Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2309(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0333/2011

Ingediende teksten :

A7-0333/2011

Debatten :

PV 24/10/2011 - 22
CRE 24/10/2011 - 22

Stemmingen :

PV 25/10/2011 - 8.15
CRE 25/10/2011 - 8.15
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0459

Aangenomen teksten
PDF 254kWORD 102k
Dinsdag 25 oktober 2011 - Straatsburg
Georganiseerde criminaliteit in de Europese Unie
P7_TA(2011)0459A7-0333/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2011 over georganiseerde criminaliteit in de Europese Unie (2010/2309(INI))

Het Europees Parlement,

–  gelet op artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 67, hoofdstuk 4 (de artikelen 82-86) en hoofdstuk 5 (de artikelen 87-89) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het programma van Stockholm voor vrijheid, veiligheid en recht(1) , de mededeling van de Commissie „Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa – Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm” (COM(2010)0171) en de mededeling van de Commissie „De EU-interneveiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa” (COM(2010)0673),

–  gezien de conclusies van de Raad justitie en binnenlandse zaken van 8 en 9 november 2010 over de instelling en tenuitvoerlegging van een EU-beleidscyclus ter bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit,

–  gezien Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit(2),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, aangenomen door de Algemene Vergadering op 15 november 2000 (resolutie 55/25) en de betreffende protocollen, in het bijzonder het protocol inzake de preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, het protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, en het protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, onderdelen ervan en munitie,

–  gezien Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken, Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005(3) inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen, en Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie,

–  gezien Besluit 2007/845/JBZ van de Raad van 6 december 2007(4) betreffende de samenwerking tussen de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen op het gebied van de opsporing en de identificatie van opbrengsten van misdrijven of andere vermogensbestanddelen die hun oorsprong vinden in misdrijven, en gezien het verslag van de Commissie op basis van artikel 8 van dat besluit (COM(2011)0176),

–  gezien de conclusies van de Raad (7769/3/10) over confiscatie en ontneming van vermogensbestanddelen,

–  gezien Verdrag nr. 198 van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en terrorismefinanciering,

–  gezien de in opdracht van de Commissie verrichte studie „Het beoordelen van de doeltreffendheid van het optreden van de lidstaten bij het vaststellen, opsporen, bevriezen en confisqueren van crimineel vermogen” (2009),

–  gezien de studie van het Europees Parlement „De rol van de EU in de bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit”(5),

–  gezien de OCTA-verslagen (European Organised Crime Threat Assessment) die elk jaar worden opgesteld door Europol(6), in het bijzonder het verslag over 2011,

–  gezien het rapport van Europol, Eurojust en Frontex over de interne veiligheid in de EU (2010),

–  gezien de jaarverslagen van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving over de stand van de drugsproblematiek in Europa,

–  gezien de jaarverslagen van de Italiaanse nationale maffiabestrijdingsdienst; gezien de rapporten van het Bundeskriminalamt over de aanwezigheid van de „Ndrangheta in Duitsland, in het bijzonder het meest recente rapport: ”Analyse van de activiteiten in Duitsland van de clan uit San Luca„,

–  gezien het in 2008 door Europol opgestelde ROCTA-verslag (Russian Organised Crime Threat Assessment),

–  gezien het algemeen verslag van de activiteiten van Europol (2009),

–  gezien de in opdracht van het Europees Parlement uitgevoerde studie „Optimalisering van de coördinatie tussen Europese instanties die bevoegd zijn op het gebied van politiële en justitiële samenwerking: naar een Europees openbaar ministerie”,

–  gezien Kaderbesluit 2006/960/JBZ van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten,

–  gezien Besluit 2009/426/JBZ van de Raad van 16 december 2008 inzake het versterken van Eurojust en tot wijziging van Besluit 2002/187/JBZ betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken(7),

–  gezien de jaarlijkse activiteitenverslagen van Eurojust (2002-2010)(8),

–  gezien Besluit 2008/976/JBZ van de Raad van 16 december 2008 betreffende het Europees justitieel netwerk(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de rol van Eurojust en van het Europees justitieel netwerk bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en het terrorisme in de Europese Unie (COM(2007)0644),

–  gezien Besluit 2009/371/JBZ van 6 april 2009 van de Raad tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol)(10),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(11),

–  gelet op de overeenkomst van 29 mei 2000 tussen de lidstaten van de Europese Unie betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken(12), het besluit van de Raad van 16 oktober 2001 betreffende het bijbehorende toepassingsprotocol en de overeenkomst van 18 december 1997 inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (Napels II)(13),

–  gezien Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten en de wijzigingsbesluiten daarop(14),

–  gezien de mededelingen van de Commissie op grond van artikel 34 van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (COM(2005)0063 en COM(2006)0008),

–  gezien het verslag over de inwerkingstelling van het Europees aanhoudingsbevel, door de Commissie verspreid op 11 juli 2007 en de informatieve nota van het secretariaat-generaal van de Raad van 11 juni 2008: „Antwoorden op vragen over kwantitatieve informatie inzake de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel – 2007”(15),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad over de evaluatie van het Europees aanhoudingsbevel(16),

–  gezien Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams(17), en het verslag van de Commissie over de juridische omzetting van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams (COM(2004)0858),

–  gezien de studie van het Europees Parlement uit 2009: „Tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel en gemeenschappelijke onderzoeksteams op nationaal en Europees niveau”(18),

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011(19) inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad,

–  gezien de veertig aanbevelingen van de financiële actiegroep (Financial Action Task Force - FATF) ter bestrijding van het witwassen van geld,

–  gezien Richtlijn 2005/60/EG van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme(20),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1889/2005 van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten(21),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1781/2006 van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler(22),

–  gezien Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de private sector(23) en het verslag van de Commissie aan de Raad op grond van artikel 9 van Kaderbesluit 2003/568/JBZ (COM(2007)0328),

–  gelet op het VN-Verdrag tegen corruptie („Verdrag van Merida”),

–  gelet op de verdragen van de Raad van Europa inzake strafrechtelijke en burgerrechtelijke bestrijding van corruptie; gezien het Europees verdrag inzake de strijd tegen corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, en gezien het OESO-verdrag inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties,

–  gezien Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004(24) betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, en de wijzigingen op deze richtlijn,

–  gezien de studie van het Europees Parlement: „Financiële instellingen en het inzetten van de Structuurfondsen in Zuid-Italië” (2009),

–  gezien de EU-drugsstrategie (2005-2012) en het EU-drugsactieplan (2009-2012),

–  gezien het World Drug Report 2010 van het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en criminaliteitbestrijding (UNODC),

–  gezien het jaarverslag 2010 van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving over de stand van de drugsproblematiek in Europa,

