Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 10 maart 2011 - Straatsburg
Mediawet in Hongarije
 De zuidelijke buurlanden, en met name Libië, met inbegrip van humanitaire aspecten
 De benadering van Iran door de EU
 Zestiende zitting van de Mensenrechtenraad (Genève, 28 februari − 25 maart 2011)
 Pakistan − de moord op Shahbaz Bhatti, minister voor Religieuze Minderheden
 Wit-Rusland, met name de gevallen van Ales Michalevitsj en Natalia Radina
 Situatie en cultureel erfgoed in Kashgar (Oeigoerse autonome regio Xinjiang, China)
 Een Europees Statuut voor onderlinge maatschappijen, verenigingen en stichtingen
 Ongelukken met vrachtwagens

Mediawet in Hongarije
PDF 128kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije
P7_TA(2011)0094B7-0191/2011

Het Europees Parlement,

–  gelet op de artikelen 2, 3, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), de artikelen 49, 56, 114, 167 en 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens (EVRM) met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten, met name de vrijheid van meningsuiting en van informatie en het recht op pluriformiteit van de media,

–  gelet op Richtlijn 2010/13/EU van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten),

–  gezien het Europees Handvest voor de persvrijheid van 25 mei 2009, het werkdocument van de Commissie over de pluriformiteit van de media in de EU-lidstaten (SEC(2007)0032), de door de Commissie uitgewerkte driestappenaanpak voor de pluriformiteit van de media en het namens de Commissie verrichte en in 2009 afgeronde onafhankelijke onderzoek,

–  onder verwijzing naar zijn resoluties van 22 april 2004 over de risico's van schending in de EU en met name in Italië van de vrijheid van meningsuiting en informatie(1), van 25 september 2008 over concentratie en pluralisme in de media in de Europese Unie(2), en van 7 september 2010 over journalistiek en nieuwe media – totstandbrenging van een publieke ruimte in Europa(3),

–  gezien de verklaringen van de Commissie, de ingediende parlementaire vragen en de debatten in het Europees Parlement op 8 oktober 2009, over de vrijheid van informatie in Italië, en op 8 september 2010, en de discussies op 17 januari 2011 in de gezamenlijke vergadering van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie cultuur en onderwijs over de mediawet in Hongarije,

–  gezien het besluit van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken om het Bureau voor de grondrechten te verzoeken een vergelijkend jaarverslag over de situatie van de mediavrijheid, pluriformiteit en onafhankelijk bestuur in de EU-lidstaten, inclusief indicatoren, op te stellen,

–  gezien het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, met name de artikelen 5, lid 2, 7 en 11,

–  gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie stoelt op de waarden van democratie en de rechtsstaat die zijn vastgelegd in artikel 2 van het VEU, en bijgevolg de vrijheid van meningsuiting en informatie waarborgt en bevordert, zoals bepaald in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten en in artikel 10 van het EVRM, en de juridische waarde erkent van de rechten, vrijheden en beginselen zoals opgenomen in het Handvest van de grondrechten, wat zij ook heeft aangetoond door toetreding tot het EVRM, waarvoor mediavrijheid en pluriformiteit van de media een essentiële voorwaarde vormen, en overwegende dat deze rechten de vrijheid van meningsuiting inhouden alsook de vrijheid om informatie te ontvangen en te verspreiden zonder controle, inmenging of druk van de overheid,

B.  overwegende dat ernstige bezorgdheid blijft bestaan over de pluriformiteit en de vrijheid van de media in de EU en haar lidstaten, met name in Italië, Bulgarije, Roemenië, Tsjechië en Estland, wat werd benadrukt door de kritiek die onlangs op de tussen juni en december 2010 in Hongarije ingevoerde mediawet werd geuit door internationale organisaties zoals de OVSE en de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa, een groot aantal nationale en internationale beroepsorganisaties van journalisten, uitgevers, ngo's op het gebied van de mensenrechten en de burgerlijke vrijheden, alsook door de lidstaten en de Commissie,

C.  overwegende dat de Commissie haar twijfels heeft geuit en de Hongaarse regering om informatie heeft verzocht over de conformiteit van de Hongaarse mediawet met de richtlijn audiovisuele mediadiensten en de EU-wetgeving in het algemeen, in het bijzonder wat betreft de verplichting tot evenwichtige berichtgeving voor alle aanbieders van audiovisuele mediadiensten, en zich ook heeft afgevraagd of de wet in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel en het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting en informatie zoals bepaald in artikel 11 van het Europees Handvest van de grondrechten, het beginsel van het land van oorsprong en de registratieverplichtingen eerbiedigt, en overwegende dat de Hongaarse regering in reactie hierop nadere informatie heeft verschaft en de procedure heeft opgestart om de wet aan te passen om zo de door de Commissie aangekaarte kwesties aan te pakken,

D.  overwegende dat de OVSE ernstige bezwaren heeft geuit over de (materiële en geografische) reikwijdte van de Hongaarse wetten, de vrijheid van meningsuiting en de regels betreffende de inhoud, de benoeming van een en dezelfde persoon tot nationale media- en telecommunicatieautoriteit en de naleving van de beginselen voor de publieke omroep(4), en heeft aangegeven dat de nieuwe wetgeving de pluriformiteit van de media in gevaar brengt, een einde maakt aan de politieke en financiële onafhankelijkheid van de publiekrechtelijke media en de negatieve kenmerken voor de vrije media op lange termijn vastlegt, en overwegende dat de mediaraad en -autoriteit politiek homogeen zijn(5) en een verregaande en gecentraliseerde politieke en regeringscontrole op alle media uitoefenen; overwegende dat verder bezorgdheid werd geuit over onder meer de onevenredige en uiterst strenge straffen die om betwistbare en niet helder omschreven redenen kunnen worden opgelegd, het ontbreken van een procedure voor de automatische opschorting van straffen in geval van een beroepsprocedure tegen een uitspraak van de media-autoriteit, de schending van het beginsel van de vertrouwelijkheid van de bronnen van journalisten en de bescherming van gezinswaarden,

E.  overwegende dat het de ernstige bezwaren van de OVSE deelt over de politiek homogene samenstelling van de mediaraad en -autoriteit, over de duur van het mandaat, over de uitoefening van een verregaande en gecentraliseerde politieke en regeringscontrole op alle media, over het feit dat de meest problematische kenmerken van de wetgeving in strijd zijn met de normen van de OVSE en de internationale normen betreffende de vrijheid van meningsuiting, bijvoorbeeld doordat een einde wordt gemaakt aan de politieke en financiële onafhankelijkheid van de publiekrechtelijke media, over de (materiële en geografische) reikwijdte van de regelgeving en over het besluit om kernbegrippen niet te definiëren, zodat journalisten onmogelijk kunnen weten wanneer zij mogelijk de wet overtreden,

F.  overwegende dat de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa de Hongaarse autoriteiten heeft verzocht om bij de herziening van de mediawet rekening te houden met de normen van de Raad van Europa betreffende de vrijheid van meningsuiting en de pluriformiteit van de media, de aanbevelingen ter zake van het Comité van Ministers en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, en met name de bindende voorschriften in het EVRM en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens; overwegende dat hij in dit verband heeft gewezen op het gebruik van onduidelijke definities die verkeerd zouden kunnen worden geïnterpreteerd, de invoering van een politiek onevenwichtig regelgevingsstelsel met onevenredige bevoegdheden dat niet aan volledige rechterlijke controle is onderworpen, de gevaren voor de onafhankelijkheid van de publieke omroep en de uitholling van de bescherming van de bronnen van journalisten; overwegende dat hij ook heeft benadrukt dat alle betrokkenen, met inbegrip van de oppositie en het maatschappelijk middenveld, een bijdrage van betekenis moeten kunnen leveren aan de herziening van deze wetgeving, die betrekking heeft op een essentieel aspect van de werking van een democratische maatschappij(6),

G.  overwegende dat de Commissaris voor de Mensenrechten in een tweede advies, uitgebracht op 25 februari 2011, een algemene herziening van de Hongaarse mediawetgeving heeft aanbevolen, met onder meer als doel opnieuw precieze regelgeving in te voeren waarmee pluralistische en onafhankelijke media worden bevorderd en de waarborgen worden versterkt dat de regelgevingsmechanismen immuun zijn voor politieke invloed(7); overwegende dat hij verder verklaarde dat de media in Hongarije hun rol moeten kunnen vervullen als waakhond in een pluralistische democratische samenleving en dat Hongarije, om dit te bereiken, zich moet houden aan zijn verplichtingen als lid van de Raad van Europa en optimaal gebruik moet maken van de deskundigheid van deze organisatie op het vlak van de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid en pluriformiteit van de media,

H.  overwegende dat de Hongaarse mediawet dan ook met spoed moet worden opgeschort en herzien op basis van de opmerkingen en voorstellen van de Commissie, de OVSE en de Raad van Europa, om ervoor te zorgen dat deze volledig in overeenstemming is met het EU-recht en de Europese normen en waarden betreffende mediavrijheid, pluriformiteit en onafhankelijk mediabestuur,

I.  overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op een richtlijn betreffende mediavrijheid, pluriformiteit en onafhankelijk bestuur, maar dat de Commissie tot dusver nog niet is gekomen met een voorstel, dat steeds noodzakelijker en dringender wordt,

J.  overwegende dat de criteria van Kopenhagen voor het EU-lidmaatschap, zoals vastgesteld in juni 1993 tijdens de Europese Raad van Kopenhagen, voor wat betreft de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting door alle lidstaten van de EU in acht moeten worden genomen en middels relevante EU-wetgeving ten uitvoer moeten worden gelegd,

K.  overwegende dat het Hof van Justitie in de paragrafen 45 en 46 van zijn arrest in de gevoegde zaken C-39/05 P en C-52/05 P heeft geconcludeerd dat toegang tot informatie een betere deelneming van de burgers aan het besluitvormingsproces mogelijk maakt en leidt tot een grotere legitimiteit, meer doelmatigheid en meer verantwoordelijkheid van de administratie ten opzichte van de burgers binnen een democratisch systeem en een voorwaarde is voor een doeltreffende uitoefening van de democratische rechten van de burgers,

1.  verzoekt de Hongaarse autoriteiten de onafhankelijkheid van het mediabestuur te herstellen en een einde te maken aan staatsbemoeienis op het vlak van de vrijheid van meningsuiting en „evenwichtige berichtgeving”, en is van mening dat te veel regels voor de media een averechts effect hebben en de daadwerkelijke pluriformiteit in de openbare ruimte in gevaar brengen;

2.  is verheugd over de samenwerking van de Commissie met de Hongaarse autoriteiten om de Hongaarse mediawet in overeenstemming te brengen met de verdragen en de wetgeving van de EU, en over het opstarten van de wijzigingsprocedure op nationaal niveau;

3.  betreurt het besluit van de Commissie zich slechts op drie punten te concentreren in verband met de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving door Hongarije en het ontbreken van een verwijzing naar artikel 30 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten, met als gevolg dat de eigen bevoegdheid van de Commissie om na te gaan of Hongarije het Handvest van de grondrechten bij de implementatie van EU-wetgeving naleeft, wordt beknot; dringt er bij de Commissie op aan onderzoek te doen naar de naleving door Hongarije van de aansprakelijkheidsregeling van Richtlijn 2000/31/EG inzake elektronische handel alsook naar de omzetting door Hongarije van de kaderbesluiten van de EU ter bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat middels het strafrecht (2008/913/JBZ) en ter bestrijding van terrorisme (2008/919/JBZ), die verwijzingen naar de vrijheid van meningsuiting en omzeilingen van de regels inzake mediavrijheid bevatten;

4.  roept de Commissie op van nabij toezicht te blijven houden op en te zorgen voor de beoordeling van de conformiteit van de gewijzigde Hongaarse mediawet met de Europese regelgeving, en met name met het Handvest van de grondrechten;

5.  dringt er bij de Hongaarse autoriteiten op aan alle belanghebbenden te betrekken bij de herziening van de mediawet en de grondwet, welke laatstgenoemde de grondslag vormt voor een op de rechtsstaat gebaseerde democratische samenleving met een evenwichtige machtsverdeling ten einde de grondrechten van de minderheid te beschermen tegen het gevaar van tirannie van de meerderheid;

6.  verzoekt de Commissie te handelen op basis van artikel 265 van het VWEU door overeenkomstig artikel 225 van het VWEU vóór het eind van het jaar een wetgevingsinitiatief voor te stellen inzake mediavrijheid, pluriformiteit en onafhankelijk bestuur, aldus de tekortkomingen van het wetgevingskader van de EU voor de media weg te nemen en hierbij gebruik te maken van haar bevoegdheden op het gebied van de interne markt, audiovisueel beleid, mededinging, telecommunicatie, overheidssubsidies, openbaredienstverplichting en de grondrechten van eenieder die op het grondgebied van de EU verblijft, met het oog op de vaststelling van ten minste essentiële minimumnormen die alle lidstaten in hun nationale wetgeving in acht moeten nemen en moeten naleven om de vrijheid van informatie, een passend pluriformiteitsniveau van de media en een onafhankelijk mediabestuur te verzekeren, te waarborgen en te bevorderen;

7.  dringt er bij de Hongaarse autoriteiten op aan om de mediawet verder te herzien op basis van de opmerkingen en voorstellen van het Europees Parlement, de Commissie, de OVSE en de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa, de aanbevelingen van het Comité van Ministers en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie en het Europees Hof voor de rechten van de mens, en om, mocht de wet onverenigbaar worden geacht met de letter of de geest van de verdragen of het EU-recht, het Handvest van de grondrechten of het EVRM, de wet of de onverenigbaar geachte onderdelen ervan in te trekken en niet toe te passen;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Bureau voor de grondrechten, de OVSE en de Raad van Europa.

(1) PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 1026.
(2) PB C 8 E van 14.1.2010, blz. 85.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0307.
(4) Analyse en beoordeling van Hongaarse wetgeving en wetgevingsvoorstellen over de media en telecommunicatie, voorbereid door dr. Karol Jakubowicz voor de OVSE.
(5) Brief van 14 januari 2010 van de vertegenwoordiger van de OVSE over vrijheid van de media aan de voorzitter van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken.
(6) http://www.coe.int/t/commissioner/News/2011/110201Hungary_en.asp.
(7) https://wcd.coe.int/wcd/ViewDoc.jsp?id=1751289.


De zuidelijke buurlanden, en met name Libië, met inbegrip van humanitaire aspecten
PDF 223kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2011 over de zuidelijke nabuurschapslanden en in het bijzonder Libië
P7_TA(2011)0095RC-B7-0169/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 1 maart 2011, waarin het Libische lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) met eenparigheid van stemmen wordt opgeschort,

–  gezien resolutie 1970/2011 van de VN-Veiligheidsraad van 26 februari 2011,

–  gezien het besluit van de Raad van 28 februari 2011 waarmee uitvoering wordt gegeven aan de resolutie van de VN-Veiligheidsraad en bijkomende restrictieve maatregelen worden genomen tegen de verantwoordelijken voor het gewelddadige optreden tegen de burgerbevolking van Libië,

–  gezien resolutie S-15/2 van de VN-Mensenrechtenraad, die op 25 februari 2011 werd aangenomen,

–  gezien de opschorting van de onderhandelingen over de kaderovereenkomst EU-Libië op 22 februari 2011,

–  gezien de recente verklaringen van de hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton over Libië en Noordelijk Afrika,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Libië en met name zijn resolutie van 17 juni 2010 over executies in Libië(1) en zijn aanbeveling van 20 januari 2011 aan de Raad waarin wordt ingegaan op de kritieke omstandigheden in verband met de onderhandelingen over de kaderovereenkomst EU-Libië(2),

–  gezien het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en het bijbehorende protocol inzake de oprichting van een Afrikaans Hof voor de rechten van de mens en de volkeren, die Libië respectievelijk op 26 maart 1987 en 19 november 2003 heeft geratificeerd,

–  gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat bij de recente betogingen in verschillende Arabische landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten is geroepen om het einde van autoritaire regimes en om politieke, economische en sociale hervormingen, vrijheid, democratie en betere levensomstandigheden voor de burgers, overwegende dat de massale protesten in tal van Arabische landen hebben aangetoond dat ondemocratische en autoritaire regimes niet op geloofwaardige wijze voor stabiliteit kunnen zorgen en dat democratische waarden centraal staan in een economisch en politiek partnerschap,

B.  overwegende dat de protesten tegen het Libische regime op 15 februari 2011 begonnen in de stad Benghazi en zich over het land verspreidden en uiteindelijk Al Bayda, Al-Quba, Darnah en Az Zintan bereikten, waarbij de betogers de controle kregen over talrijke steden, met name in het oosten van het land,

C.  overwegende dat de betogers het doelwit zijn geweest van ongekend gewelddadige aanvallen door het Kadhafi-regime, dat de Libische strijdkrachten, milities en huurlingen en buitenlandse strijders heeft gebruikt om de protesten in geweld te smoren, onder meer door een willekeurige inzet van machinegeweren, sluipschutters en militaire vliegtuigen en helikopters tegen burgers; overwegende dat dit heeft geleid tot een snel toenemend dodental en een groot aantal gewonden en gearresteerden,

