Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2875(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B7-0541/2011

Debatten :

PV 27/10/2011 - 12.2
CRE 27/10/2011 - 12.2

Stemmingen :

PV 27/10/2011 - 13.2

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0475

Aangenomen teksten
PDF 130kWORD 47k
Donderdag 27 oktober 2011 - Straatsburg
Bahrein
P7_TA(2011)0475RC-B7-0541/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2011 over Bahrein

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië, Jemen en Bahrein, met name zijn resolutie van 7 april 2011(1) over de situatie in Syrië, Bahrein en Jemen, en van 7 juli 2011(2) over de situatie in Syrië, Jemen en Bahrein in de context van de situatie in de Arabische wereld en Noord-Afrika,

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2011(3) over de betrekkingen van de Europese Unie met de Samenwerkingsraad van de Golf,

–  gezien de verklaringen van zijn Voorzitter van 12 april 2011 over de dood van twee Bahreinse burgeractivisten en van 28 april 2011 ter veroordeling van de doodstraf die is uitgesproken tegen vier Bahreini voor de deelname aan vreedzame protesten,

–  gezien de hoorzitting over Bahrein in de Subcommissie mensenrechten van het Europees Parlement van 3 oktober 2011,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger (VV/HV) over Bahrein van 10, 12 en 18 maart 2011; 3 mei en 1 juli 2011; 31 augustus, 8 en 30 september 2011, alsmede de verklaringen van de VV/HV over de situatie in Egypte, Syrië, Jemen en Bahrein in het Europees Parlement op 12 oktober 2011,

–  gezien de conclusies van de Raad over Bahrein van 21 maart, 12 april en 23 mei 2011,

–  gezien de verklaringen van de VN-secretaris-generaal van 23 juni en 30 september 2011 over de straffen die zijn uitgesproken tegen 21 Bahreinse politieke activisten, mensenrechtenactivisten en oppositieleiders,

–  gezien de verklaring van de 66ste Algemene Vergadering van de VN van 29 september 2011 over Bahrein,

–  gezien de persverklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Bahrein van 5 oktober 2011 en de verklaring van het Bahreinse Ministerie van Volksgezondheid over de veroordeling van artsen, verpleegsters en medisch personeel van 30 september 2011,

–  gezien de verklaring van de Bahreinse openbare aanklager van 23 oktober 2011 over het houden van nieuwe processen voor doktoren die eerder waren veroordeeld in militaire processen,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, die allemaal door Bahrein zijn ondertekend,

–  gezien artikel 19, lid d, van de Bahreinse grondwet,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenactivisten van 2004, die in 2008 zijn geactualiseerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien de Conventie van Genève van 1949,

–  gezien het rapport van Human Rights Watch van februari 2010,

–  gezien het briefingdocument van Artsen Zonder Grenzen van april 2011 getiteld „Health Services paralyzed: Bahrain's military crackdown on Patients”,

–  gezien artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat vreedzame betogers in Bahrein, geïnspireerd door de volksbewegingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, sinds februari regelmatig hebben opgeroepen tot institutionele, politieke, economische en sociale hervormingen, gericht op het vestigen van een werkelijke democratie, bestrijding van corruptie en nepotisme, eerbiediging van de rechtsstaat, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, vermindering van sociale ongelijkheden en verbetering van de economische en sociale omstandigheden; overwegende dat deze vreedzame demonstraties zijn neergeslagen met een buitenproportioneel gebruik van geweld door de Bahreinse autoriteiten, waarbij tientallen demonstranten zijn gedood, en overwegende dat de internationale gemeenschap hierop te traag en te slap heeft gereageerd;

B.  overwegende dat er op verzoek van de Bahreinse regering onder de vlag van de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC) in Bahrein duizenden buitenlandse troepen uit Saoedi-Arabië en de VAE zijn gestationeerd;

