Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2275(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0207/2011

Ingediende teksten :

A7-0207/2011

Debatten :

PV 12/09/2011 - 27
CRE 12/09/2011 - 27

Stemmingen :

PV 13/09/2011 - 5.26
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0367

Aangenomen teksten
PDF 166kWORD 68k
Dinsdag 13 september 2011 - Straatsburg
Ondernemerschap voor vrouwen in het midden- en kleinbedrijf
P7_TA(2011)0367A7-0207/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2011 over ondernemerschap voor vrouwen in het midden- en kleinbedrijf (2010/2275(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (algemene groepsvrijstellingsverordening)(1),

–  gezien het verslag van de Commissie van 3 oktober 2008 met als titel „Realisatie van de doelstellingen van Barcelona wat de opvangfaciliteiten voor kinderen onder de leerplichtige leeftijd betreft” (COM(2008)0638),

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld „Bevordering van innovatie door en ondernemerschap van vrouwen” van 25 juli 2008,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 juni 2008 getiteld „Denk eerst klein: Een ”Small business act' voor Europa' (COM (2008)0394),

–  gezien Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad(2),

–  gezien Besluit 2010/707/EU van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures(4),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2009 over de „Small Business Act”(5),

–  gezien zijn resolutie van 30 november 2006 over „Tijd voor een hogere versnelling: Een Europa van ondernemerschap en groei tot stand brengen”(6),

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2002 over de verslagen van de Commissie aan het Europese Parlement en de Raad van Europa: Groei- en werkgelegenheidsinitiatief - maatregelen voor financiële bijstand aan innoverende en werkgelegenheid scheppende kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's)(7),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0207/2011),

A.  overwegende dat het absoluut noodzakelijk is dat vrouwen en mannen de verantwoordelijkheid voor gezin en huishouden delen, met name door meer gebruik te maken van ouderschaps- en vaderschapsverlof, om gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bevorderen en te realiseren, en dat er daarom een evenwicht tussen werk en privéleven gevonden moet worden, hetgeen vrouwen steun kan geven bij het opzetten van een eigen bedrijf om financieel en professioneel onafhankelijk te zijn,

B.  overwegende dat het werken als zelfstandige over het algemeen meer flexibiliteit biedt met betrekking tot de werktijden, het aantal werkuren en de werkplek dan werken in loondienst, wat kansen biedt voor degenen die werk en zorgtaken of andere activiteiten willen combineren of behoefte hebben aan een aangepaste werkplek,

C.  overwegende dat tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo's) ondernemingen behoren waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen euro en het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen euro niet overschrijdt,

D.  overwegende dat 99% van de nieuwe ondernemingen in Europa uit micro- of kleinbedrijven bestaat, en dat een derde hiervan wordt opgericht door mensen die geen werk hebben, en overwegende dat micro-ondernemingen met minder dan 10 werknemers 91% van Europa's ondernemingen uitmaken,

E.  overwegende dat de Commissie in haar actieplan „De Europese agenda voor ondernemerschap” (COM(2004)0070) aangeeft dat er behoefte is aan betere socialezekerheidsstelsels en dat zij van plan is begin 2011 met een mededeling over de Small Business Act te komen; overwegende dat met name vrouwelijke ondernemers behoefte aan betere sociale zekerheid hebben,

F.  overwegende dat vrouwen voor barrières kunnen komen te staan als zij aan informatie proberen te komen en gebruik willen maken van financiële en technologische instrumenten en diensten, waardoor zij worden beperkt in hun mogelijkheden om hun bedrijf uit te breiden en opdrachten van de staat en gemeenten in de wacht te slepen,

G.  overwegende dat volgens de terminologie van de Commissie onechte zelfstandigheid een nepvorm van zelfstandigheid is waarvan sprake is bij een onjuiste opgave van de status van werkenden teneinde de socialezekerheidsvoorschriften te omzeilen en de betrokkenen uit te sluiten van basisrechten van de werkenden om de arbeidskosten te verlagen terwijl de betrokkenen economisch afhankelijk blijven,

