Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 7 juni 2011 - Straatsburg
Benoeming van een lid van de Europese Rekenkamer (H.G.Wessberg-SV)
 Verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Agnes Hankiss
 Bewijsstukken inzake de oorsprong van bepaalde textielproducten ***I
 Deelneming van Kroatië aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving ***
 Transporttoepassingen van de globale navigatiesatellietsystemen
 Internationale luchtvaartovereenkomsten in het kader van het Verdrag van Lissabon
 Belasting op zware vrachtvoertuigen ***II
 Europese milieu- en economische rekeningen ***I

Benoeming van een lid van de Europese Rekenkamer (H.G.Wessberg-SV)
PDF 190kWORD 29k
Besluit van het Europees Parlement van 7 juni 2011 over de voordracht van H.G. Wessberg voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C7-0103/2011 – 2011/0803(NLE))
P7_TA(2011)0246A7-0190/2011

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0103/2011),

–  gezien het feit dat de Commissie begrotingscontrole op haar vergadering van 24 mei 2011 de kandidaat die de Raad heeft voorgedragen voor benoeming tot lid van de Rekenkamer heeft gehoord,

–  gezien artikel 108 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7-0190/2011),

A.  overwegende dat H.G. Wessberg voldoet aan de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gestelde voorwaarden,

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van H.G. Wessberg tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Agnes Hankiss
PDF 178kWORD 35k
Besluit van het Europees Parlement van 7 juni 2011 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Ágnes Hankiss (2010/2213(IMM))
P7_TA(2011)0247A7-0196/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Ágnes Hankiss, dat op 6 juli 2010 werd ingediend door het kantongerecht van Boeda, en van de ontvangst waarvan op 6 september 2010 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Ágnes Hankiss op 11 april 2011 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,

–  gelet op artikel 9 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en op artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008 en 19 maart 2010(1),

–  gelet op artikel 6, lid 2 en artikel 7 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0196/2011),

A.  overwegende dat het kantongerecht van Boeda, Boedapest, om opheffing van de immuniteit van Ágnes Hankiss, een lid van het Europees Parlement, heeft verzocht, teneinde tegen Ágnes Hankiss een nieuw strafproces aan te spannen, zoals in het vonnis van het hooggerechtshof van de republiek Hongarije was bevolen,

B.  overwegende dat om opheffing van de immuniteit van Ágnes Hankiss verzocht is omdat zij zich tijdens het televisieprogramma „Péntek 8 mondatvadász” van 23 januari 2004 schuldig zou hebben gemaakt aan belediging ex artikel 181 van het Hongaarse wetboek van strafrecht,

C.  overwegende dat een particulier op 18 februari 2004 een schriftelijke aanklacht tegen Ágnes Hankiss heeft ingediend die op 23 februari 2004 bij het kantongerecht van Boeda is binnengekomen; overwegende dat het kantongerecht van Boeda op 28 juni 2005 uitspraak in deze zaak heeft gedaan waartegen beroep is aangetekend bij de rechtbank van Boedapest die deze uitspraak op 3 februari 2006 nietig verklaarde,

D.  overwegende dat de zaak vervolgens is terugverwezen naar het kantongerecht van Boeda dat Ágnes Hankiss op 6 februari 2009 vrijsprak; overwegende dat klaagster hiertegen bij de rechtbank van Boedapest beroep heeft aangetekend en dat die rechtbank op 25 maart 2009 besloot het vonnis van het kantongerecht op alle punten te bevestigen,

E.  overwegende dat het hooggerechtshof van Hongarije op 12 november 2009 beide vonnissen heeft vernietigd wegens een schending van het materieel recht en de zaak heeft terugverwezen naar het kantongerecht van Boeda voor een nieuw proces,

F.  overwegende dat Ágnes Hankiss sinds 15 juli 2009 lid van het Europees Parlement is,

G.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tijdens de zittingsduur van het Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend, en overwegende dat deze immuniteit niet kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen,

H.  overwegende dat in artikel 552 lid 1 van het Hongaars wetboek van strafvordering is bepaald dat tegen een persoon die immuniteit geniet, pas een strafvervolging kan worden ingezet als om opheffing van zijn immuniteit is verzocht en dat in artikel 551 lid 1 van ditzelfde wetboek is bepaald dat de strafrechtelijke vervolging van o.a. een lid van het Europees Parlement pas een aanvang kan nemen nadat zijn immuniteit is opgeheven,

I.  overwegende dat in artikel 12 lid 1 van wet LVII van 2004 is bepaald dat als een particulier de klacht heeft ingediend een verzoek om opheffing van de immuniteit door de rechtbank bij de Voorzitter van het Europees Parlement moet worden ingediend,

