Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2570(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B7-0158/2011

Debatten :

PV 09/03/2011 - 15
CRE 09/03/2011 - 15

Stemmingen :

PV 10/03/2011 - 9.4
CRE 10/03/2011 - 9.4
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0097

Aangenomen teksten
PDF 164kWORD 67k
Donderdag 10 maart 2011 - Straatsburg
Zestiende zitting van de Mensenrechtenraad (Genève, 28 februari − 25 maart 2011)
P7_TA(2011)0097RC-B7-0158/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2011 over de prioriteiten van de 16de zitting van de VN-Raad voor de mensenrechten en de herziening in 2011

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Europese Verdrag inzake de mensenrechten en het Handvest van de grondrechten van de EU,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (UNHRC), in het bijzonder zijn resoluties van 25 februari 2010 over de 13-de zitting van de UNHRC(1), en van 14 januari 2009 over de ontwikkeling van de VN-Raad voor de mensenrechten en de rol van de EU(2) alsook zijn resoluties van 16 maart 2006 over de resultaten van de onderhandelingen over de Mensenrechtenraad en over de 62-ste zitting van de VN-mensenrechtencommissie(3), van 29 januari 2004 over de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Naties(4), van 9 juni 2005 over de hervorming van de Verenigde Naties(5), van 29 september 2005 over de resultaten van de Wereldtop van de Verenigde Naties van 14-16 september 2005(6) en van 16 december 2010 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2009 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(7),

–  onder verwijzing naar zijn spoedresoluties over mensenrechten en democratie,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties A/RES/60/251 waarbij de VN- Raad voor de mensenrechten (UNHCR) werd opgericht,

–  onder verwijzing naar de vorige gewone en buitengewone zittingen van de UNHRC, en ook naar vorige ronden van de Universele Periodieke Doorlichting (UPR),

–  onder verwijzing naar de 16e Zitting van de UNHRC en de 11e ronde van de UPR, die van 2 tot en met 13 mei 2011 zullen plaatsvinden,

–  onder verwijzing naar de doorlichting van de UNHRC, die in de loop van 2011 plaats vindt,

–  onder verwijzing naar de institutionele veranderingen die teweeg zijn gebracht door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, en met name de oprichting van de Europese Dienst voor Externe Actie en de benoeming van een Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het Buitenlands en Veiligheidsbeleid,

–  onder verwijzing naar de artikelen 2, 3, lid 5, 18, 21, 27 en 47 van het Verdrag inzake de Europese Unie in de versie die resulteert uit het Verdrag van Lissabon,

–  gelet op artikel 110, lid 4 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat respect voor het universele karakter van de mensenrechten, en de bevordering en handhaving daarvan, een belangrijk onderdeel zijn van de ethische en juridische verworvenheden van de Europese Unie en één van de grondstenen van de eenheid en integriteit van Europa vormen(8),

B.  overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten het respect van de mensenrechten in hun eigen beleid moeten waarborgen, ten einde het standpunt van de Europese Unie in de Mensenrechtenraad van de VN (UNHRC) te versterken en geloofwaardig te maken,

C.  overwegende dat de UNHRC een weergaloos platform is voor de universele rechten van de mens en een specifiek forum vormt voor de behartiging van de mensenrechten binnen het systeem van de Verenigde Naties; overwegende dar de UNHRC een belangrijke taak en verantwoordelijkheid heeft bij een sterkere bevordering, bescherming en naleving van de mensenrechten over de gehele wereld,

D.  overwegende dat bij de doorlichting van de UNHRC twee sporen worden gevolgd, waarbij de rechtspositie van de Mensenrechtenraad in New York wordt onderzocht en de procedures ervan in Genève, overwegende dat tegelijkertijd alle internationale actoren moeten werken aan het verwijderen van dubbele normen en moeten streven naar het vermijden van selectiviteit en politisering van mensenrechtkwesties,

