Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 21 september 2010 - Straatsburg
Ontwerp van gewijzigde begroting 5/2010: OLAF en de herziening van de eigen middelen
 Voltooiing van de interne markt voor e-handel
 Onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart ***I
 Veiligstelling van de aardgasvoorziening ***I
 Overnameovereenkomst tussen de Europese Unie en Pakistan ***
 Handel en economische betrekkingen met Turkije
 Tenuitvoerlegging van EU-wetgeving tot behoud van de biodiversiteit
 Preventie van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen
 Vermindering van armoede en het scheppen van werkgelegeheid in ontwikkelingslanden: beleidskoers

Ontwerp van gewijzigde begroting 5/2010: OLAF en de herziening van de eigen middelen
PDF 199kWORD 32k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 september 2010 over het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2010 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, Afdeling III – Commissie (13473/2010 – C7-0260/2010 – 2010/2091(BUD))
P7_TA(2010)0319A7-0249/2010

Het Europees Parlement,

–  gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 314 daarvan, alsmede het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met name artikel 106 bis daarvan,

–  gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(1), en met name op de artikelen 37 en 38 daarvan,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, definitief vastgesteld op 17 december 2009(2),

–  gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2010 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, ingediend door de Commissie op 15 juni 2010 (COM(2010)0320),

–  gezien het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2010, vastgesteld door de Raad op 13 september 2010 (13473/2010 – C7-0260/2010),

–  gelet op de artikelen 75 ter en 75 sexies van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0249/2010),

A.  overwegende dat het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2010 betrekking heeft op wijzigingen in de personeelsformatie van OLAF, zonder aanvullende financiële bepalingen, alsook op de herziening van de raming van de traditionele eigen middelen (TEM, d.w.z. douanerechten en heffingen in de suikersector), de btw- en bni-grondslagen, de opname in de begroting van de relevante Britse correcties en de financiering daarvan, en de herziening van de financiering van de vermindering van de bni-afdrachten ten voordele van Nederland en Zweden in 2010, die leiden tot een wijziging van de eigenmiddelenbijdragen van de lidstaten aan de EU-begroting,

B.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2010 tot doel heeft deze budgettaire aanpassing formeel te integreren in de begroting 2010,

C.  overwegende dat de Raad zijn standpunt op 13 september 2010 heeft vastgesteld,

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2010;

2.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2010 zoals ingediend en verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat gewijzigde begroting nr. 4/2010 definitief is vastgesteld en te zorgen voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(2) PB L 64 van 12.3.2010.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Voltooiing van de interne markt voor e-handel
PDF 291kWORD 112k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 september 2010 over de voltooiing van de interne markt voor e-handel (2010/2012(INI))
P7_TA(2010)0320A7-0226/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de arresten van het EHvJ met betrekking tot Google (gevoegde zaken C-236/08 tot en met C-238/08, arrest van 23 maart 2010) en BergSpechte (zaak C-278/08, arrest van 25 maart 2010), waarin het begrip „normaal geïnformeerde en redelijk oplettende internetgebruiker” wordt gehanteerd als definitie van de standaard-internetgebruiker,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 maart 2010 over consumentenbescherming(1),

–  gezien het jaarverslag van 2008 van Solvit over de ontwikkeling en prestaties van het Solvit-netwerk (SEC(2009)0142) en naar het interne werkdocument van de Commissie van 8 mei 2008 over een actieplan voor een geïntegreerde benadering voor het verbeteren van de bijstandsdiensten voor de interne markt voor de burgers en het bedrijfsleven (SEC(2008)1882) alsmede naar de resolutie van het Parlement van 9 maart 2010 over Solvit(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien het interne werkdocument van de Commissie van 3 december 2009 „Guidance on the implementation/application of Directive 2005/29/EC on unfair commercial practices” (SEC(2009)1666),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 oktober 2009 over grensoverschrijdende elektronische handel tussen ondernemingen en consumenten in de EU (COM(2009)0557),

–  gezien de studie „Mystery shopping evaluation of cross-border e-commerce in the EU”, uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie, DG SANCO, door YouGovPsychonomics en gepubliceerd op 20 oktober 2009,

–  gezien het interne werkdocument van de Commissie van 22 september 2009 over de maatregelen in de sector financiële diensten voor particuliere consumenten naar aanleiding van het scorebord voor de consumentenmarkten (SEC(2009)1251),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juli 2009 over een geharmoniseerde methode voor indeling van en verslaglegging over klachten en vragen van consumenten (COM(2009)0346) en de begeleidende ontwerpaanbeveling van de Commissie (SEC(2009)0949),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2009 betreffende de handhaving van de consumentenwetgeving (COM(2009)0330),

–  gezien het verslag van de Commissie van 2 juli 2009 over de toepassing van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende de samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (de verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming) (COM(2009)0336),

–  gezien het interne werkdocument van de Commissie van 5 maart 2009 over grensoverschrijdende e-handel in de EU (SEC(2009)0283),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 februari 2009 over internationale handel en het internet(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 januari 2009 „Doorlichting van de beleidsresultaten voor consumenten in de interne markt: Tweede editie van het scorebord voor de consumentenmarkten” (COM(2009)0025) en het begeleidende interne werkdocument van de Commissie „Tweede editie van het scorebord voor de consumentenmarkten” (SEC(2009)0076),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 juni 2007 over consumentenvertrouwen in een digitale omgeving(4),

–  gelet op artikel 20, lid 2, van Richtlijn 2006/123/EGvan het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 over diensten op de interne markt(5),

–  gelet op Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende misleidende reclame en vergelijkende reclame (gecodificeerde versie)(6),

–  onder verwijzing naar zijn resoluties van 23 maart 2006 over het Europees verbintenissenrecht en de herziening van het acquis: verdere maatregelen(7), en van 7 september 2006 over het Europees verbintenissenrecht(8),

–  gelet op de geldende communautaire wetgeving inzake consumentenbescherming, e-handel en de ontwikkeling van de informatiemaatschappij,

–  gezien de mededeling van de Commissie betreffende de herziening van het regelgevend kader van de Europese Unie voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (COM(2006)0334),

–  gezien het eerste uitvoeringsverslag van 21 november 2003 over de richtlijn inzake e-handel (COM(2003)0702),

–  gelet op Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad(9),

–  gezien de UNCITRAL-modelwet inzake elektronische handel van 1996, de UNCITRAL-modelwet inzake elektronische handtekeningen van 2001 en de UNCITRAL-overeenkomst over het gebruik van elektronische communicatie in internationale overeenkomsten 2005(10),

–  gelet op artikel 11 VWEU waarin het volgende is bepaald: „De eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling”,

–  gelet op artikel 12 VWEU waarin het volgende is bepaald: „Met de eisen terzake van consumentenbescherming wordt rekening gehouden bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Unie op andere gebieden”,

–  gelet op artikel 14 VWEU en Protocol 26 bij dat Verdrag inzake diensten van algemeen (economisch) belang,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie juridische zaken (A7-0226/2010),

A.  overwegende dat Europa niet alleen naar wegen dient te zoeken om de interne markt voor e-handel verder te ontwikkelen, maar ook moet nagaan hoe het herstel van de interne markt op een duurzame manier kan worden bewerkstelligd door de verdere ontwikkeling van e-handel,

B.  overwegende dat er in het verslag van Mario Monti van 9 mei 2010 over „Een nieuwe strategie voor de interne markt” nadrukkelijk op wordt gewezen dat „de interne markt minder populair is dan ooit, maar tegelijk ook noodzakelijker is dan ooit”; overwegende dat er in het verslag ook op wordt gewezen dat e-handel, samen met innovatieve diensten en ecobedrijven, het grootste groei- en werkgelegenheidspotentieel voor de toekomst biedt en daarom voor de interne markt grensverleggend bezig is,

C.  overwegende dat e-handel een essentieel element van het internet is en een belangrijke katalysator bij het streven naar de doelstellingen van de EU-2020-strategie voor de interne markt; overwegende dat het van belang is dat alle belanghebbenden de handen ineenslaan om de resterende hindernissen uit de weg te ruimen,

D.  overwegende dat e-handel de ontwikkeling van nieuwe nichemarkten voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die anders niet zouden bestaan, vergemakkelijkt en bevordert,

E.  overwegende dat e-handelaren, teneinde het potentieel van de Europese interne markt volledig te kunnen ontsluiten, moeten worden gestimuleerd om hun producten in alle EU-lidstaten te promoten door middel van direct marketing of andere communicatie-instrumenten,

F.  overwegende dat e-handel voor de Europese Unie een sleutelmarkt van de 21e eeuw is, die mogelijkheden biedt om de Europese interne markt op een nieuwe manier vorm te geven, bij te dragen aan de kenniseconomie, de Europese consument en het Europese bedrijfsleven voordelen en kansen te bieden in deze financieel moeilijke tijd en de werkgelegenheid en groei een aanzienlijke en positieve impuls te geven; overwegende dat de verdere ontwikkeling van e-handel de concurrentiepositie van de economie van de EU in het kader van de EU-strategie van de Commissie voor 2020 kan verbeteren, met inbegrip van de ontwikkeling en bevordering van nieuwe vormen van ondernemen voor kmo's,

G.  overwegende dat het zeer belangrijk is voor een doeltreffende werking van de interne markt te zorgen om de doelstellingen van de Lissabon-agenda inzake meer groei, mededinging, het scheppen van inclusieve en concurrentiebestendige werkgelegenheid te verwezenlijken ten behoeve van de 500 miljoen consumenten in de EU en van hun welzijn; overwegende dat grensoverschrijdende e-handel belangrijke sociaaleconomische voordelen voor de Europese consument met zich meebrengt, zoals meer gemak en autonomie, versterking van consumentenrechten, meer transparantie en concurrentie, toegang tot een grotere diversiteit aan producten en diensten die met elkaar vergeleken kunnen worden en waaruit gekozen kan worden, alsook aanzienlijke besparingsmogelijkheden,

H.  overwegende dat gedurende de recente economische crisis de ontwikkeling van de digitale samenleving en de voltooiing van de interne markt op het gebied van ICT de sector van de elektronische handel in staat hebben gesteld verder te groeien en banen te scheppen, hetgeen heeft geholpen online-ondernemingen economisch actief te laten blijven en consumenten in staat heeft gesteld te profiteren van een bredere keuze en betere prijzen; overwegende dat grensoverschrijdende e-handel aanzienlijke voordelen biedt voor EU-bedrijven – met name voor kmo's – die innovatieve, kwalitatief hoogstaande en consumentvriendelijke diensten en producten op de gehele Europese interne onlinemarkt kunnen aanbieden en zo hun positie kunnen versterken en in de globale economie concurrerend kunnen blijven,

I.  overwegende dat e-handel consumenten een ruimere keuze biedt, in het bijzonder burgers die in moeilijk toegankelijke, afgelegen of perifere gebieden wonen, alsook burgers met beperkte mobiliteit, die anders wellicht geen toegang zouden hebben tot een breed scala van producten; overwegende dat e-handel met name voordelig is voor burgers in rurale, afgelegen en perifere gebieden, die anders wellicht niet zo gemakkelijk of niet tegen dezelfde prijzen toegang tot een ruime keuze aan goederen zouden hebben,

J.  overwegende dat het tweede uitvoeringsverslag over de richtlijn inzake e-handel sinds 2005, dus al vijf jaar, op zich laat wachten (artikel 21 van Richtlijn 2000/31/EG),

K.  overwegende dat de digitale agenda voor Europa redelijke prestatiedoelstellingen voor hogesnelheids- en ultrahogesnelheidsbreedbanddekking en e-handelscapaciteitsbenutting definieert,

L.  overwegende dat het vertrouwen van de Europese consument en de Europese ondernemer in de digitale omgeving laag is als gevolg van onnodige barrières voor e-handel, zoals versnippering van de EU-markt, onzekerheid bij de consument omtrent de vertrouwelijkheid van gegevens, de beveiliging van transacties en de rechten van de consument in probleemgevallen, en dat Europa wat betreft een aantal aspecten van e-handel achterloopt bij de VS en Azië; overwegende dat de totstandbrenging van een „digitale interne markt” die grensoverschrijdende transacties in een digitale omgeving voor alle consumenten in de Europese Unie vergemakkelijkt, van cruciaal belang is om de interne markt een nieuwe impuls te geven, aangezien de burgers daardoor een groter aanbod aan producten en diensten krijgen; overwegende dat het wegnemen van belemmeringen voor grensoverschrijdende e-handel en bevordering van het consumentenvertrouwen essentieel zijn om te komen tot een aantrekkelijke, geïntegreerde digitale interne markt voor Europa en om de consumentenmarkten en de economie in bredere zin een nieuwe impuls te geven,

M.  overwegende dat in de mededeling van de Europese Commissie over de digitale agenda wordt erkend dat consumenten in de EU vaak de voorkeur geven aan transacties met bedrijven die buiten de EU, bijvoorbeeld in de VS, zijn gevestigd, waaruit blijkt dat een beleid ter stimulering van wereldwijde vormen van e-handel moet worden ontwikkeld en dat de mondialisering van internetgovernance conform de Agenda van Tunis moet worden bevorderd; overwegende dat noch de consument, noch het bedrijfsleven de vruchten van een digitale interne markt kan plukken, aangezien slechts zeer weinig onlinehandelaren hun producten of diensten in andere lidstaten verkopen en, wanneer zulks het geval is, meestal in een beperkt aantal lidstaten; overwegende dat discriminatie van de consument, ook bij het betalen, moet worden tegengegaan door ervoor te zorgen dat regelgeving voor betaling, ontvangst van betaling en levering wordt vastgesteld; overwegende dat e-handel op dit moment een aanzienlijk deel van de reguliere economie uitmaakt en dat bedrijven en consumenten in toenemende mate profiteren van zowel online- als offlinehandelspraktijken,

N.  overwegende dat e-handel een mondiaal fenomeen is dat zich niet alleen maar binnen de EU-grenzen voltrekt,

O.  overwegende dat de digitale agenda voor Europa redelijke prestatiedoelstellingen voor hogesnelheids- en ultrahogesnelheidsbreedbanddekking en e-handelscapaciteitsbenutting definieert,

P.  overwegende dat de versnippering van een deel van de elektronische markt in de EU een bedreiging vormt voor de in het acquis communautaire vastgelegde rechten,

Q.  overwegende dat de Europese consumenten en bedrijven weinig rechtszekerheid hebben wat betreft grensoverschrijdende e-handel en dat voor één enkele elektronische transactie een veelheid van juridische bepalingen geldt die tot uiteenlopende eisen leiden, hetgeen ondernemers noch consumenten duidelijke en gemakkelijk te handhaven regels biedt,

R.  overwegende dat dit ook geldt voor e-handel met landen buiten Europa, aangezien de Europese consument bij aan- of verkopen online vaak geen onderscheid maakt tussen Europese en derde landen; overwegende dat daarom ook derde landen moeten worden betrokken bij de inspanningen om e-handel transparanter, betrouwbaarder en beter controleerbaar te maken,

S.  overwegende dat de toenemende grensoverschrijdende dimensie van de consumentenmarkten de handhavingsinstanties voor nieuwe problemen stelt, omdat zij beperkt worden door grenzen van jurisdicties en versnippering van het regelgevend kader,

T.  overwegende dat het bestaan van illegale onlinediensten een ernstige belemmering vormt voor de ontwikkeling van legitieme markten voor bepaalde digitale diensten, met name voor muziek, films en – in toenemende mate – ook boeken en tijdschriften; overwegende dat intellectuele eigendom in de digitale wereld een cruciale rol vervult en dat de bescherming ervan, met name op het internet, een bijzondere uitdaging blijft,

U.  overwegende dat gebruikers van e-handel recht hebben op schadeloosstelling als zij het slachtoffer zijn geworden van illegale praktijken, maar dat zij in werkelijkheid door gebrek aan informatie over de in de respectieve lidstaten vigerende wetgeving, lange en ingewikkelde procedures, de risico's van procesvoering – met name in grensoverschrijdende gevallen – en de hoge kosten die eraan zijn verbonden met ernstige belemmeringen worden geconfronteerd als zij dergelijke zaken aanhangig willen maken,

V.  overwegende dat de handhaving van het fundamentele recht op privacy en op de bescherming van persoonsgegevens een belangrijke voorwaarde is om e-handel mogelijk te maken,

W.  overwegende dat, ondanks het potentieel van alternatieve geschillenbeslechting, slechts 5% van de detailhandelaren hier regelmatig gebruik van maakt en 40% helemaal niet op de hoogte is van de mogelijkheid om dit instrument te gebruiken,

X.  overwegende dat het harmoniseren van de meest essentiële consumentenrechten, alsmede post- en banktarieven, auteursrechten, btw-procedures en regels inzake gegevensbescherming, een grote stap in de richting van een echte interne markt voor bedrijven en consumenten zou vormen; overwegende dat de lidstaten bevoegd moeten blijven voor btw-procedures,

Y.  overwegende dat de verschillende systemen voor de heffing van auteursrechten in de afzonderlijke lidstaten moeten worden vereenvoudigd en verduidelijkt om het online-aanbieders gemakkelijker te maken om hun waren en diensten in verschillende lidstaten aan te bieden; overwegende dat een herziening van de systemen voor de heffing van auteursrechten online-aanbieders van producten en diensten meer rechtszekerheid zou bieden bij het aanbieden van producten en diensten aan de consument; overwegende dat vanzelfsprekend een hoog niveau van consumentenbescherming moet worden gewaarborgd ten einde het vertrouwen in onlineproducten en -diensten te vergroten, met dien verstande dat de handelsgebruiken ook op de internetmarkt nageleefd moeten worden; overwegende dat er nog een aantal ernstige structurele en regulatorische belemmeringen is voor een goed functionerende Europese interne markt voor e-handel, zoals de versnippering langs nationale lijnen van de consumentenbeschermingsvoorschriften, uiteenlopende regelgeving inzake btw, hergebruikstarieven en -heffingen en het misbruik van regels betreffende exclusieve en selectieve distributieakkoorden,

Z.  overwegende dat de beschikbaarheid van betaalbare, betrouwbare en kwalitatief hoogstaande postdiensten in de gehele Europese Unie een prioritaire voorwaarde is om een effectieve interne markt voor e-handel tot stand te kunnen brengen; overwegende dat de bestaande verticale distributieovereenkomsten vaak worden gebruikt om onlineverkoop tegen te gaan of te beperken, met als gevolg dat detailhandelaren geen toegang krijgen tot de bredere markt, dat het recht van consumenten op een ruimere keuze en betere prijzen worden ondermijnd en dat er aldus belemmeringen worden gecreëerd voor commerciële expansie; overwegende dat grensoverschrijdende e-handel tussen bedrijven het concurrentievermogen van Europese ondernemingen kan bevorderen door hun de mogelijkheid te bieden op eenvoudige wijze op de gehele interne markt componenten, diensten en knowhow op te sporen (waarmee tevens nieuwe schaalvoordelen worden gecreëerd), en dat deze handel bedrijven, en met name kmo's, voorts de gelegenheid biedt hun cliëntenbestand te internationaliseren zonder te hoeven investeren in fysieke aanwezigheid in een andere lidstaat,

AA.  overwegende dat e-handel de ontwikkeling van een milieuvriendelijke interne markt zou bevorderen door het gebruik van koolstofarme en milieuvriendelijke technologie, normen, etikettering, producten en diensten,

AB.  overwegende dat de rechtsbescherming en het vertrouwen van kopers in e-handel moeten worden verbeterd, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat ook verkopers en zakenlieden behoefte hebben aan rechtsbescherming,

AC.  overwegende dat flexibele markten de meest effectieve manier zijn om groei te bevorderen; roept de Europese instellingen ertoe op te bewerkstelligen dat de onlinemarkten zo flexibel mogelijk kunnen functioneren, zodat er in deze sector meer ondernemingsgeest en ruimte voor uitbreiding kunnen worden gecreëerd; overwegende dat de digitale interne markt alleen kan worden voltooid als fundamentele internemarktwetgeving, inclusief de dienstenrichtlijn, naar behoren in alle lidstaten ten uitvoer wordt gelegd; overwegende dat bij de vereffening van rechten rechtszekerheid en transparantie gewaarborgd moeten zijn wanneer een onlinehandelaar onder auteursrecht vallende inhoud naar een website uploadt; overwegende dat internet weliswaar het snelst groeiende distributiekanaal is en dat e-handel op nationaal niveau voortdurend toeneemt, maar dat tegelijkertijd de kloof tussen de nationale en de grensoverschrijdende e-handel in de Unie steeds groter wordt en de Europese consumenten in sommige EU-lidstaten geconfronteerd worden met geografische, technische en organisatorische beperkingen in hun keuzemogelijkheden,

AD.  overwegende dat het scorebord voor de consumentenmarkt van de Commissie een geschikt observatiemiddel is om de situatie met betrekking tot de grensoverschrijdende e-handel in de EU te volgen, omdat daaruit blijkt in hoeverre de consument gebruik weet te maken van het goederen- en dienstenaanbod op de interne markt,

AE.  overwegende dat de uitrol van internetbreedbanddiensten in alle EU-lidstaten binnen de op 2013 gestelde termijn van vitaal belang om zowel de consument als het bedrijfsleven toegang tot de digitale economie te verschaffen,

Inleiding

1.  spreekt zijn voldoening uit over de mededeling van de Commissie van 22 oktober 2009 over grensoverschrijdende elektronische handel tussen ondernemingen en consumenten in de EU;

2.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 19 mei 2010 over een digitale agenda voor Europa, waarin de strategie van de Commissie wordt uiteengezet om o.a. onlinetransacties te vereenvoudigen en het vertrouwen in de digitale wereld te vergroten;

3.  verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de dringende oproep die in het verslag-Monti over „Een nieuwe strategie voor de interne markt” aan de EU wordt gericht om de nog resterende obstakels voor de totstandbrenging van een pan-Europese onlinedetailhandelsmarkt – een essentieel instrument voor de toekomst van de interne markt – tegen 2012 op te ruimen;

4.  constateert met voldoening dat de Europa 2020-strategie voorziet in de bevordering van een op kennis gebaseerde economie en dat de Commissie ertoe wordt aangespoord snel actie te ondernemen om de snelheid van breedbanddiensten op te voeren en de verrekening van de daaraan verbonden kosten in de gehele Unie te harmoniseren teneinde de verwezenlijking van een interne markt voor e-handel dichterbij te brengen;

5.  verzoekt de Commissie alle essentiële definities op dit gebied binnen een redelijke termijn te harmoniseren, maar erkent dat op het terrein van e-handel reeds veel werk is verricht;

6.  onderstreept dat de voltooiing van de interne markt voor e-handel een horizontale aanpak van de zijde van de Commissie vereist, met een effectieve coördinatie tussen de respectieve directoraten-generaal; is dan ook ingenomen met de onlangs door de Commissie (in haar mededeling over een digitale agenda voor Europa) gedane toezegging om een „groep van commissarissen” op te richten teneinde daadwerkelijk een geïntegreerd beleid tot stand te kunnen brengen;

7.  wijst erop dat e-handel moet worden gezien als een bijkomend instrument voor kleine en middelgrote bedrijven om hun concurrentievermogen te vergroten, en niet als een doel op zich;

8.  wijst er met nadruk dat het – om de EU op mondiaal niveau concurrentiebestendiger te maken – van groot belang is dat ten volle gebruik wordt gemaakt van het potentieel dat e-handel te bieden heeft;

9.  roept de Commissie ertoe op dringend werk te maken van de bevordering van een goed functionerende interne markt voor digitale goederen en diensten, teneinde te kunnen profiteren van het enorme, tot dusver onbenutte potentieel van deze markt in termen van groei en werkgelegenheid;

10.  onderstreept de noodzaak van een actief beleid om burgers en bedrijven in staat te stellen ten volle te profiteren van de interne markt, die kwalitatief hoogstaande goederen en diensten tegen concurrerende prijzen biedt; is van mening dat dit in de huidige economische crisis nog eens extra belangrijk is als middel om de groeiende ongelijkheid te bestrijden en consumenten die kwetsbaar zijn, op afgelegen locaties wonen of wier mobiliteit beperkt is, lage inkomensgroepen en kleine en middelgrote ondernemingen die er bijzonder in geïnteresseerd zijn aansluiting te vinden bij de wereld van de e-handel te beschermen;

Bestrijding van de versnippering op de online interne markt

11.  dringt aan op een betere onderlinge aanpassing van de precontractuele informatie bij e-handel met het oog op een hoog consumentenbeschermingsniveau, en wel zo dat deze harmonisatie kan worden aangepast zodat voor meer transparantie en meer vertrouwen tussen klanten en verkopers wordt gezorgd, terwijl voor contracten in specifieke sectoren een aanpak van minimale harmonisatie behouden blijft;

