Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 26 oktober 2011 - Straatsburg
Standpunt van het Parlement inzake de ontwerpbegroting 2012 als gewijzigd door de Raad - alle afdelingen
 Sluiting en voorlopige toepassing van de Samenwerkingsovereenkomst inzake satellietnavigatie tussen de Europese Unie en haar lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen ***
 Overeenkomst VS-EG inzake de bevordering, de beschikbaarstelling en het gebruik van het Galileo- en het GPS-navigatiesysteem ***
 Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (herschikking) *
 Financiële regels van toepassing op de jaarlijkse begroting van de Unie ***I
 Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen

Standpunt van het Parlement inzake de ontwerpbegroting 2012 als gewijzigd door de Raad - alle afdelingen
PDF 359kWORD 103k
Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2011 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, zoals gewijzigd door de Raad - alle afdelingen (13110/2011 – C7-0247/2011 – 2011/2020(BUD)) en de nota's van wijzigingen nrs. 1/2012 (COM(2011)0372) en 2/2012 (COM(2011)0576) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012
P7_TA(2011)0461A7-0354/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag,

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(3),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2011 over algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting 2012(4),

–  gezien zijn resolutie van 6 april 2011 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2012 - Afdeling I - Parlement(5),

–  gezien de ontwerpbegroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, door de Commissie ingediend op 26 mei 2011 (COM(2011)0300),

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2011 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2012(6),

–  gezien het standpunt over de ontwerpbegroting van de Europese Unie, door de Raad vastgesteld op 25 juli 2011 (13110/2011 - C7-0247/2011),

–  gezien de nota's van wijzigingen nrs. 1/2012 en 2/2012 bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, door de Commissie ingediend op respectievelijk 17 juni 2011 en 16 september 2011,

–  gezien artikel 75 ter van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0354/2011),

AFDELING III
Algemene beschouwingen

1.  herinnert eraan dat de bevordering van een slimme, duurzame en inclusieve economie die arbeidsplaatsen en hoogwaardige werkgelegenheid creëert door uitvoering van de zeven kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie een doel is waar alle 27 lidstaten en de EU-instellingen achter staan; herinnert eraan dat voor het uitvoeren van deze strategie tot 2020 een enorm bedrag aan toekomstgerichte investeringen is vereist, en wel volgens raming van de Commissie in haar mededeling van 19.10.2010 met als titel „Evaluatie van de EU-begroting” (COM(2010)0700) ten minste 1 800 miljard EUR; onderstreept daarom dat de nodige investeringen – zowel op het niveau van de EU als de lidstaten - nu moeten worden gerealiseerd en geen langer uitstel gedogen;

2.  herinnert eraan dat de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei de kern van de EU-begrotingsstrategie voor 2012 moet vormen om Europa te helpen herstellen van de crisis en hier sterker uit tevoorschijn te komen;

3.  maakt zich dan ook grote zorgen over het feit dat de huidige crisis heeft geleid tot een daling van de openbare investeringen op enkele van deze terreinen wegens de aanpassingen die de lidstaten in hun nationale begrotingen hebben aangebracht; vindt dat deze trend moet worden gekeerd en is er vast van overtuigd dat de investeringen zowel op EU- als op nationaal niveau moeten worden gegarandeerd wil de Unie de verwachtingen van de Europa 2020-strategie waarmaken; is van mening dat de EU-begroting een belangrijke rol moet spelen bij het op gang brengen van het herstelbeleid van de lidstaten door nationale investeringen in groei en werkgelegenheid aan te zwengelen en te ondersteunen en ook met dat doel moet worden ingezet; benadrukt dat dit volledig strookt met de dynamiek van het Europese semester dat, als nieuw instrument voor een betere Europees economisch bestuur, ten doel heeft de samenhang en synergieën tussen de EU-begroting en de nationale begrotingen te versterken zodat deze elkaar aanvullen om de gezamenlijk overeengekomen doelstellingen van Europa 2020 te verwezenlijken;

4.  herinnert er eens te meer aan dat de EU-begroting niet moet worden ervaren en beoordeeld als louter een extra financiële last voor de nationale begrotingen, maar daarentegen beschouwd moet worden als een mogelijkheid om een extra dimensie te geven aan initiatieven en investeringen die van belang zijn en meerwaarde opleveren voor de Unie in haar geheel en waartoe in de meeste gevallen gezamenlijk is besloten door het Parlement en de Raad, waardoor zij ook op nationaal niveau gelegitimeerd zijn;

5.  wijst nogmaals op het aanvullend karakter van de EU-begroting ten opzichte van de nationale begrotingen en de stimulans die daarvan uitgaat ter bevordering van groei en banen en benadrukt dat de kenmerken en de beperkte omvang ervan niet onderuit mogen worden gehaald door willekeurige bezuinigingen, maar dat specifieke terreinen juist moeten worden versterkt;

6.  erkent dat er sprake is van een acuut tekort aan financiële middelen in de EU, zowel op het niveau van de lidstaten, als van de Unie; onderstreept dat alle programma's en uitgaven met inachtneming van het „waar-voor-je-geld”-beginsel op zichtbaarheid, doeltreffendheid en effectiviteit moeten worden beoordeeld;

7.  wijst erop dat de marges die uit het meerjarig financieel kader (MFK) voortvloeien nauwelijks echte manoeuvreerruimte laten, met name in subrubriek 1a en in rubriek 4, en dat zij het vermogen van de Unie beperken om enerzijds in te spelen op politieke veranderingen en onvoorziene behoeften en anderzijds haar prioriteiten te handhaven; wijst erop dat de omvang van de problemen waarmee de Unie geconfronteerd wordt, middelen zou vergen die de huidige maxima van het MFK ver overstijgen; wijst er in dit verband op dat gebruikmaking van de instrumenten waar het interinstitutioneel akkoord (IIA) van 17 mei 2006 over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer in voorziet onvermijdelijk is geworden als gevolg van de diverse nieuwe uitdagingen en prioriteiten, zoals de Arabische lente van dit jaar en de noodzaak om een sterke stimulans te bieden voor de uitvoering van de Europa 2020-strategie, als gecoördineerde aanpak van de huidige economische en sociale crisis;

Standpunt van de Raad

8.  betreurt de verlagingen die de Raad voorstelt voor de ontwerpbegroting (OB) van de Commissie ter hoogte van 1,59 miljard EUR aan vastleggingen (-1,08%) en 3,65 miljard EUR aan betalingen (-2,75%), resulterend in een totaalbedrag van 146,25 miljard EUR aan vastleggingen (oftewel +2,91% ten opzichte van de begroting 2011(7)) en 129,09 miljard aan betalingen (+2,02%), vergeleken met respectievelijk +4,03% en +4,91% in de OB van de Commissie (met inbegrip van nota van wijzigingen nr. 1/2012);

9.  wijst erop dat de Raad verlagingen van honderden begrotingslijnen heeft voorgesteld, tegenover geen enkele verhoging; benadrukt dat deze horizontale verlagingen over alle rubrieken van het MFK zijn verdeeld, zij het in ongelijke mate;

10.  wijst erop dat sommige verlagingen in strijd zijn met recente standpunten van de Raad, zoals de verlagingen die de Raad in de OB 2012 voorstelt voor de begrotingslijnen voor de pas opgerichte agentschappen voor financieel toezicht, terwijl de Raad juist heeft aangedrongen op de oprichting van deze agentschappen, maar niet bereid lijkt te zijn om afdoende middelen voor het functioneren ervan beschikbaar te stellen;