D.  overwegende dat de gewelddadige en wrede reactie van het regime tegen de Libische bevolking er niet alleen toe geleid heeft dat talrijke soldaten in het land zijn gedeserteerd, maar ook dat leden van het regime zijn overgelopen,

E.  overwegende dat volgens de UNHCR de afgelopen dagen meer dan 200 000 mensen Libië zijn ontvlucht naar de buurlanden Tunesië, Egypte en Niger, en dat honderdduizenden andere vluchtelingen en gastarbeiders een wanhopige strijd voeren om aan het conflict te ontsnappen of het land te verlaten, overwegende dat hierdoor een humanitaire noodsituatie ontstaat die een snelle reactie van de EU nodig maakt,

F.  overwegende dat, na eenstemmige goedkeuring van een resolutie door de VN-Mensenrechtenraad over de mensenrechtensituatie in Libië tijdens de 15e bijzondere zitting op 25 februari 2011, waarin de grootschalige en stelselmatige schendingen van de mensenrechten die in Libië worden begaan werden veroordeeld en waarin erop werd gewezen dat sommige van deze schendingen misdaden tegen de menselijkheid kunnen vormen, de Algemene Vergadering van de VN op 2 maart 2011heeft besloten Libië's lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad op te schorten, op aanbeveling van de VN-Mensenrechtenraad,

G.  overwegende dat de aanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) in reactie op de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 26 februari 2011 waarin besloten was de zaak voor te leggen aan het Internationaal Strafhof, op 3 maart 2011 een onderzoek heeft ingesteld naar de beschuldigingen van schendingen van de mensenrechten die in Libië hebben plaatsgevonden, o.a. door Moammar al-Kadhafi en leden van zijn regime; overwegende dat in resolutie van de VN-Veiligheidsraad 1970 een wapenembargo tegen het land wordt afgekondigd alsmede een reisverbod en de bevriezing van de tegoeden van de familie van Kadhafi en het regime en dat bovendien de lidstaten van de VN wordt toegestaan om militair gerelateerd materieel in beslag te nemen en te verwijderen,

H.  overwegende dat bij het besluit van de Raad van de Europese Unie van 28 februari 2011 aanvullende restrictieve maatregelen worden opgelegd, met name een visumverbod en de bevriezing van activa, aan degenen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking van de Libische bevolking, om uitvoering te geven aan de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 26 februari 2011,

I.  overwegende dat verschillende wereldleiders sinds het begin van de opstand Kadhafi herhaaldelijk tot opgeven hebben opgeroepen,

J.  overwegende dat de Arabische Liga Libië op 22 februari 2011 heeft geschorst en dat zijn secretaris-generaal op 3 maart 2011 heeft verklaard dat de Liga in overleg met de Afrikaanse Unie steun kan geven aan de instelling van een „no fly”-zone boven Libië indien de gevechten in dat land voortduren,

K.  overwegende dat de tijdelijke Nationale Overgangsraad de internationale gemeenschap in een op 5 maart 2011 uitgegeven verklaring verzocht „haar verplichtingen na te komen om de Libische bevolking te beschermen tegen een verdere genocide en misdaden tegen de menselijkheid, zonder een directe militaire interventie op Libisch grondgebied”,

L.  overwegende dat de EU met ingang van 22 februari 2011 de lopende onderhandelingen over de kaderovereenkomst EU-Libië en alle samenwerkingsovereenkomsten met Libië heeft opgeschort,

M.  overwegende dat de EU een vitaal belang heeft bij een democratisch, stabiel, welvarend en vreedzaam Noord-Afrika, overwegende dat de recente gebeurtenissen in Libië, Egypte en Tunesië de dringende noodzaak onderstrepen van hervorming van het externe optreden van de EU ten aanzien van de Middellandse-Zeeregio,

N.  overwegende dat de buitengewone Europese Raad op vrijdag 11 maart 2011 naar verwachting een grondige studie zal wijden aan het verslag van de hoge vertegenwoordiger en de Commissie over de snelle aanpassing van EU-instrumenten, en aan het verslag van de hoge vertegenwoordiger over de steun voor de overgangs- en transformatieprocessen,

1.  geeft uiting aan zijn solidariteit met het Libische volk, en met name met de Libisch jeugd die een stuwende kracht is geweest in het streven naar democratie en een verandering van het regime, prijst hun moed en vastberadenheid en steunt met nadruk hun legitieme democratische, economische en sociale aspiraties;

2.  veroordeelt ten scherpste de eclatante en stelselmatige mensenrechtenschendingen in Libië, en met name het gewelddadige optreden van het regime-Kadhafi tegen vreedzaam voor democratie betogende demonstranten, journalisten en mensenrechtenactivisten; betreurt ten zeerste het zware verlies aan mensenlevens en het grote aantal gewonden; betuigt zijn deelneming met de nabestaanden van de slachtoffers; hekelt het aanzetten tot geweld tegen de burgerbevolking door Moammar Kadhafi en zijn zoon Saif al-Islam, de hoogste vertegenwoordigers van het regime;

3.  dringt aan op onmiddellijke beëindiging van het gewelddadige dictatoriale regime van kolonel Kadhafi en verzoekt hem onmiddellijk af te treden om verder bloedvergieten te voorkomen en de weg vrij te maken voor een vreedzame politieke overgang; verzoekt de Libische autoriteiten onmiddellijk een einde te maken aan het geweld en ruimte te bieden voor een vreedzame oplossing die aan de legitieme verwachtingen van het Libische volk voldoet; verzoekt de Libische autoriteiten de mensenrechten en het internationale humanitaire recht te eerbiedigen, alle beperkingen van de vrijheid van meningsuiting, ook via internet, op te heffen en onafhankelijke mensenrechtenwaarnemers en buitenlandse media onmiddellijk tot het land toe te laten;

4.  schaart zich volledig achter resolutie 1970 van de VN-Veiligheidsraad, waarin de grootschalige en stelselmatige schending van de mensenrechten in Libië wordt veroordeeld, en ertoe wordt opgeroepen de zaak door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof, en waarin tegelijkertijd een wapenembargo wordt afgekondigd voor het land, alsmede een reisverbod en de bevriezing van de tegoeden van de familie van Moammar Kadhafi; onderstreept dat zij die aanvallen op burgers gepleegd hebben, volgens het internationaal recht een individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid dragen, voor de rechter moeten worden gedaagd en niet ongestraft mogen blijven; steunt ten zeerste dat er door de aanklager van het ICC een onderzoek wordt ingesteld naar de beschuldigingen van misdaden tegen de mensheid die gepleegd zouden zijn door Moammar Kadhafi en de leden van zijn regime;

5.  merkt op dat de EU als eerste de door de VN-Veiligheidsraad opgelegde sancties heeft uitgevoerd en dat de maatregelen van de EU nog verder gaan en afzonderlijke sancties omvatten; is verheugd over het besluit van de Raad tot instelling van een verbod op de handel met Libië in apparatuur die voor interne repressie gebruikt kan worden, alsmede de uitbreiding van de lijst met personen wier vermogen wordt bevroren en voor wie een visumverbod geldt; wenst dat de effectiviteit van sancties voortdurend wordt geëvalueerd;

6.  onderstreept dat alle maatregelen op alle Libische tegoeden van toepassing moeten zijn, inclusief de door de Libische investeringsauthoriteit beheerde staatsinvesteringsfondsen; dringt erop aan de bevriezing van vermogens ook van toepassing te laten zijn op de inkomsten uit de verkoop van olie en gas; verzoekt de Raad en de lidstaten volledige openheid te betrachten ten aanzien van alle bevroren vermogens; is in dat verband ingenomen met discussies over verdere EU-sancties, zodat ook het vermogen van Libische bedrijven met banden met het regime-Kadhafi wordt bevroren;

7.  is ingenomen met het besluit van de Raad van 28 februari 2011 om alle leveringen van wapens, munitie en verwant materieel aan Libië te verbieden; verzoekt de Raad in dit verband na te gaan of er sprake is geweest van inbreuk op de EU-gedragscode voor de wapenuitvoer en stringente maatregelen vast te stellen om te waarborgen dat deze code door alle leden volledig wordt nageleefd; verzoekt de Hoge Vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken het embargo te bekrachtigen door gebruik te maken van luchtmacht- en marinefaciliteiten van het GVDB;

8.  steunt het besluit van de VN-mensenrechtenraad om een onafhankelijke internationale onderzoekscommissie naar Libië te sturen om de schendingen van het internationale recht inzake mensenrechten te onderzoeken, en het besluit van de Algemene Vergadering van de VN van 2 maart 2011 om Libië's lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad op te schorten;

9.  verzoekt zowel de EU als de internationale gemeenschap alles in het werk te stellen om Kadhafi en zijn regime nationaal en internationaal volkomen te isoleren;

10.  onderstreept dat de EU en haar lidstaten de verantwoordelijkheid om te beschermen invulling moeten geven, teneinde de Libische bevolking te redden van grootschalige gewapende aanvallen; wijst erop dat in dit verband geen enkele in het Handvest van de VN voorziene optie moet worden uitgesloten; verzoekt de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie en de lidstaten zich gereed te houden voor een besluit in de VN-Veiligheidsraad over verdere maatregelen, waaronder de mogelijkheid van een vliegverbod om te voorkomen dat het regime de burgerbevolking tot doelwit kiest; onderstreept dat alle eventuele maatregelen van de EU en de lidstaten met een VN-mandaat dienen te stroken en gecoördineerd moeten worden met de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie, waarbij beide organisaties worden aangemoedigd bij de internationale maatregelen sturend op te treden;

11.  verzoekt de Vice-voorzitter van de Commissie/Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betrekkingen aan te knopen met de tijdelijke Nationale Overgangsraad van Libië en een proces op te starten om die een officieel karakter te geven teneinde de overgang naar democratie aan te moedigen, de betrokkenheid van een breed spectrum van vertegenwoordigers van de Libische samenleving te garanderen en ervoor te zorgen dat vrouwen en minderheden een rol spelen in het overgangsproces, en de Raad te steunen in de bevrijde gebieden om de bevolking hulp te bieden en te voorzien in de humanitaire basisbehoeften, met inbegrip van medische hulp;

12.  spoort de EU aan een bijdrage te leveren aan democratische hervormingen en de totstandbrenging van instellingen van de rechtsstaat in Libië door middel van steun voor de ontwikkeling van vrije media en onafhankelijke organisaties van het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder politieke partijen, zodat in de toekomst democratische verkiezingen kunnen worden gehouden;

13.  is ten zeerste verontrust over de aanzwellende humanitaire crisis, nu ruim 200 000 migranten het geweld in Libië ontvluchten en velen van hen klem zitten aan de grens tussen Libië en Tunesië of gestrand zijn in vluchtelingenkampen in Tunesië, Egypte en Niger; verzoekt de huidige en komende Libische autoriteiten humanitaire organisaties toegang tot het land te verlenen en de veiligheid van het personeel van deze organisaties te waarborgen;

14.  spoort de Raad, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter aan alle nodige financiële en personele middelen ter beschikking te stellen voor een robuuste internationale humanitaire actie, steun te geven aan de UNHCR en andere relevante organisaties om bescherming en noodhulp te bieden aan al diegenen die daar behoefte aan hebben; is ingenomen met de maatregelen en middelen die tot dusverre door Commissaris Georgieva en ECHO zijn genomen resp. verstrekt, alsook met de humanitaire hulp die door sommige lidstaten is verleend om deze uitdaging het hoofd te bieden; verzoekt de EU en de lidstaten vliegtuigen en schepen ter beschikking te stellen om te helpen bij het repatriëren of hervestigen van migranten, asielzoekers en vluchtelingen uit Libië overeenkomstig het internationaal recht en de relevante wetgeving van de Europese Unie, en financiële steun te verlenen in reactie op de gemeenschappelijke oproep van UNHCR en IOM (Internationale Organisatie voor Migratie)van 3 maart 2011;

15.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat al het nodige, waaronder voldoende financiële, personele en technische middelen, wordt gedaan om de EU in staat te stellen overeenkomstig artikel 80 van het VWEU adequaat te reageren in geval van een massale migratiebeweging;

16.  herinnert eraan dat Europese en Afrikaanse leiders in de gemeenschappelijke Afrika-EU-strategie van 2007 hebben beloofd de noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat onderzoeken worden gehouden naar de herkomst van vermogens, met inbegrip van geldbedragen, en deze, wanneer wordt vastgesteld dat ze illegaal zijn verworven, aan het land van herkomst terug te gegeven; verzoekt de lidstaten met klem zich hieraan en aan het VN-Verdrag tegen corruptie te houden, teneinde te waarborgen dat bevroren vermogens in de toekomst aan de Libische bevolking worden teruggegeven; onderstreept dat er een gecoördineerde EU-actie nodig is om de vermogens van de familie Kadhafi en bekende handlangers in Europa of bij in belastingparadijzen gevestigde Europese financiële instellingen te bevriezen, en ervoor te zorgen dat EU-banken zich wat eventuele, uit Libië overgebrachte illegale fondsen betreft houden aan de „ken-uw-cliënt”-vereisten;

17.  onderstreept dat het inzetten van huursoldaten een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid vormt, en een misdaad tegen de menselijkheid is, en derhalve moet worden stopgezet; verzoekt de Raad en de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter om alle regeringen met klem te waarschuwen tegen het sturen van huursoldaten, militair personeel of militaire uitrusting ter ondersteuning van de repressie van de Libische bevolking door het regime-Kadhafi;

18.  juicht het toe dat op 11 maart 2011 een buitengewone Europese Raad bijeenkomt voor overleg over de ontwikkelingen in Libië en de zuidelijke nabuurschapslanden; verzoekt de HV/VV en de lidstaten een alomvattende, coherente strategie uit te stippelen met het oog op de humanitaire en politieke reactie op de situatie in Libië;

19.  verzoekt de Hoge Vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie voorbereidingen te treffen voor een EU-optreden in en EU-steun aan de zuidelijke nabuurschapslanden, waarbij bijzondere aandacht uitgaat naar de totstandbrenging van de rechtsstaat, behoorlijk bestuur en het leggen van de constitutionele en electorale grondslagen voor een stabiele, pluriforme en vreedzame democratie in de regio; verzoekt de hoge vertegenwoordiger ten volle gebruik te maken van alle relevante externe financieringsinstrumenten van de EU;

20.  is van mening dat de revolutionaire veranderingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten duidelijk hebben gemaakt dat het voor de positieve invloed en de geloofwaardigheid van de EU op lange termijn in die regio bepalend is of zij in staat is een coherent gemeenschappelijk buitenlands beleid te voeren dat op waarden is gebaseerd en waarin duidelijk de kant van de nieuwe democratische krachten wordt gekozen; herhaalt zijn oproep dat de Europese Unie haar beleid van ondersteuning van democratie en mensenrechten in dier voege herziet dat er in alle met derde landen te sluiten overeenkomsten een implementatiemechanisme voor de mensenrechten wordt opgenomen;

21.  herhaalt zijn verzoek om nauw te worden betrokken bij het werk van de task force die is opgezet om de reactie van de EU op de crisis in Libië en elders in het Middellandse-Zeegebied te coördineren;

22.  benadrukt opnieuw dat de gebeurtenissen in Libië en in andere landen in de regio benadrukken dat het dringend noodzakelijk is ambitieuzere en doeltreffender beleidsmaatregelen en -instrumenten te ontwikkelen en hun basis in de begroting te versterken, ter stimulering en ondersteuning van politieke, economische en sociale hervormingen in de zuidelijke buurlanden van de EU; onderstreept dat de aan de gang zijnde strategische herziening van het Europese nabuurschapsbeleid moet beantwoorden aan de ontwikkelingen in de regio, en nieuwe en betere manieren moet opleveren om aan de behoeften en aspiraties van zijn volkeren tegemoet te komen; beklemtoont dat bij de herziening van het nabuurschapsbeleid voorrang moet worden gegeven aan de criteria in verband met onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, eerbiediging van de fundamentele vrijheden, pluralisme en persvrijheid en corruptiebestrijding; dringt aan op betere coördinatie met het overige beleid van de Unie jegens de betrokken landen;

23.  deelt de opvatting dat de Unie voor het Middellandse-Zeegebied zich aan het nieuwe tijdperk en aan de nieuwe omstandigheden moet aanpassen en na reflectie over de recente gebeurtenissen moet handelen en met voorstellen moet komen voor de wijze waarop democratie en mensenrechten zich in de aangesloten staten en in de regio, met inbegrip van Libië, het beste laten bevorderen, en voor mogelijke hervormingen, waardoor zij ook haar eigen rol sterker, coherent en efficiënter kan maken;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de Europese Unie, de VN-Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN, de UNHCR, de Liga van Arabische staten, de Afrikaanse Unie, de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de regeringen van de buurlanden van Libië en de tijdelijke Nationale Overgangsraad.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0246.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0020.