12.  wijst op de grote verschillen tussen de regels en praktijken die handelaren op afstand hanteren met betrekking tot de garanties en aansprakelijkheidsvoorzieningen die zij binnen en buiten hun nationale grenzen bieden en wat betreft de voordelen die harmonisatie hen zou opleveren; dringt aan op een grondige analyse van de gevolgen voor het e-handelsverkeer van eventuele stappen tot harmonisatie van voorschriften inzake wettelijke conformiteit met bestaande nationale wetgeving;

13.  dringt aan op harmonisatie van regels en praktijken om handelaren op afstand in staat te stellen bij de geboden garanties en aansprakelijkheid ook buiten hun grenzen actief te zijn;

14.  pleit voor de ontwikkeling van een passend, doeltreffend, veilig en innovatief systeem voor onlinebetalingen, zodat consumenten keuzevrijheid wat betreft de wijze van betaling kan worden geboden, er geen kosten in rekening hoeven te worden gebracht waardoor de keuzemogelijkheden zouden worden beknot of beperkt, en dat garant staat voor de bescherming van consumentengegevens;

15.  onderstreept dat het van belang is het vertrouwen in grensoverschrijdende internetbetalingssystemen (bv. krediet- en debetkaarten, e-portemonnees) te vergroten door meerdere betalingsmethoden te bevorderen, interoperabiliteit en gemeenschappelijke regelgeving te verbeteren, technische belemmeringen weg te nemen, de veiligste technologieën voor elektronische transacties te ondersteunen, wetgeving inzake privacy- en veiligheidskwesties te harmoniseren en aan te scherpen, frauduleuze activiteiten tegen te gaan en het publiek te informeren en voor te lichten;

16.  verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor een Europees financieel instrument voor krediet- en debetkaarten teneinde de onlineverwerking van kaarttransacties te faciliteren;

17.  herhaalt dat grensoverschrijdende e-handel tussen bedrijven een belangrijk middel is om Europese bedrijven, en met name kmo's, in staat te stellen te groeien, hun concurrentievermogen te vergroten en meer innoverende producten en diensten te creëren; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een gedegen en betrouwbaar juridisch en regelgevend kader om bedrijven de garanties te bieden die zij nodig hebben om onderlinge grensoverschrijdende elektronische handelstransacties met vertrouwen uit te voeren;

18.  is ingenomen met het Commissievoorstel om elektronisch factureren te bevorderen en verzoekt de Raad hierover met het Parlement spoedig tot een akkoord te komen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ook maatregelen voor te stellen en overeenkomsten te sluiten teneinde de btw-rapportageverplichtingen voor grensoverschrijdende e-handel te vereenvoudigen en te stroomlijnen en de btw-registratieprocedures te vereenvoudigen;

19.  is verheugd over het voorstel van de Commissie tot vereenvoudiging van de btw-rapportageverplichtingen en de „vereenvoudigde factuur” voor verkopers op afstand en onderstreept dat op het gebied van de belastingwetgeving, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde (btw), het subsidiariteitsbeginsel moet worden nageleefd;

20.  verzoekt de Commissie een geïntegreerd btw-inningssysteem beschikbaar te stellen zodat kmo's gestimuleerd worden om internationaal te opereren met een geringere administratievelastendruk;

21.  benadrukt de noodzaak om de gevolgen van het btw-pakket voor grensoverschrijdende postdiensten nader te verduidelijken teneinde eventuele rechtsonzekerheid en prijsstijgingen te voorkomen; is van mening dat de btw-vrijstelling voor universele postdiensten overeenkomstig de btw-richtlijn van de EU niet op losse schroeven mag komen te staan als gevolg van de nieuwe fiscale regeling betreffende de plaats waar deze diensten worden geleverd;

22.  verzoekt de Commissie een effectbeoordeling uit te voeren met betrekking tot de oprichting of aanwijzing van nationale autoriteiten voor de verwerking van registratieaanvragen voor grensoverschrijdende onlinehandel van bedrijven of ondernemers vanuit hun lidstaat, en een Europese autoriteit om de nationale autoriteiten met elkaar te verbinden, om zo de snelle voltooiing van de interne markt mogelijk te maken;

23.  onderstreept dat het nodig is de maatregelen inzake elektrisch en elektronisch afval, grensoverschrijdend beheer van auteursrechten op blanco media en opnameapparatuur, hantering van een EU-licentiestelsel voor inhoudelijk materiaal, alsmede EU-regels voor grensoverschrijdende elektronische facturering („e-facturering”) bij handel op afstand te vereenvoudigen en te stroomlijnen;

24.  is voorstander van een vereenvoudiging van de thans geldende auteursrechtheffingen, aangezien het huidige systeem grote hinder voor de consument en belemmeringen voor het functioneren van de interne markt met zich meebrengt;

25.  verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen ter ondersteuning van het initiatief inzake e-facturen, teneinde tegen 2020 in heel Europa het gebruik van elektronische facturen te bewerkstelligen;

26.  pleit voor de instelling op Europees niveau van een centraal aanspreekpunt waar grensoverschrijdende oplossingen kunnen worden bedacht voor de concrete uitvoering van de respectieve regels en systemen van de lidstaten, bijvoorbeeld voor de aangifte en betaling van de btw en andere toepasselijke belastingen;

27.  verzoekt de Commissie na te gaan welke mogelijkheden er zijn om een beter toegang tot creatieve content op het internet, zoals muziek- en audiovisuele werken te bevorderen, en hoe er het beste gevolg kan worden gegeven aan de vraag van de burger naar consumentgerichte grensoverschrijdende diensten;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een betere integratie tot stand te brengen tussen internemarktcentra met inbegrip van Solvit, eenloketten (voorgeschreven door de dienstenrichtlijn), productcentra (voorgeschreven door de verordening inzake wederzijdse erkenning), en nadere informatie, waaronder wettelijke vereisten, waarover bedrijven moeten beschikken om hun producten in het buitenland en via internet te kunnen verkopen; beklemtoont dat een functionerend eenloketsysteem onontbeerlijk voor de voltooiing van de interne markt voor e-handel is;

29.  wijst de Commissie erop dat er nog steeds lacunes in het rechtskader voor onlinediensten zijn en verzoekt de Commissie met gerichte wetgevingsvoorstellen te komen om de consumenten gemakkelijker toegang te geven tot onlineproducten en -diensten, hun vertrouwen daarin te verhogen en hun een eenvoudige eenloketbenadering te bieden;

30.  onderstreept dat het van belang is grensoverschrijdende regelgeving te vereenvoudigen en de nalevingskosten voor detailhandelaren en ondernemers terug te dringen door praktische oplossingen te bieden voor kwesties als btw-rapportage en facturering, e-afval en hergebruiksheffingen, copyrightheffingen, consumentenbescherming, etikettering en sectorspecifieke regelgeving; dringt in dit verband aan op het instellen van eenloketsystemen en de bevordering van grensoverschrijdende e-overheidsoplossingen, zoals e-facturering en e-aanbesteding;

31.  betreurt dat de dienstenrichtlijn in een aantal lidstaten nog steeds niet volledig in nationaal recht is omgezet; vraagt de Commissie en de lidstaten een einde te maken aan discriminatie van consumenten op grond van hun e-mailadres of woonplaats, te zorgen voor een doelmatige uitvoering van artikel 20, lid 2, van de dienstenrichtlijn en erop toe te zien dat de nationale autoriteiten en rechtbanken de nationale bepalingen ter omzetting van deze non-discriminatieregel in de rechtsstelsels van de lidstaten correct toepassen;

32.  benadrukt het belang van vrij verkeer van goederen en diensten voor de verdere ontwikkeling van e-handel, met bijzondere nadruk op het principe van non-discriminatie binnen de interne markt op grond van de nationaliteit of woonplaats van de ontvanger; herhaalt dat dit non-discriminatiebeginsel niet strookt met het opleggen van aanvullende juridische en administratieve eisen aan onderdanen uit andere lidstaten die van een bepaalde dienst of van voordeligere voorwaarden of prijzen willen profiteren; roept de Commissie derhalve op om op grond van artikel 20, lid 2, van de dienstenrichtlijn tegen dergelijke vormen van discriminatie op te treden;

33.  onderstreept dat het van belang is ongelijke behandeling van onlineconsumenten naargelang van hun land van herkomst tegen te gaan door regelgeving voor onlinebetalingen vanuit alle 27 EU-lidstaten vast te stellen, met inbegrip van de mogelijkheid voor consumenten om tussen diverse onlinebetaalwijzen te kiezen;

34.  dringt aan op een geïntegreerde beleidsaanpak ter voltooiing van de interne transportmarkt voor alle vervoerstakken (wegcabotage, goederenvervoer per spoor, enz.) en van de milieuwetgeving, teneinde onvolkomenheden in de aanvoerketen en onnodige kostenstijgingen voor afstandsverkopers en klanten in de e-handelssector te voorkomen;

35.  is van mening dat hervorming van de postsector en bevordering van de interoperabiliteit en samenwerking tussen postsystemen en -diensten een aanzienlijk effect kan hebben op de ontwikkeling van grensoverschrijdende e-handel, waarvoor een voordelige en efficiënte distributie en tracering van producten is vereist; benadrukt derhalve de noodzaak van een spoedige implementatie van de derde richtlijn inzake postdiensten (2008/6/EG);

Voltooiing van de interne markt voor e-handel

36.  dringt aan op maatregelen om het aantal internetgebruikers te verhogen en de kwaliteit, prijs en snelheid van het internet in de landen en regio's van de EU waar de verbinding niet van goede kwaliteit is, te verbeteren, zodat breedbandtoegang tegen 2013 in de hele EU beschikbaar is; benadrukt dat aan de beschikbaarheid van breedbandtoegang voor alle burgers moet worden gewerkt en onderstreept dat een snelle internetverbinding ook in rurale, afgelegen en perifere gebieden toegankelijk moet zijn, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan consumenten en bedrijven in bergachtige gebieden of op eilanden, waar de posttarieven – nog afgezien van de beperktere internettoegang – bijzonder hoog zijn en de leveringstermijnen voor aangeschafte of verkochte goederen bijzonder lang;

37.  wijst er in het kader van de herziening van de universeledienstrichtlijn op dat het met prioriteit verder ontwikkelen van snelle en betaalbare breedbandtoegang van essentieel belang is voor de ontwikkeling van e-handel, aangezien het ontbreken van toegang tot internet voor de Europese burger een van de belangrijkste belemmeringen blijft voor het gebruik van e-handel;

38.  steunt de opzet van de Commissie om breedbandtoegang tegen 2013 beschikbaar te maken voor alle EU-burgers, en ervoor te zorgen dat alle burgers tegen 2020 toegang hebben tot breedbandinternet tegen minstens 30 MB per seconde en de helft van hen tegen 100 MB per seconde, en vraagt om concrete maatregelen om deze doelstellingen te kunnen bereiken; benadrukt dat er specifieke maatregelen nodig zijn voor de bescherming van kinderen en jongeren, en dat het in het bijzonder nodig is leeftijdscontrolesystemen te ontwikkelen en onlinemarketingpraktijken die het gedrag van kinderen negatief beïnvloeden, moeten worden verboden;

39.  verzoekt de Commissie een begin te maken met de opstelling van Europese normen om grensoverschrijdende e-handel te vergemakkelijken, verschillen in de geldende wetgeving in de lidstaten te overbruggen en een einde te maken aan de verplichting binnen selectieve distributienetwerken om een offlinewinkel te hebben voordat onlineverkoop mogelijk is, indien aangetoond wordt dat een dergelijke verplichting strijdig is met de concurrentiewetgeving of niet kan worden gerechtvaardigd door de aard van het contract voor de verkochte goederen en diensten, zodat consumenten en kleine en middelgrote ondernemingen ten volle kunnen profiteren van het potentieel van de interne markt op elektronisch gebied; is verontrust over het besluit van de Commissie betreffende de verplichting om een offlinewinkel te hebben voordat onlineverkoop mogelijk is, aangezien dit vereiste een sterke belemmering voor onlineverkoop is;

40.  is van mening dat internetplatforms een belangrijke rol hebben gespeeld bij het aanmoedigen van e-handel (vooral grensoverschrijdende e-handel) in Europa, doordat ze honderdduizenden kmo's toegang verlenen tot de markt, consumenten een grotere keuze bieden, tegelijk ook heel wat goede praktijken hebben ingevoerd betreffende het stimuleren van vertrouwen en transparante informatie over rechten en plichten, en de beslechting van geschillen tussen partijen bij een onlinetransactie waar nodig vereenvoudigen; wenst dat internetplatforms hun goederen en diensten aan alle Europese consumenten aanbieden, zonder territoriaal onderscheid te maken tussen de lidstaten;

41.  beklemtoont het belang van een open documentuitwisselingsformule voor elektronische interactie tussen bedrijven en vraagt dat de Commissie stappen neemt om de ontwikkeling en verspreiding hiervan te ondersteunen;

42.  benadrukt het belang van betere begeleiding en toegankelijke financiële faciliteiten voor kmo's om hen te helpen als aanvulling op hun offlinewinkel een internetwinkel op te zetten;

43.  benadrukt het belang van een open en neutrale toegang tot hogesnelheidsinternetverbindingen, aangezien e-handel zonder dergelijke verbindingen onmogelijk is;

44.  benadrukt dat de voltooiing van de interne markt voor e-handel niet beperkt mag blijven tot wetgevingsmaatregelen en controles, maar moet samengaan met een versterking van andere aspecten van het internet, namelijk e-bestuur en e-leren;

45.  onderstreept dat het nodig is de toepassing van de in Verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 vastgelegde regels inzake exclusieve en selectieve distributie te controleren op basis van door de belanghebbende partijen en nationale mededingingsinstanties verstrekte marktinformatie, en deze regels indien nodig te herzien om de belemmeringen voor onlineverkoop te verminderen; vraagt dat de Commissie voorstellen indient om deze problemen vóór eind 2011 aan te pakken;

46.  vraagt de Commissie de privacy van consumenten te vergroten en ervoor te zorgen dat alle gegevens over consumenten, met inbegrip van aankoop- en kijkgegevens, de consumenten op verzoek ter beschikking worden gesteld en dat leveranciers deze gegevens gedurende een volgens de EU-wetgeving aanvaarde periode bewaren;

47.  roept de Commissie ertoe op toe te werken naar de ontwikkeling van regels en normen die ervoor moeten zorgen dat de niet-interoperabiliteit van software op commerciële websites en socialenetwerksites consumenten niet belet hun aankoopopties te wijzigen;

48.  onderstreept het belang van de elektronische handtekening en de publieke sleutelinfrastructuur (PKI) voor pan-Europese, veilige e-overheidsdiensten en verzoekt de Commissie een toegangspoort voor Europese valideringsinstanties (European Validation Authorities Gateway) op te zetten om de grensoverschrijdende interoperabiliteit van elektronische handtekeningen te waarborgen;

49.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om, gelet op de noodzaak het volledige potentieel van de gemeenschappelijke markt te realiseren, ervoor te zorgen dat tegen 2015 minstens 50% van alle openbare aanbestedingsprocedures elektronisch wordt afgehandeld, overeenkomstig het actieplan van de ministeriële conferentie over e-bestuur in 2005 in Manchester;

50.  is van oordeel dat mobiele handel (m-handel) een belangrijk bestanddeel van e-handel kan zijn en miljoenen Europese burgers die wel mobiele telefoons, maar geen pc gebruiken, kan bereiken, en aldus de convergentie van internet en mobiele technologieën en de leidende rol van de EU op het gebied van mobiele communicatie kan bevorderen;

51.  is van mening dat de ontwikkeling en bevordering van gemeenschappelijke, technisch open en operationele specificaties en normen (voor compatibiliteit, interoperabiliteit, toegankelijkheid, veiligheid, logistiek, levering, enz.) de grensoverschrijdende e-handel zullen vergemakkelijken door de consument, en met name de kwetsbare en onervaren computergebruikers, te ondersteunen en door de operationele, technische, culturele en linguïstische barrières tussen de verschillende lidstaten te overbruggen;

52.  erkent dat de ontwikkeling van een interne markt voor m-handel waar consumentenrechten, de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van minderjarige klanten kunnen worden gegarandeerd, bijzondere juridische uitdagingen met zich meebrengt; verzoekt de Commissie deze kwestie grondig te onderzoeken;

53.  onderstreept dat het nodig is de leveringsketen in de e-handel doorzichtiger te maken, zodat de consument altijd de identiteit van de leverancier kent, alsook de naam van het bedrijf van de leverancier, zijn geografische adres, contactgegevens en belastingsregistratienummer, en weet of hij een tussenpersoon of een eindleverancier is, wat in het bijzonder van belang is in het kader van onlineveilingen;

54.  roept de Commissie op om heldere normen vast te stellen waaraan grensoverschrijdende e-handel op EU-niveau dient te voldoen, met inbegrip van bijvoorbeeld de verplichting voor handelaren om hun klanten en overheidsinstanties kosteloos eenvoudig, rechtstreeks en permanent toegang te verschaffen tot informatie met betrekking tot de naam en het registratienummer van de handelaar of dienstverlener, de prijzen van geboden goederen of diensten en eventuele aanvullende leveringskosten die in rekening kunnen worden gebracht;

55.  verzoekt de Commissie het voorschrift in te voeren dat ondernemingen die vrijwillig standaardcontracten en gestandaardiseerde algemene contractvoorwaarden gebruiken, verplicht zijn daarvan afwijkende contractbepalingen duidelijk aan te geven;

56.  is van oordeel dat de regels voor overeenkomsten op afstand ook van toepassing moeten zijn op contracten tussen consumenten en professionele handelaren in het kader van onlineveilingtransacties en verzoekt de Commissie de regels met betrekking tot specifieke contracten op afstand voor toeristische dienstverlening (vliegtickets, verblijf in hotels, huur van voertuigen, vrijetijdsdiensten enz.) die individueel via het internet worden geboekt, nader te bestuderen en evalueren;

57.  verzoekt de Commissie de regels inzake (rechtstreekse of onrechtstreekse) klantenwerving via het internet in andere lidstaten te verduidelijken;

Verbetering van de wettelijke bescherming van de gebruiker bij grensoverschrijdende handel

58.  dringt aan op de invoering van een verplichte externe audit voor bepaalde, specifieke soorten elektronische diensten waar de noodzaak van volledige veiligheid, bescherming van persoonsinformatie en -gegevens, en dergelijke groter is (bv. in het geval van elektronisch bankieren);

59.  beklemtoont dat gebruikers (consumenten en verkopers) rechtszekerheid nodig hebben wanneer ze online zaken doen, en is ingenomen met de suggestie van de Commissie in haar mededeling „Een digitale agenda voor Europa” om de regels met betrekking tot de beperkte aansprakelijkheid voor diensten op het gebied van de informatiemaatschappij aan te passen aan de richtlijn betreffende e-handel (zie voetnoot 13 in de mededeling);

60.  verzoekt de Commissie zich in te spannen om rechtszekerheid te creëren en de ernstige versnippering tegen te gaan die bestaat op het gebied van de vereffening en de rechtsmacht van de lidstaten bij het uploaden van media-inhoud naar websites;

61.  is van mening dat prioriteit moet worden gegeven aan het wegnemen van de administratieve en regulatorische belemmeringen voor grensoverschrijdende e-handel tegen 2013 door de invoering van uniforme regelgeving voor consumenten en ondernemingen in alle 27 EU-lidstaten waardoor een gunstig digitaal klimaat wordt gecreëerd, zowel ondernemingen als consumenten rechtszekerheid krijgen, procedures worden vereenvoudigd, de kosten van naleving van de voorschriften worden teruggedrongen, oneerlijke concurrentie wordt beperkt en het potentieel van de EU-markt voor e-handel wordt ontsloten; benadrukt in dit verband dat uniforme interpretatie en toepassing van wetgevingsinstrumenten zoals een consumentenrechtenrichtlijn, de richtlijn inzake elektronische handel (2000/31/EG), artikel 20, lid 2, van de dienstenrichtlijn (2006/123/EG) en de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken (2005/29/EG) van groot belang kunnen zijn; verzoekt de Commissie derhalve verder te gaan met haar lopende evaluatie van het communautaire acquis dat betrekking heeft op de digitale gemeenschappelijke markt en met voorstellen te komen voor gerichte wetgevingsmaatregelen inzake belangrijke belemmeringen;

62.  is van mening dat om het consumentenvertrouwen te vergroten mechanismen voor markttoezicht, transparantie van de regels en handhaving van doorslaggevend belang zijn, daar consumptieve uitgaven een belangrijk element zullen vormen in het economisch herstel; is van mening dat aan overheidsinstanties de middelen ter beschikking moeten worden gesteld om onwettige handelspraktijken te onderzoeken en deze uiteindelijk een halt toe te roepen; verzoekt de Commissie om de ontwikkeling van een Europees systeem voor vroegtijdige waarschuwing, met inbegrip van een gegevensbank, ter bestrijding van frauduleuze praktijken op de digitale markt; verzoekt de Commissie Rapex (het systeem voor snelle waarschuwing) zo nodig te moderniseren; benadrukt dat dergelijke initiatieven in overeenstemming moeten zijn met de regels voor gegevensbescherming;

63.  dringt er bij de overheid op aan dat zij met spoed optreedt tegen malafide websites door meer aandacht te schenken aan consumentenrechten, met inbegrip van maatregelen tot invoering van labels voor veilige en betrouwbare websites, en door ervoor te zorgen dat bedrijven die reclamediensten aanbieden geen reclame voor illegale websites maken;

64.  is van oordeel dat het vertrouwen van de consument kan worden vergroot door normen en gedragscodes die het aanbieders van onlinediensten mogelijk maken op de snel veranderende technologische ontwikkelingen in te spelen;

65.  benadrukt dat de regels inzake gegevensbescherming bij persoonsgerichte reclame en het opstellen van gebruikersprofielen moeten worden geëerbiedigd;

66.  onderstreept dat de EU-regelgeving inzake gegevensbescherming uniform moet worden geïnterpreteerd teneinde voor een betere gegevensbescherming te zorgen en het vertrouwen van de consument in onlinebetalingssystemen te vergroten;

67.  is van oordeel dat een verbetering van de consumentenbeschermingsregelingen in de gehele EU het vertrouwen van de consument in grensoverschrijdende onlinetransacties kan vergroten, met inbegrip van bescherming tegen fraude met kredietkaarten;

68.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat er niet de hand wordt gelicht met een consequente handhaving van het auteursrecht op het gebied van e-handel;

69.  is van mening dat het grensoverschrijdend zoeken en adverteren op internet consumenten en handelaren van betere informatie zou moeten voorzien en hun beter in staat zou moeten stellen vergelijkingen te maken en aanbiedingen op te sporen; is in dit verband bezorgd over mogelijke concurrentievervalsing waarmee consumenten en ondernemers in sommige EU-lidstaten geconfronteerd kunnen worden; dringt er bij de Commissie op aan om, in samenwerking met de industrie, de tekortkomingen van zoek- en advertentie-instrumenten aan te pakken en de grensoverschrijdende werking ervan te stimuleren, bijvoorbeeld door .eu-domeinen te bevorderen;

70.  verzoekt de Commissie er door monitoring op toe te zien dat de coherente toepassing van het auteursrecht niet ontdoken wordt in de e-handel;

71.  verzoekt de Commissie het initiatief te nemen en zo spoedig mogelijk een effectbeoordeling te maken van de meest adequate methode voor de aanpak van het probleem van de auteursrechtheffingen, met inbegrip van de mogelijkheid auteursrechten te heffen wanneer het product voor het eerst in de EU op de markt wordt gebracht, aangezien de belanghebbenden hierover geen overeenstemming kunnen bereiken;

72.  deelt de mening van de Commissie dat alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen, zoals bemiddeling en arbitrage of geschillenbeslechting buiten de rechter om, voor de consument een handige en aantrekkelijke keuze kunnen zijn; stelt vast dat sommige privéondernemingen, zoals onlineplatforms, met succes initiatieven hebben genomen ter bevordering van het consumentenvertrouwen, waarbij zij interne mechanismen voor geschillenbeslechting gebruiken; dringt er bij de lidstaten op aan de ontwikkeling van alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen aan te moedigen om het niveau van consumentenbescherming te verhogen en de naleving van de wetgeving te optimaliseren; wijst op de positieve ervaringen die met Solvit en het netwerk van Europese consumentencentra zijn opgedaan; dringt aan op de oprichting van een Europees informatiecentrum voor e-consumenten dat gedetailleerd advies en informatie biedt over rechten en plichten op de digitale markt, maar onderstreept dat dergelijke mechanismen een aanvulling moeten zijn op en geen vervanging mogen zijn van wettelijke of bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen;

