Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2273(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0258/2011

Ingediende teksten :

A7-0258/2011

Debatten :

PV 24/10/2011 - 17
CRE 24/10/2011 - 17

Stemmingen :

PV 25/10/2011 - 8.11
CRE 25/10/2011 - 8.11
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0455

Aangenomen teksten
PDF 184kWORD 91k
Dinsdag 25 oktober 2011 - Straatsburg
Bevordering van de mobiliteit van werknemers
P7_TA(2011)0455A7-0258/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2011 over bevordering van de mobiliteit van werknemers in de Europese Unie (2010/2273(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikelen 21, 45 en 47 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikelen 15, 21, 29, 34 en 45 van het Handvest van de grondrechten,

–  gezien artikel 151 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap(1),

–  gezien Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn(2),

–  gezien de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

–  gezien Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(3),

–  gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(4) en gezien het verslag over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG (COM(2008)0840) en de resoluties van de Raad van november 2007 en april 2009 betreffende Richtlijn 2004/38/EG,

–  gezien het follow-updocument van de Commissie betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (COM(2009)0313),

–  gezien het ontwerp van het tussentijdse verslag over het vergelijkend onderzoek inzake de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, dat op verzoek van de Commissie juridische zaken is uitgevoerd door de Actie Service Europese staatsburgers (ECAS),

–  gezien de mededeling van de Commissie over een betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/38/EG, en gezien haar voornemen om vereenvoudigde richtsnoeren voor EU-burgers te publiceren waarbij optimaal van internet gebruik wordt gemaakt,

–  gezien Richtlijn 2005/36/EG van 7 september 2005 van het Europees Parlement en de Raad over de erkenning van beroepskwalificaties(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 december 2007 getiteld „Mobiliteit, een instrument voor meer en betere banen: het Europees actieplan voor arbeidsmobiliteit (2007-2010)” (COM(2007)0773),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 november 2008 over het effect van het vrije verkeer van werknemers in de context van de uitbreiding van de EU (COM(2008)0765),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 getiteld „Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen; anticipatie op en onderlinge afstemming van de arbeidsmarkt en -vaardigheidsbehoeften” (COM(2008)0868),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 juli 2010 getiteld „Het vrije verkeer van werknemers opnieuw garanderen: rechten en belangrijkste ontwikkelingen” (COM(2010)0373),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 april 2011 getiteld „Akte voor de interne markt: Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen – ”Samen werk maken van een nieuwe groei'' (COM(2011)0206), waarin de mobiliteit van werknemers is opgenomen als een van de twaalf essentiële instrumenten,

–  gezien de Europa 2020-strategie en in het bijzonder de kerninitiatieven „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen” en „Jongeren in beweging”,

–  gezien de conclusies van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 27 november 2008 over „Misbruik en oneigenlijk gebruik van het recht van vrij verkeer van personen”,

–  gezien de conclusies van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken van 9 maart 2009 over „De beroeps- en geografische mobiliteit van de beroepsbevolking en het vrije verkeer van werknemers in de Europese Unie”,

–  gezien zijn resolutie van 2 april 2009 over de problemen en perspectieven van het Europees burgerschap(6),

–  gezien zijn resolutie van 18 december 2008 over het Europees actieplan voor milieu en gezondheid (2007-2010)(7),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld „De resterende obstakels voor de mobiliteit op de interne arbeidsmarkt in kaart gebracht”(8),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0258/2011),

A.  overwegende dat het recht om in een andere lidstaat te wonen en te werken een van de fundamentele vrijheden van de Unie en een elementair onderdeel van het burgerschap van de Unie is – ongeacht de etnische afkomst – en wordt erkend door de Verdragen, maar dat de statistieken laten zien dat nog te weinig personen hun voordeel doen met dit recht, ondanks de specifieke initiatieven die zijn genomen om de mobiliteit van werknemers te bevorderen;

B.  overwegende dat de mobiliteit van werknemers moet worden aangemoedigd in de hele Europese Unie wanneer er nood is aan arbeidskrachten;

C.  overwegende dat werknemers uit de EU te kampen kunnen hebben met moeilijkheden en uitdagingen wanneer ze werk zoeken in een andere lidstaat;

D.  overwegende dat het recht om in een ander land van de Unie te wonen en te werken een van de fundamentele vrijheden van de Unie en een elementair onderdeel van het burgerschap van de Unie is en wordt erkend door de Verdragen, maar dat de statistieken laten zien dat nog te weinig personen hun voordeel doen met dit recht, ondanks de specifieke initiatieven die zijn genomen om de mobiliteit van werknemers te bevorderen;

E.  overwegende dat het huidige mobiliteitspercentage onder werknemers niet toereikend is om de efficiëntie van de arbeidsmarkten in de Europese Unie te verbeteren; overwegende dat slechts 2,3% van de EU-burgers in een andere lidstaat woont dan in het land van hun nationaliteit, maar dat 17% overweegt om in de toekomst gebruik te maken van het vrije verkeer en 48% overweegt om bij ontslag een baan in een ander land of een andere regio te zoeken;

F.  overwegende dat het vrije verkeer van werknemers een positief sociaaleconomisch voorbeeld voor zowel de EU als de lidstaten is, aangezien het een mijlpaal vormt voor de Europese integratie, de economische ontwikkeling, de sociale cohesie, de individuele doorgroeimogelijkheden op professioneel niveau, de strijd tegen vooroordelen, racisme en vreemdelingenhaat, en dat het een tegenwicht kan vormen voor de negatieve effecten van de economische crisis, waardoor de EU beter bestand is tegen de uitdagingen van de wereldwijde veranderingen door alle belanghebbenden op besluitvormingsniveau hierbij te betrekken en door tegelijkertijd de dialoog met de maatschappelijke organisaties aan te gaan;