De benadering van Iran door de EU
PDF 228kWORD 81k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2011 de benadering van Iran door de EU (2010/2050(INI))
P7_TA(2011)0096A7-0037/2011

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran, waaronder zijn resolutie van 8 september 2010 over de mensenrechtensituatie in Iran, en met name de veroordelingen van Sakineh Mohammadi-Ashtiani en Zahra Bahrami(1), van 10 februari 2010 over de situatie in Iran(2) en van 22 oktober 2009 over Iran(3),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 oktober 2010 over de Werelddag tegen de doodstraf(4),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag voor de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de rechten van het kind, die alle door Iran zijn ondertekend,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de Europese Unie en de Verenigde Staten van 8 februari 2010, waarin de Iraanse regering wordt verzocht aan haar verplichtingen op het gebied van de mensenrechten te voldoen,

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de EU Catherine Ashton (hierna „de hoge vertegenwoordiger”) van 24 september 2010 met betrekking tot de „schandalige en onaanvaardbare” uitlatingen van de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad tijdens de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de EU-verklaring over non-proliferatie van massavernietigingswapens die werd aangenomen tijdens de Europese Raad van Thessaloniki op 19 en 20 juni 2003 en de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens van 10 december 2003,

–  gezien de verklaring van 23 september 2010 van de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger, waarin de bomexplosie in Mahabad in Iran wordt veroordeeld,

  gezien het verslag over de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie (EVS) met als titel „Veiligheid in een veranderende wereld”, aangenomen door de Europese Raad op 12 december 2008,

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van 22 september 2010 namens de E3+3 over een snelle oplossing voor de Iraanse nucleaire kwestie via onderhandelingen,

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van 12 augustus 2010 namens de Europese Unie over de veroordeling van zeven Baha'i-leiders,

–  gezien de verklaring van 16 juli 2010 van de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger, waarin de aanvallen in Iran worden veroordeeld,

–  gezien de conclusies van de Raad van 22 maart 2010 over vrije toegang tot informatie in Iran,

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van 6 juli 2010 over aangekondigde executies in Iran,

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van 12 juni 2010 namens de Europese Unie over de „sterk verslechterde mensenrechtensituatie in Iran sinds de presidentsverkiezingen van juni 2009”,

–  gezien de gegevens van het Bureau voor de Statistiek van Iran over de toename van het Iraanse werkloosheidscijfer in het voorjaar van 2010 tot 14,6%, hetgeen neerkomt op naar schatting meer dan 3,5 miljoen werklozen,

–  gezien het feit dat Iran het Verdrag ter voorkoming van de verspreiding van kernwapens (non-proliferatieverdrag) heeft ondertekend, en daarmee het bezit van kernwapens heeft afgezworen en wettelijk verplicht is om al zijn nucleaire activiteiten, met inbegrip van kernmateriaal, te melden bij en onder controle te stellen van het Internationaal Atoomenergie-agentschap (IAEA),

–  gezien de verklaring van het IAEA van 27 september 2005 dat Iran niet aan zijn verplichtingen overeenkomstig het non-proliferatieverdrag voldeed,

–  gezien het feit dat het opschorten van nucleaire verrijking en andere eisen in zes resoluties van de VN-Veiligheidsraad (1696, 1737, 1747, 1803, 1835 en 1929) zijn genoemd als voorwaarden voor herstel van de rechten van Iran overeenkomstig het non-proliferatieverdrag,

–  gezien de verklaring van directeur-generaal van het IAEA Yukiya Amano in zijn kwartaalverslag aan de raad van bestuur van 18 februari 2010 dat Iran niet voldoet aan de eisen die zijn neergelegd in de desbetreffende resoluties van de raad van bestuur en de Veiligheidsraad,

–  gezien het voorstel van het IAEA betreffende een regeling om nucleaire brandstof voor de onderzoeksreactor in Teheran te leveren in ruil voor laag verrijkt uranium uit de voorraden van Iran en gezien het door de regeringen van Turkije en Brazilië gesteunde compromisvoorstel dat tot doel had het vertrouwen te versterken en de onderhandelingen tussen Iran en de E3+3 en tussen Iran en de Groep van Wenen te vereenvoudigen,

–  gezien resolutie 1929 (2010) van de VN-Veiligheidsraad die voorziet in invoering van nieuwe restrictieve maatregelen tegen Iran en het opleggen van een vierde sanctieronde aan Iran in verband met zijn kernprogramma,

–  gezien de conclusies van de Raad over Iran van 26 juli 2010 en de goedkeuring door de Raad van een reeks aan Iran op te leggen restrictieve maatregelen op het gebied van handel, financiële diensten, energie en vervoer, en gezien de goedkeuring van een verordening tot uitbreiding van de lijst van entiteiten en personen waarvan de activa zijn bevroren,

–  gezien de bijkomende sancties tegen Iran die zijn aangekondigd door de VS, Japan, Canada en Australië,

–  gezien de jarenlange inzet van de Europese Unie voor een diplomatieke oplossing voor de Iraanse nucleaire kwestie,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0037/2011),

A.  overwegende dat de Islamitische Republiek Iran (hierna „Iran”) te kampen heeft met een groot aantal bestuurlijke problemen – van machtsstrijd tussen concurrerende splintergroepen binnen de heersende elites van het land tot een verlammende maatschappelijke en economische malaise, regionale veiligheidsproblemen en groeiende onvrede onder de bevolking – die in veel gevallen door het Iraanse regime zelf zijn veroorzaakt,

B.  overwegende dat, na de omstreden en door velen als frauduleus bestempelde presidentsverkiezingen van juni 2009, uit de politieke ontwikkelingen in Iran is gebleken dat er een groot potentieel is voor door het volk geleide democratische veranderingen, onder leiding van het vitale en actieve maatschappelijk middenveld van Iran; merkt op dat de hervormingsgezinde groeperingen grotendeels worden gerekend tot de Groene Beweging, die tijdens de massabetogingen tegen de herverkiezing van president Ahmadinejad is ontstaan,

C.  overwegende dat de Iraanse veiligheidstroepen – de Revolutionaire Garde, de Basij-militie en de politie – hardhandig hebben gereageerd en naar willekeur duizenden vreedzame demonstranten en dissidenten hebben opgepakt, waaronder studenten en academici, vrouwenrechtenactivisten, vakbondsleden, advocaten, journalisten, bloggers, geestelijken en vooraanstaande mensenrechtenactivisten, hetgeen duidelijk was bedoeld om critici en dissidenten de mond te snoeren; overwegende dat de rechterlijke macht tegen honderden vooraanstaande hervormers en activisten showprocessen heeft georganiseerd, waarbij een aantal van hen tot lange gevangenisstraffen of zelfs ter dood is veroordeeld,

D.  overwegende dat sinds de verkiezing van president Ahmadinejad in 2005, het Korps van de Islamitische Revolutionaire Garde sinds de jaren tachtig bijeengebrachte gelden heeft gebruikt voor de aankoop van via de effectenbeurs van Teheran geprivatiseerde staatsondernemingen,

E.  overwegende dat de fundamentele mensenrechten van de Iraanse bevolking – het recht op leven, vrijheid van meningsuiting en vereniging, en vrijwaring van willekeurige arrestatie, opsluiting en foltering en van alle vormen van discriminatie – nog steeds straffeloos worden geschonden,

F.  overwegende dat Iran een van de landen in het Midden-Oosten is met de meeste internetaansluitingen, waardoor het land na de Verenigde Staten en China de grootste blogosfeer ter wereld heeft; overwegende dat het geen toeval is dat telecommunicatie- en internetverbindingen sinds de verkiezingen van juni 2009 stelselmatig zijn verbroken,

G.  overwegende dat in Iran de doodstraf nog bestaat en Iran een van de drie landen in de wereld is waar de meeste executies worden uitgevoerd; overwegende dat Iran het hoogste aantal executies van jeugdige delinquenten op zijn naam heeft staan; overwegende dat Iran nog steeds de doodstraf door steniging toepast, wat in strijd is met het tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

H.  overwegende dat talloze Iraniërs om politieke redenen zijn geëxecuteerd, velen nog in de gevangenis zitten, en honderden Iraniërs gedwongen waren het land te verlaten uit angst voor de dood en/of opsluiting voor onbepaalde tijd, ondervraging en foltering,

I.  overwegende dat mensenrechteninstanties in Iran (bijvoorbeeld de Islamitische Commissie voor mensenrechten en de artikel 90-commissie) verbonden zijn aan de regering en veelal een onbeduidende rol spelen,

J.  overwegende dat het Iraanse kernprogramma door geheimhouding wordt gekenmerkt, waardoor de beweringen van Iran over het uitsluitend vreedzame karakter van dit programma in de loop der tijd steeds ongeloofwaardiger zijn geworden,

K.  overwegende dat Iran nog altijd moet voldoen aan zijn verplichtingen in het kader van alle desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, waarvan resolutie 1929 (2010) de meest recente is, en aan alle eisen van de raad van beheer van het IAEA, die neerkomen op onbeperkte en onvoorwaardelijke toegang van het agentschap tot alle installaties, al het materiaal, alle mensen en documenten, zodat de nucleaire intenties van Iran werkelijk kunnen worden gecontroleerd en het IAEA zijn rol als nucleaire toezichthouder kan vervullen,

L.  overwegende dat sommige beleidsmaatregelen van de Iraanse regering een bedreiging vormen voor de stabiliteit en vrede in de regio; overwegende dat met name Israël en de Golfregio zich geïntimideerd voelen door de agressieve en gerichte retoriek van Iran, alsook door zijn huidige kernprogramma en zijn steun aan Hezbollah en Hamas; overwegende dat Iran echter een stabiliserende rol zou kunnen spelen ten gunste van de gehele regio, op voorwaarde dat het land zijn betrekkingen met de internationale gemeenschap en in het bijzonder met zijn buurlanden normaliseert, het definitief de bezorgdheden over de werkelijke doelstellingen van zijn kernprogramma wegneemt en de eerbiediging van de mensenrechten en de democratie op zijn grondgebied waarborgt,

M.  overwegende dat Iran onderdak heeft geboden aan twee generaties Afghaanse vluchtelingen, die toegang hebben gekregen tot elementaire gezondheids- en onderwijsdiensten; overwegende dat in 2010 meer dan een miljoen Afghanen als inwoner van Iran stonden geregistreerd; overwegende dat Iran op dit gebied slechts beperkte internationale steun heeft ontvangen,

N.  overwegende dat Iran een van de drie landen met de grootste aangetoonde olie- en aardgasreserves ter wereld is,

O.  overwegende dat de betrekkingen tussen Iran en Turkije opvallend nauwer zijn geworden; overwegende dat Iran zijn staats- en niet-staatsbondgenoten Syrië, Hezbollah en Hamas, evenals de Moslimbroederschap, inzet om de regio te destabiliseren,

P.  overwegende dat in artikel IV van het non-proliferatieverdrag is vastgelegd dat alle partijen bij het verdrag het onvervreemdbare recht hebben op het onderzoek naar en de productie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame civiele doeleinden zonder onderscheid en in overeenstemming met de artikelen I en II van het verdrag,

Binnenlandse situatie

1.  wijst met bezorgdheid op de binnenlandse politieke situatie, in het bijzonder wat de democratie betreft; wijst op de wens tot democratische verandering van het Iraanse volk, in het bijzonder van de jonge generatie, en betreurt ten zeerste dat de Iraanse regering en het Iraanse parlement blijkbaar niet openstaan voor de gerechtvaardigde verlangens van de Iraanse burgers; wijst erop dat de onder de Iraanse bevolking heersende onvrede over de regering, die voortvloeit uit de ernstige sociaaleconomische situatie in combinatie met het gebrek aan vrijheid en fundamenteel respect voor de menselijke waardigheid in Iran, het grootste obstakel vormt voor het overleven van dit bewind;

2.  benadrukt dat democratische veranderingen niet van buitenaf of zelfs door een militair optreden kunnen worden opgelegd, maar door middel van een vreedzaam democratisch proces moeten worden bereikt; geeft uiting aan zijn bewondering voor de tienduizenden Iraniërs die hun loopbaan en leven op het spel blijven zetten door meer vrijheid en meer democratische rechten te eisen in de Islamitische Republiek Iran;

3.  wijst erop dat president Ahmadinejad in 2005 weliswaar is gekozen op basis van een programma van sociale rechtvaardigheid en economisch populisme, maar dat de binnenlandse problemen van Iran voortdurend toenemen, ondanks de snel stijgende olieprijzen; betreurt dan ook dat president Ahmadinejad zijn politieke positie in het land wil bestendigen door voor een radicale internationale agenda te kiezen, in de verwachting dat een uitgesproken antiwesters, anti-Israëlstandpunt de leidende positie van Iran in de islamitische wereld zal versterken;

4.  stelt vast dat vorige massabewegingen in Iran steeds berustten op het dubbele streven naar welvaart en vrijheid, en dat deze beloften van de revolutie van 1979 nog altijd niet zijn ingewilligd; merkt op dat economische problemen, zoals inflatie, corruptie, hoge werkloosheid, energietekorten, een inefficiënte overheid en verspilling van overheidsgelden de afgelopen jaren zeer sterk zijn toegenomen;

5.  merkt op dat de hervormingsbeweging een breed scala van intellectuele tendensen en politieke agenda's omvat die variëren van de wens de regeringsinstellingen van Iran geleidelijk aan te moderniseren, tot het doel het regime diepgaand te hervormen;

6.  betuigt zijn solidariteit met de miljoenen Iraniërs die na de presidentsverkiezingen van juni 2009 de straat op zijn gegaan in de hoop zo een politieke verandering in Iran teweeg te brengen;

7.  veroordeelt ten stelligste het illegaal vasthouden van de Iraanse oppositieleiders Mir Hossein Mousavi en Mehdi Karroubi samen met hun vrouwen door de Iraanse veiligheidsdiensten en dringt aan op hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke invrijheidsstelling; wijst erop dat hun vasthouding in strijd met de Iraanse wet is gebeurd; veroordeelt de houding van de Iraanse overheid ten aanzien van de oppositie die haar legitiem recht tot protesteren heeft uitgeoefend en betuigt haar solidariteit met de Iraanse bevolking bij haar streven naar democratie; betreurt de schijnheiligheid van de Iraanse regering die op 14 februari 2011 overdreven geweld, intimidering en willekeurige arrestaties heeft aangewend tegen vreedzame betogers die hun solidariteit met het Egyptische volk betuigden, en tegelijkertijd er zich op beriep de vrijheid in Egypte te ondersteunen;

8.  verwerpt met klem dat het regime, na de verkiezingen van 2009, demonstranten en oppositieleden heeft bestempeld als „vijanden van Allah” („muharib”), die volgens de islam de hoogste straf opgelegd moeten krijgen; concludeert dat, terwijl kritiek op het regime tijdens het bewind van de sjah als een misdaad werd beschouwd, dergelijke kritiek onder het huidige regime gelijkstaat aan een zonde tegen de islam;

9.  waarschuwt dat de groeiende rol van de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) in de Iraanse samenleving, op militair, politiek en economisch vlak, voor een verdere militarisering van de staat doet vrezen; uit zijn diepste bezorgdheid over het feit dat deze ontwikkeling kan escaleren tot geweld en onderdrukking van de politieke oppositie;

10.  is ernstig bezorgd over de belangrijke rol die de studentenorganisatie van de Basij-militie heeft gespeeld in de Iraanse samenleving door het studentenverzet in de gaten te houden en in de kiem te smoren, onder het centrale toezicht van de IRGC, terwijl de Iraanse studentenbeweging een van de belangrijkste bijdragen heeft geleverd aan de strijd voor democratie, vrijheid en rechtvaardigheid;

Mensenrechten

11.  doet een beroep op Iran om een einde te maken aan alle vormen van discriminatie in het land; is verontrust over de discriminatie en politieke en sociale repressie, die in Iran met name vrouwen treft; verzoekt de Iraanse autoriteiten om een einde te maken aan de discriminatie van mensen op grond van hun seksuele geaardheid; laakt de onmenselijke en middeleeuwse praktijk van het veroordelen van mensen tot de doodstraf wegens vermeende daden in verband met partnerkeuze of seksuele praktijken;

12.  is ontzet over het feit dat volgens jaarverslagen over de doodstraf in Iran het aantal executies in 2009 het hoogste in de afgelopen 10 jaar was, wat Iran het land met het hoogste aantal executies per hoofd van de bevolking ter wereld maakt; doet voorts een beroep op Iran om officiële statistieken over te leggen over de toepassing van de doodstraf; doet een beroep op Iran om eindelijk de doodstraf af te schaffen voor misdaden die voor het 18e levensjaar zijn begaan en om zijn wetgeving te wijzigen, aangezien deze in strijd is met de internationale verdragen inzake de mensenrechten die Iran heeft geratificeerd, met inbegrip van het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; verzoekt de Iraanse autoriteiten om overeenkomstig de resoluties 62/149 en 63/138 van de Verenigde Naties een moratorium op executies in te stellen, in afwachting van de afschaffing van de doodstraf; onderstreept het feit dat de EU-instellingen in dit verband constante druk op Iran moeten uitoefenen;

13.  veroordeelt met klem de executie van de Nederlands-Iraanse staatsburger Zahra Bahrami op 29 januari 2011 in Teheran; is ontzet over het feit dat de Iraanse autoriteiten mevrouw Bahrami de toegang tot consulaire diensten hebben ontzegd en geen eerlijk en transparant juridisch proces hebben geboden;

