Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 7 september 2010 - Straatsburg
Vrij verkeer van werknemers binnen de Unie ***I
 Echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie ***I
 Toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië ***I
 Opschorting van de autonome tarieven van het gemeenschappelijke douanetarief bij de invoer van bepaalde industriële producten op Madeira en de Azoren *
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2010 BEREC (Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie)
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich
 Overeenkomst tussen de EU en Japan betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken ***
 Koppeling van ondernemingsregisters
 Ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie
 EER-Zwitserland: obstakels voor de volledige tenuitvoerlegging van de interne markt
 Bilaterale vrijwaringsclausule in de vrijhandelsovereenkomst EU-Korea ***I
 Billijke inkomens voor de boeren: een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa
 Financiering en werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering
 Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I)
 Maatschappelijke integratie van vrouwen uit etnische minderheden
 De rol van de vrouw in een vergrijzende samenleving
 Journalistiek en nieuwe media − totstandbrenging van een publieke ruimte in Europa

Vrij verkeer van werknemers binnen de Unie ***I
PDF 211kWORD 35k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (codificatie) (COM(2010)0204 – C7-0112/2010 – 2010/0110(COD))
P7_TA(2010)0291A7-0222/2010

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0204),

–  gelet op artikel 294, lid 2, en artikel 46 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0112/2010),

–  gelet op artikel 294, lid 3, van het VWEU,

–  gezien de gemotiveerde adviezen van nationale parlementen aan zijn Voorzitter inzake de conformiteit van het ontwerp van handeling met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité van 14 juli 2010,

–  gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 Versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gelet op de artikelen 86 en 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0222/2010),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 7 september 2010 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (codificatie)

P7_TC1-COD(2010)0110


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EU) nr. .../2011)

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie ***I
PDF 197kWORD 34k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie (COM(2009)0459 – C7-0207/2009 – 2009/0128(COD))
P7_TA(2010)0292A7-0212/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2009)0459),

–  gelet op artikel 123, lid 4 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0207/2009),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665) en het addendum daarop (COM(2010)0147),

–  gelet op artikel 294, lid 3, en artikel 133 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 16 november 2009(1),

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0212/2010),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 7 september 2010 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie

P7_TC1-COD(2009)0128


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EU) nr. 1210/2010)

(1) PB C 284 van 25.11.2009, blz. 6.


Toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië ***I
PDF 193kWORD 30k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië (COM(2010)0302 – C7-0144/2010 – 2010/0162(COD))
P7_TA(2010)0293A7-0242/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0302),

–  gelet op artikel 294, lid 2, en artikel 212 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0144/2010),

–  gelet op artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A7-0242/2010),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 7 september 2010 met het oog op de aanneming van Besluit nr. .../2010/EU van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië

P7_TC1-COD(2010)0162


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Besluit nr. 938/2010/EU)


Opschorting van de autonome tarieven van het gemeenschappelijke douanetarief bij de invoer van bepaalde industriële producten op Madeira en de Azoren *
PDF 201kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief bij invoer van bepaalde industrieproducten in de autonome regio's Madeira en de Azoren (09109/2010 – C7-0106/2010 – 2009/0125(CNS))
P7_TA(2010)0294A7-0232/2010

(Bijzondere wetgevingsprocedure – hernieuwde raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien de ontwerptekst van de Raad (09109/2010),

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2009)0370),

–  gezien zijn standpunt van 20 januari 2010(1),

–  gelet op artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement opnieuw door de Raad is geraadpleegd (C7-0106/2010),

–  gelet op artikel 55 en artikel 59, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0232/2010),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de ontwerptekst van de Raad, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de EU dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd indien de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen in de ontwerptekst aan te brengen of deze door een nieuwe tekst te vervangen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Ontwerptekst van de Raad   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Ontwerpverordening
Artikel 6 bis – lid 2
2.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij de Raad daarvan in kennis.
2.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis.
Amendement 2
Ontwerpverordening
Artikel 6 ter – lid 2
2.  Indien de Raad een interne procedure is begonnen om te besluiten of hij de bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt hij de Commissie hiervan binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en waarom.
2.  Indien de Raad een interne procedure is begonnen om te besluiten of hij de bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt hij het Europees Parlement en de Commissie hiervan binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en waarom.
Amendement 3
Ontwerpverordening
Artikel 6 quater – lid 1
1.  De Raad kan tegen gedelegeerde handelingen bezwaar aantekenen binnen een termijn van drie maanden na de datum van kennisgeving.
1.  De Raad kan tegen gedelegeerde handelingen bezwaar aantekenen binnen een termijn van drie maanden na de datum van kennisgeving. Indien de Raad voornemens is bezwaar aan te tekenen, brengt hij het Europees Parlement hiervan binnen een redelijke termijn vóór hij een definitief besluit neemt op de hoogte, en geeft daarbij aan tegen welke gedelegeerde handeling hij bezwaar wil aantekenen alsook de redenen van zijn bezwaar.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0002.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2010 BEREC (Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie)
PDF 211kWORD 31k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2010 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, Afdeling III − Commissie (12583/2010 – C7-0194/2010 – 2010/2046(BUD))
P7_TA(2010)0295A7-0240/2010

Het Europees Parlement,

–  gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314 daarvan, alsmede het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis daarvan,

–  gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(1), en met name op de artikelen 37 en 38 daarvan,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, definitief vastgesteld op 17 december 2009(2),

–  gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–  gezien het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2010 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, ingediend door de Commissie op 19 maart 2010 (COM(2010)0108),

–  gezien de brief van commissaris Janusz Lewandowski aan Voorzitter Buzek van 9 juli 2010,

–  gezien het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2010, opgesteld door de Raad op 26 juli 2010 (12583/2010 – C7-0194/2010),

–  gelet op artikel 75 ter en artikel 75 sexies van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0240/2010),

A.  overwegende dat het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2010 betrekking heeft op de personeelsformatie van BEREC (Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie),

B.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2010 tot doel heeft deze budgettaire aanpassing formeel te integreren in de begroting 2010,

C.  overwegende dat de Raad zijn standpunt op 26 juli 2010 heeft vastgesteld,

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2010;

2.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2010 zoals ingediend en verzoekt zijn Voorzitter te verklaren dat gewijzigde begroting nr. 3/2010 definitief is vastgesteld en te zorgen voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(2) PB L 64 van 12.3.2010.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich
PDF 111kWORD 32k
Besluit van het Europees Parlement van 7 september 2010 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich (2009/2147(IMM))
P7_TA(2010)0296A7-0244/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich, dat op 14 juli 2009 werd ingediend door de Litouwse juridische autoriteiten, en van de ontvangst waarvan op 7 oktober 2009 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Viktor Uspaskich te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,

–  gelet op de artikelen 8 en 9 van het aan de Verdragen gehechte Protocol (Nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie,

–  gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964 en 10 juli 1986(1),

–  gelet op artikel 62 van de Grondwet van de Republiek Litouwen,

–  gelet op artikel 6, lid 2, en artikel 7 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0244/2010),

A.  overwegende dat rechtsvervolging is ingesteld tegen Viktor Uspaskich, lid van het Europees Parlement, die in het proces dat bij het Regionale strafgerecht van Vilnius is aangespannen wordt beschuldigd van strafbare feiten in de zin van artikel 24, lid 4, juncto artikel 222, lid 1, artikel 220, lid 1, artikel 24, lid 4, juncto artikel 220, lid 1, artikel 205, lid 1, en artikel 24, lid 4, juncto artikel 205, lid 1, van het Wetboek van strafrecht van Litouwen,

B.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tijdens de zittingsduur van het Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend, terwijl op deze immuniteit geen beroep kan worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen,

C.  overwegende dat de beschuldigingen die tegen de heer Uspaskich zijn ingebracht geen verband houden met een mening die hij in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die hij in de uitoefening van dat ambt heeft uitgebracht,

D.  overwegende dat een lid van de nationale volksvertegenwoordiging (de Seimas) overeenkomstig artikel 62 van de Grondwet van de Republiek Litouwen zonder de instemming van de Seimas niet strafrechtelijk verantwoordelijk mag worden gesteld, niet mag worden aangehouden en evenmin op andere wijze in zijn vrijheid mag worden beknot,

E.  overwegende dat artikel 62 tevens bepaalt dat een lid van de Seimas niet mag worden vervolgd om het uitbrengen van zijn stem of zijn toespraken in de Seimas, hoewel hij overeenkomstig de algemene procedure wel verantwoordelijk kan worden gesteld voor persoonlijke belediging of laster,

F.  overwegende dat de heer Uspaskich voornamelijk wordt beschuldigd van boekhoudfraude in verband met de financiering van een politieke partij gedurende een periode vóór zijn verkiezing tot lid van het Europees Parlement,

G.  overwegende dat geen overtuigend bewijs is aangedragen dat op fumus persecutionis (tendentieuze vervolging) zou kunnen duiden en de strafbare feiten waarvan de heer Uspaskich beschuldigd wordt niets te maken hebben met zijn werkzaamheden als lid van het Europees Parlement,

H.  overwegende dat het derhalve juist is zijn immuniteit op te heffen,

1.  besluit de immuniteit van Viktor Uspaskich op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Republiek Litouwen.

(1) Zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier, Jurispr. 1964, blz. 195, en Zaak 149/85, Wybot/Faure e.a., Jurispr. 1986, blz. 2391.


Overeenkomst tussen de EU en Japan betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken ***
PDF 192kWORD 29k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 betreffende het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken (05308/2010 – C7-0029/2010 – 2009/0188(NLE))
P7_TA(2010)0297A7-0209/2010

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (05308/2010),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken (15915/2009),

–  gezien het verzoek van de Raad om goedkeuring overeenkomstig artikel 82, lid 1, tweede alinea, letter d), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, letter a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0029/2010),

–  gelet op artikel 81 en artikel 90, lid 8, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0209/2010),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Japan.


Koppeling van ondernemingsregisters
PDF 146kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over de koppeling van ondernemingsregisters (2010/2055(INI))
P7_TA(2010)0298A7-0218/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 4 november 2009 over de koppeling van ondernemingsregisters (COM(2009)0614) en het voortgangsverslag dat het Groenboek vergezelt,

–  gezien de eerste Richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen in de Gemeenschap gelijkwaardig te maken(1), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2003/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003(2),

–  gezien de elfde Richtlijn 89/666/EEG van de Raad van 21 december 1989 betreffende de openbaarmakingsplicht voor in een lidstaat opgerichte bijkantoren van vennootschappen die onder het recht van een andere staat vallen(3),

–  gezien Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG(4),

–  gezien Richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE)(6),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese coöperatieve vennootschap (SE)(7),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 december 2008 houdende aanbevelingen aan de Commissie over e-justitie(8),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 april 2009 over efficiënte tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie: transparantie van het vermogen van schuldenaars(9),

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0218/2010),

A.  overwegende dat ondernemingsregisters vennootschapsinformatie registreren, onderzoeken en opslaan, zoals informatie over de rechtsvorm van een onderneming, haar zetel en kapitaal, de benoeming, contractbeëindiging, bevoegdheden en bijzonderheden van haar wettelijke vertegenwoordigers, de boekhoudbescheiden voor elk boekjaar, en zo nodig, de liquidatie van de onderneming en dat zij deze informatie beschikbaar maken voor het publiek,

B.  overwegende dat ondernemingsregisters in de EU nationaal of regionaal opereren en alleen informatie opslaan van bedrijven die geregistreerd zijn in het gebied waarvoor zij verantwoordelijk zijn,

C.  overwegende dat er, voor commerciële doeleinden of om de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, steeds meer vraag is naar toegang tot informatie over bedrijven in een grensoverschrijdende context; overwegende dat het voor schuldeisers en wetshandhavers van essentieel belang is dat zij kunnen beschikken over betrouwbare en actuele informatie over schuldenaars en hun vermogen; overwegende dat bepaalde gegevens openbaar moeten worden gemaakt om te waarborgen dat de in het Europees vennootschapsrecht vervatte rechten van werknemers worden nageleefd,

D.  overwegende dat het feit dat ondernemingsregisters nog niet zijn gekoppeld economische verliezen en problemen veroorzaakt voor alle belanghebbenden – niet alleen bedrijven maar ook hun werknemers, consumenten en het publiek, voornamelijk op het gebied van transparantie, efficiëntie en rechtszekerheid; overwegende dat een gemakkelijkere toegang tot betrouwbare en actuele informatie over ondernemingen uit alle lidstaten die grensoverschrijdende activiteiten ontplooien de transparantie en rechtszekerheid op de interne markt vergroot en het vertrouwen in de markten na de financiële en economische crisis kan herstellen,

E.  overwegende dat de informatie van ondernemingsregisters sinds 1 januari 2007 elektronisch is opgeslagen en in alle lidstaten online toegankelijk is; overwegende dat de relevante bedrijfsinformatie weliswaar online beschikbaar is maar dat de registratienormen verschillen en dat de belanghebbenden met verschillende talen, zoekvoorwaarden en structuren worden geconfronteerd,

F.  overwegende dat de inhoud, betekenis en juridische waarde van de afzonderlijke registers vaak verschillen, en overwegende dat dit in iedere lidstaat verschillende juridische gevolgen zou kunnen hebben,

G.  overwegende dat één toegangspunt voor ondernemingsinformatie over alle Europese bedrijven tijd en kosten bespaart; overwegende dat, om dit doel te bereiken, verplichte deelname van alle lidstaten aan dit gemeenschappelijke toegangspunt moet worden overwogen,

H.  overwegende dat dit gemeenschappelijke toegangspunt kwalitatief hoogwaardige informatie van alle lidstaten moet bieden; overwegende dat deze informatie betrouwbaar en actueel moet zijn, en in een standaardformaat en in alle EU-talen moet worden verstrekt; overwegende dat de Commissie op actieve wijze uitvoering moet geven aan dit gemeenschappelijke toegangspunt,

I.  overwegende dat de Commissie er in het toonaangevend initiatief „Industriebeleid in een tijd van mondialisering” dat deel uitmaakt van zijn mededeling met de titel „Europa 2020: een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei”, naar streeft het ondernemingsklimaat te verbeteren, vooral voor het mkb, door middel van een verlaging van de transactiekosten binnen Europa,

J.  overwegende dat de Raad op 25 en 26 mei 2010 conclusies heeft aangenomen waarin terecht wordt benadrukt hoe belangrijk de kwaliteit van gegevens en een vereenvoudiging van de toegang tot informatie zijn voor het verhogen van het vertrouwen van belanghebbenden en het welslagen van activiteiten binnen de interne markt, en dat alle lidstaten moeten worden betrokken bij het waarborgen van gecentraliseerde toegang tot informatie,

K.  overwegende dat samenwerking tussen ondernemingsregisters van essentieel belang is bij grensoverschrijdende fusies, zetelplaatswijzigingen of grensoverschrijdende insolventieprocedures; overwegende dat samenwerking krachtens diverse vennootschapsrechtelijke instrumenten, zoals Richtlijn 2005/56/EG, Verordening (EG) nr. 2157/2001 en Verordening (EG) nr. 1435/2003 nadrukkelijk vereist is,

L.  overwegende dat de in de elfde richtlijn vennootschapsrecht (89/666/EEG) vervatte vennootschapsrechtelijke instrumenten inhouden dat samenwerking van ondernemingsregisters in de praktijk onontbeerlijk is; overwegende dat de samenwerking niet beperkt moet blijven tot het tijdstip waarop een bijkantoor wordt geopend, maar ook uitgebreid moet worden om ervoor te zorgen dat de desbetreffende informatie correct en actueel is om discrepanties tussen de inhoud van het register met de gegevens van het bijkantoor en die waarin de gegevens van het moederbedrijf vermeld zijn, te voorkomen,

M.  overwegende dat, zodra het statuut van de Europese besloten vennootschap is vastgesteld (COM(2008)0396), het aantal gevallen dat grensoverschrijdende samenwerking vereist fors kan toenemen,

N.  overwegende dat er al diverse mechanismen voor samenwerking tussen ondernemingsregisters zijn ingevoerd, zoals het Europees ondernemingsregister (EBR), het project Business Register Interoperability Throughout Europe – (BRITE), en het informatiesysteem voor de interne markt (IMI); overwegende dat EBR en BRITE vrijwillig zijn en dat daarom niet alle lidstaten daaraan deelnemen; voorts overwegende dat BRITE slechts een onderzoeksproject is,

O.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 18 december 2008 de gedachte om een e−justitieportaal in te voeren heeft toegejuicht; overwegende dat het meerjarenactieplan 2009-2013 voor de Europese e-justitie voorziet in de integratie van het EBR in het Europese e-justitieportaal,

1.  is van oordeel dat het project inzake een verdere integratie van de Europese economische ruimte alleen nut heeft als alle lidstaten daaraan deelnemen, en meent daarom dat verplichte deelname van alle lidstaten moet worden overwogen;

2.  pleit ervoor dat eerst steun wordt gegeven aan het EBR-initiatief en het BRITE-project en overweegt verplichte deelname; wijst op het belang van het IMI voor een verdergaande uitvoering van de wetgeving inzake de interne markt, daar het reeds een nuttig instrument is gebleken voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(10) en van de dienstenrichtlijn(11); wijst erop dat alle lidstaten reeds gebruik maken van het IMI en dat dit gebruik tot een grotere reeks procedures zou kunnen worden uitgebreid zonder dat de lidstaten aanzienlijke investeringen hoeven te doen;

3.  wijst erop dat de registergegevens niet vergeleken kunnen worden met informatie die een zuiver economisch karakter heeft; meent om die reden dat de toegang van het publiek tot betrouwbare, actuele informatie via één officieel toegangspunt moet worden verzorgd; benadrukt dat dit de transparantie, efficiëntie en rechtszekerheid zal verbeteren, ten voordele van bedrijven en hun werknemers, consumenten en het systeem als geheel;

4.  verzoekt de Commissie de integratie van alle lidstaten in dit toekomstige gemeenschappelijke toegangspunt voor ondernemingsinformatie te bevorderen, door deskundigheid en aanvullende middelen ter beschikking te stellen; verzoekt de Commissie de voor- en nadelen te onderzoeken van verplichte deelname van alle lidstaten aan dit nieuwe gemeenschappelijke toegangspunt;

5.  wijst erop dat de in verschillende handelsregisters opgeslagen gegevens een verschillende betekenis kunnen hebben, en dat daaraan weer juridische gevolgen verbonden kunnen zijn, niet alleen voor bedrijven maar ook voor hun werknemers en voor consumenten, en dat die per lidstaat kunnen verschillen;

6.  is van oordeel dat informatie over ondernemingsregistratie ook van belang is voor werknemers, met name in bedrijven waar het Europees vennootschapsrecht, d.w.z. Verordening (EG) nr. 2157/2001, Verordening (EG) nr. 1435/2003 en Richtlijn 2005/56/EG van toepassing is; meent dat deze informatie ook belangrijk is met het oog op de bepalingen van Richtlijn 2003/72/EG(12) en Richtlijn 2001/86/EG(13), die voorzien in de waarborging van de reeds bestaande medezeggenschapsrechten van werknemers in de aldus opgerichte bedrijven;

7.  wijst er derhalve op dat het belangrijk is dat gebruikers er bij het opvragen van gegevens op worden gewezen, dat de juridische betekenis en het bindende karakter per lidstaat kunnen verschillen;

8.  wijst erop dat een meer automatische koppeling de uitwisseling van registraties zou vereenvoudigen voor moeder- en dochtervestigingen;

9.  stelt vast dat de inhoud van de registraties niet altijd de nodige coherentie vertoont;

10.  is van mening dat het voor een behoorlijk functionerende interne markt van essentieel belang is dat het publiek de beschikking krijgt over officiële en betrouwbare informatie over ondernemingen die in de EU actief zijn; verwelkomt in dit verband het Groenboek van de Commissie over de koppeling van ondernemingsregisters;

11.  wijst erop dat een grotere transparantie op de interne markt kan leiden tot meer grensoverschrijdende investeringen;

12.  is ervan overtuigd dat betere en gemakkelijkere toegang tot informatie noodzakelijk is met het oog op de ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen – die een essentieel onderdeel zijn van de ruggengraat van de Europese economie en de belangrijkste motor voor het scheppen van banen, economische groei en sociale samenhang in Europa – omdat dit bijdraagt aan de verlichting van de administratieve lasten van dergelijke ondernemingen;

13.  wijst erop dat gemakkelijke toegang tot betrouwbare gegevens over fusies, zetelplaatswijzigingen of andere grensoverschrijdende procedures onontbeerlijk is voor Europese ondernemingen, en het concurrentievermogen en een soepele werking van de interne markt verder zal stimuleren door de voornaamste vrijheden, namelijk het vrije verkeer van kapitaal, diensten en personen, te versterken;

14.  is van mening dat elke strategie om uit de crisis te komen en de werking van de interne markt te verbeteren meer transparantie en samenwerking via grensoverschrijdende mechanismen moet omvatten, waardoor het vertrouwen van de 500 miljoen consumenten van Europa een nieuwe impuls zal krijgen;

15.  waardeert de inspanningen die in het kader van de verschillende samenwerkingsmechanismen en -initiatieven zijn geleverd;

16.  wijst er echter op dat verdere stappen nodig zijn en dat het voor de transparantie van de markt enerzijds nodig is dat de gegevens van de ondernemingsregisters van de 27 lidstaten gemakkelijk toegankelijk zijn via een gemeenschappelijk toegangspunt dat actief wordt bewaakt en, anderzijds, dat deze betrouwbaar en actueel zijn en in een standaardformaat en in alle officiële talen van EU worden verstrekt; is van oordeel dat eerst moet worden onderzocht in welke mate dit aanvullende vertaalkosten met zich meebrengt, en dat daartoe de verplichte deelname van alle lidstaten moet worden overwogen;

17.  dringt erop aan te waarborgen dat op effectieve wijze bekendheid wordt gegeven aan het bestaan van dit gemeenschappelijk toegangspunt, zodat alle belanghebbenden er gebruik van kunnen maken om duidelijke en betrouwbare informatie te verkrijgen over Europese ondernemingen;

18.  wijst erop dat de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau inzake administratieve lasten (Stoibergroep) heeft aangetoond dat door een vereenvoudiging van de grensoverschrijdende, elektronische toegang tot bedrijfsinformatie jaarlijks meer dan 160 miljoen EUR kan worden bespaard;

19.  wijst op het belang van toegang tot informatie over Europese ondernemingen, in het bijzonder met het oog op de dienstenrichtlijn en het toekomstige statuut van de Europese besloten vennootschap;

20.  wijst er echter op dat de getroffen maatregelen geen extra administratieve belasting voor de ondernemingen, met name het mkb, mogen vormen;

21.  ziet uit naar het opstarten van het e-justitieportaal, dat toegankelijk moet zijn voor individuele personen, bedrijven, rechtspractici en justitie en gebruiksvriendelijk moet zijn; steunt de gedachte om het EBR in dat portaal te integreren;

22.  acht het van belang om de gegevens en systemen van BRITE, IMI en het EBR verder samen te voegen teneinde één toegangspunt voor ondernemingsinformatie te creëren voor de deelnemers van de interne markt en consumenten, en zo, middels de concentratie van informatie op één plek, de kosten van transacties voor zowel producenten als consumenten te verlagen, en de grensoverschrijdende handel – met name grensoverschrijdende elektronische handel – en economische groei in de Unie te bevorderen;

23.  steunt in de tussentijd de invoering van verplichte samenwerkingsmechanismen voor registers, met name in verband met de regelmatige actualisering van de gegevens die met betrekking tot buitenlandse bijkantoren openbaar moeten worden gemaakt; beveelt aan dat praktische vragen met betrekking tot samenwerking worden toegelicht in een administratieve overeenkomst tussen de lidstaten en/of hun ondernemingsregisters;

24.  is van oordeel dat een aansluiting van het netwerk van ondernemingsregisters aan het, in het kader van de transparantierichtlijn ingestelde elektronische netwerk zal leiden tot gemakkelijke toegang tot juridische en financiële informatie over beursgenoteerde ondernemingen en voorts een toegevoegde waarde voor beleggers vormt;

25.  staat erop dat een Europese oplossing de burgers en de ondernemingen voldoende bescherming van persoons- en handelsgegevens moet bieden om misbruik van deze gegevens te voorkomen en om te zorgen voor rechtszekerheid van gevoelige gegevens;

26.  benadrukt dat een geïntegreerde Europese oplossing vooral rekening moet houden met de vraag in hoeverre nationale registers en huidige, op deelgebieden bestaande Europese registers opgeheven, aangepast of samengevoegd zouden kunnen worden, om dubbel werk, met het oog op een vermindering van bureaucratie, te voorkomen en om te zorgen voor duidelijkheid en eenvoud;

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 65 van 14.3.1968, blz. 8.
(2) PB L 221 van 4.9.2003, blz. 13.
(3) PB L 395 van 30.12.1989, blz. 36.
(4) PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38.
(5) PB L 310 van 25.11.2005, blz. 1.
(6) PB L 294 van 10.11.2001, blz. 1.
(7) PB L 207 van 18.8.2003, blz. 1.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0637.
(9) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0238.
(10) Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).
(11) Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).
(12) Richtlijn 2003/72/EG van de Raad van 22 juli 2003 tot aanvulling van het statuut van een Europese coöperatieve vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PB L 207 van 18.8.2003, blz. 25).
(13) Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PB L 294 van 10.11.2001, blz. 22).


Ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie
PDF 195kWORD 98k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie (2010/2010(INI))
P7_TA(2010)0299A7-0234/2010

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie getiteld „Europa 2020: een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie getiteld „Integratie van duurzame ontwikkeling in het EU-beleid: toetsing 2009 van de strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling” (COM(2009)0400),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020 (COM(2010)0193),

–  gezien Verordening (EG) nr. 106/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende een communautair energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur(1),

–  gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen(2),

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG(3),

–  gezien het Witboek van de Commissie getiteld „Aanpassing aan de klimaatverandering: naar een Europees actiekader” (COM(2009)0147) en naar zijn resolutie van 6 mei 2010 daarover(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Groener vervoer” (COM(2008)0433),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Strategie voor de internalisering van de externe kosten van vervoer” (COM(2008)0435),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Een energiebeleid voor Europa” (COM(2007)0001),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 10-11 december 2009, en met name de punten 21-24,

–  gezien het verslag van het voorzitterschap van de Raad over de toetsing 2009 van de strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling(5),

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het Kyoto-protocol bij het UNFCCC,

–  gezien het IPCC-document van 2007 getiteld „Climate Change 2007: Synthesis Report, Contribution of Working Groups I, II and III to the Fourth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change”,

–  gezien het Stern-rapport van 2006 getiteld „The Economics of Climate Change”,

–  gezien het initiatief (2008) voor groene banen van het Milieuprogramma van de VN (UNEP), de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), de Internationale Organisatie van werkgevers (IOE) en de Internationale Confederatie van vakbonden (ITUC) getiteld „Green Jobs: Towards Decent Work in a Sustainable, Low-Carbon World”,

–  gezien de achtergrondnota van de IAO getiteld „Global Challenges for Sustainable Development: Strategies for Green Jobs” welke nota is voorgelegd aan de Conferentie van de ministers van Werkgelegenheid van de G8 die van 11 tot 13 mei 2008 in Niigata, Japan, is gehouden,

–  gezien de verklaring van de OESO „Declaration on Green Growth”, die op 25 juni 2009 tijdens de bijeenkomst van de Raad op ministerieel niveau is vastgesteld, en naar de huidige strategie voor groene groei,

–  gezien het verslag van 2009 van Greenpeace en van de Europese Raad voor hernieuwbare energie (EREC) getiteld „Working for the climate: renewable energy and the green job revolution”,

–  gezien het verslag van 2007 van de Europese Confederatie van vakbonden (ETUC) en het Agentschap voor sociale ontwikkeling (SDA) over „Climate Change and Employment: Impact on employment in the European Union-25 of climate change and CO2 emission reduction measures by 2030”,

–  gezien Ruhr Economic Papers 156 „Economic impacts from the Promotion of Renewable Energy Technologies, The German Experience”,

–  gezien de CEPOS-publicatie „Wind Energy, the case of Denmark”,

–  gezien de publicatie van de Universidad Rey Juan Carlos „Study of the effects on employment of public aid to renewable energy sources”,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2007 over precommerciële inkoop (COM(2007)0799),

–  gezien het verslag van de Commissie over de werkgelegenheid in Europa 2009, met name naar hoofdstuk 3: Klimaatverandering en arbeidsmarktresultaten,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Een Europees economisch herstelplan” (COM(2008)0800) en naar zijn resolutie van 11 maart 2009 daarover(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Op weg naar Europees herstel” (COM(2009)0114),

–  gezien de gezamenlijke analyse van de Europese sociale partners van 18 oktober 2007 over de belangrijkste uitdagingen voor de Europese arbeidsmarkten,

–  gezien het gemeenschappelijk kader van de Europese sociale partners uit 2002 met betrekking tot acties ter bevordering van de levenslange ontwikkeling van vaardigheden en kwalificaties,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen – Anticipatie op en onderlinge afstemming van de arbeidsmarkt- en vaardigheidsbehoeften” (COM(2008)0868), en naar het verslag van de deskundigengroep inzake „New Skills for New Jobs: Action Now” van februari 2010,

–  gezien het onderzoeksdocument van 2009 van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding getiteld „Future Skills Needs for the Green Economy”,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en naar de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0234/2010),

A.  overwegende dat de Europese Raad in 2009 bevestigd heeft dat duurzame ontwikkeling een centrale doelstelling van het Verdrag van Lissabon blijft; dat de richtsnoeren van de duurzaamheidsstrategie van de EU onder andere betrekking hebben op een geïntegreerde benadering van de economische, sociale en milieubelangen, een intensivering van de sociale dialoog, uit een grotere nadruk op de sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen en dat zij alsmede voorzien in de toepassing van het preventiebeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt,

B.  overwegende dat een van de zwaartepunten van de Europa 2020-strategie gericht is op het bevorderen van een sociale, milieuvriendelijke en concurrerende economie die de natuurlijke hulpbronnen ontziet,

C.  overwegende dat de industriële landen tegen 2050 volgens het Akkoord van Kopenhagen hun CO2-uitstoot ten opzichte van 1990 met 80–90% verminderd dienen te hebben,

D.  overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering in Europa per regio verschillen; dat volgens een onderzoek van de Commissie(7) de regio's in Zuid- en Oost-Europa, waar meer dan een derde van de bevolking van de EU leeft, in bijzondere mate blootstaan aan de druk van de klimaatverandering; dat de meest kwetsbare bevolkingsgroepen de hardste klappen krijgen en dat dit zou kunnen leiden tot grotere regionale en sociale onevenwichtigheden,

E.  overwegende dat de transformatie naar een duurzamere economie een uiteenlopend positief effect op verschillende sectoren heeft, namelijk, dat er nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd zullen worden, dan wel oude arbeidsplaatsen vervangen worden of deels zullen verdwijnen; dat alle arbeidsplaatsen aangepast dienen te worden aan een duurzame productie- en werkwijze waarbij een spaarzaam gebruik van natuurlijk hulpbronnen wordt gemaakt, en dat de grootste aanpassingsbehoefte zich derhalve in de bestaande arbeidsverhoudingen zal voordoen waarbij flexibele arbeidsverhoudingen wenselijk zijn,

F.  overwegende dat de cijfers in het Groenboek over demografische veranderingen (COM(2005)0094) laten zien dat de beroepsbevolking in de EU tussen 2005 en 2030 zal dalen met 20,8 miljoen (6,8%) en overwegende dat het aantal mensen ouder dan 60 nu tweemaal zo snel toeneemt als vóór 2007 – met ongeveer twee miljoen per jaar, tegen één miljoen voorheen,

G.  overwegende dat die transformatie tot een stabilisatie van de werkgelegenheid kan leiden en in sommige sectoren een enorme toename van het aantal arbeidsplaatsen met aanzienlijke „spillover-effecten” met zich mee kan brengen, dat, waar betrouwbare kadervoorwaarden zijn gecreëerd, sprake is van een constante groei van de werkgelegenheid en de werkzekerheid, die door de stijgende uitvoer gestabiliseerd wordt,

H.  overwegende dat in een op innovatie gebaseerde economie de noodzakelijke economische groei en de daaruit voortvloeiende werkgelegenheidsgroei alleen kunnen worden verwezenlijkt indien de Europese onderzoekers en bedrijven in staat zijn hun onderzoeksresultaten om te zetten in commerciële producten; verwijst naar het innovatiescorebord van de Commissie dat een innovatiekloof van 30% met de VS en van 40% met Japan laat zien,

I.  overwegende dat in sommige nieuwe bedrijfstakken nog geen sociale dialoogstructuren bestaan; dat er gevallen zijn van nieuwe sectoren waar geen collectieve overeenkomsten bestaan of bestaande overeenkomsten niet worden toegepast, en er ook geen branchecodes zijn; dat alle bedrijfstakken geconfronteerd worden met een grote druk om hun concurrentievermogen te verbeteren; overwegende dat in regio's met een hoge werkloosheid de druk om slechte arbeidsvoorwaarden te accepteren groot is,

J.  overwegende dat baanonzekerheid op lange termijn de laatste twintig jaar op de EU-arbeidsmarkt is ontstaan, waarbij vooral jonge mensen steeds vaker werkzaam zijn op kortetermijncontracten met slechtere arbeidsvoorwaarden; overwegende dat nieuwe arbeidsplaatsen die onder deze omstandigheden zijn geschapen, niet als duurzaam beschouwd kunnen worden; overwegende dat deze structurele tekortkomingen in de context van het streven naar ontwikkeling van het banenpotentieel van een nieuwe duurzame economie aangepakt moeten worden,