C.  overwegende dat een militaire rechtbank op 29 september 2011 de veroordelingen heeft bevestigd van minstens 20 artsen en medische personeelsleden, die waren veroordeeld tot gevangenisstraffen van 5 tot 15 jaar wegens vermeende antiregeringsactiviteiten bij de uitoefening van hun werkzaamheden en het handhaven van hun ethische beroepscode door eerder dit jaar gewonde demonstranten gelijkelijk te behandelen en te verplegen; overwegende dat de openbare aanklager van Bahrein, Ali Alboainain, op 5 oktober 2011 onder internationale druk heeft aangekondigd dat de 20 een nieuw proces moeten krijgen voor civiele rechtbanken, en dat deze rechtszaken op 23 oktober 2011 zijn begonnen;

D.  overwegende dat een aantal van de veroordeelde artsen is opgeleid in lidstaten van de EU, lid is van in de EU gevestigde medische beroepsorganisaties en een goede reputatie geniet onder collegae in andere landen;

E.  overwegende dat de gerichte onderdrukking van artsen en medisch personeel ernstige gevolgen heeft voor het werk van internationale humanitaire organisaties; overwegende dat de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN de bezetting van medische faciliteiten door veiligheidstroepen en de willekeurige arrestaties en slechte behandeling van medisch personeel heeft veroordeeld als schokkend en illegaal;

F.  overwegende dat op 6 september 2011 de onder militaire leiding staande Nationale Veiligheidsrechtbank de veroordelingen heeft bevestigd van tenminste 21 prominente Bahreinse mensenrechtenactivisten en tegenstanders van het regime, waaronder bloggers en mensenrechtenactivisten dr. Abduljalil Al-Singace en Abdulhadi Al-Khawaja, die allen burgers zijn, zogenaamd voor het beramen van de omverwerping van de regering; overwegende dat dit jaar circa 60 burgers zijn berecht door de Nationale Veiligheidsrechtbank;

G.  overwegende dat een groot aantal andere politieke activisten, mensenrechtenactivisten en journalisten is opgepakt bij de recente demonstraties waarbij tot hervormingen werd opgeroepen; overwegende dat deze personen volgens mensenrechtenorganisaties zijn gemarteld, slecht zijn behandeld en zijn geïntimideerd door veiligheidstroepen;

H.  overwegende dat de vice-secretaris-generaal van de Ιnternationale Federatie voor de Rechten van de Mens (FIDH), Nabeel Rajab, president van het Centrum voor de mensenrechten van Bahrein, werd verboden het land te verlaten en wordt bedreigd en geïntimideerd door de veiligheidstroepen;

I.  overwegende dat de voormalig vicepresident van de Bahreinse vereniging van onderwijzers, Jalila al-Salman, op 18 oktober 2011 voor de tweede keer bij haar thuis is gearresteerd; overwegende dat op 23 september 2011 16 vrouwen en vier meisjes zijn opgepakt op beschuldiging van het houden van een „illegale openbare bijeenkomst”, het veroorzaken van rellen en „het aanzetten tot haat tegen het regime”;

J.  overwegende dat de doodstraffen die werden uitgesproken tegen Ali Abdullah Hassan al-Sankis en Abdulaziz Abdulridha Ibrahim Hussain voor het doden van twee politieagenten tijdens de demonstraties tegen de regering in Bahrein zijn bekrachtigd door het Nationaal hof van beroep voor de veiligheid op 22 mei 2011; overwegende dat de zaak van de twee mannen na beroep is verwezen naar het Bahreinse Hof van cassatie, dat naar verwachting op 28 november 2011 een uitspraak zal doen;

K.  overwegende dat honderden personen, waaronder onderwijzers en medisch personeel, na de demonstraties zijn ontslagen, gearresteerd of valselijk zijn beschuldigd in massaprocessen voor militaire rechtbanken, en dat veel van hen niet opnieuw zijn aangenomen na te zijn ontslagen wegens deelname aan de demonstraties, ondanks de toezegging van de koning dat dit voor de meesten van hen wel het geval zou zijn;

L.  overwegende dat meer dan 40 personen zijn gedood sinds het begin van de demonstraties tegen de regering, waaronder Ahmed al-Jaber al-Qatan, naar verluid neergeschoten terwijl hij deelnam aan een demonstratie op 6 oktober 2011 tegen de regering in de buurt van de hoofdstad Manama, waarnaar recent een onderzoek is ingesteld;