14.  neemt nota van de bewering van de Iraanse autoriteiten dat zij tegen rassendiscriminatie zijn, maar onderstreept dat de Iraanse etnische minderheden zich beklagen over de economische onderontwikkeling van de provincies waar zij in de meerderheid zijn; veroordeelt de talrijke terroristische aanvallen door Jundollah in Sistan en Beloetsjistan sinds zijn oprichting in 2003; vraagt tegelijkertijd om concrete bewijzen van de officiële Iraanse bewering dat Jundollah wordt gesteund door de Amerikaanse en Britse geheime diensten;

15.  is zeer ontsteld over het feit dat Iran, samen met Afghanistan, Somalië, Saoedi-Arabië, Soedan en Nigeria, tot de zeer kleine groep landen blijft behoren waar nog steeds steniging wordt toegepast; verzoekt het Iraanse parlement onmiddellijk wetgeving goed te keuren die deze wrede en onmenselijke straf verbiedt;

16.  verzoekt de Iraanse autoriteiten dringend om zowel wettelijk als feitelijk een einde te maken aan alle vormen van foltering en iedere andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, een eerlijke rechtsgang te handhaven en een halt toe te roepen aan het straffeloos schenden van de mensenrechten; doet met name een beroep op het Iraanse parlement en de rechterlijke macht om wrede en onmenselijke straffen, zoals amputatie, steniging en geseling, die in strijd zijn met de internationale verplichtingen van Iran, af te schaffen; verwerpt ten stelligste het door de Iraanse rechterlijke macht verbreide idee dat dergelijke straffen cultureel gerechtvaardigd zijn;

17.  herinnert aan de luide – en terechte – kreet „Waar is mijn stem?” van Iraanse betogers op 13 juni 2009, die hiermee de aandacht wilden vestiging op hun vermoeden van wijdverbreide fraude tijdens de verkiezingen van de dag ervoor, die altijd een schandvlek zullen blijven voor de tweede ambtstermijn van president Ahmadinejad;

18.  is ontzet over het feit dat de veiligheidstroepen het vanaf de nacht van 15 juni 2009 aanvaardbaar achtten op een demonstrerende menigte te schieten, zoals uit beeldopnames blijkt; is zeer verontrust over de uitbreiding van de repressie een jaar na de volksopstand in Iran, alsmede over de berichten van willekeurige arrestaties, foltering, mishandeling en executies van politieke dissidenten; veroordeelt de inspanningen van de Iraanse regering om elke vorm van politieke oppositie het zwijgen op te leggen, alsmede haar pogingen om elke vorm van internationaal onderzoek naar de schendingen in de periode van onrust na de verkiezingen uit de weg te gaan; dringt er bij de EU-instellingen op aan de Iraanse autoriteiten een gedetailleerde lijst voor te leggen van alle aan het licht gekomen incidenten en gewelddadigheden tegen Iraanse burgers in de nasleep van de verkiezingen en onderstreept dat er een onafhankelijk internationaal onderzoek moet komen, waarvan de conclusies openbaar worden gemaakt;

19.  verzoekt de Iraanse autoriteiten allen die vastzitten wegens het vreedzaam uitoefenen van hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering onverwijld in vrijheid te stellen, en regeringsambtenaren en veiligheidsagenten die verantwoordelijk zijn voor de dood, mishandeling en foltering van familieleden van dissidenten, demonstranten en gevangenen, gerechtelijk te vervolgen;

20.  dringt erop aan dat de hoge vertegenwoordiger bij alle toekomstige onderhandelingen met Iran de hoogste prioriteit verleent aan de situatie van de mensenrechten in het land; doet een beroep op de Commissie om alle haar ter beschikking staande instrumenten in te zetten voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten in Iran; dringt er met name bij de Commissie op aan dat zij in het kader van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten bijkomende maatregelen ontwerpt om de verdedigers van de mensenrechten actief te beschermen; onderstreept dat het bieden van bescherming aan verdedigers van de mensenrechten en de toegang tot organisatorische middelen en communicatieplatformen dringend moeten worden vereenvoudigd; moedigt de lidstaten ertoe aan het Europese „Shelter City”-programma en programma's ter ontwikkeling van maatregelen tegen media-interceptietechnologie te ondersteunen;

21.  betreurt het feit dat Iraanse gehuwde mannen kunnen beweren dat hun overspelige betrekkingen in feite wettige tijdelijke huwelijken zijn, terwijl gehuwde vrouwen die van overspel worden beticht, niet over deze verzachtende omstandigheid beschikken; betreurt tevens dat artikel 105 van het Wetboek van Strafrecht van de Islamitische Republiek Iran een rechter toestaat louter en alleen op basis van zijn „kennis van feiten” een overspelige persoon tot steniging te veroordelen, evenals het feit dat Iran tracht de internationale berichtgeving over zijn wreedheid in te perken door vonnissen van steniging niet openbaar te maken;

22.  veroordeelt de systematische intimidatie van arbeidsactivisten door de Iraanse autoriteiten, die in strijd is met de toezeggingen van Iran tijdens het proces van de universele periodieke toetsing van de Verenigde Naties om de sociale en economische rechten van zijn burgers en hun recht op vrijheid van meningsuiting te eerbiedigen; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan alle gearresteerde vakbondsactivisten vrij te laten en het recht van arbeidsactivisten en leraren te eerbiedigen om deel te nemen aan de internationale dag van de arbeid (1 mei) en de nationale lerarendag (2 mei); verzoekt de Iraanse regering om de grondrechten van de arbeiders, zoals vastgelegd in de internationale arbeidsnormen, te eerbiedigen;

23.  veroordeelt de golf van ontslagen van vooraanstaande professoren om politieke redenen en is van mening dat deze ontslagen een onaanvaardbare aanval inhouden op hun mensenrechten en academische vrijheid; is van mening dat een dergelijk beleid de Iraanse universiteiten, die lange tijd een bron van nationale trots waren en bewondering oogstten van academici in de hele wereld, verder zal politiseren en devalueren; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan onverwijld stappen te nemen om de academische vrijheid in het land te herstellen;

24.  betreurt het feit dat leden van religieuze minderheden gediscrimineerd worden – hoewel de grondwet dit verbiedt – waar het gaat om huisvesting, onderwijs en overheidsbanen, hetgeen jonge mensen die tot deze minderheden behoren, ertoe aanzet voor emigratie te kiezen; veroordeelt met name de systematische vervolging van de Baha'i-gemeenschap, de golf van arrestaties onder christenen in 2009 en de intimidatie van religieuze dissidenten, bekeerlingen, soefi's en soennieten; herhaalt zijn oproep voor de vrijlating van zeven baha'i-leiders en doet een beroep op het Iraanse parlement om de Iraanse wetgeving te wijzigen, zodat alle aanhangers van de diverse geloofsovertuigingen in Iran – of deze nu wel of niet in de grondwet worden erkend – hun geloof kunnen belijden zonder te worden vervolgd, en voor de wet en in de praktijk gelijke rechten genieten;

25.  stelt vast dat de positie van Iraanse ngo's aanzienlijk is verslechterd sinds de protesten na de omstreden presidentsverkiezingen van 12 juni 2009; heeft scherpe kritiek op het feit dat alle internationale contacten met en financiële steun voor ngo's in Iran systematisch door de autoriteiten worden misbruikt om te trachten deze organisaties en hun werk in diskrediet te brengen;

26.  is zeer verontrust over de talrijke executies van minderjarigen en de openbare stenigingen van vrouwen elk jaar, ondanks de internationale oproepen aan Iran om de normen inzake de mensenrechten te respecteren;

27.  dringt erop aan een nieuw VN-mandaat in te stellen voor een speciale rapporteur om mensenrechtenschendingen te onderzoeken en om ervoor te zorgen dat er verantwoording wordt afgelegd door degenen die zich daar in Iran schuldig aan hebben gemaakt; dringt bij de Iraanse autoriteiten aan op een positieve reactie op de jarenlange verzoeken van verschillende speciale VN-rapporteurs (bijvoorbeeld voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies, foltering, vrijheid van godsdienst of overtuiging, onafhankelijkheid van rechters en advocaten) om officiële bezoeken aan Iran;

28.  betreurt het feit dat, in strijd met de grondbeginselen van de VN inzake de rol van advocaten, de positie van advocaten in Iran na de presidentsverkiezingen van juni 2009 aanzienlijk is verzwakt, aangezien de Iraanse autoriteiten hun toevlucht nemen tot onderdrukkingsmethoden (bijv. arrestaties, royementen, schendingen van het recht op vrije meningsuiting, onwettige belastingonderzoeken en andere financiële pressiemiddelen) om advocaten te verhinderen hun beroep vrijelijk uit te oefenen;

29.  betreurt de verslechtering van de situatie van de verdedigers van de mensenrechten, met inbegrip van mensenrechtenadvocaten en verdedigers van vrouwenrechten, die het het zwaarst te verduren hebben; is ernstig verontrust over het feit dat de verdedigers van de mensenrechten het slachtoffer waren van diverse aanvallen en oneerlijke rechtszaken, en dat zij worden belet gebruik te maken van hun grondwettelijke rechten; dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van alle verdedigers van de mensenrechten en gewetensgevangenen die nog in hechtenis zitten;

30.  verzoekt de Islamitische Republiek Iran het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen te ondertekenen, ratificeren en uit te voeren;

31.  steunt de campagne „Eén miljoen handtekeningen”, waarmee wordt beoogd een miljoen handtekeningen te verzamelen voor de aanpassing van Iraanse wetgeving die vrouwen discrimineert; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan een einde te maken aan de intimidatie, ook door gerechtelijke autoriteiten, van medewerkers aan deze campagne;

32.  dringt er bij de Iraanse regering op aan de rechten van vrouwen te verbeteren en zo de essentiële rol van vrouwen binnen de samenleving te erkennen, en om de toezeggingen van Iran in het kader van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten gestand te doen; herhaalt zijn verzoek aan het Iraanse parlement onmiddellijk wetgeving goed te keuren die de wrede en onmenselijke praktijk van steniging verbiedt; verzoekt hoge vertegenwoordiger Ashton bijzondere aandacht te besteden aan de rechten van vrouwen in Iran, en de zaken Sakineh Mohammadi Ashtiani en Zahra Bahrami bij de Iraanse autoriteiten aan de orde te stellen;

33.  onderstreept dat vertegenwoordigers van EU-instellingen contacten moeten opbouwen met vertegenwoordigers van een breed scala van Iraanse politieke en sociale organisaties, met inbegrip van prominente Iraanse verdedigers van de mensenrechten; doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om de steun voor activiteiten aan de basis en contacten tussen mensen te verhogen;

34.  veroordeelt de repressie door de Iraanse autoriteiten van de onafhankelijke media, met inbegrip van de censuur van video- en fotomateriaal, teneinde de toegang tot en de stroom van communicatie en informatie te beperken; is zeer verontrust over het feit dat de willekeurige rechtsbedeling in Iran uitmondt in een strenge (zelf)censuur in de media; dringt er bij de officiële vertegenwoordigers van de EU en de lidstaten op aan dat zij Iran herinneren aan zijn internationale verplichtingen om de vrijheid van de media te respecteren; verzoekt de EU en haar lidstaten om bij ontmoetingen met hun Iraanse tegenhangers aan te dringen op hernieuwde toelating van de vele dagbladen die de afgelopen jaren onder dwang zijn opgeheven, alsmede op vrijlating van politieke gevangenen, door in beide gevallen lijsten met namen voor te leggen; veroordeelt de praktijk van de uitwijzing van buitenlandse correspondenten door de Iraanse regering, met inbegrip van journalisten van belangrijke Europese dagbladen; is ermee ingenomen dat op Euronews uitzendingen in het Farsi van start zijn gegaan;

35.  geeft uitdrukking aan zijn bezorgdheid over het feit dat kunstenaars, muzikanten, filmregisseurs, schrijvers en dichters aan censuur worden onderworpen, verboden krijgen opgelegd en worden onderdrukt, waardoor hun recht op culturele, muzikale en artistieke expressie wordt geschonden;

36.  dringt aan op de beëindiging van de straffeloosheid in Iran door middel van de totstandbrenging van een onafhankelijke juridische toetsing in Iran, of verwijzing door de VN-Veiligheidsraad naar instanties die het internationaal recht handhaven, zoals het Internationaal Strafhof;

37.  is ingenomen met de maatregelen die een aantal lidstaten heeft genomen ter bescherming van die Iraanse mensenrechtenactivisten, dissidenten, journalisten, studenten, vrouwen, kinderen en kunstenaars die worden vervolgd vanwege hun geloof, overtuigingen of seksuele geaardheid, of vanwege het op enige andere wijze uitoefenen van hun mensenrechten;

De nucleaire kwestie

38.  bevestigt andermaal dat, ondanks het recht van Iran om in het kader van de bepalingen van de non-proliferatieregeling kernenergie voor vreedzame doeleinden te ontwikkelen, het gevaar van verspreiding van kernwapens als gevolg van het Iraanse kernprogramma voor de EU en de internationale gemeenschap aanleiding blijft tot ernstige verontrusting, zoals zeer duidelijk wordt geformuleerd in vele resoluties van de VN-Veiligheidsraad;

39.  dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan de verplichtingen van Iran in het kader van het non-proliferatieverdrag na te komen; verzoekt Teheran met klem het Aanvullend Protocol bij de Waarborgenovereenkomst te ratificeren en uit te voeren; veroordeelt de aanhoudende weigering van Iran om volledig samen te werken met het IAEA door het werk van het IAEA te belemmeren, volledige en onvoorwaardelijke toegang tot essentiële faciliteiten te weigeren en bezwaar te maken tegen de aanwijzing van inspecteurs;

40.  benadrukt verder dat Iran overeenkomstig een van de basisbeginselen van het non-proliferatieverdrag het recht heeft uranium te verrijken voor vreedzame doeleinden en daartoe tevens technische bijstand mag ontvangen;

41.  steunt het tweesporenbeleid van de Raad waarbij wordt gestreefd naar een via onderhandelingen overeen te komen vreedzame oplossing voor de nucleaire patstelling en prijst het nieuwe gemeenschappelijk standpunt van 26 juli 2010 waarbij nieuwe en verreikende gerichte autonome maatregelen voor Iran worden ingevoerd; betreurt dat Iran niet bereid was in te gaan op de voorstellen die tijdens de laatste ronde van de P5+1-onderhandelingen in Istanbul werden gedaan, en dat deze onderhandelingen daar vervolgens op zijn stukgelopen; blijft er echter van overtuigd dat de EU zich met betrekking tot Iran van een bredere strategie moet bedienen, die verder gaat dan de nucleaire kwestie en ook gericht is op de Iraanse mensenrechtensituatie en de rol van Iran in de regio;

42.  herinnert eraan dat Iran zich door zijn kernprogramma vijandig opstelt tegenover de gehele VN en niet slechts tegenover „het westen”;

43.  merkt op dat, gezien het feit dat Iran blijft weigeren volledig samen te werken met het IAEA, aanvullende sancties een logisch gevolg zijn; dringt bij de hoge vertegenwoordiger en de lidstaten van de EU aan op de evaluatie van alle handhavingsmechanismen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk standpunt van de EU – met name met betrekking tot uitvoervergunningen, douane- en grenscontroles, luchtvracht en scheepvaart – om te voorkomen dat Iran de sanctiemaatregelen omzeilt en om een realistisch oordeel te kunnen geven over de vraag of sancties al dan niet tot de gewenste resultaten leiden; herhaalt zijn standpunt dat deze maatregelen geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de bevolking als geheel; is in dit verband verheugd over het besluit van de VS om gerichte sancties op te leggen aan Iraanse ambtenaren die sinds de omstreden presidentsverkiezing in juni 2009 verantwoordelijk zijn voor of medeplichtig aan ernstige mensenrechtenschendingen in Iran; roept de Raad op soortgelijke maatregelen te nemen;

44.  is van mening dat er wereldwijd nieuwe inspanningen moeten worden geleverd om de aarde van de dreiging van kernwapens te bevrijden; is ingenomen met het feit dat president Obama heeft opgeroepen tot nucleaire ontwapening en verzoekt de hoge vertegenwoordiger dit onderwerp zowel bij haar contacten met de lidstaten als bij haar contacten met de regeringen in het Midden-Oosten en Azië hoog op de agenda te plaatsen;

45.  verzoekt de Commissie, de Raad en de EU-lidstaten de handelsbetrekkingen met Iran te evalueren, niet met het oog op sancties, maar ter vermindering van mensenrechtenschendingen met behulp van naar Iran geëxporteerde, volgens Europese normen gebouwde technologie, zoals mobiele telefoons, communicatienetwerken, („dual use”-)technologieën, bewakingstechnologieën, en software voor internetscanning en censuur en voor het verzamelen en onderzoeken van gegevens (data mining), waaronder persoonsgegevens; vraagt de Commissie een voorstel in te dienen voor een verordening betreffende een nieuw licentiesysteem, als deze herziening vraagt om wetgevende actie;

46.  verzoekt de Commissie en de Raad onverwijld een verbod in te stellen op de uitvoer van bewakingstechnologie (met name waarnemingscentra) door Europese bedrijven naar Iran;