–  gezien het onderzoek „Evaluatie van de banden tussen georganiseerde criminaliteit en corruptie” (2010) van het Center for the Study of Democracy in opdracht van de Commissie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer en de aanbeveling van de Commissie van 13 juni 2007(25) betreffende maatregelen tot handhaving van die verordening,

–  gezien de door Transcrime in 2008 uitgevoerde en door de Commissie gefinancierde studie „Afpersing: de noodzaak van een instrument ter bestrijding van georganiseerde criminele activiteiten”,

–  gezien de resolutie van de Raad van 25 september 2008 betreffende een algemeen Europees plan ter bestrijding van namaak en piraterij, en de resolutie van de Raad van 23 oktober 2009 inzake een versterkte strategie voor douanesamenwerking,

–  gezien Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht(26),

–  gezien Schriftelijke verklaring 2/2010 van het Europees Parlement over de inspanningen van de Unie ter bestrijding van corruptie,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2008: „Opbrengsten van georganiseerde criminaliteit: misdaad mag niet lonen” (COM(2008)0766),

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0333/2011),

A.  overwegende dat het een primaire doelstelling van de Europese Unie is om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen in te stellen waar criminaliteit wordt voorkomen en bestreden (artikel 3 VWEU), en om een hoog niveau van veiligheid te waarborgen door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, maatregelen inzake coördinatie en samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten en andere bevoegde autoriteiten, alsmede door middel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken en, zo nodig, door de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen (artikel 67 VWEU);

B.  overwegende dat de georganiseerde criminaliteit aanzienlijke maatschappelijke kosten veroorzaakt, de mensenrechten schendt en democratische beginselen ondermijnt door bijvoorbeeld financiële middelen en arbeidspotentieel te misbruiken en te verspillen, de gemeenschappelijke vrije markt te verstoren, bedrijven en de legale economie aan te tasten, corruptie te bevorderen en het milieu te verontreinigen en schade toe te brengen;

C.  overwegende dat rechtbanken en onderzoeken door politie en journalisten alarmerend bewijs hebben geleverd waaruit blijkt dat de georganiseerde criminaliteit in enkele lidstaten diep is doorgedrongen tot de politiek, de publieke sector en de legale economie; overwegende dat dit fenomeen zich ook in de rest van de Europese Unie kan voltrekken, waarbij de positie van de georganiseerde criminaliteit wordt versterkt;

D.  overwegende dat het doel en uitgangspunt van de georganiseerde criminaliteit economisch gewin is en dat maatregelen ter voorkoming en bestrijding van het probleem alleen dan effectief kunnen zijn wanneer ze zijn gericht op het identificeren, bevriezen, in beslag nemen en confisqueren van de opbrengsten van criminaliteit; overwegende dat het bestaande rechtskader van de EU niet volstaat om krachtig te kunnen optreden en dat een rechtskader vereist is dat bijvoorbeeld ruimere confiscatie en maatregelen gericht tegen vermogen dat op naam van zetbazen staat, mogelijk maakt; overwegende dat het hergebruik van geconfisqueerd vermogen voor maatschappelijke doeleinden bijdraagt aan een positieve houding ten opzichte van strategieën tegen georganiseerde criminaliteit, aangezien confiscatie van vermogen niet langer beschouwd wordt als louter een manier om middelen te onttrekken aan een criminele organisatie, maar in dubbel opzicht constructief is, doordat confiscatie helpt georganiseerde criminaliteit te voorkomen en tevens economische en maatschappelijke ontwikkeling stimuleert;

E.  overwegende dat de criminele organisaties op vele en steeds omvangrijkere gebieden actief zijn, zoals internationale drugshandel, mensenhandel, uitbuiting van mensen, financiële delicten, internationale wapenhandel, namaak, cybercriminaliteit, milieudelicten, de verduistering van overheidsmiddelen, fraude en afpersing, en dat de meeste van deze activiteiten internationaal en pan-Europees van aard zijn; overwegende dat een groot deel van de opbrengsten van deze criminele activiteiten wordt witgewassen;

F.  overwegende dat vrouwen en meisjes die illegaal verblijven in een land, kwetsbaarder zijn voor georganiseerde criminaliteit, zoals prostitutie en vrouwenhandel, dan vrouwen en meisjes die EU-burger zijn;

G.  overwegende dat weliswaar nog geen omvattende studie voorhanden is, maar dat de in Europa actieve maffiaorganisaties enorme omzetten lijken te behalen, en dan met name de Italiaanse maffiaorganisaties, die, zoals uit vele studies (waaronder die van Eurispes) blijkt, en zoals bevestigd wordt door het gezamenlijke rapport van Eurojust, Europol en Frontex uit 2010, volgens een voorzichtige schatting minstens 135 miljard EUR omzetten – een bedrag dat hoger ligt dan het bruto binnenlands product van zes lidstaten bij elkaar, waarbij het geval van de „Ndrangheta, de maffiaorganisatie die het diepst geworteld is in de lidstaten en in de wereld, exemplarisch is, gezien de jaaromzet van minstens 44 miljard EUR;

H.  overwegende dat de dreiging van de georganiseerde misdaad voor de Europese Unie niet bij de EU-grenzen ophoudt en dat bij de bestrijding ervan dan ook rekening moet worden gehouden met de noodzaak van een wereldwijde, internationale aanpak die nauwe samenwerking vereist met derde landen en internationale organen als Interpol en het UNODC;

I.  overwegende dat corruptie het belangrijkste chantage- en beloningsinstrument van de georganiseerde criminaliteit vormt om openbare middelen te kunnen onttrekken en te kunnen infiltreren in de lokale politiek, de regering en de private sector;

J.  overwegende dat het witwassen van geld een van de meest geniepige kanalen is om illegaal verkregen opbrengsten in de legale economische kringloop te brengen, en tevens een belangrijke fase is zonder welke de crimineel verkregen koopkracht zuiver potentieel blijft en alleen benut kan worden binnen het illegale circuit, maar nooit kan uitgroeien tot echte economische macht; overwegende dat internationale samenwerking en medewerking essentieel zijn om het witwassen van geld effectief te kunnen bestrijden;

K.  overwegende dat de internationale drugshandel de voornaamste inkomstenbron is voor de georganiseerde criminaliteit en maffiose organisaties, en hun de basis biedt om een economische en sociale positie te verwerven; overwegende dat de Europese Unie niet alleen een van de belangrijkste afzetmarkten is voor drugs (heroïne, cocaïne, cannabis) maar zelf ook drugs produceert (vooral synthetische drugs); overwegende dat bij drugshandel talrijke, gemakkelijk aanwijsbare, niet-Europese productie- en doorvoerlanden in met name Latijns-Amerika, West-Afrika en Azië betrokken zijn;