11.   neemt nota van de bezorgdheid van de Raad over de problemen op economisch en begrotingsgebied op nationaal niveau; is van oordeel dat de Unie zich wat de begroting betreft verantwoordelijk moet opstellen, maar herinnert eraan dat de EU-begroting krachtens bepalingen van het Verdrag geen tekort kan vertonen en dat de EU-begroting 2% uitmaakt van de totale publieke uitgaven in de Unie;

12.  betreurt, tegen deze achtergrond en ondanks eerdere verzoeken van het Parlement, dat de Raad horizontale bezuinigingen in de begroting heeft doorgevoerd, en daarbij a priori besluiten heeft genomen inzake het algemene niveau van de kredieten zonder nauwkeurige beoordeling van de daadwerkelijke behoeften ter verwezenlijking van de door Unie overeengekomen doelstellingen en politieke verplichtingen, en zonder rekening te houden met de prioriteiten van het Parlement, zoals gepresenteerd in bovengenoemde resolutie van 23 juni 2011 over het mandaat voor de trialoog;

13.  benadrukt dat het bezuinigen op lijnen en bedragen uitsluitend op basis van de uitvoeringspercentages in het verleden samen met de verhogingspercentages ten opzichte van de begroting van het voorgaande jaar een te zeer op het verleden gerichte benadering is die niet toelaat om in het kader van een meerjarige programmering in afdoende mate rekening te houden met uitvoeringspercentages die in de loop der jaren een stijgende lijn vertonen;

14.  wijst erop dat het lage niveau van betalingen zoals voorgesteld door de Raad zou leiden tot een grotere discrepantie tussen betalingskredieten en vastleggingskredieten, wat automatisch een verhoging van de nog betaalbaar te stellen vastleggingen aan het einde van het jaar zou opleveren, met name in de subrubrieken 1a en 1b; waarschuwt in dit verband voor de reeds extreem hoge bedragen van de opgehoopte RAL's kort voor het einde van het huidige MFK;

Begrotingsvoorstel van het Parlement

15.  stelt het totale bedrag op 147 763,82 miljoen EUR en 133 143,18 miljoen EUR aan respectievelijk vastleggings- en betalingskredieten;

16.  herinnert eraan dat het Europees Parlement de Europa 2020-strategie heeft aangewezen als een van de belangrijkste prioriteiten(8) voor de begroting 2012, aangezien het een essentieel en noodzakelijk onderdeel vormt van de strategie van de EU voor het economisch herstel; benadrukt dat de voorgestelde verhoging van kredieten voor een beperkt aantal begrotingslijnen zowel korte- als langetermijndoelstellingen voor de toekomst van de Unie dient;

17.  is van mening dat het niveau van de betalingen zoals voorgesteld door de Commissie een absoluut minimum vormt voor de betalingen, zoals ook voorzitter Barroso en commissaris Lewandowski in een aantal verklaringen hebben aangegeven; is er niet van overtuigd dat ontwerpverklaring nr. 1 van de Raad over betalingskredieten die tot doel hebben tegemoet te komen aan mogelijke aanvullende benodigde betalingen van nut kan zijn in dit verband, met name gezien de ervaring van begin 2011, toen de Raad aarzelde om een gelijksoortige verklaring met betrekking tot de begroting 2011 gestand te doen; besluit daarom de meeste betalingskredieten te herstellen tot het niveau van de OB, temeer daar de verlagingen door de Raad van de betalingen ook betrekking hebben op terreinen en begrotingslijnen die vallen onder de doelstellingen van Europa 2020, met name in de subrubrieken 1a en 1b;

Subrubriek 1a

18.  herinnert eraan dat subrubriek 1a de belangrijkste rubriek van het MFK 2007-2013 is in verband met het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, vanwege de directe of indirecte bijdrage aan de financiering van alle vijf hoofddoelen en de zeven kerninitiatieven;

19.  betreurt dat de Commissie en de Raad geen bedragen voorstellen die hoger zijn dan de oorspronkelijke plannen voor steun aan investeringen die dringend nodig zijn om de zeven kerninitiatieven uit te voeren, en stelt vast dat zij helaas geneigd zijn de noodzakelijke sterke stijging van de gemeenschappelijke financiële inspanning uit te stellen tot het MFK na 2013; is ervan overtuigd dat deze opstelling de verwezenlijking van de hoofddoelen in 2020 in gevaar brengt; stelt daarom voor een aantal gerichte verhogingen in de OB van de Commissie door te voeren op enkele kerngebieden, te weten concurrentievermogen en ondernemerschap, onderzoek en innovatie, onderwijs en levenslang leren;

20.  herinnert eraan dat de begrotingsautoriteit voor de financiering van ITER zal moeten instemmen met een herziening van het MFK 2007-2013; neemt nota van het voorstel van de Commissie van 20 april 2011 voor het financieren van de ontbrekende 1,3 miliard EUR voor ITER in 2012 en 2013 maar dringt erop aan dat de onderhandelingen over de bijkomende kosten van ITER losgekoppeld worden van de begrotingsprocedure 2012, in overeenstemming met de uitsluiting door de Raad van de bijkomende financiering voor ITER van zijn lezing van de begroting; spreekt niettemin zijn bereidheid uit om het vraagstuk van de benodigde extra financiering voor ITER uiterlijk eind 2011 op te lossen, om te waarborgen dat de bestaande EU-structuren op het gebied van fusie niet worden verzwakt tengevolge van het uitblijven van een besluit ter zake;

21.  bevestigt sterk gekant te zijn tegen elke vorm van overheveling uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling, zoals voorgesteld door de Commissie als onderdeel van het financieringspakket voor ITER, omdat dit de succesvolle tenuitvoerlegging van het zevende kaderprogramma in gevaar zou brengen en ten koste zou gaan van de bijdrage van dit programma aan de verwezenlijking van de hoofddoelen en de uitvoering van de kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie; herstelt daarom de bedragen voor de financiële programmering van het zevende kaderprogramma door het bedrag van 100 miljoen EUR weer toe te voegen aan de door de Commissie verlaagde begrotingslijnen; herstelt tevens het grootste deel van de door de Raad doorgevoerde verlagingen van de betalingen voor de lijnen van het zevende kaderprogramma (492 miljoen EUR), ter voorkoming van het risico op niet-nakoming van bestaande juridische verplichtingen, hetgeen zou kunnen leiden tot aanvullende kosten vanwege te betalen achterstallige rente;

22.  besluit om het niveau van vastleggingskredieten voor specifieke onderdelen van het zevende kaderprogramma (Capaciteiten - Onderzoek ten behoeve van het MKB, Samenwerking - Energie, Ideeën, Mensen, Onderzoek op energiegebied) verder te verhogen; is van mening dat die onderdelen bijdragen aan het waarborgen van groei en investeringen op belangrijke gebieden die de kern vormen van de Europa 2020-strategie; is van mening dat het huidige uitvoeringsniveau van het zevende kaderprogramma waarborgt dat deze bijkomende bedragen probleemloos opgenomen kunnen worden in de financiële programmering van die programma's;

