Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2998(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0225/2011

Ingediende teksten :

B7-0225/2011

Debatten :

PV 06/04/2011 - 16
CRE 06/04/2011 - 16

Stemmingen :

PV 07/04/2011 - 6.6
CRE 07/04/2011 - 6.6
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0151

Aangenomen teksten
PDF 192kWORD 69k
Donderdag 7 april 2011 - Straatsburg
Voortgangsverslag 2010 betreffende de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
P7_TA(2011)0151B7-0225/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 7 april 2011 over het voortgangsverslag 2010 betreffende de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

Het Europees Parlement,

–  gezien het besluit van de Europese Raad van 16 december 2005 om de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië de status van kandidaat-land voor het EU-lidmaatschap te verlenen en gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 15 en 16 juni 2006 en 14 en 15 december 2006,

–  gezien resoluties 845 (1993) en 817 (1993) van de VN-Veiligheidsraad alsook de interimovereenkomst van 1995 tussen de Helleense Republiek en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,

–  gezien het voortgangsverslag 2010 van de Commissie betreffende de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (SEC(2010)1332) en de mededeling van de Commissie van 9 november 2010 getiteld „Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2010-2011” (COM(2010)0660),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 februari 2010 over het voortgangsverslag 2009 betreffende de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië(1),

–  gezien de aanbevelingen van de Gemengde Parlementaire Commissie EU − voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van 30 november 2010,

–  gezien Besluit 2008/212/EG van de Raad van 18 februari 2008 inzake de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het toetredingspartnerschap met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië(2),

–  gezien de conclusies van de Raad algemene zaken en de Raad buitenlandse zaken van 13 en 14 december 2010,

–  gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het uitbreidingsproces van de EU een sterke drijfkracht is voor vrede, stabiliteit en verzoening in de regio,

B.  overwegende dat de Europese Raad in 2005 de status van kandidaat-lidstaat heeft verleend aan de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, maar tot dusver geen datum heeft vastgelegd voor de lancering van de onderhandelingen, ondanks de aanzienlijke vooruitgang die het land heeft geboekt op weg naar EU-lidmaatschap; overwegende dat bilaterale problemen geen belemmering mogen vormen en niet als zodanig in het toetredingsproces mogen worden gebruikt, alhoewel deze wel vóór toetreding moeten zijn opgelost; overwegende dat de voortzetting van het toetredingsproces zou bijdragen aan de stabiliteit van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de interetnische dialoog verder zou versterken,

C.  overwegende dat de intensivering van de economische dialoog en samenwerking met de uitbreidingslanden de EU in staat stelt om zich samen te richten op het te boven komen van de economische crisis en bijdraagt aan het algehele concurrentievermogen van de Unie,

D.  overwegende dat in de uitbreidingsstrategie voor 2010 de hervorming van het openbare bestuur en het rechtssysteem, de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie, alsook de dialoog tussen politieke spelers zijn aangemerkt als prioriteiten,

E.  overwegende dat de EU werkt met allesomvattende goedkeuringsprocedures teneinde ervoor te zorgen dat nieuwe lidstaten alleen worden toegelaten als zij aan alle vereisten voldoen, en uitsluitend met de actieve instemming van de EU-instellingen en de EU-lidstaten,

F.  overwegende dat vrijheid van meningsuiting en onafhankelijkheid van de media in de meeste uitbreidingslanden een punt van zorg blijven,

Politieke ontwikkelingen

1.  onderschrijft het oordeel van de Commissie in haar voortgangsverslag 2010 betreffende de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië dat het land blijft voldoen aan de politieke criteria en betreurt dat de Raad nog geen besluit heeft genomen over het starten van toetredingsonderhandelingen zoals voor het tweede jaar op rij door de Commissie aanbevolen en overeenkomstig eerdere resoluties van het Parlement; herhaalt zijn eerdere aanbeveling aan de Raad om de onderhandelingen onmiddellijk op te starten;