73.  wijst erop dat het van belang is het huidige lage niveau van consumentenvertrouwen in grensoverschrijdende transacties op te vijzelen door de grensoverschrijdende toepassing van bestaande regelgeving voor onlinetransacties te versterken, de slagkracht van consumentenbeschermingsautoriteiten te vergroten, de samenwerking tussen overheidsinstanties te bevorderen en efficiënte mechanismen in te stellen voor markttoezicht en -controle, behandeling van klachten en geschillenbeslechting in de gehele EU;

74.  bepleit gebruikmaking van alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen met de mogelijkheid van een onlineprocedure die terstond toegankelijk is via het Europese e-justitieportaal zodra dat beschikbaar is;

75.  onderstreept dat het nodig is regels te ontwikkelen en te standaardiseren die voorzien in een hoog niveau van wettelijke bescherming van minderjarigen, en moedigt de lancering aan van voorlichtings- en opleidingscampagnes voor ouders, docenten en voogden ten einde hen bewust te maken van hun verantwoordelijkheid om kinderen bij te brengen welke risico's aan het gebruik van onlinehandel verbonden zijn en van het belang om toe te zien op het gebruik van het internet door kinderen;

76.  vraagt dat de Commissie en de lidstaten snel actie ondernemen tegen illegale onlinediensten die de regels inzake consumentenbescherming, bescherming van minderjarigen, auteursrecht en belasting alsook de meeste andere geldende wetten niet naleven;

77.  benadrukt het feit dat de risico's als gevolg van de aanbieding van illegale producten op internet, met name nagemaakte geneesmiddelen en gezondheidsproducten, zorgvuldig moeten worden vermeden door de bevordering van kennis op het gebied van gezondheid en het gebruik van specifieke websites met een .eu-domeinnaam om de aandacht te vestigen op misleidende informatie;

78.  dringt erop aan dat de Commissie met een voorstel komt voor adequate acties of sancties voor de aanpak van e-handel in namaakgoederen en -geneesmiddelen, met inbegrip van labels voor veilige en betrouwbare websites zoals een certificeringssysteem voor erkende apotheken;

79.  wijst erop dat ambtenaren en gerechtelijke instanties naar behoren moeten worden geïnstrueerd en opgeleid met betrekking tot consumentenbeschermingsvoorschriften van de EU;

Een strategie voor „e-vertrouwen” om het vertrouwen van de gebruikers van e-handel te vergroten

80.  dringt aan op één enkel rechtsinstrument dat alle momenteel van kracht zijnde teksten omvat, ter verduidelijking van de regels voor e-handel; is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende consumentenrechten en vraagt, waar nodig, om een passende mate van harmonisering van bepaalde aspecten van het consumentenverbintenissenrecht, vooral wat de behandeling van bepaalde soorten aanspraken op schadevergoeding betreft; is van mening dat hierbij ook andere richtlijnen betrokken dienen te worden, zoals de richtlijnen over handel op afstand in financiële diensten en e-handel;

81.  verzoekt de Commissie na te gaan of de totstandbrenging van een portaal voor e-handel onder toezicht van de Commissie en met inbreng van belanghebbenden en lidstaten er beter toe kan bijdragen dat best practices en informatie verspreid worden zodat het vertrouwen van de consumenten en de grensoverschrijdende e-handel toenemen;

82.  verzoekt de Commissie het onderzoek naar de redenen waarom consumenten weigeren aan e-handel te doen, voort te zetten, met het oog op de opstelling van efficiënte richtsnoeren voor gepaste wetgeving, en stelt voor een „scorebord” voor e-handel in het leven te roepen om een beeld te krijgen van het gedrag van de onlineconsument en de factoren te identificeren die de keuzes van deze consument beïnvloeden en bepalen;

83.  erkent dat burgers zullen aarzelen om te communiceren, vrij hun mening te uiten en transacties aan te gaan als zij onvoldoende vertrouwen hebben in het juridische kader van de nieuwe digitale ruimte; overwegende dat de waarborging en naleving van fundamentele rechten in deze context een essentiële voorwaarde is voor het vertrouwen van de burger; overwegende dat het waarborgen van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (IER) en andere rechten een essentiële voorwaarde is voor het vertrouwen van het bedrijfsleven;

84.  verzoekt de Commissie een einde te maken aan de verplichting om over een offlinewinkel te beschikken alvorens onlineverkoop mogelijk is, aangezien deze voorwaarde de onlineverkoop in grote mate belemmert;

85.  wijst erop dat het voor de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende e-handel van belang is dat, binnen de grenzen van het communautair acquis, een coherent EU-kader voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten wordt vastgesteld, de strijd tegen illegale en vervalste waren wordt opgevoerd en de Europese consument bewuster wordt gemaakt van deze zaken;

86.  wijst op de noodzaak wetgeving in te voeren die geldt voor alle elektronische transacties, hetgeen van essentieel belang is om de rechten van gebruikers van elektronische handelsdiensten te beschermen;

87.  dringt erop aan dat binnen de kaderprogramma's voor onderzoek innovatieve onderzoeksprojecten worden ontwikkeld die gericht zijn op de bevordering en harmonisering van de Europese markt voor e-handel, door het vertrouwen, de positie en de keuzemogelijkheden van de consument in de digitale omgeving te versterken;

88.  pleit voor efficiënt toezicht op de juridische, technische en economische ontwikkelingen op het gebied van e-handel en wijst op de noodzaak van een effectbeoordeling van alle besluiten die betrekking hebben op de digitale interne markt en de informatiemaatschappij; is van mening dat een „e-handelscorebord” voor de beoordeling van de Europese onlinemarktomgeving hiervoor een nuttig instrument zou zijn;

89.   is van oordeel dat het consumentenvertrouwen kan worden vergroot door de obstakels voor grensoverschrijdende e-handel weg te nemen en tegelijk een maximaal niveau van consumentenbescherming te handhaven, en dat het consumentenvertrouwen kan worden aangemoedigd via Europese autoriteiten of keurmerken die vertrouwen genieten en die de betrouwbaarheid en kwaliteit van op de grensoverschrijdende elektronische markt aangeboden producten waarborgen; is van mening dat de Commissie een duurzaam Europees keurmerk moet invoeren, met duidelijke, transparante en gecontroleerde voorschriften; wenst dat dit Europees keurmerksysteem ondersteund wordt met een normencontrole- of normenhandhavingsmechanisme, zoals in sommige lidstaten al het geval is op nationaal vlak; erkent dat een grensoverschrijdend Europees keurmerksysteem alleen kan werken indien er EU-wetgeving bestaat waarop het Europese keurmerk kan worden gebaseerd; is van mening dat een Europees keurmerksysteem aan een grondige effectbeoordeling moet worden onderworpen en in samenwerking met de bestaande keurmerken in de lidstaten moet worden toegepast;

90.  onderstreept dat het van belang is om pan-Europese logo's, keurmerken en kwaliteitsaanduidingen te bevorderen die de consument kunnen helpen serieuze onlinehandelaren te herkennen, en om beste praktijken te belonen en innovatie aan te moedigen om zo EU-bedrijven te ondersteunen bij hun inspanningen om de thuismarkt te overstijgen;

91.  onderstreept dat in een digitale omgeving waarin de koper en verkoper zich niet op dezelfde plaats bevinden en de koper nauwelijks de mogelijkheid heeft om de fysieke kenmerken van het product te beoordelen, de toegang tot nauwkeurige en duidelijke informatie essentieel is voor de transparantie;

92.  benadrukt de inspanningen van de Commissie en de nationale regelgevende instanties in de postsector om de derde richtlijn inzake postdiensten (2008/6/EG) correct en tijdig ten uitvoer te leggen in de 27 lidstaten, met als doel een toename van de mededinging, lagere prijzen en betere dienstverlening, en bijgevolg ook betere voorwaarden voor de levering van goederen die via grensoverschrijdende e-handel gekocht zijn; beklemtoont voorts dat het belangrijk is om te zorgen voor de beschikbaarheid van verzekeringsdiensten voor wat het leveren van pakjes betreft;

93.  vraagt om de invoering van een programma en de benutting van bestaande financiële instrumenten voor projecten ter verbetering van het consumentenvertrouwen in e-handel, waaronder voorlichtings- en informatiecampagnes, zowel op Europees als op nationaal niveau, en projecten voor het in de praktijk controleren van onlinediensten (zoals „mystery shopping”); onderstreept dat er online-instrumenten moeten worden ontwikkeld om consumenten voorlichting te geven over e-handel en nieuwe digitale technologie (voornaamste rechten van internetconsumenten, e-handel, regels inzake gegevensbescherming enzovoort), zoals het Dolceta-project (Development of On-Line Consumer Education Tools for Adults), zodat de burgers hun digitale vaardigheden kunnen verbeteren, hun kennis betreffende hun rechten en plichten kunnen vergroten en van de voordelen van e-handel in een digitale samenleving kunnen genieten;

94.  is van mening dat het vertrouwen van de consument verder kan worden versterkt door het vertrouwen van het publiek in de digitale omgeving zeker te stellen, door in te spelen op de bezorgdheid over de bescherming van persoonsgegevens, door verzameling van gegevens en gedragsgericht adverteren te reguleren, en door het consumentenbewustzijn te vergroten door middel van voorlichtings- en informatiecampagnes; dringt er bij de Commissie op aan met een voorstel te komen om de richtlijn betreffende gegevensbescherming aan te passen aan de huidige digitale omgeving;

95.  benadrukt dat het noodzakelijk is de toeleveringsketen en de bepalingen en voorwaarden voor grensoverschrijdende e-handel eenvoudiger en transparanter te maken door regelgeving vast te stellen op het gebied van misleidende of onvolledige informatie inzake consumentenrechten, totale kosten en contactgegevens van handelaren, en door beste en eerlijke praktijken, aanbevelingen en richtsnoeren voor webshops te bevorderen; erkent dat de EU zich op dit vlak heeft ingespannen om de voorwaarden en prijzen van luchtvaarttarieven te verduidelijken, een positief voorbeeld dat navolging verdient;

96.  benadrukt het belang van een snelle en doeltreffende tenuitvoerlegging van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit, die in juni 2010 operationeel wordt, hetgeen een nieuwe impuls kan vormen voor de bevordering van online-ondernemingen, met name onder mensen die onlangs hun baan zijn kwijtgeraakt;

97.  is van oordeel dat media- en computerkennis en -bewustzijn van cruciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de Europese digitale omgeving; vraagt daarom dat een „Actieplan voor digitale kennis en inclusie” in de EU en de lidstaten wordt opgezet, dat met name de volgende elementen omvat: specifieke cursussen in digitale vaardigheden voor werklozen en groepen die uitgesloten dreigen te raken, stimulansen voor initiatieven in de particuliere sector om cursussen in digitale vaardigheden te organiseren voor alle werknemers, een Europees „Be smart online!”-initiatief om alle studenten, met inbegrip van mensen die aan „een leven lang leren” doen of een beroepsopleiding volgen, vertrouwd te maken met veilig gebruik van ICT en internetdiensten, en een gemeenschappelijke Europese regeling voor ICT-certificatie;

98.  is verheugd over de belofte van de Commissie om tegen 2012 een code op te stellen met in de EU geldende onlinerechten, waarin de bestaande rechten van de internetgebruiker in de EU op duidelijke en toegankelijke manier worden samengevat, en deze code aan te vullen met een jaaroverzicht van inbreuken op de wetgeving inzake de bescherming van de internetconsument en van aangepaste handhavingsmaatregelen, dit alles in samenwerking met het Europese netwerk van agentschappen voor de bescherming van de consument;

99.  is van mening dat de ontwikkeling van gedragscodes voor zelfregulering door handels-, beroeps- en consumentenverenigingen en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van het verslag van het Parlement over „Een nieuwe digitale agenda voor Europa: 2015.eu”, waarin wordt aangedrongen op een Europees handvest van burger- en consumentenrechten in de digitale omgeving en de ontwikkeling van een „vijfde vrijheid” met het oog op het vrije verkeer van inhoud en kennis, het vertrouwen van de consument in e-handel zullen versterken, aangezien de rechten en plichten van alle deelnemers aan de informatiemaatschappij hierdoor verduidelijkt zullen worden;

100.  vraagt de Commissie snel te werk te gaan en in 2012 verslag uit te brengen over de vorderingen die zij heeft gemaakt op het vlak van de opheffing van de tien obstakels voor grensoverschrijdende e-handel die vermeld staan in haar mededeling van 22 oktober 2009 over de grensoverschrijdende elektronische handel tussen ondernemingen en consumenten in de EU (COM(2009)0557); vraagt de Commissie en de lidstaten met behulp van zowel wetgevende als niet-wetgevende middelen een hoog niveau van consumentenbescherming in de e-handel te waarborgen en de obstakels weg te nemen die de ontwikkeling van e-handel in de weg staan, zoals vermeld in de mededeling van de Commissie van 2010 over de digitale agenda en in de mededeling van de Commissie van 2009 over de grensoverschrijdende elektronische handel tussen ondernemingen en consumenten in de EU; verzoekt de Commissie een dialoog in te stellen tussen belanghebbende partijen en de VS, met als doel de mogelijkheden voor de totstandbrenging van een trans-Atlantische elektronische markt te onderzoeken;

o
o   o

101.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0046.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0047.
(3) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 112.
(4) PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 370.
(5) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.
(6) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 21.
(7) PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 109.
(8) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 247.
(9) PB L 271 van 9.10.2002, blz. 16.
(10) http://www.un.or.at/unictral.


Onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart ***I
PDF 211kWORD 67k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 september 2010 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (COM(2009)0611 – C7-0259/2009 – 2009/0170(COD))
P7_TA(2010)0321A7-0195/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2009)0611),

–  gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 80, lid 2, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0259/2009),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Parlement en de Raad over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665),

–  gelet op artikel 294, lid 3, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 mei 2010(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming van 4 februari 2010(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 30 juni 2010 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0195/2010),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen van de lidstaten.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 september 2010 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG

P7_TC1-COD(2009)0170


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EU) nr. 996/2010)

(1) Nog niet in het Publicatieblad gepubliceerd.
(2) PB C 132 van 21.5.2010, blz. 1.


Veiligstelling van de aardgasvoorziening ***I
PDF 209kWORD 81k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 september 2010 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen tot veiligstelling van de aardgasvoorziening en houdende intrekking van Richtlijn 2004/67/EG (COM(2009)0363 – C7-0097/2009 – 2009/0108(COD))
P7_TA(2010)0322A7-0112/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2009)0363),

–  gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0097/2009),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665),

–  gelet op artikel 294, lid 3, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 januari 2010(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 25 juni 2010 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0112/2010),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 september 2010 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende intrekking van Richtlijn 2004/67/EG van de Raad

P7_TC1-COD(2009)0108


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EU) nr. 994/2010)

BIJLAGE

Verklaring van de Commissie betreffende maatregelen voor de veiligstelling van de aardgasvoorziening op lange termijn, inclusief de diversificatie van de gasvoorzieningsbronnen en -routes, regionale samenwerking en internationale samenwerking op het gebied van energie-efficiëntie

De Commissie onderstreept dat de diversificatie van de gasvoorzieningsbronnen en -routes voor de Unie essentieel is om de gasvoorzieningszekerheid van de lidstaten afzonderlijk en de Unie in haar geheel te waarborgen.

De Commissie, die de behoefte onderkent om een strategie voor het veilig stellen van de aardgasvoorziening op lange termijn te ontwikkelen, zal tegen eind 2010 een alomvattend energie-infrastructuurpakket vaststellen met een evaluatie van de prioriteiten voor de ontwikkeling van de gasinfrastructuur in de komende decennia en van de vooruitgang die is geboekt op het gebied van de in de tweede strategische energiebeleidsevaluatie aangemerkte prioriteiten. Binnen het energie-infrastructuurpakket zal worden aangegeven met welke instrumenten en maatregelen stimulansen kunnen worden gegeven voor investeringen in gasinfrastructuur, inclusief met name de diversificatie van de gasvoorzieningsroutes, de integratie van „gaseilanden”, faciliteiten voor vloeibaar aardgas (LNG) en opslagcapaciteit.

De Commissie ondersteunt ook de nauwe samenwerking, in het kader van regionale initiatieven, van alle belanghebbenden op alle niveaus – de lidstaten, de onafhankelijke regelgevende instanties, de gassector zelf en de consument. In 2010 zal de Commissie een mededeling betreffende dergelijke regionale initiatieven publiceren waarin zal worden aangegeven hoe bestaande regionale samenwerkingsinitiatieven het best kunnen worden opgezet en verder uitgebouwd. Een nauwe regionale samenwerking is essentieel om een ten volle functionerende interne energiemarkt tot stand te brengen. De mededeling betreffende regionale initiatieven zal ook voorstellen bevatten inzake gemeenschappelijke doelstellingen en beste praktijken.

Tot slot erkent de Commissie dat energie-efficiëntie zeer belangrijk is om de energievoorzieningszekerheid op lange termijn te waarborgen. De Commissie zal voortgaan met de ontwikkeling van een nauwe samenwerking met derde landen teneinde energie-efficiëntie te bevorderen door de uitwisseling van informatie over energiebesparingsstrategieën, onderzoek inzake energie-efficiënte technologieën en de uitwisseling van beste praktijken. Dit zal gebeuren via het Internationaal Partnerschap voor samenwerking inzake Energie-efficiëntie en via bilaterale overeenkomsten.

Verklaring van de Commissie betreffende de mededinging in verband met overweging 45

De Commissie is van mening dat de verwijzing in overweging 45 inzake verstoring van de mededinging betrekking heeft op alle vormen van beperking van de mededinging, inclusief met name beperkende contractuele clausules, zoals clausules betreffende de bestemming.

De Commissie bevestigt tevens dat de toepassing van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de in overweging 45 bedoelde voorwaarden waar passend zal worden verzekerd door de Commissie of door één of meer van de bevoegde mededingingsautoriteiten van de lidstaten, in lijn met de bepaling van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad. van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag(2).

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(2) PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.


Overnameovereenkomst tussen de Europese Unie en Pakistan ***
PDF 202kWORD 34k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 september 2010 inzake het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Pakistan betreffende de overname van illegaal verblijvende personen (05942/2010 – C7-0264/2009 – 2009/0036(NLE))
P7_TA(2010)0323A7-0231/2010

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Pakistan betreffende de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven (08793/2009),

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2009)0106),

–  gelet op artikel 63, eerste alinea, punt 3, letter b), artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, en artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0264/2009),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665),

–  gezien het ontwerp voor een besluit van de Raad (05942/2010),

–  gelet op artikel 79, lid 3, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, letter a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 81 en artikel 90, lid 8, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0231/2010),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij de onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Islamitische Republiek Pakistan.

BIJLAGE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE

De Commissie wijst erop dat lidstaten uit hoofde van het EU-recht dienen te waarborgen dat onderdanen van derde landen die aanwezig zijn op het grondgebied van de lidstaten internationale bescherming kunnen aanvragen indien zij dat wensen en dat in het bijzonder het Verdrag, de asielkwalificatierichtlijn en de terugkeerrichtlijn duidelijk aangeven dat lidstaten het beginsel van niet-uitzetting dienen na te leven, overeenkomstig hun internationale verplichtingen.

De Commissie wijst er tevens op dat op de lidstaten in het bijzonder de verplichting rust om in alle gevallen te waarborgen dat er geen terugzending plaatsvindt in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en artikel 19 van het Handvest van de grondrechten van de EU, dat de lidstaten verplicht erop toe te zien dat iemand niet wordt teruggezonden indien hij of zij bij terugkeer naar een land van herkomst of doorreis waarschijnlijk ernstige gevaar loopt.

Pakistan heeft op bepaalde momenten ruim 3 miljoen vluchtelingen opgevangen die gevlucht waren voor het conflict in Afghanistan, en heeft daarmee meer dan enig ander lid van de VN bijgedragen aan de opvang van vluchtelingen. De Commissie erkent dat Pakistan op dit gebied een zeer belangrijke bijdrage heeft geleverd, maar wil toch bij Pakistan blijven aandringen op ratificatie van het Vluchtelingenverdrag van Genève (VN-Verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals aangevuld bij het Protocol van 1967).

De Commissie zal het Europees Parlement geregeld informatie verschaffen over alle door de EU gesloten overnameovereenkomsten. Dit houdt met name in dat de Commissie:

   elke zes maanden bij het EP verslag zal uitbrengen over de tenuitvoerlegging van de door de EU gesloten overnameovereenkomsten, met specifieke aandacht voor de lopende werkzaamheden van de gemengde overnamecomités,
   contacten zal leggen met relevante internationale organisaties die actief zijn in Pakistan, teneinde zoveel mogelijk informatie te verzamelen over de situatie van personen die naar Pakistan zijn teruggekeerd (zowel Pakistani als in voorkomend geval onderdanen van derde landen) uit hoofde van de overeenkomst met de EU.


Handel en economische betrekkingen met Turkije
PDF 200kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 september 2010 betreffende handel en economische betrekkingen met Turkije (2009/2200(INI))
P7_TA(2010)0324A7-0238/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien het voortgangsverslag 2009 van de Commissie inzake Turkije (SEC(2009)1334),

–  gelet op de overeenkomst van 12 september 1963 waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije,

–  gelet op het aan die overeenkomst gehechte aanvullend protocol van 23 november 1970 en met name op artikel 41, lid 1, daarvan („standstill-clausule”),

–  gezien Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije van 19 september 1980,

–  gezien Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (96/142/EG),

–  gezien de arresten van het Europese Hof van Justitie betreffende de vier fundamentele vormen van verkeer, met name in de zaken Demirel, Sevince, Savas, Abatay-Sahin, Tum-Dari en Soysal,

–  gezien de laatste WTO-evaluatie van het handelsbeleid van Turkije, gepubliceerd in 2007,

–  onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties met betrekking tot Turkije,

–  gezien de analyse van de Beleidsafdeling extern beleid inzake het jaarprogramma 2009 voor Turkije uit hoofde van het pretoetredingsinstrument (IPA) in het kader van het uitbreidingspakket 2009,

–  gezien de conclusies van de Raad van 11 december 2006,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A7-0238/2010),

A.  overwegende dat de douane-unie met Turkije een van de meest vooruitstrevende en nauwste handelsrelaties vormt die de EU met een derde land onderhoudt,

B.  overwegende dat Turkije, volgens de statistieken van de Wereldbank, qua omvang de zeventiende economie ter wereld is en de zesde economie van Europa vormt, waarbij industriële goederen meer dan 90% van ´s lands export vertegenwoordigen; overwegende dat Turkije in 2008 als ontvanger van DBI de twintigste plaats op de wereldranglijst innam en dat zijn DBI-instroom in dat jaar 18 miljard EUR bedroeg,

C.  overwegende dat Turkije inmiddels de op zes na grootste handelspartner van de EU is en dat de EU de grootste handelspartner van Turkije is,

D.  overwegende dat Turkije in 2009 producten ter waarde van 33,6 miljard EUR naar de EU exporteerde en producten ter waarde van 40,4 miljard EUR vanuit de EU importeerde,

E.  overwegende dat het gemiddelde werkloosheidspercentage in Turkije in 2009 opliep tot een schrikbarende 13%, de jeugdwerkloosheid 24% bedraagt en het laatste armoederapport (2007) laat zien dat 18,56% van de Turkse bevolking onder de armoedegrens leeft,

1.  is ingenomen met het feit dat de handelsbetrekkingen tussen de EU en Turkije zich op een hoog niveau bevinden; dringt er bij Turkije op aan de procedures en de bureaucratie te vereenvoudigen en resterende tarifaire en non-tarifaire belemmeringen weg te nemen; benadrukt het belang van een constructieve dialoog tussen beide partijen met het oog op een verdere verbetering van deze betrekkingen;

2.  herinnert eraan dat het extern optreden van de Unie, met inbegrip van het gemeenschappelijk handelsbeleid, overeenkomstig de gecombineerde lezing van artikel 205 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, is gericht op de bevordering van „(…) de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht”, alsmede op de totstandbrenging van partnerschap met derde landen die bovengenoemde beginselen delen;

3.  verzoekt de Commissie haar betrokkenheid bij en dialoog met Turkije op het gebied van handel te continueren binnen het kader van het Gemengd Raadgevend Comité en het Gemengd Comité van de douane-unie EG-Turkije; moedigt beide partijen aan deze platforms op doeltreffendere wijze te benutten door openstaande geschillen, zoals Turkije´s verbod op de import van rundvlees, levende runderen en afgeleide producten, en de in bepaalde EU-lidstaten toegepaste wegquota voor in Turkije geregistreerde voertuigen, snel op te lossen;