H.  overwegende dat ondernemers (bedrijfseigenaren) degenen zijn die waarde proberen te creëren door de schepping of uitbreiding van economische activiteit, door het vinden en exploiteren van nieuwe producten, processen of markten(8),

I.  overwegende dat een vrouwelijke ondernemer gedefinieerd kan worden als een vrouw die een onderneming heeft opgezet waarin ze een meerderheidsbelang heeft, en een actieve inbreng heeft in de besluitvorming, het nemen van risico's en de dagelijkse bedrijfsvoering,

J.  overwegende dat tal van ondernemingen, vooral die met vrouwelijke leiding, opgekomen zijn in doelstelling 1-regio's, die binnenkort niet meer als probleemgebieden gelden en plaats moeten maken voor regio's in de nieuwe lidstaten,

K.  overwegende dat veel van de regio's die hun steun zullen kwijtraken, nog onvoldoende ontwikkelde plattelandsgebieden zijn en dat de nieuw te ondersteunen gebieden veelal niet over de culturele, sociale en organisatorische middelen beschikken om de Europese steun zo goed mogelijk te besteden,

L.  overwegende dat er discrepanties bestaan tussen lidstaten in de aantallen vrouwelijke ondernemers; overwegende dat minder vrouwen dan mannen het ondernemerschap als een haalbare carrièrekeuze beschouwen, en dat ondanks de stijging van het aantal door vrouwen geleide kmo's in het afgelopen decennium, in de Europese Unie slechts 1 op de 10 vrouwen ondernemer is, tegenover 1 op de 4 mannen; overwegende dat ongeveer 60% van alle academici vrouwen zijn, maar dat zij op de arbeidsmarkt ondervertegenwoordigd zijn in voltijdse banen, met name in het zakenleven; overwegende dat het cruciaal is om vrouwen aan te moedigen en in staat te stellen als ondernemer actief te worden, teneinde de bestaande genderongelijkheid te verminderen,

M.   overwegende dat in de Verenigde Staten als gevolg van de „Women's Business Ownership Act” van 1988 het aantal vrouwen met een eigen bedrijf is gestegen van 26% van alle bedrijfseigenaren tot 57% in 2002; overwegende dat het succes van deze wet de EU kan helpen bij het vaststellen van goede praktijken,

N.  overwegende dat vrouwelijke ondernemers die door maatschappelijke omstandigheden minder afweten van de beschikbare financieringsmogelijkheden en geen ervaring hebben met financieel beheer, niet alleen tijdens de opstartfase ondersteuning nodig hebben, maar gedurende de gehele bedrijfscyclus, aangezien er tussen de opstart- en de groeifase verschil bestaat in het soort ondersteuning dat bij bedrijfsplanning vereist is,

O.  overwegende dat vrouwelijk ondernemerschap en door vrouwen geleide kmo's een essentiële bijdrage tot verhoging van de arbeidsparticipatiegraad onder vrouwen leveren en aldus bijdragen tot een betere benutting van het opleidingsniveau van vrouwen, en tevens voorkomen dat vrouwen onzeker werk moeten aannemen, en dat vrouwelijk ondernemerschap zorgt voor bedrijfsdynamiek en innovatie waarvan het potentieel in de Europese Unie bij lange na niet wordt uitgebuit, en dat een toename van het aantal vrouwelijke ondernemers onmiddellijk positief uitwerkt op de economie als geheel; overwegende dat ondersteunende maatregelen voor vrouwelijke ondernemers in een instabiel economisch klimaat gemakkelijk worden verwaarloosd,

P.  overwegende dat mannen en vrouwen veelal niet dezelfde kansen hebben bij het leiden en ontwikkelen van bedrijven, en dat bevordering van vrouwelijk ondernemerschap een langdurig proces is, dat tijd vergt om structuren en mentaliteiten in de samenleving te veranderen; overwegende dat vrouwen altijd ondernemend zijn geweest, maar dat regels en de traditionele rolverdeling ervoor gezorgd hebben dat ondernemerschap niet altijd een optie is voor vrouwen,