G.  overwegende dat het bevorderen van de mobiliteit van werknemers een positieve bijdrage levert aan het verwezenlijken van de werkgelegenheidsdoelstellingen zoals geformuleerd in de Europa 2020-strategie; nodigt de Commissie uit om de arbeidsmobiliteit te integreren in de kerninitiatieven en roept de lidstaten op de arbeidsmobiliteit en geografische mobiliteitsdimensie in aanmerking te nemen bij het ontwikkelen van hun nationale strategieën en hervormingsprogramma's;

H.  overwegende dat de onvoldoende flexibele arbeidswetgeving de mobiliteit van werknemers in Europa afremt;

I.  overwegende dat volgens de mededeling van de Commissie van 18 november 2008 mobiele werknemers van de landen die in 2004 en 2007 tot de EU zijn toegetreden een positief effect hebben gehad op de economieën van de lidstaten die deze mobiele werknemers hebben opgenomen;

J.  overwegende dat de recente ontwikkeling van onze maatschappijen, met name als gevolg van industriële veranderingen, globalisering, andere arbeidspatronen, demografische veranderingen en nieuwe vervoersmiddelen, een grotere mate van mobiliteit van werknemers vergt;

K.  overwegende dat er geen negatieve effecten zijn gemeld in de lidstaten die de overgangsmaatregelen met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers uit de lidstaten die in 2004 en 2007 tot de EU zijn toegetreden niet hebben toegepast, maar dat een aantal lidstaten heeft besloten in hun arbeidsmarkten beperkingen te blijven toepassen ten aanzien van onderdanen van Roemenië en Bulgarije;

L.  overwegende dat er ondanks allerlei rechtshandelingen en programma's van de EU ter bevordering van het vrije verkeer van werknemers belemmeringen voor de volledige tenuitvoerlegging van deze fundamentele vrijheid bestaan (bijvoorbeeld sociale, taalkundige, culturele, wettelijke en administratieve belemmeringen, pover terugkeerbeleid dat niet tegemoetkomt aan de behoeften van migrerende werknemers, gebrek aan erkenning van ervaringen met mobiliteit, problemen met het vinden van werk door echtgenoten en partners, en trage erkenning van diploma's en beroepskwalificaties);

M.  overwegende dat de beroepsmatige en geografische mobiliteit in tijden van crisis een bijdrage kan leveren aan het terugdringen van de werkloosheid door een betere afstemming van de vraag naar en het aanbod van arbeid, waardoor het creëren van arbeidsmogelijkheden wordt gestimuleerd, aan het aanpassen van de economie, de samenleving en de demografie aan structurele veranderingen en aan het bevorderen van de economische groei en het concurrentievermogen van de EU; is van mening dat de huidige procedures voor de erkenning van beroepskwalificaties in deze context een grote belemmering vormen voor de mobiliteit van werknemers in de Europese Unie;

N.  overwegende dat deze belemmeringen en beperkingen inbreuk maken op een grondrecht van werknemers, het herstel van de EU-economieën bemoeilijken en contraproductieve effecten kunnen hebben, zoals meer illegaal werk, een uitbreiding van de zwarte economie en uitbuiting van werknemers;

O.  overwegende dat discriminatie op grond van seksuele gerichtheid krachtens artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verboden is;

P.  overwegende dat de huidige economische crisis de mobiliteit negatief heeft beïnvloed en tijdelijke werknemers en deeltijdwerkers, en dan vooral vrouwen, het hardst heeft getroffen;

Q.  overwegende dat bij de mobiliteit van werknemers binnen de EU grote verschillen tussen mannen en vrouwen te zien zijn (mannen geven veel vaker dan vrouwen aan te verhuizen vanwege een nieuwe baan of een overplaatsing, namelijk 44% tegenover 27%(9)); overwegende dat het fenomeen mobiliteit beter in kaart moet worden gebracht aan de hand van aparte gegeven voor mannen en vrouwen;

1.  wijst erop dat in het verslag van de Commissie COM(2008)0840 melding wordt gemaakt van aanhoudende inbreuken door de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG, die betrekking heeft op de uitoefening van het recht van vrij verkeer van werknemers, en dat deze situatie aanleiding heeft gegeven tot talrijke individuele klachten, verzoekschriften en meer dan veertig parlementaire vragen, als gevolg waarvan de Commissie vijf inbreukprocedures heeft ingeleid wegens onjuiste toepassing van de richtlijn;

2.  verwelkomt mededeling COM(2010)0373 van de Commissie, waarin de huidige stand van zaken met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers wordt beschreven en toegelicht, maar betreurt het ontbreken van concrete maatregelen of aanbevelingen om mobiliteitsproblemen op te lossen;

3.  is verheugd over initiatieven van de Commissie als „WO.M.EN” (mechanisme ter vergroting van de mobiliteit van vrouwen) en verzoekt haar de reikwijdte van de projecten ter bevordering van de arbeidsmobiliteit van vrouwen te vergroten en te verbeteren;

4.  verzoekt de Commissie de arbeidsmobiliteit verder te bevorderen door een alomvattende, multidisciplinaire mobiliteitsstrategie voor de lange termijn te presenteren die erop gericht is alle bestaande wettelijke, administratieve en praktische belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers weg te nemen; verzoekt om een consistent, efficiënt en transparant beleid dat zich concentreert op de eisen van de arbeidsmarkt en economische trends;