L.  overwegende dat afpersing en woeker twee praktijken zijn waarmee de georganiseerde criminaliteit de legale economie infiltreert, elke vorm van vrije markt ernstig verstoort en de rechten van burgers, ondernemers, werknemers en beroepsbeoefenaars beknot; voorts overwegende dat uit de door de Commissie gefinancierde studie van Transcrime uit 2008 getiteld „Afpersing: de noodzaak van een instrument ter bestrijding van de activiteiten van de georganiseerde criminaliteit”, is gebleken dat in ten minste de helft van de EU-lidstaten deze vorm van criminaliteit zorgwekkende proporties heeft aangenomen en in de andere helft op grote schaal voorkomt; overwegende dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verspreiding van afpersing en de mate waarin de georganiseerde criminaliteit controle uitoefent over een gebied en over de economie, de ondernemingen en de politieke activiteiten aldaar; overwegende dat het voor een effectieve bestrijding van afpersing in de eerste plaats noodzakelijk is de slachtoffers aan te moedigen tot het doen van aangifte en erop toe te zien dat officiële instanties actief optreden;

Inleiding

1.  is ingenomen met de initiatieven ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit als voorgesteld in het programma van Stockholm, in het bijbehorende actieplan en in de interneveiligheidsstrategie, en hoopt dat de nieuwe trojka van voorzitters de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit als beleidsprioriteit opneemt en streeft naar tastbare resultaten;

2.  is ervan overtuigd dat de - al dan niet maffiose - georganiseerde criminaliteit een van de belangrijkste bedreigingen vormt voor de interne veiligheid en de vrijheid van de burgers van de EU; is van mening dat er weliswaar een risico bestaat dat criminele organisaties steeds vaker samenwerken met terroristische organisaties, maar dat de georganiseerde criminaliteit en het terrorisme toch afzonderlijk moeten worden aangepakt, en roept op tot een specifieke, horizontale EU-strategie over deze kwestie die wetgevende en operationele maatregelen, de toewijzing van middelen en een strak tijdsschema bevat; steunt de conclusies van de Raad van 8-9 november 2010 over de EU-beleidscyclus ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en verzoekt de Raad het besluit te herzien en ervoor te zorgen dat het Parlement betrokken wordt bij de vaststelling van prioriteiten, de discussie over de strategische doelen en de beoordeling van de resultaten van de beleidscyclus;

3.  steunt de maatregelen van de lidstaten ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en moedigt hen aan de rechterlijke macht en de politie te schragen op basis van beproefde en optimaal gebleken methoden, onder meer door een vergelijking te maken tussen de nationale wetgeving en de middelen ter ondersteuning van hun activiteiten, en hiertoe voldoende personele en financiële middelen uit te trekken; verzoekt de lidstaten te streven naar een proactieve benadering van onderzoek, nationale plannen ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit uit te werken en de activiteiten centraal te coördineren door middel van specifieke en adequate structuren, uitgaande van de in bepaalde lidstaten reeds bestaande beste praktijken; verzoekt COSI een jaarvergadering te organiseren waarbij in elk geval de lidstaten aanwezig zijn, alsook de Commissie, de Raad, het Parlement, Europol en Eurojust, en waar de geboekte resultaten en de plannen voor de toekomstige bestrijding van de georganiseerde criminaliteit op EU- en nationaal niveau kunnen worden gepresenteerd;

4.  benadrukt dat alle maatregelen ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit de grondrechten volledig moeten eerbiedigen en in verhouding moeten staan tot de nagestreefde doelen, en dat deze doelen overeenkomstig artikel 52 van het Handvest van de grondrechten noodzakelijk moeten zijn in een democratische maatschappij, zonder de vrijheid van het individu overmatig te beknotten, zoals bepaald in het Europees Verdrag voor de rechten van de mensen, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de grondwettelijke beginselen welke de lidstaten gemeen hebben;

5.  merkt op dat de Europese Unie en de lidstaten op grond van artikel 222 VWEU wettelijk verplicht zijn de solidariteitsclausule toe te passen, en drukt dan ook zijn diepe bezorgdheid uit over de pogingen van de georganiseerde criminaliteit om op alle niveaus de politiek en regering te infiltreren, alsook de economie en de financiële sector; nodigt de Commissie, de Raad en de lidstaten uit om hun ontmoedigingsbeleid te concentreren op crimineel vermogen, waaronder het vermogen dat dikwijls schuilgaat achter een netwerk van zetbazen, handlangers, politieke instellingen en belangengroepen; benadrukt dat bij de inspanningen ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit ten volle rekening gehouden moet worden met zogeheten witteboordencriminaliteit;

Verbetering van het EU-wetgevingskader

6.  merkt op dat internationale criminele netwerken bijzonder actief zijn en dat de georganiseerde criminaliteit groeit in omvang en raffinement, verzoekt de lidstaten de samenwerking en coördinatie te verbeteren en de wettelijke kaders op elkaar af te stemmen, in het bijzonder wat betreft de ontwikkeling van gemeenschappelijke standaardprocedures en typen strafbare feiten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de goede praktijken van rechtsstelsels die het verst ontwikkeld zijn op het gebied van bestrijding van de georganiseerde misdaad; verzoekt de lidstaten te zorgen voor tijdige en doeltreffende ratificatie en/of omzetting van alle Europese en internationale wettelijke instrumenten die direct dan wel indirect verband houden met maatregelen ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit;

7.  wijst erop dat Kaderbesluit 2008/841/JBZ inzake georganiseerde criminaliteit nauwelijks invloed heeft gehad op de rechtsstelsels van de lidstaten en niet heeft geleid tot significante verbetering van de nationale wetgeving noch van de operationele samenwerking ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit; verzoekt de Commissie dan ook vóór eind 2013 een voorstel voor een richtlijn in te dienen die een concretere definitie van georganiseerde criminaliteit bevat en de belangrijkste kenmerken van het fenomeen beter omschrijft, met bijzondere aandacht voor het sleutelbegrip „organisatie”, en die tevens rekening houdt met nieuwe soorten georganiseerde criminaliteit; verlangt dat in het kader van het delict deelname aan een criminele organisatie en met voldoende aandacht voor de verschillende en specifieke kenmerken van de verschillende nationale rechtsstelsels, een studie wordt verricht naar de afschaffing van de huidige duale benadering (op grond waarvan zowel deelname aan als samenwerking met een criminele organisatie strafbaar zijn); verlangt tevens dat een reeks typische strafbare feiten worden aangewezen die, ongeacht de maximumstraf die hiervoor is voorzien in de rechtsstelsels van de lidstaten, onder dezelfde strafrechtelijke definitie moeten vallen; vraagt tevens om serieuzer onderzoek naar strafbaarstelling van alle vormen van steun aan criminele organisaties;

