Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/3018(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B7-0023/2011

Debatten :

PV 18/01/2011 - 16
CRE 18/01/2011 - 16

Stemmingen :

PV 19/01/2011 - 6.12

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0018

Aangenomen teksten
PDF 216kWORD 51k
Woensdag 19 januari 2011 - Straatsburg
De situatie in Haïti een jaar na de aardbeving: humanitaire hulp en wederopbouw
P7_TA(2011)0018RC-B7-0023/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2011 over de situatie in Haïti een jaar na de aardbeving: humanitaire hulp en wederopbouw

Het Europees Parlement,

–  gezien de internationale donorconferentie voor een nieuwe toekomst in Haïti, die op 31 maart 2010 in New York is gehouden, en het verslag van de delegatie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking van het Europees Parlement over haar werkbezoek aan New York,

–  gezien het actieplan van maart 2010 voor de wederopbouw en nationale ontwikkeling van Haïti, de grote projecten voor de toekomst,

–  gezien de conclusies van de buitengewone zitting van de Raad (Buitenlandse Zaken) van 18 januari 2010 in Brussel,

–  gezien de verklaring van 19 januari 2010 over de aardbeving in Haïti van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

–  gezien de conclusies van de voorbereidende ministersconferentie op 25 januari 2010 in Montreal,

–  gezien de in december 2007 door de drie Europese instellingen ondertekende Europese consensus betreffende humanitaire hulp,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 februari 2010 over de recente aardbeving in Haïti(1),

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking van het Europees Parlement over haar werkbezoek aan Haïti (25-27 juni 2010),

  gezien het verslag van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de informatiemissie naar Haïti en de Dominicaanse Republiek van 30 augustus 2010,

–  gezien het gezamenlijke document van Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en Kristalina Georgieva, lid van de Commissie, over de lering die getrokken moet worden uit het optreden van de EU na de aardbeving in Haïti, juni 2010,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 oktober 2010 over de Europese responscapaciteit in noodsituaties (COM(2010)0600),

–  gezien de stabiliseringsmissie van de Verenigde Naties in Haïti (Minustah),

–  gezien het in mei 2006 gepubliceerde verslag van Michel Barnier „Op weg naar een Europese civiele bescherming: Europe Aid”,

–  gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Haïti op 12 januari 2010 werd getroffen door een aardbeving met een kracht van 7,3 op de schaal van Richter, waardoor 222 750 mensen werden gedood, 3 miljoen mensen werden getroffen en bijna 1,7 miljoen mensen ontheemd raakten, van wie er nog steeds meer dan een miljoen ondergebracht zijn in provisorische kampen, die tijdelijk zouden moeten zijn; overwegende dat mensenrechtenorganisaties wijzen op de „verschrikkelijke” levensomstandigheden in die kampen en op de „risico's van verkrachting en seksueel geweld” waaraan de vrouwen blootstaan,

B.  overwegende dat 2,5 à 3,3 miljoen mensen momenteel geen voedselzekerheid hebben, in een land waar 60% van de bevolking op het platteland woont en 80% in volstrekte armoede leeft,

C.  overwegende dat de situatie in Haïti een jaar na de aardbeving chaotisch blijft, het land nog steeds in een noodsituatie verkeert en de wederopbouw maar moeizaam op gang komt,

D.  overwegende dat tientallen jaren armoede, milieubederf, kwetsbaarheid voor uiteenlopende natuurrampen, geweld, politieke instabiliteit en dictatuur van Haïti het armste land van Amerika hebben gemaakt, waar de meerderheid van de 12 miljoen inwoners voor de ramp van minder dan 2 dollar per dag moest leven; overwegende dat de door de aardbeving veroorzaakte schade het onvermogen van de staat heeft versterkt om essentiële overheidsdiensten te verlenen en dus actief te reageren op de inspanningen inzake hulpverlening en wederopbouw,

E.  overwegende dat van de 10 miljard dollar die tijdens de internationale donorconferentie voor de wederopbouw van Haïti op 31 maart 2010 in New York is toegezegd (met twee uitbetalingsdata: na 18 maanden en na drie jaar), tot op heden 1,2 miljard dollar daadwerkelijk is uitbetaald,

F.  overwegende dat de recente tragedie in Haïti laat zien hoe noodzakelijk het is om de instrumenten waarover de EU beschikt om rampen te bestrijden (humanitaire hulp en het communautair mechanisme voor civiele bescherming), efficiënter, sneller, beter gecoördineerd en zichtbaarder te maken,

G.  overwegende dat op voorstel van Haïti een tijdelijke commissie voor de wederopbouw van Haïti is ingesteld om te zorgen voor de coördinatie en doeltreffende aanwending van de middelen en om het actieplan voor de ontwikkeling van Haïti ten uitvoer te leggen; overwegende dat de Commissie als voornaamste donor lid van deze commissie is en stemrecht heeft,