5.  roept de Commissie op steun te geven aan de mobiliteit van het arbeidspotentieel via de uitwerking en bevordering van strategieën voor eenvoudigere voorlichting en informatie over de rechten van mobiele werknemers en over de voordelen van mobiliteit voor de algemene ontwikkeling en de economie van zowel de EU als de lidstaten; de sensibilisering van werknemers, gezinsleden en belanghebbenden ten aanzien van de rechten op vrij verkeer en de daarmee verband houdende kansen en instrumenten is een cruciale factor in de effectieve toepassing van de EU-wetgeving;

6.  is van mening dat mobiliteit enkel op een effectieve manier kan worden bevorderd door middel van wezenlijke verbeteringen op het vlak van de solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid van de lidstaten en door de totstandbrenging van een duidelijk wetgevingskader voor legale migratie;

7.  verzoekt de lidstaten belemmeringen voor de mobiliteit van werknemers weg te nemen door personen (van wie de meerderheid vrouwen) die hun wederhelft of partner naar een andere lidstaat volgen, passende diensten aan te bieden, zoals cursussen om hun integratie in de nieuwe sociale en culturele omgeving te vergemakkelijken, bijvoorbeeld taalcursussen en beroepsgerichte cursussen;

8.  merkt echter op dat het vrijwillige karakter van mobiliteit in stand moet worden gehouden; benadrukt dat de negatieve bijwerkingen van een grotere mobiliteit die tot een „brain drain” en „youth drain” kunnen leiden, evenals de negatieve effecten voor de gezinscohesie en voor kinderen indien een of beide ouders in het buitenland werken, op EU-niveau beter beperkt dienen te worden;

9.  verzoekt de lidstaten samenwerkingsvormen te ontwikkelen om te voorkomen dat gezinnen, en met name kinderen, de vreselijke gevolgen ondervinden van het feit dat zij gescheiden zijn van hun ouders die ver weg wonen;

Administratieve vereenvoudiging en wettelijke aspecten

10.  herinnert eraan, gezien de bepalingen van de Verdragen en de bestaande wetgeving, dat de lidstaten een verantwoordelijkheid hebben om de administratieve procedures met betrekking tot de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers te vereenvoudigen met het oog op een optimale tenuitvoerlegging van dit recht en om ongerechtvaardigde, onnodige en omslachtige administratieve procedures die de toepassing van dit recht beperken, te voorkomen;

11.  dringt er bij de Commissie op aan de stroomlijning van administratieve praktijken en administratieve samenwerking te bevorderen, teneinde synergieën tussen nationale autoriteiten mogelijk te maken;

12.  moedigt de lidstaten ertoe aan effectievere communicatiekanalen tot stand te brengen tussen mobiele werknemers en de verantwoordelijke overheidsdiensten, opdat werknemers volledige toegang krijgen tot informatie over hun rechten en plichten;

13.  benadrukt dat „rechten van werknemers” beter ten uitvoer kunnen worden gelegd indien en wanneer een migrant uit de EU tewerkgesteld is in een wettelijk bezoldigde bezigheid in de ontvangende lidstaat;

14.  onderstreept dat vrouwen die naar het buitenland gaan om te werken in de verzorging van kinderen of ouderen, zoals babysitters, au pairs, gouvernantes of verpleegsters, vaak in dienst worden genomen door particuliere entiteiten, zoals families of familieleden, waardoor zij zonder arbeidsovereenkomst of illegaal blijken te werken en derhalve geen gebruik kunnen maken van rechten en voordelen uit hoofde van de sociale zekerheid, de gezondheidszorg enz.;

15.  is bezorgd over de slechte omzetting en tenuitvoerlegging van de bestaande richtlijnen betreffende het vrije verkeer van werknemers, met name Richtlijn 2004/38/EG met betrekking tot het recht op inreis en verblijf van familieleden uit derde landen, en over omslachtige administratieve procedures en aanvullende verblijfsdocumenten (werkvergunningen, huisvestingsverklaringen) die niet stroken met Richtlijn 2004/38/EG;

16.  verzoekt de Commissie om de voorrechten die de Verdragen haar toekennen ten volle uit te oefenen door de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG voortdurend en uitgebreid te bewaken en om in dat kader ook, indien nodig, het recht uit te oefenen om inbreukprocedures in te leiden tegen lidstaten die de richtlijn niet naleven;

17.  roept de lidstaten op hun bepalingen te herzien die de overgangsperioden voor de toegang tot hun arbeidsmarkten regelen, die op lange termijn negatieve gevolgen kunnen hebben voor de fundamentele waarden en rechten die zijn verankerd in de EU-verdragen, zoals vrij verkeer, non-discriminatie en solidariteit en gelijke rechten; is bijgevolg verheugd over het recente besluit van enkele lidstaten om hun arbeidsmarkten volledig open te stellen voor sommige van de lidstaten die in 2004 tot de EU zijn toegetreden en betreurt de recente wetgevingsvoorstellen in andere lidstaten die tot doel hebben de rechten van werknemers van lidstaten die in 2004 en 2007 tot de EU zijn toegetreden te ondermijnen; vraagt de Commissie te onderzoeken of dergelijk beleid in strijd is met het EU-recht;

18.  roept de Commissie op tot verbetering van het huidige rechtskader voor de erkenning van beroepskwalificaties zoals neergelegd in Richtlijn 2005/36/EG;

19.  roept de Commissie op Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap(10) te herzien om rekening te houden met de door het Europees Parlement in deze resolutie uiteengezette voorstellen;

20.  roept de Commissie op te waarborgen dat lidstaten de verordening „Brussel I” (Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad) toepassen betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; benadrukt het belang van de verordening „Brussel I” met betrekking tot sancties en boetes voor de uitbuiting van werknemers;