2.  neemt nota van de recente politieke ontwikkelingen die hebben geleid tot de vervroegde verkiezingen; roept alle politieke partijen op een actieve en constructieve rol te spelen bij het proces van voorbereiding op de verkiezingen; benadrukt dat vrije en eerlijke verkiezingen georganiseerd op basis van volledige transparantie en overeenkomstig internationale normen van groot belang zijn voor een geconsolideerde democratie; roept alle politieke partijen op actief deel te nemen aan de verkiezingen; is bezorgd over de huidige politieke situatie en roept alle politieke leiders op te streven naar consensus, op basis van democratische instellingen;

3.  wijst erop dat bilaterale problemen door de betrokken partijen moeten worden opgelost in een geest van goed nabuurschap en rekening houdend met de algemene belangen van de EU; doet een beroep op alle hoofdrolspelers en betrokken partijen om meer inspanningen te leveren en blijk te geven van verantwoordelijkheidsbesef en vastberadenheid bij het oplossen van alle lopende kwesties, die niet alleen een belemmering vormen voor het toetredingsproces van het kandidaat-land en het eigen beleid van de EU in de regio, maar ook gevolgen kunnen hebben voor de interetnische betrekkingen, de regionale stabiliteit en de economische ontwikkeling;

4.  feliciteert het land met de tiende verjaardag van de Ohrid-kaderovereenkomst, die de hoeksteen van de interetnische betrekkingen in het land blijft, en roept de overheid en alle staatsinstellingen op om van deze belangrijke verjaardag gebruik te maken om de blijvende bevordering van interetnische samenwerking en het interetnisch vertrouwen aan te moedigen; is echter verontrust over de groeiende interetnische spanningen over de constructiewerkzaamheden op de plaats van de Kale-vesting in Skopje; roept alle politieke en religieuze leiders en de mediakanalen op verantwoord op te treden door zich te onthouden van alle acties die de interetnische spanningen zouden kunnen doen oplopen; wijst met bezorgdheid op het risico op een groeiende isolationistische mentaliteit, die tot ontwikkeling zou kunnen komen als alternatieve optie bij gebrek aan een tastbaar EU-perspectief;

5.  verzoekt de regering een brede dialoog tussen de etnische gemeenschappen te bevorderen en in haar besluitvorming naar behoren rekening te houden met de gevoeligheden van alle gemeenschappen en minderheden, zoals in het kader van het stadsontwikkelingsplan voor „Skopje 2014”, en geen acties te ondernemen of initiatieven te nemen met als doel de nationale identiteit te versterken ten koste van andere gemeenschappen; wijst erop dat de parlementaire commissie voor interetnische betrekkingen in het kader van de integratie van de minderheden in het wetgevingsproces doeltreffend dient te functioneren en benadrukt dat verdere inspanningen moeten worden gedaan om het decentralisatieproces voort te zetten overeenkomstig de Ohrid-kaderovereenkomst;

6.  betreurt dat de bemiddelingspogingen van de VN om de naamkwestie op te lossen niet tot concrete resultaten hebben geleid;

Democratie, rechtsstaat en mensenrechten

7.  herinnert eraan dat een gezonde politieke cultuur het fundament van de democratie is; verzoekt de oppositiepartijen een einde te maken aan de boycot van het nationale parlement en de politieke dialoog binnen de instellingen weer aan te gaan; is van oordeel dat het de taak van de regering en de oppositie is om te zorgen voor een onmiddellijke en open dialoog over alle uitdagingen waarmee het land momenteel wordt geconfronteerd; wijst erop dat de politieke instabiliteit een belemmering kan vormen voor het Europese integratieproces, dat een gemeenschappelijke en gedeelde prioriteit van alle onderdelen van de samenleving van het land zou moeten zijn; is verheugd over de goedkeuring van de wijzigingen van het reglement van orde van het parlement waardoor een grotere betrokkenheid van de oppositie bij de werkzaamheden van het parlement mogelijk is; is echter bezorgd over onvoldoende dialoog tussen de regering en de oppositiepartijen en over een algemeen klimaat van wantrouwen en confrontatie; dringt er bij beide partijen op aan een klimaat van vertrouwen te bevorderen en blijk te geven van grote inzet om op die manier van het nieuwe reglement van orde van het parlement gebruik te maken om de politieke dialoog en constructieve samenwerking in het kader van het wetgevingsproces en het parlementaire toezicht op de werkzaamheden van de regering te versterken;