E.  overwegende dat de argumenten van soevereiniteit en jurisdictie in binnenlandse aangelegenheden niet langer meer door staten kunnen worden aangevoerd om hun eigen prestaties op het gebied van de mensenrechten aan scherp toezicht te onttrekken,

F.  overwegende dat de Europese Unie wereldwijd handelend moet optreden in het kader van de Verenigde Naties in het algemeen, en de UNHRC meer in het bijzonder, en dat een nieuwe aanpak, die belichaamd wordt in de nieuwe Europese Dienst voor Extern Optreden (EEAS), er in belangrijke mate moet bijdragen om de Europese Unie een effectievere en beter herkenbare rol te laten spelen om de wereldwijde uitdagingen op een samenhangende, consistente en doelmatige wijze het hoofd te bieden,

G.  overwegende dat er binnen de EEAS een Directoraat voor mensenrechten en democratie is opgericht,

H.  overwegende dat een delegatie van de subcommissie voor mensenrechten van het Europees Parlement naar Genève zal reizen om de 16e Zitting van de UNHRC bij te wonen, zoals zij in de afgelopen jaren al vaker gedaan had bij vorige zittingen van de UNHRC en van diens voorganger, de VN-Commissie voor mensenrechten,

1.  onderstreept het belang van de 16e Zitting van de UNHRC, en met name van het doorlichtingsproces van de UNHRC, dat een unieke gelegenheid biedt om te beoordelen hoe de UNHRC zijn mandaat heeft uitgevoerd en op zijn beurt de UNHRC ook een gelegenheid biedt om zijn werkmethoden te verbeteren, zodat hij op doelmatiger en systematischer wijze kan reageren op schendingen van de mensenrechten; is tevreden over het feit dat in het kader van de doorlichting twee co-rapporteurs benoemd zijn, Marokko en Liechtenstein, om dit proces te faciliteren;

2.  is tevreden over het feit dat op de agenda van deze 16e gewone zitting onder meer verslagen staan over „de rechten van personen die behoren tot nationale of etnische, religieuze of taalkundige minderheden” en over „de bevordering en bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden ook bij de bestrijding van terreur”, alsook uitvoerige vergaderingen gewijd aan de rechten van het kind;

3.  is tevreden over de benoeming dit jaar van speciale rapporteurs voor deze belangrijke onderwerpen, en neemt kennis van verslagen die zullen worden ingediend door speciale rapporteurs voor de onderwerpen „folter en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen”, „vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging” en „de situatie van verdedigers van de mensenrechten”; dringt er bij de lidstaten van de EU op aan om een actieve bijdrage te leveren aan deze debatten;

4.  is ingenomen met het nieuwe Directoraat voor Mensenrechten en Democratie en ondersteunt de oprichting van een in Brussel gestationeerde EU-Werkgroep voor mensenrechten (COHOM), waarin mensenrechtenexperts uit alle 27 lidstaten van de EU kunnen worden opgenomen, aangezien Brussel een betere standplaats is om toezicht te houden op het beleid van de EU, hetgeen deze werkgroep de mogelijkheid biedt om de multilaterale werkzaamheden beter af te stemmen op de bilaterale;

5.  ondersteunt de benoeming van een hooggeplaatste Speciale Vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten en onderstreept nogmaals de noodzaak van op specifieke landen afgestemde strategieën voor mensenrechten en democratie;

6.  benadrukt het belang van gemeenschappelijke standpunten van de EU ten aanzien van kwesties die op de 16e Zitting ter sprake komen en verzoekt de lidstaten van de EU om in nog sterkere mate te streven naar de praktijk van „één boodschap, zij het met verschillende stemmen”, die in de afgelopen jaren goed heeft gewerkt, bij voorbeeld bij de initiatieven van de EU tegen de doodstraf;

