Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2095(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0022/2011

Ingediende teksten :

A7-0022/2011

Debatten :

PV 08/03/2011 - 18
CRE 08/03/2011 - 18

Stemmingen :

PV 09/03/2011 - 10.4
CRE 09/03/2011 - 10.4
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0093

Aangenomen teksten
PDF 243kWORD 152k
Woensdag 9 maart 2011 - Straatsburg
Een industriebeleid voor het tijdperk van de globalisering
P7_TA(2011)0093A7-0022/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 9 maart 2011 over een industriebeleid voor het tijdperk van de globalisering (2010/2095(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 173 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (oud artikel 157 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen) betreffende het industriebeleid van de EU, waarin met name het concurrentievermogen van de Europese industriesector wordt genoemd,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2010 getiteld „Een geïntegreerd industriebeleid in een tijd van mondialisering – Concurrentievermogen en duurzaamheid centraal stellen” (COM(2010)0614),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 juni 2010 over EU 2020(1),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 juni 2010 over het communautaire innovatiebeleid in een veranderende wereld(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 september 2009 getiteld „Voorbereiden van onze toekomst: ontwikkeling van een gemeenschappelijke strategie voor sleuteltechnologieën in de EU” (COM(2009)0512),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 mei 2008 over de tussentijdse evaluatie van het industriebeleid – Een bijdrage tot de strategie van de EU voor groei en werkgelegenheid(3),

–  gezien de informele Raad Concurrentievermogen van 14 en 15 juli 2010,

–  gezien de conclusies van de 2999e bijeenkomst van de Raad Concurrentievermogen van 1 en 2 maart 2010,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 november 2008 getiteld „Het grondstoffeninitiatief – Voorzien in onze kritieke behoeften aan groei en werkgelegenheid in Europa” (COM(2008)0699),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 getiteld „Europa 2020-kerninitiatief – Innovatie-Unie” (COM(2010)0546),

–  gezien de paper van DG Ondernemingen en industrie van de Commissie van 26 april 2010 getiteld „EU Manufacturing Industry: What are the Challenges and Opportunities for the Coming Years?”,

–  gezien het werkdocument van de Commissie getiteld „Verslag over de implementatie van de ”Small Business Act'„ (COM(2009)0680),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 juli 2008 getiteld „Actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid” (COM(2008)0397),

–  gezien het in opdracht van de Commissie geschreven verslag getiteld „Promoting Innovative Business Models with Environmental Benefits” van november 2008,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 juli 2007 getiteld „Tussentijdse evaluatie van het industriebeleid – Een bijdrage tot de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid” (COM(2007)0374),

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0022/2011),

A.  overwegende dat de wereldwijde economische crisis de Europese industriesector heeft getroffen, waardoor deze zich moeilijker kan aanpassen aan uitdagingen als globalisering, klimaatverandering, uitputting van hulpbronnen, demografische veranderingen en op kennis en efficiëntie gebaseerde wijzigingen in de industrie, die een ingrijpende invloed hebben op de industriële ontwikkeling, de arbeidsmarkt en de toekomstperspectieven,

B.  overwegende dat de EU, om de gevolgen van de crisis te boven te komen en deze uitdagingen het hoofd te bieden, een industriebeleid nodig heeft dat zich op concurrentievermogen, duurzaamheid en fatsoenlijk werk richt, en daarnaast tegelijkertijd de economie stimuleert, de werkgelegenheid aanzwengelt, de milieuverontreiniging vermindert en de levenskwaliteit naar een hoger peil tilt,

C.  overwegende dat een Europees industriebeleid alleen succes kan hebben indien het omkaderd wordt door enerzijds een nieuwe opzet van de financiële sector die investeringen bevordert en speculatie voorkomt, en anderzijds een macro-economische aanpak die het belastings-, economisch en begrotingsbeleid van de EU in de richting van duurzame groei en werkgelegenheid stuurt,

D.  overwegende dat sommige Europese industriesectoren zich in een permanente crisis bevinden door oneerlijke concurrentie uit derde landen, met name op het gebied van arbeidsbetrekkingen, milieu en bescherming van intellectuele- en industriële-eigendomsrechten,

E.  overwegende dat de Europese industrie op het vlak van toegang tot hulpmiddelen, technologische innovatie, gekwalificeerde werknemers, alsook een gericht en ambitieus industrie- en innovatiebeleid met toenemende mondiale concurrentie uit geïndustrialiseerde landen en opkomende landen zoals China, India en Brazilië te maken heeft,

F.  overwegende dat een Europese strategie ter bevordering van:

   sterke en gekwalificeerde human resources met een groot creatief vermogen die actief participeren in innovatie en ontwikkeling,
   nieuwe en innovatieve technologieën, processen en oplossingen die meerwaarde opleveren,
   onderzoek en ontwikkeling die aangepast zijn aan de behoeften van duurzame ontwikkeling,
   een efficiënte aanvoerketen voor de productie van kwalitatief hoogwaardige goederen en diensten,
   grotere efficiëntie bij de organisatie van het productiesysteem en het management,
   een algemeen efficiënter gebruik van hulpbronnen dat tot een kleinere koolstofvoetafdruk leidt,
   kostenefficiënte en duurzame vervoerswijzen,
   een slimme en efficiënte logistiek en een kwalitatief hoogwaardige infrastructuur,
   een geconsolideerde en volledig operationele interne markt,
   een level playing field in de handelsbetrekkingen met derde landen,
  

de enige manier is om de duurzaamheid en het concurrentievermogen van de Europese industrie te vergroten en zo haar internationale leidende positie te behouden,

G.  overwegende dat de internationale leidende positie van de Europese industriesector door de steeds breder wordende industriële basis in opkomende landen steeds meer op de proef wordt gesteld en dat de grootste concurrenten, zoals de VS, Japan en China, een sterk en actief industriebeleid voeren, dat door significante investeringen in innovatieve producten en diensten wordt ondersteund; overwegende dat om deze redenen het in stand houden en vergroten van het concurrentievermogen van de Europese industrie van primordiaal belang is, teneinde haar rol als motor voor duurzame groei en werkgelegenheid in Europa te handhaven,

H.  overwegende dat het mogelijk is industriële vooruitgang te bewerkstelligen door een combinatie van geëigende randvoorwaarden, slimme, vooruitziende en gerichte regulering en stimulering van de markt op basis van correcte voorspellingen van marktontwikkelingen, met steun voor het wereldwijde streven naar schone, duurzame en innovatieve vormen van productie, distributie en consumptie,

I.  overwegende dat de EU op macro-economisch gebied prioriteit dient toe te kennen aan beleid gericht op investeringen in de industrie- en de dienstensector, in het bijzonder in deze crisistijd waarin investeringen (met name in capaciteit, en in mindere mate in productiviteit) het eerst worden geschrapt; overwegende dat de lidstaten, de EU en de regionale en lokale overheden doelstellingen voor publieke investeringen dienen vast te stellen (d.w.z. wat betreft de investeringsuitgaven binnen de totale publieke uitgaven), ook in het kader van bezuinigingsplannen,

J.  overwegende dat een ambitieus Europees industriebeleid dient te stoelen op een sterke interne markt, zowel binnen de grenzen van de EU als wat de externe dimensie betreft; overwegende dat het van essentieel belang is op de kansen en uitdagingen van de mondialisering in te spelen door een combinatie van alle instrumenten van het industriebeleid (zoals het O&O-beleid, het regionaal beleid, het mededingingsbeleid, het op elkaar afstemmen van regelgeving en het handelsbeleid),

K.  overwegende dat de de-industrialisering in Europa een feit is dat onze technologische en economische positie in gevaar brengt, gezien de toenemende mondialisering en hevige concurrentie van zich snel ontwikkelende landen,

L.  overwegende dat het fundamenteel is de bureaucratische lasten die op het bedrijfsleven rusten te verminderen en hun wetgevings- en regelgevingskader te vereenvoudigen, met inachtneming van de beginselen van „betere regelgeving”,

M.  overwegende dat de wereldwijde vraag naar grondstoffen en hulpbronnen al een tijd gestaag toeneemt, hetgeen resulteert in zorgen over mogelijke verstoringen van de bevoorrading,

N.  overwegende dat volgens het Duits Bureau voor statistiek tot 45% van de kosten per producteenheid materiaalkosten zijn en dat verstandig omgaan met grondstoffen en efficiënt omgaan met energie dus van cruciaal belang is voor de Europese industrie,

O.  overwegende dat de EU marktaandeel verliest, ondanks de goede prestaties van een aantal lidstaten; overwegende dat de EU op het gebied van spitstechnologie, en met name NICT's (nieuwe informatie- en communicatietechnologieën), niet de plaats inneemt die haar toekomt (13% van de toegevoegde waarde in de VS, 5% in de EU); overwegende dat de productiviteit in de verwerkende industrie in de EU daalt,

P.  overwegende dat de verwerkende industrie de belangrijkste aanzwengelaar van productiviteitswinst is – zowel binnen de eigen sector, alsook binnen de economie als geheel – en dat industriële innovatie een van de belangrijkste bronnen van nieuwe diensten en dus van groei op lange termijn is, met name in het licht van de demografische vooruitzichten van de EU,

Q.  overwegende dat de industrie voor de Europese economie van zeer groot belang is omdat zij, wanneer we de aan deze sector gerelateerde diensten mee in overweging nemen, goed is voor 37% van het bbp, 80% van de uitgaven voor O&O en 75% van de export,

R.  overwegende dat de traditionele Europese industrieën van groot belang zijn en dat zij over een grote, voor de economie cruciale knowhow beschikken, die ten volle dient te worden benut,

S.  overwegende dat onze mondiale concurrenten, zoals de VS en de Aziatische landen, proactief industrieel beleid hebben ontwikkeld dat stoelt op stevige investeringen in O&O in de sleutelsectoren,

Een nieuwe benadering van een duurzaam industriebeleid

1.  acht het een goede zaak dat de Commissie met de Europa 2020-strategie en de mededeling over een geïntegreerd Europees industriebeleid nu eindelijk de betekenis van een bloeiende industrie, en met name verwerkende industrie, voor duurzame groei en werkgelegenheid in Europa erkent en zich vastlegt op een geïntegreerd industriebeleid dat stoelt op het beginsel van een sociale markteconomie;

2.  neemt nota van het voorstel van de Commissie voor een geïntegreerd industriebeleid en van het feit dat daarin de nadruk wordt gelegd op het herstel van het concurrentievermogen van de industriesector van de EU; benadrukt in dit verband dat, gezien de mondiale uitdagingen, energie- en grondstoffenefficiëntie de kern moeten vormen van de inspanningen gericht op vernieuwing van de Europese industriesector wil de Europese industrie in de toekomst concurrerend blijven;