Q.  overwegende dat de Europese Investeringsbank (EIB) haar leningen ten behoeve van kmo's aanzienlijk heeft verhoogd, van 8,1 miljard EUR in 2008 tot 11,5 miljard EUR in 2009; overwegende dat van de kmo-instrumenten uit hoofde van het Kaderprogramma concurrentievermogen en innovatie permanent gebruik is gemaakt (1,13 miljard EUR voor de periode 2007-2013); overwegende dat de Commissie een tijdelijk staatssteunkader 2009/2010 heeft goedgekeurd dat de lidstaten ruimere mogelijkheden biedt om tegen de gevolgen van de beperking van de kredietverlening op te treden,

R.  overwegende dat programma's om de investeringsbereidheid te vergroten een kmo of ondernemer kunnen helpen om inzicht te krijgen in de zorgen van banken of andere investeerders die voor externe financiering kunnen zorgen,

S.  overwegende dat vrouwelijke ondernemers een heterogeen gezelschap vormen met verschillen in leeftijd, achtergrond en opleiding, variërend van pas afgestudeerden tot vrouwen met een flinke carrière die op zoek zijn naar nieuwe mogelijkheden om hun leidinggevende capaciteiten, ondernemingszin, communicatieve vaardigheden, gevoel voor compromis en risicobeoordelingsvermogen te benutten, en dat vrouwelijke ondernemers actief zijn in een breed scala aan sectoren en ondernemingen; overwegende dat mannen en vrouwen niet dezelfde kansen hebben om een bedrijf te leiden en tot ontwikkeling te brengen als gevolg van stereotiepe denkbeelden over mannen en vrouwen en structurele belemmeringen en doordat dikwijls wordt verondersteld dat het vrouwen ontbreekt aan typische ondernemerseigenschappen zoals zelfvertrouwen, assertiviteit en de bereidheid risico's te nemen,

T.  overwegende dat begeleiding en ondersteuning van zowel actieve vrouwelijke als mannelijke ondernemers nieuwe door vrouwelijke ondernemers opgestarte ondernemingen kan helpen om de zorgen die geassocieerd worden met het opstarten van bedrijven te overwinnen,

U.  overwegende dat het belangrijk is om praktische aanbevelingen te stimuleren die rekening houden met de realiteit van het zakelijke en economische leven in de competitieve marktomgeving,

V.  overwegende dat er op EU-niveau nog onvoldoende onderzoek naar vrouwen als ondernemers is gedaan, terwijl hiervan een inspirerend effect kan uitgaan op de ontwikkeling en uitvoering van EU-beleid op dit gebied,

W.  overwegende dat zelfstandigen in veel lidstaten geen behoorlijke sociale rechten genieten, zoals moederschaps- en vaderschapsverlof, werkloosheids- en ziektekostenverzekering, arbeidsongeschiktheidsuitkering, pensioenregelingen en kinderopvangvoorzieningen, ook al zijn deze voorzieningen voor vrouwelijke ondernemers van wezenlijk belang zijn om werk en gezin te kunnen combineren en voor de Europese Unie om de demografische ontwikkelingen het hoofd te kunnen bieden; overwegende dat van de lidstaten in de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid wordt verlangd dat zij het werken als zelfstandige bevorderen en tegelijkertijd een adequate sociale zekerheid voor zelfstandigen garanderen,

X.  overwegende dat een groep van voornamelijk vrouwen huishoudelijk werk verricht of privézorg biedt, maar niet officieel in loondienst werkt en ook niet als zelfstandige werkzaam is, waardoor deze groep elke vorm van sociale bescherming ontbeert,

