgenomen ingrediënt, worden, behoudens de in die bijlage vastgestelde uitzonderingen daarop, altijd in de lijst van ingrediënten vermeld op een dusdanige wijze dat het allergisch potentieel of de mogelijkheid van intolerantie onmiddellijk duidelijk herkenbaar is.

Die vermelding is niet vereist wanneer:

   a) de benaming van het levensmiddel duidelijk verwijst naar het desbetreffende ingrediënt;
   b) het in bijlage II vermelde ingrediënt waarvan een stof afkomstig is, reeds in de lijst van ingrediënten is opgenomen; of
  c) het niet-voorverpakte levensmiddelen betreft. In dat geval moet er in de verkoopruimte of op de menukaart duidelijk zichtbaar worden aangegeven dat:
   de klanten in een verkoopgesprek of door middel van klaarliggend informatiemateriaal informatie over allergene stoffen kunnen krijgen;
   kruisbesmetting niet kan worden uitgesloten.

2.  De lijst in bijlage II wordt door de Commissie systematisch geëvalueerd en, zo nodig, bijgewerkt op basis van de meest recente wetenschappelijke en technische kennis door middel van gedelegeerde handelingen, in overeenstemming met artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden.

3.  Zo nodig worden voor de interpretatie van de lijst in bijlage II technische richtsnoeren opgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

Artikel 23

Kwantitatieve opgave van de ingrediënten

1.  De opgave van de hoeveelheid van een bij de vervaardiging of de bereiding van een levensmiddel gebruikt ingrediënt of gebruikte categorie ingrediënten is vereist wanneer:

   a) wanneer het desbetreffende ingrediënt of de desbetreffende categorie ingrediënten voorkomt in de benaming waaronder het levensmiddel wordt verkocht of door de consument gewoonlijk met die benaming wordt geassocieerd, of
   b) het desbetreffende ingrediënt of de desbetreffende categorie ingrediënten opvallend in woord of beeld of als grafische voorstelling op de etikettering is aangegeven; of
   c) het desbetreffende ingrediënt of de desbetreffende categorie ingrediënten van wezenlijk belang is om een levensmiddel te karakteriseren en het te onderscheiden van de producten waarmee het wegens zijn benaming of aanblik zou kunnen worden verward.

2.  De technische voorschriften voor de toepassing van lid 1, inclusief specifieke gevallen waarin een kwantitatieve opgave voor bepaalde ingrediënten niet vereist is, worden vastgesteld in bijlage VII.

Artikel 24

Nettohoeveelheid

1.  De nettohoeveelheid van een levensmiddel wordt, onder gebruikmaking van liter, centiliter, milliliter, kilogram of gram, naargelang het geval, uitgedrukt in:

   a) vloeistofeenheden bij vloeistoffen zoals bedoeld in Richtlijn 85/339/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende verpakkingen voor vloeibare levensmiddelen(36);
   b) massa-eenheden bij andere producten.

2.  De Commissie kan door middel van gedelegeerde handelingen, in overeenstemming met artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden vaststellen dat de nettohoeveelheid van bepaalde nader gespecificeerde levensmiddelen anders wordt uitgedrukt dan op de in lid 1 beschreven wijze. ▌

3.  De technische voorschriften voor de toepassing van lid 1, inclusief specifieke gevallen waarin de opgave van de nettohoeveelheid niet vereist is, worden vastgesteld in bijlage VIII.

Artikel 25

Datum van minimale houdbaarheid, uiterste consumptiedatumen productiedatum

1.  Bij levensmiddelen die uit microbiologisch oogpunt zeer bederfelijk zijn en derhalve na korte tijd een onmiddellijk gevaar voor de menselijke gezondheid kunnen opleveren, wordt de datum van minimale houdbaarheid vervangen door de uiterste consumptiedatum.

2.  De passende datum moet gemakkelijk te vinden en niet verborgen zijn. Hij wordt als volgt uitgedrukt:

  a) datum van minimale houdbaarheid:
  i) de datum wordt voorafgegaan door de woorden:
   'ten minste houdbaar tot …' wanneer in de datumaanduiding de dag is vermeld;
   'ten minste houdbaar tot einde …' in de andere gevallen; of
  ii) de in punt i) bedoelde vermeldingen gaan vergezeld van:
   de datum zelf; of
   een verwijzing naar de plaats op de etikettering waar de datum is aangegeven.

Zo nodig wordt hierna vermeld welke bewaarvoorschriften moeten worden nageleefd om het product gedurende de gespecificeerde periode goed te houden;

   iii) de datum wordt ongecodeerd aangegeven door vermelding van achtereenvolgens de dag, de maand en het jaar.

Wanneer het evenwel gaat om levensmiddelen:

   met een houdbaarheid van minder dan drie maanden: vermelding van de dag en de maand;
   met een houdbaarheid van meer dan drie maanden, maar ten hoogste achttien maanden; vermelding van de dag en de maand;
   met een houdbaarheid van meer dan 18 maanden worden volstaan met de vermelding van het jaar.

Gedetailleerde regels voor de vermelding van de datum van minimale houdbaarheid onder punt iii) kunnen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 41, lid 2 bedoelde regelgevingsprocedure.

   iv) de datum van minimale houdbaarheid wordt op elke afzonderlijke voorverpakte portie vermeld;
  v) behoudens de Unitaire bepalingen waarbij andere datumaanduidingen worden voorgeschreven, is de vermelding van de datum van minimale houdbaarheid niet vereist voor:
   verse groenten en fruit, inclusief aardappelen, die niet zijn geschild of gesneden of soortgelijke bewerkingen hebben ondergaan; deze afwijking geldt niet voor gekiemde zaden en soortgelijke producten zoals scheuten van peulvruchten;
   wijn, likeurwijn, mousserende wijn, gearomatiseerde wijn en soortgelijke uit andere vruchten dan druiven verkregen producten, alsmede uit druiven of druivenmost vervaardigde dranken van de GN-codes 2206 00 91, 2206 00 93 en 2206 00 99;
   dranken met een alcoholgehalte van 10 of meer volumeprocent;
   alcoholvrije frisdranken, vruchtensappen, vruchtennectars en alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent in aparte recipiënten van meer dan 5 liter, bestemd voor levering aan grootcateraars;
   broodbakkerij- of banketbakkerijproducten die naar hun aard bestemd zijn om binnen 24 uur na de bereiding te worden geconsumeerd;
   azijn;
   keukenzout;
   suikers in vaste vorm;
   suikergoedproducten bijna uitsluitend bestaande uit gearomatiseerde en/of gekleurde suiker(s);
   kauwgom en soortgelijke producten om te kauwen;
  b) uiterste consumptiedatum
   i) de datum wordt voorafgegaan door de woorden „te gebruiken tot ...”;
  ii) de vermelding in punt i) gaat vergezeld van:
   hetzij de datum zelf;
   een verwijzing naar de plaats op de etikettering waar de datum is aangegeven.

Die gegevens worden gevolgd door een beschrijving van de bewaarvoorschriften.

   iii) de datum wordt ongecodeerd aangegeven door vermelding van achtereenvolgens de dag, de maand en eventueel het jaar.
  c) productiedatum

   i) de datum wordt voorafgegaan door de woorden „vervaardigd op”;
  ii) de in punt i) bedoelde vermeldingen gaan vergezeld van:
   de datum zelf; of
   een verwijzing naar de plaats op de etikettering waar de datum is aangegeven.
   iii) de datum wordt ongecodeerd aangegeven door vermelding van achtereenvolgens de dag, de maand en eventueel het jaar.

Artikel 26

Gebruiksaanwijzing

1.  De gebruiksaanwijzing voor het gebruik van een levensmiddel moet zodanig zijn aangeduid dat het levensmiddel op de juiste wijze kan worden gebruikt. Waar nodig worden instructies vermeld voor de koelings- en bewaaromstandigheden en over de houdbaarheid na opening van de verpakking.

2.  De Commissie kan door middel van gedelegeerde handelingen, in overeenstemming met artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden voorschriften vaststellen met betrekking tot de wijze waarop de gebruiksaanwijzing voor bepaalde levensmiddelen moet worden aangeduid. ▌

Artikel 27

Alcoholgehalte

1.  Voor de producten die onder de posten 22.04 en 22.05 van het gemeenschappelijk douanetarief vallen, worden de voorschriften betreffende de vermelding van het alcoholvolumegehalte vastgesteld in de specifieke uniale bepalingen die op deze producten van toepassing zijn.

2.  Het effectieve alcoholvolumegehalte van andere dranken dan die bedoeld in lid 1 met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent wordt vermeld overeenkomstig bijlage IX.

AFDELING 3

VERMELDING VAN DE VOEDINGSWAARDE

Artikel 28

Relatie met andere wetgeving

1.  De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op levensmiddelen die onder de werkingssfeer van de volgende wetgeving vallen:

   a) Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen(37);
   b) Richtlijn 80/777/EEG van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater(38).

2.  De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing onverminderd Richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen(39) en de bijzondere richtlijnen als bedoeld in artikel 4, lid 1, van die richtlijn.

Artikel 29

Inhoud

1.  De voedingswaardedeclaratie omvat het volgende (hierna „verplichte voedingswaardedeclaratie” genoemd):

   a) de energetische waarde;
   b) de hoeveelheden vetten, verzadigde vetzuren, ▌suikers en zout;
   c) de hoeveelheden eiwitten, koolhydraten, vezels, en natuurlijke en kunstmatige transvetten.

Dit lid is niet van toepassing op alcoholhoudende dranken. De Commissie stelt ...(40) een verslag over de toepassing van dit lid op deze producten op en kan dit verslag vergezeld laten gaan van een voorstel voor specifieke maatregelen tot vaststelling van de voorschriften voor de verstrekking van voedingswaarde-informatie met betrekking tot deze producten aan de consument, vastgesteld middels gedelegeerde handelingen, overeenkomstig artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden.

2.  De voedingswaardedeclaratie mag aanvullend ook de hoeveelheden van een of meer van de volgende nutriënten omvatten:

▌a) enkelvoudig onverzadigde vetzuren;

   b) meervoudig onverzadigde vetzuren;
   c) polyolen;
   d) cholesterol;
   e) zetmeel;
   f) de in punt 1 van deel A van bijlage X genoemde mineralen en vitaminen die in significante hoeveelheden, als vastgesteld overeenkomstig de waarden in punt 2 van deel A van bijlage X, aanwezig zijn;
   g) andere stoffen, als omschreven in deel A van bijlage XII en de constituenten van die nutriënten;
   h) andere stoffen in de zin van Verordening (EG) nr. 1925/2006.

3.  De declaratie van de hoeveelheid stoffen die behoren tot of bestanddelen zijn van een van de in lid 2 bedoelde categorieën nutriënten is vereist wanneer een voedings- en/of gezondheidsclaim wordt gemaakt.

Artikel 30

Berekening

1.  De hoeveelheid energie wordt berekend met de omrekeningsfactoren in bijlage XI.

2.  De Commissie stelt door middel van gedelegeerde handelingen, in overeenstemming met artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden omrekeningsfactoren vast voor de in punt 1 van deel A van bijlage X vermelde vitaminen en mineralen en neemt deze op in bijlage XI om hun gehalte in levensmiddelen nauwkeuriger te kunnen berekenen. ▌

3.  De in artikel 29, leden 1 en 2, bedoelde hoeveelheden energie en nutriënten moeten betrekking hebben op het levensmiddel zoals dit ten verkoop wordt aangeboden.

Zo nodig kan de informatie betrekking hebben op het levensmiddel na bereiding, indien een voldoende gedetailleerde bereidingswijze is aangegeven en de informatie op het voor consumptie gerede levensmiddel betrekking heeft.

4.  De gedeclareerde waarden zijn, naargelang het geval, gemiddelde waarden aan het eind van de datum van minimale houdbaarheid, rekening houdend met geëigende toleranties, en zijn gebaseerd op:

   a) de analyse van het levensmiddel door de fabrikant; of
   b) een berekening op basis van de bekende of effectieve gemiddelde waarde van de verwerkte ingrediënten; of
   c) een berekening aan de hand van algemeen vaststaande en aanvaarde gegevens.

De uitvoeringsvoorschriften voor de declaratie van de energie en de nutriënten wat betreft de nauwkeurigheid van de gedeclareerde waarden, zoals de verschillen tussen de gedeclareerde waarden en die welke bij officiële controles worden geconstateerd, worden na advies van de Autoriteit vastgesteld door middel van gedelegeerde handelingen, overeenkomstig artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden.

Artikel 31

Uitdrukkingsvormen

1.  De hoeveelheid energie en nutriënten of bestanddelen daarvan, als bedoeld in artikel 29, leden 1 en 2, worden uitgedrukt onder gebruikmaking van de in ▌bijlage XII opgenomen meeteenheden.

2.  De „verplichte voedingswaardedeclaratie op de voorzijde van de verpakking” omvat de hoeveelheid energie in kcal als bedoeld in artikel 29, lid 1, onder a), en de verplicht te vermelden nutriënten in artikel 29, lid 1, onder b), uitgedrukt in gram.

De declaratie wordt in een duidelijk formaat in de volgende volgorde gepresenteerd: energie, vetten, verzadigde vetzuren, suikers en zout.

3.  De „verplichte voedingswaardedeclaratie op de achterzijde van de verpakking” omvat de hoeveelheid energie in kcal en alle verplicht te vermelden nutriënten als bedoeld in artikel 29, lid 1, en, zo mogelijk, de in artikel 29, lid 2, bedoelde nutriënten waarvan de vermelding facultatief is.

De declaratie wordt zo mogelijk uitgedrukt in de in deel C van bijlage XII vastgestelde volgorde van presentatie, zowel per 100 g/ml als per portie.

De declaratie wordt gepresenteerd in tabelvorm met de cijfers onder elkaar.

4.  De verplichte voedingswaardedeclaratie wordt, naargelang het geval, uitgedrukt als percentage van de in deel B van bijlage X vastgestelde referentie-innames per 100 g, per 100 ml of per portie. Ook de eventuele declaratie van de vitaminen en mineralen wordt uitgedrukt als percentage van de in punt 1 van deel A van bijlage X vastgestelde referentie-innames.

5.  Wanneer informatie in de zin van lid 4 wordt vermeld, wordt in de onmiddellijke omgeving van de betrokken tabel de volgende vermelding toegevoegd: „Gemiddelde dagelijkse behoefte van een volwassen vrouw van middelbare leeftijd. Deze waarde kan verschillen van haar persoonlijke dagelijkse behoefte”.

6.  De declaratie van polyolen en/of zetmeel en de declaratie van andere types vetzuren dan de verplicht te declareren verzadigde vetzuren en transvetzuren, als bedoeld in artikel 29, lid 1, onder b), wordt gepresenteerd overeenkomstig bijlage XII.

Artikel 32

Bijkomende uitdrukkingsvormen

Naast de in artikel 31, leden 2 tot en met 4, bedoelde uitdrukkingvormen kunnen voor de voedingswaardedeclaratie aanvullend, dus bij wijze van herhaling, en in voorkomend geval op een andere plaats van de verpakking, andere uitdrukkingvormen worden gebruikt, bijvoorbeeld een geografische voorstelling of een symbool, mits aan de volgende essentiële voorschriften wordt voldaan:

   a) dergelijke uitdrukkingsvormen mogen de consument niet misleiden of van de verplichte voedingswaardedeclaratie afleiden;
   b) ze zijn gebaseerd op ▌referentie-innames overeenkomstig bijlage X, deel B of ▌op valide wetenschappelijke kennis met betrekking tot de inname van energie of nutriënten;
   c) zij worden ondersteund door wetenschappelijke gegevens waaruit blijkt dat de gepresenteerde informatie door de gemiddelde consument wordt begrepen en gebruikt; en
   d) zij worden ondersteund door de resultaten van onafhankelijk consumentenonderzoek waaruit blijkt dat de gemiddelde consument de uitdrukkingsvorm begrijpt.

Artikel 33

Presentatie

  ▌
1. De in artikel 29, lid 1, onder a), en in bijlage X, deel B, voorgeschreven declaratie van de energie-inhoud wordt in aanvulling op de presentatie van de voedingswaardedeclaratie overeenkomstig de artikelen 29 en 31, rechtsonder op de voorkant van de verpakking in een lettergrootte van 3 mm en voorzien van een kader aangebracht.