4.  wijst op Turkije´s groeipotentieel op lange termijn en ´s lands specifieke demografische omstandigheden; spoort zowel de EU als Turkije aan om de nodige aandacht te besteden aan de onderlinge verwevenheid van hun economieën, open handels- en investeringsregelingen te blijven hanteren en hun vermogen te behouden om de binnenlandse protectionistische druk te weerstaan, in overeenstemming met de verplichtingen die zij in het kader van diverse internationale platforms zijn aangegaan, en om handelsbeschermende instrumenten te gebruiken overeenkomstig de desbetreffende WTO-voorschriften;

5.  uit zijn zorg over het geringe participatieniveau van vrouwen op de arbeidsmarkt en hun werkzaamheid in de informele sector; spoort Turkije aan arbeidsparticipatie van vrouwen centraal te stellen in zijn economische, sociale en werkgelegenheidsbeleid;

6.  benadrukt de ernst van de jeugdwerkloosheid en het gebrek aan specifieke maatregelen om dit probleem aan te pakken; wijst op een recente studie van de IAO waarin het scheppen van werkgelegenheid in het algemeen en voor vrouwen en jongeren in het bijzonder als de belangrijkste arbeidsmarktuitdaging voor de ontwikkeling van Turkije wordt beschreven; dringt derhalve aan op een werkgelegenheidsstrategie die zich richt op werkgelegenheid voor jongeren in het algemeen en op de situatie van jonge vrouwen in het bijzonder;

7.  is ingenomen met de oprichting van de douane-unie in 1996, die een grotere toegang tot de markt heeft bewerkstelligd en die een groei van het handelsvolume tussen de EU en Turkije naar een hoogtepunt van 100 miljard EUR per jaar in 2008 mogelijk heeft gemaakt;

8.  onderstreept dat de douane-unie zowel industrieproducten als verwerkte landbouwproducten omvat; ziet uit naar de zo spoedig mogelijke opname van landbouwproducten in de douane-unie; is van mening dat de douane-unie kan worden verdiept teneinde er ook andere gebieden zoals de dienstensector en overheidsopdrachten in op te nemen;

9.  betreurt dat volgens het laatste WTO-verslag het door Turkije gehanteerde gemiddelde tarief op landbouwproducten relatief hoog en in sommige gevallen extreem hoog is (het gehanteerde tarief voor graan bedraagt bijvoorbeeld 130%); dringt er bij de Turkse regering op aan om deze barrières substantieel te verkleinen;

10.  verwelkomt de aanpassing van het Turkse douanewetboek aan dat van de EU en in het bijzonder de overname van het stelsel van algemene preferenties (SAP); roept op tot een betere afstemming van de Turkse wetgeving op het acquis communautaire voor wat betreft vrijhandel, het tegengaan van namaak, controles achteraf en vergunningen voor belastingvrije winkels;

11.  betreurt het feit dat Turkije het aanvullend protocol bij de associatieovereenkomst voor het vijfde opeenvolgende jaar niet volledig heeft geïmplementeerd noch alle belemmeringen heeft weggenomen voor het vrije verkeer van goederen; roept Turkije op al zijn uit dit protocol voortvloeiende verplichtingen onverwijld, volledig en op niet discriminerende wijze ten uitvoer te leggen, hetgeen zal bijdragen aan de verdere ontwikkeling van zijn handelsrelaties met alle EU-lidstaten, en wijst er nogmaals op dat het nalaten hiervan ernstige gevolgen kan hebben voor het verdere onderhandelingsproces;

12.  herhaalt dat het essentieel is dat Turkije zijn in het kader van de douane-unie aangegane verbintenissen volledig nakomt; is tevens van mening dat op enkele gebieden, zoals vrijhandelszones en vrijstelling van douanerechten, verdere harmonisering met het acquis communautaire nodig is;

13.  benadrukt dat de douane-unie in grote mate gebaat zou zijn bij herziening van de procedure voor het beslechten van geschillen, hetgeen een snelle en eerlijke oplossing van hangende kwesties mogelijk zou maken;

14.  dringt aan op het wegnemen, in overeenstemming met de WTO-voorschriften, van alle onnodige handelsbelemmeringen tussen de EU en Turkije, met inbegrip van technische belemmeringen, zoals het niet erkennen van certificatie, dubbele toetsing, dubbele controles en verplichte technische regelgeving en normen; roept daarnaast de Commissie op goede praktijken op dit terrein te delen;

15.  geeft zich rekenschap van de moeilijkheden waar Turkije mee kampt bij de sluiting van vrijhandelsovereenkomsten met derde landen, hetgeen schadelijke effecten heeft op de Turkse economie, aangezien vrijhandelsparters van de EU waarmee Turkije nog geen vrijhandelsovereenkomsten heeft kunnen sluiten, unilaterale, preferentiële toegang wordt verschaft tot de Turkse markt; roept de Commissie en de Raad op om Turkije te betrekken bij de effectbeoordeling van toekomstige vrijhandelsovereenkomsten tussen de EU en derde landen en meer informatie te verstrekken over het standpunt van de EU en de stand van zaken bij de onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten; moedigt de Commissie aan om bij de vrijhandelsovereenkomsten rekening te houden met de douane-unie tussen de EU en Turkije;

16. dringt er bij Turkije op aan om de resterende invoervergunningen voor goederen die in strijd zijn met de verplichtingen in het kader van de douane-unie in te trekken, en in te stemmen met de actualisering van Besluit 2/97 van de Associatieraad EG-Turkije betreffende de opheffing van technische handelsbelemmeringen;

17.  is verheugd over de wetgeving betreffende standaardisatie op het gebied van buitenlandse handel die in 2009 door de Turkse regering werd aangenomen; wijst evenwel op de invoering van conformiteitsbeoordelingsprocedures en fysieke douanecontroles; moedigt zowel de EU als Turkije aan om de beginselen van wederzijdse erkenning volledig toe te passen;

18.  dringt er bij Turkije op aan de omslachtige invoerprocedures in te trekken en zijn regeling inzake rechtenvrije contingenten voor verwerkte landbouwproducten aan te passen, aangezien die niet in overeenstemming zijn met de douane-unie;

19.  is ingenomen met de positieve conclusies in de laatste WTO-beoordeling inzake Turkije; spoort de Turkse regering evenwel aan de noodzakelijke maatregelen te nemen om de in deze beoordeling verwoorde aanbevelingen te verwezenlijken en de structurele en wetgevingshervormingen te versnellen;

20. roept Turkije op om de nieuwe voorschriften inzake goede fabricagepraktijken op te schorten aangezien zij de import van bepaalde farmaceutische producten de facto verbieden, alsook om deel te nemen aan internationale initiatieven voor de harmonisatie van procedures en normen voor goede fabricagepraktijken, zoals die van de WHO en de EU, en deze te eerbiedigen;

21.  wijst op de dynamische internationale handelsstrategie van Turkije en de sluiting, tot dusver, van 16 vrijhandelsovereenkomsten; spoort de EU en Turkije aan om samen te werken aan de verdieping van de handelsrelaties met Centraal-Azië;

22.  onderstreept het feit dat 88% van de totale directe buitenlandse investeringen (DBI) in Turkije uit de EU afkomstig zijn; wijst er evenwel op dat het aandeel van directe buitenlandse investeringen in het Turkse BBP relatief gering is;

23.  wijst op de rol van Turkije binnen regionale platforms zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking in het Zwarte Zeegebied, de Handels- en Ontwikkelingsbank voor het Zwarte Zeegebied en het Zuidoost-Europees Samenwerkingsproces; moedigt Turkije aan een leidende rol op zich te nemen bij de bevordering van open en eerlijke handel met voldoende oog voor het sociaal en economisch welzijn en milieubelangen;

24.  wijst op de rol van Turkije in het Middellandse Zeegebied als mede-initiator van het proces van Barcelona en roept Turkije op alle partnerlanden van dit proces volledig te respecteren; benadrukt dat er enorme mogelijkheden liggen om Turkije´s handel in het Middellandse Zeegebied te vergroten;

25.  merkt op dat hoewel de EU nog steeds Turkije´s grootste handelspartner is, Rusland, China, de Verenigde Staten en Iran sinds 2009 tot de voornaamste handelspartners van Turkije behoorden; onderstreept dat het handelsvolume tussen Turkije en de EU gedurende 2009 is afgenomen, terwijl in de eerste twee kwartalen van 2010 een stijgende trend werd waargenomen; wijst er tevens op dat Turkije diversificatie nastreeft op het gebied van zijn handelspartners; verzoekt de Commissie een studie te laten verrichten naar de oorzaken, waaronder wellicht de financiële crisis, en de economische gevolgen van de relatieve afname van het EU-aandeel in Turkije´s buitenlandse handelsvolume;

26.  wijst erop dat Turkije en de EU voor vergelijkbare uitdagingen staan met betrekking tot energievoorziening; onderstreept het belang van het Nabucco-project voor het veiligstellen van de energievoorziening in de EU en vraagt Turkije derhalve het initiatief te nemen tot een spoedige tenuitvoerlegging van de intergouvernementele overeenkomst inzake het Nabucco-project; benadrukt dat het noodzakelijk is om een gemeenschappelijke externe energiestrategie te bepalen en de onderhandelingen over het energiehoofdstuk te openen, hetgeen de samenwerking op het gebied van energie zou versterken; dringt er bij Turkije op aan het Verdrag inzake het Energiehandvest te ratificeren en spoort het land aan te investeren in het enorme potentieel van zijn hernieuwbare energiebronnen;

27.  merkt op dat de terugkerende visumproblemen in verband met procedure 4 van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS 4) het verkeer van Turkse zakenlieden en vrachtwagenbestuurders naar de EU in belangrijke mate beperken; wijst met klem op de opeenvolgende arresten van het Europees Hof van Justitie inzake deze kwestie en roept de Commissie op er zorg voor te dragen dat alle lidstaten deze arresten eerbiedigen; verzoekt de Commissie en de Raad de visumprocedures opnieuw te bekijken, ten einde handelsbelemmeringen weg te nemen;

28.  acht het betreurenswaardig dat de wetgeving die volledige eerbiediging waarborgt van vakbondsrechten overeenkomstig de EU-normen en de desbetreffende overeenkomsten van de Internationale Arbeidsorganisatie, met name wat het organisatie- en stakingsrecht en het recht op collectieve arbeidsovereenkomsten betreft, nog altijd niet is voltooid;

29.  verzoekt Turkije geen discriminerende voorwaarden te hanteren ten aanzien van buitenlandse ondernemingen door Turkse bieders een prijsvoordeel van 15% te geven op het gebied van openbare aanbestedingen; nodigt Turkije uit partij te worden bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) binnen de WTO;

30.  benadrukt dat namaakproducten, met inbegrip van farmaceutische producten en cosmetica, een probleem vormen in de handelsbetrekkingen tussen de EU en Turkije en dat zij Turkije minder aantrekkelijk maken voor directe buitenlandse investeringen; spoort Turkije aan de nieuwe wetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten doeltreffend ten uitvoer te leggen teneinde de handelsbetrekkingen met de EU te bevorderen; onderstreept de noodzaak een beter evenwicht te bewerkstelligen tussen de internationale normen met betrekking tot het recht inzake intellectuele eigendom en binnenlandse economische ontwikkelingsbehoeften;

31.  wijst erop dat het MKB 99% van de Turkse ondernemingen omvat en voorziet in 70% van de arbeidsmogelijkheden in Turkije; spoort Turkije aan de toegang van het MKB tot financiering te verbeteren; verwelkomt Turkije´s negende ontwikkelingsplan dat zich toespitst op O&O-uitgaven die cruciaal zijn om het concurrentievermogen van het MKB te vergroten;

32.  verwelkomt de uitslag van het referendum tot hervorming van de grondwet;

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering van Turkije.


Tenuitvoerlegging van EU-wetgeving tot behoud van de biodiversiteit
PDF 184kWORD 88k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 september 2010 over de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving tot behoud van de biodiversiteit (2009/2108(INI))
P7_TA(2010)0325A7-0241/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie over het biodiversiteitsverlies tegen 2010 − en daarna − tot staan brengen: de ecosysteemdiensten in stand houden in het belang van de mens (COM(2006)0216),

–  gezien de mededeling van de Commissie over de tussentijdse beoordeling van de uitvoering van het biodiversiteitsactieplan van de EG (COM(2008)0864),

–  gezien de mededeling van de Commissie over opties voor een EU-visie en een EU-doel voor biodiversiteit na 2010 (COM(2010)0004),

–  gezien het verslag van de Commissie over de staat van de instandhouding van habitattypes en soorten als vereist in artikel 17 van de habitatrichtlijn (COM(2009)0358),

–  gezien Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand(1) (vogelrichtlijn) en de resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2001(2) over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(3) (habitatrichtlijn),

–  gezien de conclusies van de Raad (Milieu) van 25 juni 2009 over de evaluatie halverwege van de uitvoering van het biodiversiteitsactieplan van de EU/Naar een EU-strategie ten aanzien van invasieve uitheemse soorten,

–  gezien de informele bijeenkomst van de Raad van 26-27 januari 2010 in Madrid waar de zogenoemde „Cibeles”-prioriteiten zijn goedgekeurd en gezien de conclusies van de Raad (Milieu) van 15 maart 2010 over biodiversiteit na 2010 – Visie en doelen voor de EU en de wereld en internationale regeling voor toegang en lastenverdeling,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 25-26 maart 2010, met name paragraaf 14,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 mei 2007 over het tot staan brengen van het verlies aan biodiversiteit tegen 2010(4),

–  gezien de Europese Top van Göteborg in 2001, waar werd overeengekomen als onderdeel van een duurzame ontwikkelingsstrategie het biodiversiteitsverlies tegen 2010 tot staan te brengen,

–  gezien de studie naar de economische aspecten van ecosystemen en biodiversiteit (The Economics of Ecosystems and Biodiversity (TEEB) (http://www.teebweb.org),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Naar een EU-strategie ten aanzien van invasieve soorten” (COM(2008)0789),

–  gezien het Blauwboek van de EU voor een geïntegreerd maritiem beleid (COM(2007)0575 en SEC(2007)1278) en de lopende voorbereidingen voor de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid,

–  gezien de maatregelen ter bevordering van natuurbehoud en biodiversiteit die deel uitmaken van de „gezondheidstest van het GLB” en de kansen die worden geboden door de hervorming van het GLB waarover momenteel wordt gediscussieerd,

–  gezien de bevindingen van onafhankelijke deskundigen in de studie − PE 410.698 − van de beleidsondersteunende afdeling C van 2009 over de tenuitvoerlegging van de habitatrichtlijn van de Raad, in het bijzonder wat betreft de gebrekkige beoordeling van alternatieven voor projecten en van de cumulatieve effecten ervan, het ontoereikende beheer van gebieden en, wanneer voor compenserende maatregelen wordt gekozen, het gebrek aan controle op dergelijke maatregelen en het feit dat deze maatregelen, als ze al worden uitgevoerd, vaak te laat worden uitgevoerd;

–  gezien het feit dat de Verenigde Naties 2010 hebben uitgeroepen tot het Jaar van de biodiversiteit,

–  gezien het resultaat van de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen (COP 15) bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), die van 13 tot 25 maart 2010 in Doha (Qatar) heeft plaatsgevonden,

–  gezien de komende 5e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen waar de partijen bij het protocol van Cartagena over bioveiligheid (COP-MOP 5 ) bijeenkomen en de Conferentie van de partijen (COP 10) bij het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit,

–  gezien verslag nr. 4/2009 van het Europees Milieuagentschap over de vooruitgang op weg naar de Europese biodiversiteitsdoelstelling voor 2010, en met name de bijlage „SEBI 2010 Biodiversiteitsindicator”,

–  gezien het document van de Commissie „Richtsnoeren voor de totstandbrenging van het Natura 2000-netwerk in het mariene milieu - Uitvoering van de habitat- en de vogelrichtlijn” (mei 2007),

–  gezien de EU 2020-strategie,

–  gezien de derde Global Diversity Outlook van de Verenigde Naties,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie visserij en de Commissie verzoekschriften (A7-0241/2010),

A.  overwegende dat de EU-wetgeving een impact moet hebben op de biodiversiteit, zoals dat het geval was met de kaderrichtlijn water (2000/60/EG) en de kaderrichtlijn mariene strategie (2008/56/EG),

B.  overwegende dat uit de mededelingen van de Commissie duidelijk is geworden dat de EU haar biodiversiteitdoelstelling voor 2010 niet heeft gehaald,

C.  overwegende dat uit de gezondheidstest van de in het kader van de habitatrichtlijn beschermde soorten en habitattypes blijkt dat een meerderheid van de soorten en habitattypes zich in een ongunstige staat van instandhouding bevindt, dat het tempo waarin deze uitsterven zorgwekkend hoog is – volgens sommige schattingen is de biodiversiteit in de afgelopen 40 jaar met 30% afgenomen – en dat er geen tekenen zijn dat de drijvende krachten achter het excessieve biodiversiteitsverlies zwakker worden; dat voor de EU belangrijke habitats en soorten mogelijk door de antropogene klimaatverandering worden bedreigd; dat er volgens wetenschappers vele niet-geregistreerde soorten zijn, waardoor het onmogelijk wordt de volle omvang van het biodiversiteitsverlies te meten,

D.  overwegende dat verschillende factoren de EU hebben belet haar doelstelling voor 2010 te halen, zoals het feit dat de voornaamste oorzaken van het biodiversiteitsverlies niet worden onderkend en aangepakt, onvolledige uitvoering van de wetgeving, onvolledige en gebrekkige integratie in het sectorale beleid, onvoldoende wetenschappelijke kennis en lacunes in gegevens, gebrek aan politieke wil, ontoereikende financiële middelen en het ontbreken van aanvullende, op efficiëntie gerichte instrumenten om specifieke problemen zoals invasieve uitheemse soorten aan te pakken,

E.  overwegende dat biodiversiteit, als het natuurlijke kapitaal van de wereld, essentieel is voor het voortbestaan van het menselijk leven op aarde en het welzijn van onze samenlevingen, zowel direct als indirect via de ecosysteemdiensten die daaruit voortkomen; dat biodiversiteit een centrale rol speelt in de wereldwijde strijd tegen honger en voor voedselzekerheid; dat behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit een voorwaarde is voor beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering,

F.  overwegende dat de biologische biodiversiteit de onvervangbare pijler is waarop de ontwikkeling van het mensdom steunt en dat het verlies van die diversiteit en van het daarmee samenhangende natuurlijk erfgoed evenwichtverstorend werkt en leidt tot aanzienlijke economische verliezen en een vermindering van de welvaart in dezelfde orde van grootte als de kosten van het niet optreden tegen de klimaatverandering,

G.  overwegende dat de studie over de economische aspecten van ecosystemen en biodiversiteit („The Economics of Ecosystems and Biodiversity”- TEEB) ook bevestigt dat het biodiversiteitsverlies leidt tot aanzienlijke economische verliezen en een vermindering van de welvaart,

H.  overwegende dat uit een recente Eurobarometerenquête blijkt dat de burgers van de EU grotendeels onbekend zijn met de term biodiversiteit en de gevolgen van biodiversiteitsverlies,

I.  overwegende dat het verdwijnen van soorten de voedselketen kan doorbreken die essentieel is voor het overleven van andere dier- of plantsoorten die van cruciaal belang zijn voor de levensmiddelenproductie, de aanpassing aan de klimaatsverandering, de weerstand tegen invloeden van buitenaf en de instandhouding van genetische waarden,

Algemene opmerkingen

1.  is ernstig bezorgd over het uiterst snelle tempo van het door de mens veroorzaakte biodiversiteitsverlies dat ons, als dit doorgaat zoals in de afgelopen decennia het geval was, tegen 2050 opscheept met een sterk verarmde en onherstelbaar aangetaste natuur en benadrukt dat goedwerkende ecosystemen een basisvoorwaarde voor ons bestaan vormen;

2.   benadrukt dat biodiversiteit de belangrijkste indicator van een goede milieutoestand vormt;

3.  beseft dat het onaanvaardbaar is als het biodiversiteitsverlies niet wordt gestopt, niet alleen uit moreel, maar ook uit ecologisch en economisch oogpunt, aangezien het toekomstige generaties berooft van de ecosysteemdiensten en de welvaartsaspecten van een rijke, natuurlijke biodiversiteit; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve de governance van de biodiversiteit te verbeteren en voor betere naleving daarvan te zorgen, zowel in de interne als in de externe betrekkingen;

4.  beseft bovendien dat er voor een succesvolle bestrijding van de drievoudige crisis – voedsel, biodiversiteitsverlies en klimaatverandering – een coherente aanpak nodig is en een toekomstige biodiversiteitsstrategie van de EU die volledig gecoördineerd is met de strategieën inzake armoede- en hongerbestrijding en met het oog op de afzwakking van en aanpassing aan de klimaatverandering;

5.  erkent dat ngo's een belangrijke rol moeten spelen bij de bescherming van de biodiversiteit, zowel in het besluitvormingsproces als bij het veldwerk en de publieksvoorlichting;

6.  onderstreept dat de vermindering van de welvaart als gevolg van biodiversiteitsverlies volgens lopende studies zoals de TEEB-studie momenteel naar schatting ongeveer 50 miljard EUR per jaar bedraagt (iets minder dan 1% van het BBP) en oploopt tot 14 biljoen EUR of 7% van het geschatte BBP per jaar in 2050;

7.  schaart zich niettemin achter de conclusie van de TEEB-studie dat sprake is van methodologische beperkingen op de meting van de economische waarde van biodiversiteit en dat dit de ethische en intergenerationele aspecten van het biodiversiteitsbehoud niet mag overschaduwen;

8.  is ernstig bezorgd over het feit dat uit de internationale politieke agenda op geen enkele wijze blijkt dat men beseft hoe urgent het is dat het biodiversiteitsverlies tot staan wordt gebracht;

De EU en biodiversiteit

9.  betreurt ten zeerste dat de doelstelling van de EU zoals overeengekomen op de Europese Top van Göteborg in 2001 om het biodiversiteitsverlies tegen 2010 tot staan te brengen, niet is gehaald en deelt de bezorgdheid van veel mensen die een verzoekschrift bij het Europees Parlement hebben ingediend;

10.  is verheugd over de mededeling van de Commissie over de opties voor een EU-visie en een EU-doel voor biodiversiteit na 2010;

11.  is verder verheugd over de conclusies over biodiversiteit van de Raad (Milieu) van 15 maart 2010, waaronder het nieuwe hoofddoel om het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van de ecosysteemdiensten in de EU uiterlijk in 2020 tot staan te brengen en, voor zover dit haalbaar is, ongedaan te maken, onverminderd de natuurlijke verandering van de biodiversiteit, alsook over de conclusies van de Europese Raad van 25-26 maart 2010, waarin wordt verklaard dat de aanhoudende trends van biodiversiteitsverlies en aantasting van het ecosysteem dringend moeten worden omgebogen;

12.  is van mening dat het tot staan brengen van het biodiversiteitsverlies het absolute minimumambitieniveau is dat voor 2020 moet worden gerealiseerd;

13.  wijst op de waardevolle initiatieven die reeds worden ontplooid om de biodiversiteit en de ecosysteemdiensten te herstellen en is van mening dat dergelijke herstelactiviteiten eveneens deel moeten uitmaken van de hoofddoelstelling voor 2020;

14.  is van mening dat een gedegen beoordeling van de ecologische, economische en sociale effecten nodig is in gevallen waarin gegevens ontbreken;

15.  is, gezien het wereldwijde karakter van biodiversiteit en ecosysteemdiensten en van hun cruciale rol bij de verwezenlijking van de wereldwijde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, armoede- en hongerbestrijding en verbetering van de gezondheid en het welzijn van de mens, ervan overtuigd dat de toekomstige EU-strategie ook nieuwe impulsen moet geven aan de internationale inspanningen van de EU om biodiversiteitsverlies tegen te gaan, aangezien studies zoals de TEEB-studie voldoende hebben aangetoond dat dit kosteneffectief en haalbaar is, en zodoende effectiever bijdraagt aan de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling tegen 2015;

16.  onderstreept verder dat als onderdeel van een beleid dat is gericht op bescherming en verbetering van de biodiversiteit een gemeenschappelijk EU-beleid noodzakelijk is om het probleem van de invasieve uitheemse soorten aan te pakken en wijst op het bijzonder nauwe verband tussen vervoerscorridors en de massale binnenkomst van uitheemse soorten;

