Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 23 juni 2011 - Brussel
Benoeming van de president van de Europese Centrale Bank: Mario Draghi, kandidaat
 Terbeschikkingstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering: General Motors Belgium
 Wijziging van Artikel 51: gezamenlijke commissievergaderingen
 Verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Adrian Severin
 Vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en de Seychellen ***
 Vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en São Tomé en Principe ***
 Protocol EU/Andorra waarbij de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Vorstendom Andorra wordt uitgebreid tot douaneveiligheidsmaatregelen ***
 Overeenkomst inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart tussen de EG en Canada ***
 Uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's 2007-2013
 Europese stedelijke agenda en de toekomst van deze agenda in het cohesiebeleid
 Doelstelling 3: een uitdaging voor territoriale samenwerking: de toekomstige agenda voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking
 Bestaande situatie met betrekking tot het EFRO en andere structuurfondsen en de synergievoordelen die kunnen worden bereikt door deze beter op elkaar af te stemmen
 Preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden ***I
 Tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten *
 Voorschriften voor begrotingskaders van de lidstaten *
 Begrotingstoezicht in het eurogebied ***I
 Toezicht op begrotingssituaties en toezicht op en coördinatie van het economisch beleid ***I
 Handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied ***I
 Consumentenrechten ***I
 Bepalingen voor trekkers die in het kader van de flexibele regeling in de handel zijn gebracht ***I
 Beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval *
 Het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2012
 Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten
 Verkiezing van een ondervoorzitter (interpretatie van artikel 13, lid 1, van het Reglement)
 Vrijwillig systeem van etikettering in brailleschrift op de verpakking van industriële producten

Benoeming van de president van de Europese Centrale Bank: Mario Draghi, kandidaat
PDF 190kWORD 31k
Besluit van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van de president van de Europese Centrale Bank (10057/2011 – C7-0134/2011 – 2011/0804(NLE))
P7_TA(2011)0275A7-0229/2011

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 mei 2011 (10057/2011)(1),

–  gelet op artikel 283, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), op grond waarvan het Parlement door de Europese Raad is geraadpleegd (C7-0134/2011),

–  gelet op artikel 109 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0229/2011),

A.  overwegende dat de Europese Raad het Europees Parlement bij schrijven van 20 mei 2011 heeft geraadpleegd over de benoeming van Mario Draghi tot president van de Europese Centrale Bank voor een ambtstermijn van acht jaar die op 1 november 2011 ingaat,

B.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement vervolgens de referenties van de kandidaat heeft beoordeeld, met name met het oog op de eisen van artikel 283, lid 2, van het VWEU, en gezien de behoefte dat de Europese Centrale Bank overeenkomstig artikel 130 VWEU volstrekt onafhankelijk dient te zijn, en overwegende dat de commissie in het kader van de uitvoering van deze beoordeling een curriculum vitae van de kandidaat heeft ontvangen, alsook diens antwoorden op de hem toegezonden vragenlijst,

C.  overwegende dat de commissie de kandidaat vervolgens op 14 juni 2011 gedurende twee en een half uur heeft gehoord en hij bij deze gelegenheid een inleidende verklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord,

1.  brengt positief advies uit inzake de aanbeveling van de Raad om Mario Draghi tot president van de Europese Centrale Bank te benoemen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 150 van 9.6.2011, blz. 8.


Terbeschikkingstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering: General Motors Belgium
PDF 207kWORD 40k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2010/031 BE/General Motors Belgium, België) (COM(2011)0212 – C7-0096/2011 – 2011/2074(BUD))
P7_TA(2011)0276A7-0191/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0212 – C7-0096/2011),

–  gelet op het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1), en met name punt 28,

–  gelet op Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(2) (EFG-verordening),

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0191/2011),

A.  overwegende dat de Europese Unie passende wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ondervinden, teneinde hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt,

B.  overwegende dat het EFG sinds 1 mei 2009 ook tijdelijk is opengesteld voor aanvragen om bijstand voor werknemers die zijn ontslagen als gevolg van de wereldwijde financiële en economische crisis,

C.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd op het overleg van 17 juli 2008, en met eerbiediging van het IIA van 17 mei 2006 wat betreft het nemen van besluiten om gebruik te maken van het EFG,

D.  overwegende dat België om steun heeft gevraagd in verband met 2834 gedwongen ontslagen (waarbij voor alle betrokkenen om steun wordt gevraagd) in de primaire onderneming General Motors Belgium en vier van haar leveranciers die actief zijn in de automobielsector in de NUTS II-regio Antwerpen in België,

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de criteria voor subsidiabiliteit van de EFG-verordening,

1.  verzoekt de betrokken instellingen zich de nodige inspanningen te getroosten om de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG te bespoedigen; waardeert in dit opzicht de verbeterde procedure die de Commissie heeft aangenomen naar aanleiding van het verzoek van het EP voor het versnellen van de toekenning van subsidies, met als doel de begrotingsautoriteit de beoordeling door de Commissie van de subsidiabiliteit van een EFG-aanvraag voor te leggen samen met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG; hoopt dat verdere verbeteringen aan de procedure zullen worden aangebracht in het kader van de komende herziening van het EFG;

2.  brengt in herinnering dat de instellingen zich ertoe verbonden hebben een probleemloze en snelle procedure te garanderen voor de goedkeuring van de besluiten betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG, met als doel tijdelijk en eenmalig individuele steun te verlenen aan werknemers die als gevolg van de globalisering en de financiële en economische crisis werkloos geworden zijn; wijst op de rol die het EFG kan vervullen om ontslagen werknemers te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt; vraagt echter een evaluatie van de integratie van deze werknemers op de arbeidsmarkt op lange termijn als rechtstreeks gevolg van de door het EFG gefinancierde maatregelen;

3.  beklemtoont dat het EFG overeenkomstig artikel 6 van de EFG-verordening moet bijdragen tot de re-integratie van elke afzonderlijke ontslagen werknemer; herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe bedrijven verplicht zijn krachtens hun nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, of van maatregelen ter herstructurering van bedrijven of bedrijfstakken;

4.  wijst erop dat de informatie die is ontvangen over het gecoördineerde pakket met op het individu afgestemde diensten die door het EFG moeten worden gefinancierd, gegevens bevat over de complementariteit met acties die worden gefinancierd uit de structuurfondsen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in zijn jaarverslagen ook een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen;

5.  is verheugd over het feit dat er, na herhaalde verzoeken van het Parlement, voor het eerst 47 608 950 EUR aan betalingskredieten zijn opgenomen onder begrotingslijn 04 05 01 van het EFG in de begroting voor 2011; herinnert eraan dat het EFG gecreëerd is als een afzonderlijk specifiek instrument met eigen doelstellingen en termijnen, en dat het bijgevolg ook een specifieke toewijzing verdient, waardoor wordt vermeden dat, zoals in het verleden gangbaar was, een beroep wordt gedaan op overschrijvingen van andere begrotingslijnen, die schadelijk kunnen zijn voor de verwezenlijking van de verschillende beleidsdoelen;

6.  meent dat de kwestie van multinationale ondernemingen, waarvan de herstructurering of bedrijfsverplaatsing tot verlies van arbeidsplaatsen en vervolgens tot steunverlening uit het EFG leidt, moet worden aangepakt in de komende herziening van de EFG-verordening, zonder dat de toegang voor ontslagen werknemers tot het EFG hierdoor in gevaar komt;

7.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

8.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2010/031 BE/General Motors Belgium, België)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit 2011/470/EU.)

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.


Wijziging van Artikel 51: gezamenlijke commissievergaderingen
PDF 187kWORD 40k
Besluit van het Europees Parlement van 23 juni 2011 tot wijziging van artikel 51 van het Reglement van het Europees Parlement betreffende de procedure met gezamenlijke commissievergaderingen (2010/2061(REG))
P7_TA(2011)0277A7-0197/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters d.d. 11 maart 2010 en de brief van de voorzitter van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid d.d. 25 maart 2010,

–  gelet op de artikelen 211 en 212 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A7-0197/2011),

1.  besluit onderstaande wijziging in zijn Reglement op te nemen;

2.  wijst erop dat deze wijziging op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treedt;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendement
Amendement 1
Reglement van het Europees Parlement
Artikel 51
Indien voldaan is aan de in artikel 49, lid 1, en artikel 50 vermelde voorwaarden, kan de Conferentie van voorzitters, indien zij het vraagstuk bijzonder belangrijk acht, besluiten dat de procedure met gezamenlijke commissievergaderingen en gezamenlijke stemming van toepassing is. In dat geval stellen de respectieve rapporteurs een enkel ontwerpverslag op. De betrokken commissies behandelen dit en stemmen erover op gezamenlijke vergaderingen onder het gezamenlijk voorzitterschap van de betrokken voorzitters. De betrokken commissies kunnen intercommissiewerkgroepen instellen om de gezamenlijke vergaderingen en stemmingen voor te bereiden.
1.  Wanneer uit hoofde van artikel 188, lid 2, een competentiekwestie aan de Conferentie van voorzitters wordt voorgelegd, kan zij besluiten dat de procedure met gezamenlijke commissievergaderingen en gezamenlijke stemming van toepassing is, indien:
– het vraagstuk volgens bijlage VII onlosmakelijk met de bevoegdheid van meerdere commissies verbonden is, en
– zij het vraagstuk bijzonder belangrijk acht.
2.  In dat geval stellen de respectieve rapporteurs een enkel ontwerpverslag op dat door de betrokken commissies op gezamenlijke vergaderingen onder het gezamenlijk voorzitterschap van de betrokken voorzitters wordt behandeld en in stemming wordt gebracht.
In alle stadia van de procedure kunnen de betrokken commissies alleen door gezamenlijk op te treden de rechten uitoefenen die verbonden zijn aan de status van bevoegde commissie. De betrokken commissies kunnen werkgroepen instellen om de vergaderingen en stemmingen voor te bereiden.
3.  In de tweede lezing van de gewone wetgevingsprocedure wordt het standpunt van de Raad behandeld op een gezamenlijke vergadering van de betrokken commissies die, bij ontstentenis van overeenstemming tussen de voorzitters van die commissies, plaatsvindt op de woensdag van de eerste voor de vergadering van parlementaire organen bestemde week, nadat de Raad zijn standpunt aan het Parlement heeft medegedeeld. Bij ontstentenis van overeenstemming over de bijeenroeping van een volgende vergadering, wordt deze bijeengeroepen door de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters. Over de aanbeveling voor de tweede lezing wordt gestemd op een gezamenlijke vergadering op basis van een gemeenschappelijke ontwerptekst die door de respectieve rapporteurs van de betrokken commissies wordt opgesteld of, bij gebreke van een gemeenschappelijke ontwerptekst, op basis van de in de betrokken commissies ingediende amendementen.
In de derde lezing van de gewone wetgevingsprocedure zijn de voorzitters en rapporteurs van de betrokken commissies automatisch lid van de delegatie in het bemiddelingscomité.

Verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Adrian Severin
PDF 113kWORD 33k
Besluit van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Adrian Severin (2011/2070(IMM))
P7_TA(2011)0278A7-0242/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Adrian Severin, dat op 5 april 2011 werd ingediend door de Direcţia Naţională Anticorupţie (Nationale Directie tegen corruptie) (parket bij de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie, de Roemeense cassatierechter), en van de ontvangst waarvan op 6 april 2011 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Adrian Severin op 23 mei 2011 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 9 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 oktober 2008, 21 oktober 2008 en 19 maart 2010(1),

–  gezien de bepalingen van artikel 72, lid 2, van de Roemeense grondwet,

–  gezien de bepalingen van artikel 4 van het Roemeense wetboek van strafrecht, krachtens welke het Roemeense strafrecht van toepassing is op strafbare feiten die buiten Roemenië worden gepleegd indien de dader een Roemeens staatsburger is of indien hij of zij, hoewel niet in het bezit van het Roemeens staatsburgerschap, in Roemenië zijn of haar verblijfplaats heeft,

–  gelet op artikel 6, lid 2, en artikel 7 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0242/2011),

A.  overwegende dat de Direcţia Naţională Anticorupţie van Roemenië om de opheffing van de immuniteit van Adrian Severin, lid van het Parlement, heeft verzocht, zodat de Roemeense openbaar aanklager het nodige onderzoek kan verrichten en in rechte tegen Adrian Severin kan optreden, een verzoek kan indienen om de woning of kantoren van de betrokkene te doorzoeken en computer- of ander noodzakelijk IT-onderzoek te verrichten, een strafproces tegen hem kan instellen op grond van de beschuldiging van passieve omkoping en/of ongeoorloofde beïnvloeding of enige andere delictsomschrijving waaronder het/de vermeende strafbare feit/feiten voor de bevoegde strafrechters kan/kunnen worden gebracht,

B.  overwegende dat om de opheffing van de immuniteit van Adrian Severin is verzocht in verband met vermeende omkoping zoals bedoeld in artikel 6 van de Roemeense wet nr. 78/2000 juncto artikel 254 (omkoping) en artikel 257 (ongeoorloofde beïnvloeding) van het wetboek van strafrecht, evenals artikel 81, sub b, van wet nr. 78/2000,

C.  overwegende dat het niet aan het Europees Parlement is zich uit te spreken over de schuld van het betrokken lid noch over de mogelijkheid het lid wegens de feiten die hem worden verweten, strafrechtelijk te vervolgen,

D.  overwegende dat het derhalve wenselijk is aan te bevelen de parlementaire immuniteit in casu op te heffen,

1.  besluit de immuniteit van Adrian Severin op te heffen, met dien verstande dat diens persoonlijke vrijheid niet kan worden beperkt;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van Roemenië en aan Adrian Severin.

(1) Zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier, Jurispr. 1964, blz. 195; zaak 149/85, Wybot/Faure e.a., Jurispr. 1986, blz. 2391; zaak T-345/05, Mote/Parlement, Jurispr. 2008, blz. II-2849; gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra/De Gregorio en Clemente, Jurispr. 2008, blz. I-7929; zaak T-42/06, Gollnisch/Parlement (PB C 134 van 22.5.2010, blz. 29).


Vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en de Seychellen ***
PDF 200kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek der Seychellen (17238/2010 – C7-0031/2011 – 2010/0335(NLE))
P7_TA(2011)0279A7-0192/2011

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (17238/2010),

–  gezien het ontwerpprotocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek der Seychellen (17237/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring van de Raad overeenkomstig artikel 43 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, letter a) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0031/2011),

–  gelet op artikel 81 en artikel 90, lid 8 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A7-0192/2011),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt de Commissie aan het Parlement de conclusies te doen toekomen van de vergaderingen en werkzaamheden van de in artikel 9 van de Partnerschapsovereenkomst voor de visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek der Seychellen (hieronder de Partnerschapsovereenkomst genoemd) bedoelde gemengde commissie, alsook het in artikel 3 van het protocol bedoelde sectorale meerjarenprogramma over de Partnerschapsovereenkomst;

3.  verzoekt de Commissie aan het Parlement en de Raad tijdens het laatste jaar waarin het protocol van toepassing is en voordat de onderhandelingen ter vernieuwing van de overeenkomst worden geopend, een verslag over de toepassing ervan te doen toekomen;

4.  verzoekt de Commissie om een verslag over de ontwikkeling van de piraterij in de exclusieve economische zone van de Seychellen tussen 2006 en 2010 en de gevolgen daarvan voor de visserijactiviteiten van de Seychellen en van Europa;

5.  dringt erop aan dat vertegenwoordigers van de Commissie visserij van het Parlement deelnemen aan de bijeenkomsten van de in artikel 9 van de Partnerschapsovereenkomst voor de visserij bedoelde gemengde commissie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek der Seychellen.


Vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en São Tomé en Principe ***
PDF 200kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Democratische Republiek São Tomé en Principe (05371/2011 – C7-0119/2011 – 2010/0355(NLE))
P7_TA(2011)0280A7-0194/2011

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (05371/2011),

–  gezien het ontwerpprotocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Democratische Republiek São Tomé en Principe (05370/2011),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0119/2011),

–  gelet op artikel 81 en artikel 90, lid 8, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A7-0194/2011),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt de Commissie het Parlement de conclusies te doen toekomen van de vergaderingen en de werkzaamheden van de gemengde commissie als bedoeld in artikel 9 van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Democratische Republiek São Tomé en Principe (hierna „partnerschapsovereenkomst” genoemd), het meerjarige sectorale programma als vermeld in artikel 3 van het protocol en de resultaten van de respectievelijke jaarlijkse evaluaties; verzoekt de Commissie om de deelneming van vertegenwoordigers van het Parlement als waarnemers op de bijeenkomsten van de gemengde commissie als bedoeld in artikel 9 van de Partnerschapsovereenkomst te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie om in het laatste jaar waarin het protocol geldt en vóór het openen van de onderhandelingen met het oog op de verlenging van de overeenkomst, het Parlement en de Raad een volledig verslag over de uitvoering ervan voor te leggen, zonder onnodige beperkingen op de toegang tot dit document;

3.  verzoekt de Raad en de Commissie om het Parlement binnen de grenzen van hun bevoegdheden onmiddellijk en volledig te informeren over alle fasen van de procedures betreffende het protocol en de verlenging ervan, overeenkomstig artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 218, lid 10, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Democratische Republiek São Tomé e Príncipe.


Protocol EU/Andorra waarbij de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Vorstendom Andorra wordt uitgebreid tot douaneveiligheidsmaatregelen ***
PDF 192kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het protocol waarbij de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Vorstendom Andorra wordt uitgebreid tot douaneveiligheidsmaatregelen (17403/2010 – C7-0036/2011 – 2010/0308(NLE))
P7_TA(2011)0281A7-0198/2011

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (17403/2010),

–  gezien het ontwerp van Protocol waarbij de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Vorstendom Andorra wordt uitgebreid tot douaneveiligheidsmaatregelen (17405/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0036/2011),

–  gelet op artikel 81 en artikel 90, lid 8, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0198/2011),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Vorstendom Andorra.


Overeenkomst inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart tussen de EG en Canada ***
PDF 192kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van een overeenkomst inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart tussen de Europese Gemeenschap en Canada (06645/1/2010 – C7-0100/2010 – 2009/0156(NLE))
P7_TA(2011)0282A7-0298/2010

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (06645/1/2010),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Canada inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart (15561/2008),

–  gezien het verzoek van de Raad om goedkeuring overeenkomstig artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0100/2010),

–  gelet op artikel 81 en artikel 90, lid 8, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0298/2010),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Canada.


Uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's 2007-2013
PDF 162kWORD 75k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het strategisch verslag 2010 over de uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's 2007-2013 (2010/2139(INI))
P7_TA(2011)0283A7-0111/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 174 tot en met 178,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 „Cohesiebeleid: strategisch verslag 2010 over de uitvoering van de programma's 2007-2013” (COM(2010)0110),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 31 maart 2010: begeleidend document bij de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 Cohesiebeleid: strategisch verslag 2010 over de uitvoering van de programma's 2007-2013 (SEC(2010)0360),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 25 oktober 2010 Cohesiebeleid: reactie op de economische crisis - een overzicht van de uitvoering van cohesiebeleidsmaatregelen die ter ondersteuning van het Europees economisch herstelplan zijn genomen (SEC(2010)1291),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 november 2008 Regio's 2020 – een beoordeling van de toekomstige uitdagingen voor de EU-regio's (SEC(2008)2868),

–   gezien de mededeling van de Commissie „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2011 „Bijdrage van het regionaal beleid aan duurzame groei in het kader van de Europa 2020-strategie” (COM(2011)0017),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1083/ 2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende de algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, met name artikel 7(2),

–  gezien Verordening (EG) Nr. 397/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling met betrekking tot de subsidiabiliteit van investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 437/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling wat betreft de subsidiabiliteit van huisvestingsprojecten voor gemarginaliseerde gemeenschappen(4),

–  gezien Beschikking 2006/702/EG van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie(5),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over de uitvoering van de structuurfondsverordening 2007-2013: de resultaten van de onderhandelingen betreffende de nationale cohesiestrategieën en operationele programma's(6),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de totstandbrenging van synergieën tussen voor onderzoek en innovatie bestemde fondsen in Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling in steden en regio's alsmede in de lidstaten en de Unie(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2010 over de totstandbrenging van werkelijke territoriale, sociale en economische cohesie binnen de Europese Unie: een conditio sine qua non voor een mondiaal concurrentievermogen?(8),

–  gezien de informatieve nota nr. 1 van de Commissie van 28 februari 2007 getiteld „Earmarking” (COCOF/2007/0012/00),

–  gezien de informatieve nota van de Commissie van 18 mei 2009 getiteld „Indicatieve structuur voor de nationale strategische verslagen 2009” (COCOF 09/0018/01),

–  gezien de conclusies van de Raad betreffende het strategisch verslag 2010 van de Commissie over de uitvoering van de programma's in het kader van het cohesiebeleid die op 14 juni 2010 zijn aangenomen door de Raad Buitenlandse Zaken,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 1-2 december 2010 getiteld „Cohesiebeleid: strategisch verslag 2010 over de uitvoering van de programma's 2007-2013” (CdR 159/2010),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 juli 2010 over „Het bevorderen van een doelmatige samenwerking bij het beheer van de programma's van het cohesiebeleid op basis van goede praktijken in de periode 2007-2013” (ECO/258),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie vervoer en toerisme (A7-0111/2011),

A.  overwegende dat in artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de Unie haar optreden gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang ontwikkelt en vervolgt teneinde de harmonische ontwikkeling van de Unie in haar geheel te bevorderen en zich in het bijzonder ten doel stelt de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's zoals de plattelandsgebieden, de regio's die een industriële overgang doormaken en de regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, te verkleinen, en overwegende dat rekening moet worden gehouden met de EU 2020-strategie om ervoor te zorgen dat de EU een slimme, duurzame en inclusieve economie wordt,

B.  overwegende dat het cohesiebeleid een sleutelrol speelt in de volledige verwezenlijking van de EU-doelstellingen voor 2020, in het bijzonder op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, op alle bestuursniveaus en in alle geografische gebieden,

C.  overwegende dat de strategische dimensie van het cohesiebeleid die zorgt voor consistentie met de prioriteiten van de Europese Unie - van Europa en de Europese regio's aantrekkelijkere plekken om in te investeren en te werken maken, kennis en innovatie verbeteren met het oog op groei en meer en betere banen creëren – wordt verschaft en benadrukt met Verordening (EG) nr. 1083/2006 (hierna „de algemene verordening” genoemd), de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie (hierna „de strategische richtsnoeren” genoemd), het nationale strategische referentiekader (NSRK) en de operationele programma's (OP),

D.  overwegende dat de strategische verslagen een nieuw instrument van het cohesiebeleid vormen, dat bij de algemene verordening in de huidige programmeringsperiode werd ingevoerd als instrument voor het beoordelen van de uitvoering van de strategische richtsnoeren, met als doel het strategisch gehalte te verhogen en voor meer transparantie en verantwoording te zorgen, en overwegende dat uit de ingewonnen informatie en opgedane ervaringen voor de planning van de volgende steunperiode geleerd zou moeten worden,

E.  overwegende dat „Lissabon-earmarking” het proces is waarbij onderdelen van de 86 overeengekomen prioritaire EU-thema's als specifieke prioriteiten van de Lissabon-agenda voor groei en werkgelegenheid werden aangemerkt en dat er voor de onder de convergentiedoelstelling vallende regio's 47 prioritaire thema's een earmark hadden gekregen, terwijl voor de regio's van de doelstelling „regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” slechts 33 prioritaire thema's werden vastgesteld,

F.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten met betrekking tot de nationale strategische verslagen voor 2009 overeengekomen zijn dat uitsluitend de gegevens over de prioritaire thema's per doelstelling zouden worden uitgewisseld, met 30 september 2009 als streefdatum voor de gegevensextractie, een datum waarop de lidstaten nog steeds de gevolgen ondervonden van de economische crisis en enkele lidstaten aan het begin van de steunperiode te kampen hadden met aanloopproblemen, en overwegende dat wordt verwacht dat uit het toekomstige strategieverslag voor 2013 nog gegevens met meer zeggingskracht zullen voortkomen,

G.  overwegende dat de Europese regio's nog steeds kampen met ernstige ongelijkheden op economisch, sociaal en milieugebied, deels als natuurlijk gevolg van de laatste twee uitbreidingen, en ook als rechtstreeks gevolg van de wereldwijde financiële en economische crisis, hoewel de kloof de laatste tien jaar kleiner is geworden dankzij de actieve bijdrage van het cohesiebeleid die bepalend is voor het concurrentievermogen en de economische groei en rekening houdt met de specifieke kenmerken van de regio's,

H.  overwegende dat het cohesiebeleid een hoeksteen van het Europees economisch herstelplan vormt en daarmee het belang van de structuurfondsen aantoont als instrument voor het stimuleren van de economie (met name het kleinbedrijf), van duurzaamheid en energie-efficiëntie, en dat de Commissie verzocht is in 2010 verslag uit te brengen over de toepassing van de maatregelen die in het kader van de Europese reactie op de crisis zijn genomen,

1.  verwelkomt het strategisch verslag van de Commissie inzake de uitvoering van de programma's van het cohesiebeleid, die door de structuurfondsen medegefinancierd worden; feliciteert de lidstaten met de inspanningen die zij zich getroost hebben om voor het eerst hun nationale strategische verslagen op te stellen, die een waardevolle bron van informatie over de uitvoering zijn gebleken;

2.  wijst erop dat bij het opmaken van vergelijkende analyses rekening moet worden gehouden met het feit dat vijf lidstaten hun gegevens na de streefdatum hebben berekend en één lidstaat vóór die datum; is van mening dat het beter is de door elke afzonderlijke lidstaat geboekte vooruitgang af te zetten tegen het EU-gemiddelde;

3.  is van mening dat transparantie bij de toewijzing van middelen de juiste uitvoering ervan ten goede komt en een essentiële voorwaarde vormt voor het verwezenlijken van de algemene cohesiebeleidsdoelstellingen, en dat die transparantie dus in alle fasen van de uitvoering moet worden vergroot; is van mening dat het bekendmaken van de lijst met begunstigden moet worden voortgezet, met name online, aangezien dit een efficiënt instrument is om de transparantie te verbeteren; meent dat de opstelling van communautaire strategische richtsnoeren en de invoering van de strategische verslagen als nieuw instrument hebben bijgedragen tot meer verantwoordingsplicht bij het vaststellen van beleidsdoelstellingen; roept in dit verband op tot regelmatig politiek overleg ter verbetering van de transparantie, verantwoording en evaluatie van de effecten van het cohesiebeleid;

Tenuitvoerlegging

4.  merkt op dat er volgens de verslagen projecten ter waarde van 93,4 miljard euro zijn geselecteerd, d.w.z. 27,1% van de beschikbare EU-middelen voor de lopende periode, en dat dit gemiddelde voor de drie cohesiebeleidsdoelstellingen geldt, alsook voor de categorieën met een Lissabon-earmark en voor de vooruitgang bij de uitvoering van de communautaire strategische richtsnoeren; wijst er echter op dat de vorderingen sterk verschillen van land tot land en van thema tot thema: in 9 landen lag het geaggregeerde selectiepercentage boven de 40%, terwijl het in vier lidstaten beneden de 20% lag;

5.  spreekt nogmaals waardering uit voor de nationale inspanningen die hebben geleid tot een gemiddelde toerekening van uitgaven voor het realiseren van de Lissabon-agenda van 65% van de beschikbare fondsen in de onder de convergentiedoelstelling vallende regio's en 82% in de regio's die vallen onder de doelstelling „regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid”, hetgeen hoger is dan de oorspronkelijk gevraagde niveaus; constateert met voldoening dat volgens de verslagen 63 miljard euro aan projecten met een Lissabon-earmark is toegewezen en dat de projectselectie in het kader van die projecten even snel of iets sneller verloopt dan de selectie voor andere acties, en spoort de lidstaten daarom aan om ook in de toekomst geld te oormerken voor projecten die de EU 2020-strategie ondersteunen;

6.  merkt op dat van de CSR-thema's het thema „territoriale dimensie” de meeste vooruitgang heeft geboekt (30%), dat het percentage voor ' Meer kennis en innovatie voor groei' boven het gemiddelde lag, maar dat het percentage beneden de 27,1% lag voor de overige twee richtsnoeren en dat verder de selectiepercentages voor projecten met een Lissabon-earmark zowel bij de doelstelling „Convergentie” als bij de doelstelling „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” boven het gemiddelde lagen, maar slechts 20,5% bedroegen bij de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”; betreurt dat de analyse van beleidsprestaties zoals die in het strategisch verslag gepresenteerd wordt ernstige beperkingen blijkt te vertonen als gevolg van het ontbreken van output- en resultaatindicatoren voor alle lidstaten; roept de Commissie daarom op de administratieve vereisten aan de financiële verslaggeving te herzien en dringt bij de lidstaten aan op meer discipline voor wat betreft de levering van gegevens ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de programma's;

7.  verwelkomt, vanwege de economische crisis en het groeiend aantal werklozen, de reeds geboekte vooruitgang bij de implementatie van projecten die relevant zijn voor het richtsnoer „Meer en betere banen”; adviseert de Commissie echter nadrukkelijk om methoden voor samenwerking met de lidstaten in te voeren die het gemakkelijker maken alle benodigde middelen onmiddellijk te mobiliseren en doelmatig toe te wijzen voor het verwezenlijken van een concurrerende economie die efficiënt gebruik maakt van de hulpbronnen, van inclusieve groei met veel werkgelegenheid en sociale en territoriale cohesie en van armoedebestrijding, welke prioritaire doelstellingen zijn van de strategie EU 2020 en van wat daarmee wordt nagestreefd, vooral op de gebieden werkgelegenheid en sociale zaken, teneinde de groei en de productiviteit te stimuleren en om de werkgelegenheidsprestaties in Europa te verbeteren;

8.  verwelkomt het feit dat het ESF relevante steun heeft verstrekt om de hervormingen van de arbeidsmarkt uit te voeren, en dat het een doeltreffend instrument is gebleken dat heeft bijgedragen tot de overgang van een passief naar een actief en zelfs preventief arbeidsmarktbeleid; roept de lidstaten op door te gaan met structurele hervormingen ter voorkoming van toekomstige crises op de arbeidsmarkten;

  9. verzoekt de lidstaten voortgang te verwezenlijken bij de tenuitvoerlegging van medegefinancierde maatregelen en activiteiten die erop gericht zijn de arbeidsmarkten op regionaal niveau te ondersteunen door het verminderen van genderspecifieke segregatie en ongelijkheid, zoals de loonkloof en de ondervertegenwoordiging op besluitvormingsposities, door het mogelijk te maken het werk en het gezinsleven op elkaar af te stemmen en door omzetting van onzekere banen in werk met rechten te stimuleren, gezien het grote aantal vrouwen dat te maken heeft met onzekere arbeidsregelingen;

10.  benadrukt dat het belangrijk is de infrastructuur en diensten voor kwetsbare microregio's met een grote concentratie van sociaal gemarginaliseerde mensen (bv. de Roma) te verbeteren en tevens betaalbaar te maken;

11.  wijst op het belang van het vervoer in het algemeen voor de territoriale, economische en sociale cohesie; is bezorgd dat het investeringsniveau in de spoorwegsector zich niet volgens plan ontwikkelt en lager ligt dan het niveau in de sector wegvervoer, waardoor onvoldoende wordt bijgedragen tot het koolstofvrij maken van het vervoer; onderstreept in dit verband dat het gebrek aan evenwicht tussen de verschillende wijzen van vervoer in de geplande vervoersinvesteringen schadelijk is voor de totstandbrenging van een intermodaal Europees vervoerssysteem en merkt op dat verdere vertraging bij de uitvoering het gebrek aan evenwicht nog kan versterken;

12.  herinnert eraan dat ongeveer 23,7 % van de middelen van het Cohesiefonds en de structuurfondsen voor 2007-2013 (82 miljard EUR) bestemd zijn voor vervoer, maar dat slechts de helft daarvan wordt besteed aan TEN-T-projecten (17 miljard EUR voor het prioritaire TEN-T-netwerk en 27,2 miljard voor het algemeen gedeelte), terwijl de andere helft is bestemd voor nationale, regionale en plaatselijke projecten die niet op de TEN-T-kaarten staan aangegeven; wijst erop dat bij de verdeling van de cohesie- en structuurfondsen voor vervoer tussen vervoerwijzen en vervoernetwerken onvoldoende rekening wordt gehouden met de doelstellingen van de Europese Unie;

13.  vestigt in het kader van de territoriale samenwerking de aandacht op de tendens om de start van grensoverschrijdende projecten en van spoorwegprojecten in het algemeen voor zich uit te schuiven en benadrukt de Europese toegevoegde waarde van het TEN-T-netwerk, die vooral duidelijk wordt in de grensoverschrijdende gedeelten van de projecten en hun onderlinge verbindingen met de nationale projecten voor wegen, spoorwegen en binnenlandse waterwegen; stelt in dit verband voor om het opzetten van gemeenschappelijke platforms voor goede praktijken te systematiseren op basis van sociaaleconomische, geografische, demografische en culturele kenmerken;

14.  verwelkomt de opname van uitgaven voor investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het gebied van woningbouw en woningbouwplannen voor gemarginaliseerde bevolkingsgroepen, hetgeen in veel regio's met succes ten uitvoer wordt gelegd en in de toekomst moet worden voortgezet;

15.  dringt aan op een doeltreffender uitvoering van programma's in de milieusector, met name op de horizontale gebieden die steeds belangrijker worden in Europa, zoals de bestrijding van en aanpassing aan de klimaatverandering en het opvangen van de gevolgen daarvan, investeringen in schonere en koolstofarme technologieën, maatregelen ter bestrijding van de vervuiling van lucht en water, acties ter bescherming van de biodiversiteit, de uitbreiding van spoorwegnetwerken, de bevordering van een efficiënt gebruik van energie, vooral in de bouwsector, en van hernieuwbare vormen van energie om de EU 2020-doelen te halen en het creëren van groene arbeidsplaatsen en een groene economie te bevorderen;

16.  dringt erop aan fondsen in te zetten die bijdragen aan het voorkomen van en/of een snelle reactie bij milieurampen en verzoekt de lidstaten de investeringen voor preventie en renovatie van industriegebieden en vervuilde terreinen sneller in te zetten, gezien de lage graad van uitvoering;

17.  betreurt de vertragingen bij de projectselectie voor strategische terreinen als de spoorwegsector, bepaalde investeringen in energie- en milieuprojecten, de digitale economie, sociale integratie, bestuur en capaciteitsopbouw, en verzoekt om een grondige analyse van de oorzaken van deze vertragingen; roept in dit verband de lidstaten op om de regio's erbij te betrekken, teneinde meer inzicht te verkrijgen in de vraag op welke terreinen de inspanningen moeten worden geïntensiveerd; vestigt anderzijds de aandacht op de hogere absorptiegraad van milieuprojecten in programma's in het kader van de „Europese territoriale samenwerking” en wijst op de duidelijke meerwaarde van samenwerking in dit verband; benadrukt echter dat lidstaten op terreinen waar de projectuitvoering was vertraagd, deze achterstand wellicht al hebben ingehaald en dat achterstand op dit tijdstip daarom geen indicator hoeft te zijn voor de totale kwaliteit van de steunperiode; wijst in dit verband op de versnelling wat betreft de absorptiecapaciteit en de begrotingsuitvoering van het cohesiebeleid in 2010, onder andere als gevolg van recente wijzigingen van de wetgeving en van het feit dat de operationele programma's hun kruissnelheid hebben bereikt, nu de laatste beheers- en controlesystemen eindelijk door de Commissie zijn goedgekeurd;

18.  is van mening dat er snel herstelmaatregelen moeten worden genomen om zwakke prestaties op bepaalde prioritaire gebieden te verbeteren; beveelt aan een grondige analyse te verrichten van de uitvoeringsproblemen op gebieden waar zich specifieke vertragingen hebben voorgedaan bij de projectselectie en roept de lidstaten in dit verband op hun inspanningen op te voeren om de selectie van projecten bij de thema's waar sprake is van vertraging te verbeteren, en vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van alle geselecteerde projecten ten einde te voorkomen dat de overeengekomen doelstellingen niet gerealiseerd worden;

19.  is van mening dat in sommige gevallen het snel selecteren en ten uitvoer leggen van projecten en het over de gehele linie beter gebruiken van de toegewezen middelen met name nodig zijn voor de activiteiten die gericht zijn op verbetering van het menselijk kapitaal, bevordering van gezondheid en ziektepreventie, waarborging van gelijke kansen, ondersteuning van arbeidsmarkten en versterking van de sociale integratie, met name om de negatieve effecten van de economische crisis het hoofd te bieden;

20.  onderstreept dat een aantal lidstaten heeft bevestigd dat de discipline die is opgelegd door het earmarking-proces de kwaliteit en de gerichtheid van de programmering heeft verbeterd; stelt bovendien vast dat de lidstaten unaniem van mening waren dat het vasthouden aan de fundamentele prioriteiten van hun nationale strategische referentiekaders en operationele programma's gekoppeld aan de Lissabon-strategie het beste instrument is om de crisis het hoofd te bieden, en dat zij de relevantie van de middellange- en langetermijndoelstellingen die zijn opgenomen in deze documenten opnieuw hebben bevestigd;

Uitdagingen met betrekking tot de uitvoering

21.  wijst erop dat effectieve selectie en tenuitvoerlegging van projecten op sommige gebieden wordt gehinderd doordat aan bepaalde belangrijke voorwaarden daarvoor niet is voldaan, zoals eenvoudigere aanvraagprocedures op nationaal niveau, de vaststelling van duidelijke nationale prioriteiten voor bepaalde interventieterreinen, tijdige omzetting van EU-wetgeving en geconsolideerde institutionele en administratieve capaciteit, en wordt belemmerd door buitensporige nationale bureaucratie; verzoekt de lidstaten en regio's derhalve de beleidsuitvoering te vergemakkelijken door deze uitdagingen op te pakken en met name door het juridische kader op het gebied van staatssteun, openbare aanbesteding en milieuregels te verbeteren en institutionele hervormingen na te streven;

22.  moet helaas constateren dat de aanzienlijke vertragingen bij de beleidsuitvoering hoofdzakelijk te wijten zijn aan de volgende factoren: late afronding van de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader en het wetgevingspakket voor het beleid, waardoor ook de nationale strategieën en operationele programma's vertraging oplopen, veranderingen in de financiële-controlevoorschriften en beoordelingscriteria op nationaal niveau, overlapping met de afsluiting van de programmeringsperiode 2000-2006 en de schaarse overheidsmiddelen die in de lidstaten voor medefinanciering beschikbaar zijn;

23.  betreurt dat het strategisch verslag, dat eigenlijk duidelijk zou moeten maken in welke mate de door de structuurfondsen medegefinancierde programma's bijdragen tot de verwezenlijking van de cohesiebeleidsdoelstellingen, geen volledige gegevens verschaft over de situatie met betrekking tot de regionale ongelijkheden tot 2009;

Reactie op de economische crisis

24.  is ingenomen met de publicatie van het werkdocument van de diensten van de Commissie over het cohesiebeleid: reactie op de economische crisis - een overzicht van de uitvoering van cohesiebeleidsmaatregelen die ter ondersteuning van het Europees economisch herstelplan zijn genomen; benadrukt dat dit overzicht hoofdzakelijk gebaseerd is op de in de nationale strategische verslagen verstrekte informatie; verzoekt de Commissie de noodzakelijke maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de door de lidstaten verstrekte informatie juist is;

  25. merkt op dat in het kader van de wereldwijde financiële en economische crisis en de huidige economische vertraging het cohesiebeleid van de EU op beslissende wijze bijdraagt aan het Europees economisch herstelplan, dat de grootste Europese bron van investeringen in de reële economie is, en aantoonbaar voor een flexibele en passende reactie op de snel verslechterende sociaaleconomische situatie zorgt; benadrukt dat de lidstaten het op prijs hebben gesteld dat de crisismaatregelen aan hun specifieke behoeften konden worden aangepast; dringt echter aan op flexibelere en minder ingewikkelde regels om de crisis te bestrijden en spoort de lidstaten aan met spoed gebruik te maken van alle door de Commissie ter beschikking gestelde maatregelen om te zorgen voor een passende en tijdige reactie overeenkomstig de specifieke behoeften en voor een succesvolle uitweg uit de crisis met het oog op de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling op lange termijn via versterking van het concurrentievermogen, de werkgelegenheid en de aantrekkingskracht van de Europese regio's;

26.  geeft aan hoe belangrijk het is extra inspanningen te verrichten om de moeilijkheden bij het meten van de algemene impact van specifieke cohesiebeleidgerelateerde maatregelen in het kader van het Europees economisch herstelplan te overwinnen en betreurt dat het overzicht derhalve slechts in beperkte mate inzicht kan bieden in concrete voorbeelden op nationaal niveau; is niettemin ingenomen met de in het verslag gepresenteerde analyse van goede praktijken en eerste conclusies;

27.  is van mening dat de tekenen van herstel van de crisis nog fragiel zijn en dat Europa de komende jaren haar structurele zwaktes moet aanpakken, onder meer via cohesiebeleidsinterventies en gerichte investeringen in met name onderzoek en ontwikkeling, innovatie, onderwijs en technologie die alle sectoren helpen bij het verkrijgen van concurrentiekracht; benadrukt derhalve dat een grondige analyse moet worden verricht van de uitwerking van maatregelen om de crisis tegen te gaan en dat moet worden gezorgd voor een toegankelijke structurele financiering, een krachtig instrument om de regio's te helpen bij hun economische en sociale herstructurering en bij de bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie en solidariteit;

Totstandbrenging van synergieën en voorkoming van sectorale versnippering van middelen van het regionaal beleid

28.  deelt de mening die de Raad in zijn conclusies over het strategisch verslag 2010 heeft geuit, nl. dat één strategische en geïntegreerde aanpak voor de structuurfondsen werkelijk voor meerwaarde zorgt; wijst erop dat elk fonds zijn eigen regels nodig heeft voor succesvolle interventies in het veld in specifieke situaties; benadrukt tevens de noodzaak om na de crisis de overheidsbegrotingen te consolideren en de synergieën en impact van alle beschikbare financieringsbronnen (EU, nationaal, EIB-instrumenten) te vergroten dankzij effectieve coördinatie;

29.  benadrukt dat synergieën tussen de structuurfondsen en andere sectorale beleidsinstrumenten en tussen deze instrumenten en nationale, regionale en locale instrumenten van fundamenteel belang zijn en positieve koppelingen creëren waardoor wederzijdse versterking, duurzame uitvoering van programma's en totstandbrenging van territoriale cohesie mogelijk worden; erkent dat het cohesiebeleid door de earmarking-bepalingen voor 2007-2013 beter is ingericht om synergie te kunnen realiseren met onderzoeks- en innovatiebeleid; onderstreept dat de structuurfondsen kunnen worden gebruikt om de researchinfrastructuur te ondersteunen, zodat wordt gezorgd voor het uitmuntendheidsniveau dat nodig is om toegang te krijgen tot researchfondsen; wijst tevens op de voordelen van synergie tussen het EFRO, het ESF en het ELFPO; merkt op dat de ervaring duidelijk uitwijst dat goede prestaties bij de programma's die uit hoofde van het ESF worden gefinancierd essentieel zijn voor een optimale doeltreffendheid van EFRO-financieringen voor economische acties; benadrukt in dit verband het potentieel van kruisfinanciering dat nog niet volledig wordt benut; verzoekt de Commissie met het oog op het volgende strategische verslag hierin te verwijzen naar de wisselwerking tussen de structuurfondsen onderling en naar de wisselwerking tussen de structuurfondsen en andere financiële instrumenten van de EU;

Monitoring en evaluatie

30.  benadrukt dat technische ondersteuning, toezicht en evaluatie beleidsleren stimuleren en samen met efficiënte financiële controle een stimulans zullen vormen om beter te presteren;

31.   betreurt dat slechts 19 lidstaten gegevens hebben verschaft over kernindicatoren en dat het daardoor in dit stadium onmogelijk is een eerste EU-breed beeld te krijgen van de impact van het beleid ter plaatse; moedigt de lidstaten ten zeerste aan bij de volgende strategische verslagen in 2012-2013 gebruik te maken van kernindicatoren; verzoekt de Commissie te hulp te schieten door steun te verstrekken aan de lidstaten en regio's zodat zij tijdige, coherente en volledige gegevens kunnen produceren;

32.  onderstreept dat de Commissie moet zorgen voor efficiënte en constante toezicht- en beheersystemen ten einde het bestuur en de doeltreffendheid van de uitvoering van de structuurfondsen te verbeteren; verzoekt de Commissie de samenhang en kwaliteit van het toezicht op de door de lidstaten geboekte vooruitgang te verbeteren door in de volgende programmeringsperiode het gebruik van een minimale reeks kernindicatoren in de nationale strategische verslagen verplicht te stellen, zulks omwille van vergelijkbaarheid van gegevens en resultaatgerichtheid, door meer gedetailleerd advies te verstrekken;

Goede praktijken

33.  is van mening dat, naast versterking van de administratieve capaciteit, goede praktijken en het leren van elkaar bij de beleidsuitvoering onder de aandacht moeten worden gebracht en de uitwisseling ervan moet worden bevorderd, ten einde de doeltreffendheid en effectiviteit te vergroten en in het verleden gemaakte fouten te vermijden;

34.  moedigt de lidstaten aan om zich bij de opstelling van hun nationale verslagen te bedienen van goede praktijken en dus onder meer gebruik te maken van kernindicatoren, te rapporteren over resultaten en outputs, te berichten over synergieën tussen nationaal en EU-beleid, openbare debatten en overleg met belanghebbenden te organiseren, de verslagen voor advies voor te leggen aan de nationale parlementen en deze te publiceren op regeringswebsites (waarbij alle verslagen in duidelijke en beknopte bewoordingen gesteld moeten worden), aangezien dergelijke praktijken de kwaliteit van de verslaglegging verbeteren en de betrokkenheid van belanghebbenden binnen de lidstaten vergroten; dringt aan op het gebruik van voorbeelden van goede praktijken in regio's waar een beperkte absorptiegraad of een beperkte doeltreffendheid van de financieringsprogramma's wordt geconstateerd;

35.  juicht het toe dat de Commissie beschrijft hoe nationale, regionale en locale autoriteiten de operationele programma's kunnen afstemmen op de duurzame groeidoelstellingen van EU 2020 en hoe de praktijken in deze programmeringsperiode kunnen worden geheroriënteerd op slimme groeidoelstellingen; roept de lidstaten op onverwijld tot actie over te gaan, meer te investeren in duurzame ontwikkeling en slimme groei, sociale integratie en gendergelijkheid op de arbeidsmarkt, en de fondsen effectiever in te zetten; verzoekt de Commissie voorts een debat op gang te brengen over de vraag hoe het cohesiebeleid in de lopende programmeringsperiode 2007-2013 kan bijdragen aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

Conclusies en aanbevelingen

36.  onderstreept de rol van KMO's als innoverende krachten in de economie en benadrukt de noodzaak om deze sector te ontwikkelen onder meer door de uitvoering van de Small Business Act, hun toegang tot financiering en ondernemingskapitaal te vergemakkelijken en hen aan te moedigen aan innovatieve projecten mee te werken om hun concurrentiekracht te vergroten en meer banen te scheppen; benadrukt dat veel sociaal en economisch voordeel is te behalen door samenwerking op lokaal en regionaal niveau tussen overheidsinstanties, KMO's, bedrijfsnetwerken, onderzoekinstellingen en - clusters en door efficiënt gebruik van alle bestaande hulpbronnen, met inbegrip van financiële instrumentering (Jeremie), als elementen van kapitaalversterking voor KMO's; onderstreept niettemin dat met betrekking tot de financiering op basis van een lening de rechtszekerheid zodanig moet worden verbeterd dat financiële intermediairs en publiekrechtelijke stimuleringsbanken voorwaarden voor innovatieve financiële instrumenten kunnen opstellen die gedurende de hele programmeringsperiode geldig blijven;

37.  is ervan overtuigd dat goed bestuur op Europees, nationaal, regionaal en plaatselijk niveau en doeltreffende samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen essentieel zijn voor de kwaliteit van het besluitvormingsproces, de strategische planning en een betere absorptiecapaciteit van de structuurfondsen en het cohesiefonds en dus voor de succesvolle en doeltreffende uitvoering van het cohesiebeleid; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om „multi-level governance” (meerlagig bestuur) te versterken en te mobiliseren, overeenkomstig het Verdrag, het subsidiariteitsbeginsel en het partnerschapsbeginsel; benadrukt derhalve het belang van een verticale en horizontale partnerschapsstrategie en beveelt aan de kwaliteit van de betrokkenheid van de partners te beoordelen, eraan herinnerend dat partnerschap tot vereenvoudiging kan leiden, met name in de projectselectieprocedure; verzoekt de lidstaten de subnationale instanties vanaf het begin bij de vaststelling van de investeringsprioriteiten en bij het besluitvormingsproces zelf te betrekken en deze samen met maatschappelijke actoren en vertegenwoordigers van verenigingen bij de uitvoering van het cohesiebeleid te betrekken; stelt in dit verband voor een territoriaal pact van lokale en regionale overheden met betrekking tot de Europa 2020-strategie in elke lidstaat in te stellen;

38.  is van oordeel dat de vereenvoudiging van de voorschriften en procedures ertoe moet bijdragen dat de toewijzing van middelen en het verrichten van betalingen worden bespoedigd en dat de vereenvoudiging derhalve op EU- en nationaal niveau moet worden voortgezet en moet leiden tot betere regels in de periode na 2013 zonder dat daardoor grote moeilijkheden ontstaan voor de begunstigden; is van mening dat het regional beleid beter moet worden afgestemd op de behoeften van de gebruikers en dat de vereenvoudiging onnodige administratieve belemmeringen en kosten moet beperken alsook andere obstakels die de beleidsdoelstellingen belemmeren, dat het regionaal beleid verwarring en verkeerde interpretatie van de gangbare administratieve praktijken moet voorkomen en anderzijds moet zorgen voor een flexibeler projectbeheer, gesynchroniseerde controles en een efficiënter beleid; betreurt dat vele middelen onbenut blijven als gevolg van overbodige bureaucratie, overmatig gecompliceerde regels die onderhevig zijn aan frequente wijzigingen, en gebrek aan geharmoniseerde procedures; is van mening dat het juiste evenwicht moet worden gevonden tussen vereenvoudiging en de stabiliteit van regels en procedures;

39.   roept de lidstaten en de regionale autoriteiten op hun capaciteitsopbouw te versterken en de administratieve last te verlichten en met name ervoor te zorgen dat projecten met nationale bijdragen worden gecofinancieerd en, waar relevant, financiële instrumentering in te voeren, ten einde de absorptiepercentages te vergroten en verdere grote vertraging bij de investeringen te voorkomen;

40.  ondersteunt overwegingen van de Commissie om resultaatgerichter te werken bij de tenuitvoerlegging van de structuurfondsen en is van mening dat strategische verslaglegging, als waardevol instrument voor het bewaken van de voortgang van de tenuitvoerlegging, een basis vormt voor collegiale toetsing en strategisch debat op EU-niveau; spoort de lidstaten aan met het oog op het realiseren van een betere strategische verslaglegging op basis van vergelijkbare en betrouwbare gegevens te kiezen voor een meer analytische en strategische benadering bij het opstellen van de nationale verslagen die meer gericht moeten zijn op doelstellingen, resultaten en strategische ontwikkelingen, en tijdig accurate informatie te verstrekken over de kernindicatoren en de overeengekomen doelstellingen; benadrukt derhalve dat het strategisch verslag 2013 resultaatgericht moet zijn en dat de nadruk daarin meer moet liggen op de kwaliteitsanalyse van de doeltreffendheid van de programma's, outputs, resultaten en vroege impact dan op de presentatie van al te veel statistische gegevens;

41.  roept de Commissie en de lidstaten op de tussentijdse herziening van de financiële vooruitzichten voor 2007-2013 en van het cohesiebeleid te benutten om een betere besteding van Europese financieringsmiddelen in de periode 2011-2013 te bewerkstelligen;

42.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om, met het oog op de volgende onderhandelingsronde over het toekomstige cohesiebeleid, een snellere afronding van essentiële documenten zoals het meerjarig financieel kader en de verordeningen in de volgende onderhandelingsronde te vergemakkelijken ten einde de moeilijkheden die in de beginfase van de volgende programmeringsperiode zouden kunnen ontstaan, op te lossen;

43.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat er voor het toekomstige cohesiebeleid toereikende financiële middelen beschikbaar zijn; stelt zich op het standpunt dat het cohesiebeleid niet louter mag worden gezien als een instrument voor het bereiken van de doelstellingen van sectorale beleidsmaatregelen, aangezien het een tak van EU-beleid betreft die een aanzienlijke meerwaarde biedt en een eigen bestaansreden heeft, nl. economische, sociale en territoriale samenhang; onderstreept derhalve dat het cohesiebeleid onafhankelijk moet blijven en dat aan de bestaande fundamenten en beginselen van dit beleid geen afbreuk mag worden gedaan door sectorale versnippering;

o
o   o

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
(2) PB L 371 van 27.12.2006, blz. 1.
(3) PB L 126 van 21.5.2009, blz. 3.
(4) PB L 132 van 29.5.2010, blz. 1.
(5) PB L 291 van 21.10.2006, blz. 11.
(6) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 79.
(7) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 104.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0473.


Europese stedelijke agenda en de toekomst van deze agenda in het cohesiebeleid
PDF 156kWORD 73k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over een Europese stedelijke agenda en de toekomst van deze agenda in het cohesiebeleid (2010/2158(INI))
P7_TA(2011)0284A7-0218/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid titel XVIII,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling(2),

–  gezien Beschikking 2006/702/EG van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 397/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling met betrekking tot de subsidiabiliteit van investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1233/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 663/2009 tot vaststelling van een programma om het economische herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie(5),

–  gezien zijn resolutie van 21 februari 2008 over de follow-up van de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig: Europees actieprogramma voor ruimtelijke ontwikkeling en territoriale samenhang(6),

–  gezien zijn resolutie van 21 oktober 2008 over governance en partnerschap op nationaal en regionaal niveau en als basis voor projecten op het gebied van regionaal beleid(7),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over de stedelijke dimensie van het cohesiebeleid in de nieuwe programmeringsperiode(8),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over het Groenboek territoriale cohesie en stand van de discussie over de toekomstige hervorming van het cohesiebeleid(9),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de Lissabon- en EU 2020-doelstellingen(10),

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over het cohesie- en regionaal beleid van de EU na 2013(11),

–  gezien de door het Europees Parlement gepubliceerde nota getiteld „follow-up van de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig: Europees actieprogramma voor ruimtelijke ontwikkeling en territoriale samenhang”,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 3 maart 2010, getiteld „EUROPA 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien het vijfde verslag van de Commissie over de economische, sociale en territoriale cohesie: de toekomst van het cohesiebeleid, van 9 november 2010,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 9 november 2010 „Conclusies van het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang: de toekomst van het cohesiebeleid” (COM(2010)0642),

–  gezien het syntheseverslag van de Commissie van april 2010 over de ex-post-evaluatie van de door het EFRO (doelstellingen 1 en 2) gecofinancierde Cohesiebeleidsprogramma's 2000-06,

–  gezien het verslag van de Commissie van juni 2010 over de ex-post-evaluatie van de Cohesiebeleidsprogramma's 2000-06: het communautaire initiatief Urban II,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) over „De noodzaak van een geïntegreerde benadering van stadsvernieuwing” van 26 mei 2010(12),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's over „het belang van stadsvernieuwing voor de toekomst van stedelijke ontwikkeling in Europa” van 9 juni 2010(13),

–  gezien de Territoriale Agenda van de EU – voor een meer concurrerend en duurzaam Europa van verschillende regio's („de Territoriale Agenda”) en het Handvest van Leipzig over duurzame Europese steden („het Handvest van Leipzig”), die beide zijn aangenomen tijdens de informele Raad van ministers bevoegd voor ruimtelijke ordening en stedenbouw, gehouden op 24 en 25 mei 2007 in Leipzig,

–  gezien de „verklaring van Toledo” aangenomen tijdens de informele Raad van ministers bevoegd voor stedenbouw in Toledo op 22 juni 2010,

–  gezien het standpunt van de directeurs-generaal bevoegd voor stedenbouw over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Investeringsbank: Conclusies van het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang: de toekomst van het cohesiebeleid (COM(2010)0642/3),

–  gezien de conclusies van de Europese Top van plaatselijke overheden, gehouden in Barcelona van 22 tot 24 februari 2010, getiteld „Local governments, the protagonist in the new Europe” (Plaatselijke overheden, de protagonisten in het nieuwe Europa),

–  gezien het Convenant van Burgemeesters, op initiatief van en met ondersteuning door de Europese Commissie,

–  gezien het onafhankelijke verslag, opgesteld op verzoek van de Commissie, getiteld „An Agenda for a Reformed Cohesion Policy” (Agenda voor een herzien cohesiebeleid – verslag van Fabrizio Barca) (2009),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0218/2011),

A.  overwegende dat de EU kan worden gekenmerkt door haar policentrische ontwikkeling en de grote waaier van urbane gebieden en steden van verschillende grootte, die zeer verschillende bevoegdheden en middelen hebben; brengt tot uitdrukking dat het niet juist en zelfs problematisch zou zijn om een algemene definitie van „stedelijke gebieden” en meer in het algemeen van het begrip „stedelijk” te gaan hanteren, aangezien het moeilijk is om de verscheidenheid aan situaties in de lidstaten en regio's onder één noemer te brengen, en is daarom van mening dat een eventuele verplichte definitie en benoeming van stedelijke gebieden moet worden overgelaten aan de lidstaten, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en op basis van gemeenschappelijke Europese indicatoren; overwegende dat onderzocht moet worden hoe een functionele benadering kan resulteren in een gemeenschappelijke definitie van het begrip „stedelijk”, waardoor het mogelijk wordt om een duidelijke definitie van de stedelijke dimensie van het Unie-beleid te creëren, en overwegende dat een definitie van de stedelijke dimensie op basis van de functies ervan nuttig zou zijn, in het bijzonder in het kader van het cohesiebeleid,

B.  overwegende dat de EU met haar beleid bijdraagt aan de duurzame ontwikkeling van stedelijke gebieden, terwijl in aanmerking moet worden genomen dat in aanvulling op nationale stedelijk beleid krachtens het subsidiariteitsbeginsel, Europees stedelijk beleid moet worden gedefinieerd,

C.  overwegende dat steden een actieve bijdrage leveren aan het formuleren van de beleidsvormen van de EU, en een belangrijke rol spelen bij de geslaagde tenuitvoerlegging van de EU 2020-strategie; en overwegende dat het niet rekening houden met de stedelijke dimensie van de beleidsvormen van de EU, en met name van het cohesiebeleid, het bereiken van de EU 2020-doelstellingen in gevaar zou brengen,

D.  overwegende dat de steden een uniek architecturaal en cultureel potentieel hebben, dat ze veel kunnen bijdragen tot de sociale integratie, en een sociaal evenwicht tot stand kunnen brengen door het handhaven van de culturele diversiteit en van een permanente band tussen centrum en periferie,

E.  overwegende dat, voortbouwend op de ervaringen van de URBAN-initiatieven, stedelijke acties zijn geïntegreerd („gemainstreamd”) in het regelgevingskader voor de doelstellingen convergentie en regionale mededinging en werkgelegenheid voor de programmeringsperiode 2007-2013 overwegende dat het mainstreamen duidelijk tot meer middelen voor steden heeft geleid; overwegende dat het wenselijk zou zijn om binnen de operationele programma´s goed afgebakende doelstellingen voor stedelijke ontwikkeling vast te stellen teneinde concentratie van middelen te bevorderen,

F.  overwegende dat subsidiariteit in haar meest versterkte en uitgebreide vorm, zoals gedefinieerd in het VWEU, alsmede meerlagig bestuur en een beter gedefinieerd partnerschapsprincipe essentiële aspecten zijn voor de correcte uitvoering van alle EU-beleidsvormen, en overwegende dat de inzet van middelen en competenties van lokale en regionale autoriteiten dienovereenkomstig versterkt moeten worden,

G.  overwegende dat de economische crisis van de afgelopen jaren nog meer ongelijkheid en maatschappelijk onbehagen heeft veroorzaakt in uitgestrekte metropolitane gebieden in de periferie; overwegende dat de plaatselijke overheden de crisis moeten aanpakken met concrete maatregelen voor armoedebestrijding en ondersteuning van de sociale samenhang en de werkgelegenheid,

H.  overwegende dat in vrij veel gevallen een beleid op basis van ontwikkelingskernen dat gericht is op de bevordering van economische activiteit in de stad niet voldoende invloed heeft gehad, dat het effect in het omringende gebied beperkt is gebleven en het dus evenmin heeft bijgedragen aan een geïntegreerde ontwikkeling,

I.  overwegende dat steden ongeacht hun rijkdom of economische macht in een aantal wijken specifieke problemen kunnen hebben zoals extreme sociale ongelijkheid, armoede, sociale uitsluiting en hoge werkloosheid, die met ondersteuning van het cohesiebeleid verzacht of opgelost kunnen worden,

J.  overwegende dat vereenvoudiging van de uitvoering van het beleid, met inbegrip van de uitvoering van toezicht- en controlemechanismen, de doeltreffendheid helpt verbeteren, foutenpercentages vermindert, het beleidsontwerp gebruiksvriendelijker maakt en de zichtbaarheid verhoogt; en overwegende dat inspanningen om vereenvoudiging te bereiken moeten worden voortgezet en aangevuld met de vereenvoudiging van nationale en regionale procedures, zodat vertegenwoordigers van stedelijke gebieden de benutting van Europese fondsen beter kunnen sturen en beheren,

Context van de stedelijke dimensie

1.  stelt vast dat de Europese stedelijke agenda enerzijds de stedelijke dimensie van de beleidsvormen van de EU omvat, en met name het cohesiebeleid, en anderzijds de intergouvernementele dimensie van de inspanningen op het Europese niveau om het stedelijke beleid van de lidstaten te coördineren, dat wordt geïmplementeerd door informele vergaderingen van ministers, die worden gecoördineerd door de elkaar afwisselende voorzitterschappen van de Raad, met een actieve bijdrage van de Commissie; is in dit verband van mening dat plaatselijke overheden beter zouden moeten worden geïnformeerd en sterker zouden moeten worden betrokken bij de activiteiten van de intergouvernementele dimensie; beveelt aan te zorgen voor meer coördinatie tussen beide niveaus en een nauwere betrokkenheid van de plaatselijke overheden; benadrukt dat er een betere coördinatie moet komen tussen de besluiten en handelingen van overheden op communautair en nationaal niveau;

2.  wijst op de goedkeuring van de verklaring van Toledo en het referentiedocument van Toledo over stadsvernieuwing; deelt het standpunt dat er behoefte is aan meer continuïteit en coördinatie om te komen tot een gezamenlijk werkprogramma of „Europese stedelijke agenda”; verwelkomt het feit dat ministers de behoefte aan versterking van de samenwerking en coördinatie met het Europees Parlement hebben benadrukt alsmede de doelstelling van versterking van de stedelijke dimensie binnen het cohesiebeleid en de bevordering van duurzame stadsontwikkeling en geïntegreerde benaderingen door versterking en ontwikkeling van de instrumenten voor de uitvoering van het Handvest van Leipzig op alle niveaus; feliciteert de lidstaten en de Commissie met hun inspanningen om het proces van Marseille voort te zetten en een referentiekader voor duurzame Europese steden in te voeren; volgt met belangstelling de start van een testfase van het referentiekader; betreurt echter dat steden niet voldoende bij deze processen betrokken worden; verzoekt derhalve de Commissie en lidstaten om een betere informatiestroom te waarborgen voor niet deelnemende steden en om het Parlement op de hoogte te houden van verdere ontwikkelingen;

3.  benadrukt dat er naast de belangrijke bijdrage door de interventies van het cohesiebeleid aan de stedelijke ontwikkeling een groot aantal andere beleidsvormen (zoals het milieu, vervoer en energie) en programma's van de EU zijn die grote gevolgen hebben voor de stedelijke ontwikkeling; benadrukt dat er meer inzicht moet komen in de territoriale gevolgen van de beleidsvormen, en pleit voor meer aandacht voor de stedelijke agenda in de beleidsvormen van de EU; herhaalt zijn beroep op de Commissie om een territoriale evaluatie te verrichten van de gevolgen van sectorale beleidsvormen, en de bestaande mechanismen voor de effectbeoordeling uit te breiden; verwelkomt in deze context de ideeën die worden voorgesteld in het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale cohesie en het door ESPON uitgevoerde werk;

Lokale behoeften en/tegenover Europese prioriteiten

4.  wijst erop dat met name stedelijke gebieden de Europese beleidsvormen in de praktijk brengen; wijst erop dat stedelijke gebieden, waar 73% van de Europese bevolking woont, ongeveer 80% van het bbp genereren en ze tot 70% van de energie in de Unie verbruiken, en dat deze de belangrijkste centra van innovatie, kennis en cultuur zijn, onder andere door de bijdrage van de daar gevestigde kmo's, en dat ze daardoor een aanzienlijke bijdrage leveren aan de economische groei; wijst erop dat alleen die steden die hoogwaardige diensten kunnen leveren en die over een goede infrastructuur beschikken, in staat zijn toekomstige activiteiten met een grote toegevoegde waarde aan te trekken en te bevorderen; wijst erop dat zij anderzijds ook een prijs betalen voor hun economische productiviteit (het uitdijen van de steden, het dichtslibben van steden, opstoppingen, vervuiling, landgebruik, klimaatverandering, energie-onzekerheid, huizencrisis, ruimtelijke segregatie, criminaliteit, migratie, enz.), en te maken hebben met grote sociale verschillen (hoge werkloosheid, sociale onzekerheid en uitsluiting, sociale polarisatie, enz.) die hun rol als „motor voor de groei” in gevaar brengen; benadrukt dat niet alleen economische, maar ook sociale en ecologische ontwikkelingen in stedelijke gebieden grote gevolgen hebben voor de omliggende gebieden, en is van mening dat de stedelijke agenda duurzame, intelligente en inclusieve investeringen moet trachten aan te trekken om de rol van de stad te versterken; is derhalve van mening dat er goede redenen zijn om gezamenlijk te strijden voor de stedelijke gebieden in de EU, om de horizontale gevolgen van groei en ontwikkeling te beperken en tegelijkertijd steden te creëren die in economisch, sociaal en milieuopzicht duurzaam zijn;