21.  roept de Commissie op te waarborgen dat de lidstaten Richtlijn 2004/38/EG ten uitvoer leggen zonder enige vorm van discriminatie, met inbegrip van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid; herinnert de Commissie aan eerdere oproepen om het vrije verkeer van alle EU-burgers en hun families te waarborgen zonder rekening te houden met seksuele gerichtheid;

Verband met andere EU-beleidsterreinen

22.  merkt op dat het recht van vrij verkeer van werknemers niet los kan worden gezien van andere rechten en basisbeginselen van de EU en dat eerbiediging van het Europese sociale model en de rechten die worden gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, als weerspiegeld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de mogelijkheid biedt om fatsoenlijke banen, adequate arbeidsvoorwaarden waaronder bescherming en veiligheid op de werkplek, socialezekerheidsrechten, gelijke behandeling, het combineren van werk en gezinsleven en de vrijheid om diensten te verlenen te realiseren; benadrukt dat het stemrecht bij lokale, regionale en Europese verkiezingen een essentieel element van deze rechten vormt en roept op tot een betere tenuitvoerlegging hiervan; merkt op dat het stemrecht bij nationale verkiezingen in de lidstaat van oorsprong verloren kan gaan en is van mening dat deze kwestie nader in overweging genomen moet worden;

23.  roept de Commissie op een scorebord te ontwikkelen betreffende de obstakels waarmee werknemers in de Unie worden geconfronteerd indien zij gebruik wensen te maken van hun recht van vrij verkeer, en een overzicht te presenteren van de wijze waarop door de lidstaten op die obstakels wordt gereageerd, teneinde te kunnen beoordelen of die obstakels grondig en effectief worden aangepakt;

24.  roept de Commissie op een uitgebreide evaluatie uit te voeren van de huidige economische situatie in de lidstaten met betrekking tot de arbeidsmarkten; roept de lidstaten op een betere integratie van het migratiebeleid tot stand te brengen met betrekking tot de arbeidsaspecten, teneinde het tekort aan arbeidskrachten aan te pakken en de binnenlandse productie te stimuleren;

25.  feliciteert de Commissie met de geslaagde koppeling tussen de mobiliteit van werknemers en de Europa 2020-strategie en stelt zich op het standpunt dat dit van cruciaal belang is om de welvaart binnen de EU een grote impuls te geven door op een solide en duurzame basis meer werkgelegenheid te creëren;

26.  benadrukt dat het belangrijk is dat de gelijke behandeling van werknemers, gecombineerd met de adequate bescherming van arbeidsrechten, plaatsvindt overeenkomstig de geldende regels die opgenomen zijn in de nationale regelgeving en collectieve overeenkomsten in de desbetreffende lidstaat; is ervan overtuigd dat het beginsel „gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats” in combinatie met gendergelijkheid overal in de EU geldig moet zijn om loondumping en sociale dumping te voorkomen; benadrukt dat rechten uitsluitend aan iedereen ten goede kunnen komen als zij adequaat ten uitvoer gelegd en gehandhaafd worden; verzoekt in dit verband de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat het vrije verkeer nooit wordt gebruikt met het oog op ongelijke behandeling, loondumping en sociale dumping;

27.  is van mening dat de verschillen tussen de wetgeving van de EU en die van de lidstaten beter moeten worden gecoördineerd, teneinde obstakels voor de tenuitvoerlegging en het gebruik van het recht van vrij verkeer van werknemers weg te nemen;

28.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, met inachtneming van de subsidiariteit, een correcte tenuitvoerlegging te waarborgen van de wetgeving betreffende non-discriminatie, om praktische maatregelen te nemen met het oog op de handhaving van het beginsel van een gelijke behandeling van mobiele werknemers, en om vooroordelen, racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden;

29.  dringt bij de lidstaten en de Commissie aan op de versterking van het EU-beleid ter bestrijding van directe en indirecte discriminatie, de uitbuiting van migrerende werknemers afkomstig uit de EU binnen de Europese Unie en het misbruik van hun rechten als gevolg van hun ontoereikende kennis van talen en de wetten die van toepassing zijn op hun tewerkstelling in de ontvangende lidstaat;

30.  moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat de markttoezichtautoriteiten zich meer richten op de rechten van mobiele werknemers, in het bijzonder door ze beter voor te lichten en te informeren op het gebied van arbeidsrecht;

31.  is van mening dat wijzigingen in de wetgeving van lidstaten op het terrein van de sociale zekerheid, het zorgstelsel en de belastingen vooraf getoetst moeten worden op de effecten voor het vrije verkeer van werknemers; roept derhalve op te komen met een verplichting tot een grenseffectentoets die gedetailleerd inzicht geeft in de belemmeringen voor het vrij verkeer;

32.  wijst erop dat de toegenomen grensoverschrijdende mobiliteit ook een actieve betrokkenheid van de sociale partners noodzakelijk maakt, teneinde de betrokken werknemers, met name de werknemers die tijdelijk in het buitenland werken, van adequate en effectieve informatie, steun en bescherming te voorzien met betrekking tot hun sociale en arbeidsrechten;

33.  is van mening dat met het oog op de efficiënte tenuitvoerlegging van al het beleid ten behoeve van het vrije verkeer van werknemers de te nemen maatregelen moeten worden gecoördineerd, vooral op het gebied van de voltooiing van de interne markt, de coördinatie van socialezekerheidsstelsels, aanvullende pensioenrechten, bescherming van werknemers, grensoverschrijdende medische hulp, onderwijs en beroepsopleiding, belastingen (zoals maatregelen om dubbele belasting te voorkomen) en bestrijding van discriminatie;

34.  benadrukt dat arbeidsbeperkingen een obstakel vormen voor de werking van de interne markt en dat de economische crisis aantoont dat het nodig is te zorgen voor de bevordering van vrije arbeidsmobiliteit;