3.  benadrukt het feit dat de diverse door de Commissie voorgestelde maatregelen voor consumenten wel betaalbaar moeten blijven, met name nu de Europese economie, en in het bijzonder de economie in de nieuwe lidstaten, nog aan het herstellen is van de ernstigste crisis in tientallen jaren;

4.  benadrukt het feit dat duurzame ontwikkeling, zoals gedefinieerd door de conferentie van Johannesburg in 2002, op drie pijlers stoelt: een economische, een sociale en een milieupijler, en dat het industriebeleid, teneinde onze economie de meest concurrerende te maken, moet inzetten op een evenwichtige mix van deze drie factoren;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een ambitieuze, milieuefficiënte en groene industriestrategie voor de EU te ontwikkelen, teneinde de verwerkende industrie overal in de EU nieuw leven in te blazen en in de EU hooggekwalificeerde en goedbetaalde banen te scheppen;

6.  benadrukt de behoefte aan voorspelbaarheid en stabiliteit van de regelgeving op lange termijn, die voor de industrie van essentieel belang zijn om investeringen te kunnen plannen; roept de Commissie daarom op tezamen met het Europees Parlement en de Raad een allesomvattende visie voor de Europese industrie in 2020 te ontwikkelen, die rekening houdt met concurrentievermogen en duurzaamheid van de industrie en richtsnoeren biedt voor bijvoorbeeld energie- en hulpbronnenefficiëntie, met het oog op de ontwikkeling van groei en werkgelegenheid, en, in het verlengde daarvan, welvaart in Europa; betreurt in dit verband het gebrek aan concrete voorstellen in de mededeling van de Commissie;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om werkgelegenheid, in het kader van de wijzigingen aan de Verdragen die nu worden overwogen, bij de doelstellingen van de Europese Centrale Bank net zo belangrijk te maken als inflatiebestrijding;

8.  benadrukt dat ontwikkeling onmogelijk is zonder een solide en sterke industriële basis; onderkent dat ontwikkeling kan bijdragen tot meer nieuwe banen en handhaving van de levensstandaard van burgers;

9.  verzoekt overheden de bureaucratie te verminderen, overlapping van formaliteiten te vermijden en ten aanzien van de duur van procedures meer openheid te verschaffen;

10.  onderstreept dat dit alleen mogelijk zal zijn met een kennisindustrie met een sterke industriële basis;

11.  onderstreept dat een nieuw, duurzaam industriebeleid alleen kans van slagen heeft als het gebaseerd is op een geïntegreerde, sectoroverkoepelende benadering die berust op praktische sectorale en horizontale initiatieven op basis van objectieve economische overwegingen, ten aanzien van gemeenschappelijke thema's die voor een aantal sectoren van groot belang zijn en tastbare resultaten opleveren voor zowel ondernemingen als burgers op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau;

12.  benadrukt nog eens het belang van sectoren zoals energie en transport voor de kostenstructuur van de Europese industriesector; is van oordeel dat het concurrentievermogen van deze sectoren via privatiseringen verder moet worden verbeterd; is tegen deze achtergrond overtuigd van de noodzaak om het niveau van overheidsfinanciering in op geliberaliseerde markten opererende bedrijven te beperken en om stappen te nemen gericht op het vrij verlenen van diensten in alle transportmodi;

13.  is van oordeel dat er een macro-economisch kader moet worden ontwikkeld waarbinnen de Europese industrie kan gedijen, en dat dus rekening houdt met feiten als de schaarste aan en de uitputting van hulpbronnen; vindt in dit verband dat Europa niet alleen moet beogen het huidige concurrentievermogen te bevorderen, maar vooral ook het toekomstige concurrentievermogen te waarborgen;

14.  is van oordeel dat de industriële strategie van de EU strategische gebieden voor investeringen moet identificeren, en verzoekt de Commissie en de lidstaten deze prioriteiten mee te laten wegen in de toekomstige financiële vooruitzichten, de jaarlijkse begrotingen en EU-beleidsmaatregelen;

15.  acht het belangrijk dat een geïntegreerd industriebeleid wordt vastgesteld waarbinnen Europese initiatieven elkaar aanvullen en niet haaks staan op het gemeenschappelijke doel van ontwikkeling;

16.  spoort de Commissie aan haast te maken met de voltooiing van de interne markt, aangezien dit een voorwaarde is voor een concurrerende industriesector en innovatie;

17.  onderstreept het feit dat billijke concurrentie in combinatie met open markten van essentieel belang is voor het ontstaan van nieuwe en dynamische industriesectoren;

18.  is ervan overtuigd dat niet alleen de publieke sector, maar met name ook de privésector een essentiële rol moet spelen bij het investeren in de herstructurering en de ontwikkeling van nieuwe industriesectoren, waarmee gezorgd wordt voor nieuwe banen en de overgang naar een grondstoffenefficiënte en koolstofarme economie; acht het derhalve van essentieel belang dat voor deze privé-investeringen een passend kader wordt gecreëerd;

19.  benadrukt dat de nieuwe geïntegreerde benadering een goed functionerende samenwerking binnen de Commissie en samenhang tussen de diverse beleidsmaatregelen van de Commissie vereist; verzoekt de Commissie hiertoe een vaste taskforce industriebeleid in het leven te roepen die tot taak heeft de sturing en de maatregelen van de nieuwe, geïntegreerde Europese strategie voor het industrieel beleid te coördineren en aan te passen en toezicht te houden op de uitvoering ervan;

20.  verzoekt de Commissie meer aandacht aan aspecten van het concurrentievermogen te besteden bij effectbeoordelingen („concurrentiebestendigheid”) en evaluaties vooraf of achteraf („fitness checks”), en dit essentiële onderdeel van slimme regelgeving zo snel mogelijk toe te passen in alle diensten van de Commissie; benadrukt dat voor een blijvend concurrerende, grondstoffenefficiënte en koolstofarme economie duurzaamheid van het grootste belang is;

21.  onderstreept dat de EU van haar industrie de meest concurrerende ter wereld kan maken, o.a. door middel van:

   nieuwe kwaliteits- en effectiviteitsnormen,
   inkorting van de tijd voor het op de markt brengen van nieuwe producten met behulp van geavanceerde ICT-instrumenten, methoden en procedés voor analyse, ontwerp, fabricage en onderhoud,
   facilitering van de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en de uitrustingssector binnen de aanvoerketen,
   vastberadener inspanningen ten behoeve van de synergie tussen civiel en militair onderzoek;

22.  steunt het initiatief dat de Commissie in punt 3 van haar mededeling noemt en dat inhoudt dat zij toekomstige wetgeving consequent zal toetsen op de gevolgen voor het industriebeleid en de uitvoering van deze wetgeving zal beoordelen, en onderstreept dat inspraak van de sociale partners en een maximale transparantie gewaarborgd moeten worden;

23.  onderstreept dat een nieuw duurzaam EU-industriebeleid alleen vrucht kan afwerpen als dit beleid en het industriebeleid van de lidstaten nauw op elkaar worden afgestemd, en roept de Commissie dan ook op in 2011 de initiatieven te nemen die artikel 173, lid 2, van het Verdrag van Lissabon mogelijk maakt, met richtsnoeren, indicatoren, uitwisseling en verspreiding van de beste beschikbare praktijken en technologieën, en controle- en evaluatieprocedures;

24.  verzoekt de Commissie samen met het Europees Parlement en de Raad een nieuw kader te ontwikkelen dat bedrijven uit verschillende lidstaten in staat stelt en aanmoedigt om beter samen te werken bij de vaststelling en verwezenlijking van hun industriële prioriteiten; is van mening dat daardoor in Europa vervaardigde producten concurrerender worden en beter kan worden ingespeeld om veranderende omstandigheden op de wereldmarkt;

25.  is ervan overtuigd dat het welslagen van een nieuw duurzaam industriebeleid afhankelijk is van de vraag of alle belanghebbenden, waaronder de sociale partners, regionale en lokale overheden, vertegenwoordigers van de kmo's en het maatschappelijk middenveld, hierbij betrokken worden; roept de Commissie op in alle onderwerpen en maatregelen een duidelijk partnerschapsbeginsel te verankeren; hiertoe behoort ook een voortdurend anticiperen op en evalueren van verwachte ontwikkelingen en toetsing van de strategieën, maatregelen en programma's;

26.  is van oordeel dat een industriebeleid van de EU voor het tijdperk van de globalisering zijn doelstellingen enkel kan verwezenlijken als de omvang van de communautaire beleidsvormen aangepast is aan de uitdagingen waarvoor de Europese regio's en hun lokale industrie momenteel staan en de komende jaren zullen staan, op voorwaarde dat de respectieve Europese beleidsvormen leiden tot meer efficiëntie en een groter concurrentievermogen van de kmo's, die de belangrijkste actoren van de Europese industrie zijn; benadrukt in dit verband dat de regionale dimensie van de gevolgen van economische, demografische, klimaat- en energieveranderingen verder moet worden geanalyseerd, waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke regionale ongelijkheden die deze uitdagingen zullen teweegbrengen, waardoor de homogene groei van het bedrijfsleven in de EU zal worden beïnvloed; benadrukt de voortrekkersrol van de regio's om een groenere industrie en de ontwikkeling van hernieuwbare energie te bevorderen;

27.  merkt op dat het industriebeleid voor een groot deel bestaat uit het beschermen van de industrie in de EU tegen oneerlijke concurrentie uit derde landen;

28.  roept de Commissie op onverwijld een concreet tijdschema voor het toezicht op de omzetting van deze strategie op te stellen en elk jaar een voortgangsverslag voor te leggen; is tevens van mening dat de Commissie elk jaar moet nagaan hoe doeltreffend deze richtsnoeren en initiatieven zijn geweest om de bij de uitvoering ondervonden problemen in kaart te brengen en aanvullende doelstellingen vast te stellen, om er zeker van te zijn dat het EU-industriebeleid altijd actueel is;

29.  wijst erop dat internationalisering een sleutelfactor is voor het concurrentievermogen van bedrijven, en verzoekt daarom de Commissie er intensiever naar te streven dat maximaal profijt wordt getrokken van de kennis die via netwerken ter ondersteuning van het bedrijfsleven is verworven, zodat internationaliserende ondernemingen hiervan gebruik kunnen maken;

30.  onderstreept dat pan-Europese structuren en infrastructuren die erop gericht zijn bronnen en middelen bijeen te brengen, de basis kunnen vormen voor een pan-Europees industriemodel dat op de wereldmarkt kan concurreren;

Financiering

31.  dringt aan op een ambitieuze financiering van het industrie- en infrastructuurbeleid – met name ten aanzien van infrastructuur op het gebied van onderzoek, energie, telecommunicatie en vervoer (TEN) – m.a.w. het geheel aan „publieke goederen” waarin ondernemingen ingebed zijn; acht het met het oog daarop beslist noodzakelijk Europese obligaties (Eurobonds of projectbonds) op de markt te brengen om de Commissie in staat te stellen de innovatie, de infrastructuur en de herindustrialisering te financieren;