Natura 2000

17.  erkent dat een volledige en juiste uitvoering van de Natura 2000-wetgeving van groot belang is voor het halen van de doelstellingen van de EU op het gebied van biodiversiteit, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling; acht het in dit verband cruciaal dat de toekomstige samenwerking met landgebruikers bij de tenuitvoerlegging van Natura 2000 fors wordt uitgebreid; benadrukt dat de Natura 2000-aanpak al opmerkelijke resultaten heeft opgeleverd;

18.  verzoekt de Commissie en de lidstaten artikel 6 van de habitatrichtlijn volledig uit te voeren;

19.  blijft zich, ongeacht de positieve en tastbare resultaten die sommige lidstaten hebben bereikt wat betreft de staat van instandhouding van verschillende soorten, zorgen maken over de volledige en zorgvuldige uitvoering van de Natura 2000-wetgeving; dringt er bij de lidstaten op aan meer prioriteit te verlenen aan de tenuitvoerlegging van Natura 2000;

20.  is verheugd over het feit dat het Natura 2000-netwerk 18% van het (land)oppervlak van de EU beslaat en over de snelle vooruitgang die is geboekt bij het formuleren van instandhoudingsmaatregelen of beheersplannen; is ontsteld over het feit dat lidstaten zich niet aan de in de richtlijnen vastgestelde termijnen houden; verzoekt de lidstaten derhalve met klem om met spoed maatregelen te nemen met het oog op een volledige tenuitvoerlegging van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn;

21.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het gebrek aan vooruitgang bij het opzetten van het Natura 2000-netwerk in het mariene milieu en verzoekt de Commissie en de lidstaten vaart te zetten achter de noodzakelijke procedures;

22.  verzoekt de Commissie goedkeuring te hechten aan een model met beschermde mariene gebieden waar milieubehoud en duurzame visserij kunnen samengaan; verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen over de voortgang die de lidstaten boeken bij de tenuitvoerlegging van de habitat- en de vogelrichtlijn, in het bijzonder bij het opzetten van het Natura 2000-netwerk in het mariene milieu, aangezien op dit moment minder dan 10% van de beschermde gebieden een mariene gebied is, alsook over de verslagleggings- en monitoringsverplichtingen van de lidstaten;

23.  wijst erop dat mariene soorten en habitats in de EU-biodiversiteitswetgeving minder bescherming genieten dan landsoorten en -habitats, en verzoekt de Commissie dan ook de tekortkomingen in de wetgeving en bij de toepassing daarvan in kaart te brengen en beschermde mariene gebieden te ontwikkelen waar de economische activiteiten, waaronder de visserij, met meer oog voor de ecosystemen worden beheerd;

24.  wijst er daarnaast op dat de verschillende verdragen inzake de regionale zeeën rond de EU, zoals OSPAR, HELCOM en Barcelona, een belangrijk kader vormen voor de bescherming van de mariene ecosystemen;

25.  is van oordeel dat de lidstaten het recht moeten hebben initiatieven voor het beschermen van de mariene biodiversiteit te nemen die verdergaan dan hetgeen zij uit hoofde van de EU-wetgeving verplicht zijn te doen;

26.  herinnert eraan dat een coherent Natura 2000 alleen tot stand kan komen als de landschappelijke kenmerken die essentieel zijn voor de wilde flora en fauna in stand worden gehouden; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve actief mee te werken aan de instandhouding en ontwikkeling van de aansluiting tussen beschermde gebieden, zowel op het land als op zee, en landbouwgebieden met een grote natuurwaarde;

27.  ondersteunt de bevindingen van het Europees Milieuagentschap dat aangeeft dat „de behoudstatus van soorten en habitats die krachtens de EU-habitatrichtlijn worden beschermd, reden geeft tot zorg” en dat wij niet „al onze inspanningen moeten richten op het behoud van eilanden van biodiversiteit, terwijl wij overal elders natuur verliezen”, aangezien deze overeenkomen met de meningen die vaak tot uiting komen in de verzoekschriften van Europese burgers aan het Europees Parlement;

28.  herinnert de Commissie en de lidstaten aan het feit dat de richtlijn mariene strategie het gebruik van beschermde mariene gebieden niet tot Natura 2000 beperkt, en verzoekt de lidstaten en de Commissie daarom oog te hebben voor en verbindingen tot stand te brengen tussen alle beschermde mariene gebieden, waaronder die welke zijn aangewezen krachtens regionale zeeverdragen, teneinde een coherent en alomvattend netwerk tot stand te brengen;

29.  neemt kennis van het feit dat de milieuwetgeving van de EU onvermijdelijk een bepaalde mate van subsidiariteit meebrengt, maar is bezorgd dat die flexibiliteit door de lidstaten kan worden misbruikt bij de tenuitvoerlegging van die wetgeving; betreurt de opvallende verschillen tussen de lidstaten wat betreft bijvoorbeeld het „externe effect” van de Natura 2000-gebieden, groepsvrijstellingen voor bepaalde „bestaande activiteiten” of de toepassing van het voorzorgsbeginsel; vraagt dat wanneer dergelijke opvallende verschillen worden vastgesteld, ook wordt nagegaan of de lidstaten in kwestie geen toepassingen hanteren die een hypotheek leggen op het effectief bereiken van de beoogde biodiversiteitsdoelstellingen;

30.  verzoekt de Commissie met het oog op deze verschillen tussen de lidstaten zo nodig nadere opheldering over de richtlijnen te verschaffen of richtsnoeren te geven; dergelijke ophelderingen of richtsnoeren worden het best gebaseerd op en/of geïllustreerd met best practices;

31.  wijst op het belang van toepassing van het voorzorgsbeginsel op natuurkwesties die verband houden met de biodiversiteit, overeenkomstig de arresten van het Hof van Justitie;

32.  moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat de milieueffectbeoordelingen en de strategische milieubeoordelingen van voldoende kwaliteit zijn voor wat betreft de biodiversiteitsaspecten, ten einde te garanderen dat de Natura 2000-wetgeving goed wordt uitgevoerd;

33.  verzoekt om aanscherping van de richtlijn inzake milieueffectbeoordeling en een veel striktere interpretatie van de doelstellingen daarvan, ten einde te bewerkstelligen dat er geen netto biodiversiteitsverlies meer plaatsvindt en er waar mogelijk biodiversiteitswinst wordt geboekt; verzoekt tevens om invoering van specifieke voorschriften inzake doorlopend toezicht op de gevolgen van projecten voor de biodiversiteit en op de doeltreffendheid van afzwakkingsmaatregelen, met inbegrip van passende voorschriften inzake toegang tot relevante informatie en inzake handhaving;

34.  is van mening dat betere grensoverschrijdende samenwerking heel goed zou zijn voor het halen van de Natura 2000-doelstellingen;

35.  geeft verder uiting aan zijn bezorgdheid over het gebrek aan grensoverschrijdende samenwerking, wat ertoe kan leiden dat identieke gebieden anders worden benaderd, en benadrukt het nut van versterking van bestaande instrumenten, zoals de Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), die een rechtsinstrument vormt;

36.  dringt er bij de Commissie op aan zich in de toekomstige biodiversiteitstrategie en in het kader van Natura 2000 meer te richten op de ecosysteemdiensten en tegelijkertijd de pogingen om een goede staat van instandhouding van soorten en hun habitats te bewerkstelligen, voort te zetten en te intensiveren;

Integratie in andere beleidsvormen

37.  is ervan overtuigd dat het terrestrische en mariene Natura 2000-netwerk niet het enige EU-instrument voor behoud van de biodiversiteit is, maar dat een meer integrale aanpak nodig is wil het biodiversiteitsbeleid van de EU succesvol zijn;

38.  verzoekt de Commissie derhalve te zorgen voor verdere integratie van de biodiversiteit in de andere beleidsvormen van de EU – zoals landbouw, bosbouw, visserij, regionaal beleid en cohesie, energie, industrie, vervoer, toerisme, ontwikkelingssamenwerking, onderzoek en innovatie – zodat deze elkaar onderling versterken, en verzoekt de Commissie het sectorale beleid en het begrotingsbeleid van de EU beter op elkaar te laten aansluiten; benadrukt dat er in het bijzonder op het gebied van het gemeenschappelijke landbouwbeleid, het regionaal beleid en het gemeenschappelijke visserijbeleid grote kansen bestaan om meer in te zetten op biodiversiteit;

39.  wijst op het verband tussen waterbeheer en biodiversiteit als essentiële factor voor het behoud van het leven en voor duurzame ontwikkeling;

40.  is van mening dat landbouwers een cruciale rol spelen bij de verwezenlijking van de EU-biodiversiteitsdoelstelling; wijst erop dat in 1992 een aanzet is gegeven tot integratie van bescherming van biodiversiteit in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en dat vervolgens de hervorming van 2003 maatregelen heeft geïntroduceerd zoals het stelsel van randvoorwaarden, de bedrijfstoeslagregeling (ontkoppeling) en plattelandsontwikkeling, die voordelig uitwerken op de biodiversiteit;

41.  vraagt zich echter met bezorgdheid af of de landbouwers in staat zullen zijn om op concurrerende wijze hoogwaardige levensmiddelen te blijven produceren; is van mening dat er bij de hervorming van het GLB voor moet worden gezorgd dat landbouwers naar behoren beloond worden voor hun pogingen de EU-biodiversiteitsdoelstelling te verwezenlijken;

42.  wijst erop dat land- en bosbouwgerelateerde activiteiten in Europa in belangrijke mate hebben bijgedragen tot een grote diversiteit aan soorten en biotopen en tot een gevarieerd cultuurlandschap, die nu geacht worden bescherming te behoeven; wijst er derhalve op dat op de lange termijn alleen land- en bosbouwgerelateerde activiteiten kunnen zorgen voor de instandhouding van het cultuurlandschap en de biologische diversiteit in Europa;

43.  is verheugd over de eerdere pogingen om milieuoverwegingen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) op te nemen zoals de invoering van agromilieumaatregelen en goede landbouw- en milieucondities; verzoekt de Commissie de hervorming van het GLB aan te grijpen om deze trend verder te versterken en te streven naar een volledig duurzame landbouw in de EU, waarbij het nut voor de natuur het uitgangspunt vormt, bijvoorbeeld via de introductie van een beloning voor ecodiensten of de levering van goed gedefinieerde publieke goederen, met inbegrip van duurzame landbouw in ecologisch kwetsbare gebieden, zoals Natura 2000-gebieden, ten einde ervoor te zorgen dat in de toekomst alleen nog maar duurzame landbouwmethoden worden gesubsidieerd, dat goede praktijken naar behoren worden beloond en aangemoedigd en dat landbouwers geen financiële of andere nadelen ondervinden, zodat voor landbouwbedrijven de voorwaarden worden geschapen om ook in de toekomst hun bijdrage aan de biodiversiteit te kunnen blijven leveren;

44.  verzoekt de Commissie meer aandacht te schenken aan waarborging van de naleving van alle Europese verordeningen en richtlijnen die speciaal dienen voor het behoud van de biodiversiteit;

45.  stelt vast dat de Unie in haar landbouwbeleid met de randvoorwaarden regels heeft ingevoerd die de biodiversiteit in stand moeten houden, maar betreurt dat die regels in veel gevallen niet in de hele Unie worden uitgevoerd en gecontroleerd;

46.  beseft dat het beleid inzake bodemgebruik ook een kernpunt van de instandhouding van de natuur is en verzoekt de Commissie en de lidstaten in toenemende mate biodiversiteitscriteria te verwerken in plaatselijke en regionale besluitvormingsprocessen met betrekking tot bodemgebruik en ruimtelijke ordening, onder meer in het regionaal en cohesiebeleid;

47.  benadrukt dat beheer van landbouwgrond en behoud van biodiversiteit niet met elkaar in tegenspraak zijn en dat geïntegreerd beheer habitats voor biodiversiteit creëert;

48.  wijst op het belang van het tot staan brengen van de teruglopende diversiteit van verbouwde soorten en variëteiten, die tot uitholling leidt van de genetische basis waarvan de menselijke en dierlijke voeding afhankelijk is; wijst op de noodzaak het gebruik van traditionele landbouwvariëteiten die specifiek zijn voor bepaalde regio's, aan te moedigen;

49.  verzoekt de Commissie, gezien de economische, sociale en milieuwaarde van genetische diversiteit in de landbouw en de veeteelt, specifieke prioritaire streefcijfers vast te stellen om het verlies van genetische diversiteit en van inheemse soorten een halt toe te roepen; verzoekt tevens om een definitie van inheemse/niet-inheemse veesoorten en om maatregelen met het oog op de instandhouding ervan;

50.  is van mening dat het GLB landbouwers die aanvullende ecosysteemdiensten leveren ten behoeve van de instandhouding van de biodiversiteit, moet belonen via een door de EU gefinancierde aanvullende areaaltoeslag; verzoekt andermaal om invoering van een bonussysteem in het kader van de randvoorwaarden waarbij de landbouwer bonuspunten krijgt voor acties ten behoeve van de biodiversiteit die hij naast zijn verplichtingen inzake goede landbouw- en milieucondities onderneemt;

51.  stelt vast dat er op het gebied van de milieuwetgeving veel vooruitgang is geboekt, zoals de invoering van geïntegreerde plaagbestrijding en de nieuwe EU wetgeving inzake bestrijdingsmiddelen, waardoor plaagbestrijding gericht kan worden op schadelijke organismen terwijl nuttige organismen worden beschermd;

52.  is verheugd over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid waarvoor momenteel voorbereidingen worden getroffen en verzoekt de Commissie biodiversiteitscriteria in haar toekomstige wetgevingsvoorstellen op te nemen; dringt er voorts op aan dat als mogelijk alternatief voor de visserij duurzame aquacultuurmodellen worden ontwikkeld overeenkomstig de voorstellen van de Commissie in haar mededeling over het bouwen aan een duurzame toekomst voor de aquacultuur (COM(2009)0162) waarbij rekening moet worden gehouden met het standpunt van het Europees Parlement zoals verwoord in zijn resolutie van 17 juli 2010;

53.  wijst erop dat de belangrijkste instrumenten voor het verwezenlijken van de doelstellingen betreffende mariene biodiversiteit, naast de habitat- en de vogelrichtlijn, de kaderrichtlijn voor kustwateren en de kaderrichtlijn mariene strategie voor alle mariene wateren zijn;

54.  is van oordeel dat reductie van de teruggooi één van de hoofddoelstellingen van het GVB moet zijn en vraagt de Commissie de oorzaken van teruggooi in kaart te brengen en voor elke visserij specifieke oplossingen uit te werken, in het bijzonder het vaststellen van multispecifieke quota's of biomassaquota's, het selecteren van de instrumenten, zoals het algemene gebruik van vierkante mazen, en het beheer van de bestanden vanuit de ruimte;

55.  is van oordeel dat de regionale visserijbeheerorganisaties de verantwoordelijkheid voor het visserijbeheer en een verantwoorde visserij op hoge zee dragen; is van oordeel dat het derhalve van groot belang is hun bevoegdheden te vergroten, met name ten aanzien van de controles en ontmoedigende sancties, en dat het in eerste instantie een taak van de regionale visserijbeheerorganisaties is om voor het beheer van bepaalde commercieel belangrijke mariene soorten in te staan en een systeem van vangstcertificaten in te voeren;

56.  wijst met klem op de noodzaak van meer maatregelen op het gebied van het geïntegreerd beheer van kustgebieden en maritieme ruimtelijke ordening, aangezien dit belangrijke elementen van een op participatie gerichte ecosysteembenadering zouden kunnen zijn, die zorgt voor het behoud en het duurzame beheer van mariene en kustbronnen, en oog heeft voor natuurlijke processen en het draagvermogen van ecosystemen;

57.  benadrukt dat het gezien de aanzienlijke vermindering van de aquatische biodiversiteit en de verslechtering van de zoetwaterecosystemen van belang is dat de kaderrichtlijn water volledig wordt uitgevoerd en wijst erop dat bij de planning van stroomgebieden van rivieren rekening moet worden gehouden met de biodiversiteit;

58.  dringt er bij de lidstaten op aan hun bosbouwbeleid zodanig op te zetten dat volledig rekening wordt gehouden met de functie van de bossen als reserve voor biodiversiteit, bij bodemretentie en bodemvorming, koolstofvastlegging en luchtzuivering en met het oog op de recreatie van de burgers;

59.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld „De uitdagingen van ontbossing en aantasting van bossen aangaan om de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit aan te pakken” (COM(2008)0645 def.), waarin wordt gesteld dat uiterlijk in 2030 op wereldschaal geen netto bosareaal meer verloren zou mogen gaan;

60.  wijst erop dat de toenemende vraag naar agrobrandstoffen en de als gevolg daarvan toenemende druk op de productie van dergelijke brandstoffen de biodiversiteit bedreigen, met name in de ontwikkelingslanden, omdat daardoor habitats en ecosystemen zoals onder andere wetlands en bossen achteruitgaan en voor de verbouwing van andere gewassen worden gebruikt;

61.  benadrukt de noodzaak het budget voor onderzoek ten behoeve van het milieu en de biodiversiteit in het kader van het achtste kaderprogramma zodanig te verhogen dat dit in verhouding staat tot de enorme behoeften en uitdagingen om zowel het biodiversiteitverlies als de klimaatverandering aan te pakken;

62.  verwijst naar punt 8 van de conclusies van de Raad van 21 oktober 2009, waarin de Commissie werd verzocht per sector snel de subsidieregelingen die aanzienlijke negatieve effecten op het milieu hebben te toetsen; verzoekt de Commissie onverwijld gevolg te geven aan deze conclusies om te vermijden dat er beleidsmaatregelen worden gesubsidieerd die negatieve gevolgen hebben voor de Europese biodiversiteit;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de voorbereidingsfase van de opstelling van het zevende milieuactieprogramma aan te grijpen om het debat over en specifieke maatregelen met betrekking tot de biodiversiteit in de EU vooruit te schuiven en te stimuleren;

Biodiversiteit en klimaatverandering

64.  onderstreept het fundamentele belang van biodiversiteit en veerkrachtige ecosystemen voor de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, gezien het feit dat terrestrische en mariene ecosystemen momenteel ongeveer de helft van de door de mens veroorzaakte CO2-emissies absorberen;

65.  is verheugd over de toenemende steun voor maatregelen ter vermindering van de impact van de klimaatverandering die ook ten goede kunnen komen aan de biodiversiteit, maar geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de financiering van de biodiversiteit als zodanig;

66.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat maatregelen die in de context van de afzwakking van en aanpassing aan de klimaatverandering worden genomen, geen negatieve gevolgen hebben voor de mariene en terrestrische biodiversiteit;

67.  wijst op het cruciale belang van de bodem bij de verwezenlijking van de EU-doelstelling inzake biodiversiteit; erkent dat de bodemverschraling voornamelijk plaatselijke en regionale oorzaken en gevolgen heeft en dat bijgevolg het subsidiariteitsbeginsel moet worden nageleefd; roept alle lidstaten op aan hun verplichtingen wat betreft het waarborgen van de bodemkwaliteit te voldoen en dringt er bij lidstaten zonder bodembeschermingswetgeving op aan dat zij hun verantwoordelijkheid nemen;

Economische waarde van biodiversiteit

68.  herinnert aan de cruciale sociaal-economische rol van de visserij voor de inrichting van de kuststreken, alsook aan het milieubelang voor de mariene ecosystemen; is van mening dat het GVB de lidstaten niet moet hinderen maar juist moet helpen bij het eerbiedigen van de biodiversiteitswetgeving, met name bij het ontwikkelen van passende beschermingsmaatregelen in mariene Natura 2000-gebieden;

69.  erkent het aanzienlijke werkgelegenheidspotentieel dat verbonden is met de ontwikkeling van een duurzame economie en een groene infrastructuur die door hun aard plaatselijke banen (die niet naar derde landen kunnen worden verplaatst) impliceren, zodat een aanzienlijke bijdrage wordt geleverd aan de 2020-strategie van de EU;

70.  is er verder van overtuigd dat hulpbronnenefficiëntie, duurzame economische ontwikkeling en natuurbehoud hand in hand kunnen en moeten gaan; vestigt met name de aandacht op de ontwikkeling van milieu- en agritoerisme, waarbij recreatie en instandhouding elkaar versterken;

71.  benadrukt het belang van het biodiversiteitsbehoud bij de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie, niet alleen vanwege het banenscheppend potentieel van biodiversiteit, maar ook omdat biodiversiteit bijdraagt aan een efficiënt en duurzaam gebruik van hulpbronnen; erkent dat de toename van materialenproductie, handel en consumptie een belangrijke oorzaak van biodiversiteitsverlies is en verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve maatregelen te nemen om hulpbronnenefficiëntie en een beleid voor duurzame consumptie en productie te bevorderen en te ontwikkelen;

Financiering

72.  neemt kennis van het feit dat de Commissie in 2004 de jaarlijkse kosten voor het beheer van het Natura 2000-netwerk op 6,1 miljard EUR heeft geraamd; wijst er echter op dat het rendement van investeringen in biodiversiteitsbehoud volgens de TEEB-studie tot honderd maal hoger is;

73.  betreurt echter dat de Commissie geen aanvullende financieringsbronnen beschikbaar heeft gesteld voor de tenuitvoerlegging van de Natura 2000-richtlijnen en dat het ontbreekt aan een duidelijke opsplitsing van de bedragen die momenteel per jaar worden besteed aan het behoud van de biodiversiteit in de EU en dringt aan op samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie om een duidelijker beeld te geven;

74.   is van oordeel dat de Unie meer verantwoordelijkheid moet nemen voor het behoud van natuurwaarden in het Natura 2000-netwerk, met name ten aanzien van de financiering;

75.  is verheugd over de verhoging van de uitgaven voor LIFE+ (+8% in de ontwerpbegroting 2011), maar onderstreept dat dit instrument nog steeds slechts een zeer klein deel van de EU-begroting uitmaakt (0,2%); merkt voorts op dat door de EU gefinancierde maatregelen niet altijd worden voortgezet wanneer de EU-subsidie afloopt; verzoekt de Commissie meer aandacht te besteden aan de diverse factoren die van invloed zijn op de duurzaamheid van projecten en stelselmatige monitoring van projecten na de laatste betaling in te voeren;

76.  is zich ervan bewust dat extra financiële middelen voor het behoud van de biodiversiteit beschikbaar zijn via andere instrumenten zoals de structuurfondsen en het Fonds voor plattelandsontwikkeling, maar betreurt dat de meeste lidstaten slechts in beperkte mate van deze mogelijkheid gebruikmaken; wijst erop dat de hoogste bijdrage aan de financiering van biodiversiteit momenteel van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) komt;

77.  verwacht, zonder vooruit te lopen op toekomstige discussies en besluiten over het nieuwe meerjarig financieel kader (vanaf 2014) en de tussentijdse herziening van het huidige begrotingskader (2007-2013), dat het als gevolg van begrotingsbeperkingen belangrijker dan ooit zal zijn ervoor te zorgen dat de Europese uitgaven, ook op het gebied van biodiversiteit, een hoge meerwaarde opleveren en doelmatiger worden;

78.  benadrukt derhalve de noodzaak meer inzicht te krijgen in de doelmatigheid van de uitgaven voor biodiversiteit en verzoekt de Commissie voorbeelden te geven van goede praktijken in termen van doelmatigheid en toegevoegde waarde;

79.  is ingenomen met de aanbeveling van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) om 0,3% van het BBP te besteden aan nationale maatregelen voor het behoud van biodiversiteit;

80.  constateert met bezorgdheid dat het aantal in het kader van het LIFE+-programma gefinancierde projecten in diverse lidstaten elk jaar lager is dan de indicatieve toewijzing; verzoekt de Commissie na te gaan waaraan deze lage uitvoeringsgraad te wijten is en eventueel veranderingen in de regels voor het programma voor te stellen, met name voor wat betreft de medefinancieringsbedragen;

81.  is ervan overtuigd dat overheidsuitgaven alleen niet voldoende zijn om de hoofddoelstelling van de EU te verwezenlijken en onderstreept het belang van de verantwoordelijkheid van bedrijven om ook rekening te houden met biodiversiteit; verzoekt de Commissie te bezien hoe de beleidsmaatregelen kunnen worden uitgevoerd op een wijze die positieve investeringen in biodiversiteitsbehoud aanmoedigt en investeringen die negatieve gevolgen hebben voor de biodiversiteit minder aantrekkelijk maakt, zowel in de openbare als in de particuliere sector; is in dit verband verheugd over het Platform bedrijfsleven en biodiversiteit dat de Commissie heeft opgezet om de particuliere sector bij de biodiversiteitsagenda te betrekken;

82.  pleit voor meer flexibiliteit van de subsidiabiliteitsregels voor de financiering van biodiversiteitsgerelateerde projecten, ten einde alle betrokken spelers aan te moedigen die subsidie aan te vragen;