35.  wijst er nogmaals op dat, teneinde inconsistenties binnen de interne markt van de EU te vermijden, de lidstaten met het oog op tewerkstelling voorrang moeten geven aan EU-burgers en voorrang kunnen geven aan onderdanen van derde landen die naar hooggekwalificeerde banen solliciteren, zoals uiteengezet in Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan(11); onderstreept dat het belangrijk is aanvragen voor een blauwe kaart van de EU te weigeren voor sectoren van de arbeidsmarkt met een beperkte toegang voor werknemers uit andere lidstaten in het kader van overgangsregelingen;

36.  roept op tot meer coördinatie tussen de Europese en de nationale instellingen om burgers beter te informeren en te ondersteunen en om toezicht te houden op de wijze waarop het recht van vrij verkeer van werknemers in de praktijk wordt omgezet en door individuen wordt gebruikt om de tenuitvoerlegging van de arbeidsmobiliteit te versnellen;

37.  huldigt de opvatting dat adequate socialebeschermingsstelsels de geografische en beroepsmobiliteit van werknemers in hoge mate vergemakkelijken en dat de sociale integratie van mobiele werknemers en de sociale re-integratie van teruggekeerde werknemers in het beleid inzake arbeidsmobiliteit moeten worden geïntegreerd; benadrukt dat voor dit doel de erkenning van reeds verworven rechten en een grotere mate van begrip voor de diversiteit van de systemen in de afzonderlijke lidstaten essentieel zijn en ondersteund moeten worden;

38.  roept de lidstaten op om het probleem van de schijnzelfstandigheid onder mobiele werknemers aan te pakken; benadrukt dat het noodzakelijk is dergelijke werknemers toegang te geven tot de relevante rechten en bescherming;

39.  roept de Commissie en de lidstaten op om haat tegen werknemers uit de hele EU te bestrijden door de middelen en informatie voor integratie ter beschikking te stellen en wederzijds begrip, culturele diversiteit en respect in de lidstaten te bevorderen waar mobiele werknemers uit de EU te gast zijn;

40.  benadrukt dat een efficiënte tenuitvoerlegging van het vrije verkeer van werknemers vraagt om gecoördineerde maatregelen door de Europese en nationale autoriteiten die erop gericht zijn administratieve procedures gemakkelijker en eenvoudiger te maken voor kwesties die indirect verband houden met dit recht, zoals de overdracht van voertuigregistraties en de garantie dat medische dossiers toegankelijk zijn, het beschikbaar stellen van een uitgebreide databank met het competentieniveau van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, het vermijden van dubbele belasting, duidelijke regels voor de vergoeding van medische kosten enz.;

41.  is van mening dat de overdraagbaarheid van socialezekerheidsrechten fundamenteel is om ervoor te kunnen zorgen dat migrerende werknemers hun verworven rechten kunnen doen gelden;

42.  is van mening dat kleine en middelgrote ondernemingen de motor van het economisch herstel kunnen zijn, omdat zij de grootste bron van nieuwe banen zijn; herhaalt daarom dat de EU zich moet inzetten voor de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen (bijvoorbeeld via de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit) en deze moet ondersteunen, met name door middel van een actief arbeidsbeleid en beroepsonderwijs- en beroepsopleidingsprogramma's;

43.  verzoekt grensregio's overeenkomsten in overweging te nemen ter bevordering van de grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit, teneinde wederzijdse voordelen te creëren voor deze regio's;

Maatregelen om het vrije verkeer te bevorderen

44.  roept de lidstaten ertoe op de bestaande overgangsbelemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers uit de lidstaten die in 2007 tot de EU zijn toegetreden weg te nemen; meent dat deze belemmeringen met twee maten meten, contraproductief en discriminatoir zijn jegens Europese burgers, en roept op om de begunstigingsclausule voor de hele Unie te doen gelden;

45.  is van mening dat de mobiliteit van de arbeidskrachten binnen de Europese Unie van essentieel belang is voor het economisch herstel en de verwezenlijking van de doelstellingen in het kader van de Europa 2020-strategie; dringt er bijgevolg bij de lidstaten die nog steeds arbeidsmarktbeperkingen toepassen met betrekking tot Roemeense en Bulgaarse onderdanen op aan om deze beperkingen tegen eind 2011 te verwijderen, in overeenstemming met de termijn die is vastgelegd in het toetredingsverdrag;

46.  vraagt nauwere en meer efficiënte samenwerking tussen de bevoegde nationale autoriteiten bij het controleren of arbeidsovereenkomsten in overeenstemming zijn met de nationale en de EU-regelgeving; wijst erop dat wederzijdse bijstand en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten gewaarborgd moeten zijn ingeval van overtredingen; vraagt de Commissie toezicht te houden op dit proces;

47.  roept overheidsinstanties en alle belanghebbenden op alles in het werk te stellen om de bewustwording onder werknemers te vergroten van hun rechten en van de verschillende instrumenten (arbeidsrecht, collectieve overeenkomsten, gedragscodes en socialezekerheidsbepalingen) die op hun arbeidsverhouding, arbeidsvoorwaarden en leefomstandigheden van toepassing zijn;

48.  betreurt de daling van het aantal arbeidsinspecties in de EU; benadrukt dat efficiënte controles een essentieel element zijn om een gelijke behandeling en gelijke spelregels te waarborgen; roept de lidstaten op om het aantal arbeidsinspecties te vergroten en de inspecteurs van voldoende middelen te voorzien; roept de Commissie op om de samenwerking en coördinatie tussen arbeidsinspecties te verbeteren;