5.  wijst erop dat stedelijke vervoersdiensten onder het subsidiariteitsbeginsel vallen; benadrukt evenwel dat Europese samenwerking, coördinatie en financiering lokale overheden in staat zouden stellen de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd aan te gaan, met name wat vervoer betreft;

6.  is van mening dat het optimaliseren van de bijdrage van stedelijke gebieden aan de economische groei van de EU en het tegelijkertijd behouden of verbeteren van hun parameters als „goede plaatsen om te wonen” een gedeelde doelstelling is van het overheidsbestuur op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau; benadrukt dat, hoewel deze doelstelling breed gedeeld wordt, de specifieke maatregelen om de doelstelling te bereiken van plaats tot plaats kunnen variëren; merkt op dat enkele regio's en steden ten gevolge van historische ontwikkelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw in het algemeen een breder palet van prioriteiten zullen moeten volgen met inbegrip van convergentie en is derhalve van mening dat voldoende flexibiliteit moet worden gewaarborgd, zodat bepaalde stedelijke gebieden de oplossingen kunnen vinden die het meest geschikt zijn voor hun behoeften, macro- en micro-omgeving en ontwikkelingscontext;

7.  beveelt aan dat de stedelijke dimensie van het cohesiebeleid, met als leidend beginsel het strategische concept van dienstbaarheid aan slimme, duurzame en inclusieve groei, gericht wordt op een drievoudige doelstelling: ten eerste moeten de stedelijke gebieden hulp krijgen om hun belangrijkste fysieke infrastructuur te ontwikkelen, als voorwaarde voor groei, zodat ze hun potentiële bijdrage aan de economische groei in Europa volledig kunnen leveren, de economie op een bredere basis kunnen plaatsen en kunnen bijdragen aan energie- en milieuduurzaamheid met name om de gebiedskwaliteit in de stadscentra te behouden en te verbeteren, zonder enige schade te berokkenen aan de rivieren; ten tweede moeten de stedelijke gebieden hulp krijgen om hun economische en sociale structuren alsmede hun milieubeleid te moderniseren door slim te investeren in infrastructuur en diensten die gebaseerd zijn op moderne technologie, en die terdege rekening houden met regionale, lokale en nationale omstandigheden; ten derde moeten de stedelijke gebieden worden gerenoveerd door besmette industriegebieden en terreinen te saneren, zonder daarbij echter de ontwikkeling van dwarsverbanden tussen stedelijke en plattelandsgebieden uit het oog te verliezen, ten einde de inclusieve groei te bevorderen, overeenkomstig de EU 2020-strategie;

8.  wijst erop dat het moderniseren van de infrastructuur door te investeren in intelligente technologieën veel potentieel heeft, en dat hardnekkige problemen in het stadsbestuur, energie-, watervoorzienings- en gebruiksbeheer, vervoer, toerisme, huisvesting, onderwijs, gezondheids- en sociale zorg, openbare veiligheid, enz. zouden kunnen worden aangepakt door het concept van „slimme stadsontwikkeling”; meent dat dergelijke investeringen in de ICT kunnen worden beschouwd als een krachtige motor voor economische groei en op innovatie gebaseerde economische activiteiten, waardoor de economie kan beschikken over de nodige elementen van openbare en particuliere investeringen, om op die manier te streven naar nieuw ondernemerschap, duurzame banen en intelligente groei overeenkomstig de doelstellingen van de EU 2020-strategie en van met name het innovatiepartnerschap op het gebied van intelligente steden;

9.  onderstreept dat de toepassing van intelligente systemen in belangrijke mate kan bijdragen tot de verbetering van de energie-efficiëntie en de veiligheid in de publieke sector, en verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een gecoördineerde en doeltreffende inzet van intelligente systemen in de hele EU, en met name in stedelijke gebieden; wijst erop dat met name steden een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan de bestrijding van klimaatverandering, bijvoorbeeld door slimme lokale openbaarvervoerssystemen, verbetering van de energieprestaties van gebouwen, duurzame wijkplanning, waarbij de trajecten naar werk en naar stedelijke instellingen zo kort mogelijk zijn, en andere maatregelen; verwelkomt in dit verband het Civitas-initiatief en het Convenant van Burgemeesters; onderstreept het belang van de inzet van beschikbare middelen met het oog op het uitvoeren van de actieplannen, die gebruikmaking van het lokale potentieel aan hernieuwbare energie moeten bevorderen, en vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat beide initiatieven in de toekomst worden geactualiseerd;

10.  benadrukt het belang van het cohesiebeleid voor het versterken van de sociale innovatie in stedelijke gebieden, met name in achterstandswijken, om de interne cohesie en het menselijk kapitaal te verbeteren, door een inclusieve en participatieve aanpak, of het nu gaat om opleiding en onderwijs (met name voor jongeren), toegang tot microkredieten of het bevorderen van de sociale economie;

Meerlagig bestuur en het partnerschapsprincipe

11.  herhaalt zijn standpunt dat één van de zwakke punten van de Lissabon-strategie het gebrek aan goed functionerend meerlagig bestuur was en het feit dat regionale en lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld onvoldoende betrokken waren bij de ontwerp-, uitvoerings-, communicatie- en evaluatiefasen van de strategie; benadrukt de behoefte aan een verbeterd bestuurssysteem voor de EU 2020-strategie met een grotere mate van integratie van alle belanghebbenden in alle fasen;

12.  doet een beroep op de Commissie er in de toekomstige verordeningen voor te zorgen dat de lidstaten worden verplicht om politieke leiders van de belangrijkste stedelijke gebieden en verenigingen van plaatselijke en regionale overheden officieel te betrekken bij alle fasen van de besluitvorming over het cohesiebeleid (strategische planning, het definiëren van de voorgestelde „nationale strategische ontwikkelingscontracten”) en de onderhandelingen daarover, onder meer door het opzetten van nieuwe soorten partnerschappen zoals een „Territorial Pact” dat per lidstaat wordt uitgewerkt; verzoekt de Commissie de opleiding en training van stedelijke en lokale besturen te bevorderen om hen op deze manier bekend te maken met de programma's en initiatieven in het kader van het stedelijk beleid, en verzoekt de plaatselijke overheden dienovereenkomstig om concrete actieplannen uit te werken in het kader van hun eigen ontwikkelingsstrategieën; is van mening dat dit de enige manier is om lokale behoeften in aanmerking te nemen en tegelijkertijd fragmentatie van strategische doelstellingen en oplossingen te voorkomen;

13.  is van mening dat de band tussen lokale actieplannen en regionale/nationale mainstreamprogramma's versterkt moet worden; steunt het voorstel van de Commissie om in het cohesiebeleid meer aandacht te besteden aan lokale ontwikkeling door middel van actiegroepen en actieplannen van het Leader-type;

14.  benadrukt dat stedelijke gebieden geen op zich staande elementen in hun regio zijn, en dat hun ontwikkeling derhalve goed moet worden gekoppeld aan de functionele gebieden er omheen en aan het platteland; vraagt om een verdere verheldering van de specifieke situaties zoals metropolitane gebieden, stadsregio's en agglomeraties, waarin functies sterk verweven zijn; is van mening dat meerlagig bestuur, territoriale programmering en het partnerschapsprincipe de meest doelmatige instrumenten zijn om te verhinderen dat het ontwikkelingsbeleid een gefragmenteerd en sectoraal beleid wordt; herinnert er in dat verband evenwel aan dat de interne synergieën niet altijd gewaarborgd zijn; verzoekt de Commissie de lidstaten er in het bijzonder toe aan te sporen om contacten en de uitwisseling van goede praktijken over plattelands-stedelijke strategieën te bevorderen, en in planningdocumenten met plattelands-stedelijke dimensies rekening te houden om goede verbanden tussen plattelands- en stedelijke gebieden te bevorderen;

15.  benadrukt de positieve rol die grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking en het URBACT-initiatief spelen bij de netwerkactiviteiten van steden, de uitwisseling van beste praktijken en het genereren van innovatieve oplossingen; wijst erop dat de samenwerking tussen Europese steden uitstekend past in Doelstelling 3 (Europese territoriale coöperatie); is van oordeel dat in de periode 2014-2020 de stedelijke dimensie in de doelstelling van Europese territoriale coöperatie moet worden versterkt; pleit voor een grotere rol voor de steden in de netwerken voor interregionale en grensoverschrijdende samenwerking; is van mening dat ondersteunde netwerken gekoppeld moeten worden aan feitelijke ontwikkelingsprojecten en roept de Commissie op de platforms te verbeteren om een experimentele benadering voor stadsvernieuwing en -ontwikkeling mogelijk te maken; is van oordeel dat experimenten relevant zouden kunnen zijn, met name in het kader van het ESF, waar een brede territoriale strategie een aanvulling zou kunnen zijn op een aanpak gericht op speciale bevolkingsgroepen;

16.  het proces van „stedelijke regeneratie” en de „integrale aanpak” kunnen leiden tot het ontstaan van een nieuwe „stedelijke alliantie” die alle actoren samenbrengt die betrokken zijn bij het proces van stedenbouw; deze alliantie zou kunnen functioneren op basis van consensus en gelegitimeerd worden door nieuwe vormen van bestuur, waarin sociale en burgerlijke netwerken een belangrijke rol spelen, met als gemeenschappelijk doel de herwaardering, herwinning en heruitvinding van de „bestaande stad”, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van in de loop der geschiedenis opgebouwd menselijk, sociaal, materieel, cultureel en economisch kapitaal en waarbij deze elementen worden ingezet voor de bouw van efficiënte, innovatieve, intelligente, duurzamere en sociaal geïntegreerde steden;

17.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een uitwisselingsprogramma „Erasmus voor lokale en regionale overheden” te creëren ten einde de overdracht van goede praktijken te bevorderen binnen strategische lokale en stadsontwikkeling;

Subdelegeren van verantwoordelijkheden

18.  benadrukt dat de gekozen plaatselijke overheden direct politieke verantwoording moeten afleggen over de strategische besluitvorming en de investeringen met belastinggeld; daarvoor moeten ze van de lidstaten de garantie krijgen dat ze over voldoende begrotingsmiddelen kunnen beschikken; is derhalve van oordeel dat om de doelstellingen van het cohesiebeleid en van de EU 2020-strategie te bereiken de gekozen plaatselijke instanties verplicht betrokken moeten worden bij de strategische besluitvorming, om in nauw overleg met hen de operationele programma's vast te stellen, en dat er op grote schaal gebruikgemaakt moet worden van de mogelijkheid om bij de tenuitvoerlegging en de evaluatie van het cohesiebeleid verantwoordelijkheden te subdelegeren, onverminderd de financiële aasnprakelijkheid van de beheersautoriteiten en de lidstaten; benadrukt het feit dat de prioriteit van de plaatselijke overheden moet bestaan in het waarborgen van het welzijn en de levenskwaliteit van de burgers en de noodzaak om hen en alle andere actoren op dit terrein te betrekken bij de plaatselijke ontwikkelingsstrategieën;

19.  stelt voor om in de komende programmaperiode een van de volgende mogelijkheden te gebruiken bij de invulling van de stedelijke dimensie op het nationale niveau: onafhankelijke operationele programma's, beheerd door bepaalde overheden van stedelijke gebieden, gezamenlijke operationele programma's voor de stedelijke gebieden van een bepaalde lidstaat, algemene subsidies, het beschermen van maatregelen en middelen voor stedelijke gebieden in bepaalde regionale operationele programma's; erkent het belang van de toekomstige uitwerking van specifieke operationele programma's voor bepaalde stedelijke gebieden, die hun ontwikkelingspotentieel moeten gaan benutten;

20.  waarschuwt dat, gezien het feit dat er in de EU grote verschillen bestaan wat betreft de schaal en mate van verstedelijking, in het bijzonder in gevallen waarin een regio hoofdzakelijk een plattelandsgebied is en in geringe mate verstedelijkt is, het aandeel van de middelen dat aan stedelijke acties wordt toegewezen evenals de algemene inhoud en prioriteiten van operationele programma's moeten worden overgelaten aan de beslissingsbevoegdheid van programmaopstellers die namens de regio in kwestie optreden;

Geïntegreerde strategische planning

21.  pleit voor de beginselen van de geïntegreerde strategische planning, aangezien die de plaatselijke overheden kunnen helpen om af te stappen van het aanpakken van „individuele projecten”, en over te stappen naar een meer strategische visie, over de sectoren heen, zodat ze het ontwikkelingspotentieel, waarover ze ter plaatse beschikken, kunnen benutten; benadrukt de toegevoegde waarde en het innoverende karakter van deze „bottom-up”-aanpak, met name voor de achterstandswijken; op die manier zou de participatie van alle plaatselijke actoren kunnen worden gegarandeerd, wat ertoe zou leiden dat beter wordt ingegaan op wat er ter plaatse nodig en beschikbaar is; betreurt tegelijkertijd dat de vage gemeenschappelijke definitie in bepaalde gevallen slechts leidt tot een formele toepassing; roept de Commissie op de lidstaten te verzoeken om steun voor het ontwikkelen van de bestuurlijke capaciteit op plaatselijk niveau, met het oog op de ontwikkeling van geïntegreerde strategieën;

22.  is van mening dat de stedelijke gebieden een essentiële rol spelen bij het omzetten van de macroregionale strategieën en de totstandbrenging van functionele geografische eenheden;

23.  verzoekt de Commissie om onderzoek te verrichten om de bestaande praktijken van de lidstaten op het vlak van geïntegreerde strategische planning met elkaar te vergelijken en om, op basis van de uitkomsten van het onderzoek, specifieke EU-richtsnoeren voor de gebruikte methodes voor de planning van de geïntegreerde stadsontwikkeling op te stellen, waarbij ook de relatie tussen die plannen en andere documenten voor de planning moet worden verduidelijkt, en te streven naar juridisch gereglementeerde, efficiënte partnerschappen, waaronder grensoverschrijdende stedelijke partnerschappen; verzoekt de Commissie om geïntegreerde stadsplanning bij de wet voor te schrijven wanneer middelen van de EU worden gebruikt voor het cofinancieren van projecten; adviseert de plaatselijke overheden in de lidstaten om nieuwe publiek-private partnerschappen op te zetten en ook innovatieve strategieën te formuleren voor de ontwikkeling van de stedelijke infrastructuur, waarmee investeringen kunnen worden aangetrokken en het zakelijk klimaat kan worden gestimuleerd; dringt aan op een betere coördinatie tussen plaatselijke en regionale autoriteiten, waardoor zowel tussen steden en landelijke gebieden als tussen kleine, middelgrote of grote steden nieuwe partnerschappen voor een uitgebalanceerde regionale ontwikkeling tot stand kunnen komen; roept de Commissie tegelijkertijd op de technische ondersteuning te versterken met het oog op verbeterde geïntegreerde ontwikkelingsplanning, participerende beleidsvorming en strategische stadsontwikkeling;

24.  staat achter het voorstel van de Commissie over het toekomstig gemeenschappelijk strategisch kader zoals opgenomen in de conclusies van het vijfde cohesieverslag, dat kan leiden tot meer synergieën tussen de fondsen, met name met het oog op verbetering van de samenwerking tussen stedelijke gebieden enerzijds en het platteland en de voorsteden anderzijds; benadrukt de Europese toegevoegde waarde van de horizontale en geïntegreerde aanpak binnen het cohesiebeleid, en pleit daartoe derhalve voor meer synergieën met het energie-, milieu- en vervoersbeleid, die met name relevant zouden zijn in de stedelijke gebieden en in de voorsteden, waar we in dat opzicht met grote uitdagingen worden geconfronteerd;

25.  herhaalt zijn standpunt dat het uitsluitend indien voldoende middelen beschikbaar zijn voor specifieke stedelijke acties doeltreffend zal zijn om geïntegreerde stadsontwikkelingsplannen op te stellen, en beveelt derhalve aan dat beschikbare middelen gericht ingezet worden voor specifieke acties; is van oordeel dat een minimumniveau van steunintensiteit per programmeringsperiode voor achterstandswijken in stedelijke gebieden moet worden vastgesteld;

Alomvattende financiële planning

26.  benadrukt dat onvermijdelijke besparingsmaatregelen op alle overheidsniveaus in de Europese Unie een ongekende druk hebben gelegd op alle soorten van overheidsbestedingen met inbegrip van strategische investeringen in economische ontwikkeling; is van mening dat er, in het belang van een verbeterde doeltreffendheid van investeringen, behoefte is aan betere coördinatie van alle beschikbare overheidsmiddelen (Europese, nationale, regionale, lokale en particuliere) en dat deze middelen op een meer strategische wijze moeten worden toegewezen;

27.  is in dit verband voorstander van alomvattende financiële planning op lokale niveaus als een onscheidbare component van geïntegreerde ontwikkelingsplanning en roept iedere gebruiker van overheidsmiddelen op om, overeenkomstig het concept resultaatgerichtheid, zich strikt te houden aan het beginsel „geld voor projecten in plaats van projecten voor geld”;

28.  benadrukt de communautaire toegevoegde waarde van de kruisfinanciering tussen het EFRO en het ESF met het oog op de flexibiliteit voor projecten voor sociale insluiting en de plaatselijke plannen en strategieën voor geïntegreerde ontwikkeling; verzoekt de Commissie om flexibelere voorwaarden vast te leggen voor deze kruisfinanciering, zodat het gebruik ervan wordt bevorderd en die regels geen hindernis vormen bij het opstellen en uitvoeren van deze plannen/strategieën; wijst op het elkaar aanvullende karakter van deze fondsen; wijst erop dat vooral in stedelijke gebieden die onder sociale uitsluiting of milieuvervuiling lijden met ESF-financiering steun kan worden geboden aan gezamenlijke lokale projecten van de gemeente, de derde en de particuliere sector om uitsluiting te voorkomen; is van mening dat het benutten van synergieën tussen de bestaande Europese fondsen zou leiden tot een significante stijging van de financieringsmogelijkheden;

29.  is van mening dat de dynamiek van stedelijke gebieden kan worden bevorderd door werkelijke synergieën tussen de verschillende Europese financieringsinstrumenten tot stand te brengen, met name op het vlak van onderzoek en innovatie;

30.  wijst erop dat de nieuwe instrumenten voor de financiële engineering, overeenkomstig de beginselen „projecten voor geld” en „geld voor projecten”, die in de huidige programmaperiode ter beschikking gesteld zijn, veelbelovend zijn; benadrukt de noodzaak om schaalbare instrumenten voor financial engineering te creëren die levensvatbaar en haalbaar kunnen zijn voor stedelijke gebieden die veel kleiner zijn; doet een beroep op de Commissie om de ervaringen met deze instrumenten te evalueren, en ze waar nodig aan te passen om hun concurrentiepositie vergeleken met normale commerciële producten op de financiële markten te verbeteren, zodat ze „gebruiksvriendelijker”, praktischer, aantrekkelijker en daardoor doeltreffender worden; is van mening dat de rentetarieven van de financiële instrumenten van de EIB in dit verband moeten worden verlaagd ten opzichte van commerciële leningen; houdt rekening met de positieve resultaten van het gebruik van de nieuwe instrumenten voor financiële engineering en roept de lidstaten op om voortdurend en zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van het potentieel van deze financiële instrumenten;

31.  is van mening dat met name het initiatief „Jessica” het meeste effect kan hebben wanneer het op het niveau van de steden wordt uitgevoerd, en stelt daarom teleurgesteld vast dat bepaalde lidstaten de implementatie ervan willen centraliseren;

32.  roept de Commissie op te waarborgen dat de financiële stromen tussen Europese, nationale en subnationale niveaus in de toekomst op de meest doeltreffende en flexibele manier worden georganiseerd; betoont zich bezorgd over het huidige lage niveau van voorfinanciering voor projecten en is van mening dat in de toekomst via de voorschriften moet worden gewaarborgd dat lidstaten een duidelijkere plicht hebben om voorfinanciering te gebruiken voor betalingen aan overheidsbegunstigden zoals stedelijke autoriteiten;

33.  roept de Commissie op te werken aan de best mogelijke harmonisatie van regels voor bepaalde EU-fondsen en -programma's uit hoofde waarvan stedelijke en lokale ontwikkelingsprojecten in aanmerking komen voor cofinanciering, ten einde de bureaucratische lasten tot het minimum te beperken en potentiële fouten bij de uitvoering te voorkomen;

34.  verzoekt het Comité van de Regio's de ideeën uit te werken over hoe er beter invulling kan worden gegeven aan de stedelijke dimensie van toekomstig cohesiebeleid;

o
o   o

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's.

(1) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
(2) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 1.
(3) PB L 291 van 21.10.2006, blz. 11.
(4) PB L 126 van 21.5.2009, blz. 3.
(5) PB L 346 van 30.12.2010, blz. 5.
(6) PB C 184 E van 6.8.2009, blz. 95.
(7) PB C 15 E van 21.1.2010, blz. 10.
(8) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 73.
(9) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 65.
(10) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 120.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0356.
(12) PB C 21 van 21.1.2011, blz. 1.
(13) PB C 267 van 1.10.2010, blz. 25.


Doelstelling 3: een uitdaging voor territoriale samenwerking: de toekomstige agenda voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking
PDF 196kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over doelstelling 3: een uitdaging voor territoriale samenwerking: de toekomstige agenda voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking (2010/2155(INI))
P7_TA(2011)0285A7-0110/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name titel XVIII daarvan,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS)(2),

–  gezien Besluit 2006/702/EG van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende strategische communautaire richtsnoeren inzake cohesie(3),

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over het cohesie- en regionaal beleid van de EU na 2013(4),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied en de rol van macroregio's in het toekomstige cohesiebeleid(5),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de totstandbrenging van synergieën tussen voor onderzoek en innovatie bestemde fondsen in Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling in steden en regio's alsmede in de lidstaten en de Unie(6),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over het Groenboek territoriale cohesie en stand van de discussie over de toekomstige hervorming van het cohesiebeleid(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de kritische evaluatie van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument(8),

–  gezien zijn resolutie van 21 februari 2008 over een follow-up van de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig - Naar een Europees actieprogramma voor ruimtelijke ontwikkeling en territoriale samenhang(9),

–  gezien zijn resolutie van 1 december 2005 over de rol van „Euregio's” bij de ontwikkeling van het regionaal beleid(10),

–  gezien zijn resolutie van 28 september 2005 over de rol van territoriale samenhang in de regionale ontwikkeling(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 december 2010 inzake de strategie van de Europese Unie voor de Donau-regio (COM(2010)0715) en het bijbehorende indicatieve actieplan (SEC(2010)1489),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2010 getiteld „Conclusies van het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang: de toekomst van het cohesiebeleid” (COM(2010)0642),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2010 over de evaluatie van de EU-begroting (COM(2010)0700) en de technische bijlagen daarbij (SEC(2010)7000),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 over de bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie (COM(2010)0553),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 getiteld „Het cohesiebeleid: strategisch verslag 2010 over de uitvoering van de programma's 2007-2013” (COM(2010)0110),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2009 inzake de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied (COM(2009)0248) en het bijbehorende indicatieve actieplan (SEC(2009)0712/2),

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de Europese strategie voor het Atlantisch gebied, waarin sprake is van de voor 2011 geplande publicatie van een mededeling van de Commissie(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2008 getiteld „Europa als wereldspeler: Groenboek over territoriale cohesie - van territoriale diversiteit een troef maken” (COM(2008)0616),

–  gezien het initiatiefadvies van het Comité van de Regio's van 27 januari 2011 over „nieuwe perspectieven voor de herziening van de EGTS-verordening”,

–  gezien het onafhankelijk verslag dat op verzoek van de Commissie is opgesteld, getiteld „Communautair initiatief INTERREG III (2000-2006): evaluatie achteraf” (Nr. 2008.CE.16.0.AT.016),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0110/2011),

A.  overwegende dat het grondgebied van de Europese Unie momenteel uit 27 lidstaten en 271 regio's bestaat,

B.  overwegende dat ongeveer 37,5% van de Europese bevolking in een grensstreek woont,

C.  overwegende dat informele samenwerkingsverbanden, de Euroregio's, de Eurodistricten, de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking, de initiatieven van de Raad van Europa, de opeenvolgende verdragen en de afgeleide EU-wetgeving alle hebben bijgedragen aan de totstandkoming van sterkere en duurzamere banden tussen de diverse gebieden,

D.  overwegende dat er, hoewel de basis voor territoriale samenwerking is gelegd, nog veel uitdagingen overblijven en dat de aard van deze uitdagingen afhangt van de wijze waarop de samenwerking in het verleden is verlopen en de mate waarin zij zich heeft ontwikkeld,

E.  overwegende dat het, nu de grenzen in de verdragen zijn „afgeschaft”, belangrijk is het effect ervan op het dagelijks leven van de burgers terug te dringen,

F.  overwegende dat het regionaal beleid erop is gericht een harmonieuze ontwikkeling van de regio's te bevorderen door de economische, sociale en territoriale cohesie binnen de Europese Unie te versterken,

G.  overwegende dat de doelstelling „territoriale samenwerking” als onderdeel van het cohesiebeleid eraan bijdraagt een „steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa” tot stand te brengen door de barrières tussen gebieden en regio's te verkleinen,

H.   overwegende dat de doelstelling „territoriale samenwerking” aan de buitengrenzen een van de elementen vormt van het pretoetredingsproces, alsook van de tenuitvoerlegging van het nabuurschapsbeleid en dat de coördinatie van de desbetreffende communautaire regelingen derhalve moet worden versterkt,

I.  overwegende dat territoriale samenwerking, d.w.z. samenwerking tussen burgers van verschillende regio's, een doorlopend leerproces is dat een gemeenschapsgevoel en een besef van een gezamenlijke toekomst creëert,

J.  overwegende dat de burger bij territoriale samenwerking centraal moet staan en dat er daarom voor een gebiedsgebonden aanpak zou moeten worden gepleit,

K.  overwegende dat intensivering van de territoriale samenwerking afhankelijk is van de vooruitgang die wordt geboekt op het gebied van de Europese integratie en van de coördinatie op alle terreinen met een positief effect op de Europese integratie en de territoriale cohesie, en overwegende dat de territoriale samenwerking op zichzelf een proeftuin voor de Europese integratie vormt,

L.  overwegende dat in de grensgebieden nauwelijks wordt geïnvesteerd in trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-V), ofschoon juist bij de grensoverschrijdende knooppunten dringend behoefte aan modernisering bestaat en de opheffing van grensoverschrijdende belemmeringen op het gebied van infrastructuur hier een klassieke vorm van Europese toegevoegde waarde oplevert,

M.  overwegende dat het belang van territoriale samenwerking aanzienlijk is toegenomen dankzij de basisverordening betreffende de structuurfondsen en de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon,

N.  overwegende dat de in het kader van de INTERREG III-programma´s voor de programmeringsperiode 2000-2006 uitgevoerde evaluatie achteraf op overtuigende wijze de meerwaarde van deze doelstelling voor het Europees project aantoont,

Versterking van de doelstelling „territoriale samenwerking”

1.  wijst erop dat territoriale samenwerking tot doel heeft gebieden en regio´s te laten samenwerken bij de aanpak van hun gemeenschappelijke uitdagingen, fysieke, culturele en bestuursrechtelijke belemmeringen voor dergelijke samenwerking weg te nemen en het „grenseffect” te verminderen;

2.  is overtuigd van de Europese meerwaarde van territoriale samenwerking en de belangrijke rol die zij speelt bij de verdieping van de interne markt en de bevordering van verdere Europese integratie in verschillende beleidssectoren, en dringt erop aan territoriale samenwerking te handhaven als een van de pijlers van het cohesiebeleid;

3.  onderstreept dat de doelstelling „territoriale samenwerking”, die gestoeld is op het beginsel van economische, sociale en territoriale samenhang, betrekking heeft op alle regio's van de EU aangezien zij bijdraagt aan de bevordering van een harmonieuze ontwikkeling van de Unie als geheel;

4.  is van mening dat territoriale samenwerking haar doeltreffendheid heeft bewezen en dat haar potentiële concurrentiebevorderende rol tot op heden onvoldoende is benut vanwege de ontoereikende middelen die ervoor worden uitgetrokken; verzoekt de begroting voor de doelstelling „territoriale samenwerking” voor de volgende programmeringsperiode te verhogen van de huidige 2,5% tot ten minste 7% van de totale begroting voor cohesiebeleid;

5.  pleit ervoor de huidige structuur van doelstelling 3, die is opgebouwd uit drie componenten – grensoverschrijdend (component A), transnationaal (component B) en interregionaal (component C) – te behouden en de grensoverschrijdende component, waaraan ten minste 70% van de begroting voor territoriale samenwerking wordt besteed, het meeste gewicht te blijven toekennen; merkt op dat fondsen in het kader van het programma voor alle regio's op eerlijke en evenwichtige wijze moeten worden verdeeld;

6.  is van mening dat indien het onderscheid tussen de grensoverschrijdende component (component A) die beantwoordt aan de lokale behoeften van de grensoverschrijdende gebieden, en de transnationale component (component B), die onder meer betrekking heeft op de macroregionale schaal en die samenwerking op bredere strategische terreinen aldus mogelijk maakt, behouden moet blijven, een betere coördinatie tussen de twee componenten noodzakelijk is;

7.  dringt voorts aan - teneinde de coherentie en continuïteit van territoriale samenwerkingsmaatregelen te waarborgen en gezien de strategische aard van de projecten in kwestie - op een grotere mate van flexibiliteit bij de benutting van de door artikel 21 van de EFRO-verordening geboden mogelijkheden ten aanzien van de locatie van grensoverschrijdende en transnationale samenwerkingsactiviteiten, waarin ook zeegebieden moeten worden opgenomen; pleit in dit verband voor een zekere mate van flexibiliteit bij de toepassing van de geografische limiet van 150 km die is vastgesteld voor grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma´s in kust- en zeegebieden;

8.  is niettemin van mening dat de integratie van dergelijke regio´s in en hun openstelling voor geografische gebieden buiten de EU niet eenvoudigweg worden bepaald, of mogen worden bepaald, door hun afgelegen ligging, aangezien deze regio´s, als gevolg van de rijke historische, linguïstische en culturele banden die hen verbinden aan verschillende gebieden in de wereld, een centrale rol vervullen bij de verdieping van deze betrekkingen hetgeen de positie van de Europese Unie op het wereldtoneel ten goede komt;

9.  onderstreept de cruciale rol van territoriale samenwerking bij de verwezenlijking van de EU 2020-doelstellingen; dringt erop aan de strategische behoeften van iedere grens- en samenwerkingsregio in het kader van deze strategie vooraf in kaart te brengen, en de Europese territoriale samenwerking vervolgens te integreren in en aan te passen aan alle strategische planningsniveaus: Europees, nationaal, regionaal en lokaal; verzoekt de Commissie zo snel mogelijk een toelichting te geven op haar voorstellen met betrekking tot de thematische bundeling van fondsen overeenkomstig het „menu van thematische prioriteiten” van de Europa 2020-strategie;

10.  dringt erop aan dat fondsen per territoriaal samenwerkingsprogramma op basis van geharmoniseerde criteria worden toegekend, teneinde op strategische, geïntegreerde wijze aan de behoeften en specifieke bijzonderheden van alle betrokken gebieden en regio´s te kunnen beantwoorden; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband na te denken over andere relevante strategische en meetbare criteria die de behoeften van de gebieden kunnen weerspiegelen zonder het belangrijkste criterium te ondermijnen: demografie;

11.  benadrukt opnieuw het belang van interregionale samenwerking (component C), maar betreurt het gebrek aan middelen dat hieraan wordt toegekend; stelt in dit verband en teneinde het aantal projecten in component C te vergroten voor de limiet van het cofinancieringspercentage van de EU voor deze component te heroverwegen en er daarbij tevens rekening mee te houden dat dit als een stimulans kan fungeren voor deelnemers uit de regio´s die onder de doelstelling „concurrentievermogen en werkgelegenheid” ressorteren; dringt erop aan de thematische samenwerkingsterreinen te verbreden, zodat hierin tevens het bestuur en beheer van de operationele programma´s, evenals territoriale ontwikkeling kunnen worden opgenomen;

12.  spoort de regio's bovendien aan de in het kader van hun operationele programma´s geboden mogelijkheden voor interregionale samenwerking, beter te benutten(13); pleit er in dit verband voor in de „interregionale” component van doelstelling 3 ook de coördinatie en uitvoering van deze projecten, de bundeling van kennis en de uitwisseling van goede praktijken op te nemen;

13.  onderstreept dat het voor toekomstige operationele programma's met betrekking tot territoriale samenwerking belangrijk is steun te verwerven van INTERACT en capaciteit te ontwikkelen voor succesvolle hulpprogramma's, waarbij voor inspiratie kan worden gekeken naar het RC LACE-project; dringt met het oog op een betere tenuitvoerlegging van doelstelling 3 aan op effectievere coördinatie tussen INTERACT, URBACT, ESPON en component C;

14.  stimuleert de werkzaamheden van het ESPON maar stelt voor lokale en regionale overheden meer mogelijkheden te bieden om actief bij de onderzoeken van EPSON naar territoriale ontwikkelingsaangelegenheden te worden betrokken, terwijl de uit genoemde onderzoeken voorvloeiende bevindingen eenvoudiger in de praktijk moeten kunnen worden toegepast;

15.  is verheugd over het welslagen van het URBACT-programma voor duurzame stedelijke ontwikkeling en dringt aan op verlenging en uitbreiding ervan teneinde een betekenisvol en breed toegankelijk initiatief tot stand te brengen dat mogelijkheden biedt voor gedeelde leerprocessen en kennisoverdracht met betrekking tot lokale stedelijke uitdagingen;

16.  verzoekt de Commissie na te denken over mogelijkheden om de lokale en regionale bestuurders bij deze pan-Europese netwerken voor de uitwisseling van kennis en goede praktijken te betrekken, hetgeen een eerste stap zou zijn in de tenuitvoerlegging van het Erasmus-project voor lokale en regionale gekozen vertegenwoordigers;

17.  wijst er nogmaals op dat betrokkenheid van subnationale actoren bij de verwezenlijking van de EU-doelstellingen een voorwaarde vormt voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van territoriale cohesie;

Integratie van territoriale samenwerking in regulier beleid

18.  is van mening dat het noodzakelijk is de doelstelling „territoriale samenwerking” in de doelstellingen „convergentie” en „concurrentievermogen en werkgelegenheid” te integreren; dringt erop aan dat de programmering beter wordt gecoördineerd dan voorheen het geval was; stelt voor regionale operationele programma's de mogelijkheid te geven te worden betrokken bij en een bijdrage te leveren aan de grensoverschrijdende, transnationale en interregionale projecten waar zij onder ressorteren, en hiertoe een territoriale benadering voor de toewijzing van middelen vast te stellen ten behoeve van prioritaire projecten, zoals de trans-Europese netwerken in grensgebieden, die van tevoren in samenspraak met de programmapartners worden geselecteerd, overeenkomstig de beginselen van bestuur op verschillende niveaus en partnerschap; benadrukt dat de mogelijkheden van territoriale samenwerking op deze wijze beter kunnen worden benut dankzij de ontwikkeling van grensoverschrijdende betrekkingen tussen private en publieke actoren;

19.  spoort de lidstaten en de regio's aan multiregionale operationele programma's op te zetten om gemeenschappelijke territoriale vraagstukken aan te pakken, zoals de aanwezigheid van een bergmassief of een rivierbekken waardoor het gebied wordt gekenmerkt;

20.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de coördinatie van beleid in de grensgebieden en op de arbeidsmarkt te bevorderen, teneinde zeker te stellen dat er binnen het kader van economische en territoriale integratie geen concurrentieverstoring optreedt;

21.  is van mening dat grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma´s tevens van belang zijn om doeltreffend te kunnen optreden en resultaten te boeken op het gebied van armoedebestrijding en integratie van kansarme groepen in de reguliere Europese maatschappij; dringt erop aan deze kwestie bij de ontwikkeling van het regelgevingskader in overweging te nemen en ervoor te zorgen dat in achtergebleven regio´s passende middelen beschikbaar zijn voor deelname aan Europese regionale ontwikkelingsprogramma's;

Een territoriale benadering voor de tenuitvoerlegging van ander EU-beleid

22.  wijst erop dat een aanpak langs de lijnen van de Oostzeestrategie de grensoverschrijdende samenwerking kan versterken; is van mening dat er in macroregionale strategieën ten volle rekening moet worden gehouden met andere regionale samenwerkingsprogramma's teneinde synergieën te kunnen creëren; onderstreept dat het concept van macroregio's, een initiatief van de Raad, tot stand is gekomen als een experimentele, logische manier om gezamenlijke projecten die een zeer groot gebied met gemeenschappelijke territoriale problemen beslaan te coördineren, teneinde de voordelen te benutten van een geïntegreerde, multisectorale en territoriale benadering, gebaseerd op gemeenschappelijke strategische acties die vanuit reeds bestaande fondsen worden gefinancierd;

23.  wijst erop dat dergelijke strategieën in hun huidige of toekomstige vorm een basis moeten vormen om een meer strategische en geïntegreerde benadering te realiseren via de desbetreffende instrumenten voor territoriale samenwerking, maar dat zij geen nieuwe middelen binnen de EU-begroting genereren en niet voorzien in de oprichting van nieuwe instellingen of de toepassing van nieuwe wetgeving;

24.  verzoekt de Commissie een diepgravende analyse te maken van de resultaten van de eerste macroregionale strategieën die ten uitvoer zijn gelegd; is van mening dat verder moet worden voortgebouwd op de grote mate van belangstelling voor het proces en dat uit dit proces lering moet worden getrokken voor de tenuitvoerlegging van toekomstige macroregionale strategieën;

25.  herinnert eraan dat de doelstelling „territoriale samenwerking” samenwerking op macroregionale schaal kan bevorderen, met name binnen de transnationale component;

26.   pleit ervoor transnationale programma's in dienst te stellen van deze territoriale strategieën door de opzet, de invulling en de sturing van macroregionale strategieën te coördineren, doch zonder dat dit leidt tot onnodige duplicatie van de begrotingsstructuren van de EU door specifieke begrotingslijnen voor verschillende macroregio´s te creëren;

27.  benadrukt tegelijkertijd dat de doelstellingen van macroregionale strategieën een aanvulling vormen op de doelstellingen van microregionale grensoverschrijdende samenwerking en deze kunnen omvatten, doch deze niet kunnen vervangen; onderstreept dat de grensoverschrijdende component van territoriale samenwerking om die reden moet worden gehandhaafd als een op zichzelf staand afzonderlijk en rechtmatig element;

28.  is ervan overtuigd dat de transnationale component van doelstelling 3 kan bijdragen aan een verbeterde samenwerking binnen de macroregionale strategieën door regionale en lokale overheden en het maatschappelijk middenveld nauwer te betrekken bij de uitvoering van concrete initiatieven;

29.  is van mening dat in iedere transnationale strategie terdege moet worden nagedacht over mogelijke onderlinge afstemming met de richtlijnen van de trans-Europese vervoersnetwerken en de strategieën die zijn opgezet in het kader van het geïntegreerd maritiem beleid;

30.  herinnert eraan dat territoriale samenwerking zowel de binnengrenzen als de buitengrenzen van de Europese Unie betreft, ook als het gaat om de huidige en toekomstige macroregionale strategieën; wijst op de moeilijkheden die derde landen ondervinden met betrekking tot medefinanciering in het kader van de in de EFRO-verordening opgenomen regelingen voor samenwerking; verzoekt de Commissie na te denken over mogelijkheden om doeltreffendere synergieën te creëren tussen onder het EFRO ressorterende initiatieven, het instrument voor pretoetredingssteun (IPA), het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) en het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en om zo spoedig mogelijk met een voorstel voor het nieuwe nabuurschapsbeleid te komen; dringt aan op een vereenvoudiging en harmonisering van de wetgeving inzake toegang tot de verschillende financieringsbronnen teneinde compatibiliteit te waarborgen en het gebruik ervan door de begunstigden te vergemakkelijken;

31.  dringt er gezien de specifieke aard van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument bij de Commissie op aan de verantwoordelijkheid voor het beheer hiervan over te dragen aan het Directoraat-generaal regionale ontwikkeling van de Commissie, doch daarbij wel rekening te houden met de aspecten van externe betrekkingen; merkt op dat het ENPI in zijn huidige vorm onvoldoende houvast biedt om rekening te houden met de specifieke kenmerken van grensoverschrijdende samenwerking; is van mening dat moet worden overwogen het ENPI los te koppelen van de dienst voor externe betrekkingen, in ieder geval wanneer derde landen die betrokken zijn bij samenwerking aan de buitengrenzen deze samenwerking tevens financieren;

32.  dringt aan op tenuitvoerlegging van het in de mededeling van de Commissie COM(2004)0343 aangekondigde actieplan voor het grote nabuurschap ten aanzien van de ultraperifere regio's; benadrukt in dit verband dat het EU-beleid met betrekking tot de ultraperifere regio's een samenhangende multisectorale aanpak vereist, en dat met name de coördinatie van interne en externe componenten moet worden verbeterd door middel van een strategie voor stroomgebieden;

33.  wijst erop dat een witboek over territoriale cohesie als vervolg op het groenboek een tijdelijk instrument zou kunnen vormen om meer duidelijkheid te verschaffen over de manier waarop in het toekomstig regionaal beleid territoriale cohesie door middel van bestuur op meerdere niveaus ten uitvoer kan worden gelegd, en daarnaast stof kan leveren voor het debat over het volgende pakket wetgevingsmaatregelen;

34.  stelt dat de voorwaarden voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het ENPI niet toereikend zijn om deze samenwerking naar behoren vorm te geven; pleit in dit verband voor een betere onderlinge afstemming tussen de verschillende directoraten-generaal van de Commissie; is overtuigd van de ultieme noodzaak om de grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's van het ENPI opnieuw bij de doelstelling „territoriale samenwerking” van het cohesiebeleid onder te brengen;

Bevordering van de oprichting van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS)

35.  is van mening dat Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) een uniek en zeer waardevol instrument voor territoriaal bestuur vormen dat beantwoordt aan de behoefte aan structurele samenwerking op het gebied van financiering, de juridische status van projecten en bestuur op meerdere niveaus; herinnert eraan dat het EGTS-instrument moet worden aangeprezen als een hulpmiddel om systemen van grensoverschrijdend bestuur op te zetten, waarbij de eigen inbreng in het beleid op regionaal en lokaal niveau wordt gewaarborgd; onderstreept tevens dat de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking een belangrijke bijdrage leveren aan de succesvolle tenuitvoerlegging van een model voor bestuur op meerdere niveaus;

36.  benadrukt dat Europese groeperingen voor territoriale samenwerking niet alleen aan territoriale maar ook aan sociale cohesie kunnen bijdragen: wijst erop dat het EGTS-instrument de beste mogelijkheden biedt om verschillende culturele en linguïstische gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen, vreedzame co-existentie in een divers Europa te bevorderen en Europese meerwaarde zichtbaar te maken voor de burger;

37.  beveelt aan een eerste evaluatie uit te voeren met betrekking tot de bestaande Europese groeperingen voor territoriale samenwerking, teneinde lessen te trekken uit deze initiële ervaringen;

38.  is evenwel van mening dat de oprichting Europese groeperingen voor territoriale samenwerking moet worden vergemakkelijkt en verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk voorstellen te presenteren voor amendementen op Verordening nr. (EG) 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), waarbij terdege rekening moet worden gehouden met de problemen die door de lokale en regionale overheden en de reeds opgerichte groeperingen zijn gesignaleerd en waarbij het door de Comité van de Regio's verrichte werk als basis kan dienen, met als doel:

   de status van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking in de rechtsstelsels van de lidstaten te verduidelijken teneinde de wetgeving op dit gebied zo veel mogelijk op één lijn te brengen,
   het mogelijk te maken dat een EGTS wordt opgericht door belanghebbenden die in een lidstaat en in een derde land zijn gevestigd,
   artikel 4, lid 3, opnieuw te formuleren om ervoor te zorgen dat de termijn van drie maanden voor de behandeling van aanvragen voor de oprichting van een EGTS strikter wordt nageleefd,
   de regelgeving met betrekking tot personeelsaangelegenheden te vereenvoudigen,
   te waarborgen dat de fiscale regels voor een EGTS niet minder gunstig zijn dan andere juridische regelingen die van toepassing zijn op de uitvoering van samenwerkingsprojecten of -programma's;

39.  dringt erop aan op grond van gemeenschappelijke grensoverschrijdende ontwikkelingsstrategieën globale subsidies te verstrekken aan Europese groeperingen voor territoriale samenwerking waarvan de projecten in overeenstemming zijn met de doelstellingen en de strategieën van de desbetreffende samenwerkingsprogramma's, teneinde deze groeperingen in staat te stellen de kredieten uit de structuurfondsen en de bijbehorende programma´s rechtstreeks te beheren; onderstreept tevens dat de multinationale en multilaterale aard van de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking beter tot uiting moet komen in de verordeningen met betrekking tot de andere Europese fondsen, teneinde de toegang van deze groeperingen tot andere financieringsbronnen te verbeteren;

40.  is verheugd over het door het Comité van de Regio's gelanceerde Europees EGTS-platform dat erop is gericht de uitwisseling van ervaringen te bevorderen, informatie over goede praktijken te bundelen en de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking technische ondersteuning te bieden;

41.  is van mening dat grensoverschrijdende Europese groeperingen voor territoriale samenwerking een uitgelezen gelegenheid bieden om op regionaal niveau in samenwerking met de Europese burgers aan Europa te bouwen; verzoekt grensoverschrijdende Europese groeperingen voor territoriale samenwerking om, indien nodig, „een grensoverschrijdend forum van het maatschappelijk middenveld” op te richten en aan te sturen en om grensoverschrijdende burgerinitiatieven te ondersteunen;

Vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging

42.  is van mening dat de tenuitvoerlegging van de territoriale samenwerkingsprogramma's nog steeds veel te ingewikkeld is en dat er een afzonderlijke verordening moet komen voor doelstelling 3 waarin het inherent internationale karakter van de onder deze doelstelling ressorterende activiteiten tot uitdrukking komt; is van mening dat er momenteel te veel verschillende bestuurslagen bij de tenuitvoerlegging van de programma's moeten worden betrokken en dringt derhalve aan op aanzienlijke vereenvoudiging op dit punt;

43.  verzoekt de Commissie specifieke maatregelen te nemen die erop zijn gericht de audit- en controleregels te vereenvoudigen, waarbij het beginsel „één administratieve instantie per programma” als leidraad geldt, een meer stelselmatige forfaitarisering van de kosten en de financiering van kleine projecten met vaste bedragen mogelijk te maken, meer gedetailleerde EU-voorschriften ten aanzien van subsidiabiliteit vast te stellen, en de technische ondersteuning te verbeteren zodat bestuursorganen zich in toenemende mate kunnen concentreren op de initiëring en strategische begeleiding van projecten en de resultaten daarvan en zich niet meer uitsluitend hoeven bezig te houden met management en controle van de compatibiliteit van de ingediende aanvragen met de administratieve voorschriften;

44.  roept de lidstaten op hun nationale bepalingen te vereenvoudigen, aangezien deze in veel gevallen extra administratieve lasten opleggen die niet door de communautaire regelgeving worden voorgeschreven;

45.  dringt er bij de Commissie op aan zo snel mogelijk duidelijkheid te verschaffen over de bepalingen die van toepassing zijn op het conditionaliteitsbeginsel in geval van grensoverschrijdende samenwerking; is van mening dat deze conditionaliteit weliswaar bedoeld is om een beter en efficiënter gebruik van de fondsen te bevorderen, maar dat zij de uitvoering niet verder mag bemoeilijken, hetgeen ten koste zou gaan van de beheerders en de begunstigden van de programma's;

46.  benadrukt voorts dat de regelingen om particuliere partijen bij de projecten te betrekken moeten worden uitgebreid en vereenvoudigd; beveelt aan innovatieve financiële instrumenten in het leven te roepen, naar het voorbeeld van de initiatieven „JEREMIE” en „JESSICA”, teneinde grensoverschrijdende projecten te faciliteren die economische ontwikkeling, de participatie van private partijen en de initiatie van publiek-private partnerschappen bevorderen;

Vergroting van de zichtbaarheid van territoriale samenwerking

47.  betreurt de geringe zichtbaarheid van territoriale samenwerking zowel bij de nationale en lokale overheden als bij het bredere publiek, en dringt in dit verband aan op effectievere communicatie over reeds verwezenlijkte projecten;

48.  verzoekt de Commissie na te denken over mogelijkheden om de zichtbaarheid van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking en hun werkzaamheden te vergroten onder de bij territoriale samenwerking betrokken partijen en het grote publiek;

49.  is van mening dat de van oudsher nauwe culturele en linguïstische banden tussen grensregio's van verschillende lidstaten moeten worden benut om grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden te bevorderen;

50.  is van mening dat intensievere samenwerking op het gebied van onderwijs en cultuur, door bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Europa 2020-strategie voor inclusieve en slimme groei, het participatieniveau van burgers en NGO´s kan bevorderen, de zichtbaarheid van territoriale samenwerking kan helpen vergroten en de „mentale scheidslijnen” die de toenadering tussen burgers belemmeren, kan wegnemen;

  51. dringt erop aan op de onderlinge coördinatie tussen de voor het beheer verantwoordelijke autoriteiten en de reeds bestaande grensoverschrijdende instanties zoals Euroregio´s tijdens de uitvoering van de grensoverschrijdende programma´s te verbeteren, teneinde voor alle projecten een hoge kwaliteit, transparantie en betrokkenheid van de burgers te waarborgen;

52.  dringt aan op een betere onderlinge afstemming van de communicatie tussen alle bij het uitvoeringsproces van territoriale samenwerkingsinitiatieven betrokken partijen; stelt voor alle programma's binnen eenzelfde component één enkel herkenbaar logo te geven (bijvoorbeeld hernieuwde invoering van het goed herkenbare INTERREG-label) dat zal worden gebruikt in combinatie met het eigen logo van ieder programma (wellicht in gestandaardiseerde grootte) en verzoekt de Commissie aan het begin van de komende programmeringsperiode in de grensgebieden een grote media- en bewustmakingscampagne te lanceren met betrekking tot de voordelen van territoriale samenwerking;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
(2) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 19.
(3) PB L 291 van 21.10.2006, blz. 11.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0356.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0254.
(6) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 104.
(7) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 65.
(8) PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 83.
(9) PB C 184 E van 6.8.2009, blz. 95.
(10) PB C 285 E van 22.11.2006, blz. 71.
(11) PB C 227 E van 21.9.2006, blz. 88.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0089.
(13) Artikel 37, lid 6, letter b.


Bestaande situatie met betrekking tot het EFRO en andere structuurfondsen en de synergievoordelen die kunnen worden bereikt door deze beter op elkaar af te stemmen
PDF 154kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over de bestaande situatie met betrekking tot het EFRO en andere structuurfondsen en de synergievoordelen die kunnen worden bereikt door deze beter op elkaar af te stemmen (2010/2160(INI))
P7_TA(2011)0286A7-0141/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 174, lid 1, en artikel 175, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(1), in het bijzonder artikel 9, lid 4, daarvan,

–  gezien Beschikking 2006/702/EG van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie(2),

–  gezien zijn resolutie van 21 oktober 2008 over governance en partnerschap op nationaal en regionaal niveau en als basis voor projecten op het gebied van regionaal beleid(3),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2009 over het cohesiebeleid: investeren in de reële economie(4),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over de complementariteit en de coördinatie van het cohesiebeleid met maatregelen voor plattelandsontwikkeling(5),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over het Groenboek territoriale cohesie en stand van de discussie over de toekomstige hervorming van het cohesiebeleid(6),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de totstandbrenging van synergieën tussen voor onderzoek en innovatie bestemde fondsen in Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling in steden en regio's alsmede in de lidstaten en de Unie(7),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de Lissabon- en EU 2020-doelstellingen(8),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over het verwezenlijken van een interne markt voor consumenten en burgers(9),

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over het cohesie- en regionaal beleid van de EU na 2013(10),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2010 over goed bestuur met betrekking tot het regionaal beleid van de EU(11),

–  gezien het 20e jaarverslag van de Commissie over de uitvoering van de structuurfondsen (2008) van 21 december 2009 (COM(2009)0617/2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 „Cohesiebeleid: strategisch verslag 2010 over de uitvoering van de programma's 2007-2013” (COM(2010)0110),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 „Bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie” (COM(2010)0553),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2010 „Evaluatie van de EU-begroting” (COM(2010)0700),

–  gezien het vijfde verslag van de Commissie over de economische, sociale en territoriale cohesie: de toekomst van het cohesiebeleid (het „vijfde cohesieverslag”) van november 2010,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2010 „Conclusies van het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang: de toekomst van het cohesiebeleid” (COM(2010)0642),

–  gezien de brief aan de voorzitter van de Commissie van de commissarissen voor regionaal beleid, voor maritieme zaken en visserij, voor werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie en voor landbouw en plattelandsontwikkeling,

–  gezien artikel 48, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0141/2011),

A.  overwegende dat artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de Unie, teneinde de harmonische ontwikkeling van de Unie in haar geheel te bevorderen, haar optreden gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang ontwikkelt en vervolgt,

B.  overwegende dat in overweging 40 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad wordt gesteld dat bij de programmering moet worden gezorgd voor de coördinatie van de fondsen onderling en met de andere bestaande financieringsinstrumenten, de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF), en dat die coördinatie ook betrekking heeft op de opstelling van complexe financieringsschema's en het oprichten van publiek-private partnerschappen,

C.  overwegende dat de Commissie zich er in het Europa 2020-strategiedocument toe heeft verbonden de EU-financieringsinstrumenten – onder andere de fondsen voor plattelandsontwikkeling, de structuurfondsen, O&O-kaderprogramma's,Trans-Europese Netwerken (TEN's), het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP) en de EIB – in te zetten als onderdeel van een consequente financieringsstrategie waarin EU-geld en nationale publieke en particuliere middelen worden gebundeld, in de context van het kerninitiatief „Efficiënt gebruik van hulpbronnen”, waarmee de noodzaak wordt aangegeven van samenhang tussen beleid en beleidsinstrumenten,

D.  overwegende dat in het vijfde cohesieverslag duidelijk erkend wordt dat het voor regionale ontwikkeling noodzakelijk is dat beleidsmaatregelen op alle niveaus nauw op elkaar worden afgestemd,

E.  overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 14 juni 2010 over het strategische verslag 2010 van de Commissie over de uitvoering van de programma's in het kader van het cohesiebeleid benadrukte dat de coördinatie van het cohesiebeleid en andere beleidsvormen van de Unie en de lidstaten waar nodig verder moet worden verbeterd, teneinde op een gemeenschappelijk gecoördineerde wijze de gemeenschappelijke doelstellingen doeltreffender te verwezenlijken, en dat één strategische aanpak en gemeenschappelijke uitvoeringsregels voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds en het Europees Sociaal Fonds (ESF) werkelijk voor meerwaarde zorgen, binnen het algemene kader van het cohesiebeleid,

F.  overwegende dat de commissarissen voor regionaal beleid, voor maritieme zaken en visserij, voor werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie en voor landbouw en plattelandsontwikkeling, in hun brief aan Commissievoorzitter Barroso de noodzaak erkenden om de integratie te versterken van de verschillende EU-beleidsuitvoeringen om te komen tot de voor de EU gewenste duurzame en omvattende economische ontwikkeling, en daarbij voorstelden een algemeen strategisch kader op EU-niveau op te zetten voor het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Visserijfonds (EVF) voor de periode na 2013,

G.  overwegende dat de hervorming van het structuurbeleid voor de programmeringsperiode 2007-2013 heeft geleid tot de afsplitsing van het fonds voor plattelandsontwikkeling van het overkoepelende raamwerk van structuurfondsen,

H.  overwegende dat rationalisatie van het uitgavenpatroon een grotere effectiviteit en efficiëntie vergt van het beleid, zowel op EU-niveau als op nationaal, regionaal en lokaal niveau, en overwegende dat nauwere afstemming en sterkere complementariteit essentiële aspecten zijn in de modernisering van het cohesiebeleid in de toekomst,

I.  overwegende dat, zonder een ondersteunend beleidskader, de totstandkoming van werkelijke synergieën in hoge mate afhangt van het organisatorisch en strategisch vermogen van de begunstigde partijen om steun uit de verschillende EU-instrumenten te combineren,

J.  overwegende dat een op lokale ontwikkeling gebaseerde aanpak aanmerkelijk kan bijdragen aan de efficiëntie en effectiviteit van het cohesiebeleid, en overwegende dat het cohesiebeleid het centrale instrument blijft om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van elke soort omgeving, terwijl aandacht voor de stedelijke dimensie van het cohesiebeleid op grond van bredere functionele gebieden samen moet gaan met evenwichtige voorwaarden voor een synergetische ontwikkeling van stedelijke gebieden, buitenwijken en plattelandsgebieden,

K.  overwegende dat de overheidsfinanciën dringend geconsolideerd moeten worden en er ook druk wordt uitgeoefend om dat te doen, en dat dit meer innovatieve maatregelen vergt om het rendement van beschikbare financiering te vergroten, en overwegende dat effectieve coördinatie van beleid en beleidsinstrumenten zal bijdragen tot een besparing van tijd en geld en tot daadwerkelijke winst op het vlak van doelmatigheid en doeltreffendheid,

L.  overwegende dat moet worden gestreefd naar coördinatie en synergieën op zowel horizontaal niveau (samenhang tussen verschillende beleidslijnen) als verticaal niveau (samenwerking en onderlinge afstemming tussen de diverse bestuurslagen),

M.  overwegende dat een gefragmenteerde benadering kan leiden tot hiaten in het beleid, overlappend of zelfs conflicterend beleid, tegenstrijdige overheidsmaatregelen en het dubbel inzetten van middelen, met gevolgen voor de doelmatigheid van overheidsbeleid op zowel regionaal als nationaal niveau, en overwegende dat het concept van een geïntegreerde benadering onvoldoende lijkt te worden benadrukt in de meest recente beleidsdocumenten van de Commissie,

N.  overwegende dat een meer geïntegreerd, consequent, effectief en efficiënt cohesiebeleid vereist dat meer moeite wordt gedaan EU-beleid aan te passen aan de specifieke behoeften en sterke kanten van de verschillende gebieden en regio's van de Unie,

O.  overwegende dat de strategische richtsnoeren – tegen de achtergrond van het algemene richtsnoer dat de toegang tot financiering moet worden verbeterd – een betere coördinatie tussen fondsen eisen,

P.  overwegende dat de strategische richtsnoeren uitdrukkelijk oproepen tot het bevorderen van synergieën tussen het structuurbeleid, het werkgelegenheidsbeleid en het beleid voor plattelandsontwikkeling, en benadrukken dat de lidstaten in dit verband moeten waken over de synergie en samenhang van acties die op een bepaald geografisch gebied en binnen een bepaalde activiteit worden gefinancierd uit het EFRO, het Cohesiefonds, het ESF, het EVF en het ELFPO; en overwegende dat zij ook voorschrijven dat de belangrijkste richtsnoeren voor het scheiden en coördineren van de uit de verschillende fondsen gefinancierde acties in een nationaal strategisch referentiekader/nationaal strategieplan moeten worden verankerd,

Q.  overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 21 februari 2011 betreffende het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang de Commissie verzoekt om de mogelijke instelling van multifonds-programma's te overwegen,

R.  overwegende dat bepaalde regio's van de Europese Unie grenzen aan derde landen die gelden ontvangen uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), en overwegende dat financieringssynergieën van bepaalde projecten in het bijzonder onder de aandacht moeten worden gebracht om het ontwikkelingspotentieel van Europese regio's die aan deze kenmerken voldoen, te kunnen vergroten,

S.  overwegende dat in de tussentijdse evaluatie wordt erkend dat de begrotingsflexibiliteit beperkt is en er ook binnen sommige programma's obstakels voor het herschikken van prioriteiten bestaan, en tevens wordt opgemerkt dat inconsistentie tussen programma's en zware administratieve lasten afbreuk doen aan de effectiviteit,

T.  overwegende dat het in de huidige nasleep van de crisis belangrijker is dan vroeger inzicht te krijgen in de processen in de economieën van de lidstaten en de resultaten die behaald zijn dankzij het aanwenden van EU-middelen,

U.  overwegende dat het van belang is de zichtbaarheid en de Europese meerwaarde van de EU-bijdrage te waarborgen,

Tijd en plaats voor meer coördinatie en meer synergie

1.  dringt erop aan, al voor de volgende financiële periode na 2013, één strategisch kader voor te stellen om een gezamenlijke aanpak te garanderen en te profiteren van synergieën tussen alle maatregelen die ter plaatse bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid die zijn vastgelegd in de Verdragen en die worden gefinancierd uit het EFRO, het Cohesiefonds, het ESF, het ELFPO en het EVF;

2.  merkt op dat het cohesiebeleid gericht moet zijn op slimme, duurzame en integratiegerichte economische groei, die zowel in geografisch als maatschappelijk opzicht gelijkmatig moet zijn verdeeld, op het verminderen van verschillen in ontwikkeling tussen de regio's, op het creëren van banen, verbetering van de kwaliteit van het bestaan, opleiding van werknemers voor nieuwe banen, ook in de sector duurzame economie, maatschappelijke en territoriale samenhang en de verwezenlijking van het Europees sociaal model, dat de cohesie en het concurrentievermogen van de Europese economie ten goede komt;

3.  stelt zich op het standpunt dat het cohesiebeleid gericht moet zijn op verwezenlijking van duurzame groei in de gehele EU en op een rechtvaardige en gelijke verdeling van welvaart door bevordering van concurrentie en door vermindering van de sociaaleconomische ongelijkheden tussen de EU-regio's;

4.  beschouwt het cohesiebeleid als een van de pijlers onder het economisch beleid van de EU, dat zich richt op een investeringsstrategie voor de lange termijn en sociale integratie; is van mening dat het cohesiebeleid garant staat voor ondersteuning van de minst ontwikkelde regio's en achtergestelde groepen, hetgeen bijdraagt tot de totstandkoming van een evenwichtige en harmonische ontwikkeling in de Europese Unie; merkt op dat de Europese toegevoegde waarde erin gelegen is dat iedereen kan profiteren van de economische successen van de EU; pleit er derhalve voor het cohesiebeleid als zelfstandig beleidsterrein te handhaven en van substantiële middelen te voorzien;

5.  is verheugd over het in de mededeling van de Commissie over de begrotingsevaluatie opgenomen voorstel dat de Commissie een gemeenschappelijk strategisch kader vaststelt met het oog op een sterkere integratie van EU-beleidsmaatregelen voor de uitvoering van de Europa 2020-strategie; doet in dat verband een oproep om synergieën te bevorderen tussen de financieringswijzen van de kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie; wijst er evenwel op dat een grotere synergie tussen acties die worden gefinancierd uit de bovengenoemde vijf fondsen binnen een gemeenschappelijk strategisch kader niet alleen van cruciaal belang zijn voor het verwezenlijken van de Europa 2020-doelstellingen, maar ook en vooral voor het verwezenlijken van de cohesiedoelstellingen die zijn vastgelegd in het Verdrag;

6.  is ingenomen met het vijfde cohesieverslag, waarin weliswaar de nadruk ligt op de bijdrage die regio's en het cohesiebeleid kunnen leveren aan het behalen van de Europa 2020-doelstellingen, maar dat niettemin een aantal conclusies bevat die de cruciale rol aantonen van een grotere synergie tussen de structuurfondsen, met inbegrip van het Cohesiefonds;

7.  is van mening dat de uitgaven op het gebied van cohesiebeleid moeten worden gerationaliseerd door de versnippering van financieringsinstrumenten en -kanalen te verminderen en een grotere complementariteit tussen de verschillende financieringsinstrumenten te bevorderen; verwelkomt het voorstel van de Commissie om betere prioriteiten te stellen voor EU- en nationale middelen en deze te concentreren rond een aantal thematische prioriteiten om een betere onderlinge afstemming tussen de fondsen te waarborgen, met ruimte om de strategische aard van dit beleid te versterken; benadrukt echter dat de nationale, regionale en lokale overheden voldoende flexibiliteit moeten behouden om de prioriteiten aan te passen aan hun specifieke ontwikkelingsbehoeften;

8.  is verheugd over het door de Commissie voorgelegde voorstel over partnerschapscontracten voor ontwikkeling en investering die tot doel hebben de coördinatie tussen communautaire fondsen en nationale financieringen voor de doelstellingen en programma's te verbeteren; benadrukt de noodzaak de lokale en regionale overheden te betrekken bij de opstelling en uitvoering van deze contracten; dringt erop aan dat deze contracten worden afgestemd op de nationale beleidshervormingen per bedrijfstak die territoriale gevolgen hebben (bv. vervoer en O&O-infrastructuur);

9.  benadrukt dat veel economische-ontwikkelingsinitiatieven binnen het kader van het cohesiebeleid niet slechts kansen creëren waarvan het wenselijk zou zijn ze aan te grijpen, maar dat het welslagen van deze initiatieven in feite afhankelijk is van de vraag of rekening wordt gehouden met zowel menselijke als fysieke factoren (infrastructurele verbeteringen leiden bijvoorbeeld niet automatisch tot meer groei als ze niet gepaard gaan met investeringen in onderwijs, ondernemingszin en innovatie); is daarom van mening dat een grotere synergie tussen het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds de ontwikkelingseffecten van deze fondsen zal maximaliseren;

10.  vestigt de aandacht op de rol die het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling vervult in de effectieve benutting van het Europees Sociaal Fonds, aangezien het EFRO ertoe dient de nodige voorwaarden te scheppen, zoals verschaffing van de nodige infrastructuur en adequate toegang, zonder welke investeringen in werkgelegenheid niet doeltreffend zouden kunnen zijn;

11.  benadrukt dat de economische crisis maatregelen in de sectoren waarop het Europees Sociaal Fonds betrekking heeft nog noodzakelijker heeft gemaakt, met name maatregelen ter ondersteuning van werkgelegenheid, loopbaanheroriëntering, sociale integratie en armoedebestrijding;