8.  is verheugd over de politieke bereidheid de langverwachte bekendmaking van de namen van de bij de voormalige Joegoslavische geheime diensten aangesloten agenten te voltooien, daar deze openbaarmaking een beslissende stap is om met het voormalige communistische tijdperk te breken; constateert echter dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt bij de volledige tenuitvoerlegging van de desbetreffende wetgeving; dringt er bij de regering op aan om het zuiveringsproces spoedig af te ronden en het niet voor politieke doeleinden te gebruiken, zoals voor eigen politieke legitimatie of diffamatie van politieke tegenstanders;

9.  spreekt zijn waardering uit voor het uitstekende werk van de aftredende speciale vertegenwoordiger van de EU en hoofd van de EU-delegatie; veroordeelt de ongepaste aanvallen van politici van de regeringspartij op vertegenwoordigers van de EU en betreurt dat de regering zich niet ondubbelzinnig en in het openbaar van dergelijke beledigingen heeft gedistantieerd; acht deze incidenten uitermate schadelijk voor het imago van het land;

10.  vestigt de aandacht op de noodzaak de verkiezingswetgeving te verbeteren teneinde deze in overeenstemming te brengen met de aanbevelingen van het ODIHR van de OVSE en met de aanbevelingen die zijn opgenomen in het verslag van de Commissie van Venetië over de presidents- en plaatselijke verkiezingen van 2009;

11.  wijst er andermaal op dat vrije en onafhankelijke media een noodzakelijke voorwaarde zijn voor de ontwikkeling van een stabiele democratie; neemt kennis van het bestaan van een grote variëteit en mix aan publieke en particuliere media in het land; spreekt evenwel zijn bezorgdheid uit over de politisering van de media en de inmenging in hun werk; maakt zich zorgen over de economische afhankelijkheid en concentratie van de politieke macht in de media, hetgeen vaak een gebrek aan redactionele onafhankelijkheid en een laag journalistiek niveau tot gevolg heeft; is bezorgd over de aanzienlijke verslechtering van de persvrijheid in het land zoals blijkt uit de aanzienlijke daling (van de 34ste naar de 68ste plaats) op de lijst van persvrijheid van 2010 van „Journalisten zonder grenzen”; stelt vast dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken op haar homepage een oproep aan de burgers heeft geplaatst om „niet-objectieve” persberichten aan de kaak te stellen; verzoekt de journalisten zich bij hun werk aan hoge professionele normen te houden, zich van politieke beïnvloeding te distantiëren en professionele verenigingen van journalisten op te richten; dringt er tegelijkertijd bij de verantwoordelijke autoriteiten op aan de media-onafhankelijkheid en -vrijheid te versterken door voor alle media dezelfde normen te hanteren en de transparantie van media-eigendom te verbeteren;

12.  is verheugd over de vele wetten die zijn aangenomen voor de gerechtelijke hervorming en dringt aan op een krachtige inzet bij de hervorming van de rechterlijke macht om ervoor te zorgen dat deze professioneel, doeltreffend en onafhankelijk van politieke druk opereert; onderstreept in dit verband dat het bestaande wetgevingskader snel en efficiënt moet worden geïmplementeerd; is verontrust over de voortdurende rol van het Ministerie van Justitie in de Raad voor de rechtspraak en over de kritiek van de regering en de parlementsleden op het Constitutionele Hof, waardoor het risico van politieke bemoeienis met de rechterlijke macht ontstaat; stelt evenwel met tevredenheid vast dat alle uitspraken van het Hof ondanks deze meningsverschillen zijn geïmplementeerd; is verheugd over de inspanningen om de efficiëntie en transparantie van het rechtssysteem te vergroten, met name door het wegwerken van de achterstanden bij de meeste rechtbanken; is eveneens verheugd over de inwerkingtreding van de wet inzake rechtsbijstand;