K.  overwegende dat de overgang naar een nieuwe economie niet als voorwendsel mag worden gebruikt om de meest kwetsbare en minst gekwalificeerde werknemers uit te sluiten van de arbeidsmarkt, en overwegende dat dus afroming, waarvan de minst gekwalificeerde werknemers het eerste de dupe zijn, moet worden vermeden,

L.  overwegende dat de gendergelijkheid een doelstelling in het Verdrag van Lissabon en een van de millenniumdoelstellingen is; dat vrouwen in verschillende sectoren ondervertegenwoordigd zijn en daardoor niet in dezelfde mate kunnen profiteren van de groei van de werkgelegenheid in de nieuwe duurzame economie,

M.  overwegende dat de nieuwe economie zich ontwikkelt in een vergrijzende samenleving met een slinkende beroepsbevolking, zodat het noodzakelijk is meer vrouwen aan te trekken voor betaalde arbeid door de arbeidsorganisatie aan te passen en wekgevers in alle sectoren voor te bereiden op een meer divers personeelsbestand,

N.  overwegende dat volgens recent onderzoek de aanwezigheid van vrouwen op alle niveaus van verantwoordelijkheid een toegevoegde waarde betekent voor bedrijven, met name voor hun economische resultaten,

O.  overwegende dat vrouwen de meeste universiteitsdiploma's behalen en in de meerderheid zijn in handels-, management- en rechtenopleidingen, maar dat zij in de minderheid zijn op verantwoordelijke posities in ondernemingen en bestuursinstanties,

P.  overwegende dat vrouwen met name vanwege de bestaande seksistische stereotypen in het onderwijs en de samenleving ondervertegenwoordigd zijn op terreinen die onterecht als „mannelijk” worden beschouwd, zoals de informatica, techniek, natuurkunde en technische beroepen, zoals monteur en metselaar,

Q.  overwegende dat de werkloosheid groeit onder ouderen, die te maken hebben met een bijzonder nijpend probleem van sociale uitsluiting boven 55 jaar, en dat, ondanks de in het afgelopen decennium geboekte vooruitgang, slechts iets meer dan een derde van de vrouwen tussen 55 en 64 jaar een baan had in 2008, terwijl van de mannen in dezelfde leeftijdscategorie 55% een baan had,

Werkgelegenheidsstrategie voor een nieuwe duurzame economie

1.  is van oordeel dat duurzame ontwikkeling op een langetermijnvisie stoelt, waarin economische groei, sociale cohesie en milieubescherming hand in hand gaan en elkaar ondersteunen; beklemtoont het potentieel van een duurzame economie voor het scheppen van groene banen;

2.  is van mening dat de economie na de crisis een uitgelezen kans biedt voor duurzame groei die stoelt op sociale rechtvaardigheid en milieuefficiëntie; merkt op dat de transformatie van Europese economieën van vervuilende naar milieuefficiënte economieën grondige veranderingen teweeg zal brengen op het gebied van productie, distributie en consumptie, een kans die moet worden aangegrepen om naar daadwerkelijke duurzaamheid om te schakelen zonder dat de welvaart of werkgelegenheid daarbij in het gedrang komt; is van mening dat de overgang naar een op schone energie gebaseerde economie moet worden gezien als een kans om in duurzame ontwikkeling te investeren en niet louter als een last voor de begrotingen van overheid en bedrijfsleven;

3.  benadrukt het belang van maatregelen ter bevordering van groei en werkgelegenheid in plattelandsgebieden om de ontvolking van het platteland te bestrijden;

4.  constateert dat het noodzakelijk is om de productie van goederen en het verlenen van diensten duurzamer te maken; merkt op dat investeringen in een nieuwe duurzame economie een groeipotentieel voor de arbeidsmarkt en nieuwe inkomstenmogelijkheden met zich meebrengen; merkt op dat er naast de positieve balans ook sprake zal zijn van banenverlies in een aantal sectoren en dat daarom bijscholing en omscholing gestimuleerd dient te worden;

5.  is van mening dat de huidige wereldwijde economische en sociale crisis, die de veranderingen in het energieverbruik en de vermindering van de CO2-emissies heeft vertraagd, de lidstaten er niet van moet weerhouden om over te gaan op een concurrerende, duurzamer koolstofarme economie die een efficiënt gebruik maakt van de hulpbronnen, want daardoor worden de lidstaten veerkrachtiger, minder afhankelijk van steeds duurdere importen en concurrerender;

6.  is van oordeel dat er meer moet worden gedaan om de externe kosten te internaliseren; verzoekt de Commissie de bestaande beleidsinstrumenten voor kostentoeschrijving in te zetten, of daar zo nodig nieuwe instrumenten voor te ontwikkelen, en ervoor te zorgen dat haar bevindingen in toekomstige beleidsvoorstellen worden verwerkt;

7.  is van mening dat een nieuwe duurzame economie in de EU waarborgen moet bieden voor een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling; vraagt om een ambitieus duurzaam industriebeleid dat zich vooral richt op een efficiënt gebruik van hulpbronnen; benadrukt dat de groene economie uitzicht moet bieden op fatsoenlijke, goed betaalde banen en zich daarbij moet richten op de bescherming van het milieu;

8.  is er absoluut van overtuigd dat een op de markteconomie gebaseerd milieubeleid een drijvende kracht voor groei en werkgelegenheid in alle sectoren zou kunnen worden, en benadrukt dat innovatieve ondernemingen die kansen in het belang van het milieu en van de werknemers optimaal kunnen benutten wanneer er betrouwbare kadervoorwaarden bestaan die investeringen begunstigen;

9.  wenst dat het bedrijfsleven bij de eco-innovatie wordt betrokken, want ondernemers hebben een zeer belangrijke rol te spelen bij de verdere verbreiding van eco-innovatie; wijst er in dit verband op dat het voorlichten van ondernemers − door hen te wijzen op nieuwe zakelijke kansen − van cruciaal belang zal zijn voor het succes van een strategie die gericht is op de efficiënte omgang met hulpbronnen en de ontwikkeling van duurzame industrieën;

10.  ondersteunt het vlaggenschipinitiatief van de Commissie in het kader van de Europa 2020-strategie om de overgang naar een duurzame economie nu te maken, om de groei van de economie minder afhankelijk te maken van het gebruik van hulpbronnen en energie, om emissies die schadelijk zijn voor het klimaat, te reduceren en om op deze manier de opwarming van de aarde tegen te gaan; is verheugd over het voornemen om wettelijke kadervoorwaarden, markteconomische stimuleringsmechanismen, subsidies en openbare aanbestedingen op dit doel af te stemmen; betreurt echter dat de Commissie bij de EU 2020-strategie de kans laat schieten om het arbeidsmarktpotentieel van een duurzame economie te benutten;

11.  constateert dat, om de werkgelegenheidsdoelstellingen van de EU 2020-strategie te halen, het banenpotentieel van een nieuwe duurzame economie te benutten en de duurzaamheid van de productie van goederen en diensten te vergroten, de energie-efficiëntie van huisvesting en de bouw en het aandeel van hernieuwbare energiebronnen moeten worden vergroot en milieuvriendelijke technologie, duurzaam vervoer en duurzame mobiliteit, duurzame landbouw, bosbouw en visserij en advies via milieudiensten moeten worden bevorderd, alsmede recycling, productieprocessen die zo min mogelijk natuurlijke hulpbronnen gebruiken en gesloten materiaalkringlopen; merkt op dat de dienstensector en de sector van de sociale economie ook een groot potentieel voor groene banen inhouden;

12.  benadrukt de belangrijke rol die de overheid kan spelen door het goede voorbeeld te geven op het gebied van toepassing van progressieve aanbestedingsnormen en het geven van stimulansen en voorlichting, in het bijzonder op het gebied van de energie, de bouw van infrastructuur en faciliteiten, vervoer en communicatie, om banen met gegarandeerde arbeidsrechten te creëren. verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in het bijzonder bij precommerciële inkoop, de opneming van milieu- en sociale normen te bevorderen, naast het bevorderen van lokale-inhoudclausules en ondernemingen die opereren in een duurzame en solidaire economie, in het bijzonder kleine en middelgrote bedrijven;

13.  dringt er bij de lidstaten op aan ervaring en optimale werkmethoden uit te wisselen op het gebied van werkgelegenheidskansen naar aanleiding van de aanpak van de economische, sociale en milieueffecten van de klimaatverandering;

14.  is ervan overtuigd dat groene duurzame banen geen aanhangsel mogen zijn, maar dat de economie en de samenleving als geheel duurzaam georganiseerd moeten zijn; is zich bewust van het feit dat er geen aparte bedrijfstak „milieubescherming” of „milieu-industrie” bestaat, omdat de activiteit op het gebied van milieubescherming verweven is met vele klassieke sectoren, zoals de productiesector, de bouw en de dienstensector; roept daarom op om voorlopig de IAO-definitie als werkdefinitie over te nemen op grond waarvan alle arbeidsplaatsen die een duurzame ontwikkeling bevorderen, als groene duurzame banen aangemerkt dienen te worden; stelt dat de definitie zowel arbeidsplaatsen omvat die direct tot een vermindering van het energie- en grondstoffenverbruik leiden, die ecosystemen en biodiversiteit beschermen en die de afvalproductie en luchtvervuiling minimaliseren, als arbeidsplaatsen die de ecologische voetafdruk verminderen; onderkent dat de definitie van het werkgelegenheidspotentieel als gevolg van het relatieve karakter van die afbakening niet definitief vastgelegd kan worden;

15.  is van mening dat er aanzienlijk meer onderzoek nodig is om de gevolgen te kunnen meten van milieu- en klimaatbeleid op de netto toename van de werkgelegenheid; verzoekt de Commissie om dit onderzoeksterrein in het achtste kaderprogramma tot prioriteit te maken;

16.  benadrukt dat bij alle arbeidsplaatsen rekening gehouden dient te worden met de doelstelling om een duurzame ontwikkeling te bevorderen en dat de productie- en werkprocessen zodanig vormgegeven dienen te worden dat er een zo efficiënt gebruik wordt gemaakt van natuurlijke hulpbronnen, materialen en energie; onderstreept dat dit uitgangspunt voor de gehele toeleveringsketen van kracht moet zijn en dat het niet zinvol is om een onderscheid te maken tussen goede en slechte industrieën, aangezien er in alle industrieën meer nadruk op duurzaamheid gelegd kan worden;

17.  hecht veel belang aan een nieuw communautair kader met een bevredigende begroting om openbaar onderzoek te steunen en onderzoeksresultaten op eenvoudige en onbureaucratische manier toegankelijk te maken, opdat alle bedrijven, met inbegrip van micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, veranderingen kunnen doorvoeren met betrekking tot energie-efficiëntie, gebruik van nieuwe energiebronnen, nieuwe productieprocessen alsmede hergebruik en beter gebruik van hulpbronnen, en banen kunnen creëren met bijbehorende rechten;

Optimaliseren van het werkgelegenheidspotentieel

18.  vraagt de ontwikkeling van een Europese werkgelegenheidsstrategie voor een duurzame economie als onderdeel van de EU 2020-strategie, om het banenpotentieel te optimaliseren en tegelijk ook aandacht te besteden aan fatsoenlijk werk, de gezondheid en veiligheid van werknemers, de vaardigheden die nodig zijn en een sociaal verantwoorde transformatie; benadrukt dat een duurzame economie sociale, technologische, economische en ecologische duurzaamheid moet combineren; benadrukt dat een dergelijke duurzame werkgelegenheidsstrategie een centraal element van de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid moet zijn;

19.  beveelt de regionale autoriteiten aan om een ontwikkelingsstrategie goed te keuren conform de doelstellingen van de EU 2020-strategie, met het oog op het creëren van nieuwe banen in een duurzame economie;

20.  verzoekt de Commissie uiterlijk in 2011 een voorstel in te dienen voor een strategie, met inbegrip van wetgevende en niet-wetgevende maatregelen, ter bevordering van groene banen die een bron van groei en welvaart vormen voor iedereen;

21.  benadrukt dat Europese ondernemingen door hun innovatieve prestaties intussen overal ter wereld toonaangevend zijn op het gebied van de milieubescherming; maakt zich echter zorgen over het feit dat er nog steeds grote delen van de productie van de EU naar derde landen worden verplaatst, waar de normen voor de milieubescherming veel minder streng zijn; verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten dit fenomeen snel en met nadruk door een mondiale en multilaterale aanpak te bestrijden, en er zo voor te zorgen dat er in de mondiale mededinging vergelijkbare verplichtingen bestaan;

22.  beklemtoont dat een stabiel, ambitieus regelgevingskader voor de lange termijn een vereiste is om het volledige groene werkgelegenheidspotentieel te realiseren; verzoekt de Commissie en de lidstaten milieunormen en financiële prikkels te ontwikkelen die voor een periode van minimaal tien jaar voor betrouwbare kadervoorwaarden zorgen en waardoor derhalve een adequate rechts- en planningszekerheid wordt gecreëerd; roept ertoe op de bestaande financiële instrumenten te gebruiken om duurzaamheid te bevorderen en toenemende duurzaamheid van de economische activiteit en productie als een van de nagestreefde doelstellingen op te nemen in de financiële vooruitzichten van diverse fondsen, inclusief de structuurfondsen en het Cohesiefonds;

23.  benadrukt in dit verband het belang van het concept van de geïntegreerde stadsontwikkeling en dat de duurzame vernieuwing van achterstandswijken daarbij een voorbeeldfunctie zou kunnen fungeren; beschouwt duidelijke politieke kadervoorwaarden als basisvereiste hiervoor, waaronder het zekerstellen van steun voor de stedelijke dimensie in de structuurfondsen;

24.  constateert dat financiële middelen uit de bestaande programma's nodig zijn voor gerichte studies in de meest benadeelde regio´s van de EU om vast te stellen welke strategische doelstellingen moeten worden nagestreefd en welk soort maatregelen moet worden genomen om gunstige voorwaarden te creëren voor de ontwikkeling van een duurzame lokale economie met als specifiek doel het tot stand brengen van nieuwe, groene banen en geïntegreerde acties voor het aantrekken van nieuwe, groene ondernemingen en het ondersteunen van de bestaande ondernemingen;

25.  onderstreept dat gerichte investeringen in de ecologische transformatie van de benadeelde regio´s van de EU een van de nuttigste instrumenten vormen voor het bereiken van de strategische doelstellingen van regionale convergentie en territoriale cohesie;

26.  benadrukt het belang van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) voor een regionale clustervorming door de verbinding van onderzoek, innovatie en infrastructuur ter plaatse in het kader van nieuwe technologieën, bijvoorbeeld op het vlak van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie; benadrukt verder dat vooral in stedelijke gebieden de regionale en lokale autoriteiten het best in staat zijn om de noodzakelijke voorwaarden te scheppen voor de groei van clusters van innovatieve ondernemingen; wijst erop dat een dergelijke clustervorming een doorslaggevende stimulans kan zijn voor de lokale economische ontwikkeling en nieuwe arbeidsplaatsen kan creëren in de regio's;

27.  is zich bewust van het feit dat er maar weinig coördinatie plaatsvindt tussen de EU-, nationale en regionale subsidieregelingen en onderstreept derhalve de noodzaak van een betere coördinatie op de diverse niveaus tussen de programma's en van ondersteuning voor meer synergie tussen de verschillende gemeenschappelijke beleidsterreinen met behulp van de structuur-, landbouw- en plattelandsontwikkelingsfondsen, het kaderprogramma voor onderzoek en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (PCI)) teneinde een duurzame economie te realiseren die een efficiënt gebruik maakt van de hulpbronnen; is van mening dat wat betreft de financiering in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid, meer gekeken moet worden naar een overschakeling van directe inkomenssteun naar plattelandsontwikkeling en de ontwikkeling van een ecologisch duurzame landbouw;

28.  doet nogmaals een beroep op de Commissie en de lidstaten om gebruik te maken van het succes van het herstructureringsfonds en een nieuw communautair initiatief te starten, met onder meer proefprojecten, voor een herstructurering met een nieuwe duurzame economie als doel;

29.  verwijst naar punt 8 van de conclusies van de Raad van 21 oktober 2009, waarin de Commissie werd verzocht de subsidieregelingen die aanzienlijke negatieve effecten op het milieu hebben en onverenigbaar zijn met duurzame ontwikkeling met spoed per sector te toetsen; verzoekt de Commissie hieraan onverwijld gevolg te geven en na te gaan welke andere bestemmingen er voor deze subsidiebedragen kunnen worden gevonden om steun te verlenen aan nieuwe activiteiten gekoppeld aan duurzame economie;

30.  pleit voor doeltreffende financieringssystemen en fiscale prikkels om kleine en middelgrote ondernemingen te stimuleren een groen werkgelegenheidsbeleid te voeren en te zorgen voor groene innovaties en productie;

31.  is van oordeel dat de bestaande en voorgestelde EU-milieuwetgeving een groot potentieel herbergt voor het scheppen van nieuwe banen op gebieden als lucht-, bodem-, water-, energie-, overheidsdiensten-, landbouw-, vervoers-, bos- en milieubeheer; roept de lidstaten op tot de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving die zou kunnen leiden tot nieuwe investeringen in milieuvriendelijke technologieën en banen;

32.  wijst erop dat overheidsopdrachten een groot marktaandeel hebben en aanzienlijke prikkels tot vergroening van de economie kunnen leveren; dringt er daarom op aan dat bij alle overheidsopdrachten scherpe milieueisen worden gesteld;

33.  roept de EU en de lidstaten op om op veranderingen te anticiperen, d.w.z. om tekortkomingen en onzekerheden op informatiegebied op te lossen en om het bewustzijn, de sociale leerprocessen en veranderingen in het consumptiepatroon te bevorderen; stelt dat stimulansen nodig zijn om bedrijven ertoe aan te zetten meer te investeren in schone technologie en dat werknemers meer bereid zijn tot veranderingen, als deze leiden tot meer werkgelegenheid en als voor een veiligheidsnet voor werknemers is gezorgd;

34.  onderstreept dat het potentieel aan werkgelegenheid van hoge kwaliteit in een nieuwe duurzame economie moet worden versterkt door de innovatie te richten op oplossingen die een antwoord bieden op de grote maatschappelijke vraagstukken, zoals de werkloosheid en de armoede, de klimaatverandering, de vergrijzing van de bevolking en de almaar schaarser wordende hulpbronnen; vestigt de aandacht op het belang van een industrieel beleid en een onderzoeksbeleid die zijn gebaseerd op open innovatie en clusters, teneinde bundeling van kennis door de verschillende economische actoren in de publieke en private sector te bevorderen en innovatie te stimuleren; verzoekt de Commissie daarom een Europees technologieplatform voor industrieën met gering gebruik van hulpbronnen te ontwikkelen;

35.  doet de aanbeveling dat, indien lidstaten besluiten om subsidies te verstrekken voor bijvoorbeeld het verhogen van de productie van wind-, bio- of zonne-energie, de hoogte van die subsidies gebaseerd wordt op een wetenschappelijke evaluatie van empirische gegevens en dat die subsidies redelijke investeringsperspectieven en -zekerheden voor eventuele investeerders opleveren; roept met het oog op een grotere duurzaamheid op om relevante factoren, zoals als de nettotoename van de werkgelegenheid als gevolg van die subsidies, de energieprijzen, het netto-effect op de emissies van broeikasgassen en andere milieuverontreinigende stoffen, zorgvuldig in overweging te nemen;

36.  merkt op dat er geen algemene consensus bestaat over welke technologische keuzen ecologisch, economisch of sociaal het meest duurzaam van aard zijn in de huidige mondiale competitieve situatie; dat er veel variabelen in aanmerking dienen te worden genomen bij een vergelijking tussen bijvoorbeeld de duurzaamheid van de productie van energie middels windmolens, solaire PV-panelen, het verbranden van kolen op basis van de afvang en opslag van CO2, nucleaire reactoren of een aantal andere technologieën; roept dan ook op om meer wetenschappelijk onderzoek naar dit onderwerp uit te voeren, waarbij de volledige levenscycli van productieprocessen worden vergeleken; roept tevens op om bij alle productieprocessen een spaarzamer gebruik van natuurlijke hulpstoffen te maken;

Werkgelegenheidspotentieel voor vrouwen en mannen in de nieuwe duurzame economie

37.  onderstreept dat het groeipotentieel en banenpotentieel in de nieuwe economie pas dan volledig benut kan worden als de participatie van vrouwen in de Europese arbeidsmarkt stijgt, aangezien de helft van de toename van de totale werkgelegenheid en een kwart van de jaarlijkse economische groei sinds 1995 te danken zijn aan de verkleining van de kloof tussen de arbeidsparticipatie van mannen en die van vrouwen en daar een grotere participatie nodig is om een duurzame groei te waarborgen en om aan de eisen van de ecologische transformatie in een vergrijzende samenleving te kunnen voldoen;

38.  dringt aan op een Europees initiatief om werkgevers, vooral in van oudsher door mannen gedomineerde sectoren, bewust te maken van de behoefte aan en de voordelen van een meer divers personeelsbestand in een vergrijzende samenleving, en hen instrumenten aan te reiken om zich voor te bereiden om een grotere diversiteit;

39.  roept de EU, de lidstaten en de sociale partners op om in een duurzame economie discriminatie te bestrijden en gendergelijkheid te bevorderen, om werkomstandigheden in deze sectoren te creëren die voor vrouwen, ook op langere termijn. aantrekkelijk zijn, om het combineren van gezin en werk te bevorderen door adequate, hoogwaardige kinderopvang en door een moduleerbare gezinsvriendelijke arbeidsorganisatie, om de mogelijkheden en omstandigheden te creëren op basis waarvan zowel mannen als vrouwen op gelijke voorwaarden op de arbeidsmarkt actief kunnen zijn, om de participatie van vrouwen in door mannen gedomineerde vertegenwoordigingsorganen te bevorderen en om de banensegmentatie en salariskloven op grond van gender te verminderen;

40.  wijst erop dat investeringen in de sociale infrastructuur een kans bieden om Europa te moderniseren en gelijkheid te bevorderen, en kunnen worden beschouwd als een strategie die parallel loopt aan investeringen in groene technologieën om de fysieke infrastructuur te moderniseren; is van mening dat gendergelijkheid daarom een beleidsprioriteit moet zijn en een essentieel instrument;

41.  onderstreept dat een doelgerichte inspanning om de toegang voor vrouwen tot onderwijs op alle niveaus te verzekeren en voor levenslang leren te zorgen van essentieel belang is om de genderverschillen op de arbeidsmarkt op te heffen; dringt erop aan dat er voor adequate beroepsopleiding wordt gezorgd om te voorkomen dat vrouwelijke werknemers ondervertegenwoordigd zijn in groene banen, vanuit de gedachte dat als vrouwen massaal afzien van wetenschap en technologie dit een belemmering zou betekenen voor de groei en duurzaamheid van Europa en er vele getalenteerde en gekwalificeerde jonge vrouwen qua werk en economische zekerheid aan de zijlijn zouden blijven staan;

42.  dringt aan op een specifiek Europees initiatief om meisjes aan te trekken tot een loopbaan in de wiskunde, de informatica, natuurwetenschappen en technologie, en stereotypen die nog steeds de boventoon voeren in deze beroepen te bestrijden; benadrukt dat de media en het onderwijs een sleutelrol spelen in de bestrijding van zulke stereotypen;

43.  benadrukt dat jonge vrouwen bij de overgang van school naar werk gemotiveerd moeten worden voor leercontracten in sectoren waarin zij ondervertegenwoordigd zijn, via gezamenlijke planning van scholen, universiteiten opleidingsbureaus en/of opleidingsinstituten, zodat zij specifieke vaardigheden en capaciteiten verwerven – ook op gevorderd en specialistisch niveau – door werkervaring op te doen op regelmatige in plaats van onzekere basis, met vaste vooruitzichten;

44.  verzoekt de EU en de lidstaten een hogere prioriteit te geven aan groene banen voor vrouwen in het kader van programma's van het Europees Sociaal Fonds (ESF), in aanmerking nemend dat het ESF opleidingsprojecten financiert op terreinen zoals hernieuwbare energie en ecotoerisme; benadrukt dat er meer inspanningen nodig zijn om de participatie van vrouwen in door het ESF gesteunde projecten, die nu onder de 10% ligt, te vergroten; dringt aan op gender budgeting in het ESF, alsmede in herstelplannen en programma's voor structurele aanpassing om te waarborgen dat deze programma's evenzeer aantrekkelijk zijn voor en een plaats bieden aan vrouwen;

45.  benadrukt dat de overgang naar een nieuwe economie niet als voorwendsel mag worden gebruikt om diverse gendergelijkheidsmaatregelen te ontmantelen, maar in plaats daarvan zou moeten worden gezien als een unieke kans om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt in de EU op te krikken, want dat is een voorwaarde om duurzame groei, optimaal gebruik van het werkgelegenheidspotentieel en sterk concurrentievermogen te verzekeren;

Bevordering van waardig werk voor iedereen

46.  verzoekt de Commissie om naast het werkgelegenheidspotentieel voor hooggekwalificeerde werknemers bijzondere aandacht te besteden aan de vele arbeidsplaatsen in het middelste en lage kwalificatiesegment van de duurzame economie, alsmede aan ongeschoolde, maar gespecialiseerde werknemers; verzoekt de Commissie en de lidstaten hier in het bijzonder rekening mee te houden in de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid; verzoekt de lidstaten de arbeidsplaatsen in het middelste en lage opleidingsgebied op te waarderen en voor waardig werk in deze segmenten te zorgen;

47.  benadrukt de noodzaak om speciale aandacht te besteden aan waardig werk, aan de benodigde vaardigheden en aan een sociaal verantwoorde overgang; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de sociale partners ervoor te zorgen dat de werkgelegenheidsstrategie voor een duurzame economie iedereen in de hele EU ten goede komt; benadrukt het feit dat deze strategie moet worden aangehouden in alle typen van banen, zowel hoog-, midden- als laaggekwalificeerde; vraagt dat onderwijs en onderzoek en de ontwikkelingsmogelijkheden worden opgevoerd; vraagt voorts dat in de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid en in het „Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen”-programma van de Commissie de nadruk wordt gelegd op de mensen die de meeste moeite hebben om toegang tot de arbeidsmarkt te krijgen, op de meest kwetsbare groepen, met name gehandicapten, en op laagopgeleide werknemers, alsmede op hun bescherming;

48.  is van mening dat werkgelegenheidsbeleid een centrale rol speelt bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en eist daarom in de zin van het IAO-programma „Decent Work” kwalitatief goede arbeidsvoorwaarden en een bezoldiging die zowel volstaat om in het levensonderhoud te voorzien als een passende deelname aan het bbp waarborgt;

49.  constateert dat het risico op precaire arbeidsverhoudingen en slechte arbeidsomstandigheden in sommige nieuwe sectoren groot is vanwege de vaak lagere organisatiegraad aan zowel werknemers- als werkgeverszijde; verzoekt de EU en de lidstaten kadervoorwaarden te ontwikkelen voor het vastleggen van vertegenwoordigingsstructuren in de nieuwe sectoren; verzoekt de sociale partners om zichzelf te organiseren en roept de Commissie op om in de gehele EU de uitwisseling van voorbeelden van goede praktijken te bevorderen, met name wat meer informatie en raadpleging van de werknemers en het oprichten van Europese ondernemingsraden betreft;

50.  vestigt de aandacht erop dat er meer inspanningen nodig zijn om met het oog op de gezondheid en veiligheid van werknemers te zorgen voor een effectieve harmonisatie binnen de EU van de minimumeisen voor de organisatie van de arbeidstijd;

51.  roept de lidstaten op in samenwerking met de sociale partners geïntegreerde plannen op te stellen voor de evaluatie van de acties op het gebied van ecologische transformatie zowel op lokaal als op nationaal niveau; roept de sociale partners op de participatie van de werknemers in de strategie voor duurzame ontwikkeling te volgen en maatregelen voor te stellen en vervolgens goed te keuren om de effectieve participatie met betrekking tot duurzame mobiliteit voor werknemers en groene groei te vergroten;

52.  verzoekt de sociale partners zich open te stellen voor die nieuwe bedrijfstakken en strategieën te ontwikkelen voor de integratie van de betreffende brancheorganisaties in de sociale partnerschappen;

53.  verzoekt de EU en de lidstaten openbare subsidies en overheidsopdrachten directer te koppelen aan sociale minimumnormen op het niveau van de lidstaten en de oprichting van vertegenwoordigingsorganen van de sociale partners te bevorderen;

54.  wijst erop dat bijscholing en levenslang leren voor werknemers in het verlengde van veranderingen in de productieprocessen van bedrijven of sectoren ook nieuwe banen creëren; roept de EU op een kader te ontwikkelen om op veranderingen en herstructureringen, met name van de productie, te anticiperen, waarbij alle betrokken werknemers het recht moeten hebben om aan opleidingen en aan regelingen voor levenslang leren deel te nemen; roept de lidstaten, werkgevers en werknemers op om te onderkennen dat beheer van vaardigheden, opleiding en levenslang leren een gedeelde verantwoordelijkheid is, zoals ook in de raamovereenkomst van de sociale partners van 2002 over levenslang leren is vastgelegd; dringt bij de Commissie aan op de opname van een negende kerncompetentie in de kaderstructuur voor een leven lang leren, die betrekking heeft op milieu, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling – van essentieel belang in een kennismaatschappij; verzoekt de lidstaten het concept van duurzaamheid in basisopleidingen, het onderwijs en levenslang leren op te nemen;

55.  roept de Commissie, de lidstaten en de sociale partners op zich meer inspanningen te getroosten om de negatieve gevolgen van de herstructureringen voor zowel de lokale economie als de werkgelegenheid effectief aan te pakken; onderstreept de noodzaak richtsnoeren te verspreiden voor het beheer van de transformatie en de sociale gevolgen ervan;

Inspelen op de behoefte aan nieuwe vaardigheden

56.  wijst erop dat de lidstaten hun opleidings- en onderwijsstelsels moeten aanpassen en gerichte actieplannen moeten uitwerken en uitvoeren voor de omscholing van de werknemers in de sectoren die door de transformatie van de lokale economieën in een nieuwe duurzame economie zullen worden getroffen, om ervoor te zorgen dat deze werknemers toegang tot nieuwe groene duurzame banen hebben en dat de beroepsbevolking haar vaardigheden aan de behoeften van een duurzamere economie kan aanpassen aan de hand van opleidingsconcepten op basis van vaardigheden; is in dit verband tevreden met het „Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen”-initiatief van de Commissie en bevestigt dat de samenwerking met de EU-lidstaten een stap in de juiste richting is; wijst er echter op dat dit initiatief directer moet worden gekoppeld aan de doelstellingen in het Raadsbesluit inzake duurzame ontwikkeling en verder moet worden uitgewerkt met concrete acties zowel op het niveau van de EU als in de lidstaten;

57.  onderstreept dat het noodzakelijk is te zorgen voor een versterking van de open coördinatiemethode en de uitwisseling van goede praktijken betreffende duurzame ontwikkeling, groene banen en een leven lang leren, teneinde de transformatie in de economie en, in het verlengde daarvan, de nieuwe onderwijs- en opleidingsbehoeften, maar ook de eventuele, ongunstige sociale gevolgen van een dergelijke overgang succesvol en effectief te kunnen beheren;

58.  verzoekt de lidstaten leeftijdsdiscriminatie te bestrijden en het aanbod aan en de strategie voor opleidingen voor een leven lang leren aan te passen aan de behoeften van oudere werknemers, om ook voor hoge arbeidsparticipatiepercentages onder 55-plussers te zorgen, ook onder vrouwen in die leeftijdscategorie;

59.  roept de EU en de lidstaten op om uitgebreide beleidsmaatregelen voor innovatie en creativiteit vast te stellen, met name op het gebied van onderwijs en opleidingen (inclusief het beroepsonderwijs en beroepsopleidingen) als basis voor een groene economie, concurrentievermogen en welvaart;

60.  merkt op dat het in tijden van crisis essentieel is jongeren voor het nieuwe type groene banen aan trekken en ervoor te zorgen dat de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt met programma's voor het verwerven van vaardigheden wordt bevorderd, zodat jongeren van het banenpotentieel kunnen profiteren, om de hoge werkloosheid onder burgers onder 25 te bestrijden en de vaardigheden van de jonge generatie op het gebied van technologie te benutten; betreurt het feit dat het EU 2020-vlaggenschipinitiatief „Jeugd in beweging” jonge mensen uitsluit die geen hoger onderwijs volgen; benadrukt dat dit initiatief, om echte veranderingen te verwezenlijken, specifiek gericht moet zijn op de jongeren die op dit moment de meeste achterstand hebben en een risico op armoede lopen;

61.  roept de lidstaten op in samenwerking met de sociale partners beroepsoriëntatieprogramma's voor jongeren op wetenschappelijk en technologisch gebied op te stellen en uit te voeren teneinde de totstandkoming van een levensvatbare en duurzame economie te bevorderen, en maatregelen te treffen voor de voorlichting over en bewustmaking van de vraagstukken met betrekking tot ecologie en milieu, zowel via de structuren van het formeel onderwijssysteem als in het kader van de activiteiten van het lokaal en regionaal zelfbestuur;

62.  verzoekt de Commissie om in nauwere samenwerking met de lidstaten middellange- en langetermijnprognoses op te stellen voor de vaardigheden die de arbeidsmarkt vereist en om partnerschappen tussen universiteiten en het bedrijfsleven aan te moedigen, teneinde de aansluiting van jongeren op de arbeidsmarkt te bevorderen en tegelijkertijd een op kennis gebaseerde maatschappij te helpen creëren, alsmede toegepast onderzoek te ontwikkelen en betere arbeidsmarktvooruitzichten te scheppen voor afgestudeerden;