47.  verzoekt de Europese Raad de lijst van Iraanse personen die betrokken zijn bij de nucleaire en ballistische programma's van Iran en de daarmee samenhangende aankoopnetwerken uit te breiden; verzoekt de daartoe bevoegde autoriteiten de tegoeden van deze personen onverwijld te bevriezen en te voorkomen dat zij het grondgebied van de EU binnenkomen en vanuit de EU-rechtsgebieden activiteiten verrichtten die verband houden met deze programma's;

48.  dringt er bij de hoge vertegenwoordiger op aan de Iraanse nucleaire kwestie en de mensenrechten van het Iraanse volk hoog op de agenda te houden, en verzoekt Iran zinvolle onderhandelingen aan te knopen om tot een alomvattende en duurzame oplossing voor het nucleaire vraagstuk te komen;

Buitenlandse betrekkingen

49.  veroordeelt de door de Iraanse president Ahmadinejad geuite wens om Israël „van de kaart te vegen” ten zeerste, evenals zijn antisemitische retoriek en met name zijn ontkenning van de holocaust en zijn onderliggende streven om de legitimiteit van de staat Israël te ondergraven; onderstreept nogmaals dat het het bestaan van Israël en de tweestatenoplossing voor Palestina volledig ondersteunt;

50.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de situatie in de Golfregio nauwlettend te volgen en alles in het werk te stellen om vrede en stabiliteit in deze regio te bevorderen;

51.  erkent de rol van Turkije als invloedrijke speler in de regio en prijst de gezamenlijke inspanningen van dat land en Brazilië om via onderhandelingen tot een oplossing voor de Iraanse nucleaire kwestie te komen; betreurt evenwel dat de bepalingen van de op 17 mei 2010 gesloten tripartiete overeenkomst slechts ten dele voldoen aan de vereisten van het IAEA; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan zich aan te sluiten bij de Europese benadering van de Iraanse nucleaire dreiging; moedigt Turkije aan de mensenrechtensituatie in zijn dialoog met Iran aan de orde te stellen;

52.  benadrukt dat Rusland een van de grootste leveranciers van moderne wapens en verrijkt uranium aan Iran was; is verheugd over het besluit dat de Russische Federatie dit jaar heeft genomen om het S-300-systeem niet aan Iran te leveren en over het feit dat Rusland de sancties van de VN tegen Iran in verband met zijn kernprogramma steunt; verzoekt Rusland met klem te stoppen met de levering van wapens aan en de export van uranium naar Iran in welke vorm dan ook, om ervoor te zorgen dat de sancties tegen Iran doel treffen en de uitvoering van het non-proliferatieverdrag wordt gewaarborgd;

53.  spoort de hoge vertegenwoordiger aan om de trans-Atlantische coördinatie en complementariteit met betrekking tot Iran op te voeren, en om bij eventuele maatregelen in verband met Iran overleg te plegen met de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad en alle belangrijke mondiale en regionale partners die bezorgd zijn over Iran;

54.  neemt kennis van de gemeenschappelijke belangen van de EU en Iran als het gaat om het bereiken van vrede en stabiliteit in Afghanistan; is verheugd over de opbouwende rol die Iran speelt bij de wederopbouw van de infrastructuur en de economie, alsmede bij de strijd tegen drugshandel vanuit Afghanistan; benadrukt evenwel dat duurzame vrede en stabiliteit in Afghanistan slechts bereikt kunnen worden als alle buurlanden zich onthouden van politieke bemoeienis met dat land;

55.  verzoekt de hoge vertegenwoordiger een EU-delegatie te openen in Teheran, nu dat de Europese Dienst voor extern optreden de verantwoordelijkheid voor de vertegenwoordiging van de Europese Unie in derde landen van het roulerend voorzitterschap heeft overgenomen;

56.  verzoekt de Commissie en de Raad Iran aan te moedigen een opbouwende rol te spelen in de toekomstige ontwikkeling van Afghanistan, en benadrukt daarbij de gezamenlijke doelstellingen van de EU en Iran met betrekking tot de stabiliteit van Afghanistan en de doeltreffende bestrijding van de opiumproductie en drugshandel;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0310.
(2) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 9.
(3) PB C 265 E van 30.9.2010, blz. 26.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0351.


Zestiende zitting van de Mensenrechtenraad (Genève, 28 februari − 25 maart 2011)
PDF 164kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2011 over de prioriteiten van de 16de zitting van de VN-Raad voor de mensenrechten en de herziening in 2011
P7_TA(2011)0097RC-B7-0158/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Europese Verdrag inzake de mensenrechten en het Handvest van de grondrechten van de EU,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (UNHRC), in het bijzonder zijn resoluties van 25 februari 2010 over de 13-de zitting van de UNHRC(1), en van 14 januari 2009 over de ontwikkeling van de VN-Raad voor de mensenrechten en de rol van de EU(2) alsook zijn resoluties van 16 maart 2006 over de resultaten van de onderhandelingen over de Mensenrechtenraad en over de 62-ste zitting van de VN-mensenrechtencommissie(3), van 29 januari 2004 over de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Naties(4), van 9 juni 2005 over de hervorming van de Verenigde Naties(5), van 29 september 2005 over de resultaten van de Wereldtop van de Verenigde Naties van 14-16 september 2005(6) en van 16 december 2010 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2009 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(7),

–  onder verwijzing naar zijn spoedresoluties over mensenrechten en democratie,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties A/RES/60/251 waarbij de VN- Raad voor de mensenrechten (UNHCR) werd opgericht,

–  onder verwijzing naar de vorige gewone en buitengewone zittingen van de UNHRC, en ook naar vorige ronden van de Universele Periodieke Doorlichting (UPR),

–  onder verwijzing naar de 16e Zitting van de UNHRC en de 11e ronde van de UPR, die van 2 tot en met 13 mei 2011 zullen plaatsvinden,

–  onder verwijzing naar de doorlichting van de UNHRC, die in de loop van 2011 plaats vindt,

–  onder verwijzing naar de institutionele veranderingen die teweeg zijn gebracht door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, en met name de oprichting van de Europese Dienst voor Externe Actie en de benoeming van een Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het Buitenlands en Veiligheidsbeleid,

–  onder verwijzing naar de artikelen 2, 3, lid 5, 18, 21, 27 en 47 van het Verdrag inzake de Europese Unie in de versie die resulteert uit het Verdrag van Lissabon,

–  gelet op artikel 110, lid 4 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat respect voor het universele karakter van de mensenrechten, en de bevordering en handhaving daarvan, een belangrijk onderdeel zijn van de ethische en juridische verworvenheden van de Europese Unie en één van de grondstenen van de eenheid en integriteit van Europa vormen(8),

B.  overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten het respect van de mensenrechten in hun eigen beleid moeten waarborgen, ten einde het standpunt van de Europese Unie in de Mensenrechtenraad van de VN (UNHRC) te versterken en geloofwaardig te maken,

C.  overwegende dat de UNHRC een weergaloos platform is voor de universele rechten van de mens en een specifiek forum vormt voor de behartiging van de mensenrechten binnen het systeem van de Verenigde Naties; overwegende dar de UNHRC een belangrijke taak en verantwoordelijkheid heeft bij een sterkere bevordering, bescherming en naleving van de mensenrechten over de gehele wereld,

D.  overwegende dat bij de doorlichting van de UNHRC twee sporen worden gevolgd, waarbij de rechtspositie van de Mensenrechtenraad in New York wordt onderzocht en de procedures ervan in Genève, overwegende dat tegelijkertijd alle internationale actoren moeten werken aan het verwijderen van dubbele normen en moeten streven naar het vermijden van selectiviteit en politisering van mensenrechtkwesties,

E.  overwegende dat de argumenten van soevereiniteit en jurisdictie in binnenlandse aangelegenheden niet langer meer door staten kunnen worden aangevoerd om hun eigen prestaties op het gebied van de mensenrechten aan scherp toezicht te onttrekken,

F.  overwegende dat de Europese Unie wereldwijd handelend moet optreden in het kader van de Verenigde Naties in het algemeen, en de UNHRC meer in het bijzonder, en dat een nieuwe aanpak, die belichaamd wordt in de nieuwe Europese Dienst voor Extern Optreden (EEAS), er in belangrijke mate moet bijdragen om de Europese Unie een effectievere en beter herkenbare rol te laten spelen om de wereldwijde uitdagingen op een samenhangende, consistente en doelmatige wijze het hoofd te bieden,

G.  overwegende dat er binnen de EEAS een Directoraat voor mensenrechten en democratie is opgericht,

H.  overwegende dat een delegatie van de subcommissie voor mensenrechten van het Europees Parlement naar Genève zal reizen om de 16e Zitting van de UNHRC bij te wonen, zoals zij in de afgelopen jaren al vaker gedaan had bij vorige zittingen van de UNHRC en van diens voorganger, de VN-Commissie voor mensenrechten,

1.  onderstreept het belang van de 16e Zitting van de UNHRC, en met name van het doorlichtingsproces van de UNHRC, dat een unieke gelegenheid biedt om te beoordelen hoe de UNHRC zijn mandaat heeft uitgevoerd en op zijn beurt de UNHRC ook een gelegenheid biedt om zijn werkmethoden te verbeteren, zodat hij op doelmatiger en systematischer wijze kan reageren op schendingen van de mensenrechten; is tevreden over het feit dat in het kader van de doorlichting twee co-rapporteurs benoemd zijn, Marokko en Liechtenstein, om dit proces te faciliteren;

2.  is tevreden over het feit dat op de agenda van deze 16e gewone zitting onder meer verslagen staan over „de rechten van personen die behoren tot nationale of etnische, religieuze of taalkundige minderheden” en over „de bevordering en bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden ook bij de bestrijding van terreur”, alsook uitvoerige vergaderingen gewijd aan de rechten van het kind;

3.  is tevreden over de benoeming dit jaar van speciale rapporteurs voor deze belangrijke onderwerpen, en neemt kennis van verslagen die zullen worden ingediend door speciale rapporteurs voor de onderwerpen „folter en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen”, „vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging” en „de situatie van verdedigers van de mensenrechten”; dringt er bij de lidstaten van de EU op aan om een actieve bijdrage te leveren aan deze debatten;

4.  is ingenomen met het nieuwe Directoraat voor Mensenrechten en Democratie en ondersteunt de oprichting van een in Brussel gestationeerde EU-Werkgroep voor mensenrechten (COHOM), waarin mensenrechtenexperts uit alle 27 lidstaten van de EU kunnen worden opgenomen, aangezien Brussel een betere standplaats is om toezicht te houden op het beleid van de EU, hetgeen deze werkgroep de mogelijkheid biedt om de multilaterale werkzaamheden beter af te stemmen op de bilaterale;

5.  ondersteunt de benoeming van een hooggeplaatste Speciale Vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten en onderstreept nogmaals de noodzaak van op specifieke landen afgestemde strategieën voor mensenrechten en democratie;

6.  benadrukt het belang van gemeenschappelijke standpunten van de EU ten aanzien van kwesties die op de 16e Zitting ter sprake komen en verzoekt de lidstaten van de EU om in nog sterkere mate te streven naar de praktijk van „één boodschap, zij het met verschillende stemmen”, die in de afgelopen jaren goed heeft gewerkt, bij voorbeeld bij de initiatieven van de EU tegen de doodstraf;

De werkzaamheden van de Mensenrechtenraad

7.  wijst nogmaals de lidstaten van de EU op de noodzaak om zich krachtig te verzetten tegen iedere poging om afbreuk te doen aan het universele karakter, de ondeelbaarheid en de interdependentie van de mensenrechten, en om er bij de UNHRC op aan te dringen gelijke aandacht te schenken aan discriminatie om welke reden dan ook, zoals geslacht, handicap, raciale of etnische herkomst, leeftijd, seksuele oriëntatie en godsdienst of geloofsovertuiging;

8.  wijst nogmaals op het belang van de interdependentie tussen burgerrechten, politieke en economische rechten, sociale en culturele rechten; verlangt dat er aandacht wordt geschonken aan drinkwatervoorziening en gezondheidszorg als fundamentele rechten, die ertoe dienen om de levensomstandigheden van mensen te verbeteren;

9.  is bezorgd over het gevaar dat de grootste hindernis voor de UNHRC om zijn taak op doelmatiger wijze te vervullen, de „blokkenpolitiek” is, die vaak de overhand krijgt en zijn gevolgen heeft voor de selectie van landen en situaties waarvoor de UNHRC zich interesseert; herhaalt zijn standpunt dat het vermogen van de UNHRC om zich effectief en tijdig en op passende wijze in te zetten voor de situaties in specifieke landen van essentieel belang is voor het gezag en de geloofwaardigheid van deze raad;

10.  is van oordeel dat het Comité voor de rechten van de mens (HRC) beter moet worden uitgerust om het hoofd te bieden aan zowel chronische problemen als noodsituaties, wellicht door uitbreiding van de „gereedschappendoos” voor mensenrechten, door panels in te schakelen niet alleen tijdens zijn zittingen maar ook in de tijd daar tussen, en door zittingen te organiseren in andere regio's dan Genève; betreurt het dat de UNHRC er niet in geslaagd is om ernstige mensenrechtenproblemen op urgente en tijdige wijze aan te pakken, omdat het ontbrak aan geschikte instrumenten daarvoor, en ondersteunt het idee van onafhankelijke „triggers”; streeft welbewust naar de oprichting van gespecialiseerde mechanismen van de UNHRC, waarmee terstond zou kunnen worden opgetreden tegen mensenrechtencrises zoals die in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, Iran en Wit-Rusland;

11.  is ingenomen met het streven binnen de UNHRC om een regio-overschrijdende werkgroep op te richten over de situatie in Wit-Rusland; dringt er bij de UNHRC op aan om een verklaring af te leggen waarin de flagrante schendingen van de mensenrechten in dit land en de onderdrukking van de democratische oppositie en de gewone burgers na de presidentsverkiezingen van 19 december 2010 scherp wordt veroordeeld en een resolutie goed te keuren over deze kwestie;

12.  is ingenomen met het initiatief van de Verenigde Staten om een landspecifieke resolutie over Iran in te dienen; doet een beroep op de lidstaten van de EU om krachtige steun te geven aan de invoering van een Speciaal Mechanisme ten aanzien van Iran; doet een beroep op de Hoge Vertegenwoordiger en de EEAS om de samenwerking tussen de EU en de Verenigde Staten over mensenrechtenkwesties van gemeenschappelijk belang te coördineren, maar onderstreept dat de EU volledig zelfstandig moet optreden wil zij doelmatig en geloofwaardig zijn;

13.  is ingenomen met het zenden van een VN-missie op hoog niveau voor mensenrechten naar Tunesië van 27 januari tot 2 februari 2011 en beveelt van harte aan om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van deze missie; dringt nogmaals aan op de oprichting van een onafhankelijke internationale commissie van onderzoek naar al de beweerde mensenrechtenschendingen die samenhangen met de gebeurtenissen van na 17 december 2010;

14.  ondersteunt het zenden van een missie van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten om een oordeel te vormen over de algemene situatie op het gebied van de mensenrechten na de verandering van de leiding van het land;

15.  verheugt zich over het feit dat op de 15e Buitengewone Zitting, die op 25 februari 2011 plaats vond, met algemene stemmen een resolutie over de mensenrechten in Libië werd goedgekeurd, waarin de flagrante en stelselmatige schendingen van de mensenrechten in dat land veroordeeld worden, en waarin wordt onderstreept dat sommige van deze schendingen beschouwd zouden kunnen worden als misdaden tegen de menselijkheid; dringt aan op het zenden van een onafhankelijke internationale commissie van onderzoek naar Libië, die een onderzoek moet doen naar alle beweerde schendingen van het internationale mensenrecht in dit land en dringt er met kracht op aan om Libië's lidmaatschap van de UNHCR op te schorten; is in dit verband ingenomen met het besluit van de Algemene Vergadering van 1 maart 2011 om het lidmaatschap van dit land van de UNHRC op te schorten;

16.  ondersteunt het idee om een regionaal kantoor van het Bureau van de Hoge Commissaris te openen in het Middellandsezeegebied;

17.  is ingenomen met het feit dat, op initiatief van Nigeria en de Verenigde Staten, de 14e Zitting van de UNHRC heeft plaats gevonden, die gewijd was aan de situatie van de mensenrechten in Ivoorkust na afloop van de presidentsverkiezingen van 2010, en dat op deze zitting de schendingen van de mensenrechten werden veroordeeld en er bij alle partijen werd aangedrongen op volstrekte naleving van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en het respecteren van de normen van de rechtstaat; betuigt nogmaals zijn steun voor de resultaten van bovengenoemde verkiezingen, zoals die door de Verenigde Naties worden erkend, en dringt er bij alle politieke leiders op aan om Alassane Ouattara als de verkozen president te erkennen; ondersteunt het besluit van de Afrikaanse Unie tot oprichting van een panel van staatshoofden, dat een vreedzame regeling door middel van onderhandelingen moet bewerkstelligen voor de crisis die is opgetreden na de verkiezingen in Ivoorkust;