J.  overwegende dat Ágnes Hankiss tijdens het nieuwe proces dat op de vernietiging van de eerste uitspraak volgde, heeft verklaard dat zij lid van het Europees Parlement was en dat het kantongerecht van Boeda derhalve uit hoofde van artikel 552 lid 1 van het Hongaarse wetboek van strafvordering en artikel 12 van wet LVII van 2004 besloten heeft het proces op te schorten en om opheffing van haar immuniteit te vragen,

K.  overwegende dat het daarom gepast is aan te bevelen de parlementaire immuniteit in dit geval op te heffen,

1.  besluit de immuniteit van Ágnes Hankiss op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Hongaarse Republiek en aan Ágnes Hankiss.

(1) Zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier, Jurispr. 1964, blz. 195, zaak 149/85, Wybot/Faure en anderen, Jurispr. 1986, blz. 2391, zaak T-345/05, Mote/Parlement, Jurispr. 2008, blz. II-2849, gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra/De Gregorio en Clemente, Jurispr. 2008, blz. I-7929, en zaak T-42/06, Gollnisch/Parlement.


Bewijsstukken inzake de oorsprong van bepaalde textielproducten ***I
PDF 197kWORD 33k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2011 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1541/98 van de Raad betreffende de bewijsstukken inzake de oorsprong van bepaalde, in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte textielproducten van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur en betreffende de voorwaarden waaronder die bewijsstukken kunnen worden aanvaard, en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen (COM(2010)0544 – C7-0316/2010 – 2010/0272(COD))
P7_TA(2011)0248A7-0156/2011

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0544),

–  gelet op artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0316/2010),

–  gelet op artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A7-0156/2011),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen;

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 7 juni 2011 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. .../2011 van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1541/98 van de Raad betreffende de bewijsstukken inzake de oorsprong van bepaalde, in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte textielproducten van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur en betreffende de voorwaarden waaronder die bewijsstukken kunnen worden aanvaard, en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen

P7_TC1-COD(2010)0272


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EU) nr. 955/2011.)


Deelneming van Kroatië aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving ***
PDF 194kWORD 29k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2011 over het ontwerp van besluit van de Raad over de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kroatië betreffende de deelneming van de Republiek Kroatië aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (11633/2010 – C7-0026/2011 – 2010/0011(NLE))
P7_TA(2011)0249A7-0186/2011

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (11633/2010),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kroatië betreffende de deelneming van de Republiek Kroatië aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (11633/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 168, lid 5, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0026/2011),

–  gelet op artikel 81 en artikel 90, lid 8, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0186/2011),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Kroatië.


Transporttoepassingen van de globale navigatiesatellietsystemen
PDF 185kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2011 over transporttoepassingen van de globale navigatiesatellietsystemen - EU-beleid op korte en middellange termijn (2010/2208(INI))
P7_TA(2011)0250A7-0084/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van 14 juni 2010 van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's inzake een Actieplan inzake toepassingen van het wereldwijd satellietnavigatiesysteem (GNSS) (COM(2010)0308),

–  gezien de conclusies van de Raad van 1 oktober 2010 inzake dat actieplan (14146/2010),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over het Europa 2020-vlaggeschipinitiatief: Innovatie-Unie' (COM(2010)0546),

  gezien het verslag van de Commissie van 18 januari 2011 aan het Europees Parlement en de Raad over de tussentijdse evaluatie van de Europese programma's voor radionavigatie per satelliet (COM(2011)0005), waarin wordt opgemerkt dat er aanzienlijke middelen nodig zijn om de infrastructuur voor radiosatellietnavigatie te voltooien,

–  gezien Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende de voortzetting van de uitvoering van de Europese programma's voor navigatie per satelliet (Egnos en Galileo)(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1321/2004 van de Raad van 12 juli 2004 inzake de beheersstructuren van de Europese programma's voor radionavigatie per satelliet(2),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 8 december 2006 betreffende satellietnavigatietoepassingen (COM(2006)0769),

–  gezien Verordening (EU) nr. 912/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 tot oprichting van het Europese GNSS-Agentschap, tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1321/2004 van de Raad inzake de beheersstructuren van de Europese programma's voor radionavigatie per satelliet en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad(3),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 januari 2004 over de mededeling van de Commissie aan het Parlement en de Raad over de voortgang van het programma Galileo(4),

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie(A7-0084/2011),

A.  overwegende dat GNSS-toepassingen thans een centraal en onmisbaar element vormen in elke vorm van vervoer en overwegende dat de efficiënte en doelmatige toepassing ervan het vervoer veiliger, milieuvriendelijker en zuiniger maakt,