Innovatie

32.  onderstreept dat innovatie de motor van het industriebeleid en van de groei is en dat alle initiatieven die innovatie ondersteunen:

   gebaseerd moeten zijn op een zeer ruime definitie van innovatie, die onder meer producten en productiesystemen, diensten, opleiding, processen, organisatie, kwaliteit, management, overdracht en bescherming omvat;
   rekening moeten houden met het in derde landen gevoerde beleid en tot een aanpassing moeten leiden van bepaalde punten in ons intern beleid, zoals de regeling inzake overheidssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie;
   met name het ontwerp, de productie en de samenstelling van producten en diensten in de gehele proces- en waardeketen moeten omvatten, door middel van innovatiesteun die doorloopt tot in de fase voorafgaande aan het op de markt brengen van het product;
   technologieneutraal moeten zijn;
   allereerst gericht moeten zijn op de totstandbrenging van een gunstige omgeving waarin bedrijven in O&O en innovatie investeren, door middel van efficiënte financieringsregelingen en meer samenwerking tussen de actoren binnen en buiten de verschillende bedrijfstakken en binnen de waardeketens, onderzoeksinstituten en universiteiten;
   zich moeten richten op de rol die de productie speelt in de innovatiefase; als de gehele industrieproductie naar andere delen van de wereld verhuist, zal de kennisproductie haar fundament in Europa verliezen en ook verhuizen, omdat ideeën die op de tekentafel zijn ontwikkeld, dan niet onmiddellijk in de praktijk kunnen worden getest;
   de creativiteit en de van de werknemer uitgaande innovatie in openbare en particuliere organisaties moeten bevorderen;

33.  onderstreept dat duidelijker moet worden onderscheiden tussen onderzoek en innovatie, die weliswaar een nauw onderling verband vertonen, maar worden gekenmerkt door verschillende doelstellingen, middelen, interventie-instrumenten en werkmethoden: onderzoek, dat door bedrijven wordt uitgevoerd met het oog op hun eigen groei, moet nieuwe kennis opleveren en moet van nature verkennend en onafhankelijk zijn en risico's nemen; innovatie heeft daarentegen tot doel nieuwe producten, nieuwe diensten en nieuwe procedés te ontwikkelen die een rechtstreeks effect hebben op de markt, de samenleving en het leven van de bedrijven zelf;

34.  is van mening dat met name de vaststelling van ijkpunten („benchmarks”) en normen in hoge mate heeft bijgedragen tot het stimuleren van innovatie en duurzaam concurrentievermogen in diverse industriesectoren; verzoekt om versterking van het Europese normalisatiestelsel door middel van maatregelen ter bevordering van vereenvoudiging, transparantie, kostenvermindering en betrokkenheid van belanghebbenden;

35.  wijst op de noodzaak van een betere coördinatie tussen de lidstaten en een betere samenwerking tussen ondernemingen, via bedrijvenclusters, netwerken en „centres of excellence”;

36.  benadrukt dat het concurrentievermogen van de EU in zeer sterke mate afhankelijk is van innovatiecapaciteit, faciliteiten voor onderzoek en ontwikkeling en de band die er bestaat tussen innovatie en industriële productie;

37.  dringt erop aan dat in de eerste plaats de uitgaven voor onderzoek voor de volgende subsidieperiode na 2013 (FRP 8) aanzienlijk worden verhoogd (EU-doelstelling: 3% van het bbp voor onderzoek en technologie, 1% van het bbp aan overheidsmiddelen), om te bereiken dat de Europese industrie op technologiegebied toonaangevend en mondiaal concurrerend blijft en dat daardoor particuliere investeringen effect sorteren; behalve een sterke gerichtheid op onderzoek naar innovatieprocessen, management, organisatie en het betrekken van werknemers bij innovatie, is ook onderzoek nodig op het gebied van generieke fundamentele technologie; benadrukt voorts dat de administratieve procedures en de procedures voor de verkrijging van financiering moeten worden vereenvoudigd;

38.  merkt op dat de toename van regionale ongelijkheden op het gebied van onderzoeks- en ontwikkelingspotentieel een probleem vormt dat niet alleen in het kader van het cohesiebeleid moet worden aangepakt, maar ook via het onderzoeks- en innovatiebeleid; vraagt in dit verband, naast de financiering voor onderzoek, dat de middelen binnen dezelfde operationele programma's worden herschikt om innovatieve programma's te steunen en de aanwending van onderzoeksresultaten te verbeteren in oplossingen die ten dienste van de samenleving op de markt worden gebracht;

39.  merkt op dat een aanzienlijke verhoging van de investeringen in O&O, zowel van particuliere als van overheidszijde, van essentieel belang is, wil de EU-industrie een koppositie op technologiegebied behouden en mondiaal concurrerend blijven op terreinen als hernieuwbare energie en vervoersefficiëntie; merkt op dat goed functionerende markten voor innovatieve producten en een stabiel investeringsklimaat voorwaarden zijn voor een verhoging van de particuliere investeringen in O&O; is van mening dat meer overheidsgelden voor O&O nodig zijn om als hefboom voor particuliere investeringen te fungeren en samenwerking te stimuleren en dat vereenvoudiging van de procedures voor overheidsfinanciering, met name in de EU-kaderprogramma's, een vereiste is voor een grotere participatie van het bedrijfsleven;

40.  erkent evenwel dat de particuliere sector zijn O&O-financiering moet opschroeven, wil Europa het investeringsniveau halen dat nodig is om van innovatie de stuwende kracht achter de economische groei te maken; verzoekt daarom de Commissie onderzoek te doen naar de hindernissen die beletten dat bedrijven in Europa vergelijkbare bedragen investeren als hun internationale tegenhangers, bijv. in de VS, en passende wetgevende en niet-wetgevende maatregelen te nemen, waar zij dit nodig acht;

41.  is van mening dat de gezamenlijke technologie-initiatieven (zoals CleanSky) zeer nuttige instrumenten zijn om gelijktijdig financiële middelen van de lidstaten, de EU en de particuliere sector bijeen te brengen voor innovatieprojecten met sterke stimuleringseffecten; wenst dat de financiering van de bestaande projecten wordt gegarandeerd om deze af te kunnen maken, en vindt het van essentieel belang dat er nieuwe projecten worden opgezet op veelbelovende gebieden (biotechnologie, nanotechnologie, ruimtevaart, hernieuwbare energie, vervoer van de toekomst, nieuwe materialen enz.);

42.  dringt aan op consequente benutting en versterking van de beschikbare wetenschappelijke en technologische kennis in de lidstaten, met name op het gebied van de sleuteltechnologieën (KET);

43.  is verheugd over de instelling van een deskundigengroep op hoog niveau die een gemeenschappelijke strategie voor de langere termijn en een actieplan voor KET moet opstellen, om de mogelijkheden van de KET ten volle te benutten;

44.  wijst op het succes van de Risk Sharing Financial Facility (RSFF) als belangrijke vorm van financiering van O&O en innovatie door de Europese Investeringsbank (EIB); moedigt de Commissie uitdrukkelijk aan om aanzienlijk meer middelen beschikbaar te stellen, onder meer via door het EFRO gefinancierde roterende innovatiefondsen, en rechtstreekse particuliere investeringen en innoverende financieringsinstrumenten te bevorderen voor innovatieve projecten waaraan een groot risico is verbonden of waarbij geschikte kmo's betrokken zijn; onderstreept tevens dat het van belang is innovatieprogramma's toegankelijker te maken voor kmo's door verlichting van de bureaucratische lasten;

45.  is bezorgd over het feit dat bedrijven slechts in geringe mate een beroep doen op de structuurfondsen om hun innoverende projecten te financieren; is van oordeel dat de beheersautoriteiten meer inspanningen moeten leveren om de operationele programma's beter onder de aandacht te brengen van de bedrijven en hen bij het opzetten van hun projecten alle nodige hulp te verlenen;

46.  verzoekt de Commissie een overzicht te maken van de beste praktijken op het gebied van bestaande en geplande financieringsmechanismen, fiscale maatregelen en financiële innovatiebevorderende stimulansen, en wenst dat dit overzicht jaarlijks wordt geactualiseerd en het rendement van de maatregelen wordt geëvalueerd;

47.  vraagt om onderzoek naar het opzetten van nieuwe, alternatieve mechanismen waarmee het gebrek aan financiering voor Europese ondernemingen en met name kmo's kan worden opgevangen; is van mening dat deze mechanismen:

   gebaseerd moeten zijn op risicodeling tussen particuliere en openbare investeerders via publiek-private partnerschappen;
   het hefboomeffect van de openbare investeringen moeten optimaliseren om zo omvangrijke particuliere investeringen te genereren;
   rekening moeten houden met de specifieke behoeften van innoverende kmo's die niet beschikken over eigen middelen en activa op basis waarvan zij leningen kunnen aangaan;
   de commerciële benutting van de resultaten van het Europese onderzoek moeten stimuleren en de overdracht van technologie naar de kmo's moeten bevorderen;
   het optreden van de EIB moeten ondersteunen.
  