De werkzaamheden van de Mensenrechtenraad

7.  wijst nogmaals de lidstaten van de EU op de noodzaak om zich krachtig te verzetten tegen iedere poging om afbreuk te doen aan het universele karakter, de ondeelbaarheid en de interdependentie van de mensenrechten, en om er bij de UNHRC op aan te dringen gelijke aandacht te schenken aan discriminatie om welke reden dan ook, zoals geslacht, handicap, raciale of etnische herkomst, leeftijd, seksuele oriëntatie en godsdienst of geloofsovertuiging;

8.  wijst nogmaals op het belang van de interdependentie tussen burgerrechten, politieke en economische rechten, sociale en culturele rechten; verlangt dat er aandacht wordt geschonken aan drinkwatervoorziening en gezondheidszorg als fundamentele rechten, die ertoe dienen om de levensomstandigheden van mensen te verbeteren;

9.  is bezorgd over het gevaar dat de grootste hindernis voor de UNHRC om zijn taak op doelmatiger wijze te vervullen, de „blokkenpolitiek” is, die vaak de overhand krijgt en zijn gevolgen heeft voor de selectie van landen en situaties waarvoor de UNHRC zich interesseert; herhaalt zijn standpunt dat het vermogen van de UNHRC om zich effectief en tijdig en op passende wijze in te zetten voor de situaties in specifieke landen van essentieel belang is voor het gezag en de geloofwaardigheid van deze raad;

10.  is van oordeel dat het Comité voor de rechten van de mens (HRC) beter moet worden uitgerust om het hoofd te bieden aan zowel chronische problemen als noodsituaties, wellicht door uitbreiding van de „gereedschappendoos” voor mensenrechten, door panels in te schakelen niet alleen tijdens zijn zittingen maar ook in de tijd daar tussen, en door zittingen te organiseren in andere regio's dan Genève; betreurt het dat de UNHRC er niet in geslaagd is om ernstige mensenrechtenproblemen op urgente en tijdige wijze aan te pakken, omdat het ontbrak aan geschikte instrumenten daarvoor, en ondersteunt het idee van onafhankelijke „triggers”; streeft welbewust naar de oprichting van gespecialiseerde mechanismen van de UNHRC, waarmee terstond zou kunnen worden opgetreden tegen mensenrechtencrises zoals die in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, Iran en Wit-Rusland;

11.  is ingenomen met het streven binnen de UNHRC om een regio-overschrijdende werkgroep op te richten over de situatie in Wit-Rusland; dringt er bij de UNHRC op aan om een verklaring af te leggen waarin de flagrante schendingen van de mensenrechten in dit land en de onderdrukking van de democratische oppositie en de gewone burgers na de presidentsverkiezingen van 19 december 2010 scherp wordt veroordeeld en een resolutie goed te keuren over deze kwestie;

12.  is ingenomen met het initiatief van de Verenigde Staten om een landspecifieke resolutie over Iran in te dienen; doet een beroep op de lidstaten van de EU om krachtige steun te geven aan de invoering van een Speciaal Mechanisme ten aanzien van Iran; doet een beroep op de Hoge Vertegenwoordiger en de EEAS om de samenwerking tussen de EU en de Verenigde Staten over mensenrechtenkwesties van gemeenschappelijk belang te coördineren, maar onderstreept dat de EU volledig zelfstandig moet optreden wil zij doelmatig en geloofwaardig zijn;

13.  is ingenomen met het zenden van een VN-missie op hoog niveau voor mensenrechten naar Tunesië van 27 januari tot 2 februari 2011 en beveelt van harte aan om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van deze missie; dringt nogmaals aan op de oprichting van een onafhankelijke internationale commissie van onderzoek naar al de beweerde mensenrechtenschendingen die samenhangen met de gebeurtenissen van na 17 december 2010;

14.  ondersteunt het zenden van een missie van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten om een oordeel te vormen over de algemene situatie op het gebied van de mensenrechten na de verandering van de leiding van het land;