B.  overwegende dat vervoerstoepassingen verantwoordelijk zijn voor 20% van het volume en voor 44% van de waarde van alle GNSS-toepassingen en dat veiligheidsoperaties - die meestal met het vervoer samenhangen - verantwoordelijk zijn voor nog eens 5%,

C.  overwegende dat de Europese Unie niet voor onbeperkte duur afhankelijk kan blijven van een basisinfrastructuur voor de werking van GNSS die berust op systemen die aanvankelijk door andere landen voor andere doeleinden werden ontwikkeld,

D.  overwegende dat EGNOS een autonoom systeem is ter aanvulling op GPS, dat van de GPS-signalen afhankelijk is om berekeningen en correcties te kunnen uitvoeren; overwegende dat er geen volledig onafhankelijk GNSS zal zijn totdat Galileo is uitgevoerd,

E.  overwegende dat het EGNOS-systeem van Europa ontworpen is om te kunnen voldoen aan de grote en gevarieerde huidige en toekomstige vraag van de industrie in Europa en de wereld, bijvoorbeeld op het gebied van transport, veiligheid en traceerbaarheid, overeenkomstig de doelstellingen van het proactievere nieuwe Europese industriebeleid, en overwegende dat dit systeem ook compatibel met GPS is en aanmerkelijk nauwkeuriger dan het Galileosysteem,

F.  overwegende dat de commerciële vervoerstoepassingen van GNSS en Galileo een groeiende wereldwijde markt vertegenwoordigen, die zoveel mogelijk moet worden aangeboord in het belang van de Europese industrie en ten einde meer gekwalificeerde werkgelegenheid te creëren,

G.  overwegende dat GNSS een essentiële rol zal vervullen bij de ondersteuning en bevordering van het gebruik van Intelligente Vervoerssystemen (ITS),

H.  overwegende dat de ontwikkeling van GNSS-toepassingen en -diensten van essentieel belang is, wil gewaarborgd zijn dat de investeringen in infrastructuur die GALILEO meebrengt, ten volle worden geëxploiteerd en dat de volledige capaciteit van het GALILEO-systeem wordt benut,

I.  overwegende dat investeringen in deze sector gevolgen hebben voor alle beleidsvormen van de EU en dat de uitbreiding en toepassing ervan rechtstreeks van invloed zal zijn op de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie en de ontwikkeling van het potentieel van de Europese markt voor GNSS-toepassingen en diensten, ten einde banen te creëren en het Europese concurrentievermogen te stimuleren,

J.  overwegende dat het GNSS- en het Galileo-project een aanzienlijke toegevoegde waarde voor het Europese industriebeleid meebrengen en dat het belangrijk is om het welslagen ervan te waarborgen,

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie over een actieplan voor de toepassingen van Wereldwijde Satellietnavigatiesystemen (GNSS) en de daarin voorgestelde reeks van specifieke sectorale, regelgevende en horizontale acties;

2.  is het met de Commissie erover eens dat het voorgenomen actieplan op dit tijdstip de beste optie is om een verdere impuls te geven aan de ontwikkeling en toepassing van EGNOS en Galileo, met name op transportgebied; onderstreept dat satellietnavigatiesystemen interoperabiliteit tussen verschillende systemen (waaronder ook conventionele) zouden moeten inhouden, en daarnaast intermodaal gebruik ten behoeve van zowel passagiers- als vrachtvervoersdiensten zouden moeten omvatten;

3.  merkt op dat van de vijftien sectorspecifieke voorstellen in het actieplan negen rechtstreeks verband houden met het transport en dat de meeste andere ook nodig zijn ter ondersteuning van voor het transport relevante toepassingen;

4.  verzoekt de Commissie te zorgen voor onverwijlde certificering van EGNOS voor de burgerluchtvaart door de bevoegde autoriteiten;

5.  is het ermee eens dat acties ter bevordering van het gebruik van EGNOS in de burgerluchtvaart een strategische vereiste zijn voor de totstandkoming van SESAR (Single European Sky ATM Research), vooral wat betreft de toepassing ervan bij landingsprocedures en op kleine luchthavens;

6.  betreurt het dat op dit tijdstip nog niet het gehele gebied van de Europese Unie door EGNOS wordt gedekt en dringt erop aan om dit systeem met grote urgentie uit te breiden tot zuidelijk, oostelijk en zuidoostelijk Europa, zodat het systeem in heel Europa in elke vervoerssector kan worden gebruikt; en acht het van groot belang om de reikwijdte ervan uit te breiden tot de MEDA-landen en tot het Midden-Oosten en Afrika;