12.  benadrukt dat het ESF, als instrument ter ondersteuning van levenslang leren, scholing en omscholing, als een essentieel middel – waarvan het potentieel nog niet ten volle is benut – moet worden beschouwd voor de bevordering van een zich tot alle terreinen uitstrekkende, effectieve groei en van een Europa dat zijn concurrentiepositie op kennis baseert;

13.  onderstreept dat een gerichte en gecoördineerde benadering kan waarborgen dat prioriteit wordt verleend aan de investeringen die het grootste effect op het concurrentievermogen en de economische ontwikkeling in de regio's hebben;

14.  stelt zich op het standpunt dat de plattelandsontwikkelingsmaatregelen in het kader van het ELFPO en de duurzame-ontwikkelingsacties voor visserijgebieden in het kader van het EVF in één kader moeten worden geïntegreerd met de overige structuurfondsen, namelijk het EFRO, het Cohesiefonds en het ESF; roept de Commissie daarom op te beoordelen in hoeverre een alomvattende benadering van de ontwikkeling van plattelands- en visserijgemeenschappen, overeenkomstig de doelstelling van territoriale cohesie, zou worden gewaarborgd door lokale-ontwikkelingsmaatregelen die uit de twee eerstgenoemde fondsen worden gefinancierd onder de „paraplu” van het cohesiebeleid te brengen, of ten minste door duidelijker synergieën tussen alle fondsen tot stand te brengen; is van mening dat een dergelijke benadering recht zou doen aan de context van belangrijke beleidsterreinen met territoriale effecten, en dat zij diegenen die op regionaal en lokaal niveau actief betrokken zijn bij ontwikkelingsprocessen in staat zou stellen een werkelijk plaatsgebonden beleid te voeren dat is toegesneden op de territoriale behoeften van plattelands- en visserijgebieden of kleine eilanden;

15.  benadrukt dat de coördinatie verder versterkt moet worden, niet alleen tussen cohesiebeleidsinstrumenten op zich (het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds) maar ook tussen de maatregelen die vanuit deze instrumenten worden gefinancierd en activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van TEN's, het zevende kaderprogramma en het CIP;

16.  is van oordeel dat synergieën relevant kunnen zijn binnen de doelstelling van territoriale samenwerking tussen het EFRO en de pretoetredings- en nabuurschapsinstrumenten, in het kader van grensoverschrijdende projecten; verzoekt de Commissie na te gaan in welke gevallen er ook naar coördinatie moet worden gestreefd met andere instrumenten van het externe EU-beleid, zoals het Europees Ontwikkelingsfonds;

17.  is van mening dat deze wederzijdse versterking en coördinatie van EU-beleidsinstrumenten zonder twijfel kan waarborgen dat de best mogelijke resultaten uit de EU-begroting worden gehaald; doet een oproep om initiatieven te ontwikkelen op het gebied van financieringstechnieken, zoals de door de EIB gefinancierde instrumenten, en om daar vaker een beroep op te doen;

18.  vestigt er evenwel de aandacht op dat veel lidstaten problemen ondervinden bij het coördineren van de verschillende fondsen en kennelijk hun bezorgdheid hebben geuit over het gebrek aan synergie en in sommige gevallen zelfs over overlapping tussen fondsen; onderstreept in dit verband dat de ingewikkelde beheersvoorschriften van de fondsen een te grote institutionele capaciteit vergen om obstakels te overwinnen en de tenuitvoerlegging ervan naar tevredenheid te coördineren; benadrukt het belang van cofinanciering en van de noodzakelijke vereenvoudiging van de cofinancieringsregels om de synergieën tussen de structuurfondsen te kunnen versterken;

19.  benadrukt dat vereenvoudiging, die van cruciaal belang is voor een succesvol cohesiebeleid, zowel op nationaal als regionaal niveau moet plaatsvinden, waardoor de resultaten zullen verbeteren; verzoekt de Commissie een eenvoudigere architectuur voor het toekomstige beleid voor te stellen, die gebaseerd is op meer flexibiliteit, evenredigheid en zichtbaarheid van het gebruik van de fondsen, om de volledige en snelle opname ervan te bevorderen;

20.  roept in herinnering dat een van de hoofdredenen waarom het EFRO en de andere structuurfondsen moeite hebben gehad om geld effectief te verdelen naar projecten met een grotere kans om economische ontwikkeling en werkgelegenheid te genereren een buitensporige nadruk op absorptiecapaciteit was in plaats van op resultaten;

21.  pleit voor een meer resultaatgericht cohesiebeleid, dat zich minder toespitst op de regelmatigheid van de uitgaven en de procedures maar een doeltreffend evenwicht instelt tussen de kwaliteit van de interventies en de financiële en administratieve controle; beveelt aan dat degelijke beoordelingsmechanismen worden ingevoerd om de institutionele en administratieve capaciteit te verbeteren van de organen die met het beheer van de programma's belast zijn, wat zal bijdragen aan de kwaliteit van de uitgaven en het aantal fouten zal reduceren;

22.  pleit voor een eenvoudigere en flexibelere opzet van het toekomstig cohesiebeleid, hetgeen zal bijdragen tot maximale benutting en efficiëntie van de fondsen;

23.  benadrukt dat we de Europese meerwaarde kunnen en moeten verwezenlijken door de synergie te verbeteren tussen de financiële instrumenten van het cohesiebeleid en door de coördinatie te vergroten tussen deze en andere financieringsinstrumenten;

De doelstelling: Cohesie bereiken met een samenhangend pakket van beleidsinstrumenten

24.  is van oordeel dat gemeenschappelijke regels voor het beheer, de subsidiabiliteit, de controle en de verslaglegging van projecten die worden gefinancierd uit het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het ELFPO en het EVF (met name wat betreft maatregelen ter ondersteuning van de economische diversificatie van plattelands- en visserijgebieden) niet alleen van groot belang zouden zijn voor het verbeteren en vergemakkelijken van een doeltreffende tenuitvoerlegging van cohesieprogramma's, maar ook een cruciale bijdrage zouden leveren aan de vereenvoudigingsinspanningen; is bovendien van oordeel dat hierdoor zowel het gebruik van fondsen door begunstigden als het beheer van fondsen door nationale overheden eenvoudiger zou worden, waardoor het risico van fouten wordt beperkt, terwijl naar behoefte gedifferentieerd zou kunnen worden om de specifieke kenmerken van beleid, instrumenten en begunstigden te weerspiegelen, en tevens de deelname van kleinere belanghebbende partijen aan cohesieprogramma's wordt vergemakkelijkt, evenals benutting van de beschikbare middelen, onder de voorwaarde dat deze vereenvoudiging gepaard gaat met voldoende financiële middelen voor technische bijstand;

25.  dringt erop aan dat het Europees Sociaal Fonds blijft voldoen aan de voorwaarden van de verordening houdende algemene bepalingen inzake de cohesiebeleidsfondsen; wijst daarom met nadruk op de noodzaak het model te handhaven en te versterken waarbij één algemene verordening die voorschriften voor beheer, subsidiabiliteit, audit, controle en verslaglegging omvat, gecombineerd wordt met korte en gerichte, fondsspecifieke verordeningen waarin de bijzondere beleidsdoelstellingen van elk fonds tot uitdrukking worden gebracht; benadrukt voorts dat op alle beleidsniveaus coördinatie moet plaatsvinden, van strategische planning via vastlegging en betaling naar afsluiting, audit, controle en evaluatie;

26.  roept de Commissie op te onderzoeken op welke manieren synergieën ter plaatse het meest doeltreffend kunnen worden versterkt; stelt in dit verband voor te overwegen de lidstaten de mogelijkheid te laten al dan niet te kiezen voor één operationeel programma per regio, of één operationeel multiregionaal programma in het kader van macroregionale strategieën, dat verschillende fondsen omvat (EFRO, ESF, Cohesiefonds, ELFPO en EVF) en beheerd wordt door één beheersautoriteit, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de bijdragen van de regio's aan een gedecentraliseerde aanpak en aan de toekenning van meer autonomie en flexibiliteit aan de regio's zodat ze kunnen deelnemen aan hun eigen strategieën en teneinde de regionale en lokale bestuursniveaus op te waarderen; stelt voor dat de nationale beheersautoriteiten de toekomstige operationele programma's zoveel mogelijk aanpassen aan regionale en plaatselijke doelstellingen;

27.  roept de Commissie op om programma's die meerdere fondsen omvatten in overweging te nemen voor lidstaten en regio's die deze programma's willen gebruiken; is van mening dat dit zou bijdragen aan een meer geïntegreerde en flexibele manier van werken en de doeltreffendheid van de verschillende fondsen (EFRO, ESF, Cohesiefonds, ELFPRO, EVF en het zevende kaderprogramma voor onderzoek) zou verhogen;

28.  roept de Commissie op voorstellen ter tafel te leggen voor het beoordelen van de regels voor kruisfinanciering en het wegnemen van belemmeringen voor hun uitvoering, aan de hand van uitgebreide en betrouwbare gegevens over de bruikbaarheid en impact ervan, om te komen tot een grotere vereenvoudiging en rechtszekerheid in de tenuitvoerlegging dan in de huidige situatie het geval is;

29.  verzoekt om verduidelijking van de territoriale reikwijdte en harmonisatie van de subsidiabiliteitsregels tussen het EFRO en het ELFPO in plattelands- en peri-urbane gebieden, om onnodige overlapping tussen deze twee fondsen te voorkomen; dringt aan op de noodzaak van nauwe samenwerking voor selectie en controle van de door deze twee fondsen gefinancierde projecten in een bepaald gebied;

30.  benadrukt de meerwaarde van kruisfinanciering tussen het EFRO en het ESF, in termen van flexibiliteit, inzake projecten voor sociale integratie en strategieën voor geïntegreerde ontwikkeling; dringt bij de Commissie aan op de ontwikkeling van een eenloketsysteem om de betrokkenen wegwijs te maken, te informeren en van advies te dienen, zodat het publiek goed op de hoogte blijft van de situatie omtrent kruisfinanciering en synergieën tussen fondsen in het algemeen; dringt er bovendien op aan dat dit streven naar vereenvoudiging zichtbaar is voor de burger en er uiteindelijk toe leidt dat de gevraagde informatie tot het strikt noodzakelijke wordt teruggebracht;

31.  is van mening dat de ontwikkeling van personele middelen en een betere informatieverspreiding noodzakelijke voorwaarden vormen voor een succesvolle benutting van de beschikbare middelen en een adequate verwezenlijking van de verschillende projecten;

32.  benadrukt tegelijkertijd dat het van belang is de administratieve capaciteit in de lidstaten te vergroten, zowel op regionaal en lokaal niveau als onder belanghebbenden, om obstakels voor effectieve synergieën tussen de structuurfondsen en andere fondsen uit de weg te ruimen en het doeltreffend opstellen en uitvoeren van beleid te ondersteunen; stelt met klem dat in dit verband een essentiële rol is weggelegd voor de Commissie;

33.  roept de Commissie op om zowel de technische ondersteuning als de scholing voor nationale, regionale en lokale overheden te verbeteren om de capaciteiten en kennis van de regels inzake problemen in verband met de tenuitvoerlegging te vergroten;

34.  roept de lidstaten op om prioriteit te geven aan investeringen in institutionele capaciteit en om hun nationale voorschriften te vereenvoudigen teneinde de administratieve last te verminderen en hun absorptiecapaciteit te verhogen;

35.  herinnert er in dit verband aan dat eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel en het beginsel van meerlagig bestuur een belangrijke bijdrage levert aan het bevorderen van de coördinatie tussen de verschillende besluitvormingsorganen en aan het versterken van synergieën tussen de verschillende financieringsinstrumenten;

36.  acht actieve medewerking van de sociale partners door middel van doorlopende sociale en territoriale dialoog van vitaal belang voor een betere benutting van de fondsen;

37.  onderkent dat de economische crisis niet voor alle regio's en burgers in de Unie dezelfde gevolgen heeft; is van mening dat de nieuwe strategie voor de besteding van de fondsen meer effect zal sorteren indien ook de lokale en regionale beleidsinstanties erbij worden betrokken, aangezien deze in staat zijn de strategische doelstellingen af te stemmen op de specifieke kenmerken van hun gebied, onder meer door middel van een gestructureerde dialoog met alle betrokken partijen, organisaties die opkomen voor genderrechten, sociale partners en niet-gouvernementele organisaties, maar ook met financiële en bankinstellingen; dringt erop aan om bij de formulering van de beleidsdoelstellingen voor voldoende speelruimte te zorgen om aan regionale en lokale behoeften te kunnen voldoen;

38.  roept de Commissie op een Europese gids voor meerlagig bestuur uit te werken en de lidstaten aan te moedigen deze toe te passen afhankelijk van de specifieke plaatselijke of regionale doelstellingen en de beheersmechanismen voor het cohesiebeleid (d.w.z. programmering, subsidiëring en tenuitvoerlegging, waarbij de partijen op nationale, regionale en lokale niveaus partnerschappen met elkaar aangaan) uit te breiden naar die financieringen die onder het geplande gemeenschappelijk strategisch kader vallen, om zo de doeltreffendheid en doelmatigheid van overheidsuitgaven te verhogen;

39.  roept de Commissie op om, wanneer zij het nieuwe gemeenschappelijk strategisch kader vaststelt en voorstellen voor verordeningen voorlegt, daarin ook bepalingen op te nemen die lokale en regionale partnerschappen (steden, dorpen, functionele regio's, groepen lokale overheden) in staat stellen de verschillende Europese subsidiestromen te integreren in een consistent en alomvattend kader in hun respectieve geografische gebieden;

o
o   o

40.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
(2) PB L 291 van 21.10.2006, blz. 11.
(3) PB C 15 E van 21.1.2010, blz. 10.
(4) PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 113.
(5) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 46.
(6) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 65.
(7) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 104.
(8) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 120.
(9) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 84.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0356.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0468.


Preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden ***I
PDF 437kWORD 97k
Tekst
Geconsolideerde tekst
oorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (COM(2010)0527 – C7-0301/2010 – 2010/0281(COD))(1)
P7_TA(2011)0287A7-0183/2011

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

[Amendement 2]

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT(2)
P7_TA(2011)0287A7-0183/2011
op het voorstel van de Commissie
P7_TA(2011)0287A7-0183/2011

-------------

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(3),

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten binnen de Unie moet worden ontwikkeld in het kader van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de werkgelegenheidsrichtsnoeren, en impliceert de naleving van de volgende grondbeginselen: stabiele prijzen, gezonde en houdbare overheidsfinanciën en monetaire condities en een houdbare betalingsbalans.

(1 bis)  De totstandbrenging en handhaving van een dynamische interne markt wordt beschouwd als een onderdeel van de goede en vlotte werking van de economische en monetaire unie.

(1 ter)  Voor de verbetering van het economisch governancekader moet worden uitgegaan van diverse, onderling met elkaar verbonden en consistente duurzame groeimaatregelen en met name van een EU-strategie voor groei en werkgelegenheid, een Europees semester voor nauwere coördinatie van het economisch en budgettair beleid, een effectief kader voor het voorkomen en corrigeren van buitensporige overheidstekorten (het stabiliteits- en groeipact), een robuust kader voor de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden, en een betere regulering van en toezicht op de financiële markten.

(2)  Er moet de nodige lering worden getrokken uit het eerste decennium van de economische en monetaire unie, en er is met name behoefte aan een betere economische governance in de Unie op basis van een sterkere nationale betrokkenheid.

(2 bis)  Versterking van de economische governance moet onder andere betekenen dat het Europees Parlement en de nationale parlementen nauwer en vroeger bij de zaak worden betrokken. De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop de aanbeveling of het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 4, van deze verordening betrekking heeft, de mogelijkheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling.

(2 ter)  De Commissie moet in de procedure voor scherper toezicht een krachtiger rol spelen met betrekking tot beoordelingen van afzonderlijke lidstaten, monitoring, inspectiebezoeken, aanbevelingen en waarschuwingen.

(3)  In het bijzonder moet het toezicht op het economisch beleid van de lidstaten, dat meer moet zijn dan louter budgettair toezicht, verruimd worden tot een preciezer, formeel kader waarmee buitensporige macro-economische onevenwichtigheden kunnen worden voorkomen en de betrokken lidstaten hulp kan worden geboden bij het uitwerken van corrigerende plannen, voordat de verschillen een blijvend karakter krijgen. Deze verruiming van het kader voor het economische toezicht moet gepaard gaan met een verdieping van het begrotingstoezicht.

(4)  Om dergelijke onevenwichtigheden te helpen aanpakken, is een nauwkeurig in wetgeving vastgelegde procedure noodzakelijk.

(5)  Het is passend het in artikel 121, leden 3 en 4, van het Verdrag bedoelde multilaterale toezicht aan te vullen met specifieke bepalingen voor het opsporen van macro-economische onevenwichtigheden alsook voor het voorkomen en corrigeren van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden binnen de Unie, die afgestemd moeten zijn op de jaarlijkse cyclus voor multilateraal toezicht.

(6)  Deze procedure strekt tot instelling van een waarschuwingsmechanisme voor vroegtijdige detectie van zich aandienende macro-economische onevenwichtigheden. Daarbij moet gebruik worden gemaakt van een indicatief en transparant scorebord dat onder meer voorziet in indicatieve drempelwaarden, in combinatie met economische oordeelsvorming. In het kader van deze oordeelsvorming moet onder meer rekening worden gehouden met de nominale en de reële convergentie binnen en buiten de eurozone.

(6 bis)  De Commissie moet nauw samenwerken met de Raad en het Europees Parlement bij het opstellen van het scorebord en het ontwikkelen van het samenstel van macro-economische en macrofinanciële indicatoren voor de lidstaten. De indicatoren en drempelwaarden moeten zodanig worden vastgesteld en indien nodig bijgesteld dat ze kunnen worden aangepast aan de veranderende aard van de macro-economische onevenwichtigheden, onder meer doordat de bedreigingen voor de macro-economische stabiliteit zich ontwikkelen of relevante gegevens beter beschikbaar worden. De Commissie moet suggesties voor plannen tot vaststelling en aanpassing van de indicatoren en drempelwaarden voorleggen aan de bevoegde commissies van de Raad en het Europees Parlement, die hierop aanmerkingen kunnen maken. De Commissie moet de Raad en het Europees Parlement op de hoogte stellen van wijzigingen aan de indicatoren en drempelwaarden en de redenen voor deze wijzigingen toelichten.

(7)  Om effectief als onderdeel van het waarschuwingsmechanisme te functioneren, moet het scorebord bestaan uit een beperkte reeks economische, financiële en structurele indicatoren die relevant zijn voor de detectie van macro-economische onevenwichtigheden, met overeenkomstige indicatieve drempelwaarden. De indicatoren en drempelwaarden worden indien nodig bijgesteld zodat ze kunnen worden aangepast aan de veranderende aard van de macro-economische onevenwichtigheden, onder meer doordat de bedreigingen voor de macro-economische stabiliteit zich ontwikkelen of relevante gegevens beter beschikbaar worden. De indicatoren mogen niet worden beschouwd als economische beleidsdoeleinden, maar als instrumenten ter verdiscontering van het evoluerende karakter van de macro-economische onevenwichtigheden binnen de Europese Unie.

(7 bis)  Bij de ontwikkeling van het scorebord moet ook terdege rekening worden gehouden met heterogene economische omstandigheden, met inbegrip van inhaaleffecten.

(8)  De overschrijding van een of meer indicatieve drempelwaarden hoeft niet noodzakelijkerwijs in te houden dat zich macro-economische onevenwichtigheden aandienen, aangezien bij economische beleidsvorming rekening moet worden gehouden met de verwevenheid van macro-economische variabelen. Aan de gegevens van het scorebord moeten geen automatische conclusies worden verbonden: economische oordeelsvorming moet ervoor zorgen dat alle stukken informatie, al dan niet afkomstig van het scorebord, in perspectief worden bezien en deel gaan uitmaken van een brede analyse.

(9)  Op basis van de procedure voor het multilaterale toezicht en het waarschuwingsmechanisme of in geval van onverwachte, significante economische ontwikkelingen die voor de toepassing van deze verordening een urgente analyse vergen, moet de Commissie vaststellen welke lidstaten aan een diepgaande evaluatie moeten worden onderworpen. De diepgaande evaluatie moet worden verricht zonder ervan uit te gaan dat er van een onevenwichtigheid sprake is en moet een grondige analyse van bronnen van onevenwichtigheden in de geëvalueerde lidstaat omvatten, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de specifieke economische voorwaarden en omstandigheden in dat land en met een breder scala van analytische instrumenten, indicatoren en kwalitatieve informatie van landenspecifieke aard. De Commissie wordt bij het opstellen van de diepgaande evaluatie geholpen door de lidstaat, die erop toeziet dat de aan de Commissie verstrekte informatie zo correct en volledig mogelijk is. Voorts moet de Commissie terdege rekening houden met alle andere informatie die volgens de betrokken lidstaten relevant is, en die de lidstaat aan de Commissie en de Raad heeft verstrekt. De diepgaande evaluatie moet worden besproken in de Raad en de Eurogroep voor de lidstaten die de euro als munt hebben. Bij de diepgaande evaluatie moet in voorkomend geval rekening worden gehouden met de aanbevelingen of verzoeken van de Raad aan de geëvalueerde lidstaten overeenkomstig de artikelen 121, 126 en 148 van het VWEU en krachtens de artikelen 6, 7, 8 en 10 van deze verordening, met de beleidsintenties van de geëvalueerde lidstaat, zoals weergegeven in de nationale hervormingsprogramma's, alsook met de internationale beste praktijken op het gebied van indicatoren en methoden. Wanneer de Commissie naar aanleiding van significante of onverwachte economische ontwikkelingen die een dringende analyse vergen, tot een diepgaand onderzoek besluit, dient zij de betrokken lidstaten hiervan in kennis te stellen.

(10)  Een procedure voor toezicht op en correctie van ongunstige macro-economische onevenwichtigheden, met preventieve en corrigerende elementen, vereist verbeterde toezichtinstrumenten, die gebaseerd zijn op die welke worden gebruikt in de procedure voor multilateraal toezicht. Dit kan onder meer inhouden dat de toezichtmissies van de Commissie, in verbinding met de Europese Centrale Bank (ECB) voor lidstaten die de euro als munt hebben of voor lidstaten die aan het wisselkoersmechanisme WKM II deelnemen, in de lidstaten worden verscherpt en dat de lidstaat aanvullende verslaggeving verricht in geval van ernstige onevenwichtigheden, waaronder onevenwichtigheden die de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar brengen. De sociale partners en andere nationale belanghebbenden moeten in voorkomend geval bij de dialoog worden betrokken.

(11)  Bij de beoordeling van onevenwichtigheden moet rekening worden gehouden met de ernst ervan ▌en met de mogelijk negatieve economische en financiële overloopeffecten die de kwetsbaarheid van de economie van de EU vergroten en een bedreiging vormen voor de soepele werking van de monetaire unie. In alle lidstaten, vooral in de eurozone, moet er iets worden gedaan aan macro-economische onevenwichtigheden en verschillen in het concurrentievermogen. De aard, de omvang en de urgentie van de beleidsuitdagingen kunnen, afhankelijk van de betrokken lidstaten, evenwel sterk verschillen. Gelet op de zwakke punten en de omvang van de vereiste aanpassing is actie vooral urgent in de lidstaten met aanhoudende grote tekorten op de lopende rekening en met een tanend concurrentievermogen. Bovendien moet het beleid in lidstaten die grote overschotten op de lopende rekening opbouwen, erop gericht zijn de structurele hervormingen op te zetten en uit te voeren die de binnenlandse vraag stimuleren en het groeipotentieel doen toenemen.

(11 bis)  Het economische aanpassingsvermogen en de staat van dienst van de betrokken lidstaat wat betreft het gevolg geven aan eerdere krachtens deze verordening gedane aanbevelingen en andere krachtens artikel 121 van het Verdrag in het kader van het multilaterale toezicht gedane aanbevelingen, in het bijzonder de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie, moeten ook in overweging worden genomen.

(12)  Indien macro-economische onevenwichtigheden worden vastgesteld, moeten, waar passend met betrokkenheid van de bevoegde comités, aanbevelingen aan de betrokken lidstaat worden gericht om richtsnoeren te geven inzake passende beleidsreacties. De beleidsreactie van de betrokken lidstaat op onevenwichtigheden moet tijdig zijn en daarbij moet gebruik worden gemaakt van alle beleidsinstrumenten waarover overheidsinstanties beschikken. Indien nodig moeten ook relevante nationale belanghebbenden, met inbegrip van de sociale partners, hierbij worden betrokken overeenkomstig de bepalingen van het VWEU en de nationale wettelijke en politieke regelingen. De beleidsreactie moet toegesneden zijn op de specifieke omgeving en omstandigheden van de betrokken lidstaat en de belangrijkste economische beleidsterreinen bestrijken, waaronder begrotings- en loonbeleid, arbeidsmarkten, producten- en dienstenmarkten en regulering van de financiële sector. Er moet rekening worden gehouden met de verbintenissen in het kader van de WKM II-overeenkomsten.

(13)  De vroegtijdige waarschuwingen en aanbevelingen van het Europees Comité voor systeemrisico's aan lidstaten of de Unie hebben betrekking op risico's van macrofinanciële aard. Deze moeten indien nodig ook passende vervolgmaatregelen van de Commissie vergen in het kader van het toezicht op onevenwichtigheden. De onafhankelijkheid en het geheimhoudingsregime van het Europees Comité voor systeemrisico's moeten streng worden geëerbiedigd.

(14)  Bij vaststelling van ernstige macro-economische onevenwichtigheden, waaronder onevenwichtigheden die de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar brengen, moet een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden worden ingeleid die het doen van aanbevelingen aan de lidstaat en verscherpte vereisten voor toezicht en bewaking kan omvatten alsmede, ten aanzien van de lidstaten die de euro als munt hebben, de mogelijkheid tot handhaving overeenkomstig Verordening (EU) nr. […/…](5) in geval van blijvend nalaten corrigerende maatregelen te nemen.

(15)  Een lidstaat ten aanzien waarvan een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden loopt, moet een plan met corrigerende maatregelen vaststellen waarin zijn beleid tot uitvoering van de aanbevelingen van de Raad nader wordt beschreven. Het plan met corrigerende maatregelen moet een tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de beoogde maatregelen omvatten. Het plan moet worden onderschreven door de Raad aan de hand van een aanbeveling. Deze aanbeveling moet worden toegezonden aan het Europees Parlement.

(15 bis)  Aan de Raad moet de bevoegdheid worden verleend afzonderlijke besluiten vast te stellen waarin de niet-naleving wordt geconstateerd van de aanbevelingen die de Raad in het kader van het plan met corrigerende maatregelen heeft geformuleerd. In het kader van de binnen de Raad geleide coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten als bedoeld in artikel 121, lid 1, van het VWEU, vormen deze individuele besluiten een integrerend vervolg op de op grond van artikel 121, lid 4, van het VWEU door de Raad geformuleerde aanbevelingen in het kader van het plan met corrigerende maatregelen.

(16)  Aangezien een effectief kader voor detectie en preventie van macro-economische onevenwichtigheden niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt vanwege de sterke commerciële en financiële verwevenheid tussen de lidstaten en de overloopeffecten van nationaal economisch beleid op de Unie en het eurogebied als geheel, en beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(16 bis)  Bij de toepassing van deze verordening moeten de Raad en de Commissie ten volle recht doen aan de rol van de nationale parlementen en de sociale partners en moeten zij de verschillen tussen de nationale stelsels, bijvoorbeeld wat betreft loonvorming, in acht nemen.

(16 ter)  Indien de Raad van oordeel is dat een lidstaat niet langer met een buitensporige onevenwichtigheid te kampen heeft, trekt hij de krachtens de artikelen 7, 8 en 10 gedane aanbevelingen op aanbeveling van de Commissie in en wordt de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden afgesloten. Een en ander is gebaseerd op een brede analyse van de Commissie waaruit blijkt dat de lidstaat gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Raad en dat de onderliggende oorzaken en bijbehorende risico's die in de aanbeveling tot opening van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden worden beschreven, zijn weggenomen; daarbij wordt onder meer rekening gehouden met macro-economische ontwikkelingen, vooruitzichten en overloopeffecten. Ten teken dat de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden is afgesloten, dient een openbare verklaring te worden afgelegd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Onderwerp en definities

Artikel 1

Onderwerp

1.  Deze verordening omvat nadere bepalingen voor de detectie van macro-economische onevenwichtigheden, en voor de preventie en correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden binnen de Unie.

1 bis.  Deze verordening wordt uitgevoerd in het kader van het Europees semester als bedoeld in Verordening EU nr. […/…] over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid.

1 ter.  Bij de uitvoering van deze verordening wordt artikel 152 van het VWEU ten volle geëerbiedigd, en eerbiedigen de aanbevelingen die in het kader van deze verordening worden geformuleerd de nationale praktijken en instellingen voor loonvorming. Tevens wordt rekening gehouden met artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en wordt bijgevolg geen afbreuk gedaan aan het recht om over collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten en naleving ervan af te dwingen, en om vakbondsacties te voeren overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

   a) „onevenwichtigheden”: elke trend die macro-economische ontwikkelingen in de hand werkt die een ongunstige invloed uitoefenen of kunnen uitoefenen op de goede werking van de economie van een lidstaat dan wel van de economische en monetaire unie of van de Unie als geheel.
   b) „buitensporige onevenwichtigheden”: ernstige onevenwichtigheden, waaronder onevenwichtigheden die de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar brengen of dreigen te brengen.

Hoofdstuk II

Detectie van onevenwichtigheden

Artikel 3

Scorebord

1.  ▌ Het scorebord met indicatoren is een instrument dat gebruikt wordt om de vroegtijdige vaststelling van en het toezicht op onevenwichtigheden te vergemakkelijken.

2.  Het scorebord wordt samengesteld uit een klein aantal relevante, praktische, eenvoudige, meetbare en beschikbare macro-economische en macrofinanciële indicatoren voor de lidstaten. Het maakt de vroegtijdige identificatie mogelijk van zowel macro-economische onevenwichtigheden die op de korte termijn optreden als van onevenwichtigheden die het gevolg zijn van structurele en langetermijntrends.

2 bis.  Het scorebord omvat onder meer indicatoren die nuttig zijn bij de vroegtijdige identificatie van:

   a) interne onevenwichtigheden, met inbegrip van deze die het gevolg kunnen zijn van de schuldpositie van de overheid en de particuliere sector, ontwikkelingen op de financiële en activamarkten met inbegrip van de vastgoedmarkt, de evolutie van de kredietstromen van de particuliere sector en de evolutie van de werkloosheid.
   b) externe onevenwichtigheden, met inbegrip van deze die het gevolg kunnen zijn van de ontwikkeling van de lopende rekening en de netto-investeringen van de lidstaten, reële effectieve wisselkoersen, exportmarktaandelen, prijswijzigingen en de ontwikkeling van de kosten, alsook van niet-prijsgebonden concurrentievermogen, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende productiviteitscomponenten.

2 ter.  Bij de economische integratie van het scorebord in het waarschuwingsmechanisme besteedt de Commissie zeer veel aandacht aan ontwikkelingen in de reële economie, onder meer de economische groei, de evolutie van de werkgelegenheid en de werkloosheid, de nominale en de reële convergentie binnen en buiten de eurozone, de ontwikkeling van de productiviteit en de relevante sturende krachten zoals O&O en buitenlandse/binnenlandse investeringen, alsook aan sectorale ontwikkelingen, met inbegrip van energie, die het bbp en de ontwikkeling van de lopende rekening beïnvloeden.

Het scorebord omvat tevens indicatieve drempelwaarden voor deze indicatoren die als waarschuwingsniveaus dienen. De keuze van de indicatoren en drempelwaarden draagt bij tot het bevorderen van het concurrentievermogen in de EU.

Op het scorebord van indicatoren, en in het bijzonder bij de alarmdrempels, is waar dit van toepassing is sprake van symmetrie en wordt er een onderscheid gemaakt tussen lidstaten in en buiten de eurozone, indien dit door specifieke kenmerken van de monetaire unie en relevante economische omstandigheden wordt gerechtvaardigd. Bij de ontwikkeling van het scorebord moet ook terdege rekening worden gehouden met heterogene economische omstandigheden, met inbegrip van inhaaleffecten.

2 quater.  Bij de vaststelling van indicatoren die voor de stabiliteit van de financiële markt relevant zijn, wordt terdege rekening gehouden met de inbreng van het Europees Comité voor systeemrisico's. De Commissie vraagt het Europees Comité voor systeemrisico's om zijn mening over de ontwerpindicatoren die voor de stabiliteit van de financiële markt relevant zijn.

3.  De lijst van indicatoren en de drempelwaarden waaruit het scorebord is samengesteld, ▌ worden openbaar gemaakt.

4.  De ▌ geschiktheid van het scorebord, met inbegrip van de samenstelling van indicatoren, de vastgestelde drempelwaarden en de aangewende methodologie worden op gezette tijden geëvalueerd en, zo nodig, aangepast of gewijzigd. Wijzigingen in de onderliggende methodologie en de samenstelling van het scorebord en de bijbehorende drempelwaarden worden openbaar gemaakt.

4 bis.  De waarden van de indicatoren op het scorebord worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd.

Artikel 4

Waarschuwingsmechanisme

1.   Het waarschuwingsmechanisme is opgevat als hulpmiddel voor de vroegtijdige vaststelling van en het toezicht op onevenwichtigheden. De Commissie stelt jaarlijks een rapport op dat een kwalitatieve economische en financiële beoordeling bevat op basis van een scorebord met een reeks indicatoren die met de indicatieve drempelwaarden worden vergeleken. Het rapport met de waarden van de indicatoren van het scorebord wordt openbaar gemaakt.

2.  ▌Het rapport van de Commissie bevat een economische en financiële beoordeling waarbij de verschuivingen in de indicatoren in een breder perspectief worden geplaatst, en waarbij indien nodig andere economische en financiële indicatoren die relevant zijn voor ▌de beoordeling van de ontwikkeling van onevenwichtigheden, worden betrokken. Aan de gegevens van het scorebord mogen geen automatische conclusies worden verbonden. Bij de beoordeling moet immers rekening worden gehouden met de ontwikkeling van onevenwichtigheden in de Unie en de eurozone. In het rapport wordt eveneens aangegeven of de overschrijding van de ▌drempelwaarden door een of meer lidstaten erop wijst dat zich mogelijk onevenwichtigheden aandienen. De beoordeling van lidstaten met grote tekorten op de lopende rekening kan verschillen van die van lidstaten die grote overschotten op de lopende rekening opbouwen.

3.  In het rapport worden de lidstaten aangewezen waar naar het oordeel van de Commissie van onevenwichtigheden of van een risico daarop sprake kan of zou kunnen zijn.

3 bis.  Het rapport wordt tijdig aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité toegezonden.

4.  In het kader van het multilaterale toezicht overeenkomstig artikel 121, lid 3, van het Verdrag bespreekt de Raad het rapport van de Commissie en maakt hij er een algehele evaluatie van. De Eurogroep bespreekt het rapport voorzover het ▌betrekking heeft op lidstaten die de euro als munt hebben.

Artikel 5

Diepgaande evaluatie

1.  Terdege rekening houdend met de besprekingen in de Raad en de Eurogroep, zoals bepaald in artikel 4, lid 4, of in geval van onverwachte, significante economische ontwikkelingen die voor de toepassing van deze verordening een dringende analyse vergen, stelt de Commissie een diepgaande evaluatie op voor iedere lidstaat waar naar haar oordeel van onevenwichtigheden of van een risico daarop sprake kan of zou kunnen zijn. ▌

De diepgaande evaluatie moet gebaseerd zijn op een gedetailleerde analyse van landenspecifieke omstandigheden, met inbegrip van de verschillen in uitgangspositie tussen de lidstaten; zij moet zich uitstrekken tot een breed scala van economische variabelen en gebruik maken van analytische instrumenten en kwalitatieve informatie van landenspecifieke aard. Zij moet tevens recht doen aan de specifieke nationale kenmerken op het gebied van arbeidsverhoudingen en sociale dialoog.

Voorts moet de Commissie terdege rekening houden met alle andere informatie die volgens de betrokken lidstaat relevant is en die deze lidstaat heeft verstrekt.

De evaluatie moet worden uitgevoerd in combinatie met toezichtmissies in de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 11 sexies.

2.  De diepgaande evaluatie omvat een beoordeling van de vraag of er in de betrokken lidstaat van onevenwichtigheden sprake is, en of deze onevenwichtigheden buitensporig zijn. Zij bestudeert de oorzaak van de gedetecteerde onevenwichtigheden tegen de achtergrond van de overheersende economische omstandigheden, met inbegrip van de nauwe handels- en financiële relaties tussen de lidstaten en van de overloopeffecten van nationaal economisch beleid. De evaluatie analyseert relevante ontwikkelingen in verband met de strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid. Zij gaat ook na in welke mate economische ontwikkelingen in de Unie en de eurozone als geheel relevant zijn. Daarin wordt in het bijzonder rekening gehouden met:

   a) in voorkomend geval, de aanbevelingen of verzoeken van de Raad aan de geëvalueerde lidstaat overeenkomstig de artikelen 121, 126 en 148 van het Verdrag en krachtens de artikelen 6, 7, 8 en 10 van deze verordening;
   b) de beleidsintenties van de geëvalueerde lidstaat, zoals deze blijken uit de nationale hervormingsprogramma's en in voorkomend geval uit het stabiliteits- en convergentieprogramma ▌;
   c) eventuele ▌waarschuwingen of aanbevelingen van het Europees Comité voor systeemrisico's over aangepakte systeemrisico's of systeemrisico's die voor de geëvalueerde lidstaat relevant zijn. De vertrouwelijkheidsregeling van het Europees Comité voor systeemrisico's moet in acht worden genomen.

2 bis.  De diepgaande evaluatie wordt openbaar gemaakt. De Commissie stelt de Raad en het Europees Parlement in kennis van de resultaten van de diepgaande evaluatie.

Artikel 6

Preventieve maatregelen

1.  Indien de Commissie aan de hand van haar in artikel 5 van deze verordening bedoelde diepgaande evaluatie van oordeel is dat in een lidstaat van onevenwichtigheden sprake is, stelt zij de Raad, de Eurogroep en het Europees Parlement dienovereenkomstig in kennis. De Raad richt, op aanbeveling van de Commissie, de nodige aanbevelingen tot de betrokken lidstaat, overeenkomstig de procedure van artikel 121, lid 2, van het Verdrag.

2.  De Raad stelt het Europees Parlement van deze aanbeveling in kennis. De aanbevelingen van de Raad worden openbaar gemaakt.

2 bis.  De aanbevelingen van de Raad en de Commissie eerbiedigen ten volle artikel 152 van het VWEU en houden rekening met artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

3.  De Raad beziet de aanbeveling jaarlijks opnieuw in het kader van het Europees semester en kan deze indien nodig aanpassen overeenkomstig lid 1.

HOOFDSTUK III

Procedure bij buitensporige onevenwichtigheden

Artikel 7

Inleiding van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden

1.  Indien de Commissie aan de hand van de in artikel 5 bedoelde diepgaande evaluatie van oordeel is dat er in de betrokken lidstaat van buitensporige onevenwichtigheden sprake is, stelt zij de Raad, de Eurogroep en het Europees Parlement dienovereenkomstig in kennis.

De Commissie informeert ook de ter zake bevoegde Europese toezichthoudende autoriteiten en het Europees Comité voor systeemrisico's, dat wordt verzocht de stappen te ondernemen die het noodzakelijk acht.

2.  De Raad kan, op aanbeveling van de Commissie, een aanbeveling aannemen overeenkomstig artikel 121, lid 4, van het Verdrag, waarin het bestaan van een buitensporige onevenwichtigheid wordt gemeld en de betrokken lidstaat wordt aanbevolen corrigerende maatregelen te nemen.

In deze aanbeveling worden de aard en de gevolgen van de onevenwichtigheden uiteengezet, wordt een reeks op te volgen beleidsaanbevelingen gespecificeerd, en wordt de termijn genoemd waarbinnen de lidstaat een plan met corrigerende maatregelen moet voorleggen. De Raad kan, zoals bepaald in artikel 121, lid 4, van het Verdrag, zijn aanbeveling openbaar maken.

Artikel 8

Plan met corrigerende maatregelen

1.  Een lidstaat waarvoor een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden is ingeleid, legt binnen een termijn die in de aanbeveling overeenkomstig artikel 7 wordt bepaald en op basis van die aanbeveling, een plan met corrigerende maatregelen voor aan de Raad en de Commissie. Het plan met corrigerende maatregelen omvat de specifieke ▌beleidsmaatregelen die de betrokken lidstaat heeft uitgevoerd of voornemens is uit te voeren, evenals een tijdschema voor de tenuitvoerlegging. Het plan met corrigerende maatregelen moet rekening houden met de economische en sociale gevolgen van deze beleidsmaatregelen en moet in overeenstemming zijn met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de werkgelegenheidsrichtsnoeren.

2.  Binnen twee maanden na het voorleggen van een plan met corrigerende maatregelen beoordeelt de Raad het plan met corrigerende maatregelen aan de hand van een rapport van de Commissie. Indien het plan, op basis van een aanbeveling van de Commissie, toereikend wordt geacht, bekrachtigt de Raad het door middel van een aanbeveling waarin de vereiste specifieke maatregelen en de termijnen voor het nemen daarvan worden opgesomd, en stelt hij een tijdschema voor toezicht op waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de transmissiekanalen en erkend wordt dat veel tijd kan verstrijken tussen de aanneming van de corrigerende maatregel en het effectief wegwerken van de onevenwichtigheden.

2 bis.  Als de genomen of voorgenomen maatregelen in het plan met corrigerende maatregelen of het tijdschema voor de tenuitvoerlegging daarvan op basis van een aanbeveling van de Commissie ontoereikend worden geacht, neemt de Raad een aanbeveling aan de lidstaat aan met het verzoek om in de regel binnen twee maanden een nieuw plan met corrigerende maatregelen in te dienen. Het nieuwe plan met corrigerende maatregelen wordt onderzocht overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde procedure.

3.  Het plan met corrigerende maatregelen, het rapport van de Commissie en de in de leden 2 en 2 bis bedoelde aanbeveling van de Raad worden openbaar gemaakt.

Artikel 9

Toezicht op corrigerende maatregelen

1.  De Commissie ziet toe op de tenuitvoerlegging van de krachtens artikel 8, lid 2, aangenomen aanbeveling. Te dien einde brengt de lidstaat regelmatig verslag uit aan de Raad en de Commissie in de vorm van voortgangsverslagen waarvan de frequentie door de Raad wordt vastgesteld in de in artikel 8, lid 2 bedoelde aanbeveling.

2.  Voortgangsverslagen van de lidstaten worden openbaar gemaakt door de Raad.

3.  De Commissie kan in de betrokken lidstaat verscherpte toezichtmissies uitvoeren om toe te zien op de tenuitvoerlegging van het plan met corrigerende maatregelen, dit in samenwerking met de ECB wanneer deze missies betrekking hebben op lidstaten die de euro als munt hebben of deelnemen aan het wisselkoersmechanisme WKM II. De sociale partners en andere nationale belanghebbenden moeten bijgevolg in voorkomend geval bij de dialoog worden betrokken.

4.  In geval van relevante aanzienlijke veranderingen in de economische omstandigheden ▌, kan de Raad, op aanbeveling van de Commissie, de krachtens artikel 8, lid 2, aangenomen aanbevelingen wijzigen overeenkomstig de procedure van datzelfde artikel. De betrokken lidstaat wordt indien nodig verzocht een herzien plan met corrigerende maatregelen voor te leggen dat wordt beoordeeld overeenkomstig de procedure van artikel 8.

Artikel 10

Beoordeling van corrigerende maatregelen

1.  Aan de hand van een rapport van de Commissie beoordeelt de Raad of de betrokken lidstaat de aanbevolen corrigerende maatregelen heeft genomen overeenkomstig de krachtens artikel 8, lid 2, gedane aanbeveling.

2.  Het rapport van de Commissie wordt openbaar gemaakt.

3.  De ▌Raad maakt zijn beoordeling binnen de termijn die de Raad in zijn aanbevelingen overeenkomstig artikel 8, lid 2, heeft vastgesteld.

4.  Wanneer de Raad van oordeel is dat de lidstaat niet de aanbevolen corrigerende maatregelen heeft genomen, neemt hij, op aanbeveling van de Commissie, een besluit aan waarin de niet-naleving wordt geconstateerd, evenals een aanbeveling waarin nieuwe termijnen voor corrigerende maatregelen worden vastgesteld. In dit geval wordt de Europese Raad op de hoogte gebracht en worden de conclusies van de in artikel 9, lid 3, bedoelde toezichtmissies openbaar gemaakt.

De aanbeveling van de Commissie inzake de constatering van de niet-naleving wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij hij, binnen tien dagen na de aanneming ervan door de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling te verwerpen. De betrokken lidstaat kan verzoeken dat een zitting van de Raad bijeen wordt geroepen om over dit besluit te stemmen.

Overeenkomstig artikel 11 sexies kan het Europees Parlement op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat de voorzitter van de Raad, de Commissie en indien nodig de voorzitter van de Eurogroep in zijn bevoegde commissie uitnodigen om het besluit inzake de constatering van de niet-naleving te bespreken.

5.  Wanneer de Raad op grond van het rapport van de Commissie van oordeel is dat de lidstaat de aanbevolen corrigerende maatregelen heeft genomen, wordt aangenomen dat de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden op het goede spoor zit en wordt zij opgeschort; het toezicht wordt voortgezet overeenkomstig het in de aanbevelingen uit hoofde van artikel 8, lid 2, vastgestelde tijdschema. De Raad maakt de redenen voor het opschorten van de procedure openbaar, onder verwijzing naar de corrigerende beleidsmaatregelen die de lidstaat heeft genomen.

Artikel 11

Afsluiting van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden

De Raad trekt de krachtens de artikelen 7, 8 en 10 gedane aanbevelingen op aanbeveling van de Commissie in zodra hij van oordeel is dat er in de lidstaat niet langer sprake is van buitensporige onevenwichtigheden als omschreven in de in artikel 7, lid 2, bedoelde aanbeveling, en legt hierover een openbare verklaring af.

Artikel 11 bis

Stemming binnen de Raad

Met betrekking tot de in de artikelen 7 tot en met 11 bedoelde maatregelen besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

Artikel 11 ter

Toezichtmissies

1.  Overeenkomstig de doelstellingen van deze verordening zorgt de Commissie voor een permanente dialoog met de autoriteiten van de lidstaten. Hiertoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit ter evaluatie van de huidige economische situatie in de lidstaten en ter identificatie van eventuele risico's of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening.

2.  Het toezicht kan worden verscherpt voor lidstaten die het voorwerp uitmaken van een aanbeveling inzake het bestaan van buitensporige onevenwichtigheden als bedoeld in artikel 7, lid 2, van deze verordening, ten einde de situatie ter plaatse na te gaan.

3.  Wanneer de betrokken lidstaat de euro als munt heeft of deelneemt aan het wisselkoersmechanisme WKM II, kan de Commissie indien wenselijk vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank verzoeken deel te nemen aan toezichtmissies.

4.  De Commissie brengt bij de Raad verslag uit over het resultaat van de in lid 2 genoemde missie en kan indien nodig besluiten haar bevindingen openbaar te maken.

5.  Bij het organiseren van de in lid 2 genoemde toezichtmissies deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen voor commentaar mee aan de betrokken lidstaten.

Artikel 11 quater

Economische dialoog

1.  Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te bevorderen en te zorgen voor meer transparantie en aansprakelijkheid, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en indien nodig de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de Eurogroep in de commissie uitnodigen om het volgende te bespreken:

   a) de informatie over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die de Raad overeenkomstig artikel 121, lid 2, van het VWEU heeft verstrekt;
   b) de algemene richtsnoeren voor de lidstaten die de Commissie aan het begin van de jaarlijkse toezichtcyclus publiceert;
   c) de conclusies die de Europese Raad eventueel vaststelt met betrekking tot richtsnoeren voor het economisch beleid in het kader van het Europees semester;
   d) de resultaten van het multilaterale toezicht dat op grond van deze verordening is uitgeoefend;
   e) de conclusies die de Europese Raad eventueel vaststelt met betrekking tot de richtsnoeren voor en de resultaten van het multilaterale toezicht;
   f) een eventuele beoordeling van de uitoefening van het multilaterale toezicht aan het einde van het Europees semester;
   g) de aanbevelingen die overeenkomstig artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 4, van deze verordening zijn gedaan.

2.  De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop de aanbeveling of het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 4, betrekking heeft, de mogelijkheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling.

3.  De Commissie en de Raad informeren het Europees Parlement geregeld over de resultaten van de toepassing van deze verordening.

Artikel 11 quinquies

Evaluatie

1.   Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening, en daarna elke vijf jaar, publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van deze verordening.

In dat verslag wordt onder meer het volgende beoordeeld:

   a) de doeltreffendheid van de verordening;
   b) de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en de bereikte convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het Verdrag.
  

Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.

1.  Het verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 11 sexies

Verslaglegging

Elk jaar daarna publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van deze verordening, met inbegrip van de actualisering van het scorebord als bedoeld in artikel 4, en legt zij dit in het kader van het Europees semester aan de Raad en het Europees Parlement voor.

HOOFDSTUK IV

Slotbepalingen

Artikel 12

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De voorzitter

(1) De zaak werd dan terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0183/2011).
(2)* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool █ aangegeven.
(3) PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.
(4) PB C ...
(5) PB L […], […], […].


Tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten *
PDF 356kWORD 96k
Tekst
Geconsolideerde tekst
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 23 juni 2011 op het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (COM(2010)0522 – C7-0396/2010 – 2010/0276(CNS))(1)
P7_TA(2011)0288A7-0179/2011

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

[Amendement 2]

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT(2)
P7_TA(2011)0288A7-0179/2011
op het voorstel van de Commissie
P7_TA(2011)0288A7-0179/2011

-------------------------------------------------------

VERORDENING VAN DE RAAD
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 14, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het voorstel voor een wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement(3),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(4),

Handelend volgens de bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De coördinatie van het economische beleid van de lidstaten binnen de Unie zoals voorgeschreven door het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dient de inachtneming van de volgende grondbeginselen in te houden: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire voorwaarden en een houdbare betalingsbalans.

(2)  Het stabiliteits- en groeipact bestond aanvankelijk uit Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(5), Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten(6) en de resolutie van de Europese Raad van 17 juni 1997 betreffende het stabiliteits- en groeipact(7). De Verordeningen (EG) nr. 1466/97 en (EG) nr. 1467/97 zijn in 2005 gewijzigd bij respectievelijk Verordeningen (EG) nr. 1055/2005 en (EG) nr. 1056/2005. Daarnaast is het verslag van de Raad van 20 maart 2005 met als titel „De uitvoering van het stabiliteits- en groeipact verbeteren” goedgekeurd.

(3)  Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke en houdbare openbare financiën als middel ter versterking van de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een sterke duurzame groei die berust op financiële stabiliteit en bevorderlijk is voor de werkgelegenheidsschepping.

(4)  Het gemeenschappelijk kader voor economische governance dient te worden versterkt, onder meer wat verbeterd begrotingstoezicht betreft, conform de hoge mate van onderlinge integratie die de economieën van de lidstaten binnen de Europese Unie, en met name in het eurogebied, hebben verwezenlijkt.

(4 bis)  De totstandbrenging en handhaving van een dynamische interne markt wordt beschouwd als een onderdeel van de goede en vlotte werking van de economische en monetaire unie.

(4 ter)  Het verbeterde kader voor economisch bestuur moet berusten op verschillende met elkaar verbonden beleidsmaatregelen voor duurzame groei en werkgelegenheid, die onderling samenhang moeten vertonen, in het bijzonder een EU-strategie voor groei en arbeidsplaatsen, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling en bevordering van de interne markt, het bevorderen van internationale handelsbetrekkingen en concurrentievermogen, een effectief kader voor het voorkomen en corrigeren van buitensporige algemene-overheidstekorten (het stabiliteits- en groeipact), een robuust kader voor het voorkomen en corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden, minimumeisen voor nationale begrotingskaders, meer regulering van en controle op de financiële markten (waaronder macroprudentieel toezicht door het Europees Comité voor systeemrisico's).

(4 quater)  De totstandbrenging en handhaving van een dynamische interne markt wordt beschouwd als een onderdeel van de goede en vlotte werking van de economische en monetaire unie.

(4 quinquies)  Het stabiliteits- en groeipact en het complete kader voor economisch beheer vormen een aanvulling op en ondersteunen de strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid. De verwevenheid van de verschillende onderdelen mag er niet toe leiden dat uitzonderingen op de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact worden toegestaan.

(4 sexies)  Versterking van het economisch bestuur moet onder andere betekenen dat het Europees Parlement en de nationale parlementen nauwer en vroeger bij de zaak worden betrokken. De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop een aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 7, een aanmaning overeenkomstig artikel 126, lid 9, of een besluit overeenkomstig artikel 126, lid 11, van het Verdrag betrekking heeft, de mogelijkheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling.

(4 septies)  De ervaring die in de eerste tien jaar van de Economische en Monetaire Unie is opgedaan en de fouten die zijn gemaakt laten zien dat er in de Unie behoefte is aan een beter economisch bestuur, dat berust op een sterkere nationale eigen verantwoordelijkheid voor gezamenlijk aanvaarde regels en beleid en op een robuuster kader voor het toezicht op Unie-niveau op het nationale economische beleid.

(4 octies)  De Commissie moet een sterkere rol spelen in de versterkte toezichtprocedure. Dit betreft evaluaties die specifiek betrekking hebben op lidstaten, controles, missies en aanbevelingen.

(4 nonies)  Bij het uitvoeren van deze verordening moeten de Commissie en de Raad rekening houden met alle relevante factoren en met de economische en begrotingssituatie van de betrokken lidstaten.

(5)  De regels voor de begrotingsdiscipline dienen te worden aangescherpt, met name door een prominentere rol toe te bedelen aan het niveau en de ontwikkeling van de schuld en aan de algemene houdbaarheid. Ook de mechanismen die de naleving van deze regels en de tenuitvoerlegging ervan garanderen, moeten worden versterkt.

(5 bis)  De Commissie moet in de procedure voor scherper toezicht een krachtiger rol spelen met betrekking tot beoordelingen van afzonderlijke lidstaten, monitoring, inspectiebezoeken, aanbevelingen en waarschuwingen.

(6)  De toepassing van de bestaande procedure bij buitensporige tekorten op basis van zowel het tekortcriterium als het schuldcriterium vereist ▌ een referentiepercentage dat rekening houdt met de conjunctuurcyclus om te beoordelen of de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert. Er moet een overgangsperiode ingevoerd worden om lidstaten die op de datum van de goedkeuring van deze verordening het voorwerp vormen van een procedure bij buitensporige tekorten, in de gelegenheid te stellen hun beleid aan te passen aan het referentiepercentage voor schuldvermindering. Dit moet eveneens gelden voor lidstaten die het voorwerp vormen van een aanpassingsprogramma van de Europese Unie of het Internationaal Monetair Fonds.

(7)  ▌Niet-inachtneming van het referentiepercentage voor schuldvermindering volstaat niet om vast te stellen dat er een buitensporig tekort bestaat: hiervoor moet het volledige scala van relevante factoren die de Commissie in haar verslag krachtens artikel 126, lid 3, van het VWEU heeft behandeld, in aanmerking worden genomen. Meer bepaald kan de beoordeling van de invloed van de conjunctuur en de samenstelling van de „omvang-stroomaanpassing” (stock-flow adjustment) op de schuldontwikkeling volstaan om de vaststelling van een buitensporig tekort op basis van het schuldcriterium uit te sluiten.

(8)  Bij de vaststelling op grond van het tekortcriterium van het bestaan van een buitensporig tekort en van de gebeurtenissen die daartoe hebben geleid, dient rekening te worden gehouden met alle relevante factoren die in het verslag van de Commissie krachtens artikel 126, lid 3, van het Verdrag zijn behandeld indien de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product de referentiewaarde niet overschrijdt.

(8 bis)  Bij het in aanmerking nemen van hervormingen van de pensioenstelsels als een van de relevante factoren is het doorslaggevende criterium de vraag of deze hervormingen de houdbaarheid op lange termijn van het gehele pensioenstelsel ten goede komen zonder de risico's voor de begrotingssituatie op middellange termijn te vergroten.

(9)  In het verslag van de Commissie krachtens artikel 126, lid 3, van het Verdrag dient op passende wijze rekening te worden gehouden met de kwaliteit van het nationale begrotingskader, aangezien dit een doorslaggevende rol vervult bij de ondersteuning van de begrotingsconsolidatie en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de minimumvoorschriften van de Richtlijn van de Raad [tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten], alsook met andere overeengekomen wenselijke nalevingsaspecten van de begrotingsdiscipline.

(10)  Ter ondersteuning van het toezicht op de inachtneming van de aanbevelingen en aanmaningen van de Raad om buitensporigtekortsituaties te verhelpen, dienen daarin jaarlijkse begrotingsdoelstellingen te worden vermeld die met het oog op de vereiste verbetering van de conjunctuurgezuiverde begroting, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, moeten worden gehaald. De benchmark „jaarlijkse verbetering van 0,5% van het bbp” moet in dit verband worden opgevat als een gemiddelde op jaarbasis.

(11)  De beoordeling van de doeltreffendheid van de genomen maatregelen is erbij gebaat dat de inachtneming van de doelstellingen voor de overheidsuitgaven in samenhang met de uitvoering van specifieke geplande maatregelen aan de ontvangstenzijde als referentiepunt wordt genomen.

(12)  Bij de beoordeling of de termijn voor de correctie van het buitensporige tekort kan worden verlengd, dient speciale aandacht te worden besteed aan ernstige economische neergangen van algemene aard in de eurozone of in de EU als geheel, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.

(13)  Aan de toepassing van de financiële sancties waarin artikel 126, lid 11, van het Verdrag voorziet, moet sterker de hand worden gehouden, zodat deze een echte stimulans vormen om gevolg te geven aan de aanmaningen krachtens artikel 126, lid 9.

(14)  Ter waarborging van de inachtneming van het Uniekader voor begrotingstoezicht voor deelnemende lidstaten dienen er op grond van artikel 136 van het Verdrag automatische sancties te worden ingesteld teneinde te komen tot billijke, tijdige en doeltreffende mechanismen die de naleving van de regels van het stabiliteits- en groeipact garanderen.

(14 bis)  Geïnde boeten moeten worden toegewezen aan stabilisatiemechanismen voor de verlening van financiële steun die door de lidstaten die de euro als munt hebben, worden ingesteld teneinde de stabiliteit van de eurozone in haar geheel te waarborgen.

(15)  De verwijzingen in Verordening (EG) nr. 1467/97 dienen rekening te houden met de nieuwe artikelnummering van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met de vervanging van Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad door Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten(8).

(16)  Verordening (EG) nr. 1467/97 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1467/97 wordt als volgt gewijzigd:

1.  Artikel 1 komt als volgt te luiden:"

Artikel 1

1.  Deze verordening bevat bepalingen ter bespoediging en verduidelijking van de procedure bij buitensporige tekorten. Het doel van de procedure bij buitensporige tekorten is het voorkomen van buitensporige overheidstekorten en, indien dergelijke tekorten ontstaan, deze spoedig te doen corrigeren, waarbij de inachtneming van de begrotingsdiscipline wordt beoordeeld op basis van de criteria voor het overheidstekort en de overheidsschuld.

2.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder „deelnemende lidstaten” de lidstaten die de euro als munt hebben.

"

2.  Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

   (a) lid 1, eerste alinea, komt als volgt te luiden:"
Wanneer een overheidstekort de referentiewaarde overschrijdt, wordt dit overeenkomstig artikel 126, lid 2, onder a), tweede streepje, van het Verdrag beschouwd als van uitzonderlijke aard, indien de overschrijding wordt veroorzaakt door een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en die een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de overheid, of indien zij wordt veroorzaakt door een ernstige economische neergang."
   b) het volgende lid ▌ wordt ingevoegd:"
1 bis.  Wanneer de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product (bbp) de referentiewaarde overschrijdt, wordt deze verhouding in overeenstemming met artikel 126, lid 2, onder b), van het Verdrag geacht in voldoende mate af te nemen en de referentiewaarde in een bevredigend tempo te benaderen indien het verschil ten opzichte van de referentiewaarde in de voorafgaande drie jaren met gemiddeld een twintigste per jaar is verminderd, berekend op basis van de evolutie in de loop van de laatste drie jaren waarvoor deze gegevens beschikbaar zijn. Het schuldcriterium wordt ook geacht te zijn vervuld indien de budgettaire prognoses van de Commissie erop wijzen dat de vereiste vermindering van het verschil ten opzichte van de referentiewaarde zich zal voordoen in de periode van drie jaar waartoe de twee jaren behoren die volgen op het laatste jaar waarvoor de gegevens beschikbaar zijn. Voor een lidstaat waartegen op [in te voegen - datum van aanneming van deze verordening] een buitensporigtekortprocedure loopt en gedurende een periode van drie jaar vanaf de correctie van het buitensporige tekort, wordt het schuldcriterium geacht te zijn vervuld wanneer de betrokken lidstaat, naar het oordeel van de Raad in zijn advies betreffende het stabiliteits- of het convergentieprogramma van die lidstaat, voldoende vooruitgang in de richting van inachtneming maakt.
Bij de toepassing van het schuldaanpassingspercentage moet rekening worden gehouden met de impact van de conjunctuur op het tempo van de schuldvermindering."
   (c) lid 3 komt als volgt te luiden:"
3.  Bij de opstelling van een verslag krachtens artikel 126, lid 3, van het Verdrag houdt de Commissie rekening met alle andere relevante factoren zoals vermeld in dat artikel, voor zover zij de beoordeling of de betrokken lidstaat aan de tekort- en schuldcriteria voldoet, aanzienlijk beïnvloeden. Het verslag dient een deugdelijke afspiegeling te vormen;
   van de middellangetermijnontwikkelingen in de economische situatie, met name de potentiële groei, inclusief de verschillende bijdragen van arbeid, kapitaalaccumulatie en totale factorproductiviteit, conjunctuurontwikkelingen en de nettobesparingen van de privésector;
   van de middellangetermijnontwikkelingen in de begrotingssituatie (met name het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de budgettaire middellangetermijndoelstelling, het niveau van het primaire saldo en de evolutie van de primaire uitgaven, zowel lopende uitgaven als kapitaaluitgaven, de uitvoering van beleidsmaatregelen in het kader van de preventie en correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden, de uitvoering van beleidsmaatregelen in het kader van de gemeenschappelijke groeistrategie van de Unie en de algemene kwaliteit van de overheidsfinanciën, in het bijzonder de doeltreffendheid van de nationale begrotingskaders)▌;
   in het verslag worden ook de ontwikkeling, de dynamiek en de duurzaamheid van de schuldpositie van de overheid op middellange termijn geanalyseerd (met name ▌ risicofactoren zoals onder meer de looptijdstructuur en valutasamenstelling van de schuld, aanpassing en samenstelling van stock flows, opgebouwde reserves en andere financiële activa; garanties die met name met de financiële sector verband houden; en alle impliciete verplichtingen ▌ die met vergrijzing en onderhandse schulden verband houden, voor zover deze een latente impliciete verplichting voor de overheid vormen);
   bovendien houdt de Commissie terdege en uitdrukkelijk rekening met alle andere factoren die naar het oordeel van de betrokken lidstaat relevant zijn om een uitvoerige evaluatie van de naleving van de tekort- en schuldcriteria te kunnen maken en die deze lidstaat aan de Raad en de Commissie kenbaar heeft gemaakt. In dat verband moet bijzondere aandacht uitgaan naar: financiële bijdragen ter bevordering van de internationale solidariteit en ter verwezenlijking van de EU-beleidsdoelen; de schuld in de vorm van bilaterale en multilaterale steun tussen lidstaten in het kader van het waarborgen van de financiële stabiliteit; de schuld in verband met financiële stabilisatieoperaties tijdens grote financiële crises.
"
   (d) lid 4 komt als volgt te luiden:"
4.  De Commissie en de Raad maken een evenwichtige algehele evaluatie die alle relevante factoren omvat, en met name van de mate waarin deze factoren de beoordeling of aan de tekort- en/of schuldcriteria wordt voldaan, als verzwarende of verzachtende omstandigheden beïnvloeden. Indien de verhouding tussen de overheidsschuld en het bbp de referentiewaarde overschrijdt, worden deze factoren bij de beoordeling op basis van het tekortcriterium alleen bij de in artikel 126, leden 4, 5, en 6, van het Verdrag genoemde stappen die leiden naar een besluit over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort in aanmerking genomen indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde van het overkoepelende principe dat het overheidstekort dicht bij de referentiewaarde blijft en de overschrijding van de referentiewaarde slechts van tijdelijke aard is.
Bij de beoordeling op basis van het schuldcriterium worden deze factoren evenwel in aanmerking genomen bij de stappen die leiden tot het besluit over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort."
   (d bis) lid 5 komt als volgt te luiden:"
5.  Bij het beoordelen van de naleving van het tekort- en het schuldcriterium en bij alle daaropvolgende stappen van de buitensporigtekortprocedure houden de Commissie en de Raad naar behoren rekening met de toepassing van pensioenhervormingen waarbij een meerpijlersysteem wordt ingevoerd dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking en de nettokosten van de openbaar beheerde pijler omvat. Er wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan de kenmerken van het algehele pensioenstelsel zoals dat er na de hervorming uitziet, en met name aan de vraag of het bevorderlijk is voor de houdbaarheid op lange termijn zonder de risico's voor de begrotingssituatie op middellange termijn te vergroten."
   (d ter) lid 6 komt als volgt te luiden:"
6.  Indien de Raad, op basis van het voorstel van de Commissie en op grond van artikel 126, lid 6, van het VWEU, heeft besloten dat in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat, houden de Commissie en de Raad in de daaropvolgende fasen van de procedure van artikel 126 van het VWEU rekening met de in lid 3 bedoelde relevante factoren waar deze van invloed zijn op de situatie van de betrokken lidstaat, inclusief die welke vermeld zijn in artikel 3, lid 5, en in artikel 5, lid 2, van deze verordening, met name bij de vaststelling van een termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort en de eventuele verlenging daarvan. Deze relevante factoren worden evenwel niet in aanmerking genomen in het door de Raad krachtens artikel 126, lid 12, van het VWEU, te nemen besluit tot intrekking van sommige of alle van de in artikel 126, leden 6 tot en met 9 en lid 11, van het VWEU, bedoelde besluiten."
   (e) lid 7 komt als volgt te luiden:"
7.  In het geval van lidstaten waarvan het tekort de referentiewaarde overschrijdt als gevolg van de toepassing van een pensioenhervorming waarbij een meerpijlerstelsel is ingevoerd dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking omvat, nemen de Commissie en de Raad bij hun beoordeling van ontwikkelingen van de tekortcijfers in de buitensporigtekortprocedure ook de kosten van de hervorming ▌in aanmerking, zolang het tekort niet aanzienlijk boven een niveau komt dat als dichtbij de referentiewaarde kan worden beschouwd, en de schuldquote de referentiewaarde niet overschrijdt, op voorwaarde dat de algehele houdbaarheid van de begroting gehandhaafd blijft. ▌De aldus berekende nettokosten worden ook in aanmerking genomen in het door de Raad krachtens artikel 126, lid 12, van het VWEU te nemen besluit tot intrekking van sommige of alle van de in artikel 126, leden 6 tot en met 9 en lid 11, van het VWEU bedoelde besluiten, indien het tekort in aanzienlijke mate en voortdurend is afgenomen en een niveau heeft bereikt dat de referentiewaarde benadert ▌."