In het kader van deze mechanismen moet gebruik worden gemaakt van de volgende instrumenten:

   een Europees fond voor de financiering van innovatie (EFFI), waaruit risicokapitaal beschikbaar moet worden gesteld voor de aanloop- en de ontwikkelingsfase;
   een Europees octrooifonds, dat de technologieoverdracht tussen onderzoekcentra en bedrijven, met name innoverende kmo's, moet vergemakkelijken;
   leningen tegen gunstiger voorwaarden dan op de markt gelden;

48.  erkent dat de EU het probleem heeft dat zij minder jonge toonaangevende vernieuwers heeft in O&O-intensieve sectoren, met name biotechnologie en internet; onderstreept daarom dat hun ontwikkeling moet worden gestimuleerd door de specifieke belemmeringen waar zij in nieuwe sectoren tegen oplopen, aan te pakken en door opkomende innovatieve markten nauwkeurig te volgen en de combinatie van beleidsinstrumenten aan te passen aan hun specifieke behoeften;

49.  verzoekt de Commissie een gunstig klimaat te scheppen voor ondernemingen die zich in de start-up- of spin-off-fase bevinden, met behulp van speciale diensten die jonge ondernemers in staat stellen de barrières te overwinnen die traditioneel het ontplooien van nieuwe productieve activiteiten in de weg staan (infrastructurele belemmeringen, toegang tot informatie, kosten van diensten, beheer van intellectuele eigendom);

50.  wenst ten slotte dat de EU met een antwoord komt op de versnippering van de Europese markt voor risicokapitaal en een communautaire garantieregeling voorstelt voor de oprichting van pan-Europese fondsen;

51.  onderstreept dat investeringen in O&O en innovatie kunnen worden bevorderd door middel van nationale fiscale stimuleringsmaatregelen en door toegang te geven tot gespecialiseerde financieringsbronnen, bijvoorbeeld durfkapitaal;

52.  dringt aan op verdere stimulering van technologie ten behoeve van duurzame ontwikkeling, zoals in het kader van het ETAP-actieplan met het koppelen van strategieën op het gebied van onderzoek, milieu en economie is aangevangen, en dringt aan op een ambitieuze opvolger van het ETAP-plan waarin onderzoek, onderwijs, opleiding en industrie de handen ineenslaan, en toewijzing van voldoende financiële middelen voor de uitvoering ervan; onderstreept de noodzaak van verhoging van de financiële middelen voor het SET-plan (strategische energietechnologie);

53.  verzoekt het bedrijfsleven aan eco-innovatie te doen om zijn werkgelegenheidspotentieel te bevorderen; wijst er in dit verband op dat het voorlichten van ondernemers – door hen te wijzen op nieuwe zakelijke kansen – van cruciaal belang zal zijn voor het succes van een strategie die gericht is op de efficiënte omgang met hulpbronnen en de ontwikkeling van duurzame industrieën;

54.  stelt voor ook na te denken over andere financieringsvormen ter ondersteuning van de ontwikkeling van innoverende technologie, door verschillende actoren op diverse niveaus – Europees, nationaal en lokaal – bij elkaar te brengen en daarbij het gebruik van diverse instrumenten te overwegen, zoals o.a. publiek-private partnerschappen en risicokapitaal;

55.  dringt erop aan dat er bijzondere aandacht zou gaan naar het ondersteunen van innovatie inzake effectief en duurzaam gebruik van grondstoffen;

56.  herinnert eraan dat openbare aanbestedingen met 17% van het bbp per jaar een belangrijke rol spelen voor de Europese interne markt en voor het stimuleren van innovatie; wijst erop dat concurrenten als China en de VS ambitieuze doelstellingen voor het leveren van innoverende en ecologisch verantwoorde producten hebben vastgesteld; verzoekt de lidstaten en de Commissie de nationale en EU-aanbestedingsvoorschriften waar nodig te vereenvoudigen en te verbeteren overeenkomstig de regels van transparantie, billijkheid en non-discriminatie; verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over de mogelijkheden die de bestaande aanbestedingsregels van de EU bieden om, overeenkomstig de Europa 2020-strategie, innovatie- en duurzaamheidscriteria in aanbestedingen op te nemen, en het benutten van deze mogelijkheden aan te moedigen; onderstreept tevens dat het essentieel is erop toe te zien dat er bij de toegang tot externe overheidsaanbestedingen sprake is van wederkerigheid, zodat Europese bedrijven onder eerlijke voorwaarden kunnen deelnemen aan de internationale concurrentie;

57.  merkt op dat precommerciële overheidsopdrachten een beslissende eerste aanzet kunnen geven voor het aanboren van nieuwe markten voor innovatieve en groene technologieën, en tegelijkertijd de kwaliteit en effectiviteit van overheidsdiensten ten goede komen; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op de bestaande mogelijkheden op het gebied van precommerciële overheidsopdrachten voor overheidsinstanties beter te communiceren;

58.  is van mening dat de betekenis van openbare aanbestedingen in termen van bevordering van het innovatief potentieel van de industrie niet mag worden onderschat; roept de EU-lidstaten er in dit verband toe op het potentieel van precommerciële aanbestedingen als drijvende kracht voor innovatie en als instrument om de betrokkenheid van kmo's bij overheidsaanbestedingen ten volle te benutten, zodat voor het Europese bedrijfsleven toonaangevende markten kunnen worden opgespoord en effectief gestimuleerd;

59.  verzoekt de Commissie sterker op te treden tegen de kennisoverdracht vanuit de EU naar andere delen van de wereld, met name China, waar vaak geen tegenprestatie tegenover staat;

Hulpbronnen

60.  is van oordeel dat economische groei kan en moet worden losgekoppeld van een toegenomen hulpbronnengebruik;

61.  is van mening dat het duidelijk efficiënter gebruik van grond- en hulpstoffen en halffabricaten bevorderlijk is voor de wereldwijde concurrentiepositie van de Europese industrie, en verzoekt de Commissie dan ook om, voortbouwend op haar mededeling over een duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen (COM(2005)0670), prioritair een ambitieus EU-beleid voor een efficiënt gebruik van grondstoffen voor te stellen in de vorm van een actieplan of zo nodig een richtlijn inzake het efficiënt gebruik van grondstoffen; is van mening dat dit het volgende inhoudt:

   het opstellen van een heldere definitie van hulpbronnen in al hun facetten;
   de ontwikkeling van duidelijke cradle-to-cradle-indicatoren voor het monitoren van de productiviteit van hulpbronnen en, zo nodig, de verdere ontwikkeling van normen en richtsnoeren hiervoor en de ontwikkeling van prototypen van nieuwe benaderingen;
   de identificatie van doelen en instrumenten ter bevordering van de productiviteit, de duurzaamheid, het hergebruik, de recycling en de herproductie van hulpbronnen in de EU, en de ontwikkeling van gesloten industriële productiesystemen;
   ondersteuning van O&O naar de verbetering van producten en het materiaal waaruit zij bestaan, en steun aan O&O naar de ontwikkeling van gesloten industriële processen met minimale niveaus afvalmaterialen en energiestromen;
   de ontwikkeling van modellen voor nieuwe benaderingen, bijvoorbeeld resource contracting;
   de verspreiding van beste praktijken en stimulering van netwerken voor efficiëntie van hulpbronnen, speciaal gericht op voorzieningsketens en kmo's en de ondersteuning van agentschappen voor efficiëntie van materialen;
   de ontwikkeling van kmo-vriendelijke normen voor een duurzaamheidsverslag van bedrijven, waarin de „ecologische rugzak” wordt geanalyseerd op basis waarvan kostenbesparingen mogelijk zijn en bedrijven concurrerender worden, en waarin vrijwillige milieubeheersystemen zoals ISO 14001 of EMAS worden gegroepeerd, gestandaardiseerd en bevorderd;
   het opnemen en eerbiedigen van nationale initiatieven op grondstoffengebied;

62.  onderstreept dat de beschikbaarheid van grondstoffen, met name strategische hulpbronnen en zeldzame aardmetalen, van essentieel belang is voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de Europese industrie; roept de Commissie daarom op nog in de eerste helft van 2011 een ambitieuze en uitgebreide grondstoffenstrategie voor te leggen; deze mag zich niet beperken tot „kritieke grondstoffen”, zoals door de Commissie gedefinieerd, en moet het volgende omvatten:

   regelmatige effectbeoordeling van de te verwachten vraag naar – en kritieke aard en voorzieningsrisico's van – grondstoffen en zeldzame aardmetalen (waaronder eventuele tekorten, prijsverhogingen enz.) en de gevolgen voor de EU-economie in het algemeen en het bedrijfsleven in het bijzonder, met regelmatige actualiseringen van de lijst grondstoffen en lijst van zeldzame aardmetalen in kwestie;
   het houden van toezicht op de productieramingen van derde landen en de omstandigheden waaronder de wereldgrondstoffenmarkten functioneren,
   intensievere terugwinning en hergebruik van grondstoffen door: de vaststelling en toepassing van ambitieuze recyclingregels, -plannen, -normen en -stimulansen, een strikte toepassing van de kaderrichtlijn afvalstoffen en de regels voor een nuttige toepassing van afvalstoffen en de uitvoer van afvalstoffen die een bron van grondstoffen kunnen zijn, en passende steun voor onderzoek; de Commissie moet worden verzocht na te denken over het verdere gebruik van het concept van de verantwoordelijkheid van de producent om het bereiken van dit doel te ondersteunen;
   meer onderzoek naar vervangingsmogelijkheden voor zeldzame grondstoffen, rekening houden met hulpbronnen die gedefinieerd worden als „zeldzame grondstoffen” en invoering van een strategie voor de leverantie van laatstgenoemde stoffen,
   optimaal gebruik van en een betere toegang tot de in de EU aanwezige grondstoffen; daartoe zijn onder meer onverwijld een Europees geo-informatiesysteem en een gemeenschappelijke gegevensbank nodig met een overzicht van de grondstoffen, mineralen en recycleerbare natuurlijke hulpbronnen die in de EU beschikbaar zijn;
   zorgen voor billijke toegang tot grondstoffen en zeldzame aardmetalen door billijke vrijhandelsovereenkomsten en strategische partnerschappen en door sluiting van economische partnerschapsovereenkomsten met ontwikkelingslanden met het oog op adequate aanvoer, maar alleen indien dit volledig verenigbaar is met de ontwikkelingsdoelstellingen van de economische partnerschapsovereenkomsten;
   het intensiveren van de uitwisseling met partners als Japan en de VS inzake de toegang tot grondstoffen door middel van bilaterale dialogen, maar ook met belangrijke grondstoffenproducerende landen als China en Rusland,
   indien gerechtvaardigd, pogingen om via de Wereldhandelsorganisatie geschillen op te lossen over grondstoffen die voor de Europese industrie van strategisch belang zijn;
   een regelmatige en proactievere dialoog met Afrikaanse landen over grondstoffen en zeldzame aardmetalen;
   het starten van overleg met derde landen wier beleid de internationale grondstoffenmarkten verstoort teneinde discriminatoir beleid te ontmoedigen dat de markteconomie schaadt;
   een verbeterde toegang tot hernieuwbare grondstoffen voor industriegebruik en het uitbannen van discriminatie in de Europese wetgeving die een bredere toepassing van deze materialen in de weg staat;
   maatregelen tegen de toenemende dominering van de markt door nationale oligopolies en monopolies en transnationale bedrijven op het gebied van de winning van minerale en energiegrondstoffen en de productie van halffabricaten, evenals de handel daarin;
   het schenken van aandacht aan het gebruik van biomassa die niet alleen als bron van hernieuwbare energie moet worden gezien, maar ook als grondstof voor de industrie die duurzaamheidscriteria bevordert en marktverstorende maatregelen voorkomt,
   een noodplan voor het geval dat eminent belangrijke grondstoffen spontaan om de meest verschillende redenen niet kunnen worden geleverd,
   ondersteuning van kleine en middelgrote bedrijven die plaatselijk aanwezige grondstoffen verwerken, met inbegrip van land- en bosbouwgrondstoffen;