83.  onderstreept de noodzaak om de externe kosten, risico's en effecten, zoals instandhouding van het cultuurlandschap, schade aan de biodiversiteit of de kosten ter ondersteuning van de biodiversiteit, door te berekenen in de uiteindelijke prijs van de producten op de markt; wijst erop dat dit op de lange termijn in het belang van de ondernemingen is als zij toegang tot natuurlijke hulpbronnen willen houden; verzoekt de Commissie met klem de door haar aangekondigde mededeling over de toekomstige financiering van Natura 2000 zo spoedig mogelijk en in elk geval voor het einde van 2010 te publiceren, zodat dit aspect samen met de nieuwe strategie inzake biodiversiteit voor de periode tot 2020 kan worden bestudeerd;

Gegevens- en kennisbasis

84.  wijst op het belang van een geïntegreerde milieuboekhouding die het verband tussen milieu en economie op Europees, nationaal en regionaal niveau analyseert om de gevolgen van productie- en consumptiepatronen voor de natuurlijke hulpbronnen in kaart te brengen en verzoekt de lidstaten om Eurostat en het Europees Milieuagentschap regelmatig de benodigde gegevens te verstrekken;

85.  wijst erop dat onderzoek en ontwikkeling van groot belang zijn om de huidige leemten in kennis op te vullen en te zorgen voor stelselmatige monitoring van biodiversiteitstrends, alsook voor de ontwikkeling van beleidsinstrumenten om het biodiversiteitverlies tot staan te brengen;

86.  is ingenomen met het samenvattend verslag van de Commissie over het tijdvak 2001-2006 waarin een evaluatie wordt gemaakt van de staat van instandhouding van beschermde soorten en habitats in de EU en van de door de lidstaten geboekte vorderingen bij de uitvoering van de Natura 2000-wetgeving, maar betreurt het grote aantal vermeldingen „onbekend”; verzoekt de lidstaten hun verslaglegging te verbeteren, en het Europees Milieuagentschap en de Commissie ervoor te zorgen dat de gegevens in de toekomstige verslagen betrouwbaarder en beter vergelijkbaar zijn;

87.  onderstreept de noodzaak van een duidelijk referentiepunt op basis waarvan de Commissie de vorderingen ten aanzien van de verwezenlijking van de (sub)doelen moet meten; is in dit verband verheugd over het werk van het Europees Milieuagentschap met betrekking tot het biodiversiteitsinformatiesysteem voor Europa (BISE) en de biodiversiteitsreferentiesituatie, die nuttige instrumenten zullen vormen voor de verbetering en afstelling van het beleid op het gebied van biodiversiteit, met name voor het strategisch plan dat de Commissie aan het ontwikkelen is; benadrukt dat het beter is de bestaande gegevens te gebruiken dan aan te dringen op de verzameling van nieuwe gegevens;

88.  is, gezien het huidige gebrek aan kennis bij de buitenwacht over het belang van biodiversiteit, verheugd over de voorlichtingscampagne van de Commissie en verzoekt de lidstaten hun inspanningen op het gebied van bewustwording en van de uitwisseling van best practices aanzienlijk op te voeren;

Internationale aspecten

89.  is verontrust over het feit dat de wereldwijde doelstelling om het tempo van het biodiversiteitsverlies tegen 2010 te beperken, zoals vastgesteld op de Wereldtop over duurzame ontwikkeling in 2002, niet of zelfs maar bij benadering wordt gehaald, alsook over de gevolgen van het voortdurende biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van de ecosystemen voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de doelstelling voor 2015 om armoede en honger terug te dringen en de gezondheid en het welzijn van de mens te verbeteren, en verzoekt de Commissie en de lidstaten ertoe bij te dragen dat biodiversiteit een vast punt wordt in wereldwijde processen zoals de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

90.  is verheugd over de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit in Nagoya in oktober 2010 en dringt er bij de EU op aan een breed samengestelde, goed voorbereide en goed gecoördineerde delegatie naar deze conferentie af te vaardigen; wijst op de noodzaak dat de EU ook naar buiten een krachtig en coherent standpunt inneemt; is echter bezorgd over het feit dat alleen ministers van milieuzaken de conferentie zullen bijwonen, terwijl voor vooruitgang in de wereldwijde biodiversiteitsagenda een sectoroverschrijdende aanpak nodig is;

91.  verzoekt de Commissie steun te verlenen aan en te helpen bij het opzetten van een intergouvernementeel platform voor biodiversiteitsbeleid en ecosysteemdienstwetenschappen, onder auspiciën van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties;

92.  steunt het op een bijeenkomst in juli 2008 tijdens het Franse voorzitterschap besproken idee om netwerken van het type Natura 2000 op te zetten in de overzeese landen en gebiedsdelen van de EU en in de ultraperifere regio's, die sommige van de rijkste biodiversiteitsgebieden van de planeet herbergen, en benadrukt dat dit idee via beleidsinstrumenten van de EU, zoals het ontwikkelingsbeleid, moet worden gesteund;

93.  wijst erop dat ontbossing meer gevolgen heeft voor de CO2-emissies dan de vervoersector in zijn geheel en dat het behoud van bossen een van de kernvoorwaarden is voor het behoud van de biodiversiteit en de ecosysteemdiensten wereldwijd;

94.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om van ecologische duurzaamheid daadwerkelijk een vast punt te maken in hun betrekkingen met derde landen, naast eerbiediging van de sociale rechten en de waarborgen met betrekking tot de bescherming van plaatselijke gemeenschappen en inheemse volkeren en hun deelname aan het besluitvormingsproces, met name wanneer het gaat om bodemgebruik en bosbescherming, en de „groene diplomatie” voort te zetten; verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat in het EU-twaalfpuntenplan ter ondersteuning van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling de noodzaak wordt erkend om van ecologische duurzaamheid een vast punt te maken in de ontwikkelingssamenwerking en het externe optreden van de EU en dat genoemd plan voorziet in een doelgericht financieel optreden ter ondersteuning van biodiversiteit en ecosysteemdiensten;

95.  wijst erop dat er innovatieve financiële stelsels moeten komen om de erkenning van de (economische) waarde van biodiversiteit te stimuleren; moedigt de lidstaten en de Commissie aan een brede discussie aan te gaan over de noodzaak van en mogelijkheden voor innovatieve systemen voor de betaling van ecosysteemdiensten;

96.  wijst er met klem op dat de duurzaamheid van de verhandelde producten in internationale handelsovereenkomsten een sleutelelement is; onderstreept in dit verband de noodzaak om in eventuele toekomstige WTO-overeenkomsten niet-handelsgerelateerde aspecten op te nemen, o.a. productiemethoden en inachtneming van de biodiversiteit;

97.  betreurt ten zeerste het teleurstellende resultaat van de CITES-conferentie, waar de belangrijkste onderdelen van het EU-mandaat, zoals de bescherming van mariene soorten van groot commercieel belang, niet werden gerealiseerd;

98.  dringt er met klem bij de Commissie en de lidstaten op aan om het tempo en de efficiency van hun interne besluitvormingsprocedure te verbeteren en meer middelen en tijd te besteden aan hun diplomatieke inspanningen jegens derde landen en de capaciteiten en de synergie tussen overeenkomsten te versterken; is van mening dat, aangezien veel beschermde Natura 2000-gebieden direct of indirect door verontreiniging worden aangetast en de natuur in Europa ook van buitenaf wordt geschaad, het zaak is dat de Europese milieunormen in onze partnerschapsovereenkomsten met buurlanden worden opgenomen;

o
o   o

99.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 368).
(2) PB C 262 van 18.9.2001, blz. 132.
(3) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG.
(4) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 117.


Preventie van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen
PDF 168kWORD 71k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 september 2010 over de mededeling van de Commissie: Een communautaire aanpak van de preventie van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen (2009/2151(INI))
P7_TA(2010)0326A7-0227/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 februari 2009 met als titel „Een communautaire aanpak van de preventie van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen”(1) en de bijbehorende impactbeoordeling(2), en gezien het werkdocument van de Commissie van 14 december 2007 over de versterking van systemen voor vroegtijdige waarschuwing in Europa(3),

–  onder verwijzing naar zijn resoluties van 16 september 2009 over de bosbranden tijdens de zomer van 2009(4), van 4 september 2007 over natuurrampen(5), van 7 september 2006 over bosbranden en overstromingen(6), van 5 september 2002 over overstromingen in Europa(7), van 14 april 2005 over de droogte in Portugal(8), van 12 mei 2005 over de droogte in Spanje(9), van 8 september 2005 over natuurrampen (branden en overstromingen) in Europa(10), van 18 mei 2006 over natuurrampen (bosbranden, droogtes en overstromingen) – landbouwaspecten(11), regionale-ontwikkelingsaspecten(12) en milieuaspecten(13), van 11 maart 2010 over de grote natuurramp in de autonome regio Madeira en de gevolgen van de storm Xynthia in Europa(14), en onder verwijzing naar zijn wetgevingsresolutie van 18 mei 2006 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(15),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2008 betreffende de versterking van het reactievermogen van de Europese Unie bij rampen(16) en gezien punten 12 t/m 15 van de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad in Brussel op 15 en 16 juni 2006 over het reactievermogen van de Europese Unie op noodsituaties, crises en rampen(17),

–  gezien Beschikking 2007/162/EG, Euratom van de Raad van 5 maart 2007 tot instelling van een financieringsinstrument voor civiele bescherming(18),

–  gezien Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken(19) (Seveso II-richtlijn),

–  gezien Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's(20) (overstromingsrichtlijn),

–  gezien Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten(21) (EIA-richtlijn),

–  gezien het Actiekader 2005-2015 voor het opbouwen van de herstelcapaciteit van landen en gemeenschappen na rampen, dat op 22 januari 2005 in Kobe, Hyogo (Japan) is goedgekeurd(22),

–  gezien de Conventie inzake biodiversiteit, aangenomen op 5 juni 1992 in Rio de Janeiro,

–  gelet op artikel 196 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0227/2010),

A.  overwegende dat preventie een almaar belangrijkere fase van het rampenbeheer zou moeten vormen en meer maatschappelijk belang zou moeten krijgen,

B.  overwegende dat natuurrampen een gevaar vormen voor de ecosystemen en de biodiversiteit, gevolgen hebben voor duurzame ontwikkeling en een beproeving zijn voor de sociale cohesie,

C.  overwegende dat de lidstaten en in het bijzonder convergentiegebieden kwetsbaarder worden voor zowel natuurlijke als door de mens veroorzaakte rampen als gevolg van factoren zoals onder meer intensief bodemgebruik, lukrake industriële en stedelijke groei, ontvolking van het platteland en woestijnvorming en als gevolg van de toegenomen frequentie van extreme meteorologische gebeurtenissen,

D.  overwegende dat de klimaatverandering verantwoordelijk is voor de toename van de frequentie van natuurrampen (overstromingen, extreme droogten en bosbranden) met verlies van mensenlevens en zware economische, sociale en milieuschade tot gevolg,

E.  overwegende dat rampen doorgaans meerdere oorzaken hebben en niet altijd uitsluitend aan extreme natuurverschijnselen toe te schrijven zijn maar vaak mee uitgelokt worden door de ongepaste omgang van de mens met zijn natuurlijke omgeving,

F.  overwegende dat rampen kunnen worden veroorzaakt door technologische en industriële ongevallen waarbij gevaarlijke chemische, biologische, radiologische en nucleaire agentia kunnen vrijkomen, met ernstige gevolgen voor de menselijke gezondheid, gewassen, infrastructuur en veestapels,

G.  overwegende dat de schade van door de natuur of de mens veroorzaakte rampen vaak grotendeels had kunnen worden voorkomen; bovendien overwegende dat het EU-beleid coherente stimulansen moet omvatten om nationale, regionale en lokale autoriteiten ertoe te bewegen een efficiënter preventie- en instandhoudingsbeleid te ontwikkelen, te financieren en ten uitvoer te leggen,

H.  overwegende dat een integrale, proactieve, informatiegestuurde en doeltreffende aanpak van de preventie van rampen verschillende niveaus van samenwerking tussen lokale, regionale en nationale overheden moet omvatten en hierbij ook andere actoren moet betrekken die banden hebben met het grondgebied en er bijgevolg mee vertrouwd zijn,

I.  overwegende dat de huidige rampenpreventiemaatregelen duidelijk tekortschieten en dat de eerdere voorstellen van het Europees Parlement nog niet geheel zijn uitgevoerd, waardoor de uitvoering van een geconsolideerde EU-strategie voor de preventie van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen wordt gehinderd,

J.  overwegende dat aanhoudende droogten en bosbranden het woestijnvormingsproces daarenboven versnellen, in het bijzonder in het zuiden van Europa, wat vooral gevolgen heeft voor de mediterrane bosgebieden en voor uitgestrekte eensoortige bosgebieden met uitheemse en zeer brandgevoelige soorten, en een gevaar vormt voor het leven en de levenskwaliteit van de getroffen burgerbevolkingen,

K.  overwegende dat een evenwichtig bodemgebruik, een natuurvriendelijke economische en sociale ontwikkeling, eerbied voor energie, natuurlijke grondstoffen en het milieu, een sterkere cohesie binnen de Europese Unie, de bestrijding van de plattelandsontvolking, woestijnvorming en bodemerosie, en het behoud van een vanuit milieuoogpunt duurzame landbouwactiviteit een aantal van de elementen vormen die een fundamentele rol spelen bij de preventie van rampen,

L.  overwegende dat bossen van cruciaal belang zijn voor het natuurbehoud, omdat zij voor evenwicht zorgen in zowel de koolstofcyclus als de waterkringloop,

1.  wijst erop dat natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen zeer ernstige gevolgen hebben voor de economische en sociale ontwikkeling van de getroffen gebieden en lidstaten; onderstreept dat de voornaamste doelstelling van rampenpreventie ligt in de bescherming van mensenlevens, de veiligheid en fysieke integriteit van personen, de fundamentele rechten van de mens, het milieu en economische en sociale infrastructuren, met inbegrip van basisvoorzieningen, woningen, communicatie- en transportnetwerken en het culturele erfgoed;

2.  benadrukt dat een proactieve houding doeltreffender en goedkoper is om rampen te voorkomen dan een louter reactieve aanpak; is van mening dat kennis van de lokale geografische, economische en sociale context van essentieel belang is om natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen te voorkomen;

3.  is ingenomen met de belofte van de Commissie om in het communautair beleid en in de communautaire programma's consequenter rekening te houden met aspecten in verband met de preventie van rampen, en benadrukt dat een holistische aanpak noodzakelijk is om rampen te kunnen voorkomen; herinnert eraan dat natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen in aanmerking moeten worden genomen en dat het onder meer(23) gaat om overstromingen, stormen, droogteperioden, tsunami's, aardbevingen, bosbranden, extreme temperaturen, vulkaanuitbarstingen, lawines, aardverschuivingen, technologische en industriële ongevallen, bodemerosie, vervuiling van de ondergrond en het grondwater en vervuiling van zeeën, meren en rivieren;

4.  verzoekt de Commissie de uitwisseling van goede praktijken ter voorkoming van door de mens veroorzaakte rampen te bevorderen, en roept de lidstaten ertoe op ervoor te zorgen dat de regionale autoriteiten trainingen voor rampenbeheer volgen;

5.  is van oordeel dat het, vanwege de dimensie en/of het vaak grensoverschrijdende karakter van rampen, passend en noodzakelijk is om de samenwerking op zowel regionaal als communautair niveau te versterken met behulp van complementaire acties, de verspreiding van beste praktijken en het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten;

6.  neemt nota van het voorstel om een netwerk van vertegenwoordigers van de diverse bevoegde nationale diensten van alle lidstaten op te zetten; onderstreept dat dit netwerk actief moet zijn op het gebied van de samenwerking tussen nationale, regionale en lokale overheden en belast moet worden met het beheer van rampen, ruimtelijke ordening, risicokartering en risicobeheer; beklemtoont de rol van dit netwerk bij de uitwisseling van ervaringen en preventiemaatregelen en bij de opstelling van een gemeenschappelijke methode en minimumvereisten voor het in kaart brengen van de gevaren en risico's op EU-niveau; vraagt dat er eveneens vertegenwoordigers uit de landbouwsector in dit netwerk worden opgenomen en pleit ervoor om ook UNEP en maatschappelijke en niet-gouvernementele organisaties die op dit terrein werkzaam zijn, te horen, evenals andere actoren die banden hebben met het grondgebied en er bijgevolg mee vertrouwd zijn;

7.  is van oordeel dat samenwerking met betrekking tot de verspreiding van informatie en ervaring en technische en wetenschappelijke toepassingen, alsmede de coördinatie van de strategieën voor ontwikkeling van de interventiecapaciteiten van essentieel belang zijn;

8.  verzoekt de regio's reeds bestaande netwerken voor territoriale en grensoverschrijdende coördinatie uit te bouwen om een samenwerking tot stand te brengen die meer specifiek gericht is op de preventie van rampen; is van mening dat grensoverschrijdende samenwerkingsstructuren, zoals macroregio's met hun praktisch gerichte samenwerking, doelmatige fora kunnen worden voor samenwerking op het gebied van rampenpreventie; pleit voor benutting van de waardevolle ervaring die in deze sector is opgedaan dankzij projecten die in het verleden zijn verwezenlijkt in het kader van het communautaire initiatief INTERREG;

9.  is van mening dat alleen een gecoördineerd optreden en gecoördineerde strategieën van de lidstaten, sectoren en actoren die betrokken zijn bij de crisisbeheersingscyclus, vooruitgang op het gebied van rampenpreventie kunnen opleveren; beklemtoont de potentiële rol van vrijwilligerswerk in deze strategieën en verzoekt de lidstaten om samenwerking in dit verband op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau aan te moedigen; stelt voor om in de context van het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk (2011) te onderzoeken of het mogelijk is om op het niveau van de lidstaten te komen tot samenwerking op het vlak van vrijwilligerswerk met als doel rampen te voorkomen;

10.  pleit voor samenwerking tussen EU-lidstaten, buurlanden van de EU en ontwikkelingslanden in grensoverschrijdende projecten, waarbij goede praktijken worden uitgewisseld en praktische kennis wordt verspreid door middel van programma's in het kader van het EU-nabuurschapsbeleid en programma's voor ontwikkelingssamenwerking;

11.  benadrukt dat bij hulpverlening het non-discriminatiebeginsel moet worden gehanteerd; merkt op dat hulp moet worden geboden op basis van behoefte, zonder discriminatie op grond van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status;

12.  wijst erop dat milieuproblemen die worden veroorzaakt en verergerd door de klimaatverandering, op dit moment verantwoordelijk zijn voor de toename van gedwongen migratie, en onderstreept daarom het groeiende verband tussen asielzoekers en gebieden met een verslechterend milieu; dringt aan op betere bescherming en hervestiging van „klimaatvluchtelingen”;

13.  wijst erop dat regio's en lokale gemeenschappen het hardst getroffen worden door natuurrampen en dat hun materiële en personele capaciteit evenals hun kennis en financiële middelen doorgaans ontoereikend zijn om deze rampen op zuiver nationale en/of regionale basis aan te pakken, en benadrukt dat deze rampen een werkelijk Europese en op solidariteit gebaseerde aanpak vereisen;

14.  onderstreept dat het belangrijk is om de bestaande ongelijkheden tussen regio's en lidstaten voor wat betreft hun capaciteit om hun bevolking, eigendommen en cultureel erfgoed te beschermen, weg te werken door hun inspanningen voor een betere preventie te steunen, met name in die regio's en lidstaten waar een verhoogd risico op rampen bestaat; dringt aan op speciale aandacht voor de meest geïsoleerde en minst bevolkte regio's in Europa, en voor de Europese berg- en grensgebieden en de economisch meest benadeelde regio's;

15.  onderstreept dat de natuurlijke kenmerken en beperkingen van afgelegen gebieden, berggebieden, weinig bevolkte gebieden en gebieden die leeglopen, perifere en ultraperifere regio's, eilanden, regio's met natuurlijke handicaps en regio's die aan verschillende risico's tegelijkertijd worden blootgesteld, erkend en naar behoren in aanmerking genomen moeten worden; vestigt de aandacht op de bijkomende moeilijkheden die deze regio's ondervinden om rampen het hoofd te bieden; verzoekt om bijzondere aandacht te besteden aan deze regio's in de verschillende beschikbare financiële instrumenten, en vraagt om een versoepeling van de voorwaarden om middelen uit het Solidariteitsfonds vrij te maken voor deze regio's;

16.  pleit voor een herziening van de verordening betreffende het Solidariteitsfonds, waarbij de criteria om voor steun in aanmerking te komen worden aangepast aan de kenmerken van elke regio en elke ramp, inclusief traag evoluerende rampen zoals droogte, met bijzondere aandacht voor de productiesectoren, de meest kwetsbare gebieden en de getroffen bevolking, en een snellere en meer flexibele beschikbaarstelling van middelen uit het Fonds wordt gewaarborgd; is van mening dat de in aanmerking komende maatregelen waarvan sprake is in artikel 4 van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, te beperkend van aard zijn; is van mening dat het bij de vaststelling van subsidiabiliteitsdrempels essentieel is de regionale dimensie in aanmerking te nemen, want anders zouden regio's die met zeer ernstige rampen te kampen hebben, uit de boot kunnen vallen omdat de voor de hele lidstaat vastgestelde drempel niet wordt bereikt;

17.  onderstreept de noodzaak om een passend financieel kader voor rampenpreventie vast te stellen, met adequate financiële middelen voor de preventie en bestrijding van rampen, waarmee bestaande instrumenten, zoals het cohesiebeleid, het beleid inzake plattelandsontwikkeling, het regionaal beleid, het Solidariteitsfonds, het zevende kaderprogramma en de Life+-programma's, versterkt en onderling met elkaar verbonden kunnen worden; verzoekt om in dit verband rekening te houden met preventie in de financiële vooruitzichten voor de periode 2014-2020; roept de Europese Commissie ertoe op na te gaan of het mogelijk is een meer systematische verdeling van de beschikbare middelen voor te stellen, met als doel de efficiëntie van de communautaire preventiemechanismen te vergroten;

18.  dringt er bij de Commissie op aan te voorkomen dat de huidige druk op de begroting vanwege de crisis tot een beperking leidt van de middelen die zijn toegewezen aan het huidige beleid op het gebied van rampenpreventie, en vraagt de Commissie om in het kader van de begrotingsherziening, waar momenteel aan wordt gewerkt, de bestaande leemten op het gebied van rampenpreventie nauwkeurig te analyseren en na te gaan of er voor alle soorten rampen instrumenten beschikbaar zijn;

19.  wijst erop dat het cohesiebeleid een essentieel instrument is bij het voorkomen van risico's betreffende natuurrampen; is van mening dat de verschillende fondsen en instrumenten op flexibele en gecoördineerde wijze moeten kunnen worden ingezet, zodat de werking en doelmatigheid van dit beleid worden verbeterd; dringt erop aan dat risicopreventie wordt gezwaluwstaart met andere vormen van beleid op het gebied van preventie, om versnippering van de maatregelen te voorkomen en hun doelmatigheid en toegevoegde waarde te vergroten;

20.  benadrukt nogmaals dat moet worden gecontroleerd of de EU-middelen op gepaste wijze zijn gebruikt en dat verkeerd gebruikte middelen teruggevorderd moeten worden;

21.  benadrukt dat rampenpreventie in de eerste plaats onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt en dat het subsidiariteitsbeginsel op dit terrein geëerbiedigd moet blijven;

22.  vraagt dat de lidstaten, als beheerders van het grondgebied, criteria en regelgeving invoeren ter preventie van rampen in gebieden die zijn blootgesteld aan overstromingen, aardverschuivingen en andere geologische risico's, met inachtneming van de problemen die ontstaan als gevolg van ongebreidelde houtkap, en vraagt hen bovendien om bouwactiviteiten in deze gebieden te voorkomen;

23.  verzoekt de lidstaten te onderzoeken of de integratie van rampenpreventie in de nationale operationele programmering van de EU-financiering alsook in nationale, regionale en lokale operationele programma's kan worden verbeterd; meent dat alle overheidsactoren die met milieubescherming te maken hebben, bij dit proces moeten worden betrokken en er daadwerkelijk aan moeten deelnemen; roept de Commissie ertoe op haar steun te verlenen aan het verzoek van de lidstaten om in dit verband bepaalde aspecten van de operationele programma's te herformuleren; vraagt in het kader van de uitwisseling van ervaringen dat de Commissie de lidstaten verzoekt details te verschaffen over de operationele programma's waarover zij beschikken in geval van natuurrampen;