2 bis.  De volgende afdeling wordt ingevoegd:"

AFDELING 1 bis

ECONOMISCHE DIALOOG

Artikel 2 bis

1.  Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te bevorderen en te zorgen voor meer transparantie en aansprakelijkheid, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en indien nodig de voorzitter van de eurogroep in de commissie uitnodigen van gedachten te wisselen over aanbevelingen van de Raad conform artikel 126, lid 7, van het VWEU, aanmaningen krachtens artikel 126, lid 9, van het VWEU en besluiten uit hoofde van artikel 126, lid 11, van het VWEU.

De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop dergelijke aanbevelingen, aanmaningen of besluiten betrekking hebben, de mogelijkheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling.

2.  De Commissie en de Raad informeren het Europees Parlement geregeld over de toepassing van deze verordening.

"

3.  Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

   (a) lid 2 komt als volgt te luiden:"
2.  Indien de Commissie, ten volle rekening houdend met het in lid 1 bedoelde advies, van mening is dat er een buitensporig tekort bestaat, richt zij een advies en een voorstel voor een besluit tot de Raad krachtens artikel 126, leden 5 en 6, van het VWEU en brengt zij het Europees Parlement hiervan op de hoogte"
   (b) in lid 3 wordt de verwijzing naar „artikel 4, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 3605/93 vervangen door een verwijzing naar ”artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 479/2009„;
   (c) lid 4 komt als volgt te luiden:"
4.  In de aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het VWEU wordt een termijn van ten hoogste zes maanden bepaald waarbinnen de betrokken lidstaat effectief moet optreden. Indien de situatie dit rechtvaardigt, kan de termijn voor effectief optreden worden verkort tot drie maanden. In de aanbeveling van de Raad wordt tevens een termijn bepaald voor het corrigeren van het buitensporige tekort, dat, behoudens bijzondere omstandigheden, binnen het jaar nadat het is geconstateerd, verholpen moet zijn. In zijn aanbeveling verzoekt de Raad de lidstaat dat hij jaarlijkse begrotingsdoelstellingen realiseert die op grond van de prognoses die aan de aanbeveling ten grondslag liggen, stroken met een minimale jaarlijkse verbetering van ten minste 0,5% van het bbp als benchmark in zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, teneinde het buitensporige tekort binnen de in de aanbeveling vastgestelde termijn te corrigeren."
   d) het volgende lid ▌ wordt ingevoegd:"
4 bis.  De betrokken lidstaat brengt binnen de in lid 4 vastgestelde termijn ▌ verslag uit aan de Commissie en de Raad over de maatregelen die in reactie op de aanbeveling van de Raad krachtens artikel 126, lid 7, van het VWEU zijn getroffen. Het verslag bevat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten en voor de discretionaire maatregelen aan zowel de uitgavenzijde als de ontvangstenzijde die stroken met de aanbeveling van de Raad krachtens artikel 126, lid 7, van het VWEU, alsook informatie over de genomen maatregelen en over de aard van de voorgenomen maatregelen om de doelstellingen te bereiken. Het verslag wordt openbaar gemaakt."
   (e) lid 5 komt als volgt te luiden:"
5.  Indien effectief gevolg is gegeven aan een aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, van het Verdrag, en indien zich na de goedkeuring van de aanbeveling onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën voordoen, kan de Raad, op aanbeveling van de Commissie, een herziene aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, van het Verdrag aannemen. Bij de herziene aanbeveling, waarin rekening wordt gehouden met de in artikel 2, lid 3, van deze verordening genoemde relevante factoren, kan met name de termijn die is bepaald voor het corrigeren van het buitensporige tekort in de regel met een jaar worden verlengd. De Raad beoordeelt op basis van de in zijn aanbeveling vervatte economische prognoses of er sprake is van onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën. In geval van een ernstige economische neergang van de eurozone of de EU als geheel kan de Raad ook besluiten om op basis van een aanbeveling van de Commissie een herziene aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, van het Verdrag vast te stellen, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt."

4.  Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

   (a) lid 1 komt als volgt te luiden:"
1.  Een eventueel besluit van de Raad tot openbaarmaking van zijn aanbevelingen, wanneer wordt vastgesteld dat daaraan geen effectief gevolg is gegeven overeenkomstig artikel 126, lid 8, van het VWEU, wordt genomen onmiddellijk na het verstrijken van de in artikel 3, lid 4, van deze verordening gestelde termijn."

(b)   lid 2 komt als volgt te luiden:"

2.  Bij de beoordeling of aan zijn aanbevelingen overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het VWEU, effectief gevolg is gegeven, baseert de Raad zich bij zijn besluit op het verslag dat de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 3, lid 4 bis, van deze verordening heeft ingediend en op de tenuitvoerlegging daarvan, alsook op eventuele andere openbaargemaakte besluiten van de regering van de betrokken lidstaat.

Wanneer de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, van het VWEU vaststelt dat de betrokken lidstaat geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen heeft gegeven, brengt hij dienovereenkomstig verslag uit aan de Europese Raad.

"

5.  Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

   (a) lid 1 komt als volgt te luiden:"
1.  Een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 9, van het Verdrag, om de betrokken deelnemende lidstaat aan te manen maatregelen te treffen om het tekort te verminderen, wordt genomen binnen twee maanden nadat de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, van het Verdrag heeft vastgesteld dat geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen is gegeven. In de aanmaning verzoekt de Raad de lidstaat dat hij jaarlijkse begrotingsdoelstellingen realiseert die op grond van de prognoses die aan de aanmaning ten grondslag liggen, stroken met een minimale jaarlijkse verbetering van ten minste 0,5% van het bbp als benchmark in zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, teneinde het buitensporige tekort binnen de in de aanmaning vastgestelde termijn te corrigeren. De Raad geeft ook maatregelen aan die bevorderlijk zijn voor het bereiken van deze doelstellingen."
   (b) het volgende lid ▌wordt ingevoegd:"
1 bis.  Na de aanmaning van de Raad krachtens artikel 126, lid 9, van het VWEU brengt de betrokken lidstaat verslag uit aan de Commissie en de Raad over de maatregelen die in reactie op de aanmaning van de Raad zijn getroffen. Het verslag bevat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten en voor de discretionaire maatregelen aan zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde, alsook informatie over de in reactie op de specifieke aanbevelingen van de Raad genomen maatregelen teneinde de Raad in staat te stellen, indien nodig, het besluit krachtens artikel 6, lid 2, van deze verordening te nemen. Het verslag wordt openbaargemaakt."
   (c) lid 2 komt als volgt te luiden:"
2.  Indien effectief gevolg is gegeven aan een aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, van het Verdrag en indien er zich na de goedkeuring van de aanmaning onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën voordoen, kan de Raad, op aanbeveling van de Commissie, een herziene aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, van het Verdrag aannemen. Bij de herziene aanmaning, waarin rekening wordt gehouden met de in artikel 2, lid 3, van deze verordening genoemde relevante factoren, kan met name de termijn die is bepaald voor het corrigeren van het buitensporige tekort in de regel met een jaar worden verlengd. De Raad beoordeelt op basis van de in zijn aanmaning vervatte economische prognoses of er sprake is van onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën. In geval van een ernstige economische neergang van de eurozone of de EU als geheel kan de Raad ook besluiten om op basis van een aanbeveling van de Commissie een herziene aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, van het Verdrag vast te stellen, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt."

6.  Artikel 6 komt als volgt te luiden:"

Artikel 6

1.  Bij de beoordeling of aan zijn aanmaning overeenkomstig artikel 126, lid 9, van het VWEU, effectief gevolg is gegeven, baseert de Raad zich bij zijn besluit op het verslag dat de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 5, lid 1 bis, van deze verordening heeft ingediend en op de tenuitvoerlegging daarvan, alsook op eventuele andere openbaargemaakte besluiten van de regering van de betrokken lidstaat. Er wordt rekening gehouden met het resultaat van de conform artikel 10 bis door de Commissie uitgevoerde toezichtmissie.

2.  Wanneer aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 126, lid 11, van het VWEU is voldaan, legt de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 11, van het VWEU sancties op. Een dergelijk besluit wordt genomen uiterlijk vier maanden na het besluit van de Raad om overeenkomstig artikel 126, lid 9, van het VWEU de betrokken deelnemende lidstaat aan te manen maatregelen te treffen.

"

7.  ▌Artikel 7 wordt vervangen door:"

Artikel 7

Indien een deelnemende lidstaat zich niet voegt naar de opeenvolgende besluiten van de Raad overeenkomstig artikel 126, leden 7 en 9, van het VWEU, wordt het besluit van de Raad om sancties op te leggen, overeenkomstig artikel 126, lid 11, van het VWEU doorgaans genomen binnen zestien maanden na de in artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 479/2009 vastgelegde data voor het verstrekken van gegevens. Ingeval artikel 3, lid 5, of artikel 5, lid 2, van deze verordening wordt toegepast, wordt de termijn van zestien maanden dienovereenkomstig gewijzigd. In geval van een opzettelijk tekort, waarvan de Raad besluit dat het buitensporig is, wordt een spoedprocedure gevolgd.„.

8.  Artikel 8 komt als volgt te luiden:

„Artikel 8

Een besluit van de Raad om overeenkomstig artikel 126, lid 11, van het Verdrag de sancties aan te scherpen, wordt genomen uiterlijk twee maanden na de in Verordening (EG) nr. 479/2009 vastgestelde termijnen voor het verstrekken van gegevens. Een besluit van de Raad om al zijn besluiten of sommige daarvan overeenkomstig artikel 126, lid 12, van het Verdrag in te trekken, wordt zo spoedig mogelijk genomen en in ieder geval uiterlijk twee maanden na de in Verordening (EG) nr. 479/2009 vastgestelde termijnen voor het verstrekken van gegevens.

"

9.  In artikel 9, lid 3, wordt de verwijzing naar „artikel 6” vervangen door een verwijzing naar „artikel 6, lid 2”.„.

10.  Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

   (a) in lid 1 komt de aanhef van de eerste alinea als volgt te luiden:"
1.  De Commissie en de Raad volgen regelmatig de tenuitvoerlegging van de maatregelen:"
   b) in lid 3 wordt de verwijzing naar „Verordening (EG) nr. 3605/93” vervangen door een verwijzing naar „Verordening (EG) nr. 479/2009”.„.

10 bis.   het volgende artikel wordt ingevoegd:"

Artikel 10 bis

1.  De Commissie onderhoudt conform de doelstellingen van deze verordening permanent contact met de autoriteiten van de lidstaten. Hiertoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit ter evaluatie van de huidige economische situatie in de lidstaten en ter identificatie van eventuele risico's of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening.

2.  Het toezicht kan worden versterkt voor lidstaten die het voorwerp vormen van uit hoofde van een besluit krachtens artikel 126, lid 8, gedane aanbevelingen en aanmaningen alsook besluiten krachtens artikel 126, lid 11, van het VWEU, meer bepaald in de vorm van toezicht ter plaatse. De betrokken lidstaten zorgen voor alle informatie die nodig is voor de voorbereiding en de uitvoering van de missie.

3.  Wanneer de betrokken lidstaat een lidstaat die de euro als munt heeft of die deelneemt aan het wisselkoersmechanisme ERM II, kan de Commissie indien wenselijk vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank verzoeken om deel te nemen aan toezichtmissies.

4.  De Commissie brengt bij de Raad verslag uit over het resultaat van de in lid 2 genoemde missie en kan indien nodig besluiten haar bevindingen openbaar te maken.

5.  Bij het organiseren van de in lid 2 genoemde toezichtmissies deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen voor commentaar mee aan de betrokken lidstaten.

"

11.  Artikel 11 komt als volgt te luiden:"

Artikel 11

Telkens wanneer de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 11, van het VWEU besluit sancties aan een deelnemende lidstaat op te leggen, wordt in de regel een boete verlangd. De Raad kan besluiten om naast deze boete de andere maatregelen te nemen als bepaald in artikel 126, lid 11, van het VWEU.

"

12.  Artikel 12 komt als volgt te luiden:"

Artikel 12

1.  Het bedrag van de boete bestaat uit een vast bestanddeel, gelijk aan 0,2% van het bbp, en een variabel bestanddeel. Het variabele bestanddeel bedraagt een tiende van het verschil tussen het als percentage van het bbp uitgedrukte tekort in het voorgaande jaar en ofwel de referentiewaarde van het overheidstekort, ofwel, indien ook uit hoofde van het schuldcriterium niet aan de begrotingsdiscipline is voldaan, het overheidssaldo als percentage van het bbp dat overeenkomstig de aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, van het Verdrag in hetzelfde jaar zou moeten zijn verwezenlijkt.

2.  Elk daaropvolgend jaar, totdat het besluit omtrent het bestaan van een buitensporig tekort wordt ingetrokken, beoordeelt de Raad of de betrokken deelnemende lidstaat effectieve maatregelen heeft genomen naar aanleiding van de aanmaning van de Raad op grond van artikel 126, lid 9, van het VWEU. In deze jaarlijkse beoordeling besluit de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 11, van het VWEU de sancties aan te scherpen, tenzij de betrokken deelnemende lidstaat aan de aanmaning van de Raad in acht heeft genomen. Indien tot een aanvullende boete wordt besloten, wordt deze op dezelfde wijze berekend als het variabele bestanddeel van de in lid 1 omschreven boete.

3.  Een enkele boete als bedoeld in de leden 1 en 2 mag niet meer bedragen dan 0,5% van het bbp.

"

13.  Artikel 13 wordt ingetrokken en de verwijzing ernaar in artikel 15 wordt vervangen door een verwijzing naar „artikel 12”.

14.  Artikel 16 komt als volgt te luiden:"

Artikel 16

De in artikel 12 van deze verordening bedoelde boeten vormen andere ontvangsten als bedoeld in artikel 311 van het Verdrag en worden toegewezen aan de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit. Wanneer de lidstaten die de euro als munt hebben een ander stabilisatiemechanisme voor de verlening van financiële steun instellen teneinde de stabiliteit van de eurozone in haar geheel te waarborgen, zullen de boeten aan laatstgenoemd mechanisme worden toegewezen.

"

14 bis.  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

Artikel 17 bis

1.  Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze Verordening, en daarna elke vijf jaar, publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van deze Verordening.

In dat verslag wordt onder meer beoordeeld:

   a) de doeltreffendheid van de verordening;
   b) de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en de bereikte convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het Verdrag.

2.  Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze Verordening.

3.  Het verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

"

15.  Alle verwijzingen naar „artikel 104” worden in de gehele verordening vervangen door verwijzingen naar „artikel 126 van het VWEU.

16.  In punt 2 van de bijlage worden de verwijzingen in kolom I naar „artikel 4, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad” vervangen door verwijzingen naar „artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te,

Voor de Raad

De Voorzitter

(1) De zaak werd dan terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0179/2011).
(2)* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool █ aangegeven.
(3) PB C , blz.
(4) PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.
(5) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.
(6) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.
(7) PB C 236 van 2.8.1997, blz. 1.
(8) PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.


Voorschriften voor begrotingskaders van de lidstaten *
PDF 424kWORD 88k
Tekst
Geconsolideerde tekst
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 23 juni 2011 op het voorstel van de Commissie Economische en monetaire zaken voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (COM(2010)0523 – C7-0397/2010 – 2010/0277(NLE))(1)
P7_TA(2011)0289A7-0184/2011

(Raadpleging)

[Amendement 2]

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT(2)
P7_TA(2011)0289A7-0184/2011
op het voorstel van de Commissie
P7_TA(2011)0289A7-0184/2011

-------------------------------------------------------

RICHTLIJN VAN DE RAAD
tot vaststelling van voorschriften voor begrotingskaders van de lidstaten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 14, derde alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het standpunt van het Europees Parlement(3),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Er dient te worden voortgebouwd op de ervaring die in de eerste tien jaar van de Economische en Monetaire Unie is opgedaan. Door de recente economische ontwikkelingen is de beleidsvoering op begrotingsgebied in heel de Unie voor nieuwe uitdagingen komen te staan en is met name duidelijk geworden dat de eigen inbreng van de lidstaten meer nadruk moet krijgen en dat er uniforme voorschriften moeten worden vastgesteld voor de regels en procedures die de begrotingskaders van de lidstaten vormen. In het bijzonder is het noodzakelijk te specificeren wat nationale autoriteiten moeten doen om zich te voegen naar het bepaalde in het aan de Verdragen gehechte Protocol (nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, en met name artikel 3.

(2)  De nationale regeringen en hun subsectoren houden stelsels van overheidsrekeningen bij. Daarbij komen aspecten kijken zoals boekhouden, interne controle, financiële verslaglegging en audit. Deze rekeningen moeten worden onderscheiden van statistische gegevens over de resultaten van de overheidsfinanciën, welke gebaseerd zijn op statistische methoden, en van prognoses of budgettering, die betrekking hebben op de toekomstige overheidsfinanciën.

(3)  Een volledige en betrouwbare overheidsboekhouding voor alle overheidssectoren is een eerste vereiste voor de productie van hoogwaardige statistieken die onderling vergelijkbaar zijn tussen de lidstaten. Interne controle moet handhaving van de bestaande regels in de gehele overheidssector waarborgen. Onafhankelijke audits, uitgevoerd door overheidsinstellingen zoals rekenkamers of door particuliere auditorganen, dienen te stimuleren dat de beste internationale praktijken worden toegepast.

(4)  De beschikbaarheid van begrotingsgegevens is van cruciaal belang voor een goede werking van het Uniekader voor het begrotingstoezicht. Regelmatige beschikbaarheid van actuele en betrouwbare begrotingsgegevens is de sleutel voor adequaat en goed getimed toezicht, dat op zijn beurt snel optreden mogelijk maakt in geval van onverwachte begrotingsontwikkelingen. Een doorslaggevend element bij het waarborgen van de kwaliteit van begrotingsgegevens is transparantie, hetgeen vereist dat dergelijke gegevens regelmatig beschikbaar zijn voor het publiek.

(5)  Wat de statistieken betreft, is bij Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek(5) een wettelijk kader tot stand gebracht voor de productie van Europese statistieken met het oog op de formulering, uitvoering, monitoring en toetsing van het beleid van de Unie. Die verordening heeft ook de uitgangspunten voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken vastgelegd: professionele onafhankelijkheid, onpartijdigheid, objectiviteit, betrouwbaarheid, statistische geheimhouding en kosteneffectiviteit, waarbij van elk van deze beginselen een nauwkeurige omschrijving is gegeven. Bij Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap(6) gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, zoals gewijzigd, zijn aan de Commissie uitgebreidere bevoegdheden verleend om statistische gegevens voor de procedure bij buitensporige tekorten te verifiëren.

(6)  De begrippen „overheid”, „tekort” en „investeringen” zijn in het Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten omschreven door middel van verwijzing naar het Europees Stelsel van Economische Rekeningen (ESER), dat is vervangen door het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap(7), hierna „ESR 95” genoemd).

(6 bis)  De beschikbaarheid en de kwaliteit van ESR 95-gegevens zijn essentieel voor de goede werking van het EU-kader voor begrotingstoezicht. ESR 95 steunt op gegevens die worden verstrekt op transactiebasis. Deze begrotingsstatistieken op transactiebasis steunen evenwel op voorafgaande samenstellingen van gegevens op kasbasis, of het equivalent daarvan. Dit soort gegevens is bijzonder geschikt voor actuele begrotingsmonitoring, zodat het laattijdig ontdekken van significante fouten in de begroting kan worden voorkomen. Tijdreeksen van kasgegevens over ontwikkelingen in de begroting kunnen patronen aan het licht brengen die tot strenger toezicht nopen. De te publiceren begrotingsgegevens op kasbasis (of, bij het ontbreken daarvan, overeenkomstige gegevens uit de overheidsverslaggeving) moeten ten minste betrekking hebben op het totale saldo, de algemene staat van de ontvangsten en de algemene staat van de uitgaven. In gerechtvaardigde gevallen, bijvoorbeeld wanneer het aantal lagereoverheidsinstellingen groot is, kunnen voor de tijdige publicatie van gegevens passende technieken worden gebruikt voor het opstellen van ramingen op basis van een representatief aantal instellingen, welke nadien, wanneer alle gegevens beschikbaar zijn, worden bijgesteld.

(7)  Vertekende en onrealistische macro-economische en budgettaire prognoses kunnen de effectiviteit van de begrotingsplanning aanzienlijk belemmeren en derhalve de begrotingsdiscipline schaden, terwijl de transparantie en bespreking van prognosemethoden de kwaliteit van macro-economische en budgettaire prognoses voor de begrotingsplanning aanzienlijk kunnen verbeteren.

(8)  Een doorslaggevende factor om te garanderen dat bij het voeren van het begrotingsbeleid realistische prognoses worden gehanteerd, is transparantie, hetgeen de publieke beschikbaarheid vereist van niet alleen de officiële macro-economische en budgettaire ramingen die zijn voorbereid ten behoeve van de begrotingsplanning, maar ook de methoden, aannames en relevante parameters waarop deze ramingen zijn gebaseerd.

(9)  Gevoeligheidsanalyses en overeenkomstige begrotingsprognoses ter aanvulling van het meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario maken het mogelijk na te gaan hoe belangrijke begrotingsvariabelen zich op grond van verschillende groei- en renteaannames zouden ontwikkelen, en verminderen dus in aanzienlijke mate het risico dat de begrotingsdiscipline door prognosefouten in gevaar wordt gebracht.

(10)  De Commissieprognoses en informatie over de modellen waarop deze zijn gebaseerd kunnen de lidstaten een nuttig referentiepunt verschaffen voor hun meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario en vergroten aldus de deugdelijkheid van de prognoses die voor de begrotingsplanning worden gebruikt, al loopt de mate waarin kan worden verwacht dat de lidstaten de prognoses die zij voor de begrotingsplanning gebruiken, met de Commissieprognoses vergelijken, uiteen naar gelang van het tijdstip van de opstelling van de prognoses en de vergelijkbaarheid van de bij de opstelling van de prognoses gehanteerde methoden en aannames. Ook prognoses van andere onafhankelijke instellingen kunnen nuttige benchmarks aanreiken.

(10 bis)  Aanzienlijke verschillen tussen het gekozen macrobudgettaire scenario en de Commissieprognoses dienen worden beschreven en beargumenteerd, met name als het niveau of de groei van variabelen in externe aannames aanzienlijk afwijkt van de waarden in de prognoses van de Commissie.

(10 ter)  Gezien de onderlinge afhankelijkheid tussen de begroting van de lidstaten en de EU-begroting moet de Commissie, ter ondersteuning van de lidstaten bij de voorbereiding van hun begrotingsprognoses, prognoses voor de EU-uitgaven op basis van het niveau van de in het kader van het meerjarig financieel kader geprogrammeerde uitgaven opstellen.

(10 quater)  Ten einde het opstellen van prognoses ten behoeve van de begrotingsplanning te vergemakkelijken en verschillen tussen de prognoses van de Commissie en die van de lidstaten op te helderen dient elke lidstaat jaarlijks in de gelegenheid te worden gesteld de aannames die ten grondslag liggen aan de voorbereiding van de macro-economische en begrotingsprognoses met de Commissie te bespreken.

(11)  De kwaliteit van de officiële macro-economische en budgettaire prognoses wordt aanzienlijk verhoogd wanneer op gezette tijden een volledige, onpartijdige evaluatie op basis van objectieve criteria plaatsvindt. Een grondige evaluatie omvat een doorlichting van de economische aannames, vergelijking met prognoses die door andere instellingen zijn opgesteld, en een evaluatie van de correctheid van in het verleden opgestelde prognoses.

(12)  Op regels gebaseerde begrotingskaders van de lidstaten zijn een nuttig instrument gebleken voor het vergroten van de eigen inbreng van lidstaten in de begrotingsregels van de EU en voor het propageren van begrotingsdiscipline en daarom moeten robuuste op het land toegesneden cijfermatige begrotingsregels, die stroken met de begrotingsdoelstellingen op het niveau van de Unie, de hoeksteen vormen van het versterkte Uniekader voor het begrotingstoezicht. Robuuste cijfermatige begrotingsregels vergen welomschreven doelstellingen in combinatie met instrumenten die effectieve, actuele monitoring mogelijk maken. Een en ander moet gebaseerd zijn op een betrouwbare en onafhankelijke analyse door onafhankelijke instanties of instanties die ten overstaan van de begrotingsautoriteiten van de lidstaten functioneel autonoom zijn. Voorts heeft de beleidservaring geleerd dat cijfermatige begrotingsregels pas effect sorteren wanneer aan de niet-inachtneming ervan gevolgen verbonden zijn, waarbij de desbetreffende kosten eventueel uitsluitend reputatieschade kunnen inhouden.

(12 bis)  Aangezien de in Protocol nr. 12 betreffende de procedure bij buitensporige tekorten vermelde referentiewaarden op grond van Protocol nr. 15 betreffende enkele bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland niet rechtstreeks bindend zijn voor het Verenigd Koninkrijk, mogen de verplichting te beschikken over cijfermatige begrotingsregels die doeltreffend de inachtneming van de specifieke referentiewaarden voor het buitensporig tekort bevorderen, en de daarmee samenhangende verplichting dat de meerjarige doelstellingen in de begrotingskaders voor de middellange termijn met die regels dienen te stroken, niet op het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn

(13)  De lidstaten dienen procyclisch begrotingsbeleid te vermijden en in goede tijden dienen grotere budgettaire consolidatie-inspanningen te worden geleverd. Welomschreven cijfermatige begrotingsregels zijn bevorderlijk voor de verwezenlijking van deze doelstellingen en dienen in de nationale wetgeving betreffende de jaarlijkse begroting van de lidstaten in aanmerking te worden genomen.

(14)  Nationale begrotingsplanning kan alleen stroken met de preventieve en corrigerende delen van het stabiliteits- en groeipact als zij gebaseerd is op een meerjarenperspectief en in het bijzonder de verwezenlijking van de budgettaire middellangetermijndoelstellingen nastreeft. Begrotingskaders voor de middellange termijn zijn onontbeerlijk om de begrotingskaders van de lidstaten te doen sporen met de Uniewetgeving. In de geest van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(8) en Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten(9) mogen de preventieve en corrigerende delen van het stabiliteits- en groeipact niet louter op zichzelf worden beschouwd.

(15)  Hoewel de goedkeuring van de jaarlijkse begrotingswetgeving de belangrijkste stap vormt in de begrotingsprocedure en daarbij belangrijke budgettaire beslissingen in de lidstaten worden genomen, hebben de meeste begrotingsmaatregelen budgettaire gevolgen die veel verder reiken dan de jaarlijkse begrotingscyclus. Een perspectief waarbij slechts van een enkel jaar wordt uitgegaan, biedt daarom een zwakke basis voor het voeren van een deugdelijk begrotingsbeleid. Om het budgettaire meerjarenperspectief in het Uniekader voor het begrotingstoezicht te integreren, dient de planning van de jaarlijkse begrotingswetgeving te worden gebaseerd op meerjarige begrotingsplanning die geënt is op het begrotingskader voor de middellange termijn.

(15 bis)  Dit begrotingskader voor de middellange termijn dient onder meer prognoses te bevatten voor elke belangrijke uitgaven- en ontvangstenpost voor het lopende begrotingsjaar en latere jaren bij ongewijzigd beleid. Elke lidstaat moet in staat zijn ongewijzigd beleid afdoende te omschrijven en deze omschrijving moet, samen met de betreffende aannames, methoden en de relevante parameters, voor het publiek beschikbaar worden gesteld.

(15 ter)  Deze richtlijn belet niet dat een nieuwe regering van een lidstaat het begrotingskader voor de middellange termijn aanpast aan haar nieuwe beleidsprioriteiten, mits de lidstaat de verschillen met het voorgaande begrotingskader voor de middellange termijn aangeeft.

(16)  De bepalingen van het bij het Verdrag vastgestelde kader voor het begrotingstoezicht, en in het bijzonder van het stabiliteits- en groeipact, zijn van toepassing op de overheid als geheel, d.w.z. de subsectoren centrale overheid, deelstaatoverheid, lagere overheid en de wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen, als omschreven in Verordening (EG) nr. 2223/96.

(17)  Een groot aantal lidstaten is overgegaan tot een verregaande begrotingsdecentralisatie met overdracht van begrotingsbevoegdheden aan subnationale overheden. De rol van deze subnationale overheden bij het waarborgen van de naleving van het stabiliteits- en groeipact is daardoor aanzienlijk groter geworden en, vooral maar niet uitsluitend, in gedecentraliseerde lidstaten dient er dan ook in het bijzonder op te worden gelet dat alle subsectoren van de overheid naar behoren onder het toepassingsgebied van de verplichtingen en procedures van de binnenlandse begrotingskader vallen.

(18)  Om de begrotingsdiscipline en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën effectief te bevorderen, moeten de begrotingskaders de overheidsfinanciën volledig bestrijken. Daarom dient bijzondere aandacht te worden besteed aan transacties van overheidsinstellingen en fondsen die niet zijn opgenomen in de reguliere begrotingen op subsectorniveau, die onmiddellijk of op middellange termijn gevolgen hebben voor de begrotingssituaties van de lidstaten. De gecombineerde impact ervan op het overheidssaldo en de overheidsschuld dient te worden gepresenteerd in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedures en de begrotingsplannen voor de middellange termijn.

(18 bis)  Bijzondere aandacht moet ook uitgaan naar het bestaan van voorwaardelijke verplichtingen. Meer bepaald betreffen voorwaardelijke verplichtingen mogelijke verplichtingen die van onzekere toekomstige gebeurtenissen afhangen, of bestaande verplichtingen waarbij betaling onwaarschijnlijk is of geen betrouwbaar bedrag kan worden vastgesteld. Zij bevatten bijvoorbeeld relevante informatie over staatsgaranties, oninbare leningen en uit de werking van overheidsbedrijven voortvloeiende verplichtingen, met inbegrip, in voorkomend geval, van informatie over de waarschijnlijkheid en mogelijke vervaldag(en) van uitgave(n) voor voorwaardelijke verplichtingen. Marktgevoeligheden moeten naar behoren in aanmerking worden genomen.

(18 ter)  De Commissie dient de tenuitvoerlegging van deze richtlijn regelmatig te controleren. Wat betreft de bepalingen van de vijf hoofdstukken over de verschillende aspecten van nationale begrotingskaders moet worden nagegaan welke beste praktijken er kunnen worden gedeeld.

(18 quater)  Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord inzake beter wetgeven(10)worden de lidstaten aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken

(19)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het garanderen van uniforme inachtneming van de begrotingsdiscipline zoals door het Verdrag wordt voorgeschreven, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Onderwerp en definities

Artikel 1

Onderwerp

In deze richtlijn worden gedetailleerde voorschriften vastgesteld voor de kenmerken van de begrotingskaders van de lidstaten welke noodzakelijk zijn om de naleving te waarborgen van de verplichtingen van de lidstaten overeenkomstig het Verdrag om buitensporige overheidstekorten te vermijden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van „overheid”, „tekort” en „investeringen” die zijn neergelegd in artikel 2 van het aan de Verdragen gehechte Protocol (nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten. Voor subsectoren van de overheid geldt de definitie die is neergelegd in Verordening (EG) nr. 2223/96 (ESR 95).

Daarnaast is de volgende definitie van toepassing:

„begrotingskader”: het samenstel van regelingen, procedures, regels en instellingen dat aan het voeren van het begrotingsbeleid door de overheid ten grondslag ligt, en met name:

   a) systemen voor begrotingsboekhouding en statistische verslaglegging;
   b) regels en procedures voor het opstellen van prognoses voor begrotingsplanning;
   c) op het land toegesneden cijfermatige begrotingsregels die bijdragen tot het consequent voeren van het begrotingsbeleid door de lidstaat in overeenstemming met de respectieve verplichtingen van de lidstaat uit hoofde van het Verdrag en die de vorm aannemen van een samenvattende indicator van de begrotingsresultaten, zoals het begrotingstekort, de opgenomen leningen en de schuld van de overheid, of een belangrijk onderdeel daarvan;
   d) begrotingsprocedures die procedurele regels omvatten welke het begrotingsproces in alle stadia ondersteunen;
   e) begrotingskaders voor de middellange termijn als een specifiek samenstel van nationale begrotingsprocedures die de horizon voor de budgettaire beleidsvorming verbreden tot buiten de jaarlijkse begrotingskalender door onder meer beleidsprioriteiten en budgettaire middellangetermijndoelstellingen vast te stellen;
   f) regelingen voor onafhankelijke monitoring en analyse om bepaalde aspecten van de begrotingsprocedure transparanter te maken ▌;
   g) mechanismen en regels die de budgettaire betrekkingen tussen overheidsinstanties in alle subsectoren van de overheid regelen.

HOOFDSTUK II

Boekhouding en statistiek

Artikel 3

1.  Wat de nationale stelsels voor overheidsverslaggeving betreft, beschikken de lidstaten over stelsels voor overheidsverslaggeving die volledig en coherent alle subsectoren van de overheid bestrijken en die de informatie bevatten die nodig is voor het genereren van transactiegegevens ter voorbereiding van op het ESR 95 gebaseerde gegevens. Deze stelsels voor overheidsverslaggeving zijn aan interne controle en onafhankelijke audits onderworpen.

2.  De lidstaten waarborgen dat de begrotingsgegevens van alle subsectoren van de overheid zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 2223/96 (ESR 95) regelmatig en tijdig openbaar beschikbaar zijn. In het bijzonder publiceren de lidstaten:

  a) begrotingsgegevens op kasbasis (of, bij het ontbreken daarvan, overeenkomstige gegevens uit de overheidsverslaggeving) met de volgende intervallen:
   ▌maandelijks voor de centrale overheid, de deelstaatoverheid en de socialeverzekeringssubsectoren vóór het einde van de volgende maand, en
   driemaandelijks voor de subsector lagere overheden, vóór het einde van het volgende kwartaal;
   b) een gedetailleerde afstemmingstabel met de methode voor de overschakeling van gegevens op kasbasis (of, bij het ontbreken daarvan, overeenkomstige gegevens uit de overheidsboekhouding) naar op het ESR 95 gebaseerde gegevens.

HOOFDSTUK III

Prognoses

Artikel 4

1.  De lidstaten zien erop toe dat de begrotingsplanning is gebaseerd op realistische macro-economische en budgettaire prognoses die van de meest actuele informatie gebruikmaken. De begrotingsplanning is gebaseerd op het meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario of op een meer prudent scenario ▌. De macro-economische en budgettaire prognoses worden vergeleken met de recentste prognoses van de Commissie en indien nodig die van andere onafhankelijke instanties. Aanzienlijke verschillen tussen het gekozen macrobudgettaire scenario en de Commissieprognoses dienen worden beschreven en beargumenteerd, met name als het niveau of de groei van variabelen in externe aannames aanzienlijk afwijkt van de waarden in de prognoses van de Commissie.

1 bis.  De Commissie maakt de methoden, aannames en relevante parameters waarop haar macro-economische en budgettaire ramingen zijn gebaseerd, openbaar.

1 ter.  Ter ondersteuning van de lidstaten bij de voorbereiding van hun begrotingsprognoses stelt de Commissie prognoses op voor de EU-uitgaven op basis van het niveau van de in het kader van het meerjarig financieel kader geprogrammeerde uitgaven.

2.  In het kader van een gevoeligheidsanalyse worden in de macro-economische en budgettaire prognoses de ontwikkelingen van de belangrijkste begrotingsvariabelen onder verschillende groei- en renteaannames onderzocht. De selectie van de alternatieve aannames die voor de macro-economische en budgettaire prognoses worden gehanteerd, wordt afhankelijk gesteld van de correctheid van in het verleden opgestelde prognoses en tracht rekening te houden met relevante risicoscenario's.

3.  De lidstaten geven aan welke instelling verantwoordelijk is voor het opstellen van macro-economische en budgettaire prognoses en maken de officiële macro-economische en budgettaire prognoses die voor begrotingsplanning zijn opgesteld openbaar, met inbegrip van de methoden, aannames en relevante parameters die deze prognoses onderbouwen. Ten minste eenmaal per jaar gaan de lidstaten en de Commissie een technische dialoog aan over de aannames die ten grondslag liggen aan de voorbereiding van de macro-economische en begrotingsprognoses.

4.  De macro-economische en budgettaire prognoses voor begrotingsplanning worden op gezette tijden onderworpen aan een onpartijdige en volledige evaluatie op basis van objectieve criteria, inclusief evaluaties achteraf. De resultaten van deze evaluatie worden openbaar gemaakt en bij toekomstige macro-economische en budgettaire prognoses waar nodig in aanmerking genomen. Indien uit de evaluatie een significant verschil blijkt dat gedurende ten minste vier opeenvolgende jaren van invloed is op de macro-economische prognoses neemt de betrokken lidstaat de nodige maatregelen en maakt hij een en ander openbaar.

4 bis.  De schuld en het begrotingstekort van de lidstaten per kwartaal en de ontwikkeling daarvan worden ten minste om de drie maanden door de Commissie (Eurostat) bekendgemaakt.

HOOFDSTUK IV

Cijfermatige begrotingsregels

Artikel 5

De lidstaten beschikken over op het land toegesneden cijfermatige begrotingsregels die de nakoming via een meerjarig kader voor de overheid in haar geheel van de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen op het gebied van het begrotingsbeleid doeltreffend bevorderen. Deze regels bevorderen in het bijzonder het volgende:

   a) inachtneming van de overeenkomstig het Verdrag vastgestelde referentiewaarden voor het tekort en de schuld;
   b) vaststelling van een meerjarige planninghorizon voor de begroting, met inbegrip van inachtneming van de budgettaire middellangetermijndoelstellingen van de lidstaat.

Artikel 6

1.  Onverminderd de Verdragsbepalingen betreffende het Uniekader voor begrotingstoezicht bevatten de op het land toegesneden cijfermatige begrotingsregels bijzonderheden over de volgende elementen:

   a) de omschrijving van de doelstellingen en het toepassingsgebied van de regels;
   b) effectieve en tijdige monitoring van de inachtneming van de regels, gebaseerd op een betrouwbare en onafhankelijke analyse door onafhankelijke instanties of instanties die ten overstaan van de begrotingsautoriteiten van de lidstaten functioneel autonoom zijn;
   c) gevolgen in geval van niet-inachtneming van de regels;

2.  Indien de cijfermatige begrotingsregels ontsnappingsclausules bevatten, worden hierin een beperkt aantal specifieke omstandigheden in verband met de voor de lidstaat uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen op het gebied van begrotingsbeleid en stringente procedures omschreven waarin tijdelijke niet-inachtneming van de regel is toegestaan.

Artikel 7

In de nationale wetgeving betreffende de jaarlijkse begroting wordt rekening gehouden met de ▌ vigerende op het land toegesneden cijfermatige begrotingsregels ▌.

Artikel 7 bis

De artikelen 5 tot en met 7 zijn niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk.

HOOFSTUK V

Begrotingskaders voor de middellange termijn

Artikel 8

1.  De lidstaten stellen een geloofwaardig, doeltreffend begrotingskader voor de middellange termijn vast dat voorziet in een planningshorizon van ten minste drie jaar voor de begroting om te waarborgen dat er van een nationale begrotingsplanning uit een meerjarenperspectief sprake is.

2.  Begrotingskaders voor de middellange termijn omvatten procedures voor de vaststelling van de volgende elementen:

   a) algemene en transparante meerjarige begrotingsdoelstellingen voor het overheidstekort, de overheidsschuld en eventuele andere samenvattende begrotingsindicatoren zoals uitgaven, om te waarborgen dat deze stroken met de vigerende cijfermatige begrotingsregels als bedoeld in hoofdstuk IV;
   b) ▌prognoses voor elke belangrijke uitgaven- en ontvangstenpost, per subsector van de overheid, met nadere gegevens voor het niveau van de centrale overheid en de wettelijke socialeverzekeringsinstellingen, voor het betreffende begrotingsjaar en latere jaren, bij ongewijzigd beleid;
   c) een beschrijving van de geplande beleidsmaatregelen voor de middellange termijn die gevolgen hebben voor de overheidsfinanciën, uitgesplitst naar de voornaamste ontvangsten- en uitgavenposten ▌, waarbij wordt getoond op welke wijze de aanpassing aan de budgettaire middellangetermijndoelstellingen wordt verwezenlijkt, afgezet tegen de prognoses bij ongewijzigd beleid;
   c bis) een beoordeling van de wijze waarop de voorgestelde maatregelen in het licht van hun rechtstreekse langetermijnimpact op de overheidsfinanciën de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn zouden kunnen beïnvloeden.

3.  Binnen het begrotingskader voor de middellange termijn vastgestelde prognoses worden gebaseerd op realistische macro-economische en budgettaire prognoses in overeenstemming met Hoofdstuk III.

Artikel 9

De jaarlijkse begrotingswetgeving is in overeenstemming met de parameters die uit het begrotingskader voor de middellange termijn voortvloeien. Met name inkomsten- en uitgavenprognoses en prioriteiten die uit het begrotingskader voor de middellange termijn als omschreven in artikel 8, lid 2, voortvloeien, vormen de basis voor de opstelling van de jaarlijkse begroting. Elke afwijking van deze parameters wordt naar behoren uitgelegd.

Artikel 9 bis

Deze richtlijn belet niet dat een nieuwe regering van een lidstaat het begrotingskader voor de middellange termijn aanpast aan haar nieuwe beleidsprioriteiten, mits de lidstaat de verschillen met het voorgaande begrotingskader voor de middellange termijn aangeeft.

HOOFDSTUK VI

Transparantie van de overheidsfinanciën en algemene reikwijdte van begrotingskaders

Artikel 10

De lidstaten zien erop toe dat alle maatregelen die zij nemen om zich naar de hoofdstukken II, III en IV te voegen, consistent en alomvattend zijn voor alle subsectoren van de overheid. Dat houdt in het bijzonder het volgende in: consistentie van boekhoudregels en -procedures ▌ en integriteit van de verzamelings- en verwerkingssystemen voor de onderliggende gegevens.

Artikel 11

1.  De lidstaten stellen passende coördinatiemechanismen voor de subsectoren van de overheid vast om te bewerkstelligen dat alle subsectoren van de overheid uitvoerig en consequent worden meegenomen in de begrotingsplanning, de op het land toegesneden cijfermatige begrotingsregels, alsook bij het opstellen van begrotingsprognoses en een meerjarenplanning, zoals met name in het meerjarige begrotingskader is voorzien.

2.  Ter bevordering van de budgettaire verantwoordingsplicht worden de budgettaire verantwoordelijkheden van de overheidsinstanties in de verschillende subsectoren van de overheid op duidelijke wijze vastgesteld.

Artikel 13

1.  In het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedures worden alle overheidsinstellingen en fondsen die niet in de reguliere begrotingen op subsectorniveau zijn opgenomen, vermeld en samen met andere relevante informatie gepresenteerd. De gecombineerde impact ervan op het overheidssaldo en de overheidsschuld, wordt gepresenteerd in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedures en de begrotingsplannen voor de middellange termijn.

2.  De lidstaten publiceren gedetailleerde informatie over de gevolgen van belastinguitgaven voor de ontvangsten.

3.  Voor alle subsectoren van de overheid publiceren de lidstaten relevante informatie over latente verplichtingen met mogelijk grote gevolgen voor de overheidsbegrotingen, zoals onder meer overheidsgaranties, oninbare leningen en uit de exploitatie van overheidsbedrijven voortvloeiende verplichtingen, met vermelding van de omvang ervan. Tevens publiceren de lidstaten informatie over overheidsparticipatie in kapitaal van particuliere en overheidsbedrijven, voor zover het om economisch significante bedragen gaat.

HOOFDSTUK VII

Slotbepalingen

Artikel 14

1.  De lidstaten doen de nodige bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2013 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede. De Raad spoort de lidstaten ertoe aan voor zichzelf en in het belang van de Unie hun eigen concordantietabellen op te stellen, die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen de richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

1 bis.  De Commissie stelt op basis van relevante informatie van de lidstaten een tussentijds voortgangsverslag op over de tenuitvoerlegging van de belangrijkste bepalingen van deze richtlijn, dat uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn wordt voorgelegd.

1 ter.  Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 14 bis

1.  Vijf jaar na de in artikel 14, lid 1, genoemde omzettingsdatum publiceert de Commissie een beoordeling van de geschiktheid van de bepalingen van de richtlijn.

2.  In deze beoordeling wordt onder meer de geschiktheid geëvalueerd van:

   a) de statistische vereisten voor alle subsectoren van de overheid;
   b) de opzet en de doeltreffendheid van de cijfermatige begrotingsregels in de lidstaten;
   c) het algemene transparantieniveau van de overheidsfinanciën in de lidstaten.

3.  Uiterlijk eind 2012 stelt de Commissie een beoordeling op van de geschiktheid van de Internationale normen voor overheidsboekhouding voor de lidstaten.

Artikel 15

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te,

Voor de Raad

De voorzitter

(1) De zaak werd dan terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0184/2011).
(2)* Amendementen: nieuwe of gewijzigde tekst wordt in vet cursief weergegeven; schrappingen worden aangeduid met het symbool ▌.
(3) PB C .... .
(4) PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.
(5) Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen, PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.
(6) PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.
(7) PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1.
(8) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.
(9) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.
(10) PB C 321 van 31.12.2003, blz.1.


Begrotingstoezicht in het eurogebied ***I
PDF 311kWORD 81k
Tekst
Geconsolideerde tekst
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 23 juni 2011 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied (COM(2010)0524 – C7-0298/2010 – 2010/0278(COD))(1)
P7_TA(2011)0290A7-0180/2011

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

[Amendement 2]

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT(2)
P7_TA(2011)0290A7-0180/2011
op het voorstel van de Commissie
P7_TA(2011)0290A7-0180/2011

-------------------------------------------------------

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 136 juncto artikel 121, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(3),

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Landen die de euro als munt hebben, hebben een bijzonder belang en een bijzondere verantwoordelijkheid om een economisch beleid te voeren dat een goede werking van de Economische en Monetaire Unie bevordert, en om geen beleid te voeren waarmee zij in gevaar wordt gebracht.

(2)  Ingevolge het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kunnen met het oog op een goede werking van de Economische en Monetaire Unie maatregelen in het eurogebied worden genomen die verder gaan dan de bepalingen die voor alle lidstaten gelden.

(2 bis)  De ervaring die in de eerste tien jaar van de Economische en Monetaire Unie is opgedaan en de gemaakte fouten laten zien dat er in de Unie duidelijk behoefte is aan een beter economisch bestuur, dat berust op een sterkere nationale verantwoordelijkheid voor gezamenlijk aanvaarde regels en beleidsmaatregelen en op een robuuster kader voor EU-toezicht op het economische beleid van de lidstaten.

(2 ter)  Het verbeterde kader voor economisch bestuur moet berusten op verschillende met elkaar verbonden beleidsmaatregelen voor duurzame groei en werkgelegenheid, die onderling samenhang moeten vertonen, in het bijzonder een EU-strategie voor groei en arbeidsplaatsen, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling en bevordering van de interne markt, bevordering van internationale handelsbetrekkingen en concurrentievermogen, een effectief kader om een buitensporig overheidstekort te voorkomen en corrigeren (het stabiliteits- en groeipact), een robuust kader om macro-economische onevenwichtigheden te voorkomen en corrigeren, minimumeisen voor nationale begrotingskaders, meer regulering van en controle op de financiële markten (waaronder macroprudentieel toezicht door het Europees Comité voor systeemrisico's);

(2 quater)  Het stabiliteits- en groeipact en het complete kader voor economisch beheer moeten een aanvulling vormen op en verenigbaar zijn met een strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid. Onderlinge verbanden tussen de verschillende onderdelen mogen echter geen vrijstelling bieden van de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact.

(2 quinquies)  De versterking van het economisch bestuur moet tevens een nauwere en tijdiger geplande betrokkenheid van het Europees Parlement en de nationale parlementen inhouden.

(2 sexies)  Het realiseren en handhaven van een dynamische interne markt moet worden beschouwd als een onderdeel van het juist en soepel functioneren van de Economische en Monetaire Unie.

(2 septies)  De Commissie moet in de procedure voor scherper toezicht een krachtiger coördinerende rol spelen, vooral met betrekking tot beoordelingen van afzonderlijke lidstaten, monitoring, inspectiebezoeken, aanbevelingen en waarschuwingen.

(2 octies)  De Commissie moet in de procedure voor scherper toezicht een krachtiger rol spelen in beoordelingen van afzonderlijke lidstaten, monitoring, inspectiebezoeken, aanbevelingen en waarschuwingen. Met name moet de rol van de Raad in besluitname over sancties beperkt zijn en moet er in de Raad zoveel mogelijk worden gestemd met omgekeerd gekwalificeerde meerderheid.

(2 nonies)  Er kan een economische dialoog met het Europees Parlement worden gestart, waarbij de Commissie haar analyses kan publiceren en de voorzitter van de Raad, de Commissie en in voorkomend geval de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de Eurogroep deze kunnen bespreken. Een dergelijk openbaar debat kan de mogelijkheid scheppen voor een debat over de neveneffecten van de nationale besluiten en voor openbare groepsdruk. De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat over welke de Raad besluiten neemt krachtens artikelen 3, 4 en 5 van deze verordening, de gelegenheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling;

(3)  Er zijn aanvullende sancties nodig om de effectiviteit van het begrotingstoezicht in het eurogebied te vergroten. Deze sancties moeten het budgettaire toezichtskader van de Unie geloofwaardiger maken.

(4)  Deze verordening moet voorzien in billijke, tijdige, graduele en effectieve mechanismen voor de naleving van het preventieve en het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact, en met name Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(5) en Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten, waarbij de naleving van de begrotingsdiscipline wordt gecontroleerd op basis van de criteria inzake overheidstekort en overheidsschuld(6).

(5)  Doel van de sancties tegen de lidstaten die de euro als munt hebben waarin in het kader van het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact bij deze verordening wordt voorzien, is de aanpassing aan en handhaving van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn te bevorderen.

(5 bis)  Om een opzettelijke of door ernstige nalatigheid veroorzaakte onjuiste presentatie van de gegevens over overheidstekort en overheidsschuld, die van essentieel belang zijn voor de coördinatie van het economisch beleid in de Europese Unie, te ontmoedigen moet een boete worden opgelegd aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor een dergelijke onjuiste presentatie.

(6)   Ter aanvulling van de regels inzake de berekening van de boeten tegen manipulatie van statistieken alsmede inzake de procedure die de Commissie voor het onderzoek van dergelijke acties moet volgen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, worden gedelegeerd aan de Commissie ten aanzien van de bijzondere criteria ter vaststelling van het bedrag van de boete en van de uitvoering van onderzoeken door de Commissie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden adequaat overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en formulering van gedelegeerde handelingen zorgen voor een gelijktijdige, snelle en adequate toezending van de desbetreffende documenten aan het Europees Parlement en de Raad.

(7)  In het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact moet de aanpassing aan en de handhaving van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn worden bewerkstelligd door middel van een tijdelijke verplichting voor een lidstaat die de euro als munt heeft en bij de consolidatie van de begroting onvoldoende vooruitgang boekt, om een rentedragend deposito te storten. Dit dient het geval te zijn wanneer ▌een lidstaat, ook al ligt zijn begrotingstekort beneden de referentiewaarde van 3% van het BBP, aanzienlijk afwijkt van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn of het geëigende aanpassingstraject daar naartoe, en hij de afwijking niet bijstelt.

(8)  Het opgelegde rentedragende deposito moet, tezamen met de rente, aan de betrokken lidstaat worden teruggegeven zodra de Raad ervan overtuigd is dat een einde is gekomen aan de situatie naar aanleiding waarvan dit deposito moest worden gestort.

(9)  In het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact moeten sancties tegen lidstaten die de euro als munt hebben, de vorm aannemen van een verplichte storting van een niet-rentedragend deposito ingevolge een besluit van de Raad waarbij wordt vastgesteld dat er een buitensporig tekort bestaat, wanneer aan de betrokken lidstaat in het kader van het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact reeds een rentedragend deposito is opgelegd of in gevallen van bijzonder ernstige niet-naleving van de in het stabiliteits- en groeipact vastgelegde wettelijke verplichtingen inzake begrotingsbeleid, en de verplichte betaling van een boete wanneer geen gevolg wordt gegeven aan een aanbeveling van de Raad om een buitensporig overheidstekort te corrigeren. ▌

(9 bis)  Om te voorkomen dat de in het kader van het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact bij deze verordening voorziene sancties met terugwerkende kracht worden toegepast, mogen die sancties in elk geval slechts worden toegepast in samenhang met de desbetreffende aanbevelingen die na de inwerkingtreding van deze verordening krachtens artikel 6, lid 2, vierde alinea, van Verordening (EG) nr. 1466/97 door de Raad worden aangenomen. Evenzeer mogen, om te voorkomen dat de in het kader van het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact bij deze verordening vastgestelde sancties met terugwerkende kracht worden toegepast, die sancties in elk geval slechts worden toegepast, in samenhang met de desbetreffende aanbevelingen en besluiten om een buitensporig overheidstekort te corrigeren, die na de inwerkingtreding van deze verordening door de Raad worden vastgesteld.

(10)  De hoogte van het rentedragende deposito, van het niet-rentedragende deposito en van de boete waarin de onderhavige verordening voorziet, moet zodanig worden vastgesteld dat een redelijke graduatie van sancties in het preventieve en in het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact gewaarborgd is en de lidstaten die de euro als munt hebben, voldoende worden gestimuleerd om het begrotingskader van de Unie in acht te nemen. De boete ingevolge artikel 126, lid 11, van het Verdrag, zoals gespecificeerd in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1467/97(7), bestaat uit een vaste component van 0,2% van het BBP en uit een variabele component. Derhalve zijn de graduatie en de gelijke behandeling van lidstaten gewaarborgd, indien het rentedragende deposito, het niet-rentedragende deposito en de boete zoals gespecificeerd in de onderhavige verordening, 0,2% van het BBP, ofwel de hoogte van de vaste component van de boete ingevolge artikel 126, lid 11, van het Verdrag, bedragen.

(10 bis)  De Commissie moet tevens een aanbeveling kunnen doen inzake vermindering of intrekking van een sanctie op grond van uitzonderlijke economische omstandigheden.

(11)  De Raad moet de mogelijkheid worden verleend om de sancties tegen lidstaten die de euro als munt hebben, te verlagen of in te trekken op basis van een aanbeveling van de Commissie naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de betrokken lidstaat. In het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact moet de Commissie ook een aanbeveling kunnen doen om een sanctie op grond van uitzonderlijke economische omstandigheden te verlagen of in te trekken.

(12)  Het niet-rentedragende deposito moet na de correctie van het buitensporige tekort worden vrijgegeven, maar de rente op dergelijke deposito's en de geïnde boeten moeten worden toegewezen aan stabilisatiemechanismen voor de verlening van financiële steun die door de lidstaten die de euro als munt hebben, worden ingesteld teneinde de stabiliteit van de eurozone in haar geheel te waarborgen.

(13)  De bevoegdheid om individuele besluiten ter uitvoering van de in de onderhavige verordening beschreven sanctiemechanismen vast te stellen, moet aan de Raad worden verleend. Als onderdeel van de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, die ingevolge artikel 121, lid 1, van het VWEU in het kader van de Raad plaatsvindt, vormen deze individuele besluiten een integrerende follow-up van de maatregelen die de Raad overeenkomstig de artikelen 121 en 126 van het VWEU en de Verordeningen (EG) nr. 1466/97 en nr. 1467/97 vaststelt.

(14)  Aangezien de onderhavige verordening algemene regels voor een effectieve handhaving van de Verordeningen (EG) nr. 1466/97 en nr. 1467/97 bevat, moet zij worden vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure als bedoeld in artikel 121, lid 6.

(15)  Aangezien het doel, namelijk de ontwikkeling van een uniform sanctiemechanisme, niet voldoende op nationaal niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om dat doel te verwezenlijken.

(15 bis)  Om een permanente dialoog met de lidstaten te verzekeren teneinde de doelstellingen van deze verordening te realiseren, moet de Commissie controlebezoeken uitvoeren.

(15 ter)  De Commissie moet op gezette tijden een brede evaluatie verrichten van het systeem voor economisch beheer, en met name naar de effectiviteit en toereikendheid van de bijhorende sancties. Dergelijke evaluaties moeten, indien dit noodzakelijk blijkt, worden aangevuld met voorstellen op dit gebied.

(15 quater)  De Commissie moet bij de tenuitvoerlegging van deze verordening rekening houden met de huidige economische situatie van de betrokken lidstaten.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Onderwerp

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  De onderhavige verordening bevat een sanctieregeling ter versterking van de handhaving van het preventieve en het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact in het eurogebied.

2.  De onderhavige verordening is van toepassing op de lidstaten die de euro als munt hebben.

Hoofdstuk I bis

Economische dialoog

Artikel 1 bis

Om de dialoog te intensiveren tussen enerzijds de instellingen van de Europese Unie, met name het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, en om een grotere transparantie en controleerbaarheid te verzekeren, kan de ter zake bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en in voorkomend geval de voorzitter van de Eurogroep verzoeken voor de commissie te verschijnen om besluiten die krachtens artikelen 3, 4 en 5 van deze verordening zijn genomen te bespreken.

De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat over welke de Raad deze besluiten neemt, de gelegenheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling.

Artikel 2

Definities

In de onderhavige verordening wordt verstaan onder:

   (1) „het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact”: het multilaterale toezichtssysteem zoals opgezet bij Verordening (EG) nr. 1466/97 van 7 juli 1997;
   (2) „het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact”: de procedure voor het voorkomen van buitensporige tekorten van lidstaten, zoals vastgesteld in artikel 126 van het Verdrag en in Verordening (EG) nr. 1467/97 van 7 juli 1997;
   (3) „uitzonderlijke economische omstandigheden”: omstandigheden waarin een overschrijding van de referentiewaarde voor het overheidstekort als uitzonderlijk wordt beschouwd in de zin van artikel 126, lid 2, onder a), tweede streepje, van het Verdrag en zoals gespecificeerd in Verordening (EG) nr. 1467/97.

Hoofdstuk II

Sancties in het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact

Artikel 3

Rentedragend deposito

1.  Indien de Raad een besluit neemt waarin wordt vastgesteld dat een lidstaat geen gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de Raad bedoeld in artikel 6, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1466/97, beveelt de Commissie, binnen 20 dagen na de aanneming van de aanbeveling van de Raad, de Raad aan om de storting van een rentedragend deposito op te leggen. Het besluit wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij hij, binnen 10 dagen na de aanneming van de aanbeveling door de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling te verwerpen. De Raad kan de aanbeveling van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid wijzigen.

2.  Het door de Commissie aan te bevelen rentedragende deposito bedraagt 0,2% van het bruto binnenlands product (BBP) van de betrokken lidstaat in het voorgaande jaar.

4.  In afwijking ▌kan de Commissie, naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek dat binnen 10 dagen na de aanneming van de in lid 1 bedoelde aanbeveling van de Raad, door de betrokken lidstaat aan de Commissie wordt gericht, aanbevelen het bedrag van het rentedragende deposito te verminderen of kwijt te schelden.

4 bis.  Het deposito draagt een rente die aansluit bij het kredietrisico van de Commissie en bij de desbetreffende beleggingsperiode.

5.  Indien de situatie naar aanleiding waarvan de in lid 1 bedoelde aanbeveling is gedaan niet langer bestaat, bepaalt de Raad op aanbeveling van de Commissie dat het deposito en de opgebouwde rente aan de betrokken lidstaat moeten worden terugbetaald. De Raad kan de aanbeveling van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid wijzigen.

Hoofdstuk III

Sancties in het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact

Artikel 4

Niet-rentedragend deposito

1.  Indien de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag besluit dat er een buitensporig tekort bestaat in een lidstaat die overeenkomstig artikel 3, lid 1, een rentedragend deposito bij de Commissie heeft gestort, of waar bijzonder ernstige vormen van niet-naleving van de bij het stabiliteits- en groeipact vastgestelde wettelijke verplichtingen ten aanzien van het begrotingsbeleid zijn geconstateerd, dan beveelt de Commissie, binnen 20 dagen na de aanneming van het besluit van de Raad, de Raad aan om de storting van een niet-rentedragend deposito op te leggen. Het besluit wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij hij, binnen 10 dagen na de aanneming van de aanbeveling door de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling te verwerpen. De Raad kan de aanbeveling van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid wijzigen.

2.  Het door de Commissie aan te bevelen niet-rentedragende deposito bedraagt 0,2% van het BBP van de betrokken lidstaat in het voorgaande jaar.

4.  In afwijking ▌, kan de Commissie wegens uitzonderlijke economische omstandigheden of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek dat binnen 10 dagen na de vaststelling van het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag, door de betrokken lidstaat aan de Commissie wordt gericht, aanbevelen het bedrag van het rentedragende deposito te verminderen of kwijt te schelden.

4 bis.  Het deposito wordt gestort bij de Commissie. Indien de lidstaat overeenkomstig artikel 3 een rentedragend deposito bij de Commissie heeft gestort, wordt dit deposito omgezet in een niet-rentedragend deposito.

Indien het eerder gestorte rentedragende deposito inclusief de opgebouwde rente meer bedraagt dan het vereiste niet-rentedragende deposito, wordt het verschil aan de lidstaat terugbetaald.

Indien het vereiste niet-rentedragende deposito meer bedraagt dan het eerder gestorte rentedragende deposito inclusief de opgebouwde rente, voldoet de lidstaat bij de storting van het niet-rentedragende deposito het verschil.

Artikel 5

Boete

1.  Binnen 20 dagen na de vaststelling van een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, van het VWEU dat de lidstaat geen effectieve maatregelen heeft genomen om een einde te maken aan zijn buitensporig tekort, beveelt de Commissie de Raad aan een boete op te leggen. Het besluit wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij hij, binnen 10 dagen na de aanneming van de aanbeveling door de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling te verwerpen. De Raad kan de aanbeveling van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid wijzigen.

2.  De door de Commissie aan te bevelen boete bedraagt 0,2% van het BBP van de betrokken lidstaat in het voorgaande jaar.

4.  In afwijking ▌, kan de Commissie wegens uitzonderlijke economische omstandigheden of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek dat binnen 10 dagen na de vaststelling van het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, van het VWEU, door de betrokken lidstaat aan de Commissie wordt gericht, aanbevelen het bedrag van de boeten te verminderen of kwijt te schelden.

4 bis.  Indien de lidstaat overeenkomstig artikel 4 een niet-rentedragend deposito bij de Commissie heeft gestort, wordt dit niet-rentedragende deposito omgezet in een boete.

Indien het eerder gestorte niet-rentedragende deposito meer bedraagt dan de vereiste boete, wordt het verschil aan de lidstaat terugbetaald.

Indien de vereiste boete meer bedraagt dan het eerder gestorte niet-rentedragende deposito of indien daarvóór geen niet-rentedragend deposito is gestort, voldoet de lidstaat bij de betaling van de boete het verschil.

Artikel 6

Teruggave van het niet-rentedragende deposito

Indien de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 12, van het Verdrag besluit om zijn besluiten of sommige daarvan in te trekken, dan wordt een door de lidstaat bij de Commissie gestort niet-rentedragend deposito aan deze lidstaat teruggegeven.

Artikel 6 bis

Sancties bij manipulatie van statistieken

1.  Op aanbeveling van de Commissie kan de Raad besluiten een lidstaat die opzettelijk of door ernstige nalatigheid een onjuiste presentatie geeft van de gegevens over overheidstekort en overheidsschuld, die van belang zijn voor de toepassing van artikelen 121 en 126 van het Verdrag en Protocol nr. 12 bij de Verdrag, een boete op te leggen.

2.  De in lid 1 bedoelde boeten zijn doeltreffend, afschrikkend en evenredig met de aard en de ernst van de overtreding en de duur van de overtreding. De boete bedraagt maximaal 0,2% van het BBP.

3.  Om het bestaan van overtredingen als bedoeld in lid 1 vast te stellen kan de Commissie alle nodige onderzoeken uitvoeren. De Commissie kan besluiten een onderzoek te openen als zij meent dat er serieuze indicaties zijn voor het mogelijk bestaan van feiten die een overtreding kunnen vormen in de zin van lid 1 van dit artikel. Bij het onderzoek naar de vermoede overtredingen zal de Commissie de opmerkingen van de lidstaat waarnaar het onderzoek is ingesteld in aanmerking nemen. Voor de uitvoering van haar taken kan de Commissie de lidstaat waarnaar het onderzoek is ingesteld verzoeken informatie te verschaffen, alsmede ter plaatse inspecties uitvoeren; zij heeft toegang tot de rekeningen van alle overheidsinstanties op centraal, staats- en lokaal niveau en met betrekking tot de sociale zekerheid. Er zal toestemming van de gerechtelijke autoriteit worden gevraagd voor inspecties ter plaatse indien dit krachtens de nationale recht van de lidstaat waarnaar het onderzoek is ingesteld vereist is.