8.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een kadervoorstel in te dienen voor een richtlijn inzake de procedure voor inbeslagneming en confiscatie van de opbrengsten van criminele activiteiten, zoals voorzien in haar Werkprogramma 2011, en verzoekt de Commissie, in het licht van de verplichting om de grondrechten te eerbiedigen, zoals bepaald in het Handvest van de grondrechten en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, daartoe het volgende:

   regels op te stellen voor effectieve gebruikmaking van instrumenten als ruimere inbeslagneming en inbeslagneming zonder veroordeling;
   regels op te stellen betreffende verlichting van de bewijslast na veroordeling van een persoon wegens een bijzonder ernstig delict (waaronder met georganiseerde criminaliteit verband houdende delicten) met betrekking tot de herkomst van het vermogen van de dader;
   de invoering van instrumenten in nationale rechtsstelsels te stimuleren die strafrechtelijk, civielrechtelijk of fiscaalrechtelijk gezien in voorkomend geval de bewijslast verlichten met betrekking tot de herkomst van vermogen dat in bezit is van een verdachte van een strafbaar feit dat verband houdt met georganiseerde criminaliteit;
   in haar voorstel voor een richtlijn bepalingen op te nemen op grond waarvan aan derden overgedragen vermogen in beslag genomen en vervolgens geconfisqueerd kan worden; verzoekt bovendien de activiteiten van de zetbaas in deze gevallen als strafbare feiten te aan te merken, aangezien zij tot doel hebben te ontkomen aan de toepassing van maatregelen ter bescherming van het vermogen, of om het begaan van strafbare feiten als heling, witwassen van geld of gebruik van illegaal verkregen geld te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie daartoe in haar wetgevingsvoorstellen vast te leggen dat het in het VN-Verdrag van Palermo omschreven en in Kaderbesluit 2008/841/JBZ overgenomen begrip „opbrengst” van een misdrijf ruimer is dan het begrip „winst”; verzoekt de lidstaten om dit concept van meet af aan om te zetten in hun wetgeving zodat alle inkomsten die direct of indirect verband houden met het plegen van strafbare feiten binnen criminele organisaties in beslag genomen of geconfisqueerd kunnen worden;

9.  verzoekt de Commissie te aanvaarden en te ondersteunen dat Europese wetgeving inzake het hergebruik van uit misdaad verkregen opbrengsten voor maatschappelijke doeleinden dringend noodzakelijk is, waaronder getuigenbescherming, zodat het vermogen van criminele organisaties of hun handlangers kan worden teruggebracht in legale, schone, transparante en fatsoenlijke economische circuits;

10.  is een voorstander van nauwere samenwerking tussen de lidstaten bij de erkenning en deugdelijke uitvoering van bevelen tot beslaglegging en confiscatie; meent dat de bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen een cruciaal instrument zijn bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, en dat ze zo spoedig mogelijk voorzien moeten worden van de noodzakelijke middelen, expertise en bevoegdheden; onderschrijft de analyse van de Commissie van de voornaamste moeilijkheden waar de huidige bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen op stuiten; verzoekt de Commissie te zorgen voor een grotere rol van en meer bevoegdheden voor deze bureaus, en hun flexibelere en uniformere toegang tot informatie te bieden, met inachtneming van de grondrechten en normen inzake gegevensbescherming van de EU;

11.  vraagt de Europese Commissie om vóór eind 2013 een studie te verrichten naar de onderzoekspraktijken van de lidstaten ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, waarbij de aandacht voornamelijk dient uit te gaan naar het gebruik van instrumenten als het aftappen van telefoongesprekken, afluisteren door middel van plaatsing van afluisterapparatuur, doorzoekingen, verlengde inverzekeringstelling, verlengde inbeslagneming, undercoveroperaties en gecontroleerde en gesurveilleerde leveringen; verzoekt de Commissie vóór eind 2014 een voorstel te doen voor een richtlijn inzake gemeenschappelijke onderzoekstechnieken ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in de zin van artikel 87, lid 2, letter c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

12.  benadrukt hoe belangrijk het is primaire en secundaire slachtoffers van georganiseerde criminaliteit, getuigen, informanten, klokkenluiders en hun familieleden voldoende bescherming te bieden; is in dit verband ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn die minimumnormen vastlegt inzake de rechten van, steun aan en bescherming van slachtoffers van criminaliteit, verlangt echter tevens dat EU-wetgeving ook getuigen, informanten, klokkenluiders en hun familieleden bestrijkt; vraagt om gelijke behandeling van alle typen slachtoffers (in het bijzonder slachtoffers van georganiseerde criminaliteit en terrorisme en slachtoffers die geschaad zijn bij de vervulling van hun taken), en vraagt om maatregelen ter uitbreiding van de bescherming van getuigen, informanten en hun familieleden tot na de procesgang; benadrukt dat minderjarige slachtoffers van georganiseerde criminaliteit speciale aandacht, behandeling, bescherming, hulp en begeleiding nodig hebben; verzoekt de Commissie duidelijke richtsnoeren op te stellen ten gunste van getuigen, informanten, klokkenluiders en hun familieleden, waarbij hun een grensoverschrijdende Europese rechtsstatus toegekend wordt en de bescherming die deze personen eventueel genieten in de lidstaten wordt uitgebreid indien het land van herkomst van de informant of de getuige hierom verzoekt; stelt voor een Europees fonds op te richten ter bescherming en ondersteuning van de slachtoffers van georganiseerde criminaliteit en getuigen, en daarbij de door de lidstaten erkende ngo's te steunen die strijden tegen de maffia en afpersing; is ermee ingenomen dat enkele lidstaten wetgeving hebben aangenomen ter verbetering van de bescherming van getuigen en informanten bij zaken die verband houden met georganiseerde criminaliteit (door bijvoorbeeld „verhoor op afstand” mogelijk te maken);

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de rol van verenigingen van familieleden van slachtoffers en hun dialoog met de instellingen te bevorderen, en de oprichting van een forum van deze verenigingen op EU-niveau te stimuleren;

Bestrijding van de diepe worteling van georganiseerde criminaliteit met maffiose structuren in de EU

14.  vraagt de Commissie een voorstel in te dienen voor een richtlijn die erop gericht is maffiose of andersoortige criminele vereniging in alle lidstaten strafbaar te stellen, zodat criminele organisaties gestraft kunnen worden die louter van hun bestaan profiteren doordat zij in staat zijn ook zonder concreet geweld of zonder het uiten van concrete bedreigingen te intimideren met het doel misdrijven te plegen en invloed uit te oefenen op de economische sector, de overheid, de openbare-dienstensector en het kiesstelsel;