63.  roept de lidstaten en de sociale partners op doelstellingen te bepalen om tot een gelijke participatie van vrouwen en mannen te komen en te zorgen voor gelijke kansen op het gebied van onderwijs en opleiding en voor gerichte aanwervingsregelingen en gespecialiseerde stageplaatsen en opleidingsinitiatieven voor vrouwen, migranten, langdurig werklozen en andere groepen die op de arbeidsmarkt het slachtoffer van discriminatie worden;

64.  moedigt de lidstaten aan gebruik van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering te maken om de Europese doelstellingen te halen en nieuwe vaardigheden, ook voor nieuwe duurzame „groene” kwaliteitsbanen, te bevorderen;

65.  verzoekt de verantwoordelijke betrokkenen de werkgelegenheidssituatie te volgen om de basisberoepsopleiding en levenslang leren meer af te stemmen op de behoeften; verzoekt de lidstaten in verband hiermee de haalbaarheid te onderzoeken van overgangsfondsen om de behoeften op het gebied van vaardigheden te beheren;

66.  roept de EU en de lidstaten op om van bevordering van de aanpassing aan een duurzame economie een van de doelstellingen van het Europees Sociaal Fonds te maken, om bij te dragen aan een toenemende duurzaamheid van de economische bedrijvigheid en ontwikkeling van de infrastructuur;

67.  roept in herinnering dat de duurzame dimensie niet beperkt mag blijven tot opleidingen in banen op milieugebied, maar dat deze geïntegreerd dient te worden in alle onderwijs- en opleidingsprogramma's, ten einde een cultuur van duurzame ontwikkeling en ecologisch bewustzijn te bevorderen;

68.  benadrukt de toegevoegde waarde van een leven lang leren en roept de lidstaten op om de lokale mogelijkheden nauwkeurig in kaart te brengen om zo te komen tot de organisatie van een vraaggestuurde scholing waarbij de beschikbare middelen worden gekoppeld aan de bestaande vraag, en om het aanzien van het voortgezet beroepsonderwijs te herstellen door het aanbieden van hoogwaardige opleidingen, met name in regio's waar het lokale aanbod en de traditionele beroepen vragen om de ontwikkeling van specifieke kennis en vaardigheden; roept de Commissie op de lidstaten voldoende technische ondersteuning te geven bij het in kaart brengen van de lokale behoeften, en merkt op dat voortgezette beroepsopleidingen van hoog niveau een bijdrage kunnen leveren aan het terugbrengen van het aantal werklozen met een diploma en kunnen leiden tot duurzame werkgelegenheid;

69.  benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten gebruik maken van het Europees Sociaal Fonds voor investering in vaardigheden, werkgelegenheid, scholings- en herscholingsactiviteiten met het oog op het scheppen van meer en betere banen door middel van landelijke, regionale en lokale projecten; is van mening dat ook de werkervaring van ouderen een bijdrage aan deze initiatieven kan leveren, gezien hun groeiende aantal binnen de EU-bevolking; beveelt de regionale en lokale autoriteiten aan om passende, permanente contacten te onderhouden met het bedrijfsleven, werkgeversorganisaties, vakbonden en ngo's, om de behoeften op de arbeidsmarkt voor de middellange en lange termijn te peilen;

70.  erkent de belangrijke rol van lokale en regionale overheden op onderwijsgebied, waar de basis wordt gelegd voor het verwerven van verdere toekomstgerichte vaardigheden, o.a. door levenslang leren en bijscholen; merkt op dat het scheppen van randvoorwaarden voor onderwijs en opleiding van jongeren, onder wie schoolverlaters zonder kwalificaties, in veel landen een regionale en lokale verantwoordelijkheid is; moedigt de regio's daarom aan de structuurfondsen te gebruiken voor de onderwijsinfrastructuur, in het bijzonder in minder begunstigde stadswijken en regio's, en via deze steun een omvattende en inclusieve schoolopleiding mogelijk te maken; wijst op het aanzienlijke potentieel (op het gebied van onderwijs en opleiding) van samenwerking tussen lagere overheden en ondernemingen en stichtingen, waar het gaat om het scheppen van duurzame banen op het gebied van lokaal vervoer, stedelijke mobiliteit, onderwijs en onderzoek en ontwikkeling, waarbij het accent moet worden gelegd op gelijke kansen;

71.  constateert dat het noodzakelijk is synergieën tot stand te brengen tussen de lidstaten, de sociale partners en de instellingen van hoger onderwijs met het oog op de uitwerking van onderwijsprogramma´s op bachelor- en masterniveau en de vaststelling van op de ecologische transformatie van de economie gerichte voorwerpen van kennis;

72.  is van mening dat de demografische ontwikkelingen een bredere strategie vereisen, waarin het scheppen van werkgelegenheid en het inspelen op nieuwe en opkomende behoeften op de Europese arbeidsmarkt worden gecombineerd; is in dit verband van mening dat de mobiliteit van EU-werknemers meer worden bevorderd, met inbegrip van onderzoekers en andere vakmensen, om zo binnen de interne markt van de EU te komen tot een Europa zonder belemmeringen;

Een maatschappelijk verantwoorde transformatie

73.  merkt op dat een toenemende duurzaamheid van de economische bedrijvigheid veranderingen voor economische sectoren in hun geheel met zich mee kan brengen; verzoekt de EU en de lidstaten er zorg voor te dragen dat bij de overgang naar de duurzame economie sociale offers worden voorkomen en kadervoorwaarden te creëren voor een maatschappelijk verantwoorde transformatie waarbij de negatieve risico's van de transformatie tot een minimum worden beperkt en de voordelen ervan geoptimaliseerd voor alle werknemers; benadrukt dat een maatschappelijk rechtvaardige transformatie een elementaire bouwsteen voor duurzame ontwikkeling is en een essentiële voorwaarde voor een draagvlak voor de verandering bij de Europese burgers;

74.  benadrukt dat de financiële gevolgen van een gebrekkig transformatiebeheer vele malen hoger kunnen zijn dat de voorziene investeringen die voor een goed beheer noodzakelijk zijn; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de sociale partners gezamenlijk de verantwoordelijkheid te nemen voor een preventief transformatiebeheer;

75.  onderstreept dat het noodzakelijk is duurzame economie op te nemen onder de maatschappelijke en ecologische verantwoordelijkheden van ondernemingen, en dat het mogelijk is een cultuur van duurzame economie en ontwikkeling te bevorderen via educatieve programma´s in het kader van de maatschappelijke verantwoordelijkheden van ondernemingen;

76.  herinnert eraan dat het creëren van omstandigheden waarin werknemers verdere opleiding kunnen volgen en zich aan nieuwe technologie kunnen aanpassen, zodat zij hun baan niet verliezen, en het bevorderen en ondersteunen van collectieve overeenkomsten in anticipatie op de veranderingen en ter voorkoming van werkloosheid, samen met het versterken van de sociale zekerheid, systemen voor inkomensondersteuning en proactieve sectorale opleidingsinitiatieven, essentiële preventiemechanismen vormen;

77.  roept de Commissie op om op Europees niveau steun te verlenen aan onderzoek naar de beroepen van morgen, teneinde gedwongen ontslagen te voorkomen en de arbeidsplaatsen in de Europese Unie te behouden;

78.  onderstreept de noodzaak dat nauw en effectief wordt samengewerkt en de internationale organisaties elkaar aanvullen, en vraagt de Wereldhandelsorganisatie om activiteiten te ontplooien met betrekking tot de maatschappelijke en ecologische aspecten van investeringen en handel;

79.  beseft dat er voor ngo's en vakbonden een belangrijke rol is weggelegd bij de ontwikkeling van een groen werkgelegenheidspotentieel, en wel als deelnemers aan de besluitvorming, als werkgevers en als deelnemers aan het bewustmakingsproces;

80.  wijst erop dat de organisaties die investeren in milieuefficiënte methoden zullen helpen een betere werksfeer te scheppen voor personeel en medewerkers en hierdoor productiever kunnen zijn; verzoekt de lidstaten om het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) te bevorderen en alle bedrijfstakken aan te moedigen EMAS-registratie na te streven; roept de Commissie, de lidstaten en de sociale partners op wezenlijke milieuvraagstukken op te nemen in de sociale dialoog, op elk niveau van overleg en met de klemtoon op de sectorale onderhandelingen; benadrukt dat werknemers met het oog op een maatschappelijk verantwoorde transformatie een participerende partnerschapsrol in dit proces dienen te spelen; roept op om hierbij vertegenwoordigers van de werknemers te betrekken die belast worden met het groen maken van de werkplek, volgens de definitie van de IAO, overeenkomstig de nationale praktijken, om de werkplekken, bedrijven en sectoren duurzamer te maken;

81.  roept de EU op in het kader van haar externe betrekkingen en met de medewerking van de sociale partners een stelselmatige dialoog op te zetten voor de totstandbrenging van een soortgelijke benadering van duurzame ontwikkeling in andere delen van de wereld, teneinde gelijke ontwikkelingsvoorwaarden te waarborgen en de industriële concurrentiekracht niet te ondermijnen; is van mening dat het waarborgen van eerlijke concurrentie in duurzame productiesectoren een gunstige invloed hebben wat de verbetering van de bescherming en de arbeidsvoorwaarden van de werknemers betreft;

82.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voorlichtings- en bewustmakingscampagnes te organiseren over het ontwikkelen van groene banen in een duurzame economie;

o
o   o

83.  verzoekt zijn Voorzitter deze ontwerpresolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 39 van 13.2.2008, blz. 1.
(2) PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13.
(3) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0154.
(5) Raadsdocument 16818/09, 1.12.2009.
(6) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0123.
(7) Werkdocument van de Commissiediensten getiteld „Regions 2020 – An Assessment of Future Challenges for EU Regions”, november 2008, te vinden onder: http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docoffic/working/regions2020/pdf/regions2020_en.pdf.


EER-Zwitserland: obstakels voor de volledige tenuitvoerlegging van de interne markt
PDF 141kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over de Europese Economische Ruimte en Zwitserland: belemmeringen voor de volledige tenuitvoerlegging van de interne markt (2009/2176(INI))
P7_TA(2010)0300A7-0216/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de vrijhandelsovereenkomst van 22 juli 1972 tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat,

–  gezien de overeenkomst van 21 juni 1999 tussen enerzijds de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, en anderzijds de Zwitserse Bondsstaat, over het vrij verkeer van personen, meer in het bijzonder bijlage I over het vrij verkeer van personen, en bijlage III over de erkenning van beroepskwalificaties,

–  gezien de overeenkomst van 25 juni 2009 tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over vereenvoudigde inspectie en formaliteiten voor het vervoer van goederen en veiligheidsmaatregelen van de douanediensten,

–  gezien de overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over wederzijdse erkenning van certificatie (of „overeenstemmingsbeoordeling”),

–  gezien de overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over bepaalde aspecten van openbare aanbestedingen,

–  gezien het Protocol van 27 mei 2008 bij de overeenkomst tussen enerzijds de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, en anderzijds de Zwitserse Bondsstaat, over het vrij verkeer van personen voor wat betreft de deelname van de Republiek Bulgarije en Roemenië als verdragsluitende partijen na hun toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien het Protocol van 26 oktober 2004 bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten en de Zwitserse Bondsstaat, over het vrij verkeer van personen voor wat betreft de deelname van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek na hun toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien de overeenkomst over de Europese Economische Ruimte,

–  gezien Richtlijn 2006/123/EG van 12 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad over de diensten op de interne markt (de „dienstenrichtlijn”(1)),

–  gezien Richtlijn 2005/36/EG van 7 september 2005 van het Europees Parlement en de Raad over de erkenning van beroepskwalificaties(2),

–  gezien de resolutie van de 33ste bijeenkomst van de Gemengde Parlementaire Commissie voor de Europese Economische Ruimte,

–  gezien het verslag van de Gemengde Parlementaire Commissie voor de Europese Economische Ruimte over het jaarverslag 2008 over de toepassing van de EER-Overeenkomst,

–  gezien het verslag van 2 september 2009 over het Zwitsers buitenlands beleid,

–  gezien het 25ste scorebord voor de interne markt van de EER/EVA-landen,

–  gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, meer in het bijzonder artikel 217, dat de Europese Unie het recht geeft om internationale overeenkomsten af te sluiten,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0216/2010),

A.  overwegende dat de vier lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA: IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland) belangrijke handelspartners van de Europese Unie zijn − Zwitserland en Noorwegen zijn naar omvang haar vierde en vijfde belangrijkste handelspartner,

B.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en drie van de EVA-landen (IJsland, Liechtenstein en Noorwegen) zich in de Europese Economische Ruimte (EER) afspelen, zodat ze volledig aan de interne markt deelnemen, terwijl de EER-Overeenkomst in een sterk geïnstitutionaliseerd kader aangewend en met toezicht begeleid wordt,

C.  overwegende dat de deelname van Zwitserland in 1992 door een volkstemming aangevochten is, zodat de betrekkingen tussen Zwitserland en de EU momenteel op meer dan 120 bilaterale en sectoriële overeenkomsten berusten, die voor verregaande integratie, maar geen volledige deelname aan de interne markt zorgen,

Inleidende opmerkingen

1.  beschouwt de EER-Overeenkomst als centrale drijvende kracht voor economische groei; verheugt zich over de vorderingen van de EER/EVA-landen bij de toepassing van de wetgeving op de interne markt, die over het algemeen goed te noemen zijn, zoals blijkt uit hun scorebord voor de interne markt; stelt vast dat de betrekkingen tussen de EU en Zwitserland bij de uitvoering van de overeenkomst over het vrij verkeer van personen voor veel meer problemen zorgen;

2.  merkt op dat de bilaterale overeenkomsten geen enkele vorm van automatische aanpassing aan latere ontwikkelingen in de overeenkomstige verworvenheden van de Gemeenschap bevatten; erkent dat autonome aanpassingen van de nationale wet aan de EU-wetgeving die onder bilaterale overeenkomsten valt, uit het soeverein besluit van het Zwitsers volk voortvloeien om zich niet bij de EER aan te sluiten, dat volledige eerbiediging verdient;

Uitvoering van de regels op de interne markt: EER-EVA-landen

3.  verheugt zich over de verbeterde gegevens voor de EER/EVA-landen op het jaarlijks scorebord voor de verbruiksmarkten en moedigt de toezichthoudende autoriteit van de EVA aan om in samenwerking met de Commissie en met haar bijstand het systematisch toezicht op de uitvoering van de wetgeving op de interne markt verder te blijven uitbreiden;

4.  stelt vast dat er met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon onzekerheid over de vraag bestaat welke EU-wetgeving de EER raakt; denkt dat zoiets langzamer uitvoering van de wetgeving op de interne markt in de EER/EVA-landen tot gevolg kan hebben en dringt er bij de Commissie op aan om een evaluatie van de toestand voor te leggen;

5.  merkt op dat het Verdrag van Lissabon de rol van de nationale parlementen in de besluitvorming op EU-niveau uitbreidt en vindt dat analoog daarmee de parlementen van de EER/EVA-landen nauwer bij de wetgevende procedures van de EU betrokken moeten worden als het om voorstellen gaat die voor de EER van belang zijn; vraagt de Commissie om de nationale parlementen van de EER/EVA-landen van de wetgevende voorstellen te voorzien die ze de nationale parlementen van de EU-lidstaten voor raadpleging toestuurt;

6.  vraagt de Commissie om de bekendmakingsprocedure voor nieuwe EU-regels en -wetgeving die in het bereik van de EER-Overeenkomst vallen, formeel vast te leggen, om de afstand tussen de aanneming van nieuwe wetgeving en haar mogelijke overname door de EER/EVA-landen te verkleinen;

7.  moedigt de EER/EVA-landen aan om de nodige middelen uit te trekken om de wettelijke voorschriften op de interne markt uit te voeren, en beschouwt daarbij de uitvoering van de dienstenrichtlijn, en vooral de aanwijzing van enige aanspreekpunten, als van het grootste belang;

8.  erkent dat de uitvoering van de wettelijke voorschiften op de interne markt in de EER/EVA-landen om institutionele redenen noodzakelijkerwijze langzamer verloopt als in de EU; geeft in overweging dat er, ondanks de verschillende omstandigheden en de resultaten die over het algemeen positief te noemen zijn, ook in de EER/EVA-landen nog mogelijkheden aanwezig zijn om de tekortkomingen in de uitvoering verder te verminderen;

9.  stelt vast dat er op het ogenblik nog andere belangrijke voorstellen van wetgeving op de interne markt in bespreking zijn, o.a. het voorstel van de Commissie voor een richtlijn op de rechten van de verbruiker; vraagt de Commissie om de EER/EVA-landen sterker in de besprekingen te betrekken;

Uitvoering van de regels op de interne markt: Zwitserland

10.  verheugt zich over de vorderingen in de liberalisering van grensoverschrijdende dienstverlening tussen de EU en Zwitserland, en meer in het bijzonder de positieve uitwerking van het vrij verkeer van personen, zoals blijkt uit de toenemende aantallen uitgezonden werknemers en zelfstandige dienstverleners uit de EU die in Zwitserland werkzaam zijn, in de periode van 2005 tot 2009; stelt vast dat het een ontwikkeling is die wederzijds voordeel oplevert;

11.  stelt vast dat Zwitserland het vrij verkeer van personen van een aantal begeleidende maatregelen voorzien heeft om de werknemers tegen sociale en loondumping in bescherming te nemen, die voor gelijke behandeling van Zwitserse en EU-dienstverleners zorgen en de overeenkomst de steun van de bevolking waarborgen; merkt op dat de maatregelen hinderlijk kunnen zijn voor dienstverlening in Zwitserland door ondernemingen van de EU, vooral kleine en middelgrote; stelt vast dat volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie een aantal van die begeleidende maatregelen enkel aanvaardbaar zouden zijn als ze binnen redelijke verhoudingen een algemeen belang beschermen dat in het land van herkomst van de dienstverlener nog geen bescherming krijgt;

12.  wijst erop dat vooral de volgende begeleidende maatregelen gezien de overeenkomst over het vrij verkeer als onevenredig te beschouwen zijn en het voor kleine en middelgrote bedrijven moeilijk maken om diensten in Zwitserland te verrichten: de verplichting tot voorafgaande aanmelding met een wachttijd van acht dagen, die in Zwitserland geldt, de verplichting om de uitvoeringskosten van driepartijencommissies te helpen dragen, en de uiterst strenge uitvoeringspraktijk; dringt er in dezelfde gedachtegang bij de Zwitserse overheden ook op aan om reglementeringen in te trekken die buitenlandse bedrijven die grensoverschrijdende diensten verlenen, verplichten om een waarborg van financiële betrouwbaarheid te stellen;

13.  maakt zich ongerust over een aantal recente ontwikkelingen op de luchthaven Kloten van Zürich, waar de Zwitserse overheid Duitse en Oostenrijkse taxi's verbod opgelegd heeft om passagiers aan te nemen, en betwijfelt ten zeerste dat zo'n maatregel in overeenstemming met het vrij verkeer van personen is; dringt er bij de Commissie op aan om de zaak zorgvuldig te onderzoeken;

14.  vraagt de Commissie om maatregelen die de werking van de interne markt binnen de EU hinderen en ook voor Zwitserse dienstverleners problemen opwerpen, in onderzoek te nemen en zo nodig eigen maatregelen te treffen;

15.  moedigt de Zwitserse regering en de kantons aan om gebruik te maken van de ervaringen van de EU en de EER met de openstelling van de dienstensector bij de uitvoering van de dienstenrichtlijn; benadrukt dat van de dienstenrichtlijn in economisch opzicht niet alleen in de onderlinge betrekkingen van de lidstaten, maar ook binnen de lidstaten zelf een liberaliserende werking blijkt uit te gaan dankzij de kritische doorlichting van de nationale wetgeving, om overbodige belemmeringen voor de vestiging en collegiale toetsing – waarmee de lidstaten eventuele verdere beperkingen als in het algemeen belang gerechtvaardigd hebben – op te heffen; meent dan ook dat een dergelijke gang van zaken wellicht nuttig kan blijken om de weg voor toenemende dienstverlening tussen de EU en Zwitserland over de grenzen heen te effenen;

16.  verheugt zich over de maatregelen van de Zwitserse Bondsraad om het bedrijfsleven van de EU beter van informatie te voorzien;

17.  verheugt zich over het besluit van de Zwitserse Bondsvergadering om Richtlijn 2005/36/EG inzake de erkenning van beroepskwalificaties over te nemen en vraagt Zwitserland en de Commissie zo spoedig mogelijk tot een overeenkomst over de uitvoering van de richtlijn te komen;

18.  merkt op dat de overeenkomst op het vrij verkeer van personen in het algemeen geen volledige overeenkomst over het vrij verkeer van diensten omvat, dat alleen selectief in specifieke bilaterale overeenkomsten behandeld wordt; onderstreept dat een algemene overeenkomst over het vrij verkeer van diensten beide zijden aanzienlijke economische voordelen zou opleveren; vraagt de Commissie en Zwitserland dan ook om de mogelijkheid van onderhandelingen met het oog op een volledige overeenkomst over het vrij verkeer van diensten te onderzoeken;

19.  meent, met volledige inachtneming van de redenen voor de bijzondere aard van de betrekkingen tussen Zwitserland en de EU, dat alles in het werk gesteld moet worden om te zorgen dat identieke of parallelle regels op de interne markt, o.a. op het vrij verkeer van diensten, in de EU en Zwitserland dezelfde interpretatie en uitvoering krijgen, zodat Zwitserland op voet van gelijkheid aan de interne markt kan deelnemen;

20.  legt de nadruk op het wederzijds belang van de EU en Zwitserland in eenvormiger toepassing van de overeenkomst op het vrij verkeer van personen en tijdiger onderlinge afstemming van de Zwitserse en EU-wetgeving op de interne markt, zodat het bedrijfsleven van de beide partijen in een doorzichtiger en beter voorzienbare constellatie kan optreden;

21.  verheugt zich over de onafhankelijk tot stand gekomen neiging van de Zwitserse overheden om de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie in aanmerking te nemen die na de ondertekening van de overeenkomst op het vrij verkeer van personen tot stand gekomen is, en begroet de recente Zwitserse wetgeving om het „cassis de Dijon”-beginsel in de overwegingen te betrekken;

22.  moedigt de Commissie en Zwitserland aan om in de lopende onderhandelingen over bilaterale akkoorden, o.a. dat over de veiligheid van producten, spoedig tot overeenstemming te komen; dringt er bij de Commissie op aan om de lopende en toekomstige overeenkomsten zo ondubbelzinnig mogelijk te formuleren, met vooruitziende blik op de ontwikkelingen in de toekomst, zodat de mogelijkheden van ongelijke toepassing van meet af aan tot het uiterste beperkt blijven;

23.  vraagt de Commissie en Zwitserland om naar een werkwijze uit te kijken om de overeenkomst op het vrij verkeer van personen vlugger aan de ontwikkelingen in de overeenkomstige verworvenheden van de Gemeenschap aan te passen, op de beleidsterreinen die onder de overeenkomst vallen;

24.  vraagt de Commissie en Zwitserland om op korte termijn de mogelijkheden van horizontale oplossingen voor een aantal institutionele kwesties te bezien, versplintering van het besluitvormingsproces tegen te gaan en het doorzichtiger te maken, de verbindingen tussen de gemengde comités te verbeteren en de invoering van een doeltreffend mechanisme om geschillen te slechten te onderzoeken;

25.  wenst voor zichzelf betere communicatie met Zwitserland, en dat vertegenwoordigers van Zwitserland sterker bij de werkzaamheden van het Europees Parlement en zijn organen betrokken worden;

26.  constateert dat er door de nieuwe gezichtspunten in de lopende en geplande onderhandelingen over diverse beleidsgebieden, waaronder consumentenbescherming, behoefte is aan discussie over de mogelijkheid om verder te gaan dan het bestaande institutioneel kader en misschien een allesomvattende bilaterale overeenkomst af te sluiten die het wederzijds belang van Zwitserland en de EU dient;

o
o   o

27.  verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.
(2) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.


Bilaterale vrijwaringsclausule in de vrijhandelsovereenkomst EU-Korea ***I
PDF 314kWORD 196k
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule in de vrijhandelsovereenkomst EU-Korea (COM(2010)0049 – C7-0025/2010 – 2010/0032(COD))
P7_TA(2010)0301A7-0210/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het voorstel werd op 7 september 2010 geamendeerd als volgt(1).