Na voltooiing van het onderzoek en voordat zij een voorstel voorlegt aan de Raad, stelt Commissie de lidstaat waarnaar het onderzoek is ingesteld in de gelegenheid gehoord te worden over de zaken die zijn onderzocht. De Commissie formuleert haar voorstel aan de Raad uitsluitend op basis van feiten waarover de betrokken lidstaat opmerkingen heeft kunnen indienen.

Tijdens de onderzoeken wordt het recht op verdediging van de lidstaat waarnaar onderzoek wordt ingesteld ten volle geëerbiedigd.

4.  De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel -8 gedelegeerde handelingen te stellen met betrekking tot a) bijzondere criteria ter vaststelling van het bedrag van de boete; b) bijzondere regels inzake de procedure voor de in lid 3 genoemde onderzoeken, bijhorende maatregelen en rapportage over de onderzoeken, alsmede bijzondere procedureregels ter waarborging van de rechten op verdediging, toegang tot dossiers, wettige vertegenwoordiging, vertrouwelijkheid en tijdelijke bepalingen en de inning van boeten.

5.  Het Hof van Justitie heeft volledige rechtsmacht inzake beroepen tegen beschikkingen van de Commissie waarbij een boete in overeenstemming met lid 1 is vastgesteld. Het kan de opgelegde boete intrekken, verlagen of verhogen.

Artikel 6 ter

Boeten opgelegd krachtens artikelen 3 t/m 6 bis zijn administratief van aard.

Artikel 7

Verdeling van de rente en boeten

De rente die de Commissie heeft verdiend op de overeenkomstig artikel 4 gestorte deposito's en de overeenkomstig artikelen 5 en 6 bis geïnde boeten, vormen andere ontvangsten, als bedoeld in artikel 311 van het Verdrag, en worden toegewezen aan ▌de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit. Wanneer de lidstaten die de euro als munt hebben een ander stabilisatiemechanisme voor de verlening van financiële steun instellen teneinde de stabiliteit van de eurozone in haar geheel te waarborgen, zullen de rente en de boeten aan laatstgenoemd mechanisme worden toegewezen.

Hoofdstuk IV

Algemene bepalingen

Artikel -8

Uitoefening van de delegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie verleend onder de voorwaarden van dit artikel.

2.  De delegatie van bevoegdheden als bedoeld in artikel 6 bis wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze verordening. Uiterlijk negen maanden voor het verstrijken van de termijn van drie jaar stelt de Commissie een verslag op over de gedelegeerde bevoegdheid. De delegatie van bevoegdheden zal stilzwijgend worden verlengd voor perioden van gelijke duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke periode bezwaar maakt tegen een verlenging.

3.  De delegatie van bevoegdheden als bedoeld in artikel 10 kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheid die in het besluit wordt vermeld. Dit besluit wordt van kracht op de dag volgend op de publicatie van dit besluit in het Publicatieblad of op een in dat besluit bepaalde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

5.  Een krachtens artikel 6 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking wanneer noch het Europees Parlement, noch de Raad binnen een periode van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar tegen de handeling heeft aangetekend of wanneer het Europees Parlement en de Raad voor het verstrijken van die periode beide aan de Commissie hebben meegedeeld geen bezwaar aan te tekenen. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn met twee maanden verlengd.

Artikel 8

Stemming binnen de Raad

Met betrekking tot de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde maatregelen hebben alleen de leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen welke de euro als munt hebben, stemrecht en besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

Een gekwalificeerde meerderheid van de in de vorige alinea bedoelde leden van de Raad wordt gedefinieerd overeenkomstig artikel 238, lid 3, onder b), van het Verdrag.

Artikel 8 bis

Evaluatie

1.  Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van deze verordening.

In dat verslag worden onder meer de volgende zaken beoordeeld:

   (a) de doeltreffendheid van de verordening, ook met betrekking tot de vraag of deze de Raad en de Commissie in staat stelt op te treden bij situaties die de goede werking van de Economische en Monetaire Unie in gevaar kunnen brengen;
   (b) de vooruitgang die wordt geboekt met het verzekeren van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en een constante convergentie van de economische prestaties van de lidstaten, in overeenstemming met de VWEU.

2.  Dit verslag gaat in zo nodig vergezeld van een voorstel tot wijzigingen in deze verordening.

3.  Het verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

4.  Vóór eind 2011 presenteert de Commissie een verslag over de mogelijkheid van invoering van Euro-obligaties aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de [xx] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De voorzitter

(1) De zaak werd dan terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0180/2011).
(2)* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool █ aangegeven.
(3) PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.
(4) PB C ... van ..., blz. .
(5) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.
(6) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.
(7) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.


Toezicht op begrotingssituaties en toezicht op en coördinatie van het economisch beleid ***I
PDF 413kWORD 140k
Tekst
Geconsolideerde tekst
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 23 juni 2011 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (COM(2010)0526 – C7-0300/2010 – 2010/0280(COD))(1)
P7_TA(2011)0291A7-0178/2011

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

[Amendement 2]

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT(2)
P7_TA(2011)0291A7-0178/2011
op het voorstel van de Commissie
P7_TA(2011)0291A7-0178/2011

-------------------------------------------------------

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(3),

Na toezending van het voorstel voor een wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De coördinatie van het economische beleid van de lidstaten binnen de Unie zoals voorgeschreven door het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dient de inachtneming van de volgende grondbeginselen in te houden: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire voorwaarden en een houdbare betalingsbalans.

(2)  Het stabiliteits- en groeipact bestond aanvankelijk uit Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(4), Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten(5) en de resolutie van de Europese Raad van 17 juni 1997 betreffende het stabiliteits- en groeipact(6). De Verordeningen (EG) nr. 1466/97 en (EG) nr. 1467/97 zijn in 2005 gewijzigd bij respectievelijk Verordeningen (EG) nr. 1055/2005 en (EG) nr. 1056/2005. Daarnaast is het verslag van de Raad van 20 maart 2005 met als titel „De uitvoering van het stabiliteits- en groeipact verbeteren” goedgekeurd.

(3)  Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel ter versterking van de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een sterke duurzame groei die berust op financiële stabiliteit, waarbij tegelijk het halen van de doelstellingen van de Unie inzake duurzame ontwikkeling en werkgelegenheid worden ondersteund.

(4)  Het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact vereist dat lidstaten een budgettaire middellangetermijndoelstelling verwezenlijken en handhaven en daartoe stabiliteits- en convergentieprogramma's indienen.

(4 bis)  Het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact zou baat hebben bij striktere toezichtsvormen om de samenhang met en de naleving door de lidstaten van het budgettaire coördinatiekader van de Unie te waarborgen.

(5)  De inhoud van de stabiliteits- en convergentieprogramma's, alsook de procedure voor de toetsing ervan dienen zowel op nationaal als op EU-niveau verder te worden ontwikkeld in het licht van de ervaring die met de tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact is opgedaan.

(5 bis)  De begrotingsdoelstellingen in de stabiliteits- en convergentieprogramma's moeten expliciet rekening houden met de maatregelen die zijn goedgekeurd in overeenstemming met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten en de Unie, en in het algemeen met de nationale hervormingsprogramma's.

(5 ter)  Het indienen en beoordelen van stabiliteits- en convergentieprogramma's moet plaatsvinden voordat belangrijke besluiten over de nationale begrotingen voor de daaropvolgende jaren worden genomen. Daarom moet een aparte termijn worden vastgesteld voor het indienen van de stabiliteits- en convergentieprogramma's. Gelet op de specifieke kenmerken van het begrotingsjaar in het Verenigd Koninkrijk moeten bijzondere bepalingen worden vastgesteld voor de datum waarop de Britse convergentieprogramma's moeten worden ingediend.

(5 quater)  De Commissie moet in de procedure voor scherper toezicht een krachtiger rol spelen met betrekking tot beoordelingen van afzonderlijke lidstaten, monitoring, inspectiebezoeken, aanbevelingen en waarschuwingen.

(5 quinquies)  Uit de ervaringen en fouten van tijdens de eerste tien jaar van de Economische en Monetaire Unie blijkt dat er in de Unie duidelijk behoefte is aan een beter economisch bestuur, dat berust op een sterkere nationale toe-eigening van gezamenlijk aanvaarde regels en beleidsmaatregelen en op een robuuster kader voor EU-toezicht op het economische beleid van de lidstaten.

(5 sexies)  Het verbeterde kader voor economisch bestuur moet berusten op verschillende met elkaar verbonden beleidsmaatregelen voor duurzame groei en werkgelegenheid, die onderling samenhang moeten vertonen, in het bijzonder een EU-strategie voor groei en arbeidsplaatsen, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling en bevordering van de interne markt, het bevorderen van internationale handelsbetrekkingen en concurrentievermogen, een effectief kader voor het voorkomen en corrigeren van buitensporige overheidstekorten (het stabiliteits- en groeipact), een robuust kader voor het voorkomen en corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden, minimumeisen voor nationale begrotingskaders, meer regulering van en controle op de financiële markten (waaronder macroprudentieel toezicht door het Europees Comité voor systeemrisico's).

(5 septies)  Het Stabiliteits- en groeipact en het complete kader voor economisch beheer vormen een aanvulling op en ondersteunen de strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid. De verwevenheid van de verschillende onderdelen mag er niet toe leiden dat uitzonderingen op de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact worden toegestaan.

(5 octies)  Versterking van het economisch bestuur moet onder andere betekenen dat het Europees Parlement en de nationale parlementen nauwer en vroeger bij de zaak worden betrokken. De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop de aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 6, lid 2, en artikel 10, lid 2, betrekking heeft, de mogelijkheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling.

(5 nonies)  De stabiliteits- en convergentieprogramma's en de nationale hervormingsprogramma's moeten worden opgesteld op coherente wijze en de tijdstippen voor de indiening van beide programma's moeten op elkaar worden afgestemd. Deze programma's moeten worden ingediend bij de Raad en de Commissie. Deze programma's moeten openbaar worden gemaakt.

(5 decies)  In het kader van het Europees semester begint de cyclus voor beleidstoezicht en -coördinatie aan het begin van het jaar met een horizontale beoordeling waarbij de Europese Raad, op basis van gegevens van de Commissie en de Raad, de voornaamste uitdagingen van de Unie en de eurozone aangeeft en strategische richtsnoeren voor het te volgen beleid verstrekt. Aan het begin van de jaarlijkse toezichtscyclus wordt ook tijdig vóór de discussie wordt gehouden in de Europese Raad, een discussie gehouden in het Europees Parlement. Van de lidstaten wordt verwacht dat zij rekening houden met de horizontale richtsnoeren van de Europese Raad wanneer zij hun stabiliteits- of convergentieprogramma's en nationale hervormingsprogramma's opstellen.

(5 undecies)  Om de nationale eigen verantwoordelijkheid voor het stabiliteits- en groeipact te versterken, dienen nationale begrotingskaders in overeenstemming te zijn met de doelstellingen van multilateraal toezicht in de Unie, en met name met het semester.

(5 duodecies)  Rekening houdend met de wettelijke en politieke regeling in elke lidstaat moeten de nationale parlementen naar behoren bij het semester en de voorbereiding van de stabiliteitsprogramma's, convergentieprogramma's en nationale hervormingsprogramma's worden betrokken, om de transparantie van, de eigen verantwoordelijkheid voor en de aansprakelijkheid voor de genomen besluiten te vergroten. Het Economisch en financieel comité, het Comité voor de economische politiek, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming zullen indien nodig in het kader van het semester worden geraadpleegd. De belanghebbenden, met name de sociale partners, worden in het kader van het semester indien nodig bij de zaak betrokken, wat de belangrijkste beleidskwesties betreft, overeenkomstig de bepalingen van het VWEU en de nationale wettelijke en politieke regeling.

(6)  Het handhaven van de budgettaire middellangetermijndoelstelling voor de begrotingssituaties dient de lidstaten in staat te stellen een veiligheidsmarge ten opzichte van de referentiewaarde van 3% van het bbp in acht te nemen om voor houdbare overheidsfinanciën of snelle vooruitgang in de richting van een houdbare situatie te zorgen en tegelijk budgettaire manoeuvreerruimte te laten, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de behoefte aan overheidsinvesteringen. De budgettaire middellangetermijndoelstelling dient regelmatig te worden geactualiseerd volgens een gezamenlijk overeengekomen methode waarin naar behoren rekening wordt gehouden met de risico's van de expliciete en impliciete verplichtingen voor de overheidsfinanciën, overeenkomstig de doelstellingen van het stabiliteits- en groeipact.

(7)  Aan de verplichting om de budgettaire middellangetermijndoelstelling te bereiken en te handhaven, dient te worden voldaan door middel van een nauwkeurige omschrijving van de beginselen voor het aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling. Met deze beginselen moet er onder andere voor worden gezorgd dat meevallers aan de inkomstenzijde, namelijk hogere inkomsten dan normaal kan worden verwacht van de economische groei, worden gebruikt voor de vermindering van de schuld.

(8)  De verplichting tot het verwezenlijken en handhaven van de middellangetermijndoelstelling dient zowel voor deelnemende lidstaten als voor niet-deelnemende lidstaten ▌te gelden.

(9)  Of met betrekking tot de budgettaire middellangetermijndoelstelling voldoende vooruitgang is geboekt, wordt beoordeeld in het kader van een algehele evaluatie met het structurele saldo als referentie; deze evaluatie omvat een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde. In dit verband zou, zolang de budgettaire middellangetermijndoelstelling niet is verwezenlijkt, het groeipercentage van de overheidsuitgaven normaliter niet hoger mogen liggen dan een middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp, waarbij een overschrijding van die norm wordt opgevangen door discretionaire verhogingen van de overheidsontvangsten ▌, en ▌discretionaire verminderingen van de ontvangsten worden gecompenseerd door uitgavenreducties ▌. Het middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp wordt berekend volgens een gezamenlijk overeengekomen methodologie. De Commissie maakt de berekeningsmethode voor de prognoses en het hieruit resulterende middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp openbaar. Er moet rekening worden gehouden met de potentieel zeer grote variabiliteit van de investeringsuitgaven, vooral wat de kleine lidstaten betreft.

(9 bis)  Een sneller aanpassingstraject ter verwezenlijking van de budgettaire middellangetermijndoelstellingen moet verplicht worden gesteld voor lidstaten die een schuldquote van meer dan 60% van het bbp hebben of die een duidelijk risico lopen wat de algehele houdbaarheid van de schuldpositie betreft.

(10)  Een tijdelijke afwijking van het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling dient te worden toegestaan wanneer deze het gevolg is van een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de overheid, dan wel in geval van een ernstige economische neergang in de eurozone of in de EU als geheel, om het economisch herstel te bevorderen, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt. Bij het toestaan van een tijdelijke afwijking van de verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling of van het passende aanpassingstraject daar naartoe moet ook worden bekeken of er grote structurele hervormingen worden doorgevoerd, op voorwaarde dat er een veiligheidsmarge voor de inachtneming van de tekortreferentiewaarde wordt aangehouden. Bijzondere aandacht dient in dit verband te worden besteed aan systemische pensioenhervormingen, waarbij de afwijking de directe incrementele kosten van het afleiden van de bijdragen van de openbaar beheerde pijler naar de pijler met volledige kapitaaldekking moet weerspiegelen. Maatregelen waarbij de activa van de pijler met volledige kapitaaldekking weer naar de openbaar beheerde pijler worden getransfereerd moeten als eenmalig en tijdelijk worden beschouwd en dienen derhalve niet te worden meegenomen in het structurele saldo, dat als uitgangspunt dient voor het beoordelen van de vooruitgang met betrekking tot de budgettaire middellangetermijndoelstelling.

(11)  Wanneer aanzienlijk van het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de ▌budgettaire middellangetermijndoelstelling wordt afgeweken, dient de Commissie een waarschuwing te richten tot de betrokken lidstaat, waarna de Raad binnen een maand de situatie beoordeelt en een aanbeveling doet voor het nemen van de nodige aanpassingsmaatregelen. De aanbeveling dient een termijn vast te stellen van uiterlijk vijf maanden om de afwijking te verhelpen. De betrokken lidstaat dient bij de Commissie verslag uit te brengen over het aan de waarschuwing gegeven gevolg. Indien de betrokken lidstaat nalaat om binnen de door de Raad gestelde termijn passende actie te ondernemen, moet de Raad een besluit vaststellen dat geen effectieve actie is ondernomen en verslag uitbrengen bij de Europese Raad. Tegelijk kan de Commissie de Raad aanbevelen herziene aanbevelingen vast te stellen. De Commissie kan de ECB indien nodig verzoeken voor lidstaten van de eurozone en voor WKM II-lidstaten aan een toezichtmissie deel te nemen. De Commissie zal verslag uitbrengen bij de Raad over het resultaat van de missie en kan indien nodig besluiten haar bevindingen openbaar te maken.

(12)  Om te waarborgen dat het kader voor begrotingstoezicht van de Unie door de deelnemende lidstaten in acht wordt genomen, dient op grond van artikel 136 van het VWEU een specifiek handhavingsmechanisme te worden ingesteld voor gevallen waarin sprake is van een ▌aanzienlijke afwijking van het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de ▌budgettaire middellangetermijndoelstelling.

(13)  Bij de verwijzingen in Verordening (EG) nr. 1466/97 dient rekening te worden gehouden met de nieuwe artikelnummering van het VWEU.

(14)  Verordening (EG) nr. 1466/97 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1466/97 wordt als volgt gewijzigd:

-1.  Artikel 1 komt als volgt te luiden:"

Artikel 1

In deze verordening worden de regels vastgesteld betreffende de inhoud, de indiening, de bestudering en de bewaking van de uitvoering van de stabiliteitsprogramma's en convergentieprogramma's, als onderdeel van het multilaterale toezicht door de Raad en de Commissie, teneinde in een vroeg stadium te voorkomen dat zich buitensporige algemene-overheidstekorten voordoen, het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid te bevorderen en tegelijkertijd de verwezenlijking te ondersteunen van de EU-doelstellingen voor groei en werkgelegenheid.

"

1.  Artikel 2 komt als volgt te luiden:"

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder;

   a) 'deelnemende lidstaten' de lidstaten die de euro als munt hebben;

b)  niet-deelnemende lidstaten” de andere lidstaten dan die welke de euro als munt hebben.

1 bis.  De volgende afdeling wordt ingevoegd:

AFDELING 1 BIS

EUROPEES SEMESTER VOOR ECONOMISCHE BELEIDSCOÖRDINATIE

Artikel 2 bis

1.  Om nauwere coördinatie van het economisch beleid en duurzame convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te waarborgen, zal de Raad het multilaterale toezicht uitoefenen als integraal onderdeel van het Europees semester voor economische beleidscoördinatie overeenkomstig de doelstellingen en bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.*

2.  Het semester behelst:

   a) de opstelling van en het toezicht op de uitvoering van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie (globale richtsnoeren voor het economisch beleid) overeenkomstig artikel 121, lid 2, van het VWEU;
   b) de opstelling en het onderzoek van de uitvoering van de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid waar de lidstaten rekening mee moeten houden overeenkomstig artikel 148, lid 2, VWEU (werkgelegenheidsrichtsnoeren);
   c) de indiening en beoordeling van de stabiliteits- of convergentieprogramma's van de lidstaten overeenkomstig de bepalingen van deze verordening;
   d) de indiening en beoordeling van de nationale hervormingsprogramma's van de lidstaten ter ondersteuning van de strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid, die opgesteld zijn overeenkomstig de richtsnoeren in punt i) en ii) hierboven en de algemene richtsnoeren voor de lidstaten die door de Commissie en de Europese Raad worden gepubliceerd aan het begin van de jaarlijkse toezichtscyclus;
   e) het toezicht ter voorkoming en rechtzetting van macro-economische onevenwichtigheden overeenkomstig Verordening (EU) nr. …/2011 van het Europees Parlement en de Raad van ...(7) betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden*.

3.  In de loop van het semester richt de Raad, om tijdig geïntegreerd beleidsadvies inzake de macrofiscale en macrostructurele beleidsintenties te verstrekken, na de beoordeling van deze programma's op basis van aanbevelingen van de Commissie, richtsnoeren richten aan de lidstaten, met volledige gebruikmaking van de wettelijke instrumenten op grond van de artikelen 121 en 148 van het VWEU en op grond van deze verordening en Verordening (EU) nr. .../2011(8)+ [betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden].

De lidstaten zullen naar behoren rekening met de aan hen gerichte richtsnoeren houden bij de ontwikkeling van hun economisch, werkgelegenheids- en begrotingsbeleid alvorens belangrijke besluiten met betrekking tot de nationale begroting voor de volgende jaren te nemen. De vooruitgang moet door de Commissie worden gevolgd.

Als een lidstaat geen rekening met de ontvangen richtsnoeren houdt, kan dit leiden tot:

   a) bijkomende aanbevelingen om specifieke maatregelen te nemen;
   b) een waarschuwing van de Commissie op grond van artikel 121, lid 4, van het VWEU;
   c) maatregelen op grond van deze verordening, Verordening (EG) nr. 1467/97 en Verordening (EU) nr. .../2011++ [betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden].

De uitvoering van de maatregelen wordt door de Commissie intensiever gecontroleerd, met eventueel toezichtmissies op grond van artikel -11 van deze verordening.

4.  Het Europees Parlement wordt op gepaste wijze bij het semester betrokken om de transparantie van, de eigen verantwoordelijkheid voor en de aansprakelijkheid voor de genomen besluiten te vergroten, in het bijzonder via de economische dialoog overeenkomstig artikel 2 bis ter van deze verordening. Het Economisch en financieel comité, het Comité voor de economische politiek, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming zullen indien nodig in het kader van het semester worden geraadpleegd. De belanghebbenden, met name de sociale partners, worden in het kader van het semester indien nodig bij de zaak betrokken, wat de belangrijkste beleidskwesties betreft, overeenkomstig de bepalingen van het VWEU en de nationale wettelijke en politieke regeling.

De voorzitter van de Raad en de Commissie, overeenkomstig artikel 121 van het VWEU, en indien nodig de voorzitter van de eurogroep brengen jaarlijks bij het Europees Parlement en de Europese Raad verslag over de resultaten van het multilaterale toezicht uit. Deze verslagen moeten een onderdeel zijn van de economische dialoog in artikel 2 bis ter van deze verordening.

* PB L ….

"

1 ter.  De volgende afdeling wordt ingevoegd:"

AFDELING 1 BIS bis

ECONOMISCHE DIALOOG

Artikel 2 bis ter

Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te bevorderen en te zorgen voor meer transparantie en aansprakelijkheid, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en indien nodig de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de eurogroep in de commissie uitnodigen om het volgende te bespreken:

   a) de informatie over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die zij overeenkomstig artikel 121, lid 2, van het VWEU van de Raad heeft ontvangen;
   b) de algemene richtsnoeren voor de lidstaten die de Commissie aan het begin van de jaarlijkse toezichtcyclus publiceert;
   c) de conclusies die de Europese Raad eventueel vaststelt met betrekking tot oriëntaties voor het economisch beleid in het kader van het Europees semester;
   d) de resultaten van het multilaterale toezicht dat op grond van deze verordening is uitgeoefend;
   e) de conclusies die de Europese Raad eventueel vaststelt met betrekking tot de oriëntaties voor en de resultaten van het multilaterale toezicht;
   f) een eventuele beoordeling van de uitoefening van het multilaterale toezicht aan het einde van het Europees semester;
   g) de aanbevelingen van de Raad voor de lidstaten overeenkomstig artikel 121, lid 4, van het VWEU in geval van een aanzienlijke afwijking als gedefinieerd in artikel 6, lid 2, en artikel 10, lid 2, van deze verordening.

2.  De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop de aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 6, lid 2, en artikel 10, lid 2, betrekking heeft, de mogelijkheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling.

3.  De Commissie en de Raad informeren het Europees Parlement geregeld over de toepassing van deze verordening.

"

1 quater.  Artikel 2 bis komt als volgt te luiden:"

Elke lidstaat heeft een gedifferentieerde middellangetermijndoelstelling voor zijn begrotingssituatie. Deze budgettaire middellangetermijndoelstellingen per land kunnen afwijken van het vereiste van een begrotingssituatie die vrijwel in evenwicht is of een overschot vertoont, waarbij een veiligheidsmarge ten opzichte van de referentiewaarde voor het overheidstekort van 3% van het bbp wordt geboden. De budgettaire middellangetermijndoelstellingen garanderen de houdbaarheid van de overheidsfinanciën of snelle vorderingen op weg naar dergelijke houdbaarheid, waarbij ruimte wordt gelaten voor budgettaire armslag, in het bijzonder gelet op de behoefte aan openbare investeringen.

Met inachtneming van deze factoren worden voor de lidstaten die tot de eurozone en voor de lidstaten die tot WKM II behoren, middellangetermijnbegrotingsdoelstellingen per land bepaald binnen een vastgestelde marge tussen -1% BBP en evenwicht of overschot], na correctie voor conjunctuurschommelingen en ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen.

De middellangetermijnbegrotingsdoelstelling wordt om de drie jaar bijgesteld. De middellangetermijnbegrotingsdoelstelling van een lidstaat kan extra worden bijgesteld, als een structurele hervorming met grote gevolgen voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën wordt uitgevoerd.

Het halen van de budgettaire middellangetermijndoelstelling maakt deel uit van de nationale begrotingskaders voor de middellange termijn krachtens artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2011/.../EU(9) van de Raad tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten*.

* PB L ….

"

2.  Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 1 komt als volgt te luiden:"
1.  Elke deelnemende lidstaat verstrekt aan de Raad en de Commissie met het oog op het regelmatige multilaterale toezicht krachtens artikel 121 van het VWEU de nodige informatie in de vorm van een stabiliteitsprogramma, dat een essentiële basis verschaft voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën die bevorderlijk is voor prijsstabiliteit, een sterke duurzame groei en het scheppen van werkgelegenheid.„;"
   b) in lid 2 worden de punten a), b) en c) vervangen door: "
   „a) de budgettaire middellangetermijndoelstelling en het aanpassingstraject met het oog op het bereiken van deze doelstelling voor de overschot/tekortquote van de overheid, de verwachte ontwikkeling van de schuldquote van de overheid, het geplande groeipad van de overheidsuitgaven, met inbegrip van de overeenkomstige toewijzing voor bruto-investeringen in vaste activa, in het bijzonder gezien de voorwaarden en criteria voor de vaststelling van de uitgavengroei als bedoeld in artikel 5, lid 1, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid en een kwantificering van de geplande discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde;
"
   a bis) informatie over impliciete verplichtingen die verband houden met vergrijzing en voorwaardelijke verplichtingen, bijvoorbeeld overheidsgaranties, met potentieel grote gevolgen voor de algemene overheidsrekeningen;
   a ter) informatie over de consistentie van het stabiliteitsprogramma met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en het nationaal hervormingsprogramma;
   b) de voornaamste veronderstellingen over verwachte economische ontwikkelingen en belangrijke economische variabelen die voor de uitvoering van het stabiliteitsprogramma van belang zijn, zoals de investeringsuitgaven van de overheid, de reële groei van het BBP, de werkgelegenheid en de inflatie;
   c) een kwantitatieve beoordeling van de budgettaire en andere economische beleidsmaatregelen die worden genomen of voorgesteld om de doelstellingen van het programma te bereiken, inclusief een kosten-batenanalyse van grote structurele hervormingen met rechtstreekse positieve effecten voor de begroting op de lange termijn, mede door verhoging van de duurzame potentiële groei;
   b bis) het volgende lid wordt ingevoegd:"
2 bis.  Het stabiliteitsprogramma is gebaseerd op het meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario of op een meer prudent scenario. De macro-economische en budgettaire prognoses worden vergeleken met de recentste prognoses van de Commissie en indien nodig die van andere onafhankelijke instanties. Aanzienlijke verschillen tussen het gekozen macrobudgettaire scenario en de Commissieprognoses worden beschreven en beargumenteerd, met name als het niveau of de groei van externe aannames aanzienlijk afwijkt van de waarden in de prognoses van de Commissie.
     De exacte aard van de informatie in de punten a), a bis), b), c) en d) wordt omschreven in een door de Commissie in samenwerking met de lidstaten vast te stellen geharmoniseerd kader.
"
   c) lid 3 komt als volgt te luiden:"
3.  De gegevens over de ontwikkelingen van de overschot/tekortquote en de schuldquote van de overheid, de groei van de overheidsuitgaven, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid, de geplande, behoorlijk gekwantificeerde discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde en de belangrijkste economische aannames als bedoeld in lid 2, onder a) en b), worden op jaarbasis verstrekt en hebben betrekking op het voorafgaande jaar, het lopende jaar en ten minste de drie volgende jaren."

4.  Elk programma omvat informatie over de status ervan in het kader van de nationale procedures, met name of het programma is gepresenteerd aan het nationale parlement, of het nationale parlement de kans heeft gekregen om te discussiëren over de beoordeling door de Raad van het voorgaande programma of, indien hiervan sprake is, over een aanbeveling of een waarschuwing en of het programma door het parlement is goedgekeurd..

3.  Artikel 4 komt als volgt te luiden:"

„Artikel 4

1.  De stabiliteitsprogramma's worden jaarlijks ingediend in april, bij voorkeur medio april en uiterlijk 30 april ▌. ▌

2.  De lidstaten maken hun stabiliteitsprogramma's openbaar.„.

"

4.  Artikel 5 komt als volgt te luiden:"

„Artikel 5

1.  Op basis van beoordelingen door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité toetst de Raad in het kader van het multilaterale toezicht op grond van artikel 121 van het VWEU de door de betrokken lidstaten in hun stabiliteitsprogramma gepresenteerde budgettaire middellangetermijndoelstellingen, beoordeelt hij of de economische veronderstellingen waarop het programma is gebaseerd, realistisch zijn, of het aanpassingstraject richting de budgettaire middellangetermijndoelstelling, met inbegrip van het begeleidingstraject voor de schuldquote, passend is en of de met het oog op de inachtneming van het aanpassingstraject genomen of voorgenomen maatregelen afdoende zijn om de budgettaire middellangetermijndoelstelling gedurende de cyclus te halen.

Bij de beoordeling van het aanpassingstraject richting de budgettaire middellangetermijndoelstelling onderzoeken de Raad en de Commissie of de betrokken lidstaat de jaarlijkse verbetering van zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, die nodig is om zijn budgettaire middellangetermijndoelstelling te bereiken, nastreeft, met 0,5% van het bbp als benchmark. Voor lidstaten die een overheidsschuld van meer dan 60% van het bbp hebben of duidelijke risico's lopen wat de algemene houdbaarheid van de schuldpositie betreft, onderzoeken de Raad en de Commissie of de jaarlijkse verbetering van het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, groter is dan 0,5% van het bbp. De Raad en de Commissie nemen in aanmerking of in economisch goede tijden een grotere aanpassing wordt nagestreefd, terwijl in economisch slechte tijden een minder zware inspanning toelaatbaar is. Er wordt met name rekening gehouden met mee- en tegenvallers.

Of met betrekking tot de budgettaire middellangetermijndoelstelling voldoende vooruitgang is geboekt, wordt beoordeeld in het kader van een algehele evaluatie met het structurele saldo als referentie; deze evaluatie omvat een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde. Hiertoe beoordelen de Raad en de Commissie of het groeipad van de overheidsuitgaven, gezien in samenhang met het effect van de genomen of geplande maatregelen aan de ontvangstenzijde, ▌aan de volgende voorwaarden voldoet:

   a) voor lidstaten die de budgettaire middellangetermijndoelstelling hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse uitgavengroei niet hoger dan een referentiepercentage van potentiële bbp-groei op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd;
   b) voor lidstaten die de budgettaire middellangetermijndoelstelling nog niet hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse uitgavengroei niet hoger dan een percentage beneden een referentiepercentage van potentiële bbp-groei op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd. Het verschil tussen het groeitempo van de overheidsuitgaven en een referentiepercentage van potentiële bbp-groei op middellange termijn wordt op zodanige wijze bepaald dat een deugdelijke aanpassing richting de budgettaire middellangetermijndoelstelling wordt gewaarborgd;
   c) voor lidstaten die de budgettaire middellangetermijndoelstelling nog niet hebben verwezenlijkt, worden discretionaire verminderingen ▌van overheidsontvangsten door uitgavenreducties, door discretionaire verhogingen van andere overheidsontvangsten of door beide gecompenseerd.

In de totale uitgaven wordt geen rekening gehouden met de rente-uitgaven, de uitgaven in het kader van EU-programma's die volledig met inkomsten uit EU-fondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen.

Een overschrijding van de middellangetermijnreferentie voor de uitgavengroei wordt niet als een afwijking van de benchmark aangemerkt indien deze overschrijding volledig wordt gecompenseerd door bij wet geregelde stijgingen van de inkomsten.

Het middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp wordt vastgesteld op basis van toekomstgerichte prognoses en van op resultaten uit het verleden gebaseerde ramingen. De prognoses worden regelmatig ▌geactualiseerd. De Commissie maakt de berekeningsmethode voor de prognoses en het hieruit resulterende middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp openbaar.

Bij de bepaling van het aanpassingstraject richting budgettaire middellangetermijndoelstelling voor de lidstaten die dit doel nog niet hebben bereikt, en bij het toestaan van een tijdelijke afwijking van deze doelstelling voor lidstaten die de doelstelling wel hebben bereikt, met dien verstande dat er een passende veiligheidsmarge voor de inachtneming van de tekortreferentiewaarde gewaarborgd moet zijn, en dat een terugkeer naar de budgettaire middellangetermijndoelstelling binnen de programmaperiode wordt verwacht, houden de Raad en de Commissie rekening met de uitvoering van grote structurele hervormingen die op de lange termijn positieve effecten voor de begroting hebben, mede doordat zij de potentiële duurzame groei verhogen, en bijgevolg een verifieerbare positieve invloed op de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn hebben.

Bijzondere aandacht wordt besteed aan pensioenhervormingen die gepaard gaan met de invoering van een meerpijlerstelsel dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking omvat. De lidstaten die dergelijke hervormingen doorvoeren, wordt toegestaan van het aanpassingstraject richting budgettaire middellangetermijndoelstelling of van de doelstelling zelf af te wijken, met dien verstande dat de afwijking het bedrag van de directe incrementele gevolgen van de hervorming voor de overschot/tekortquote van de overheid moet weerspiegelen ▌en dat een passende veiligheidsmarge ten opzichte van de tekortreferentiewaarde wordt aangehouden.

De Raad en de Commissie onderzoeken voorts of de inhoud van het stabiliteitsprogramma het verwezenlijken van duurzame en reële convergentie binnen het eurogebied en de nauwere coördinatie van het economisch beleid bevordert en of het economisch beleid van de betrokken lidstaat strookt met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en met de werkgelegenheidsrichtsnoeren van de lidstaten en de Europese Unie.

Bij een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de algemene overheidsfinanciën of in perioden van ernstige economische neergang in de eurozone of in de EU als geheel, kan de lidstaten worden toegestaan tijdelijk af te wijken van het aanpassingstraject richting middellangetermijndoelstelling als bedoeld in de derde alinea, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.

2.  De toetsing van het stabiliteitsprogramma door de Raad en de Commissie vindt plaats binnen ten hoogste drie maanden na de indiening van het programma. Op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité stelt de Raad indien nodig een advies over het programma vast. Indien de Raad overeenkomstig artikel 121 van het VWEU van mening is dat de doelstellingen en inhoud van het programma moeten worden aangescherpt met een bijzondere verwijzing naar het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling, verzoekt de Raad in zijn advies de betrokken lidstaat zijn programma aan te passen.„.

"

5.  Artikel 6 komt als volgt te luiden:"

„Artikel 6

1.  Als onderdeel van het multilaterale toezicht overeenkomstig artikel 121, lid 3, van het VWEU, volgen de Raad en de Commissie, op basis van de door de deelnemende lidstaten verstrekte gegevens en de door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité verrichte evaluatie, de uitvoering van de stabiliteitsprogramma's, met name om vast te stellen of de feitelijke of verwachte begrotingssituatie aanzienlijk afwijkt van de budgettaire middellangetermijndoelstelling, of van het passende aanpassingstraject in de richting van die doelstelling.

2.  Ingeval ▌een aanzienlijke afwijking van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling als bedoeld in artikel 5, lid 1, derde alinea, van deze verordening wordt vastgesteld, en ter voorkoming van een buitensporig tekort, richt de Commissie overeenkomstig artikel 121, lid 4, van het VWEU een waarschuwing tot de betrokken lidstaat ▌.

Binnen een maand na de aanneming van de in de eerste alinea genoemde vroege waarschuwing onderzoekt de Raad de situatie en neemt hij een aanbeveling voor de nodige beleidsmaatregelen aan op grond van een aanbeveling van de Commissie uit hoofde van artikel 121, lid 4. De aanbeveling stelt een termijn vast van uiterlijk vijf maanden om de afwijking te verhelpen. De termijn wordt ingekort tot drie maanden wanneer in de waarschuwing van de Commissie wordt bevonden dat de situatie bijzonder ernstig is en tot dringende maatregelen noopt. Op voorstel van de Commissie maakt de Raad de aanbeveling openbaar.

De betrokken lidstaat brengt binnen de door de Raad in de aanbeveling uit hoofde van artikel 121, lid 4, van het VWEU vastgestelde termijn verslag uit aan de Raad over het aan die aanbeveling gegeven gevolg.

Indien de betrokken lidstaat binnen de in de aanbeveling van de Raad vastgestelde termijn als bedoeld in de tweede alinea hieraan geen passend gevolg geeft, beveelt de Commissie de Raad onmiddellijk aan om een besluit vast te stellen dat geen effectieve actie is ondernomen. Het besluit wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij hij met gekwalificeerde meerderheid besluit het te verwerpen binnen tien dagen na de aanneming ervan door de Commissie. Tegelijk kan de Commissie de Raad aanbevelen een herziene aanbeveling inzake benodigde beleidsmaatregelen uit hoofde van artikel 121, lid 4, vast te stellen. De Raad zendt de Europese Raad een formeel verslag over de genomen besluiten toe.

Het proces vanaf de aanbeveling van de Raad als bedoeld in de tweede alinea tot het besluit van de Raad en het verslag aan de Europese Raad als bedoeld in de vierde alinea mag ten hoogste zes maanden duren.

3.  Een afwijking van de budgettaire middellangetermijndoelstelling of van het passende aanpassingstraject ter verwezenlijking ervan wordt beoordeeld op grond van een algehele evaluatie met het structurele saldo als referentie; deze evaluatie omvat een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde als omschreven in artikel 5, lid 1.

Bij de beoordeling of een afwijking als aanzienlijk moet worden beschouwd, wordt met name rekening gehouden met de volgende criteria:

Voor een lidstaat die de budgettaire middellangetermijndoelstelling niet heeft bereikt: bij de beoordeling van de verandering van het structurele saldo, of de afwijking ten minste 0,5% van het bbp in een enkel jaar of van gemiddeld ten minste 0,25% van het bbp per jaar in twee opeenvolgende jaren bedraagt; bij de beoordeling van de ontwikkeling van de uitgaven, ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde: of de afwijking een totale weerslag heeft op het overheidssaldo ter grootte van ten minste 0,5% van het bbp in een enkel jaar of een cumulatieve weerslag van die grootte binnen twee opeenvolgende jaren.

De afwijking in de ontwikkeling van de uitgaven wordt niet als aanzienlijk aangemerkt indien de betrokken lidstaat de budgettaire middellangetermijndoelstelling ▌heeft overtroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van aanzienlijke meevallers aan de inkomstenzijde, en indien de begrotingsplannen van het convergentieprogramma deze doelstelling tijdens de programmaperiode niet in gevaar brengen.

De afwijking kan eveneens als niet aanzienlijk worden aangemerkt wanneer deze het gevolg is van een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de overheid, dan wel in geval van een ernstige economische neergang van de eurozone of de EU als geheel, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.„.

"

6.  Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

   a) lid 1 komt als volgt te luiden:"
„1.  Elke niet-deelnemende lidstaat ▌verstrekt aan de Raad en de Commissie met het oog op het regelmatige multilaterale toezicht krachtens artikel 121 van het VWEU de nodige informatie in de vorm van een convergentieprogramma, dat een essentiële basis verschaft voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën die bevorderlijk is voor prijsstabiliteit, een sterke duurzame groei en het scheppen van werkgelegenheid.„;"
   b) in lid 2 worden de punten a), b) en c) vervangen door: "
   „a) de budgettaire middellangetermijndoelstelling en het aanpassingstraject met het oog op het bereiken van deze doelstelling voor de overschot/tekortquote van de overheid, de verwachte ontwikkeling van de schuldquote van de overheid, het geplande groeipad van de overheidsuitgaven, met inbegrip van de overeenkomstige toewijzing voor bruto-investeringen in vaste activa, in het bijzonder gezien de voorwaarden en criteria voor de vaststelling van de uitgavengroei als bedoeld in artikel 9, lid 1, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid en een kwantificering van de geplande discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde, de middellangetermijndoelstellingen voor het monetaire beleid, de relatie tussen deze doelstellingen en de prijs- en wisselkoersstabiliteit en het verwezenlijken van duurzame convergentie;
"
   a bis) informatie over impliciete verplichtingen die verband houden met vergrijzing en voorwaardelijke verplichtingen, bijvoorbeeld overheidsgaranties, met potentieel grote gevolgen voor de algemene overheidsrekeningen;
   a ter) informatie over de consistentie van het stabiliteitsprogramma met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, de werkgelegenheidsrichtsnoeren en het nationaal hervormingsprogramma;
   b) de voornaamste veronderstellingen over verwachte economische ontwikkelingen en belangrijke economische variabelen die voor de uitvoering van het convergentieprogramma van belang zijn, zoals de investeringsuitgaven van de overheid, de reële groei van het BBP, de werkgelegenheid en de inflatie;
   c) een kwantitatieve beoordeling van de budgettaire en andere economische beleidsmaatregelen die worden genomen of voorgesteld om de doelstellingen van het programma te bereiken, inclusief een kosten-batenanalyse van grote structurele hervormingen met rechtstreekse positieve effecten voor de begroting op de lange termijn, mede door verhoging van de duurzame potentiële groei;
   b bis) het volgende lid wordt ingevoegd:"
2 bis.  Het convergentieprogramma is gebaseerd op het meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario of op een meer prudent scenario. De macro-economische en budgettaire prognoses worden vergeleken met de recentste prognoses van de Commissie en indien nodig die van andere onafhankelijke instanties. Aanzienlijke verschillen tussen het gekozen macrobudgettaire scenario en de Commissieprognoses worden beschreven en beargumenteerd, met name als het niveau of de groei van externe aannames aanzienlijk afwijkt van de waarden in de prognoses van de Commissie.
De exacte aard van de informatie in de punten a), a bis), b), c) en d) wordt omschreven in een door de Commissie in samenwerking met de lidstaten vast te stellen geharmoniseerd kader."
   c) lid 3 komt als volgt te luiden:"
3.  De gegevens over de ontwikkelingen van de overschot/tekortquote en de schuldquote van de overheid, de groei van de overheidsuitgaven, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid, de geplande, naar behoren gekwantificeerde discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde en de belangrijkste economische aannames als bedoeld in lid 2, onder a) en b), worden op jaarbasis verstrekt en hebben betrekking op het voorafgaande jaar, het lopende jaar en ten minste de drie volgende jaren."

4.  Elk programma omvat informatie over de status ervan in het kader van de nationale procedures, met name of het programma is gepresenteerd aan het nationale parlement, of het nationale parlement de kans heeft gekregen om te discussiëren over de beoordeling door de Raad van het voorgaande programma of, indien hiervan sprake is, over een aanbeveling of een waarschuwing en of het programma door het parlement is goedgekeurd..

7.  Artikel 8 komt als volgt te luiden:"

„Artikel 8

1.  De convergentieprogramma's worden jaarlijksingediend in april, bij voorkeur vóór medio april en uiterlijk 30 april.

2.  De lidstaten maken hun convergentieprogramma's openbaar.„.

"

8.  Artikel 9 komt als volgt te luiden:"

„Artikel 9

1.  Op basis van beoordelingen door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité toetst de Raad in het kader van het multilaterale toezicht op grond van artikel 121 van het VWEU de door de betrokken lidstaten in hun convergentieprogramma gepresenteerde budgettaire middellangetermijndoelstellingen, beoordeelt hij of de economische veronderstellingen waarop het programma is gebaseerd, realistisch zijn, of het aanpassingstraject richting de budgettaire middellangetermijndoelstelling, met inbegrip van het begeleidingstraject voor de schuldquote, passend is en of de met het oog op de inachtneming van het aanpassingstraject genomen of voorgenomen maatregelen afdoende zijn om de budgettaire middellangetermijndoelstelling gedurende de cyclus te halen en om duurzame convergentie te bereiken.

Bij de beoordeling van het aanpassingstraject richting de budgettaire middellangetermijndoelstelling nemen de Raad en de Commissie in aanmerking of in economisch goede tijden een grotere aanpassing wordt nagestreefd, terwijl in economisch slechte tijden een minder zware inspanning toelaatbaar is. Er wordt met name rekening gehouden met mee- en tegenvallers. Voor lidstaten die een schuldquote van meer dan 60% van het bbp hebben of een duidelijk risico lopen wat de algehele houdbaarheid van de schuldpositie betreft, onderzoekt de Raad of de jaarlijkse verbetering van het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, groter is dan 0,5% van het bbp. Voor WKM2-lidstaten onderzoeken de Raad en de Commissie of de betrokken lidstaat de jaarlijkse verbetering van zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, die nodig is om zijn budgettaire middellangetermijndoelstelling te bereiken, nastreeft, met 0,5% van het bbp als benchmark.

Of met betrekking tot de budgettaire middellangetermijndoelstelling voldoende vooruitgang is geboekt, wordt beoordeeld in het kader van een algehele evaluatie met het structurele saldo als referentie; deze evaluatie omvat een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde. Hiertoe beoordelen de Raad en de Commissie of het groeipad van de overheidsuitgaven, gezien in samenhang met het effect van de genomen of geplande maatregelen aan de ontvangstenzijde, ▌aan de volgende voorwaarden voldoet:

   a) voor lidstaten die de budgettaire middellangetermijndoelstelling hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse uitgavengroei niet hoger dan een referentiepercentage van potentiële bbp-groei op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd;
   b) voor lidstaten die de budgettaire middellangetermijndoelstelling nog niet hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse uitgavengroei niet hoger dan een percentage beneden een referentiepercentage van potentiële bbp-groei op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd. Het verschil tussen het groeitempo van de overheidsuitgaven en een referentiepercentage van potentiële bbp-groei op middellange termijn wordt op zodanige wijze bepaald dat een deugdelijke aanpassing richting de budgettaire middellangetermijndoelstelling wordt gewaarborgd;
   c) voor lidstaten die de budgettaire middellangetermijndoelstelling nog niet hebben verwezenlijkt, worden discretionaire verminderingen ▌van overheidsontvangsten door uitgavenreducties, door discretionaire verhogingen van andere overheidsontvangsten of door beide gecompenseerd.

In de totale uitgaven wordt geen rekening gehouden met de rente-uitgaven, de uitgaven in het kader van EU-programma's die volledig met inkomsten uit EU-fondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen.

Een overschrijding van de middellangetermijnreferenties voor de uitgavengroei wordt niet als een afwijking van de benchmark aangemerkt indien deze overschrijding volledig wordt gecompenseerd door bij wet geregelde stijgingen van de inkomsten.

Het middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp wordt vastgesteld op basis van toekomstgerichte prognoses en van op resultaten uit het verleden gebaseerde ramingen. De prognoses worden regelmatig ▌geactualiseerd. De Commissie maakt de berekeningsmethode voor de prognoses en het hieruit resulterende middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp openbaar.

Bij de bepaling van het aanpassingstraject richting budgettaire middellangetermijndoelstelling voor de lidstaten die dit doel nog niet hebben bereikt, en bij het toestaan van een tijdelijke afwijking van deze doelstelling voor lidstaten die de doelstelling wel hebben bereikt, met dien verstande dat er een passende veiligheidsmarge voor de inachtneming van de tekortreferentiewaarde gewaarborgd moet zijn, en dat een terugkeer naar de budgettaire middellangetermijndoelstelling binnen de programmaperiode wordt verwacht, houden de Raad en de Commissie rekening met de uitvoering van grote structurele hervormingen die op de lange termijn positieve effecten voor de begroting hebben, mede doordat zij de potentiële duurzame groei verhogen, en bijgevolg een verifieerbare positieve invloed op de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn hebben.

Bijzondere aandacht wordt besteed aan pensioenhervormingen die gepaard gaan met de invoering van een meerpijlerstelsel dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking omvat. De lidstaten die dergelijke hervormingen doorvoeren, wordt toegestaan van het aanpassingstraject richting budgettaire middellangetermijndoelstelling of van de doelstelling zelf af te wijken, met dien verstande dat de afwijking het bedrag van de directe incrementele gevolgen van de hervorming voor de overschot/tekortquote van de overheid moet weerspiegelen ▌en dat een passende veiligheidsmarge ten opzichte van de tekortreferentiewaarde wordt aangehouden.

De Raad en de Commissie onderzoeken voorts of de inhoud van het convergentieprogramma het verwezenlijken van duurzame en reële convergentie en de nauwere coördinatie van het economisch beleid bevordert en of het economisch beleid van de betrokken lidstaat strookt met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en met de werkgelegenheidsrichtsnoeren van de lidstaten en de Europese Unie. Voorts onderzoekt de Raad voor de WKM2-lidstaten of de inhoud van het convergentieprogramma een probleemloze deelname aan het wisselkoersmechanisme waarborgt.

Bij een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de algemene overheidsfinanciën of in perioden van ernstige economische neergang in de eurozone of in de EU als geheel, kan de lidstaten worden toegestaan tijdelijk af te wijken van het aanpassingstraject richting middellangetermijndoelstelling als bedoeld in de derde alinea, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.

2.  De toetsing van het convergentieprogramma door de Raad en de Commissie vindt plaats binnen ten hoogste drie maanden na de indiening van het programma. Op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité stelt de Raad indien nodig een advies over het programma vast. Indien de Raad overeenkomstig artikel 121 van het VWEU van mening is dat de doelstellingen en inhoud van het programma moeten worden aangescherpt met een bijzondere verwijzing naar het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling, verzoekt de Raad in zijn advies de betrokken lidstaat zijn programma aan te passen.„.

"

9.  Artikel 10 komt als volgt te luiden:"

„Artikel 10

1.  Als onderdeel van het multilaterale toezicht overeenkomstig artikel 121, lid 3, van het VWEU, volgen de Raad en de Commissie, op basis van de door de lidstaten met een derogatie verstrekte gegevens en de door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité verrichte evaluatie, de uitvoering van de convergentieprogramma's, met name om vast te stellen of de feitelijke of verwachte begrotingssituatie aanzienlijk afwijkt van de budgettaire middellangetermijndoelstelling, of van het passende aanpassingstraject in de richting van die doelstelling ▌.

Tevens volgen de Raad en de Commissie het economisch beleid van de niet-deelnemende lidstaten ▌tegen de achtergrond van de doelstellingen van het convergentieprogramma, teneinde zich ervan te vergewissen dat hun beleid op stabiliteit is gericht, en aldus onjuiste wisselkoersenverhoudingen en buitensporige schommelingen van de nominale wisselkoersen te voorkomen.

2.  Ingeval ▌een aanzienlijke afwijking van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling als bedoeld in artikel 9, lid 1, derde alinea, van deze verordening wordt vastgesteld, en ter voorkoming van een buitensporig tekort, richt de Commissie overeenkomstig artikel 121, lid 4 van het VWEU een waarschuwing tot de betrokken lidstaat ▌.

Binnen een maand na de aanneming van de in de eerste alinea genoemde vroege waarschuwing onderzoekt de Raad de situatie en neemt hij een aanbeveling voor de nodige beleidsmaatregelen aan op grond van een aanbeveling van de Commissie uit hoofde van artikel 121, lid 4. De aanbeveling stelt een termijn vast van uiterlijk vijf maanden om de afwijking te verhelpen. De termijn wordt ingekort tot drie maanden wanneer in de waarschuwing van de Commissie wordt bevonden dat de situatie bijzonder ernstig is en tot dringende maatregelen noopt. Op voorstel van de Commissie maakt de Raad de aanbeveling openbaar.

De betrokken lidstaat brengt binnen de door de Raad in de aanbeveling uit hoofde van artikel 121, lid 4, van het VWEU vastgestelde termijn verslag uit aan de Raad over het aan de genoemde aanbeveling gegeven gevolg.

Indien de betrokken lidstaat binnen de in de aanbeveling van de Raad vastgestelde termijn als bedoeld in de tweede alinea hieraan geen passend gevolg geeft, beveelt de Commissie de Raad onmiddellijk aan om een besluit vast te stellen dat geen effectieve actie is ondernomen. De Raad neemt dit besluit zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt. Tegelijk kan de Commissie de Raad aanbevelen een herziene aanbeveling inzake benodigde beleidsmaatregelen uit hoofde van artikel 121, lid 4, vast te stellen. De Raad zendt de Europese Raad een formeel verslag over de genomen besluiten toe.

Het proces vanaf de aanbeveling van de Raad als bedoeld in de tweede alinea tot het besluit van de Raad en het verslag aan de Europese Raad als bedoeld in de vierde alinea mag ten hoogste zes maanden duren.

3.  Een afwijking van de budgettaire middellangetermijndoelstelling of van het passende aanpassingstraject ter verwezenlijking ervan wordt beoordeeld op grond van een algehele evaluatie met het structurele saldo als referentie; deze evaluatie omvat een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde als omschreven in artikel 9, lid 1.

Bij de beoordeling of een afwijking ▌als aanzienlijk moet worden beschouwd, wordt met name rekening gehouden met de volgende criteria:

Voor een lidstaat die de budgettaire middellangetermijndoelstelling niet heeft bereikt: bij de beoordeling van de verandering van het structurele saldo, of de afwijking ▌ten minste 0,5% van het bbp in een enkel jaar of van gemiddeld ten minste 0,25% van het bbp per jaar in twee opeenvolgende jaren bedraagt; bij de beoordeling van de ontwikkeling van de uitgaven, ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde: of de afwijking een totale weerslag heeft op het overheidssaldo ter grootte van ten minste 0,5% van het bbp in een enkel jaar of een cumulatieve weerslag van die grootte binnen twee opeenvolgende jaren.

De afwijking in de ontwikkeling van de uitgaven wordt niet als aanzienlijk aangemerkt indien de betrokken lidstaat de budgettaire middellangetermijndoelstellingheeft overtroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van aanzienlijke meevallers aan de inkomstenzijde, en indien de begrotingsplannen van het stabiliteitsprogramma deze doelstelling tijdens de programmaperiode niet in gevaar brengen.

De afwijking kan eveneens als niet aanzienlijk worden aangemerkt wanneer deze het gevolg is van een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de overheid, dan wel in geval van een ernstige economische neergang van de eurozone of de EU als geheel, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.„.

"

9 bis.  De volgende afdeling wordt ingevoegd:"

'AFDELING 3 BIS

PRINCIPE VAN STATISTISCHE ONAFHANKELIJKHEID

Artikel 10 bis

Om ervoor te zorgen dat het multilaterale toezicht is gebaseerd op betrouwbare en onafhankelijke statistische gegevens, waarborgen de lidstaten de professionele onafhankelijkheid van de nationale statistische instanties, die in overeenstemming moet zijn met de praktijkcode Europese statistieken als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek*. Dit vereist ten minste:

   a) transparante aanwervings- en ontslagprocessen die uitsluitend gebaseerd zijn op professionele criteria;
   b) begrotingskredieten die op jaarlijkse of meerjarige basis worden vastgesteld;
   c) een publicatiedatum voor belangrijke statistische informatie die aanzienlijke tijd vooraf wordt bepaald.

* PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.

9 ter.  Het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel -11

1.  De Commissie onderhoudt conform de doelstellingen van deze verordening permanent contact met de autoriteiten van de lidstaten. Hiertoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit ter evaluatie van de huidige economische situatie in de lidstaten en ter identificatie van eventuele risico's of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening.

2.  Het toezicht kan worden versterkt voor lidstaten die het voorwerp vormen van op grond van artikel 6, lid 2, en artikel 10, lid 2, gedane aanbevelingen, meer bepaald in de vorm van toezicht ter plaatse. De betrokken lidstaten zorgen voor alle informatie die nodig is voor de voorbereiding en de uitvoering van de missie.

3.  Wanneer de betrokken lidstaat een lidstaat die de euro als munt heeft of die deelneemt aan het wisselkoersmechanisme ERM II, kan de Commissie indien wenselijk vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank verzoeken om deel te nemen aan toezichtmissies.

4.  De Commissie brengt bij de Raad verslag uit over het resultaat van de in lid 2 genoemde missie en kan indien nodig besluiten haar bevindingen openbaar te maken.

5.  Bij het organiseren van de in lid 2 genoemde toezichtmissies deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen voor commentaar mee aan de betrokken lidstaten.

"

9 quater.  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

Artikel 12 bis

Evaluatie

1.  Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze Verordening, en daarna elke vijf jaar, publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van deze Verordening.

In dat verslag wordt onder meer beoordeeld:

   a) de doeltreffendheid van de verordening,
   b) de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en de bereikte convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.

2.  Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze Verordening.

3.  Het verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

"

10.  Alle verwijzingen naar „artikel 99” worden in de gehele verordening vervangen door verwijzingen naar „artikel 121”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De voorzitter

(1) De zaak werd dan terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0178/2011).
(2)* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool █ aangegeven.
(3) PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.
(4) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.
(5) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.
(6) PB C 236 van 2.8.1997, blz. 1.
(7)+ Nummer en datum van de verordening.
(8)++ Nummer van de verordening.
(9)+ Nummer en datum van de richtlijn.


Handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied ***I
PDF 317kWORD 58k
Tekst
Geconsolideerde tekst
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 23 juni 2011 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied (COM(2010)0525 – C7-0299/2010 – 2010/0279(COD))(1)
P7_TA(2011)0292A7-0182/2011

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

[Amendement 2]

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT(2)
P7_TA(2011)0292A7-0182/2011
op het voorstel van de Commissie
P7_TA(2011)0292A7-0182/2011

-------------------------------------------------------

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 136, in samenhang met artikel 121, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(3),

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(-1)  Het verbeterde kader voor het economisch bestuur moet berusten op verschillende met elkaar verbonden beleidsmaatregelen voor duurzame groei en werkgelegenheid die onderling samenhang moeten vertonen, in het bijzonder een EU-strategie voor groei en arbeidsplaatsen, met bijzondere nadruk op de ontwikkeling en versterking van de interne markt, bevordering van internationale handel en concurrentievermogen, een effectief kader voor het voorkomen en corrigeren van buitensporige overheidstekorten (het stabiliteits- en groeipact), een robuust kader voor het voorkomen en corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden, minimumeisen voor nationale begrotingskaders, meer regulering van en toezicht op de financiële markten.

(-1 bis)  De Commissie moet in de procedure voor scherper toezicht een krachtiger rol spelen met betrekking tot beoordelingen van afzonderlijke lidstaten, monitoring, inspectiebezoeken, aanbevelingen en waarschuwingen.

(1)  De coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten binnen de Unie moet worden ontwikkeld in het kader van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de werkgelegenheidsrichtsnoeren, waarin het Verdrag voorziet, en impliceert de naleving van de volgende grondbeginselen: stabiele prijzen, gezonde en houdbare overheidsfinanciën en monetaire condities en een houdbare betalingsbalans.

(2)  De ervaring die in de eerste tien jaar van de economische en monetaire unie is opgedaan leert dat er in de Unie behoefte is aan een beter economisch bestuur, dat berust op een sterkere nationale betrokkenheid bij gezamenlijk aanvaarde regels en beleidsmaatregelen, en op een robuuster kader voor toezicht door de Unie op het economische beleid van de lidstaten.

(2 bis)  Het tot stand brengen en handhaven van een dynamische interne markt wordt beschouwd als onderdeel van de goede en vlotte werking van de Economische en Monetaire Unie.

(3)  In het bijzonder moet het toezicht op het economisch beleid van de lidstaten worden verruimd tot meer dan louter budgettair toezicht om buitensporige macro-economische onevenwichtigheden te voorkomen en om de betrokken lidstaten te helpen corrigerende plannen uit te werken voordat de verschillen een blijvend karakter krijgen en voordat economische en financiële ontwikkelingen blijvend omslaan in een uiterst ongunstige richting. Deze verruiming moet gepaard gaan met een verdieping van het begrotingstoezicht.

(4)  Om dergelijke onevenwichtigheden te helpen aanpakken, is een wettelijk vastgelegde procedure noodzakelijk.

(5)  Het is passend het in artikel 121, de leden 3 en 4, VWEU bedoelde multilaterale toezicht aan te vullen met specifieke bepalingen voor de detectie, preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden. Het is van essentieel belang dat de procedure wordt verankerd in de jaarlijkse cyclus voor multilateraal toezicht.

(5 bis)  Betrouwbare statistische gegevens vormen de basis voor toezicht op macro-economische onevenwichtigheden. Teneinde over betrouwbare en onafhankelijke statistische gegevens te beschikken, waarborgen de lidstaten de professionele onafhankelijkheid van de nationale statistische instanties, die in overeenstemming moet zijn met de praktijkcode Europese statistieken als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 223/2009. Voor toezicht op macro-economische onevenwichtigheden is daarnaast de beschikbaarheid van betrouwbare begrotingsgegevens belangrijk. Dit moet worden gewaarborgd door de desbetreffende regels in Verordening (EU) nr. [.../...] betreffende doeltreffend begrotingstoezicht in het eurogebied, in het bijzonder artikel 6 bis daarvan.

(5 ter)  Versterking van het economisch bestuur moet onder andere betekenen dat het Europees Parlement en de nationale parlementen nauwer en vroeger bij de zaak worden betrokken. De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 3 van deze Verordening betrekking heeft, de mogelijkheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling.

(6)  De handhaving van Verordening (EU) nr. […/…] moet worden versterkt door rentedragende deposito's in te stellen in het geval van niet-naleving van de aanbeveling om corrigerende maatregelen te nemen, die worden omgezet in een jaarlijkse boete in het geval binnen dezelfde onevenwichtighedenprocedure herhaaldelijk geen gevolg wordt gegeven aan de aanbeveling om buitensporige macro-economische onevenwichtigheden aan te pakken. Deze handhavingsmaatregelen moeten worden toegepast voor lidstaten die de euro als munt hebben ▌.

(8)  Indien geen gevolg wordt gegeven aan aanbevelingen van de Raad wordt de rentedragende deposito ingesteld of wordt de boete opgelegd tot de Raad heeft uitgemaakt dat er corrigerende maatregelen zijn getroffen om gevolg te geven aan de aanbevelingen.

(9)  Het herhaaldelijk nalaten door een lidstaat een plan met corrigerende maatregelen op te stellen om gevolg te geven aan de aanbeveling van de Raad, moet eveneens als regel met een jaarlijkse boete worden bestraft tot de Raad heeft uitgemaakt dat de lidstaat in een plan met corrigerende maatregelen heeft voorzien dat voldoende gevolg geeft aan zijn aanbeveling.

(10)  Om te zorgen voor gelijke behandeling tussen lidstaten moeten de rentedragende deposito en de boete identiek zijn voor alle lidstaten die de euro als munt hebben, namelijk 0,1 % van het bbp van het bruto binnenlands product (bbp) van de betrokken lidstaat in het vorige jaar.

(10 bis)  De Commissie moet ook kunnen aanbevelen een boete op grond van buitengewone economische omstandigheden te verlagen of te annuleren.

(11)  De procedure voor de toepassing van de sancties op de lidstaten die nalaten effectieve maatregelen te nemen om de buitensporige macro-economische onevenwichtigheden te corrigeren moet in die zin worden opgevat dat de toepassing van de sanctie op deze lidstaten de regel en niet de uitzondering zou zijn.

(12)  De in artikel 3 van deze verordening bedoelde boeten vormen andere ontvangsten als bedoeld in artikel 311 van het Verdrag en worden toegewezen aan stabilisatiemechanismen voor de verlening van financiële steun die door de lidstaten die de euro als munt hebben, worden ingesteld teneinde de stabiliteit van de eurozone in haar geheel te waarborgen.

(13)  De bevoegdheid om individuele besluiten te nemen voor de in deze verordening bepaalde toepassing van de sanctie, moet aan de Raad worden verleend. In het kader van de binnen de Raad geleide coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten als bedoeld in artikel 121, lid 1, VWEU, vormen deze individuele besluiten een integrerend vervolg op de door de Raad overeenkomstig artikel 121 VWEU en Verordening (EU) nr. […/…] genomen maatregelen.

(14)  Aangezien deze verordening algemene bepalingen bevat voor de effectieve handhaving van Verordening (EU) nr. [.../...], moet deze worden vastgesteld overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure als bedoeld in artikel 121, lid 6, van het Verdrag.

(15)  Aangezien een effectief kader voor detectie en preventie van macro-economische onevenwichtigheden niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt vanwege de sterke commerciële en financiële verwevenheid tussen de lidstaten en de overloopeffecten van nationaal economisch beleid op de Unie en het eurogebied als geheel, en beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Deze verordening stelt een systeem van sancties vast voor de effectieve correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied.

2.  Deze verordening is van toepassing op lidstaten die de euro als munt hebben.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. […/…].

Voorts wordt verstaan onder:

„uitzonderlijke economische omstandigheden”: omstandigheden waarin een overschrijding door een overheidstekort van de referentiewaarde als uitzonderlijk wordt beschouwd in de zin van artikel 126, lid 2, onder a), tweede streepje, VWEU en zoals gespecificeerd in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad(5).

Artikel 3

Sancties

1.  Op aanbeveling van de Commissie wordt bij besluit van de Raad een rentedragend deposito opgelegd indien: overeenkomstig artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. .../2011 een besluit van de Raad betreffende corrigerende maatregelen is vastgesteld en de Raad concludeert dat de betrokken lidstaat de aanbevolen corrigerende maatregelen niet heeft genomen na de aanbeveling.