15.  verheugt zich over het feit dat op de 15e Buitengewone Zitting, die op 25 februari 2011 plaats vond, met algemene stemmen een resolutie over de mensenrechten in Libië werd goedgekeurd, waarin de flagrante en stelselmatige schendingen van de mensenrechten in dat land veroordeeld worden, en waarin wordt onderstreept dat sommige van deze schendingen beschouwd zouden kunnen worden als misdaden tegen de menselijkheid; dringt aan op het zenden van een onafhankelijke internationale commissie van onderzoek naar Libië, die een onderzoek moet doen naar alle beweerde schendingen van het internationale mensenrecht in dit land en dringt er met kracht op aan om Libië's lidmaatschap van de UNHCR op te schorten; is in dit verband ingenomen met het besluit van de Algemene Vergadering van 1 maart 2011 om het lidmaatschap van dit land van de UNHRC op te schorten;

16.  ondersteunt het idee om een regionaal kantoor van het Bureau van de Hoge Commissaris te openen in het Middellandsezeegebied;

17.  is ingenomen met het feit dat, op initiatief van Nigeria en de Verenigde Staten, de 14e Zitting van de UNHRC heeft plaats gevonden, die gewijd was aan de situatie van de mensenrechten in Ivoorkust na afloop van de presidentsverkiezingen van 2010, en dat op deze zitting de schendingen van de mensenrechten werden veroordeeld en er bij alle partijen werd aangedrongen op volstrekte naleving van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en het respecteren van de normen van de rechtstaat; betuigt nogmaals zijn steun voor de resultaten van bovengenoemde verkiezingen, zoals die door de Verenigde Naties worden erkend, en dringt er bij alle politieke leiders op aan om Alassane Ouattara als de verkozen president te erkennen; ondersteunt het besluit van de Afrikaanse Unie tot oprichting van een panel van staatshoofden, dat een vreedzame regeling door middel van onderhandelingen moet bewerkstelligen voor de crisis die is opgetreden na de verkiezingen in Ivoorkust;

18.  herhaalt, in het licht van de verslagen van de speciale rapporteurs over de situatie van de mensenrechten in de Democratische Volksrepubliek Korea (DPRK) en de situatie van de mensenrechten in Myanmar/Birma, zijn oproep tot de EU om openlijk haar steun uit te spreken voor de oprichting van een onderzoekcommissie van de Verenigde Naties, die de schendingen van de mensenrechten in deze landen moet evalueren en beoordelen in hoeverre deze misdaden tegen de menselijkheid vormen; betreurt het dat de DPRK niet heeft willen samenwerken met de Speciale Rapporteur en verzoekt om uitbreiding van het mandaat voor de Speciale Rapporteur voor Myanmar/Birma;

19.  dringt bij de EU aan op pro-actieve actie door op de komende zitting van het Comité voor de rechten van de mens (HRC) een resolutie voor te bereiden en ondersteunen met betrekking tot het follow-upverslag dat door het comité van onafhankelijke deskundigen is voorgelegd aan de onderzoekmissie voor het conflict in de Gazastrook, met het doel verantwoordingsplicht te waarborgen voor schendingen van het internationaal recht, en om het voorstel te ondersteunen om deze kwestie terug te verwijzen naar de Algemene Vergadering en internationale rechtsmechanismen voor het geval dat Israel en de Palestijnse partijen nalaten gevolg te geven aan hun verplichting om onderzoeken in te stellen overeenkomstig de internationale normen; dringt verder bij de Hoge Vertegenwoordiger aan op een actieve controle op de naleving van de bevindingen van het „Follow-upverslag aan de internationale commissie van onderzoek naar het incident met de humanitaire hulpvloot”, waarbij erop moet worden toegezien dat de beginselen van verantwoordingsplicht en aansprakelijkheid worden nageleefd; benadrukt in dit verband dat de mensenrechtenaspecten van tevoren moeten worden besproken in de Associatieraad EU-Israel en het Paritair Comité EU-Palestina; is in het bijzonder bezorgd over het feit dat de conclusies van Associatieraad EU-Israel van 21 februari 2011 niet het EU-standpunt in deze kwestie weerspiegelen;