63.  is van oordeel dat een industriebeleid in de allereerste plaats maatregelen op energiegebied opnieuw in balans moet brengen en wel ten behoeve van een vraaggestuurd beleid waarbij consumenten meer macht krijgen en de economische groei wordt losgekoppeld van het energiegebruik; meent met name dat de vervoersector en de bouwindustrie een actief energiebesparingsbeleid moeten volgen en zich moeten diversifiëren in de richting van duurzame, niet-vervuilende en veilige energiebronnen, en dat een industriebeleid moet bijdragen aan marktomstandigheden die tot meer energiebesparingen en investeringen in energie-efficiëntie stimuleren en tot het benutten van een breed scala aan hernieuwbare energieën en belangrijke technologieën voor mobiele energie-opslag (met name openbaar vervoer);

64.  is ervan overtuigd dat de industrie, om zekerheid bij investeringen te waarborgen, behoefte heeft aan een ambitieus maar realistisch energiebeleid voor de lange termijn dat garant staat voor concurrerende energieprijzen en continuïteit van de voorziening in de EU, de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen vermindert, efficiëntie en besparingen bij de productie en consumptie aanmoedigt, energieproductie met zo min mogelijk schadelijke emissies mogelijk maakt, en energiearmoede en koolstoflekken voorkomt; wijst erop dat rechtszekerheid en stabiele kadervoorwaarden, de nodige investeringen en een verdere harmonisatie van de interne markt voor energie van essentieel belang zijn voor de overstap naar koolstofarme productie en voorziening en voor een kostenvermindering voor de industrie; benadrukt dat de infrastructuur voor een trans-Europees energienetwerk – dat ook verwarming omvat en profiteert van de digitale en vervoersnetwerkinfrastructuur – daartoe tijdig en op kostenefficiënte wijze moet worden gemoderniseerd, uitgebreid en slimmer gemaakt („smart grids” en „smart metering”), in het bijzonder met behulp van financiering door de EIB;

65.  benadrukt het belang voor de Europese automobielsector om het voortouw te nemen op het vlak van de verdere ontwikkeling en productie van elektrische auto's; verzoekt in dit verband de Commissie om tegen uiterlijk midden 2011 kadervoorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van elektrische voertuigen, met name wat de standaardisering betreft van de infrastructuur en de laadtechnologie, om de interoperabiliteit en veiligheid van de infrastructuur te garanderen; verzoekt de Commissie voorts geharmoniseerde vereisten vast te stellen voor de goedkeuring van elektrische voertuigen, met specifieke aandacht voor gezondheid en veiligheid, zowel van de werknemers als van de eindgebruikers;

66.  herinnert aan het enorme potentieel voor het creëren van werkgelegenheid en aan de voordelen van kostenverminderingen die van efficiëntieverbeteringen verwacht worden; is van mening dat de vaststelling van maatregelen, waaronder doelstellingen, normen en benchmarkingmechanismen voor verbetering die de energie-efficiëntie helpen verbeteren, daarom ten grondslag moet liggen aan initiatieven in alle industriesectoren;

67.  dringt aan op innovaties in de gezondheidszorg en sociale sector, zodat de industrie in de komende decennia niet geconfronteerd wordt met een gebrek aan arbeidskrachten en hogere arbeidskosten;

68.  wijst op de energiebesparingen die met behulp van intelligente technologieën mogelijk zijn;

69.  acht een beleid noodzakelijk dat zich richt op de verbetering van de duurzaamheid van vervoersystemen en infrastructuur door maatregelen als efficiëntere technologieën, interoperabiliteit, innovatieve mobiliteitsoplossingen, maar ook het lokaal aankopen van benodigde goederen, zodat de aanvoerketens kunnen functioneren met duurzamere logistieksystemen en verminderde bedrijfskosten;

70.  is van mening dat moderne ICT-technologieën een groot potentieel bieden voor innovaties ter ondersteuning van duurzaamheid en milieuefficiëntie, bijvoorbeeld integratie van technologieën door het toevoegen van aanvullende intelligentielagen aan fysieke lagen om tot een efficiënter beheer van systemen te komen (zoals bij watervoorziening en vervoersystemen); onderstreept de noodzaak om over open ICT-standaards voor dergelijke oplossingen te kunnen beschikken; dringt er daarom bij de Commissie op aan open standaards te vereisen, en wenst dat de stakeholders de ontwikkeling van geschikte open standaards ter ondersteuning van een efficiënt gebruik van hulpbronnen stimuleren;

71.  wijst erop dat het noodzakelijk is over technisch en voldoende geschoold personeel te beschikken; is daarom van mening dat er meer in onderwijs en beroepsopleiding geïnvesteerd moet worden; dringt erop aan dat alles in het werk wordt gesteld om het gebrek aan gekwalificeerd personeel op alle niveaus te verhelpen teneinde de kwalificaties van de arbeidskrachten te bevorderen en het beeld van een baan in de industrie bij jonge afgestudeerden te verbeteren, onder meer door:

   een geïnstitutionaliseerde dialoog tussen de bevoegde instanties, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de sociale partners om het leerprogramma te moderniseren doordat men zich hierin ook op ondernemersgeest en -gevoeligheid richt en goede oplossingen voor de overgang van het onderwijs naar het beroepsleven te ontwikkelen, vooral door het bevorderen van programma's voor individuele mobiliteit zoals „Erasmus voor jonge ondernemers” en „Erasmus voor leerlingen in het beroepsonderwijs”;
   een versterking in heel Europa van op de beroepspraktijk gericht onderwijs met het oog op een betere aansluiting van de beroepsopleidingssystemen op de arbeidsmarkt, alsook een vergroting in heel Europa van de aantrekkelijkheid van een beroepsopleiding met doorstroommogelijkheid naar het universitair onderwijs voor wie zijn beroepsopleiding heeft afgesloten;
   waarborgen van het recht op levenslang leren voor alle burgers, die de gelegenheid moet worden geboden zich gedurende hun arbeidsleven te herscholen, hetgeen van cruciaal belang is voor gelijkheid en solidariteit, maar ook voor concurrentievermogen in tijden van economische moeilijkheden;
   innovatieve opleiding van jonge studenten als toekomstige werknemers die voorbereid zijn op de confrontatie met de voorspelde technologische ontwikkelingen, en nauwere betrekkingen tussen universiteiten, onderzoekinstellingen en bedrijfsleven;
   verbetering van en een bredere toegang op alle niveaus tot onderwijs en beroepsopleiding, met name in exacte vakken (wetenschap, technologie en wiskunde) door gecoördineerde initiatieven en de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van onderwijs, opleiding, en innoverende maatregelen om beroeps- en gezinsleven te combineren en gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen;
   gecoördineerde activiteiten om het onderricht te verbeteren en mensen bewust te maken van de economische rol van de Europese industriesectoren en de noodzaak van een innovatieve transformatie daarvan in een economie met een geringe kooldioxide-uitstoot die haar hulpbronnen efficiënt gebruikt;
   andere op elkaar afgestemde en gerichte voortgezette opleidingen die zowel voor werkgever als werknemer nuttig zijn en waarbij meer gebruik wordt gemaakt van het Europees Sociaal Fonds;
   het opzetten op Europees niveau van benchmarking van banen en vaardigheden overeenkomstig het niveau van beroepstakken, ondernemingen en de meest ontwikkelde industrieregio's,
   het instellen van waarnemingscentra van de industrieberoepen op regionaal, nationaal en Europees niveau om de toekomstige beroepen en de professionele vraag te bepalen,
   openstelling, modernisering en financiële versterking van universiteiten zodat zij „levenslange” hogere beroepsopleidingen en herscholing (voor ingenieurs, informatici, technici enz.) kunnen aanbieden of zodat op zuivere wetenschap gerichte universiteiten nauwer kunnen gaan samenwerken met universiteiten voor toegepaste wetenschappen en onderwijsinstellingen die zich meer op de beroepsopleiding richten;
   invoering, in samenwerking met beroepsopleidingsorganen en de sociale partners, van een beroepsopleiding waarbij werk en school elkaar afwisselen en programma's voor (her)opleiding in het kader van „een leven lag leren”, zowel voor werknemers als werkgevers;
   streven naar meer mobiliteit en flexibiliteit in beroepsopleiding en onderwijs voor zowel werkgevers als werknemers, met inachtneming van vooral de speciale eisen van kmo's;
   bestudering van de nieuwe behoeften die in termen van werkgelegenheid en kwalificaties worden gecreëerd door de banenontwikkeling in de groene economie teneinde hierop met adequate beroepsopleiding te reageren;
   aanmoedigen van meer synergieën tussen universiteiten en bedrijfscultuur en kennisgerichte bedrijven;
   stimulansen voor ingenieurs en gekwalificeerde onderzoekers uit derde landen om naar de EU te komen;
   invoeren van stimulansen om hoger onderwijs te volgen voor een dienovereenkomstige aanpassing van curricula;

72.  benadrukt dat de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt moet worden aangemoedigd via eerlijk betaalde stages en kwalitatieve opleidingsplaatsen in bedrijven;

73.  acht het voor de economische, sociale en ecologische toekomst van de EU van vitaal belang dat jongeren bewust worden gemaakt van het hoge gespecialiseerde en algemene opleidingsniveau dat vereist is om later een baan te vinden in het bedrijfsleven;

74.  onderstreept dat de relatief beperkte bereidheid tot zelfstandige ondernemersactiviteiten kan worden overwonnen door het creëren van een milieu dat vriendelijk is voor degenen die een bestaan willen opbouwen, meer geïntegreerde stimuleringsstelsels zoals ENTRE:DI en door concrete programma's zoals Erasmus voor jonge ondernemers;

75.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om nieuwe financieringsbronnen voor grote Europese infrastructuurprojecten aan te boren en steunt de invoering van een garantieproject van de EU in samenwerking met de EIB;

Eerlijke mededinging

76.  is overtuigd van de noodzaak om de instrumenten van de interne markt in dienst te stellen van het Europese industriebeleid om belangrijke „Europese kampioenen” te helpen ontstaan die in hun sector wereldwijde maatstaven vaststellen, zoals Galileo en SESAR; wenst dat de EU geen al te asymmetrische beperkingen aan bedrijven oplegt in vergelijking met die welke in derde landen gelden;

77.  benadrukt de noodzaak dat de EU voor haar bedrijven wederzijdse toegang tot openbare aanbestedingen bedingt bij onderhandelingen over bilaterale en multilaterale overeenkomsten met derde landen en daarbij de doeltreffendheid van het gebruik van instrumenten ter beveiliging van de handel door kmo's verbetert om monetaire, sociale en milieudumpingpraktijken, piraterij, namaak en illegaal kopiëren te bestrijden;

78.  vraagt de EU, evenals Canada, de VS, China en Japan om de vermelding van het land van herkomst van bepaalde uit derde landen ingevoerde producten te vereisen zodat kwaliteits- en veiligheidseisen betreffende traceerbaarheid hierop van toepassing zijn, net zoals op producten die in de EU vervaardigd zijn;