H.  overwegende dat het wegruimen van het puin een belangrijke uitdaging voor de wederopbouw van het land blijft – slechts een miniem gedeelte is weggeruimd – en dat met het huidige tempo zes jaar nodig zal zijn om de miljoenen kubieke meters puin weg te ruimen,

I.  overwegende dat de cholera-epidemie, die op 19 oktober 2010 is uitgebroken, tot dusver ruim 3 000 slachtoffers heeft geëist en dat meer dan 150 000 mensen getroffen zijn; overwegende dat de verspreiding van de epidemie de duidelijke structurele tekortkomingen van de Haïtiaanse staat onderstreept, alsmede de beperkingen van het systeem van internationale hulp en van Minustah, en dat de maatregelen ter bestrijding van de cholera met name te lijden hebben onder de huidige politieke crisis na de verkiezingen,

J.  overwegende dat de Verenigde Naties van de 174 miljoen dollar maar 44 miljoen dollar hebben gekregen om de cholera-epidemie te bestrijden,

K.  overwegende dat de WHO in de komende 12 maanden 400 000 nieuwe choleragevallen verwacht, als de epidemie niet wordt bedwongen,

L.  overwegende dat de verkiezingen van 28 november 2010, waarvan de voorlopige uitslag begin december is aangekondigd, in Haïti tot gewelddadige protesten en talrijke aantijgingen van fraude hebben geleid; overwegende dat de internationale gemeenschap een transparant en legitiem verkiezingsproces zou moeten ondersteunen om te zorgen voor eerlijke verkiezingen die onontbeerlijk zijn voor de wederopbouw van het land, en dat de bescherming van de burgerbevolking een prioriteit is,

1.  verklaart zich nogmaals solidair met de slachtoffers van de aardbeving en de cholera op Haïti en beklemtoont dat de Haïtiaanse bevolking en het Haïtiaans maatschappelijk middenveld inspraak en inbreng in het wederopbouwproces moeten krijgen;

2.  benadrukt dat een krachtig engagement op lange termijn van de internationale gemeenschap, met inbegrip van de EU, nodig is met het oog op de nakoming van alle beloften die op de internationale donorconferentie in New York zijn gedaan en dat dat onmiddellijk geconcretiseerd moet worden; beklemtoont voorts dat alle Europese humanitaire hulp en steun voor wederopbouw wordt verstrekt in de vorm van giften, in plaats van leningen die weer tot schulden leiden;

3.  herinnert aan de sterke mobilisatie van de internationale gemeenschap na de verwoestende aardbeving in Haïti en aan haar daadwerkelijke politieke wil om de wederopbouw van Haïti op een andere wijze te steunen door niet de fouten van het verleden te herhalen en om eens en voor altijd de diepere oorzaken van de armoede in Haïti aan te pakken;

4.  betreurt de omvang van de ramp in Haïti waarvan de gevolgen een jaar na de aardbeving nog steeds goed zichtbaar zijn; is verheugd over het bedrag van de humanitaire hulp van de Commissie aan Haïti ten belope van 120 miljoen euro (waarvan 12 miljoen euro voor de strijd tegen de cholera) en over de steun van ongeveer 200 miljoen euro van de zijde van de EU-landen, alsmede over de inzet van de commissaris die verantwoordelijk is voor internationale samenwerking, humanitaire hulp en burgerbescherming, alsmede van DG ECHO en zijn deskundigen;

5.  onderstreept dat de invoering van clusters de coördinatie op het terrein van de humanitaire interventies mogelijk heeft gemaakt, maar dat deze methode toch haar beperkingen heeft in het licht van de enorme veelheid aan humanitaire actoren en het complexe karakter van de noodsituatie ten gevolge van de grote stedelijke concentratie;

6.  is verheugd over de inspanningen en het werk van de humanitaire organisaties (Rode Kruis, ngo's, Verenigde Naties) en de lidstaten, en onderstreept dat de niet-zichtbare gevolgen van de humanitaire inspanningen onder de aandacht moeten worden gebracht en dat de situatie onder controle kon worden gebracht door met name de verzorging van de gewonden, het aanvoeren van drinkwater en voedsel, alsmede het verlenen van provisorisch onderdak;

7.  stelt vast dat de cholera-epidemie het vrijwel totale onvermogen van de Haïtiaanse staat aan het licht heeft gebracht om te reageren op een makkelijk te voorkomen en te genezen ziekte, alsmede de beperkingen van het systeem van internationale steun in een land waar enorm veel humanitaire hulpverleners op de been zijn (12 000 ngo's); onderstreept dat de humanitairehulpverleners niet de zwaktes van de Haïtiaanse staat mogen blijven ondervangen of als vervanger van laatstgenoemde kunnen blijven optreden, en dat het urgent is eindelijk in te grijpen in de ontwikkeling op de lange termijn, met name ten aanzien van gezondheidszorg, drinkwater en riolering;