24.  is van oordeel dat onder meer de volgende preventiemaatregelen het voorwerp moeten zijn van prioritaire steun van de EU aan de lidstaten:

   a) opstelling en herziening van wetgeving betreffende de veiligheid van gebouwen en bodemgebruik,
   b) maatregelen met het oog op het verhelpen van situaties die in de toekomst risico's kunnen opleveren: het terugbrengen van rivierbeddingen in hun natuurlijke staat; herstel en bescherming van rivierbekkens, moerassen en bijbehorende ecosystemen; controle van erosie en sedimentatie in waterlopen; verhoging van de doorstroomcapaciteit van bruggen en waterpijpleidingen; schoonmaak en reorganisatie van bossen; herbebossing; en bescherming van de kustlijn,
   c) bescherming en renovatie van bewoonde gebieden, met name stedelijke gebieden, die bijzonder kwetsbaar zijn voor bepaalde rampen, met betrokkenheid van de inwoners,
   d) onderhoud van en veiligheidscontrole op grote bestaande infrastructuren, met bijzondere aandacht voor stuwdammen, brandstofleidingen, bruggen voor wegverkeer en spoorwegbruggen, en voor installaties op het gebied van energie, watervoorziening, rioolwaterverwerking, communicatie en telecommunicatie,
   e) gaande houden van de landbouwactiviteiten in streken die door ontvolking zijn getroffen en aan het risico van natuurrampen zijn blootgesteld, alsmede bijdragen aan de herintegratie van menselijke activiteiten door het creëren van infrastructuren die de inwoners van die streken de mogelijkheid bieden om er te blijven;

25.  spoort de Commissie ertoe aan de lidstaten te steunen bij het opzetten van bewustmakingscampagnes voor preventie en bij de toepassing van beste praktijken, door het brede publiek via kanalen die voor alle burgers gemakkelijk toegankelijk zijn, geactualiseerde en relevante informatie en voorlichting te verschaffen over de geïdentificeerde risico's en over de te volgen procedures in geval van natuurlijke of door de mens veroorzaakte rampen; dringt erop aan dat in de voorlichtingsprogramma's voor de bevolking bijzondere aandacht wordt besteed aan jongeren, beginnende bij schoolkinderen, en aan plattelandsgemeenschappen; onderstreept in de context van de bewustmaking van de burger eveneens de rol van het gemeenschappelijke Europese telefoonnummer voor noodsituaties, „112”, en wijst erop dat dit nummer meer bekendheid moet krijgen;

26.  wijst erop dat water vaak een rol speelt bij natuurrampen, niet alleen bij overstromingen − die vaak het gevolg zijn van tekortschietende planning, vorst, hagel en verontreiniging van rivierbekkens, maar ook door de schaarste ervan, die grote veranderingen kan teweegbrengen, zoals de verwoestijning van grote delen van Zuid- en Zuidoost-Europa;

27.  benadrukt het feit dat aanhoudende droogten de voorbije jaren tot een enorme toename van het aantal bosbranden in Europa hebben geleid, en tegelijk de verwoestijning van een groot aantal gebieden hebben verergerd;

28.  verzoekt de Commissie, gelet op de wisselwerking tussen fenomenen als droogte, bosbranden en woestijnvorming, om met een voorstel voor een richtlijn te komen, in de zin van de richtlijn inzake overstromingen, met het oog op de aanneming van een communautair beleid inzake waterschaarste, droogte en aanpassing aan de klimaatverandering;

29.  dringt er bij de Commissie nogmaals op aan om de inwerkingstelling van het Europees Waarnemingscentrum voor droogte en verwoestijning te bevorderen, als centrum voor de studie, beperking en bestrijding van de gevolgen van droogte en verwoestijning, met als doel doordachte strategische beleidsvorming en betere samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen; is van mening dat de wisselwerking tussen fenomenen zoals droogte, bosbranden, woestijnvorming en aanpassing aan de klimaatverandering in aanmerking moet worden genomen en dat er in de context van de preventie van het droogterisico en het beleid inzake droogtebeheer ernstige en op solidariteit gebaseerde doelen moeten worden gesteld;

30.  wijst erop dat bossen belangrijk zijn voor de productie van hout, het behoud van de biodiversiteit, het voorkomen van overstromingen, lawines en erosie, het beheer van de grondwatervoorraden en CO2-afvang, en dat het feit dat ze door vuur worden bedreigd, alle EU-lidstaten aanbelangen; roept de Commissie er daarom toe op om samen met de lidstaten wetgevingsvoorstellen en initiatieven voor de bescherming van bossen en de preventie van bosbranden voor te stellen en uit te voeren; is van oordeel dat bebossings- en herbebossingsprojecten steun behoeven en dat daarbij voorrang moet worden verleend aan inheemse soorten en gemengde bossen om de biodiversiteit in stand te houden, de bestendigheid van bossen tegen vuur, stormen en ziekten te vergroten en het duurzame verzamelen en hergebruiken van biomassaresten uit bossen – een hernieuwbare energiebron – aan te moedigen; meent dat de regelmatige verzameling van gegevens, het maken van kaarten waarop risicogebieden staan aangeduid, de voorbereiding van risicobeheerplannen, een inventarisatie van de in de 27 lidstaten toegekende en beschikbare middelen, en de coördinatie op verschillende niveaus moeten worden voortgezet in het kader van een werkelijke samenwerking op dit terrein;

31.  verzoekt de Commissie om te onderzoeken hoe dwangmaatregelen kunnen worden toegepast die een afschrikkende werking hebben op nalatig en opzettelijk gedrag bij het ontstaan van bosbranden en de Raad en het Europees Parlement vervolgens een voorstel hieromtrent voor te leggen, aangezien het aansteken van bosbranden een milieumisdrijf is dat almaar vaker voorkomt;

32.  onderstreept dat preventie transversaal moet worden benaderd en moet worden opgenomen in de relevante sectorale beleidslijnen tot bevordering van een evenwichtig bodemgebruik en van een coherente economische en sociale ontwikkeling die in evenwicht is met de natuur;

33.  erkent dat een aantal sectorale beleidslijnen de plattelandsvlucht heeft bevorderd en voor een overdreven bevolkingsconcentratie in de stedelijke gebieden heeft gezorgd, met als gevolg dat bepaalde regio's meer blootgesteld zijn aan het risico van natuurrampen;

34.  is van mening dat de landbouw- en bosbouwproductie kwetsbaar is als gevolg van klimaatverschijnselen zoals droogte, vorst, ijs, hagel, bosbranden, stormen, overstromingen, stortregens, gezondheidsrisico's zoals pestinfecties, dierziekten, epidemieën bij mensen en dieren, vernielingen door wilde dieren, de impact van menselijke activiteiten zoals de klimaatverandering, vervuiling, zure regen en onbedoelde en opzettelijke genetische verontreiniging, landverschuivingen die veroorzaakt worden door problemen bij stadsontwikkeling en ruimtelijke ordening en door technologische en vervoersgerelateerde risico's, de verwoestijning van berggebieden, bosbranden die in de eerste plaats het gevolg zijn van een gebrek aan onderhoud en crimineel gedrag, en verontreiniging van rivieren door chemische lozingen van fabrieken, voedingsstoflekken en onachtzaamheid van bezoekers;

35.  vraagt de Commissie en de lidstaten het gebruik van goede landbouwmethoden te stimuleren die er in een aantal lidstaten toe hebben geleid dat het doorsijpelen van stikstofhoudende meststoffen met de helft is teruggebracht zonder dat dit de opbrengst van de gewassen heeft verminderd;

36.  verdedigt het idee dat een evenwichtig landbouwbeleid, zowel vanuit sociaal als milieuoogpunt, dat rekening houdt met het feit dat het noodzakelijk is om een duurzame landbouwproductie en plattelandsontwikkeling in de verschillende landen en regio's te ondersteunen en te stimuleren, van cruciaal belang is voor de efficiënte preventie van natuurrampen; pleit voor een daadwerkelijke versterking van de stimulansen voor de werkgelegenheid op het platteland en in de milieubewuste landbouw, zodat mensen ertoe worden aangemoedigd zich in plattelandsgebieden te vestigen, wat van essentieel belang is om de ecosystemen te beschermen, de huidige trends van ontvolking en verarming in deze gebieden tegen te gaan en de druk op de stedelijke gebieden te verlichten; onderstreept daarnaast de rol van landbouwers als hoeders van het platteland en betreurt het gebrek aan kernelementen betreffende de landbouwsector in de mededeling van de Commissie;

37.  bepleit de oprichting van een Europees openbaar landbouwverzekeringsstelsel; dringt er bij de Commissie op aan met een voorstel te komen voor een openbaar Europees verzekeringsstelsel, met het oog op een betere aanpak van de risico's en de inkomensinstabiliteit voor boeren als gevolg van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen; onderstreept dat dit stelsel ambitieuzer moet zijn dan het huidige model om te voorkomen dat in de EU een lappendeken van verzekeringsregelingen ontstaat die tot grote verschillen tussen de boereninkomens leidt; acht het dringend noodzakelijk dat ook de Europese boeren toegang hebben tot een minimumsysteem voor compensaties in het geval van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen;

38.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij de berekening van de steun voor maatregelen voor landbouw en milieu de extra kosten in te calculeren die de landbouwers moeten dragen als zij werkzaamheden uitvoeren voor brandpreventie (schoonmaken van brandgangen, verwijdering van dood boomgewas, bewerking van de grond langs de rand van percelen, enz.) en voor afwatering (schoonmaken van afwateringssloten en kanalen);

39.  onderstreept dat er moet worden onderzocht welke aanpassingsmaatregelen mogelijk zijn, zowel op het platteland als in steden, om het hoofd te kunnen bieden aan de toename en omvang van extreme klimaatverschijnselen in verschillende geografische gebieden; is van mening dat de te verwachten negatieve gevolgen van de klimaatverandering een bijkomende last zullen leggen op de landbouwactiviteit en de zekerheid en autonomie van de voedselvoorziening, en benadrukt dat in het kader van de aanpassing aan de klimaatverandering en de verzachting van de negatieve gevolgen ervan een oplossing moet worden gezocht voor onder meer dit specifieke probleem;

40.  benadrukt het belang van publiek onderzoek en ontwikkeling (O&O) inzake de preventie en het beheer van rampen en pleit voor meer coördinatie en samenwerking tussen de O&O-instellingen van de lidstaten en met name de O&O-instellingen van landen die aan gelijkaardige risico's zijn blootgesteld; pleit voor een versterking van de systemen voor vroegtijdige waarschuwing van de lidstaten en voor de totstandbrenging of verbetering van verbindingen tussen de verschillende systemen voor vroegtijdige waarschuwing; beveelt de Commissie aan rekening te houden met deze behoeften en in een passende financiering te voorzien;

41.  benadrukt de noodzaak om de gezondheidssystemen van de lidstaten op het vlak van de personeelsstructuur, goede praktijken en risicobewustzijn voor te bereiden op rampsituaties;

42.  onderstreept dat het belangrijk is om te beschikken over een uitgebreide hoeveelheid gegevens en informatie over de risico's en kosten van rampen en om deze op EU-niveau beschikbaar te stellen, met als doel vergelijkende studies uit te voeren en de mogelijke grensoverschrijdende gevolgen van rampen vast te stellen, zodat lidstaten informatie over nationale civiele capaciteiten en medische mogelijkheden kunnen uitwisselen, en beklemtoont dat het beter is om reeds bestaande structuren zoals het waarnemings- en informatiecentrum (MIC) te gebruiken en te ontwikkelen dan om nieuwe structuren op te zetten;

43.  betreurt dat de Commissie nog geen onderzoek heeft gedaan naar de manieren waarop de lidstaten gevaren en risico's in kaart brengen, hoewel ze dit in haar mededeling van 23 februari 2009 over „een communautaire aanpak van de preventie van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen” had aangekondigd; spoort de Commissie ertoe aan om tijdens de eerste helft van 2010 effectief aan deze belofte te voldoen;

44.  is van mening dat het noodzakelijk is om op EU-niveau een gemeenschappelijke methode en minimumvereisten voor het in kaart brengen van gevaren en risico's uit te werken;

45.  onderstreept het belang van de vastlegging van normen voor de analyse en weergave van de sociaaleconomische impact van rampen op gemeenschappen;

46.  stelt voor om bij de herziening van de MEB-richtlijn meer aandacht te besteden aan kwesties op het vlak van rampenpreventie, vooral met betrekking tot de beoordeling en bekendmaking van en de informatieverstrekking over risico's;

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) COM(2009)0082.
(2) SEC(2009)0202.
(3) SEC(2007)1721.
(4) PB C 224 E van 19.8.2010, blz. 1.
(5) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 55.
(6) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 240.
(7) PB C 272 E van 13.11.2003, blz. 471.
(8) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 599.
(9) PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 414.
(10) PB C 193 E van 17.8.2006, blz. 322.
(11) PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 363.
(12) PB.C 297 E van 7.12.2006, blz. 369.
(13) PB.C 297 E van 7.12.2006, blz. 375.
(14) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0065.
(15) PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 331.
(16) 10128/08.
(17) 10633/1/06.
(18) PB L 71 van 10.3.2007, blz. 9.
(19) PB L 10 van 14.1.1997, blz. 13.
(20) PB L 288 van 6.11.2007, blz. 27.
(21) PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.
(22) A/CONF.206/6.
(23) Dit is een onvolledige lijst met natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen; de lijst kan bijgevolg nog worden aangevuld met andere types natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen die niet in dit verslag worden vermeld.


Vermindering van armoede en het scheppen van werkgelegeheid in ontwikkelingslanden: beleidskoers
PDF 174kWORD 83k
Resolutie van het Europees Parlement van 21 september 2010 over de vermindering van armoede en het scheppen van werkgelegenheid in ontwikkelingslanden: beleidskoers (2009/2171(INI))
P7_TA(2010)0327A7-0192/2010

Het Europees Parlement,

–  gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000, waarin de millenniumontwikkelingsdoelstellingen zijn geformuleerd als criteria die gezamenlijk door de internationale gemeenschap zijn vastgesteld voor de uitbanning van de armoede,

–  gezien de verplichtingen die de G8 in 2005 tijdens de top in Gleneagles zijn aangegaan inzake de omvang van de te verlenen hulp, de hulp aan Afrika ten zuiden van de Sahara en de kwaliteit van de hulp,

–  gezien de Verklaring van Parijs van 2 maart 2005 over de doeltreffendheid van hulp en de conclusies van het forum van hoog niveau dat tussen 2 en 4 september 2008 bijeen is geweest ter bespreking van de follow-up van die Verklaring,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „EU-bijstand: meer, beter en sneller helpen” (COM(2006)0087),

–  gezien het rapport van de Verenigde Naties getiteld „Rethinking Poverty − Report on the World Social Situation 2010”,

–  gezien de jaarlijkse rapporten van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties over de uitvoering van de Millenniumverklaring,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: „De Europese Consensus”(1), getekend op 20 december 2005,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(2),

–  gezien de Verklaring van Ajuba door de Afrikaanse staatshoofden en regeringsleiders van 27 april 2001 over HIV/aids, tuberculose en andere aanverwante infectieziekten,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 juni 2007 over bevordering van de werkgelegenheid via EU-ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „De rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen” (COM(2001)0252),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „De rol van onderwijs en scholing in de armoedebestrijding in ontwikkelingslanden” (COM(2002)0116),

–  gezien de resolutie van de gezamenlijke parlementaire vergadering van de ACS-EU van 3 december 2009 over mondiale governance en de hervorming van internationale instellingen,

–  gezien de agenda van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) voor waardig werk en het mondiale banenpact van de ILO dat op 19 juni 2009 tijdens de Conferentie van de ILO is aangenomen,

–  gezien het rapport van de ILO getiteld „World of Work Report 2009: The Global Jobs Crisis and Beyond”, dat in december 2009 is gepubliceerd,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 maart 2009 over de MDG-contracten(4),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 april 2006 over de doeltreffendheid van hulp en de corruptie in ontwikkelingslanden(5),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 mei 2007 over de bevordering van waardig werk voor iedereen(6),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 maart 2009 over ontwikkelingshulp van de EG aan de gezondheidsdiensten in Afrika ten zuiden van de Sahara(7),

–  gezien de huidige hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingszaken en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0192/2010),

A.  overwegende dat een sterke en duurzame economische groei in een stabiele, ondernemingsvriendelijke omgeving een bijdrage levert aan het creëren van welvaart en werkgelegenheid en dat dit dan ook de meest zekere en duurzame route is op weg naar het uitbannen van de armoede,

B.  overwegende dat een betrouwbare rechtsomgeving zonder corruptie essentieel is voor een bloeiend bedrijfsleven,

C.  overwegende dat de lidstaten van de EU15 zich ertoe verbonden hebben om tegen 2015 0,7% van hun BBP aan ontwikkelingshulp uit te geven; overwegende dat er op dit moment circa 0,4% van het BBP aan ontwikkelingshulp wordt besteed,

D.  overwegende dat het verminderen van de armoede en een coherent beleid voor ontwikkelingshulp thans als verplichtingen in het EU-Verdrag zijn neergelegd,

E.  overwegende dat de ontwikkelingslanden gesteund moeten worden bij hun streven naar het creëren van een maximale toegevoegde waarde in hun eigen landen, waarvoor een industriële-ontwikkelingsstrategie nodig is die aansluit bij de doelstellingen van duurzaamheid en in het bijzonder bescherming van het milieu,

F.  overwegende dat zowel EU-donoren als de regeringen van ontwikkelingslanden er niet in slagen om hun bestedingsbenchmarks voor gezondheid en onderwijs te halen,

G.  overwegende dat de ontwikkelingslanden geconfronteerd worden met een urgent tekort aan gekwalificeerd personeel in de gezondheidszorg; overwegende dat het gebrek aan gekwalificeerd personeel in de gezondheidszorg in de geïndustrialiseerde landen een van de factoren is die het reeds kwetsbare zorgstelsel in ontwikkelingslanden nog eens extra verslechtert, en overwegende dat veel gekwalificeerd personeel, zowel in de gezondheidszorg als in andere sectoren, omwille van een aantal redenen niet naar hun thuisland terugkeert om hun ervaring aan de eigen gemeenschappen ten goede te laten komen,

H.  overwegende dat de recente crisis met betrekking tot de voedselprijzen nog steeds onderstreept hoe belangrijk de landbouw- en voedselzekerheid voor arme landen is,

I.  overwegende dat 90% van de burgers in de EU voorstander is van ontwikkelingssamenwerking, hoewel deze steun door de crisis dreigt af te brokkelen,

J.  overwegende dat de G20 heeft toegezegd om belastingparadijzen hard aan te pakken,

K.  overwegende dat belastingontduiking en illegale kapitaalvlucht uit ontwikkelingslanden een paar keer de waarde vertegenwoordigen van de ontwikkelingshulp,

L.  overwegende dat het overmaken van geld naar het thuisfront een grotere kapitaalinstroom voor ontwikkelingslanden oplevert dan ontwikkelingshulp,

M.  overwegende dat 2,7 miljard mensen op dit moment geen toegang tot kredietfaciliteiten hebben,

N.  overwegende dat het met het oog op het terugdringen van de armoede niet alleen noodzakelijk is om werkgelegenheid te scheppen, maar dat het ook nodig is om kwaliteitsbanen te creëren,

O.  overwegende dat de armste landen zwaar ondervertegenwoordigd zijn in internationale instellingen en mondiale fora,

P.  overwegende dat de stelsels voor sociale bescherming zich hebben bewezen als krachtige instrumenten voor armoedebestrijding en sociale cohesie, en dat de meerderheid van de wereldbevolking geen toereikende sociale dekking heeft,

Uitdagingen voor ontwikkelingslanden
Met betrekking tot de economie

1.  dringt er bij de regeringen van ontwikkelingslanden op aan om hun economieën te spreiden door middel van ontwikkeling van hun productiesector en om bedrijven – met name KMO's, de motoren achter de groei van de werkgelegenheid – niet te belasten met bovenmatige bureaucratische verplichtingen;

2.  roept alle ontwikkelingslanden op om de agenda van de ILO inzake waardig werk en het initiatief van de VN inzake de sociale beschermingsbodem te onderschrijven en om toereikende arbeidsnormen, een grote mate van integrale sociale bescherming waarvan de dekking zich ook uitstrekt tot de meest arme en gemarginaliseerde personen, en een echte sociale dialoog, en met name de toegang tot het project inzake „hoge arbeidsintensiviteit”, te waarborgen;

3.  onderstreept de noodzaak dat iedereen de diverse ILO-conventies inzake internationale arbeidsnormen ondertekent en uitvoert, en beveelt aan dat de bepalingen van de resolutie van de ILO getiteld „Recovering from the crisis: A Global Jobs Pact” worden aangewend;

4.  roept op tot de toepassing van het recht op vrijwaring van dwangarbeid en in het bijzonder kinderarbeid, zonder uitzondering, omdat kinderen zonder onderwijs veroordeeld zijn tot een leven in armoede;

5.  roept op tot speciale aandacht voor de bestrijding van kinderarbeid, om in plaats van kinderarbeid werkgelegenheid te scheppen voor volwassenen en kinderen in staat te stellen een passende opleiding te volgen;

6.  verzoekt de regeringen voorrang te geven aan acties om in de sociale basisbehoeften te voorzien en de bescherming van kinderen en kwetsbare vrouwen te bevorderen, die aanzienlijk door de crisis zijn getroffen, evenals van risicojongeren, ongeschoolde en laagbetaalde arbeiders en migranten, werknemers in de landbouw en personen met een handicap;

7.  herinnert eraan dat kleine en micro-ondernemingen, vooral in de landbouwsector, adequate financiering nodig hebben om bestaande banen te behouden en nieuwe banen te creëren; moedigt ontwikkelingslanden aan om de toegang tot spaar- en kredietfaciliteiten te bevorderen, evenals microverzekeringen en innovatieve financiële voorzieningen, zoals postkantoren op het platteland en mobiele bankfaciliteiten;

8.  roept de EU op de bijdrage van de sociale economie (bijvoorbeeld in de vorm van coöperaties) aan het scheppen van werkgelegenheid en het bevorderen van waardig werk in ontwikkelingslanden te erkennen, en de sociale economie in de ontwikkelingsprogramma's en samenwerkingsstrategieën van de EU op te nemen;

9.  verzoekt de ontwikkelingslanden om het grondeigendom onder het arme en berooide deel van de bevolking te bevorderen, bijvoorbeeld door de bewoners van sloppenwijken het land waarop zij wonen in eigendom te geven;

10.  moedigt de ontwikkelingslanden aan hun economie zo veel mogelijk te diversifiëren om ervoor te zorgen dat ze niet langer uitsluitend afhankelijk zijn van een zeer beperkt aantal producten, met name van landbouwproducten die bestemd zijn voor de export;

11.  herinnert de ontwikkelingslanden eraan hun plaatselijke tradities van gemeenschappelijk landgebruik voor landbouw te respecteren, teneinde de bestaande kleine landbouw te bevorderen en te beschermen;

12.  moedigt de ontwikkelingslanden aan bij het opstellen van landenstrategiedocumenten en nationale indicatieve programma's voorrang te geven aan de ontwikkeling van de landbouwsector en voedselzekerheid;

13.  herinnert eraan dat „governance” integrerend onderdeel uitmaakt van het begrip „rechtvaardige staat”, een staat die waarborgen biedt voor de democratie en de rechten van de burger; de rechtvaardige staat waarborgt enerzijds zaken als de toegang tot justitie, de gezondheidszorg, onderwijs en het bestuur, en bevordert en beschermt anderzijds de rechten van het individu, alsmede zijn fundamentele vrijheden;

Met betrekking tot burgerschap en governance

14.  roept alle ontwikkelingslanden dringend op om het VN-Verdrag tegen corruptie te onderschrijven en om de voorschriften daarvan effectief ten uitvoer te leggen; dringt er daarnaast bij de lidstaten van de EU en bij ondernemingen in de EU op aan om dat VN-Verdrag te eerbiedigen;

15.  gelooft dat de EU-lidstaten moeten fungeren als rolmodel voor de ontwikkelingslanden in de zin van budgettaire discipline, belastinginning en goed bestuur;

16.  is van mening dat acties ter bestrijding van corruptie zich ook tot de particuliere sector moeten uitstrekken, waarbij tevens de internationale samenwerking versterkt dient te worden, bijvoorbeeld door het uitwisselen van informatie en door programma's voor het in beslag nemen van onrechtmatig verkregen activa;

17.  dringt er bij alle ontwikkelingslanden op aan om onafhankelijk functionerende parlementen te bevorderen zodat deze een effectieve bijdrage kunnen leveren aan het versterken van de democratie door het vrijelijk uitoefenen van hun wetgevende, begrotings- en controlerende functies; wijst tevens op het enorme belang van een onafhankelijk functionerend en terdege uitgebouwd gerechtelijk apparaat;