2.  Geschenkverpakkingen zijn uitgesloten van de verplichting om de energie-inhoud op de meest prominente kant van de verpakking overeenkomstig lid 1 te herhalen.

3.  De vrijwillig uitgebreide voedingswaardedeclaratie in verband met de in artikel 29, lid 2, bedoelde nutriënten wordt ▌, zo mogelijk, in de in bijlage XII vastgestelde volgorde van presentatie aangebracht. Mutatis mutandis is lid 1 van toepassing.

4.  Als de voedingswaardedeclaratie voor de in bijlage IV opgesomde levensmiddelen verplicht is omdat een voedings- of gezondheidsclaim wordt gedaan, hoeft de voedingswaardedeclaratie niet in het hoofdgezichtsveld te worden aangebracht.

5.  Lid 1 is niet van toepassing op de in Richtlijn 89/398/EEG en de bijzondere richtlijnen, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van die richtlijn vastgelegde producten.

6.  Indien de hoeveelheid energie of nutriënt(en) in een product verwaarloosbar is, kan de voedingswaardedeclaratie voor deze elementen worden vervangen door een vermelding zoals „Bevat verwaarloosbare hoeveelheden …” in de onmiddellijke nabijheid van de voedingswaardedeclaratie, indien aanwezig.

7.  De Commissie kan voorschriften vaststellen voor voedingswaardedeclaratie door middel van gedelegeerde handelingen, in overeenstemming met artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden.

8.   ...(41)legt de Commissie een evaluatieverslag over de in de leden 1 tot en met 7 geschetste presentatievorm voor.

HOOFDSTUK V

VRIJWILLIGE VOEDSELINFORMATIE

Artikel 34

▌Voorschriften

1.  De vermelding van de vrijwillige informatie mag niet ten koste gaan van de ruimte die voor de verplichte informatie beschikbaar is.

2.  Alle voor de vrijwillige etikettering van levensmiddelen essentiële informatie, bijvoorbeeld de onderliggende criteria en wetenschappelijke studies, moeten toegankelijk zijn voor het publiek.

3.  Bijkomende vrijwillige voedingswaarde-informatie voor specifieke doelgroepen, bijvoorbeeld kinderen, blijft toegestaan, mits deze specifieke referentiewaarden wetenschappelijk zijn bewezen, de consument niet misleiden en in overeenstemming zijn met de in deze verordening geregelde algemene voorwaarden.

4.  Onverminderd de etikettering overeenkomstig specifieke uniale wetgeving is lid 5 van toepassing wanneer het land van oorsprong of de plaats van herkomst van een levensmiddel vrijwillig wordt vermeld om de consumenten erover te informeren dat een levensmiddel van oorsprong is uit of afkomstig is van de Unie of een gegeven land of plaats.

5.  Voor vlees, met uitzondering van rund- en kalfsvlees, mag als land van oorsprong of plaats van herkomst alleen een enkele plaats worden vermeld als de dieren in hetzelfde land of op dezelfde plaats zijn geboren, gehouden en geslacht. In de andere gevallen wordt informatie verstrekt over de verschillende plaatsen waar de dieren zijn geboren, gehouden en geslacht.

6.  Het begrip „vegetarisch” wordt niet gebruikt voor levensmiddelen die van of met behulp van producten worden vervaardigd, die uit dieren zijn gewonnen die gestorven of geslacht zijn, of uit dieren die als gevolg van hun consumptie zijn gestorven. Het begrip „veganistisch” wordt niet gebruikt voor levensmiddelen die van of met behulp van dieren of dierlijke producten(waaronder producten van levende dieren) zijn vervaardigd.


HOOFDSTUK VI

NATIONALE BEPALINGEN

Artikel 35

Beginsel

De lidstaten mogen slechts bepalingen op het gebied van de voedselinformatie vaststellen als daartoe in deze verordening wordt voorzien.

Artikel 36

Nationale bepalingen inzake bijkomende verplichte vermeldingen

Naast de verplichte vermeldingen, als bedoeld in artikel 9, lid 1, en artikel 11, mogen de lidstaten overeenkomstig de in artikel 39 vastgestelde procedure bijkomende verplichte vermeldingen voorschrijven voor specifieke types of categorieën levensmiddelen, die zijn gerechtvaardigd op grond van:

   a) de bescherming van de volksgezondheid;
   b) de bescherming van de consumenten;
   c) de preventie van fraude;
   d) de bescherming van industriële en commerciële eigendomsrechten en aanduidingen van regionale herkomst en oorsprong, en de preventie van oneerlijke concurrentie.

Door deze maatregelen mag het vrije verkeer van goederen op de interne markt niet worden belemmerd.

Artikel 37

Melk en melkproducten

Voor melk- en melkproducten die zijn verpakt in glazen flessen die bestemd zijn om opnieuw te worden gebruikt, mogen de lidstaten maatregelen vaststellen die afwijken van het bepaalde in artikel 9, lid 1, en artikel 11, lid 2.

Zij delen de Commissie de tekst van die maatregelen onverwijld mede.

Artikel 38

▌Niet-voorverpakte levensmiddelen

1.  Voor de in niet-voorverpakte levensmiddelen moeten de in artikel 9, lid 1, onder c), voorgeschreven vermeldingen zijn aangebracht.

2.  Andere, in de artikelen 9 en 11 genoemde vermeldingen zijn niet verplicht.

3.  De lidstaten mogen gedetailleerde voorschriften vaststellen over de wijze waarop de leden 1 en 2 bedoelde informatie beschikbaar wordt gesteld.

4.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de in de leden 1 en 3 bedoelde maatregelen onverwijld mede.

Artikel 39

Kennisgevingsprocedure

1.  Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, stelt de lidstaat die het nodig acht dat nieuwe wetgeving inzake voedselinformatie wordt vastgesteld, de Commissie en de andere lidstaten vooraf van de beoogde maatregelen in kennis en geeft hij de redenen aan die deze maatregelen rechtvaardigen.

2.  De Commissie raadpleegt het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, dat is ingesteld bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002, als zij deze raadpleging nuttig acht of als een lidstaat daarom verzoekt. De Commissie voert overeenkomstig Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften(42)eveneens een officiële kennisgevingsprocedure in voor alle belanghebbenden.

3.  De betrokken lidstaat kan de beoogde maatregelen pas drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving nemen, mits hij geen negatief advies van de Commissie heeft ontvangen.

4.  Als het advies van de Commissie negatief is, leidt zij vóór het verstrijken van die termijn van drie maanden de in artikel 41, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure in om vast te stellen of de beoogde maatregelen kunnen worden uitgevoerd. De Commissie kan eisen dat in de beoogde maatregelen bepaalde wijzigingen worden aangebracht. De betrokken lidstaat mag de beoogde maatregelen pas nemen nadat de Commissie haar definitieve besluit heeft vastgesteld.

HOOFDSTUK VII

UITVOERINGS-, WIJZIGINGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 40

Technische aanpassingen

Behoudens de bepalingen in verband met de wijziging van de bijlagen II en III, als bedoeld in artikel 11, lid 2, en artikel 22, lid 2, kan de Commissie de bijlagen wijzigen. Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld door middel van gedelegeerde handelingen, in overeenstemming met artikel 42 en met inachtneming van de in de artikelen 43 en 44 vermelde voorwaarden.

Artikel 41

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Artikel 42

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om de in de artikelen 9, lid 1, onder k), 11, lid 2, 14, lid 1, 20, onder e), 22, lid 2, 24, lid 2, 26, lid 2, 29, lid 1, 30, leden 2 en 4, 33, lid 7, en 40 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf ...(43) . De Commissie stelt ten laatste zes maanden voor het einde van de periode van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt automatisch telkens met dezelfde periode verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad de bevoegdheid intrekt overeenkomstig artikel 43.

2.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, brengt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig op de hoogte.

3.  De aan de Commissie toegekende bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, is onderworpen aan de voorwaarden die worden gesteld in artikel 43 en 44.

Artikel 43

Intrekking van de delegatie

1.  De in de artikelen 9, lid 1, onder k), 11, lid 2, 14, lid 1, 20, onder e), 22, lid 2, 24, lid 2, 26, lid 2, 29, lid 1, 30, leden 2 en 4, 33, lid 7, en 40 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken.

2.  De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt de andere instelling en de Commissie hiervan op de hoogte en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en de mogelijke redenen daarvoor.

3.  Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het besluit treedt onmiddellijk in werking of op een latere datum die erin wordt vermeld. Het laat de geldigheid van de al van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 44

Bezwaar tegen gedelegeerde handelingen

1.  Het Europees Parlement of de Raad kan tegen een gedelegeerde handeling bezwaar maken binnen een periode van een maand na de datum van kennisgeving.

Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze periode met twee maanden verlengd.

2.  Indien noch het Europees Parlement, noch de Raad bij het verstrijken van deze termijn bezwaar hebben aangetekend tegen de gedelegeerde handeling, wordt deze bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt zij in werking op de daarin bepaalde datum.

Indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie hebben meegedeeld dat zij voornemens zijn geen bezwaar aan te tekenen, kan de gedelegeerde handeling vóór het verstrijken van de termijn worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en in werking treden.

3.  Indien het Europees Parlement of de Raad bezwaar aantekent tegen een gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. De instelling die bezwaar aantekent tegen de gedelegeerde handeling, geeft aan om welke redenen zij dit doet.

Artikel 45

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1924/2006

In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1924/2006 worden de eerste en de tweede alinea vervangen door:"

De verplichting tot en de nadere regelingen voor het verstrekken van informatie overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. … van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten* in het geval dat een voedings- en/of een gezondheidsclaim wordt gemaakt, zijn van overeenkomstige toepassing, uitgezonderd bij generieke reclame.

Voorts wordt, in voorkomend geval, van (een) stof(fen) waarop een voedings- of gezondheidsclaim betrekking heeft en die niet in de voedingswaarde-etikettering vermeld staat (staan), in hetzelfde gezichtsveld als de voedingswaardedeclaratie de hoeveelheid vermeld en uitgedrukt overeenkomstig de artikelen 30 en 31 van Verordening (EU) nr. … [betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten].

* PB L ….

"

Artikel 46

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1925/2006

Verordening (EG) nr. 1925/2006 komt als volgt te luiden:

1.  In artikel 6 wordt lid 6 vervangen door:"

6.  Na toevoeging van een vitamine of mineraal aan een levensmiddel is die vitamine of dat mineraal in het levensmiddel aanwezig in ten minste een significante hoeveelheid indien die is bepaald overeenkomstig [punt 2 van deel A van bijlage X bij Verordening (EU) nr. … betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten]*. Minimumgehalten voor specifieke levensmiddelen of categorieën levensmiddelen, waaronder lagere gehalten, die afwijken van de bovenbedoelde significante hoeveelheden worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

__________

* PB L ....

"

2.  In artikel 7 wordt lid 3 vervangen door:"

3.  Voor producten waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd en die onder deze verordening vallen, is voedingswaarde-etikettering verplicht. De te verstrekken informatie bestaat uit de in artikel 29, lid 1, van Verordening (EU) nr. … betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten genoemde gegevens en de totale in het levensmiddel aanwezige hoeveelheden van de vitaminen en mineralen die aan dat levensmiddel zijn toegevoegd.

"

Artikel 47

Intrekking

1.  De Richtlijnen 87/250/EEG, 94/54/EG, 1999/10/EG, 2000/13/EG, 2002/67/EG, 2004/77/EG en Verordening (EG) nr. 608/2004 worden ingetrokken met ingang van ...(44).

2.  Richtlijn 90/496/EEG wordt ingetrokken met ingang van ...(45)*.

3.  Verwijzingen naar de ingetrokken wetsbesluiten gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 48

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 14, lid 1, is van toepassing met ingang van ...(46).

De artikelen 29 tot en met 33 zijn van toepassing met ingang van ...*, behalve voor levensmiddelen die worden geëtiketteerd door exploitanten van levensmiddelenbedrijven die op ...(47)* minder dan honderd werknemers hebben en waarvan de jaarlijkse omzet en/of het jaarlijkse balanstotaal niet meer bedraagt dan 5 miljoen EUR, in welk geval zij van toepassing zijn met ingang van ...(48)**.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

SPECIFIEKE DEFINITIES

als bedoeld in artikel 2, lid 4

1.  „Voedingswaardedeclaratie” of „voedingswaarde-etikettering”: informatie over:

   a) de energetische waarde; of
  b) de energetische waarde en één of meer van de volgende nutriënten en bestanddelen daarvan:
   vetten,
   koolhydraten,
   vezels,
   eiwitten,
   zout,
   vitaminen en mineralen, vermeld in bijlage X, deel A, punt 1 en aanwezig in significante hoeveelheden, als omschreven in bijlage X, deel A, punt 2.
   2. „Vetten”: alle lipiden, fosfolipiden inbegrepen;
   3. „Verzadigde vetzuren”: vetzuren zonder dubbele binding;
   4. „Transvetzuren”: vetzuren met één of meerdere niet-geconjugeerde (d.w.z. door ten minste één methyleengroep gescheiden) dubbele koolstof-koolstofbindingen in de trans-configuratie;
   5. „Enkelvoudig onverzadigde vetzuren”: vetzuren met één dubbele binding in de cis-configuratie;
   6. „Meervoudig onverzadigde vetzuren”: vetzuren met meerdere door een methyleengroep gescheiden dubbele bindingen in de cis-configuratie;
   7. „Koolhydraten”: de koolhydraten die in het menselijk organisme worden gemetaboliseerd, met inbegrip van polyolen;
   8. „Suikers”: alle in voedsel aanwezige mono- en disachariden, met uitzondering van polyolen, isomaltulose en D-tagatose;
   9. „Polyolen”: alcoholen die meer dan twee hydroxylgroepen bevatten;
   10. „Eiwitten”: het eiwitgehalte berekend aan de hand van de volgende formule: eiwit = totaal Kjeldahl-stikstof × 6,25, en, voor melkproteïne, totaal Kjeldahl-stikstof × 6,38;
   11. „Zout”: het zoutgehalte berekend aan de hand van de volgende formule: zout = natrium × 2,5;
   12. „Spijsbladgoud”: een eetbare versiering voor levensmiddelen en dranken, bestaande uit bladgoud met een dikte van ongeveer 0,000125 mm in de vorm van vlokken of poeder;
   13. „Gemiddelde waarde”: de waarde waardoor de hoeveelheid van een nutriënt in een bepaald levensmiddel het best wordt weergegeven en waarin tevens rekening is gehouden met seizoenschommelingen, consumptiepatronen en andere factoren waardoor de reële waarde kan variëren;
   14. Voorkant van de verpakking”: de kant of het vlak van de levensmiddelenverpakking die/dat het meest waarschijnlijk in beeld of zichtbaar is onder normale of gebruikelijke verkoop- of gebruiksomstandigheden.

BIJLAGE II

INGREDIËNTEN DIE ALLERGIEËN OF INTOLERANTIES KUNNEN VEROORZAKEN

1.  Glutenbevattende granen (namelijk tarwe, rogge, gerst, haver, spelt en kamut of de hybride soorten daarvan) en producten op basis van glutenbevattende granen, met uitzondering van:

   a) glucosestroop op basis van tarwe, met inbegrip van dextrose(49);
   b) maltodextrinen op basis van tarwe1;
   c) glucosestroop op basis van gerst;
   d) granen die worden gebruikt voor de vervaardiging van alcoholhoudende distillaten ▌.

2.  Schaaldieren en producten op basis van schaaldieren.

3.  Eieren en producten op basis van eieren.

4.  Vis en producten op basis van vis, met uitzondering van:

   a) visgelatine die wordt gebruikt als drager voor vitamine- of carotenoïdenpreparaten;
   b) visgelatine of vislijm die wordt gebruikt als klaringsmiddel in bier, cider en wijn.

5.  Aardnoten en producten op basis van aardnoten.

6.  Soja en producten op basis van soja, met uitzondering van:

   a) volledig geraffineerd(e) sojaolie en -vet1;
   b) natuurlijke gemengde tocoferolen (E306), natuurlijk D-alfa-tocoferol, natuurlijk D-alfa-tocoferolacetaat en natuurlijk D-alfa-tocoferolsuccinaat van soja;
   c) fytosterolen en fytosterolesters van plantaardige oliën van soja;
   d) plantenstanolesters geproduceerd uit sterolen van plantaardige oliën van soja.