7.  onderstreept hoe belangrijk GNSS is voor de ontwikkeling van Intelligente Vervoerssystemen (ITS); herinnert eraan dat ITS efficiëntere, schonere en veiligere vervoersoplossingen kan bieden, en dat voor een correcte toepassing van een aantal ITS-diensten goed functionerende GNSS nodig zijn;

8.  ondersteunt het standpunt dat EGNOS een belangrijke bijdrage kan leveren aan het beheer van het wegverkeer en dat er een bewustmakingscampagne in die sector moet worden gevoerd om beter gebruik te maken van de kansen die dit biedt bij het ophalen van tolgelden, eCall, het online boeken van veilige parkeergelegenheid voor vrachtwagens en naspeuring in real time, waardoor een bijdrage kan worden geleverd aan een veiliger en milieuvriendelijker wegtransport;

9.  dringt er daarom bij de Commissie op aan om de nodige regelgevende voorstellen in te dienen om GNSS in staat te stellen zijn toegevoegde waarde te leveren aan de veiligheid van alle vormen van vervoer, met name het wegverkeer, en bij te dragen tot een doelmatiger vervoer van goederen;

10.  dringt er bij de Commissie op aan de industriële samenwerking met derde landen op te voeren, ten einde de ontwikkeling en de compatibiliteit van EGNOS- en Galileo-diensten en -toepassingen te bevorderen;

11.  is het erover eens dat de Commissie een zorgvuldige evaluatie moet verrichten van de noodzaak tot wijziging van de bestaande wetgeving inzake digitale tachograven, om ervoor te zorgen dat op correcte wijze gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die GNSS biedt voor het verzamelen van informatie over positie en snelheid van voertuigen;

12.  is het erover eens dat GNSS een belangrijk bijdrage kan leveren tot grotere veiligheid en doelmatigheid in de scheepvaart en dat de Commissie stappen moet doen om een grotere bewustwording te bewerkstelligen van de mogelijke toepassingen van GNSS in de zeevaart en de binnenvaart en om op EGNOS gebaseerde toepassingen te doen aanvaarden op het niveau van de IMO en de ICAO;

13.  schaart zich achter het voornemen van de Commissie om bewustwordingscampagnes onder de verschillende belanghebbenden te houden, zodat de Europese industrie voldoende vertrouwen krijgt om te investeren in het commerciële potentieel van de satellietnavigatieprojecten van de EU;

14.  verzoekt de Commissie de in het actieplan genoemde uitgebreide maatregelen voor bewustmakingscampagnes op efficiënte wijze uit te voeren, ten einde in Europa tot een uitvoerig gebruik van EGNOS op alle toepassingsgebieden te komen en aldus meer complexe benaderingen te waarborgen;

15.  dringt er bij de Commissie op aan om, in het kader van de begrotingsprocedure en de toekomstige meerjarige financiële kaders, voorstellen te doen om een toereikend niveau van financiering te garanderen voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van GNSS, en ook voor de tenuitvoerlegging van de resultaten daarvan; onderstreept dat er toch al weinig EU-middelen voor de transportsector beschikbaar zijn, en dat extra middelen voor GNSS dan ook niet tot gevolg mogen hebben dat er in andere prioriteiten op het gebied van het gemeenschappelijk vervoerbeleid wordt gesneden; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om specifiek voor dit project, maar ook voor vergelijkbare projecten zoals de TEN-T, een meerjarig financieringsvoorstel voor te leggen voor een langere termijn dan de zeven jaar van de financiële vooruitzichten, ten einde tot een stabiel en betrouwbaar financieel kader te komen voor Europese projecten die een ambitieuzer karakter hebben dan nu het geval is;

16.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te overwegen om de inkomsten uit commerciële Galileo-activiteiten in de EU-begroting op te nemen;

17.  verzoekt de Commissie het Parlement mee te delen hoe de jaarlijkse onderhoudskosten, die op 800 miljoen EUR worden geraamd, zullen worden bekostigd als Galileo operationeel is geworden;

18.  roept de Commissie op een breed opgezette financieringsstrategie te ontwikkelen die in aanvulling op adequate bijdragen van de EU en de lidstaten bijvoorbeeld gecoördineerde belastingprikkels, vereenvoudigde procedures voor het aanvragen van subsidie en regelingen voor het sluizen van risicodragend kapitaal naar het MKB en het vergemakkelijken van de ontwikkeling en marketing van EGNOS- en Galileo-toepassingen omvatten, en wel in samenwerking met de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;