23.  verhoogt het algemene niveau van de vastleggingskredieten voor het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (KCI - Intelligente energie en KCI - Ondernemerschap en innovatie) verder ten opzichte van het oorspronkelijk voorziene bedrag, met het oog op het bereiken van resultaten bij de uitvoering van de kerninitiatieven van de strategie Europa 2020; hoopt dat deze stijging dit programma toegankelijker zal maker voor KMO's en zal helpen specifieke programma's en innovatieve financieringsmechanismen te ontwikkelen; wijst in dit verband op de belangrijke rol die KMO's spelen bij het aanjagen van de economie van de EU en steunt met name het programma CIP-EIP als een onmisbaar instrument om de crisis weer te boven komen;

24.  besluit de vastleggingskredieten voor het programma Een Leven Lang Leren aanzienlijk te verhogen vanwege de grote Europese toegevoegde waarde ervan en het feit dat dit programma een grote bijdrage levert aan de kerninitiatieven „Jeugd in beweging” en „Innovatie-Unie”; is ervan overtuigd dat deze verhogingen volledig uitvoerbaar zijn, aangezien de bijkomende financiële toewijzing aan dit programma die het Parlement heeft voorgesteld en die is goedgekeurd door de begrotingsautoriteit voor de begroting 2011 tot nu toe succesvol is uitgevoerd, met een aanzienlijke toename van het aantal deelnemers tot gevolg; verklaart nogmaals groot voorstander te zijn van EU-programma's op het gebied van jeugd en onderwijs, omdat ze kunnen bijdragen aan het verlagen van de jeugdwerkloosheid; stelt tevens voor de vastleggingskredieten voor het programma Erasmus Mundus verder te verhogen;

25.  besluit de betalingen van de OB op de lijn voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) opnieuw op te voeren en herhaalt zijn oproep voor verdere verbeteringen van de procedure voor de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG, teneinde de steunverlening ter plaatse te versnellen;

26.  stelt in dit verband aan de andere tak van de begrotingsautoriteit voor om uit het flexibiliteitsinstrument een bedrag van 30,75 miljoen EUR beschikbaar te stellen in subrubriek 1a;

Subrubriek 1b

27.  merkt op dat het standpunt van de Raad geen verandering brengt in het Commissievoorstel voor de vastleggingen en onderstreept dat dit standpunt over de vastleggingen strookt met de begrotingstoewijzing in het MFK, rekening houdend met de technische aanpassing aan het financieel kader voor 2012 als bedoeld in punt 17 van het IIA van 17 mei 2006;

28.  herinnert aan de belangrijke rol die het regionale en cohesiebeleid speelt voor het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie en het economisch herstel van de Europese regio's; betreurt de restrictieve aanpak van de Raad ten aanzien van de betalingen, die met 1 300 miljoen EUR verlaagd zijn ten opzichte van de ramingen van de Commissie van de betalingsbehoeften voor 2012; wijst erop dat de Raad alleen de lijnen voor de convergentiedoelstelling en technische bijstand ongemoeid heeft gelaten; herinnert eraan dat de verlagingen zijn doorgevoerd op begrotingstoewijzingen die reeds ver onder de eigen ramingen van de lidstaten lagen (61 miljard EU voor 2012, oftewel circa 50% boven de OB) en algemeen beschouwd worden als het absolute minimum om te kunnen voldoen aan de komende betalingsverplichtingen en gelijke tred te kunnen houden met de versnelde uitvoering aan het einde van de programmeringsperiode; is van mening dat deze houding van de Raad des te onaanvaardbaarder is omdat de Commissie kortgeleden een aantal concrete voorstellen heeft gedaan voor hogere steun van de structurele en cohesiefondsen aan de landen die het zwaarst getroffen zijn door de huidige financiële en economische crisis; verzoekt om de uitvoering van het regionale en cohesiebeleid te evalueren en concrete voorstellen te doen ter vermindering van de RAL's;

29.  verzoekt de Commissie de cruciale rol van lokale en regionale actoren bij de bestrijding van de klimaatverandering te erkennen;

30.  herstelt om bovenstaande redenen de door de Raad doorgevoerde verlagingen van de betalingskredieten tot het niveau van de OB;

Rubriek 2

31.  herstelt de verlagingen van de Raad binnen deze rubriek tot een niveau van 60 457,76 miljoen EUR, oftewel 3,07% boven de begroting 2011; is van mening dat de ramingen van de Commissie van de begrotingsbehoeften realistischer zijn dan de voorstellen van de Raad, in het bijzonder tegen de huidige achtergrond van grote economische onzekerheid en instabiliteit van de markt;

32.  wijst erop dat de huidige ramingen bijgesteld zullen worden naar gelang de reële behoeften in de traditionele nota van wijzigingen inzake landbouw die in het najaar van 2011 ingediend zal worden; vestigt in dit verband de aandacht op het definitieve niveau van de bestemmingsontvangsten die in 2012 beschikbaar moeten zijn (conformiteitcorrecties, onregelmatigheden en melkheffing), dat uiteindelijk bepalend zal zijn voor de omvang van de nieuwe kredieten die in de begroting 2012 vastgesteld moeten worden; schat dat de marge die nog beschikbaar is onder het plafond (352,24 miljoen EUR) voldoende moet zijn om de behoeften onder deze rubriek te dekken, mits zich geen onvoorziene omstandigheden voordoen;

33.  verzoekt de Commissie meer inspanningen te verrichten om duidelijke prioriteiten vast te stellen ten gunste van duurzame landbouwsystemen die de biodiversiteit in stand houden, de watervoorraden en de bodemvruchtbaarheid beschermen en oog hebben voor het welzijn van dieren en de werkgelegenheid; is van mening dat als positief neveneffect van een dergelijk beleid crises, zoals de verspreiding van E. coli, vermeden zouden kunnen worden;

34.  verwerpt de verhoging van de zogeheten lijn voor negatieve uitgaven (goedkeuring van de rekeningen), wat de indruk wekt van een kunstmatige verlaging van het totale niveau van de kredieten van rubriek 2; is niettemin van mening dat de lidstaten in een betere positie verkeren voor het evalueren van de waarschijnlijk overschatte doeltreffendheid en betrouwbaarheid van hun nationale systemen voor toezicht en controle op het gebied van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB);

35.  onderstreept dat de preventie- en reactiemechanismen voor crises in de sector fruit en groenten duidelijk te kort schieten en dat er dan ook een onmiddellijke oplossing moet worden gevonden totdat het nieuwe GLB is ingevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij het Parlement en de Raad een concreet voorstel voorlegt om te waarborgen dat de bijdrage van de Unie aan het crisisfonds binnen de operationele fondsen voor producentenorganisaties voldoende verhoogd wordt; dringt erop aan dat deze verhoging wordt gebruikt voor specifieke maatregelen ten behoeve van producenten die schade lijden door de E. coli-crisis, alsmede ter voorkoming van toekomstige crises;

36.  verhoogt de steun voor het schoolmelkprogramma en continueert de steun voor het schoolfruitprogramma;

37.  handhaaft de begrotingstoewijzing voor het voedselverdelingsprogramma voor de meest misdeelden in de Unie ter ondersteuning van 18 miljoen mensen in de Unie die met slechte voeding of ondervoeding kampen; neemt met voldoening kennis van de recente inspanningen van de Commissie (zie gewijzigd Commissievoorstel van 3 oktober 2011 voor een verordening betreffende dit onderwerp (COM(2011)0634) om tot een politieke en juridische oplossing te komen om drastische inkrimping van de tenuitvoerlegging van het programma in 2012 en 2013 te vermijden; dringt er bij de Raad sterk op aan dit voorstel onverwijld te steunen, in het bijzonder gezien de ernstige sociale situatie in veel lidstaten tengevolge van de financiële en economische crisis;