7.  Melk en producten op basis van melk (inclusief lactose), met uitzondering van:

   a) wei die wordt gebruikt voor de vervaardiging van alcoholhoudende distillaten ▌;
   b) lactitol.

8.  Noten, namelijk amandelen (Amygdalus communis L.), hazelnoten (Corylus avellana), walnoten (Juglans regia), cashewnoten (Anacardium occidentale), pecannoten (Carya illinoinensis (Wangenh.) K. Koch), paranoten (Bertholletia excelsa), pistachenoten (Pistacia vera), macadamianoten (Macadamia ternifolia) en producten op basis van noten, met uitzondering van:

   a) noten die worden gebruikt voor de vervaardiging van alcoholhoudende distillaten ▌.

9.  Selderij en producten op basis van selderij.

10.  Mosterd en producten op basis van mosterd.

11.  Sesamzaad en producten op basis van sesamzaad.

12.  Zwaveldioxide en sulfieten in concentraties van meer dan 10 mg/kg of 10 mg/l uitgedrukt als SO2 in het product zoals het wordt geconsumeerd.

13.  Lupine en producten op basis van lupine.

14.  Weekdieren en producten op basis van weekdieren.

BIJLAGE III

LEVENSMIDDELEN WAARVOOR DE ETIKETTERING EEN OF MEER AANVULLENDE VERMELDINGEN MOET OMVATTEN

Type of categorie levensmiddelen

Vermeldingen

1. Levensmiddelen die in bepaalde gassen zijn verpakt

1.1 Levensmiddelen waarvan de houdbaarheid is verlengd door middel van verpakkingsgassen die overeenkomstig Richtlijn 89/107/EEG zijn toegestaan

„Verpakt onder beschermende atmosfeer”

2. Vleesproducten uit bijzondere slacht

2.1 Vlees en vleesproducten afkomstig van dieren die vóór de slacht niet verdoofd zijn, zoals het geval is bij rituele slachting.

'Vlees uit slacht zonder verdoving„

3. Levensmiddelen die zoetstoffen bevatten

3.1 Levensmiddelen die een of meer zoetstoffen bevatten die zijn toegestaan bij Richtlijn 89/107/EEG

„met zoetstof(fen)”. Deze vermelding wordt tezamen met de benaming van het levensmiddel aangebracht in het hoofdgezichtsveld

3.2 Levensmiddelen die zowel toegevoegde suiker(s) als een of meer zoetstoffen bevatten die zijn toegestaan bij Richtlijn 89/107/EEG

„met suiker(s) en zoetstof(fen)”. Deze vermelding wordt tezamen met de benaming van het levensmiddel aangebracht

3.3 Levensmiddelen die aspartaam bevatten dat is toegestaan bij Richtlijn 89/107/EEG

„bevat aspartaam

3.4 Levensmiddelen die meer dan 10% toegevoegde polyolen bevatten die zijn toegestaan bij Richtlijn 89/107/EEG

„een overmatig gebruik kan een laxerend effect hebben”

Type of categorie levensmiddelen

Vermeldingen

4. Levensmiddelen die glycyrrizinezuur of het ammoniumzout daarvan bevatten

4.1 Zoetwaren en dranken die glycyrrizinezuur of het ammoniumzout daarvan bevatten als gevolg van de toevoeging van die stof(fen) als zodanig of van de zoethoutplant Glycyrrhiza glabra, in een concentratie van 100 mg/kg of 10 mg/l of meer

onmiddellijk na de lijst van ingrediënten worden de woorden „bevat zoethout” toegevoegd, tenzij het woord zoethout al voorkomt in de lijst van ingrediënten of in de benaming van het product. Indien er geen lijst van ingrediënten is, wordt de vermelding tezamen met de benaming van het levensmiddel aangebracht.

4.2 Zoetwaren die glycyrrizinezuur of het ammoniumzout daarvan bevatten als gevolg van toevoeging van die stof(fen) als zodanig of van de zoethoutplant Glycyrrhiza glabra, in een concentratie van 4 g/kg of meer

„bevat zoethout − mensen met hoge bloeddruk dienen overmatig gebruik te vermijden” moet onmiddellijk na de lijst van ingrediënten worden toegevoegd. Indien er geen lijst van ingrediënten is, wordt de vermelding tezamen met de benaming van het levensmiddel aangebracht.

4.3 Dranken die glycyrrizinezuur of het ammoniumzout daarvan bevatten als gevolg van de toevoeging van die stof(fen) als zodanig of van de zoethoutplant Glycyrrhiza glabra, in een concentratie van 50 mg/l of meer, dan wel 300 mg/l of meer in geval van dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent(50).

„bevat zoethout − mensen met hoge bloeddruk dienen overmatig gebruik te vermijden” moet onmiddellijk na de lijst van ingrediënten worden toegevoegd. Indien er geen lijst van ingrediënten is, wordt de vermelding tezamen met de benaming van het levensmiddel aangebracht.

Type of categorie levensmiddelen

Vermeldingen

5. Levensmiddelen die glutaminezuren of zouten daarvan bevatten

5.1 Levensmiddelen die een of meer van de volgende additieven bevatten: E620, E621, E622, E623, E624 en E625

'bevat eetustbevorderende ingrediënten„

6. Vlees bestaande uit gebonden vleesdelen

6.1 Vlees bestaande uit gebonden vleesdelen, dat de indruk kan wekken uit één stuk gemaakt te zijn

'met gebonden vleesdelen„. Deze vermelding wordt tezamen met de benaming van het levensmiddel uitgebracht

7. Dranken met hoog cafeïnegehalte

7.1 Dranken, met uitzondering van die op basis van koffie, thee of koffie- of thee-extract, waarvan de benaming van het levensmiddel de term „koffie” of „thee” omvat en die:

− bestemd zijn om ongewijzigd te worden geconsumeerd en meer dan 150 mg/l aan cafeïne, van welke bron ook, bevatten, of

− na reconstitutie van het geconcentreerde of gehydrateerde product meer dan 150 mg/l aan cafeïne, ongeacht de herkomst ervan, bevatten

„hoog cafeïnegehalte” in hetzelfde gezichtsveld als de benaming van de drank, gevolgd door verwijzing tussen haakjes en overeenkomstig artikel 14, lid 4, van deze verordening naar het cafeïnegehalte uitgedrukt in mg/100 ml.

Type of categorie levensmiddelen

Vermeldingen

8. Levensmiddelen met toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen en/of fytostanolesters

8.1 Levensmiddelen of levensmiddeleningrediënten met toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen of fytostanolesters

(1) „met toegevoegde plantensterolen” of „met toegevoegde plantenstanolen” in hetzelfde gezichtsveld als de benaming van het levensmiddel;

(2) het gehalte aan toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen of fytostanolesters (uitgedrukt als percentage of in g vrije plantensterolen/plantenstanolen per 100 g of 100 ml levensmiddel) wordt in de lijst van ingrediënten vermeld;

(3) een vermelding dat het levensmiddel uitsluitend bedoeld is voor mensen die hun bloedcholesterolgehalte willen verlagen;

(4) een vermelding dat patiënten die cholesterolverlagende geneesmiddelen gebruiken, het product uitsluitend onder toezicht van een arts mogen gebruiken;

(5) een goed zichtbare vermelding dat het levensmiddel uit voedingsoogpunt mogelijk niet geschikt is voor zwangere en borstvoedende vrouwen en kinderen jonger dan vijf jaar;

(6) advies om het levensmiddel te gebruiken als onderdeel van een evenwichtige en gevarieerde voeding, waarbij regelmatig groente en fruit worden gegeten om het carotenoïdengehalte op peil te houden;

Type of categorie levensmiddelen

Vermeldingen

(7) in hetzelfde gezichtsveld als de onder punt 3) bedoelde vermelding een aparte vermelding dat een consumptie van meer dan 3 g toegevoegde plantensterolen/plantenstanolen per dag dient te worden vermeden;

(8) een definitie van een portie van het betrokken levensmiddel of voedselingrediënt (bij voorkeur in g of ml), waarbij de hoeveelheid plantensterolen/plantenstanolen per portie wordt aangegeven.

9. Vlees- en pluimveeproducten

9.1 Kipproducten waarbij rund- of varkenseiwitten zijn gebruikt

Het gebruik van rund- of varkenseiwitten moet altijd duidelijk op de verpakking worden vermeld

BIJLAGE IV

LEVENSMIDDELEN DIE ZIJN VRIJGESTELD VAN DE VERPLICHTE VOEDINGSWAARDEAANDUIDING

–  vers fruit en verse groenten alsmede onverwerkte producten die bestaan uit één ingrediënt of categorie van ingrediënten;

   verwerkte producten die als enige vorm van verwerking zijn gerookt of gerijpt en die bestaan uit één ingrediënt of categorie van ingrediënten;
   natuurlijk mineraalwater of ander water bestemd voor menselijke consumptie, inclusief water waarbij de enige toegevoegde ingrediënten kooldioxide en/of aroma's zijn;
   kruiden, een aroma, specerijen, smaakmakers en mengsels daarvan;
   zout en zoutvervangers;
   suiker en nieuwe suikersoorten;
   typen meel;
   producten die vallen onder Richtlijn 1999/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 februari 1999 inzake extracten van koffie en extracten van cichorei(51), hele of gemalen koffiebonen en hele of gemalen cafeïnevrije koffiebonen;
   kruidenthee, thee, cafeïnevrije thee, instant- of oplosthee of thee-extract, cafeïnevrije instant- of oplosthee of thee-extract, die geen toegevoegde ingrediënten bevatten;
   gefermenteerde azijn of vervangers voor azijn, inclusief die waarbij de enige toegevoegde ingrediënten aroma's zijn;
   aroma's;
   levensmiddelenadditieven;
   technische hulpstoffen;
   voedingsenzymen;
   kleurstoffen voor levensmiddelen;
   spijsbladgoud;
   gelatine;
   jamgeleermiddel;
   gist;
   kauwgomproducten;
   levensmiddelen met een seizoensgebonden, luxe- en geschenkvormgeving of -verpakking;
   seizoengebonden zoetwaren en suiker- en chocoladewaren in de vorm van figuren;
   gemengde multiverpakkingen;
   assortimenten;
   levensmiddelen in verpakkingen of recipiënten waarvan het grootste oppervlak minder dan 75 cm2 bedraagt; de energie-inhoud als bedoeld in artikel 29, lid 1, onder a), wordt in het hoofdgezichtsveld vermeld;
   levensmiddelen die door particuliere personen worden verkocht in de context van occasionele activiteiten, en niet als deel van een bedrijf dat een bepaalde continuïteit van de activiteiten en een bepaalde mate van organisatie zou impliceren;
   niet-voorverpakte levensmiddelen, met inbegrip van levensmiddelen van grootcateraars die voor directe consumptie bestemd zijn;
   ambachtelijk vervaardigde producten;
   rechtstreekse verkoop van levensmiddelen door boerenbedrijven;
   levensmiddelen die rechtstreeks door kleine bedrijven in kleine hoeveelheden worden geleverd aan de eindverbruiker of aan de plaatselijke detailhandel die rechtstreeks aan de eindverbruiker levert;
   levensmiddelen in een binnenverpakking die niet zijn bestemd voor verkoop zonder de buitenverpakking (de voedingswaarde-informatie moet op de buitenverpakking worden vermeld, tenzij de levensmiddelen behoren tot de categorieën die krachtens deze bijlage daarvan zijn vrijgesteld);
   levensmiddelen in een hoeveelheid van minder dan 5 g/ml;
   op onuitwisbare wijze gemerkte glazen flessen.

BIJLAGE V

BENAMING VAN HET LEVENSMIDDEL EN SPECIFIEKE VERMELDINGEN DIE TEZAMEN MET DE BENAMING MOETEN WORDEN AANGEBRACHT

DEEL A − BENAMING VAN HET LEVENSMIDDEL

1.  Het gebruik in de lidstaat van verkoop van de benaming van het levensmiddel waaronder het product in de lidstaat van vervaardiging op wettige wijze wordt vervaardigd en in de handel gebracht, is toegestaan.

Indien evenwel de toepassing van de overige bepalingen van deze verordening, met name de bepalingen van artikel 9, de consumenten in de lidstaat van verkoop niet in staat stelt de ware aard van het levensmiddel te kennen en het te onderscheiden van levensmiddelen waarmee het zou kunnen worden verward, dient de benaming van het levensmiddel vergezeld te gaan van andere beschrijvende informatie die in hetzelfde gezichtsveld naast de benaming van het levensmiddel wordt aangebracht in een duidelijk leesbaar lettertype.

2.  In uitzonderlijke gevallen mag de benaming van het levensmiddel van de lidstaat van vervaardiging niet in de lidstaat van verkoop worden gebruikt, wanneer het daarmee aangeduide levensmiddel in samenstelling of vervaardigingswijze zo sterk afwijkt van het onder die naam bekende levensmiddel, dat de bepalingen van punt 1 niet voldoende zijn om een juiste informatie voor de koper in de lidstaat van verkoop te waarborgen.

3.  De benaming van het levensmiddel mag niet worden vervangen door een als intellectuele eigendom beschermde benaming, een merknaam of een fantasienaam.

DEEL B – VERPLICHTE VERMELDINGEN DIE TEZAMEN MET DE BENAMING MOETEN WORDEN AANGEBRACHT

1.  De benaming van het levensmiddel omvat of gaat vergezeld van vermeldingen inzake de fysische toestand waarin het levensmiddel zicht bevindt of de specifieke behandeling die het heeft ondergaan (bijvoorbeeld poeder, opnieuw ingevroren, gevriesdroogd, diepgevroren, snelgevroren, ontdooid, concentraat, gerookt), in alle gevallen waarin het weglaten van deze informatie de koper zou kunnen misleiden.

2.  Op met ioniserende straling behandelde levensmiddelen wordt een van de volgende vermeldingen aangebracht:"

doorstraald' of „behandeld met ioniserende straling”.

3.  Bij vleesproducten die eruit zien als een lap, braadstuk, plak, portie of karkas, en bij visproducten omvat de benaming van het levensmiddel de eventuele toegevoegde ingrediënten afkomstig van een andere diersoort dan het voornaamste dier.

4.  De benaming van het levensmiddel op het etiket van een vleesproduct dat eruit ziet als een lap, braadstuk, plak, portie vlees of een karkas, of van gezouten vlees omvat een vermelding van:

   a) eventuele toegevoegde ingrediënten van een andere dierlijke oorsprong dan de rest van het vlees; en
  b) eventueel toegevoegd water onder de volgende omstandigheden:
   in het geval van al dan niet gekookt of gebakken vlees en gekookt of gebakken gezouten vlees, als het toegevoegde water meer dan 5% van het gewicht van het product uitmaakt;
   in het geval van niet gekookt of niet gebakken gezouten vlees, als het toegevoegde water meer dan 10% van het gewicht van het product uitmaakt.

5.  De benaming van het levensmiddel op het etiket van een visproduct dat eruit ziet als een moot, filet, plak of portie vis omvat een vermelding van:

   a) eventuele toegevoegde ingrediënten van plantaardige oorsprong en van een andere dierlijke oorsprong dan vis; en
   b) eventueel toegevoegd water dat meer dan 5% van het gewicht van het product uitmaakt.

DEEL C – SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE AANDUIDING VAN „GEHAKT VLEES”

1.  Samenstellingscriteria, gecontroleerd op grond van een dagelijks gemiddelde:

Vetgehalte

Verhouding bindweefsel/

vleeseiwit

− mager gehakt

≤ 7 %

≤ 12

− puur rundergehakt

≤ 20 %

≤ 15

− gehakt dat varkensvlees bevat

≤ 30 %

≤ 18

− gehakt van andere soorten

≤ 25 %

≤ 15

2.  In afwijking van de voorschriften van hoofdstuk IV van sectie V van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 worden de volgende woorden op de etikettering aangebracht:

„vetpercentage lager dan ...

"

"

verhouding bindweefsel/vleeseiwit lager dan …

"

3.  De lidstaten mogen toestaan dat op hun nationale markt gehakt dat niet voldoet aan de in punt 1 van dit deel vastgestelde criteria, in de handel wordt gebracht met een nationaal merk dat niet kan worden verward met de merken als bedoeld in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 853/2004.