79.  is van mening dat het met het oog op de versterking van de Europese industrie, met name de verbetering van het concurrentievermogen van de ondernemingen in de wereldeconomie, noodzakelijk is Europese bepalingen inzake de oorsprongsaanduiding (made in) in te voeren; meent dat dit burgers en consumenten in staat zou stellen met kennis van zaken een keuze te maken en een aanmoediging betekenen voor productie in de EU, die vaak wordt geassocieerd met een reputatie van kwaliteit en hoge productienormen;

80.  is van oordeel dat een multilateraal klimaatverdrag het beste instrument zou zijn om de negatieve effecten van CO2 op het milieu te beperken, maar dat zo'n verdrag wellicht niet haalbaar is in de nabije toekomst; is daarom van mening dat de EU de mogelijkheid moet blijven onderzoeken om voor de sectoren die daadwerkelijk aan het risico van koolstoflekkage zijn blootgesteld, adequate milieu-instrumenten in te stellen naast de veiling van CO2-quota's in het kader van het emissieverhandelingssysteem van de EU, met name een „mechanisme voor doorberekening van de CO2-kosten” dat aan de WTO-regels voldoet;

81.  dringt erop aan dat de EU de economische praktijk van derde landen onderzoekt alvorens haar eigen beleid vast te stellen en verzoekt met name de Commissie om bij het toezicht op de verlening van staatssteun als criterium de positie van Europese bedrijven in de internationale concurrentie te laten gelden;

Duurzame industriecultuur

82.  onderstreept hoe belangrijk het is het juiste kader voor de industrie te creëren opdat deze in Europa blijft, en het concurrentievermogen op wereldschaal verder te verbeteren; is derhalve van mening dat EU-beleid gestoeld moet zijn op robuuste effectbeoordelingen die alle aspecten van de economische, maatschappelijke en milieutechnische voordelen van het EU-beleid analyseren;

83.  dringt aan op EU-initiatieven waarmee onderzocht wordt wat bepalend is voor groei, innovatie en concurrentievermogen in diverse sectoren en die vervolgens aanleiding geven tot sterkere, gecoördineerde, technologieneutrale en op de markt gebaseerde EU-beleidsreacties en -instrumenten voor deze sectoren, die ten volle moeten worden benut; meent dat hiertoe productgerichte regelingen zoals de eco-designrichtlijn verder op kostenefficiënte wijze moeten worden ontwikkeld, de energie-efficiëntie-etiketteringsrichtlijn volledig ten uitvoer moet worden gelegd en stimulerende initiatieven zoals het initiatief voor „groene auto's” moeten worden ingevoerd; dringt er in dit verband op aan dat er een langdurige campagne ten behoeve van duurzaam verbruik wordt gevoerd om meer gevoeligheid voor het onderwerp en een gedragsverandering, en aldus nieuwe innovatieve producten en concepten, te steunen;

84.  is van oordeel dat het noodzakelijk is de positie van Europa op de wereldwijde industriekaart te handhaven en te versterken, met name omdat er nieuwe industriële kansen voortvloeien uit investeringstoezeggingen van de EU op het gebied van onder meer klimaatverandering en energie, die de werkgelegenheidskansen zullen vergroten in domeinen waar gespecialiseerde vaardigheden vereist zijn;

85.  verzoekt de Commissie dit industriebeleid een duidelijke plaats te geven binnen de ontwikkeling van de routekaart voor een koolstofarme economie voor 2050, het SET-plan, industriële initiatieven en de visie voor 2050 op de routekaart voor een Europa dat zijn hulpbronnen efficiënt gebruikt;

86.  dringt aan op handhaving en uitbreiding van het „dicht bij de markt” financieren van innovatie, zoals het huidige kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP);

87.  acht een systematische kwaliteitscontrole van nieuwe wetgeving noodzakelijk aan de hand van de volgende criteria:

   wetenschappelijk advies: kwaliteit van het bewijsmateriaal en de interpretatie;
   raadpleging: „gebruikers” naar hun ervaring met de bestaande regels vragen;
   internationale benchmarking: vergelijking met de wetgeving in de belangrijkste concurrerende landen;
   in hoeverre strookt het voorstel met verwante EU-wetgeving;
   welke vereenvoudiging wordt bereikt (met inbegrip van vrijwillige alternatieven);

88.  wijst erop dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) een uiterst belangrijk instrument is geworden om gemeenschappen te helpen hun niet-concurrerende industrieën om te bouwen tot duurzame industrieën; benadrukt dat het EFG moet worden voortgezet en zo nodig uitgebreid;

89.  dringt aan op grotere inspanningen om de huidige moeilijkheden te overwinnen en onverwijld één gemeenschapsoctrooi in te voeren dat een doeltreffende juridische bescherming van hoge kwaliteit tegen lage kosten zal bieden, en een geharmoniseerd Europees systeem voor het beslechten van geschillen over octrooien teneinde de randvoorwaarden voor industriële- en intellectuele eigendomsrechten te verbeteren, meer rechtszekerheid te bieden, namaak te bestrijden en de bureaucratische kosten zo laag mogelijk te houden, met name voor kmo's; is verheugd over de brede steun in de Raad voor het besluit van de Commissie om in 2011 de nauwere-samenwerkingsprocedure in te leiden met het oog op een gemeenschappelijk EU-octrooi; vraagt voorts om een hervorming van de vaststelling van normen (met name in de ICT-sector), waar de ontwikkeling van normen open en transparant moet zijn, op het beginsel van interoperabiliteit gebaseerd moet zijn en het concurrentievermogen van de Europese industrie moet garanderen; is van mening dat de bevordering van internationale normalisering de technologische leiderspositie van Europa zal beschermen;

90.  merkt op dat de voltooiing van de interne markt van essentieel belang is voor het concurrentievermogen en de groei van de Europese industrie; benadrukt dat de Europese bedrijven behoefte hebben aan een passend kader om in Europees verband goederen en diensten te kunnen produceren en aanbieden en is in dit verband ingenomen met de in de „Single Market Act” vervatte voorstellen; verzoekt de Commissie in deze context na te gaan in hoeverre er ruimte is voor efficiencyverbetering door harmonisatie en bestuurlijke verbeteringen in het kader van de aangekondigde „Single Market Act”, met name op het gebied van btw en intellectuele-eigendomsrechten en van het EU-octrooi, van mondiale standaardisatie, etikettering en de invoering van specifieke sectorale normen;

91.  spoort de lidstaten ertoe aan bij het beheer van de interne markt een proactievere rol te vervullen door betere samenwerking tussen nationale autoriteiten en een striktere omzetting, toepassing en handhaving van de internemarktregels in de praktijk; verzoekt de lidstaten de transactiekosten te verlagen door het treffen van aanvullende maatregelen zoals een effectievere e-overheid;

92.  onderstreept dat de overheid de ontwikkeling van sleuteltechnologieën moet ondersteunen, en wijst op de noodzaak tot versnelde ontwikkeling van standaarden op dat terrein, die immers cruciaal zijn voor het behoud van het industrieel concurrentievermogen van de EU en voor het stimuleren van extra groei, en wijst erop dat dit met name geldt voor de ontwikkeling van innovatiebevorderende normen om het hoofd te kunnen bieden aan de nieuwe problemen die zich aandienen op ecologisch en maatschappelijk gebied;

93.  onderstreept de noodzaak om binnen het Europese normalisatiestelsel rekening te houden met de specifieke kenmerken van kmo's en van ambachtelijke ondernemingen, met name in termen van beperking van de kosten om toegang tot de normen te krijgen, om ze bekend te maken (door publicatie van samenvattingen) en daarvoor financiële steun te verlenen; wijst met name op de essentiële rol die nationale normalisatie-instellingen moeten vervullen bij de bevordering en ondersteuning van de participatie van kmo's en ambachtelijke bedrijven in het normalisatieproces, overeenkomstig het systeem van „nationale delegaties”;

94.  onderstreept dat het van belang is rekening te houden met aspecten die thans niet door de Europese octrooiwetgeving worden bestreken, zoals „bedrijfsgeheimen”, teneinde de Europese industrie de kans te geven profijt te hebben van een werkelijke bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten in verband met producten en procedures, naar het voorbeeld van de VS en Japan;

95.  herinnert eraan dat het ter verbetering van het concurrentievermogen en het technologische leiderschap van de Europese industrie wenselijk is:

   als basis het Europees normalisatiesysteem (ESS) te nemen, waarvan de voordelen zijn aangetoond, en het te consolideren zodat het zo goed mogelijk beantwoordt aan de behoeften van innovatieve bedrijven, en met name aan die van kmo's;
   de participatie van ondernemingen, vooral van kmo's, aan het standaardiseringsproces te vergroten en ervoor te zorgen dat de normen in hoge mate worden bevorderd;

96.  onderstreept dat er in de werkelijke verwezenlijking van de interne markt nog een groot potentieel voor de capaciteit van de Europese industrie ligt opgesloten en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de nog bestaande belemmeringen en barrières op de interne merkt onverwijld uit de weg te ruimen;

97.  erkent dat herstructurering allereerst de verantwoordelijkheid van de bedrijven en de sociale partners is, maar vraagt de lidstaten taskforces voor herstructureringen op te richten die toezicht houden op de herstructureringsprocessen en voor een vlotte economische omschakeling zorgen, bijvoorbeeld door de mobiliteit op de arbeidsmarkt te verbeteren, door herscholing en andere maatregelen die werknemers en bedrijven innovatieve en duurzame alternatieven kunnen bieden; vraagt dat een grotere rol wordt weggelegd voor de Europese structuurfondsen en voor onderzoek en ontwikkeling bij de bevordering van omschakeling;

98.  dringt aan op nieuwe investeringen in het industriële arbeidspotentieel in Europa, waarbij de nadruk sterk komt te liggen op de sectorale sociale dialoog om structurele veranderingen als gevolg van de globalisering te beheren, alsook op de bevordering van een economie die efficiënt gebruik maakt van energie en middelen; moedigt de sociale partners in sectoren waar de werkgelegenheid daalt aan de uitdagingen vroeg te onderkennen en tijdens de overgangsfase zowel individuele werknemers als de sector te steunen; benadrukt het belang van overgangszekerheid in het kader van de socialezekerheidsstelsels omdat dit mensen kan helpen om over te stappen naar sectoren waar banen worden gecreëerd;

99.  verzoekt de Commissie het initiatief te nemen om steun voor beroepsomschakeling voor te stellen, sociale ongelijkheden te reduceren, de Agenda voor waardig werk van de IAO te bevorderen en de werkgelegenheidsrichtsnoeren van de EU te gebruiken om te bepalen welke waarborgen gedurende de levenscyclus van elk type beroepsomschakeling moeten worden verleend;