18.  moedigt regeringen van ontwikkelingslanden aan om de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties te optimaliseren bij het formuleren van en toezicht houden op het overheidsbeleid;

19.  benadrukt dat de sociale partners een belangrijke rol spelen bij de economische ontwikkeling en dat zij de maatschappelijke samenhang kunnen versterken, en bijgevolg dat de opzet en verdere ontwikkeling van de desbetreffende representatieve organisaties moet worden bevorderd;

20.  roept op tot de instelling van vrijheid van vereniging voor vakbonden en het recht, zonder uitzondering, op collectieve onderhandelingen om waardige arbeidsomstandigheden af te dwingen, te verbeteren en te beschermen;

21.  doet een dringende oproep aan alle landen die wetten hebben ingevoerd die de vrijheid van maatschappelijke organisaties beperken, om dergelijke wetgeving in te trekken;

22.  roept op tot de toepassing van het recht op vrijwaring van discriminatie, d.w.z. het recht te werken en behandeld te worden als gelijke ongeacht geslacht, etniciteit, leeftijd, handicap of seksuele geaardheid als basisprincipe in de strijd tegen armoede;

23.  roept op tot een duidelijke verbetering van de juridische en sociale positie van vrouwen om discriminatie tegen te gaan en gebruik te maken van de mogelijke bijdrage van vrouwen aan de economische en sociale ontwikkeling;

24.  ondersteunt ontwikkelingslanden bij hun inspanningen om de regionale integratie te bevorderen en te versterken door middel van vrijhandelszones, regionale economische gemeenschappen, regionale ontwikkelingsbanken e.d.;

Gedeelde uitdagingen

25.  herhaalt zijn oproep om minimaal 20% van de nationale begrotingen van ontwikkelingslanden en van de ontwikkelingshulp van de EU te besteden aan gezondheidszorg en basisonderwijs;

26.  roept op tot een heroverweging van het privatiseringsbeleid, in het bijzonder op het gebied van nutsvoorzieningen zoals water, afvalverwerking en diensten van algemeen belang, en tot een heroverweging van de maatschappelijke rol van staten bij ontwikkelingsbeleid, inclusief de rol van staatsondernemingen als werkgevers en maatschappelijke dienstverleners;

27.  vestigt de aandacht op de doorslaggevende rol van sociale beschermingsmechanismen zoals opgenomen in het mondiale banenplan van de IAO en het initiatief van de VN inzake de sociale beschermingsbodem; roept daarom op tot een sterkere nadruk op sociale beschermingsmechanismen om meer armoede te voorkomen en maatschappelijke misstanden aan te kaarten, als hulp bij de stabilisering van de economie en het behoud en de bevordering van de inzetbaarheid;

28.  vraagt om gratis en volledige toegang voor iedereen tot alle onderwijslagen, d.w.z. basis-, hoger- en beroepsonderwijs, zodat de plaatselijke bevolking zich kan kwalificeren en kan ontwikkelen tot vakbekwame werknemers;

29.  houdt eraan vast dat zowel donor- als ontwikkelingslanden hun verplichtingen moeten nakomen om de millenniumontwikkelingsdoelstellingen per 2015 te verwezenlijken;

30.  ondersteunt maatregelen, zoals loonsubsidies en mogelijkheden voor banen en training, waardoor lokale wetenschappers en overige vakbekwame werknemers worden aangemoedigd om in hun land te blijven en een praktijk in hun leefgemeenschap te beginnen, en die zorgstelsels bevorderen die toegankelijk zijn voor iedereen;

31.  ondersteunt het scheppen van nieuwe banen in de ontwikkelingslanden;

32.  ondersteunt maatregelen om te investeren in en te bouwen aan algemene overheidsdiensten om banen te creëren en de overheidscapaciteiten en -faciliteiten en de sociale cohesie te verbeteren, zoals ook aangegeven in het verslag van de VN getiteld „Rethinking poverty”;

33.  verzoekt om meer aandacht te besteden aan praktische gezondheidszorg en bewustwording onder de bevolking van de voordelen van medische behandeling, dat wil zeggen aan het distribueren van bloedanalysatoren en aan het opleiden van lokale mensen in het gebruik ervan;

34.  benadrukt dat de ontwikkeling van human resources onontbeerlijk is voor alle ontwikkelingsstrategieën en cruciaal voor het scheppen van werkgelegenheid; roept de EU en de ontwikkelingslanden op de arbeidsbehoeften en de arbeidsmarkt te analyseren, prognoses op te stellen en zich voor te bereiden op de belangrijkste uitdagingen die gepaard gaan aan de aanpassing van beroepsopleidingen aan de arbeidsmarkt;

35.  is van mening dat in alle ontwikkelingsstrategieën speciale aandacht dient uit te gaan naar de meest kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, met name vrouwen, kinderen, ouderen en mensen met een handicap;

36.  acht voorziening in de basisbehoeften absoluut noodzakelijk en is dan ook van mening dat vooral acties ter bevordering van de voedselzekerheid en de toegang tot drinkbaar water prioriteit hebben;

37.  vraagt speciale aandacht voor het probleem van kinderarbeid, hetgeen een belangrijke belemmering is voor het verwezenlijken van de doelstelling van basisonderwijs voor eenieder en voor het reduceren van de armoede, waardoor een gezonde opvoeding en het nodige onderwijs van deze kinderen wordt belemmerd; erkent dat kinderarbeid een van de grootste obstakels is voor het verwezenlijken van universeel basisonderwijs en het verminderen van armoede; vraagt derhalve om bevordering van de coördinatie tussen agentschappen en afstemming van de onderwijshulp en het kinderarbeidbeleid door middel van aanscherping van de bestaande mechanismen, met inbegrip van de Global Task Force on Child Labour and Education for All; vraagt daarom de internationale gemeenschap, alle betrokken staten en de EU om zich met grote urgentie en gerichte actie te wijden aan het uitroeien van kinderarbeid;

38.  wijst op het belang van gendergelijkheid voor het economische succes van landen, en vraagt daarom om grotere inspanningen om ook binnen de economie voor gendergelijkheid te zorgen;

39.  houdt eraan vast dat donoren en partnerlanden dienen te waarborgen dat de landbouw, met name de kleine landbouwbedrijven en de kleine, middelgrote, milieuvriendelijke en agro-industriële ondernemingen, hoger op de ontwikkelingsagenda gezet wordt;

40.  onderstreept dat kleinschalige landbouw op basis van gedecentraliseerde, groene en duurzame productiemiddelen het scheppen van werkgelegenheid en duurzame ontwikkeling vergemakkelijkt, omdat hier meer mensen per hectare worden tewerkgesteld dan in grote boerderijen en de boeren en werknemers pro rata meer besteden aan arbeidsintensieve niet-agrarische plattelandsproducten;

41.  roept op tot een doeltreffendere ondersteuning van banen en het scheppen van werkgelegenheid door het werkgelegenheids- en macro-economisch beleid te coördineren, waarbij het macro-economisch beleid zich niet enkel mag richten op inflatiecontrole en handels- en fiscale tekorten, maar ook op de stabiliteit van reële groei, inkomens en werkgelegenheid;

42.  ondersteunt investeringen in „groene banen” en in groene industrie, bijvoorbeeld door hernieuwbare energie en energie-efficiënte systemen in arme landen te ontwikkelen, met inbegrip van zonne-energie ten behoeve van de plaatselijke gemeenschappen, om nieuwe duurzame energiebronnen te creëren en tegelijkertijd werkgelegenheid te scheppen, waarbij tegelijk het milieu wordt beschermd;

43.  vraagt om meer gelijke toegang en kansen tot de ontwikkeling van vaardigheden, kwaliteitsopleiding en onderwijs; vraagt om een verbeterde toegang tot krediet (inclusief microfinanciering) ter bevordering van het scheppen van werkgelegenheid;

44.  ziet uit naar een intensievere samenwerking tussen het Parlement en zijn regionale tegenhangers in ontwikkelingslanden;

45.  benadrukt het belang van de bevordering van alternatieve indicatoren naast het bbp voor het meten van sociale vooruitgang in ontwikkelingslanden, met name ten aanzien van de voorstellen van de commissie die zich buigt over het meten van economische prestaties en sociale vooruitgang, voorgezeten door Joseph Stiglitz;

46.  dringt erop aan dat de antwoorden op de mondiale economische crisis per land en per regio worden uitgedacht en dat ze de maatregelen omvatten die worden genoemd in het beleidsinstrument „Een mondiaal banenplan” van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), met als doel investeringen in werkgelegenheidsintensieve en milieuvriendelijke sectoren en socialezekerheidsstelsels te vergemakkelijken;

Uitdagingen voor donoren
Met betrekking tot ontwikkelingshulp

47.  dringt er bij alle rijke landen, met name bij de lidstaten van de EU, op aan om hun steuntoezeggingen gestand te doen, dat wil zeggen minimaal 0,7% van het BBP tegen 2015;

48.  vraagt om een omschrijving van armoede die voor alle lidstaten geldt, zodat de relevante werkterreinen en de gerechtigde begunstigden met betrekking tot EU-ontwikkelingshulp kunnen worden aangewezen;

49.  gelooft dat beleidssamenhang vruchten kan afwerpen ten aanzien van het scheppen van werkgelegenheid in ontwikkelingslanden; vraagt daarom om een wijziging van het buitenlands EU-beleid, aangezien dit een direct effect kan hebben op de economieën van de ontwikkelingslanden en dit beleid bedoeld zou moeten zijn om de duurzame behoeften van ontwikkelingslanden te ondersteunen teneinde armoede te bestrijden, waardige inkomsten en middelen van bestaan te garanderen en de fundamentele mensenrechten te beschermen, met inbegrip van sociale en economische rechten, en milieubescherming;

50.  roept op om een substantiële hoeveelheid extra financiële middelen beschikbaar te stellen om de effecten van de klimaatverandering en van de mondiale economische crisis in de ontwikkelingslanden aan te kunnen pakken;

51.  verzoekt dat basisonderwijs en volksgezondheid de grondslag vormen voor het ontwikkelingsbeleid en benadrukt dat de huidige situatie geen enkele rechtvaardiging vormt voor de verlaging van de nationale bestedingen en de internationale hulp in deze sectoren;

52.  roept de EU op om haar toezeggingen op het gebied van „steun voor handel” gestand te doen;

53.  beklemtoont dat de EU haar subsidiebeleid moet herzien, met name op het vlak van de landbouw en met inachtneming van de behoeften van de kleine en middelgrote boeren in de EU, teneinde eerlijke handelsvoorwaarden te bevorderen met betrekking tot ontwikkelingslanden;

54.  verzoekt alle donoren nogmaals om de uitgangspunten van de agenda voor de doeltreffendheid van hulp strikter na te leven, met name met betrekking tot de donorcoördinatie en de verantwoordingsplicht;

55.  dringt erop aan dat de Commissie verzekert dat de buitenlandse dimensie van de huidige hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid in lijn wordt gebracht met het EU-ontwikkelingsbeleid, aangezien beide direct verband houden met het levensonderhoud van de bevolking in ontwikkelingslanden;

56.  benadrukt dat de visserijsector voor veel landen van essentieel belang is voor de werkgelegenheid en de voedselbevoorrading, en dat derhalve alle ontwikkelingslanden voor sectorsteun van de EU in aanmerking zouden moeten komen voor het ontwikkelen van hun eigen duurzame visserij-industrie, onderzoeks-, controle- en handhavingscapaciteit, gericht op het bestrijden van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten, los van enige visserijovereenkomst met de Europese Unie;

57.  benadrukt dat de sectorale steun van de EU aan de visserij in derde landen gericht is op het uitrusten van de havens van deze landen met de juiste infrastructuur om de plaatselijke aanleg en de verwerking van vis mogelijk te maken en zo werkgelegenheid te creëren; roept de Commissie op te controleren en te verifiëren of deze doelstellingen worden bereikt, alsmede om financiële en technische steun te bieden ter verbetering van de mogelijkheden van derde landen om de visactiviteiten in hun wateren te controleren en schepen aan te houden waarvan wordt geconstateerd dat deze de regels overtreden;

58. houdt eraan vast dat de EU haar steunarchitectuur en de aanverwante procedures dient te vereenvoudigen;

59.  verlangt een versterkte coördinatie van het ontwikkelingsbeleid tussen de Commissie en de lidstaten van de EU om te verhinderen dat de verschillende beleidsmaatregelen een negatieve invloed hebben op de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

60.  verwacht dat, nu de beleidscoherentie voor ontwikkeling als verplichting is vastgelegd in het Verdrag, de beleidsmaatregelen op gebieden als landbouw, handel, migratie en visserij op geen enkele manier de ontwikkelingsinspanningen zullen ondermijnen; is voornemens om nauwlettend te volgen hoe de EU deze verplichting nakomt;

61.  verzoekt donoren om op een intelligente wijze te investeren in ontwikkelingseducatie voor hun burgers;

62.  moedigt de donorlanden aan deze crisis te benutten om de bestaande mogelijkheden voor aanvullende en vernieuwende financieringsbronnen voor ontwikkeling nader te onderzoeken en om nieuwe financieringsbronnen te vinden waarmee ontwikkelingslanden de eigen inkomstenbronnen kunnen diversifiëren en efficiënte, concrete en operationele uitgavenprogramma's kunnen uitvoeren;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten duurzame ondernemingen met een behoorlijke aanwas van banen te bevorderen als specifiek onderdeel van ontwikkelingssamenwerking in lijn met de Europese consensus over ontwikkeling uit 2005 en te zorgen voor de opname hiervan in de meer traditionele sectoren van ontwikkelingssamenwerking zoals infrastructuur, plattelandsontwikkeling, bestuur en handelsgerelateerde steun;

Met betrekking tot nieuwe financieringsbronnen

64.  dringt er bij de G20-landen op aan om belastingparadijzen hard aan te pakken, het toezicht op de financiële markten aan te scherpen en het uitwisselen van belastinginformatie in te voeren; vindt verder dat de G20-landen de International Accounting Standard Board moeten instrueren een nieuwe standaard aan te nemen inzake landenrapportages;

65.  roept de landen van de G20 en de EU op stappen te ondernemen om het overmaken van geld naar het thuisland goedkoper en eenvoudiger te maken;

66.  roept de Commissie en de lidstaten op om financiële overheidssteun aan kleine en micro-ondernemingen en boeren in ontwikkelingslanden te verhogen, inclusief de informele sector, zoals verwoord in het mondiale banenplan van de IAO, om armoede en werkloosheid te bestrijden;

Met betrekking tot capaciteitsopbouw en mondiale governance

67.  dringt er bij de EU op aan om haar hulp gericht te gebruiken voor het bevorderen van de capaciteitsopbouw op zodanige gebieden dat de economische structuur van de partnerlanden daar direct van profiteert en er werkgelegenheid wordt gecreëerd, meer in het bijzonder door hun productiecapaciteit te ontwikkelen, efficiënte belastingsystemen te ontwikkelen, door corruptie te bestrijden, door instellingen en maatschappelijke organisaties te versterken, en door de toegang tot microkredieten en andere financieringsbronnen te bevorderen etc.;

68.  roept op om in het gehele ontwikkelingsbeleid van de EU dat een invloed heeft op het scheppen van werkgelegenheid en het bestrijden van armoede, nadruk wordt gelegd op maatregelen die regeringen, het maatschappelijk middenveld, ondernemingen, stichtingen en plaatselijke gemeenschappen verplichten de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de VN tegen 2015 te verwezenlijken;

69.  dringt er bij de EU op aan om haar hulp ook gericht te gebruiken voor de opbouw van sociale stelsels in ontwikkelingslanden als belangrijk en doelmatig middel om de armoede te verminderen;

70.  dringt erop aan voorrang te geven aan onderwijs, aanvullende steun aan schoolverlaters, beroepsopleidingen, technologische opleidingen, vaardigheidstraining, levenslang leren, toegang tot financiering, oprichting van kwaliteitsstages ter verbetering van de vooruitzichten van de deelnemers, gezondheid en veiligheid, en de stimulering van programma's voor ondernemingsinitiatief, met name voor kleine en micro-ondernemingen, om een duurzaam arbeidspotentieel tot stand te brengen, waarbij de nadruk met name wordt gelegd op jongeren, ouderen, gehandicapten en ontheemden, vrouwen en alle andere gemarginaliseerde groepen;

71.  roept de EU op om onderwijsmogelijkheden voor studenten uit de ontwikkelingswereld ter beschikking te stellen, mits gewaarborgd wordt dat zij na hun studie naar hun land terugkeren om de eigen gemeenschappen van hun verworven kennis en ervaring te laten profiteren; herinnert eraan dat de conditionaliteitscriteria van toepassing zijn op zowel het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), als op het Instrument voor de financiering van de ontwikkelingssamenwerking;

72.  vraagt de EU strikt toe te zien op de naleving van criteria zoals vastgelegd in de overeenkomst van Cotonou;

73.  onderstreept dat ook het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en het Instrument voor de financiering van de ontwikkelingssamenwerking aan dezelfde conditionaliteitscriteria moeten voldoen;

74.  roept de Commissie op passende methoden en tijdschema's te ontwikkelen voor het uitoefenen van toezicht op de productieketens van in het buitenland opererende Europese ondernemingen opdat de kinderarbeid wordt uitgebannen en de arbeidsnormen van de IAO-verdragen worden nageleefd, en de toegang tot onderwijs te bevorderen, die van cruciaal belang is voor de bestrijding van armoede;

75.  dringt aan op het creëren van een betrouwbaar netwerk voor nauwe betrekkingen tussen belangrijke gouvernementele en niet-gouvernementele instellingen en organisaties bij de activiteiten inzake armoedevermindering in alle ontwikkelingslanden teneinde opvattingen en ervaringen uit te wisselen op basis van door de EU ondersteunde formuleringen, uitvoering en controle;

76.  ondersteunt het instellen van gegevensbanken op nationaal en EU-niveau met als doel relevante basisgegevens over de armoede in ontwikkelingslanden te verzamelen en te vergelijken, als middel voor het bevorderen en vergroten van de inspanningen om de armoede te verminderen;

77.  benadrukt dat de bestaande coördinatie onder internationale en regionale organisaties moet worden verbeterd om zo nog betere technische ondersteuning te bieden aan de uitvoering van en het toezicht op een EU-actieplan ter vermindering van de armoede;

78.  constateert de noodzaak om adviesgroepen inzake specifieke onderwerpen in het leven te roepen als concrete stap en betrouwbare manier om technische ondersteuning te bieden, om zo te komen tot verwezenlijking van de doelstellingen die zijn opgenomen in een EU-actieplan ter vermindering van de armoede in ontwikkelingslanden;

79.  accepteert het gebruik van begrotingssteun uitsluitend in gevallen met waterdichte garanties dat de fondsen de geplande bestemming inderdaad bereiken en aan de oorspronkelijke doelstelling voldoen, en waarbij de begunstigden aan alle mensenrechten- en democratischegovernancecriteria voldoen; ziet uit naar een effectievere beoordeling van en controle op die begrotingsondersteuning om vast te stellen of de doelstelling is bereikt en of de regering in de ontvangende landen voldoen aan de hierboven vermelde criteria; roept de Commissie op een geautomatiseerd scorebord in te stellen, dat wordt gecontroleerd door het Europees Parlement, ter beoordeling van de efficiëntie van de Gemeenschapssteun op het vlak van armoedevermindering, onderwijs en het scheppen van werkgelegenheid, welk scorebord uit zal moeten gaan van de naleving van de beoogde financiële ratio's en de verwezenlijking van de doelen;

80.  verzoekt de Commissie om het Europees Parlement een samenhangend en geloofwaardig voorstel te doen voor een EU-beleid na de verkiezingen, dat de vrije keuze van de bevolking in een bepaald land respecteert, en vreest dat de huidige afwezigheid van een dergelijk beleid de geloofwaardigheid van de EU-verkiezingswaarnemingsmissies ondermijnt;

81.  ondersteunt een meer democratische vertegenwoordiging van ontwikkelingslanden in mondiale instellingen;

82.  verzoekt de internationale financiële instellingen om hun leningenbeleid te herzien met als doel de keuze van ontwikkelingslanden voor democratisch en duurzaam economisch beleid te ondersteunen;

83.  roept de EU en de G-20 concreet actie te ondernemen om misbruik van belastingsparadijzen, belastingontduiking en illegale kapitaalvlucht uit ontwikkelingslanden uit te roeien en om te bevorderen dat deze middelen worden geïnvesteerd in de ontwikkelingslanden;

84.  vraagt om een nieuwe bindende mondiale financiële overeenkomst over de automatische bekendmaking door transnationale ondernemingen van de winsten die zij maken en de belastingen die zij betalen per land;

85.  roept de EU op het initiatief van de VN inzake de sociale beschermingsbodem te steunen, dat bedoeld is om in ontwikkelingslanden duurzame sociale stelsels uit te breiden of door te voeren en zo te zorgen voor grotere samenhang in het beleid inzake buitenlandse betrekkingen, en om een mededeling op te stellen inzake de sociale bescherming binnen ontwikkelingssamenwerking, zoals ook voorgesteld wordt in de conclusies van de Raad over bevordering van de werkgelegenheid via EU-ontwikkelingssamenwerking;

Onderwijs

86.  is het eens met de Commissie dat het hebben van een baan de beste manier is om armoede en sociale uitsluiting tegen te gaan; gelooft dat het verhelpen van de onderwijskloof in ontwikkelingslanden een van de meest effectieve strategieën is om de cyclus van armoede en werkloosheid te doorbreken;

87.  verwelkomt het versneld initiatief inzake onderwijs voor iedereen en de steun die de Commissie daar in beginsel aan geeft; dringt er bij de Commissie op aan te verhelderen welke geldmiddelen voor welke doeleinden momenteel beschikbaar worden gemaakt voor de landen die onder het initiatief vallen, met name op het vlak van:

   opvang en onderwijs voor jonge kinderen,
   gratis en verplicht basisonderwijs voor iedereen,
   kennis en vaardigheden voor het dagelijks leven voor jongeren en volwassenen,
   analfabetisme onder volwassenen,
   gendergelijkheid,
   kwaliteit van het onderwijs;

88.  vraagt de EU met klem een hulpprogramma voor ouders te lanceren op diverse vlakken waar armoede leidt tot een gebrek aan kennis met betrekking tot het opvoeden van kinderen, om te zorgen dat kinderen in ontwikkelingslanden ook echt een kans hebben;

89.  merkt op dat de kwaliteit van de geestelijke en fysieke gesteldheid niet alleen een zaak van onderwijs, opleiding en nieuwe informatietechnologie is, maar ook een zaak van toegang tot water, voedsel en medicatie, waarbij de EU meer aandacht moet besteden aan het in alomvattende hulppakketten bijeen brengen van gratis lesmateriaal, gratis maaltijden, gratis schoolbussen en gratis examens; acht het absoluut noodzakelijk dat er een duidelijk onderlinge relatie wordt aangebracht tussen schoolprojecten die door de EU worden gefinancierd en voedsel- en zorgprogramma's in de ontwikkelingslanden;

90.  roept de EU op haar inspanningen vooral te richten op het blootleggen van sectoren waar ontwikkelingslanden een concurrentievoordeel hebben, waarbij het vestigen van op werk gebaseerde leerlingschappen in deze sectoren tot de voornaamste prioriteiten van de EU-ontwikkelingshulp moet behoren;

91.  roept de EU op om meer onderwijsmogelijkheden voor studenten uit de ontwikkelingswereld ter beschikking te stellen, maar hen aan te moedigen na hun studie naar hun land terug te keren om de eigen gemeenschappen van hun verworven kennis en ervaring te laten profiteren;

Toegang tot de markt

92.  wijst erop dat ontwikkelingslanden wordt verteld dat hun producten moeten concurreren op de open markt, terwijl datzelfde beginsel vaak niet wordt toegepast op de ontwikkelde wereld;

93.  roept de Commissie en de lidstaten op een samenhangende benadering te ontwikkelen, die de grondbeginselen van de vrije markt respecteert en de wederkerigheid op het vlak van de handel waarborgt;

94.  wijst erop dat veel ontwikkelingslanden, met name ten aanzien van de landbouw, worden gekenschetst door een economie voor eigen gebruik en dat dergelijke economieën vaak de enige bron van inkomsten en levensonderhoud zijn;

o
o   o

95.  verzoekt zijn Voorzitter deze ontwerpresolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en de ILO.

(1) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(2) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.
(3) PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1.
(4) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 15.
(5) PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 316.
(6) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 321.
(7) PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 162.

Juridische mededeling - Privacybeleid