20.  is ingenomen met de verklaringen die de Hoge Commissaris voor Mensenrechten van de VN gedaan heeft tijdens haar eerste bezoek aan de bezette Palestijnse gebieden en Israël, waarin zij met name de duidelijke boodschap gaf het Israëlische beleid inzake de vestiging van nederzettingen scherp te bekritiseren en dat „de internationale mensenrechtenwetgeving en de internationale humanitaire wetgeving niet het onderwerp van onderhandelingen kunnen vormen”; benadrukt het belang van een vreedzame democratisering van het Midden-Oosten;

21.  betreurt het dat de criteria voor lidmaatschap van de UNHRC, zoals die is goedgekeurd bij resolutie 60/251 van de Algemene Vergadering, weliswaar een volledige samenwerking met die instantie veronderstellen, maar dat de huidige praktijk van op vrijwilligheid berustende beloften zeer uiteenlopende en tegenvallende resultaten heeft gehad; herhaalt daarom dat alle leden van oordeel zouden moeten zijn dat een luid applaus voor de Speciale Procedures een minimumvoorwaarde voor lidmaatschap zou moeten zijn, naast een solide reputatie op het gebied van de naleving van de mensenrechten; benadrukt het belang van een werkelijk competitief milieu voor het verkiezingsproces; dringt aan op afschaffing van de mogelijkheid voor regionale groeperingen om een van tevoren vastgestelde lijst van kandidaten voor lidmaatschap van de UNHRC in te dienen;

22.  doet en beroep op de lidstaten en de EEAS om een actieve bijdrage te leveren aan de doorlichting van de UNHRC van 2011 om te zorgen voor een betere uitvoering van zijn mandaat; benadrukt dat de UNHRC meer een mechanisme van vroegtijdige waarschuwing en preventie moet zijn en dat de expertise op het gebied van de Speciale Procedures voor dit doel zou moeten worden aangewend; herhaalt dat er grote behoefte bestaat aan een transparant en allesomvattend doorlichtingsproces, dat rekening houdt met de gezichtspunten van de NGO's, de maatschappelijke organisaties en andere relevante belanghebbende instanties; doet een beroep op de EEAS om de subcommissie voor mensenrechten van het Europees Parlement op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot de doorlichting;

23.  herhaalt zijn standpunt dat de doorlichting geen afbreuk mag doen aan de onafhankelijkheid van het Bureau van de Hoge Commissaris voor Mensenrechten (OHCHR) en verzet zich tegen eventuele pogingen om de positie van het OHCHR in dier voege te wijzigen dat dit een negatief effect zou hebben op de financiering en bijgevolg ook de onafhankelijkheid ervan; is tevreden over de recente benoeming van een vice-secretaris-generaal van de VN voor mensenrechten, die belast is met de leiding van het OHCHR-kantoor in New York; is van oordeel dat dit nieuwe kantoor behulpzaam zal zijn bij de verbetering van de contacten, de dialoog en transparantie tussen de Algemene Vergadering van de VN en de andere VN-organen, met inbegrip van de Veiligheidsraad en de OHCHR; onderstreept de noodzaak om voldoende financiële middelen beschikbaar te stellen om de regionale en locale kantoren van het OHCHR open te houden, zodat deze hun werkzaamheden ter plaatse kunnen voortzetten;

24.  dringt aan op het behoud en de verbetering van de Speciale Procedures, waarbij de mogelijkheid moet worden gegarandeerd dat de UNHRC zich bezig houdt met specifieke schendingen van mensenrechten, zulks in het kader van landgerichte resoluties en landgerichte mandaten; benadrukt het belang van de ondeelbaarheid van de mensenrechten, of het nu gaat om sociale, economische, culturele, burgerlijke of politieke rechten; merkt met verontrusting op dat het Klachtenmechanisme, een uniek, op het slachtoffer gericht mechanisme, weinig concrete resultaten heeft opgeleverd in verhouding tot het grote aantal verzoeken die tot dit mechanisme werden gericht; onderstreept de noodzaak om deze kwestie aan de orde te stellen bij de doorlichting van de UNHRC;