DEEL D – SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE AANDUIDING VAN „WORSTVELLEN”

In de lijst van bestanddelen wordt de bij de vervaardiging van worst gebruikte darm als volgt aangeduid:

   'natuurlijke darm' wanneer de voor de vervaardiging van de worst gebruikte darm uit de ingewanden van evenhoevigen afkomst is;
   'kunstmatige darm' in de overige gevallen.

Wanneer een kunstmatige darm niet eetbaar is, moet dit worden vermeld.

DEEL E − OFFICIËLE BENAMING VAN LEVENSMIDDELEN DIE DE INDRUK WEKKEN EEN ANDER LEVENSMIDDEL TE ZIJN (ONDERSTAANDE LIJST BEVAT VOORBEELDEN)

Levensmiddelen die de indruk wekken een ander levensmiddel te zijn of waarin een ingrediënt door een imitatie is vervangen, worden als volgt geëtiketteerd:

Afwijking qua type, kwaliteit en samenstelling

Officiële benaming

In vergelijking met kaas, volledige of gedeeltelijke vervanging van melkvet door plantaardig vet

'Namaakkaas„

In vergelijking met ham, veranderde samenstelling bestaande uit fijngemaakte ingrediënten met een aanzienlijk lager gehalte aan vlees

'Namaakham„

BIJLAGE VI

VERMELDING EN AANDUIDING VAN INGREDIËNTEN

DEEL A – SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE VERMELDING VAN DE INGREDIËNTEN IN DALENDE VOLGORDE VAN GEWICHT

Categorie ingrediënt

Bepaling betreffende vermelding naar gewicht

1. Toegevoegd water en vluchtige ingrediënten

Worden in de lijst vermeld in volgorde van hun gewicht in het eindproduct. De hoeveelheid water die als ingrediënt aan een levensmiddel is toegevoegd, wordt berekend door van de totale hoeveelheid eindproduct de totale hoeveelheid aan andere gebruikte ingrediënten af te trekken. Deze hoeveelheid behoeft niet te worden meegerekend indien zij in gewicht niet meer bedraagt dan 5 % van het eindproduct.

2. Ingrediënten die in geconcentreerde of gedehydrateerde vorm worden gebruikt en tijdens de vervaardiging weer in hun oorspronkelijke toestand worden gebracht

Mogen op de lijst worden opgenomen volgens hun gewicht vóór concentratie of dehydratatie.

3. Ingrediënten die worden gebruikt in geconcentreerde of gedehydrateerde levensmiddelen, waaraan water moet worden toegevoegd om hen weer in hun oorspronkelijke toestand te brengen

Mogen in de lijst worden vermeld in de volgorde van de hoeveelheden in het gereconstitueerde product, mits de lijst van ingrediënten vergezeld gaat van een vermelding zoals „ingrediënten van het weer in oorspronkelijke staat gebrachte product” of „ingrediënten van het gebruiksklare product”.

4. Vruchten, groenten of paddenstoelen, waarvan geen enkele aanmerkelijk in gewicht overheerst en die in verhoudingen die waarschijnlijk wisselen, in een mengsel als ingrediënten in een levensmiddel worden gebruikt

Mogen tezamen in de lijst van de ingrediënten worden opgenomen onder de benaming „vruchten”, „groenten” of „paddenstoelen”, gevolgd door de woorden „in wisselende verhoudingen”, onmiddellijk gevolgd door een lijst van de aanwezige vruchten, groenten of paddenstoelen. In dergelijke gevallen wordt het mengsel overeenkomstig artikel 19, lid 1, op grond van het totale gewicht van de aanwezige vruchten, groenten of paddenstoelen in de ingrediëntenlijst vermeld.

5. Mengsels of toebereidingen van specerijen of kruiden waarin geen van deze producten aanmerkelijk in gewicht overheerst

Mogen in een andere volgorde worden vermeld, mits die lijst van ingrediënten vergezeld gaat van een vermelding zoals „in wisselende verhouding”.

6. Ingrediënten die voor minder dan 2% in het eindproduct aanwezig zijn

Mogen in een andere volgorde na de andere ingrediënten worden vermeld.

7. Soortgelijke of onderling verwisselbare ingrediënten die voor de vervaardiging of bereiding van een levensmiddel kunnen worden gebruikt zonder de samenstelling of gepercipieerde waarde ervan te wijzigen, en mits deze minder dan 2% van het eindproduct uitmaken

Mogen in de lijst van de ingrediënten worden opgenomen met de vermelding „bevat … en/of …”, wanneer ten minste één van ten hoogste twee ingrediënten in het eindproduct aanwezig is. Deze bepaling is niet van toepassing op levensmiddelenadditieven of ingrediënten die zijn opgenomen in de lijst van deel C van deze bijlage.

DEEL B – AANDUIDING VAN BEPAALDE INGREDIËNTEN DOOR DE BENAMING VAN EEN CATEGORIE IN PLAATS VAN DOOR EEN SPECIFIEKE BENAMING

Ingrediënten die behoren tot één van de hieronder vermelde categorieën levensmiddelen en die bestanddelen zijn van een ander levensmiddel, hoeven alleen met de benaming van die categorie te worden aangeduid.

Categorie levensmiddelen

Aanduiding

1. Andere geraffineerde oliën dan olijfolie

„Olie”, nader omschreven met hetzij het adjectief ▌'dierlijke' (of de vermelding van de specifieke dierlijke oorsprong), hetzij, naargelang het geval, de vermelding van de specifieke plantaardige ▌oorsprong.

Indien de afwezigheid van bepaalde plantaardige oliën niet kan worden gegarandeerd, is de vermelding „kan … bevatten” verplicht.

Het adjectief „geharde” moet worden toegevoegd aan de vermelding van een geharde olie ▌.

2. Geraffineerde vetten

„Vet”, nader omschreven met ▌de vermelding van de specifieke plantaardige of dierlijke oorsprong.

Het adjectief „gehard” moet worden toegevoegd aan de vermelding van een gehard vet, tenzij het gehalte aan verzadigde vetzuren en transvetzuren in de voedingswaardedeclaratie is opgenomen.

3. Mengsels van meel van twee of meer graansoorten

„Meel”, gevolgd door een lijst van de graansoorten waarvan het afkomstig is, in dalende volgorde van hun gewichtspercentage.

4. Natief zetmeel, langs fysische weg of met enzymen gemodificeerd zetmeel, gebrand of gedextrineerd zetmeel, zetmeel dat gemodificeerd is door een behandeling met zuur of base en gebleekt zetmeel

„Zetmeel”

5. Alle soorten vis wanneer die vis een ingrediënt vormt van een ander levensmiddel, tenzij de benaming en de presentatie van dit levensmiddel duiden op een speciaal soort vis

„Vis”

6. Alle soorten kaas wanneer de kaas of het mengsel van kaassoorten een ingrediënt vormt van een ander levensmiddel, tenzij de benaming en de presentatie van dit levensmiddel duiden op een speciale kaassoort

„Kaas”

7. Alle specerijen die niet meer dan 2% van het gewicht van het levensmiddel uitmaken

„Specerijen” of „gemengde specerijen”

8. Alle kruiden of delen daarvan die niet meer dan 2% van het gewicht van het levensmiddel uitmaken

„Kruiden” of „gemengde kruiden”

9. Alle soorten gompreparaten die voor de bereiding van gom als basis voor kauwgom worden gebruikt

„Gom”

10. Alle soorten paneermeel

„Paneermeel”

11. Alle soorten sacharose

„Suiker”

12. Watervrije dextrose en dextrosemonohydraat

„Dextrose”

13. Glucosestroop en gedehydreerde glucosestroop

„Glucosestroop”

14. Alle melkeiwitten (caseïne, caseïnaten en eiwitten van wei) en mengsels daarvan

„Melkeiwitten”

15. Cacaopersboter, cacaowringboter of geraffineerde cacaoboter

„Cacaoboter”

16. Natuurlijke extracten uit fruit, groenten en eetbare planten of delen van planten, die met mechanisch-fysische procedés gewonnen worden en in geconcentreerde vorm gebruikt worden om levensmiddelen te kleuren.

'Kleurstoffen in voedingsmiddelen„

17. Alle soorten wijnen, als omschreven in Verordening (EG) nr. 1493/1999

„Wijn”

18. De skeletspieren(52) van als voor de menselijke consumptie geschikt erkende zoogdier- en vogelsoorten, met de van nature ingesloten of aanhangende weefsels, waarvan de totale gehalten aan vet en bindweefsel de hieronder vermelde waarden niet overschrijden en wanneer het vlees een ingrediënt vormt van een ander levensmiddel. Producten die aan de definitie van „separatorvlees” beantwoorden, vallen niet onder deze definitie.

Vlees dat langs mechanische weg wordt verkregen van beenderen met daaraan vastzittend vlees, dat niet onder de definitie valt van separatorvlees als bedoeld in Verordening (EG) nr. 853/2004, valt ook onder deze definitie.

Maximumgehalten aan vet en bindweefsel voor de met de term „…vlees” aangeduide ingrediënten.

„…vlees”, voorafgegaan door de naam/namen(53) van de diersoort(en) waarvan het afkomstig is.

Soort

Vet (%)

Bindweef-sel(54) (%)

Zoogdieren (konijnen en varkens uitgezonderd) en diverse soorten met overwegend zoogdieren

25

25

Varkens

30

25

Vogels en konijnen

15

10

Wanneer de maximumgehalten aan vet en/of bindweefsel worden overschreden en aan alle andere criteria van de definitie van „vlees” wordt voldaan, moet het gehalte aan „…vlees” dienovereenkomstig worden verlaagd en moet de lijst van ingrediënten naast de categorienaam „…vlees” ook de vermelding van het vet en/of bindweefsel bevatten.

19. Alle soorten producten die aan de definitie van „separatorvlees” beantwoorden.

„separatorvlees”, voorafgegaan door de naam/namen(55) van de diersoort(en) waarvan het afkomstig is

DEEL C – AANDUIDING VAN BEPAALDE INGREDIËNTEN MET DE NAAM VAN HUN CATEGORIE, GEVOLGD DOOR HUN SPECIFIEKE BENAMING OF HET EG-NUMMER

Andere levensmiddelenadditieven en enzymen dan die vermeld in artikel 21, onder b), die behoren tot één van de in dit deel opgenomen categorieën, moeten worden aangeduid met de naam van die categorie, gevolgd door hun specifieke benaming of, naargelang het geval, het EG-nummer. Ingeval een ingrediënt tot meer dan één categorie behoort, wordt de categorie vermeld die past bij de voornaamste functie in het betrokken levensmiddel. De aanduiding „gemodificeerd zetmeel” moet echter altijd vergezeld gaan van de vermelding van zijn specifieke plantaardige oorsprong, wanneer dat ingrediënt gluten kan bevatten.

Voedingszuur

Zuurteregelaar

Antiklontermiddel

Antischuimmiddel

Antioxidant

Vulstof

Kleuren

Emulgator

Smeltzout(56)

Enzymen(57)

Verstevigingsmiddel

Smaakversterker

Meelverbeteraar

Geleermiddel

Glansmiddel

Bevochtigingsmiddel

Gemodificeerd zetmeel2

Cellulose-extract2

Conserveermiddel

Drijfgas

Rijsmiddel

Stabilisator

Zoetstof

Verdikkingsmiddel

DEEL D – AANDUIDING VAN AROMA'S IN DE LIJST VAN INGREDIËNTEN

1.  Aroma's worden aangeduid met hetzij de term „aroma(”s)„, hetzij een meer specifieke benaming of beschrijving van het aroma.

2.  Kinine en/of cafeïne die worden gebruikt als aroma bij de vervaardiging of bereiding van een levensmiddel worden onmiddellijk na de term „aroma(”s)' met hun specifieke benaming in de lijst van ingrediënten vermeld.

3.  De term „natuurlijk” of elke andere uitdrukking die in wezen dezelfde betekenis heeft, mag alleen worden gebruikt voor aroma's waarvan de aromatiserende component uitsluitend aromastoffen bevat als omschreven in artikel 1, lid 2, onder b), i), van Richtlijn 88/388/EEG en/of aromatiserende bereidingen als omschreven in artikel 1, lid 2, onder c), van die richtlijn.

4.  Indien de benaming van het aroma een verwijzing bevat naar de dierlijke of plantaardige oorsprong of aard van de gebruikte stoffen, mag de term „natuurlijk” of elke andere uitdrukking die in wezen dezelfde betekenis heeft alleen worden gebruikt wanneer de aromatiserende component werd geïsoleerd door fysische dan wel enzymatische of microbiologische procedés of door traditionele levensmiddelenbereidingswijzen, uitsluitend of vrijwel uitsluitend uitgaande van het betrokken levensmiddel of het betrokken uitgangsmateriaal voor de bereiding van aroma's.

DEEL E – AANDUIDING VAN SAMENGESTELDE INGREDIËNTEN

1.  Een samengesteld ingrediënt mag onder zijn eigen benaming, voor zover die wettelijk erkend of algemeen bekend is, in de lijst van ingrediënten worden opgenomen in termen van zijn totale gewichtspercentage, onmiddellijk gevolgd door een lijst van zijn eigen ingrediënten.

2.  De lijst van ingrediënten voor samengestelde ingrediënten is niet verplicht:

   a) wanneer de samenstelling van het samengestelde ingrediënt door de geldende uniale wetgeving is vastgesteld en mits het samengestelde ingrediënt minder dan 2% van het eindproduct uitmaakt; deze bepaling is echter niet van toepassing op levensmiddelenadditieven, behoudens de bepalingen van artikel 21, onder a) tot en met d); of
   b) voor uit mengsels van specerijen en/of kruiden samengestelde ingrediënten die minder dan 2% van het eindproduct uitmaken, met uitzondering van levensmiddelenadditieven, behoudens de bepalingen van artikel 21, onder a) tot en met d); of
   c) wanneer het samengestelde ingrediënt een levensmiddel is waarvan de lijst van de ingrediënten overeenkomstig de uniale wetgeving niet behoeft te worden vermeld.

BIJLAGE VII

KWANTITATIEVE OPGAVE VAN DE INGREDIËNTEN

1.  De kwantitatieve opgave is niet vereist:

  a) voor een ingrediënt of categorie ingrediënten:
   i) waarvan het netto-uitlekgewicht is aangegeven overeenkomstig punt 5 van bijlage VIII; of
   ii) waarvan de hoeveelheid reeds krachtens de uniale bepalingen verplicht op het etiket moet worden vermeld; of
   iii) dat/die in kleine doses ter verhoging van het aroma wordt toegevoegd; of
   iv) dat/die weliswaar voorkomt in de benaming van het levensmiddel, maar niet van dien aard is dat het/zij de keuze van de consument in het land van verkoop bepaalt omdat de variërende hoeveelheid niet van wezenlijk belang is om het levensmiddel te karakteriseren of het niet van soortgelijke levensmiddelen onderscheidt; of
   b) wanneer specifieke uniale bepalingen de hoeveelheid van het ingrediënt of van de categorie ingrediënten nauwkeurig aangeven, zonder voor te schrijven dat deze op het etiket moet worden vermeld; of
   c) in de gevallen bedoeld in de punten 4 en 5 van deel A van bijlage VI.

2.  Artikel 23, lid 1, onder a) en b), is niet van toepassing in het geval van:

   a) ingrediënten of categorieën van ingrediënten waarvoor de vermelding „met zoetstof(fen)” of „met suiker(s) en zoetstof(fen)” geldt, indien die vermelding vergezeld gaat van de benaming van het levensmiddel overeenkomstig bijlage III; of
   b) toegevoegde vitaminen en mineralen, indien die stoffen onderworpen zijn aan een voedingswaardedeclaratie.

3.  De vermelding van de hoeveelheid van een ingrediënt of categorie van ingrediënten:

   a) wordt uitgedrukt als percentage, overeenstemmend met de hoeveelheid van het ingrediënt of de ingrediënten op het ogenblik waarop het/zij wordt/worden gebruikt; en
   b) wordt aangebracht in of onmiddellijk naast de benaming van het levensmiddel of in de lijst van ingrediënten voor het ingrediënt of de categorie van ingrediënten in kwestie.