13.  is verheugd over de aanhoudende inspanningen om corruptie te bestrijden, wat onder meer blijkt uit de uitvoering van de tweede serie GRECO-aanbevelingen en de inwerkingtreding van de wijzigingen op het Wetboek van Strafrecht; moedigt de autoriteiten aan de uitvoering van wetgeving ter bestrijding van corruptie voort te zetten en de onafhankelijkheid, de doeltreffendheid en de financiering van de rechterlijke macht te verbeteren; wijst er echter op dat de corruptie nog steeds wijdverspreid is en dat verdere krachtige inspanningen nodig zijn om de corruptie uit te roeien; benadrukt de dringende noodzaak van effectieve en onpartijdige handhaving van de anticorruptiewetgeving, met name de wetgeving inzake de financiering van politieke partijen en inzake belangenconflicten; herinnert eraan dat het belangrijk is dat het rechtssysteem vrij van politieke inmenging kan functioneren; is verheugd over de inspanningen om de efficiëntie en transparantie van het rechtssysteem te vergroten; benadrukt de noodzaak een overzicht op te stellen van vervolgingen en veroordelingen op basis waarvan de vooruitgang kan worden gemeten; dringt aan op eenmaking van de jurisprudentie, teneinde de rechtspraak voorspelbaar te maken en het vertrouwen van het publiek te verzekeren;

14.  verzoekt de Commissie een beoordeling op te stellen van de gevolgen en de resultaten van de toekenning van EU-middelen voor de hervorming van de rechterlijke macht en de corruptiebestrijding, samen met haar volgende voortgangsverslag; verzoekt de Commissie om aan de Raad en het Parlement een uitvoeriger beoordeling te verstrekken van de doeltreffendheid van de corruptiebestrijdingsmaatregelen die de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië heeft genomen op het gebied van openbare aanbestedingen en fraude, en deze samen met haar volgende voortgangsverslag te presenteren;

15.  erkent de inspanningen met betrekking tot de hervorming van het openbaar bestuur, maar vraagt bijkomende inspanningen op dit vlak, waar nog steeds sprake is van politisering en gebrek aan capaciteit en professionaliteit; is verheugd over de aanneming door de regering van een nationale strategie voor de hervorming van het openbaar bestuur en de oprichting van de subcommissie van de stabilisatie- en associatieovereenkomst belast met de hervorming van het openbaar bestuur; is verontrust over de ondoorzichtige wijze waarop tijdelijke functies worden omgezet in permanente functies en over het ad hoc karakter ervan, wat tot verdere politisering van het bestuur leidt; dringt aan op de ontwikkeling van een duidelijk personeelsbeleid waarbij de behoeften op het gebied van het bestuur wat betreft capaciteit en vaardigheden worden vastgesteld en de uitvoering geschiedt via aanwerving en loopbaanontwikkeling op basis van verdienste; is verheugd dat aanwerving onder leden van minderheden toeneemt, maar wijst er met nadruk op dat dit dient te geschieden op basis van een evaluatie van de behoeften op het gebied van het bestuur om ervoor te zorgen dat de vaardigheden van de nieuwe werknemers in overeenstemming zijn met de functievereisten;

16.  prijst de vooruitgang die nog altijd wordt geboekt op het gebied van decentralisatie, maar merkt op dat de overdracht van verantwoordelijkheden naar lagere overheden gepaard moet gaan met de toekenning van de middelen die hiervoor nodig zijn;

17.  is verheugd over de geboekte vooruitgang bij de hervorming van het gevangeniswezen; blijft echter ernstig bezorgd over de mensonwaardige omstandigheden in bepaalde gevangenissen, in het bijzonder als gevolg van overbezetting en een ontoereikend gezondheidsstelsel; benadrukt dat het beginsel dat gedetineerden op een juiste manier moeten worden behandeld moet worden nageleefd, overeenkomstig de beginselen van de VN;

18.  is verheugd over de aanneming van de wet over de gezins- en volkstelling in 2011; benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat deze telling voldoende wordt voorbereid en doeltreffend wordt uitgevoerd opdat de telling nauwkeurig zal zijn; verzoekt de regering middelen beschikbaar te stellen voor de organisatie ervan en benadrukt dat de telling geen politiek karakter mag hebben opdat deze onpartijdig verloopt en een zo breed mogelijke deelname wordt bevorderd;