49.  is van mening dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de kinderen van mobiele werknemers uit de EU niet te kampen hebben met moeilijkheden met betrekking tot hun nationaliteit of burgerschap door de arbeidskeuzes van hun ouders, en dat de bijzondere behoeften van kinderen van mobiele werknemers op een adequate manier moeten worden onderzocht om te zorgen voor effectieve beleidsmaatregelen;

50.  onderstreept dat de lidstaten verbetering moeten brengen in de situatie van kinderen die door hun ouders worden achtergelaten, zodat zij zich normaal kunnen ontwikkelen, onderwijs krijgen en een behoorlijk sociaal leven hebben;

51.  uit zijn bezorgdheid over de toename van gedwongen arbeid in de EU die op sommige gebieden nauw verband houdt met de georganiseerde criminaliteit; benadrukt de noodzaak om aan gedwongen arbeid een hoge prioriteit te geven bij de activiteiten van Europol en Eurojust; dringt er bij lidstaten op aan hun gezamenlijke inspanningen te vergroten om gedwongen arbeid te controleren, te vervolgen en te bestraffen en te waarborgen dat dergelijke praktijken strafrechtelijk vervolgd kunnen worden; benadrukt dat het noodzakelijk is maatregelen te nemen ter waarborging van de bescherming van de slachtoffers van gedwongen arbeid;

52.  verzoekt de Commissie zowel de positieve als de negatieve effecten van arbeidsmobiliteit voor zowel de gast- en thuislanden als de EU vanuit een sociaaleconomisch perspectief en met het oog op geografische cohesie te onderzoeken en bekend te maken, waarbij de nadruk moet worden gelegd op gevolgen als: economische verliezen, meer zwartwerk en uitbuiting op de werkplek vanwege een onduidelijk rechtskader als gevolg van overgangsmaatregelen, een gebrekkig bewustzijn onder EU-burgers van hun rechten en de gevolgen van de vertragingen bij het doorvoeren van maatregelen door de lidstaten met het oog op de integratie van werknemers uit lidstaten die in 2004 en 2007 zijn toegetreden tot de EU; verzoekt zowel de Commissie als de lidstaten te vermijden overgangsmaatregelen te implementeren die het vrije verkeer van werknemers belemmeren en een negatieve invloed hebben op het concurrentievermogen van de arbeidsmarkten van de EU, en dit voor alle huidige lidstaten of toekomstige kandidaat-lidstaten;

53.  spoort de Commissie aan om haar initiatieven uit te voeren die gericht zijn op de bevordering van de geografische mobiliteit van jonge mensen op basis van de beschikbare regelingen voor de leermobiliteit, waarbij gebruik moet worden gemaakt van alle specifieke programma's die hieraan gerelateerd zijn;

54.  verwelkomt het plan van de Commissie om de langetermijnvraag en het langetermijnaanbod in de arbeidsmarkten van de EU, opgesplitst in sectoren, beroepen, kwalificatieniveaus en landen, tot 2020 regelmatig en systematisch te beoordelen, en adviseert met klem het arbeids- en onderwijsbeleid van de lidstaten te coördineren met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie betreffende het scheppen van banen en het in de toekomst voorkomen van indirecte belemmeringen, zoals het niet erkennen van diploma's uit andere EU-landen, voor de uitoefening van het recht van vrij verkeer; in het plan dient het tekort aan arbeidskrachten in de EU op de korte, middellange en lange termijn duidelijk in kaart te worden gebracht;

55.  verzoekt om de uitwerking en uitvoering van passende maatregelen om een einde te maken aan nog steeds bestaande gevallen van discriminatie en negatieve stereotypen, waarmee in het bijzonder werknemers uit Oost- en Zuid-Europa geconfronteerd worden, en om de integratie van werknemers die van hun recht op vrij verkeer gebruik maken in de samenleving van het gastland te bevorderen;

56.  verzoekt de autoriteiten op alle niveaus maatregelen te nemen om de arbeidsmobiliteit te stimuleren en het bewustzijn van de mogelijkheden en voordelen van mobiliteit te vergroten, met name onder nieuwkomers op de arbeidsmarkt, en benadrukt daarbij de coördinerende rol van de Commissie;

57.  is van oordeel dat de lidstaten de algemene criteria voor de erkenning van diploma's en kwalificaties dienen te vereenvoudigen en vast te stellen, aangezien mensen die werk zoeken in een andere lidstaat dan die waaruit zij afkomstig zijn, juist om deze reden moeilijkheden ondervinden;

58.  betreurt de beleidsmaatregelen van lidstaten die andere EU-burgers op actieve wijze stimuleren om de betreffende lidstaat te verlaten; vraagt de Commissie te verifiëren of dergelijke beleidsmaatregelen een inbreuk vormen op het recht van vrij verkeer;

Werkgelegenheidsdiensten en voorlichting aan werknemers

59.  erkent en benadrukt het belang van openbare werkgelegenheidsdiensten, met name van het Eures-systeem en -netwerk, voor de bevordering van de arbeidsmobiliteit in de EU, en met name in grensoverschrijdende regio's, door het verstrekken van informatie over vacatures, rechten en plichten bij (im)migratie en grensarbeid, mogelijkheden om onderwijs en beroepsopleidingen te volgen en arbeids- en leefomstandigheden; benadrukt de bijzondere rol van de sociale partners bij de advisering van werknemers binnen grensoverschrijdende partnerschappen; benadrukt dat Eures een middel moet blijven voor de bevordering van eerlijke mobiliteit en verzoekt de Commissie om de financiële middelen beschikbaar te blijven stellen ter ondersteuning van het werk van de sociale partners in grensregio's;