4.  In afwijking van punt 3

   a) wordt voor levensmiddelen waarbij door een thermische of andere behandeling vochtverlies is opgetreden, de hoeveelheid uitgedrukt als een percentage dat overeenkomt met de hoeveelheid van het gebruikte ingrediënt of de gebruikte ingrediënten ten opzichte van het eindproduct, tenzij die hoeveelheid of de totale hoeveelheid van alle op het etiket vermelde ingrediënten meer dan 100% bedraagt, in welk geval de hoeveelheid wordt vermeld op grond van het gewicht van het (de) ingrediënt(en) dat (die) wordt (worden) gebruikt voor de bereiding van 100 g eindproduct;
   b) wordt de hoeveelheid vluchtige ingrediënten vermeld als hun gewichtspercentage in het eindproduct;
   c) kan de hoeveelheid ingrediënten die in geconcentreerde of gedehydrateerde vorm worden gebruikt en tijdens de fabricage worden gereconstitueerd, worden vermeld als hun gewichtspercentage voordat zij werden geconcentreerd of gedroogd;

d)  kan, wanneer het om geconcentreerde of gedehydrateerde levensmiddelen gaat waaraan water moet worden toegevoegd, de hoeveelheid van de ingrediënten worden uitgedrukt als gewichtspercentage in het gereconstitueerde product.

BIJLAGE VIII

VERMELDING VAN DE NETTOHOEVEELHEID

1.  De vermelding van de nettohoeveelheid is niet verplicht voor levensmiddelen:

   a) die aanzienlijk aan volume of gewicht verliezen of die niet voorverpakt en per stuk worden verkocht dan wel in aanwezigheid van de koper worden gewogen; of
   b) met een nettohoeveelheid van minder dan 5 gram of 5 milliliter; deze bepaling is evenwel niet van toepassing op specerijen en kruiden; of
   c) waarvoor in andere wettelijke bepalingen uitzonderingen zijn vastgesteld.

2.  Wanneer een bepaalde soort hoeveelheid (zoals nominale hoeveelheid, minimumhoeveelheid, gemiddelde hoeveelheid) moet worden vermeld volgens de uniale bepalingen of, als deze niet bestaan, volgens de nationale bepalingen, is deze hoeveelheid de nettohoeveelheid in de zin van deze verordening.

3.  Wanneer een voorverpakking bestaat uit twee of meer afzonderlijke voorverpakkingen die dezelfde hoeveelheid van hetzelfde product bevatten, wordt de nettohoeveelheid vermeld door het aangeven van de nettohoeveelheid van elke afzonderlijke verpakking en het totale aantal daarvan. Die vermeldingen zijn evenwel niet verplicht wanneer het totale aantal afzonderlijke verpakkingen duidelijk kan worden gezien en van buitenaf gemakkelijk kan worden geteld en wanneer ten minste één vermelding van de in elke afzonderlijke verpakking aanwezige nettohoeveelheid van buitenaf duidelijk kan worden gezien.

4.  Wanneer een voorverpakking bestaat uit twee of meer afzonderlijke verpakkingen die niet als verkoopeenheden worden beschouwd, wordt de nettohoeveelheid vermeld door het aangeven van de totale nettohoeveelheid en het totale aantal afzonderlijke verpakkingen.

5.  Wanneer een vast levensmiddel wordt aangeboden in een opgietvloeistof, wordt ook het netto-uitlekgewicht van dat levensmiddel vermeld.

In de zin van dit punt worden onder „opgietvloeistof” de volgende producten en mengsels daarvan verstaan, ook wanneer zij bevroren of diepgevroren zijn, voor zover de vloeistof slechts van ondergeschikt belang is ten opzichte van de essentiële bestanddelen van die bereiding en derhalve niet doorslaggevend is voor de aankoop: water, waterige oplossingen van zouten, pekel, waterige oplossingen van voedingszuren, azijn, waterige oplossingen van suiker, waterige oplossingen van andere zoetstoffen, sap van vruchten of groenten voor wat groenten of fruit betreft.

BIJLAGE IX

ALCOHOLGEHALTE

Het effectieve alcoholvolumegehalte van dranken met een alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2% wordt aangegeven door een cijfer met ten hoogste één decimaal. Het wordt gevolgd door het symbool „% vol.” en kan worden voorafgegaan door het woord „alcohol” of door de afkorting „alc.”.

Het alcoholgehalte wordt bepaald bij 20 °C.

De toleranties, in positieve en in negatieve zin, die bij de vermelding van het alcoholgehalte zijn toegelaten, staan, uitgedrukt in absolute waarden, vermeld in de volgende tabel. Zij zijn van toepassing onverminderd de toleranties die voortvloeien uit de voor de bepaling van het alcoholgehalte toegepaste analysemethode.

Beschrijving van de drank

Positieve of negatieve tolerantie

1. Biersoorten met een alcoholgehalte van ten hoogste 5,5% vol.; dranken die vallen onder post 22.07 B II van het gemeenschappelijk douanetarief en die vervaardigd zijn op basis van druiven

0,5% vol.

2. Biersoorten met een alcoholgehalte van meer dan 5,5% vol.; dranken die vallen onder post 22.07 B I van het gemeenschappelijk douanetarief en die vervaardigd zijn op basis van druiven; appel-, peren- en andere soortgelijke gegiste dranken die vervaardigd zijn van andere vruchten dan druiven, eventueel parelend of mousserend; dranken op basis van gegiste honig

1% vol.

3. Dranken met gemacereerde vruchten of plantedelen

1,5% vol.

4. Andere dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent

0,3% vol.

BIJLAGE X

REFERENTIE-INNAMES

DEEL A – DAGELIJKSE REFERENTIE-INNAMES VOOR VITAMINEN EN MINERALEN (VOLWASSENEN)

1.  Vitaminen en mineralen die kunnen worden vermeld en hun aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (RDA)

Vitamine A (µg)

Vitamine D (µg)

Vitamine E (mg)

Vitamine K (µg)

Vitamine C (mg)

Thiamine (vitamine B1) (mg)

Riboflavine (mg)

Niacine (mg)

Vitamine B6 (mg)

Folimzuur (µg)

Vitamine B12 (µg)

Biotine (µg)

Pantotheenzuur (mg)

Kalium (mg)

800

5

12

75

80

1,1

1,4

16

1,4

200

2,5

50

6

2000

Chloride

Calcium (mg)

Fosfor (mg)

IJzer (mg)

Magnesium (mg)

Zink (mg)

Koper (mg)

Mangaan (mg)

Fluoride (mg)

Seleen (µg)

Chroom (µg)

Molybdeen (µg)

Jood (µg)

800

800

700

14

375

10

1

2

3,5

55

40

50

150

2.  Significante hoeveelheid vitaminen en mineralen

In de regel moet voor het bepalen van wat een significante hoeveelheid is, per 100 g of 100 ml, dan wel per verpakking indien deze slechts één portie bevat, worden uitgegaan van 15% van de in punt 1 aangegeven aanbevolen hoeveelheid.

DEEL B – DAGELIJKSE REFERENTIE-INNAMES VOOR ENERGIE EN BEPAALDE ANDERE NUTRIËNTEN DAN VITAMINEN EN MINERALEN (VOLWASSENEN)(58)

Energie of nutriënt

Referentie-inname

Energie

▌2 000 kcal ▌

Eiwitten

80 g

Totale vetten

80 g

Verzadigde vetzuren

20 g

Koolhydraten

230 g

Suikers

90 g

Zout

6 g

BIJLAGE XI

OMREKENINGSFACTOREN

OMREKENINGSFACTOREN VOOR DE BEREKENING VAN ENERGIE

Bij de berekening van de te declareren energetische waarde wordt van de volgende omrekeningsfactoren gebruikgemaakt:

− koolhydraten (met uitzondering van polyolen)

4 kcal/g ▌

− polyolen

2,4 kcal/g ▌

− eiwitten

4 kcal/g ▌

− vetten

9 kcal/g ▌

− salatrims

6 kcal/g ▌

− alcohol (ethanol)

7 kcal/g ▌

− organische zuren

3 kcal/g ▌

BIJLAGE XII

UITDRUKKING EN PRESENTATIE VAN DE VOEDINGSWAARDEDECLARATIE

DEEL A – UITDRUKKING VAN DE VOEDINGSWAARDEDECLARATIE IN MEETEENHEDEN

In de voedingswaardedeclaratie wordt gebruikgemaakt van de volgende eenheden:

− energie

kJ en kcal

− vetten

gram (g)

− koolhydraten

− vezels

− eiwitten

− zout

− vitaminen en mineralen

de in punt 1 van deel A van bijlage X aangegeven eenheden

− andere stoffen

voor de afzonderlijke stoffen passende eenheden

DEEL B – VOLGORDE VAN DE PRESENTATIE VAN DE KOOLHYDRAAT- EN VETBESTANDDELEN IN DE VOEDINGSWAARDEDECLARATIE

1.  De declaratie van polyolen en/of zetmeel geschiedt in de onderstaande volgorde:

koolhydraten

g

waarvan:

− suikers

g

− polyolen

g

− zetmeel

g

2.  De declaratie van de hoeveelheid en/of het type vetzuren geschiedt in de onderstaande volgorde:

vetten

g

waarvan:

− verzadigde vetzuren

g

− transvetzuren

g

− enkelvoudig onverzadigde vetzuren

g

− meervoudig onverzadigde vetzuren

g

DEEL C – VOLGORDE VAN DE PRESENTATIE VAN DE ENERGIE EN DE NUTRIËNTEN IN EEN VOEDINGSWAARDEDECLARATIE

De informatie over de energie en de nutriënten wordt naargelang het geval in de onderstaande volgorde gepresenteerd:

energie

▌kcal

vetten

g

verzadigde vetzuren

g

suiker

g

zout

g

eiwitten

g

koolhydraten

g

vezels

g

natuurlijke transvetzuren

g

kunstmatige transvetzuren

g

energie

▌kcal

enkelvoudige onverzadigde vetzuren

g

meervoudig onverzadigde vetzuren

g

polyolen

g

cholesterol

g

zetmeel

g

vitaminen en mineralen

de in punt 1 van deel A van bijlage X aangegeven eenheden

andere stoffen

voor de afzonderlijke stoffen passende eenheden

(1) PB C 77 van 31.3.2009, blz. 81.
(2) PB C 77 van 31.3.2009, blz. 81.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 16 juni 2010.
(4) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.
(5) PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.
(6) PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.
(7) PB L 276 van 6.10.1990, blz. 40.
(8) PB L 113 van 30.4.1987, blz. 57.
(9) PB L 300 van 23.11.1994, blz. 14.
(10) PB L 69 van 16.3.1999, blz. 22.
(11) PB L 191 van 19.7.2002, blz. 20.
(12) PB L 97 van 1.4.2004, blz. 44.
(13) PB L 162 van 30.4.2004, blz. 76.
(14) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 160.
(15) PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1.
(16) PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16.
(17) PB L 302 van 19.10.1993, blz. 1.
(18) PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.
(19) PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9.
(20) PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.
(21) PB L 404 van 30.12.2006, blz. 26.
(22) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(23)* PB: datum van inwerkingtreding van deze verordening invoegen.
(24)** PB: 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(25) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1.
(26) PB L 40 van 11.2.1989, blz. 27.
(27) PB L 184 van 15.7.1988, blz. 61.
(28) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.
(29) PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.
(30) PB L 247 van 21.9.2007, blz. 17.
(31) PB L 91 van 7.4.1999, blz. 29.
(32) PB L 401 van 30.12.2006, blz. 1.
(33) PB L 339 van 6.12.2006, blz. 16.
(34) PB L 144 van 4.6.1997, blz. 19.
(35)* PB: 5 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(36) PB L 176 van 6.7.1985, blz. 18.
(37) PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51.
(38) PB L 229 van 30.8.1980, blz. 1.
(39) PB L 186 van 30.6.1989, blz. 27.
(40)* PB: vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
(41)* Vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening .
(42) PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.
(43)* De datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(44)* De datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(45)** PB: 5 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(46)* De eerste dag van de maand, 36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(47)** De datum van inwerkingtreding van deze verordening
(48)*** De eerste dag van de maand, 60 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(49) En producten daarvan, voor zover het proces dat zij hebben ondergaan naar verwachting niet zal leiden tot een grotere allergeniciteit dan de EFSA in het desbetreffende uitgangsproduct heeft vastgesteld.
(50) De bedoelde gehalten gelden voor het product als aangeboden voor gebruik of als gereconstitueerd volgens de aanwijzingen van de fabrikant.
(51) PB L 66 van 13.3.1999, blz. 26.
(52) Het middenrif en de kauwspieren maken deel uit van de skeletspieren, terwijl het hart, de tong, de kopspieren (met uitzondering van de kauwspieren), het carpaal- en tarsaalgewricht en de staart er geen deel van uitmaken.
(53) Voor de etikettering in de Engelse taal mag deze vermelding worden vervangen door de aan het vlees van de betrokken diersoort gegeven generieke naam.
(54) Het gehalte aan bindweefsel wordt berekend op basis van de collageen/eiwitverhouding. Het collageengehalte bedraagt achtmaal het hydroxyprolinegehalte.
(55) Voor de etikettering in de Engelse taal mag deze vermelding worden vervangen door de aan het vlees van de betrokken diersoort gegeven generieke naam.
(56) Alleen voor smeltkaas en producten op basis van smeltkaas.
(57) De specifieke benaming of het EG-nummer behoeft niet te worden vermeld.
(58) De referentie-innames zijn indicatieve waarden; ze moeten meer in detail bepaald worden door de Europees Autoriteit voor Voedselveiligheid.


EU 2020
PDF 158kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over EU 2020
P7_TA(2010)0223RC-B7-0348/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de informele bijeenkomst van de Europese Raad op 11 februari 2010,

–  gezien de openbare raadpleging die de Commissie heeft gehouden over EU 2020 en de resultaten daarvan (SEC(2010)0116),

–  gezien de evaluatie van de Lissabon-strategie door de Commissie (SEC(2010)0114),

–  gezien het document van de Europese Raad ’In zeven stappen naar de verwezenlijking van de Europese strategie voor groei en werkgelegenheid’,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 2010 over de EU 2020(1),

–  gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de financiële, economische en sociale crisis ernstig blijft en dat de verwachtingen met betrekking tot de nieuwe EU 2020-strategie die in juni 2010 door de Europese Raad moet worden aangenomen, dan ook zeer hoog gespannen zijn,

B.  overwegende dat de werkloosheid in tal van lidstaten nog steeds stijgt, en dat in de EU uiteindelijk 28 miljoen mensen hier het slachtoffer van kunnen worden omdat een adequate beleidsreactie op middellange termijn ontbreekt, en dat hierdoor enorme sociale en menselijke problemen worden veroorzaakt; overwegende dat de crisis miljoenen banen heeft vernietigd en de werkonzekerheid heeft verergerd,

C.  overwegende dat een duurzamer productie-, distributie- en consumptiepatroon een noodzakelijke vereiste is om de klimaatverandering, de teloorgang van de biodiversiteit en de uitputting van grondstoffenreserves aan te pakken,

D.  overwegende dat de mededeling van de Commissie en de verklaringen van de Raad over aspecten van de inhoud van de EU 2020-strategie, zoals de hoofddoelen, toonaangevende voorstellen, knelpunten en indicatoren, van zeer algemene aard waren, en dat de Commissie daarom dringend met gedetailleerder plannen moet komen om te verduidelijken hoe deze initiatieven met succes zullen worden uitgevoerd, en deze plannen voor moet leggen aan het Parlement,

E.  overwegende dat, met het oog op resultaten, de Europese taken en verantwoordelijkheden op goed georganiseerde wijze moeten worden verdeeld tussen het Europese, nationale, regionale en lokale bestuursniveau, alle niveaus van bestuur van de hoogste kwaliteit moeten zijn en gekenmerkt moeten worden door de hoogste verantwoordingsplicht, en alle belangrijke drijvende krachten achter verandering – ondernemingen en universiteiten die in partnerschap samenwerken met lokale en regionale overheden en het maatschappelijk middenveld – een centrale rol moeten spelen in de nieuwe, resultaatgerichte aanpak,

F.  overwegende dat het belangrijk is rekening te houden met de demografische crisis en de gevolgen ervan, en overwegende dat de komende generaties niet mogen worden opgeofferd om de verworven rechten van de vorige generaties te handhaven,