19.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat de 100 miljoen EUR aan betalingskredieten voor onderzoek die wellicht niet zullen worden uitgegeven in het kader van het Zevende kaderprogramma, beschikbaar worden gesteld voor de ontwikkeling van GNSS-toepassingen;

20.  verzoekt de Commissie om te onderzoeken hoe vereenvoudigde procedures zouden kunnen bijdragen tot een efficiëntere en transparante uitbetaling van deze middelen ter ondersteuning van het onderzoek op het gebied van met GNSS ondersteund transport voor allen, met bijzondere aandacht voor het MKB;

21.  verzoekt de Commissie de toegang van het MKB tot Europese subsidie te vergemakkelijken om innovatie rondom GNSS-toepassingen te stimuleren, met name in het kader van het zevende en het achtste kaderprogramma voor O&O;

22.  dringt er bij de Commissie op aan na te gaan welke vragen er bij het gebruik van GNSS-toepassingen en -diensten met betrekking tot de bescherming van de privacy kunnen rijzen, en alles in het werk te stellen om hierop een antwoord te geven;

23.  neemt kennis van de behoefte die er bestaat aan investeringen in onderzoek naar GNSS-specifieke toepassingen en diensten – met bijzondere aandacht voor de specifieke behoeften van gehandicapten, hetgeen van cruciaal belang is voor een juiste voorbereiding en gebruikmaking van GNSS diensten;

24.  verzoekt de Commissie daarom tevens steun te bieden aan initiatieven ter ontwikkeling van sectorspecifieke dienstencentra, met name voor de zeevaart;

25.  betreurt het feit dat het tekort aan middelen voor onderzoek en innovatie op het gebied van toepassingen op basis van EGNOS en Galileo een rem vormt voor de technologische vooruitgang en de groei van de industriële capaciteit in de Europese Unie en een vanuit ecologisch opzicht effectieve tenuitvoerlegging en dringt er dan ook bij de Commissie op aan regelingen in te voeren waarmee kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker toegang krijgen tot subsidies;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 196 van 24.7.2008, blz. 1.
(2) PB L 246 van 20.7.2004, blz. 1.
(3) PB L 276 van 20.10.2010, blz. 11.
(4) PB C 96 E van 21.4.2004, blz. 128.


Internationale luchtvaartovereenkomsten in het kader van het Verdrag van Lissabon
PDF 125kWORD 43k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2011 over internationale luchtvaartovereenkomsten in het kader van het Verdrag van Lissabon (2010/2207(INI))
P7_TA(2011)0251A7-0079/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit van 20 oktober 2010 over de herziening van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie(1) („de kaderovereenkomst”),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 juni 2010 over de luchtvervoersovereenkomst tussen de EU en de VS(2),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 mei 2010 over de opening van onderhandelingen over overeenkomsten inzake persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) met de Verenigde Staten, Australië en Canada(3),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2007 over de totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese luchtvaartruimte(4),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 maart 2007 over de sluiting van de overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Verenigde Staten van Amerika anderzijds(5),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 januari 2006 over de ontwikkeling van de agenda voor het externe luchtvaartbeleid van de Gemeenschap(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Ontwikkeling van de agenda voor het externe luchtvaartbeleid van de Gemeenschap” (COM(2005)0079),

–  gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 218,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A7–0079/2011),

A.  overwegende dat het Parlement, tot de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, slechts werd geraadpleegd over de sluiting van internationale luchtvaartovereenkomsten,

B.  overwegende dat nu de goedkeuring van het Parlement vereist is voor overeenkomsten op gebieden waarop de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is,

C.  overwegende dat het Parlement, bij onderhandelingen van de Commissie over overeenkomsten tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties, „in alle stadia van de onderhandelingen onverwijld en ten volle geïnformeerd moet worden”(7),

D.  overwegende dat de kaderovereenkomst moet waarborgen dat de instellingen hun voorrechten en bevoegdheden zo doeltreffend en transparant mogelijk uitoefenen,

E.  overwegende dat de Commissie zich er in de kaderovereenkomst toe heeft verplicht het beginsel van gelijke behandeling van het Parlement en de Raad toe te passen met betrekking tot wetgevings- en begrotingsaangelegenheden, vooral wat betreft de toegang tot vergaderingen en de beschikbaarstelling van bijdragen of andere informatie,

Inleiding

1.  is van oordeel dat allesomvattende luchtvaartovereenkomsten met buurlanden of belangrijke partners wereldwijd aanzienlijke voordelen kunnen opleveren voor passagiers, goederenvervoerders en luchtvaartmaatschappijen, zowel op het gebied van markttoegang als de harmonisering van de regelgeving teneinde eerlijke concurrentie te bevorderen, ook met betrekking tot overheidssubsidies en sociale en milieunormen;