15.  beoogt binnen drie maanden na aanneming van deze resolutie een bijzondere commissie in te stellen die zich buigt over de verspreiding van internationaal opererende criminele en maffiose organisaties en die onder meer tot doel heeft de omvang van het fenomeen en de negatieve sociale en economische invloeden ervan in de EU te onderzoeken, zoals verduistering van overheidsmiddelen door criminele en maffiose organisaties, infiltratie in de publieke sector, en de „besmetting” van de legale economie en het financiële stelsel, alsook een reeks wettelijke maatregelen uit te werken waarmee deze concrete en bekende dreiging voor de EU en haar burgers kan worden aangepakt; verzoekt de Conferentie van voorzitters dan ook overeenkomstig artikel 184 van het Reglement het voorstel in te dienen;

16.  verzoekt de Commissie om vóór juni 2013 in samenwerking met Europol en Eurojust een studie te verrichten ter beoordeling van de negatieve invloeden van georganiseerde criminaliteit in de Europese Unie; verzoekt Europol vóór 2012 een thematische OCTA op te stellen over de dreiging die uitgaat van de aanwezigheid van maffiose criminele organisaties in de EU;

17.  onderstreept dat uit het in 2011 door Europol gepubliceerde OCTA-rapport (een dreigingsevaluatie van de georganiseerde criminaliteit door de Europese Unie) blijkt dat criminele organisaties zich goed kunnen aanpassen en snel nieuwe illegale markten kunnen identificeren en uitbuiten; acht het daarom noodzakelijk niet alleen de traditionele georganiseerde criminele activiteiten te bestrijden, maar ook bijzondere aandacht te besteden aan nieuwe vormen van georganiseerde criminaliteit;

Verbetering van het functioneren van de op verschillende manieren met de bestrijding van georganiseerde criminele organisaties belaste Europese structuren, en versterking van de banden met andere internationale instellingen

18.  verzoekt de lidstaten Besluit 2009/426/JBZ van de Raad inzake het versterken van Eurojust onmiddellijk om te zetten en ten uitvoer te leggen, en zich te houden aan alle daarin opgenomen voorschriften; verlangt dat de lidstaten ervoor zorgen dat hun nationale Eurojust-leden onverwijld op de hoogte worden gebracht van strafbare feiten waarbij tenminste twee lidstaten zijn betrokken en waarbij serieuze aanwijzingen bestaan voor de betrokkenheid van een criminele organisatie; onderstreept hoe belangrijk versterking van Eurojust is voor een efficiëntere bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit in het licht van het initiatiefrecht van Eurojust, in het bijzonder de bevoegdheid tot het starten van onderzoeken, en de bevoegdheden die Eurojust krachtens artikel 85 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn toegewezen; verzoekt de Europese instellingen hun politieke invloed op internationaal niveau aan te wenden om een aanzet te geven tot overleg over de vraag of bepaalde ervaringen van de EU, waaronder van Eurojust, op internationaal niveau uitgewisseld kunnen worden, waarbij eventueel de tot nu toe op EU-niveau verworven know-how beschikbaar wordt gesteld;

19.  verzoekt de Commissie zo snel mogelijk een effectbeoordeling op te stellen over de toegevoegde waarde van een Europees openbaar ministerie, waarbij onderzocht wordt of de werkingssfeer daarvan uitgebreid kan worden met de bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, zoals voorzien in artikel 86, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de grondrechten en de rechten van de verdediging in het bijzonder, alsmede met de noodzaak van voorafgaande harmonisatie van de normen van het strafprocesrecht en materieel strafrecht plus van de regels inzake strafrechtelijke bevoegdheid; verzoekt de Commissie alle betrokken belanghebbenden te raadplagen, waaronder het Bureau voor de grondrechten, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, de Raad van Europa, het Europees Parlement, nationale parlementen en het maatschappelijk middenveld, om de gevolgen van de mogelijke instelling van een Europees openbaar ministerie te bespreken;

20.  steunt de in 2009 geformuleerde vijfjarenstrategie voor de ontwikkeling van Europol; verzoekt Europol de ontmoetingen en betrekkingen met het Europees Parlement te intensiveren zodat vorderingen in het kader van deze strategie en eventuele problemen regelmatig gezamenlijk besproken kunnen worden; verzoekt Europol zich daadkrachtiger in te zetten voor de bestrijding van georganiseerde en maffiose criminaliteit door binnen de organisatie een speciale afdeling op te richten en door beter gebruik te maken van de voor dit gebied toegewezen middelen; verzoekt Europol nog nauwer samen te werken met Interpol met het oog op de bestrijding van criminele organisaties op internationaal niveau, met name op het gebied van informatie-uitwisseling; verzoekt Europol de betrekkingen met de bevoegde autoriteiten van derde landen te intensiveren en strategische en operationele overeenkomsten met hen te sluiten;

21.  roept de lidstaten en de Commissie op de praktische samenwerking tussen nationale politiediensten te verbeteren, waarbij formele beperkingen zoveel mogelijk worden opgeheven;

22.  herhaalt hoe belangrijk betere praktische samenwerking tussen politie en justitie van de lidstaten is voor de uitwisseling van gegevens over criminele organisaties en voor de coördinatie van onderzoeken; verzoekt de Commissie en Eurojust daartoe een doeltreffender netwerk van nationale steunpunten op te zetten; verzoekt de Commissie voorts om jaarverslagen voor te leggen over de geboekte vooruitgang bij de intensievere samenwerking tussen politie en justitie op het gebied van bestrijding van georganiseerde criminaliteit;

23.  onderkent dat er, ondanks protocollen en bilaterale overeenkomsten tussen Europol, Eurojust en OLAF, nog steeds veel ruimte bestaat voor verbetering van de samenwerking tussen deze organen; verzoekt Europol, Eurojust, OLAF en de Europese coördinator voor de bestrijding van mensenhandel dan ook concrete en gezamenlijke inspanningen te leveren voor de voortdurende evaluatie en herziening van de samenwerkingsovereenkomsten en deze uit te voeren, in het bijzonder wat betreft de uitwisseling van samenvattingen van zaken, informatie met betrekking tot zaken en strategische informatie en gegevens; is van mening dat de samenwerking tussen Europol, Eurojust en OLAF alleen volledig effectief kan zijn wanneer de verantwoordelijkheden duidelijk verdeeld worden teneinde dubbele inspanningen te voorkomen; verzoekt de Commissie een studie te verrichten naar de slagkracht van instanties in de EU en de lidstaten die de criminaliteit bestrijden;

Ontwikkeling van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke vonnissen en verbetering van de justitiële en politiële samenwerking binnen de EU en met derde landen

24.  is zich ervan bewust dat voor justitiële samenwerking een aantal praktische drempels genomen moet worden, waarbij veel aandacht moet worden besteed aan het informeren en de bewustmaking van de politiële en justitiële autoriteiten, en verzoekt de lidstaten om justitiële en politiële training beleidsprioriteit te maken; nodigt in deze context de Commissie uit de nodige maatregelen te treffen, ook financiële, om de activiteiten van de lidstaten te ondersteunen;