Algemene opmerkingen

1.  is teleurgesteld over de belangrijkste elementen van de nieuwe EU 2020-strategie, die de Europese Raad op 26 maart 2010 overeenkwam; dringt er bij de Europese Raad op aan lessen te trekken uit de huidige crisis en een werkelijk vooruitziende, ambitieuze en samenhangende strategie te bepalen;

2.  dringt er daarom op aan dat de EU 2020-strategie een ruim politiek concept nastreeft voor de toekomst van de EU als concurrerende, sociale en duurzame Unie, waarin mensen en de bescherming van het milieu centraal staan bij de beleidsvorming;

3.  is van mening dat de lidstaten hun economische prestaties moeten verbeteren door structurele hervormingen door te voeren om de overheidsuitgaven te optimaliseren, te zorgen voor minder bureaucratie, burgers meer zeggenschap te geven, ondernemerschap en vernieuwing aan te moedigen, de regelgeving kmo-vriendelijker te maken en de mensen de mogelijkheid te bieden hun potentieel te maximaliseren;

4.  erkent dat de Unie, om te voorkomen dat de antwoorden op de eurocrisis leiden tot een lange periode van economische stagnatie, tegelijkertijd een strategie ten uitvoer moet leggen om de duurzame economische groei te versnellen, naast hervormingen die tot doel hebben de concurrentiekracht te herstellen en te verbeteren;

5.  betreurt dat er in de conclusies van de Europese Raad geen rekening mee wordt gehouden dat het huidige fragiele herstel ten volle in de nieuwe EU 2020-strategie tot uiting moet komen, door het formuleren van een samenhangende beleidsagenda en door het macro-economische beleid op een omvattende wijze in deze strategie te integreren, om ervoor te zorgen dat de noodzakelijke begrotingsconsolidatie de strategie niet ondergraaft;

6.  betreurt het feit dat het Parlement, als instelling die de burgers van Europa vertegenwoordigt, niet is geraadpleegd over de indicatoren die aan de basis liggen van het nationale hervormingsprogramma van EU 2020; dringt er bij de Raad op aan de belangrijkste elementen van de EU 2020-strategie aan te nemen tijdens zijn vergadering in juni, maar staat erop dat de uiteindelijke beslissingen over de belangrijkste instrumenten, doelstellingen en indicatoren van de EU 2020-strategie slechts worden aangenomen nadat het Parlement, zo spoedig mogelijk, op een adequate manier is geraadpleegd; is op dezelfde manier van mening dat nationale parlementen, regio's, gemeenten, sociale partners en ngo's actief bij de vaststelling en uitvoering van de strategie moeten worden betrokken;

Knelpunten en hoofddoelen

7.  neemt kennis van de vijf hoofddoelen die door de Europese Raad zijn vastgesteld op het gebied van werkgelegenheid, onderzoek en ontwikkeling, de uitstoot van broeikasgassen, het onderwijsniveau en sociale integratie; benadrukt dat deze hoofddoelen moeten worden geformuleerd in het kader van een logische en samenhangende strategie voor duurzame ontwikkeling waarin economisch, sociaal en milieubeleid worden gecombineerd;

Een nieuwe impuls voor de interne markt

8.  benadrukt dat de interne markt één van drijvende krachten achter de Europese groei is en nog steeds niet volledig is voltooid; wijst er eveneens op dat alle Europese instellingen verdere inspanningen moeten leveren om de overblijvende obstakels voor het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal weg te werken om een betere, meer concurrerende en effectievere interne markt tot stand te brengen;

9.  onderstreept dat het belangrijk is vrijhandel en toegang tot wereldwijde markten centraal te laten staan bij de beleidsvorming en onder geen beding de kant van het protectionisme op te gaan, aangezien innoverende ondernemers en bedrijven zich alleen op een vrije en wereldwijde markt kunnen ontwikkelen;

10.  benadrukt dat ambitieuzere initiatieven nodig zijn om de interne markt te voltooien en om te zorgen voor een groter maatschappelijk draagvlak ervoor; is bijgevolg verheugd over het verslag dat is opgesteld door Mario Monti, dat, net als de resolutie van het Parlement van 20 mei 2010(2), interessante voorstellen bevat om te zorgen voor consensus en de totstandbrenging van een sterkere interne markt;

11.  is van mening dat de Commissie, met het oog op de totstandbrenging van een effectieve interne markt, een duidelijke lijst met politieke prioriteiten moet vaststellen door een ’Single Market Act’ aan te nemen, die zowel wetgevings- als niet-wetgevingsinitiatieven moet dekken gericht op de totstandbrenging van een uiterst concurrerende sociale markteconomie;

Kmo's in een sociale markteconomie

12.  benadrukt dat de EU kmo's en ondernemerschap moet stimuleren en ondersteunen, omdat dit essentiële factoren zijn voor het behoud en het scheppen van banen, dat ze de administratieve lasten en de veelheid van regels moet verminderen en de regelgeving vereenvoudigen zodat kmo's sneller kunnen groeien door hun producten of diensten vrij te kunnen aanbieden aan de 500 miljoen consumenten op de Europese interne markt, en dat ze de bureaucratie verder moet beperken; onderstreept voorts dat het belangrijk is dat de ’Small Business Act’ volledig wordt uitgevoerd, door politieke inspanningen op alle niveaus;

13.  onderstreept dat kmo's de ruggengraat van onze sociale markteconomie vormen, banen scheppen en van essentieel belang zijn om de duurzame economische groei nieuw leven in te blazen, en dat voorrang moet worden gegeven aan verdere inspanningen op het gebied van hervormingen, zoals kmo-vriendelijke wetgeving, de totstandbrenging van een vitaal klimaat voor beginnende ondernemers, de aanmoediging van ondernemerschap en de verbetering van de toegang tot financiering; is voorts van mening dat de EU 2020-strategie doelstellingen en initiatieven moet omvatten om het gemiddelde percentage aandelen- en risicodragend kapitaal in ondernemingen te helpen verhogen;

14.  wijst erop dat micro-ondernemingen vaak een middel zijn om werkloosheid te bestrijden, en dat een bedrijf opzetten vaak een manier is om ondanks sociale inertie te slagen, dat de mogelijkheid om de nodige middelen voor de bedrijfsactiviteiten bijeen te brengen de eerste voorwaarde voor de ontwikkeling van kmo's is, en dat het behoud van garantiemechanismen voor kmo's, dynamische secundaire markten en een banksector die de economische activiteit in Europa bevordert voorwaarden zijn voor de ontwikkeling van kmo's;

Werkgelegenheidsdoelstelling

15.  herhaalt dat hoogwaardige werkgelegenheid een hoofdprioriteit moet zijn in de EU 2020-strategie en dat het voor de verbetering van de werkgelegenheidsresultaten van cruciaal belang is goed werkende arbeidsmarkten en sociale omstandigheden meer centraal te stellen; pleit daarom voor een nieuwe agenda om fatsoenlijk werk te bevorderen, de rechten van werknemers in heel Europa te verzekeren en de arbeidsomstandigheden te verbeteren;

16.  is van mening dat in de nieuwe strategie meer nadruk moet worden gelegd op fatsoenlijk werk, met inbegrip van de bestrijding van zwart werk, en op het verzekeren dat mensen die momenteel van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, daar weer toegang toe kunnen krijgen;

17.  is van mening dat de nieuwe strategie arbeidsmarkten moet bevorderen die de stimulansen en de voorwaarden voor personen die werken verbeteren, terwijl tegelijkertijd wordt gezorgd voor meer stimulansen voor werkgevers om personeel aan te nemen en te behouden;

Onderzoeksdoelstelling

18.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan dat zij de doelstelling van 3% van het bbp voor O&O handhaven; roept de lidstaten op de potentiële synergie tussen de fondsen van het cohesiebeleid en de fondsen voor O&O beter te benutten en ervoor te zorgen dat deze instrumenten leiden tot innovatie die de samenleving reële voordelen oplevert;

19.  benadrukt dat belangrijke O&O-projecten, sleutelinvesteringen in energie-infrastructuur, de nieuwe EU-bevoegdheid inzake ruimtebeleid en de financiering van het innovatiebeleid van de EU stevige, geloofwaardige en duurzame financiële steun van de EU vergen om de hoofddoelen van de Unie voor 2020 te kunnen verwezenlijken;

20.  wijst erop dat Europa zijn potentieel verder moet versterken op het vlak van geschoolde arbeidskrachten, onderzoek en technologie, en daardoor ook zijn capaciteit om te innoveren, als belangrijkste aspecten van de concurrentiekracht, en dat de kennisdriehoek de kern van de EU 2020-strategie moet blijven uitmaken;

21.  is van mening dat het, voor een efficiënter onderzoek in Europa, van cruciaal belang is dat de bestaande structuren beter worden gestroomlijnd en dat er in zowel de openbare als de particuliere sector wordt gezorgd voor een meer onderzoeks- en innovatievriendelijk investeringsklimaat; vraagt de Commissie om met praktische maatregelen te komen voor een betere toegang tot financiering, en met name de beschikbaarheid van risicokapitaal te verbeteren;

Doelstellingen op het vlak van klimaat en energie

22.  betreurt het feit dat de hoofddoelen van de Europese Raad over broeikasemissies, hernieuwbare energiebronnen en een grotere efficiëntie bij het energiegebruik weinig ambitieus zijn en niet gericht zijn op een leidersrol in een wereld die geconfronteerd wordt met de dreiging van de klimaatverandering, met een uitputting van natuurlijke hulpbronnen en wereldwijde ecosystemen die op het punt van ineenstorting staan; vraagt bijgevolg om de onmiddellijke en gelijktijdige vaststelling van de volgende bindende doelstellingen voor de EU:

   (a) een doelstelling om de eigen broeikasgasemissies te verminderen met 30% tegen 2020 en een substantiële verdere vermindering op lange termijn, op voorwaarde dat andere landen eveneens bereid zijn zich ertoe te verbinden passende maatregelen te nemen;
   (b) een doelstelling inzake een efficiënter gebruik van de hulpbronnen;
   (c) een doelstelling om het energieverbruik met 20% te verminderen en het aandeel van hernieuwbare energiebronnen te verhogen tot ten minste 20% tegen 2020, waarbij de technische en niet-technische belemmeringen voor de verdere ontwikkeling van duurzame hernieuwbare energiebronnen worden verwijderd, als eerste stap op weg naar de totstandbrenging, tegen 2050, van een uiterst efficiënte economie zonder CO2-uitstoot, die voornamelijk gebaseerd is op hernieuwbare energiebronnen;
   (d) meetbare streefdoelen om het verlies van biodiversiteit en ecosysteemdiensten te stoppen en deze waar mogelijk tegen 2020 te herstellen;

Onderwijsdoelstelling

23.  neemt kennis van het hoofddoel inzake de verbetering van het onderwijs; betreurt het ontbreken van in cijfers uitgedrukte streefdoelen en dringt er bij de Europese Raad op aan een streefdoel van 100% vast te stellen voor het secundair onderwijs, alsook kwalitatieve streefdoelen en indicatoren voor het basis- en het secundaire onderwijs;

24.  vraagt de lidstaten de ambitieuze doelstellingen in de mededeling van de Commissie over EU 2020 te onderschrijven, zodat het percentage voortijdige schoolverlaters tegen 2020 wordt verlaagd tot minder dan 10% van het leeftijdscohort en dat ten minste 40% van de bevolking hoger of gelijkwaardig onderwijs heeft voltooid;

25.  benadrukt het belang van beleid inzake levenslang leren, waarbij opleidingsmogelijkheden moeten worden aangemoedigd en beschikbaar moeten zijn voor mensen gedurende hun hele werkzame leven; wijst erop dat het noodzakelijk zal zijn het aantal actieven op de arbeidsmarkt te handhaven en de sociale integratie te versterken;

Doelstelling op het vlak van armoedebestrijding

26.  staat erop dat in de EU 2020-strategie de doelstelling wordt opgenomen om de armoede in de EU met de helft te verminderen, en wijst erop dat de meerderheid van de Europeanen die momenteel in armoede leven of het risico lopen om in armoede te leven, vrouwen zijn, en met name oudere vrouwen, migrantenvrouwen, alleenstaande moeders en thuisverzorgers;

27.  spreekt zijn waardering uit voor de voorstellen van de Europese Raad met betrekking tot sociale integratie, met name en hoofdzakelijk door de beperking van de armoede, en benadrukt dat duidelijke doelen en initiatieven nodig zijn; is van mening dat dit een van de belangrijkste doelen is van de Europa 2020-strategie; dringt aan op een ambitieuze langetermijnstrategie ter bestrijding van armoede, met verstrekkende doelen voor armoedebeperking, sociale integratie – eveneens van vrouwen, kinderen en ouderen – en voor de strijd tegen de armoede onder werkenden; benadrukt de nood aan een doelstelling om het aantal huishoudens waar niemand een baan heeft te verminderen;

Gendergelijkheid

28.  betreurt dat gendergelijkheid niet in de door de Europese Raad vastgestelde hoofddoelen wordt genoemd; bepleit een programma voor gendergelijkheid om de bestaande verschillen in beloning tussen mannen en vrouwen weg te werken, een volwaardige deelneming van vrouwen aan de arbeidsmarkt en het politieke leven te verzekeren, en tegelijk de carrièrekansen van vrouwen te verbeteren; benadrukt dat betere voorwaarden nodig zijn om werk en gezin te kunnen combineren;

Vlaggenschipinitiatieven
Vlaggenschipinitiatief: ’Innovatie-Unie’

29.  is van oordeel dat een succesvolle uitvoering van het nieuwe vlaggenschip ’Innovatie-Unie’ van cruciaal belang is om de op kennis gebaseerde economie te stimuleren; roept de Commissie op het totaalbedrag dat is uitgetrokken voor onderzoek en innovatie in de communautaire begroting te verhogen;

30.  onderstreept het belang van de vereenvoudiging van de financiering van onderzoek en ontwikkeling en het beperken van de rompslomp, zodat kennisbedrijven hun doeltreffendheid kunnen maximaliseren en nieuwe werkgelegenheidsmogelijkheden kunnen worden gestimuleerd;

31.  dringt er bij de Commissie op aan de omstandigheden om te innoveren te verbeteren, bijvoorbeeld door het uniforme EU-octrooi in te voeren; is van oordeel dat goedbedoelde programma's ter stimulering van de concurrentie en een duurzame economie niet uit de verf komen, en dat KMO's, universiteiten en bedrijven ertoe moeten worden aangemoedigd deel te nemen aan Europese programma's;

32.  is van oordeel dat expliciete doelstellingen moeten worden bepaald voor op MKB's afgestemde financieringsinstrumenten, teneinde digitale interoperabiliteit en toegankelijkheid te garanderen, en dat deze duidelijk EU-doelstellingen voor eco-innovatie moeten omvatten;

33.  is van oordeel date er een aanzienlijk niet gebruikt potentieel bestaat voor de bevordering van innovatie via overheidsopdrachten; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook het belang van innovatieve overheidsopdrachten voor de verwezenlijking van de O&O-doelstellingen te beklemtonen, alsmede de rol die zij spelen voor het stimuleren van op onderzoek gebaseerde MKB's en het potentieel ervan in termen van verlening van overheidsdiensten van hoge kwaliteit en verwezenlijking van de doelstellingen inzake klimaatverandering;

Vlaggenschipinitiatief: ’Jeugd in beweging’

34.  beklemtoont dat het Parlement ook de jeugd als een sleutelprioriteit voor de begroting 2011 beschouwt en duidelijk het voornemen heeft geuit verdere financiële steun te verlenen voor alle belangrijke programma's op dit gebied;

35.  onderstreept dat om het probleem van de hoge werkloosheid onder jongeren op te lossen meer het accent moet worden gelegd op het garanderen van opleiding en werkgelegenheid voor alle jonge mensen, het verlagen van de drempels voor jongeren bij het zoeken naar hun eerste baan en het uitwerken van EU-programma's ter bevordering van ondernemerschap onder jongeren, in alle onderwijsfasen;

36.  beschouwt het hoger onderwijs als een essentiële drijvende kracht voor de economische en sociale ontwikkeling, en is dan ook van oordeel dat meer het accent moet worden gelegd op de follow-up van het Bologna-proces en de naleving door de lidstaten van de overeengekomen beginselen in de hele Europese Ruimte voor hoger onderwijs;

Vlaggenschipinitiatief: ’Een Digitale Agenda voor Europa’