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Handelsbelemmeringen op de thuismarkt van een handelspartner bevorderen veelal de export vanuit die markt naar het buitenland, en wanneer dit naar de EU is, kunnen daardoor de voorwaarden worden gecreëerd voor de toepassing van de vrijwaringsclausule.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Zoals in artikel 3,1 van de overeenkomst is vastgelegd, mogen vrijwaringsmaatregelen alleen worden overwogen indien het betrokken product in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden in de Unie wordt ingevoerd dat de producenten in de Unie die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigen, ernstige schade lijden of dreigen te lijden.
(5)  Zoals in artikel 3, lid 1, van hoofdstuk 3 van de overeenkomst is vastgelegd, mogen vrijwaringsmaatregelen alleen worden overwogen indien het betrokken product in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden in de Unie wordt ingevoerd of de desbetreffende economische activiteit dermate is toegenomen dat de producenten in de Unie die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten of economische activiteiten vervaardigen of ontplooien, ernstige schade lijden of dreigen te lijden.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Het is ook mogelijk dat producenten in de Europese Unie ernstige schade lijden of dreigen te lijden doordat verplichtingen van hoofdstuk 13 van de overeenkomst, met name de daarin vervatte sociale en milieunormen, niet worden nageleefd, zodat de instelling van vrijwaringsmaatregelen noodzakelijk is.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)  Ernstige schade of een dreiging van ernstige schade voor producenten of bepaalde bedrijfstakken in de Europese Unie is tevens afhankelijk van de vraag of de in de overeenkomst vastgestelde regels inzake non-tarifaire handelsbelemmeringen worden nageleefd. In dit verband kan de instelling van vrijwaringsmaatregelen noodzakelijk zijn.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  De monitoring en toetsing van de overeenkomst en de eventueel noodzakelijke instelling van vrijwaringsmaatregelen moet met de grootst mogelijke transparantie en met deelname van het maatschappelijk middenveld plaatsvinden. Daarom moeten de interne adviesgroep („Domestic Advisory Group”) en het maatschappelijk forum („Civil Society Forum”) daarbij structureel worden betrokken.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)  De Commissie moet elk jaar een verslag indienen over de toepassing en de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de toepassing van de vrijwaringsmaatregelen. Indien de vrijwaringsmaatregelen ontoereikend blijken, moet de Commissie een alomvattend voorstel indienen voor verdergaande vrijwaringsmaatregelen, zoals kwantitatieve beperkingen, quota, invoervergunningen of andere corrigerende maatregelen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  De betrouwbaarheid van statistieken over alle invoer vanuit de Republiek Korea in de EU is derhalve van cruciaal belang om te kunnen vaststellen of er vanaf de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst sprake is van een ernstige bedreiging voor de bedrijfstak van de Unie als geheel of voor bepaalde sectoren daarvan.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Nauwgezet toezicht en geregelde evaluaties zullen de inleiding van een procedure en de onderzoeksfase vereenvoudigen en verkorten. Derhalve zou de Commissie, vanaf de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst, de invoer- en uitvoerstatistieken geregeld moeten controleren en het effect ervan op de verschillende sectoren moeten evalueren.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)  De Commissie, de lidstaten en de producenten in de Europese Unie moeten de invoer- en uitvoerstatistieken voor de onder de overeenkomst vallende gevoelige producten vanaf de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst volgen en evalueren, teneinde ernstige schade of een dreiging van ernstige schade voor producenten in de Europese Unie vroegtijdig te kunnen vaststellen.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 quater (nieuw)
(13 quater)  Het is noodzakelijk bepaalde procedures vast te leggen die verband houden met de toepassing van artikel 14 (teruggave of vrijstelling van douanerechten) van het bij de overeenkomst horende protocol betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking (hierna „protocol betreffende de oorsprongsregels” genoemd) om de doeltreffende werking van de hierin opgenomen mechanismen te waarborgen en te voorzien in een uitgebreide uitwisseling van informatie met relevante belanghebbenden.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overwegingen 13 quinquies en sexies (nieuw)
(13 quinquies)  Omdat een beperking van de teruggave van douanerechten pas vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst mogelijk is, kan het noodzakelijk zijn om op basis van deze verordening ten behoeve van producenten in de Unie vrijwaringsmaatregelen te nemen ter voorkoming van ernstige schade of een dreiging van ernstige schade als gevolg van de teruggave of vrijstelling van douanerechten. De Europese Commissie volgt derhalve vanaf de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst nauwlettend, voornamelijk in gevoelige sectoren, in welke mate vanuit de Republiek Korea ingevoerde producten componenten en materialen afkomstig uit derde landen bevatten, welke veranderingen zich voordoen en hoe de marktsituatie daardoor wordt beïnvloed.
(13 sexies)  Derhalve zou de Commissie de statistieken van Korea en derden met betrekking tot de reeks producten die mogelijk invloed ondervinden van de teruggave van douanerechten vanaf het moment van inwerkingtreding van de overeenkomst moeten controleren.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 septies
(13 septies)  Indien uit onderzoek van de Commissie blijkt dat een bedrijfstak van de Unie schade heeft ondervonden als gevolg van de overeenkomst, wordt uitsluitend voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering1 („EGF-verordening”), bepaald dat:
a) een toename van de Koreaanse invoer in Europa of het uitblijven van een toename van de EU-uitvoer naar Korea wordt gerekend tot „als gevolg van door de globalisering veroorzaakte grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen”, als bedoeld in artikel 1, lid 1, van de EGF-verordening;
b) ontslagen in de automobielindustrie:
– „een zeer negatieve impact hebben op de regionale of plaatselijke economie” en „ernstige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid en de lokale economie”, als bedoeld in respectievelijk artikel 1, lid 1, en artikel 2, onder c), van de EGF-verordening; en tevens
– „uitzonderlijke omstandigheden” zijn als bedoeld in artikel 2, onder c), van de EGF-verordening.
______
1 PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 octies (nieuw)
(13 octies)  Om te voorkomen dat producenten of bedrijfstakken in de Unie ernstige schade lijden of dreigen te lijden, controleert de Commissie nauwlettend de productiecapaciteiten en de naleving van IAO- en VN-normen inzake sociale en arbeidsomstandigheden en van milieunormen in de derde landen waaruit componenten of materialen afkomstig zijn die in onder de overeenkomst vallende producten worden verwerkt.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overwegingen 13 nonies t/m undecies (nieuw)
(13 nonies)  Ingevolge artikel 11.1, lid 2, van hoofdstuk 11 van de overeenkomst zijn de partijen verplicht om op hun respectieve grondgebied allesomvattende mededingingswetgeving te handhaven die erop is gericht kartelafspraken, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en misbruik van een dominante marktpositie door één of meer ondernemingen doeltreffend aan te pakken.
(13 decies)  Ingevolge artikel 11.6, lid 2, van hoofdstuk 11 zijn de partijen verplicht samen te werken wat betreft hun respectieve handhavingsbeleid en bij de handhaving van hun respectieve mededingingsvoorschriften, onder meer door samenwerking bij de wetshandhaving, kennisgeving, overleg en uitwisseling van niet-vertrouwelijke informatie op basis van de op 23 mei 2009 ondertekende overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek Korea betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten (hierna: „de samenwerkingsovereenkomst”)
(13 undecies)  De samenwerkingsovereenkomst heeft ten doel tot een doeltreffende handhaving van de mededingingsvoorschriften van elke partij bij te dragen door de samenwerking en coördinatie tussen de mededingingsautoriteiten van de partijen te bevorderen.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden.
(14)  Voor de toepassing van de vrijwaringsclausule van de overeenkomst moet de Commissie eenvormige voorwaarden vaststellen voor het nemen van voorlopige en definitieve vrijwaringsmaatregelen, voor de instelling van controlemaatregelen en voor de beëindiging van een onderzoek en een procedure zonder de instelling van maatregelen. Volgens artikel 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren, vooraf vastgelegd bij een verordening die wordt vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure. In afwachting van de vaststelling van die nieuwe verordening blijft Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden van toepassing, met uitzondering van de regelgevingsprocedure met toetsing, die niet van toepassing is,
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Deze verordening is uitsluitend van toepassing op producten die in de Europese Unie en de Republiek Korea worden vervaardigd. Hieronder zijn niet begrepen producten, onderdelen of componenten die worden vervaardigd in externe productiezones, zoals Kaesong. Om het toepassingsgebied te kunnen uitbreiden tot producten uit externe productiezones, moet deze verordening volgens de gewone wetgevingsprocedure worden gewijzigd. In het geval van een uitbreiding van het toepassingsgebied dient met name te worden gewaarborgd dat de verplichtingen uit hoofde van hoofdstuk 13 van de overeenkomst ook in externe productiezones worden nageleefd.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – letter a
(a) „bedrijfstak van de Unie”: alle producenten in de Unie die het soortgelijke product of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigen en die op het grondgebied van de Unie hun bedrijf uitoefenen, of de producenten in de Unie van wie de gezamenlijke productie van het soortgelijke product of van rechtstreeks concurrerende producten een groot deel van de totale productie in de Unie van die producten uitmaakt;
(a) „bedrijfstak van de Unie”: alle producenten in de Unie die het soortgelijke product of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigen en die op het grondgebied van de Unie hun bedrijf uitoefenen, of de producenten in de Unie van wie de gezamenlijke productie van het soortgelijke product of van rechtstreeks concurrerende producten een groot deel van de totale productie in de Unie van die producten uitmaakt.In gevallen waarin het soortgelijke of rechtstreeks concurrerende product slechts één van de verschillende producten is die worden vervaardigd door de producenten die de bedrijfstak van de Unie vormen, worden onder deze bedrijfstak de specifieke werkzaamheden verstaan die nodig zijn voor de productie van het soortgelijke of rechtstreeks concurrerende product;
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – letter c
(c) „dreiging van ernstige schade”: een duidelijk risico van ernstige schade in de nabije toekomst; de dreiging van ernstige schade wordt vastgesteld op basis van feiten en niet louter op die van beweringen, gissingen of vage mogelijkheden;
(c) „dreiging van ernstige schade”: een duidelijk risico van ernstige schade in de nabije toekomst; de dreiging van ernstige schade wordt vastgesteld op basis van verifieerbare feiten en niet louter op die van beweringen, gissingen of vage mogelijkheden; bij de vaststelling of er sprake is van een dreiging van ernstige schade moet onder meer rekening worden gehouden met prognoses, ramingen en analysen op basis van de in artikel 4, lid 5, bedoelde factoren;
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – letter e bis (nieuw)
(e bis) „belanghebbenden”: partijen die invloed ondervinden van de invoer van het product in kwestie;
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – letter e ter (nieuw)
(e ter) „producten”: goederen die in de Europese Unie of de Republiek Korea worden vervaardigd. Hieronder zijn niet begrepen producten of componenten die in externe productiezones worden vervaardigd. Om het toepassingsgebied te kunnen uitbreiden tot producten uit externe productiezones, wordt deze verordening volgens de gewone wetgevingsprocedure gewijzigd;
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – letter e quater (nieuw)
(e quater) „zodanige omstandigheden dat de bedrijfstak van de Unie die een soortgelijk of rechtstreeks concurrerend product vervaardigt, ernstige schade lijdt of dreigt te lijden”: factoren zoals onder meer de productiecapaciteit, de bezettingsgraad, valutapraktijken en arbeidsomstandigheden van een derde land met betrekking tot de fabricage van onderdelen en materialen die in het betrokken product worden verwerkt;
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – letter e quinquies (nieuw)
(e quinquies) „regio(”s)„: een of meer lidstaten in de Unie.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1
1.  In overeenstemming met deze verordening kan een vrijwaringsmaatregel worden ingesteld wanneer een product van oorsprong uit Korea, als gevolg van de verlaging of afschaffing van de douanerechten op dat product, in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat de bedrijfstak van de Unie die een soortgelijk of rechtstreeks concurrerend product vervaardigt, ernstige schade lijdt of dreigt te lijden.
1.  In overeenstemming met deze verordening kan een vrijwaringsmaatregel worden ingesteld wanneer een product of economische activiteit van oorsprong uit Korea, als gevolg van de verlaging of afschaffing van de douanerechten op dat product of die activiteit, in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat de bedrijfstak van de Unie die een soortgelijk of rechtstreeks concurrerend product vervaardigt of een soortgelijke of rechtstreeks concurrerende activiteit verzorgt, ernstige schade lijdt of dreigt te lijden.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Wanneer, met name op grond van de in artikel 4, lid 5, genoemde factoren, geoordeeld wordt dat in een of meer regio's van de Unie de voorwaarden aanwezig zijn voor het nemen van de in artikel 2, lid 1, bedoelde maatregelen, kan de Commissie, na alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, bij wijze van uitzondering toestaan dat toezicht- of vrijwaringsmaatregelen worden genomen die tot deze regio of regio's zijn beperkt, indien zij van oordeel is dat toepassing van zulke maatregelen op dit niveau de voorkeur verdient boven de toepassing van zulke maatregelen in de gehele Unie.
Deze maatregelen zijn van tijdelijke aard en dienen de werking van de interne markt zo min mogelijk te verstoren. Zij worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 2, lid 2.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – leden 2 bis en 2 ter (nieuw)
2 bis.  Ten behoeve van een doeltreffende toepassing van vrijwaringsmaatregelen legt de Commissie (Eurostat) elk jaar een toezichtverslag voor aan het Europees Parlement en de Raad over de geactualiseerde statistieken met betrekking tot invoer uit Korea die als gevolg van de overeenkomst van invloed is op gevoelige sectoren in de EU.
2 ter.  Indien de bedrijfstak van de Unie een aangetoonde dreiging van schade meldt aan de Commissie, kan deze besluiten het toezicht uit te breiden tot andere getroffen sectoren (belanghebbenden).
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 bis (nieuw)
Artikel 2 bis
Toezicht
De Commissie ziet toe op het verloop van de invoer- en uitvoerstatistieken van Koreaanse producten en werkt samen en wisselt gegevens uit met de lidstaten en de bedrijfstak van de Unie. De Commissie waarborgt dat lidstaten met toewijding adequate en kwalitatief hoogstaande statistische gegevens verschaffen.
De Commissie controleert nauwgezet de statistieken en vooruitzichten van Korea en derden met betrekking tot de reeks producten die mogelijk invloed ondervinden van de teruggave van douanerechten vanaf het moment van inwerkingtreding van de overeenkomst.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  Een onderzoek wordt op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie geopend, indien het de Commissie duidelijk is dat er voldoende bewijsmateriaal is om een onderzoek te rechtvaardigen.
1.  Een onderzoek wordt geopend op verzoek van een lidstaat, het Europees Parlement, de interne adviesgroep, of een rechtspersoon of vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die namens de bedrijfstak van de Unie optreedt en deze voor ten minste 25% vertegenwoordigt, of op initiatief van de Commissie, indien het de Commissie duidelijk is dat er voldoende prima facie bewijsmateriaal is ten aanzien van de in artikel 4, lid 5, vermelde factoren om een onderzoek te rechtvaardigen.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Het verzoek tot opening van een onderzoek bevat bewijzen dat aan de voorwaarden voor het instellen van een vrijwaringsmaatregel als bedoeld in artikel 2, lid 1, is voldaan. Het verzoek bevat in de regel de volgende informatie: het tempo en de omvang van de toename van de invoer van het betrokken product in absolute en relatieve cijfers, het door de toegenomen invoer veroverde deel van de interne markt, wijzigingen in de omvang van de verkoop, de productie, de productiviteit, de bezettingsgraad, winst en verlies en de werkgelegenheid.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Bij de toepassing van lid 1 controleert de Commissie, gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst, met name vanuit de Republiek Korea ingevoerde eindproducten waarvan de invoer in de Europese Unie is gestegen als gevolg van het feit dat in die eindproducten in toenemende mate onderdelen of componenten worden verwerkt die in de Republiek Korea zijn ingevoerd vanuit derde landen waarmee de Europese Unie geen vrijhandelsovereenkomst heeft gesloten en die onder het systeem van de teruggave of vrijstelling van douanerechten vallen.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2
2.  Indien de invoer uit de Republiek Korea zich dusdanig ontwikkelt dat vrijwaringsmaatregelen noodzakelijk lijken, stellen de lidstaten de Commissie daarvan in kennis. Deze kennisgeving dient het bewijsmateriaal te bevatten dat ten aanzien van de in artikel 4 vermelde factoren beschikbaar is. De Commissie geeft deze informatie binnen drie werkdagen aan alle lidstaten door.
2.  Indien de invoer uit de Republiek Korea zich dusdanig ontwikkelt dat vrijwaringsmaatregelen noodzakelijk lijken, stellen de lidstaten of de bedrijfstak van de Unie de Commissie daarvan in kennis. Deze kennisgeving dient het bewijsmateriaal te bevatten dat ten aanzien van de in artikel 4, lid 5, vermelde factoren beschikbaar is. De Commissie plaatst deze informatie binnen drie werkdagen op het in artikel 9 vermelde online platform en stelt alle lidstaten, de bedrijfstak van de Unie en het Europees Parlement hiervan in kennis.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3
3.  Binnen acht werkdagen nadat de Commissie de informatie ingevolge lid 2 aan de lidstaten heeft doorgegeven, raadpleegt zij de lidstaten in het in artikel 10 bedoelde comité volgens de in artikel 11, lid 1, bedoelde procedure. Wanneer na deze raadpleging blijkt dat er voldoende bewijsmateriaal is om de inleiding van een procedure te rechtvaardigen, maakt de Commissie dit bekend door een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie. De procedure wordt ingeleid binnen een maand na ontvangst van de door een lidstaat gedane kennisgeving.
3.  Binnen acht werkdagen nadat de Commissie de informatie ingevolge lid 2 heeft doorgegeven, raadpleegt zij de lidstaten in het in artikel 10 bedoelde comité volgens de in artikel 11, lid 1, bedoelde procedure. Wanneer na deze raadpleging blijkt dat er voldoende bewijsmateriaal is ten aanzien van de in artikel 4, lid 5, vermelde factoren om de inleiding van een procedure te rechtvaardigen, maakt de Commissie dit bekend door een bericht op het online platform en in het Publicatieblad van de Europese Unie te plaatsen. De procedure wordt ingeleid binnen een maand na het verzoek hiertoe door een lidstaat, het Europees Parlement of de bedrijfstak van de Unie.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Bewijzen die met het oog op de opening van een procedure overeenkomstig artikel 14, lid 2, van het aan de overeenkomst gehechte protocol betreffende de oorsprongsregels (teruggave of vrijstelling van douanerechten) worden vergaard, kunnen tevens worden gebruikt om een onderzoek met het oog op de instelling van vrijwaringsmaatregelen te openen indien aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  Na de inleiding van de procedure begint de Commissie met een onderzoek.
1.  Na de inleiding van de procedure begint de Commissie met een onderzoek. De in artikel 4, lid 3, vermelde onderzoeksperiode begint op de dag waarop het besluit om een onderzoek in te stellen in het Publicatieblad wordt bekendgemaakt.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  De Commissie kan de lidstaten verzoeken informatie te verstrekken en de lidstaten nemen alle nodige maatregelen om aan dit verzoek te voldoen. Wanneer deze informatie van algemeen belang is of wanneer een lidstaat om toezending van deze informatie heeft verzocht, stuurt de Commissie de informatie naar alle lidstaten, tenzij het om vertrouwelijke informatie gaat. Bij vertrouwelijke informatie verstrekt zij een niet-vertrouwelijke samenvatting.
2.  De Commissie kan de lidstaten verzoeken informatie te verstrekken en de lidstaten nemen alle nodige maatregelen om aan dit verzoek te voldoen. Wanneer deze informatie van algemeen belang is of wanneer een lidstaat, het Europees Parlement of de bedrijfstak van de Unie om toezending van deze informatie heeft verzocht, plaatst de Commissie de informatie op het online platform, tenzij het om vertrouwelijke informatie gaat. Bij vertrouwelijke informatie plaatst zij een niet-vertrouwelijke samenvatting op het online platform.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3
3.  Het onderzoek wordt zo mogelijk binnen zes maanden na de opening ervan afgesloten. In buitengewone omstandigheden, die door de Commissie naar behoren zijn gemotiveerd, kan deze termijn met drie maanden worden verlengd.
3.  Het onderzoek wordt binnen 200 dagen na de opening ervan afgesloten.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5
5.  Bij dit onderzoek evalueert de Commissie alle ter zake dienende factoren van objectieve en kwantificeerbare aard die van invloed zijn op de situatie van de bedrijfstak van de Unie, met name het tempo en de omvang van de toename van de invoer van het betrokken product in absolute en relatieve cijfers, het door de toegenomen invoer veroverde deel van de interne markt, wijzigingen in de omvang van de verkoop, de productie, de productiviteit, de bezettingsgraad, winst en verlies en de werkgelegenheid.
5.  Bij dit onderzoek evalueert de Commissie alle ter zake dienende factoren van objectieve en kwantificeerbare aard die van invloed zijn op de situatie van de bedrijfstak van de Unie, met name het tempo en de omvang van de toename van de invoer van het betrokken product in absolute en relatieve cijfers, het door de toegenomen invoer veroverde deel van de interne markt, wijzigingen in de omvang van de verkoop, de productie, de productiviteit, de bezettingsgraad, winst en verlies en de werkgelegenheid. Deze lijst is niet uitputtend en andere relevante factoren mogen ook door de Commissie in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de schade, zoals de voorraden, prijzen, het rendement op geïnvesteerd vermogen, de cashflow en andere factoren die ernstige schade veroorzaken, hebben veroorzaakt of dit dreigen te doen. Indien de kosten van onderdelen en materialen uit derde landen gewoonlijk een aanzienlijk deel van de productiekosten van het product in kwestie uitmaken, moet de Commissie tevens de productiecapaciteit, bezettingsgraad, valutapraktijken en arbeidsomstandigheden van de betrokken derde landen evalueren, voor zover deze factoren van invloed zijn op de situatie van de bedrijfstak van de Unie.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Bij dit onderzoek evalueert de Commissie bovendien de wijze waarop de in hoofdstuk 13 van de overeenkomst vastgestelde sociale en milieunormen door Korea worden nageleefd en de eventuele gevolgen daarvan voor de prijsvorming en concurrentievervalsing, waardoor producenten of bepaalde bedrijfstakken in de Europese Unie ernstige schade lijden of dreigen te lijden.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5 ter (nieuw)
5 ter.  Bij dit onderzoek evalueert de Commissie tevens de wijze waarop de in de overeenkomst vastgestelde regels inzake non-tarifaire handelsbelemmeringen worden nageleefd en de eventuele ernstige schade of dreiging van ernstige schade die daaruit voortvloeit voor producenten of bepaalde bedrijfstakken in de Europese Unie.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 6
6.  De belanghebbenden die zich overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder b), kenbaar hebben gemaakt en de vertegenwoordigers van de Republiek Korea kunnen op schriftelijk verzoek inzage krijgen in alle informatie die de Commissie in het kader van het onderzoek heeft ontvangen, met uitzondering van door de autoriteiten van de Unie of haar lidstaten opgestelde interne documenten, voor zover deze informatie relevant is voor de presentatie van hun dossier, niet vertrouwelijk is in de zin van artikel 9 en door de Commissie bij het onderzoek wordt gebruikt. Belanghebbenden die zich kenbaar hebben gemaakt, kunnen de Commissie hun standpunt over deze informatie mededelen. Dit standpunt kan in aanmerking worden genomen voor zover het door voldoende bewijsmateriaal is gestaafd.
6.  De belanghebbenden die zich overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder b), kenbaar hebben gemaakt en de vertegenwoordigers van de Republiek Korea kunnen op schriftelijk verzoek inzage krijgen in alle informatie die de Commissie in het kader van het onderzoek heeft ontvangen, met uitzondering van door de autoriteiten van de Unie of haar lidstaten opgestelde interne documenten, voor zover deze informatie relevant is voor de presentatie van hun dossier, niet vertrouwelijk is in de zin van artikel 9 en door de Commissie bij het onderzoek wordt gebruikt. Belanghebbenden die zich kenbaar hebben gemaakt, kunnen de Commissie hun standpunt over deze informatie mededelen. Dit standpunt wordt in aanmerking genomen voor zover het door voldoende bewijsmateriaal is gestaafd.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 7
7.  De Commissie kan belanghebbenden horen. Zij worden gehoord indien zij hierom binnen de in het Publicatieblad van de Europese Unie genoemde termijn schriftelijk hebben verzocht en daarbij hebben aangetoond dat zij waarschijnlijk werkelijk belang hebben bij het resultaat van het onderzoek en dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen.
7.  De Commissie hoort de belanghebbenden. Zij worden gehoord indien zij hierom binnen de in het Publicatieblad van de Europese Unie genoemde termijn schriftelijk hebben verzocht en daarbij hebben aangetoond dat zij waarschijnlijk werkelijk belang hebben bij het resultaat van het onderzoek en dat er redenen zijn om hen te horen.
De Commissie hoort deze belanghebbenden opnieuw bij volgende gelegenheden indien er bijzondere redenen zijn om hen nogmaals te horen.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 bis (nieuw)
Artikel 4 bis
Toezichtsmaatregelen
1.  Wanneer de invoer van een product van oorsprong uit de Republiek Korea zich zodanig ontwikkelt dat deze kan leiden tot een van de in artikel 2 beschreven omstandigheden, kan de invoer van dat product onder voorafgaand toezicht van de Europese Unie worden geplaatst.
2.  Het besluit om toezicht in te stellen wordt door de Commissie genomen op grond van de in artikel 11, lid 1, bedoelde procedure.
3.  Toezichtsmaatregelen hebben een beperkte geldigheidsduur. Behoudens andersluidende bepalingen vervallen zij aan het einde van het tweede halfjaar volgende op het eerste halfjaar nadat zij werden ingesteld.
4.  Toezichtsmaatregelen kunnen zo nodig worden beperkt tot het grondgebied van een of meer regio's van de Unie.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  In kritieke omstandigheden worden voorlopige vrijwaringsmaatregelen genomen wanneer vertraging moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, nadat voorlopig is vastgesteld dat er duidelijke bewijzen zijn voor een toename van de invoer van een goed van oorsprong uit de Republiek Korea als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge de overeenkomst, en dat dergelijke invoer ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de bedrijfstak van de EU. Voorlopige maatregelen worden genomen op basis van de procedure van artikel 11, lid 1.
1.  In kritieke omstandigheden worden voorlopige vrijwaringsmaatregelen genomen wanneer vertraging moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, nadat voorlopig is vastgesteld, op grond van de in artikel 4, lid 5, vermelde factoren, dat er voldoende bewijs is voor een toename van de invoer van een goed van oorsprong uit de Republiek Korea als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge de overeenkomst, en dat dergelijke invoer ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de bedrijfstak van de EU. Voorlopige maatregelen worden genomen op basis van de procedure van artikel 11, lid 1.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  Wanneer een lidstaat om een onmiddellijk optreden van de Commissie verzoekt en aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, neemt de Commissie binnen vijf werkdagen na de ontvangst van het verzoek een besluit hierover.
2.  Wanneer een lidstaat, het Europees Parlement of de bedrijfstak van de Unie om een onmiddellijk optreden van de Commissie verzoekt en aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, neemt de Commissie binnen vijf werkdagen na de ontvangst van het verzoek een besluit hierover. De in artikel 4, lid 3, vermelde onderzoeksperiode begint op de dag waarop het besluit om voorlopige vrijwaringsmaatregelen in te stellen, wordt genomen.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  De in dit artikel bedoelde maatregelen zijn van toepassing op elk product dat na inwerkingtreding van deze maatregelen in het vrije verkeer wordt gebracht. Deze maatregelen vormen evenwel geen belemmering voor het vrije verkeer van producten die reeds op weg zijn naar de Unie, op voorwaarde dat de bestemming van dergelijke producten niet kan worden gewijzigd.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 6
1.  Wanneer het onnodig wordt geacht bilaterale vrijwaringsmaatregelen te nemen, worden het onderzoek en de procedure volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure beëindigd.
1.  Wanneer de bilaterale vrijwaringsmaatregelen niet voldoen aan de vereisten van deze verordening, worden het onderzoek en de procedure volgens de in artikel 11, lid 1, bedoelde procedure beëindigd.
2.  Onverminderd lid 1 herziet de Commissie haar ontwerpbesluit om geen vrijwaringsmaatregelen in te stellen indien het Europees Parlement een bezwaar tegen dit ontwerpbesluit kenbaar maakt omdat het zou indruisen tegen de intentie van de wetgever. Rekening houdend met de redenen voor de bezwaren en binnen de termijnen van de lopende procedure kan de Commissie het comité een nieuw ontwerpbesluit voorleggen of bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel op basis van het Verdrag indienen. De Commissie stelt het Europees Parlement, de Raad en het comité in kennis van de actie die zij overweegt te ondernemen en van de redenen daarvoor.
3.  De Commissie publiceert een verslag met haar bevindingen en gemotiveerde conclusies over alle relevante feitelijke en juridische kwesties waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de bescherming van vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 9.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 7
Wanneer definitief wordt vastgesteld dat er sprake is van een van de in artikel 2, lid 1, bedoelde omstandigheden, wordt volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure besloten tot instelling van definitieve bilaterale vrijwaringsmaatregelen.
Wanneer definitief wordt vastgesteld dat er sprake is van een van de in artikel 2, lid 1, bedoelde omstandigheden, wordt volgens de in artikel 11, lid 1, bedoelde procedure besloten tot instelling van definitieve bilaterale vrijwaringsmaatregelen.
De Commissie publiceert een verslag met een samenvatting van de concrete feiten en de overwegingen die verband houden met het besluit, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de bescherming van vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 9.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Een vrijwaringsmaatregel blijft van kracht gedurende de verlengingstermijn in afwachting van de uitkomst van de herziening.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De Commissie draagt er zorg voor dat alle gegevens en statistieken die noodzakelijk zijn voor een onderzoek, beschikbaar, begrijpelijk, transparant en verifieerbaar zijn. De Commissie verbindt zich ertoe om, zodra de technische omstandigheden dit mogelijk maken, een door haar te beheren, door een wachtwoord beveiligde portaalsite op te zetten, via welke alle relevante en niet-vertrouwelijke informatie, als bedoeld in dit artikel, kan worden doorgegeven. De lidstaten, de geregistreerde bedrijfstak van de Unie, de interne adviesgroep en het Europees Parlement moet op verzoek toegang tot dit online platform worden verleend. De informatie omvat statistische gegevens die relevant zijn om te bepalen of bewijsmateriaal voldoet aan de in artikel 2, lid 1, vervatte voorwaarden, alsmede alle verdere gegevens die relevant zijn in verband met het onderzoek.
De via dit online platform ontvangen informatie wordt uitsluitend gebruikt voor het doel waarvoor zij werd gevraagd. Informatie van vertrouwelijke aard of op vertrouwelijke basis verstrekte informatie die op grond van deze verordening werd ontvangen, wordt niet bekendgemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van degene die de informatie heeft verstrekt.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 10
De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 260/2009 van de Raad betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 260/2009 van de Raad is van overeenkomstige toepassing.
De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 260/2009 van de Raad betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Verslag
1.  De Commissie publiceert elk jaar een verslag over de toepassing en de tenuitvoerlegging van de overeenkomst. Het verslag bevat informatie over de activiteiten van de diverse organen die belast zijn met het toezicht op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de naleving van de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst, waaronder de verplichtingen inzake handelsbelemmeringen.
2.  Een specifiek deel van het verslag is gewijd aan de naleving van de verplichtingen van hoofdstuk 13 van de overeenkomst en aan de werkzaamheden van de interne adviesgroep en het maatschappelijk forum.
3.  Het verslag geeft tevens een overzicht van de statistieken en van de ontwikkeling van de handel met Korea. De resultaten van het toezicht op de teruggave van douanerechten worden specifiek vermeld.
4.  Het Europees Parlement of de Raad kan binnen een maand een ad-hocvergadering van de bevoegde commissie van het Europees Parlement respectievelijk van de Raad beleggen waarin deze alle aspecten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de overeenkomst uiteenzet en toelicht.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.
Schrappen
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3
3.  De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.
Schrappen
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Rapportering
1.  De Commissie publiceert een jaarlijks verslag met betrekking tot de toepassing en werking van de vrijwaringsclausule. Het verslag bevat een samenvatting van de verzoeken tot inleiding van een procedure, de onderzoeken en uitkomsten hiervan, de beëindiging van onderzoeken en procedures zonder maatregelen, instelling van tijdelijke vrijwaringsmaatregelen of definitieve maatregelen en de verantwoording voor ieder besluit inzake deze kwesties vergezeld van een samenvatting van de relevante informatie en feiten.
2.  Het verslag geeft tevens een overzicht van de statistieken en van de ontwikkeling van de handel met Korea. Er wordt speciaal melding gemaakt van de resultaten van het toezicht op de teruggave van douanerechten.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de Commissie binnen een maand ontbieden voor een ad-hocvergadering van het bevoegde comité van het Europees Parlement of de Raad teneinde informatie en uitleg te verschaffen over ieder willekeurig onderwerp dat verband houdt met de toepassing van de vrijwaringsclausule, de teruggave van douanerechten of de overeenkomst in het algemeen.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 ter (nieuw)
Artikel 11 ter
Procedure voor de toepassing van artikel 14 van het protocol betreffende de oorsprongsregels
1.  Ten behoeve van de toepassing van artikel 14 (teruggave of vrijstelling van douanerechten) van het protocol betreffende de oorsprongsregels, houdt de Commissie nauwgezet toezicht op het verloop van relevante invoer- en uitvoerstatistieken, met betrekking tot zowel de waarde als de kwantiteit, deelt zij deze gegevens geregeld met en rapporteert haar bevindingen aan het Europees Parlement, de Raad en de betrokken bedrijfstakken van de Unie. Het toezicht begint vanaf het moment van tijdelijke toepassing en de gegevens worden uitgewisseld op tweemaandelijkse basis.
In aanvulling op de in artikel 14, lid 1, van het protocol betreffende de oorsprongsregels vervatte tarieflijnen stelt de Commissie, in samenwerking met de bedrijfstak van de Unie, een lijst van voornaamste tarieflijnen op die niet specifiek betrekking hebben op motorvoertuigen, maar wel belangrijk zijn voor de auto-industrie en aanverwante sectoren. Specifieke controle wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 14, lid 1, van het protocol betreffende de oorsprongsregels.
2.  Op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief onderzoekt de Commissie onverwijld of aan de voorwaarden wordt voldaan om een beroep te doen op artikel 14 van het protocol betreffende de oorsprongsregels en zij brengt binnen 10 werkdagen na een verzoek verslag uit van haar bevindingen. Na beraadslaging in het kader van het in artikel 207, lid 3, punt 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde speciale comité, doet de Commissie, indien aan de voorwaarden van artikel 14 van het protocol betreffende de oorsprongsregels wordt voldaan, een verzoek tot overleg met Korea. De Commissie neemt in overweging dat onder meer aan de voorwaarden wordt voldaan wanneer de onder punt 3 vermelde drempelwaarden worden bereikt.
3.  Bij de beoordeling van de toename van het invoerpercentage van onderdelen of componenten in Korea in vergelijking met het uitvoerpercentage van eindproducten vanuit Korea naar de EU wordt, voor de toepassing van artikel 14, lid 2, punt 1, onder a, van het protocol betreffende de oorsprongsregels, een verschil van 10 procentpunten als „substantieel” beschouwd. Bij de beoordeling van de toename van de export van eindproducten vanuit Korea naar de EU in absolute cijfers wordt, voor de toepassing van artikel 14, lid 2, punt 1, onder b, van het protocol betreffende de oorsprongsregels, een toename van 10% als „substantieel” beschouwd. Een toename die onder deze drempelwaarden ligt kan ook als „substantieel” worden beschouwd, maar dit moet per geval worden beoordeeld.

(1) De zaak werd dan terugverwezen naar de commissie overeenkomstig artikel 57, lid 2, alinea 2 van het Reglement (A7-0210/2010).


Billijke inkomens voor de boeren: een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa
PDF 153kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 inzake billijke inkomens voor de boeren: een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa (2009/2237(INI))
P7_TA(2010)0302A7-0225/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie „Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa” (COM(2009)0591) en de diverse bij deze mededeling gevoegde werkdocumenten,

–  gezien de definitieve aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake het concurrentievermogen van de voedingsmiddelenindustrie van 17 maart 2009(1),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 maart 2009 over de voedselprijzen in Europa(2),

–  gezien zijn verklaring van 19 februari 2008 over het onderzoek naar en het optreden tegen misbruik van machtsposities door grote, in de Europese Unie werkzame supermarkten(3),

–  gezien de door de Raad op 29 maart 2010 aangenomen conclusies over een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa(4),

–  gezien het rapport „Agribusiness and the right to food” van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties over het recht op voedsel,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0225/2010),

A.  overwegende dat tengevolge van de volatiliteit van de voedsel- en grondstoffenprijzen grote bezorgdheid is ontstaan over de werking van de Europese en mondiale voedselvoorzieningsketens,

B.  overwegende dat hoewel de voedselprijzen sinds 1996 met 3,3% per jaar zijn gestegen, de prijzen die landbouwers ontvangen slechts met 2,1% zijn gestegen, terwijl de bedrijfskosten met 3,6% zijn toegenomen, hetgeen bewijst dat de voedselvoorzieningsketen niet naar behoren functioneert,

C.  overwegende dat in de mededeling van de Commissie wordt erkend dat „deze schommelingen landbouwproducenten zwaar in de problemen [hebben] gebracht en het vermoeden doen ontstaan dat consumenten geen eerlijke prijzen betalen”(5),

D.  overwegende dat de eindverbruikersprijzen door de bank genomen constant zijn gebleven en zelfs zijn gestegen ondanks de scherpe daling van de landbouwgrondstoffenprijzen in 2008,

E.  overwegende dat evenwichtige marktverhoudingen niet enkel de werking van de voedselvoorzieningsketen zullen verbeteren, maar eveneens ten goede zullen komen aan de landbouwers,

F.  overwegende dat de huidige snelle toename van oneerlijke handelspraktijken de capaciteit van de landbouwers ondermijnt om te investeren en te innoveren (met name in groene technologieën, bestrijding van klimaatverandering en hernieuwbare energiebronnen, terwijl landbouwers moeten voldoen aan hoge milieunormen en deze normen nog stringenter zullen worden in het gemeenschappelijk landbouwbeleid van na 2013),

G.  overwegende dat het aandeel van de landbouw in de toegevoegde waarde van de voedselvoorzieningsketen is gedaald van 31% in 1995 tot 24% in 2005 in de EU van de 25, en overwegende dat voorlopige cijfers voor de daaropvolgende jaren een verdere daling van het aan de boeren ten goede komende aandeel te zien geeft in tegenstelling tot een constante stijging van de marges van verwerkers, groothandelaren en/of detailhandelaars en marktdeelnemers buiten de voedselvoorzieningsketen,

H.  overwegende dat het gemiddelde inkomen van de boeren in 2009 in de EU van de 27 met meer dan 12% is gedaald, hetgeen betekent dat de boeren niet langer een billijk inkomen uit hun werk kunnen genereren, en overwegende dat de boeren en de levensmiddelensector desondanks nog steeds levensmiddelen moeten produceren die voldoen aan uiterst strenge kwaliteitsnormen, en dit tegen prijzen die betaalbaar zijn voor de consumenten, in overeenstemming met de doelstellingen van het GLB,

I.  overwegende dat tot de voedselvoorzieningsketen boeren, coöperaties van boeren en producentenorganisaties, de levensmiddelenindustrie, groothandelaren, kleinhandelaren, supermarktketens, catering, restaurants en het directe aanbod van de particuliere en zelfvoorzieningsproductie en de consumenten behoren, maar eveneens marktdeelnemers van buiten de voedselvoorzieningsketen, zoals communicatie- en promotiebedrijven, aanbieders van vervoer en logistiek, energie en nutsvoorzieningen, verpakking, technische middelen, additieven, technologieën en adviesdiensten; overwegende dat deze complexiteit en grote verscheidenheid in aanmerking moeten worden genomen om de duurzaamheid van de gehele keten te kunnen verbeteren,

J.  overwegende dat in de mededeling van de Commissie op ernstige problemen wordt gewezen zoals misbruik van afnemersmacht, oneerlijke contractpraktijken (zoals late betalingen), eenzijdige wijzigingen van contracten, betalingen vooraf om aan onderhandelingen te mogen deelnemen, beperkte markttoegang, het ontbreken van informatie over de prijsvorming en de verdeling van de winstmarges in de gehele voedselvoorzieningsketen, nauw verbonden met de verhoogde concentratie in de input-, groothandels- en detailhandelssector,

K.  overwegende dat in de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2009 wordt aanbevolen de herstructurering en consolidering van de landbouwsector te bevorderen en te vergemakkelijken door de oprichting van vrijwillige landbouwproducentenorganisaties aan te moedigen,

L.  overwegende dat de mondialisering en de concentratieprocessen, met name op detailhandelsniveau, hebben gezorgd voor een onevenwichtige verhouding tussen de verschillende spelers in de voedselvoorzieningsketen, en overwegende dat de huidige situatie wordt gekenmerkt door een zeer klein aantal almachtige detailhandelaren die rechtstreeks of onrechtstreeks onderhandelen met 13,4 miljoen boeren en 310 000 voedingsmiddelenbedrijven in de hele Unie,

M.  overwegende dat een buitensporige concentratie leidt tot een verlies van productverscheidenheid, cultureel erfgoed, detailhandelsbedrijven, banen en bestaansmiddelen,

N.  overwegende dat volgens de Commissie contractuele onevenwichtigheden die uit ongelijke onderhandelingsmacht voortvloeien, negatieve gevolgen hebben voor het concurrentievermogen van de voedselvoorzieningsketen, doordat kleinere maar efficiëntere partijen zich verplicht kunnen zien met minder winst genoegen te nemen, waardoor zij minder goed in staat zijn en ook minder geneigd zullen zijn om in een betere productkwaliteit en een innovatie van de productieprocessen te investeren,

O.  overwegende dat voedingsmiddelen vrij worden verhandeld op de interne markt en dat het resultaat van prijsonderhandelingen tussen (organisaties van) producenten, verwerkers, handelaren en detailhandelaren vaak wordt bepaald door de prijsontwikkelingen op de wereldmarkten,

P.  overwegende dat de enorme verschillen tussen landbouwers en detailhandelaren op het vlak van hun aantal en hun economische macht duidelijk wijzen op een onevenwichtige voedselvoorzieningsketen; overwegende dat het nodig is de ontwikkeling van economische organisaties van boeren te bevorderen om de onevenwichtige aantallen te compenseren; overwegende dat coöperaties een centrale rol spelen door hun invloed en onderhandelingsmacht op te voeren,

Q.  overwegende dat de Europese Unie geïntegreerd is in en door verdrag gebonden is aan de wereldhandel,

R.  overwegende dat de Europese Unie „s werelds grootste importeur en exporteur van landbouwproducten is, en dat de landbouwinvoer van de EU in 2008 met ongeveer 10% is toegenomen tot 98 600 miljoen EUR en de landbouwuitvoer met bijna 11%, tot 75 200 miljoen EUR,