100.  dringt aan op een actievere rol van de Commissie in herstructureringen van bedrijven met een Europese ondernemingsraad; is van mening dat de Commissie bij dergelijke herstructureringen tijdig op de hoogte moet worden gebracht van alle relevante informatie opdat zij haar rol als Europese gesprekspartner en coördinator van de lidstaten ten volle kan spelen; meent dat dit de Commissie ook beter in staat zal stellen het eventueel gebruik van staatsteun bij herstructureringen te screenen en te evalueren;

101.  wenst dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering grondig geëvalueerd en hervormd wordt zodat het sneller toegankelijk wordt, en dat zijn begroting bij de volgende financiële vooruitzichten wordt verhoogd; stelt bovendien de oprichting voor van een Europees Fonds voor milieuaanpassing;

102.  benadrukt dat de wereldwijde economische crisis overal in Europa de werkgelegenheid aantast, waardoor de sociaaleconomische vooruitzichten van de EU verslechteren en de regionale ongelijkheden toenemen; beklemtoont in dit verband dat een concurrentiële, gediversifieerde, eerlijke en duurzame industriesector, die met name gebaseerd is op efficiënte en concurrentiële kmo's, van essentieel belang is voor de toekomst van de werknemers in geheel Europa; beveelt aan de ervaring en kennis van oudere werknemers te benutten om de aflossing door de jongere generaties te waarborgen;

103.  erkent dat er regionale verschillen zijn in de industriële ontwikkeling, met name bij ontmantelingsprocessen in de nieuwe lidstaten, en dringt erop aan dat hiermee in het nieuwe duurzame industriebeleid en de toewijzing van middelen uit de structuurfondsen rekening wordt gehouden, om de territoriale samenhang te versterken;

104.  onderstreept de grote betekenis van kmo's in het bedrijfsleven, met name wanneer het gaat om het waarborgen van duurzame banen op regionaal niveau, en roept de Commissie op:

   beter rekening te houden met de specifieke kenmerken en problemen van kmo's door de omzetting van de „Small Business Act” te bespoedigen, lacunes bij de toepassing van de verschillende richtsnoeren aan te vullen en passende concrete maatregelen te nemen, zoals een vermindering van de administratieve rompslomp (en andere aspecten van regelgevingslasten, bijvoorbeeld de nalevingskosten) en een stelselmatige toepassing van de kmo-test, zodat eindelijk voldoende vooruitgang voor de Europese kmo's wordt geboekt;
   kmo's te steunen bij de toegang tot diensten en knowhow op het gebied van onderzoek via universitaire consortia en stichtingen, structuren die fungeren als tussenschakel tussen het onderzoek en de markt;
   niet voorbij te gaan aan het vraagstuk van het statuut van de Europese besloten vennootschap, al jarenlang een centraal thema in het Europese debat;
   zich te blijven inzetten voor betere toegang tot financieringsmogelijkheden voor kmo's en met name draagkrachtige durfkapitaalmogelijkheden te ontwikkelen; bij de nieuwe architectuur van de financiële markten aandacht te besteden aan financieringsmogelijkheden op korte en lange termijn voor kmo's en hun favoriete financieringsbronnen; markten te ontsluiten en eerlijke mededingingsvoorwaarden te creëren, zodat meer ondernemers en kleine bedrijven kunnen groeien en zich kunnen ontwikkelen tot ondernemingen die in geheel Europa werkzaam zijn;
   de EU-definitie van kleine en middelgrote ondernemingen te herzien met het oog op meer flexibiliteit in specifieke industriesectoren waarin kmo's door specifieke marktomstandigheden niet aan de maximale omzet en het maximale aantal werknemers voldoen, maar niettemin middelgroot zijn; eventuele wijzigingen in de definitie van kmo's mogen de definitie echter niet minder doeltreffend maken;
   de adviesverlening aan kmo's op het gebied van export te ontwikkelen, met name waar het gaat om toegang tot markten van derde landen, langdurige aanwezigheid op deze markten, bescherming van de intellectuele eigendom en optimalisering van de financiële en technologische waarde ervan;
   internationaliseringsmaatregelen te versterken om kmo's concurrerender te maken en af te stemmen op de interne en de wereldwijde markt;
   de deelname van kmo's aan de kaderprogramma's voor onderzoek en ontwikkeling te vergroten door de procedures te vereenvoudigen en een doeltreffender systeem voor informatie en begeleiding op lokaal niveau op te zetten;
   projecten uit te voeren die netwerkactiviteiten tussen kmo's en grotere bedrijven in de hele waardeketen mogelijk maken;
   te zorgen voor instrumenten die de ontwikkeling en groei van ecologisch innovatieve kmo's en de ontwikkeling van ecologische industrieparken bevorderen;
   na te gaan of middelgrote ondernemingen en familiebedrijven, die niet voldoen aan de criteria van de bestaande definitie van kmo's, adequaat gebruik kunnen maken van de bestaande en toekomstige financieringsmogelijkheden voor onderzoek en ontwikkeling die specifiek gericht zijn op kleine en middelgrote ondernemingen;
   vraag en aanbod op het gebied van octrooien, met name voor kmo's, beter op elkaar af te stemmen en de toegang tot de normen voor kmo's goedkoper te maken;

105.  is van mening dat de Europese overnamerichtlijn moet worden herzien om Europa van de middelen te voorzien om zich te verzetten tegen projecten die – uit industrieel, economisch en sociaal oogpunt – schadelijk kunnen zijn voor de sociale cohesie en de stabiliteit van de interne markt; is van mening dat de EU zich moet kunnen verzetten tegen openbare overnamebiedingen van bedrijven die niet maatschappelijk verantwoord ondernemen en/of niet voldoen aan de vereisten inzake goed bestuur alsook tegen openbare overnamebiedingen in sectoren die de lidstaten van strategisch belang achten, een en ander in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de EU;

106.  dringt aan op verbetering van de ontwikkeling van publiek-private partnerschappen;

107.  is van mening dat het sectorale subsidiebeleid, wil men de Europa 2020-doelstellingen en de klimaat- en energiedoelstellingen tegen 2020 verwezenlijken, niet enkel uit het oogpunt van de concurrentiewetgeving mag worden beschouwd, maar in het belang van Europa op een proactieve en transparante manier en voorzien van duidelijke regels moet worden ingezet ter verbetering van innovatie, concurrentievermogen en invoering van duurzame producten op de markt, en bij herstructureringen in de industrie; is gekant tegen specifieke nationale staatssteunregelingen die niet aan de regels voldoen en zo ongelijke mededingingsvoorwaarden creëren;

108.  is van mening dat het concurrentiebeleid onder inachtneming van de regels van de interne markt ook moet voorzien in de behoeften die een ambitieus industriebeleid met zich meebrengt;

109.  benadrukt dat duurzame en eerlijke ontwikkeling in het bedrijfsleven beter kan worden verwezenlijkt door de lidstaten, via het beginsel van wederzijds handelsbeleid; wijst erop dat regionale netwerkstructuren en competitieve clusters niet mogen worden getroffen door ongelijke handelsvoorwaarden en -bepalingen die met name voor kmo's nadelig zijn;

110.  onderstreept, zoals ook in talrijke recente studies wordt gedaan, dat sectorale subsidies de groei stimuleren wanneer deze verenigbaar zijn met de instandhouding van de mededinging in de betreffende sectoren en de subsidieverlening wordt gekoppeld aan mechanismen die ervoor moeten zorgen dat projecten die niet doeltreffend blijken te zijn geen verdere financiering ontvangen; dringt erop aan dat de subsidieverlening consequent afhankelijk wordt gesteld van de eis dat de gesubsidieerde activiteiten tenminste vijf jaar binnen de EU blijven en ten minste tien jaar in het geval van O&O-activiteiten;

111.  wijst er in dit verband op dat Europese bedrijfslocaties internationaal concurrerend moeten zijn, vooral op het gebied van de sleuteltechnologieën;

112.  is van mening dat vrijhandel een hoeksteen voor de economische groei van Europa blijft en dringt er daarom op aan dat toekomstige multilaterale en bilaterale handelsovereenkomsten zodanig worden opgesteld dat zij deel uitmaken van een beleidsstrategie voor de industrie op basis van eerlijke wereldwijde concurrentie en wederkerigheid van de kant van de Europese handelspartners; meent dat sociale en milieuoverwegingen en de desbetreffende normen moeten worden opgenomen in handelsovereenkomsten teneinde rekening te houden met het beginsel van duurzame ontwikkeling; is van oordeel dat moet worden voorkomen dat Europese bedrijven door oneerlijke maatregelen in het gedrang komen, zoals nu het geval is in de sector zonne-energie; wijst er nogmaals op dat het overleg over regelgeving met de belangrijkste handelspartners moet worden geïntensiveerd om handelsbelemmeringen te voorkomen en uit de weg te ruimen; vraagt de Commissie nauw toe te zien op de milieuwetgeving, het wisselkoersbeleid, de regels voor overheidssteun en andere steunprogramma's van derde landen die met de EU concurreren; vraagt dat er een EU-strategie wordt overwogen voor buitenlandse directe investeringen in opkomende markten om een betere toegang op nieuwe markten en de opbouw van lokale productie mogelijk te maken;

113.  is van mening dat het handelsbeleid van de EU in het multilaterale kader van de WTO en van een transparante en effectief gereglementeerde markt op een doeltreffende productie moet kunnen stoelen die geschraagd wordt door adequaat sectoraal beleid en gericht is op groei en duurzame ontwikkeling;

114.  is van mening dat het economisch herstel, in de hand gewerkt door besluiten die de EU in coördinatie met de lidstaten neemt, nieuwe kansen zal bieden aan de Europese bedrijven, die steeds vaker op globale, open en transparante markten moeten concurreren;

115.  is voorts van mening dat de richtsnoeren voor het EU-industriebeleid moeten voorzien in een grotere uniformiteit bij douanecontroles als noodzakelijk instrument voor de bestrijding van namaak en ter bescherming van de Europese consument; vindt dat het te voeren industriebeleid tevens garant moet staan voor de harmonisatie van de in EU-grenslanden toe te passen systemen voor de inning van douanerechten, om te voorkomen dat importeurs ongelijk worden behandeld of benadeeld of dat de ontwikkeling van het industrieel weefsel van Europa wordt belemmerd;

116.  onderstreept het cruciale belang van vrijhandel voor de ontwikkeling van de Europese industrie;

117.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de richtsnoeren voor het EU-industriebeleid de basis vormen voor de vaststelling van concrete wetgevingsinstrumenten ter bevordering van de EU-handel.