8.  is er verheugd over dat de Commissie en de lidstaten tijdens de internationale donorconferentie voor de wederopbouw van Haïti samen een bedrag van 1,2 miljard euro hebben toegezegd, waarvan 460 miljoen voor niet-humanitaire steun van de Commissie; dringt er nogmaals op aan dat de Europese Unie als voornaamste donor een voortrekkersrol bij de wederopbouw vervult;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de plaatselijke voedselproductie en voedselzekerheid op te nemen in de inspanningen voor de wederopbouw in Haïti middels de ontwikkeling van een plattelandsinfrastructuur en de steun aan kleine boeren in het kader van hun gezamenlijke aanpak van de planning van hun middelen voor de wederopbouw van Haïti en de tussentijdse toetsing van de planning van de resterende middelen van de Commissie, te weten 169 miljoen euro die nog beschikbaar zijn van de in New York toegezegde 460 miljoen euro; dringt aan op de uitvoering van het nieuwe beleidskader inzake voedselzekerheid dat in maart 2010 door de Commissie is aangekondigd;

10.  betreurt het dat de tijdelijke commissie voor de wederopbouw van Haïti, die bij de coördinatie van de wederopbouw een cruciale rol moet vervullen, haar werkzaamheden zo laat heeft aangevat; betreurt het gebrek aan informatie over haar werking en doeltreffendheid en verzoekt de Commissie als lid van de tijdelijke commissie stappen te nemen om de tenuitvoerlegging van het mandaat van de commissie te bespoedigen en haar werkmethode te herzien en aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over de werkzaamheden van de tijdelijke commissie, over het gebruik van de middelen en over het deel van de tijdens de conferentie van New York toegezegde fondsen dat daadwerkelijk aan de wederopbouw is besteed;

11.  erkent dat de tijdelijke commissie als centrale structuur voor de aanpak van de wederopbouw slechts doeltreffend kan functioneren indien de capaciteit van de Haïtiaanse overheid hersteld is en de Haïtiaanse leiders zijn vervangen na transparante en legitieme verkiezingen en indien de daadwerkelijke politieke wil voorhanden is om de besluiten te nemen die onontbeerlijk zijn voor het aanpakken van dit reusachtige werk;

12.  dringt bij de Haïtiaanse regering aan op handhaving en uitvoering van de voornemens in het nationale plan voor wederopbouw met betrekking tot versterking van het staatsgezag, een effectiever lokaal bestuur, capaciteitsopbouw voor de lokale en nationale overheid en de integratie van het concept van politieke, economische en institutionele decentralisatie;

13.  is van mening dat de lagere overheden en de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld beter moeten worden ondersteund en meer bij de besluitvorming moeten worden betrokken;

14.  betreurt het dat de Haïtianen slechts beschikken over schoppen, houwelen en kruiwagens om de tonnen puin weg te ruimen die nog steeds de hoofdstad blokkeren, hetgeen lachwekkend lijkt in het licht van de omvang van de problemen; onderstreept dat het wegruimen van het puin onontbeerlijk is voor de wederopbouw van Haïti; betreurt het dat vrijwel geen fondsen zijn vrijgemaakt om de puinhopen weg te ruimen en verzoekt de Commissie voor het ruimingswerk financiële hulp en technische bijstand te verlenen;

15.  verzoekt de Verenigde Naties het mandaat van Minustah te herzien met bijzondere aandacht voor de veiligheidsaspecten en heeft zijn bedenkingen over de effectiviteit van Minustah, gezien de recente gebeurtenissen, cholera-epidemie en verkiezingen;

16.  betreurt de omvangrijke woningnood in Haïti; onderstreept dat de huisvesting van daklozen, die voor het merendeel ondergebracht zijn in provisorische kampen, voornamelijk in de hoofdstad Port-au-Prince, vastloopt vanwege een gebrek aan beschikbare grond, het ontbreken van een kadaster en het feit dat talrijke percelen in het bezit zijn van geëmigreerde Haïtianen; doet een beroep op de politieke bereidheid van de Haïtiaanse autoriteiten om doortastend op te treden, met name door onteigening;

17.  is steeds meer verontrust over de situatie van de meest kwetsbare Haïtianen, met name vrouwen en kinderen, tengevolge van de aardbeving, waardoor meer dan 800.000 kinderen zwaar getroffen zijn, die blootstaan aan de gevaren van geweld, seksueel misbruik, mensenhandel, uitbuiting en achterlating, en verzoekt de Europese Unie (Commissie) om zich resoluut in te zetten teneinde voor de kinderen geborgenheid en een veilige leefomgeving te creëren, in Haïti de invoering van een stelsel van sociale bescherming te ondersteunen en de hervorming van het onderwijs te stimuleren; dringt aan op verbetering van de woon- en veiligheidssituatie in de kampen;