25.  onderkent dat justitiële samenwerking - onder meer tussen de lidstaten - een van de pijlers is in de strijd tegen de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en voor het scheppen van een gemeenschappelijke ruimte van veiligheid en recht; roept de lidstaten nogmaals op hun toezeggingen gestand te doen en alle reeds op Europees niveau bestaande instrumenten voor justitiële samenwerking om te zetten, in het bijzonder het Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 2000, het bijbehorende protocol van 2001, en het Kaderbesluit inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams; is zich ervan bewust dat voor justitiële samenwerking een aantal praktische drempels genomen moet worden waarbij veel aandacht besteed moet worden aan het informeren en de bewustmaking van de justitiële en politiële autoriteiten en strafpleiters, en verzoekt de lidstaten om de training van rechters, openbare aanklagers en politiefunctionarissen, alsook de rechten van de verdediging tot beleidsprioriteit te maken; verzoekt de Commissie tevens passende maatregelen te treffen, waaronder financiële, ter ondersteuning van de activiteiten van de lidstaten;

26.  verzoekt de lidstaten en de Commissie inspanningen te blijven leveren voor een effectieve tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel; verzoekt de Commissie te onderzoeken of de in artikel 4 van het kaderbesluit genoemde redenen op grond waarvan weigering van de overlevering mogelijk is, niet herzien kunnen worden met het oog op de verplichtingen van de Unie op het gebied van de grondrechten en in het licht van de ervaringen tot nog toe met latere instrumenten voor wederzijdse erkenning met betrekking tot delicten die doorgaans met georganiseerde criminaliteit in verband worden gebracht, waaronder het delict maffiose vereniging; verzoekt de justitiële autoriteiten in de lidstaten zich er sterk voor te maken dat de door hen uitgevaardigde Europese aanhoudingsbevelen altijd worden doorgestuurd naar Interpol;

27.  onderkent het fundamentele belang van de gemeenschappelijke onderzoeksteams voor de bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en uit zijn bezorgdheid over het feit dat niet volledig gebruik gemaakt wordt van dit onderzoeksinstrument vanwege de ontoereikende omzetting van het betreffende kaderbesluit en de aarzelende houding van een aantal nationale justitiële autoriteiten; verzoekt de Commissie en de Raad de rol van de gemeenschappelijke onderzoeksteams nieuw leven in te blazen door te zorgen voor volledige tenuitvoerlegging van Kaderbesluit 2002/465/JBZ in alle lidstaten en door voldoende financiële steun te bieden; benadrukt dat de door de gemeenschappelijke onderzoeksteams behaalde resultaten op Europees niveau geëvalueerd kunnen worden (bijvoorbeeld op basis van de waarde van de geconfisqueerde goederen) en op nationaal niveau (bijvoorbeeld op basis van de effectiviteit van individuele teamleden), en verzoekt de Commissie deze kwestie aan te pakken in samenwerking met Eurojust en Europol;

28.  wijst erop dat grenzen geen belemmering vormen voor de georganiseerde criminaliteit; acht het derhalve noodzakelijk ook de externe dimensie van het fenomeen te integreren in het Europese kader ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit; merkt op dat het van belang is de Europese Dienst voor extern optreden en het gemeenschappelijk Situatiecentrum (Sitcen) hier meer bij te betrekken; vraagt de Europese Commissie steeds effectiever vorm te geven aan de samenwerkingsovereenkomsten op justitieel en onderzoeksgebied met derde landen ter bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit, en deze constant bij te werken; verlangt bovendien dat bij de opstelling van dergelijke overeenkomsten voldoende rekening wordt gehouden met de specifieke dreigingen die uitgaan van de georganiseerde criminaliteit in de afzonderlijke landen voor de interne en externe veiligheid van de Europese Unie; vraagt Europol om frequentere en meer gedetailleerde analyses van niet-Europese criminele organisaties te verrichten waarvan de activiteiten een directe of indirecte weerslag hebben op de Europese Unie; is van mening dat de handhaving en intensivering van het engagement van de Europese Unie en de internationale instellingen in de Balkanregio essentieel is, met name gelet op maatregelen ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit; vraagt de Europese Commissie om in samenwerking met Europol een gemeenschappelijk project met Interpol op te zetten ter ondersteuning van de oprichting en uitvoering van een regionaal systeem voor uitwisseling van politiële en justitiële informatie met West-Afrika, en daarbij de noodzakelijke knowhow en middelen, ook op het gebied van opleiding en follow-up, ter beschikking te stellen aan de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse staten;

Andere aanbevelingen ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit

29.  benadrukt het belang van de bevordering van een cultuur van legaliteit en van een sterkere bewustmaking en grotere kennis van de georganiseerde criminaliteit bij burgers en in de publieke opinie in het algemeen; onderstreept in dit verband de fundamentele rol van een vrije en volledig onafhankelijke pers, die onderzoek kan doen naar en publiceren over de banden tussen de georganiseerde criminaliteit en gevestigde belangen; meent dat bij deze activiteiten de eerbiediging van fundamentele rechten op persoonlijke waardigheid, eer en privacy volledig gegarandeerd moet worden; nodigt de Commissie uit om specifieke actieplannen te formuleren ter bevordering van een cultuur van legaliteit, onder meer via de instelling van specifiek daarvoor bestemde begrotingslijnen;

30.  benadrukt dat de Europese instellingen en de lidstaten een holistische aanpak van kinderhandel moeten volgen, waarbij zij gecoördineerde multisectorale maatregelen nemen ter bescherming van de rechten van verhandelde kinderen en van kinderen die het gevaar lopen verhandeld te worden; dringt er bij de lidstaten op aan actief deel te nemen aan de strijd tegen illegale adoptie, en een kader te ontwikkelen dat transparantie en een doeltreffend toezicht op de ontwikkeling van in de steek gelaten en geadopteerde kinderen garandeert;

31.  benadrukt het fundamentele belang van transparantie van de publieke sector in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en vraagt de Commissie de noodzakelijke regels vast te stellen ter verzekering van volledige traceerbaarheid van en volledige controle over de toewijzing en het gebruik van Europese fondsen door zowel de bevoegde instellingen als door burgers en de pers; verlangt dat deze informatie tijdig beschikbaar wordt gesteld via een passende website in een machineleesbaar, vergelijkbaar en open-data format en in ten minste één werktaal van de EU, zodat de informatie goed toegankelijk is en door het maatschappelijk middenveld opnieuw gebruikt en verwerkt kan worden; vraagt de lidstaten vergelijkbare maatregelen te nemen om alle transacties waarbij publieke middelen gebruikt worden transparant te maken, met bijzondere aandacht voor plaatselijke overheden, die vatbaarder zijn voor infiltratie van de georganiseerde criminaliteit, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat maatregelen ter bestrijding van de georganiseerde misdaad inherent geheim zijn;