2.  erkent dat horizontale overeenkomsten, waarmee bestaande bilaterale overeenkomsten in overeenstemming worden gebracht met het EU-recht, noodzakelijk zijn om de rechtszekerheid te waarborgen, en aanvullende voordelen bieden wat betreft vereenvoudiging en de garantie dat alle luchtvaartmaatschappijen in de Unie dezelfde rechten genieten;

3.  wijst erop dat vlucht- en luchtveiligheidsnormen voor vliegpassagiers, bemanning en de luchtvaart in het algemeen van cruciaal belang zijn en ondersteunt bijgevolg het sluiten van overeenkomsten inzake de luchtvaartveiligheid met landen die een grote vliegtuigindustrie hebben, gezien de kostenbesparing en de consistent hoge normen die kunnen worden bereikt door de overlapping van evaluaties, testen en controles tot een minimum te beperken;

4.  betreurt dat de Raad de Commissie nog een onderhandelingsmandaat moet verlenen voor een allesomvattende luchtvaartovereenkomst met belangrijke handelspartners als de Volksrepubliek China en India; is van oordeel dat deze tekortkoming de belangen van de Unie steeds meer schaadt, vooral gezien de snelle groei van deze economieën;

5.  wijst erop dat belangrijke landen als Japan en de Russische Federatie niet voorkomen op de meest recente lijst van de Commissie met lopende onderhandelingen over luchtvaartovereenkomsten;

6.  uit zijn bezorgdheid over de onopgeloste kwestie van het vliegen over Siberië; verzoekt de Commissie om alle nodige stappen te ondernemen om concurrentievervalsing tussen luchtvaartmaatschappijen in de EU te voorkomen, en om deze kwestie ook aan te kaarten in het kader van de onderhandelingen over toetreding van Rusland tot de WTO;

De evaluatiecriteria voor een overeenkomst

7.  benadrukt dat bij alle onderhandelingen moet worden beoordeeld of de voordelen van een vroege sluiting van een overeenkomst opwegen tegen een latere sluiting met een ambitieuzer resultaat;

8.  wijst erop dat het Parlement bij de evaluatie van allesomvattende overeenkomsten die het ter goedkeuring worden voorgelegd zal streven naar de toepassing van een consistent stelsel van normen; benadrukt dat het Parlement er bij de evaluatie met name op zal letten in hoeverre: beperkingen ten aanzien van markttoegang en investeringsmogelijkheden op een evenwichtige manier worden versoepeld; stimulansen worden geboden voor de handhaving en verbetering van sociale en milieunormen; voor passende waarborgen wordt gezorgd ten aanzien van gegevensbescherming en de persoonlijke levenssfeer; veiligheidsnormen wederzijds worden erkend; en een hoog niveau van passagiersrechten wordt verzekerd;

9.  is van oordeel dat er dringend behoefte is aan wereldwijde normen voor gegevensbescherming en de persoonlijke levenssfeer, en dat de criteria die het Europees Parlement heeft vastgesteld in zijn resolutie van 5 mei 2010 een passend model bieden voor een dergelijke overeenkomst; wijst erop dat de Europese Unie bij de ontwikkeling van zulke internationale normen een voortrekkersrol zou moeten spelen;

10.  wijst erop dat de luchtvaartsector een steeds grotere rol speelt in de opwarming van de aarde, en is van mening dat in de overeenkomsten moet worden vastgelegd dat er in het kader van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie zal worden samengewerkt om de uitstoot van vliegtuigen te verminderen, en dat er zal worden gestreefd naar meer technische samenwerking op het gebied van klimaatwetenschap (CO2- en andere klimaatrelevante emissies in de atmosfeer), onderzoek, technologische ontwikkeling en brandstofefficiëntie;

11.  benadrukt dat diverse aspecten van de luchtvaartregelgeving, waaronder geluids- en nachtvluchtbeperkingen, lokaal moeten worden geregeld, met volledige eerbiediging van het grondbeginsel van eerlijke concurrentie en het subsidiariteitsbeginsel; verzoekt de Commissie deze kwesties op Europees niveau te coördineren, rekening houdend met de nationale wetgeving van de lidstaten alsook met het beginsel van de „evenwichtige aanpak” zoals gedefinieerd door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie;