18.  herhaalt, in het licht van de verslagen van de speciale rapporteurs over de situatie van de mensenrechten in de Democratische Volksrepubliek Korea (DPRK) en de situatie van de mensenrechten in Myanmar/Birma, zijn oproep tot de EU om openlijk haar steun uit te spreken voor de oprichting van een onderzoekcommissie van de Verenigde Naties, die de schendingen van de mensenrechten in deze landen moet evalueren en beoordelen in hoeverre deze misdaden tegen de menselijkheid vormen; betreurt het dat de DPRK niet heeft willen samenwerken met de Speciale Rapporteur en verzoekt om uitbreiding van het mandaat voor de Speciale Rapporteur voor Myanmar/Birma;

19.  dringt bij de EU aan op pro-actieve actie door op de komende zitting van het Comité voor de rechten van de mens (HRC) een resolutie voor te bereiden en ondersteunen met betrekking tot het follow-upverslag dat door het comité van onafhankelijke deskundigen is voorgelegd aan de onderzoekmissie voor het conflict in de Gazastrook, met het doel verantwoordingsplicht te waarborgen voor schendingen van het internationaal recht, en om het voorstel te ondersteunen om deze kwestie terug te verwijzen naar de Algemene Vergadering en internationale rechtsmechanismen voor het geval dat Israel en de Palestijnse partijen nalaten gevolg te geven aan hun verplichting om onderzoeken in te stellen overeenkomstig de internationale normen; dringt verder bij de Hoge Vertegenwoordiger aan op een actieve controle op de naleving van de bevindingen van het „Follow-upverslag aan de internationale commissie van onderzoek naar het incident met de humanitaire hulpvloot”, waarbij erop moet worden toegezien dat de beginselen van verantwoordingsplicht en aansprakelijkheid worden nageleefd; benadrukt in dit verband dat de mensenrechtenaspecten van tevoren moeten worden besproken in de Associatieraad EU-Israel en het Paritair Comité EU-Palestina; is in het bijzonder bezorgd over het feit dat de conclusies van Associatieraad EU-Israel van 21 februari 2011 niet het EU-standpunt in deze kwestie weerspiegelen;

20.  is ingenomen met de verklaringen die de Hoge Commissaris voor Mensenrechten van de VN gedaan heeft tijdens haar eerste bezoek aan de bezette Palestijnse gebieden en Israël, waarin zij met name de duidelijke boodschap gaf het Israëlische beleid inzake de vestiging van nederzettingen scherp te bekritiseren en dat „de internationale mensenrechtenwetgeving en de internationale humanitaire wetgeving niet het onderwerp van onderhandelingen kunnen vormen”; benadrukt het belang van een vreedzame democratisering van het Midden-Oosten;

21.  betreurt het dat de criteria voor lidmaatschap van de UNHRC, zoals die is goedgekeurd bij resolutie 60/251 van de Algemene Vergadering, weliswaar een volledige samenwerking met die instantie veronderstellen, maar dat de huidige praktijk van op vrijwilligheid berustende beloften zeer uiteenlopende en tegenvallende resultaten heeft gehad; herhaalt daarom dat alle leden van oordeel zouden moeten zijn dat een luid applaus voor de Speciale Procedures een minimumvoorwaarde voor lidmaatschap zou moeten zijn, naast een solide reputatie op het gebied van de naleving van de mensenrechten; benadrukt het belang van een werkelijk competitief milieu voor het verkiezingsproces; dringt aan op afschaffing van de mogelijkheid voor regionale groeperingen om een van tevoren vastgestelde lijst van kandidaten voor lidmaatschap van de UNHRC in te dienen;

22.  doet en beroep op de lidstaten en de EEAS om een actieve bijdrage te leveren aan de doorlichting van de UNHRC van 2011 om te zorgen voor een betere uitvoering van zijn mandaat; benadrukt dat de UNHRC meer een mechanisme van vroegtijdige waarschuwing en preventie moet zijn en dat de expertise op het gebied van de Speciale Procedures voor dit doel zou moeten worden aangewend; herhaalt dat er grote behoefte bestaat aan een transparant en allesomvattend doorlichtingsproces, dat rekening houdt met de gezichtspunten van de NGO's, de maatschappelijke organisaties en andere relevante belanghebbende instanties; doet een beroep op de EEAS om de subcommissie voor mensenrechten van het Europees Parlement op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot de doorlichting;

23.  herhaalt zijn standpunt dat de doorlichting geen afbreuk mag doen aan de onafhankelijkheid van het Bureau van de Hoge Commissaris voor Mensenrechten (OHCHR) en verzet zich tegen eventuele pogingen om de positie van het OHCHR in dier voege te wijzigen dat dit een negatief effect zou hebben op de financiering en bijgevolg ook de onafhankelijkheid ervan; is tevreden over de recente benoeming van een vice-secretaris-generaal van de VN voor mensenrechten, die belast is met de leiding van het OHCHR-kantoor in New York; is van oordeel dat dit nieuwe kantoor behulpzaam zal zijn bij de verbetering van de contacten, de dialoog en transparantie tussen de Algemene Vergadering van de VN en de andere VN-organen, met inbegrip van de Veiligheidsraad en de OHCHR; onderstreept de noodzaak om voldoende financiële middelen beschikbaar te stellen om de regionale en locale kantoren van het OHCHR open te houden, zodat deze hun werkzaamheden ter plaatse kunnen voortzetten;

24.  dringt aan op het behoud en de verbetering van de Speciale Procedures, waarbij de mogelijkheid moet worden gegarandeerd dat de UNHRC zich bezig houdt met specifieke schendingen van mensenrechten, zulks in het kader van landgerichte resoluties en landgerichte mandaten; benadrukt het belang van de ondeelbaarheid van de mensenrechten, of het nu gaat om sociale, economische, culturele, burgerlijke of politieke rechten; merkt met verontrusting op dat het Klachtenmechanisme, een uniek, op het slachtoffer gericht mechanisme, weinig concrete resultaten heeft opgeleverd in verhouding tot het grote aantal verzoeken die tot dit mechanisme werden gericht; onderstreept de noodzaak om deze kwestie aan de orde te stellen bij de doorlichting van de UNHRC;

Universele Periodieke Doorlichting (UPR)

25.  erkent de toegevoegde waarde van de UPR als een ervaring die door alle regeringen wordt gedeeld, waarbij alle lidstaten van de VN aan een gelijke behandeling en gelijke controle worden onderworpen en dit ondanks het feit dat de landen er vrijwillig ermee moeten instemmen om hieraan te worden onderworpen en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen op te volgen; wijst erop dat tegen december 2011 alle lidstaten van de Verenigde Naties op grond van dit mechanisme zullen zijn doorgelicht;

26.  onderstreept dat het van essentieel belang is om in het Mensenrechtencomité (HRC) een ruimte te bewaren voor de maatschappelijke organisaties, opdat deze beter bij de dialoog kunnen worden betrokken en er nieuwe gelegenheden voor de niet-gouvernementele organisaties (NGO's) kunnen worden geopend om een dialoog te beginnen binnen specifieke staten;

27.  ondersteunt de betrokkenheid van NGO's in de UPR, door hen de mogelijkheid te geven om schriftelijke aanbevelingen te richten tot de werkgroep en om deel te nemen aan het daarbinnen gevoerde overleg;

28.  neemt kennis van de mogelijkheden die de UPR aan staten biedt om uitvoering te geven aan hun verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en gevolg te geven aan de conclusies van de verdragsinstanties en de Speciale Procedures;

29.  bevestigt dat aanbevelingen meer op resultaten gericht moeten zijn en verzoekt om in de UPR meer plaats in te ruimen voor onafhankelijke deskundigen en nationale mensenrechtenorganisaties teneinde te garanderen dat de UPR een effectief mechanisme voor de follow-up zal zijn; is van oordeel dat onafhankelijke expertise in het UPR-proces kan worden ingebracht door deskundigen de gelegenheid te geven om het doorlichtingsproces te volgen en op het tijdstip van de goedkeuring van het slotverslag een samenvattende analyse voor te leggen;

30.  betreurt het dat de resultaten van de eerste cyclus van de doorlichting van bepaalde landen niet hebben beantwoord aan de verwachtingen dat het een transparant, niet-selectief en niet-confrontationeel proces zou zijn; spreekt in dit verband zijn erkentelijkheid uit voor de inspanningen die bepaalde lidstaten van de EU zich hebben getroost om te proberen de „blokmentaliteit” te doorbreken; moedigt de lidstaten van de EU aan om technische bijstand te verlenen bij het streven om uitvoering te geven aan de aanbevelingen;

31.  doet een beroep op de lidstaten van de EU om zich te blijven inzetten voor de doorlichting van de UNHRC, om ervoor te zorgen dat er geen kloof optreedt tussen de eerste en de tweede ronde van de UPR en erop toe te zie dat de tweede ronde gericht zal zijn op de uitvoering en opvolging van de aanbevelingen; steunt het gezichtpunt dat staten die aan de UPR worden onderworpen duidelijk moeten reageren op elke aanbeveling en dat er tijdschema's worden vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de werkgroep; merkt op dat de indiening van een tussentijds verslag over de stand van de tenuitvoerlegging een bijdrage kan leveren tot dit proces;

Speciale Procedures

32.  herhaalt dat de Speciale Procedures de kern vormen van het mensenrechteninstrumentarium van de Verenigde Naties en dat de geloofwaardigheid en effectiviteit van de UNHRC bij de verdediging van de mensenrechten afhankelijk is van samenwerking in het kader van de Speciale Procedures en van de volledige uitvoering daarvan; beklemtoont in dit verband dat de versterking van de onafhankelijkheid en interactiviteit van de Speciale Procedures met de Raad van fundamentele betekenis zijn;

33.  veroordeelt pogingen om de onafhankelijkheid van de Speciale Procedures aan te tasten door regeringen in een positie te plaatsen dat zij controle kunnen uitoefenen op de Speciale Procedures; benadrukt dat iedere soort van controle tot politisering van het systeem zou leiden, waardoor de effectiviteit ervan zou worden geschaad;

34.  onderstreept eens te meer dat de Speciale Procedures ten aanzien van situaties in specifieke landen een essentieel instrument vormen voor de verbetering van de mensenrechten ter plaatse; onderstreept dat de op specifieke landen gerichte mandaten, vanwege belangrijke elementen zoals hun periodiciteit en de expertise waarop zij gebaseerd zijn, niet vervangen kunnen worden door de UPR;

35.  dringt er bij de lidstaten op aan om de integriteit en verantwoordingsplicht van de UNHRC tijdens de doorlichting te verdedigen door zich uit te spreken voor de oprichting van een follow-up-mechanisme om toe te zien op de uitvoering van de in de Speciale Procedures gedane aanbevelingen, zulks in aanvulling op de goedkeuring van selectiecriteria en transparantere benoemingsprocedures, die gebaseerd moeten zijn op achtergrond, bekwaamheden, kwalificaties en de ervaring van de te benoemen personen; ondersteunt het voorstel van een aantal NGO's om de capaciteit voor vroegtijdige waarschuwing van de Speciale Procedures te versterken door een mechanisme dat hen in staat stelt automatische behandeling van een bepaalde situatie door de UNHRC af te dwingen;

Betrokkenheid van de EU

36.  verheugt zich over de deelneming van de EU aan de 16e Zitting van de UNHRC in de persoon van de Hoge Vertegenwoordiger/ Ondervoorzitter van de Commissie;

37.  verlangt dat de Europese Dienst voor extern optreden (EEAS), en in het bijzonder de delegaties van de EU in Genève en New York, zorgt voor meer samenhang, zichtbaarheid en geloofwaardigheid van het optreden van de EU binnen de UNHRC door verdere ontwikkeling van regio-overschrijdende outreach en samenwerking en in het bijzonder door het lobbyen bij gematigde staten in alle groepen;

38.  herhaalt in dit verband zijn standpunt ten aanzien van „belastering van godsdiensten” en erkent weliswaar de noodzaak om het probleem van discriminatie van religieuze minderheden aan de orde te stellen, maar is wel van mening dat het niet wenselijk is dit begrip op te nemen in het Protocol inzake aanvullende normen ten aanzien van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en discriminatie; is ingenomen met de door de delegatie van de EU ter zijde georganiseerde manifestatie ter herinnering van de 25e verjaardag van de invoering van het mandaat van de Speciale Rapporteur inzake vrijheid van godsdienst en geloofsovertuiging; verzoekt de EU om contact op te nemen met de voornaamste sponsors van de desbetreffende resolutie en met andere actoren om een alternatief voor de resolutie inzake godsdienstbelastering te vinden, die in plaats daarvan kan worden ingediend;

39.  is voorstander van een regio-overschrijdende verklaring inzake de rechten van holebi's (homoseksuelen, lesbischen en biseksuelen);

40.  herhaalt zijn waardering voor de actieve participatie van de EU in de werkzaamheden van de UNHRC sinds de oprichting ervan, die ondermeer tot uitdrukking is gekomen door het sponsoren en co-sponsoren van resoluties, het uitgeven van verklaringen en deelneming aan interactieve dialogen en debatten; spreekt zijn erkentelijkheid uit over de door de EU gedane toezeggingen om binnen de UNHRC bepaalde situaties in specifieke landen aan de orde te stellen en benadrukt dat het van groot belang is om te zorgen voor krachtige naleving van deze toezeggingen;

41.  ondersteunt het gezamenlijke initiatief van de EU en de GRULAC (Groep van Latijns Amerika en het Caribisch gebied) voor een resolutie inzake straatkinderen;

42.  doet een beroep op de lidstaten om alles in het werk te stellen om de mandaten voor alle speciale procedures te handhaven dringt met name aan op verlenging van het mandaat van de Speciale Rapporteur van de VN voor de situatie van verdedigers van de mensenrechten;

43.  betreurt het dat, als een neveneffect van het zoeken naar consensus vaak de indruk ontstaat dat de EU haar ambities naar beneden schroeft en is van oordeel dat de EU veel stoutmoediger moet zijn bij het indienen van en/of zich aansluiten bij op specifieke landen betrekking hebbende resoluties;

44.  merkt met bezorgdheid op dat de EU niet erin geslaagd is effectieve invloed uit te oefenen binnen het VN-systeem in ruimere zin; onderstreept de noodzaak dat de EU prioriteit verleent aan het Mensenrechtencomité (HRC) en de activiteiten van de lidstaten beter coördineert en dringt bij de Raad aan op goedkeuring van richtsnoeren om de coördinatie en besluitvorming in dit verband te vergemakkelijken en om te streven naar het opbouwen van coalities en bondgenootschappen met partners in belangrijke regio's en met alle gematigde landen om de logica van de blokvorming binnen het HRC te kunnen overwinnen;

45.  vestigt, op praktisch niveau, de aandacht op het belang om te beschikken over grotere, goed ge-equipeerde EU-delegaties in Genève en New York; benadrukt dat wat zich in Genève en New York afspeelt een integraal onderdeel moet vormen van het buitenlands beleid van de EU, waarbij de nadruk moet worden gelegd op een verbetering van de interne coördinatie, en onderstreept eveneens de noodzaak van een goed op elkaar afstemmen van het bilaterale en het multilaterale niveau;

46.  betreurt het uitstel van de behandeling van de door de EU in september 2010 op de Algemene Vergadering van de VN ingediende resolutie die tot doel heeft om haar status te versterken in overeenstemming met de uit het Verdrag van Lissabon voortvloeiende regelingen; wijst erop dat deze versterkte status de EU de mogelijkheid zou geven om zich op permanente grondslag te laten vertegenwoordigen (door de Voorzitter van de Europese Raad en/of de Hoge Vertegenwoordiger) en om met een enkele stem te spreken, waardoor de zichtbaarheid en invloed van de EU als actor op wereldniveau zouden worden versterkt; onderstreept de noodzaak van voortzetting van de inspanningen van de „speciale task force” van de Europese Dienst voor extern optreden (EEAS) om de goedkeuring van deze resolutie te bevorderen in samenwerking met de lidstaten van de EU;

47.  Geeft zijn delegatie voor de 16e Zitting van de UNHRC een mandaat om de in deze resolutie vermelde punten van zorg aan de orde te stellen; verzoekt de delegatie om over haar aanwezigheid bij voornoemde zitting verslag uit te brengen aan de subcommissie mensenrechten, en acht het absoluut noodzakelijk om een delegatie van het Europees Parlement te blijven zenden naar de zittingen van de UNHRC;

48.  herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten van de EU om ervoor te zorgen dat de mensenrechten in hun eigen interne beleid worden nageleefd, om de indruk van dubbele normen te vermijden, en ook in het licht van het proces van toetreding van de EU tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (ECHR), aangezien een mislukking op dit punt een ernstige verzwakking van de positie van de EU binnen de UNHRC tot gevolg zou kunnen hebben;

o
o   o

49.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Hoge Vertegenwoordiger/Ondervoorzitter van de Commissie, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 64e Algemene Vergadering, de voorzitter van de Raad voor Mensenrechten van de VN, de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens en de Werkgroep EU-VN opgericht door de Commissie Buitenlandse Zaken.

(1) PB C 348 E van 21.12.2010, blz. 6.
(2) PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 71.
(3) PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 409.
(4) PB C 96 E van 21.4.2004, blz. 79.
(5) PB C 124 E van 25.5.2006, blz. 549.
(6) PB C 227 E van 21.9.2006, blz. 582.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0489.
(8) Artikelen 2, 3, lid 5, en 6 van het Verdrag inzake de Europese Unie.