Universele Periodieke Doorlichting (UPR)

25.  erkent de toegevoegde waarde van de UPR als een ervaring die door alle regeringen wordt gedeeld, waarbij alle lidstaten van de VN aan een gelijke behandeling en gelijke controle worden onderworpen en dit ondanks het feit dat de landen er vrijwillig ermee moeten instemmen om hieraan te worden onderworpen en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen op te volgen; wijst erop dat tegen december 2011 alle lidstaten van de Verenigde Naties op grond van dit mechanisme zullen zijn doorgelicht;

26.  onderstreept dat het van essentieel belang is om in het Mensenrechtencomité (HRC) een ruimte te bewaren voor de maatschappelijke organisaties, opdat deze beter bij de dialoog kunnen worden betrokken en er nieuwe gelegenheden voor de niet-gouvernementele organisaties (NGO's) kunnen worden geopend om een dialoog te beginnen binnen specifieke staten;

27.  ondersteunt de betrokkenheid van NGO's in de UPR, door hen de mogelijkheid te geven om schriftelijke aanbevelingen te richten tot de werkgroep en om deel te nemen aan het daarbinnen gevoerde overleg;

28.  neemt kennis van de mogelijkheden die de UPR aan staten biedt om uitvoering te geven aan hun verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en gevolg te geven aan de conclusies van de verdragsinstanties en de Speciale Procedures;

29.  bevestigt dat aanbevelingen meer op resultaten gericht moeten zijn en verzoekt om in de UPR meer plaats in te ruimen voor onafhankelijke deskundigen en nationale mensenrechtenorganisaties teneinde te garanderen dat de UPR een effectief mechanisme voor de follow-up zal zijn; is van oordeel dat onafhankelijke expertise in het UPR-proces kan worden ingebracht door deskundigen de gelegenheid te geven om het doorlichtingsproces te volgen en op het tijdstip van de goedkeuring van het slotverslag een samenvattende analyse voor te leggen;

30.  betreurt het dat de resultaten van de eerste cyclus van de doorlichting van bepaalde landen niet hebben beantwoord aan de verwachtingen dat het een transparant, niet-selectief en niet-confrontationeel proces zou zijn; spreekt in dit verband zijn erkentelijkheid uit voor de inspanningen die bepaalde lidstaten van de EU zich hebben getroost om te proberen de „blokmentaliteit” te doorbreken; moedigt de lidstaten van de EU aan om technische bijstand te verlenen bij het streven om uitvoering te geven aan de aanbevelingen;

31.  doet een beroep op de lidstaten van de EU om zich te blijven inzetten voor de doorlichting van de UNHRC, om ervoor te zorgen dat er geen kloof optreedt tussen de eerste en de tweede ronde van de UPR en erop toe te zie dat de tweede ronde gericht zal zijn op de uitvoering en opvolging van de aanbevelingen; steunt het gezichtpunt dat staten die aan de UPR worden onderworpen duidelijk moeten reageren op elke aanbeveling en dat er tijdschema's worden vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de werkgroep; merkt op dat de indiening van een tussentijds verslag over de stand van de tenuitvoerlegging een bijdrage kan leveren tot dit proces;

Speciale Procedures

32.  herhaalt dat de Speciale Procedures de kern vormen van het mensenrechteninstrumentarium van de Verenigde Naties en dat de geloofwaardigheid en effectiviteit van de UNHRC bij de verdediging van de mensenrechten afhankelijk is van samenwerking in het kader van de Speciale Procedures en van de volledige uitvoering daarvan; beklemtoont in dit verband dat de versterking van de onafhankelijkheid en interactiviteit van de Speciale Procedures met de Raad van fundamentele betekenis zijn;

33.  veroordeelt pogingen om de onafhankelijkheid van de Speciale Procedures aan te tasten door regeringen in een positie te plaatsen dat zij controle kunnen uitoefenen op de Speciale Procedures; benadrukt dat iedere soort van controle tot politisering van het systeem zou leiden, waardoor de effectiviteit ervan zou worden geschaad;