S.  rwegende dat de Europese Unie reeds een zeer vele concessies doet in het kader van haar ontwikkelingshulpbeleid, en overwegende dat bilaterale overeenkomsten niet eenzijdig moeten worden gesloten, in het nadeel van de Europese landbouw,

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2009 getiteld „Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa” (COM(2009)0591), waarin het bestaan van aanzienlijke machtsonevenwichtigheden tussen de verschillende marktdeelnemers wordt erkend, maar is van mening dat de in deze mededeling voorgestelde maatregelen ontoereikend zijn om deze problematiek aan te pakken;

2.  doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om onverwijld het probleem van de oneerlijke verdeling van de winsten in de voedselvoorzieningsketen aan te pakken, met name ten aanzien van toereikende inkomens voor boeren; erkent dat de boeren, met het oog op de stimulering van duurzame en „ethische” productiesystemen moeten worden gecompenseerd voor hun investeringen en hun inzet op dit gebied; benadrukt dat krachtverhoudingen moeten worden vervangen door op samenwerking berustende verhoudingen;

3 stelt vast dat alle met landbouw samenhangende doelstellingen waarnaar wordt verwezen in de Verdragen van Rome (verhoogde productiviteit, toereikende voedselvoorziening, redelijke prijzen voor de consumenten, marktstabilisatie) zijn verwezenlijkt, met uitzondering van de doelstelling om te zorgen voor een billijk inkomen in de landbouwsector; verzoekt de Commissie hier voldoende rekening mee te houden in al haar begrotingsvoorstellen;

4.  erkent de noodzaak van een stabiele, zekere en winstgevende productiesector als een doorslaggevende factor in de voedselvoorzieningsketen; merkt echter op dat de voedselvoorzieningsketen bestaat uit verschillende actoren (boeren, verwerkers, producenten, leveranciers en detailhandelaren) die allen een toegevoegde waarde bieden en een bepaalde mate van zekerheid nodig hebben;

Prijstransparantie

5.  doet een beroep op de Commissie om het instrument voor de bewaking van de Europese voedselprijzen te verbeteren ten einde dit gebruikersvriendelijker te maken door hierin een meertalige interface op te nemen waarin een groter aantal voedingsmiddelen zijn opgenomen en waardoor de prijzen beter vergeleken kunnen worden in elke schakel van de voedselvoorzieningsketen binnen en tussen de lidstaten, opdat wordt voldaan aan de behoefte van consumenten en boeren aan een grotere transparantie van de voedselprijsvorming;

6.  betreurt ten zeerste de gebrekkige bereidheid van de Commissie een studie te verrichten naar de margeverdeling in de keten, zoals overeengekomen in de begrotingsprocedure 2009;

7.  wijst erop dat ongelijkheid op het vlak van transparantie tussen landbouwbedrijven en toeleveringsbedrijven en actoren verderop in de voedselvoorzieningsketen negatieve gevolgen kan hebben voor de onderhandelingspositie van landbouwers en producentengroepen;

8.  doet een beroep op de Commissie om snel het proefproject uit te voeren ter oprichting van een Europese Observatiepost voor landbouwprijzen en marges (aangevuld met gegevens betreffende prijzen, marges en volumes) waarvoor het Parlement en de Raad in het kader van de begroting 2010 1,5 miljoen EUR aan kredieten hebben uitgetrokken;

9.  dringt er bij de Commissie op aan de Groep op hoog niveau inzake de voedseldistributieketen te behouden als permanent discussieforum, aangezien het een waardevol instrument is gebleken om problemen te identificeren, aanbevelingen te doen en strategieën aan te nemen met het oog op het vinden van oplossingen voor de huidige onevenwichtige situatie;

10.  verzoekt de Commissie om een voorstel in te dienen met het oog op een verplichte jaarlijkse rapportage door de grootste Europese handelaren, verwerkers, groothandelaars en detailhandelaren over hun marktaandelen (met gegevens over huismerken) voor de voornaamste voedingsproducten en over de maandelijkse omvang van hun verkopen, opdat alle partners op de markt de tendensen van de ontwikkeling van vraag, aanbod en prijzen in de voedselvoorzieningsketen kunnen inschatten;

11.  merkt op dat in sommige landen de voedselverwerkende industrie de grootste marge heeft in de voedselvoorzieningsketen, hetgeen eveneens werd bevestigd door de Commissie; vraagt bijgevolg dat met name toezicht wordt gehouden op de verwerkende industrie en dat deze wordt onderzocht met het oog op prijstransparantie;

12.  acht het noodzakelijk te zorgen voor meer markttransparantie en meer informatie aan de consumenten als voorwaarde om de identiteit van de producten beter in de verf te zetten en de verscheidenheid te waarborgen van voeding, landbouwproducten en producten uit de voedselverwerkende sector, die een uiting zijn van de geschiedenis en de cultuur van een groot aantal landen en regio's en die de karakteristieke aard van de landbouw in elke lidstaat weerspiegelen;

13.  verzoekt de Commissie een effectbeoordeling uit te voeren naar de voordelen van een betere juridische onderbouwing van particuliere kwaliteits- en distributielabels, om wildgroei hiervan te voorkomen, de consument meer transparantie te bieden en de producenten toegang tot de markt te geven;

14.  onderstreept de noodzaak om een toename van de toegevoegde waarde van de Europese landbouw- en voedingsmiddelenproductie te bevorderen en om voorlichtingscampagnes voor consumenten te lanceren over de inspanningen die door de boeren en de industrie worden geleverd op het gebied van milieu, voedselveiligheid en dierenwelzijn;

Mededinging

15.  doet een beroep op de nationale en Europese mededingingsautoriteiten en andere regelgevende instanties die betrokken zijn bij de productie en handel om de dominante positie en het aanzienlijke marktaandeel van handelaren, inputbedrijven, verwerkers en detailhandelaren in de voedingsmiddelenindustrie krachtig aan te pakken; dringt er bij deze instanties op aan stappen te nemen tegen oneerlijke kooppraktijken van alle actoren die boeren in zeer ongelijke onderhandelingsposities dwingen;

16.  roept de Commissie op te zorgen voor een nieuwe verhouding tussen de mededingingsregels en het GLB, met als doel de boeren en hun brancheorganisaties middelen te bieden die het mogelijk maken hun onderhandelingspositie te verbeteren;

17.  dringt er bij de Commissie op aan na te gaan welke gevolgen significante marktpenetratie door een enkele detailhandelaar of een klein aantal handelaren heeft in elke lidstaat; spoort de Commissie aan de mogelijkheid te overwegen om corrigerende maatregelen, ten voordele van producenten en consumenten, in te voeren wanneer wordt vastgesteld dat de praktijken of het marktaandeel van detailhandelaren een concurrentieverstorend effect hebben;

18.  verzoekt de Commissie om eind 2010 aan het Parlement verslag uit te brengen, voorzien van data over misbruik van afnemersmacht in de EU, concurrentievervalsing en oneerlijke contractuele praktijken in de gehele voedselvoorzieningsketen, van de inputsector tot en met de consumenten, alsmede van voorstellen voor passende reacties;

19.  verzoekt de lidstaten hun nationale mededingingsautoriteiten waar nodig meer speelruimte voor maatregelen te geven door eenvoudige mechanismen in te voeren voor het verzamelen van bewijs voor concurrentievervalsing door middel van oneerlijke contractuele praktijken;

20.  is van oordeel dat het nodig is verkoop onder de aankoopprijs van landbouwproducten te verbieden op het niveau van de Unie;

21.  dringt er bij de Commissie op aan een volledig sectoraal onderzoek in te stellen naar de hele voedselvoorzieningsketen om vast te stellen in welke mate misbruik van afnemersmacht voorkomt in de sector; wijst in dit verband op het succes van het onderzoek naar mededinging in de farmaceutische sector in 2009;

22.  dringt er bij de Commissie op aan de criteria te herzien die momenteel worden gebruikt om concurrentievervalsing te beoordelen (Herfindahl-index); met deze index, die nuttig is om de risico's van monopolieposities te beoordelen, is het niet mogelijk om concurrentievervalsing te vatten die heimelijk of oligopolide van aard is, zoals die momenteel althans ten dele kan worden aangetroffen in de grootschalige detailhandel;

23.  doet een beroep op de Commissie om te zorgen voor een gerichtere toepassing van de mededingingsregels in de voedselvoorzieningsketen en te overwegen in dit verband wetsvoorstellen bij Parlement en Raad in te dienen ten einde de ontwikkeling van dominante marktposities in de productiesectoren, de voedselverwerkende industrie en de detailhandelsector doeltreffend te beperken en de onderhandelingsmacht van de boeren te vergroten om hen in staat te stellen gecoördineerd tegen dominante actoren op te treden via daadkrachtige producentenorganisaties, brancheorganisaties en het mkb,

24.  is van oordeel dat Verordening (EG) nr. 1234/2007 houdende de gemeenschappelijke marktordening (GMO) aan een dringende herziening toe is ter versterking van dergelijke organisaties, en dat het toepassingsgebied van deze verordening moet worden verruimd tot duurzame productiepraktijken als een voorwaarde voor de in artikel 101 van het VWEU bedoelde ontheffing;

25.  is van oordeel dat een bepaalde mate aan coördinatie en harmonisatie van nationale maatregelen tegen oneerlijke handelspraktijken op EU-niveau noodzakelijk is;

26.  dringt er bij de Commissie op aan te voorzien in diversificatie van de wetgeving voor producten met een sterke territoriale basis, die worden gekenmerkt door hun specifieke, onderscheidende, plaatselijke of regionale aard, in vergelijking met gestandaardiseerde producten;

27.  verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om ervoor te zorgen dat verschillende voedings-, milieu- en gezondheidskenmerken overleven en om ervoor te zorgen dat een dergelijke diversiteit gepaard gaat met passende prijzen; de mededinging moet in wezen eveneens worden ontwikkeld op basis van verschillende kwaliteitskenmerken die behoorlijk meetbaar moeten zijn;

Misbruik van afnemersmacht en contractuele mogelijkheden

28.  verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat het mededingingsrecht van de EU niet wordt ontdoken door misbruik van afnemersmacht (geen distorsie) in de voedselvoorzieningsketen, die vaak voorkomt in de vorm van late betalingen aan boeren of kleine verwerkende bedrijven, latere veranderingen van de voorwaarden van overeenkomsten, gedwongen kortingen, verkoop met verlies, vereisten van buitengewoon grote volumes en ongerechtvaardigde vergoedingen voor het opnemen van producten in het assortiment, en zo nodig adequate wetsvoorstellen op te stellen;

29.  dringt vooral aan op de verkorting van de betalingstermijnen in de gehele voedselvoorzieningsketen tot maximum 30 dagen voor alle levensmiddelen en minder voor zeer bederfelijke landbouwproducten in het kader van de huidige herziening van Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (uitzonderingen dienen te worden overwogen in het geval van producentenorganisatie en coöperaties);

30.  verzoekt de Commissie voor te stellen de Europese mededingingswetgeving uit te breiden tot buiten haar huidige beperkte nadruk op consumentenwelzijn en gerichtheid op lage voedselprijzen;

31.  verzoekt de Commissie na te gaan of de eisen die met betrekking tot de aanpak van groenten- en fruitteelt en resten van bestrijdingsmiddelen door distributieketens worden gesteld in aanvulling en boven op wettelijke bepalingen, de vrije handel in gevaar kunnen brengen en de positie van de distributeurs in de voedselvoorzieningsketen op oneerlijke wijze kunnen verstevigen;

32.  dringt aan op opstelling van een lijst van onrechtmatige marktpraktijken, zoals prijsstunten en verkoopcommissies, en op een uitdrukkelijk wettelijk verbod op deze praktijken door de EU; dringt erop aan dat bedrijven die de voorschriften niet naleven „aan de schandpaal worden genageld” en dat er straffen worden ingevoerd;

33.  doet een beroep op de Commissie om na te gaan of en in welke mate het misbruik van huismerken (eigen merkproducten) en de praktijken inzake inkoopallianties van de supermarktketens leiden tot concurrentievervalsing, druk op boeren en de systematische verlaging van de producentenprijzen; onderstreept dat het misbruik van huismerken het vermogen van producenten (met name van kleine producenten) om te vernieuwen nadelig beïnvloedt; dringt er bij de Commissie op aan in dit verband maatregelen te treffen, opdat boeren en producentenorganisaties in het prijsvormingsproces eerlijk worden behandeld;

34.  is van mening dat in de aanbevelingen van de Commissie om de verticale integratie van de voedselindustrie te vergroten, niet altijd de noodzaak tot uiting komt om de onderhandelingsposities van boeren, distributeurs en de voedselindustrie weer in evenwicht te brengen, en dat deze strategieën daarom vergezeld moeten gaan van maatregelen ter ontmoediging van misbruik;

35.  waarschuwt dat door kopers opgelegde contractlandbouw, verticale integratie en futures, die een steeds belangrijkere rol spelen, de concurrentie kunnen verzwakken en de onderhandelingsposities van boeren kunnen ondergraven; doet derhalve een beroep op de Commissie om de gevolgen van dit soort contractregelingen nader te onderzoeken en zo nodig passende maatregelen te treffen;

36.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om billijke contracten tussen alle actoren van de voedselvoorzieningsketen te bevorderen op basis van voorwaarden waarover met boeren- en producentenorganisaties is onderhandeld, met inbegrip van sectorale en brancheorganisaties, om duurzame landbouwpraktijken te stimuleren en te zorgen voor een optimale productkwaliteit, de aankoopprijzen voor productiemiddelen te verlagen en billijke prijzen te waarborgen, en om in een makkelijk toegankelijk systeem te voorzien ter bescherming tegen contractbreuk door kopers; is van mening dat standaardcontracten nuttige instrumenten kunnen vormen waarvan de toepassing in een aantal sectoren verplicht kan worden gesteld; ondersteunt de uitwisseling optimale praktijken op het gebied van kennisgeving van contractuele praktijken tussen de lidstaten, met inbegrip van het verstrekken van informatie aan de Commissie;

37.  juicht de introductie van ombudsmannen voor de voedingsdetailhandel en andere arbitragemechanismen toe en moedigt deze aan om te waarborgen dat de contractuele afspraken worden nageleefd; doet een beroep op de Commissie om de ervaringen in dit verband te onderzoeken met het oog op de instelling van een Europese ombudsman voor de voedingsdetailhandel die onder andere tot taak zou hebben te zorgen voor de naleving van gedragscodes, optimale praktijken en contracten in transacties tussen marktdeelnemers uit de verschillende lidstaten;

38.  verzoekt de Commissie oneerlijke praktijken in verband met vergoedingen voor het opnemen van producten in het assortiment en andere vergoedingen voor toegang tot de markt bekend te maken en deze overeenkomstig de mededingingswetgeving te onderzoeken; verzoekt de Commissie eensluidende voorschriften voor te stellen voor de toepassing van vergoedingen voor het opnemen van producten in het assortiment en met name maatregelen te nemen tegen buitensporige vergoedingen die door distributeurs worden geëist;

39.  is van oordeel dat de Commissie op Europees niveau een grootschalige voorlichtingscampagne moet bevorderen om de landbouwers beter bewust te maken van hun rechten, de misbruiken waarvan zij het slachtoffer kunnen zijn, en de middelen waarover ze beschikken om misbruiken aan te geven;

Speculatie

40.  doet een beroep op de Europese Unie om aan te dringen op de oprichting van een onafhankelijk overkoepelend regelgevend orgaan dat regels vastlegt inzake grondstoffenfutures en een beurs voor opties, en dat strikte regelgevende maatregelen oplegt tegen het wereldwijde speculeren met levensmiddelen;

41.  dringt erop aan dat in het licht van de toenemende oriëntatie op de markt, maatregelen worden genomen tegen de extreme prijsvolatiliteit, daar sommige partijen in de voedselvoorzieningsketen van dit verschijnsel profiteren terwijl anderen er zichtbaar schade van ondervinden; doet derhalve een beroep op de Commissie om wetgeving voor te stellen voor instrumenten ter terugdringing van de prijsvolatiliteit ten einde de kwetsbaarheid van producten te beperken;

42.  verzoekt de Commissie om de bevoegdheden van de Europese instanties voor toezicht op de goederenhandel te versterken om het speculeren met levensmiddelen te voorkomen, en om te werken aan de tenuitvoerlegging van adequate EU-maatregelen om het speculeren met niet-landbouwproducten ter beïnvloeding van landbouwfutures te voorkomen;

43.  verzoekt de Commissie het toezicht op en de algemene doorzichtigheid van de markten van derivaten van landbouwproducten te verbeteren en eveneens te zorgen voor meer doorzichtigheid van de onderhandse activiteiten in het kader van de aanstaande herziening van de MiFID (richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten) en andere wetgeving op dit gebied;

Zelfregulering

44.  verzoekt de Raad om initiatieven inzake zelfregulering en de mogelijkheid onderlinge fondsen op te zetten om economische risico' op te vangen te blijven stimuleren om de onderhandelingspositie van de boeren te schragen, vooral middels steun aan economische producenten- en brancheorganisaties en coöperaties van boeren;

45.  moedigt de lidstaten aan om codes inzake goede handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen op te stellen, met inbegrip van klachtenmechanismen en boetes voor oneerlijke praktijken; verzoekt de Commissie om een gezamenlijke code voor te stellen die in de gehele EU van toepassing moet zijn om de betrekkingen in de voedselvoorzieningsketen opnieuw in evenwicht te brengen; verzoekt de Commissie om een voorstel in te dienen met het oog op de toepassing van een EU-mechanisme voor de controle van de betrekkingen tussen detailhandelaars met een dominante marktpositie en hun leveranciers middels gespecialiseerde organen in de lidstaten;

46.  acht het noodzakelijk om de integratie van de verschillende schakels van de keten te verbeteren in het kader van brancheorganisaties en vrijwillige standaardcontracten op te stellen, met de mogelijkheid voor de lidstaten om deze in sommige gevallen, vooral in het geval van bederfelijke waren, bindend te verklaren.

Duurzame voedingssystemen en voedselkwaliteit

47.  betreurt het feit dat de Commissie in haar mededeling niet meer nadruk legt op het belang van de landbouw in de economische-waardenketen van de voedselvoorzienings- en voedingsmiddelenindustrie; onderstreept de onderlinge relatie tussen de lage prijzen af boerderij en de structurele overproductie en de gevolgen ervan voor de duurzaamheid, de voedselkwaliteit, het dierenwelzijn, de landbouwinnovatie en de werkgelegenheid in de achtergebleven gebieden;

48.  verzoekt de Commissie voor te stellen dat instrumenten worden aangenomen ter ondersteuning en bevordering van door boeren beheerde voedselvoorzieningsketens, korte leveringsketens en boerenmarkten om een rechtstreekse band met de consumenten tot stand te brengen, en om boeren in staat te stellen een billijker deel van de waarde van de uiteindelijke verkoopsprijs te krijgen door het aantal tussenpersonen en processtadia te beperken;

49.  verzoekt de Commissie in het kader van haar werkzaamheden vooral aandacht te schenken aan de situatie in ontwikkelingslanden en de voedselautonomie van deze derde landen niet in gevaar te brengen;

50.  verzoekt de Commissie om de hygiënenormen van de EU in verband met de plaatselijke verkoop, de verkoop op afstand en de houdbaarheid van producten te herzien, om de certificatie- en controlesystemen te decentraliseren en te vereenvoudigen, en om rechtstreekse relaties tussen de producent en de consument, alsmede korte voedselvoorzieningsketens te bevorderen;

51.  bevestigt het belang en de noodzaak van stevige regelgeving inzake de kwaliteit van landbouwproducten; wijst in dit verband andermaal op zijn resolutie van 25 maart 2010 over het beleid ten aanzien van de kwaliteit van landbouwproducten, en bevestigt dat het absoluut noodzakelijk is dat geïmporteerde producten voldoen aan alle kwaliteits- en productienormen om Europese producten te beschermen tegen oneerlijke mededinging;

52.  onderstreept dat de stabiliteit van het inkomen van de landbouwers bepaalt in hoeverre zij in staat zijn te investeren in groene technologieën, bestrijding van klimaatverandering en hernieuwbare energiebronnen en milieubeschermingsmaatregelen voor duurzame landbouw, en dat de landbouwers bovendien moeten voldoen aan hoge milieunormen;

53.  acht het van essentieel belang om de voedselvoorzieningsketen beter te organiseren en verder te rationaliseren ten inde het milieueffect van voedseltransport (voedselkilometers) te verminderen en de afzet van lokale voedingsmiddelen te bevorderen;

54.  wijst erop dat investeringen in voorzieningen voor het bewaren en verpakken van landbouwproducten een aanzienlijke bijdrage zouden kunnen leveren aan de waarborging van eerlijke prijzen voor deze producten;

55.  wijst erop dat moet worden gezorgd voor duurzame ontwikkeling van de plattelandseconomie door de verwerking van landbouwproducten op de boerderijen aan te moedigen, alsook via niet-landbouwactiviteiten, ten einde het aantal banen op te voeren en aanvullende inkomsten te genereren;

56.  verzoekt de Commissie plaatselijke en regionale initiatieven voor het op de markt brengen van levensmiddelen te steunen en deze niet onnodig te belasten met voorschriften en bureaucratische rompslomp, omdat zij in belangrijke mate bijdragen tot de totstandbrenging van toegevoegde waarde door landbouwbedrijven;

Zelfvoorziening, openbare catering en voedselverspilling

57.  verzoekt de Commissie bij de herziening van EU-normen naar behoren rekening te houden met ter plaatse gevestigde voedselproducenten, die bij voorbeeld betrokken zijn bij de zelfvoorzienende productie;

58.  doet een beroep op de Commissie om mogelijke wijzigingen te evalueren van de regels inzake de procedures voor overheidsopdrachten voor catering ten einde duurzame landbouwmethoden en dierenwelzijn te bevorderen en plaatselijke en seizoensvoeding te ontwikkelen;

59.  is van mening dat bij overheidsopdrachten bij voorbeeld in het kader van specifieke programma's voor zuivelproducten, groenten en fruit die in scholen ten uitvoer worden gelegd, de toegang voor kleine plaatselijke producenten en plaatselijke groepen van producenten moet worden gewaarborgd;

60.  is van mening dat er maatregelen moeten worden genomen ter aanmoediging van rechtstreeks door boeren beheerde landbouwmarkten, voor het opzetten van verkooppunten waar producenten hun producten rechtstreeks aan consumenten kunnen aanbieden en voor de invoering van programma's ter aanmoediging van de verkoop van producten op plaatselijke markten;

61.  dringt er bij de Commissie op aan om in een verslag aan het Europees Parlement en de Raad de enorme verspilling van voedsel in de voedselvoorzieningsketen die in sommige lidstaten oploopt tot 30% van het geproduceerde voedsel, te analyseren en maatregelen te nemen middels een bewustwordingscampagne over de essentiële waarde van voedsel;

62.  bevestigt dat er voedselprogramma's moeten worden opgezet voor de EU-burgers die hieraan behoefte hebben, zoals de meest achtergestelden, ouderen en jongeren;

o
o   o

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/food/files/high_level_group_2008/documents_hlg/final_recommendations_hlg_17_03_09_en.pdf.
(2) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2009)0191.
(3) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2008)0054.
(4) Raadsdocument 8099/10.
(5) Inleiding van COM(2009)0591.


Financiering en werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering
PDF 136kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 inzake de financiering en de werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2010/2072(INI))
P7_TA(2010)0303A7-0236/2010

Het Europees Parlement,

–  gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1) (IIA van 17 mei 2006), en met name punt 28 hiervan,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(2) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(3),

–  onder verwijzing naar zijn resoluties over de voorstellen voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer, goedgekeurd na 23 oktober 2007(4),

–  gezien de mededelingen van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 juli 2008 (COM(2008)0421) en 28 juli 2009 (COM(2009)0394) over de activiteiten van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering in 2007 en 2008,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0236/2010),

A.  overwegende dat de Europese Unie, om het hoofd te bieden aan de negatieve gevolgen van de globalisering voor de werknemers die het slachtoffer zijn van collectief ontslag en om zijn solidariteit te betuigen met die werknemers en te zorgen dat zij werk vinden, een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (hierna EFG) heeft ingesteld met als doel financiële steun te verlenen aan geïndividualiseerde programma's voor herintegratie in het beroepsleven; overwegende dat voor het EFG een jaarlijks krediet van maximaal 500 miljoen EUR wordt uitgetrokken, afkomstig van de marge onder het totale uitgavenmaximum van het voorgaande jaar of van geannuleerde vastleggingskredieten van de voorgaande twee jaren, met uitzondering van de kredieten voor rubriek 1b van het financiële kader; overwegende dat het EFG is ingesteld als flexibel instrument voor eenmalige steun dat is bedoeld om sneller en doelmatiger te reageren op buitengewone en urgente omstandigheden waarin massaontslagen plaatsvinden in een lidstaat,

B.  overwegende dat de Europese Unie, om een antwoord te kunnen vinden op de toenemende werkloosheid als gevolg van de economische en financiële crisis en om lering te trekken uit de ervaringen van 2007 en 2008, in juni 2009 de regels voor het aanwenden van het EFG heeft aangepast; dat deze aanpassing alle vóór 31 december 2011 in te dienen aanvragen betrof en bestond uit een uitbreiding van de werkingssfeer van het EFG, een versoepeling en precisering van de interventiecriteria, een verhoging van de cofinancieringspercentages en de verlenging van de periode waarin de lidstaten de financiële bijdrage uit het fonds kunnen besteden,

C.  overwegende dat bij de doorlichting van de kredieten die tussen 2007 en het eind van het eerste semester van 2009 uit het EFG zijn vrijgemaakt, is gebleken dat maar beperkt gebruik is gemaakt van de kredieten, daar van het totale in theorie beschikbare bedrag van 1,5 miljard EUR slechts 80 miljoen EUR vrijgemaakt is voor 18 steunaanvragen, ten gunste van 24 431 werknemers in 8 lidstaten voor een zeer beperkt aantal sectoren (met name de textiel- en de auto-industrie), waarbij verschillen bestonden tussen het niveau van de oorspronkelijk toegewezen bedragen en dat van de uiteindelijk uitbetaalde bedragen, waarbij 24,8 miljoen EUR a posteriori zijn terugbetaald wat de eerste 11 gevallen betreft, d.i. 39,4% van de vrijgemaakte kredieten,

D.  overwegende dat het weliswaar nog niet mogelijk is de functionering van het EFG te beoordelen tegen de achtergrond van de herziene verordening, aangezien de na mei 2009 ingediende aanvragen nog wachten op een besluit of al in uitvoering zijn, maar dat niettemin nu al kan worden vastgesteld dat een groter beroep wordt gedaan op het EFG, wat bewijst dat de voorgestelde wijzigingen pertinent zijn; overwegende dat tussen mei 2009 en april 2010 het aantal aanvragen van 18 naar 46, het bedrag van de aangevraagde bijdragen van 80 naar 197 miljoen EUR en het aantal verzoekende lidstaten van 8 naar 18 is gestegen, en het aantal te steunen werknemers bijna is verdubbeld (36 712 werknemers meer) en dat veel meer economische sectoren zijn getroffen,

E.  overwegende evenwel dat 9 lidstaten nog geen beroep hebben gedaan op het EFG, dat de vrijgemaakte bedragen duidelijk onder het niveau van het jaarlijks maximaal beschikbare bedrag van 500 miljoen EUR liggen en dat het merendeel van de aanvragen betrekking heeft op regio's waarvan het BBP per inwoner hoger is dan het gemiddelde van het Europese Unie en het werkloosheidspercentage redelijk blijft, en dat hieruit kan worden geconcludeerd dat de verbeteringen in de oorspronkelijke verordening weliswaar ingrijpend waren maar weinig impact hebben gehad op het toenemend aantal collectieve ontslagen van de jongste jaren,

F.  overwegende dat het optrekken van de cofinancieringsdrempel van 50% naar 65% bij de herziening van juni 2009 een verklaring zou kunnen inhouden voor de toename van het aantal aanvragen,

G.  overwegende dat het geringe bestedingspercentage van het EFG in de armste regio's van de EU verband houdt hetzij met de verschillende nationale strategieën, hetzij met problemen bij het concretiseren van acties in afwachting van een besluit op Europees niveau,

H.  overwegende dat, in weerwil van de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 17 juli 2008, waarin werd gesteld dat de financiële steun van het EFG zo snel en zo doeltreffende mogelijk moet zijn, de duur van de procedure tussen het moment van het collectief ontslag en de datum waarop het EFG geactiveerd wordt ter ondersteuning van de maatregelen van de verzoekende lidstaat nog steeds 12 à 17 maanden bedraagt en dat deze tijdspanne deels ook het verschil tussen het aantal werknemers waarvoor steun uit het EFG is aangevraagd en het aantal dat effectief wordt geholpen verklaart,

I.  overwegende dat het ontwerp van interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over budgettaire samenwerking(5) de procedure voor het activeren van het EFG slechts marginaal wijzigt, in die zin dat de triloogprocedure facultatief wordt, overeenkomstig de praxis, en dat deze wijziging geen remedie biedt voor de zware en trage procedure,

J.  overwegende dat, volgens het interimverslag van de Commissie over de werking van het Interinstitutioneel Akkoord(6), het feit dat er een specifiek besluit van de twee takken van de begrotingsautoriteit nodig is om het EFG te activeren geen belemmering mag zijn om vaart te zetten achter besluiten over het beschikbaar stellen van steun uit het EFG,

K.  overwegende dat nog geen betrouwbare en consistente gegevens over de tenuitvoerlegging van het EFG sinds de wijziging ervan na 2009 beschikbaar zijn en ervan overtuigd dat transparantie en regelmatig uitbrengen van verslag verplicht gesteld moeten worden,

L.  overwegende dat de 27 besluiten die tussen 2007 en april 2010 zijn genomen stuk voor stuk positief waren en, wat het bedrag betreft, overeenstemden met de voorstellen van de Commissie,

M.  overwegende dat de globalisering geen tijdelijk verschijnsel is en dat de gevolgen van de economische crisis voor de werkgelegenheid ook na 2013 voelbaar zullen zijn en dat bijgevolg de stijgende trend van het aantal aanvragen om steun uit het EFG eveneens naar alle waarschijnlijkheid zal aanhouden, maar dat het fonds niet bedoeld is als substituut voor een gebrek aan innovatie,

1.  is van mening dat de toegevoegde waarde van het EFG als instrument van het sociaal beleid van de Europese Unie ligt in het zichtbare, specifieke, eenmalige en tijdelijke karakter van zijn financiële steun aan gepersonaliseerde programma's voor omscholing en herintegratie in het beroepsleven van werknemers die het slachtoffer zijn van collectief ontslag in sectoren of regio's die door een ernstige economische en sociale crisis worden getroffen;

2.  is van mening dat de stijging van het aantal verzoeken om steun uit het EFG en de problemen met de activerings- en uitvoeringsprocedure snelle wijzigingen in de procedurele en budgettaire bepalingen vereisen; wijst erop dat de Commissie de voorlichting over en de zichtbaarheid van het EFG in de lidstaten en bij de mogelijke begunstigden van het Fonds moet verbeteren; verzoekt daarom de Commissie de indiening van haar interim-verslag te vervroegen naar 30 juni 2011 en er een voorstel tot herziening van de EFG-verordening aan te koppelen zodat nog voor het eind van het huidig meerjarig financieel kader (MFK), de meest in het oog springende gebreken van het Fonds kunnen worden verholpen;

3.  verzoekt de Commissie in haar tussentijdse herziening de toegekende bijdragen te toetsen aan de volgende kwalitatieve criteria:

   a) de mate van succes met de herintegratie en een evaluatie van de verbetering van de vaardigheden van de begunstigden,
   b) een vergelijkende analyse van de gefinancierde maatregelen in reactie op op elke EFG-toepassing en de resultaten op grond van herintegratie,
   c) de naleving van het non-discriminatiebeginsel naar gelang van de contractuele situatie van de ontslagen werknemers en van werknemers die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer binnen de EU,
   d) de voorschriften inzake sociaal overleg bij de voorbereiding van de steunaanvragen en het toezicht op de uitvoering ervan al dan niet zijn toegepast,
   e) de impact van het EFG op het netwerk van begunstigden en op potentieel door het afvloeiingsplan getroffen kleine en middelgrote ondernemingen, waarvan de werknemers voor steun uit het fonds in aanmerking zouden kunnen komen,
   f) een analyse van de gevolgen van de verschillende EFG-kandidaturen voor de nationale instelling die met het beheer is belast,
   g) de impact van de bijdragen uit het EFG per leeftijdsgroep, begunstigde lidstaten en sectoren;

4.  verzoekt de Commissie in haar tussentijdse herziening de toegekende bijdragen uit een begrotingsstandpunt te toetsen en in haar bevindingen met name te verwijzen naar:

   a) de redenen voor het grote verschil tussen de aangevraagde steun uit het EFG en de bedragen die door de begunstigde staat zijn terugbetaald wanneer de bijstand reeds is afgesloten,
   b) de gefinancierde programma's en maatregelen die niet zijn uitgevoerd, in de gevallen waarin de lidstaten bedragen hebben terugbetaald,
   c) de redenen voor de grote verschillen tussen de lidstaten bij de financiering per werknemer in de verschillende EFG-aanvragen,
   d) een analyse van de coördinatie van de verschillende uit communautaire bronnen gefinancierde programma's (waaronder ESF-steun) die zijn verstrekt aan dezelfde regio waar EFG-aanvragen worden overwogen en/of de behandeling daarvan is afgesloten,
   e) een analyse van het aandeel van de totale steun van de Commissie in relatie tot andere nationale en bedrijfsspecifieke steunmaatregelen;