38.  continueert de steun – op een passend niveau – voor het programma LIFE+, dat uitsluitend prioriteit verleent aan projecten op het gebied van milieu en klimaat; herinnert er andermaal aan dat milieuproblemen en oplossingen daarvoor niet aan nationale grenzen gebonden zijn en een aanpak op EU-niveau dus vanzelf spreekt; vraagt de lidstaten in dit verband hun tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving aanzienlijk te verbeteren;

39.  benadrukt dat het gemeenschappelijk visserijbeleid een belangrijke politieke prioriteit blijft en handhaaft de financiering ervan op de niveaus van de OB, met het oog op de komende hervorming van dat beleid; is van mening dat de financiering van het geïntegreerde maritieme beleid niet ten koste mag gaan van de financiering van andere visserijmaatregelen en -programma's in rubriek 2; onderstreept dat een doeltreffend visserijbeheer van cruciaal belang is om de visbestanden te handhaven en overbevissing te voorkomen; verwelkomt aanvullende steun voor nieuwe internationale organisaties in de visserijsector;

Subrubriek 3a

40.  dringt nogmaals met klem aan op een passend en evenwichtig antwoord op de uitdagingen op het gebied van migratie en solidariteit, om de legale migratie beter te beheren en de illegale migratiestromen te voorkomen en te bestrijden; onderstreept, met erkenning van de verplichting van de lidstaten om de bestaande wetgeving van de Unie na te leven, de noodzaak van voldoende financiering en ondersteunende instrumenten om in noodsituaties op te kunnen treden met volledige inachtneming van de interne beschermingsregels, de mensenrechten en de solidariteit tussen alle lidstaten; verzoekt dan ook om een evenwichtige verhoging van de begrotingskredieten voor enerzijds Frontex en het Europees ondersteuningsbureau voor asielzaken, gezien hun toenemende taken, en voor het Europees Vluchtelingenfonds anderzijds; brengt daarnaast de vastleggingskredieten voor het Europees Terugkeerfonds en het Buitengrenzenfonds terug naar het niveau van de ontwerpbegroting; is er sterk van overtuigd dat de middelen voor deze fondsen gezien de huidige ontwikkelingen in met name het Middellandse-Zeegebied en de problematiek rond de veiligheid aan de buitengrenzen van de Unie en het beheer van de migratiestromen absoluut tot een passend niveau moeten worden opgetrokken;

41.  betreurt de door de Raad voorgestelde aanzienlijke verlaging van de middelen voor Frontex, het Buitengrenzenfonds en het Europees Terugkeerfonds; is er ten zeerste van overtuigd dat de middelen voor deze fondsen gezien de huidige ontwikkelingen in met name het Middellandse-Zeegebied en de problematiek rond de veiligheid aan de buitengrenzen van de Unie en het beheer van de migratiestromen absoluut moeten worden opgetrokken;

42.  is voornemens, door de kredieten op de OB voor de preventie van criminaliteit en terrorisme te herstellen overeenkomstig de financiële programmering, de steeds noodzakelijkere samenwerking op gebieden als Europese cyberveiligheid of de confiscatie van tegoeden van criminele organisaties verder op te voeren;

43.  is van mening dat het programma Daphne tot nu toe is ondergefinancierd en is voornemens dit programma van afdoende financiering te voorzien om tegemoet te kunnen komen aan de vastgestelde behoeften op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen;

Subrubriek 3b

44.  wijst er nogmaals op dat de financiering van programma's, initiatieven en organen op het gebied van onderwijs verhoogd moet worden gezien de bijdragen ervan aan de uitvoering van de kerninitiatieven „Jeugd in beweging” en „Innovatie-Unie” van de Europa 2020-strategie; is voornemens de financiering voor het programma „Jeugd in actie” verder te verhogen;

45.  is er zich van bewust dat de burgers betrokken moeten worden bij de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld en het politiek leven met een Europees perspectief en vindt het jammer dat de Raad de uitgaven met betrekking tot burgerschap heeft verlaagd;

46.  verwerpt een verdere verlaging van de middelen voor het Financieringsinstrument voor civiele bescherming, aangezien de OB reeds lager is dan de financiële programmering en civiele bescherming een nieuw bevoegdheidsterrein van de Unie is; herstelt daarom de bedragen van de OB;

47.  is met betrekking tot de Europese publieke ruimten van mening dat aan de begrotingsautoriteit een beoordelingsverslag en een werkprogramma gepresenteerd moeten worden binnen een termijn die het mogelijk maakt hier bij de begrotingsprocedure rekening mee te houden; besluit om een deel van de kredieten voor communicatie in de reserve te plaatsen totdat de Commissie de bereidheid toont de interinstitutionele samenwerking op dit punt te verbeteren;

48.  stelt een aantal reserves vast met het oog op het ontvangen van specifieke beoordelingsverslagen en een formele instemming met versterkte interinstitutionele samenwerking;

49.  neemt met voldoening kennis van de kredieten voor het volksgezondheidsprogramma dat een aanvulling vormt op en een toegevoegde waarde bij de maatregelen van de lidstaten op het gebied van bevordering van de gezondheid en bestrijding van ziekten; steunt de inspanningen van de Commissie om de HELP-campagne voor een rookvrij leven voort te zetten in het kader van het volksgezondheidsprogramma;

Rubriek 4

50.  herhaalt de stelling dat, dit jaar zelfs nog meer dan in het verleden, rubriek 4 van de begroting 2012 ondergefinancierd is en dat de beschikbare marge in deze rubriek te laag is voor de toegenomen politieke uitdagingen in de buurlanden en wereldwijd;

51.  verwelkomt de verhoging van de kredieten voor het nabuurschapsinstrument, zoals voorgesteld in nota van wijzigingen nr. 1/2012, aangezien dit in overeenstemming is met zijn steun voor een duidelijke en consistente reactie van de EU op de recente politieke en sociale ontwikkelingen in het zuidelijk Middellandse-Zeegebied en een toegevoegde waarde geeft aan de externe dimensie van het binnenlands beleid van de EU en haar macroregionale strategieën; herhaalt niettemin met klem dat een dergelijke financiële steun in geen geval ten koste mag gaan van bestaande prioriteiten;

52.  is van mening dat, teneinde in de bemiddeling overeenstemming te bereiken met de andere tak van de begrotingsautoriteit, ingestemd kan worden met een verlaging van de vastleggingskredieten op een aantal begrotingslijnen, met name het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid; is met betrekking tot dit laatste punt van mening dat het op de begroting 2011 vastgestelde niveau van de kredieten toereikend is en besluit het standpunt van de Raad dienovereenkomstig te wijzigen;

53.  is van mening dat een verhoging van de financiering voor Palestina en de UNRWA van wezenlijk belang is met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het levensonderhoud van vluchtelingen en de inspanningen die momenteel worden geleverd met het oog op een levensvatbare Palestijnse staat; vraagt opnieuw een duidelijke strategie voor Palestina, waarbij de financiële hulp van de Unie wordt gekoppeld aan een grotere politieke rol voor de Unie in het kader van het vredesproces, met betrekking tot beide partijen in het conflict;

54.  herinnert eraan dat op de begroting 2012 rekening moet worden gehouden met toenemende behoeften op het gebied van de samenwerking met Azië en Latijns-Amerika;