60.  roept op om de institutionele capaciteiten van Eures te ontwikkelen en de functie van Eures te versterken als „one-stopinstrument” ter bevordering van de mobiliteit van werknemers en hun familieleden;

61.  is bezorgd over de verlaging van de beschikbare begrotingsmiddelen voor Eures-adviseurs; vraagt om een langetermijnstrategie die ervoor zorgt dat Eures en het personeel van Eures hun taken efficiënt kunnen vervullen en merkt op dat dit alleen mogelijk is door een verhoging van de beschikbare begrotingsmiddelen;

62.  verzoek de Commissie en de lidstaten de vereiste maatregelen te nemen voor een productievere en efficiëntere samenwerking tussen Eures en de verantwoordelijke nationale autoriteiten;

63.  moedigt de lidstaten ertoe aan om in samenwerking met de Commissie Eures onder de burgers te promoten en daarbij via de openbare arbeidsbureaus gedrukt materiaal en advies te verstrekken over het gebruik ervan, evenals over de organisatie van seminars ter bevordering van mobiliteit in het kader van het tertiair onderwijs;

64.  is van mening dat voorlichting van werknemers in de EU over de voordelen van arbeidsmobiliteit en de rechten en verplichtingen die daaruit voortvloeien verder moet worden verbeterd; verzoekt de Commissie haar maatregelen en die van de nationale autoriteiten te coördineren en koppelingen te ontwikkelen tussen Eures en Solvit, het onlinenetwerk voor het oplossen van problemen, teneinde de kwaliteit van de diensten te verbeteren voor burgers die hun recht op mobiliteit uitoefenen; verzoekt de Commissie en de lidstaten meertalige adviesinstanties voor migrerende werknemers uit de EU op te richten, in het bijzonder daar waar deze werknemers in groten getale werkzaam zijn;

65.  benadrukt dat er bij het bevorderen van een actief werkgelegenheidsbeleid een hoge prioriteit gegeven moet worden aan informatie over de beschikbare onderwijs- en opleidingsprogramma's in de EU;

66.  dringt erop aan meer nadruk te leggen op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn (de zogeheten „Informatierichtlijn”)(12); deze richtlijn heeft betrekking op de minimuminformatie die werknemers van hun werkgever moeten ontvangen over hun arbeidsverhouding, met inbegrip van alle relevante bepalingen die van toepassing zijn op de werkgelegenheidssituatie in het gastland;

67.  roept de Commissie op om in samenwerking met de lidstaten te streven naar actieve betrokkenheid van de sociale partners bij de praktische toepassing en de versterking van de rechten van mobiele werknemers;

68.  benadrukt de noodzaak van de samenwerking tussen werknemers en werkgevers binnen het Eures-netwerk;

69.  roept op tot een intensievere dialoog en meer coördinatie tussen nationale en regionale autoriteiten, aangezien zij doorgaans voor veel burgers de eerste bron van informatie zijn vanwege hun nabijheid en kennis van de behoeften van burgers, en roept daarnaast op tot een grotere betrokkenheid van de sociale partners;

70.  roept de lidstaten op om het werk van uitzendbureaus zo streng mogelijk te controleren om te garanderen dat niet wordt voorbijgegaan aan de rechten en verwachtingen van de mobiele werknemers en dat het vrij verkeer en de sociale zekerheid van de werknemers niet in het geding kan komen;

71.  verzoekt de Commissie en de lidstaten toezicht uit te oefenen op de situatie van bureaus en organisaties die werk aanbieden aan werknemers uit andere lidstaten, en potentieel illegaal of zwartwerk op te sporen, alsmede bureaus en organisaties die fictieve banen aanbieden;

72.  benadrukt dat, in verband met de invoering van het vrije verkeer, er voor werkgevers de plicht zou moeten bestaan om buitenlandse werknemers over de rechten van werknemers in het desbetreffende arbeidsland te informeren; daarnaast moeten meertalige adviesinstanties voor arbeidsmigranten in de lidstaten opgericht worden;

73.  roept de Commissie op een mededeling op te stellen over de fiscale gevolgen voor werknemers die onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen met het oog op een beter inzicht in en mogelijke oplossingen voor essentiële kwesties die de mobiliteit van werknemers kunnen belemmeren of voorkomen;

Vergaren van vaardigheden en kennis om het concurrentievermogen te vergroten

74.  om het concurrentievermogen van Europa zeker te stellen en te vergroten, moeten de investeringen in formeel en informeel onderwijs, beroepsopleiding, uitwisseling van werkervaring en gecoördineerde maatregelen om de vergroting van de arbeidsmobiliteit te versnellen de hoogste prioriteit krijgen;

75.  is van mening dat er een actiever arbeidsmarktbeleid gevoerd moet worden, met speciale aandacht voor beroepsopleidingen en een leven lang leren, omdat hierdoor een bijdrage geleverd kan worden aan het vergroten van de arbeidsmobiliteit, het overgangsproces in perioden met een structurele werkloosheid wordt bevorderd en werknemers over meer mogelijkheden beschikken om zich aan te passen aan veranderingen op de arbeidsmarkt;

76.  feliciteert de Commissie met haar kerninitiatief „Jongeren in beweging” en met de „Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen” en verwelkomt met name het proefproject „Je eerste Eures-baan” en de voorgestelde maatregelen voor de ontwikkeling van een Europees vaardighedenpaspoort;

77.  verwelkomt het feit dat jongeren de noodzakelijke vaardigheden worden bijgebracht om in andere landen te kunnen werken en leven; stelt zich op het standpunt dat mensen het recht hebben om in het land van hun keuze te wonen en te werken;