5.  is van oordeel dat bij de herziening van de verordening rekening moet worden gehouden met de bevindingen die de evaluatie van de functionering van het EFG heeft opgeleverd alsook met de opgedane ervaring, en dat ook de maatregelen die de duur van de activeringsprocedure van het fonds substantieel kunnen inkorten, erin moeten worden verwerkt;

6.  verzoekt de Commissie met een voorstel te komen om aan de ESF-verordening de verplichting voor de lidstaten toe te voegen de participatie van een werknemersvereniging bij de implementatiefase van de EGF-verordening te ondersteunen; verzoekt de Commissie uitwisselingen van ervaringen en positieve praktijken inzake de participatie van werknemers bij de implementatie van het EGF te organiseren, zodat werknemers in bestaande en nieuwe gevallen kunnen profiteren van de ervaringen die in voorgaande gevallen zijn opgedaan;

7.  onderstreept dat de tijdspanne die nodig is om het EFG te activeren met de helft kan worden ingekort, als de volgende maatregelen voorbereid en vastgesteld worden:

   a) de aanvragen voor activering van het EFG zouden door de lidstaten moeten worden voorbereid zodra de plannen voor collectief ontslag bekend worden gemaakt en niet na het ontslag,
   b) de Commissie zou de lidstaten moeten mededelen dat een aanvraag kan worden ingediend vanaf de eerste dag dat aan de interventiecriteria is voldaan,
   c) alle middelen moeten ter beschikking worden gesteld om te zorgen voor een snelle en betere communicatie met de hierbij betrokken lidstaat,
   d) aanvragen van lidstaten in de taal van het land en in een van de werktalen van de Europese instellingen kunnen ertoe bijdragen dat de dienst van de Commissie die belast is met de beoordeling ervan zonder verwijl met zijn werkzaamheden kan beginnen,
   e) de Commissie zou moeten beschikken over de noodzakelijke menskracht en technische middelen, met inachtneming van het beginsel van begrotingsneutraliteit, om de door de lidstaten ingediende aanvragen doeltreffend en snel te verwerken,
   f) de Commissie zou, na ontvangst van de aanvraag en de nodige informatie van de lidstaten, 3-4 maanden de tijd moeten hebben om over activering van het EFG te beslissen; wanneer de beoordeling van een aanvraag langer zou duren dan 4 maanden, zou de Commissie het EP zo spoedig mogelijk, met opgaaf van de redenen voor de vertraging, op de hoogte moeten brengen;

8.  dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten een aantal richtsnoeren te geven voor de opmaak en uitvoering van de aanvragen voor EGF-middelen, met als doel een snelle aanvraagprocedure en een brede consensus onder de belanghebbenden over de te volgen strategie en de te nemen maatregelen voor een effectieve herintegratie van de werknemers in de arbeidsmarkt; doet een beroep op de lidstaten de procedure te bespoedigen door voorfinanciering van maatregelen die vanaf de datum van aanvraag moeten ingaan om aldus ten behoeve van de betrokken werknemers een maximaal gebruik te maken van de uitvoeringsperiode van het EGF;

9.  herinnert de lidstaten eraan dat zij verplicht zijn enerzijds de sociale partners van meet af aan bij de voorbereiding van de aanvragen te betrekken in overeenstemming met artikel 5 van de EGF-verordening, en anderzijds te voldoen aan artikel 9 van deze verordening, volgens welk de lidstaat informatie geeft over en bekendheid aan de gefinancierde acties en deze informatie ook tot de betrokken werknemers, de lokale en regionale autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek moet zijn gericht, alsmede procedures te standaardiseren; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat ondernemingsraden worden ingeschakeld nog voordat een programma van start gaat, om te garanderen dat de sociale partners een werkelijke bijdrage leveren aan het opstellen van omschakelingsplannen die beantwoorden aan de behoeften van de werknemers en niet aan die van de bedrijven;

10.  verzoekt de lidstaten op nationaal niveau een communicatie- en beheerstructuur van het EGF op te zetten, die in verbinding staat met alle betrokkenen, in het bijzonder de sociale partners, en positieve praktijkervaringen op Europees niveau uit te wisselen, waardoor het fonds snel en doeltreffend in werking kan treden als er massaontslagen vallen;

11.  herinnert eraan dat volgens Verordening (EG) nr. 1927/2006 verschillende landen gezamenlijk een steunaanvraag bij het EGF kunnen indienen wanneer getroffen werknemers in een geografische regio of een bepaalde bedrijfstak niet beperkt zijn tot één lidstaat;

12.  is van oordeel dat, ter versnelling en vereenvoudiging van de procedures, gezorgd moet worden voor een doeltreffende coördinatie van Commissie en Parlement, zodat minder tijd nodig is voor de besluitvorming, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de beoordeling van de aanvragen door de desbetreffende commissies van het Parlement, en dat:

   a) de Commissie daarom terdege rekening moet houden met het EP-rooster, zowel met betrekking tot de vergaderingen van de parlementaire commissie als de plenaire vergaderingen, en haar voorstellen tijdig moet indienen om de besluitvorming te versnellen,
   b) de Commissie daarom het Parlement tijdig op de hoogte moet brengen van eventuele problemen en/of blokkades wanneer zij de aanvragen van de lidstaten behandelt,
   c) ook de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Begrotingscommissie er daarom alles aan zullen doen om ervoor te zorgen dat, na goedkeurig door de commissie, op de eerstvolgende plenaire vergadering een besluit kan worden genomen;

13.  is van mening dat, als de tot dan toe opgedane ervaring zulks rechtvaardigt, deze onmiddellijke maatregelen om de steunverleningsprocedure van het EFG te vereenvoudigen en te versoepelen, kunnen worden opgenomen in de herziene verordening; is van mening dat al deze maatregelen op geen enkele wijze afbreuk mogen doen aan de bevoegdheid van het Europees Parlement als tak van de begrotingsautoriteit bij besluiten over de beschikbaarstelling van steun uit het Fonds;

14.  is van mening dat het, naast deze verbeteringen van de procedure, ook noodzakelijk is de in 2009 ingestelde afwijking ten behoeve van de werknemers die hun baan kwijtraken door de economische en financiële crisis, te verlengen tot het eind van het huidige MFK, en het cofinancieringspercentage daarom te handhaven op 65%, aangezien de factoren die aan de basis van de maatregel lagen nog steeds aanwezig zijn;

15.  stelt vast dat in de ontwerpbegroting 2011 van de Commissie voor het eerst betalingskredieten zijn opgenomen voor het EFG en beschouwt dit als een belangrijke stap in het algemene denken over het beheer en de zichtbaarheid van dit fonds; is evenwel van mening dat deze betalingskredieten wellicht niet zullen volstaan om de bedragen te dekken die nodig zijn om de EFG-aanvragen in 2011 in te willigen; herhaalt daarom zijn verzoek EFG-aanvragen niet uitsluitend te financieren door overschrijvingen uit ESF-lijnen en verzoekt de Commissie onverwijld verschillende begrotingslijnen aan te wijzen en voor dit doel te gebruiken;

16.  onderstreept dat de toekomst van het EFG bepaald zal worden in het kader van de onderhandelingen over het volgende MFK; is van oordeel dat hiervoor verscheidene opties onderzocht kunnen worden; is van mening dat bijzondere aandacht geschonken moet worden aan de mogelijke vorming van een onafhankelijk fonds met eigen vastleggingskredieten en betalingskredieten, en dringt er daarom bij de Commissie op aan voorstellen in te dienen voor de toewijzing van middelen aan een dergelijk fonds; meent dat bij een eventuele toekomstige herziening van het EFG, de flexibiliteit ervan gehandhaafd moet blijven, daar deze een voordeel vormt vergeleken bij de structuurfondsen;

17.  wijst erop dat het omvormen van de lopende EFG-maatregelen tot een permanent instrument voor ondersteuning van actieve arbeidsmarktmaatregelen een duidelijk signaal zou zijn van de politieke wil om werk te maken van een Europese sociale pijler, die het sociaal beleid van de lidstaten aanvult en de Europese aanpak op het vlak van de beroepsopleiding in een nieuwe richting zou kunnen stuwen; wijst er dan ook op dat het EFG onafhankelijk moet blijven van het ESF en de Europese programma's voor levenslang leren, aangezien het EFG erop gericht is de mogelijkheden van elke gesteunde werknemer te verbeteren en niet op het beantwoorden van de verwachtingen van het bedrijfsleven of het verlenen van horizontale diensten aan opleidingsinstituten;

18.  verzoekt de lidstaten met behulp van het EGF synergieën te creëren tussen het EGF, het ESF en microfinanciering, om een optimale en aan elk afzonderlijk geval aangepaste maatregel te vinden;

19.  spoort de lidstaten aan het EGF te gebruiken om Europese doelstellingen na te streven, nieuwe kwalificaties voor nieuwe, duurzame en groene banen van hoge kwaliteit in een bepaalde regio te bevorderen en ondernemerschap en levenslang leren te stimuleren, om de werknemers in staat te stellen hun persoonlijke loopbaan te volgen en bij te dragen aan het concurrentievermogen van de Unie in de context van de globalisering;

20.  verlangt van de Commissie dat zij een nauwkeuriger beeld verschaft van de steunverlening uit het EFG door haar jaarlijkse mededelingen inhoudelijk te verbeteren en door het Europees Parlement regelmatig informatie door te spelen over de stand van de financiële bijdragen van de lidstaten;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(3) PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26.
(4) Aangenomen teksten van 25.3.2010 (P7_TA(2010)0071 en P7_TA(2010)0070), 9.3.2010 (P7_TA(2010)0044, P7_TA(2010)0043 en P7_TA(2010)0042), 16.12.2009 (P7_TA(2009)0107), 25.11.2009 (P7_TA(2009)0087), 20.10.2009 (P7_TA(2009)0049), 15.9.2009 (PB C 224 E van 19.8.2010, blz. 46), 5.5.2009 (PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 165), 18.11.2008, PB C 16 E van 22.1.2010, blz. 84, 21.10.2008, PB C 15 E van 21.1.2010, blz. 117, 10.4.2008, PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 75, 12.12.2007, PB C 323 E van 18.12.2008, blz. 260 en 23.10.2007, PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 155.
(5) COM(2010)0073 van 3 maart 2010.
(6) COM(2010)0185 van 27 april 2010.


Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I)
PDF 283kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over de uitvoering en herziening van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (2009/2140(INI))
P7_TA(2010)0304A7-0219/2010

Het Europees Parlement,

–  gelet op artikel 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(1) (hierna „verordening-Brussel I” of „de verordening” te noemen),

–  gezien het verslag van de Commissie over de toepassing van de verordening (COM(2009)0174),

–  gezien het Groenboek van 21 april 2009 van de Commissie tot herziening van de verordening-Brussel I (COM(2009)0175),

–  gezien het verslag van Heidelberg over de toepassing van de verordening-Brussel I in de lidstaten en de antwoorden op het Groenboek van de Commissie (JLS/2004/C4/03),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 november 2009 over de mededeling van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad – een gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in dienst van de burger – programma van Stockholm(2), meer in het bijzonder de onderdelen „betere toegang tot civiele rechtspraak voor de burger en het bedrijfsleven” en „uitbouw van een Europese rechtscultuur”,

–  gezien de toetreding van de Europese Unie tot de het Verdrag van Den Haag over internationaal privaatrecht op 3 april 2007,

–  gelet op het Verdrag van Den Haag van 30 juni 2005 over de overeenkomsten voor de keuze van forum, op 1 april 2009 namens de Europese Unie ondertekend,

–  gezien de rechtspraak van het Hof van Justitie, meer in het bijzonder de zaken Gambazzi vs. DaimlerChrysler Canada(3), het advies-Lugano(4), West Tankers(5), Gasser vs. MISAT(6), Owusu vs. Jackson(7), Shevill(8), Owens Bank vs. Bracco(9), Denilauer(10), St Paul Dairy Industries(11) en Van Uden(12),

–  gelet op het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 over de rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(13), Verordening (EG) nr. 805/2004 van 21 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen(14), Verordening (EG) nr. 1896/2006 van 12 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure(15), Verordening (EG) nr. 861/2007 van 11 juli 2007 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen(16), Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008 van de Raad betreffende bevoegdheid, toepasselijk recht, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, en samenwerking voor onderhoudsverplichtingen(17), en Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000(18),

–  gezien Verordening (EG) nr. 864/2007 van 11 juli 2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het geldend recht voor niet-contractuele verbintenissen (Rome II)(19),

–  gezien het advies van 16 december 2009 van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

–  gelet op artikel 48 en artikel 119, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van zijn Commissie juridische zaken (A7-0219/2010),

A.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 44/2001 en haar voorloper, het Verdrag van Brussel, één van de meest geslaagde onderdelen van het Europees recht vormen; dat ze de grondslag voor een Europees rechtsgebied gelegd heeft, de burger en het bedrijfsleven goede diensten bewezen heeft door voor rechtszekerheid en voorzienbare uitspraken volgens eenvormige Europese regels te zorgen – aangevuld met een omvangrijk corpus aan jurisprudentie – en door parallelle rechtszaken te voorkomen, en als referentie en hulpmiddel voor andere juridische instrumenten dient,

B.  overwegende dat ze niettemin naar aanleiding van een aantal uitspraken van het Europees Hof van Justitie kritiek te verduren gekregen heeft en modernisering vergt,

C.  overwegende dat afschaffing van de exequaturprocedure – het voornaamste doel van de Commissie – bevorderlijk zou zijn voor het vrij verkeer van rechterlijke uitspraken, en een belangrijke mijlpaal zou zijn op de weg naar een Europese juridische ruimte,

D.  overwegende dat machtiging bijna nooit geweigerd wordt : in niet meer dan 1 à 5% van de gevallen wordt er verzet tegen de aanvraag aangetekend, dat maar zelden tot resultaat leidt − terwijl de tijd en kosten om een buitenlands vonnis op een eengemaakte markt te laten erkennen, nauwelijks te verantwoorden en zelfs bijzonder tergend zijn als de eiser voor meerdere rechtbanken verhaal op het vermogen van de tegenpartij moet zoeken die in het ongelijk gesteld is,

E.  overwegende dat er voor verschillende beleidsmiddelen van de Europese Unie geen machtiging vereist is: het Europees uitvoeringsbevel („executoriale titel”), het Europees betalingsbevel, de Europese procedure voor geringe vorderingen, en de verordening onderhoudsplichten(20),

F.  overwegende dat afschaffing van de exequaturprocedure kan geschieden door te bepalen dat een rechterlijke beslissing die in aanmerking komt voor erkenning en tenuitvoerlegging ingevolge de verordening, en die uitvoerbaar is in de lidstaat waar ze gewezen is, overal in de EU uitvoerbaar is; dat er dan een uitzonderingsprocedure aan gekoppeld moet worden die openstaat voor de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, ter waarborging van een adequaat rechtsmiddel bij de rechtbanken van het land waar het vonnis uitgevoerd moet worden indien laatstbedoelde partij zich op de in de verordening genoemde gronden tegen de tenuitvoerlegging wil verzetten; dat erop gelet moet worden dat uitvoeringsmaatregelen die vóór afloop van de beroepstermijn getroffen worden, niet onomkeerbaar mogen zijn,

G.  overwegende dat de minimumwaarborgen van Verordening (EG) nr. 44/2001 behouden moeten blijven,

H.  overwegende dat de overheid en gerechtsdienaars in de aangezochte lidstaat in staat moeten zijn om vast te stellen dat het document dat om uitvoering verzoekt, een echt (authentiek) en definitief vonnis van een nationale rechtbank bevat,

I.  overwegende dat arbitrage op een bevredigende manier geregeld is door het Verdrag van New York van 1958 en het Verdrag van Genève van 1961 over internationale arbitrage in handelszaken, dat door alle lidstaten ondertekend is, en dan ook buiten het toepassingsbereik van de verordening moet blijven vallen,

J.  overwegende dat het Verdrag van New York in minimumregels voorziet en de verdragsluitende staten in hun wetgeving gunstiger bepalingen inzake arbitrale bevoegdheid en arbitrale uitspraken kunnen opnemen,

K.  bovendien overwegende dat een regel volgens welke de gerechten van de staat waar de plaats van arbitrage zich bevindt, exclusieve rechtsmacht hebben, voor aanzienlijke verwarring zou kunnen zorgen,

L.  overwegende dat blijkens de intense discussie naar aanleiding van het voorstel om een exclusieve bevoegdheid te scheppen voor gerechtelijke procedures voor de nationale gerechten ter bekrachtiging van arbitrage-uitspraken, de lidstaten niet tot een gemeenschappelijk standpunt hierover zijn gekomen en dat het averechts zou werken, gelet op de mondiale concurrentie op dit gebied, om te proberen hen daartoe te forceren,

M.  overwegende dat de verschillende nationale procedurele constructies die zijn bedacht ter bescherming van arbitrale rechtspraak (procesverbod bij rechterlijk bevel zolang niet in strijd met vrij verkeer van personen en grondrechten, geldigheidsverklaring van arbitragebedingen, schadetoewijzing wegens inbreuk op arbitragebeding, negatieve werking van het „Kompetenz-Kompetenz-principe”, enz.) beschikbaar moeten blijven, en dat het effect van zulke procedures en de daaruit voortvloeiende rechterlijke beslissingen in andere lidstaten moeten worden overgelaten aan de wetgeving van die andere lidstaten, volgens de stand van het recht van vóór het arrest in de zaak-West Tankers,

N.  overwegende dat de vrije wilsbeschikking van de partijen van essentieel belang is, en dat door toepassing van de regel voor hangende zaken (lis pendens, litispendentie) zoals onderschreven door het Europees Hof van Justitie (bvb in de zaak-Gasser), de bepalingen op de keuze van rechtsforum met onverantwoorde ondermijnende handelingen ontweken kunnen worden,

O.  overwegende dat derden gebonden kunnen zijn aan een forumkeuzebeding (bv. in een connossement) zonder specifiek daarmee te hebben ingestemd, hetgeen hun toegang tot de rechter ongunstig kan beïnvloeden en daarom kennelijk onredelijk kan zijn; dat de derdenwerking van een forumkeuzebeding daarom in een specifieke bepaling van de verordening dient te worden geregeld,

P.  overwegende dat het Groenboek oppert dat een heel aantal problemen van de verordening door beter contact tussen de rechtbanken verminderd kunnen worden, dat het zo goed als onmogelijk is om betere verbindingen tussen rechters in middelen van internationaal privaatrecht met wetgevend optreden te regelen, maar dat ze als onderdeel van de instelling van een Europese juridische cultuur in de opleiding en door gebruikmaking van netwerken gestimuleerd kunnen worden (Europees netwerk voor justitiële opleiding, Europees netwerk van raden voor de rechtspraak, netwerk van voorzitters van hooggerechtshoven van de Europese Unie, Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken),

Q.  overwegende, voor de persoonlijkheidsrechten, dat de mogelijkheid van forumkeuze volgens de gunstigste verwachtingen („forum shopping”) beperkt moet worden door met nadruk te stellen dat de rechtbanken zich in princiep enkel bevoegd mogen verklaren als er voldoende, wezenlijke of betekenisvolle verbindingen met het land voorhanden zijn waar de procedure aangevat wordt, omdat dat voor beter evenwicht tussen de verschillende belangen zorgt die in het geding zijn, meer in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van de goede naam en het privé leven; dat het probleem van het toe te passen recht met een gericht wetgevend initiatief voor de verordening-Rome II te behandelen is; dat de geamendeerde verordening de rechtbanken van de lidstaten niettemin enige leidraad moet bieden,

R.  overwegende, waar het gaat om voorlopige maatregelen, dat de strekking van het arrest-Denilauer moet worden gepreciseerd, door duidelijk te stellen dat maatregelen ex parte op grond van de verordening kunnen worden erkend en uitgevoerd, mits de gedaagde partij in de gelegenheid is gesteld om tegen die maatregelen verweer te voeren,

S.  overwegende dat het niet duidelijk is in hoeverre conservatoire bevelen ter verkrijging van informatie en bewijs van toepassing van artikel 31 van de verordening uitgesloten zijn,

Algemene opzet van internationaal privaatrecht

1.  vraagt de Commissie om na te gaan, hoe de verschillende verordeningen waarin de bevoegdheid, de tenuitvoerlegging en het toepasselijk recht worden geregeld, zich onderling verhouden; meent dat de algemene opzet een wetgevingskader met structurele samenhang dient te zijn dat gemakkelijk toegankelijk is en dat daarom de terminologie voor alle materies, begrippen en benodigde vergelijkbare bepalingen in elke materie uniform gemaakt en geharmoniseerd moet worden (bv. lis pendens, bevoegdheidsbedingen enz.), met een alomvattende codificatie van het internationaal privaatrecht als uiteindelijk doel;

Afschaffing van exequatur

2.  wenst dat de exequaturprocedure afgeschaft wordt, maar denkt dat daar de nodige waarborgen tegenover moeten staan om de rechten van de partij te beschermen waartegen tenuitvoerlegging gevorderd wordt; meent dan ook dat er in de lidstaat waar tenuitvoerlegging gevorderd wordt, in een uitzonderingsprocedure voorzien moet worden ; meent dat die procedure moet openstaan op verzoek van de partij waartegen uitvoering gevorderd wordt en voor het gerecht dat in de lijst van bijlage III van de verordening genoemd wordt ; meent dat een aanvraag voor de uitzonderingsprocedure op één van de volgende gronden moet berusten: (a) erkenning is klaarblijkelijk in strijd met de openbare orde in de lidstaat waar uitvoering gevorderd wordt; (b) het oordeel is bij verstek gewezen, het document dat aanleiding tot de procedure gegeven heeft, of een gelijkwaardig document, zijn de verweerder niet bijtijds verstrekt om hem de nodige schikkingen voor zijn verdediging te laten treffen, tenzij hij nagelaten heeft om met een vordering de uitspraak aan te vechten op het ogenblik dat de gelegenheid zich voorgedaan heeft; (c) de uitspraak is niet te verenigen met een uitspraak in een geschil tussen dezelfde partijen in de lidstaat waar de erkenning gevraagd wordt, en (d) de uitspraak is onverenigbaar met een eerdere uitspraak over hetzelfde onderwerp en met dezelfde partijen in een andere lidstaat of een derde land, als de eerdere uitspraak aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat voldoet; meent verder dat er een beroep op de rechter gedaan moet kunnen worden nog voordat er in enige zin aanstalten tot tenuitvoerlegging gemaakt worden, en dat de rechter, wanneer hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige gronden berust, de zaak moet verwijzen naar het gerecht dat in de lijst van bijlage III van de verordening genoemd wordt, voor toetsing aan de genoemde voorwaarden; spreekt zich voor toevoeging van een overweging in de preambule uit, in de zin dat een nationale rechtbank een tergend of onredelijk verzoek mag bestraffen, o.a. in de bepaling van de kosten;

3.  spoort de Commissie aan om een openbaar debat over de openbare orde uit het oogpunt van de hulpmiddelen van het internationaal privaatrecht op gang te brengen;

4.  meent dat er een geharmoniseerd, procedureel bepaald tijdschema voor de uitzonderingsprocedure van par. 2 moet bestaan, zodat ze zo spoedig mogelijk plaatsvindt, en dat erop gelet moet worden dat eventuele uitvoeringsmaatregelen die vóór afloop van de termijn voor het aanvragen van de uitzonderingsprocedure getroffen worden, niet onomkeerbaar zijn; stelt met bijzondere nadruk dat een buitenlands vonnis niet uitgevoerd mag worden zolang als het niet in goede en behoorlijke vorm aan de partij betekend is die in het ongelijk gesteld wordt;

5.  stelt dat er niet alleen een bewijs van echtheid geëist moet worden, als hulpmiddel in de procedure om erkenning te waarborgen, maar dat er voor dat bewijs ook een standaardvorm moet bestaan; denkt daarom dat het bewijs van bijlage V nader uitgewerkt moet worden en voor zover mogelijk de noodzaak van vertaling moet voorkomen;

6.  meent om redenen van kostenbesparing, dat vertaling van de uit te voeren beslissing tot het uiteindelijk bevel beperkt kan blijven (uitvoerend gedeelte en kort overzicht van rechtsgronden), maar dat er in geval van aanvraag van de uitzonderingsprocedure een volledige vertaling gevraagd moet worden;

Authentieke middelen

7.  meent dat authentieke middelen niet onmiddellijk uitvoerbaar mogen zijn zonder ook maar enige mogelijkheid om ze voor de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaat waar uitvoering gevraagd wordt, aan te vechten; staat dan ook op het standpunt dat de in te voeren uitzonderingsprocedure niet tot gevallen beperkt mag blijven waar uitvoering klaarblijkelijk tegen de openbare orde van het aangezocht land ingaat, omdat er omstandigheden denkbaar zijn dat een authentiek stuk niet met een vroeger vonnis te verenigen is en de rechtsgeldigheid (te onderscheiden van de echtheid) zelfs tijdens de uitvoering nog op gronden van dwaling, bedrog, enz. voor de rechtbanken van het land van herkomst aangevochten kan worden;

Toepassingsbereik van de verordening

8.  meent dat onderhoudsplichten die binnen de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 4/2009 vallen, van het toepassingsbereik van de verordening uit te sluiten zijn, maar herhaalt dat het doel uiteindelijk moet zijn een volledig en algemeen geheel van rechtsregels die alle terreinen bestrijken;

9.  verzet zich met nadruk tegen schrapping (zelfs gedeeltelijk) van de uitsluiting van arbitrage uit de verordening;

10.  is van mening dat artikel 1, lid 2, letter d van de verordening duidelijk moet bepalen dat niet alleen arbitrageprocedures maar ook gerechtelijke procedures waarin ten principale, incidenteel of prejudicieel uitspraak wordt gedaan over de geldigheid of de mate van arbitrale bevoegdheid, van de werkingssfeer van de verordening uitgesloten zijn; is voorts van mening dat een lid moet worden toegevoegd aan artikel 31, inhoudende dat een vonnis niet zal worden erkend indien het gerecht van de staat van herkomst, bij zijn beslissing over de geldigheid of strekking van een arbitragebeding, een bepaling van het arbitragerecht van de aangezochte staat buiten beschouwing heeft gelaten, tenzij het vonnis uit die staat hetzelfde resultaat bewerkt als wanneer het arbitragerecht van de aangezochte staat was toegepast;

11.  meent dat dat ook in een overweging duidelijk gesteld moet worden;

Keuze van rechtsforum

12.  bepleit, als oplossing voor het probleem van ondermijnende handelingen, om de rechtbank die in een overeenkomst tot keuze van forum aangewezen is, van haar verplichting te ontslaan om de procedure volgens de litispendentieregel op te schorten; meent dat daar een eis aan te koppelen is dat alle geschillen die op rechterlijke uitspraak wachten, vooraf door de gekozen rechtbank met bekwame spoed af te handelen zijn – aan te vullen met een overweging dat de vrije wilsbeschikking van de partijen het voornaamste belang vertegenwoordigt;

13.  is van mening dat er een nieuwe bepaling in de verordening thuishoort volgens welke een forumkeuzebeding ook derden kan worden tegengeworpen; is van oordeel dat die bepaling zou kunnen inhouden dat een persoon die geen partij is bij de overeenkomst, alleen aan een overeenkomstig de verordening overeengekomen exclusief forumbeding gebonden is wanneer: (a) het beding in een schriftelijk of elektronisch document is vastgelegd; (b) aan die persoon tijdig en afdoende bekend is gemaakt voor welk gerecht een vordering in te stellen is; (c) in vervoersovereenkomsten als gekozen forum wordt aangewezen (i) het gerecht van de woonplaats van de vervoerder; (ii) het gerecht van de in de vervoersovereenkomst bepaalde plaats van ontvangst; (iii) het gerecht van de in de vervoersovereenkomst bepaalde plaats van aflevering, of (iv) het gerecht van de haven waar de goederen aanvankelijk aan boord worden geladen of de haven waar de goederen uiteindelijk worden uitgeladen; meent dat er verder te bepalen is dat in alle andere gevallen de derde een vordering kan instellen voor het gerecht dat volgens de verordening anderszins bevoegd is, indien vasthouden aan het gekozen forum voor de betrokken partij klaarblijkelijk onredelijk zou zijn;

Forum non conveniens

14.  stelt, om het soort probleem te vermijden dat zich in de zaak-Owusu vs. Jackson voorgedaan heeft, een oplossing in de zin van art. 15 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 voor, zodat de inhoudelijk bevoegde rechtbanken van een lidstaat de procedure kunnen opschorten als ze de mening toegedaan zijn dat een rechtbank van een andere lidstaat of een derde land beter geplaatst is om kennis van de zaak of een deel van de zaak te nemen, en de partijen in staat gesteld worden om een verzoek bij de betreffende rechtbank in te dienen, of zodat de behandelende rechtbank de zaak met instemming van de partijen aan de betreffende rechtbank kan overdragen ; verheugt zich over het overeenkomstig voorstel in het voorstel van verordening op rechtsbevoegdheid, toepasselijk recht, erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten in erfeniszaken(21);

Toepassing van de verordening in de internationale rechtsorde

15.  vindt van de ene kant dat er niet genoeg nagedacht is over de vraag of de bepalingen van de verordening met terugwerkende kracht moeten ingaan, en dat het voorbarig zou zijn om dat besluit zonder zorgvuldig onderzoek, ruim opgevatte raadplegingen en politiek debat te nemen, waarbij het Europees Parlement een leidende rol op zich moet nemen, en spoort de Europese Commissie aan om die werkzaamheden aan te vatten ; meent van de andere kant, gezien het groot aantal bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen, de problemen van wederkerigheid en de diplomatieke geplogenheden, dat het om een wereldwijd vraagstuk gaat en dat er parallel ook op de conferentie van Den Haag naar een oplossing gezocht moet worden door de onderhandelingen over een internationaal verdrag over rechterlijke uitspraken weer op te nemen ; geeft de Europese Commissie opdracht om zich zo veel mogelijk in te spannen om dat project – de heilige graal van het internationaal privaatrecht − nieuw leven in te blazen en dringt erop aan dat ze onderzoekt in hoever het Verdrag van Lugano van 2007(22) als model en inspiratie voor een dergelijk internationaal verdrag over rechterlijke uitspraken kan dienen;

16.  vindt inmiddels dat de regels van de Gemeenschap op de exclusieve bevoegdheid voor zakelijke rechten op onroerend goed of het gebruik van onroerend goed uitgebreid kunnen worden tot procedures die in derde land ingeleid worden;

17.  pleit voor amendering van de verordening zodat clausules tot exclusieve keuze van forum met terugwerkende kracht kunnen ingaan voor de rechtbanken van derde landen;

18.  meent dat een regel om de uitspraak in de zaak-Owens Bank vs. Bracco om te keren, het onderwerp van een afzonderlijke herziening moet vormen;

Vaststelling van woonplaats van natuurlijke en rechtspersonen

19.  denkt dat er een zelfstandige Europese definitie van de woonplaats van natuurlijke personen (die uiteindelijk voor alle Europese wettelijke regelingen moet gelden) gewenst is, vooral om situaties te vermijden dat een persoon meer dan één woonplaats heeft;

20.  wijst een eenvormige definitie van de vestigingsplaats van vennootschappen in de verordening-Brussel I van de hand, omdat een definitie met zo ver reikende gevolgen in de ontwikkeling van een Europese vennootschapswet besproken en aangenomen moet worden;

Rentetarieven

21.  meent dat de verordening een regel moet vastleggen om te verhinderen dat een uitvoerende rechtbank de vanzelfsprekende regelingen van rentetarieven van de rechtbank in het land van oorsprong niet wil toepassen en in de plaats haar eigen nationale rentevoet oplegt, en pas vanaf de datum van de machtiging tot uitvoering volgens de uitzonderingsprocedure;

Industriële eigendom

22.  meent, om het probleem van „torpedo-procedures” op te lossen, dat het laatst aangesproken gerecht van de verplichting ontslagen zou moeten zijn om de procedure volgens de litispendentieregel op te schorten, als het eerst aangesproken gerecht klaarblijkelijk onbevoegd is; wijst evenwel de gedachte van de hand, als zouden verzoeken om een negatieve declaratoire uitspraak in ieder geval van de „first in time”-regel uitgesloten moeten worden omdat dergelijke verzoeken een legitiem commercieel oogmerk kunnen hebben; is evenwel van mening dat bevoegdheidskwesties het best kunnen worden opgelost in de voorstellen voor invoering van een eengemaakt stelsel voor beslechting van octrooigeschillen;

23.  is van mening dat de terminologische inconsistenties tussen Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I)(23) en Verordening (EG) nr. 44/2001 opgeheven moeten worden, door de definitie van artikel 6, lid 1 van de verordening Rome I voor een „persoon die beroepsactiviteiten ontplooit” in artikel 15 lid 1 van de verordening Brussel I op te nemen, en de wending „overeenkomsten waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf worden aangeboden” van artikel 15, lid 3, van de verordening Brussel I te vervangen door een verwijzing naar Richtlijn 90/314/EEG inzake pakketreizen(24), zoals in artikel 6, lid 4, letter b van de verordening Rome I;

Jurisdictie inzake individuele arbeidscontracten

24.  verzoekt de Commissie om na te gaan, met inachtneming van de rechtspraak van het hof van justitie, of er een oplossing te vinden is die de kwetsbaarste partij meer rechtszekerheid en de nodige bescherming biedt, voor werknemers die hun werkzaamheden niet in één enkele lidstaat verrichten (bv. vrachtvoerders op lange afstanden, kabinepersoneel in de luchtvaart;