55.  betreurt dat niet alle behoeften en beperkte prioriteiten die door zijn gespecialiseerde commissies zorgvuldig zijn vastgesteld zijn gefinancierd binnen het plafond van het MFK voor rubriek 4, en beschouwt zijn lezing als het minimum dat nodig is voor een geloofwaardige rol van de Unie als wereldspeler;

56.  stelt in dit verband aan de andere tak van de begrotingsautoriteit voor om uit het flexibiliteitsinstrument een bedrag van 208,67 miljoen EUR beschikbaar te stellen in rubriek 4;

Rubriek 5

57.  verwerpt het algemene standpunt van de Raad over de uitgaven van rubriek 5, dat een totale verlaging van circa 74 miljoen EUR inhoudt, waaronder 33 miljoen EUR voor de Commissie, tengevolge van horizontale verlagingen op de begrotingen van alle instellingen;

58.  benadrukt dat een dergelijke restrictieve aanpak op korte termijn weliswaar besparingen oplevert voor de begrotingen van de EU en de lidstaten, maar de tenuitvoerlegging van EU-beleid en -programma's in gevaar brengt, hetgeen uiteindelijk ten koste gaat van de burger en een uitgesteld negatief effect heeft op de nationale begrotingen; beklemtoont voorts dat de Commissie en andere instellingen voldoende middelen moeten krijgen om hun taken te kunnen vervullen, met name na de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

59.  wijst erop dat deze verlaging mogelijk wordt door een verhoging van de zogeheten forfaitaire verlaging voor personeel (niet-gefinancierde posten), waardoor een verbetering van de bezettingsgraad van de personeelsformaties die zijn goedgekeurd door de begrotingsautoriteit onmogelijk wordt (vanwege de rechtstreekse gevolgen ervan voor de aanwerving); vraagt zich in dit verband af hoe de Raad de mogelijke personeelsomvang bij de diensten van de Commissie nauwkeuriger kan inschatten dan de Commissie zelf; verwerpt tevens de kortingen op uitgaven waarvoor de Commissie reeds nettobezuinigingen op de betreffende ontwerpbegrotingen heeft voorgesteld (bv. Publicatiebureau, studies en adviezen, uitrusting en meubilair);

60.  erkent dat de Commissie zich reeds tot het uiterste heeft ingespannen om in haar voorstel voor de OB haar eigen administratieve uitgaven in nominale termen te bevriezen, en besluit alle uitgaven van rubriek 5 binnen Afdeling III tot dat niveau te herstellen;

61.  stelt niettemin reserves in voor bepaalde administratieve lijnen, in afwachting van specifieke actie, follow-up of voorstellen van de Commissie of om aanvullende informatie te verkrijgen;

Agentschappen

62.  steunt in beginsel de ramingen van de Commissie met betrekking tot de begrotingsbehoeften van de agentschappen en verwerpt de uitgangspunten waarop de Raad zijn willekeurige bezuinigingen over de hele linie baseert in vergelijking met 2011;

63.  is van mening dat tijdens de begrotingsprocedure voorgestelde verlagingen van de begrotingen van de agentschappen meer verband moeten houden met het proces van planning en uitvoering van de taken van de agentschappen, tenzij precies kan worden aangegeven op welke punten de efficiency kan worden verhoogd; is in dit verband van mening dat de verlagingen voor Frontex, waarvan het mandaat onlangs is herzien, een typisch voorbeeld is van de volledige loskoppeling door de Raad van enerzijds de taken en werkzaamheden van de agentschappen, zoals vastgelegd in wetsteksten en voorschriften, en anderzijds de aan de agentschappen toegewezen begrotingsmiddelen;

64.  is het er in het algemeen mee eens dat overschotten van agentschappen in aanmerking moeten worden genomen bij de opstelling van de OB en op duidelijke en transparante wijze moeten worden beschreven; herhaalt evenwel dat overschotten van deels zichzelf financierende agentschappen buiten deze algemene regel zouden moeten vallen, zodat de agentschappen zich tegen het onzekere karakter van hun inkomsten kunnen wapenen;

65.  besluit verder de begrotingsmiddelen voor 2012 voor de drie nieuwe agentschappen voor financieel toezicht te verhogen, aangezien dit van het grootste belang is gezien de huidige economische en financiële omstandigheden en met het oog op het verder uitbouwen van die agentschappen;

Proefprojecten en voorbereidende acties

66.  benadrukt dat er een beperkt aantal proefprojecten en voorbereidende acties is goedgekeurd na een diepgaande beoordeling en evaluatie, mede in het licht van de eerste beoordeling door de Commissie in juli 2011 om overlapping met reeds onder bestaande EU-programma's vallende acties te voorkomen; herinnert eraan dat proefprojecten en voorbereidende acties tot doel hebben beleidsprioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven te lanceren die in de toekomst kunnen uitmonden in EU-activiteiten en -programma's;

AFDELINGEN I, II, IV, V, VI, VII, VIII, IX
Algemeen kader

67.  herinnert aan zijn standpunt zoals verwoord in bovengenoemde resolutie van 6 april 2011, dat de instellingen hun begroting moeten opstellen op basis van een goed en doeltreffend beheer en daarbij zoveel mogelijk besparingen moeten doorvoeren, overeenkomstig het schrijven van commissaris Lewandowski van 3 februari 2011, waarin alle instellingen wordt verzocht hun uiterste best te doen om de stijging van de uitgaven ten opzichte van 2011 beneden de 1% te houden;

68.  erkent dat alle instellingen de nodige inspanningen hebben verricht, resulterend in werkelijke bezuinigingen op hun eigen begrotingen; wijst erop dat de groei van de begrotingen van alle instellingen negatief is, ondanks de nieuwe bevoegdheden, taken, acties en werkzaamheden die voortvloeien uit de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon;

69.  wijst erop dat de administratieve en beleidsuitgaven van alle instellingen 5,59% van de totale EU-begroting uitmaken, met inbegrip van een marge van 497,9 miljoen EUR in rubriek 5;

70.  bevestigt nogmaals dat bezuinigingsmaatregelen de uitbetaling van salarissen en pensioenen, het onderhoud van gebouwen en de beveiliging niet in gevaar mogen brengen, aangezien de instellingen over een minimum aan middelen moeten beschikken om te kunnen functioneren, en dat verlagingen redelijk moeten zijn, in die zin dat instellingen die reeds het maximaal haalbare aan bezuinigingen hebben gerealiseerd niet gestraft moeten worden, en dat de bezuinigingen bovendien legaal moeten zijn en ook in 2012 doeltreffend moeten zijn;

Afdeling I - Europees Parlement
Algemeen kader

71.  wijst erop dat de tot nu toe goedgekeurde groei van de begroting 2012 ten opzichte van 2011 1,44% bedraagt (de nota van wijzigingen inzake Kroatië niet meegerekend); wijst erop dat de nota van wijzigingen inzake Kroatië behandeld zal worden door het bemiddelingscomité met de Raad; verwacht dat de nodige uitgaven voor Kroatië toegevoegd zullen worden; verwacht dat de definitieve groei van de begroting 2012 derhalve 1,9% zal bedragen (inclusief Kroatië) na behandeling door het bemiddelingscomité; wijst erop dat 1,9% de geringste groei is sedert 12 jaar; wijst erop dat zonder de uitgaven voor de toetreding van Kroatië en de 18 nieuwe EP-leden naar aanleiding van het Verdrag van Lissabon dit cijfer slechts 0,8% bedraagt; wijst erop dat 0,8% de geringste groei is sedert ten minste 15 jaar; wijst erop dat de afgelopen 15 jaar de gemiddelde toename 4,5% bedroeg; wijst erop dat rekening houdend met het huidige inflatiecijfer van 2,9% de begroting 2012 in reële termen is gekrompen; wijst erop dat ondanks nieuwe bevoegdheden, nieuwe posten, acties en werkzaamheden die voortvloeien uit de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, het Parlement werkelijk heeft bezuinigd;