37.  verwelkomt de recente ambitieuze voorstellen van de Commissie inzake de digitale agenda en verzoekt de lidstaten deze initiatieven volledig ten uitvoer te leggen;

38.  beklemtoont het enorme werkgelegenheidspotentieel van de ICT-sector en zijn sleutelrol om van Europa een middelen- en energie-efficiënte economie te maken; wijst erop dat concurrentie in de sector innovatie in de hand werkt en benadrukt de nood aan vrije en concurrerende markten die openstaan voor nieuwe spelers en die de invoering van nieuwe, innovatieve technologieën vergemakkelijken; benadrukt dat het belangrijk is inspanningen te blijven leveren om te zorgen voor universele toegang met hoge snelheid tot vaste en mobiele breedbandverbindingen, onder eerlijke voorwaarden en met concurrerende prijzen voor alle burgers en consumenten, ongeacht waar ze zich bevinden; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle beschikbare beleidsinstrumenten te bevorderen die kunnen bijdragen aan de toegang tot breedbandverbindingen voor alle Europese burgers, met inbegrip van nationale doelstellingen op het gebied van dekking voor breedbandinternet en snelle toegang, alsmede speciale programma's om de computervaardigheid van kinderen te vergroten via het gebruik van computers op scholen;

39.  wijst erop dat de Europese digitale agenda een cruciale impact zal hebben op het gebied van cultuur, media en onderwijs en dat een geïntegreerde, eerder dan een gecompartimenteerde benadering daarom vereist is; acht het van wezenlijk belang in alle beleidsinitiatieven die betrekking hebben op de digitale agenda aandacht te besteden aan de impact van nieuwe media, bijvoorbeeld door de toezegging om e-vaardigheden te bevorderen, en aan online-inhoud, naast economische en technische overwegingen en overwegingen met betrekking tot de interne markt;

40.  constateert evenwel dat het vrije verkeer van digitale diensten op dit moment hinder ondervindt van de versnipperde regelgeving op nationaal niveau;

41.  is van oordeel dat de scheppende industrie eveneens een belangrijke rol speelt in het digitale milieu, doordat zij de culturele diversiteit in de EU bevordert;

Vlaggenschipinitiatief: ’Een Europa dat efficiënt gebruik maakt van zijn hulpbronnen’

42.  is van mening dat de milieuaspecten van de EU 2020-strategie algemeen beschouwd te zwak zijn en bijgevolg moeten worden versterkt; dringt erop aan dat duidelijke en meetbare doelstellingen op het gebied van milieu worden opgenomen in de belangrijkste doelstellingen van de strategie, met nadruk op het tot staan brengen van het verlies aan biologische diversiteit;

43.  is van mening dat de EU 2020-strategie moet worden afgestemd op het bereiken van de langetermijndoelstelling van de EU om de broeikasgasemissies met 80% te verminderen tegen 2050, met name door de energie-efficiëntie te verhogen en door minder afval te produceren, om zo de concurrentiepositie van Europa te verbeteren en de kosten te verminderen;

44.  vindt dat een verbetering van het efficiënt gebruik van de hulpbronnen een prioriteit moet zijn in de hele strategie, en er met name aandacht moet worden besteed aan de gevolgen van de steeds stijgende olieprijzen en de beperkte voorraad edele metalen, die van cruciaal belang zijn voor elektronica in het algemeen en de productie van batterijen voor elektrische voertuigen in het bijzonder;

45.  is van mening dat innovatie sterk moet worden gestimuleerd om de doelstellingen op het gebied van milieuverbetering, een efficiënt gebruik van de hulpbronnen en kostenvermindering te verwezenlijken, en dat wettelijke doelen en de invoering van regelgevende maatregelen de meest effectieve manieren zijn om dergelijke innovatie te bevorderen;

46.  is van mening dat de regels voor de verdeling van de structuurfondsen van de EU moeten worden aangepast om rekening te houden met de noodzaak innovatie te bevorderen die zorgt voor een vermindering van de kosten en een beter gebruik van de hulpbronnen;

Vlaggenschipinitiatief: ’Schone en efficiënte energie’

47.  onderstreept dat duurzame productieprocessen, gekoppeld aan een efficiënt gebruik van hulpbronnen en een geïntegreerd energiebeleid, alsmede de verdere ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen, de EU in staat zullen stellen niet alleen haar klimaat- en energiedoelstellingen te verwezenlijken, maar ook een sterke industriële basis in Europa te behouden en het concurrentievermogen, de groei en de werkgelegenheid te stimuleren;

48.  betreurt dat het de Europa 2020-strategie aan iedere ambitie ontbreekt voor de ontwikkeling van een werkelijk gemeenschappelijk Europees energiebeleid; wijst er met nadruk op dat een werkende interne markt weliswaar een hoofddoel voor Europa vormt en dat het derde pakket maatregelen op energiegebied snel ten uitvoer moet worden gelegd, maar dat er door de te grote nadruk op dit aspect van het Europese energiebeleid afbreuk is gedaan aan de andere twee doelen, namelijk ’duurzame ontwikkeling’ en ’gegarandeerde aanvoer’; wijst er andermaal op dat de interne markt niet los van de externe dimensie kan worden aangepakt en dat Europa behoefte heeft aan een gemeenschappelijk Europees energiebeleid om daadwerkelijk invloed te kunnen uitoefenen op de continuïteit van de energievoorziening, de klimaatverandering en de betaalbaarheid van energie;

49.  benadrukt het feit dat efficiënt energiegebruik niet alleen het meest kosteneffectieve middel is om de emissie van broeikasgassen te verminderen en de veiligheid van de energievoorziening te verbeteren, maar dat hierdoor ook tegen 2020 een aanzienlijk aantal arbeidsplaatsen zou kunnen worden gecreëerd; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan om energie-efficiëntie bovenaan de EU-agenda te plaatsen, ook in budgettaire termen; roept er meer in het bijzonder toe op om de uitvoering van de bestaande regelgeving te verbeteren en te zorgen voor een tijdig en ambitieus voorstel voor het nieuwe Europees actieplan inzake energie-efficiëntie, met inbegrip van de herziening van de richtlijn inzake energiediensten en de vaststelling van een bindend streefcijfer voor energie-efficiëntie;

50.  wijst erop dat om de klimaatverandering het hoofd te bieden aanzienlijke investeringen in energie-infrastructuur noodzakelijk zullen zijn vóór 2020 en daarna, inclusief investeringen in de opwaardering van de Europese energienetwerken, een echt Europees intelligent superenergienetwerk, groene corridors, interconnecties, de voltooiing van het Galileo-project, groene technologie, e-gezondheid, het Trans-Europese transportnetwerk (TEN-T)-programma en vrij en rechtvaardige toegang tot ICT en breedband; onderstreept verder dat het van essentieel belang is dat de interne energiemarkt wordt voltooid en de lidstaten ertoe worden aangespoord onverwijld het derde energiepakket ten uitvoer te leggen, teneinde economische groei, de openstelling van de markt en de versterking van de rechten van de consumenten te bevorderen, en de zekerheid van de energievoorziening te vergroten; acht het van essentieel belang dat deze drie initiatieven worden voortgezet, teneinde de interne energiemarkt te stimuleren en het aandeel van hernieuwbare energiebronnen te vergroten, en grote infrastructuurprojecten in derde landen verder te ontwikkelen, met name in het Middellandse-Zeegebied en de regio's van Eurazië; constateert dat hernieuwbare energiebronnen de beste inheemse energiebronnen van ons continent zijn, en vraagt bijgevolg ambitieuze uitvoeringsmaatregelen teneinde de verplichtingen van de lidstaten inzake hernieuwbare energie na te komen;

51.  wijst er andermaal op dat de Europese Unie doelmatiger moet investeren in bestaande vervoersinfrastructuur, zoals TEN-T, om de schepping van banen aan te wakkeren, de sociale en territoriale samenhang te verbeteren en een duurzaam en interoperabel vervoerssysteem op te zetten; dringt aan op samenspel van middelen van vervoer en intelligent gebruik van logistiek, daar voor het koolstofvrij en duurzaam maken van de vervoerssector innovatie, nieuwe technologieën en financiële middelen nodig zullen zijn;

Vlaggenschipinitiatief: ’Industriebeleid in een tijd van mondialisering’

52.  steunt resoluut een industriebeleid dat erop gericht is de beste voorwaarden te scheppen voor de handhaving en ontwikkeling van een sterke, concurrerende en gediversifieerde industriële basis in Europa; uit zijn voldoening over en beklemtoont het feit dat een dergelijk beleid de industriesector in zijn geheel dekt en dat het voornaamste doel ervan is adequate kadervoorwaarden te creëren;

53.  wenst dat de Europese industrie wordt omgeschakeld via een duurzaam industriebeleid dat gericht is op het scheppen van duurzame banen en het verbeteren van het efficiënte gebruik van hulpmiddelen; is van oordeel dat de duurzame ontwikkeling van de Europese industrie een intensieve dialoog met werknemers en arbeiders vereist; herhaalt dat voor deze omschakeling maatregelen vereist zijn om werknemers te helpen bij de overstap op een nieuwe, milieutechnisch duurzame economie;

54.  is van oordeel dat EU 2020 de kosten en baten van de omschakeling naar een duurzame, energie-efficiënte economie moet aangeven, en wijst erop dat het vergemakkelijken van de aanpassing van de industrie aan structurele veranderingen een doelstelling van de Unie en de lidstaten is;

55.  herhaalt zijn verzoek dat wordt voorzien in adequate financiering ter ondersteuning van schone, duurzame en efficiënte koolstofarme technologieën, met in totaal jaarlijks minimaal 2 miljard euro uit de EU-begroting, bovenop de uitgaven voor KP7 en KCI, en dit vanaf 2010; verzoekt de Commissie en de lidstaten in die context dringend een tijdschema vast te stellen voor hun financieringsverplichtingen, teneinde te garanderen dat de kredieten voor de diverse initiatieven van het SET-plan en de aanvullende initiatieven vanaf 2010 worden uitbetaald;

Vlaggenschipinitiatief: ’Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen’

56.  acht het van belang dat wordt gekeken naar het tanende concurrentievermogen van Europa op mondiaal niveau en dat, rekening houdend met de voorspelde arbeidstekorten op lange termijn, verder wordt gekeken dan de crisis en wordt gezocht naar Europese regelingen om kennismigratie toe te staan en een Europese ’brain drain’ tegen te gaan;

57.  is van oordeel dat het beleid moet worden toegespitst op het aanpakken van de jeugdwerkloosheid en het bevorderen van het effectief op elkaar afstemmen van vaardigheden en arbeidsmarkten, en dat er daarom moet worden gezorgd voor meer grensoverschrijdende mobiliteit voor studenten en onderzoekers in de context van uitwisselingen en stages, teneinde de internationale aantrekkingskracht van de Europese instellingen voor hoger onderwijs te vergroten; vindt dat de Europese toezeggingen inzake onderwijs tot uiting moeten komen in de strategie EU 2020, en verwelkomt het initiatief van de Commissie om in cijfers uitgedrukte streefdoelen op te nemen in de strategie;

58.  wenst dat de lidstaten, de Raad, de Commissie en het Parlement voor het eind van het jaar een ambitieuze groene werkgelegenheidsstrategie aannemen, waarin de kadervoorwaarden worden bepaald voor het gebruik van het werkgelegenheidspotentieel van een duurzamere economie op basis van vaardigheden en innovatie, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de overstap naar een dergelijke economie wordt ondersteund door opleiding, een leven lang leren en sociale zekerheid voor allen;

Vlaggenschipinitiatief: ’Europees platform tegen armoede’

59.  is verheugd over het voorstel van de Commissie om een platform tegen armoede in te stellen, maar benadrukt dat de bestrijding van armoede moet worden geïntensiveerd; is van oordeel dat de Europa 2020-strategie in dit opzicht expliciet ambitieuze streefdoelen moet omvatten om de ongelijkheid te verminderen, en met name de kloof tussen arm en rijk; is daarom van mening dat armoede moet worden gemeten als ’relatieve armoede’, om te helpen diegenen te identificeren die gevaar van uitsluiting lopen;

60.  is van mening dat de keuze van indicatoren voor armoede en sociale integratie de noodzaak moet weerspiegelen om de armoede te verminderen door individuele personen, en met name vrouwen, aan te zetten tot deelname aan de arbeidsmarkt; vraagt daarom dat nieuwe instrumenten worden ontwikkeld om het verband te meten tussen uitsluiting van de arbeidsmarkt en armoede op individueel niveau; beklemtoont dat sociale diensten van cruciaal belang zijn voor sociale integratie;

Cohesiebeleid

61.  is van mening dat een krachtig en goed gefinancierd cohesiebeleid, gericht op alle Europese regio's, volledig in lijn moet zijn met de EU 2020-strategie en dat dit beleid, met zijn horizontale benadering, een eerste vereiste vormt voor de succesvolle verwezenlijking van de EU 2020-doelstellingen, alsmede voor het tot stand brengen van sociale, economische en territoriale cohesie; dringt er dan ook op aan dat de uitvoeringsvoorschriften voor het cohesiebeleid verder worden vereenvoudigd om te zorgen voor gebruiksvriendelijkheid, de eerbiediging van het beginsel van verantwoordingsplicht, en een responsievere benadering van toekomstige uitdagingen en het risico van economische crises;

62.  is van mening dat de mondiale crisis moet worden aangegrepen als een gelegenheid om de funderingen van onze Europese sociale markteconomie te vernieuwen in de vorm van een maatschappelijk model dat gebaseerd is op duurzaamheid, solidariteit, kennis, een aanzienlijke vermindering van de armoede en het scheppen van banen, en dat de EU 2020-strategie het werkgelegenheidspotentieel van de overgang naar een duurzame economie moet ontwikkelen;

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

63.  wijst erop dat de hervorming van het GLB tegen 2013 en een duurzame bosbouwstrategie moeten worden overwogen in het kader van de EU 2020-strategie; is ervan overtuigd dat de land- en bosbouw, in het juiste beleidskader en met toereikende begrotingsmiddelen, een belangrijke rol kunnen vervullen in een algehele Europese strategie die gericht is op economisch herstel, en daarbij tevens kunnen bijdragen aan de voedselzekerheid in de EU en de wereld, het behoud kunnen waarborgen van het rurale landschap dat 90% uitmaakt van het EU-gebied, kunnen zorgen voor de bescherming van banen in plattelandsgebieden, ecologische voordelen kunnen brengen en een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het onderzoek naar alternatieve energiebronnen;

Extern optreden van de Europese Unie

64.  benadrukt dat meer aandacht moet worden besteed aan de externe dimensie van de EU 2020-strategie; verzoekt de Commissie met klem in haar externe optreden een bredere en meer alomvattende aanpak aan de dag te leggen, in aansluiting op het EU-concept van beleidssamenhang met het oog op ontwikkeling; roept de Commissie op haar handelsstrategie voor EU 2020 eveneens te gebruiken voor de bevordering van de kernwaarden van de Unie, zoals mensenrechten, democratie, de rechtstaat, de fundamentele vrijheden en de bescherming van het milieu;

65.  benadrukt dat de Commissie haar handelsstrategie voor EU 2020 op zo'n wijze vorm moet geven dat het handelsbeleid van de EU een waar instrument wordt voor het scheppen van werkgelegenheid en duurzame ontwikkeling in de hele wereld, en dat ze in een vroeg stadium een open dialoog met het Europees Parlement en maatschappelijke organisaties moet nastreven over de prioriteiten van de EU voor de periode na Doha, met name betreffende sociale en milieunormen en de hervorming van de WTO;

o
o   o

66.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0053.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0186.