34.  onderstreept eens te meer dat de Speciale Procedures ten aanzien van situaties in specifieke landen een essentieel instrument vormen voor de verbetering van de mensenrechten ter plaatse; onderstreept dat de op specifieke landen gerichte mandaten, vanwege belangrijke elementen zoals hun periodiciteit en de expertise waarop zij gebaseerd zijn, niet vervangen kunnen worden door de UPR;

35.  dringt er bij de lidstaten op aan om de integriteit en verantwoordingsplicht van de UNHRC tijdens de doorlichting te verdedigen door zich uit te spreken voor de oprichting van een follow-up-mechanisme om toe te zien op de uitvoering van de in de Speciale Procedures gedane aanbevelingen, zulks in aanvulling op de goedkeuring van selectiecriteria en transparantere benoemingsprocedures, die gebaseerd moeten zijn op achtergrond, bekwaamheden, kwalificaties en de ervaring van de te benoemen personen; ondersteunt het voorstel van een aantal NGO's om de capaciteit voor vroegtijdige waarschuwing van de Speciale Procedures te versterken door een mechanisme dat hen in staat stelt automatische behandeling van een bepaalde situatie door de UNHRC af te dwingen;

Betrokkenheid van de EU

36.  verheugt zich over de deelneming van de EU aan de 16e Zitting van de UNHRC in de persoon van de Hoge Vertegenwoordiger/ Ondervoorzitter van de Commissie;

37.  verlangt dat de Europese Dienst voor extern optreden (EEAS), en in het bijzonder de delegaties van de EU in Genève en New York, zorgt voor meer samenhang, zichtbaarheid en geloofwaardigheid van het optreden van de EU binnen de UNHRC door verdere ontwikkeling van regio-overschrijdende outreach en samenwerking en in het bijzonder door het lobbyen bij gematigde staten in alle groepen;

38.  herhaalt in dit verband zijn standpunt ten aanzien van „belastering van godsdiensten” en erkent weliswaar de noodzaak om het probleem van discriminatie van religieuze minderheden aan de orde te stellen, maar is wel van mening dat het niet wenselijk is dit begrip op te nemen in het Protocol inzake aanvullende normen ten aanzien van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en discriminatie; is ingenomen met de door de delegatie van de EU ter zijde georganiseerde manifestatie ter herinnering van de 25e verjaardag van de invoering van het mandaat van de Speciale Rapporteur inzake vrijheid van godsdienst en geloofsovertuiging; verzoekt de EU om contact op te nemen met de voornaamste sponsors van de desbetreffende resolutie en met andere actoren om een alternatief voor de resolutie inzake godsdienstbelastering te vinden, die in plaats daarvan kan worden ingediend;

39.  is voorstander van een regio-overschrijdende verklaring inzake de rechten van holebi's (homoseksuelen, lesbischen en biseksuelen);

40.  herhaalt zijn waardering voor de actieve participatie van de EU in de werkzaamheden van de UNHRC sinds de oprichting ervan, die ondermeer tot uitdrukking is gekomen door het sponsoren en co-sponsoren van resoluties, het uitgeven van verklaringen en deelneming aan interactieve dialogen en debatten; spreekt zijn erkentelijkheid uit over de door de EU gedane toezeggingen om binnen de UNHRC bepaalde situaties in specifieke landen aan de orde te stellen en benadrukt dat het van groot belang is om te zorgen voor krachtige naleving van deze toezeggingen;

41.  ondersteunt het gezamenlijke initiatief van de EU en de GRULAC (Groep van Latijns Amerika en het Caribisch gebied) voor een resolutie inzake straatkinderen;

42.  doet een beroep op de lidstaten om alles in het werk te stellen om de mandaten voor alle speciale procedures te handhaven dringt met name aan op verlenging van het mandaat van de Speciale Rapporteur van de VN voor de situatie van verdedigers van de mensenrechten;