72.  wijst erop dat het totale niveau van zijn begroting 2012 uitkomt op 1 710,1 miljoen EUR (inclusief 18 EP-leden voortvloeiend uit het Verdrag van Lissabon); wijst erop dat dit neerkomt op een nettoververmindering van 14,5 miljoen EUR ten opzichte van de ramingen en 74,085 miljoen EUR ten opzichte van de oorspronkelijke begrotingsvoorstellen vóór het overleg met het Bureau;

73.  wijst erop dat de begroting 2012 een begroting van consolidering is, waarin het Parlement zich heeft ingezet voor maximale bezuinigingen zonder de kwaliteit van het werk en het uitstekende niveau van wetgeving in gevaar te brengen; deze begroting 2012 en de volgende begroting 2013 vormen de referentie voor het volgende meerjarig financieel kader;

74.  herhaalt dat de bezuinigingen die verwacht worden op de begrotingslijnen voor vertaling en vertolking geen afbreuk mogen doen aan het beginsel van meertaligheid in het Parlement en in de dialoog met andere instellingen; herhaalt dat de bezuinigingen moeten plaatsvinden zonder dat het recht van elk lid om in de plenaire vergadering, in commissies en coördinatorenvergaderingen en in trialogen zijn/haar eigen taal te spreken in het gedrang komt; is tevens van mening dat de leden het recht moeten behouden om in hun eigen taal te lezen en te schrijven;

75.  is van mening dat het Parlement in tijden van toenemende financiële moeilijkheden voor veel Europeanen en een aanhoudend bezuinigingsbeleid blijk moet geven van ingetogenheid door zijn reiskosten te verlagen; verzoekt het Bureau de voorwaarden te scheppen om 5% te besparen op alle soorten reiskosten, waaronder voor delegaties van commissies en interparlementaire delegaties, met volledige inachtneming van het statuut van de leden en de uitvoeringsbepalingen daarvan; is van oordeel dat vermindering van het aantal zakenvluchten door leden van het Parlement zou helpen deze besparingen te verwezenlijken; wenst dat 15% van de reiskredieten in de reserve geplaatst wordt totdat de secretaris-generaal van het Parlement uiterlijk 31 maart 2012 een verslag heeft ingediend bij het Bureau en de Begrotingscommissie; dringt erop aan dat in dit verslag de haalbaarheid wordt onderzocht van maatregelen om bij reizen van leden een maximale efficiëntiegraad te bereiken, teneinde aanbevelingen voor mogelijke budgettaire bezuinigingen te kunnen doen, rekening houdende met alle voorstellen en resoluties die het Parlement ter zake al heeft goedgekeurd, door voorstellen in te dienen om het aantal business class-vluchten te verminderen, het boeken van economy- c.q. flexi-economyvluchten aan te moedigen, voor een goede behandeling van de Frequent Flyer-punten te zorgen en de regels aangaande de openingstijden van het ledenregister, met name op vrijdagen, te herzien; verwacht dat de kredieten voor dienstreizen in 2012 verlaagd zullen worden tot het einde van de zittingsperiode; stelt voor bij bezuinigingen op bezoeken voorrang te geven aan pluralisme boven proportionaliteit bij de samenstelling van de delegaties;

76.  wijst erop dat de begroting 2012 uitgaven omvat voortvloeiend uit de uitbreiding met 18 leden na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (10,6 miljoen EUR);

77.  blijft bij zijn standpunt dat het nastreven van zoveel mogelijk bezuinigingen en de verdere reorganisatie en herschikking van bestaande middelen hoe dan ook cruciale bestanddelen van zijn begrotingsbeleid vormen, met name in deze tijd van economische crisis; is daarom van mening dat bezuinigingen op de begroting 2012 moeten worden doorgevoerd in een breder kader van structurele wijzigingen met effecten op langere termijn; de bezuinigingen die het Parlement heeft aanvaard, zullen structurele veranderingen vereisen die de uitstekende wetgevingskwaliteit van het Parlement niet in gevaar mogen brengen; meent dat het doel is zich te concentreren op de kerntaken van het Parlement; meent dat besparingen bij vertolking en vertaling het beginsel van meertaligheid niet op losse schroeven zetten, maar mogelijk zijn dankzij innovatie, structurele reorganisatie en nieuwe werkmethoden;

78.  verwelkomt de goede samenwerking tussen de Begrotingscommissie en het Bureau op basis van wederzijds vertrouwen en respect; is van mening dat niet getornd mag worden aan de tijdens het overleg op 22 september 2011 en in het kader van de ramingen bereikte overeenstemming (resolutie van 6 april 2011, goedgekeurd met 479 stemmen voor in de plenaire) en dat geen van de onderdelen van die overeenstemming mag worden herzien indien zich geen nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan;

79.  wijst erop dat de vergoeding voor algemene uitgaven wordt bevroren op het niveau van 2011; verzoekt het Bureau geen van de vergoedingen van de leden (met inbegrip van de dagvergoeding) aan te passen;

80.  herhaalt dat tijdens de onderhandelingen over de begroting van het Parlement op een aantal punten een voorbehoud is gemaakt; wenst dat, ongeacht het compromis in het overleg tussen de Begrotingscommissie en het Bureau, de aan deze voorbehouden ten grondslag liggende vragen over de begroting van het Parlement worden beantwoord en transparant worden behandeld, zodat er duidelijke informatie komt over de behoefte aan vertaling en vertolking, catering, schoonmaak en onderhoud alsmede reisdiensten en -faciliteiten en andere externe diensten en over de kostenstructuur of eventueel voor deze diensten geldende subsidies;

Personele middelen

81.  hecht zijn goedkeuring aan de volgende wijzigingen van de personeelsformatie:

   omzetting van twee tijdelijke AST3 in twee vaste AST1 voor de medische dienst,
   30 opwaarderingen van AD5 naar AD7 naar aanleiding van de resultaten van de interne vergelijkende onderzoeken voor AD7,
   omzetting van 15 AST (5 AST3, 5 AST5 en 5 AST7) in AD5;

82.  besluit zijn goedkeuring te hechten aan de in de nota van wijzigingen voorgestelde internalisering van de beveiligingsdienst en daarvoor 29 nieuwe posten (26 AST1 en 3 AD5) toe te voegen aan de personeelsformatie;

83.  hecht zijn goedkeuring aan de volgende in de nota van wijzigingen voorgestelde maatregelen, die worden gecompenseerd door andere besparingen:

   het uit de reserve vrijmaken van kredieten voor het nieuwe beveiligingsbeleid;
   het compenseren van de uitstoot van koolstof door administratieve werkzaamheden;
   het verhogen van de kredieten voor arbeidscontractanten met het oog op de uitvoering van het gebouwenbeleid van het Parlement;
   het verhogen van de jaarlijkse subsidie aan het EPA;