19.  onderstreept dat het van het allergrootste belang is dat de etnische integratie steun vindt in het onderwijsstelsel; is in dit verband verheugd over de strategie op het gebied van geïntegreerd onderwijs en dringt aan op spoedige uitvoering ervan door onder meer de geleidelijke afschaffing van de segregatie langs etnische lijnen en door ervoor te zorgen dat alle officiële talen van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië meer worden aangeleerd; doet een beroep op de regering om de raadpleging van de verschillende gemeenschappen te verbeteren en bij de uitvoering van de strategie nauw met hen samen te werken;

20.  constateert onvoldoende vooruitgang bij gezamenlijke vieringen van gemeenschappelijke historische gebeurtenissen met naburige EU-lidstaten die moeten bijdragen tot een beter historisch besef en goede nabuurbetrekkingen, zoals in het vorige verslag is benadrukt; verzoekt met klem om de invoering van schoolboeken waarin de geschiedenis niet ideologisch wordt uitgelegd;

21.  is ernstig verontrust over de situatie van de Roma-gemeenschap, die nog steeds wordt geconfronteerd met erbarmelijke levensomstandigheden en discriminatie bij de toegang tot de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg en de sociale dienstverlening; onderstreept met name de moeilijke situatie van Roma-meisjes en -vrouwen die nog steeds dubbel worden gediscrimineerd, zowel op basis van etniciteit als geslacht; dringt bij de regering aan op een krachtiger inzet ter uitvoering van de Roma-strategie en het actieplan voor het Decennium van de Roma; is in dit opzicht verheugd over de activiteiten van de regering die gericht zijn op de politieke integratie van de Roma, met inbegrip van de creatie van de post van minister van Roma-etniciteit, die belast is met kwesties die betrekking hebben op de Roma-gemeenschap; prijst de regering voor de organisatie van een vergadering over de integratie van de Roma toen ze het voorzitterschap van de Raad van Europa uitoefende;

22.  verwelkomt de goedkeuring van de antidiscriminatiewet als een essentiële stap ter bestrijding van de nog steeds wijdverspreide discriminerende praktijken en verzoekt om de snelle en doeltreffende uitvoering ervan; betreurt echter dat seksuele geaardheid, in tegenstelling tot de Europese wetgeving, volgens de wet niet als discriminatiegrond wordt beschouwd; dringt aan op snelle aanpassing van de nationale bepalingen op dit gebied aan het acquis en op versterking van de toezichtmechanismen en benadrukt dat dit een noodzakelijke voorwaarde voor toetreding is; is verontrust over het verloop van de selectieprocedure voor leden van de commissie voor de bescherming tegen discriminatie; betreurt dat geen vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld als lid van de commissie is benoemd; dringt aan op verdere inspanningen wat betreft de rechten van vrouwen, om hun deelname aan de arbeidsmarkt en aan de politieke besluitvorming en de besluitvorming van ondernemingen te verhogen, en vrouwen en kinderen tegen huiselijk geweld te beschermen;

23.  vraagt meer inspanningen op het vlak van gendergelijkheid en vrouwenrechten; moedigt de autoriteiten aan de wet over gelijke kansen voor mannen en vrouwen volledig ten uitvoer te leggen en ervoor te zorgen dat het nationale actieplan voor gendergelijkheid meer samenhangend is; is verheugd over de goedkeuring van de strategie ter bestrijding van huiselijk geweld; vraagt de implementatie van een stelsel voor slachtofferhulp; dringt er bij de regering en de niet-gouvernementele sector op aan een groter bewustzijn over deze kwesties te bewerkstelligen;