M.  overwegende dat de staat van nationale veiligheid in Bahrein op 1 juni is 2011 opgeheven en dat koning Hamad Bin Isa al-Khalifa op 2 juli 2011 heeft opgeroepen tot een nationale dialoog om tegemoet te komen aan de wensen van de bevolking na de recente gebeurtenissen; overwegende dat de aanbevelingen die uit de dialoog zijn voortgekomen zijn overhandigd aan de koning;

N.  overwegende dat op 29 juni 2011 door koning Hamad een onafhankelijke onderzoekscommissie (BICI) met een internationale onafhankelijke component is opgericht om een onderzoek in te stellen naar de ernstige mensenrechtenschendingen die zich tijdens de recente onderdrukkingsacties tegen hervormingsgezinde demonstranten hebben voorgedaan en dat deze commissie haar bevindingen op 23 november 2011 zal presenteren;

O.  overwegende dat op 24 september 2011 verkiezingen zijn gehouden voor het lagerhuis van het parlement, teneinde de 18 zetels op te vullen die zijn opgegeven door de oppositiepartij Al-Wefaz, die zich uit het parlement van het land heeft teruggetrokken uit protest tegen de behandeling van demonstranten tijdens de onlusten eerder dit jaar;

1.  veroordeelt de repressie van burgers in Bahrein, die heeft geleid tot tientallen doden en gewonden, en dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle vreedzame demonstranten, politieke activisten, mensenrechtenactivisten, artsen en paramedici, bloggers en journalisten, en spreekt zijn solidariteit uit met de families van alle slachtoffers;

2.  roept de Bahreinse veiligheidstroepen en autoriteiten op een einde te maken aan het geweld, de onderdrukking en de opsluiting van vreedzame demonstranten en de grootst mogelijke terughoudendheid te betrachten bij hun inspanningen om protesten onder controle te houden; dringt er bij de autoriteiten op aan de eigen wetgeving en de internationale verplichtingen strikt na te leven;

3.  herhaalt zijn standpunt dat demonstranten uiting hebben gegeven aan hun legitieme verlangen naar democratie en roept de Bahreinse regering op een werkelijke, zinvolle en constructieve dialoog aan te gaan met de oppositie, zonder verder uitstel of bijkomende voorwaarden, met het oog op het doorvoeren van de nodige hervormingen, het stimuleren van nationale verzoening en het herstel van de sociale consensus in het land;

4.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de aanwezigheid van buitenlandse troepen onder de vlag van de GCC in Bahrein en roept op tot onmiddellijke terugtrekking van deze troepen; herhaalt zijn verzoek aan de GCC om constructief op te treden en te bemiddelen in het belang van vreedzame hervormingen in Bahrein;

5.  veroordeelt het gebruik van militaire rechtbanken voor het berechten van burgers, aangezien dit een schending inhoudt van internationale normen voor een eerlijke rechtspraak, en benadrukt dat burgers berecht moeten worden door civiele rechtbanken en dat elke verdachte recht heeft op een eerlijk proces, toegang tot een advocaat en voldoende tijd ter voorbereiding van de verdediging; dringt aan op de onmiddellijke stopzetting van massale berechtingen van burgers door de Nationale Veiligheidsrechtbank, een militaire rechtbank;

6.  verwelkomt het besluit om artsen en verpleegsters opnieuw te berechten voor civiele rechtbanken, maar is van mening dat alle aanklachten tegen hen moeten worden ingetrokken, en roept de civiele rechtbanken op de artsen en het medisch personeel onvoorwaardelijk en onmiddellijk vrij te laten, aangezien zij handelden in overeenstemming met hun beroepsplicht en zijn beschuldigd van het medisch verzorgen van tegenstanders van het regime, alsmede van ernstige misdrijven, die van politieke aard lijken te zijn en waarvoor geen geloofwaardig bewijs is geleverd, alsmede om alle andere politieke activisten, journalisten, onderwijzers, bloggers en mensenrechtenactivisten vrij te laten, vanwege de willekeurige aard van de aanklachten en van de procedures als geheel; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de levenslange gevangenisstraffen die zijn uitgesproken tegen minstens acht activisten van de oppositie en minstens 13 personen die tot straffen van maximaal 15 jaar hechtenis zijn veroordeeld;