118.  verzoekt de Commissie niet alleen de milieuprestaties van de industrie van de EU in haar wetgevingsvoorstellen te verbeteren, maar er tegelijkertijd voor te zorgen dat ook voor op de interne markt van de EU ingevoerde producten dezelfde milieunormen gelden als voor de in de EU geproduceerde producten, en zich daarbij niet alleen op de vaststelling van deze regels, maar ook op de handhaving ervan te richten;

119.  dringt bij de Commissie aan op de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in de mededeling over Europa als wereldspeler (Global Europe) en de komende mededeling over het handelsbeleid, met name ambitieuze toegang tot nieuwe markten in het kader van de Doha-ronde, met inbegrip van sectorale overeenkomsten, bijv. chemicaliën en machines;

120.  dringt aan op de instandhouding van doeltreffende handelsbeschermende instrumenten om oneerlijke handelspraktijken zoals dubbele prijsstelling bij de grondstoffenvoorziening en subsidies voor de binnenlandse industrie tegen te gaan;

121.  onderstreept dat de ideeën en vaardigheden van werknemers bij de modernisering van de industrie moeten worden gebruikt en wijst erop dat de participatie van werknemers zo groot mogelijk moet zijn;

122.  verzoekt de Commissie een juridisch kader voor grensoverschrijdende collectieve onderhandelingen te creëren om ervoor te zorgen dat grensoverschrijdende collectieve overeenkomsten kunnen worden afgedwongen en om de uitdagingen op het gebied van werkorganisatie, opleiding, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden aan te pakken;

123.  onderstreept dat er bij de formulering en uitvoering van het in de EU te voeren industriebeleid ook rekening moet worden gehouden met de voorwaarden waaronder industrieel afval, en met name giftige afvalproducten, worden verwerkt en met de bestemming die zij krijgen, om te zorgen dat industrieel afval niet uitgroeit tot een ecologische, economische of maatschappelijke belasting voor de bevolking van zowel de EU als die van derde landen;

124.  acht effectief markttoezicht in de gehele interne markt van cruciaal belang voor de bescherming van de Europese industrie tegen oneerlijke concurrentie; spoort de Commissie ertoe aan met ambitieuze voorstellen te komen tot hervorming van het bestaande stelsel van markttoezicht, tot versterking van de rol van de EU bij de coördinatie van het door de lidstaten uitgeoefende markttoezicht en van hun douaneautoriteiten en om erop toe te zien dat in alle lidstaten voldoende middelen beschikbaar worden gesteld;

125.  verzoekt de Commissie de strategie voor betere regelgeving voort te zetten en het internemarktbeleid te verbeteren, bijvoorbeeld door het creëren van éénloketsystemen en het bevorderen van grensoverschrijdende administratieve oplossingen via internet, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van kmo's;

126.  wijst erop dat de toename, in tijden van crisis, van de illegale economie en van niet aangegeven activiteiten een belangrijk element van concurrentieverstoring vormt; verzoekt de bevoegde instanties van de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om dit fenomeen aan te pakken;

127.  benadrukt het belang van de bijdrage van de werknemers aan meer economische groei en vooruitgang;

Sectoren

128.  is ervan overtuigd dat naast een horizontale aanpak ook specifieke sectorale initiatieven moeten worden ontplooid om verder tot de modernisering en het concurrentievermogen en de duurzaamheid van afzonderlijke industriesectoren, hun aanvoerketens en verwante diensten bij te dragen door de uitwisseling van beste praktijken, benchmarking en soortgelijke zachte beleidsinstrumenten; vraagt dat:

   de aanbevelingen van de bestaande sectorale benaderingen (taskforces, groepen op hoog niveau, technologie- en innovatieplatforms zoals Cars 21) door de Commissie met de participatie van alle belanghebbenden ten uitvoer worden gelegd op een wijze die is afgestemd op de behoeften van de specifieke industrieën en verder worden ontwikkeld, en dat nieuwe initiatieven in andere passende sectoren worden ontplooid;
   de duurzaamheidstoetsing van de sectorspecifieke benaderingen wordt gewaarborgd overeenkomstig de doelstellingen van de EU op het gebied van klimaat en energiebeleid en de ambitieuze doelstellingen voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen;
   het hele scala van mogelijke beleidsmaatregelen, met inbegrip van benchmarks en normen en duurzame inspanningen op het gebied van O&O en innovatie, in aanmerking wordt genomen;
   met name wordt gefocust op de belangrijkste Europese sectoren en de sectoren die met grote maatschappelijke uitdagingen worden geconfronteerd, maar waar ook sprake is van ondernemings- en werkgelegenheidspotentieel;
   de nadruk wordt gelegd op het aanvullende karakter van de verschillende soorten intersectorale technologieën en op de convergentie tussen deze sectoren die mogelijk is gemaakt door de overgang naar een digitale economie;
   de ontwikkeling van nieuwe activiteiten wordt aangemoedigd zoals hernieuwbare vormen van energie en de creatieve sector, sectoren met een groot banenpotentieel waar de EU in een voordelige positie verkeert;
   de Commissie regelmatig voortgangsverslagen voorlegt;

129.  is van oordeel dat het industriebeleid van de EU ook moet stoelen op concrete projecten die tastbare winst opleveren voor onze ondernemingen en burgers, zoals GMES, Galileo en ITER;

130.  merkt op dat de Europese industrie in toenemende mate afhankelijk is van zakelijke dienstverlening en dat daarom de nodige aandacht moet worden besteed aan alle belangrijke schakels in de productieketen; is in dit verband ingenomen met het feit dat de Commissie aangeeft bereid te zijn meer belang toe te kennen aan deze onderlinge correlaties;

131.  wijst er eens te meer op dat snel vooruitgang moet worden geboekt bij de onderlinge integratie van het Europees ondernemingsregister als middel ter waarborging van de transparantie en betrouwbaarheid van de daarin opgenomen informatie, zowel voor producenten als consumenten;

132.  benadrukt het belang van de toeristische sector in de EU – de eerste toeristische bestemming ter wereld – en in bepaalde regio's waar hij de eerste pijler van de economische activiteit vormt; steunt de strategie van de Commissie om het concurrentievermogen van de toeristische sector te verbeteren via maatregelen op het gebied van kwaliteit, duurzaamheid en versterking van het imago van Europa als toeristische bestemming;

133.  verzoekt de Commissie zich te houden aan de routekaarten en conclusies als bedoeld in de sectorale benaderingen; is van mening dat deze routekaarten de industrie planningszekerheid op lange termijn bieden en een waardevol instrument zijn om concurrerend te blijven;

Verantwoordelijkheid

134.  is van mening dat de Europese industrie en stakeholders zich meer moeten inzetten voor investeringen, ondernemen, de maatschappij en het milieu, en nauw moeten samenwerken om goede randvoorwaarden te creëren; meent dat de industrie investeringen en productie in Europa moet handhaven, eigen onderzoeksinspanningen moet verduurzamen en moet streven naar duurzame groei, innovatie en eerlijk betaalde banen; is van mening dat de industrie een rol moet spelen bij de ontwikkeling van een nieuwe kwalificatiecultuur die goede mogelijkheden biedt voor opleidingen van hoge kwaliteit, nog meer duurzame product- en procesinnovatie moet ontwikkelen en waar dit ook maar mogelijk is strategische partnerschappen moet aangaan;

135.  verzoekt de Commissie en de lidstaten nieuwe bemiddelingsconcepten ter begeleiding en uitvoering van nieuwe infrastructuur uit te werken en deze toe te passen met het oog op een grotere betrokkenheid van de burgers, zodat de infrastructuur die nodig is voor de duurzame vernieuwing van de industriële basis (bijv. „slimme” netwerken, windmolens, nieuwe spoorlijnen) snel mogelijk kan worden;

136.  spreekt als zijn overtuiging uit dat de wereldwijde economische crisis duidelijk heeft aangetoond dat ondernemingen met de nodige zorgvuldigheid te werk moeten gaan met volledige inachtneming van de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, zowel wat goed ondernemingsbestuur als respect voor het milieu en sociale topkwaliteit („social excellence”) betreft;

Regio's

137.  wijst erop dat regionale structuren een belangrijke bijdrage tot de versterking van de industriesector in Europa leveren; is van mening dat concurrentie- en innovatieclusters (bedrijven, universiteiten, onderzoekcentra, technologiediensten, opleidingsinstituten, enz.) alsmede onderlinge netwerken van bedrijven (waardeketen, synergie) en netwerken met andere spelers van cruciaal belang zijn voor beslissingen omtrent investeringen; is daarom van mening dat:

   innovatieclusters en -netwerken, met name de Europese clusters ter bevordering van het concurrentievermogen en de nieuwe innovatiepartnerschappen die in 2011 zullen worden gelanceerd als onderdeel van het initiatief „Innovatie-Unie”, en op het gebied van sleuteltechnologieën, meer subsidie moeten krijgen om overdracht van kennis en technologie en onderzoek, verbetering van kwalificaties en infrastructuur op gecoördineerde wijze te stimuleren, hetgeen ook een prioriteit moet zijn voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling;
   regionale netwerkstructuren en plattelandsgebieden EU-subsidie voor hun steun aan de industriële basis moeten ontvangen;
   de clusters en netwerken moeten worden samengebracht onder de paraplu van Europese platforms, zodat de steun voor clusters en netwerken kan worden versterkt;
   initiatieven zoals het Convenant van burgemeesters en slimme steden als industrie worden gesteund en ook ten goede komen aan kmo's;
   de EIB de band tussen industriebeleid en territoriale samenhang moet versterken;

138.  erkent de bijdrage van de Europese industrie aan het ideaal van sociaaleconomische en territoriale samenhang en is van oordeel dat een bloeiende industrie een fundamentele voorwaarde is voor economische groei en sociale stabiliteit in de regio's van de EU;

139.  dringt er bijgevolg op aan dat de beschikbare wetenschappelijke en technische competenties in de regio's, met name op het gebied van sleuteltechnologieën, coherent worden benut en versterkt en dat het clusterbeleid meer wordt bevorderd;

140.  wijst erop dat de geleidelijke invoering van adequate digitale infrastructuur en van innoverende technologieën een strategisch element is voor meer concurrentievermogen voor de regio's en bedrijfssectoren in de EU; is van oordeel dat de ICT-sector een sleutelrol vervult om de productiviteit van de andere bedrijfssectoren te verhogen; is van mening dat moderne communicatie-infrastructuur met een hoge transmissiecapaciteit prioritair in minder bediende regio's moet worden geïnstalleerd; gaat ervan uit dat deze maatregel kan bijdragen aan een gunstig klimaat voor openbare en privé-investeringen en, wat ook belangrijk is, de kwaliteit van de digitale geletterdheid van het bedrijfsleven kan helpen verbeteren;

o
o   o

141.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0223.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0209.
(3) PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 65.

Juridische mededeling - Privacybeleid