24.  veroordeelt de intimidatie van en rechtstreekse aanvallen op maatschappelijke organisaties en de persoonlijke laster en smaad jegens prominente activisten van deze organisaties; is verheugd over de door de regering ingevoerde mechanismen voor de raadpleging van maatschappelijke organisaties, maar is bezorgd over het feit dat er geen systematisch en transparant mechanisme bestaat voor de raadpleging van het maatschappelijk middenveld over beleid voor nationale ontwikkeling, wetgeving, programma's en andere strategische documenten; benadrukt dat de maatschappelijke organisaties op niet-selectieve wijze bij het beleidsvormingsproces moeten worden betrokken om een doeltreffend publiek debat te bevorderen en belanghebbenden bij het toetredingsproces van het land te betrekken; beklemtoont de cruciale rol van de maatschappelijke organisaties voor het verbeteren van de regionale samenwerking op sociaal en politiek gebied; prijst de aanneming van de nieuwe wet inzake verenigingen van burgers en dringt bij de autoriteiten aan op de uitvoering van de bepalingen inzake organisaties van algemeen nut door zo spoedig mogelijk voor financieringsregelingen te zorgen;

25.  stelt met tevredenheid vast dat de IPA-bijstand in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië goed functioneert; moedigt zowel haar regering als de Commissie aan om de administratieve procedure voor het verkrijgen van IPA-steun te vereenvoudigen opdat deze steun gemakkelijker toegankelijk wordt voor kleine en niet-gecentraliseerde maatschappelijke organisaties, vakbonden en andere begunstigden;

26.  benadrukt dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië de acht verdragen over de fundamentele arbeidsrechten van de IAO heeft geratificeerd is bezorgd over het feit dat slechts beperkte vooruitgang is geboekt op het gebied van arbeidsrechten en vakbonden; verzoekt de autoriteiten de arbeids- en vakbondsrechten verder te versterken en moedigt de regering in dit verband aan ervoor te zorgen dat de overheid over voldoende capaciteiten beschikt om de daadwerkelijke uitvoering en naleving van de arbeidswetgeving te kunnen waarborgen wijst op het belang van de sociale dialoog en moedigt de regering aan haar ambities voor een zo breed mogelijke sociale dialoog met alle belanghebbenden te verhogen en deze in te stellen;

27.  benadrukt het belang van het behoud en het onderhoud van het culturele erfgoed, een van de pijlers van de Europese waarden en beginselen; betreurt dat vele begraafplaatsen, fresco's en kunstvoorwerpen, die deel uitmaken van het Bulgaarse culturele erfgoed, volledig vervallen en verwoest zijn;

28.  is verheugd over de in het land geboekte vooruitgang om een goed functionerende markteconomie te worden en over de brede consensus over de belangrijkste kenmerken van het nationale economische beleid; prijst de regering voor het behoud van de macro-economische stabiliteit ondanks de negatieve gevolgen van de wereldwijde financiële crisis en neemt kennis van de goede vooruitzichten voor economische groei tijdens de komende jaren;

Sociaaleconomische ontwikkelingen

29.  is verontrust over de aanhoudende hoge werkloosheid, met name onder jongeren, zoals in vele andere landen in de regio; dringt bij de regering aan op spoedige uitvoering van efficiëntere maatregelen ter verbetering van de openbare investeringen die gericht zijn op werkgelegenheidsbeleid en het tewerkstellen van de werknemers in hoogwaardige, stabiele en fatsoenlijke banen; verzoekt de Commissie de autoriteiten bij te staan met meer steun van het pretoetredingsinstrument (IPA);

30.  neemt er kennis van dat het ondernemersklimaat is verbeterd ten gevolge van de doorvoering van economische hervormingen in de afgelopen jaren en onderstreept de noodzaak van voortdurende structurele hervormingen in het land; wijst er tegelijkertijd op dat de buitenlandse investeringen, die toch al op een laag niveau stonden, nog verder zijn gedaald, en dat de wereldwijde financiële crisis de situatie nog heeft verergerd; roept de overheidsinstellingen die verantwoordelijk zijn voor directe buitenlandse investeringen op hun inspanningen te intensiveren om potentiële buitenlandse investeerders aan te trekken;