Toegang tot financiële en educatieve ondersteuning

1.  spoort de Commissie, de lidstaten en de lagere overheden ertoe aan om beter gebruik te maken van de financieringsmogelijkheden die beschikbaar zijn voor vrouwelijke ondernemers door middel van speciale subsidies, risicokapitaal, socialezekerheidsvoorzieningen en renteaftrekmogelijkheden die een gelijke, eerlijke toegang tot kapitaal bieden, zoals bijvoorbeeld de Europese microfinancieringsfaciliteit Progress, die microkredieten tot 25 000 EUR biedt aan micro-ondernemingen, en aan personen zoals werklozen die hun eigen kleinbedrijf willen beginnen maar geen toegang hebben tot traditionele bankdiensten;

2.  verzoekt de lidstaten nationale campagnes, met onder meer workshops en seminars, ten behoeve van vrouwen te organiseren om hen beter te informeren over de Europese microfinancieringsfaciliteit Progress en over alle financieringsmogelijkheden die deze faciliteit biedt;

3.  wijst erop dat gelijkheid van vrouwen en mannen een grondbeginsel van de EU is dat verankerd is in het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, maar dat er ondanks de aanzienlijke vooruitgang die er is geboekt, nog steeds veel ongelijkheid tussen vrouwen en mannen bestaat op het gebied van ondernemerschap en besluitvorming;

4.  betreurt dat de financiële en economische crisis de problemen voor vele vrouwelijke ondernemers in spe heeft verergerd, vooral in de eerste drie bedrijfsjaren; wijst erop dat als zowel mannen als vrouwen winstgevende kmo's ontwikkelen, dit de lidstaten kan helpen om meer duurzame economische groei te bereiken;

5.  verwelkomt de afzonderlijke sectie betreffende ondersteuning voor vrouwelijk ondernemerschap in de bovengenoemde Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze ondersteuning in een toekomstig communautair steunkader gehandhaafd blijft om de positie van vrouwen na het verstrijken van de verordening te versterken;

6.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de door vrouwen geleide (en opgerichte) kmo's evenzeer van de desbetreffende fiscale voordelen kunnen profiteren als andere kmo's;

7.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures naar behoren uit te voeren en te garanderen dat ondernemers die insolvent zijn geworden of loopbaanonderbrekingen hebben gekend, in aanmerking komen voor ondersteuning bij financiële sanering, zodat ze lopende projecten kunnen voortzetten of ombuigen;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te bevorderen dat er best practices worden uitgewisseld tussen de regio's die hun doelstelling 1-status verliezen en de nieuwe regio's met die status, waarbij vrouwelijke ondernemers, met name in de traditionele landbouw, betrokken moeten worden, teneinde opgedane ervaring te kunnen doorgeven en tegelijkertijd niet abrupt subsidies te moeten missen, en tevens in de nieuwe lidstaten een nieuwe lichting vrouwelijke bedrijfsleiders te creëren;

9.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en Business Europe om vrouwelijk ondernemerschap, financiële ondersteuning en structuren voor beroepsadvies te bevorderen en samen met bedrijfskundeopleidingen, bedrijfsorganisaties en nationale vrouwenorganisaties, investeringsbereidheidsprogramma's te implementeren om vrouwen te helpen geloofwaardige bedrijfsplannen op te stellen en potentiële investeerders te vinden;

10.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek te doen naar de belemmeringen voor vrouwelijk ondernemerschap en met name de toegang van vrouwen tot kapitaal uitgebreid te analyseren;

11.  verzoekt de lidstaten de banken en financiële instellingen te stimuleren om na te denken over „vrouwvriendelijke” diensten voor bedrijfsondersteuning;

12.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en Business Europe te overwegen begeleidingsprojecten en steunprogramma's in het leven te roepen die in het bijzonder gebruik maken van programma's voor actief ouder worden waarbij ondernemers gebruik kunnen maken van het advies en de ervaring van gepensioneerde ondernemers, mannen zowel als vrouwen;

13.  verzoekt de lidstaten extra aandacht te besteden aan de situatie van vrouwen boven de 50 en hen te helpen bij de oprichting van hun eigen bedrijf;

14.  dringt erop aan dat de lidstaten een beleid voeren waardoor vrouwen werk en privéleven kunnen combineren, en voor kinderopvangvoorzieningen zorgen, omdat een gebrek aan goede en betaalbare kinderopvang een extra belemmering voor vrouwen vormt om een eigen bedrijf te beginnen;