32.  vraagt, met inachtneming van alle mensenrechten en de fundamentele vrijheden, om invoering van een adequaat sanctiestelsel alsook om de vaststelling van passende detentiebepalingen voor misdaden die verband houden met georganiseerde criminaliteit, zowel om het plegen van misdrijven te ontmoedigen als om te voorkomen dat gedetineerden organisaties blijven leiden tijdens het uitzitten van hun straf, of deze organisaties helpen hun doelen te verwezenlijken door verdere misdrijven te begaan;

Maatregelen gericht op specifieke terreinen waar de georganiseerde criminaliteit actief is

33.  is overtuigd van de intrinsieke banden tussen georganiseerde criminaliteit en corruptie en herhaalt met klem zijn verzoek bij de aanneming van schriftelijke verklaring 02/2010, zowel wat betreft de instelling van een objectief en meetbaar waarderings- en controlemechanisme voor het beleid van de 27 lidstaten in de strijd tegen corruptie, als wat betreft de uitwerking van een algemeen anticorruptiebeleid van de Europese instellingen; benadrukt dat een proactieve benadering in de strijd tegen corruptie noodzakelijk is en verzoekt de Commissie het accent te leggen op maatregelen ter bestrijding van corruptie in de publieke en in de private sector; is van mening dat prioriteit moet liggen bij de uitwerking van effectieve maatregelen in de strijd tegen corruptie in het kader van het nabuurschapsbeleid, op het gebied van pretoetreding en bij het gebruik van fondsen bestemd voor ontwikkelingshulp, met name door de Europese Investeringsbank en de onder auspiciën van de Europese Dienst voor extern optreden nieuw op te zetten lichamen; verzoekt de Commissie het Parlement te informeren en effectief toezicht te houden op de getroffen maatregelen en de behaalde resultaten;

34.  vraagt de lidstaten om onmiddellijk de internationale instrumenten ter bestrijding van corruptie te ratificeren, in het bijzonder het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van corruptie, het burgerrechtelijk Verdrag inzake corruptie en het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa (1999);

35.  zet zich in voor de vastlegging van regels die voorkomen dat personen die zijn veroordeeld met een vonnis dat in gezag van gewijsde gaat wegens deelname aan criminele organisaties of wegens misdrijven die normaliter worden gepleegd in het kader van criminele organisaties (mensenhandel, internationale drugshandel, witwassen van geld, fraude, corruptie en afpersing), zich verkiesbaar kunnen stellen voor het Europees Parlement; verzoekt de lidstaten gelijksoortige regels op te stellen voor nationale en lokale verkiezingen;

36.  verzoekt de Commissie duidelijke richtsnoeren op te stellen en adequate wetgevingsvoorstellen in te dienen om te voorkomen dat met georganiseerde criminaliteit en maffiose organisaties verbonden ondernemingen deelnemen aan procedures voor overheidsopdrachten en het beheer van overheidsopdrachten; verzoekt de Commissie en de lidstaten te garanderen dat geldstromen in verband met overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten traceerbaar zijn, en de invoering van regels te evalueren waarmee obstructie van door de overheid doorgevoerde selectieprocedures voor de gunning van contracten moet worden bestraft; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat artikel 45 van Richtlijn 2004/18/EG volledig en correct wordt toegepast en „self-cleaning”-mechanismen op voorhand uit te sluiten, waarbij zij duidelijk maakt dat veroordelingen van zowel rechtspersonen als natuurlijke personen uitsluiting tot gevolg hebben en erop toeziet dat deze uitsluitingsgronden niet slechts gelden voor de periode van de veroordeling, maar voor altijd of voor een aanzienlijke periode; verzoekt de Commissie voorstellen te doen tot vaststelling van uitsluitingsgronden voor deelname aan procedures voor overheidsopdrachten en van speciale voorzorgsmaatregelen tegen personen tegen wie een onderzoek of een gerechtelijke procedure loopt; verzoekt de reeks strafbare feiten die aanleiding geven tot uitsluiting uit te breiden met alle delicten die normaliter worden gepleegd in het kader van georganiseerde criminaliteit, en vraagt om maatregelen ter voorkoming van omzeiling van de wetgeving door het gebruik van zetbazen en handlangers; verzoekt de lidstaten soortgelijke maatregelen te treffen voor elke vorm van gunning, concessie, licentie of staatssteun, ook indien deze niet onder EU-wetgeving valt; verzoekt de Commissie passende wetgevende en operationele instrumenten (gegevensbanken) te ontwikkelen voor informatie-uitwisseling tussen lidstaten onderling en tussen de lidstaten enerzijds en de Europese instellingen en agentschappen anderzijds, en voor de opstelling van zwarte lijsten teneinde onttrekking van openbare middelen in de Europese Unie te voorkomen;

37.  is ingenomen met de aanneming van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel, een fenomeen dat dikwijls samenhangt met georganiseerde criminele activiteiten in de vorm van prostitutie, uitbuiting van arbeid, orgaanverwijdering en slavernij; benadrukt dat snelle en effectieve tenuitvoerlegging van deze richtlijn van zeer groot belang is;

38.  dringt er bij de lidstaten en de Europese instellingen op aan rekening te houden met het feit dat de georganiseerde criminaliteit haar eigen activiteiten en haar eigen belangen blijft steunen, onder meer door middel van drugshandel, waarbij zij de wereldwijde afzetmarkt voor illegale drugs probeert uit te breiden met nieuwe markten en nieuwe drugs;

39.  verzoekt de Europese Investeringsbank en alle Europese instellingen van de lidstaten voor financiële ontwikkeling hun beleidsmaatregelen op het vlak van offshore financiële centra en niet-coöperatieve rechtsgebieden te verbeteren, met name door een lijst met rechtsgebieden op te stellen waar strikter toezicht nodig is dan de zwarte en grijze lijsten van de OESO, door voor elk land, waar nodig, een specifieke due diligence uit te voeren, door hoe dan ook de steun aan financiële tussenpersonen in rechtsgebieden met een hoog risico te verbieden en door van geregistreerde ondernemingen die in niet-coöperatieve rechtsgebieden en in offshore financiële centra zijn gevestigd te eisen dat zij zich verplaatsen, indien zij voor bepaalde activiteiten financiële steun willen ontvangen; verzoekt de Europese instellingen en de lidstaten zich in te spannen om ervoor te zorgen dat alle veertig aanbevelingen van het Financial Action Task Force op de juiste manier ten uitvoer worden gelegd, door voor elke instelling specifieke beleidsmaatregelen op te stellen, die onder meer voorzien in een strengere due diligence, met name in het geval van politiek gevoelige zaken;