31.  complimenteert de regering met de doeltreffende en soepele tenuitvoerlegging van de stabilisatie- en associatieovereenkomst met de EU; is daarom verheugd over het recente besluit van de regering om de douanetarieven voor meer dan honderd uiteenlopende producten af te schaffen als stap op weg naar de volledige liberalisering van de handel met de EU; hoopt dat dankzij deze veranderingen het concurrentievermogen van de binnenlandse producenten zal toenemen waardoor een bredere economische groei gestimuleerd wordt; is van oordeel dat deze ontwikkeling een belangrijke mijlpaal vormt waaruit de inspanningen van het land blijken om weerstand te bieden aan de toenemende concurrentie waarmee het zal worden geconfronteerd als het eenmaal lid van de EU wordt;

32.  benadrukt de noodzaak de beginselen van goed bestuur bij de begrotingsuitgaven toe te passen door de vrije toegang tot openbare informatie te verbeteren, de belanghebbenden bij de begrotingsprocedure te raadplegen en een verslagleggingsmechanisme in te voeren waarmee rekenschap wordt afgelegd voor de gedane uitgaven; wijst erop dat ondoorzichtige begrotingsuitgaven tot sociale uitsluiting en conflicten leiden en de legitimiteit van sommige nationale campagnes aantasten;

33.  is verheugd over de recente goedkeuring van de wet inzake energie met het oog op de liberalisatie van de elektriciteitsmarkt van het land die strookt met de desbetreffende Europese richtlijnen;

34.  onderstreept het belang van de ontwikkeling van een doeltreffend en betrouwbaar systeem van openbaar vervoer zowel binnen het land als op regionaal niveau (met inbegrip van de spoorverbinding Sofia-Skopje-Tirana); herhaalt in dit verband zijn oproep aan de autoriteiten om te investeren in het onderhoud en de modernisering van het spoorwegnet, als levensvatbaar alternatief voor het wegennet; betreurt in dit verband het besluit van de regering om de financiële middelen ten behoeve van het jaarlijkse spoorweginfrastructuurprogramma te verlagen en doet een beroep op de Commissie om de nodige technische en financiële bijstand in het kader van het IPA ter beschikking te stellen;

35.  doet een beroep op de autoriteiten van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië om de grensoverschrijdende route voor passagiers en fietsers tussen Staro Konjarevo en Gabrene opnieuw te openen om het gedeelte van de IJzeren Gordijn-route tussen Strumica en Petrič te verbeteren;

36.  is verheugd over de goedkeuring van de nationale strategie voor duurzame ontwikkeling, maar dringt aan op meer inspanningen om de milieuwetgeving ten uitvoer te leggen en hiervoor voldoende middelen uit te trekken; vestigt met name de aandacht op de uitdagingen op het gebied van waterkwaliteit, afvalbeheer en natuurbescherming; dringt aan op nauwere samenwerking inzake grensoverschrijdende milieuvraagstukken op basis van de EU-normen; roept in dit opzicht opnieuw op tot een doeltreffend toezicht op de kwaliteit en het niveau van het water in de grensmeren Ohrid, Prespa en Dojran, alsook in de rivier Vardar; is verheugd over het initiatief van de trilaterale Euroregio rond het Prespameer waarbij de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Griekenland en Albanië betrokken zijn; doet een beroep op de regering om de succesvolle ervaring met het opvangsysteem voor afvalwater van Ohrid uit te breiden tot andere meren in de regio; juicht bovendien de vooruitgang toe die is geboekt bij de bouw van een afvalwaterzuiveringsinstallatie in Gevgelija;

37.  is ten zeerste verontrust over de vervuilde bodem in de stad Veles, die door de Wereldgezondheidsorganisatie is uitgeroepen tot een gevaarlijke plaats om te leven; verzoekt de regering deze kwestie aan te pakken en passende maatregelen te nemen ter bescherming van de volksgezondheid in dit gebied; verzoekt de Commissie na te gaan of in dit bijzondere geval IPA-middelen kunnen worden aangewend;