15.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan dat zij het mogelijk maken dat ervaren consultants vrouwelijke ondernemers ramingen van het groei- en risicopotentieel van hun bedrijf verschaffen;

16.  wijst erop dat vrouwelijke ondernemers volgens verscheidene recente onderzoeken voorzichtiger zijn dan mannen als het gaat om het nemen van economisch en financieel risico; is van oordeel dat de resultaten van deze onderzoeken nader geanalyseerd moeten worden om na te gaan of ze juist zijn en om te bepalen welke consequenties eraan verbonden moeten worden;

17.  dringt er bij de lidstaten en de lagere overheden op aan dat zij nationale onderwijsprogramma's opzetten om meisjes voor ondernemerschap en management te interesseren en het concept „jong ondernemerschap” in het onderwijs te ontwikkelen, zodat vrouwelijke leerlingen desgewenst in de loop van een schooljaar de levenscyclus van een bedrijf van begin tot einde kunnen meemaken; hierbij moeten de leerlingen begeleiding krijgen van leraren en „active ageing”-consultants uit het plaatselijke bedrijfsleven;

18.  beseft dat veel meisjes er al op jonge leeftijd van af worden gehouden om op school of op de universiteit vakken te kiezen die als typisch „mannelijk” worden gezien, zoals natuurwetenschap, wiskunde en technologie; pleit voor de invoering van basiscursussen op het gebied van ondernemen aan meisjes en verbreding van het spectrum aan vakken en carrières voor meisjes, zodat zij de kennis kunnen opdoen en alle vaardigheden kunnen verwerven die voor succes in het bedrijfsleven noodzakelijk zijn; wijst erop dat het van belang is de kansen van meisjes en vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren door middel van gerichte opleiding en een leven lang leren;

19.  verlangt dat de EU-instellingen, de lidstaten en de lagere overheden stimuleren dat er overal in Europa aan universiteiten eenjarige leergangen/stages en uitwisselingsprogramma's ten behoeve van vrouwelijke ondernemers in spe komen, waar studenten ontwikkelingsprojecten uitvoeren op basis van echte bedrijfsconcepten, met de doelstelling om nog tijdens hun opleiding een levensvatbaar en winstgevend bedrijf op te zetten; overweegt voorts dat activiteiten van alumni- en studentenverenigingen een integraal onderdeel van dit proces zouden moeten vormen, om zelfvertrouwen en een rolmodel-mentaliteit bij studenten te kweken; vraagt de Commissie de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied te stimuleren;

20.  verzoekt de lidstaten en Business Europe meer bekendheid te geven aan het Europees ondernemersuitwisselingsprogramma Erasmus voor jonge ondernemers, dat het specifieke doel heeft om bij te dragen aan het versterken van ondernemerschap, internationalisering en competitiviteit van beginnende ondernemers in spe in de EU en van nieuw gevestigde micro- en kleinbedrijven, en nieuwe ondernemers de mogelijkheid biedt om voor maximaal 6 maanden samen te werken met een ervaren ondernemer in zijn of haar kmo in een andere EU-lidstaat; beveelt de invoering van specifieke beurzen, zoals de Leonardo da Vinci-beurzen van de EU, voor zeer getalenteerde vrouwelijke studenten aan, culminerend in de uitreiking van „best practice”-prijzen voor succesvolle afgestudeerden;

21.  verlangt dat de lidstaten zich ervoor inzetten dat het mededingen naar opdrachten onder gelijke voorwaarden kan plaatsvinden en dat zij hun beleid inzake overheidsopdrachten „genderneutraal” maken;

Toegang tot traditionele zakelijke netwerkkansen en informatie- en communicatietechnologieën