Economisch bestuur
PDF 128kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over economisch bestuur
P7_TA(2010)0224RC-B7-0349/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de informele bijeenkomst van de Europese Raad op 11 februari 2010,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 2010 over EU-2020(1),

–  gezien de bijeenkomst van de staats- en regeringsleiders van de landen van de eurozone en van de Raad Ecofin over het Europees financieel stabiliseringsmechanisme,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 12 mei 2010 over intensivering van economische beleidscoördinatie (COM(2010)0250),

–  gezien de zes verslagen die op 10 mei 2010 in de Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement zijn aangenomen,

–  gezien het werk van de Bijzondere Commissie financiële, economische en sociale crisis,

–  gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de huidige financieel-economische crisis duidelijk maakt dat er behoefte bestaat aan beter economisch en monetair bestuur,

B.  overwegende dat de ’EU 2020’-strategie de economische groei moet bevorderen en werkgelegenheid moet scheppen, en dat de daling van het BBP met 4%, de achteruitgang van de industriële productie en de meer dan 23 miljoen vrouwen en mannen die werkloos zijn een sociaal-economische uitdaging betekenen,

Een Europees financieel stabiliseringsmechanisme als belangrijke eerste stap voor stabiliteit van de euro

1.  is van mening dat de overeenkomst die op 9 mei 2010 werd bereikt om een Europees financieel stabiliseringsmechanisme te creëren om zowel de landen van de eurozone als de landen buiten de eurozone bij te staan wanneer ze in financiële moeilijkheden verkeren, van cruciaal belang is in de Europese geschiedenis; betreurt het feit dat de Europese beleidsmakers niet eerder krachtdadig hebben opgetreden, terwijl duidelijk was dat de financiële crisis in omvang toenam;

2.  herinnert de Commissie en de lidstaten eraan dat het Europees Parlement ermee zal moeten instemmen indien de Commissie en de Raad het Europees financieel stabiliseringsmechanisme op de internationale kapitaalmarkten willen toepassen;

3.  is van mening dat de overeenkomst een belangrijke eerste stap is om de Europese Unie een robuust en duurzaam kader te bieden voor het economisch en monetair beleid;

4.  benadrukt dat de recente gebeurtenissen duidelijk maken dat de eurozone behoefte heeft aan steviger economisch bestuur en dat een monetaire pijler zonder een sociaal-economische pijler gedoemd is te mislukken;

De Europese Unie moet haar systeem van economisch bestuur herzien om beter op toekomstige crises voorbereid te zijn

5.  onderstreept dat er, om opnieuw te zorgen voor gezonde groeicijfers en om de doelstelling van duurzame economische groei en sociale cohesie te verwezenlijken, voorrang moet worden gegeven aan de aanpak van het hardnekkige en grootschalige gebrek aan macro-economisch evenwicht en de verschillen in mededingingsvermogen; spreekt er in dit verband zijn waardering voor uit dat de Commissie deze noodzaak erkent in haar mededeling over coördinatie van het economisch beleid;

6.  vraagt de door de Europese Raad in maart 2010 ingestelde task force het tempo van zijn werk op te voeren en uiterlijk in september van dit jaar concrete voorstellen te presenteren, op basis van de communautaire methode, voor een intensievere en bredere economische coördinatie;

7.  wijst op het feit dat de langetermijnstabiliteit van overheidsfinanciën van essentieel belang is voor stabiliteit en groei; is blij met de voorstellen van de Commissie gericht op het versterken van het bestuur op de middellange en lange termijn van de eurozone, die ontworpen zijn om een herhaling van de huidige munteenheidscrisis te voorkomen, en deelt haar standpunt dat het stabiliteits- en groeipact behoefte heeft aan doeltreffender stimulerings- en sanctioneringsmechanismen;

8.  betreurt evenwel het feit dat de voorstellen van de Commissie betreffende Europees economisch bestuur geen ideeën bevatten voor een meer op de ontwikkeling van een gemeenschappelijke begrotingsstrategie gerichte coördinatie van het economisch beleid, in het kader van een alomvattende Europa 2020-strategie, om de economische groeicijfers op de lange termijn te herstellen en te waarborgen;

9.  beklemtoont dat duurzame overheidsfinanciën niet alleen een kwestie van verantwoord uitgeven is, maar ook van adequate en billijke belastingheffing, een doeltreffender inning van belastingen door nationale belastingautoriteiten en een betere bestrijding van belastingontduiking; verzoekt de Commissie in dit verband een reeks maatregelen voor te stellen om de lidstaten te helpen het evenwicht van de overheidsfinanciën te herstellen en overheidsinvesteringen te financieren via het aanboren van innovatieve financiële bronnen;

10.  geeft nog eens aan dat het belangrijk is dat de Europese financiële toezichthouders zowel op micro- als op macroniveau nauw met elkaar samenwerken, teneinde ervoor te zorgen dat hun werk doeltreffend is;

11.  is van oordeel dat de bevoegdheden van Eurostat moeten worden uitgebreid, onder andere via de toekenning van onderzoeksbevoegdheden; is van mening dat open en transparante statistische informatie een noodzakelijke voorwaarde moet zijn om toegang te hebben tot de Structuurfondsen; stelt zich op het standpunt dat de Commissie de verantwoordelijkheid op zich moet nemen voor het beoordelen van de door de lidstaten overlegde statistieken;

12.  dringt aan op de oprichting van een ’Europees monetair fonds’ (EMF), waaraan wordt bijgedragen door de landen van de eurozone in overeenstemming met de grootte van hun BBP en door boetes op basis van hun bovenmatige schulden en tekorten; de lidstaten zouden EMF-middelen moeten kunnen opnemen tot de hoogte van het bedrag dat ze er eerder in hadden gestort; indien een land evenwel bijkomende middelen of garanties nodig heeft, moet het een op maat gemaakt hervormingsprogramma aanvaarden, dat onder toezicht staat van de Europese Commissie;

13.  vraagt de Commissie met een macro-economische effectbeoordeling te komen van het maatregelenpakket voor het behoud van financiële stabiliteit in de Europese Unie, en een mededeling uit te brengen over de haalbaarheid, de risico's en de voordelen van het uitgeven van Eurobonds;

De Europese Unie moet haar systeem van economisch bestuur herzien met het oog op een succesvolle tenuitvoerlegging van haar nieuwe Europa 2020-strategie

14.  is van mening dat de bestuurstructuur van de Europa 2020-strategie moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat nu, anders dan bij de Lissabonstrategie, de doelstellingen wel worden verwezenlijkt; betreurt in dit verband het feit dat de Commissie en de Raad geen desbetreffende voorstellen hebben voorgelegd, hoewel het Parlement daar in zijn resolutie van 10 maart 2010 over Europa 2020 wel nadrukkelijk op had aangedrongen;

15.  benadrukt het belang van een nauwer verband tussen de instrumenten van het stabiliteits- en groeipact, macro-economische instrumenten en de nationale hervormingsprogramma's in het kader van de EU 2020-strategie door ze op coherente manier te presenteren, met inbegrip van een betere vergelijkbaarheid van de nationale begrotingen met betrekking tot uitgaven in verschillende categorieën; de lidstaten moeten hun eigen, nationale economische maatregelen niet alleen als een kwestie van nationaal belang zien, maar ook als een zaak van gemeenschappelijk belang, en ze moeten hun beleid dienovereenkomstig formuleren; herinnert de lidstaten aan de versterkte rol van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid;

16.  is van oordeel dat wat de economie betreft en om de nieuwe strategie tot een succes te maken minder vertrouwd zou moeten worden op de open coördinatiemethode en juist in versterkte mate gebruik zou moeten worden gemaakt van bindende maatregelen;

17.  is van oordeel dat de Europa 2020-strategie zich onvoldoende richt op de belangrijkste kwesties die door de lidstaten zouden moeten worden aangepakt, en benadrukt dat er grote problemen zijn ten aanzien van de inhoud en het beheer van de ’flagships’ en de ’doelstellingen’;

18.  herhaalt zijn oproep voor één, geïntegreerde ontwikkelingsstrategie voor Europa, met langetermijnrichtsnoeren voor economissche groei, teneinde te komen tot een betere, billijkere en duurzamere economie, die welvaart biedt voor iedereen;

19.  herhaalt zijn oproep tot integratie van de verschillende overlappende strategieën, zoals de Europa 2020-strategie, de strategie voor duurzame ontwikkeling en het stabiliteits- en groeipact; betreurt dat deze benadering door de Europese Raad is afgewezen, waardoor het probleem van het gebrek aan beleidsamenhang niet is opgelost;

20.  is van oordeel dat doeltreffend economisch bestuur alleen mogelijk is indien de Commissie een behoorlijke en sterkere beheersverantwoordelijkheid krijgt, zodat ze van de bestaande instrumenten gebruik kan maken alsook van nieuwe instrumenten in het kader van het Verdrag van Lissabon, zoals de artikelen 121, 122, 136, 172, 173 en 194, die de Commissie opdragen hervormingsplannen en maatregelen te coördineren en een gemeenschappelijke strategie vast te stellen;

21.  dringt er bij de Europese Raad en de Commissie op aan te zorgen voor een ’carrot and stick’-benadering en een beroep te doen op nalevingsmechanismen in het kader van artikel 136 van het Verdrag, zoals economische stimulansen (bijvoorbeeld bijkomende EU-middelen) en sancties die tot doel hebben een versterkt Europees economisch bestuur te ondersteunen, en meer in het bijzonder versterkt bestuur in het kader van de EU 2020-strategie;

22.  is van oordeel dat versterking van het economisch bestuur moet worden geflankeerd door versterking van de democratische legitimiteit van het Europees bestuur, hetgeen tot stand moet worden gebracht door het Europees Parlement en de nationale parlementen eerder in en tijdens het hele proces een grotere rol toe te kennen; vraagt de Raad en de Commissie in het bijzonder gebruik te maken van de bepalingen in het Verdrag van Lissabon over de actieve betrokkenheid van het Parlement bij het economisch beleid, in het bijzonder artikel 121, de leden 5 en 6, en vraagt de Commissie gedetailleerde voorstellen te presenteren voor een regelmatige politieke en wetgevingsdialoog tussen de instellingen op dit belangrijke beleidsterrein;

De Europese begrotingsplannen en de nationale hervormingsplannen moeten aansluiten bij de doelstellingen van de Europa 2020-strategie betreffende bevordering van groei en ontwikkeling

23.  wijst met nadruk op het feit dat er, als het de bedoeling is dat de Europa 2020-strategie geloofwaardig overkomt, meer compatibiliteit en complementariteit nodig zijn tussen de nationale begrotingen van de 27 EU-landen en de EU-begroting; beklemtoont de grotere rol die de EU-begroting moet spelen door het bundelen van middelen;

24.  beklemtoont het belang van publieke of private investeringen voor het financieren van de infrastructuur die nodig is voor het verwezenlijken van de ’flagship’-initiatieven van de Europa 2020-strategie, en verzoekt de Commissie voorstellen te doen om het Europees regelgevingskader aan te passen om de samenwerking tussen langetermijninvesteerders te bevorderen;

25.  geeft nog eens aan dat de Europa 2020-strategie alleen geloofwaardig kan zijn als deze in voldoende mate wordt gefinancierd en zou graag zien dat het ontwerp van begroting 2011 wat dit punt betreft wat ambitieuzer zou zijn met het oog op een succesvolle tenuitvoerlegging van de strategie; betreurt dat op het ontwerp van begroting 2011 onvoldoende financiële ruimte is gecreëerd voor de vlaggeschipprogramma's van de Europa 2020-strategie; beklemtoont dat een grotere rol voor de Europese Investeringsbank (EIB) en publiek-private partnerschappen (PPP's) doeltreffend kan zijn, maar geen ’one size fits all’-oplossing is; vindt het jammer dat deze kwestie noch door de Europese Raad, noch door de Commissie aan de orde is gesteld;

26.  roept de Europese Commissie op te verduidelijken wat de verhouding is tussen de EU-begrotingsposten en de overeenkomstige specifieke doelstellingen van de EU 2020-strategie; verzoekt de Commissie voor het eind van het eerste half jaar van 2010 een voorstel te presenteren voor het hervormen van het huidige meerjarig financieel kader voor de periode 2007-2013 om aanvullende begrotingsmiddelen te vinden voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

27.  vraagt om extra informatie over de gevolgen voor de EU-begroting van het Europees financieel stabiliseringsmechanisme zoals besloten tijdens de buitengewone Raad Ecofin op 9 en 10 mei 2010;

28.  onderstreept het belang van herziening van het lopende MFK is om te kunnen voldoen aan de conclusies van de Europese Raad van 15-16 december 2005 en van afstemming van dit kader op de vereisten van het Verdrag van Lissabon, met het oog op de financiering van de in de Europa 2020-strategie genoemde initiatieven en de verschillende initiatieven en politieke voornemens die gedurende het lopende en het volgende MFK zijn genomen;

29.  beklemtoont de eis dat de EU-begroting de noodzaak moet weerspiegelen van het financieren van de overgang op een ecologisch duurzame economie;

Het Europees Parlement vraagt nauwer bij de detailinvulling van de Europa 2020-voorstellen te worden betrokken

30.  benadrukt dat het Parlement slechts een besluit over de werkgelegenheidsrichtsnoeren zal nemen nadat het een bevredigend antwoord heeft gekregen met betrekking tot de bestuursstructuur en het begrotingskader van de EU 2020-strategie;

31.  benadrukt dat de jaarlijkse beleidsaanbevelingen en waarschuwingen van de Commissie over de naleving door de lidstaten van de Europa 2020-doelstellingen de basis moeten vormen voor de besluiten van de Europese Raad; is van oordeel dat deze verslagen eerst in het Europees Parlement moeten worden besproken voordat ze aan de Europese Raad worden voorgelegd;

o
o   o

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0053.


Instelling, bevoegdheden, aantal leden en ambtstermijn van de bijzondere commissie beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen voor een duurzame Europese Unie na 2013
PDF 105kWORD 31k
Besluit van het Europees Parlement van 16 juni 2010 over instelling, bevoegdheden, aantal leden en ambtstermijn van de bijzondere commissie beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen voor een duurzame Europese Unie na 2013
P7_TA(2010)0225B7-0295/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de besluiten van de Conferentie van voorzitters van 22 april en 12 en 20 mei 2010 inzake het voorstel tot instelling van een bijzondere commissie beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen voor de Unie na 2013,

–  gelet op artikel 312, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarin wordt bepaald dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie tijdens de gehele procedure die leidt tot vaststelling van het financieel kader alle maatregelen treffen die nodig zijn om de vaststelling ervan te vergemakkelijken,

–  gezien de noodzaak om de adviezen van de verschillende betrokken commissies te verzamelen en te coördineren en de Begrotingscommissie een mandaat te verlenen voor onderhandelingen met de Raad met het oog op vaststelling van een verordening houdende het toekomstige meerjarig financieel kader (MFK), en eventueel vaststelling van in een interinstitutionele overeenkomst neer te leggen begeleidende maatregelen,

–  gezien de werkzaamheden van de bijzondere commissie financiële, economische en sociale crisis van het Parlement en de noodzaak om aan deze werkzaamheden een follow-up te geven, met name met het oog op steun voor duurzame en kwalitatief hoogstaande groei en langetermijninvesteringen, ten einde het hoofd te bieden aan de langetermijneffecten van de crisis,

–  gelet op artikel 184 van zijn Reglement,

1.  besluit tot instelling van een bijzondere commissie met de volgende bevoegdheden:

   a) vaststellen van de politieke prioriteiten van het Parlement voor het MFK na 2013, zowel wat wetgeving als wat begroting betreft;
   b) ramen van de financiële middelen die de Unie in de periode vanaf 1 januari 2014 Nodig heeft om haar doelstellingen te bereiken en haar beleidsmaatregelen uit te voeren;
   c) vaststellen van de duur van het volgende MFK;
   d) voorstellen, overeenkomstig de prioriteiten en doelstellingen, van een structuur voor het toekomstige MFK, met vermelding van de belangrijkste activiteitenterreinen van de Unie;
   e) uitstippelen van richtsnoeren voor indicatieve toewijzing van middelen tussen en binnen de verschillende uitgavenrubrieken van het MFK overeenkomstig de prioriteiten en de voorgestelde structuur;
   f) het verband nader bepalen tussen een hervorming van het financiële systeem van de EU-begroting en een herziening van de uitgaven om de Begrotingscommissie een deugdelijke basis voor onderhandelingen over het nieuwe MFK te bieden;

2.  besluit de bijzondere commissie in te stellen voor een periode van 12 maanden gerekend vanaf 1 juli 2010, zodat zij het Parlement een verslag kan voorleggen voordat de Commissie naar verwachting in juli 2011 haar met cijfers onderbouwde voorstel voor het volgende MFK presenteert;

3.  herinnert eraan dat de specifieke budgettaire en wetgevingsvoorstellen door de bevoegde commissies zullen worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage VII van zijn Reglement;

4.  besluit dat de bijzondere commissie 50 leden zal tellen.

Juridische mededeling - Privacybeleid