7.  benadrukt dat het op onpartijdige wijze verzorgen van gewonden een fundamentele juridische verplichting vormt van het humanitaire recht, en dringt er bij Bahrein op aan, als partij bij de Conventies van Genève, zijn verplichtingen inzake de levering van zorg voor zieken en gewonden na te komen;

8.  roept het Koninkrijk Bahrein op om alle medici te laten terugkeren naar hun banen en alle medici en hun verdedigingsteams toegang te bieden tot de medische onderzoeksrapporten die de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie heeft opgesteld van de gedetineerde artsen;

9.  waarschuwt tegen het misbruik van wetten op het gebied van nationale veiligheid;

10.  verzoekt de autoriteiten alle mensenrechten en fundamentele vrijheden te herstellen en te respecteren, waaronder pluralisme van de media, zowel online als offline, vrijheid van meningsuiting en vergadering, vrijheid van godsdienst, vrouwenrechten en gendergelijkheid, maatregelen te nemen ter bestrijding van discriminatie, en een einde te maken aan de censuur; roept de Bahreinse autoriteiten op het verzoek van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN om het land te bezoeken in te willigen;

11.  wijst erop dat duizenden werknemers hun banen zijn kwijtgeraakt vanwege hun deelname aan de vreedzame demonstraties tegen de regering; roept de nationale autoriteiten en de betrokken Europese ondernemingen op deze personen onmiddellijk weer in dienst te nemen en ervoor te zorgen dat zij worden gecompenseerd voor hun gederfde inkomen;

12.  neemt met instemming kennis van het besluit van koning Hamad om een onafhankelijke commissie op te zetten voor het instellen van een onderzoek naar de mensenrechtenschendingen die tijdens de recente onderdrukkingsacties tegen hervormingsgezinde demonstranten door de veiligheidstroepen zijn begaan; dringt aan op volledige onpartijdigheid en transparantie van deze commissie en roept de Bahreinse regering op zich niet met de werkzaamheden ervan te bemoeien, en ervoor te zorgen dat plegers van misdaden en alle personen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking voor het gerecht worden gebracht en een eerlijk proces krijgen;

13.  is ingenomen met de oprichting van een ministerie voor mensenrechten en sociale ontwikkeling in Bahrein, en verzoekt dat ministerie overeenkomstig de internationale mensenrechtennormen en -verplichtingen op te treden;

14.  roept op om bij de processen van politieke gevangenen internationale waarnemers toe te laten en ze tevens toezicht te laten houden op de werkzaamheden van de onafhankelijke commissie die onderzoek doet naar mensenrechtenschendingen, om objectiviteit overeenkomstig internationale normen te waarborgen;

15.  roept de Bahreinse autoriteiten en de koning van Bahrein ertoe op de doodstraffen die zijn uitgesproken tegen Ali Abdullah Hassan al-Sankis en Abdulaziz Abdulridha Ibrahim Hussain in een andere straf om te zetten; herhaalt sterk gekant te zijn tegen het gebruik van de doodstraf en dringt er bij de Bahreinse autoriteiten op aan een onmiddellijk moratorium uit te roepen;

16.  is van mening dat het onderzoek dat is gestart naar de dood van een 16-jarige jongen, Ahmed al-Jaber al-Qatan, tijdens de demonstraties tegen de regering onafhankelijk moet zijn, dat de bevindingen openbaar moeten worden gemaakt en dat de verantwoordelijken voor het gerecht moeten worden gebracht;

17.  benadrukt het belang van verzoening als essentiële voorwaarde voor de hervorming en de stabiliteit van de veelzijdige Bahreinse samenleving, waarin de rechten van elke burger gelijkelijk gegarandeerd moeten zijn door zowel de letter als de praktijk van de wet;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0148.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0333.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0109.

Juridische mededeling - Privacybeleid