Persoonlijkheidsrechten

25.  meent dat de uitspraak de zaak-Shevill verdere verduidelijking verdient ; denkt daarom, om de schijnbare neiging van de rechtbanken in bepaalde gebieden tegen te gaan, om territoriale bevoegdheid te aanvaarden terwijl er niet meer dan een zwakke binding met het land bestaat waar de zaak voorgebracht wordt, dat er een overweging toe te voegen is, dat de rechtbanken van het land in kwestie zich alleen bevoegd mogen verklaren als er voldoende, wezenlijke of betekenisvolle bindingen met hun land bestaan ; meent dat dat een beter evenwicht tussen de belangen tot stand zou brengen die in het geding zijn;

Voorlopige maatregelen

26.  is van mening dat met het oog op een betere toegang tot de rechtsbedeling, de rechterlijke bevelen tot verkrijging van informatie en bewijs of bewaring van bewijs, onder het begrip van voorlopige en bewarende maatregelen moeten worden gebracht;

27.  meent dat de verordening voor zulke maatregelen een bevoegdheid moet geven aan de gerechten van de lidstaten waar de verlangde informatie of bewijsstukken zich bevinden, naast de bevoegdheid van de gerechten die ten gronde kennis van de zaak nemen;

28.  meent dat de term „voorlopige, waaronder bewarende, maatregelen” moet worden gedefinieerd in een overweging in de bewoordingen van het arrest-St Paul Dairy;

29.  meent dat het onderscheid in het arrest-Van Uden, tussen gevallen waarin het gerecht dat een maatregel toewijst, tevens bevoegd is om van de grond van de zaak kennis te nemen, en de gevallen waarin het gerecht die bevoegdheid mist, vervangen moet worden door een toetsing of de maatregelen worden gevraagd ter ondersteuning van een in die lidstaat of in een derde land aanhangige of aanhangig te maken procedure (in welk geval de beperkingen van artikel 31 niet van toepassing zouden zijn) of ter ondersteuning van een procedure in een andere lidstaat (in welk geval die beperkingen van artikel 31 wel van toepassing zouden zijn);

30.  dringt aan op invoeging van een overweging om de problemen te ondervangen die voortvloeien uit het vereiste van een „reële band” met de territoriale bevoegdheid van het gerecht dat een dergelijke maatregel toewijst, zoals erkend in het arrest-Van Uden, om duidelijk te maken dat de gerechten van de lidstaten bij hun beslissing omtrent toewijzing, verlenging, wijziging of opheffing van een voorlopige maatregel die is toegewezen ter ondersteuning van een procedure in een andere lidstaat, rekening moeten houden met alle omstandigheden, waaronder (i) eventuele verklaring van het gerecht in een lidstaat waar de zaak ten gronde dient, over de bewuste maatregel of soortgelijke maatregelen, (ii) het al dan niet bestaan van een reële band tussen de gevraagde maatregel en het grondgebeid van de lidstaat waar die maatregel wordt gevraagd, en (iii) het te verwachten effect van de maatregel op een in een andere lidstaat aanhangige of aanhangig te maken procedure;

31.  verwerpt de opvatting van de Commissie dat het gerecht waar de zaak ten gronde dient, in staat zou moeten zijn de door het gerecht van een andere lidstaat toegewezen voorlopige maatregelen op te heffen, te wijzigen of aan te passen, want dat zou tegen de geest van het in de verordening gehuldigde beginsel van wederzijds vertrouwen indruisen; ziet bovendien niet in op welke basis een gerecht de beslissing van een gerecht in een ander rechtsgebied zou kunnen herzien, en welk recht in zo'n geval van toepassing zou zijn, en meent dat zoiets voor reële praktische problemen zou zorgen, bijvoorbeeld op het punt van de kosten;

Collectief beroep

32.  benadrukt dat er bij de ophanden werkzaamheden van de Europese Commissie over rechtsmiddelen voor collectief beroep misschien speciale bevoegdheidsregels voor collectieve vorderingen in overweging te nemen zijn;

Andere vraagstukken

33.  meent, gezien de speciale moeilijkheden die het internationaal privaatrecht met zich meebrengt, het belang van de wetgeving van de Europese Unie op bevoegdheidsconflicten voor het bedrijfsleven, de burger en internationale rechtszaken, en de behoefte aan een samenhangend corpus aan jurisprudentie, dat het tijd is om bij het Europees Hof van Justitie een speciale kamer op te richten die zich met de bronnen voor prejudiciële beslissingen in zaken van internationaal privaatrecht bezighoudt;

o
o   o

34.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0090.
(3) Zaak C-394/07, Gambazzi/DaimlerChrysler Canada, Jurispr. 2009, blz. I-2563.
(4) Advies 1/03 [2006] Jur. I-1145.
(5) Zaak C-185/07, Allianz SpA/West Tankers Inc., Jurispr. 2009, blz. I-663.
(6) Zaak C-116/02, Gasser GmbH/MISAT Srl, Jurispr. 2003, blz. I-14693.
(7) Zaak C-281/02, Owusu/Jackson, Jurispr. 2005, blz. I-1383.
(8) Zaak C-68/93, Shevill e.a./Presse Alliance, Jurispr. 1995, blz. I-415.
(9) Zaak C-129/92, Owens Bank Ltd./Fulvio Bracco en Bracco Industria Chimica SpA, Jurispr. 1994, blz. I-117.
(10) Zaak 125/79, Denilauer/Gebr. Couchet, Jurispr. 1980, blz. 1553.
(11) Zaak C-104/03, St Paul Dairy Industries/Unibel, Jurispr. 2005, blz. I-3481.
(12) Zaak C-391/95, Van Uden/Deco-Line, Jurispr. 1998, blz. I-7091.
(13) Geconsolideerde versie in PB C 27 van 26.1.1998, blz. 1.
(14) PB L 143 van 30.4.2004, blz. 15.
(15) PB L 399 van 30.12.2006, blz. 1.
(16) PB L 199 van 31.7.2007, blz. 1.
(17) PB L 7 van 10.1.2009, blz. 1.
(18) PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1.
(19) PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40.
(20) Vgl. het negende streepje van de preambule.
(21) COM(2009)0154; art. 5.
(22) PB L 147 van 10.6.2009, blz. 5.
(23) Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6).
(24) Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (PB L 158 van 23.6.1990, blz. 59).


Maatschappelijke integratie van vrouwen uit etnische minderheden
PDF 148kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over de maatschappelijke integratie van vrouwen uit etnische minderheden (2010/2041(INI))
P7_TA(2010)0305A7-0221/2010

Het Europees Parlement,

–  gelet op de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het tweede deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie waarin de verplichting voor de Europese Unie om discriminatie te bestrijden wordt uiteengezet,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1), Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(2), Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(3) en Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(4),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder artikel 21,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties(5), het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen (CEDAW)(6) en de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van personen behorend tot nationale of etnische, religieuze en taalkundige minderheden(7),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien het programma van Stockholm(8),

–  gezien de strategie van Lissabon en de EU-2020-strategie, die momenteel wordt uitgewerkt,

–  gezien Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008-2013)(9),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 juni 2006 over de situatie van de Roma in de Europese Unie(10),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 september 2007 over gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(11),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 oktober 2006 over de immigratie van vrouwen: de rol van vrouwelijke immigranten en hun plaats in de Europese Unie(12),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 januari 2009 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie 2004-2008(13),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 mei 2009 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(14),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 februari 2010 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie − 2009(15),

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0221/2010),

A.  overwegende dat het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten een uiteenzetting bevatten van de waarden waarop de EU gegrondvest is, maar dat in de praktijk niet alle inwoners van de EU volledig de rechten van het Handvest genieten, met name vrouwen uit etnische minderheden, met inbegrip van degenen die slachtoffer zijn van geweld, mensenhandel en armoede; overwegende dat deze waarden gedeeld worden door de samenlevingen van alle lidstaten, die gekenmerkt worden door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, gerechtigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen,

B.  overwegende dat artikel 21 van het Handvest van de grondrechten elke discriminatie op grond van het behoren tot een nationale minderheid verbiedt; overwegende dat tal van etnische minderheden in de Europese Unie echter nog steeds geconfronteerd worden met discriminatie, sociale uitsluiting en segregatie,

C.  overwegende dat gelijke behandeling geen privilege, maar een grondrecht van alle burgers is, en tolerantie geen gunst moet zijn die aan enkelen wordt toegekend, maar een algemene levenshouding; overwegende dat alle vormen van discriminatie even hard moeten worden bestreden,

D.  overwegende dat vrouwen uit etnische minderheden niet alleen achtergesteld zijn in vergelijking met vrouwen van de bevolkingsmeerderheid, maar ook in vergelijking met de mannen van etnische minderheden,

E.  overwegende dat een Europese geïntegreerde aanpak cruciaal is voor een coherent beleid inzake maatschappelijke integratie van vrouwen uit etnische minderheden, en ook maatregelen inhoudt ter bestrijding van discriminatie en betere toegang tot huisvesting, werkgelegenheid, onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten, en bevordering van de naleving van de grondrechten,

F.  overwegende dat er geen algemeen aanvaarde juridische definitie is van etnische minderheid; overwegende dat de principes van gelijke kansen en gelijke behandeling op basis van wederzijds respect, begrip en acceptatie, de hoeksteen moeten vormen van het Europese integratiebeleid voor iedereen, ongeacht afkomst,

G.  overwegende dat gelijke toegang voor iedereen tot goed onderwijs bevorderlijk is voor een betere integratie op de arbeidsmarkt en een betere kwaliteit van leven; overwegende echter, dat in bepaalde staten etnische minderheden worden uitgesloten van volledige en gelijkwaardige deelname aan het gewone onderwijs; overwegende dat het voor de ontwikkeling van een democratische en onbevooroordeelde Europese maatschappij noodzakelijk is dat het onderwijs waarden als tolerantie en gelijkheid overdraagt,

H.  overwegende dat integratiebeleidsmaatregelen voor personen uit derde landen verbeterd kunnen worden door meer aandacht voor de genderdimensie, hetgeen nodig is om ervoor te zorgen dat er rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van vrouwen van etnische minderheden,

I.  overwegende dat beleidsmaatregelen en wetgeving op het gebied van immigratie en asiel de integratie van vrouwen uit etnische minderheden moeten bevorderen,

J.  overwegende dat een gerichte aanpak van de sociale integratie van vrouwen uit etnische minderheden nodig is om meervoudige discriminatie, stereotypering, stigmatisering en etnische segregatie te vermijden,

K.  overwegende dat verschillen in cultuur, traditie en/of religie geen hindernissen mogen vormen voor de integratie van etnische en migrantenvrouwen,

L.  overwegende dat verzameling van uitgesplitste gegevens een eerste vereiste is voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten van vrouwen en etnische minderheden, en overwegende dat statistieken ontbreken waardoor vele problemen verborgen blijven, zodat er geen gericht beleid wordt gevoerd,

M.  overwegende dat er een groot scala van instrumenten en beleidsmaatregelen beschikbaar is die gebruikt kunnen worden voor de integratie van vrouwen uit etnische minderheden, maar dat er een kloof bestaat tussen beleid en implementatie in de lidstaten en een gebrek aan coördinatie op Europees niveau,

N.  overwegende dat in de meeste gevallen vrouwen uit etnische minderheden geconfronteerd worden met meervoudige discriminatie en kwetsbaarder zijn voor sociale uitsluiting, armoede en extreme schendingen van mensenrechten, zoals mensenhandel en gedwongen sterilisatie dan autochtone vrouwen en mannen uit minderheden,

O.  overwegende dat de lagere sociaaleconomische status van vele vrouwen uit etnische minderheden in de praktijk tot gevolg heeft dat zij in de uitoefening van hun grondrechten beperkt worden en weinig of geen toegang tot hulpmiddelen hebben, zoals op het vlak van reproductieve en seksuele gezondheid, en dat het integratieproces bemoeilijkt wordt,

P.  overwegende dat de gezondheidstoestand van vrouwen niet alleen consequenties heeft voor hun eigen gezondheid maar ook voor die van hun kinderen,

Q.  overwegende dat de actieve deelname van vrouwen aan de maatschappij en een geslaagde integratie een positief effect zullen hebben op hun kinderen en op toekomstige generaties,

R.  overwegende dat gebrek aan integratie van vrouwen uit etnische minderheden kan leiden tot problemen op het gebied van economische onafhankelijkheid die directe en indirecte kosten met zich kunnen meebrengen voor de gemeenschap en de publieke financiële middelen,

S.  overwegende dat vrouwen uit etnische minderheden kwetsbaarder zijn voor verschillende vormen van mannelijk geweld en uitbuiting wanneer ze minder geïntegreerd zijn dan autochtone vrouwen,

T.  overwegende dat de maatschappelijke integratie zou verbeteren door meer en regelmatige raadpleging van vrouwen uit etnische minderheden op plaatselijk, regionaal en Europees niveau,

1.  benadrukt dat er geen algemeen aanvaarde juridische definitie is van etnische minderheid, en dat dit concept een breed scala van situaties van verschillende etnische groepen binnen de EU-lidstaten bestrijkt;

2.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan dat zij, in samenwerking met ngo's en maatschappelijke organisaties en met inachtneming van de regels inzake bescherming van persoonsgegevens, regelmatig naar gender en etnische afkomst uitgesplitste gegevens verzamelt en analyseert over onderwerpen die verband houden met maatschappelijke integratie, zoals toegang tot onderwijs, de arbeidsmarkt, sociale zekerheid, gezondheidszorg en huisvesting;

3.  meent dat het van het grootste belang is om bestaande wetgeving tijdig te implementeren en de richtlijnen in de lidstaten om te zetten; meent dat een meer gestructureerde coördinatie nodig is tussen Europees, nationaal, regionaal en plaatselijk beleid ten aanzien van etnische minderheden om een duurzaam effect te bereiken alsmede betere beleidsmaatregelen op Europees, nationaal, regionaal en plaatselijk niveau, en spoort beleidsmakers op alle niveaus aan overleg te voeren met de betrokken vrouwen wier rechten onder druk staan, samen met hun gemeenschappen en organisaties in het veld, over beleid en maatregelen ter verbetering van de maatschappelijke integratie van vrouwen uit etnische minderheden;

4.  benadrukt het belang van voorlichting over acceptatie van verschillende culturen en over de negatieve gevolgen van racisme en vooroordelen; merkt op dat de verantwoordelijkheid voor een effectieve integratie ligt bij zowel de etnische minderheden als bij de samenleving, en dat beiden zich in moeten spannen voor wederzijdse integratie om een maatschappelijke vermenging te bereiken;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen die moeten voorkomen dat vrouwen uit etnische minderheden hun vaardigheden verliezen, door te zorgen voor betere toegang tot de arbeidsmarkt, onder meer dankzij goede en betaalbare kinderopvang, en toegang tot onderwijs en scholing; dringt aan op een effectieve uitvoering van beleid gericht op vrouwen uit etnische minderheden dat duidelijke en snelle procedures invoert voor de erkenning van vaardigheden en kwalificaties;

6.  wijst op het belang van rolmodellen in verband met integratie en steunt de uitwisseling van positieve praktijken van lidstaten die meer ervaring hebben met het voorkomen van maatschappelijke uitsluiting; spoort beleidsmakers op Europees, nationaal, regionaal en plaatselijk niveau aan overleg te voeren met organisaties van vrouwen uit etnische minderheden over beleid en maatregelen gericht op de maatschappelijke integratie van vrouwen van etnische minderheden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan maatregelen voor te stellen om de instelling van interculturele en sociaal-culturele mediators in de Europese Unie te bevorderen;

7.  is van mening dat het integratieproces in een vroeg levensstadium moet worden gestart, zodat effectief alternatieven voor armoede en maatschappelijke uitsluiting kunnen worden geboden; meent daarom dat het noodzakelijk is om een institutioneel kader te bieden voor op de gemeenschap gebaseerde sociale en onderwijsdiensten voor kinderen en gezinnen, dat beantwoordt aan de regionale en persoonlijke behoeften, en zorgt voor gelijke toegang tot goede dienstverlening; verzoekt daarom de Commissie bijzondere steun te bieden aan programma's voor vroegtijdige integratie;

8.  verzoekt de Commissie om via het Europees Sociaal Fonds, en de lidstaten om via nationale sociale fondsen, kansen voor ondernemers te bevorderen, in het bijzonder voor vrouwen van etnische minderheden, door het faciliteren van seminars op het gebied van ondernemerschap, evenals workshops en het bekendmaken van ontwikkelingsprojecten;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in samenwerking met ngo's bewustmakingscampagnes gericht op vrouwen uit etnische minderheden en het grote publiek te voeren en te zorgen voor volledige implementatie van de relevante bepalingen om discriminerende culturele gewoonten en patriarchale rolmodellen te bestrijden, polarisatie te voorkomen, en de heersende seksistische stereotypen en maatschappelijke stigmatisering te bestrijden die de basis vormen voor geweld tegen vrouwen, en om te verzekeren dat geweld niet gerechtvaardigd kan worden op grond van gebruiken, tradities of religieuze overwegingen;

10.  benadrukt de noodzaak van meer intersectoraal onderzoek en ontwikkeling van indicatoren in verband met de impact van discriminatie en maatschappelijke uitsluiting op vrouwen uit etnische minderheden in de EU, met het oog op verbetering van gericht integratiebeleid; steunt in dit opzicht de Commissie, vooral DG Onderzoek, om dergelijke onderzoeksprojecten te financieren;

11.  steunt de actieve politieke en maatschappelijke participatie van vrouwen uit etnische minderheden op alle sociale terreinen, met inbegrip van politiek leiderschap, onderwijs en cultuur, ten einde de huidige ondervertegenwoordiging terug te dringen;

12.  wijst erop dat de economische onafhankelijkheid en emancipatie van vrouwen sleutelfactoren zijn voor hun volledige participatie in de gewone samenleving;

13.  verzoekt de lidstaten de grondrechten van alle vrouwen, met inbegrip van vrouwen uit etnische minderheden, te eerbiedigen, en met name hun rechten inzake toegang tot gezondheidszorg, justitie, juridische bijstand, juridische informatie en huisvesting;

14.  spoort de Commissie, de lidstaten en regionale en plaatselijke overheden aan de toegang tot onderwijs, met bijzondere aandacht voor taalonderricht, met name in de officiële talen van het gastland, en voor toegang tot levenslang leren en hoger onderwijs voor vrouwen en meisjes van etnische minderheden, actief te verbeteren en te bevorderen om te voorkomen dat er een genderkloof in onderwijsniveaus ontstaat die kan leiden tot uitsluiting van de arbeidsmarkt en armoede;

15.  benadrukt dat vrouwen uit etnische minderheden toegang moeten hebben tot informatie in verschillende talen over gezondheidszorg; wijst op het belang van interculturele opleiding, in samenwerking met organisaties van vrouwen van etnische minderheden, voor verleners van gezondheidszorg;

Gendergelijkheid

16.  spoort de Commissie aan rekening te houden met het genderaspect bij besluiten over beleid en maatregelen ter bevordering van maatschappelijke integratie;

17.  verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om de toegang te verzekeren tot ondersteunende diensten voor preventie van of bescherming van vrouwen tegen gendergerelateerd geweld, ongeacht hun verblijfsstatus, ras, leeftijd, seksuele geaardheid, hun etnische afkomst of religie;

18.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de bestaande wetgeving inzake gendergelijkheid en non-discriminatie volledig wordt uitgevoerd, door middelen beschikbaar te stellen voor gerichte opleiding en bewustmaking over de rechten die vrouwen uit etnische minderheden reeds hebben, en manieren waarop zij schendingen van hun rechten kunnen aanpakken;

19.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor de bescherming van slachtoffers van meervoudige discriminatie, waaronder veel vrouwen van etnische minderheden, door expliciete clausules en bindende regels over meervoudige discriminatie op te nemen in het rechtstelsel;

20.  dringt erop aan het Europese Instituut voor gendergelijkheid actief te betrekken bij de verzameling van gegevens en uitvoering van onderzoek over integratievraagstukken met betrekking tot vrouwen van etnische minderheden, waarbij het principe van gender mainstreaming en bevordering van prioriteiten op het gebied van maatschappelijke integratie consistent wordt toegepast;

21.  verzoekt het Bureau van de grondrechten een transversale dimensie inzake gendergelijkheid en vrouwenrechten op te nemen in alle aspecten van het meerjarig kader en de daaruit voortvloeiende activiteiten, met inbegrip van activiteiten met betrekking tot etnische discriminatie en grondrechten van Roma;

22.  verzoekt het Europees Instituut voor gendergelijkheid systematisch naar gender en etnische afkomst alsook naar andere variabelen uitgesplitste gegevens te verzamelen, en de resultaten uitgesplitst naar gender en etnische afkomst te presenteren; benadrukt de noodzaak van instrumenten voor gepaste verzameling van gegevens en gegevensbescherming om misbruik van gegevens, zoals het opstellen van rassenprofielen, te voorkomen;

23.  wijst op de cruciale rol van nationale organen voor gelijke behandeling bij het bieden van steun en hulp aan slachtoffers van discriminatie en bij het geven van informatie over hun rechten en verplichtingen; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat nationale organen voor gelijke behandeling efficiënt en onafhankelijk zijn en deze te voorzien van voldoende financiële en personele middelen met betrekking tot elke discriminatiegrond, evenals meervoudige discriminatie; verzoekt de nationale organen voor gelijke behandeling om instrumenten en opleiding te ontwikkelen over meervoudige discriminatie, ook voor de specifieke situatie van vrouwen uit etnische minderheden;

o
o   o

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(3) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(4) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(5) Resolutie 217A (III) van 10 december 1948van de Algemene vergadering van de Verenigde Naties.
(6) Resolutie 34/180 van 18 december 1979 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
(7) Resolutie 47/135 van 18 december 1992 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
(8) Raad van de Europese Unie, referentie 5731/10 van 3 maart 2010.
(9) PB L 301 van 20.11.2007, blz. 3.
(10) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 283.
(11) PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 317.
(12) PB C 313 E van 20.12.2006, blz. 118.
(13) PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 48.
(14) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0371.
(15) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0021.


De rol van de vrouw in een vergrijzende samenleving
PDF 151kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over de rol van de vrouw in een vergrijzende samenleving (2009/2205(INI))
P7_TA(2010)0306A7-0237/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 april 2009, getiteld „Opvangen van de gevolgen van de vergrijzing in de EU (Vergrijzingsverslag 2009)” (COM(2009)0180),

–  gezien het ambtelijk werkdocument van de Commissie van 11 mei 2007, getiteld „De demografische toekomst van Europa: feiten en cijfers” (SEC(2007)0638),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 mei 2007, getiteld „Meer solidariteit tussen de generaties” (COM(2007)0244),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 oktober 2006, getiteld „De demografische toekomst van Europa: probleem of uitdaging?” (COM(2006)0571),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 maart 2006, getiteld „Een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010” (COM(2006)0092),

–  gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name de artikelen 23 en 25, inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen en de rechten van ouderen, en op de artikelen 34, 35 en 36 van het handvest, waarin het recht op sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting, een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en de toegang tot diensten van algemeen economisch belang specifiek zijn bepaald,

–  gelet op artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin wordt beklemtoond dat de lidstaten waarden gemeen hebben als pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van mannen en vrouwen,

–  gelet op artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waar wordt verwezen naar de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid,

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid dat in maart 2006(1) door de Europese Raad werd aangenomen,

–  gezien Aanbeveling R 162 (1980) van de IAO (Internationale Arbeidsorganisatie) over oudere werknemers,

–  gelet op het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (1979),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 3 februari 2009(2) over de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht en solidariteit tussen de generaties,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 januari 2009 over de omzetting en toepassing van Richtlijn 2002/73/EG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(3),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 februari 2008 over de demografische toekomst van Europa(4),

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0237/2010),

A.  overwegende dat vergrijzing te vaak in negatieve zin wordt opgevat, namelijk als uitdaging voor de beroepsbevolking in termen van leeftijdsopbouw en als bedreiging voor de houdbaarheid van sociale zekerheid en gezondheidszorg, hoewel ouderen eveneens een economische reserve en een reservoir van ervaringen vormen en een essentiële bijdrage aan familie en gemeenschap leveren omdat zij, gezien hun ruime beroepservaring, zorgen voor afhankelijke personen en als raadgever op het werk dienen, en omdat zij bijdragen tot de instandhouding van plattelandsgemeenschappen,

B.  overwegende dat, in weerwil van het feit dat de routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010, wat betreft de verwezenlijking van volledige gendergelijkheid, een aantal hiaten aan het licht heeft gebracht en de gendergelijkheidsagenda in een aantal opzichten vooruit heeft geholpen, er in het geheel genomen weinig vooruitgang is geboekt,

C.  overwegende dat de huidige economische en sociale crisis bijzonder ernstige gevolgen heeft voor vrouwen, en met name oudere vrouwen, en de dienstverlening te hunnen behoeve, waardoor ongelijkheid en discriminatie niet alleen op grond van geslacht maar eveneens van leeftijd en gezondheidstoestand verscherpt worden,

D.  overwegende dat ouderen meer gevaar lopen om arm te worden dan de bevolking in het algemeen, dat het percentage van personen van 65 jaar en ouder in 2008 in de EU-27 rond de 19% lag, terwijl dit percentage in 2005 op 19% lag en in 2000 op 17%; overwegende dat vrouwen van 65 jaar en ouder groot gevaar lopen in armoede te vervallen (nl. 22%, d.w.z. vijf punten meer dan mannen),

E.  overwegende dat de bevolking van de EU-27 volgens de prognoses verder zal vergrijzen: het percentage mensen van 65 jaar en ouder zal toenemen van 17,1% in 2008 tot 30% in 2060 en het percentage mensen van 80 jaar en ouder zal in dezelfde periode toenemen van 4,4% tot 12,1%

F.  overwegende dat de werkende bevolking volgens de prognoses relatief krimpt en dat opneming van groepen die momenteel niet actief zijn op de arbeidsmarkt steeds belangrijker wordt,

G.  overwegende dat het geslacht een significante factor bij de vergrijzing is, aangezien de levensverwachting van vrouwen ongeveer zes jaar langer is dan die van mannen: cijfers voor de EU-27 uit 2007 laten zien dat mannen gemiddeld 76 jaar oud worden en vrouwen 82  jaar; overwegende dat de kloof tussen een gezonde levensverwachting voor mannen en vrouwen blijkens cijfers van Eurostat veel smaller is: 61,6 jaar voor mannen, tegen 62,3 jaar voor vrouwen,

H.  overwegende dat vrouwen van oudsher een groter gevaar lopen arm te worden en een beperkt pensioen te ontvangen, met name vrouwen ouder dan 65 die veelal pensioenen ontvangen die nauwelijks boven het bestaansminimum liggen om uiteenlopende redenen zoals de brede kloof tussen de beloning van mannen en vrouwen, waardoor de pensioenrechten rechtstreeks worden beïnvloed, het feit dat zij een pauze hebben ingelast of gestopt zijn met werken om hun gezinsplichten te vervullen, dan wel het feit dat zij zonder beloning en zonder sociale verzekeringen in het bedrijf van hun man hebben gewerkt, met name in de zaken- en landbouwsector en overwegende dat het gevaar in armoede te vervallen voor deze vrouwen in tijden van economische recessie zelfs nog groter is,

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie over het opvangen van de gevolgen van de vergrijzing in de EU maar betreurt dat de Commissie bij de definities, statistieken en behandelde situaties onvoldoende oog heeft gehad voor genderongelijkheid op latere leeftijd, die voornamelijk het resultaat is van geaccumuleerde gendernadelen gedurende het gehele leven;

2.  onderschrijft de keuze van de Commissie voor nadruk op de door de Europese Raad in 2001(5) in Stockholm uitgestippelde strategie als leidraad voor de lange termijn om in te spelen op de uitdagingen en mogelijkheden die de vergrijzing voor de samenleving met zich meebrengt; stemt voorts in met haar voorstel om een alomvattende, multidisciplinaire aanpak ten aanzien van de vergrijzing te volgen alsook ten aanzien van het creëren van mogelijkheden, met name wat betreft markten voor producten en diensten die afgestemd zijn op de behoeften van ouderen en op de behoeften van hen die in niet-officiële hoedanigheid zorgen voor afhankelijke mensen; verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te schenken aan de bescherming van de rechten van oudere consumenten, daar deze te vaak worden misleid of benadeeld;

3.  verlangt dat alle instellingen zich positiever opstellen tegenover ouder worden en ruimere bekendheid geven aan de problematiek rond vergrijzing en de reële gevolgen ervan; verzoekt de Commissie de lastgerichte benadering van ouder worden aan te pakken door bij voorbeeld de gevolgen en mogelijkheden van de zilvergrijze economie, waaraan actief wordt deelgenomen door oudere vrouwen, te laten onderzoeken; steunt het initiatief van de Commissie om 2012 uit te roepen tot het jaar van actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties van ganser harte;

4.  stelt dat het beleid inzake ouder worden erbij gebaat zou zijn als de levensloopbenadering wordt gevolgd, met aandacht voor de onderlinge samenhang tussen ouder worden en de genderproblematiek; beschouwt ook het volgen van een leeftijds- en geslachtsbenadering in het kader waarvan het opnemen van leeftijds- en geslachtsaspecten in alle vormen van beleid een onmisbare methode en een onmisbaar instrument worden in de bepaling van het beleid in alle desbetreffende sectoren (economie, maatschappij, werkgelegenheid, volksgezondheid, voedselveiligheid, consumentenrechten, digitale agenda, plattelands- en stadsontwikkeling, enz.) als de manier om vooruitgang te boeken bij de totstandbrenging van sociale integratie en sociale samenhang;

Aanpakken van leeftijddiscriminatie

5.  dringt erop aan dat de richtlijn ter bestrijding van leeftijddiscriminatie zo spoedig mogelijk wordt goedgekeurd;

6.  beseft dat leeftijddiscriminatie ook met meer doeltreffende juridische middelen en toegankelijker procedures moet worden aangepakt, met name bij discriminatie in verband met arbeid, waarover specifieke wettelijke regelingen bestaan en waarbij steun voor het individu en onderzoek naar de toedracht essentieel zijn; verzoekt de lidstaten dan ook ervoor te zorgen dat de wetgeving die noodzakelijk is om leeftijds- en andere vormen van discriminatie aan te pakken, doeltreffend wordt omgezet;

7.  dringt aan op een benadering van ouder worden die meer uitgaat van rechten, zodat ouderen als mondige burgers kunnen optreden en niet lijdelijk hoeven af te wachten wat hun overkomt;

8.  dringt aan op meer middelen en onderzoek en de uitbouw van bestaande mechanismen om de ontwikkelingen te volgen, omdat leeftijddiscriminatie zelden wordt onderkend en aangepakt; beseft dat er in de lidstaten meer inzicht vereist is en zou een bijdrage van het Bureau voor de grondrechten en van het nieuwe Europees Instituut voor gendergelijkheid toejuichen;

9.  beklemtoont dat moet worden ingezien dat oudere vrouwen vaak worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie in gemeenschappen waar zij worden gediscrimineerd op grond van leeftijd, geslacht, gezondheidstoestand en handicap;

10.  is ernstig verontrust over de mate waarin de meest kwetsbare groepen vrouwen onder meervoudige discriminatie te lijden hebben: migrantenvrouwen, vrouwen met een handicap, homoseksuele vrouwen, vrouwen die tot een minderheid behoren, vrouwen met weinig opleiding en oudere vrouwen, daar deze worden gediscrimineerd op grond van leeftijd, geslacht, etnische afkomst en seksuele of godsdienstige voorkeur enz., en dringt aan op positieve discriminatie te hunnen behoeve;

11.  verzoekt de lidstaten volwaardige campagnes te voeren om het bewustzijn te vergroten omtrent de fundamentele rol die ouderen spelen in de maatschappij en de noodzaak oudere vrouwen in staat te stellen een actieve rol te spelen, o.m. door bevordering van kleinschalige ambachtelijke diensten;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten rekening te houden met de specifieke situatie van oudere lesbiennes, biseksuele en transseksuele vrouwen;

Combineren van werk en zorgtaken

13.  verzoekt de lidstaten nieuwe vormen van verlof in te voeren zodat in plaats van ouderschapsverlof betaald zorgverlof kan worden opgenomen, en een gelijkmatiger verdeling van onbetaalde arbeid over mannen en vrouwen te bevorderen, zulks omdat het verrichten van mantelzorg de mogelijkheden om buitenshuis te werken inperkt; is van mening dat een van de manieren om in dit kader de armoede onder oudere vrouwen te beperken bestaat uit steun aan regelingen, zoals deeltijdwerk en duobanen, die het mogelijk maken te kiezen voor flexibele werktijden; wijst er in dit verband echter op dat de arbeidsrechten van werknemers met flexibele roosters gelijk moeten zijn aan die van werknemers met een volledige betrekking; wijst erop dat de werkloosheid onder oudere vrouwen aangepakt moet worden, om de werkgelegenheidsdoelstellingen van de EU2020-strategie te halen;

14.  verzoekt de lidstaten mechanismen te ontwikkelen om te bereiken dat voldoende pensioen wordt opgebouwd, ook als het inkomen lager is ten gevolge van zorgtaken, hetgeen vooral voor vrouwen geldt; verzoekt de Commissie om een onderzoek naar de uiteenlopende gevolgen die de pensioenstelsels in de lidstaten hebben voor mannen en vrouwen;

15.  verzoekt de lidstaten met de man/vrouwdimensie rekening te houden in verband met de hervorming van de pensioenstelsels en de aanpassing van de pensioenleeftijd, gezien de verschillen tussen mannen en vrouwen wat betreft werkpatronen en het hogere discriminatierisico dat oudere vrouwen lopen op de arbeidsmarkt;