Regionale kwesties

38.  complimenteert het land met zijn voortdurende stabiliserende rol in de regio; benadrukt de deelname van het land aan civiele en militaire missies van de EU, maar herinnert de regering niettemin aan haar verplichting zich aan te sluiten bij de gemeenschappelijke standpunten in het kader van het GBVB, met name die welke betrekking hebben op restrictieve maatregelen, in het bijzonder in het geval van Zimbabwe;

39.  is verheugd over het recente besluit van de autoriteiten van Servië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië om de noodzaak van internationale paspoorten voor burgers die tussen beide staten reizen, af te schaffen met het oog op de instelling van een gezamenlijke controle aan de grens tussen beide landen;

40.  betreurt ten zeerste dat het geschil met Griekenland over de naam de weg van het land naar toetreding tot de EU blijft blokkeren en herinnert aan zijn aanbeveling aan de Raad om onverwijld de toetredingsonderhandelingen te openen; onderstreept het belang van goede nabuurschapsbetrekkingen en begrip voor de gevoeligheden van de aangrenzende lidstaten in dit proces; verzoekt de regeringen gebaren, controversiële handelingen en verklaringen te vermijden die negatieve gevolgen kunnen hebben en die de goede nabuurschapsbetrekkingen kunnen schaden; neemt kennis van de geïntensiveerde dialoog tussen de twee premiers en moedigt hen aan blijk te geven van politieke wijsheid en compromisbereidheid en snel een voor beide partijen bevredigende oplossing te vinden;

41.  herinnert eraan dat, zoals in de conclusies van de bijeenkomst van de Raad Algemene Zaken van 14 december 2010 is gesteld, het onderhouden van betrekkingen van goed nabuurschap, inclusief een door onderhandelingen tot stand gekomen en wederzijds aanvaarde oplossing van de naamkwestie, onder auspiciën van de VN, van wezenlijk belang is;

42.  doet een beroep op de Commissie en de Raad om te beginnen met de ontwikkeling van een algemeen toepasbaar arbitragemechanisme met het oog op de oplossing van bilaterale kwesties tussen uitbreidingslanden, tussen lidstaten en uitbreidingslanden en tussen lidstaten;

43.  stelt tot zijn bezorgdheid vast dat in het huidige debat gebruik wordt gemaakt van aan de geschiedenis ontleende argumenten, waaronder het verschijnsel van de zogenoemde „antiquisatie”, waardoor het gevaar ontstaat dat de spanningen met de naburige landen groter worden en nieuwe interne verdeeldheid ontstaat;

44.  verzoekt de hoge vertegenwoordiger en de commissaris belast met de uitbreiding en het Europees nabuurschapsbeleid om een akkoord over de naamkwestie te vergemakkelijken en politieke sturing te bieden met volledige inachtneming van de lopende procedure van onderhandelingen en de bepalingen van het Handvest van de VN; is van oordeel dat het zo snel mogelijk vinden van een wederzijds aanvaardbare oplossing een testcase is voor het gemeenschappelijk buitenlands beleid na Lissabon en voor het vermogen van de Unie om reeds lang bestaande internationale geschillen aan haar grenzen op te lossen;

45.  doet een beroep op de Raad en de Commissie om hun verplichtingen jegens derde landen na te komen en de vooruitgang en inspanningen inzake hervormingen van de landen die aan de vereisten van de Unie voldoen, te belonen; stelt vast dat anders de bereidheid van deze landen tot hervormingen wellicht zal afnemen;

46.  is van mening dat een verder voortduren van de status quo met betrekking tot de naamkwestie en andere onopgeloste kwesties met de buurlanden de stabiliteit van het land en de regio alsook de geloofwaardigheid van het uitbreidingsbeleid kan ondergraven, en doet dan ook een beroep op alle betrokken partijen om bij het oplossen van lopende kwesties blijk te geven van goede wil, solidariteit en verantwoordelijkheidsbesef; doet in dit verband een beroep op de autoriteiten in het land om vooruitgang te boeken met het initiatief inzake het instellen van gezamenlijke comités van deskundigen in geschiedenis en onderwijs met Bulgarije en Griekenland;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

(1) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 54.
(2) PB L 80 van 19.3.2008, blz. 32.

Juridische mededeling - Privacybeleid