22.  verzoekt de lidstaten programma's voor grensoverschrijdende samenwerking te stimuleren met het oog op het opzetten van grensoverschrijdende centra voor ondersteuning voor vrouwelijke ondernemers, die als basis moeten dienen voor de uitwisseling van ervaring, de rationalisering van middelen en de uitwisseling van beste praktijken;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten informatie- en communicatietechnologie in stelling te brengen die kan bijdragen tot bewustwording en netwerkondersteuning voor vrouwen; wenst dat de digitale kloof die door Europa loopt, wordt gedicht door verbetering van de breedbandverbindingen, zodat vrouwen over de flexibiliteit beschikken om desgewenst hun bedrijf met succes van thuis te leiden;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten vrouwen aan te moedigen om actief te worden in plaatselijke kamers van koophandel, lobbygroepen en organisaties van de bedrijfstakken die de kern van het bedrijfsleven uitmaken, zodat ze concurrerende zakelijke vaardigheden kunnen ontwikkelen en versterken en dringt er bij de kamers van koophandel op aan dat zij vrouwelijke ondernemers expliciet om hun inbreng vragen en specifieke dienstverlening aanbieden en panels van vrouwelijke ondernemers opzetten om te bereiken dat zij mondiger worden en hun ondernemingszin verder ontwikkelen;

25.  verzoekt de lidstaten de nadruk te leggen op de rol van ngo's bij het stimuleren en faciliteren van vrouwelijk ondernemerschap;

26.  vraagt de Commissie de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen om vrouwelijk ondernemerschap aan te moedigen; vraagt de Commissie, de lidstaten en Business Europe om voorzieningen te treffen voor vrouwelijke ondernemers en hen aan te sporen om contact te leggen met de juiste zakelijke partners op andere terreinen zodat ze de gelegenheid krijgen om ervaringen uit te wisselen en meer inzicht in de zakenwereld te krijgen;

27.  verzoekt de Commissie in het kader van het netwerk Enterprise Europe adviesraden op te zetten met specifieke deskundigheid op het gebied van de uitdagingen en belemmeringen voor vrouwelijke ondernemers, die ook als contactpunt zouden kunnen fungeren voor gevallen waarin financiële dienstverleners discrimineren bij de kredietverstrekking;

28.  erkent het belang van vrouwelijke ambassadeurs, bijvoorbeeld het Europees ambassadeursnetwerk voor vrouwelijk ondernemerschap (EANVO), hetgeen de nadruk legt op de rol die vrouwen kunnen spelen bij het scheppen van banen en het stimuleren van competitiviteit door vrouwen en jonge meisjes te inspireren om hun eigen bedrijf op te zetten door middel van activiteiten op scholen, universiteiten, gemeenschapsgroepen en de media; merkt op dat ambassadeurs verschillende achtergronden, leeftijden en ervaringen zouden moeten hebben, en in alle takken van bedrijvigheid actief zouden moeten zijn;

29.  verzoekt de Commissie een campagne te voeren ter bevordering van de betrokkenheid van vrouwen bij werk door middel van het opzetten van een eigen bedrijf en tegelijk informatie te verstrekken over de diverse instrumenten die ter beschikking staan om het opstarten van een onderneming gemakkelijker te maken;

30.  is van oordeel dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en met name de EU-delegaties in derde landen in samenwerking met de handelsmissies van de lidstaten kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van netwerken van door vrouwen geleide kmo's;

31.  verzoekt de Commissie vergelijkbare en omvattende informatie over vrouwelijk ondernemerschap in de Europese Unie (zoals bijvoorbeeld de leeftijd, bedrijfstak, bedrijfsomvang, bedrijfsleeftijd en etniciteit van vrouwelijke ondernemers met inachtneming van de voorschriften van de lidstaten over de bescherming van persoonsgegevens) te verzamelen met de hulp van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden en het Europees Instituut voor gendergelijkheid, zonder de kmo's extra last te bezorgen, en deze gegevens te analyseren in het jaarverslag over kmo's in de EU van het SME Performance Review; is van mening dat de vergaarde gegevens en informatie de besluitvormers inzicht dienen te geven in de specifieke problemen waarmee vrouwelijke ondernemers te kampen hebben;