Pakistan − de moord op Shahbaz Bhatti, minister voor Religieuze Minderheden
PDF 138kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2011 over Pakistan, in het bijzonder de moord op Shahbaz Bhatti
P7_TA(2011)0098RC-B7-0166/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over mensenrechten en democratie in Pakistan, in het bijzonder die van 20 januari 2011(1), alsook die van 20 mei 2010(2), 12 juli 2007(3), 25 oktober 2007(4) en 15 november 2007(5),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2010 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2009 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(6),

–  gezien de conclusies van de Raad over intolerantie, discriminatie en geweld op grond van religie of overtuiging, goedgekeurd op 21 februari 2011,

–  gezien de verklaring van 2 maart 2011 van de de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, over de moord op de minister van Minderheden in de regering van Pakistan, de heer Shahbaz Bhatti,

–  gezien de verklaring van de Voorzitter van het Europees Parlement, Jerzy Buzek, van 2 maart 2011,

–  gelet op artikel 18 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UDHR) van 1948,

–  gelet op het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN (ICCPR),

–  gezien de Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging van de VN van 1981,

–   gelet op artikel 19 van de Pakistaanse grondwet betreffende de vrijheid van meningsuiting,

–  gelet op artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 2 maart 2011 de Pakistaande minister van Minderheden, Shahbaz Bhatti, is vermoord door gewapende mannen die het vuur op zijn auto openden terwijl hij op weg was naar zijn werk in de hoofdstad Islamabad; overwegende dat een groep die zichzelf de Tehreek-e-Taliban Punjab (de Talibanbeweging Punjab) noemt de verantwoordelijkheid voor de moord heeft opgeëist en heeft gezegd dat de minister is vermoord vanwege zijn standpunt ten aanzien van de wetgeving inzake godslastering,

B.  overwegende dat de Pakistaanse authoriteiten een aantal keren negatief hebben gereageerd op specifieke verzoeken van minister Bhatti om de beschikking te krijgen over een kogelvrije dienstauto, alsmede om gebruik te mogen maken van door hem zelf gekozen betrouwbare lijfwachten, en dat ondanks herhaalde bedreigingen tegen zijn leven door islamistische groeperingen,

C.  overwegende dat Shahbaz Bhatti het enige christelijke lid van het Pakistaanse kabinet was en één van de weinige politieke leiders van het land die de moed had om zich tegen deze wetgeving en de onrechtvaardigheden die er het gevolg van waren, te verzetten,

D.  overwegende dat deze moord plaatsvond slechts twee maanden na de moord op Salman Taseer, de gouverneur van de provincie Punjab, door één van zijn veiligheidsagenten, die het oneens was met Taseer's verzet tegen Pakistan's wetgeving inzake godslastering,

E.  overwegende dat op 1 maart 2011 een derde prominente Pakistaanse voorvechter van mensenrechten, Naeem Sabir Jamaldini, de coördinator van Pakistan's mensenrechtencommissie, die zich met name bezighield met het aanpakken van mensenrechtenschendingen in de regio Baluchistan, eveneens is vermoord,

F.  overwegende dat naar verluidt een fatwa is uitgevaardigd tegen Sherry Rehman, een Pakistaanse oud-minister, hervormer en bekend journalist, en dat haar naam is genoemd als de volgende te vermoorden persoon,

G.  overwegende dat minister Bhatti en gouverneur Taseer slechts het reeds bekende standpunt van de regerende Volkspartij van Pakistan hebben herhaald; overwegende dat de regering-Gilani, toen zij op 30 december 2010 publiekelijk terugkwam op haar belofte om de wetgeving inzake godslastering te herzien, de aanhangers van hervorming in de kou heeft gezet en kwetsbaar heeft gemaakt voor de voortdurende bedreigingen van radicale religieuze leiders en militante extremistische groeperingen, die mensen met een andere mening intimideren, bedreigen en vermoorden,

H.  overwegende dat politici, politieke partijen, vertegenwoordigers van de media en het maatschappelijk middenveld, zoals vrouwenrechten- en mensenrechtenactivisten, voortdurend worden geïntimideerd en zelfs vermoord, en dat het publieke debat over de wetgeving inzake godslastering hierdoor steeds meer verstomt,

I.  overwegende dat in artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende Europese Unie staat dat de bevordering van democratie en eerbiediging van mensenrechten en burgerlijke vrijheden fundamentele beginselen en doelstellingen van de Europese Unie zijn en de grondslag vormen voor haar betrekkingen met derde landen; overwegende dat de ontwikkelingshulp van de EU gekoppeld is aan de voorwaarde van eerbiediging van mensenrechten en minderhedenrechten,

1.  veroordeeld ten zeerste de brute moord op Shahbaz Bhatti, minister van Minderheden in de Pakistaanse regering, op 2 maart 2011, en betuigt zijn medeleven met de familie en vrienden van het slachtoffer en de bevolking van Pakistan, alsmede zijn solidariteit met al diegenen die ondanks de bedreigingen niet zwijgen;

2.  looft minister Shahbaz Bhatti's moed en bewezen toegewijdheid aan rechtvaardigheid, dialoog tussen religies, en vrijheid van godsdienst en overtuiging in Pakaistan, alsook zijn inzet voor Asia Bibi, de christelijke vrouw en moeder van vijf kinderen die op beschuldiging van godslastering ter dood is veroordeeld, ondanks voortdurende bedreigingen en de enorme persoonlijke risico's die dit met zich meebracht;

3.  erkent minister Shahbza Bhatti's inzet voor de strijd tegen de wetgeving inzake godslastering en de onrechtvaardigheden die er het gevolg van waren; erkent de vooruitgang die tijdens zijn ambtsperiode als minister is geboekt, waaronder belangrijke, discrete onderhandelingen over mogelijke wijzigingen aan deze wetgeving;

4.  neemt nota van het feit dat de moord op minister Shahbaz Bhatti, in tegenstelling tot die op gouverneur Salman Taseer, door partijen aan beide zijden van het politiek spectrum, de media en uiteenlopende religieuze en etnische groeperingen in Pakistan algemeen krachtig is veroordeeld; hoopt dat deze verontwaardiging ertoe zal leiden dat al degenen die zich inzetten voor de democratische waarden die in de grondwet van Pakistan zijn vastgelegd, de rangen zullen sluiten;

5.  verzoekt de Pakistaanse autoriteiten met klem een diepgaand onderzoek in te stellen naar alle aspecten van de moord op Shahbaz Bhatti en de verantwoordelijken van deze misdaad overeenkomstig de toepasselijke wetgeving snel voor het gerecht te brengen, en daarnaast te zorgen voor een snelle en eerlijke vervolging van de moordenaar van gouverneur Salman Taseer;

6.  vraagt de Pakistaanse regering meer te doen voor het waarborgen van de veiligheid van ministers in het kabinet en personen tegen wie door religieuze extremisten en terroristen concrete bedreigingen zijn geuit, zoals de voormalige minister van Informatie Sherry Rehman en advocaten die de verdediging op zich hebben genomen van mensen tegen wie beschuldigingen van godslastering zijn ingebracht;

7.  spoort de Pakistaanse regering aan zonder vertraging een nieuwe minderhedenminister te benoemen en herhaalt zijn standpunt dat dit een sterke en onpartijdige vertegenwoordiger van een minderheid dient te zijn;

8.  spoort de Pakistaanse regering aan het ministerie van Minderheden te steunen bij de voortzetting van het werk en de visie van Shahbaz Bhatt, in het bijzonder het nationale debat tussen religieuze leiders en het project aan de basis „District Interfaith Harmony Committees”;

9.  herhaalt met klem zijn oproep aan de Pakistaanse regering, alle politieke partijen, het maatschappelijk middenveld en de media om eensgezind te zijn en de aanval van extremisten af te slaan; hoopt dat de Pakistaanse regering zowel in haar samenstelling, als haar daden een weerspiegeling zal zijn van de multi-etnische en multi-religieuze samenstelling van de Pakistaanse samenleving;

10.  dringt aan op een snelle en betekenisvolle koersverandering in het beleid, weg van een politiek van concessies aan dit soort extremisten, met steun van het leger, het gerechtelijk apparaat, de media en de politiek, gezien het feit dat de status quo zulke dramatische gevolgen heeft gehad; verzoekt de regering van Pakistan niet toe te staan dat geluiden ten faveure van religieuze tolerantie en respect voor universele mensenrechtenbeginselen in het land door extremisten tot zwijgen worden gebracht;

11.  maakt zich ernstige zorgen over het klimaat van intolerantie en geweld, en spoort de regering van Pakistan aan vervolging in te stellen tegen diegenen die geweld prediken in het land, in het bijzonder degenen die oproepen tot het doden van en, in sommige gevallen, beloningen in het vooruitzicht stellen voor het doden van individuen en groepen met wie zij het oneens zijn, en aanvullende maatregelen te nemen om debat over deze kwestie te stimuleren,

12.  prijst met name de inspanningen van oud-minister Sherry Rehman en voormalig minister van Minderheden Shahbaz Bhatti om de wetgeving inzake godslastering te wijzigen om misbruik daarvan te voorkomen, en verzoekt de regering deze wetgeving, alsook andere discriminerende wetgeving, zoals Sectie 295 B en C van het wetboek van strafrecht, die overblijfselen uit het verleden zijn, in te trekken; verzoekt de regering van Pakistan daarnaast uitvoering te geven aan bestaande wetgeving die bepaalt dat haatspeeches een misdaad zijn, zoals artikel 137 van het wetboek van strafrecht;

13.  verzoekt de bevoegde instellingen van de EU het onderwerp religieuze tolerantie in de samenleving aan te kaarten in de politieke dialoog met Pakistan, aangezien deze kwestie van cruciaal belang is voor de langetermijnstrijd tegen religieus exttremisme;

14.  stelt voor dat de EU de regering van Pakistan uitnodigt voor een jaarlijkse ronde-tafel over de situatie van Pakistan's minderheden en het Parlement te betrekken bij de voorbereiding en doorvoering van zo'n bijeenkomst;

15.  verzoekt de bevoegde instellingen van de EU door te gaan met het geven van financiële steun aan mensenrechtenorganisaties en -activisten, en praktische maatregelen te ontwikkelen voor steun voor het maatschappelijk middenveld in Pakistan in zijn strijd tegen de wetgeving inzake godslastering en andere discriminerende wetgeving;

16.  is verheugd over de recente conclusies van de Raad met betrekking tot tolerantie, discriminatie en geweld op grond van religie of overtuiging, waarin wordt gesproken over intensivering van het optreden van de EU op dit gebied; verzoekt de bevoegde instellingen van de EU zich actief bezig te houden met het onderwerp vervolging op religieuze gronden in de wereld;

17.  verzoekt de bevoegde instellingen van de EU te onderzoeken of het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) gebruikt kan worden voor het financieren van acties ter ondersteuning van de strijd tegen religieuze intolerantie, extremisme en discriminerende wetgeving in de wereld; herhaalt zijn oproep aan de hoge vertegenwoordiger om binnen het directoraat Mensenrechten van de Europese Dienst voor extern optreden een permanente eenheid te creëren voor het monitoren van de situatie van door regeringen vastgestelde en in de samenleving voorkomende beperkingen van de vrijheid van geweten en gerelateerde rechten;

18.  verzoekt de bevoegde instellingen van de EU de regering van Pakistan aan te sporen opnieuw een apart ministerie van Mensenrechten te creëren, alsook een betekenisvolle, onafhankelijke en onpartijdige nationale mensenrechtencommissie in het leven te roepen;

19.  verzoekt de bevoegde instellingen van de EU er bij de regering van Pakistan op aan te dringen dat zij zorgt voor eerbiediging van de democratie- en mensenrechtenclausule in de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Pakistan; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden een verslag op te stellen over de implementatie van de samenwerkingsovereenkomst en de daarin opgenomen democratie- en mensenrechtenclausule;

20.  herinnert eraan dat Pakistan bepaalde verplichtingen heeft als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en verzoekt de bevoegde Pakistaanse authoriteiten nog eens goed te kijken naar de algehele voorbehouden die Pakistan bij het ICCPR heeft gemaakt omdat sommige daarvan neerkomen op een beperking van rechten die in de Pakistaanse grondwet zijn vastgelegd of haaks staan op het beginsel van voorrang van het internationaal recht op nationale wetgeving; is van oordeel dat de manier waarop de wetgeving inzake godslastering nu wordt geïmplementeerd overduidelijk neerkomt op een inbreuk op de bedoelde verplichtingen en verzoekt de EDEO hier rekening mee te houden bij de beoordeling van een eventuele toepassing van de GSP+-regeling op Pakistan vanaf 2013, en hierover verslag uit te brengen aan het EP;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Dienst voor extern Optreden, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vice-voorzitter van de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Pakistan.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0026.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0194.
(3) PB C 175 E van 10.7.2008, blz. 583.
(4) PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 666.
(5) PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 432.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0489.


Wit-Rusland, met name de gevallen van Ales Michalevitsj en Natalia Radina
PDF 122kWORD 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2011 over Belarus (in het bijzonder de gevallen van Ales Mikhalevic en Natalia Radina)
P7_TA(2011)0099RC-B7-0167/2011

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de situatie in Cuba, met name die van 20 januari 2011(1), 17 december 2009(2) en 22 mei 2008(3),

–  gezien de op 18 februari 2011 in Brussel afgelegde verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, over de schuldigverklaring en veroordeling van een vertegenwoordiger van de Belarussische oppositie,

–  gezien de conclusies over Belarus van de 3065ste bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken op 31 januari 2011 in Brussel,

–  gezien Besluit 2011/69/GBVB van de Raad van 31 januari 2011 houdende wijziging van Besluit 2010/639/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde functionarissen van Belarus,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Verdrag tegen foltering) waarbij Belarus als staat partij is,

–  gezien de standaardminimumregels van de VN voor de behandeling van gevangenen,

–  gezien de richtsnoeren voor het EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, die zijn goedgekeurd in 2001 en herzien in 2008,

–  gezien resolutie 1790 (2011) van 27 januari 2011 van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa over de situatie in Belarus sinds de presidentsverkiezingen,

–  gezien het verslag van Amnesty International van 2 februari 2011 met als titel „Veiligheid, vrede en orde? Schendingen in de nasleep van de verkiezingen in Belarus”,

–  gelet op artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat een groot aantal vertegenwoordigers van de oppositie, onder wie voormalige presidentskandidaten, journalisten en mensenrechtenactivisten, na de gebeurtenissen van 19 december 2010 in Minsk gearresteerd is en sindsdien opgesloten zit in het detentiecentrum van de KGB; overwegende dat het repressieve optreden en de politieke rechtszaken tegen oppositie- en mensenrechtenactivisten nog altijd voortduren en dat intussen meer dan 40 personen in beschuldiging gesteld zijn en tegen gevangenisstraffen tot 15 jaar aankijken,

B.  overwegende dat de openbare aanklager van de stad Minsk de onderzoeksperiode voor een geval van zogenaamde „massale onlusten” dat verband houdt met de gebeurtenissen van 19 december 2010, verlengd heeft tot vijf maanden; overwegende dat de processen die in verband met deze zaak zijn aangespannen tegen presidentskandidaten, oppositie- en mensenrechtenactivisten en journalisten, politieke redenen hebben,

C.  overwegende dat Aliaksandr Atroshchankau, Aliaksandr Malchanau, Dzmitry Novik en Vasil Parfiankou, die meewerkten aan de verkiezingscampagnes van de democratische oppositiekandidaten Uladzimir Niakliayeu en Andrei Sannikau, wegens de demonstraties op 19 december 2010 veroordeeld zijn tot drie à vier jaar gevangenisstraf in een zwaarbeveiligde instelling; overwegende dat de overheid volgens hun advocaten niet heeft kunnen aantonen dat ze schuldig zijn,

D.  overwegende dat de advocaten van de gedetineerden hun cliënten herhaaldelijk niet hebben mogen zien; overwegende dat deze advocaten zich onder dreigementen van de KGB hebben teruggetrokken uit de zaak en dat het ministerie van Justitie daarop hun licenties heeft ingetrokken,

E.  overwegende dat Ales Mikhalevich, een ex-presidentskandidaat die in de nasleep van het protest naar aanleiding van de verkiezingen gevangengenomen werd, pas op 26 februari 2011 weer vrijgelaten werd, nadat hij zich er schriftelijk toe verbonden had samen te werken met de Belarussische KGB, een verbintenis die hij sindsdien publiekelijk heeft verworpen,

F.  overwegende dat Ales Mikhalevich op 28 februari 2011 een verklaring heeft gedaan waarin hij de psychische en fysieke mishandeling beschrijft waaraan politieke gevangenen worden onderworpen met als doel ze tot bekentenissen te dwingen en te doen erkennen dat ze schuldig zijn,

G.  overwegende dat ook Natalia Radina, redactrice van de oppositiewebsite Charter 97, in december 2010 opgepakt werd en beschuldigd van het organiseren van en deelnemen aan het massaprotest na de presidentsverkiezingen; overwegende dat mevrouw Radina vrijgelaten werd uit het KGB-centrum waar ze in voorarrest zat, maar haar woonplaats niet mag verlaten tot het onderzoek met betrekking tot haar zaak afgerond is,