Vastgoed- en communicatie- en voorlichtingsbeleid

84.  is van mening dat het gebouwenbeleid van het Parlement een zorgvuldige analyse vereist en dat de administratie het gebouwenbeleid in samenwerking met de Begrotingscommissie moet blijven ontwikkelen; verzoekt derhalve om regelmatig op de hoogte te worden gehouden van nieuwe ontwikkelingen in verband met bouwprojecten met aanzienlijke financiële gevolgen voor de begroting, zoals het Konrad Adenauer-gebouw, het Huis van de Europese geschiedenis en bouwprojecten/vastgoedaankopen in de vergaderplaatsen van het Parlement; wenst op de hoogte te worden gehouden van het creëren van eventuele nieuwe posten in verband met het driejarenplan van DG INLO, voordat de administratie hieraan haar goedkeuring geeft; verzoekt de administratie een dienstovereenkomst te sluiten voor het delen van de exploitatiekosten met de Commissie en met andere instellingen die van de voorzieningen van het Huis van de Europese geschiedenis gebruik willen maken; roept de EU-instellingen op hun bezoekersprogramma's beter op elkaar af te stemmen om synergieën te verwezenlijken, de tevredenheid van de bezoekers te vergroten en de kosten te delen; verzoekt de administratie het beheer van interinstitutionele projecten te verbeteren;

85.  is van oordeel dat de terbeschikkingstelling van financiering voor arbeidscontractanten die aangeworven worden voor het ondersteunen van de tenuitvoerlegging van het gebouwenbeleid van het Parlement de komende begrotingsjaren op transparante wijze moet plaatsvinden; verzoekt daarnaast op de hoogte te worden gehouden van elk voornemen om nieuwe posten te creëren en van elke verhoging van de kredieten voor DG INLO, en wel voordat deze door de Administratie worden goedgekeurd;

86.  is van mening dat voor het Huis van de Europese geschiedenis als project de actieve medewerking en een financiële bijdrage van andere instellingen noodzakelijk zijn; is verheugd over de toezegging die de voorzitter van de Commissie in zijn brief van 28 september 2011 heeft gedaan, om een substantiële bijdrage aan het project te leveren en steun te verlenen bij de exploitatie van het Huis van de Europese geschiedenis; herinnert aan zijn resolutie van 6 april 2011 met het verzoek om een businessplan waarin de commerciële strategie van het Huis van de Europese geschiedenis voor de lange termijn wordt uiteengezet, en stelt vast dat de administratie de gevraagde informatie heeft verstrekt; herhaalt dat aan besluiten over het project een open debat en een vruchtbare dialoog moeten voorafgaan en dat het besluitvormingsproces transparant moet verlopen; wenst conform artikel 179, lid 3, van het Financieel Reglement zo snel mogelijk te worden geïnformeerd over het desbetreffende bouwproject; verzoekt het Bureau erop toe te zien dat het in het businessplan opgenomen kostenplan strikt wordt aangehouden;

87.  is van mening dat met het oog op besparingen op lange termijn en het moderner en efficiënter maken van de organisatie een vergelijkende studie moet plaatsvinden tussen de begroting van het Parlement enerzijds en de begrotingen van een representatieve groep lidstaten en de begroting van het Amerikaanse Congres anderzijds;

Kwesties in verband met het milieu

88.  verwelkomt de invoering van concrete stimulansen om minder vervuilende vervoersmodaliteiten te gebruiken in de vorm van het 50% Jobcard-systeem in Brussel; wijst erop dat de reserve van de verschillende lijnen voor reiskosten mede wordt bepaald door de resultaten van een door het Bureau op te stellen verslag over de haalbaarheid van maatregelen om de reiskosten zo laag mogelijk te houden, en met aanbevelingen voor budgettaire bezuinigingen;

89.  dringt aan op verdere maatregelen om het energie-, water- en papierverbruik te verminderen, teneinde bezuinigingen op de begroting van het Parlement te kunnen realiseren;

Afdeling IV – Hof van Justitie

90.  wijst erop dat de door de Raad voorgestelde verlagingen ertoe zouden leiden dat het Hof zijn kerntaken niet naar behoren zou kunnen uitvoeren tegen de achtergrond van een toenemende werklast voor de rechters; heeft daarom besloten de OB gedeeltelijk te herstellen, met name waar het gaat om de leden, het personeel en de IT-kredieten;

Afdeling V - Rekenkamer

91.  wijst erop dat de Rekenkamer zich grote inspanningen getroost om personeel van ondersteunende diensten over te hevelen naar controleactiviteiten om te voldoen aan de steeds hogere eisen die aan de instelling worden gesteld, en tevens substantieel weet te bezuinigen op de administratieve uitgaven; wijst erop dat de Raad de kredieten voor salarissen heeft verlaagd op basis van het lage uitvoeringspercentage in 2010; verwacht dat de uitvoering in 2011 beter zal zijn en besluit daarom de bedragen van de OB voor een deel opnieuw op te voeren;

Afdeling VI - Europees Economisch en Sociaal Comité

92.  wijst erop dat als gevolg van enkele van de door de Raad voorgestelde verlagingen de uitvoering van de kerntaken van het EESC in gevaar zou komen en onzekerheid zou ontstaan omtrent het vermogen van het EESC om zijn juridische verplichtingen jegens zijn personeel na te komen; besluit daarom de bedragen uit de OB voor leden van het EESC ter uitvoering van de kernactiviteit van het EESC, namelijk maatschappelijke organisaties uit de lidstaten in staat stellen hun opvattingen op EU-niveau kenbaar te maken, weer op te nemen, hetgeen op basis van voorzichtige inflatieramingen in feite neerkomt op een reële bevriezing, de bedragen uit de OB voor personeelssalarissen en vergoedingen ten dele weer op te nemen om het EESC in staat te stellen zijn juridische verplichtingen jegens zijn personeel na te komen, en de bedragen uit de OB voor vertolking ten dele weer op te nemen tot het uitvoeringsniveau van 2009, hetgeen gezien de gestegen vertolkingstarieven toch een reële verlaging zou betekenen;

Afdeling VII - Comité van de Regio's

93.  verwerpt voor een deel de door de Raad voorgestelde verlagingen; verhoogt de meeste lijnen omdat de Raad de kredieten heeft teruggebracht tot een niveau dat ver onder de uitvoering in 2010 en 2011 ligt; besluit daarom de bedragen van de OB opnieuw op te voeren zodat de instelling zijn politieke activiteiten kan handhaven op het niveau van 2011;

Afdeling VIII - Europese Ombudsman

94.  is van mening dat de kredieten voor deze instelling de afgelopen twee jaar reeds aanzienlijk zijn verlaagd; besluit daarom de bedragen van de OB op de meeste lijnen opnieuw op te voeren;

Afdeling IX - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

95.  neemt een ander standpunt in dan de Raad en aanvaardt de invoering van twee extra vaste posten (1 AD9 en 1 AD6) in de personeelsformatie van de ETGB met het oog op de nieuwe taken voor deze instelling die voortvloeien uit artikel 16 VWEU, aangezien de ETGB moet toezien op de naleving van de betreffende rechten (alle instellingen en organen van de EU dienen de fundamentele rechten inzake privacy en bescherming van persoonsgegevens te eerbiedigen); aanvaardt, teneinde aan juridische verplichtingen te voldoen, de opwaardering van de post van directeur van AD14 tot AD15, hoewel de totale personeelsformatie van de ETGB 43 posten telt;