43.  betreurt het dat, als een neveneffect van het zoeken naar consensus vaak de indruk ontstaat dat de EU haar ambities naar beneden schroeft en is van oordeel dat de EU veel stoutmoediger moet zijn bij het indienen van en/of zich aansluiten bij op specifieke landen betrekking hebbende resoluties;

44.  merkt met bezorgdheid op dat de EU niet erin geslaagd is effectieve invloed uit te oefenen binnen het VN-systeem in ruimere zin; onderstreept de noodzaak dat de EU prioriteit verleent aan het Mensenrechtencomité (HRC) en de activiteiten van de lidstaten beter coördineert en dringt bij de Raad aan op goedkeuring van richtsnoeren om de coördinatie en besluitvorming in dit verband te vergemakkelijken en om te streven naar het opbouwen van coalities en bondgenootschappen met partners in belangrijke regio's en met alle gematigde landen om de logica van de blokvorming binnen het HRC te kunnen overwinnen;

45.  vestigt, op praktisch niveau, de aandacht op het belang om te beschikken over grotere, goed ge-equipeerde EU-delegaties in Genève en New York; benadrukt dat wat zich in Genève en New York afspeelt een integraal onderdeel moet vormen van het buitenlands beleid van de EU, waarbij de nadruk moet worden gelegd op een verbetering van de interne coördinatie, en onderstreept eveneens de noodzaak van een goed op elkaar afstemmen van het bilaterale en het multilaterale niveau;

46.  betreurt het uitstel van de behandeling van de door de EU in september 2010 op de Algemene Vergadering van de VN ingediende resolutie die tot doel heeft om haar status te versterken in overeenstemming met de uit het Verdrag van Lissabon voortvloeiende regelingen; wijst erop dat deze versterkte status de EU de mogelijkheid zou geven om zich op permanente grondslag te laten vertegenwoordigen (door de Voorzitter van de Europese Raad en/of de Hoge Vertegenwoordiger) en om met een enkele stem te spreken, waardoor de zichtbaarheid en invloed van de EU als actor op wereldniveau zouden worden versterkt; onderstreept de noodzaak van voortzetting van de inspanningen van de „speciale task force” van de Europese Dienst voor extern optreden (EEAS) om de goedkeuring van deze resolutie te bevorderen in samenwerking met de lidstaten van de EU;

47.  Geeft zijn delegatie voor de 16e Zitting van de UNHRC een mandaat om de in deze resolutie vermelde punten van zorg aan de orde te stellen; verzoekt de delegatie om over haar aanwezigheid bij voornoemde zitting verslag uit te brengen aan de subcommissie mensenrechten, en acht het absoluut noodzakelijk om een delegatie van het Europees Parlement te blijven zenden naar de zittingen van de UNHRC;

48.  herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten van de EU om ervoor te zorgen dat de mensenrechten in hun eigen interne beleid worden nageleefd, om de indruk van dubbele normen te vermijden, en ook in het licht van het proces van toetreding van de EU tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (ECHR), aangezien een mislukking op dit punt een ernstige verzwakking van de positie van de EU binnen de UNHRC tot gevolg zou kunnen hebben;

o
o   o

49.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Hoge Vertegenwoordiger/Ondervoorzitter van de Commissie, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 64e Algemene Vergadering, de voorzitter van de Raad voor Mensenrechten van de VN, de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens en de Werkgroep EU-VN opgericht door de Commissie Buitenlandse Zaken.

(1) PB C 348 E van 21.12.2010, blz. 6.
(2) PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 71.
(3) PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 409.
(4) PB C 96 E van 21.4.2004, blz. 79.
(5) PB C 124 E van 25.5.2006, blz. 549.
(6) PB C 227 E van 21.9.2006, blz. 582.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0489.
(8) Artikelen 2, 3, lid 5, en 6 van het Verdrag inzake de Europese Unie.

Juridische mededeling - Privacybeleid