12.  verzoekt de Commissie de luchtvaartovereenkomsten te gebruiken voor een betere naleving van de relevante internationale wetgeving inzake sociale rechten, in het bijzonder de arbeidsnormen die zijn vastgelegd in de fundamentele overeenkomsten van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO 1930-1999), de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen (1976, herzien in 2000) en het Verdrag van Rome van 1980 inzake recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst;

13.  merkt op dat in het geval van veiligheidsovereenkomsten onder meer de volgende criteria gelden: volledige wederzijdse erkenning van certificeringspraktijken en -procedures; de uitwisseling van veiligheidsgegevens; gezamenlijke inspecties; nauwere internationale samenwerking op regelgevingsgebied; en raadplegingen op technisch niveau teneinde kwesties op te lossen voordat het mechanisme voor geschillenbeslechting moet worden ingeschakeld;

Procedure

14.  benadrukt dat het Parlement de procedure vanaf het begin moet volgen voordat het kan beslissen of het aan het eind van de onderhandelingen zijn goedkeuring verleent; meent dat het ook in het belang van de andere instellingen is dat eventuele bezwaren van het Parlement die zwaar genoeg wegen om zijn goedkeuring in de weg te staan, in een vroeg stadium worden vastgesteld en besproken;

15.  herinnert eraan dat de Commissie op grond van de kaderovereenkomst van 2005 al verplicht was het Parlement in een vroeg stadium duidelijke informatie te verschaffen over de voorbereiding, het verloop en de sluiting van internationale onderhandelingen; stelt vast dat er in de herziene kaderovereenkomst van oktober 2010 met name op wordt gewezen dat het Europees Parlement vanaf het begin regelmatig, volledig en zo nodig op basis van vertrouwelijkheid over alle fasen van het onderhandelingsproces moet worden ingelicht;

16.  verwacht van de Commissie dat zij, wanneer zij voornemens is onderhandelingen voor te stellen over de sluiting of wijziging van internationale luchtvaartovereenkomsten, haar bevoegde commissie daarover informeert, en voorziet van de ontwerponderhandelingsrichtsnoeren, ontwerponderhandelingsteksten, te paraferen documenten en andere belangrijke documenten en gegevens; verwacht dat de rol van het Parlement met betrekking tot eventuele aanvullende wijzigingen van internationale luchtvaartovereenkomsten uitdrukkelijk in de overeenkomst zal worden vermeld;

17.  wijst erop dat de bovengenoemde gegevens overeenkomstig punt 24 van het kaderakkoord op zodanige wijze aan het Parlement moeten worden verstrekt dat het in voorkomend geval advies kan uitbrengen; verzoekt de Commissie met klem om het Parlement mee te delen op welke wijze er rekening is gehouden met zijn adviezen;

18.  erkent dat het Parlement, wanneer het gevoelige informatie ontvangt over lopende onderhandelingen, de plicht heeft hier vertrouwelijk mee om te gaan;

19.  merkt op dat in het Reglement van het Parlement is bepaald dat de plenaire vergadering „op basis van een verslag van zijn bevoegde commissie [...] aanbevelingen [kan] aannemen met het verzoek deze vóór de sluiting van de betreffende internationale overeenkomst op te volgen” (artikel 90, lid 4);

20.  erkent dat gemengde comités in luchtvaartovereenkomsten vaak een belangrijke rol krijgen toebedeeld, met name wat de harmonisering van de regelgeving betreft; gaat ermee akkoord dat dit in veel gevallen een flexibeler en doeltreffender manier van besluitvorming is dan wanneer ernaar wordt gestreefd dergelijke punten in de overeenkomst zelf op te nemen; onderstreept echter dat het van essentieel belang is dat het Parlement volledig en tijdig wordt geïnformeerd over de werkzaamheden van de verschillende gemengde comités;

21.  verzoekt de Commissie om, met het oog op een adequate informatievoorziening, het Parlement regelmatig en ten minste eens in de drie jaar een verslag voor te leggen waarin de zwakke en sterke kanten van lopende overeenkomsten worden geanalyseerd; wijst erop dat het Parlement toekomstige overeenkomsten aan de hand van dergelijke verslagen beter zou kunnen beoordelen;

o
o   o

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0366.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0239.
(3) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 70.
(4) PB C 74 E van 20.3.2008, blz. 506.
(5) PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 143.
(6) PB C 287 E van 24.11.2006, blz. 84.
(7) Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 218, lid 10.