40.  benadrukt dat de georganiseerde criminaliteit gebruikmaakt van communicatie- en informatietechnologie voor illegale doeleinden, waarmee delicten worden begaan in verband met identiteitsdiefstal, cybercriminaliteit, fraude, illegaal gokken en manipulatie van sportevenementen; verzoekt in dit verband een coherent Europees wetgevingskader te ontwikkelen; vraagt de EU-instellingen zoveel mogelijk internationale partners te verzoeken het Verdrag inzake computercriminaliteit van 2001 te ratificeren; wijst op de trend dat criminele organisaties in toenemende mate gebruikmaken van de mogelijkheden tot het witwassen van geld of het plegen van vermogensdelicten, hetgeen kan leiden tot een sterkere uitbreiding van criminele activiteiten via internet;

41.  vraagt de instellingen om een krachtig signaal op EU- en internationaal niveau teneinde het hoofd te bieden aan alle witwaspraktijken door gebruikmaking van de financiële markten, en vraagt in het bijzonder maatregelen voor kapitaalcontrole te overwegen, zoals het Internationaal Monetair Fonds onlangs heeft gesuggereerd, ervoor te zorgen dat de financiële markten minder makkelijk te doordringen zijn bij kortetermijnoperaties; meer transparantie af te dwingen bij het gebruik van overheidsfondsen, om te beginnen bij de stimuleringsfondsen voor de private sector, en een effectief offensief te starten tegen belastingparadijzen door elk land te verplichten tot financiële rapportage over alle multinationale economische spelers; een multilaterale overeenkomst voor de uitwisseling van belastinggegevens te bevorderen, en tegelijkertijd de definitie van „belastingparadijs” en de lijst van deze geheime rechtsgebieden te herzien; verzoekt de Commissie duidelijke richtsnoeren op te stellen voor traceerbaarheid van geldstromen, teneinde criminaliteit die verband houdt met witwassen van uit illegale activiteiten verkregen geld gemakkelijker op het spoor te kunnen komen; verzoekt de Commissie, in het licht van haar wetgevingsvoorstel ter actualisering van de Witwasrichtlijn, de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven zo breed mogelijk te definiëren en een rechtsgrond te scheppen voor zo ruim mogelijke onderzoeksbevoegdheden op dit gebied; verzoekt in dit verband alle lidstaten te verplichten tot strafbaarstelling van het zogenoemde „self laundering”, dat wil zeggen dat de betrokkene het illegaal verkregen geld zelf witwast; verzoekt de Commissie voorts in haar voorstel de mogelijkheid te overwegen om de strafbaarstelling van het witwassen van geld uit te breiden tot gevallen waarin de dader had kunnen aannemen dat het vermogen afkomstig was uit criminele activiteiten;

42.  vraagt de Commissie de omzetting van de EU-richtlijn over de strafrechtelijke bescherming van het milieu door de lidstaten nauwlettend te controleren, en erop toe te zien dat dit tijdig en efficiënt gebeurt; verzoekt de Commissie innovatieve instrumenten te ontwikkelen voor de vervolging van personen die milieudelicten begaan waarbij georganiseerde criminaliteit een rol speelt, door bijvoorbeeld een voorstel in te dienen tot uitbreiding van de positieve ervaring van Italië met het delict „georganiseerde illegale handel in afval”, dat sinds 2011 als delict met grote maatschappelijke gevolgen is aangemerkt, en dus wordt bestreden door het districtsbureau voor maffiabestrijding; verzoekt om krachtiger optreden van de CITES-kantoren en om betere coördinatie van deze kantoren op Europees niveau bij de bestrijding van illegale handel in beschermde en met uitsterven bedreigde dier- en plantsoorten;

43.  verzoekt de lidstaten een proactieve aanpak te volgen bij het onderzoeken van afpersingszaken, bijvoorbeeld door middel van stimulansen en financiële steun gericht op voortzetting van de bedrijfsactiviteiten nadat aangifte is gedaan, in combinatie met het starten van onderzoeken op basis van inlichtingenwerk; is van oordeel dat het versterken van de rol van het maatschappelijk middenveld en de partnerschappen met de rechterlijke macht en de politie van essentieel belang is en daarom moet worden aangemoedigd; verzoekt de lidstaten het sluiten van memoranda van overeenstemming tussen de staat en handelaren en ondernemers die klagen over racketeering te stimuleren, zodat zij ondanks de moeilijkheden daaromtrent kunnen werken; verzoekt de Commissie in haar voorstel voor een richtlijn over confiscatie van opbrengsten van georganiseerde criminaliteit de in artikel 3, lid 1, van Kaderbesluit 2005/212/JBZ voorziene maatregelen ook van toepassing te verklaren op het delict afpersing;

44.  vraagt de Commissie het rechtskader voor de bestrijding van namaak uit te breiden met specifieke bepalingen inzake de rol van de georganiseerde criminaliteit; steunt de besluiten die zijn neergelegd in de resolutie van de Raad inzake een versterkte strategie voor douanesamenwerking van 23 oktober 2009, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van nieuwe vormen van samenwerking en nieuwe onderzoekstechnieken, voor een institutionele aanpak op basis van samenwerking tussen douaneautoriteiten, politie en andere bevoegde autoriteiten, en voor verbetering van het huidige samenwerkingsproces, teneinde tot een efficiënte aanpak te komen bij de bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en de confiscatie van illegale goederen in de hele Europese Unie mogelijk te maken; is van oordeel dat bij de goedkeuring en tenuitvoerlegging van het vijfde actieplan voor samenwerking tussen douanediensten zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden met deze aspecten;

o
o   o

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, Europol, Eurojust, de Europese Investeringsbank, Interpol en het UNODC.

(1) PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.
(2) PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42.
(3) PB L 68 van 15.3.2005, blz. 49.
(4) PB L 332 van 18.12.2007, blz.103.
(5) PE 410.678.
(6) http://www.europol.europa.eu/index.asp?page=publications&language=
(7) PB L 138 van 4.6.2009, blz. 14.
(8) http://www.eurojust.europa.eu/press_annual.htm.
(9) PB L 348 van 24.12.2008, blz. 130.
(10) PB L 121 van 15.5.2009, blz. 37.
(11) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(12) PB C 197 van 12.7.2000, blz. 3.
(13) PB C 24 van 23.1.1998, blz. 1.
(14) PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.
(15) 10330/2008
(16) PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 244.
(17) PB L 162 van 20.6.2002, blz. 1.
(18) PE 410.671.
(19) PB L 101 van 15.4.2011, blz.1.
(20) PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.
(21) PB L 309 van 25.11.2005, blz. 9.
(22) PB L 345 van 8.12.2006, blz.1.
(23) PB L 192 van 31.7.2003, blz. 54.
(24) PB L 134 van 30.4.2004, blz.114.
(25) PB L 61 van 3.3.1997, blz.1.
(26) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28.

Juridische mededeling - Privacybeleid