32.  is verheugd over de studie naar innovatie door en ondernemerschap van vrouwen, die de Commissie in 2008 heeft uitgevoerd, en dringt er bij de lidstaten op aan dat zij zich houden aan de daarin geformuleerde beleidsaanbevelingen;

33.  dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de lagere overheden op aan dat vrouwelijke ondernemers dezelfde behandeling krijgen als werknemers wat betreft sociale voorzieningen en andere gemeenschapsdiensten en de sociale positie van vrouwelijke (mede)ondernemers in kmo's te verbeteren dankzij verbeteringen rond het moederschap, betere voorzieningen voor kinderopvang en voor mantelzorg voor ouderen en hulpbehoevenden alsmede betere sociale zekerheid, en door bestrijding van genderstereotypen, en hun culturele en juridische positie te verbeteren, in het bijzonder in sectoren als wetenschap en onderzoek, techniek, nieuwe media, groene en koolstofarme technologie, landbouw en nijverheid in stedelijke en landelijke gebieden;

34.  dringt er bij de lidstaten op aan onderzoek te doen naar belemmeringen die het verrichten van zelfstandig werk door Roma-vrouwen in de weg staan, programma's in het leven te roepen die een toegankelijke, snelle en goedkope inschrijving van vrouwelijke Roma-ondernemers en -zelfstandigen mogelijk maken, en instrumenten voor toegankelijke kredieten – met inbegrip van microkredieten – in te stellen ter financiering van ondernemingen van Roma-vrouwen, en dringt er bij de Commissie op aan deze activiteiten door middel van geschikte financieringsmechanismen te ondersteunen;

35.  verzoekt de lidstaten onechte zelfstandigheid actief te bestrijden door zelfstandigheid afdoende te definiëren en onechte zelfstandigheid te bestraffen;

36.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een programma op te zetten om personen die huishoudelijk werk, zorgtaken of ander dienstverlenend werk verrichten, in hoofdzaak vrouwen, die noch in loondienst noch als zelfstandige werken, te helpen om zich als zelfstandige te laten registreren of een eigen onderneming op te richten;

37.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op om ondersteuning te bieden aan vrouwen die van plan zijn een bedrijf te starten of te kopen, of een familiebedrijf over te nemen, inclusief vrouwen die een vrij beroep uitoefenen en bijvoorbeeld naar een eigen advocatenkantoor of dokterspraktijk streven; is van mening dat de steun moet bestaan uit passende opleidingsseminars en workshops, zodat deze vrouwen de managementvaardigheden kunnen verwerven om zich met succes bij een koopsituatie staande te houden, in het bijzonder bij het inschatten van de waarde van een bedrijf, en bancaire en juridische kwesties; wijst erop dat er bijzondere aandacht moet worden geschonken aan vrouwen onder de 25 en boven de 50 jaar, omdat zij sterker onder de financiële crisis te lijden hebben;

38.  verzoekt Polen gedurende zijn gehele voorzitterschap het accent te leggen op vrouwelijk ondernemerschap, en met name begin oktober tijdens de Europese MKB-week; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk met een actieplan te komen om het percentage vrouwelijke ondernemers te verhogen en bewustmakingscampagnes te voeren om de stereotiepe voorstelling te doorbreken dat vrouwen niet succesvol leiding kunnen geven aan een onderneming;

39.  verzoekt de eigenaren van familiebedrijven die overwegen hun bedrijf over te dragen, evenveel kans toe te kennen aan vrouwelijke familieleden, zoals dochters;

40.  verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om het combineren van werk en gezinsleven gemakkelijker te maken, te stimuleren dat vrouwen arbeid verrichten en dat zij meer kans hebben om als zelfstandige werkzaam te zijn;

41.  verzoekt de Commissie de beeldvorming van vrouwen in alle soorten communicatiemedia te beschermen en aldus het stereotiepe denkbeeld te doorbreken dat vrouwen van nature kwetsbaar zijn en zogenaamd geen kwaliteiten hebben op het gebied van concurrentie en bedrijfsleiderschap;