H.  overwegende dat Natalia Radina na haar vrijlating verklaarde dat KGB-officieren tijdens haar opsluiting psychologische druk op haar hadden uitgeoefend en geprobeerd hadden om haar te rekruteren als informant voor de KGB; overwegende dat haar verklaring de berichten over de foltering van politieke gevangenen in het detentiecentrum van de KGB in Minsk bevestigt,

I.  overwegende dat het Belarussische Comité voor staatsveiligheid elk gebruik van foltering ten aanzien van gevangenen in het KGB-detentiecentrum heeft ontkend,

1.  veroordeelt het gebrek aan respect voor de grondrechten van vrijheid van vergadering en meningsuiting vanwege de Belarussische overheid en eist dat alle vastgehouden demonstranten onmiddellijk en onvoorwaardelijk worden vrijgelaten en dat alle politiek gemotiveerde aanklachten tegen hen ingetrokken worden;

2.  veroordeelt ten zeerste alle vormen van foltering van gevangenen als onmenselijke behandelingswijzen die ondubbelzinnig verboden worden door het internationale recht en volstrekt onaanvaardbaar zijn in een Europees land en buurland van de EU;

3.  spreekt zijn afkeuring uit over de zware straffen die jonge oppositieactivisten onlangs hebben gekregen enkel en alleen omdat ze hebben deelgenomen aan de demonstraties op 19 december 2010, en bestempelt deze straffen als een flagrante en ernstige schending van hun politieke rechten en burgerrechten en als een overduidelijke inbreuk op de internationale overeenkomsten waarbij Belarus partij is;

4.  hekelt het klimaat van angst en intimidatie waarin politieke opposanten in Belarus leven; veroordeelt de sinds de verkiezingen uitgeoefende repressie en intimidatie ten aanzien van maatschappelijke activisten en vrije media, zoals grootscheepse doorzoekingen van privéwoningen en kantoren van persorganen en maatschappelijke organisaties en het uitwijzen van opposanten van universiteiten en werkplaatsen; vraagt dat de Belarussische overheid de vrijheid van meningsuiting en het pluralisme van de media in Belarus eerbiedigt;

5.  vraagt Belarus met aandrang om respect voor het recht en de internationale verdragen en nationale wetten, die een fatsoenlijke behandeling van gevangenen voorschrijven en garanderen dat zij ongehinderd contact kunnen hebben met familieleden en onbelemmerde toegang hebben tot juridische begeleiding en medische verzorging, en vraagt dat Belarus een einde maakt aan de voortdurende pesterijen tegen politieke opposanten, mensenrechtenactivisten en onafhankelijke media;

6.  veroordeelt het besluit van het advocatencollege van de stad Minsk om de licenties in te trekken van een aantal van de advocaten van in het kader van de rechtszaak betreffende de massale onlusten beschuldigde personen, zoals Aleh Ahiejev, Pavel Sapelko, Tatiana Ahijeva, Uladzimir Touscik en Tamata Harajeva, en vraagt dat het advocatencollege van de stad Minsk dit besluit herroept;

7.  veroordeelt het feit dat de minister van Justitie de voorzitter van de balie van de stad Minsk, Alyaksandr Pylchanka, heeft ontslagen omdat deze verklaarde dat de beslissing van het ministerie tot intrekking van de licenties van vier bij zaken van zogenaamde massale onlusten betrokken advocaten ongegrond was en aantoont dat de onafhankelijkheid van het rechtswezen en van elke advocaat afzonderlijk daadwerkelijk in gevaar is;

8.  vraagt de Belarussische overheid met aandrang een diepgaand en onpartijdig onderzoek in te stellen naar de beweringen over foltering van politieke gevangenen en individuen die dergelijke praktijken hanteren, te identificeren en voor het gerecht te brengen;

9.  verzoekt de Belarussische overheid om de wet inzake openbare evenementen te herzien en in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

10.  vraagt de Raad, de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger van de EU en de partnerlanden van de EU te overwegen om eveneens beperkende maatregelen te nemen tegen openbare aanklagers, rechters en KGB-leden die betrokken zijn bij schendingen van de mensenrechten in Belarus, tenzij er meteen een einde komt aan de repressie in Belarus en er aanzienlijke vooruitgang wordt geboekt op het vlak van de mensenrechten en grondrechten; is van mening dat de Raad moet nagaan of het mogelijk is om intelligente en doelgerichte economische sancties op te leggen aan Belarussische overheidsbedrijven;

11.  verheugt zich over het engagement van negen andere landen, namelijk Kroatië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, Albanië, Bosnië en Herzegovina, Servië, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen, om beperkende maatregelen in te voeren tegen bepaalde functionarissen van Belarus;

12.  herhaalt dat het toenaderingsproces tussen de Europese Unie en Belarus en de deelname van Belarus aan het Oostelijke Partnerschap zullen worden opgeschort als de Belarussische overheid niet onmiddellijk stappen zet in de richting van democratisering en eerbiediging van de mensenrechten;

13.  benadrukt dat de EU, ondanks de politieke impact van de repressie jegens de oppositie sinds de verkiezingen op de betrekkingen tussen de EU en Belarus, haar steun aan het Belarussische maatschappelijke middenveld moet vergroten, onder meer door de verlening van visa te vereenvoudigen;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de Parlementaire Vergaderingen van de OVSE en de Raad van Europa en het parlement en de regering van Belarus.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0022.
(2) PB C 286 E van 22.10.2010, blz. 16.
(3) PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 113.


Situatie en cultureel erfgoed in Kashgar (Oeigoerse autonome regio Xinjiang, China)
PDF 132kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2011 over de situatie en het cultureel erfgoed in Kashgar (Autonome Regio Xinjiang Oeigoer, China)
P7_TA(2011)0100RC-B7-0168/2011

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over China, met name over de mensen- en minderheidsrechten rechten, inzonderheid die van 26 november 2009(1) en 25 november 2010(2),

–  gelet op de 13e Top EU-China van 6 oktober 2010 in Brussel, dat het eerste Cultureel Forum van hoog niveau EU-China omvatte, ter versterking van de culturele dialoog en samenwerking tussen EU en China,

–  gezien de Verklaring van de Verenigde Naties betreffende de rechten van personen die behoren tot nationale, etnische, religieuze of taalminderheden, aangenomen bij resolutie van de Algemene Vergadering 47/135 van 18 december 1992, inhoudende dat „staten het bestaan en de nationale of etnische, culturele, religieuze en taalkundige identiteit van minderheden op hun respectieve grondgebied dienen te beschermen”,

–  gelet op de artikelen 4, 22 en 119 van de Constitutie van de Volksrepubliek China, die voorzien in hulp van de regering bij de culturele ontwikkeling van door minderheden bewoonde regio's respectievelijk overheidsbescherming van waardevolle cultuurhistorische monumenten en overblijfselen, en in bescherming van het culturele erfgoed van minderheidsnationaliteiten.

–  gelet op artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Chinese regering in 2009 een project van 500 miljoen USD heeft afgekondigd, de zogenoemde „Kashgar Dangerous House Reform, (KDHR)” een stedelijk reconstructieproject in het kader waarvan in 2009 begonnen is met de geleidelijke afbraak van de oude zijderoute-stad Kashgar, met de bedoeling om 85% van de traditionele oude stad te slopen om plaats te maken voor moderne appartementsgebouwen, en de overblijvende delen van de oude stad te verbouwen tot gemengde Sino-Oeigoerse toeristenattracties,

B.  overwegende dat Beijing de stad Kasjgar hardnekkig blijft uitsluiten van voordrachten voor plaatsing op de lijst van werelderfgoed door de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO), zoals de voorgenomen transnationale aanvraag voor bescherming van diverse plaatsen van cultureel belang langs de zijderoute in Centraal-Azië,

C.  overwegende dat Kashgar, vanouds een centrum van handel en toerisme, een internationaal belangwekkende plaats is met een uniek architectureel erfgoed van historisch en geografisch belang,

D.  overwegende dat de stad Kashgar van hoge symbolische waarde is voor de culturele identiteit van de Oeigoer- en Hui-bevolking in de regio, evenals voor de culturele diversiteit in China,

E.  overwegende dat de officiële rechtvaardiging voor het herbouwprogramma, namelijk beveiliging tegen aardbevingen, niet de volledige afbraak van traditionele bouwwerken vereist, want er zijn andere opties zoals cultuurrespecterende renovatie,

F.  overwegende dat Beijing ook in andere delen van China bezig is met destructieve modernisering van de bebouwing, in de vorm van diverse plaatselijke „Ontwikkelingsplannen”, waarbij historische bouwwerken worden afgebroken, met gedwongen verhuizing van de bewoners, zonder oog voor het kostbare historische en culturele erfgoed en zonder in de eerste plaats te denken aan conservering − in beschermde gebieden of musea- van de overblijfsels of belangrijkste bouw- of architectuurvoorbeelden die toekomstige generaties en de wereld een beeld geven van een Chinese historische en culturele ontwikkeling van duizenden jaren,

G.  overwegende dat Beijing doorgaat met het voeren van een repressief etnocultureel beleid in de Autonome Regio Xinjiang Oeigoer (XUAR), dat een grimmig hoogtepunt bereikte met het gewelddadig neerslaan van de Oeigoerse protesten in Urumqi bij de onlusten van 2009,

H.  overwegende dat de Oeigoer- en Hui-bevolking blootstaan aan voortdurende mensenrechtenschendingen en dat adequate politieke vertegenwoordiging en culturele zelfbestemming velen blijven ontzegd,

1.  roept de Chinese regering op onmiddellijk een eind te maken aan de culturele vernietiging die het architecturele voortbestaan van Kashgar bedreigt, en een alomvattend deskundigenonderzoek te entameren naar cultuurrespecterende renovatiemethoden;

2.  roept de Chinese regering op een eind te maken aan gedwongen verhuizing en sociale marginalisering van de Oeigoerbevolking van Kashgar, die door de afbraak van hun woongebieden teweeg worden gebracht, en de eerdere slachtoffers behoorlijk schadeloos te stellen voor de reeds geleden verliezen;

3.  verzoekt de Chinese autoriteiten alles in het werk te stellen om te komen tot een serieuze dialoog tussen Han-Chinezen en Oeigoeren, een meer integraal en omvattend economisch beleid in Sinkiang te gaan voeren, gericht op stimulering van plaatselijke betrokkenheid, en om de culturele identiteit van de Oeigoeren te beschermen;

4.  vraagt de Chinese regering met klem haar constitutionele verplichtingen trouw te blijven, door voldoende steun te geven aan de culturele tradities in Kashgar en XUAR die sterk onder de invloed staan van de Oeigoerse culturele identiteit;

5.  vraagt de Chinese autoriteiten dringend meer maatregelen te treffen tegen illegale handel- en smokkelactiviteiten die mede oorzaak zijn van het teloorgaan van het erfgoed van de Chinese beschaving;

6.  vraagt de Chinese minister van cultuur de bestaande regel- en wetgeving inzake de bescherming van cultuurhistorische overblijfselen te herzien, om de huidige veranderingen in de levenswijze van etnische minderheidsgroepen te ondervangen die soms, zich onbewust van de schatten die zij bezitten, niet op de juiste wijze met hun cultureel erfgoed omgaan of bescherming ervan niet nodig vinden; stelt dat op nationaal niveau aan een opvoedingscampagne over deze kwestie moet worden gewerkt;

7.  vraagt de Chinese regering dringend alsnog de mogelijkheid te bezien om de stad Kashgar op te nemen in de gezamenlijke voordracht van Kazachstan, Kirgizistan, Tadzjikistan en Oezbekistan om de zijderoute door de UNESCO tot werelderfgoed te laten verklaren;

8.  vraagt de Chinese regering haar discriminerende en repressieve beleid tegen de Oeigoer- en Hui-bevolking te staken, en hun fundamentele rechten op vrije cultuuruiting te respecteren, daarbij vooral denkend aan Tursunjan Hezim, een voormalige geschiedenisleraar die na een geheim process werd veroordeeld tot zeven jaar cel, en andere activisten die de afgelopen maanden werden veroordeeld;

9.  vraagt de Europese Dienst voor Extern Optreden extra maaregelen te bedenken in het kader van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten, om de mensenrechten en culturele rechten van de etnische, religieuze en taalkundige minderheidsgroepen in China te beschermen;

10.  vraagt de EU-vertegenwoordigers en de vicevoorzitter van de Commissie/ hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de gesprekken over mensen- en minderheidsrechten met de Volksrepubliek China te intensiveren, en de mensenrechtendialoog effectiever en meer resultaatgericht te doen verlopen;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, UNESCO, het Nationale Volkscongres (en het Permanente Comité) van de Volksrepubliek China en het permanente comité van de Regionale partij van XUAR.

(1) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 80.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0449.


Een Europees Statuut voor onderlinge maatschappijen, verenigingen en stichtingen
PDF 65kWORD 30k
Verklaring van het Europees Parlement van 10 maart 2011 over de opstelling van een Europees Statuut voor onderlinge maatschappijen, verenigingen en stichtingen
P7_TA(2011)0101P7_DCL(2010)0084

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 februari 2009 over de sociale economie(1),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 mei 2010 over het verwezenlijken van een interne markt voor consumenten en burgers(2),

–  gelet op artikel 123 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de welvaart en de stabiliteit van een samenleving worden bepaald door een verscheidenheid aan ondernemerschap, en dat verenigingen, onderlinge maatschappijen en stichtingen aan die verscheidenheid bijdragen met een specifiek bedrijfsmodel dat op een aantal kernwaarden berust, te weten solidariteit, democratische controle en het hoger aanslaan van sociale doelstellingen dan winst,

B.  overwegende dat verenigingen, onderlinge maatschappijen en stichtingen zich tot dusverre primair nationaal hebben ontwikkeld en dat zij de grensoverschrijdende toegang moeten verbeteren, wil men in de EU ten volle kunnen profiteren van de mogelijkheden die deze ondernemingen bieden,

1.  merkt op dat er voor gelijke randvoorwaarden („level playing field”) moet worden gezorgd om verenigingen, onderlinge maatschappijen en stichtingen dezelfde instrumenten en mogelijkheden te geven als waarover organisaties met een andere rechtsvorm beschikken, om zo een Europese dimensie toe te voegen aan hun organisatiestructuur en activiteiten;

2.  verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om voorstellen in te dienen voor een Europees Statuut voor verenigingen (EV), onderlinge maatschappijen (EOM) en stichtingen (ES), een haalbaarheidsstudie en een effectbeoordeling met betrekking tot de EV en de EOM voor te stellen en de effectbeoordeling met betrekking tot de ES te zijner tijd af te ronden;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars(3), te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 16.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0186.
(3) De lijst van ondertekenaars is gepubliceerd in bijlage 1 bij de notulen van 10 maart 2011 (P7_PV(2011)03-10(ANN1)).


Ongelukken met vrachtwagens
PDF 63kWORD 30k
Verklaring van het Europees Parlement van 10 maart 2011 over ongelukken met vrachtwagens
P7_TA(2011)0102P7_DCL(2010)0081

Het Europees Parlement,

–  gelet op artikel 123 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat vrachtauto's 3% vormen van het wagenpark van de EU, maar betrokken zijn bij 14% van de dodelijke ongelukken, waarbij jaarlijks in de 27 lidstaten van de EU ruim 4 000 doden vallen,

B.  overwegende dat in Europa ieder jaar zo'n 400 mensen omkomen, veelal onbeschermde weggebruikers zoals fietsers, motorrijders en voetgangers, vanwege de dode hoek van vrachtwagens,

C.  overwegende dat veel van deze dodelijke ongelukken voorkomen kunnen worden door de volledige plaatsing van spiegels of steeds goedkoper wordende camerabewakingsapparatuur, actieve waarschuwingssystemen, geavanceerde noodremsystemen en waarschuwingssystemen voor het onbedoeld verlaten van de rijstrook,

D.  overwegende dat vrachtwagens nog steeds beschikken over een aanzienlijke en gevaarlijke dode hoek, ondanks de aangescherpte zichtbaarheidseisen van Richtlijn 2003/97/EG en Richtlijn 2007/38/EG voor respectievelijk nieuwe en reeds in gebruik zijnde vrachtwagens,

E.  overwegende dat de eisen uit 2007 minder scherp zijn dan de eisen uit 2003 en onvoldoende ten uitvoer zijn gelegd door de lidstaten, ondanks de ambitie van de EU om dodelijke verkeersongelukken met de helft te verminderen,

1.  dringt er bij de Commissie op aan om de herziening van Richtlijn 2007/38/EG te versnellen en deze herziening uit te voeren overeenkomstig de technologische ontwikkelingen en de nieuwste eisen ten aanzien van apparatuur voor indirect zicht voor nieuwe vrachtwagens, zodat een optimaal veiligheidsniveau wordt gewaarborgd;

2.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat er geen uitzonderingen worden toegelaten als het gaat om de verplichte plaatsing van geavanceerde noodremsystemen en waarschuwingssystemen voor het onbedoeld verlaten van de rijstrook, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 661/2009 met betrekking tot de algemene veiligheid;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars(1), te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) De lijst van ondertekenaars is gepubliceerd in bijlage 2 bij de notulen van 10 maart 2011 (P7_PV(2011)03-10(ANN2)).

Juridische mededeling - Privacybeleid