16.  verzoekt de lidstaten vormen van onderlinge bijstand te bevorderen die de kloof tussen jongeren en ouderen overbruggen, door het enthousiasme van de eersten en de ervaring van de laatsten bruikbaar te maken;

Gezondheid, zorg en sociale diensten

17.  dringt aan op een benadering op basis van rechten, zodat ouderen een inbreng kunnen hebben als er beslist wordt welke zorg en sociale diensten en behandelingen hun worden geboden als er keuzes bestaan; dringt ook aan op tenuitvoerlegging van een op vraag gebaseerde benadering met betrekking tot het aanbieden van zorgdiensten, om ouderen in staat te stellen zo lang zij dat wensen op zichzelf te wonen;

18.  dringt aan op bevordering van beleid in het kader waarvan kernfamilies worden gesteund zodat men kan besluiten ervoor te kiezen oudere familieleden zelf te verzorgen of een beroep te doen op aanvullende sociale diensten, met dien verstande dat deze bijstand in beide gevallen gelijkelijk wordt beloond;

19.  beklemtoont dat publieke en private diensten voor ouderen gemakkelijk toegankelijk, van hoge kwaliteit en betaalbaar moeten zijn en dat ouderen dankzij deze diensten zo lang mogelijk thuis moeten kunnen blijven wonen;

20.  is van mening dat er een alomvattend steunbeleid voor niet-officiële zorgers, voor het merendeel vrouwen, moet komen dat hun status, uitkeringen en sociale rechten, de verlening van sociale diensten en steundiensten, de beschikbaarheid van beroepsmatige zorgdiensten, enz. bestrijkt;

21.  wijst erop dat vrijwilligerswerk of niet-officiële zorg, die veelal rusten op de schouders van vrouwen, niet de tekortkomingen mogen aanvullen van de maatschappelijke zorg, en dringt erop aan dat er adequate sociale maatregelen worden genomen om vrouwen in staat te stellen zich bezig te houden met betaalde werkzaamheden van hun keuze;

22.  dringt erop aan dat op het niveau van de lidstaten bijstandspakketten worden opgezet, waarvan maatregelenprogramma's deel uitmaken, ter vergroting van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, demping van de gevolgen van werkloosheid en opvoering van het aantal mensen boven de 50 dat werkt;

23.  wijst erop dat de kwaliteit van de zorg gegarandeerd moet zijn om de levenskwaliteit van ouderen te verbeteren en om de fysieke, seksuele, psychische en economische misère, waar veel ouderen het slachtoffer van worden, te voorkomen; wijst erop dat mensen die in publieke en private instellingen voor ouderenzorg wonen het recht zouden moeten hebben via bestuurs- en administratieve constructies deel te nemen aan de besluitvorming van deze instellingen; is van oordeel dat de lidstaten moeten zorgen voor permanente scholing en regelmatige beoordeling van de arbeidsresultaten van de publieke en private ouderenzorgverleners en dat aan hun werkzaamheden een grotere economische waarde wordt toegekend, met inbegrip van beloning, verzekering en arbeidsomstandigheden;

24.  verzoekt de lidstaten om stimulansen voor het aanbieden van opleiding in psychologische en lichamelijke bijstand aan ouderen en van de nodige faciliteiten om hen onder te brengen;

25.  moedigt de omvorming toe van verpleeghuizen, die in het algemeen functioneren zoals ziekenhuizen, tot aangename etablissementen, waar het gezinsmodel wordt toegepast als manier om institutionalisering te voorkomen;

26.  stelt voor dat in het kader van het opstarten van het Europese actieplan inzake de ziekte van Alzheimer naar behoren de rol wordt erkend die oudere vrouwen spelen in de verzorging van demente mensen, en dat het plan spoedig ten uitvoer wordt gelegd; is voorts van mening dat er nationale plannen nodig zijn om maatregelen in kaart te brengen die de levenskwaliteit van oudere vrouwen kunnen verbeteren; stelt voor dat de Alzheimerverenigingen worden geraadpleegd voor het in kaart brengen en uitvoeren van deze maatregelen;

27.  dringt erop aan dat met een man/vrouwbenadering rekening wordt gehouden bij het bepalen van medische diagnoses, om ervoor te zorgen dat deze nauwkeurig zijn en dat de mensen een adequate behandeling en zorg ontvangen; verlangt dat de inzet van diagnose-instrumenten, gezondheidsdiensten en zorg niet puur op grond van de leeftijd en het geslacht van patiënten wordt ingeperkt, maar dat screening op aandoeningen als borstkanker, baarmoederhalskanker, longkanker, darmkanker en hart- en vaatziekten ook voor oudere vrouwen beschikbaar is; dringt er voorts op aan meer aandacht te schenken aan voorkoming en behandeling van ziekten waarvoor oudere vrouwen bijzonder gevoelig zijn zoals osteoporose en reumatoïde artritis;

28.  dringt erop aan dat voedingsadviezen vanuit gender- en leeftijdperspectief worden gegeven; verzoekt eveneens om inzet van het geslachts- en leeftijdsperspectief in aanbevelingen inzake kwesties in verband met voedselveiligheid, zoals etikettering van levensmiddelen, gezondheidsclaims, REACH-verordening en nieuwe levensmiddelen;

29.  wijst op het potentiële belang van technologie en technische vooruitgang voor de aanpassing van de maatschappij aan de behoeften van een ouder wordende bevolking; dringt erop aan dat bij de ontwikkeling van innovaties nauw wordt samengewerkt met ouderen, zodat er een ruimer gebruik van zal worden gemaakt, waarbij bijvoorbeeld te denken valt aan vereenvoudigde mobiele telefoons en internetaansluitingen, slimme sensoren in bepaalde producten ter vermindering van het aantal ongelukken en afgerichte honden voor mensen met geheugenstoornissen; dringt aan op programma's, die met name zijn opgezet op de grondslag van levenslang leren voor ouderen, die door de staat moeten worden gesteund;

30.  dringt aan op het testen van geneesmiddelen die worden ontwikkeld om de gevolgen ervan vast te stellen, niet alleen op het lichaam van mannen, maar ook van vrouwen;

31.  stelt voor statistisch onderzoek te verrichten naar het toenemende geweld tegen ouderen om dit ernstige probleem op te helderen – waarvan ouderen in het algemeen geen melding kunnen maken omdat zij de slechte behandeling die hen ten deel valt wellicht aanvaarden als iets dat bij het oud en afhankelijk zijn hoort – en om mishandeling van ouderen doelmatiger en met meer inzet van de maatschappij in het algemeen te bestrijden;

32.  dringt, om te voorkomen dat oudere vrouwen buiten de maatschappij worden gesloten, aan op gerichte culturele en onderwijsprogramma's en op het betrekken van oudere vrouwen bij plaatselijke gemeenschapsinitiatieven;

Voortgang

33.  verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2011 een actieplan voor te leggen dat het volgende inhoudt:

   onderzoek naar de behoefte aan meer middelen voor wetenschappelijk onderzoek in verband met ouder worden,
   maatregelen om de kwaliteit van de zorg en van de arbeidsomstandigheden van zorgpersoneel te waarborgen,
   veranderingen omwille van een sterkere coherentie op het gebied van de sociale zekerheid, waaronder pensioenregelingen, zorgverlof en deeltijdarbeid,
   integratie van man/vrouwaspecten in de benadering van leeftijdsgebonden ziekten en maatregelen om deze optimaal te herkennen en te behandelen,
   jaarlijkse verslaglegging, op de grondslag van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en op institutioneel niveau onder leiding van het Bureau voor de grondrechten en de nationale agentschappen in de lidstaten, over de schending van de rechten van ouderen en over maatregelen op Europees en nationaal niveau om directe en indirecte discriminatie uit te bannen,
   maatregelen, afgezien van wetgeving, om leeftijddiscriminatie aan te pakken, zoals bewustmakingscampagnes,
   opneming in alle vormen van beleid van het perspectief van oudere migranten en lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen,
   maatregelen ter ondersteuning van de solidariteit tussen de generaties, zoals programma's ter ondersteuning van vrouwen die voor kleinkinderen zorgen terwijl de ouders afwezig zijn om te werken,
   maatregelen om gebruik te maken van de kennis en beroepservaring van ouderen, bij voorbeeld door het opzetten van verenigingen van ouderen die werkzoekenden advies geven,
   uitwisseling van optimale werkmethoden;

34.  verzoekt de Commissie de mechanismen voor toezicht op de naleving van de grondrechten voor het eind van 2012 aan te passen en aan te scherpen; dringt erop aan dat aan deze mechanismen, die te weinig gebruikt worden, ruimere bekendheid wordt gegeven, aangezien oudere mensen in het algemeen en vrouwen in het bijzonder hun rechten vaak niet kennen;

35.  verklaart dat elke man en vrouw in de EU recht moet hebben op goede, betaalbare en hoogwaardige sociale en medische zorg van algemeen belang, afhankelijk van hun specifieke behoeften en voorkeuren; verzoekt de Commissie een richtlijn inzake basiszorg op te stellen, waarin rekening wordt gehouden met de situatie in de verschillende lidstaten; wijst erop dat oudere vrouwen bijzonder kwetsbaar zijn en verzoekt de Commissie na te denken over een stelsel dat alle mannen en vrouwen in de EU een basisinkomen garandeert, afhankelijk van de levensstandaard in de verschillende lidstaten;

36.  verzoekt de Commissie ernaar te streven te waarborgen dat Gemeenschapskredieten bestemd worden voor projecten waarbij onder meer maatschappelijk kansarme, alleenstaande en oudere vrouwen betrokken zijn;

o
o   o

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Bull. EU 3-2006, punt 1.13.
(2) PB C 67 E van 12.3.2010, blz.31.
(3) PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 95.
(4) PB C 184 E van 6.8.2009, blz. 75.
(5) Conclusies van de zitting van de Europese Raad in Stockholm (23-24 maart 2001).


Journalistiek en nieuwe media − totstandbrenging van een publieke ruimte in Europa
PDF 241kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 over journalistiek en nieuwe media – totstandbrenging van een publieke ruimte in Europa (2010/2015(INI))
P7_TA(2010)0307A7-0223/2010

Het Europees Parlement,

–  gelet op titel II van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gelet op de artikelen 11, 41 en 42 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende het communiceren over Europa in partnerschap, die op 22 oktober 2008 is ondertekend(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2008, getiteld „Debate Europa: voortbouwen op de ervaringen van Plan D voor Democratie, Dialoog en Debat” (COM(2008)0158),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 april 2008, getiteld „Over Europa communiceren via de audiovisuele media” (SEC(2008)0506),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 december 2007, getiteld „Communiceren over Europa via internet – de burger erbij betrekken” (SEC(2007)1742),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 oktober 2007, getiteld „Voorstel voor een interinstitutioneel akkoord betreffende het communiceren over Europa in partnerschap” (COM(2007)0569),

–  gelet op Besluit nr. 1904/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma Europa voor de burger ter bevordering van een actief Europees burgerschap(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 februari 2006, getiteld „Witboek inzake een Europees communicatiebeleid” (COM(2006)0035),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 november 2006 over het Witboek inzake een Europees communicatiebeleid(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2005, getiteld „De bijdrage van de Commissie voor de periode van bezinning en daarna: Plan D voor Democratie, Dialoog en Debat” (COM(2005)0494),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 mei 2005 betreffende de tenuitvoerlegging van de voorlichtings- en communicatiestrategie van de Europese Unie(4),

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A7-0223/2010),

A.  overwegende dat de toegang tot informatie voor burgers en de communicatie tussen beleidsmakers en kiezers centrale elementen zijn van onze representatieve democratische samenlevingen, en een conditio sine qua non voor de uitoefening van het recht van het publiek op volledige en zaakkundige participatie in het nationale publieke leven en dat van de EU,

B.  overwegende dat het publiek het recht heeft te worden geïnformeerd over de EU en haar specifieke projecten, zijn standpunten over de EU tot uitdrukking te brengen en te worden gehoord; overwegende dat voor communicatoren de uitdaging specifiek zit in het faciliteren van die dialoog,

C.  overwegende dat de trend van dalende opkomstcijfers bij de laatste Europese verkiezingen niet is doorbroken, hetgeen duidelijk maakt dat de inspanningen om de kloof tussen de EU en haar burgers te overbruggen moeten worden voortgezet,

D.  overwegende dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat burgers onvoldoende geïnformeerd worden over EU-beleid en EU-aangelegenheden, terwijl ze tegelijkertijd beter op de hoogte willen worden gebracht zoals blijkt uit de resultaten van verschillende Eurobarometer-enquêtes, overwegende dat deze enquêtes aangeven dat dit gebrek aan informatie één van de belangrijkste redenen is voor mensen te besluiten niet te gaan stemmen en de EU-instellingen te wantrouwen,

E.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon het Parlement meer bevoegdheden heeft gegeven in het EU-besluitvormingsproces, waardoor het nog belangrijker is geworden dat de burgers van de EU zich bewust zijn van het werk van hun gekozen vertegenwoordigers,

F.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon een nieuwe vorm van publieke betrokkenheid bij de totstandbrenging van het EU-beleid introduceert, het Europees burgerinitiatief; overwegende dat publieke toegang tot en een gedegen begrip van informatie van cruciaal belang zijn voor het succes van het Europees burgerinitiatief,

G.  overwegende dat een publieke ruimte kan worden verstaan als een ruimte waarin overheidsbeleid beter kan worden begrepen door en bediscussieerd met alle EU-burgers en alle bevolkingsgroepen, teneinde doeltreffender aan hun verwachtingen te kunnen voldoen; verder overwegende dat het een ruimte moet zijn waarin zowel informatie wordt gegeven als een brede, grensoverschrijdende raadpleging plaatsvindt, en teneinde in heel de EU de ontwikkeling van een gevoel van gedeelde belangstelling te bevorderen,

H.  overwegende dat de term „nieuwe media” wordt gebruik voor het beschrijven van in een netwerk bijeengebrachte digitale informatie- en communicatietechnologieën; overwegende dat die nieuwe technologieën de verspreiding van informatie en verscheidenheid van input bevorderen, en bijdragen aan een democratie waarin debat een grotere rol speelt; overwegende dat elektronische sociale media nieuwe vormen van publiek creëren, die fysiek verspreid zijn, maar zijn verbonden door een gedeelde belangstelling voor hetzelfde onderwerp, met het potentieel om nieuwe transnationale publieke ruimten te creëren,

I.  overwegende dat het gebruik van sociale mediaplatforms door het Parlement in de campagne voor de Europese verkiezingen van 2009 het aantal actieve gebruikers met succes heeft vergroot, in het bijzonder onder jongeren,

J.  overwegende dat de wijze waarop jongeren de media bekijken, gebruiken en benutten is veranderd; overwegende dat zij de nieuwe technologieën op grote schaal gebruiken als communicatiemiddel,

K.  overwegende dat de totstandbrenging van een Europese publieke ruimte nauw verbonden is met het bestaan van pan-Europese of transnationale mediastructuren; overwegende dat er thans geen overkoepelde Europese publieke ruimte is, terwijl er wel zeer levendige nationale publieke ruimten zijn, waartussen synergieën tot stand zouden moeten worden gebracht, zoals we die kennen van het Frans-Duitse televisiekanaal Arte,

L.  overwegende dat het overeenkomstig het Protocol betreffende de publieke-omroepstelsels in de lidstaten bij het Verdrag van Amsterdam(5) de verantwoordelijkheid van de lidstaten is om de taak van de publieke omroeporganisaties te definiëren en te organiseren,

M.  overwegende dat de wettelijke regels betreffende de mediamarkt van lidstaat tot lidstaat sterk verschillen, en dienen te worden gerespecteerd,

N.  overwegende dat nationale media, en in het bijzonder publieke omroeporganisaties, een speciale verantwoordelijkheid hebben om het publiek breed te informeren over de politieke besluitvorming en het bestuur, en dat deze informatie ook EU-zaken zou moeten bestrijken,

O.  overwegende dat EU-studies opgenomen moeten worden in de curricula van middelbare scholen om de kennis van de EU bij de bevolking te verbeteren,

P.  overwegende dat journalistiek een belangrijke graadmeter van democratie is, en gratis toegang tot een breed scala aan standpunten zou moeten bieden; overwegende dat journalisten en de media een voortrekkersrol vervullen in het Europees integratieproces,

Q.  overwegende dat de EU in het kader van haar streven naar publieke legitimiteit in de lidstaten de vorming van transnationale media moet bevorderen die Europa een nieuwe, democratische en onafhankelijke dimensie kunnen geven, en tegelijkertijd moet werken aan betere regels voor het beschermen van het pluralisme en het bestrijden van een te grote concentratie van media-eigendom,

R.  overwegende dat de opkomst van nieuwe communicatie-instrumenten alle takken van de journalistiek en de media heeft veranderd, hetgeen heeft geleid tot een heroverweging van de van oudsher in de sector gehanteerde methoden, en iedereen in staat heeft gesteld inhoud op blogs te creëren en te delen; overwegende dat sociale netwerken een centraal Web 2.0-kenmerk zijn geworden en het aanbieden van nieuws een nieuwe dimensie hebben gegeven, aangezien steeds meer journalisten dergelijke netwerken gebruiken als bron of verspreidingsmiddel van informatie; overwegende dat sociale media soms ook worden gebruikt voor het zoeken en produceren van verschillende soorten artikelen, en door journalisten worden gebruikt om hun artikelen te publiceren, te delen en te promoten,

1.  gaat uit van de premisse dat het doel van de EU-instellingen moet zijn het gezamenlijk creëren van een Europese publieke ruimte, die wordt gekenmerkt door de mogelijkheid voor alle EU-burgers te participeren op basis van gratis toegang tot alle publieke informatie van de Commissie, de Raad en het Parlement in alle EU-talen;

2.  verwelkomt de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende het communiceren over Europa in partnerschap, en verzoekt de Europese instellingen deze verklaring te respecteren en te steunen;

3.  is van mening dat de berichtgeving over Europese aangelegenheden door alle soorten media, in het bijzonder de massamedia, moet plaatsvinden en onpartijdig, feitelijk en onafhankelijk moet zijn, wat een essentiële voorwaarde is voor het genereren van een pan-Europees debat en de totstandbrenging van een Europese publieke ruimte;

4.  merkt op dat het gebrek aan onlinenieuws en -informatie over de EU en haar instellingen niet het probleem is, maar dat het veel meer de overvloed aan informatie zonder daadwerkelijke indeling op basis van prioriteit is waardoor mensen door de bomen het bos niet meer zien; wijst erop dat alle instellingen hun eigen nieuwsplatforms hebben gelanceerd die het publiek evenwel niet weten te boeien omdat ze in de meeste gevallen niet duidelijk, aantrekkelijk en begrijpelijk genoeg zijn door een te technisch taalgebruik hetgeen een drempel is voor mensen die niet vertrouwd zijn met Europese aangelegenheden; is van oordeel dat de platforms een inleidend portal moeten krijgen waarop de werking van alle Europese instellingen wordt uitgelegd;

5.  is van oordeel dat communicatie gebaseerd moet zijn op een daadwerkelijke dialoog tussen het publiek en beleidsmakers, en op een rustig politiek debat tussen leden van het publiek onderling; hoopt dat er een meer interactieve dialoog tot stand kan worden gebracht die minder stoelt op institutionele communicatie, die vaak weinig toegankelijk is en taal gebruikt die ver afstaat van het dagelijks leven van het publiek;

6.  is van mening dat communicatie alleen doeltreffend is indien duidelijk wordt gemaakt dat de politieke besluiten die op het niveau van de EU worden genomen van direct belang zijn voor het dagelijks leven van EU-burgers, die de EU nog altijd als een ver-van-mijn-bed-show zien die te weinig aan hun reële problemen kan doen;

7.  verzoekt de Commissie om haar communicatiebeleid te versterken en dit beleid hoog op haar lijst van prioriteiten te plaatsen wanneer wordt begonnen met de heronderhandeling van het meerjarig financieel kader voor de jaren na 2013;

Lidstaten

8.  herinnert eraan dat de nationale parlementen uit hoofde van het nieuwe artikel 12 van het Verdrag betreffende de Europese Unie nu in een vroeger stadium bij beleidsmaking op het niveau van de EU betrokken zijn dan vroeger het geval was, en hoopt dat deze betrokkenheid het niveau van het politieke debat over de EU in de lidstaten zal optrekken; onderstreept het belang van het betrekken van nationale volksvertegenwoordigers bij de EU-beleidsvorming en verwelkomt initiatieven zoals live deelname van nationale volksvertegenwoordigers aan commissievergaderingen van het EP via webstreaming;

9.  onderstreept de belangrijke rol die politieke partijen spelen bij het vormen van de publieke opinie over Europese zaken; wijst erop dat zij een leidende rol vervullen bij het aanzwengelen van debat en het tot stand brengen van een Europese publieke ruimte; is van oordeel dat zij Europese kwesties een prominentere plaats in hun programma's zouden moeten geven;

10.  is van mening dat de organisaties van het maatschappelijk middenveld belangrijke spelers in het Europees debat zijn; is van oordeel dat die rol moet worden versterkt via gerichte samenwerkingsprojecten op het gebied van publieke communicatie;

11.  onderstreept dat het noodzakelijk is dat elke lidstaten een gespecialiseerd departement voor EU-zaken heeft dat belast is met het uitleggen van de plaatselijke, regionale en nationale gevolgen van EU-maatregelen en dat als referentiepunt dient op wie burgers hun aandacht kunnen richten waar het gaat om EU-aangelegenheden;

12.  wijst erop hoe belangrijk het is dat de persmedewerkers van de vertegenwoordigingen van de Commissie en de voorlichtingsbureaus van het Parlement in de lidstaten mediaprofessionals zijn die tot taak moeten hebben een actieve en zichtbare rol te spelen in de nationale debatten over Europese aangelegenheden;

13.  wijst erop dat het Europees integratieproces beter aan jongeren moet worden uitgelegd en roept de lidstaten en de regio's dan ook op − om de leerlingen vertrouwd te maken met de Europese instellingen − de EU als onderwerp uitgebreider aan bod te laten komen in alle curricula, met speciale aandacht voor de historische achtergrond, het doel en de werking van de Unie, en moedigt hen aan om op dit gebied beste praktijken uit te wisselen op Europees niveau; is van oordeel dat de volledige betrokkenheid van scholen van cruciaal belang is voor het communicatiebeleid van de EU, om jongeren te bereiken en enthousiast te maken;

Media en de EU

14.  verwelkomt de opleidingsprogramma's van de Commissie en het Parlement voor journalisten over EU-aangelegenheden en verzoekt om deze uit te breiden, teneinde tegemoet te komen aan de toenemende vraag; maakt zich zorgen over de bezuinigingen op de begrotingsposten voor communicatie van de Commissie, in het bijzonder de begrotingspost betreffende het programma „informatie voor de media”;

15.  erkent dat het belangrijk is het aantal Euronews-talen uit te breiden om (ten minste) alle lidstaten van de EU te bereiken, en de zender een model van onafhankelijke televisiejournalistiek te laten blijven, dat bij de informatieverschaffing inzet op objectiviteit, bij de berichtgeving over politiek op kwaliteit en bij reclame op transparantie;

16.  beklemtoont het fundamentele belang van eerbiediging van de vrijheid van de media en hun redactionele onafhankelijkheid zowel op EU- als op nationaal niveau, en in het bijzonder van de programma-autonomie van de publiekrechtelijke omroepen, voor de Europese Unie en haar medialandschap, en dat dit een conditio sine qua non is voor een goed functionerende vrije, open en democratische samenleving;

17.  wijst erop dat sociale media een reusachtig potentieel hebben om jongeren te bereiken, en moedigt de Commissie en het Parlement daarom aan om redactioneel onafhankelijke mediaberichtgeving, met een flinke mate van afstand tot de overheid, te versterken;

18.  benadrukt, met het oog op de speciale rol van de media als tussenpersoon in het proces van democratische meningvorming, de noodzaak van betrouwbare politieke informatie, waaronder op het gebied van de nieuwe media; beklemtoont het belang van het bevorderen van partnerschappen tussen de publieke en de particuliere media om een uiteenlopender publiek te bereiken;

19.  moedigt de Commissie en het Parlement aan zich meer in te zetten om personeelsleden te scholen en op te leiden in communicatievaardigheden, zodat zij in staat zijn om met de media en met burgers te communiceren om de voorlichting en communicatie van de EU-instellingen te verbeteren; acht het met het oog hierop van cruciaal belang meer mediaprofessionals aan te werven;

20.  verzoekt de Commissie zich open op te stellen ten opzichte van alle vormen van communicatie, de contacten met journalisten en de media te intensiveren, en steun te geven aan alle projecten en initiatieven die gericht zijn op het geven van betere informatie aan het publiek over EU-zaken;

21.  stelt voor dat de Commissie uitwisselingen organiseert en financiert tussen omroepen en andere mediaprofessionals uit de verschillende lidstaten over beste praktijken bij het berichten over de EU, alsmede opleidingen voor publieke en particuliere media;

22.  vindt de recente daling van het aantal geaccrediteerde journalisten in Brussel uiterst zorgwekkend en is van oordeel dat deze ontwikkeling noch in het belang van de EU-instellingen, noch in dat van de geaccrediteerde pers in Brussel is; verzoekt de Europese instellingen dan ook − om de momenteel geaccrediteerde journalisten te steunen − nauwer met de vertegenwoordigers van de pers in Brussel samen te werken en zich ten opzichte van hen opener op te stellen; stelt in dit verband voor de regels voor de accreditering van journalisten te versoepelen;

23.  is verheugd over het feit dat veel media, en in het bijzonder de publieke omroepen, flink hebben geïnvesteerd in interactieve, niet-lineaire mediadiensten, met name op het internet, met berichtgeving over nieuws en actuele zaken, inclusief Europese inhoud, en daardoor vooral een jong publiek weten te bereiken;

24.  erkent dat publieke omroeporganisaties niet het enige instrument zijn voor het uitdragen van EU-boodschappen aan de burger, aangezien uit empirische studies blijkt dat particuliere omroepen ook een belangrijke bron van berichtgeving over de EU zijn en kunnen bijdragen aan de ontwikkeling en bevordering van een Europese publieke ruimte;

25.  verwelkomt het proefproject met betrekking tot onderzoeksubsidies voor grensoverschrijdende onderzoeksjournalistiek; meent dat de onafhankelijkheid van de juryleden cruciaal is om de redactionele onafhankelijkheid te waarborgen;

26.  dringt aan op een EU-initiatief voor opleidingsprogramma's voor met name jonge journalisten met betrekking tot EU-zaken; is van oordeel dat journalisten moeten worden aangemoedigd om regelmatig nieuwsberichten over het werk van de EU-instellingen te maken; spoort de lidstaten aan om, met gebruikmaking van de nieuwe media, cursussen journalistiek in hun onderwijscurricula op te nemen;

Publieke media

27.  benadrukt dat de lidstaten de onafhankelijkheid van publieke omroeporganisaties moeten waarborgen, en dat laatstgenoemden in het kader van hun publieke taak om informatie te verschaffen, en burgerschap en het maatschappelijk middenveld te ondersteunen een verantwoordelijkheid hebben om te berichten over de EU;

28.  benadrukt dat nationale en regionale publieke omroeporganisaties een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om het publiek te informeren over de politiek en de beleidsvorming op EU-niveau; onderstreept in dit verband dat publieke omroeporganisaties, met volledige redactionele onafhankelijkheid, kritisch moeten kijken naar hun eigen EU-verslaggeving en ambitieuze doelen moeten vaststellen;

29.  benadrukt dat de lidstaten de onafhankelijkheid van publieke omroeporganisaties moeten waarborgen, en dat laatstgenoemden in het kader van hun publieke taak om informatie te verschaffen, en burgerschap en het maatschappelijk middenveld te ondersteunen een verantwoordelijkheid hebben om te berichten over de EU;

30.  onderstreept de noodzaak voor de publieke media om communicatietechnieken van de nieuwe media te gebruiken om hun geloofwaardigheid via open publieke participatie te vergroten; moedigt publieke omroeporganisaties aan om bijvoorbeeld onlinefora op te zetten die gebruikmaken van webstreaming, waar burgers debatten in nationale parlementen en het Europees Parlement kunnen volgen en daarover standpunten kunnen uitwisselen;

EU/lokaal

31.  beklemtoont dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de Europese instellingen samenwerken bij het verbeteren van de communicatie-activiteiten; is van oordeel dat de EU-instellingen het communicatiebeleid van de EU zouden moeten helpen decentraliseren, teneinde het een plaatselijke en regionale dimensie te geven, teneinde verschillende communicatieniveaus dichter bij elkaar te brengen, en de lidstaten zouden moeten aansporen het publiek meer informatie over EU-gerelateerde zaken te geven;

32.  vraagt de Commissie door te gaan met de „going local”-benadering, teneinde de EU op plaatselijk niveau zichtbaarder te maken;

33.  neemt nota van het werk van de Commissie met en haar financiering van lokale radio- en televisienetwerken; wijst erop dat omroeporganisaties volledige redactionele onafhankelijkheid moeten genieten;

Europees Parlement

34.  stelt voor dat een tijdelijke werkgroep van het Europees Parlement bestaande nieuwemediaoplossingen onderzoekt en voorstellen doet voor de wijze waarop interparlementaire relaties tussen de nationale of regionale parlementen en het Europees Parlement tot stand kunnen worden gebracht;

35.  erkent de toegenomen rol van de nationale parlementen en daarmee het belang van de voorlichtingsbureaus van het Europees Parlement in de lidstaten; wijst er evenwel op dat deze, om zichtbaarder te worden, de versterking van de banden met de nationale parlementen, de plaatselijke en regionale autoriteiten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld moeten opnemen in hun missieverklaring;

36.  wijst erop dat de EP-voorlichtingsbureaus het plaatselijke niveau moeten opzoeken en het publiek gerichte informatie moeten geven over de beslissingen en de activiteiten van het Parlement; stelt voor te overwegen de informatiebureaus meer vrijheid te geven bij het bepalen van hun strategie voor communicatie met het publiek;

37.  is van oordeel dat de voorlichtingsbureaus van het Parlement in de lidstaten een belangrijker rol zouden moeten spelen bij het inschakelen van zowel de nationale, als de regionale en de plaatselijke media; stelt voor om de begrotingsonderdelen die betrekking hebben op de voorlichtingsbureaus van het Parlement, te verhogen, met als concreet doel het waarborgen van betere communicatie;

38.  is van oordeel dat er een kosten-batenbeoordeling moet worden gemaakt van EuroparlTV op basis van een grondige analyse van de kijkcijfers en het kijkerspubliek; meent dat de zender doeltreffender moet worden gemaakt door deze verder in de internetstrategie van het Parlement te integreren en dat de status op passende wijze moet worden aangepast om de redactionele onafhankelijkheid ervan te garanderen en door verspreiding van de inhoud ervan naar televisiekanalen en onlinemedia op te voeren;

39.  is verheugd over het feit dat de journalistiekprijs van het Europees Parlement ook een categorie „nieuwe media” omvat;

Journalistiek en nieuwe media

40.  spoort journalisten en andere mediaprofessionals aan elkaar te ontmoeten om de Europese journalistiek van de toekomst te bespreken en te analyseren;

41.  beklemtoont dat de lidstaten levensvatbare concepten moeten ontwikkelen voor EU-media die meer inhouden dan alleen het doorgeven van informatie en hen in staat stellen een stevige bijdrage te leveren aan de culturele en taalkundige verscheidenheid van de EU;

42.  benadrukt dat sociale netwerken weliswaar een relatief goede manier zijn voor het snel verspreiden van informatie, maar dat hun betrouwbaarheid als bron niet altijd voldoende kan worden gegarandeerd en dat zij niet als professionele media kunnen worden beschouwd; onderstreept dat de manier waarop gegevens op platforms van sociale netwerken worden behandeld vaak gevaarlijk kan zijn en neerkomt op een ernstige inbreuk op de journalistieke regels inzake ethiek, en dat derhalve voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van deze nieuwe instrumenten; benadrukt het belang van het opstellen van een ethiekcode voor de nieuwe media;

43.  wijst op het feit dat de nieuwe manier waarop journalisten hun vak uitoefenen de weg bereidt voor meer open en meer toegewijde media die werken voor steeds beter geïnformeerde klanten, maar dat er voor moet worden gezorgd dat dit in het belang van de journalistiek als geheel is en geen afbreuk doet aan de status van journalisten;

44.  beklemtoont dat journalisten en mediaprofessionals alert moeten blijven op ontwikkelingen in hun alsmaar evoluerende beroepen en gebruik moeten maken van de mogelijkheden van de sociale netwerken, die hen in staat kunnen stellen hun kennisnetwerken uit te breiden en de zogenaamde „web monitoring” kunnen faciliteren; stelt met belangstelling vast dat, ondanks de niet te stoppen opkomst van de sociale netwerken, de journalistiek zijn sleutelrol voor berichtgeving heeft behouden aangezien journalisten deze uiterst diverse netwerken gebruiken om diepgaand onderzoek te verrichten en feiten te controleren, waarmee ze helpen bij het ontstaan van een nieuw model van participerende journalistiek en bij het verspreiden van informatie;

45.  onderstreept de cruciale rol van journalisten in een moderne samenleving met een overschot aan informatie, aangezien alleen zij middels hun professionalisme, ethiek, vaardigheden en geloofwaardigheid voor een betekenisvolle toegevoegde waarde van informatie kunnen zorgen en het nieuws kunnen duiden; wijst erop dat de kwaliteit en de onafhankelijkheid van de media alleen kunnen worden gewaarborgd middels een hoge mate van professionalisme en sociale normen;

o
o   o

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 13 van 20.1.2009, blz. 3.
(2) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 32.
(3) PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 369.
(4) PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 403.
(5) PB C 340 van 10.11.1997, blz. 109.

Juridische mededeling - Privacybeleid