42.  wijst op de noodzaak initiatieven aan te moedigen die bijdragen aan het tot stand brengen en uitvoeren in de bedrijven van positieve maatregelen en van een personeelsbeleid ter bevordering van gendergelijkheid en tegelijk meer nadruk te leggen op voorlichtings- en opleidingsmaatregelen die het mogelijk maken praktijken die in organisaties en bedrijven succesvol zijn gebleken, te bevorderen, over te dragen en te incorporeren;

43.  erkent dat de herziening van de Small Business Act for Europe op 23 februari 2011 kmo's weer stevig op de kaart heeft gezet, maar verlangt dat de EU en de lidstaten dat bij alles wat zij doen, steeds oog hebben voor het idee „denk eerst klein”;

44.  verzoekt de lidstaten programma's te ondersteunen om migrantenvrouwen in staat te stellen als zelfstandige of ondernemer te werken, onder meer door middel van scholing, coaching en steun bij kredietverkrijging;

45.  spoort de lidstaten aan de ondernemingen te erkennen die gendergelijkheid willen bevorderen en voor een beter evenwicht tussen beroeps- en gezinsleven zorgen, waarbij het doel is bij te dragen tot het verspreiden van beste praktijken op dit gebied;

46.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de bestuursraden van ondernemingen aan te moedigen, met name van ondernemingen waarvan de lidstaten aandeelhouder zijn;

47.  verzoekt de lidstaten maatschappelijk verantwoord ondernemen bij door vrouwen geleide bedrijven te bevorderen om tot een flexibeler organisatie van de werktijd en van arbeid door vrouwen te komen, naast bevordering van gezinsvriendelijke dienstverlening;

48.  vraagt de Commissie om beleid en programma's op het gebied van beroepsopleiding voor vrouwen, waaronder ook ontwikkeling van basiscomputervaardigheid, te bevorderen, teneinde de inbreng van vrouwen in de industriële sectoren te vergroten, en daarbij rekening te houden met financiële steun die op lokaal, nationaal en Europees niveau beschikbaar is en de grote bedrijven en de kmo's meer te stimuleren om hiervan gebruik te maken;

49.  dringt er bij de Commissie op aan de steun aan beroepsopleidingsprogramma's voor vrouwen binnen industriële kmo's te intensiveren, en onderzoek en innovatie te steunen, overeenkomstig het zevende kaderprogramma en de bepalingen van het Europees Handvest voor kleine ondernemingen, zoals goedgekeurd in bijlage III bij de conclusies van het voorzitterschap van de zitting van de Europese Raad te Santa Maria da Feira op 19 en 20 juni 2000;

50.  wijst erop dat de instelling van vrouwennetwerken binnen ondernemingen, tussen ondernemingen in één sector en tussen takken van bedrijvigheid, gestimuleerd moet worden;

51.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan dat zij strategieën ontwikkelen en uitvoeren voor de aanpak van discrepanties zowel in de werkomgeving als in de loopbaanontwikkeling van vrouwen die in de wetenschap en de techniek werkzaam zijn;

52.  acht het belangrijk om goede praktijken inzake de deelname van vrouwen aan industrieel onderzoek en geavanceerde bedrijfstakken te verspreiden; wijst erop dat de leiding in industriële ondernemingen waar vrouwen ondervertegenwoordigd zijn, meer bewust moet worden gemaakt van de genderdimensie en dat dit in streefcijfers moet worden omgezet;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 214 van 9.8.2008, blz. 3.
(2) PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1.
(3) PB L 308 van 24.11.2010, blz. 46.
(4) PB L 160 van 30.6.2000, blz. 1.
(5) PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 48.
(6) PB C 316 E van 22.12.2006, blz.378.
(7) PB C 279 E van 20.11.2003, blz. 78.
(8) „A Framework for Addressing and Measuring Entrepreneurship” van N. Ahmad en A.N. Hoffman, 24 januari 2008, STD/DOC (2008)2.

Juridische mededeling - Privacybeleid