18.  verlangt dat de Europese Unie met de regering van het eiland samenwerkt om een allesomvattende wettelijke regeling ter bescherming van het kind op te stellen en om in het nationale recht verplichtingen op te nemen die voortvloeien uit talrijke, door Haïti geratificeerde internationale instrumenten op het gebied van de rechten van het kind, de mensenrechten, de afschaffing van slavernij en de bescherming van de rechten van het kind;

19.  acht het van het grootste belang dat de Commissie de uitvoering ondersteunt van de procedures voor de identificatie, de registratie en het opsporen van familieleden van kinderen die van hun familie gescheiden zijn, en dat zij voor bijzondere waakzaamheid aan de grenzen zorgt om kinderhandel en illegale adoptie tegen te gaan;

20.  onderstreept dat het van essentieel belang is om onverwijld de capaciteit van de Haïtiaanse staat op te bouwen om democratie en goed bestuur te laten functioneren, die onontbeerlijk zijn voor de wederopbouw van het land, en om toe te zien op de participatie van het maatschappelijk middenveld en de bevolking van Haïti;

21.  is zeer bezorgd over de huidige politieke crisis naar aanleiding van de uitslag van de parlements- en presidentsverkiezingen die sterk worden aangevochten, voorzichtig door de missies van buitenlandse waarnemers worden ondersteund en thans aan een hertelling van de stemmen worden onderworpen door deskundigen van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), die in hun rapport van 13 januari 2011 aanbevelen de kandidaat van de zittende machthebbers, Jude Célestin, te laten wijken voor Michel Martelly, gelet op de geconstateerde fraude;

22.  verlangt dat de Europese Unie alles in het werk stelt om een legitiem en transparant verkiezingsproces en het goede verloop van de tot februari uitgestelde tweede ronde nadrukkelijk te ondersteunen ten einde te voorkomen dat Haïti in een zwaardere crisis verzinkt; is van oordeel dat slechts een gekozen en legitieme president en legitieme parlementsleden de noodzakelijke besluiten kunnen nemen en dat de wederopbouw stabiliteit en politieke wil vergt;

23.  verzoekt de internationale gemeenschap en de Europese Unie met klem om nauw met de toekomstige Haïtiaanse autoriteiten samen te werken en hen tijdens het gehele proces van wederopbouw te begeleiden bij het organiseren van het staatsbestel en slagkracht van de overheid op weg naar een nieuw evenwicht op alle niveaus en naar een volledig functionerende democratie;

24.  benadrukt dat de bedragen die door de Haïtiaanse emigranten worden overgemaakt, van cruciaal belang zijn, aangezien op deze manier geld rechtstreeks in handen van de Haïtiaanse bevolking komt, die het snel kan gebruiken om nijpende nood te lenigen; verzoekt de lidstaten en de Haïtiaanse regering om deze overmakingen te faciliteren en te werken aan een vermindering van de kosten ervan;

25.  verzoekt de EU en haar lidstaten om het herstel van Haïti hoog op hun agenda te houden; acht de tijd gekomen om Haïti te helpen een economisch en politiek sterk en autonoom land te worden; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan dat zij de gelegenheid te baat neemt om eens en voor altijd de fundamentele oorzaken van de armoede in Haïti aan te pakken;

26.  verzoekt de Commissie om in de geest van de Europese consensus betreffende humanitaire hulp aanzienlijke inspanningen te leveren teneinde in samenwerking met de regering, de lagere overheden en het maatschappelijk middenveld rampenvoorbereiding en terugdringing van het rampenrisico deel te laten uitmaken van de noodhulpfase en van de ontwikkeling op de lange termijn;

27.  dringt er bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk voorstellen in te dienen voor de oprichting van een EU-macht voor civiele bescherming op basis van het Europees mechanisme voor civiele bescherming;

28.  stelt vast dat in Haïti reeds tientallen jaren humanitaire hulp wordt verleend en dat het belang van de band tussen noodhulp, wederopbouw en ontwikkeling in deze crisis duidelijk tot uiting komt; benadrukt dat het van cruciaal belang is dat de VN verantwoordelijk zijn en blijven voor het coördineren van alle civiele en militaire operaties met betrekking tot herstel van de veiligheid, humanitaire hulp, wederopbouw en ontwikkeling;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie en de lidstaten, de president en de regering van Haïti, de adjunct-secretaris-generaal bevoegd voor humanitaire kwesties en coördinator van de noodhulp van de Verenigde Naties, alsmede aan de Wereldbank en het IMF.

(1) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 5.

Juridische mededeling - Privacybeleid