-1 bis.  Op aanbeveling van de Commissie wordt bij besluit van de Raad een jaarlijkse boete opgelegd indien:

   (a) binnen dezelfde onevenwichtighedenprocedure twee opeenvolgende aanbevelingen van de Raad zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. […/…], en de Raad concludeert dat het door de betrokken lidstaat ingediende actieplan met corrigerende maatregelen niet volstaat,
   (b) binnen dezelfde onevenwichtighedenprocedure twee opeenvolgende besluiten van de Raad zijn vastgesteld waarin wordt geconcludeerd dat sprake is van niet-naleving overeenkomstig artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. […/…],

De boete wordt opgelegd door omzetting van het opgelegde rentedragende deposito in een jaarlijkse boete overeenkomstig artikel 3, lid 1.

1 ter.  De in de leden 1 en 1 bis bedoelde besluiten worden geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij hij, binnen tien dagen na de aanneming van de aanbeveling door de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling te verwerpen. De Raad kan de aanbeveling met gekwalificeerde meerderheid wijzigen.

1 quater.  De Commissie vaardigt haar aanbeveling voor een besluit van de Raad uit binnen twintig dagen nadat de in de leden 1 en 1 bis bedoelde voorwaarden vervuld zijn.

2.  De rentedragende deposito of de jaarlijkse, door de Commissie aan te bevelen boete is 0,1 % van het bbp van de betrokken lidstaat in het vorige jaar.

3.  In afwijking van lid 2 kan de Commissie op grond van uitzonderlijke economische omstandigheden of op een met redenen omkleed verzoek van de betrokken lidstaat dat binnen tien dagen na aan de in de leden 1 en 1 bis bedoelde voorwaarden is voldaan aan de Commissie wordt gericht, voorstellen het bedrag van de rentedragende deposito te verminderen of te annuleren.

4.  Als een lidstaat voor een bepaald kalenderjaar een rentedragende deposito heeft vastgezet of een jaarlijkse boete heeft betaald en de Raad daarna overeenkomstig artikel 10, lid 1, concludeert dat de lidstaat de aanbevolen corrigerende maatregelen in de loop van dat jaar genomen heeft, wordt de voor dat jaar vastgezette deposito, met rente, of de voor dat jaar betaalde boete aan de lidstaat pro rata temporis terugbetaald.

Artikel 4

Toewijzing van de boeten

De in artikel 3 van deze verordening bedoelde boeten vormen andere ontvangsten als bedoeld in artikel 311 van het Verdrag en worden toegewezen aan de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit. Wanneer de lidstaten die de euro als munt hebben een ander stabilisatiemechanisme voor de verlening van financiële steun instellen teneinde de stabiliteit van de eurozone in haar geheel te waarborgen, zullen de boeten aan laatstgenoemd mechanisme worden toegewezen.

Artikel 5

Stemming binnen de Raad

Met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde maatregelen hebben alleen de leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen welke de euro als munt hebben, stemrecht en besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

Een gekwalificeerde meerderheid van de in het eerste alinea vermelde leden van de Raad wordt bepaald overeenkomstig artikel 238, lid 3, onder a), van het Verdrag.

Artikel 5 bis

Economische dialoog

Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te bevorderen en te zorgen voor meer transparantie en aansprakelijkheid, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en indien nodig de voorzitter van de eurogroep in de commissie uitnodigen om de besluiten overeenkomstig artikel 3 van deze verordening te bespreken.

De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop dergelijke besluiten betrekking hebben, de mogelijkheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling.

Artikel 5 ter

Evaluatieclausule

1.  Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze Verordening, en daarna elke vijf jaar, publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van deze Verordening. In dat verslag wordt onder meer beoordeeld:

   a) de doeltreffendheid van de verordening,
   b) de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en de bereikte convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het Verdrag

2.  Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze Verordening.

3.  Het verslag en eventuele begeleidende voorstellen worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) De zaak werd dan terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0182/2011).
(2)* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool █ aangegeven.
(3) PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1
(4) PB C ...
(5) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.


Consumentenrechten ***I
PDF 290kWORD 68k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenrechten (COM(2008)0614 – C6-0349/2008 – 2008/0196(COD))
P7_TA(2011)0293A7-0038/2011

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0614),

–  gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 95 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0349/2008),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665),

–  gelet op artikel 294, lid 3, en artikel 114, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 juli 2009(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 22 april 2009(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 15 juni 2011 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie juridische zaken en de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0038/2011),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  hecht zijn goedkeuring aan de bij deze resolutie gevoegde verklaring;

3.  neemt nota van de gezamenlijke verklaring van het Hongaarse Raadsvoorzitterschap en van de komende Poolse, Deense en Cypriotische Raadsvoorzitterschappen, die als bijlage bij deze resolutie gaat;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 juni 2011 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2011/.../EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad

P7_TC1-COD(2008)0196


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2011/83/EU.)

BIJLAGE

Verklaring van het Europees Parlement over concordantietabellen

Het Europees Parlement betreurt het feit dat de Raad niet bereid was in te stemmen met de verplichte publicatie van concordantietabellen in het kader van het voorstel voor een richtlijn inzake consumentenrechten. Hierbij wordt verklaard dat de overeenstemming die tussen het Europees Parlement en de Raad tijdens de trialoog van 6 juni 2011 is bereikt over deze Richtlijn niet vooruitloopt op de uitkomst van de interinstitutionele onderhandelingen over concordantietabellen.

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie het Parlement binnen twaalf maanden na de aanneming van deze overeenkomst in de plenaire vergadering op de hoogte te stellen van en aan het eind van de overgangsperiode een verslag op te stellen over de praktijk van de lidstaten om hun eigen tabellen op te stellen, die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen met elkaar overeenkomen, en om de resultaten openbaar te maken.

Het Europees Parlement is verheugd dat is overeengekomen in de Richtlijn inzake consumentenrechten de verplichting op te nemen dat de bepalingen in deze richtlijn, in Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en in Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad die de lidstaten een regelgevingskeuze laten (de artikelen 29, 32 en 33), openbaar moeten worden gemaakt.

Verklaring van het Hongaarse Raadsvoorzitterschap en van de komende Poolse, Deense en Cypriotische Raadsvoorzitterschappen over concordantietabellen

Hierbij wordt verklaard dat de overeenstemming die tussen de Raad en het Europees Parlement tijdens de trialoog van 6 juni 2011 is bereikt over de Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over consumentenrechten, en tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG en Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad niet vooruitloopt op de uitkomst van de interinstitutionele onderhandelingen over concordantietabellen.

(1) PB C 317 van 23.12.2009, blz. 54.
(2) PB C 200 van 25.8.2009, blz. 76.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen aangenomen op 24 maart 2011 (Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0116).


Bepalingen voor trekkers die in het kader van de flexibele regeling in de handel zijn gebracht ***I
PDF 198kWORD 32k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2000/25/EG wat betreft de bepalingen voor trekkers die in het kader van de flexibele regeling in de handel zijn gebracht (COM(2010)0607 – C7-0342/2010 – 2010/0301(COD))
P7_TA(2011)0294A7-0091/2011

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0607),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0342/2010),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 februari 2011(1),

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0091/2011),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 juni 2011 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2011/…/EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2000/25/EG wat betreft de voorschriften voor trekkers die in het kader van de flexibele regeling in de handel zijn gebracht

P7_TC1-COD(2010)0301


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2011/72/EU.)

(1) PB C 107 van 6.4.2011, blz. 26.


Beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval *
PDF 484kWORD 367k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (COM(2010)0618 – C7-0387/2010 – 2010/0306(NLE))
P7_TA(2011)0295A7-0214/2011

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2010)0618),

–  gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en met name de artikelen 31 en 32 van dat Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0387/2010),

–  gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0214/2011),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  In artikel 2, onder b), van het Verdrag is bepaald dat er uniforme veiligheidsnormen voor de bescherming van de gezondheid van werknemers en de bevolking moeten worden vastgesteld.
(1)  In artikel 2, onder b), van het Euratom-Verdrag is bepaald dat er uniforme veiligheidsnormen voor de bescherming van de gezondheid van werknemers en de bevolking moeten worden vastgesteld.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  In artikel 30 van het Verdrag is bepaald dat basisnormen moeten worden vastgesteld voor de bescherming van de gezondheid van werknemers en de bevolking tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren.
(2)  In artikel 30 van het Euratom-Verdrag is bepaald dat basisnormen moeten worden vastgesteld voor de bescherming van de gezondheid van werknemers en de bevolking tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Overeenkomstig artikel 37 van het Verdrag zijn dat lidstaten ertoe gehouden om aan de Commissie algemene gegevens te verstrekken van elk plan voor de opberging van radioactief afval.
(3)  Overeenkomstig artikel 37 van het Euratom-Verdrag zijn de lidstaten ertoe gehouden om aan de Commissie algemene gegevens te verstrekken van elk plan voor de opberging van radioactief afval.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 19891 voorziet in de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.
1 PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vastlegging van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren22 is van toepassing op alle handelingen die een risico kunnen inhouden door ioniserende straling afkomstig van hetzij een kunstmatige stralingsbron, hetzij een natuurlijke stralingsbron ingeval de natuurlijke radionucliden worden of zijn bewerkt wegens hun radioactieve, splijt- of kweekeigenschappen. De richtlijn heeft ook betrekking op de lozingen van materiaal dat bij dergelijke handelingen vrijkomt. De bepalingen van de richtlijn zijn aangevuld met meer specifieke wetgeving.
(4)  Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 199622legt de basisnormen voor veiligheid vast. Deze richtlijn is van toepassing op alle handelingen die een risico kunnen inhouden door ioniserende straling afkomstig van hetzij een kunstmatige stralingsbron, hetzij een natuurlijke stralingsbron ingeval de natuurlijke radionucliden worden of zijn bewerkt wegens hun radioactieve, splijt- of kweekeigenschappen. De richtlijn heeft ook betrekking op de lozingen van materiaal dat bij dergelijke handelingen vrijkomt. De bepalingen van de richtlijn zijn aangevuld met meer specifieke wetgeving.
22 PB L 159 van 29.6.1996, blz. 1.
22 Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PB L 159 van 29.6.1996, blz. 1).

Amendement 131
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Aangezien noch het Euratom-verdrag, noch het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie het Parlement medebeslissingsrecht met betrekking tot nucleaire zaken toekent, is het van cruciaal belang dat een nieuwe rechtsgrond wordt gevonden voor eventuele toekomstige nucleaire wetgeving.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)  De drie voormalige kandidaat-lidstaten Litouwen, Slowakije en Bulgarije exploiteerden oude kerninstallaties naar Russisch ontwerp, die niet op een bedrijfseconomische wijze konden worden verbeterd om te voldoen aan Europese veiligheidsnormen; dit maakte de sluiting en daaropvolgende ontmanteling van deze installaties noodzakelijk.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 ter (nieuw)
(15 ter)  De ontmanteling van de kerninstallaties van deze drie lidstaten legde op hen een aanzienlijke financiële en economische last, die zij niet volledig konden dragen, en derhalve stelde de Unie financiële middelen aan deze lidstaten beschikbaar, die bestemd waren om een deel van de kosten voor ontmanteling en afvalprojecten te dekken en om de economische gevolgen te compenseren.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  In 2006 heeft de IAEA zijn volledige normencorpus gemoderniseerd en de fundamentele veiligheidsbeginselen1 gepubliceerd die werden onderschreven door Euratom, OESO/NEA en andere internationale organisaties. Zoals door de ondersteunende organisaties wordt gesteld, moet de toepassing van de fundamentele veiligheidsbeginselen de toepassing van internationale veiligheidsnormen mogelijk maken en moet dit ertoe leiden dat de maatregelen van de verschillende landen beter op elkaar aansluiten. Het is dan ook wenselijk dat alle landen deze beginselen onderschrijven en promoten. De beginselen zijn bindend voor wat de werking van de IAEA betreft en zijn bindend voor landen met betrekking tot operaties die gebeuren met de steun van de IAEA. Landen of ondersteunende organisaties kunnen, indien zij dat wensen, de beginselen overnemen en op hun eigen activiteiten toepassen.
(18)  In 2006 heeft de IAEA zijn volledige normencorpus gemoderniseerd en de fundamentele veiligheidsbeginselen1 gepubliceerd die werden ontwikkeld door Euratom, OESO/NEA en andere internationale organisaties. Zoals door de ondersteunende organisaties wordt gesteld, moet de toepassing van de fundamentele veiligheidsbeginselen de toepassing van internationale veiligheidsnormen mogelijk maken en moet dit ertoe leiden dat de maatregelen van de verschillende landen beter op elkaar aansluiten. Het is dan ook wenselijk dat alle landen deze beginselen onderschrijven en promoten. De beginselen zijn bindend voor wat de werking van de IAEA betreft en zijn bindend voor landen met betrekking tot operaties die gebeuren met de steun van de IAEA. Landen of ondersteunende organisaties kunnen, indien zij dat wensen, de beginselen overnemen en op hun eigen activiteiten toepassen.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  Het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden verleent het publiek rechten en legt de verdragspartijen en de overheden verplichtingen op met betrekking tot de toegang tot informatie, inspraak en toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden, waaronder het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)  De Internationale Arbeidsorganisatie heeft een verdrag1 en een aanbeveling2 betreffende stralingsbescherming aangenomen, die gelden voor alle activiteiten waarbij werknemers bij de uitoefening van werkzaamheden worden blootgesteld aan ioniserende straling en die vereisen dat er passende stappen worden genomen om de doeltreffende bescherming van werknemers in het licht van de huidige kennis te waarborgen.
1 C115 Verdrag betreffende de beveiliging van werknemers tegen ioniserende stralen, aangenomen op 22 juni 1960.
2R114 Aanbeveling betreffende de beveiliging van werknemers tegen ioniserende stralen, aangenomen op 22 juni 1960.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Het Europees Parlement heeft tevens vastgesteld dat in iedere lidstaat alle nucleaire ondernemingen voldoende financiële middelen beschikbaar zouden moeten hebben om alle kosten van ontmanteling, inclusief afvalverwerking, te dekken met het oog op handhaving van het beginsel „de vervuiler betaalt” en om te voorkomen dat een beroep wordt gedaan op overheidssteun, en heeft de Commissie opgeroepen om nauwkeurige definities vast te stellen met betrekking tot het gebruik van financiële middelen die bestemd zijn voor de ontmanteling van kerncentrales in elke lidstaat, rekening houdend met de ontmanteling en het beheer, de conditionering en de definitieve opberging van het vrijkomende radioactief afval1.
1Resolutie van het Europees Parlement van 16 november 2005 over het gebruik van de financiële middelen voor de ontmanteling van kerncentrales (PB C 280 E van 18.11.2006, blz. 117)
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)  Zowel in de Unie als wereldwijd groeit het besef dat een verantwoord gebruik van kernenergie, waarin vooral aandacht wordt besteed aan nucleaire veiligheid, noodzakelijk is. In deze context dient de problematiek van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval te worden onderzocht om een veilig, optimaal en duurzaam gebruik van kernenergie te kunnen waarborgen.
(23)  Vooral na het recente ernstige kernongeluk in Japan groeit zowel in de Unie als wereldwijd het besef dat het verscherpen van de regels met betrekking tot nucleaire veiligheid noodzakelijk is. In deze context dient de gewichtige problematiek van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval te worden onderzocht om een veilige, optimale en duurzame opslag en/of definitieve opberging te kunnen waarborgen.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)  Daarbij dient te worden aangetekend dat een zeer groot deel van de verbruikte splijtstof kan worden hergebruikt. Dit betekent dat niet alleen rekening gehouden moet worden met de opslag van eindafval, maar ook met het hergebruik van verbruikte splijtstof.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25
(25)  De werking van kernreactoren brengt tevens verbruikte splijtstof voort. Iedere lidstaat kan zelf zijn beleid inzake de splijtstofcyclus vastleggen en verbruikte splijtstof beschouwen als een waardevolle grondstof die kan worden opgewerkt, of beslissen om die verbruikte splijtstof als afval te verwijderen. Ongeacht de gekozen optie moet er worden nagedacht over de opberging van het hoogactieve afval dat bij de opwerking vrijkomt, of van de verbruikte splijtstof die als afval wordt beschouwd.
(25)  De werking van kernreactoren brengt tevens verbruikte splijtstof voort. Iedere lidstaat kan zelf zijn beleid inzake de splijtstofcyclus vastleggen en verbruikte splijtstof beschouwen als een waardevolle grondstof die kan worden opgewerkt en gerecycled, of beslissen om die verbruikte splijtstof als afval te verwijderen. Ongeacht de gekozen optie moet er worden nagedacht over de opberging van het hoogactieve afval dat bij de opwerking vrijkomt, of van de verbruikte splijtstof die als afval wordt beschouwd.
Amendement 115
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  In bassins opgeslagen verbruikte splijtstof vormt een bijkomende potentiële bron van radioactiviteit in het milieu, vooral als de afkoelbassins niet meer zijn afgedekt.
Amendement 132
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 27
(27)  Radioactief afval, met inbegrip van verbruikte splijtstof die als afval wordt beschouwd, vergt langdurige inkapseling en isolatie van de mens en het levende milieu. De specifieke aard ervan (het radionuclidengehalte) vereist dat er maatregelen worden genomen om de gezondheid van mens en milieu te beschermen tegen de gevaren van ioniserende straling, inclusief berging in aangepaste faciliteiten als eindpunt van de beheercyclus. Opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, is een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.
(27)  Radioactief afval, met inbegrip van verbruikte splijtstof die als afval wordt beschouwd, vergt geschikte conditionering, langdurige inkapseling en isolatie van de mens en het levende milieu. De specifieke aard ervan (het radionuclidengehalte) vereist dat er maatregelen worden genomen om de gezondheid van mens en milieu te beschermen tegen de gevaren van ioniserende straling, inclusief berging in aangepaste faciliteiten als eindpunt van de beheercyclus, met de mogelijkheid het afval terug te halen op basis van het omkeerbaarheidsbeginsel. Opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, is een tijdelijke oplossing.
Amendement 133
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 27 bis (nieuw)
(27 bis)  De gevaren van de verwijdering van radioactief afval zijn door het ongeval in Fukushima duidelijk geworden en soortgelijke ongevallen kunnen plaatsvinden in bestaande of toekomstige nucleaire installaties in de Unie en haar buurlanden waar een verhoogd risico van aardbevingen of tsunami's bestaat, zoals in Akkuyu (Turkije). De Unie moet alle passende maatregelen nemen om de opslag van radioactief afval in deze gebieden te vermijden.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28
(28)  Deze regelingen moeten worden ondersteund door een nationaal systeem voor de indeling van radioactieve afvalstoffen, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de specifieke soorten radioactieve afvalstoffen en de kenmerken daarvan. De nader omschreven criteria op basis waarvan afval wordt ingedeeld in een bepaalde klasse, hangen af van de specifieke situatie van het land in kwestie, rekening houdend met de aard van het afval en de beschikbare of in overweging genomen bergingsopties.
(28)  Deze regelingen moeten worden ondersteund door een nationaal systeem voor de indeling van radioactieve afvalstoffen, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de specifieke soorten radioactieve afvalstoffen en de kenmerken daarvan. De nader omschreven criteria op basis waarvan afval wordt ingedeeld in een bepaalde klasse, hangen af van de specifieke situatie van het land in kwestie, rekening houdend met de aard van het afval en de beschikbare of in overweging genomen bergingsopties. Om de communicatie en de uitwisseling van informatie tussen lidstaten te vergemakkelijken en te zorgen voor transparantie, moet het nationale programma een gedetailleerde beschrijving van het indelingssysteem bevatten.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 29
(29)  Het typische concept voor de opberging van kortlevend laag- en middelactief afval is ondiepe berging. Na 30 jaar van onderzoek wordt algemeen in technische zin aanvaard dat diepe geologische berging de meest veilige en duurzame keuze is als eindpunt voor het beheer van hoogactief afval en van als afval beschouwde verbruikte splijtstof. Er dient bijgevolg te worden gewerkt aan de toepassing van de bergingsoptie.
(29)  Concepten voor de opberging van kortlevend laag- en middelactief afval variëren van ondiepe berging (in gebouwen, begraven op geringe diepte of begraven op enkele tientallen meters onder het oppervlak) tot ultramoderne opberging in geologische opslagplaatsen op 70 tot 100 meter ondergronds. Bijna al het langlevend laag- en middelactief radioactief afval wordt opgeslagen. Na 30 jaar van onderzoek is de uitvoerbaarheid van diepe geologische berging wetenschappelijk aangetoond en dit kan een veilige en economische keuze zijn als eindpunt voor het beheer van hoogradioactief afval. De activiteiten die door het „Implementing Geological Disposal of Radioactive Waste Technology Platform” (IGD-TP) worden uitgevoerd, kunnen expertise en technologie op dit gebied ontsluiten. Er worden ook verschillende andere opties onderzocht, zoals aangelegde opslagfaciliteiten aan of vlakbij het oppervlak, plaatsing in droog gesteente of opberging in diepe boorgaten (3 000 tot 5 000 meter diep), met de mogelijkheid het afval weer op te delven en terug te halen. Alle opties dienen bijgevolg verder bestudeerd te worden.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 29 bis (nieuw)
(29 bis)  In het licht van het onderzoek naar verwijdering van radioactief afval door transformatie of andere manieren om het stralingsniveau en de levensduur te reduceren, moet ook lange termijn opslag van radioactief afval in diep gelegen geologische formaties, op een manier die het mogelijk maakt om het afval terug te halen, worden overwogen.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 30
(30)  Hoewel iedere lidstaat verantwoordelijk is voor zijn beleid inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, dient dat beleid de desbetreffende fundamentele veiligheidsbeginselen zoals vastgelegd door de IAEA in acht te nemen. Iedere lidstaat heeft de ethische plicht om ervoor te zorgen dat toekomstige generaties geen te zware last ondervinden van de verbruikte splijtstof en het radioactief afval van vandaag en van het afval dat de ontmanteling van de bestaande kerninstallaties naar verwachting met zich mee zal brengen.
(30)  Hoewel iedere lidstaat verantwoordelijk is voor zijn beleid inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, dient dat beleid niet enkel de desbetreffende fundamentele veiligheidsbeginselen zoals vastgelegd door de IAEA in acht te nemen, maar ook de hoogste veiligheidsnormen op te leggen, die een afspiegeling zijn van de beste praktijken op regelgevend en operationeel niveau en de beste beschikbare techniek (BBT). Iedere lidstaat heeft de ethische plicht om ervoor te zorgen dat toekomstige generaties geen te zware last ondervinden van de verbruikte splijtstof en het radioactief afval uit het verleden en van vandaag en van het afval dat de ontmanteling van de bestaande kerninstallaties naar verwachting met zich mee zal brengen. De lidstaten dienen derhalve een ontmantelingsbeleid in te voeren dat waarborgt dat installaties op de meest veilige manier en zo spoedig mogelijk na de sluiting ervan worden ontmanteld.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31
(31)  Met het oog op een verantwoord beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval dient iedere lidstaat een nationaal kader vast te leggen dat borg staat voor politieke toezeggingen en stapsgewijze besluitvorming op basis van aangepaste wetgeving, regelgeving en organisatie waarbij de verantwoordelijkheden duidelijk zijn vastgelegd.
(31)  Met het oog op een verantwoord beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval dient iedere lidstaat een nationaal kader vast te leggen dat borg staat voor politieke toezeggingen en stapsgewijze besluitvorming, in overeenstemming met het Verdrag van Aarhus, op basis van aangepaste wetgeving, regelgeving en organisatie waarbij de verantwoordelijkheden duidelijk zijn vastgelegd.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32 bis (nieuw)
(32 bis)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er toereikende financiering beschikbaar is voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval en de opslag daarvan.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32 ter (nieuw)
(32 ter)  Er moet meer geld worden toegewezen aan energieprojecten, met inbegrip van de mogelijkheid van toekomstige ontmantelingsprojecten en dientengevolge van afvalbeheerprojecten.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 33
(33)  Er moet een nationaal programma worden uitgewerkt om ervoor te zorgen dat de politieke beslissingen worden omgezet in duidelijke bepalingen die borg staan voor de tijdige uitvoering van alle stappen inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, van productie tot berging. Dit progamma moet alle activiteiten omvatten die betrekking hebben op de hantering, voorbehandeling, behandeling, bewerking, opslag en berging van radioactief afval. Het nationale programma kan een referentiedocument of reeks van documenten zijn.
(33)  Er moet een nationaal programma worden uitgewerkt om ervoor te zorgen dat de politieke beslissingen worden omgezet in duidelijke bepalingen die borg staan voor de tijdige uitvoering van alle stappen inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, van productie tot berging. Dit programma moet alle activiteiten omvatten die betrekking hebben op de hantering, voorbehandeling, behandeling, bewerking, opslag en berging van radioactief afval en verbruikte splijtstof, en moet stroken met de beginselen van het Verdrag van Aarhus. Het nationale programma kan een referentiedocument of reeks van documenten zijn.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 34 bis (nieuw)
(34 bis)  In de hele keten van beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval moeten de werknemers beschermd worden en gedekt zijn door wetgeving inzake gezondheid en veiligheid, ongeacht hun activiteit of status, en de gevolgen op lange termijn voor gezondheid en veiligheid van werknemers moeten in ieder beheersinstrument voor verbruikte splijtstof en radioactief afval in aanmerking worden genomen. De wetgeving van de Europese Unie, en de wetgeving van de lidstaten, inzake de gezondheid en veiligheid op het werk is ook van toepassing op werknemers die betrokken zijn bij het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, en niet-naleving van die wetgeving moet onmiddellijk en zwaar worden bestraft.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 35
(35)  Transparantie is belangrijk bij het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval. Daarom moet een doeltreffende voorlichting van het publiek worden opgelegd en moeten alle betrokkenen de kans krijgen om deel te nemen aan het besluitvormingsproces.
(35)  Transparantie is belangrijk bij het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval en het is van cruciaal belang dat de bevolking vertrouwen heeft in de beginselen die de veiligheid van opslagplaatsen regelen en in de programma's voor afvalbeheer. Daarom moet een doeltreffende voorlichting van het publiek worden verzekerd en moeten alle betrokkenen, lokale en regionale autoriteiten en het publiek de kans krijgen om deel te nemen aan het besluitvormingsproces.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36
(36)  Samenwerking tussen lidstaten en op internationaal niveau kan zorgen voor toegang tot expertise en technologie waardoor besluitvorming kan worden vergemakkelijkt en versneld.
(36)  Samenwerking tussen lidstaten en op internationaal niveau kan zorgen voor toegang tot hoogwaardige expertise en technologie, alsmede tot beste praktijken, waardoor besluitvorming kan worden vergemakkelijkt en versneld.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 37
(37)  Een aantal lidstaten is van mening dat het delen van faciliteiten voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, met inbegrip van bergingsfaciliteiten, een mogelijk positieve optie is wanneer die is gebaseerd op een akkoord tussen de betrokken lidstaten.
(37)  Een aantal lidstaten is van mening dat het delen van faciliteiten voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, met inbegrip van bergingsfaciliteiten, een mogelijk veilige en kosteneffectieve optie is wanneer die is gebaseerd op een akkoord tussen de betrokken landen. Het is in dit verband van belang dat specifieke oplossingen , bijvoorbeeld reeds bestaande overeenkomsten over verbruikte splijtstof die afkomstig is van onderzoeksreactors, niet a priori onmogelijk wordt gemaakt. Deze richtlijn moet de voorwaarden vaststellen, waaraan moet zijn voldaan voordat een begin wordt gemaakt met dergelijke gezamenlijke projecten.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39
(39)  De veiligheidsanalyse en de graduele aanpak moeten de basis vormen voor beslissingen die betrekking hebben op de ontwikkeling, werking en sluiting van een bergingsfaciliteit, en moeten het mogelijk maken om domeinen te identificeren waarover onzekerheid bestaat en waaraan aandacht moet worden besteed om een beter inzicht te krijgen in die aspecten die een invloed hebben op de veiligheid van het bergingssysteem, inclusief natuurlijke en kunstmatige barrières en de verwachte ontwikkeling daarvan in verloop van de tijd. De veiligheidsanalyse moet de resultaten van de veiligheidsbeoordeling bevatten, alsook informatie over de degelijkheid en betrouwbaarheid van de veiligheidsbeoordeling en de veronderstellingen die daarin zijn gemaakt. Deze overwegingen dienen daarom argumenten en bewijzen te leveren met betrekking tot de veiligheid van een faciliteit of activiteit die gerelateerd is aan het beheer van verbruikte splijtstof of radioactief afval.
(39)  De veiligheidsanalyse en de graduele aanpak moeten de basis vormen voor beslissingen die betrekking hebben op de ontwikkeling, werking en sluiting van een bergingsfaciliteit, en moeten het mogelijk maken om domeinen te identificeren waarover onzekerheid bestaat en waaraan aandacht moet worden besteed om een beter inzicht te krijgen in die aspecten die een invloed hebben op de veiligheid van het bergingssysteem, inclusief natuurlijke en kunstmatige barrières en de verwachte ontwikkeling daarvan in verloop van de tijd. De veiligheidsanalyse moet de resultaten van de veiligheidsbeoordeling bevatten, alsook informatie over de degelijkheid en betrouwbaarheid van de veiligheidsbeoordeling en de veronderstellingen die daarin zijn gemaakt. Veiligheid zal daarom moeten worden aangetoond op basis van argumenten en bewijzen met betrekking tot de veiligheid van een faciliteit of activiteit die gerelateerd is aan het beheer van verbruikte splijtstof of radioactief afval.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 40
(40)  Hoewel in het nationale kader rekening moet worden gehouden met alle risico's die inherent zijn aan verbruikte splijtstof en radioactief afval, slaat deze richtlijn niet op niet-radiologische gevaren die vallen onder het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
(40)  Hoewel in het nationale kader rekening moet worden gehouden met alle risico's die inherent zijn aan verbruikte splijtstof en radioactief afval, slaat deze richtlijn niet op niet-radiologische gevaren met niet-radiologische gevolgen die vallen onder het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 41
(41)  Bij het onderhouden en het verder ontwikkelen van competenties en vaardigheden op het gebied van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, wat een essentieel element is om een hoog veiligheidsniveau te kunnen waarborgen, moet worden uitgegaan van een combinatie van leren uit operationele ervaring, wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling, en technische samenwerking tussen alle actoren.
(41)  Bij het onderhouden en het verder ontwikkelen van competenties en vaardigheden op het gebied van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, wat een essentieel element is om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en van het milieu, veiligheid en transparantie te kunnen waarborgen, moet worden uitgegaan van een combinatie van leren uit operationele ervaring, wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling, en technische samenwerking tussen alle actoren.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 42 bis (nieuw)
(42 bis)  In dit verband kan de Groep Europese Regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid (ENSREG) een waardevolle bijdrage leveren aan de uniforme uitvoering van deze richtlijn om het overleg, de uitwisseling van beste praktijken en de samenwerking tussen nationale regelgevende instanties te vergemakkelijken.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 42 ter (nieuw)
(42 ter)  Deze richtlijn kan een nuttig instrument zijn om vast te stellen of projecten die geld van de Unie ontvangen in het kader van de financiële of technische bijstand van Euratom voor faciliteiten en activiteiten voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval voorzien in de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat verbruikte splijtstof en radioactief afval veilig worden beheerd.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2
(2)  Zij zorgt ervoor dat de lidstaten voorzien in passende nationale regelingen voor een hoog niveau van veiligheid inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval om werknemers en de bevolking te beschermen tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren.
(2)  Zij zorgt ervoor dat de lidstaten voorzien in passende nationale regelingen voor het hoogste niveau van veiligheid inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval om werknemers, de bevolking en het natuurlijke milieu te beschermen tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 3
(3)  Zij houdt de voorlichting en de deelneming van het publiek betreffende het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afvalstof in stand en bevordert ze.
(3)  Zij zorgt voor de verschaffing van noodzakelijke voorlichting en de deelneming van het publiek in verband met het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afvalstof.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 4 bis (nieuw)
(4 bis)  In deze richtlijn worden minimumnormen voor de lidstaten vastgesteld, maar het staat de lidstaten vrij om hogere normen vast te stellen voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – inleidende formule
(1)  Deze richtlijn is van toepassing op:
(1)  Onverminderd Richtlijn 2009/71/Euratom is deze richtlijn van toepassing op:
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – onder a)
a) alle stadia van het beheer van verbruikte splijtstof voor zover de verbruikte splijtstof voortkomt uit de exploitatie van niet-militaire kernreactoren of binnen niet-militaire activiteiten wordt beheerd;
a) alle stadia van het beheer van verbruikte splijtstof voorzover de verbruikte splijtstof voortkomt uit de exploitatie van niet-militaire kernreactoren of binnen niet-militaire activiteiten wordt beheerd in de EU, met inbegrip van verbruikte splijtstof die afkomstig is van militaire defensieprogramma's, voor zover deze verbruikte splijtstof permanent is overgedragen aan en wordt beheerd via uitsluitend civiele activiteiten;
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – onder b)
b) alle stadia van het beheer van radioactief afval, van de productie tot de opberging ervan, voor zover het radioactief afval voortkomt uit niet-militaire activiteiten of binnen niet-militaire activiteiten wordt beheerd.
b) alle stadia van het beheer van radioactief afval, van de productie tot en met de opberging ervan, voor zover het radioactief afval voortkomt uit niet-militaire activiteiten of binnen niet-militaire activiteiten in de EU wordt beheerd;
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt -1) (nieuw)
(-1) „stoffen die zijn vrijgegeven”: geplande en gecontroleerde vrijlating in het milieu van gasvormig of vloeibaar radioactief materiaal dat afkomstig is uit gereguleerde nucleaire installaties of activiteiten bij normale werking, binnen de grenzen die zijn toegestaan door de bevoegde regelgevende instantie en overeenkomstig de beginselen en grenzen van Richtlijn 96/29/Euratom;
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 3
(3) „berging”: de opslag van verbruikte splijtstof of radioactief afval in een erkende faciliteit zonder de bedoeling om deze terug te halen;
(3) „berging”: de opslag van verbruikte splijtstof of radioactief afval op een potentieel definitieve wijze in een erkende faciliteit met inachtneming van het omkeerbaarheidsbeginsel;
Amendementen 42 en 134
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 6
(6) „radioactief afval”: radioactief materiaal in gasvormige, vloeibare of vaste staat dat niet verder wordt gebruikt door de lidstaat of een natuurlijke of rechtspersoon wiens beslissing door de lidstaat is aanvaard en dat door een bevoegde regelgevende autoriteit onder het wet- en regelgevende kader van de lidstaat als radioactief afval wordt beheerd;
(6) „radioactief afval”: radioactief materiaal in gasvormige, vloeibare of vaste staat, met inbegrip van verbruikte splijtstof en radioactief materiaal afkomstig van opwerking, dat is gereduceerd tot de minimale technisch mogelijke omvang, waarvan gezien de toekomstige ontwikkelingen en technologische vooruitgang verder gebruik niet wordt overwogen of voorzien door de lidstaat of een natuurlijke of rechtspersoon wiens beslissing door de lidstaat is aanvaard en dat door een bevoegde regelgevende autoriteit onder het wet- en regelgevende kader van de lidstaat als radioactief afval wordt beheerd;
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 9 bis (nieuw)
(9 bis) „locatie”: een geografische plaats die een erkende faciliteit herbergt, met inbegrip van een opbergfaciliteit voor verbruikte splijtstof of radioactief afval, dan wel een erkende activiteit;
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 9 ter (nieuw)
(9 ter) „veiligheidsbeoordeling”: het systeemproces dat tijdens het hele ontwerpproces wordt uitgevoerd om te verzekeren dat het voorgestelde ontwerp aan alle relevante veiligheidseisen voldoet, met inbegrip van maar niet beperkt tot de formele veiligheidsanalyse;
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 9 quater (nieuw)
(9 quater) „veiligheidsanalyse”: een verzameling argumenten en bewijsmiddelen die de veiligheid van een faciliteit of activiteit staven, met inbegrip van de uitkomsten van een veiligheidsbeoordeling en een verklaring van vertrouwen in die uitkomsten. Voor een bergingsfaciliteit mag de veiligheidsanalyse betrekking hebben op een bepaald stadium van ontwikkeling. In dat geval moet de veiligheidsanalyse het bestaan erkennen van domeinen waarover onzekerheid bestaat of van onopgeloste kwesties en moet zij richtsnoeren geven voor maatregelen om die kwesties in toekomstige ontwikkelingsstadia te beperken;
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 13
(13) „opslag”: het onderbrengen van verbruikte splijtstof of radioactief afval in een erkende faciliteit met de bedoeling deze terug te halen.
(13) „opslag”: het tijdelijk onderbrengen van verbruikte splijtstof of radioactief afval in een erkende faciliteit in afwachting van het moment waarop het weer wordt teruggehaald;
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1
(1)  Er worden door de lidstaten nationale beleidsmaatregelen betreffende het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval opgesteld en in stand gehouden. De lidstaten dragen de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor hun beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.
(1)  Lidstaten stellen nationale beleidsmaatregelen vast betreffende het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval en houden deze in stand. Iedere lidstaat draagt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor zijn beheer van verbruikte splijtstof en het op zijn grondgebied gegenereerde radioactief afval.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Lidstaten dragen er zorg voor dat nationaal beleid inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval wordt uitgevoerd in een goed onderbouwd en gedocumenteerd stapsgewijs besluitvormingsproces met het oog op de veiligheid op lange termijn.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 – inleidende formule
(2)  De lidstaten dragen er zorg voor dat:
(2)  De lidstaten dragen er zorg voor dat nationaal beleid is gebaseerd op de volgende beginselen:
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 – onder a)
a) de productie van radioactief afval tot een haalbaar minimum wordt beperkt, zowel wat de activiteit als het volume ervan betreft, door middel van aangepaste ontwerpmaatregelen en ontmantelingspraktijken, met inbegrip van recycling en hergebruik van conventionele materialen;
a) de productie van radioactief afval tot een haalbaar minimum wordt beperkt, met inachtneming van het ALARA-beginsel (as low as reasonably achievable - zo laag als redelijkerwijs mogelijk), zowel wat de activiteit als het volume ervan betreft, door middel van aangepaste ontwerpmaatregelen en ontmantelingspraktijken, met inbegrip van opwerking en hergebruik van materialen;
Amendement 121
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 – letter d
(d) verbruikte splijtstof en radioactief afval veilig worden beheerd, ook op lange termijn.
d) verbruikte splijtstof en radioactief afval veilig worden beheerd, zolang ze gevaarlijk zijn voor de mens en het milieu.
Amendement 122
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 – letter d bis (nieuw)
d bis) blootstelling van werknemers, de bevolking en het milieu aan verbruikte splijtstof en radioactief afval wordt vermeden;
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 – onder d ter (nieuw)
d ter) maatregelen worden getroffen om toekomstige gezondheids- en milieurisico's voor blootgestelde werknemers en de bevolking af te dekken;
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 – onder d quater (nieuw)
d quater) de kosten van het beheer van radioactief afval, met inbegrip van verbruikte splijtstof, worden gedragen door hen die dit afval hebben geproduceerd;
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 – onder d quinquies (nieuw)
d quinquies) de financiële reserves die de veroorzakers van het afval moeten aanhouden ter dekking van alle kosten van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval worden beheerd in een door de staat gecontroleerd fonds, om ervoor te zorgen dat zij beschikbaar zijn voor het gebruik in verband met permanente veilige berging;
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 – onder d sexies (nieuw)
d sexies) de desbetreffende bevoegde nationale organen betrokken zijn bij het toezicht op de beschikbaarheid van voldoende financieringsmiddelen;
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 – onder d septies (nieuw)
d septies) de nationale parlementen betrokken zijn bij het toezicht op de beschikbaarheid van voldoende financieringsmiddelen.
Amendement 135
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Aangezien bassins voor verbruikte splijtstof grote risico's met zich meebrengen, vooral wanneer zij niet afgedekt zijn, moeten daarom alle verbruikte splijtstoffen uit de bassins worden verwijderd en zo snel mogelijk droog worden opgeslagen. Als deel van dat proces wordt voorrang gegeven aan de oudste bassins voor verbruikte splijtstof.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 – alinea 1 ter (nieuw)
De Commissie wordt van al deze overeenkomsten in kennis gesteld.

Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Lidstaten mogen op vrijwillige basis besluiten om in samenwerking met andere lidstaten een gezamenlijke of regionale bergingsfaciliteit te creëren, om gebruik te maken van de gunstige geologische of technische voordelen van een bepaalde locatie en om de financiële lasten van het gezamenlijke project te delen.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 b (nieuw)
(3 ter)  Alvorens bij intergouvernementele afspraak een begin te maken met een dergelijk project, zorgen de betrokken lidstaten ervoor dat het initiatief aan alle eisen voldoet, waaronder ten minste de volgende:
a) publieke acceptatie en steun in alle betrokken lidstaten wordt voortdurend in alle stadia van de projectontwikkeling en tijdens de levensduur van de berging gestimuleerd door ervoor te zorgen dat de bevolking toegang heeft tot informatie en kan deelnemen aan het raadplegingsproces;
b) er wordt gezorgd voor samenwerking tussen en toezicht door de bevoegde regelgevende instanties en nationale veiligheidsautoriteiten; in elke betrokken lidstaat wordt een veiligheidsanalyse en ondersteunende veiligheidsbeoordeling uitgevoerd van de verkennende-, de selectie- en de implementatiefase van de faciliteit;
c) er worden afspraken gemaakt over de aansprakelijkheid en een duidelijke toewijzing van verantwoordelijkheden, waarbij elke lidstaat in laatste instantie verantwoordelijk is voor zijn eigen radioactief afval;
d) er wordt overeenstemming bereikt over financiële regelingen die waarborgen dat geldmiddelen verzekerd zijn voor de levensduur van de bergingsfaciliteit en de periode na de sluiting ervan en dat genoeg personele middelen beschikbaar zijn om te zorgen voor voldoende goed geschoold personeel;
e) in de nationale programma's van de betrokken lidstaten wordt gezorgd voor voorafgaande kennisgeving van het wettelijk kader, de organisatiestructuur en de technische regelingen en voorschriften die bewijzen dat de geplande berging binnen een duidelijke termijn zal voldoen aan de in deze richtlijn vastgelegde eisen.
Amendement 136
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 c (nieuw)
(3 quater)  De uitvoer van radioactief afval naar landen die geen lid zijn van de EU is in geen geval toegestaan. De overbrenging van verbruikte splijtstof buiten de EU zou moeten worden toegestaan op voorwaarde dat zij na recycling weer in de EU wordt ingevoerd.
Amendement 124
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 d (nieuw)
(3 quinquies)  Alle faciliteiten voor kernafval in aardbevingsgebieden of kustgebieden waar een significant risico van een stijging van het zeewaterpeil aanwezig is of tsunami's mogelijk zijn, zijn verboden.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – onder a)
a) een nationaal programma voor de uitvoering van het beleid inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval;
a) een nationaal, met het subsidiariteitsbeginsel strokend programma voor de uitvoering van het beleid inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval dat verzekert dat alle producenten van radioactief afval op gelijke voorwaarden toegang hebben tot een veilige berging voor radioactief afval;
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – onder b bis) (nieuw)
b bis) nationale eisen inzake de gezondheid en veiligheid, opleiding en training van werknemers;
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – onder c)
c) een vergunningenstelsel voor activiteiten en faciliteiten voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, met inbegrip van een verbod op de bedrijfsvoering van een faciliteit voor het beheer van verbruikte splijtstof of radioactief afval zonder vergunning;
c) een vergunningenstelsel voor activiteiten en faciliteiten voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, met inbegrip van een verbod op de bedrijfsvoering van een faciliteit voor het beheer van verbruikte splijtstof of radioactief afval zonder vergunning, en dat verzekert dat al het radioactief afval, ongeacht wie dit heeft geproduceerd, zonder discriminatie wordt beheerd;
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – onder d)
d) een stelsel van aangepaste institutionele controles, toezicht door de regelgevende autoriteit, documentatie en rapportering;
d) een stelsel van aangepaste institutionele controles, toezicht door de regelgevende autoriteit, documentatie en rapportering, alsmede de vereiste training van de werknemers die betrokken zijn bij het volledige proces teneinde hun veiligheid en gezondheid op het werk te handhaven en in stand te houden;
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – onder e bis) (nieuw)
e bis) maatregelen om te zorgen voor voldoende financiële middelen op lange termijn voor activiteiten en installaties in verband met het beheer van verbruikte splijtstof of radioactief afval;
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – onder f bis) (nieuw)
f bis) maatregelen die tot doel hebben dat het totaal van de financiële middelen voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval en voor de bouw van de opslagfaciliteit wordt vastgesteld door de bevoegde regelgevende autoriteit aan de hand van een transparante procedure, die regelmatig wordt herzien, waarbij alle belanghebbenden regelmatig worden geraadpleegd;
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – onder f ter) (nieuw)
f ter) een berekening van alle kosten die het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval met zich meebrengt. De hiertoe verstrekte informatie moet onder meer vermelden welke instellingen deze kosten dragen.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2
(2)  De lidstaten dragen er zorg voor dat het nationale kader in stand wordt gehouden en indien nodig verbeterd, waarbij rekening wordt gehouden met tijdens de bedrijfsvoering opgedane ervaring, de inzichten verkregen door veiligheidsanalyses vermeld in artikel 8, de ontwikkeling van de technologie en de resultaten van onderzoek.
(2)  De lidstaten dragen er zorg voor dat het nationale kader in stand wordt gehouden en indien nodig verbeterd, waarbij rekening wordt gehouden met tijdens de bedrijfsvoering opgedane ervaring, de inzichten verkregen door veiligheidsanalyses vermeld in artikel 3, punt 9 quater, de ontwikkeling van de beste beschikbare technologie (BBT), gezondheids- en veiligheidsnormen en de resultaten van onderzoek.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 1 bis (nieuw)
(1 bis)  De lidstaten zorgen ervoor dat hun regelgevende autoriteiten onderworpen zijn aan democratische controle.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
(3 bis)  De bevoegde regelgevende autoriteit moet de bevoegdheden en middelen hebben om de nucleaire veiligheid regelmatig te evalueren, te onderzoeken en te controleren en zo nodig handhavend in de faciliteiten op te treden, ook tijdens de ontmanteling daarvan. Deze evaluaties hebben tevens betrekking op de gezondheid en veiligheid van de werknemers, met inbegrip van alle onderaannemers, en op de personeelssterkte en de opleiding.
Amendement 137
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 3 b (nieuw)
(3 ter)  De bevoegde regelgevende autoriteit is bevoegd de opdracht te geven om bepaalde activiteiten stop te zetten, indien uit evaluaties blijkt dat zij niet veilig zijn. Deze en alle andere evaluaties door de bevoegde regelgevende autoriteit worden openbaar gemaakt;
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1
(1)  De lidstaten zorgen ervoor dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de veiligheid van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval bij de vergunninghouder berust. Deze verantwoordelijkheid mag niet worden gedelegeerd.
(1)  De lidstaten zorgen ervoor dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de veiligheid van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval berust bij de vergunninghouders aan wie de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat de algemene verantwoordelijkheden voor verbruikte splijtstof en radioactief afval heeft toevertrouwd.
Amendement 130
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1 bis (nieuw)
(1 bis)  De lidstaten zorgen ervoor dat een veiligheidsanalyse en ondersteunende veiligheidsbeoordeling wordt opgesteld als onderdeel van de aanvraag van een vergunning voor een activiteit van beheer van radioactief afval of de exploitatie van een bergingsfaciliteit in de EU, en dat indien nodig actualisering daarvan plaatsvindt in de periode waarin de activiteit of faciliteit bestaat. De veiligheidsanalyse en ondersteunende veiligheidsbeoordeling heeft betrekking op de keuze van de vestigingsplaats, het ontwerp, de bouw, de bedrijfsvoering en de sluiting van bassins voor verbruikte splijtstof, een opslagfaciliteit of een bergingsfaciliteit en de veiligheid op lange termijn na sluiting ervan, ook door passieve middelen, en beschrijft alle aspecten van de vestigingsplaats die betrekking hebben op de veiligheid, het ontwerp van de faciliteit, tijdelijke opslagbassins voor afkoeling (met regelmatige uitbrenging van verslag over de verbruikte splijtstof die zij bevatten), de ontmanteling van de faciliteit of delen daarvan en de maatregelen voor het toezicht van het management en van de regelgevende autoriteit. De veiligheidsanalyse en ondersteunende veiligheidsbeoordeling omvatten een beoordeling van de gezondheids- en veiligheidsrisico's voor werknemers, met inbegrip van degenen die in dienst zijn van onderaannemers, en van de vaardigheden en de aantallen personeelsleden die vereist zijn voor een te allen tijde veilige bedrijfsvoering van de faciliteit, zodat er in het geval van een ongeluk kan worden ingegrepen.
In de veiligheidsanalyse en ondersteunende veiligheidsbeoordeling wordt het geleverde beschermingsniveau aangetoond en wordt de bevoegde regelgevende autoriteit en andere betrokken partijen gegarandeerd dat de veiligheidsvereisten in acht worden genomen. De veiligheidsanalyse en ondersteunende veiligheidsbeoordelingen worden aan de bevoegde regelgevende autoriteit ter goedkeuring voorgelegd.

Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1 ter (nieuw)
(1 ter)  De lidstaten zorgen ervoor dat de vergunninghouders verslag uitbrengen aan de bevoegde regelgevende autoriteit en andere relevante bevoegde organisaties en dat zij informatie over hun activiteiten of faciliteiten toegankelijk maken voor het publiek.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 2
(2)  De lidstaten zorgen ervoor dat met het nationale kader van vergunninghouders wordt vereist dat zij, onder toezicht van de bevoegde regelgevende autoriteit, op systematische en verifieerbare wijze de veiligheid van hun activiteiten en faciliteiten regelmatig beoordelen en onderzoeken, en zoveel als redelijkerwijs mogelijk continu verbeteren.
(2)  De lidstaten zorgen ervoor dat met het nationale kader van vergunninghouders wordt vereist dat zij, onder toezicht van de bevoegde regelgevende autoriteit, op systematische en verifieerbare wijze de veiligheid van hun activiteiten, met inbegrip van de gezondheid en veiligheid van werknemers en onderaannemers en de veiligheid van hun faciliteiten, regelmatig beoordelen en onderzoeken in overeenstemming met de beste beschikbare technologie (BBT), en zoveel als redelijkerwijs mogelijk continu verbeteren. Vergunninghouders brengen van de resultaten van hun evaluaties verslag uit aan de bevoegde regelgevende autoriteit en andere relevante bevoegde organisaties, en aan vertegenwoordigers van hun werknemers, onderaannemers en de bevolking.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3
(3)  Tijdens de in lid 2 bedoelde evaluaties wordt ook nagegaan of er maatregelen zijn genomen ter voorkoming van ongevallen en de verdere beperking van de gevolgen ervan, inclusief de evaluatie van de fysieke barrières en administratieve beschermingsprocedures van vergunninghouders die moeten falen voordat de werknemers en de bevolking op significante wijze door ioniserende straling worden getroffen.
(3)  Tijdens de in lid 2 bedoelde acties moet, als onderdeel van de vergunningaanvraag, de bevoegde regelgevende instantie formeel de vereiste verzekering worden gegeven dat de activiteit veilig is en wordt ook nagegaan of er maatregelen zijn genomen ter voorkoming van ongevallen en fysieke aanvallen en de verdere beperking van de gevolgen van ongevallen en fysieke aanvallen, inclusief de evaluatie van de fysieke barrières en administratieve beschermingsprocedures van vergunninghouders die moeten falen voordat de werknemers, de bevolking en het natuurlijke milieu door ioniserende straling worden getroffen.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 4
(4)  De lidstaten zorgen ervoor dat het nationale kader de eis omvat dat de vergunninghouders hun beheerssystemen met gepaste voorrang voor veiligheid instellen ten uitvoer leggen, en dat bedoelde systemen regelmatig door de bevoegde regelgevende autoriteit worden gecontroleerd.
(4)  De lidstaten zorgen ervoor dat het nationale kader de eis omvat dat de vergunninghouders hun beheerssystemen instellen en ten uitvoer leggen met topprioriteit voor veiligheid en beveiliging en dat bedoelde systemen regelmatig worden gecontroleerd door de bevoegde regelgevende autoriteit en vertegenwoordigers van de werknemers met een specifieke taak op het gebied van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5
(5)  De lidstaten zorgen ervoor dat het nationale kader de eis omvat dat de vergunninghouders zorgen voor adequate personele en financiële middelen om te voldoen aan de in de leden 1 tot en met 4 genoemde verplichtingen inzake de veiligheid van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.
(5)  De lidstaten zorgen ervoor dat het nationale kader de eis omvat dat de vergunninghouders zorgen voor adequate personele en financiële middelen, ook op lange termijn, om te voldoen aan de in de leden 1 tot en met 4 genoemde verplichtingen inzake de veiligheid van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5 bis (nieuw)
(5 bis)  De lidstaten zorgen ervoor dat vergunninghouders regionale en lokale autoriteiten van buurlanden op de vroegst mogelijke datum in kennis stellen van hun plannen om een faciliteit voor het beheer van radioactief afval te bouwen, indien deze faciliteit binnen een zodanige afstand van de nationale grens zal worden gebouwd dat zich tijdens de bouw of de exploitatie, na de sluiting van de faciliteit of ingeval van een ongeval of incident dat verband houdt met de faciliteit naar alle waarschijnlijkheid grensoverschrijdende effecten zullen voordoen.
Amendement 146
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 bis (nieuw)
Artikel 7 bis

Etikettering en documentatie

De lidstaten zorgen ervoor dat de vergunninghouders de verpakkingen etiketteren en de verwijdering van verbruikte splijtstof en radioactief afval documenteren in niet-verweerbare vorm. In de documentatie wordt zowel de chemische, toxicologische en radiologische samenstelling van het materiaal vermeld als aangegeven of dit vast, vloeibaar of gasvormig is.

Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8
Artikel 8

Schrappen

Veiligheidsanalyse

(1)  Als onderdeel van de aanvraag voor een vergunning voor een faciliteit of activiteit wordt een veiligheidsanalyse en ondersteunende veiligheidsbeoordeling opgesteld. Die worden indien nodig bijgewerkt naarmate de faciliteit of activiteit evolueert. De omvang en gedetailleerdheid van de veiligheidsanalyse en -beoordeling zijn evenredig met de complexiteit van de werkzaamheden en de omvang van de aan de faciliteit of activiteit verbonden risico's.
(2)  De veiligheidsanalyse en ondersteunende veiligheidsbeoordeling omvatten de keuze van de vestigingsplaats, het ontwerp, de bouw, de bedrijfsvoering en de ontmanteling van een faciliteit of de afsluiting van een bergingsfaciliteit; in de veiligheidsanalyse worden de bij de veiligheidsbeoordeling gebruikte normen gespecificeerd. De veiligheid op lange termijn na de sluiting komt aan bod, met name hoe die veiligheid ten volle door passieve middelen wordt gewaarborgd.
(3)  In de veiligheidsanalyse voor een faciliteit staan alle veiligheidsgebonden aspecten van de vestiging, het ontwerp van de faciliteit en de maatregelen voor het toezicht van het management en van de regelgevende autoriteit beschreven. In de veiligheidsanalyse en ondersteunende veiligheidsbeoordeling wordt het geleverde beschermingsniveau aangetoond en wordt aan de bevoegde regelgevende autoriteit en andere betrokken partijen gewaarborgd dat aan de veiligheidsvereisten in acht worden genomen.
(4)  De veiligheidsanalyse en ondersteunende veiligheidsbeoordelingen worden aan de bevoegde regelgevende autoriteit ter goedkeuring voorgelegd.
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 bis (nieuw)
Artikel 8 bis

Registratie- en volgsysteem, met name inzake de gezondheid en veiligheid van werknemers

(1)  De lidstaten stellen een registratie- en volgsysteem in op het gebied van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.
(2)  De lidstaten zorgen er voor dat met het registratie- en volgsysteem de locatie van de verbruikte splijtstof en het radioactief afval kan worden bepaald alsook de omstandigheden van de productie, het gebruik, het transport, de opslag of de verwijdering ervan.
(3)  De lidstaten zorgen ervoor dat informatie betreffende werknemers die tijdens hun werkzaamheden zijn blootgesteld aan verbruikte splijtstof en radioactief afval, door de vergunninghouder of door een overheidsinstantie wordt opgeslagen, ten einde de follow-up van beroepsziekten op de lange termijn mogelijk te maken.
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 ter (nieuw)
Artikel 8 ter

Procedures en sancties

In overeenstemming met de algemene beginselen zorgen de lidstaten ervoor dat in geval van inbreuk op de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen administratieve of gerechtelijke procedures worden toegepast, alsmede effectieve en afschrikkende sancties die in verhouding staan tot de ernst van de overtreding.

Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9
De lidstaten zorgen ervoor dat in het nationale kader regelingen vervat zijn voor de opleiding en training van alle partijen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, teneinde de nodige deskundigheid en bekwaamheid in stand te houden en verder te ontwikkelen.

De lidstaten zorgen ervoor dat in het nationale kader regelingen vervat zijn voor de opleiding en regelmatige en preventieve training van alle partijen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, teneinde de nodige wetenschappelijke en technologische deskundigheid en bekwaamheid in stand te houden, verder te ontwikkelen en te verspreiden, in overeenstemming met de technische en wetenschappelijke vooruitgang. De lidstaten besteden extra aandacht aan indirect betrokken partijen ter plaatse en zorgen ervoor dat zij de meest recente passende opleiding en training krijgen voordat werkzaamheden met radioactief afval en verbruikte splijtstof worden verricht. De lidstaten zorgen ervoor dat de vergunninghouders deze regelingen kunnen uitvoeren en bekostigen, teneinde de veiligheid en gezondheid van alle bij het proces betrokken partijen te verzekeren. Het onderwijs en de opleiding van de werknemers moet voldoen aan internationaal erkende normen, zodat de algemene verantwoordelijkheid voor de gezondheid en de veiligheid in de nucleaire industrie wordt aangescherpt. De lidstaten zorgen er tevens voor dat in het nationale kader regelingen vervat zijn ter bevordering van verder wetenschappelijk onderzoek in relatie tot bestaande bergingsprojecten.

Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten zien er op toe dat het nationaal kader programma's omvat ter ondersteuning van het onderzoek naar methoden voor verlaging van de productie van radioactief afval en het beheer ervan.

Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10
De lidstaten zorgen ervoor dat het nationale kader waarborgt dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn, op het moment dat dat nodig is, voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, en dat daarbij voldoende rekening wordt gehouden met de verantwoordelijkheid van de producenten van radioactief afval.

(1)  De lidstaten zorgen ervoor dat in het nationale kader voldoende financiële middelen beschikbaar zijn, op het moment dat dat nodig is om alle kosten voor de ontmanteling te dekken en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, en dat daarbij ten volle rekening wordt gehouden met de verantwoordelijkheid van de producenten van radioactief afval overeenkomstig het beginsel „de vervuiler betaalt”, zonder dat een beroep wordt gedaan op staatssteun.
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 bis (nieuw)
(1 bis)  In overeenstemming met procedures die op nationaal niveau worden vastgesteld, zorgen de lidstaten ervoor dat:
a) een beoordeling wordt gemaakt van de kosten van strategieën voor het beheer van afval, met name een beoordeling van de kosten van de uitvoering van langetermijnoplossingen voor het beheer van laag-, middel- en langlevend hoogactief radioactief afval naar gelang de aard ervan. Dit geldt met name voor de kosten van de ontmanteling van kerninstallaties en, wat faciliteiten voor het beheer van radioactief afval betreft, de kosten van de definitieve sluiting, het onderhoud en de controle ervan;
b) reserves worden aangelegd om de onder letter (a) genoemde kosten te dekken en de nodige middelen worden uitgetrokken voor de uitsluitende dekking van deze reserves;
c) voldoende wordt gecontroleerd of de reserves en het beheer van de middelen volstaan om de onder letter (a) genoemde kosten te dekken, en dat periodieke aanpassing plaatsvindt.
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 ter (nieuw)
(1 ter)  De lidstaten zetten de kosten voor de verwijdering op een transparante wijze uit een en maken deze openbaar en herberekenen deze elk jaar opnieuw. De financiële verplichtingen van de producenten van radioactief afval worden aan de herberekening aangepast.
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 quater (nieuw)
(1 quater)  De lidstaten vormen of benoemen een nationaal orgaan dat in staat is een deskundig oordeel uit te brengen over het fondsenbeheer en de kosten van ontmanteling, als bedoeld in lid 1 bis. Dit orgaan is onafhankelijk van de fondsenverstrekkers.
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – alinea 1 quinquies (nieuw)
De lidstaten brengen regelmatig verslag uit aan de Commissie over de bevindingen van het desbetreffende nationale orgaan overeenkomstig artikel 16.

Amendement 92
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11
De lidstaten zorgen ervoor dat toepasselijke kwaliteitsborgingsprogramma's inzake de veiligheid van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval worden opgesteld en ingevoerd.

De lidstaten zorgen ervoor dat toepasselijke kwaliteitsborgingsprogramma's inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval worden opgesteld en ingevoerd.

Amendement 127
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten garanderen dat de vergunninghouders ten aanzien van derde partijen volledig verantwoordelijk worden gesteld voor schade die veroorzaakt wordt door ongevallen en het afvalbeheer op lange termijn, met inbegrip van de schade aan terrestrische, aquatische en mariene milieus.

Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 1
(1)  De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie met betrekking tot het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval aan de werknemers en de bevolking ter beschikking wordt gesteld. Deze verplichting houdt in dat de bevoegde regelgevende autoriteit de bevolking informeert op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen. De informatie wordt aan het publiek ter beschikking gesteld overeenkomstig de nationale wetgeving en internationale verplichtingen, mits hiermee geen andere, in nationale wetgeving en internationale verplichtingen erkende belangen, onder meer die inzake beveiliging, in gevaar worden gebracht.
(1)  De lidstaten zorgen ervoor dat alle informatie met betrekking tot het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval die nodig is voor het in stand houden van de gezondheid, de veiligheid en de beveiliging van de werknemers en de bevolking, regelmatig beschikbaar is. Deze verplichting houdt in dat de bevoegde regelgevende autoriteit de bevolking informeert op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen. De informatie wordt aan het publiek ter beschikking gesteld overeenkomstig de nationale wetgeving en internationale verplichtingen, met name het Verdrag van Aarhus. Informatie die direct ter zake doende is voor de gezondheid en veiligheid van werknemers en de bevolking, met name over radioactieve en toxische emissies en de blootstelling aan deze emissies, moet openbaar worden gemaakt, ongeacht de omstandigheden.
Amendement 94
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 1 bis (nieuw)
(1 bis)  De lidstaten zorgen ervoor dat aan het publiek informatie beschikbaar wordt gesteld over de in artikel 10 genoemde financiële middelen voor het beheer van de verbruikte splijtstof en het radioactief afval, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met de kosten die dat beheer met zich meebrengt voor de producenten.
Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 1 ter (nieuw)
(1 ter)  De lidstaten garanderen dat bij alle besluiten inzake bewaarplaatsen voor en het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in de nabijheid van buurlanden, het publiek en de instellingen van de betrokken landen worden geraadpleegd.
Amendement 96
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 2
(2)  De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek de gelegenheid krijgt om daadwerkelijk deel te nemen aan het besluitvormingsproces inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.
Schrappen

Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 bis (nieuw)
Artikel 12 bis

Inspraak

(1)  De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek vroegtijdig de gelegenheid krijgt om daadwerkelijk deel te nemen aan het opstellen of herzien van de nationale programma's voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval die op grond van artikel 13 moeten worden opgesteld, en dat het na opstelling ervan toegang ertoe heeft. De lidstaten zetten de programma's op een voor iedereen toegankelijke website.
(2)  Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat:
a) het publiek door openbare kennisgevingen of op een andere passende wijze, bijvoorbeeld met elektronische middelen, indien beschikbaar, geïnformeerd wordt over alle voorstellen voor programma's van dien aard of voor de wijziging of herziening ervan, en dat aan het publiek relevante informatie betreffende dergelijke voorstellen ter beschikking wordt gesteld, onder andere informatie over het recht op inspraak in de besluitvorming en over de bevoegde instantie waaraan vragen en opmerkingen moeten worden gericht;
b) het publiek het recht heeft opmerkingen en meningen kenbaar te maken wanneer alle opties open zijn, voordat besluiten betreffende de programma's worden genomen;
c) bij de besluitvorming naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van de inspraak;
d) de bevoegde autoriteit de opmerkingen en meningen van het publiek bestudeert en zich naar behoren kwijt van haar taak het publiek te informeren over de besluiten die zijn genomen en de motivering daarvan, met inbegrip van informatie over de inspraakprocedure.
(3)  De lidstaten wijzen het publiek aan dat recht op inspraak heeft in de zin van lid 2. De nadere regelingen voor inspraak krachtens dit artikel worden door de lidstaten zodanig vastgesteld dat het publiek zich terdege kan voorbereiden en werkelijk inspraak heeft. Er wordt voorzien in redelijke termijnen, die voldoende tijd laten voor de verschillende fasen van de inspraak die op grond van dit artikel vereist zijn.
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2
(2)  De nationale programma's moeten in overeenstemming zijn met artikelen 4 tot en met 12.
(2)  De nationale programma's moeten in overeenstemming zijn met artikelen 4 tot en met 12 bis.
Amendement 99
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 3
(3)  De lidstaten beoordelen en herzien regelmatig hun nationale programma's, indien nodig rekening houdend met de technische en wetenschappelijke vooruitgang.
(3)  De lidstaten beoordelen en herzien regelmatig hun nationale programma's, indien nodig rekening houdend met de technische en wetenschappelijke vooruitgang en met informatie van de andere lidstaten over hun ervaringen bij het beheer van radioactief afval alsook de bevindingen van internationale collegiale toetsingen.
Amendement 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 3 bis (nieuw)
(3 bis)  De lidstaten stellen de regionale en lokale autoriteiten van buurlanden op de vroegst mogelijke datum in kennis van hun nationale programma's indien de uitvoering ervan waarschijnlijk grensoverschrijdende effecten zal hebben.
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 3 ter (nieuw)
(3 ter)  De lidstaten vermelden in hun nationale programma's duidelijk de financiële middelen die beschikbaar zijn voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.
Amendement 102
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – punt -1 (nieuw)
(-1) een geïntegreerd, gedetailleerd systeem voor de indeling van radioactief afval dat alle stadia van het beheer van radioactief afval dekt, vanaf de productie van radioactief afval tot de berging ervan;
Amendement 103
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – punt 1
(1) een inventaris van alle verbruikte splijtstof en radioactief afval en ramingen van toekomstige hoeveelheden, met inbegrip van deze die voortkomen uit ontmanteling. In deze inventaris staan duidelijk de locatie en de hoeveelheid materiaal en, door middel van een juiste indeling, het risiconiveau vermeld;
(1) op basis van het onder lid -1 genoemde indelingssysteem, een inventaris van alle verbruikte splijtstof en radioactief afval en ramingen van toekomstige hoeveelheden, met inbegrip van deze die voortkomen uit ontmanteling. In deze inventaris staan duidelijk de locatie en de hoeveelheid materiaal en het risiconiveau en de herkomst van het afval vermeld;
Amendement 128
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – punt 2
(2) concepten, plannen en technische oplossingen van de productie tot de berging;
(2) concepten, plannen en technische oplossingen van de productie tot de opslag of berging. Aan radioactief afval en verbruikte splijtstof uit het verleden in tijdelijke opslagbassins wordt hoge prioriteit gegeven;
Amendement 104
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – punt 3
(3) concepten en plannen voor de periode na de afsluiting van een bergingsfaciliteit, met inbegrip van de termijn waarin de institutionele controles worden gehouden en de in te zetten middelen om de kennis over de faciliteit op lange termijn te behouden;
(3) concepten en plannen voor de periode na de afsluiting van een bergingsfaciliteit, met inbegrip van de termijn waarin de institutionele controles worden gehouden en de in te zetten middelen om het toezicht en het onderhoud zeker te stellen en de kennis over de faciliteit op lange termijn te behouden;
Amendement 105
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – punt 7 bis (nieuw)
(7 bis) een beschrijving van de in artikel 10, alinea 1 bis, onder (a) genoemde kostenbeoordeling en van de methoden die zijn toegepast bij de berekening van de desbetreffende reserves;
Amendement 106
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – punt 8
(8) beschrijving van de van kracht zijnde financieringsprogramma's om te waarborgen dat alle programmakosten volgens het vastgelegde tijdschema kunnen worden gedekt.
(8) een beschrijving van de keuzen inzake de samenstelling en het beheer van de overeenkomstig artikel 10, lid 1 bis, onder (b) uitgetrokken middelen en van de van kracht zijnde financieringsprogramma's om te waarborgen dat alle programmakosten volgens het vastgelegde tijdschema en strikt volgens het beginsel „de vervuiler betaalt” kunnen worden gedekt.
Amendement 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – punt 8 bis (nieuw)
(8 bis) een bindend en controleerbaar tijdschema voor het uitvoeren van de nationale programma's en de in de punten 1 tot en met 8 uiteengezette eisen;
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – punt 8 ter (nieuw)
(8 ter) programma's op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding om de deskundigheid en vaardigheden op het gebied van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in stand te houden.
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 3 bis (nieuw)
(3 bis)  De Commissie controleert of de hand wordt gehouden aan de overeenkomstig artikel 14, sub 8 bis, ingediende tijdschema's voor het uitvoeren van de nationale programma's van de lidstaten.
Amendement 110
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 4
(4)  De Commissie zal rekening houden met de verduidelijkingen inzake en de voortgang van de nationale afvalbeheerprogramma's van de lidstaten wanneer zij beslissingen neemt over het verstrekken van financiële of technische Euratom-bijstand voor faciliteiten of activiteiten met betrekking tot het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, of wanneer zij overeenkomstig artikel 43 van het Euratom-Verdrag haar standpunt formuleert over investeringsprojecten.
Schrappen

Amendement 111
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 3
(3)  Op gezette tijden, en ten minste om de tien jaar, organiseren de lidstaten zelfevaluaties van hun nationale kader, de bevoegde regelgevende autoriteit en het nationale programma en de uitvoering daarvan, en verzoeken zij om een internationale collegiale toetsing van hun nationale kader, autoriteit en/of programma teneinde te waarborgen dat bij het beheer van verbruikte splijtstof en radioactie afval stringente normen worden bereikt. De resultaten van iedere internationale collegiale toetsing worden aan de Commissie en de lidstaten bekendgemaakt.
(3)  Op gezette tijden, en ten minste om de tien jaar, organiseren de lidstaten zelfevaluaties van hun nationale kader, de bevoegde regelgevende autoriteit en het nationale programma en de uitvoering daarvan, en verzoeken zij om een internationale collegiale toetsing van hun nationale kader, autoriteit en/of programma teneinde te waarborgen dat bij het beheer van verbruikte splijtstof en radioactie afval stringente normen worden bereikt. De resultaten van iedere internationale collegiale toetsing worden aan de Commissie bekendgemaakt, die periodiek verslag uitbrengt aan het Europees Parlement en de Raad, waarbij de conclusies die zijn getrokken bij de collegiale toetsing in geaggregeerde vorm worden behandeld.
Amendement 138
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 bis (nieuw)
Artikel 16 bis

Herevaluatie door de Commissie

Uiterlijk twee jaar na voltooiing van de in artikel 16, lid 3, bedoelde collegiale toetsing door de lidstaten legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor, dat vooral is gewijd aan een herevaluatie van het begrip beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, alsmede aan de exportbepalingen, zoals bedoeld in artikel 4, lid 3. Bij deze herevaluatie wordt met name het terughalen van afval dat in een locatie voor berging is ondergebracht, bezien in het licht van nieuwe ontwikkelingen in het onderzoek en nieuwe wetenschappelijke kennis op dit gebied. Indien nodig wordt deze richtlijn herzien volgens de uitkomst van het verslag om rekening te houden met het meest recente technologische onderzoek inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.

Amendement 113
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 1
(1)  De lidstaten treffen uiterlijk op … de nodige maatregelen om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
(1)  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om tegen ...* aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
* Twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

Het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2012
PDF 254kWORD 100k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2012 (2011/2019(BUD))
P7_TA(2011)0296A7-0230/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien de ontwerpbegroting voor het begrotingsjaar 2012, die de Commissie op 20 april 2011 heeft goedgekeurd (SEC(2011)0498),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (hierna IIA genoemd)(1),

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2011 over de jaarlijkse beleidsstrategie van de Commissie voor de begrotingsprocedure 2012(2),

   gezien de conclusies van de Raad van 15 februari 2011 over de begrotingsrichtsnoeren voor 2012,

   gezien titel II, hoofdstuk 7, van zijn Reglement,

   gezien de brief van de Commissie visserij,

   gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0230/2011),

A.  overwegende dat de begrotingsprocedure 2012 de tweede procedure is die wordt uitgevoerd op basis van het Verdrag van Lissabon en dat belangrijke lessen getrokken kunnen worden uit de ervaring van vorig jaar,

B.  overwegende dat de in juli te houden trialoog de vertegenwoordigers van de twee takken van de begrotingsautoriteit in staat moet stellen te discussiëren over de prioriteiten die zij voor de begroting van het jaar 2012 hebben vastgesteld, en wellicht punten van overeenstemming te vinden waarmee in de lezingen van elke instelling rekening zou kunnen worden gehouden,

C.  overwegende dat het Poolse en het Hongaarse voorzitterschap openlijk hebben toegezegd een open, constructieve en politieke dialoog met het EP over begrotingskwesties te zullen aangaan,

D.  overwegende dat dan ook verwacht wordt dat de Raad als geheel een betrouwbare politieke partner zal zijn in de procedure, zodat vermeden wordt dat willekeurige of puur rekenkundige kortingen in begrotingslijnen worden aangebracht,

Ontwerpbegroting 2012 - algemene evaluatie

1.  herinnert eraan dat het EP in zijn resolutie van 24 maart 2011 de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei in het centrum van de EU-begrotingsstrategie 2012 plaatste om Europa te helpen herstellen van de economische en sociale crisis en hier sterker uit te komen;

2.  herinnert eraan dat de bevordering van een slimme, duurzame en inclusieve economie die arbeidsplaatsen en hoogwaardige werkgelegenheid creëert door uitvoering van de zeven kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie een doel is waar alle 27 lidstaten en de EU-instellingen achter staan; herinnert eraan dat voor het uitvoeren van deze strategie tot 2020 een enorm bedrag aan toekomstgerichte investeringen is vereist, en wel volgens raming van de Commissie in haar mededeling over de evaluatie van de EU-begroting ten minste 1 800 miljard EUR (COM(2010)0700); onderstreept daarom dat de investeringen die – zowel op het niveau van de EU als de lidstaten - nodig zijn om het onderwijsniveau te verbeteren, sociale integratie te bevorderen, met name via het terugdringen van de armoede, en een kenniseconomie die is gebaseerd op de totale wetenschappelijke en technologische capaciteit van de EU te ontwikkelen, nu moeten worden gerealiseerd en geen langer uitstel gedogen; dringt er in dit verband op aan dat steun moet worden veleend voor onderzoek, ontwikkeling, innovatie, KMO's en de ontwikkeling van nieuwe technologieën waarbij hulpbronnen efficiënt worden aangewend;

3.  maakt zich dan ook grote zorgen over het feit dat de huidige crisis heeft geleid tot een daling van de openbare investeringen op enkele van deze terreinen wegens de aanpassingen die de lidstaten in hun nationale begrotingen hebben aangebracht; vindt dat deze trend moet worden gekeerd en is er vast van overtuigd dat de investeringen op EU- en nationaal niveau moeten worden gegarandeerd wil de EU de verwachtingen van de EU 2020-strategie waarmaken; is van mening dat de EU-begroting een rol moet spelen bij het op gang brengen van het herstelbeleid van de lidstaten door nationale investeringen in groei en werkgelegenheid aan te zwengelen en te ondersteunen; onderstreept in dit verband dat het van essentieel belang is om de EU-begroting in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van de EU 2020-strategie; herinnert er in dit verband aan dat steun voor de opleiding van jongeren, mobiliteit en werkgelegenheid, KMO's, onderzoek en ontwikkeling een topprioriteit voor de EU-begroting moet vormen; benadrukt dat dit volledig strookt met de dynamiek van het Europese semester dat, als nieuw instrument voor een betere Europese economische governance, ten doel heeft de samenhang en synergieën tussen de begroting van de Unie en de nationale begrotingen te versterken zodat deze elkaar aanvullen om de gezamenlijk overeengekomen doelstellingen van Europa 2020 te verwezenlijken;

4.  wijst erop dat de EU 2020-strategie en het Europees semester gebaat zijn bij een sterke parlementaire dimensie en is er ten volste van overtuigd dat grotere parlementaire betrokkenheid de democratische aard en de transparantie van een dergelijke operatie aanzienlijk zou verbeteren;

5.  wijst erop dat de ontwerpbegroting van de Unie voor 2012, als voorgesteld door de Commissie, bestaat uit 147 435 miljoen EUR aan vastleggingskredieten (VK) (146 676 miljoen EUR zonder het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering en de Reserve voor spoedhulp) en 132 738 miljoen EUR aan betalingskredieten (BK); wijst erop dat deze bedragen respectievelijk 1,12% en 1,01% van het geraamde bruto nationaal inkomen (BNI) van de EU voor 2012 uitmaken en benadrukt dat dit percentage tussen 2011 en 2012 opmerkelijk stabiel blijft, waarbij de Commissie de groei van het BNI schat op niet minder dan +4,7% in 2012 (tegen lopende prijzen);

6.  wijst erop dat de EU-begroting alleen een bijdrage kan leveren aan de collectieve inspanning van de lidstaten in tijden van bezuinigingen als deze evenredig is met de omvang, de specifieke kenmerken en het werkelijke economische effect ervan; is van mening dat rekening moet worden gehouden met de huidige inspanningen in veel lidstaten om de nationale begrotingen op orde te krijgen als gevolg van een gebrek aan fiscale discipline in het verleden, doch wijst erop dat de EU-begroting krachtens de bepalingen van het EU-Verdrag geen tekort kan vertonen en dat de EU-begroting 2% van de totale overheidsuitgaven in de EU vertegenwoordigt;

7.  wijst erop dat het jaarlijkse inflatiepercentage van de EU 27 voor 2011 wordt geraamd op 2,7%, wat betekent dat de voor 2012 voorgestelde nominale verhoging van de VK met 3,7% en van de BK met 4,9% in reële termen neerkomt op 1% en 2,2% vergeleken met de begroting van 2011; onderstreept dat verscheidene lidstaten plannen hebben om hun nationale begroting te laten stijgen met meer dan de toename die de Commissie voorstelt voor de begroting van de Unie; wijst tevens op de inspanningen van enkele lidstaten om hun begrotingstekort terug te dringen en de groei van de staatsschuld te beteugelen, teneinde deze tot een aanvaardbaarder niveau terug te brengen;

8.  benadrukt dat de voor de begroting 2012 voorgestelde cijfers stroken met het profiel van de EU-uitgaven in het meerjarig financieel kader 2007-2013 (MFK), mits overeenstemming wordt bereikt met de begrotingsautoriteit over een herziening van het MFK waarbij tegemoet wordt gekomen aan de aanvullende financiële behoeften van ITER; onderstreept daarom dat bij elke verhoging (of verlaging) vergeleken bij de begroting 2011 rekening gehouden moet worden met de gevolgen daarvan voor de uitvoering van de meerjarige programma's; onderstreept dat dit een kwestie is van de institutionele geloofwaardigheid en coherentie van het EU-project nu de bevoegdheden en taken van de EU steeds ruimer worden; is daarom van mening dat prioriteit moet worden gegeven aan het uittrekken van aanzienlijke en zichtbare geldmiddelen voor specifieke beleidsterreinen en de nieuwe bevoegdheden van de EU;

9.  wijst erop dat in de ontwerpbegroting 2012 een totale marge van 1 603 miljoen EUR aan VK is voorzien onder het plafond dat voor 2012 is vastgesteld in het MFK; is vastbesloten, indien nodig, gebruik te maken van deze marge en, indien nodig, ook van andere flexibiliteitsmechanismen die in het huidige IIA zijn voorzien om bepaalde gerichte politieke doelen te ondersteunen en te versterken die niet in het huidige MFK zijn opgenomen; verwacht dat de Raad volledig meewerkt bij de gebruikmaking van deze mechanismen;

10.  herinnert eraan dat in het Parlement al een eerste ronde van besprekingen over de prioriteiten van de begroting van start is gegaan in de vorm van uitgebreid overleg van de algemeen rapporteur voor de begroting 2012 met de gespecialiseerde commissies; benadrukt dat elke commissie nu op haar eigen werkterrein nader moet bepalen wat de positieve en negatieve prioriteiten voor de begroting 2012 zijn;

11.  neemt nota van de raming van de Commissie dat in totaal 43,5% van de ontwerpbegroting 2012 (wat betreft de VK) bijdraagt aan de doelstellingen van de EU 2020-strategie; vindt deze schatting positief, maar niet voldoende; erkent dat de prioriteiten van de Commissie overeen lijken te komen met die welke het Parlement in zijn resolutie over de algemene richtsnoeren voor de begroting 2010 heeft vastgesteld, maar dringt aan op een ambitieuzere benadering met betrekking tot de financiering van de Europa 202-strategie; is echter voornemens deze cijfers verder te analyseren in overleg met al zijn gespecialiseerde commissies;

   12. is van mening dat de kredieten in de begroting 2012 van de Unie, nog afgezien van de tenuitvoerlegging van de EU 2020-strategie, op een passend niveau moeten worden vastgesteld om het beleid van de EU voort te kunnen zetten en haar doelstellingen te verwezenlijken; onderstreept met name de noodzaak dat de EU haar verantwoordelijkheid in de wereld kan nakomen, vooral in het licht van de Arabische lente en de onrust in het Midden-Oosten;
   13. merkt op dat de Commissie gezien de moeilijke economische situatie in de EU als geheel is begonnen met het vaststellen van negatieve prioriteiten en bezuinigingen op bepaalde beleidsterreinen vergeleken bij de oorspronkelijke plannen voor de financiële programmering, vooral op terreinen waar de prestaties en de uitvoering in het recente verleden tekortschoten waarop door het EP wordt aangedrongen in zijn resolutie van 24 maart 2011; verzoekt de Commissie echter aanvullende informatie te verstrekken ter staving van haar beoordelingen om het EP in staat te stellen duidelijk positieve en negatieve politieke en begrotingsprioriteiten vast te stellen en na te gaan of er een mogelijkheid is voor verdere besparingen en herschikkingen, aangezien het van groot belang is dat de tenuitvoerlegging van EU-programma's en -maatregelen, met inbegrip van de financiering van maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van de crisis en ter bevordering van de groei, op EU-niveau wordt voortgezet;
   14. waarschuwt met klem tegen iedere poging van de Raad om horizontale bezuinigingen in de begroting door te voeren, en daarbij a priori besluiten te nemen inzake het algemene niveau van de kredieten zonder terdege rekening te houden met een grondige evaluatie van de daadwerkelijke behoeften ter verwezenlijking van de door Unie overeengekomen doelstellingen en politieke verplichtingen; verzoekt de Raad om in plaats daarvan, indien er bezuinigingen worden doorgevoerd, publiekelijk uit te leggen en concreet aan te geven welke politieke prioriteiten of projecten van de EU zouden kunnen worden vertraagd of helemaal geschrapt;
   15. neemt nota van de voorgestelde verhoging van de BK met 4,9% vergeleken bij 2011; is ervan overtuigd dat de Commissie dergelijke cijfers voorstelt op basis van een zorgvuldige en kritische analyse van de prognoses die zijn voorgelegd door de lidstaten, die zelf 80% van de EU-begroting mede beheren; wijst erop dat deze verhoging grotendeels samenhangt met verplichtingen die voortvloeien uit het Zevende Programma voor onderzoek, de structuurfondsen en het Cohesiefonds; is ervan overtuigd dat het voorgestelde niveau van de betalingen het absolute minimum is dat nodig is om te voldoen aan de juridische afspraken die in voorgaande jaren door de EU zijn gemaakt en dat de EU de taak heeft de uit deze afspraken voortvloeiende wettelijke verplichtingen na te komen en te waarborgen dat programma's optimaal worden benut en op volle snelheid draaien; dringt er derhalve met klem bij de Raad op aan niet te tornen aan het voorgestelde niveau van de betalingen; is voornemens het door de Commissie in de ontwerpbegroting voorgestelde niveau van de betalingen te handhaven, met name in het licht van de onwil die de Raad begin 2011 toonde om zich te houden aan zijn formele toezegging van december 2010 om indien nodig nieuwe kredieten te verstrekken;
   16. wijst er bovendien op dat de totale marge van de BK onder het plafond van het MFK hoog blijft met 8 815 miljoen EUR; onderstreept dat elke verlaging die de Commissie zou voorstellen onder dit cijfer, de situatie zou verergeren gezien de dringende noodzaak het ongekend hoge niveau van de uitstaande verplichtingen (RAL) te verlagen en een goede uitvoering van het beleid en de programma's van de EU te verzekeren;
   17. roept in dit verband in herinnering dat het voorontwerp van gewijzigde begroting 3/2011 een begrotingsoverschot van 4,54 miljard EUR laat zien voor betalingen in 2010, waarvan 1,28 miljard EUR afkomstig is van boetes en rente op te late betalingen; is teleurgesteld over het voorstel van de Commissie om de bijdragen van de lidstaten met dit volle bedrag te verlagen; onderstreept dat dit deel van het overschot weliswaar niet van invloed is op de totale hoogte van de tekorten in de lidstaten, maar wel een duidelijk verschil kan maken voor de jaarlijkse begroting van de EU, en tegelijk de mogelijkheid biedt om de druk op de nationale begrotingen van de lidstaten te verlichten, indien het nodig zou zijn extra betalingskredieten in de EU-begroting op te nemen voor behoeften die bij de opstelling van de jaarlijkse begroting niet voorzien waren; is daarom van mening dat de inkomsten uit boetes en achterstandsrente niet gekort zouden moeten worden op de eigen middelen op basis van het BNI, maar in de EU-begroting opgevoerd moeten worden in een „reserve voor kredieten” ter dekking van eventuele extra betalingsbehoeften die in de loop van het jaar kunnen ontstaan;

Rubriek 1a

18.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie in de ontwerpbegroting 2012 om de VK met 12,6% te verhogen (tot 15 223 miljoen EUR) en de BK met 8,1% (tot 12 566 miljoen EUR) vergeleken met de begroting 2011, daar rubriek 1a de belangrijkste rubriek van het MFK 2007-2013 is om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken, omdat deze rubriek een directe of indirecte bijdrage levert aan de financiering van alle vijf hoofddoelen en zeven kerninitiatieven van deze strategie;

19.  betreurt evenwel dat het grootste deel van de verhogingen die voor 2012 voor deze rubriek zijn voorzien niet verder gaat dan het jaardeel van de meerjarige bedragen die door het Parlement en de Raad zijn overeengekomen bij de vaststelling van deze programma's en acties; wijst er daarom op dat de Commissie geen bedragen voorstelt die hoger zijn dan de oorspronkelijke plannen voor steun aan investeringen die dringend nodig zijn om de zeven kerninitiatieven uit te voeren, en stelt vast dat zij helaas geneigd is de noodzakelijke sterke stijging van de gemeenschappelijke financiële inspanning uit te stellen tot het MFK na 2013; is ervan overtuigd dat deze opstelling de verwezenlijking van de hoofddoelen in 2020 in gevaar brengt;

20.  onderstreept dat het totale bedrag van de middelen die tot 2013 zijn vastgelegd voor programma's die van wezenlijk belang zijn voor de verwezenlijking van de EU 2020-strategie, zoals het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek (EC FP7), maatregelen voor de bestrijding van vervuiling, Marco Polo II, PROGRESS, Galileo en GMES, met de ontwerpbegroting 2012 en de bijgestelde financiële programmering voor 2013 lager zou uitvallen dan het referentiebedrag dat het Parlement en de Raad zijn overeengekomen bij de vaststelling van deze programma's; stelt vast dat deze referentiebedragen daarentegen in geringe mate overschreden zouden worden voor de volgende belangrijke Europa 2020-programma's: het kaderprogramma Concurrentievermogen en Innovatie, het trans-Europese vervoersnetwerk, het trans-Europese energienetwerk, Erasmus Mundus en Levenslang Leren; is voornemens de 5% flexibiliteit die is toegestaan op grond van paragraaf 37 van het IIA indien nodig volledig te benutten, teneinde cruciale en dringende investeringen verder te bevorderen;

21.  wijst er bovendien op dat de nominale stijging onder rubriek 1a in de ontwerpbegroting 2012 vergeleken met de begroting 2011 voor een belangrijk deel samenhangt met de extra middelen ter hoogte van 750 miljoen EUR (aan VK) die in 2012 nodig zijn voor ITER, waarvan 650 miljoen EUR echt extra geld is en 100 miljoen EUR is overgeheveld van alle begrotingslijnen van het zevende kaderprogramma voor onderzoek; is sterk gekant tegen elke vorm van overheveling uit het zevende kaderprogramma, daar deze de succesvolle tenuitvoerlegging ervan in gevaar zou brengen en vooral ten koste zou gaan van de bijdrage van dit programma aan de verwezenlijking van de hoofddoelen en de uitvoering van de kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie;

22.  herinnert eraan dat de begrotingsautoriteit voor de financiering van ITER zal moeten instemmen met het parallelle voorstel van de Commissie (COM(2011)0226) tot wijziging van het MFK 2007-13, waarbij de 1 300 miljoen EUR voor ITER die ontbreken in 2012 en 2013 gefinancierd zou worden door gebruik te maken van beschikbare ongebruikte marges van 2011 onder de rubrieken 2 en 5 van het MFK 2007-13 ten bedrage van in totaal 840 miljoen EUR en door in 2012 en 2013 een bedrag van 460 miljoen EUR over te hevelen uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek; is bereid met de Raad te onderhandelen over een wijziging van het voorstel van de Commissie door een beroep te doen op de verschillende middelen die zijn voorzien in het IIA van 17 mei 2006;

23.  neemt met bezorgdheid kennis van de extra bezuinigingen van 64 miljoen EUR op het zevende kaderprogramma voor onderzoek vergeleken met de financiële programmering, naast de herschikking van 100 miljoen EUR voor ITER; dringt erop aan dat de Commissie voorstelt om alle bezuinigingen (van in totaal 190 miljoen EUR) in 2012 door te voeren door een herbeoordeling van de personeelsbehoeften van en de lagere financiële bijdragen aan enkele gemeenschappelijke ondernemingen ten behoeve van de beleidsuitgaven van het zevende kaderprogramma;

24.  wijst in dit verband op de noodzaak betere financieringsvoorwaarden vast te stellen voor de prioriteiten op het gebied van duurzame energie, technologieën voor energieopslag en andere prioriteiten met betrekking to hernieuwbare energiebronnen van het onlangs ingevoerde Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan), alsook energie-efficiëntie, doelstellingen die van wezenlijk belang zijn om de uitdagingen op het gebied van economie, energie en klimaat het hoofd te bieden; is van mening dat duidelijke beleidsdoelstellingen op het gebied van duurzame energie en een efficiënt gebruik van energie kosteneffectieve oplossingen kunnen bieden die voordelen opleveren voor de hele Europese economie; wijst erop dat in het kader van de begrotingsprocedure 2012 gezocht kan worden naar nieuwe innovatieve manieren voor het aantrekken van investeringen en het stimuleren van onderzoek en innovatie, zoals de Financieringsfaciliteit voor risicodeling (RSFF);

25.  betreurt het dat de Commissie met de beperkte verhoging die in de ontwerpbegroting 2012 is voorzien voor het PROGRESS-programma vergeleken bij de begroting 2011, niet in staat zal zijn om voor de periode 2011-2013 het bedrag van 20 miljoen EUR opnieuw op te voeren, dat zij zelf in 2010 had voorgesteld als gedeeltelijke compensatie voor de herschikking van PROGRESS ten gunste van de microfinancieringsfaciliteit; herinnert aan de bijdrage van het PROGRESS-programma aan de twee kerninitiatieven van de EU 2020-strategie, „Europees Platform tegen armoede” en „Jongeren in beweging”; wijst erop dat lidstaten, lokale en regionale overheden en nationale en regionale instanties middelen uit het PROGRESS-programma ontvangen om maatregelen met betrekking tot gendergerichte budgettering uit te voeren;

26.  verwelkomt de stijging (+ 5,7 miljoen EUR) van het totale niveau van de VK voor het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie vergeleken bij de aanvankelijk voorziene bedragen; hoopt dat deze stijging dit programma toegankelijker zal maker voor KMO's en zal helpen specifieke programma's en innovatieve financieringsmechanismen te ontwikkelen; wijst in dit verband op de belangrijke rol die KMO's spelen bij het aanjagen van de economie van de EU en steunt met name het programma CIP-EIP als een onmisbaar instrument om de crisis weer te boven komen; benadrukt dat de toegang van KMO's tot kapitaalmarkten en verschillende financieringsmogelijkheden van de EU moet worden verbeterd door de financieringsprocedures makkelijker, sneller en minder bureaucratisch te maken;

27.  wijst nogmaals op het belang van de interne markt voor het concurrentievermogen van ondernemingen in de EU en voor de groei en stabiliteit van Europese economieën, en herinnert de Commissie en de lidstaten eraan dat er voldoende middelen moeten worden gewaarborgd om de tenuitvoerlegging van de regels van de interne markt te verbeteren;

28.  wijst op de Europese toegevoegde waarde van investeringen in grensoverschrijdend vervoer, met name het TEN-T-programma, die de grensoverschrijdende en intermodale verbindingen verbeteren en zo de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid bevorderen; herinnert aan de traditionele onderfinanciering van TEN-T en dringt erop aan dat meer middelen voor dit doel worden uitgetrokken, ook door middel van alternatieve financieringsbronnen zoals publiek-private partnerschappen, het toewijzen van inkomsten en andere financiële instrumenten; benadrukt dat cohesie- en regionale fondsen nauw moeten worden gekoppeld aan TEN-T-projecten;

29.  is van mening dat de steun voor het programma Levenslang Leren in 2012 moet worden voortgezet en verhoogd vanwege de grote Europese toegevoegde waarde ervan en het feit dat dit programma een grote bijdrage levert aan het de kerninitiatieven „Jongeren in beweging” en „Innovatie-Unie”; onderstreept met name dat, gezien het toenemende aantal mensen dat in Europa deelneemt aan volwassenenonderwijs, Grundtvig, dat nu slechts 4% van de kredieten voor het programma Levenslang Leren ontvangt, meer steun moet krijgen;

30.  is bezorgd over de voorgestelde verlaging van de kredieten voor het statistisch programma van de Unie en de zeer beperkte verhoging, onder het inflatiecijfer, van de uitgaven voor personeel op het beleidsterrein „Statistiek”; benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is voortdurend te waarborgen dat de middelen voor Eurostat aansluiten bij de groeiende werklast en de strengere kwaliteitseisen op het belangrijke terrein van economische en financiële statistieken;

31.  herinnert eraan dat het grootste deel van de nieuwe bevoegdheden die de EU met het Verdrag van Lissabon heeft gekregen op het gebied van energie, toerisme en ruimte, onder rubriek 1a vallen; is teleurgesteld dat de Commissie geen extra middelen voor deze nieuwe beleidsterreinen voorstelt in het derde jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon; onderstreept dat noch Galileo noch GMES – de twee voornaamste ruimteprogramma's van de EU – extra middelen zullen ontvangen vóór het eind van het huidige MFK en dat de middelen voor Galileo tussen 2011 en 2012 dalen; onderstreept nogmaals de noodzaak om specifieke zichtbare maatregelen te nemen ter ondersteuning van het toerisme gezien het economische belang van deze sector, de derde sociaaleconomische branche in Europa qua werkgelegenheid en het genereren van BBP, en betreurt het dat de Commissie geen nieuwe rechtsgrondslag voorstelt ter vervanging van de drie voorbereidende acties op dit gebied, die in 2012 niet verlengd kunnen worden; dringt erop aan in 2012 en 2013, alsook in het toekomstig meerjarig financieel kader passende middelen toe te kennen aan de toerismesector;

32.  merkt op dat uit de crisis duidelijk is gebleken dat het voor gezonde overheidsfinanciën belangrijk is te beschikken over effectieve en fraudebestendige belastinginningssystemen; benadrukt dat de bestrijding van belastingfraude en -ontduiking hoge prioriteit verdient en dat de aan het programma Fiscalis toegekende kredieten dit programma in staat moeten stellen deze doelstelling te verwezenlijken;

33.  verwelkomt het besluit van de Commissie om in de ontwerpbegroting voor het tweede opeenvolgende jaar betalingskredieten (ter hoogte van 50 miljoen EUR) op te nemen voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering; onderstreept dat dit niet alleen de zichtbaarheid van het fonds vergroot, maar ook vermijdt dat overdrachten nodig zijn van andere begrotingslijnen die andere doelen nastreven en andere behoeften dekken; wacht met spanning op de indiening door de Commissie van de tussentijdse herziening van de verordening inzake dit fonds in de hoop dat hierin manieren worden aangegeven om sneller gebruik te kunnen maken van het fonds en de regels ervan te vereenvoudigen;

Rubriek 1b

34.  benadrukt de beslissende bijdrage van het cohesiebeleid aan de groei en werkgelegenheid en aan de economische, sociale en territoriale samenhang tussen de regio's en lidstaten van de EU; onderstreept dat het cohesiebeleid een middel is om alle regio's van de EU in staat te stellen deel te nemen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020 en regionale investeringen met het oog op de uitvoering van alle kerninitiatieven te steunen; is dan ook van mening dat het cohesiebeleid zowel moet blijven streven naar herverdeling en verkleining van de regionale ongelijkheid als investeringsbeleid voor de hele EU moet blijven omvatten en toegankelijk moet zijn voor alle regio's en burgers van de EU;

35.  stelt vast dat de totale uitgaven van rubriek 1b worden geraamd op 52 739 miljoen EUR aan VK, een toename met 3,4% vergeleken bij 2011, wat volledig strookt met de toewijzingen die worden genoemd in het MFK 2007-13, rekening houdende met de meest recente aanpassing ten behoeve van enkele lidstaten in 2010; stelt vast dat de marge die nog beschikbaar is onder het plafond (22,1 miljoen EUR) hoofdzakelijk bestaat uit kredieten voor technische bijstand en slechts 0,04% van het totaal aan kredieten in de rubriek omvat;

36.  verwelkomt de verhoging met 8,4% van de BK tot 45 134 miljoen EUR die voor 2012 wordt voorgesteld vergeleken bij 2011, en gelooft dat dankzij deze stijging de uitvoering van het programma snel opgevoerd kan worden na de zeer trage start van de programma's aan het begin van de periode 2007-13; onderstreept dat het dankzij deze stijging ook mogelijk zal zijn te voldoen aan de extra betalingsbehoeften die het gevolg zijn van recente wetswijzigingen, de goedkeuring van alle systemen voor beheer en controle en de afronding van de programma's van 2000-2006;

37.  beklemtoont dat dit niveau van de betalingen het absolute minimum is en volledig strookt met een realistische budgettering, rekening houdend met het algemene betalingsprofiel over de periode, de beschikbare prognoses van de lidstaten voor aan de Commissie voor te leggen betalingsverzoeken en de noodzaak om de kloof tussen vastleggingen en betalingen te overbruggen; onderstreept dat deze geldstromen tevens het herstel van de Europese economie zullen versnellen en de Europa 2020-strategie in de regio's zullen ondersteunen; is dan ook sterk gekant tegen een mogelijke daling van het niveau van de betalingen ten opzichte van de voorstellen van de Commissie in de ontwerpbegroting;

38.  verzoekt de Commissie om demografische gegevens te verzamelen van de begunstigden van het cohesiebeleid, het Europees Sociaal Fonds in het bijzonder, teneinde de daadwerkelijke impact te controleren van de middelen die worden uitgetrokken om menselijk kapitaal te ontwikkelen en de toetreding tot de arbeidsmarkt te bevorderen, waarbij met name rekening moet worden gehouden met het bijzonder verontrustende probleem van jeugdwerkloosheid;

39.  verzoekt de Commissie nauw te blijven samenwerken met de lidstaten met een laag opnamepercentage, ten einde de opname aan de basis verder te verbeteren; pleit daarom voor de bevordering van leren van elkaar, de uitwisseling van beste praktijken en de verbetering van de administratieve capaciteiten in de lidstaten, alsook in kandidaat-lidstaten, door aandacht te besteden aan het instrument voor pretoetredingssteun dat de landen ondersteunt bij de voorbereidingen voor de tenuitvoerlegging van de communautaire programma's;

40.  verzoekt de Commissie tevens met klem te blijven nadenken hoe het complexe systeem van regels en voorschriften van de EU en/of de lidstaten kan worden vereenvoudigd en de bureaucratische rompslomp kan worden beperkt zodat, naast wettigheid en regelmatigheid, de nadruk duidelijk sterker komt te liggen op het bereiken van concrete doelstellingen, zonder af te stappen van de beginselen van transparantie, verantwoordingsplicht en een goed financieel beheer;

Rubriek 2

41.  stelt vast dat in de ontwerpbegroting 2012 wordt voorgesteld de vastleggingskredieten met 2,6% te verhogen tot 60.158 miljoen EUR en de betalingskredieten met 2,8% tot 57 948 EUR in vergelijking met de begroting 2011; wijst erop dat deze verhogingen onder de stijging blijven die de Commissie voor de begroting als geheel voorstelt;

42.  merkt op dat deze verhogingen vooral het gevolg zijn van de aanhoudende invoering van rechtstreekse betalingen aan nieuwe lidstaten en extra uitgaven die nodig zijn voor plattelandsontwikkeling; onderstreept dat de marktinterventies vrijwel stabiel blijven vergeleken bij de begroting 2011, terwijl de landbouwsector nog steeds te lijden heeft onder prijsvolatiliteit en het onstabiele karakter van bepaalde markten; verzoekt de Commissie voorstellen uit te werken voor een aanpak op langere termijn voor alle landbouwsectoren alsook concrete voorstellen voor de omgang met heftige prijsschommelingen op hun markten;

43.  wijst erop dat de huidige ramingen naar gelang de reële behoeften bijgesteld zullen worden in de traditionele nota van wijzigingen die in het najaar van 2011 ingediend zal worden; vestigt in dit verband de aandacht op het definitieve niveau van de bestemmingsontvangsten die in 2012 beschikbaar moeten zijn (conformiteitcorrecties, onregelmatigheden en melkheffing), dat uiteindelijk bepalend zal zijn voor de omvang van de nieuwe kredieten die in de begroting 2012 opgevoerd worden; schat dat de marge die nog beschikbaar is onder het plafond (651,6 miljoen EUR) voldoende moet zijn om de behoeften onder deze rubriek te dekken, mits zich geen onvoorziene omstandigheden voordoen;

44.  onderstreept dat de begrotingsautoriteit de afgelopen jaren dankzij specifieke omstandigheden gebruik kon maken van de niet-toegewezen middelen (marge) die onder het plafond van deze rubriek beschikbaar waren, om algemene akkoorden over de jaarlijkse begrotingen te sluiten met een beroep op punt 23 van het IIA;

45.  stemt in met de voortzetting van de steun voor programma's in het kader van de schoolfruitregeling en het programma hulp voor behoeftigen; betreurt evenwel de verlaging van de begrotingsmiddelen voor de schoolmelkregeling en is bezorgd over de kortingen op de veterinaire en fytosanitaire maatregelen;

46.  dringt aan op een verdere verlaging van de exportrestituties en betreurt dat de subsidiëring van de tabaksproductie in de EU voortduurt, wat in strijd is met de doelstellingen van het gezondheidsbeleid van de EU;

47.  benadrukt dat een deel van de uitgaven onder rubriek 2 dient ter verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020; beklemtoont dat de prioritaire doelstellingen van deze strategie - groei en werkgelegenheid - ook worden verwezenlijkt door de programma's voor plattelandsontwikkeling; beschouwt voedselzekerheid en duurzaamheid als de voornaamste uitdagingen voor het GLB; herinnert eraan dat bij de directe steun beter rekening moet worden gehouden met de verwezenlijking van sociale en milieudoelstellingen en pleit voor een duurzamer GLB dat een verdere bijdrage moet leveren aan de milieu-uitdagingen waar de EU voor staat, onder meer de watervervuiling, zonder dat het concurrentievermogen van de landbouwers in de EU in gevaar wordt gebracht;

48.  is in dit verband verheugd over de verhoging van de kredieten voor het LIFE+-programma (met +4,3 % en +1,9% voor respectievelijk vastleggings- en betalingskredieten) waarin alleen prioriteit wordt gegeven aan projecten inzake milieu- en klimaatmaatregelen; herinnert er andermaal aan dat milieuproblemen en oplossingen daarvoor niet aan nationale grenzen gebonden zijn en een aanpak op EU-niveau dus vanzelf spreekt; wijst er echter op dat de kredieten voor LIFE+ heel beperkt blijven;

49.  benadrukt dat energie-efficiëntie, de bestrijding van klimaatverandering en de bevordering van hernieuwbare energie transversale prioriteiten zijn die uit verschillende rubrieken van de EU-begroting gefinancierd kunnen worden, en dat het Parlement bijzondere aandacht zal besteden aan de financiering ervan per begrotingslijn en in het algemeen; verzoekt de Commissie met klem deze prioriteiten alsmede waterbescherming en behoud van de biodiversiteit ook in andere beleidsonderdelen in te voeren, onder meer de financiële steun van de EU voor ontwikkelingslanden; is van mening dat een goede uitvoering van de bestaande wetgeving inzake deze onderwerpen fundamenteel is en verzoekt de Commissie daarom zorgvuldig te bestuderen of meer middelen nodig zijn voor serieus onderzoek naar de uitvoering van de EU-milieuwetgeving, en om het Parlement van de uitkomst op de hoogte te stellen;

50.  wijst erop dat de bestaande maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid en de financiering daarvan gezien het politieke belang van dit beleid op de voorgestelde niveaus van de ontwerpbegroting gehandhaafd moeten blijven, al was het alleen maar vanwege de aanstaande hervorming van dit beleid; is van mening dat de financiering van het geïntegreerde maritieme beleid, die in 2012 een adequaat bedrag moet bereiken, niet ten koste mag gaan van de financiering van andere visserijmaatregelen en -programma's in rubriek 2; acht het bovendien van cruciaal belang dat wordt toegezien op de omvang van de Europese visserijvloot, waarbij de lidstaten in dit verband adequate steun wordt verleend en met name de illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO)-visserij wordt bestreden; is van mening dat een doeltreffend visserijbeheer van cruciaal belang is om de visbestanden te handhaven en overbevissing te voorkomen;

Rubriek 3a

51.  wijst erop dat de totale verhoging van de middelen die in de ontwerpbegroting 2012 vergeleken met de begroting 2011 wordt voorgesteld voor maatregelen onder deze rubriek (+17,7% voor de vastleggingskredieten en +6,8% voor de betalingskredieten) strookt met de steeds grotere ambities van de EU op het gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, zoals uiteengezet in het Verdrag van Lissabon en het programma van Stockholm (2010-2014), dat de Europese Raad zelf heeft vastgesteld in december 2009;

52.  wijst erop dat deze verhogingen vooral te maken hebben met drie van de vier programma's voor solidariteit en beheer van de immigratie: Buitengrenzenfonds (+38%), Europees Terugkeerfonds (+43%) en Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen (+24%); benadrukt evenwel dat de verhogingen die voor 2012 voor deze rubriek zijn voorzien simpelweg overeenkomen met de jaartranches van de meerjarige bedragen die door het Parlement en de Raad zijn overeengekomen bij de vaststelling van deze programma's en acties;

53.  betreurt ten zeerste het feit dat de Commissie door een substantiële verhoging van de kredieten voor het Buitengrenzenfonds en het Europees Terugkeerfonds en door de handhaving van de kredieten voor het Europees Vluchtelingenfonds op hetzelfde niveau als in 2011 aan vluchtelingen een signaal afgeeft dat zij niet welkom zijn; is van mening dat de EU zich tegenover vluchtelingen uitnodigender moet opstellen, met name in het licht van de oorlog in Libië en het aanhoudend harde repressieve optreden tegen demonstranten in verschillende Arabische landen;

54.  vraagt zich dan ook af of de ontwerpbegroting van de Commissie een passend en actueel antwoord is op de uitdagingen waar de EU nu voor staat, ook gezien de ontwikkelingen in de landen ten zuiden van de Middellandse Zee; dringt nogmaals met klem aan op een passend en evenwichtig antwoord op deze uitdagingen om de legale migratie beter te beheren en de illegale migratiestromen in te dammen, onderstreept, onder erkenning van de verplichting van de EU-lidstaten om de bestaande EU-wetgeving na te leven, de noodzaak van voldoende financiering en ondersteunende instrumenten om in noodsituaties op te kunnen treden met volledige inachtneming van de interne beschermingsregels, de mensenrechten en de solidariteit tussen alle lidstaten; wijst met name op de rol en ondersteuning van het Europees Vluchtelingenfonds, met inbegrip van noodmaatregelen in het geval van een massale toestroom van vluchtelingen, en betreurt het ten zeerste dat de Commissie geen verhoging voor dit fonds heeft vastgesteld die verder gaat dan wat reeds in de financiële programmering was voorzien;

55.  neemt nota van de herhaalde oproepen van de Europese Raad om in een periode van toenemende migratiedruk het operationele vermogen en de rol van FRONTEX te versterken; verzoekt de Commissie om de gevolgen van de lopende herziening van FRONTEX voor de begroting volledig in kaart te brengen en een duidelijker beeld te geven van de financiële deelneming van de lidstaten aan de werking ervan;

56.  stelt vast dat de kredieten van 2011 voor SIS II die in de reserve waren opgenomen na een presentatie van de volgende technische stappen door de begrotingsautoriteit zijn vrijgegeven; benadrukt het feit dat de begrotingsautoriteit de toekomstige ontwikkelingen in verband met SIS II nauwkeurig zal blijven volgen en zich het recht voorbehoudt maatregelen te nemen als dat nodig mocht blijken;

Rubriek 3b

57.  herinnert eraan dat rubriek 3b weliswaar de kleinste rubriek van het MFK is wat betreft het totaal aan kredieten, maar dat deze rubriek betrekking heeft op een aantal onderwerpen die de Europese burgers nauw aan het hart liggen, zoals jongeren, programma's op het gebied van onderwijs en cultuur, volksgezondheid, consumentenbescherming, het instrument voor civiele bescherming en communicatiebeleid;

58.  betreurt het ten zeerste dat de totale kredieten van deze rubriek voor het derde opeenvolgende jaar omlaag gaan, en wel met 0,1% voor de VK (naar 683,5 miljoen EUR) en met 0,3% voor de BK (naar 645,7 miljoen EUR) in vergelijking met de begroting 2011 (zonder het EU-solidariteitsfonds), zodat er een marge van 15,5 miljoen EUR overblijft;

59.  is van mening dat de programma's en acties in deze rubriek een belangrijke rol spelen bij de verwezenlijking van de hoofddoelstellingen en kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie; herhaalt dat onderwijs, opleiding en cultuur economische waarde hebben omdat zij met name bijdragen tot economische groei en kwalitatief hoogstaande werkgelegenheid en de ontwikkeling van een actief burgerschap ondersteunen;

60.  onderstreept dat de zeer kleine marge die beschikbaar is slechts beperkt ruimte biedt om nieuwe acties voor te stellen of besluiten te nemen over verhoging van de middelen voor prioriteiten die de burgers rechtstreeks raken;

61.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie om de kredieten voor Jeugd in actie in 2012 met 8 miljoen EUR te verhogen vergeleken bij de oorspronkelijke financiële programmering (tot 134,6 miljoen EUR in 2012), een programma dat een van de belangrijkste instrumenten is van het kerninitiatief „Jeugd in beweging” en steun verleent voor experimenten met informeel leren en de ontwikkeling van een actief burgerschap voor jonge mensen;

62.  betreurt het dat dergelijke verhogingen niet worden voorgesteld voor programma's als MEDIA en Cultuur 2007, hoewel deze een grote bijdrage leveren aan de rijkdom en diversiteit van de Europese cultuur en steun verlenen aan acties die niet door de lidstaten alleen gefinancierd zouden worden;

63.  betreurt dat de Commissie in haar ontwerpbegroting 2012 geen specifieke maatregelen voor sport voorstelt, hoewel dit onderwerp sinds het Verdrag van Lissabon een volledige bevoegdheid van de Unie is; is van mening dat in de begroting 2012 wel enige, zij het beperkte, geldmiddelen beschikbaar moeten blijven;

64.  is verheugd over de verhoging van het volksgezondheidsprogramma, aangezien de volksgezondheid is uitgegroeid tot een belangrijke hefboom voor het concurrentievermogen in vergrijzende Europese samenlevingen; onderkent de inspanningen van de Commissie om financieringsoplossingen te vinden voor de voortzetting van belangrijke onderwijscampagnes zoals de HELP-campagne voor een rookvrij leven;

65.  betreurt de verlaging van de kredieten voor het Financieringsinstrument voor civiele bescherming vergeleken met de financiële programmering (-1,8 miljoen EUR) en verzoekt de Commissie deze verlaging te verklaren, daar civiele bescherming voortaan een nieuwe bevoegdheid van de Unie is;

66.  wijst erop dat de Europese publieke ruimten met het oog op transparantie en volledige betrokkenheid van het Europees Parlement en zijn leden over een eigen aparte begrotingslijn moeten beschikken; betreurt het voorstel van de Commissie om deze begrotingslijn leeg te halen en de kredieten voor de Europese publieke ruimten samen te voegen met de begrotingslijn voor vertegenwoordigingen van de Commissie; herinnert eraan dat de Europese publieke ruimten gezamenlijk door de Commissie en het Parlement worden beheerd en dat het daarvoor bestemde budget derhalve moet worden gescheiden van het budget voor vertegenwoordigingen van de Commissie zoals het geval is in de begrotingen 2010 en 2011; onderstreept dat het afwijzend staat tegenover elke poging om de wensen van de begrotingsautoriteiten ter zake te veranderen;

Rubriek 4

67.  neemt ter kennis dat de in de ontwerpbegroting 2012 gevraagde vastlegging- en betalingskredieten met respectievelijk 2,9% en 0,8% zijn verhoogd ten opzichte van 2011 tot respectievelijk 9 009,3 miljoen EUR en 7 293,7 miljoen EUR (waarbij rekening is gehouden met de reserve voor spoedhulp); wijst erop dat deze verhogingen onder de stijging blijven die de Commissie voor de begroting als geheel voorstelt;

68.  wijst erop dat de Commissie tot dusver de middelen die zij heeft gebruikt voor de Voedselfaciliteit (240 miljoen) nog niet heeft geretourneerd naar rubriek 4, en met name het Stabiliteitsinstrument, zoals gevraagd was door de Begrotingscommissie in paragraaf 28 van haar verslag A7-0038/2009 van 12 oktober 2009;

69.  is er vast van overtuigd dat optimaal en gecoördineerd gebruik gemaakt moet worden van alle Europese instrumenten die beschikbaar zijn (niet alleen van de kredieten op de EU-begroting, maar ook van instrumenten die worden beheerd door de EIB, de EBWO, enz.) en van acties van de lidstaten; benadrukt dat de flexibiliteit van de programmering en uitvoering van de instrumenten van de EU verder verbeterd moet worden om op passende en doeltreffende wijze te kunnen reageren op politieke en humanitaire crises in derde landen, zonder echter de politieke verplichtingen en prioriteiten op lange termijn in gevaar te brengen; verzoekt de Commissie, de Europese dienst voor extern optreden en de Europese Investeringsbank daartoe hun inspanningen te coördineren om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van het externe optreden van de EU zo doelgericht en doeltreffend mogelijk zijn;

70.  meent dat het de taak van de EU is adequaat en grootschalig te reageren op recente politieke ontwikkelingen in mediterrane buurlanden en steun en bijstand te verlenen aan bewegingen die strijden voor democratische waarden en de vestiging van de rechtsstaat; herhaalt dat de verhoging van de financiële bijstand voor deze landen niet ten koste mag aan van prioriteiten en instrumenten ten bate van Oost-Europese buurlanden;

71.  is in dit licht bezien zeer bezorgd dat de voorgestelde marge van 246,7 miljoen EUR voor rubriek 4, die weliswaar veel hoger is dan bij de actualisering van de financiële planning in januari 2011 was voorzien (132,2 miljoen EUR), toch onvoldoende is om te voorzien in de nieuwe behoeften onder rubriek 4, daar de marge gebaseerd lijkt op kortingen op enkele grote EU-programma's; heeft het vaste voornemen de gevolgen van deze kortingen te toetsen en te analyseren;

72.  herinnert eraan dat het Parlement en de Raad het nog niet eens zijn geworden over de rechtsgrondslag voor de begeleidende maatregelen voor de bananensector en de samenwerking met geïndustrialiseerde landen en andere landen met een hoog inkomen (ICI+) en dat een overeenkomst op dit punt gevolgen zou hebben voor de kredieten van de begroting 2012; betreurt het voorstel van de Commissie om te bezuinigen op de samenwerking met ontwikkelingslanden in Azië en Latijns-Amerika; dringt aan op snelle aanneming van de ICI+ wetgeving en op goedkeuring van voldoende kredieten voor Azië en Latijns-Amerika;

73.  verzoekt de Commissie daarom haar aanstaande nota van wijzigingen niet te beperken tot de budgettaire gevolgen van het Europese Nabuurschapsbeleid maar, indien nodig tezamen met het gebruik van alle middelen die zijn voorzien door het IIA, ook alle andere nog hangende kwesties en behoeften te behandelen, met inbegrip van de financiering van Palestina en UNRWA, dat 100 miljoen EUR minder ontvangt vergeleken bij de begroting 2011, ten einde de impact van de bijstand van de EU in de wereld zo groot mogelijk te maken;

74.  betreurt de beperking van de geplande verhoging van de kredieten voor het Pretoetredingsinstrument van 139 miljoen EUR tot slechts 79 miljoen EUR in vergelijking met de begroting 2011;

75.  neemt nota van de voorgestelde verhoging van de kredieten voor het programma milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen (ENRTP) binnen het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) met 51,8 miljoen EUR vergeleken bij de financiële programmering, die ten doel heeft de snelstartfinanciering van maatregelen tegen klimaatverandering mogelijk te maken; is sterk tegen de verlaging van andere posten met in totaal 78 miljoen EUR bij de geografische programma's van het DCI, die ingaat tegen het streven van de EU om een bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de Millenniumontwikkelingsdoelen en de EU-toezegging gestand te doen om in 2015 het hoogste niveau, namelijk 0,7% van het BBI te besteden aan ontwikkelingssamenwerking;

76.  herinnert eraan dat het zich zal keren tegen alle systematische, bijna-automatische en soms ondoordachte kortingen door de andere tak van de begrotingsautoriteit in de administratieve uitgaven onder rubriek 4, die alleen ten doel hebben de uitgaven te verlagen, daar deze bezuinigingen als gevolg zouden hebben dat het de EU zou ontbreken aan middelen om haar programma's op passende en doeltreffende wijze uit te voeren;

Rubriek 5

77.  stelt vast dat de totale huishoudelijke uitgaven voor alle instellingen geraamd worden op 8,281 miljard EUR, d.w.z. een toename met 1,3%, zodat er een marge van 472,5 miljoen EUR overblijft;

78.  neemt nota van het schrijven van de commissaris financiële programmering en begroting van 3 februari 2011, die toezegt dat de stijging van de uitgaven in rubriek 5 onder de 1% zal blijven en dat er geen nieuw personeel aangenomen zal worden vergeleken bij 2011 en alle instellingen oproept om ten aanzien van de ontwikkeling van hun begroting dezelfde weg te volgen;

79.  stelt vast dat de Commissie, de Raad, de Rekenkamer, de Ombudsman en de Toezichthouder voor gegevensbescherming in zijn voetsporen zijn getreden; onderstreept dat het Europees Parlement erin is geslaagd zijn eigen ramingen met circa 50 miljoen EUR te beperken in vergelijking met het eerste voorstel voor het voorontwerp van raming; onderstreept dat het de ramingen van de andere instellingen diepgaand zal bestuderen, onder meer in het licht van de extra behoeften en activiteiten die verband houden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon;

80.  erkent dat de Commissie zich tot het uiterste heeft ingespannen om haar eigen administratieve uitgaven in nominale termen te bevriezen; wijst erop dat dit mogelijk was door de stijgingen die het gevolg zijn van statutaire en contractuele verplichtingen te compenseren door drastisch te snoeien in andere administratieve uitgaven; is niettemin bezorgd over de mogelijke gevolgen hiervan;

81.  benadrukt dat verdere kortingen op de administratieve kredieten in Afdeling III, met inbegrip van de lijnen met uitgaven voor administratieve ondersteuning (de voormalige BA-lijnen), ten koste kunnen gaan van de uitvoering van de programma's, vooral gezien de nieuwe taken van de EU die voortvloeien uit de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon; onderstreept dat de besparingen die ontstaan door lagere uitgaven voor administratieve ondersteuning, binnen de voor de programma's beschikbare bedragen voor een betere levering ter plekke blijven; onderstreept ook dat zolang de bevoegdheden van de EU blijven toenemen, deze ontwikkeling niet houdbaar is op de lange termijn en een negatief effect zal hebben op de snelle, regelmatige en doeltreffende uitvoering van de acties en programma's van de EU;

82.  erkent dat de Commissie zich inspant om geen extra posten te vragen en toezegt dat zij in alle behoeften – met inbegrip van die welke verband houden met nieuwe prioriteiten en de inwerkingtreding van het VWEU – zal voorzien uitsluitend via interne herverdeling van reeds aanwezig personeel; verzoekt om nadere informatie, met name waar de 230 extra posten die nodig zijn voor adequaat toezicht op de economische en financiële situatie van de lidstaten binnen DG ECFIN vandaan zouden moeten komen en wat de gevolgen zullen zijn van het wegvallen van 70 posten voor administratieve ondersteuning en het beheer van programma's na een herschikking binnen specifieke directoraten-generaal; benadrukt dat het personeelsvraagstuk nog belangrijker wordt gezien het feit dat DG ECFIN wellicht verder versterkt moet worden om belangrijke bijkomende taken uit te kunnen voeren na de goedkeuring van het pakket inzake economisch bestuur;

83.  onderstreept dat de voor EPSO voorgestelde verhoging (+5,4% voor vastleggings- en betalingskredieten) in tegenspraak lijkt te zijn met de inspanningen van de Commissie om de administratieve uitgaven te beperken; verzoekt om meer informatie over de voorgestelde verhoging van de kredieten voor EPSO en over de uitbesteding door EPSO van belangrijke diensten;

84.  neemt nota van de stijging van de uitgaven voor pensioenen met 4% (tegen +5,2% van 2010 op 2011) gezien de pensioneringsgolf van ambtenaren; verzoekt de Commissie een diepgaander analyse te maken van de budgettaire gevolgen van deze ontwikkeling op langere termijn en daarbij rekening te houden met de mogelijke directe en indirecte gevolgen van een mogelijke verandering van de pensioenregeling van de EU voor de aantrekkelijkheid, kwaliteit en onafhankelijkheid van het werk bij de Europese instellingen; benadrukt dat degelijk sociaal overleg moet plaatsvinden voordat een dergelijke verandering wordt doorgevoerd;

85.  is van mening dat voldoende financiering beschikbaar moet zijn voor de Europese scholen om rekening te houden met de specifieke situatie van de kinderen van personeelsleden van de EU-instellingen; zal de voorgestelde verhoging met in totaal 1,7% ten opzichte van 2011, die lager is dan is voorzien in de financiële programmering, zorgvuldig toetsen alsmede elke begrotingslijn voor de Europese scholen, en zal in zijn lezing elke wijziging voorstellen die het passend acht;

Proefprojecten - voorbereidende acties

86.  onderstreept dat proefprojecten en voorbereidende acties essentieel zijn voor het formuleren van politieke prioriteiten en om de weg vrij te maken voor nieuwe initiatieven die kunnen uitmonden in EU-activiteiten en -programma's die het leven van de EU-burgers verbeteren; is dan ook voornemens zijn voorstellen voor proefprojecten en voorbereidende acties voor de begroting 2012 met alle mogelijke middelen te steunen en onderstreept dat de voorlopige beoordeling van de Commissie die in juli 2011 verwacht wordt zorgvuldig bestudeerd moet worden met het oog op de vaststelling van een globaal en evenwichtig eindpakket voor dit onderwerp;

87.  is voornemens de Commissie, zoals voorzien in Bijlage II, deel D, van het IIA, een voorlopige lijst van potentiële proefprojecten en voorbereidende acties voor de begroting 2012 te doen toekomen; verwacht dat de Commissie een doortimmerde analyse van de indicatieve voorstellen van het Parlement overlegt; onderstreept dat deze eerste voorlopige lijst niet in de plaats komt van de formele indiening en goedkeuring van amendementen inzake proefprojecten en voorbereidende acties tijdens de lezing van de begroting door het Parlement;

88.  neemt nota van één nieuw proefproject en vijf voorbereidende acties – waarvan er twee nieuw zijn – die de Commissie onder verschillende rubrieken voorstelt; heeft het vaste voornemen de inhoud en doelstellingen van de nieuw voorgestelde initiatieven te analyseren tijdens de onderhandelingen die zullen plaatsvinden;

Bureaus en agentschappen

89.  neemt nota van het totale bedrag van 720,8 miljoen EUR (te weten 0,49% van de totale EU-begroting) in de begroting 2012 dat bestemd is voor de gedecentraliseerde agentschappen van de EU, een stijging van de totale bijdrage van de EU met 34,6 miljoen EUR ofwel +4,9% in vergelijking met de begroting 2011; beseft dat deze stijging hoofdzakelijk het gevolg is van één nieuw agentschap(3) en zeven opstartende agentschappen(4), waarvoor voldoende financiën beschikbaar moeten zijn; onderstreept het belang van de toewijzing van extra middelen voor die tien agentschappen(5) die een ruimer takenpakket hebben gekregen, zodat zij niet in hun werking worden belemmerd; wijst erop dat de stijging van de EU-bijdrage voor de agentschappen op kruissnelheid gelijk is aan of zelfs lager is dan de inflatiecorrectie (2%), zonder extra personeelsleden;

90.  benadrukt dat de budgettoewijzingen voor EU-agentschappen beslist niet uitsluitend uit administratieve uitgaven bestaan, maar een bijdrage leveren aan het bereiken van de doelstellingen van Europa 2020 en de doelstellingen van de EU in het algemeen, zoals vastgesteld door de wetgevingsautoriteit; onderschrijft daarom de restrictieve aanpak van de Commissie bij de vaststelling van de bijdragen uit de EU-begroting aan de gedecentraliseerde agentschappen in tijden van bezuinigingen, maar is andermaal tegen het gebruik van bestemmingsontvangsten om de bijdrage uit de EU-begroting voor agentschappen die afhankelijk zijn van vergoedingen te verlagen om de marges kunstmatig te vergroten; is in dit verband bezorgd dat de Commissie herhaaldelijk de politieke wil van het Europees Parlement naast zich neerlegt;

91.  benadrukt dat voor de Europese toezichthoudende autoriteiten een centrale rol is weggelegd bij het waarborgen van de stabiliteit van markten en dat zij over voldoende middelen moeten beschikken om de hervorming van de regelgeving doeltreffend gestalte te kunnen geven; wijst er nogmaals op dat één enkele toezichthoudende autoriteit kosteneffectiever zou zijn; verwelkomt de voorgestelde verhoging van de begroting voor alle drie de autoriteiten als belangrijke volgende stap voor het verder uitbouwen van deze instanties, en dringt aan op aanvullende middelen voor het gemengd comité; benadrukt dat eventuele bijkomende taken die aan deze autoriteiten worden toevertrouwd direct gepaard moeten gaan met een overeenkomstige toewijzing van aanvullende middelen; benadrukt onder meer dat de bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten (EAEM) onder te brengen nieuwe bevoegdheden op het gebied van short-selling en derivaten zo snel mogelijk moeten worden weerspiegeld in de begrotingsprocedure 2012, zodra de desbetreffende rechtsgrondslagen zijn vastgesteld;

92.  neemt kennis van het feit dat er van de 213 nieuwe posten in de organogrammen van de agentschappen (op een totaal van 4 854) 80 zullen worden toegewezen aan nieuwe of opstartende agentschappen en de rest aan agentschappen waarvan het takenpakket wordt uitgebreid; dringt opnieuw aan op een specifieke benadering bij de werving van gespecialiseerd wetenschappelijk personeel met beroepservaring, vooral wanneer deze posten volledig uit heffingen worden betaald en dus budgetneutraal voor de EU-begroting zijn;

93.  laakt de benadering van de Commissie om de presentatie van de twee door zichzelf gefinancierde bureaus BHIM en CPVO in de ontwerpbegroting 2012 te wijzigen, te weten door de schrapping van de respectieve begrotingsonderdelen en het besluit om de personeelsformaties niet te bekend te maken; neemt niettemin nota van het feit dat de beide respectieve bureaus niet gebonden zijn door besluiten van de begrotingsautoriteit ten aanzien van de subsidieniveaus of het personeelsbestand; is echter voornemens om deze informatie met het oog op de transparantie in de begroting op te nemen; wijst er andermaal op dat een oplossing moet worden gevonden voor de buitensporige overschotten die ontstaan door de vergoedingenregeling van het BHIM;

94.  is van mening dat onderstaande kwesties van bijzonder belang zijn voor de trialoog die op 11 juli 2011 zal plaatsvinden:

o
o   o

   EU-begrotingskredieten 2012 ter ondersteuning van de Europa 2020-strategie,
   totaal niveau van betalingen in de begroting 2012 en uitstaande verplichtingen (RAL),
   voorstel voor een herziening van het lopende MFK 2007-2013 met het oog op de aanvullende financiële behoeften van het ITER-project,
   financiële duurzaamheid en beheersbaarheid van rubriek 4 in 2012, met name in het licht van de aanstaande nota van wijzigingen met het oog op de overgang naar democratie in de landen ten zuiden van de Middellandse Zee,
   hangende kwesties in verband met de begroting 2011;

95.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0114
(3) Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige informatiesystemen op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.
(4) Het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC – Bureau), Europese Bankautoriteit (EBA), Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA), Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), Europees Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers (ACER), Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en Instituut voor gendergelijkheid.
(5) Europees Chemicaliënagentschap (ECHA) – Activiteiten op het vlak van biociden, Europees Chemicaliënagentschap (ECHA) – Procedure van voorafgaande toestemming (PIC), Europese Toezichthoudende Toezichthoudende Autoriteit GNSS (GSA), Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA), Europees geneesmiddelenbureau (EMA), Europees Milieuagentschap (EEA), Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), Europese Politieacademie (CEPOL) en Eurojust.


Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten
PDF 193kWORD 107k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten (2011/2051(INI))
P7_TA(2011)0297A7-0202/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie „Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten” (COM(2010)0672),

–  gezien artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1698/2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO)(2),

–  gezien Besluit nr. 2006/144/EG(3) en nr. 2009/61/EG van de Raad inzake de communautaire strategische richtsnoeren voor plattelandsontwikkeling(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 73/2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers(6),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2010 over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013(7),

–  gezien zijn resolutie van 16 juni 2010 over EU-2020(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 maart 2011 over „het GLB tot 2020”,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 maart 2010 over „de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013”,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's, „Het GLB tot 2020 - voedsel, natuurlijke hulpbronnen en plattelandsgebieden - de toekomstige uitdagingen”,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0202/2011),

A.  overwegende dat een duurzame, productieve en concurrerende Europese landbouwsector een bijdrage van vitaal belang levert aan het behalen van de doelstellingen die in de Verdragen voor het GLB zijn vastgesteld en van de doelen van de Europa 2020-strategie, en tevens overwegende dat hij ook kan bijdragen aan het vinden van oplossingen voor nieuwe politieke uitdagingen zoals voorzieningszekerheid van voedsel, energie en industriële grondstoffen, de klimaatverandering, milieu en biodiversiteit, gezondheid en demografische veranderingen in de EU, en tenslotte overwegende dat de komende hervorming van het GLB de eerste zal zijn waarbij het Europees Parlement, overeenkomstig het Verdrag van Lissabon, als medewetgever naast de Raad optreedt,

B.  overwegende dat voedselzekerheid de centrale uitdaging blijft voor de landbouw, niet alleen in de EU, maar wereldwijd en vooral in de ontwikkelingslanden, daar de wereldbevolking volgens de prognoses van 7 naar meer dan 9 miljard mensen in 2050 zal groeien, wat volgens de FAO een toeneming van 70% van de landbouwproductie in de gehele wereld zal vergen; overwegende dat er meer voedsel moet worden geproduceerd tegen de achtergrond van hogere productiekosten, een sterke volatiliteit op de markten voor landbouwproducten en een toenemende druk op de natuurlijke hulpbronnen, wat betekent dat landbouwers meer zullen moeten produceren terwijl zij minder grond, minder water en minder energie gebruiken,

C.  overwegende dat voedsel van strategisch belang is en dat de beste manier om voedselzekerheid te waarborgen het behoud van een stabiele, concurrerende landbouwsector is; overwegende dat een sterk GLB hierbij een centrale positie inneemt, evenals voor het behoud, de ecologische duurzaamheid en de economische ontwikkeling van de plattelandsgebieden in de EU die worden bedreigd door braaklegging van landbouwgrond, ontvolking van het platteland en economische teruggang,

D.  overwegende dat middels de GLB-hervorming van 2003 en de check-up van het landbouwbeleid in 2008 is geprobeerd bij te dragen aan een nieuw model voor het GLB dat effectiever en transparanter is en wordt gekenmerkt door een grotere marktgerichtheid; overwegende dat dit proces moet worden voortgezet en dat aan de andere kant het beheer van de GLB-instrumenten en -procedures aanzienlijk in de praktijk vereenvoudigd dient te worden om de landbouwers en de overheidsdiensten te ontlasten,

E.  overwegende dat het in zijn resolutie van 8 juli 2010 over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013 de basis legde voor een duurzaam landbouwbeleid dat de Europese producenten concurrerend zou kunnen maken op de plaatselijke, regionale, nationale en internationale markten, en overwegende dat het steun gaf aan het concept van een multifunctionele, breed opgezette landbouw op het hele grondgebied van de EU, met name in gebieden met natuurlijke beperkingen en ultraperifere gebieden, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met kleine landbouwbedrijven,

F.  overwegende dat het GLB moet worden uitgerust met de nodige instrumenten voor het opvangen van ernstige markt– en voorzieningscrises en een extreme prijsvolatiliteit in de landbouwsector; overwegende dat deze instrumenten niet alleen gemoderniseerd en doeltreffend, maar tevens flexibel dienen te zijn, zodat ze indien nodig snel in gebruik kunnen worden genomen,

G.  overwegende dat de integratie van vernieuwde en ambitieuze doelen in het GLB, met name ter bescherming van consumenten, milieu, dieren en van de regionale cohesie, is toe te juichen en dat deze strenge normen op internationaal niveau moeten worden verdedigd ter waarborging van de levensvatbaarheid en concurrentiepositie van de Europese landbouwers, die zich met hogere productiekosten zien geconfronteerd; overwegende dat productiviteit en voedselzekerheid op de lange termijn, vooral met het oog op de klimaatverstoringen, afhankelijk zijn van een zorgvuldige omgang met natuurlijke hulpbronnen, zoals met name grond, water en biodiversiteit,

H.  overwegende dat voor de landbouwsector een vooraanstaande rol is weggelegd bij de strijd tegen de klimaatverandering, met name door het terugdringen van de emissie van de eigen broeikasgassen, door de bevordering van opslag van CO2 en middels de productie van biomassa en duurzame energie, waarbij een bijkomende stroom opbrengsten voor de landbouwinkomens wordt gecreëerd,

I.  overwegende dat het GLB ook steun moet verlenen aan het specifieke beheer van landbouwgrond met een grote biodiversiteit (zoals landbouwgrond met een hoge natuurwaarde) en van agro-ecosystemen in Natura 2000-gebieden, en, in dit verband, een overgang naar productiemodellen die minder input vereisen (met inbegrip van organische landbouw), permanent ongeploegde weidegronden of agrarische wetlands,

J.  overwegende dat het percentage van de GLB-uitgaven in de begroting van de EU van bijna 75% in 1985 tot naar verwachting 39,3% in 2013 zal dalen; overwegende dat het GLB, als één van de oudste en weinige gemeenschappelijke beleidsterreinen van de EU, minder dan 0,5% van het bbp van de EU ontvangt, terwijl de overheidsuitgaven ongeveer 50% van het bbp bedragen, en overwegende dat het landbouwareaal van de Europese Unie als gevolg van de opeenvolgende uitbreidingen met 40% is toegenomen en dat er tweemaal zo veel landbouwers zijn als in 2004,

K.  overwegende dat volgens de laatste Eurobarometer 90% van de ondervraagde EU-burgers van mening is dat de landbouw en plattelandsgebieden belangrijk zijn voor de toekomst van Europa, 83% van de ondervraagde EU-burgers voor financiële steun aan boeren is en de ondervraagden over het geheel genomen van mening zijn dat de besluitvorming over het landbouwbeleid ook in de toekomst op Europees niveau moet plaatsvinden,

L.  overwegende dat het Europees Parlement zich al dikwijls heeft uitgesproken tegen een renationalisatie van het GLB en een uitbreiding van de cofinanciering die de eerlijke concurrentie binnen de EU-markt zou kunnen schaden; en overwegende dat het zich met het oog op de naderende hervorming opnieuw verzet tegen iedere poging tot renationalisatie van het GLB door middel van cofinanciering van rechtstreekse betalingen of via de overheveling van middelen naar de tweede pijler,

M.  overwegende dat het GLB zijn twee pijlers moet behouden, waarbij de structuur en de doelstellingen van elke pijler duidelijk zijn omschreven en zodanig zijn ontworpen dat de een de ander kan aanvullen,

N.  overwegende dat de kleine landbouwers in de EU een bijdrage van vitaal belang leveren aan het behalen van de doelstellingen van het GLB en overwegende dat met de belemmeringen waarvoor zij zich zien geplaatst in het hervormingsproces terdege rekening moet worden gehouden,

O.  overwegende dat in de nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen een groot deel van de landbouwers, met name in de veeteeltsector, geen landbouwgrond bezit en derhalve geen recht heeft op rechtstreekse betalingen,

P.  overwegende dat landbouwers een steeds geringer aandeel ontvangen van de meerwaarde die door de voedselvoorzieningsketen wordt gegenereerd en overwegende dat een goed functionerende voedselvoorzieningsketen en maatregelen om de onderhandelingspositie van de producenten te verbeteren noodzakelijk zijn om te waarborgen dat landbouwers een billijke beloning voor hun productie krijgen,

Q.  overwegende dat het reëel inkomen per hoofd bij landbouwers de laatste twee jaar dramatisch is gedaald en dat dit zich door deze voortdurende achteruitgang intussen onder het niveau van bijna vijftien jaar geleden bevindt, overwegende dat de landbouwinkomens aanmerkelijk lager liggen (naar schatting 40% per arbeidseenheid) dan inkomens in andere sectoren van de economie, en dat het inkomen per inwoner in plattelandsgebieden aanzienlijk lager ligt (circa 50%) dan in stedelijke gebieden en overwegende dat uit Eurostatgegevens blijkt dat tussen 2000 en 2009 de werkgelegenheid in de landbouwsector met 25% is gekrompen,

R.  overwegende dat de wereldeconomie steeds sterker geïntegreerd raakt en dat handelssystemen in sterkere mate door multilaterale en bilaterale onderhandelingen worden geliberaliseerd, en overwegende dat overeenkomsten op multilateraal en bilateraal niveau ervoor moeten zorgen dat de productiemethoden van derde landen voor de uitvoer naar de EU de Europese consumenten dezelfde garanties bieden in termen van gezondheid, voedselveiligheid, dierenwelzijn, duurzaamheid en minimum sociale normen als die welke door de methoden in de EU worden geleverd,

S.  overwegende dat plattelandsontwikkeling tegen de achtergrond van toenemende ongelijkheid, verlies van sociaal kapitaal en cohesie, een gebrek aan demografisch evenwicht en emigratie, een vitaal belangrijk component van het GLB is en dat toekomstig beleid inzake plattelandsontwikkeling gericht moet zijn op een betere territoriale balans, en een minder bureaucratisch en meer participerend beheer van programma's voor plattelandsontwikkeling die de versterking en diversificatie van plattelandseconomieën effectief ondersteunen, het milieu beschermen, onderwijs en innovatie bevorderen, een bijdrage leveren aan de verbetering van de levenskwaliteit in plattelandsgebieden, met name in minder begunstigde gebieden, en voorkomen dat jonge mensen de landbouwsector de rug toekeren,

T.  overwegende dat enerzijds slechts 6% van de Europese landbouwers jonger is dan 35 jaar en dat anderzijds 4,5 miljoen landbouwers de komende 10 jaar met pensioen gaan; overwegende dat het derhalve gewenst is generatievernieuwing in de landbouwsector tot een topprioriteit van het toekomstig GLB te maken,

U.  overwegende dat in het GLB rekening moet worden gehouden met de noodzaak een oplossing te bieden voor de specifieke beperkingen en structurele problemen waar de land- en bosbouwsector mee kampt in de ultraperifere regio's van de EU als gevolg van hun insulaire en afgelegen karakter en het feit dat de plattelandseconomie in hoge mate afhankelijk is van een klein aantal landbouwproducten,

V.  overwegende dat kwaliteitsbeleid een integraal deel van het toekomstig GLB is, hetgeen betekent dat ontwikkeling en versterking van dit beleid, met name ten aanzien van geografische aanduidingen, bepalend zal zijn voor de duurzame groei en het concurrentievermogen van de Europese landbouw,

1.  verwelkomt in grote lijnen de mededeling van de Commissie „Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten”; erkent de noodzaak van een verdere hervorming van het GLB in het licht van de zich veranderende landbouwsituatie in de EU-27 en de nieuwe gemondialiseerde internationale context; verlangt voor de toekomst het behoud van een sterk en duurzaam GLB met voldoende financiële middelen om de ambitieuze doelstellingen te verwezenlijken teneinde de nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden; verwerpt met nadruk alle stappen in de richting van een renationalisatie van het GLB;

2.  dringt erop aan de rond twee pijlers opgebouwde structuur van het GLB te behouden; wijst erop dat de eerste pijler volledig uit de EU-begroting en op jaarlijkse basis moet blijven worden gefinancierd, terwijl in het kader van de tweede pijler meerjarige programmering, een contractuele benadering en medefinanciering kunnen worden voortgezet; benadrukt dat de op twee pijlers gebaseerde structuur de helderheid ten goede dient te komen, waarbij de pijlers elkaar aanvullen zonder elkaar te overlappen; de eerste pijler moet zijn gericht op doelstellingen die algemene maatregelen vereisen, terwijl de tweede pijler resultaatgericht moet zijn en over genoeg flexibiliteit moet beschikken om gemakkelijk aan nationale, regionale en/of lokale bijzonderheden te beantwoorden; is derhalve van mening dat de huidige tweepijlerstructuur weliswaar behouden moet blijven maar dat er wijzigingen aan moeten worden aangebracht om het geheel van de maatregelen die noodzakelijk zijn voor elke pijler en hun respectieve financieringsregeling beter te richten;

3.  herinnert eraan dat de voedselzekerheid de grootste inzet voor de landbouw blijft, niet alleen in de EU maar ook op wereldvlak en meer in het bijzonder in de ontwikkelingslanden, omdat moet worden ingespeeld op de uitdaging om tegen 2050 9 miljard mensen te voeden en daarbij het gebruik van schaarse hulpbronnen, vooral water, energie en land, te verminderen; wenst een duurzame, productieve en concurrerende Europese landbouwsector die een aanzienlijk bijdrage levert aan het behalen van de doelstellingen die in de Verdragen voor het GLB zijn vastgesteld en van de prioriteiten van de Europa 2020-strategie van slimme, duurzame en inclusieve groei; is van mening dat de landbouwsector goed in staat is een belangrijke bijdrage te leveren aan de bestrijding van klimaatverandering, het creëren van nieuwe banen door middel van groene groei en het leveren van duurzame energie, en tegelijkertijd de verschaffing van veilige, kwalitatief hoogstaande voedselproducten en voedselveiligheid voor Europese consumenten voort te zetten;

4.  acht het van essentieel belang dat een duidelijk pakket voorschriften voor de langere termijn wordt opgesteld, zodat de Europese landbouwers plannen kunnen maken voor de investeringen die nodig zijn voor de modernisering van de landbouwpraktijken en de ontwikkeling van innovatieve methoden die zullen uitmonden in agronomisch gezondere en duurzamere landbouwsystemen, een proces dat van vitale betekenis is ter waarborging van hun concurrentievermogen op de lokale, regionale en internationale markten;

5.  meent dat, ter wille van de eenvoud, de duidelijkheid en een gemeenschappelijke benadering, bij het begin van de hervorming overeenstemming moet worden bereikt over de financiering van alle pijlers van het GLB;

6.  dringt erop aan dat de landbouwbegroting van de EU voor de volgende financieringsperiode minstens de omvang van de landbouwbegroting van 2013 behoudt; erkent dat adequate financiële middelen nodig zullen zijn om de uitdagingen op het gebied van voedselzekerheid, milieubescherming, klimaatverandering en territoriale balans in een vergrote EU het hoofd te kunnen bieden en om het GLB een bijdrage te kunnen laten leveren aan het succes van de EU 2020-strategie;

7.  is ervan overtuigd dat dit nieuwe landbouwbeleid, afgestemd op systemen voor een duurzame voedselproductie, in de allereerste plaats meer coherentie vereist in de complementariteit tussen de eerste pijler van de directe steun en de tweede pijler met de steun aan de plattelandsontwikkeling; is van oordeel dat in het kader van het nieuwe GLB overheidsmiddelen erkend moeten worden als een legitieme vorm van betaling voor openbare voorzieningen die ter beschikking van de samenleving worden gesteld en waarvan de kosten niet door de marktprijzen worden vergoed, en dat er overheidsgeld moet worden gebruikt om landbouwers te prikkelen in geheel Europa extra milieudiensten te verrichten; is van oordeel dat met deze gerichte benadering de gehele EU beslaande doelstellingen zijn te bereiken terwijl daarbij ook de nodige flexibiliteit wordt geboden om recht te doen aan de diversiteit van de landbouw in de EU; is van mening dat een dergelijk systeem ervoor zou zorgen dat ieder element van de betalingen op transparante wijze duidelijke collectieve voordelen oplevert, zowel voor de belastingbetaler, de boeren als voor de samenleving in haar geheel;

8.  dringt erop aan duurzaamheid, concurrentievermogen en billijkheid de richtsnoeren te laten zijn van een GLB dat het speciale karakter van de afzonderlijke sectoren en de productielocaties behoudt en de taak heeft om de bevolking in voldoende mate en voor gepaste prijzen van veilige en gezonde levensmiddelen te voorzien en om de grondstoffenvoorziening voor een productieve Europese verwerkende en levensmiddelenindustrie en voor de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen te garanderen; benadrukt dat de EU op het gebied van voedselveiligheid, milieubescherming en dierenwelzijn de strengste normen ter wereld kent en dat ook de minimum sociale normen strikt in acht worden genomen; dringt erop aan dat een GLB tot stand komt dat waarborgen biedt voor de in maatschappelijk opzicht wenselijke hoge normen van de Europese landbouw in de context van de internationale mededinging (externe kwaliteitsbescherming);

9.  erkent dat veel van deze nieuwe uitdagingen en doelstellingen zijn opgenomen in wettelijk bindende internationale afspraken en verdragen waar de EU zich bij heeft aangesloten zoals het Protocol van Kyoto/Cancun-overeenkomsten, het Ramsar-verdrag en het Nagoya-verdrag;

10.  onderstreept dat vereenvoudiging van fundamenteel belang is en een drijvende kracht achter het toekomstige GLB moet vormen, waarbij de kosten van uitvoering van het beleid op lidstaatniveau moeten dalen, en dat er duidelijke gemeenschappelijke rechtsgronden nodig zijn die in een vroeg stadium moet worden voorgelegd en die een garantie bieden voor een uniforme interpretatie;

11.  onderstreept dat de ontwikkeling van het voedselkwaliteitsbeleid, ook ten aanzien van geografische aanduidingen (BOB/BGA/GTS), een prioriteit binnen het GLB moet zijn en verder verdiept en versterkt moet worden, zodat de EU op dit gebied toonaangevend kan blijven; is van mening dat in het geval van deze kwaliteitsproducten het gebruik van oorspronkelijke beheers-, beschermings- en bevorderingsinstrumenten moet worden toegestaan, zodat zij zich harmonieus kunnen ontwikkelen en een belangrijke bijdrage kunnen blijven leveren aan de duurzame groei en de concurrentiepositie van de Europese landbouw;

12.  verzoekt de Commissie om haar inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, innovatie en afzetbevordering op te voeren; wenst bovendien dat bij het toekomstige EU-programma voor onderzoek en ontwikkeling steeds rekening wordt gehouden met het onderzoek op het gebied van landbouw en levensmiddelen;

Rechtstreekse betalingen

13.  wijst erop dat ontkoppelde rechtstreekse betalingen, waarbij het voldoen aan cross-compliancevereisten als voorwaarde wordt gesteld, kunnen bijdragen aan het ondersteunen en stabiliseren van de inkomens van de landbouwers, die in aanvulling op de productie van voedsel collectieve goederen die van groot belang zijn voor de gehele samenleving kunnen leveren, zoals ecosysteemdiensten, werkgelegenheid, landschapsbeheer en economische levenskracht op het platteland in geheel Europa; is van oordeel dat de landbouwers door middel van rechtstreekse betalingen voor de verstrekking van deze goederen moeten worden beloond, aangezien de markt niet alleen collectieve goederen levert en landbouwers niet voor de verstrekking ervan beloont, in een tijd waarin zij zich vaak voor hoge kosten voor de productie van voedsel van hoge kwaliteit zien geplaatst en lage af-boerderijprijzen voor het producten ontvangen;

14.  dringt ook verder aan op een sterke eerste pijler die over aanzienlijke middelen beschikt en in staat is de nieuwe uitdagingen in de Europese landbouw het hoofd te bieden;

15.  verlangt een billijke verdeling van de GLB-middelen voor de eerste en de tweede pijler zowel over de lidstaten als over de landbouwers binnen een lidstaat, waarbij objectieve criteria gehanteerd moeten worden met als basisbeginsel een pragmatische aanpak; wijst grotere niveauverschillen bij de verdeling van deze middelen over de lidstaten af; dit veronderstelt dat geleidelijk wordt afgestapt van de achterhaalde historische referenties en dat deze na een overgangsperiode worden vervangen door billijke steunmaatregelen, die beter verdeeld zijn over de lidstaten, de verschillende landbouwsectoren en landbouwers; wijst erop dat dit eveneens efficiëntere, beter gerichte en aantrekkelijkere steunmaatregelen vereist om de landbouw te helpen de weg op te gaan van duurzamere landbouwsystemen; wijst, in overeenstemming met de mededeling van de Commissie, een forfaitair bedrag voor de gehele EU af (flat rate), omdat dat de Europese diversiteit niet zou weerspiegelen; beschouwt de handhaving van de diversiteit in de landbouw en zijn productielocaties in de EU als een belangrijk doel, en vindt daarom dat zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden met de specifieke productievoorwaarden in de lidstaten via een gerichter systeem van rechtstreekse betalingen;

16.  spreekt zich daarom uit voor een bedrijfstoeslagregeling die ten behoeve van een billijke verdeling van de middelen voor rechtstreekse betalingen in de hele EU tot een bepaalde verdeling leidt; stelt voor dat iedere lidstaat een minimumpercentage ontvangt van het EU-gemiddelde van de rechtstreekse betalingen en dat er een plafond wordt vastgesteld; is voorstander van een zo snel mogelijke uitvoering hiervan, met een overgangsperiode van beperkte duur;

17.  pleit bij de individuele rechtstreekse betalingen voor het opgeven van historische en individuele referentiewaarden die voor de verdeling onder de lidstaten werden toegepast en dringt aan op het overstappen naar een areaalgerelateerde regionale of nationale premie van de ontkoppelde betalingen binnen de volgende financieringsperiode; erkent daarbij echter dat de situatie in de afzonderlijke lidstaten zeer verschillend is, waardoor regionaal bepaalde uitzonderingsmaatregelen nodig zijn;

18.  is van mening dat lidstaten die nu het systeem van de regeling inzake een enkele areaalbetaling (REAB) toepassen, na een overgangsperiode van beperkte duur zouden moeten overgaan op het systeem van de bedrijfstoeslagregeling met toeslagrechten; dringt aan op het beschikbaar stellen van ondersteuning, waaronder financiële en technische steun, bij deze omzetting;

19.  is verheugd over de erkenning van de rol van de kleine boeren in landbouw en plattelandsontwikkeling in Europa; pleit voor de invoering van een specifieke en vereenvoudigde steunregeling ten bate van de kleine landbouwbedrijven, die een bijdrage aan de stabilisering van de plattelandsontwikkeling; verzoekt de Europese Commissie ter wille van transparantie en rechtszekerheid soepele en objectieve criteria vast te stellen voor de omschrijving van het statuut van kleine boer in elke lidstaat; vraagt de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel te besluiten welke boeren voor deze regeling in aanmerking komen;

20.  dringt aan op een verdere vereenvoudiging van het systeem van rechtstreekse betalingen, in het bijzonder op vereenvoudigde overdrachtsregels voor niet-uitbetaalde bedragen bij niet-activering, op vereenvoudiging van de regels met betrekking tot de nationale reserve, afhankelijk van de overstap naar een regionale of nationale uniforme enkele areaalbetaling, op het combineren van minimum betalingsrechten en op een doeltreffend en onbureaucratisch controlesysteem voor beide pijlers; is van mening dat aantoonbaar goed functionerende beheersystemen bij het niveau van de voorgeschreven controleniveaus positief moeten worden beoordeeld;

21.  wijst erop dat maatregelen met het oog op verjonging in de landbouw nodig zijn, aangezien slechts 6% van de Europese boeren jonger dan 35 jaar is en er in de komende 10 jaar 4,5 miljoen boeren met pensioen zullen gaan; beseft dat jonge boeren bij de start van een bedrijf met belemmeringen geconfronteerd worden zoals hoge investeringskosten en moeite om grond en krediet te verkrijgen; benadrukt dat de maatregelen voor jonger boeren in de tweede pijler onvoldoende zijn gebleken om de snelle vergrijzing in de landbouw tot staan te brengen en vraagt om voorstellen om deze ontwikkeling, die een bedreiging voor de duurzaamheid vormt, om te keren, waartoe ook veranderingen zouden moeten behoren van de regels met betrekking tot de nationale reserve, zodat deze meer op jonge boeren zouden zijn afgestemd;

22.  wijst erop dat het GLB genderneutraal dient te zijn en dat beide echtgenoten aanspraak moeten kunnen maken op dezelfde rechten wanneer zij in het bedrijf werkzaam zijn; wijst op het feit dat 42% van de 26,7 miljoen regelmatig in de landbouw werkzame personen in de Europese Unie vrouw is, maar dat slechts één bedrijf op de vijf (circa 29%) geleid wordt door een vrouw;

23.  is van mening dat de ontkoppeling zich heeft bewezen door grotere beslissingsvrijheid van de landbouwers mogelijk te maken, de boeren ertoe te brengen op marktsignalen te reageren en het GLB grotendeels in de „groene doos” van de WTO onder te brengen; sluit zich aan bij de suggestie van de Commissie dat ook in de toekomst in sommige gebieden waar geen alternatieven voor de traditionele, kostenintensieve productievormen en producten bestaan, de betaling van gekoppelde premies moet worden voortgezet; erkent derhalve dat productiegerelateerde premies binnen bepaalde nauwe grenzen in principe ook voor de tijd na 2013 verdedigd kunnen worden;

24.  wenst derhalve dat de lidstaten de mogelijkheid hebben de rechtstreekse betalingen geheel of gedeeltelijk binnen de WTO-grenzen gekoppeld te laten ter financiering van maatregelen voor het opvangen van de effecten van de ontkoppeling in bepaalde uit economisch, ecologisch en sociaal oogpunt gevoelige streken en sectoren; is verder van mening dat deze betalingen kunnen dienen voor de bevordering van streekgebonden milieumaatregelen en van de territoriale samenhang, en bovendien stimulansen, steun en een duw in de rug kunnen geven aan kernsectoren, waaronder kwaliteitsverbetering, de productie van landbouwgrondstoffen, bepaalde specifieke productietypes of landbouwmethoden;

25.  stelt vast dat landbouwbedrijven in de Europese Unie van oudsher zeer uiteenlopend zijn qua bedrijfsomvang, arbeidsvoorwaarden, arbeidsproductiviteit en rechtsvorm; is zich ervan bewust dat de rechtstreekse betalingen zodanig worden toegewezen dat hun legitimiteit twijfelachtig is geworden; neemt kennis van het voorstel van de Commissie om een plafond voor de rechtstreekse betalingen in te stellen en is verheugd over deze poging tot benadering van de legitimiteit en acceptatie door het publiek van het GLB; verzoekt de Commissie de invoering te overwegen van dergelijke mechanismen die hieraan bijdragen, zoals een systeem van geleidelijke vermindering van de rechtstreekse betalingen naar gelang van de bedrijfsomvang dat rekening houdt met de objectieve criteria werkgelegenheid en duurzame praktijken;

26.  verzoekt de Commissie praktische voorstellen voor de middellange en de lange termijn in te dienen om de veehouderijsectoren te helpen het hoofd te bieden aan de forse stijging van de prijzen van productiemiddelen; is van mening dat hiertoe stimulansen zouden kunnen behoren voor het gebruik van graslandsystemen en eiwithoudende gewassen in wisselbouw, wat de landbouwers grotere economische voordelen zou opleveren, een antwoord zou betekenen op de nieuwe uitdagingen, de afhankelijkheid van ingevoerde eiwithoudend gewassen zou verminderen en een gunstig effect op de kosten van diervoeder zou kunnen hebben; verzoekt de Commissie om langs de lijnen van het huidige artikel 68 een element van flexibiliteit voor de lidstaten in haar voorstellen op te nemen om te voorkomen dat kwaliteits- en duurzaamheidsgerichte veeteeltbedrijven van de nieuwe steunregeling worden uitgesloten en met de specifieke kenmerken van deze bedrijven rekening te houden;

27.  is van mening dat de rechtstreekse betalingen uitsluitend aan actieve landbouwers moeten zijn voorbehouden; is zich er daarbij van bewust dat in het stelsel van ontkoppelde rechtstreekse betalingen elke bedrijfseigenaar die landbouwgrond voor productiedoeleinden gebruikt en de goede agrarische en ecologische toestand behoudt, rechtstreekse betalingen behoort te ontvangen; verzoekt de Commissie daarom een definitie van „actieve landbouwer” uit te werken die de lidstaten zonder extra administratieve inspanningen of kosten kunnen hanteren, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat traditionele landbouwactiviteiten (zuivere landbouwbedrijven en deeltijd- en nevenlandbouwbedrijven), ongeacht hun rechtspositie, als actieve landbouwwerkzaamheden worden aangemerkt en dat rekening wordt gehouden met de diverse vormen van exploitatie van de grond en de diverse regelingen voor het beheer van het land, alsmede met het beheer van gemeenschappelijk land; acht het noodzakelijk erop te wijzen dat van de definitie van „actieve landbouwer” alle gevallen moeten zijn uitgesloten waarbij de administratieve kosten om een betaling te verrichten hoger zijn dan de werkelijke kosten van de betaling zelf;

28.  pleit voor de opheffing van natuurlijke achterstanden in de tweede pijler en wijst een aanvullende betaling in de eerste pijler af vanwege de extra administratieve belasting;

Behoud van natuurlijke hulpbronnen en milieucomponent

29.  is van mening dat een betere bescherming en het beheer van natuurlijke hulpbronnen een centraal element van duurzame landbouw is dat binnen het kader van de nieuwe uitdagingen en doelstellingen van de EU 2020-strategie aanvullende stimulansen rechtvaardigt om landbouwers aan te moedigen uit milieuoogpunt verstandige praktijken in te voeren die verder reiken dan de basisvereisten van cross-compliance (CC) en die een aanvulling zouden vormen op de reeds bestaande programma's met milieumaatregelen voor de landbouw;

30.  is van oordeel dat de bescherming van de natuurlijke hulpbronnen sterker gekoppeld moet worden aan de toekenning van rechtstreekse betalingen en dringt daarom aan op invoering, door middel van een vergroenende component, van een stimuleringsprogramma op Europese schaal ter waarborging van de duurzaamheid van de landbouwbedrijven en een ononderbroken voedselvoorziening op de lange termijn door middel van een effectief beheer van de schaarse hulpbronnen (water, energie, grond), met daarbij een verlaging van de productiekosten op de lange termijn door een verminderd gebruik van productiemiddelen; is van oordeel dat dit programma een maximale steun moet bieden aan landbouwers die zich bezighouden met, of die zich stap voor stap willen toeleggen op landbouwpraktijken die bedoeld zijn om tot duurzamer productiesystemen te komen;

31.  onderstreept dat dit programma hand in hand dient te gaan met een vereenvoudiging van het CC-systeem voor degenen die rechtstreekse betalingen ontvangen, dat het door middel van eenvoudige maatregelen moet worden toegepast, een balans moet vinden tussen de milieuvoordelen en economische opbrengsten, uit agronomisch oogpunt relevant dient te zijn en niet discriminatoir mag werken tegenover landbouwers die al grotendeels aan deelnemen aan milieumaatregelen voor de landbouw;

32.  verwerpt de invoering van een nieuw aanvullend betalingssysteem dat leidt tot extra controles en sancties voor vergroening; staat erop dat praktische beslommeringen voor landbouwers en extra complexiteit voor de autoriteiten voorkomen moeten worden; verlangt bovendien, met het oog op het stroomlijnen van de administratieve procedures in verband met deze maatregelen, dat alle landbouwcontroles zo veel mogelijk gelijktijdig plaatsvinden;

33.  verzoekt de Commissie daarom zo snel mogelijk een effectbeoordeling van de administratieve aspecten van de uitvoering van de vergroeningscomponent te presenteren; benadrukt dat met milieumaatregelen de productie-efficiëntie van de landbouwers kunnen vergroten en wenst dat alle eventuele kosten en gederfde inkomsten als gevolg van de uitvoering van dergelijke maatregelen gedekt moeten worden;

34.  wijst erop dat een verdere vergroening in de lidstaten moet worden geïmplementeerd aan de hand van een aantal prioritaire, volledig door de EU bekostigde areaalgerelateerde en/of bedrijfsmaatregelen; is van oordeel dat elke ontvanger van deze bijzondere betalingen aan een aantal op reeds bestaande structuren voortbouwende vergroeningsmaatregelen moet deelnemen, te kiezen uit een door de lidstaat op basis van een bredere EU-lijst opgestelde nationale of regionale lijst die voor alle soorten landbouw geldt; is van oordeel dat voorbeelden van zulke maatregelen zouden kunnen zijn:

   steun voor lage CO2-emissies en maatregelen ter beperking of het opvangen van emissies van broeikasgassen,
   steun voor een gering energieverbruik en energie-efficiëntie,
   bufferstroken, veldranden, aanwezigheid van heggen, enz.,
   blijvend grasland,
   precisielandbouwtechnieken,
   gewasdiversiteit en wisselteelt,
   voeder-efficiëntieplannen;

35.  is van mening dat er voor de EU een rol weggelegd is bij de aanpak van voedsel- en energievoorziening en dat de EU er daarom op toe moet zien dat de landbouw daarbij een volwaardige rol speelt; is daarom van oordeel dat verplichte braaklegging niet thuishoort op de lijst van duurzaamheidsmaatregelen die de Commissie voorstelt;

36.  dringt erop aan dat het GLB doelen omvat voor het gebruik van duurzame energie; gelooft dat de landbouwsector uiterlijk in 2020 40% duurzame brandstoffen zou kunnen gebruiken en uiterlijk in 2030 fossielvrij zou kunnen zijn;

37.  stelt in dit verband vast dat de biotechnologie van de volgende generatie thans klaar is en verzoekt de Commissie dan ook in het kader van de hervorming van het GLB een multisectorbeleid inzake biomassa te formuleren voor biotechnologie van de volgende generatie, met inbegrip van duurzaamheidscriteria voor biomassa, ten einde de ontwikkeling mogelijk te maken van een duurzame markt voor biomassa afkomstig uit land- en bosbouw en agro-industriële bedrijven door het ophalen van beschikbare restproducten ten behoeve van de productie van bio-energie aan te moedigen, en tegelijkertijd te voorkomen dat de hoeveelheid uitstoot toeneemt en de biologische verscheidenheid verloren gaat;

38.  wijst erop dat de Europese boeren door rationeel Europees beleid zoals goedkopere diesel voor gebruik in de landbouw en accijnsvrijstellingen voor energie en brandstof die worden geproduceerd voor landbouwdoelen, met name ten behoeve van elektrisch aangedreven bevloeiingspompen, zouden kunnen worden geholpen om meer te produceren en landbouwproducten te leveren aan de binnenlandse en de exportmarkt; wijst ook op de betekenis van innovatieve bevloeiingssystemen om de duurzaamheid van de Europese landbouw te waarborgen, gezien de verwoestende gevolgen van de klimaatverandering zoals droogteperioden, hittegolven en woestijnvorming voor landbouwgrond die bedoeld is om de mensen te voorzien van voedsel;

39.  wijst erop dat er doelmatige bevloeiingssystemen moeten worden ontwikkeld om te zorgen voor doelmatige landbouwmethoden in de lidstaten waardoor kan worden voldaan aan de binnenlandse vraag naar voedsel en waardoor de exportmarkt kan worden voorzien van landbouwproducten, in overweging nemend dat er in de toekomst een tekort aan water, met name drinkwater zal zijn;

40.  betreurt dat de doelen van de EU op het gebied van biodiversiteit nog niet zijn gehaald en hoopt dat het GLB een bijdrage zal leveren aan de pogingen om deze doelen en de doelen van Nagoya inzake biodiversiteit te verwezenlijken;

41.  pleit ervoor dat het GLB het behoud van de genetische diversiteit bevordert, Richtlijn 98/58/EG inzake het welzijn van dieren in acht neemt, en afziet van de financiering van de productie van levensmiddelen die zijn verkregen van gekloonde dieren en hun nakomelingen of afstammelingen;

42.  is van mening dat diervriendelijke productiemethoden ook een positief effect hebben op de gezondheid van dieren en op de kwaliteit en de veiligheid van het voedsel, en tevens milieuvriendelijker zijn;

43.  wijst erop hoe belangrijk het is dat de lidstaten, tezamen met alle belanghebbenden, alle mogelijke kansen tot samenwerking op het gebied van bodembescherming verkennen;

Naleving van randvoorwaarden (cross-compliance) en vereenvoudiging

44.  wijst erop dat het systeem van cross-compliance de toekenning van rechtstreekse betalingen afhankelijk stelt van de naleving van statutaire vereisten en het in een goede landbouw- en milieustaat houden van landbouwgronden, en een passend middel is om het aanbod van zogenaamde „base-line” ecosysteemdiensten door landbouwers te optimaliseren en in te spelen op nieuwe milieu-uitdagingen door waarborgen betreffende het aanbieden van publieke basisgoederen; wijst er evenwel op dat de uitvoering van cross-compliance voor veel nieuwe problemen heeft gezorgd op het gebied van de administratie en de acceptatie door de landbouwers;

45.  is van mening dat rechtstreekse betalingen zonder tegenprestatie niet kunnen worden gerechtvaardigd en dat daarom een CC-systeem dat als gevolg van de vergroening van het GLB vereenvoudigd is en in de praktijk en administratief gezien (controles) doeltreffend functioneert gelijkelijk op alle ontvangers van rechtstreekse betalingen moet worden toegepast; herinnert eraan dat cross-compliance op risico moet zijn gebaseerd en proportioneel moet zijn, moet worden geëerbiedigd en voldoende moet worden gecontroleerd door de bevoegde nationale en Europese autoriteiten;

46.  is van oordeel dat een betere bescherming en beheer van natuurlijke hulpbronnen ook een fundamenteel onderdeel van landbouwactiviteiten met inachtneming van cross-compliance moeten vormen, waarmee grotere milieuvoordelen kunnen worden behaald; pleit ervoor de CC-controles te stroomlijnen, en effectief en efficiënt te maken en wenst een gerichte benadering van de werkingssfeer van CC; pleit voor de uitwisseling en mainstreaming van systemen van goede praktijken tussen betaal- en controleorganen, zoals de interoperabiliteit van gegevensbestanden en een optimaal gebruik van passende technologie, teneinde de bureaucratische lasten voor de landbouwers en instanties zo veel mogelijk te verminderen; is van oordeel dat CC moet worden beperkt tot normen in verband met landbouwactiviteiten, die stelselmatig en op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd en gebaseerd zijn op de verplichting resultaten te boeken, en dat de voorschriften moeten worden geharmoniseerd; benadrukt het belang tolerantieniveaus vast te stellen en bij nieuwe sanctiesystemen het evenredigheidsbeginsel toe te passen;

47.  is van mening dat het toezicht op de CC meer moet berusten op prestatiecriteria en op het uitgangspunt dat landbouwers moeten worden aangemoedigd resultaten te nehalen; is verder van oordeel dat de landbouwers zelf bij dit toezicht moeten worden betrokken, gezien hun know how en hun praktische ervaring, wat een sterk voorbeeldsignaal zou geven naar en een stimulans zou betekenen voor minder presterende landbouwers;

48.  is er daarom tegen dat zware en onduidelijke vereisten uit de kaderrichtlijn water naar het systeem voor cross-compliance worden overgeheveld zolang niet duidelijk is hoe het in alle lidstaten met de implementatie van die richtlijn is gesteld;

49.  erkent de aanzienlijke inspanningen die al zijn geleverd in de zich momenteel in moeilijkheden bevindende veehouderijsector om gebouwen en uitrustingen aan normen op het gebied van hygiëne en gezondheid aan te passen; pleit, zonder afbreuk te doen aan de fundamentele beginselen van sanitaire veiligheid en traceerbaarheid, aan op een kritische beoordeling van een aantal diergezondheids- en dieridentificatienormen om een einde te maken aan de buitensporige belasting van kleine en middelgrote bedrijven door CC; dringt er vooral bij de Commissie op aan de hygiënenormen van de EU te herzien, met name voor plaatselijke of direct marketing en de houdbaarheid van producten, zodat ze evenredig zijn met de risico's en vermeden wordt dat een onevenredig grote last wordt gelegd op kleine productiekanalen, zoals rechtstreekse relaties tussen producent en consument en korte voedselvoorzieningsketens;

Marktinstrumenten, vangnet en risicobeheer

50.  acht het belangrijk dat kan worden opgetreden tegen te sterke prijsschommelingen en dat tijdig op crises kan worden gereageerd die veroorzaakt worden door marktinstabiliteit in de context van het GLB en op de wereldmarkten; erkent de fundamentele rol van marktondersteunende maatregelen bij het reageren op crises in de landbouwsector in het verleden, vooral de rol van interventie en particuliere opslag; benadrukt dat de marktondersteuningsmaatregelen doeltreffend moeten zijn en prompt geactiveerd moeten kunnen worden als het nodig is om ernstige problemen voor zowel producenten en verwerkers als consumenten te voorkomen, en die het GLB is staat stellen zijn fundamentele doel te bereiken: voedselzekerheid;

51.  onderstreept dat het GLB een aantal flexibele en doeltreffende marktinstrumenten moet omvatten die als vangnet functioneren, die op adequate niveaus zijn vastgesteld en beschikbaar zijn in geval van ernstige marktverstoringen; deze instrumenten zouden niet permanent geactiveerd moeten zijn en mogen niet dienen als voortdurende en onbeperkte productieopvang; merkt op dat sommige van die instrumenten al bestaan maar kunnen worden aangepast, terwijl andere kunnen worden gecreëerd naar gelang van de behoeften; is van mening dat gezien de volledig verschillende omstandigheden die in de verschillende productiesectoren overheersen, gedifferentieerde sectorale oplossingen de voorkeur genieten boven horizontale benaderingen; vestigt de aandacht op de moeilijkheden die boeren ondervinden bij het vooruit plannen in tijden van extreme volatiliteit; is van oordeel dat marktinstrumenten met het oog op de toegenomen marktvolatiliteit herzien moeten worden ter verhoging van hun efficiëntie en flexibiliteit, ter waarborging van een snelle inzet, uitbreiding tot andere sectoren indien nodig en aanpassing aan de courante marktprijzen, terwijl ze ook een effectief vangnet moeten bieden zonder marktverstoringen te creëren;

52.  is van mening dat tot die marktinstrumenten onder meer specifieke instrumenten voor het beheer van het aanbod kunnen behoren, die dankzij een eerlijke, niet-discriminerende werking kunnen zorgen voor een doeltreffend marktbeheer en crises als gevolg van overproductie kunnen voorkomen zonder enige kosten voor de EU-begroting;

53.  dringt aan op een meerdere stappen omvattend vangnet dat alle sectoren beslaat, bestaande uit een combinatie van instrumenten zoals openbare en particuliere opslag, openbare interventie, instrumenten tegen marktverstoring en een noodclausule; pleit ervoor dat particuliere opslag en openbare interventie bij tijdelijke marktverstoringen worden toegestaan voor specifieke sectoren; pleit bovendien voor de verankering van een instrument tegen marktverstoringen en een noodclausule voor alle sectoren, zodat de Commissie in geval van crises onder bepaalde omstandigheden tijdelijk, gedurende een beperkte periode van maximaal een jaar, maatregelen kan treffen die efficiënter zijn dan tot dusver; is daarom van oordeel dat een snel te activeren speciale reservebegrotingslijn in toekomstige EU-begrotingen moet worden opgenomen om als instrument voor een snelle reactie te functioneren in geval van ernstige crises op de landbouwmarkten;

54.  is van mening dat het inzetten van interventie-instrumenten onder de uitvoeringsbevoegdheden van de Europese Commissie valt; benadrukt echter dat het Europees Parlement prompt van beoogde maatregelen op de hoogte moet worden gebracht; onderstreept in dit verband dat de Commissie terdege rekening moet houden met de door het Parlement ingenomen standpunten;

55.  wenst dat het interventiestelsel wordt versterkt door elk jaar de marktsituatie pragmatisch en in het licht van de situatie op de markten te beoordelen;

56.  is van mening dat met het oog op te verwachten milieu- en klimaatincidenten en epidemieën, alsook met het oog op grote prijsschommelingen op de landbouwmarkten, aanvullende, effectievere risicopreventiemaatregelen die voor alle landbouwers in de lidstaten toegankelijk zijn, op het niveau van de Unie, de lidstaten en de individuele landbouwers absoluut noodzakelijk zijn om de inkomens te beschermen;

57.  wijst erop dat marktgerichte productie, rechtstreekse betalingen en concurrentievermogen de kernpunten van risicopreventie vormen en dat het ook aan de landbouwers is rekening te houden met en te anticiperen op die risico's; ondersteunt in dit kader de lidstaten bij het ter beschikking stellen van nationale instrumenten voor risicopreventie aan landbouwers zonder renationalisatie en marktverstoring; is daarom van mening dat de Commissie gemeenschappelijke regels moet ontwikkelen voor de facultatieve bevordering van risicobeheersystemen door de lidstaten, eventueel door invoering van WTO-conforme gemeenschappelijke regels in de gemeenschappelijke marktordening, om concurrentiebelemmerende gevolgen op de interne markt te voorkomen; pleit er daarnaast voor dat de Commissie alle invoeringsmaatregelen voor het risicobeheersysteem bekendmaakt en de wetgevingsvoorstellen voorziet van een effectbeoordeling;

58.  is van mening dat met het oog op de toenemende risico's particuliere preventiesystemen, zoals de meervoudig-risicoverzekering (klimaatverzekering, inkomensverzekering, enz.), termijnmarkten of onderlinge fondsen, moeten worden uitgebreid; ondersteunt in dit verband in het bijzonder de aansluiting van landbouwers bij consortia en onderlinge maatschappijen; verwelkomt de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve instrumenten; onderstreept echter dat deze instrumenten met de voorschriften van de WTO moeten stroken en dat zij de concurrentievoorwaarden en handel binnen de EU niet mogen verstoren; dringt er daarom op aan dat een kader wordt geboden aan de lidstaten die deze maatregelen, die opgenomen dienen te worden in de integrale GMO-verordening, uitvoeren;

59.  verzoekt de Commissie om na te gaan in hoeverre voor alle productiesectoren de rol van producentengroeperingen, industrieverenigingen en brancheorganisaties of bedrijfschappen bij de risicopreventie en de bevordering van de kwaliteit kan worden uitgebreid; vraagt dat bij het optreden op deze gebieden in het bijzonder rekening wordt gehouden met producten met een kwaliteitsteken;

60.  verzoekt de Commissie om in het kader van de hervorming van het GLB concrete maatregelen voor te stellen om het oprichten van producentenorganisaties te stimuleren, zodat zij hun marktpositie kunnen versterken;

61.  pleit ervoor de suikermarktregeling van 2006 in de huidige vorm te verlengen tot 2020 en dringt aan op geschikte maatregelen ter bescherming van de suikerproductie in Europa, zodat de suikersector van de EU zijn concurrentievermogen binnen een stabiel kader kan blijven verbeteren;

62.  onderstreept dat de specifieke situatie in de zuivelsector vóór maart 2015 opnieuw moet worden bekeken, teneinde de goede werking en de stabiliteit van de melkmarkt te waarborgen;

63.  is van oordeel dat de Commissie moet overwegen voor te stellen om de aanplantrechten in de wijnbouwsector ook na 2015 te handhaven en daar rekening mee te houden in haar voor 2012 geplande evaluatieverslag over de hervorming van 2008 van de GMO voor wijn;

64.  onderstreept de sleutelrol van melkproductie voor de Europese landbouw en voor het inkomen en het behoud van de plattelandsgebieden, met name melkproducerende weideregio's en gebieden met natuurlijke handicaps in de EU, en benadrukt dat een duurzame continuïteit van de voorziening van zuivelproducten voor de Europese consumenten moet worden gewaarborgd; is ervan overtuigd dat een verzekerde voorziening van zuivelproducten het best gewaarborgd wordt door middel van een stabiele zuivelmarkt, waar de landbouwers een rechtvaardige prijs kunnen krijgen voor hun producten; verzoekt dan ook de Commissie de duurzame ontwikkeling van de zuivelmarkt op te volgen en mogelijk te maken, door middel van adequate beleidsinstrumenten voor melk en zuivelproducten voor de periode na 2015 en door een kader van eerlijke mededinging dat zorgt voor een sterkere positie van de primaire producenten en een meer evenwichtige verdeling van de opbrengst in de gehele voedselproductieketen (van boerderij tot winkel);

65.  is van oordeel dat de beheerssystemen versterkt moeten worden in de sectoren groenten en fruit (citrusfruit en alle betrokken producten), wijn en olijfolie en dat er ook behoefte is aan een efficiënter crisisfonds in groenten en fruit, een beter crisisbeheer in de wijnsector, en een geactualiseerd particulier opslagsysteem voor olijfolie;

Internationale handel

66.  vraagt de EU te zorgen voor samenhang tussen het GLB en haar handels- en ontwikkelingsbeleid; dringt er bij de EU met name op aan oog te hebben voor de situatie in de ontwikkelingslanden en de zelfvoorziening met levensmiddelen in deze landen, alsmede de voedselveiligheid en het vermogen van de betrokken bevolkingen zichzelf te voeden, niet in gevaar te brengen, met inachtneming van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling; is daarom van mening dat EU-akkoorden over de handel in landbouwproducten geen belemmering voor de markten in de minst ontwikkelde landen mogen zijn;

67.  herinnert aan de toezegging van de WTO-leden tijdens de ministersconferentie van Hongkong in 2005 om te streven naar de uitbanning van alle vormen van exportsubsidie parallel aan het aan banden leggen van alle exportmaatregelen met vergelijkbaar effect, met name uitvoerkredieten, overheidsbedrijven voor de handel in landbouwproducten en de regulering van voedselhulp;

68.  vraagt de Commissie een gedetailleerde effectbeoordeling van alle lopende handelsbesprekingen te verstrekken, met name van de associatieovereenkomst met Mercosur, die geen negatieve invloed op de ontwikkelingslanden mag hebben en de doeltreffendheid van het GLB tot 2020 niet mag beletten;

69.  merkt op dat voedsel niet louter een handelsproduct is, maar dat de toegang tot voedsel essentieel is voor een menselijk bestaan; verzoekt de EU om door middel van haar handels- en ontwikkelingsbeleid duurzame landbouwpraktijken en voedselzekerheid in de minst ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden te bevorderen in een context van een stijgende vraag en stijgende voedselprijzen;

70.  vraagt de Commissie te onderzoeken welke rol de concentratie van de internationale handel in granen bij de toeneming van de prijsschommelingen heeft gespeeld;

De voedselvoorzieningsketen

71.  wenst dat op wereldniveau oplossingen worden geformuleerd voor de aanpak van speculaties met landbouwgrondstoffen en een extreme prijsvolatiliteit, omdat beide de voedselveiligheid in gevaar brengen; erkent echter het belang van goed functionerende goederentermijnmarkten voor landbouwgrondstoffen; is van mening dat excessieve speculatie alleen doeltreffend kan worden bestreden met internationaal gecoördineerd optreden; steunt in dit verband het initiatief van het Franse voorzitterschap van de G20 om de strijd tegen de toenemende prijsschommelingen bij landbouwgrondstoffen op de agenda te plaatsen; is voorstander van een wereldwijd meldingssysteem voor landbouwvoorraden en van een gecoördineerd optreden met betrekking tot de landbouwvoorraden die de voedselzekerheid moeten waarborgen; is derhalve van mening dat moet worden overwogen een reserve van belangrijke landbouwgrondstoffen aan te leggen; wijst erop dat de nagestreefde doelen niet doeltreffend kunnen worden verwezenlijkt als de opslagcapaciteiten, maar ook instrumenten voor markttoezicht en -waarneming, niet worden uitgebreid; wijst met name op de alarmerende gevolgen van de prijsvolatiliteit van landbouwproducten voor de ontwikkelingslanden;

72.  benadrukt het feit dat het gemiddelde inkomen van landbouwers en plattelandshuishoudens - in tegenstelling tot dat in de toeleverende en afnemende sectoren van de primaire agrarische productie - de afgelopen decennia gestaag is gedaald in vergelijking met de rest van de economie en nog slechts de helft bedraagt van het inkomen van stedelijke huishoudens, terwijl handelaren en detailhandelaren hun macht op de markt en marges binnen de levensmiddelenketen aanzienlijk hebben vergroot;

73.  wenst dat er maatregelen worden genomen ter versterking van de beheerscapaciteiten en onderhandelingspositie van primaire producenten en producentenorganisaties tegenover andere marktdeelnemers in de voedselketen (voornamelijk detaillisten, verwerkers en grondstoffenleveranciers), mits deze ontwikkelingen een goed werking van de interne markt niet in de weg staan; is van mening dat de werking van de voedselvoorzieningsketen met spoed door middel van wetgevingsmaatregelen verbeterd moet worden door transparantere voedselprijzen en initiatieven tegen oneerlijke handelspraktijken, zodat landbouwers de toegevoegde waarde waar zij recht op hebben, ook verkrijgen; vraagt de Commissie de positie van landbouwers te versterken en een eerlijke concurrentie te bevorderen; is van mening dat de aanstelling van ombudsmannen moet worden overwogen om geschillen tussen de actoren in de voedselvoorzieningsketen op te lossen;

74.  is voorts van mening dat de onderhandelingspositie van de landbouwers in de levensmiddelenbranche moet worden versterkt door middel van instrumenten voor ondersteuning van het beheer door de landbouwers van transparante en doeltreffende korte productieketens met een geringe milieu-impact, die kwaliteit bevorderen en informatie aan de consument bieden, minder tussenschakels en billijke en transparante prijsvormingsmechanismen kennen;

75.  wenst dat de steunregeling voor de meest behoeftigen wordt gehandhaafd;

Plattelandsontwikkeling

76.  is zich bewust van het plattelandsontwikkelingsbeleid zoals omschreven en gefinancierd in de tweede pijler met het oog op hun bijdrage aan een beter milieu, modernisering, innovatie, infrastructuurverbetering en verbetering van de concurrentiepositie en gezien de noodzaak van verdere ontwikkeling van de plattelandseconomie, de landbouw- en voedingsmiddelensector en verbetering van de kwaliteit van leven in plattelandsgebieden; wijst ook op de noodzaak om politieke doelen te verwezenlijken, waaronder de doelstelling „slimme, duurzame en inclusieve groei” in de EU 2020-strategie, waarvan voornamelijk ook landbouwers en plattelandsgemeenschappen moeten profiteren;

77.  meent dat deze plattelandsontwikkelingsmaatregelen oplossingen moeten bieden voor de problemen inzake de zekerheid van de voedselvoorziening, een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, de klimaatverandering, het verloren gaan van biodiversiteit, uitputting van de waterreserves en aantasting van de bodemvruchtbaarheid, en de territoriale cohesie en de werkgelegenheid moeten bevorderen; is van oordeel dat deze maatregelen ook de zelfvoorziening van de landbouwbedrijven bij de productie van hernieuwbare energie, vooral op basis van landbouwafval, moeten aanmoedigen; bevestigt dat plattelandsontwikkelingsmaatregelen moeten helpen een toegenomen meerwaarde voor de plattelandgebieden te behouden door opwaardering van de plattelands-infrastructuur en het verlenen van betaalbare diensten aan plaatselijke bevolking en bedrijfsleven;

78.  daarbij moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan de ondersteuning van jonge landbouwers; is van oordeel dat, gezien de snel vergrijzende bevolking op het platteland in Europa, aantrekkelijke maatregelen nodig zijn ter aanmoediging van de vestiging van jonge landbouwers en starters en dat steunregelingen in de tweede pijler moeten worden uitgebreid, b.v. toegang tot land, subsidies en leningen tegen gunstige voorwaarden. vooral op het gebied van innovatie, modernisering en de ontwikkeling van investeringen, enz. en verwacht dat dergelijke mechanismen in alle lidstaten beschikbaar zullen komen;

79.  stelt voor een aanzienlijk aandeel van het landbouwareaal onder agro-ecologische regelingen te laten vallen die landbouwers financiële en technische prikkels bieden, zodat duurzamere, efficiënter met hulpbronnen omspringende en minder input vereisende productiemodellen worden bevorderd;

80.  benadrukt dat het beleid voor plattelandsontwikkeling de mogelijkheid moet bieden om alle sterke punten van plattelandsgebieden te benutten, door middel van rechtstreekse verkoop, aanprijzing van producten, bevoorrading van plaatselijke markten, diversifiëring en het gebruik van biomassa, energie-efficiëntie, enz.;

81.  onderstreept dat er behoefte is aan een passende infrastructuur voor de ontwikkeling en verspreiding van landbouw kennis en innovatiesystemen, met inbegrip van kansen op vorming en beroepsopleiding, landbouwadviesdiensten en uitwisseling van optimale praktijken, om de landbouw te moderniseren, innovatieve landbouwers te helpen hun ervaring door te geven en meerwaardeketens in plattelandsgebieden te verbeteren; meent dat dergelijke programma's in alle lidstaten beschikbaar moeten zijn;

82.  spreekt zich daarom uit voor de invoering van doelgerichtere, door de lidstaten te bepalen maatregelen in de tweede pijler om gemeenschappelijke doelstellingen van het beleid voor plattelandsontwikkeling van de EU (2020-strategie) te verwezenlijken; stelt dat, ondanks het belang van een zich op globale doelen richtend en resultaatgericht Europees kader, de lidstaten en regionale instanties het best in staat zijn een beslissing te nemen over de programma's die lokaal het meest kunnen bijdragen tot het realiseren van Europese doelen; dringt daarom aan op subsidiariteit en flexibiliteit bij de opzet van plattelandsontwikkelingsprogramma's en op een benadering die nadrukkelijk uitgaat van lokale en subregionale partnerschappen, terwijl daarnaast de LEADER-methode bij de opstelling en uitvoering van de toekomstige Europese en nationale programma's voor plattelandsontwikkeling moet worden aangewend; is van mening dat een beperkte nationale bijdrage die van toepassing is op de meer gerichte maatregelen het voorwerp zal moeten vormen van uitgebreide effectbeoordelingen en gedetailleerde simulaties;

83.  is er voorstander van om in het kader van de plattelandsontwikkeling ook doelgerichte maatregelen ter bescherming van de bergbossen te nemen;

84.  verzoekt de Commissie om invoering van nieuwe financieringsinstrumenten waarmee met name boeren die nieuwkomers in de landbouwsector zijn, de toegang tot gunstige leningen wordt vereenvoudigd, of van een nieuw stelsel, bijvoorbeeld met de naam JERICHO („Joint Rural Investment CHOice”), voor het Fonds voor plattelandsontwikkeling, uitgaande van de ervaring die is opgedaan met het JEREMIE-initiatief in het kader van de structuurfondsen;

85.  onderstreept dat minder begunstigde gebieden vaak van grote waarde zijn qua cultuurlandschap, instandhouding van de biodiversiteit en milieuvoordelen, alsmede door de dynamiek van plattelandsgebieden; spreekt zich in dit kader uit voor het behoud van de compensatie voor probleemgebieden in de tweede pijler en wenst dat de doeltreffendheid daarvan wordt verhoogd; is van mening dat de gerichte steun aan boeren die werkzaam zijn in minder begunstigde gebieden (mbg's) van het grootste belang is voor de voortzetting van de landbouwactiviteiten in die gebieden en daarbij het gevaar van braaklegging van de landbouwgrond vermindert; onderstreept dat het de taak van de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten moet zijn om binnen het EU-kader de criteria gedetailleerd vast te stellen;

86.  benadrukt dat de plattelandsstructuren in de lidstaten sterk van elkaar verschillen en daarom verschillende maatregelen vereisen; pleit daarom voor flexibiliteit van de lidstaten en regio's in de vorm van vrijwillige maatregelen, die voor medefinanciering door de EU in aanmerking zouden moeten komen, mits deze maatregelen bij de Commissie zijn gemeld en zijn goedgekeurd; herhaalt dat het financieringsaandeel ook na 2013 rekening zal moeten blijven houden met de specifieke behoeften en kenmerken van de convergentieregio's;

87.  bepleit dat voor maatregelen in de tweede pijler die van bijzondere betekenis zijn voor lidstaten, de thans bestaande medefinancieringspercentages ook na 2013 moeten blijven gelden; onderstreept evenwel dat aanvullende nationale cofinanciering niet mag leiden tot een renationalisering van de tweede pijler of een verbreding van de kloof tussen de lidstaten ten aanzien van hun vermogen tot cofinanciering van hun prioriteiten;

88.  herinnert eraan dat modulatie, in al haar variëteiten, zowel verplicht als vrijwillig, ter financiering van maatregelen voor plattelandsontwikkeling in 2012 wordt beëindigd en benadrukt dat in de komende financieringsperiode voor adequate financiële middelen voor pijler 2 moet worden gezorgd;

89.  verzoekt om bij de verdeling van middelen uit de tweede pijler abrupte wijzigingen te vermijden omdat de lidstaten, lokale overheden en landbouwbedrijven behoefte hebben aan planningszekerheid en continuïteit; benadrukt dat het debat over de verdeling van deze middelen niet mag worden losgekoppeld van het debat over de verdeling van de middelen van de eerste pijler; vraagt de Commissie daarom om een pragmatische aanpak als basisbeginsel voor de herverdeling van de fondsen van de tweede pijler; ziet de noodzaak van een eerlijke herverdeling van de middelen uit de tweede pijler onder de lidstaten aan de hand van objectieve criteria die een afspiegeling moeten zijn van de verscheidenheid aan behoeften in de Europese gebieden pleit ervoor dat deze wijzigingen na een beperkte overgangsperiode parallel met de wijzigingen in de verdeling van de middelen uit de eerste pijler hun beslag krijgen;

90.  geeft de voorkeur aan voorschriften voor cofinanciering in plattelandsontwikkeling die op regionaal of lokaal niveau complementariteit bieden tussen publieke en particuliere fondsen van het nationaal gecofinancierde aandeel, zodat de beschikbare middelen voor het nastreven van de doelen die in het overheidsbeleid voor de plattelandsgebieden zijn vastgesteld, worden versterkt;

91.  roept op tot vereenvoudiging van de planning en uitvoering van de programma's in de tweede pijler ter verbetering van de efficiëntie; dringt verder aan op vereenvoudigde, doeltreffende en efficiënte systemen voor de controle, en evaluatie van en verslaggeving over cross-compliance maatregelen; is van oordeel dat de controle en het toezicht voor de eerste en tweede pijler geharmoniseerd moeten worden en coherenter moeten worden gemaakt, met vergelijkbare voorschriften en procedures, om de algehele last van de controles voor de landbouwers te verminderen; dringt aan op een flexibelere toepassing van de regel dat men zich bij agrarische milieumaatregelen op een periode van vijf jaar moet vastleggen;

92.  dringt erop aan dat coöperaties worden vrijgesteld van de bepalingen van Aanbeveling 2003/61/EG van de Commissie inzake het niet in aanmerking komen van ondernemingen die bepaalde mkb-drempels overschrijden voor toegang tot financiële middelen voor plattelandsontwikkeling en, in het algemeen, voor subsidies boven een bepaald maximum;

93.  is van mening dat de speciale behandeling van de ultraperifere regio's in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid in de toekomst moet blijven bestaan, aangezien de geografische problemen waarmee zij te kampen hebben en het kleine aantal landbouwproducten waarvan de plattelandseconomie in deze gebieden afhankelijk is, de handhaving van een financieringsaandeel van de EU tot maximaal 85% rechtvaardigen ter dekking van de kosten van hun plattelandsontwikkelingsprogramma's;

94.  verwelkomt het streven naar meer coördinatie op EU-niveau tussen de programma's voor plattelandsontwikkeling en het cohesiebeleid in het bijzonder, teneinde dubbel werk, tegenstrijdige doelstellingen en overlappingen te vermijden; evenwel aan dat de projecten in het kader van het EU-cohesiebeleid een andere om herinnert er vang hebben dan die in de programma's voor plattelandsontwikkeling, en pleit er daarom voor dat de fondsen uit elkaar worden gehouden en dat de programma's voor plattelandsontwikkeling gericht blijven op plattelandsgemeenschappen en als politiek autonome instrumenten behouden blijven;

95.  is van mening dat het cohesiebeleid tezamen met een nieuw en krachtig GLB het economisch potentieel van plattelandsgebieden kunnen ontsluiten en zekere werkgelegenheid kunnen scheppen, en zo duurzame ontwikkeling van deze gebieden kunnen waarborgen;

96.  wijst op het belang van beleid waarmee grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten en met derde landen wordt aangemoedigd voor de ontwikkeling van goede praktijken waarmee het milieu en de duurzaamheid van de natuurlijke hulpbronnen worden beschermd in de gevallen waarin landbouwactiviteiten en met name watergebruik grensoverschrijdende effecten hebben;

o
o   o

97.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1.
(2) PB L 277 van 21.10.05, blz. 1.
(3) PB L 55 van 25.2.2006, blz. 20.
(4) PB L 30 van 31.1.2009, blz. 112.
(5) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
(6) PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0286.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0223.


Verkiezing van een ondervoorzitter (interpretatie van artikel 13, lid 1, van het Reglement)
PDF 97kWORD 29k
Besluit van het Europees Parlement van 23 juni 2011 betreffende de verkiezing van een ondervoorzitter (interpretatie van artikel 13, lid 1, van het Reglement)

Het Europees Parlement,

–  gezien het schrijven van 15 juni 2011 van de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken,

–  gelet op artikel 211 van zijn Reglement,

1.  besluit de volgende interpretatie op te nemen in artikel 13, lid 1, van het Reglement:"

Wanneer één ondervoorzitter moet worden vervangen en er slechts één kandidaat is, kan deze bij acclamatie worden gekozen. De Voorzitter bepaalt of de verkiezing bij acclamatie dan wel bij geheime stemming plaatsvindt. De gekozen kandidaat neemt de rangorde van de te vervangen ondervoorzitter over.

"

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.


Vrijwillig systeem van etikettering in brailleschrift op de verpakking van industriële producten
PDF 65kWORD 30k
Verklaring van het Europees Parlement van 23 juni 2011 over een vrijwillig systeem van etikettering in brailleschrift op de verpakking van industriële producten
P7_TA(2011)0299P7_DCL(2011)0014

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 21 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin de rechten van personen met een handicap zijn neergelegd,

–  gelet op artikel 123 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de lidstaten van de EU het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap hebben ondertekend,

B.  overwegende dat in artikel 56 bis van Richtlijn 2004/27/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik is bepaald dat de naam van een geneesmiddel in brailleschrift op de verpakking moet worden vermeld,

1.  benadrukt dat personen met een visuele handicap het recht hebben een onafhankelijk leven te leiden en volwaardig in de samenleving moeten kunnen functioneren;

2.  dringt er bij de Commissie op aan de aftrap te geven voor een brede raadpleging van betrokkenen over de kosten, doeltreffendheid en haalbaarheid van de invoering op communautair niveau van een vrijwillig systeem van etikettering in brailleschrift, dat in ieder geval informatie over het soort product en de uiterste gebruiksdatum zou moeten omvatten, om de toegang van slechtzienden tot deze informatie te vergemakkelijken; omdat niet alle blinde personen braille kunnen lezen moet tijdens de voorgestelde raadpleging ook worden gezocht naar alternatieve methoden om de informatie op de verpakking toegankelijker te maken;

3.  verzoekt de Commissie stimuleringsmaatregelen te nemen om Europese bedrijfstakken en ondernemingen overeenkomstig de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap meer besef over dit probleem bij te brengen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars(1), te doen toekomen aan de Commissie, de parlementen van de lidstaten en de Verenigde Naties.

(1) De lijst van ondertekenaars is gepubliceerd in Bijlage 1 bij de notulen van 23 juni 2011 (P7_PV(2011)06-23(ANN1)).

Juridische mededeling - Privacybeleid