Belasting op zware vrachtvoertuigen ***II
PDF 208kWORD 41k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2011 betreffende het standpunt, door de Raad in eerste lezing vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (15145/1/2010 – C7-0045/2011 – 2008/0147(COD))
P7_TA(2011)0252A7-0171/2011

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (15145/1/2010 – C7-0045/2011),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 december 2009(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 12 februari 2009(2),

–  gezien het advies van de Commissie (COM(2011)0069),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0436),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 66 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0171/2011),

1.  stelt onderstaand standpunt in tweede lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de bij deze resolutie gevoegde verklaring;

3.  neemt nota van de verklaring van de Commissie en van de gezamenlijke verklaring van het Hongaarse Raadsvoorzitterschap en van de komende Poolse, Deense en Cypriotische Raadsvoorzitterschappen, die als bijlage bij deze resolutie gaan;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 7 juni 2011 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2011/ /EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen

P7_TC2-COD(2008)0147


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met het definitieve wetsbesluit: Richtlijn 2011/76/EU.)

BIJLAGE

Verklaring van het Europees Parlement

Het Europees Parlement betreurt het feit dat de Raad niet bereid was in te stemmen met de verplichte publicatie van concordantietabellen in het kader van het voorstel tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG. Hierbij wordt verklaard dat de overeenkomst die tussen het Europees Parlement en de Raad tijdens de trialoog van 23 mei 2011 is bereikt over de Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (Eurovignet), niet vooruitloopt op de uitkomst van de interinstitutionele onderhandelingen over concordantietabellen.

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie het Parlement binnen twaalf maanden na de aanneming van deze overeenkomst in de plenaire vergadering op de hoogte te stellen van en aan het eind van de omzettingstermijn een verslag op te stellen over de praktijk van de lidstaten om hun eigen tabellen op te stellen, waaruit zo goed mogelijk blijkt in hoeverre deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen met elkaar overeenkomen, en om de resultaten openbaar te maken.

Verklaring van de Commissie over concordantietabellen

De Commissie herinnert aan haar toezegging ervoor te zullen blijven zorgen dat de lidstaten - in het belang van de burgers, ter verbetering van de regelgeving, ter wille van de transparantie van de wetgeving, alsook ter ondersteuning van het onderzoek naar de conformiteit van nationale voorschriften met uniale bepalingen - concordantietabellen vaststellen waarin het verband tussen hun omzettingsmaatregelen en de richtlijn van de EU tot uiting komt, en die tabellen in het kader van de omzetting van de Uniewetgeving aan de Commissie meedelen.

De Commissie betreurt het gebrek aan steun voor de bepaling in het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (Eurovignet), die beoogt de opstelling van concordantietabellen verplicht te stellen.

In een geest van compromis kan de Commissie, om de onmiddellijke aanneming van dat voorstel mogelijk te maken, ermee instemmen dat de dwingende bepaling over de concordantietabellen in de tekst wordt vervangen door een overweging waarin een aansporing tot de lidstaten is vervat. Zij zal het Parlement binnen twaalf maanden na de aanneming van deze overeenkomst in de plenaire vergadering op de hoogte stellen van en aan het eind van de overgangsperiode een verslag opstellen over de praktijk van de lidstaten om voor henzelf en in het belang van de Unie hun eigen tabellen op te stellen, waaruit zo goed mogelijk blijkt in hoeverre deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen met elkaar overeenkomen, en zij zal de resultaten openbaar maken.

Het standpunt van de Commissie in dit dossier kan echter niet als precedent gelden. De Commissie zal zich blijven beijveren om, samen met het Europees Parlement en de Raad, een geschikte oplossing voor dit horizontale institutionele vraagstuk te vinden.

Verklaring van het Hongaarse Raadsvoorzitterschap en van de komende Poolse, Deense en Cypriotische Raadsvoorzitterschappen

Hierbij wordt verklaard dat de overeenstemming die tussen de Raad en het Europees Parlement tijdens de trialoog van 23 mei 2011 is bereikt over de Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (Eurovignet), niet vooruitloopt op de uitkomst van de interinstitutionele onderhandelingen over concordantietabellen.

(1) PB C 255 van 22.9.2010, blz. 92.
(2) PB C 120 van 28.5.2009, blz. 47.
(3) PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 345.


Europese milieu- en economische rekeningen ***I
PDF 191kWORD 71k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2011 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over Europese milieu-economische rekeningen (COM(2010)0132 – C7-0092/2010 – 2010/0073(COD))
P7_TA(2011)0253A7-0330/2010

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2010)0132),

–  gelet op artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0092/2010),

–  gelet op artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0330/2010),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 7 juni 2011 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) Nr. …/2011 van het Europees Parlement en de Raad inzake Europese milieu-economische rekeningen

P7_TC1-COD(2010)0073


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EU) nr. 691/2011.)

Juridische mededeling - Privacybeleid