78.  is van mening dat vaardigheden en kennis die in lijn zijn met de specifieke nationale, regionale en lokale marktomstandigheden de mobiliteit van werknemers bevorderen en verzoekt de Commissie een routekaart met betrekking tot de vraag naar vaardigheden te ontwikkelen en een middellange- en langetermijnbeoordeling te maken van de in de toekomst beschikbare banen, met de mogelijkheid om de vraag naar en het aanbod van vaardigheden op elkaar af te stemmen, alsook om de balans op te maken van de als gevolg van demografische veranderingen en de vergrijzing te verwachten personeelstekorten in bepaalde beroepsgroepen op de middellange en lange termijn;

79.  is van mening dat arbeidsmobiliteit een tweerichtingsproces is: enerzijds leidt het tot het verwerven van vaardigheden en kennis via uiteenlopende soorten onderwijs om de actieve beroepsbevolking adequaat voor te bereiden op de concurrentie waarmee zij geconfronteerd wordt bij het zoeken naar een baan, en anderzijds kunnen mobiele werknemers door die arbeidsmobiliteit hun vaardigheden en kennis verder ontwikkelen, aangezien zij meer praktische ervaring en kennis vergaren op hun nieuwe werkplek;

80.  is van mening dat de mobiliteit binnen het beroepsonderwijs in het bijzonder bevorderd moet worden, aangezien er op dit gebied nog steeds grote lacunes bestaan; benadrukt het belang van programma's zoals het „Leonardo da Vinci”-programma en verzoekt de lidstaten en bij het beroepsonderwijs betrokken ondernemingen om deze programma's intensiever te gebruiken of het gebruik ervan te vergemakkelijken;

81.  wenst eveneens dat de door mobiele werknemers tijdens hun mobiele bestaan opgedane nieuwe competenties officieel worden bekrachtigd om op die manier het verhoogd persoonlijk potentieel van deze werknemers officieel te erkennen en er aldus mede voor te zorgen dat zij duurzaam aansluiting hebben op de arbeidsmarkt;

82.  huldigt de opvatting dat de aandacht niet alleen moet uitgaan naar jonge werknemers en dat gerichte strategieën gewenst zijn om het vrije verkeer van verschillende categorieën werknemers te bevorderen en te vergemakkelijken op basis van hun specifieke kenmerken (leeftijd, geslacht, vaardigheden, tot kwetsbare of minderheidsgroepen behorend) en behoeften, zodat mobiliteit voor alle categorieën werknemers een optie kan worden;

83.  roept de lidstaten ertoe op hun strategieën voor een leven lang leren en beroepsopleiding af te stemmen op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkten en overdraagbare vaardigheden te ontwikkelen die geografisch en wat betreft kennis een breder gebied bestrijken, teneinde deze beter te laten aansluiten bij het aanbod van banen;

84.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op gezamenlijk toe te werken naar een situatie waarin onderwijsprogramma's van scholen en universiteiten en onderwijsstelsels in de EU beter met elkaar te vergelijken zijn, door middel van de wederzijdse erkenning van diploma's, mede met als doel de noodzakelijke wederzijdse erkenning van scholing te bevorderen; wijst op de verschillen die alsnog bestaan tussen de erkenning van diploma's en van kwalificaties voor gereglementeerde beroepen, in de hoop dat de toegang volledig wordt geliberaliseerd; juicht in dit verband toe dat er steeds meer grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden tussen hogescholen en universiteiten zijn en roept de lidstaten op dit te ondersteunen;

85.  moedigt de lidstaten aan om de kleine en middelgrote ondernemingen sterker te betrekken bij levenslang leren door de betrokken werknemers en werkgevers stimulansen te bieden, waarbij bijzondere nadruk dient te worden gelegd op het leren van talen en nieuwe technologieën, overeenkomstig de behoeften van de arbeidsmarkt; daarbij dient te worden overwogen dat het grootste deel van het arbeidspotentieel in Europa in kleine en middelgrote ondernemingen werkt en op deze manier concurrentiekrachtiger kan worden, maar ook dat de mobiliteit daarmee wordt versterkt en een oplossing kan worden gevonden voor het verschijnsel van openstaande vacatures in een aantal lidstaten;

86.  huldigt de opvatting dat een betere synergie moet worden gevonden tussen programma's die zijn bedoeld om het vrije verkeer van studenten, personen die een beroepsopleiding volgen en stagiaires aan te moedigen en programma's die specifiek zijn gericht op bevordering van het vrije verkeer van werknemers;

87.  moedigt de lidstaten ertoe aan om met de hulp van de Commissie en de sociale partners structuren in het leven te roepen die de gezinnen van mobiele werknemers kunnen helpen bij het leren van niet alleen de taal maar ook de culturele tradities van de gastlidstaat, daar juist deze factoren nog steeds hinderpalen zijn in de mobiliteit van de Europese burgers;

88.  huldigt de opvatting dat onvoldoende talenkennis (vooral bij volwassenen) nog steeds een belangrijk obstakel is voor de arbeidsmobiliteit en kan leiden tot meer zwartwerk; verzoekt de lidstaten om het talenonderwijs actief te bevorderen en binnen alle schooltypen uit te breiden en de Commissie om haar inspanningen op dit gebied voort te zetten;

o
o   o

89.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 257 van 19.10.1968, blz. 2.
(2) PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32.
(3) PB L 200 van 7.6.2004, blz. 1.
(4) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(5) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.
(6) PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 14.
(7) PB C 45 E van 23.2.2010, blz. 23.
(8) PB C 228 van 22.9.2009, blz. 14.
(9) Studie van Eurofound: „Mobility in Europe - the way forward”.
(10) PB L 257 van 19.10.1968, blz. 2.
(11) PB L 155 van 18.6.2009, blz. 17.
(12) PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32.

Juridische mededeling - Privacybeleid