96.  besluit om dezelfde reden de andere lijnen weer op het niveau van de OB te brengen;

Afdeling X - Europese Dienst voor extern optreden

97.  merkt op dat de EDEO als nieuwe organisatie die een grote Europese ambitie belichaamt, over voldoende middelen moet kunnen beschikken; merkt in dit verband op dat bij de kredieten voor personeelssalarissen in 2012 rekening moet worden gehouden met het daadwerkelijke percentage in de herfst van 2011 niet bezette posten; verzoekt de EDEO in de toekomst terughoudend te zijn bij het creëren van hoge posten; is van mening dat dit o.a. kan worden bereikt door posten voor gedetacheerde nationale deskundigen geleidelijk te vervangen door vaste posten voor ambtenaren uit de lidstaten; merkt op dat gedetacheerde nationale deskundigen (GND's) niet worden meegeteld voor het derde deel van het EDEO-personeel op AD-niveau; herinnert evenwel aan het besluit van de Raad tot vaststelling van de inrichting en werking van de EDEO waarin staat: „Bij het verstrijken van het contract van een GND die uit hoofde van artikel 7 naar de EDEO was overgeplaatst, wordt de betreffende functie omgezet in een betrekking van tijdelijk ambtenaar wanneer de door de GND uitgevoerde functie overeenstemt met een normaliter door ambtenaren op AD-niveau uitgevoerde functie, op voorwaarde dat de benodigde betrekking beschikbaar is in de personeelsformatie”; onderstreept voorts dat op grond van operationele vereisten financiering nodig is voor het opzetten van de EDEO met eigen IT-systemen in een nieuw gebouw;

98.  houdt rekening met de verduidelijkingen die de EDEO in de brief aan de voorzitter van de Begrotingscommissie van 30 september 2011 heeft gegeven ten aanzien van het aandeel EU-ambtenaren in de personeelsformatie, overeenkomstig de door de HV/VV gedane toezegging; besluit daarom de personeelsformatie van het EDEO zoals opgenomen in de ontwerpbegroting van de Commissie opnieuw op te voeren, en is van oordeel dat alle reserves in verband met de aanwerving van personeel voor en de oprichting van een EU-delegatie in de Verenigde Arabische Emiraten moeten worden vrijgegeven;

99.  is bezorgd over het voorstel van de Raad om de verhoging van de OB 2012 van de EDEO terug te brengen tot +2,25%; hanteert, gelet op de algemene financiële context, eveneens een voorzichtige benadering met betrekking tot de verhogingen en stemt slechts ten dele in met de verzoeken van de EDEO;

100.   stemt in met de gevraagde wijzigingen in de EDEO-personeelsformatie, in het bijzonder met het oog op de versterking van de delegaties; blijft evenwel waakzaam ten aanzien van de samenstelling van het EDEO-personeel en de naleving van de wettelijke verplichting dat het AD-personeel van de EDEO voor ten minste 60% uit EU-ambtenaren bestaat; wenst dat de EDEO hierover regelmatig verslag uitbrengt; merkt op dat de toename van de budgettaire behoeften van de EDEO een gevolg is van de herverdeling van bevoegdheden die eerder aan de Raad en de Commissie toevielen, en van onderschatting van een aantal factoren, zoals de aanloopkosten, nieuwe verplichtingen en taken die momenteel door de Raad en de Commissie worden uitgevoerd;

o
o   o

101.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de andere betrokken instellingen en organen.

(1) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(2) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(3) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0114.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0140.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0296.
(7) Met inbegrip van gewijzigde begrotingen 1, 2 en 3/2011.
(8) Zie bijvoorbeeld de resolutie van het Parlement over het mandaat voor de trialoog van 23 juni 2011.


Sluiting en voorlopige toepassing van de Samenwerkingsovereenkomst inzake satellietnavigatie tussen de Europese Unie en haar lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen ***
PDF 193kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2011 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Samenwerkingsovereenkomst inzake satellietnavigatie tussen de Europese Unie en haar lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen (11114/2011 – C7-0184/2011 – 2011/0033(NLE))
P7_TA(2011)0462A7-0316/2011

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (11114/2011),

–  gezien de ontwerpsamenwerkingsovereenkomst inzake satellietnavigatie tussen de Europese Unie en haar lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen (06647/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 171 en 172 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0184/2011),

–  gezien artikel 81, artikel 90, lid 7, en artikel 46, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A7-0316/2011),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen.


Overeenkomst VS-EG inzake de bevordering, de beschikbaarstelling en het gebruik van het Galileo- en het GPS-navigatiesysteem ***
PDF 195kWORD 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2011 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake de bevordering, de beschikbaarstelling en het gebruik van het Galileo- en het GPS-navigatiesysteem en verwante toepassingen tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds (11117/2011 – C7-0185/2011 – 2011/0054(NLE))
P7_TA(2011)0463A7-0332/2011

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (11117/2011),

–  gezien de ontwerpovereenkomst inzake de bevordering, de beschikbaarstelling en het gebruik van het Galileo- en het GPS-navigatiesysteem en verwante toepassingen tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds (11575/2011),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 171 en 172 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0185/2011),

–  gezien artikel 81, artikel 90, lid 7, en artikel 46, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A7-0332/2011),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika.


Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (herschikking) *
PDF 205kWORD 43k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2011 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (herschikking) (COM(2010)0784 – C7-0030/2011 – 2010/0387(CNS))
P7_TA(2011)0464A7-0314/2011

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2010)0784),

–  gezien artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0030/2011),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1),

–  gezien de brief d.d. 25 maart 2011 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 87, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 87 en 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0314/2011),

A.  overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en zoals dit hieronder is gewijzigd;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het Commissievoorstel;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Wat de behandeling van vaste inrichtingen betreft, is het voor de lidstaten eventueel noodzakelijk de voorwaarden en de rechtsinstrumenten vast te stellen die vereist zijn voor de bescherming van hun belastingontvangsten en om omzeiling van de nationale wetgeving te voorkomen, overeenkomstig de beginselen van het Verdrag en rekening houdend met internationaal erkende belastingregels.
(9)  Wat de behandeling van vaste inrichtingen betreft, is het voor de lidstaten eventueel noodzakelijk de voorwaarden en de rechtsinstrumenten vast te stellen die vereist zijn voor de bescherming van hun belastingontvangsten, om omzeiling van de nationale wetgeving te voorkomen en om extreme vormen van onderbelastingheffing of niet-belastingheffing te voorkomen, overeenkomstig de beginselen van het Verdrag en rekening houdend met internationaal erkende belastingregels.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 – onder a
(a) ofwel zich onthouden van het belasten van deze winst; of
(a) ofwel zich onthouden van het belasten van deze winst, mits hierover belasting is geheven in de Staat van de dochteronderneming tegen een wettelijk vennootschapsbelastingtarief dat niet lager is dan 70% van het gemiddelde wettelijke vennootschapsbelastingtarief dat van toepassing is in de lidstaten; of
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 – onder b
(b) ofwel de winst belasten, maar in dat geval de moedermaatschappij en de vaste inrichting toestaan van de verschuldigde belasting af te trekken het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op die winst en betaald is door de dochteronderneming en enigerlei kleindochteronderneming, op voorwaarde dat bij iedere schakel een vennootschap en haar kleindochteronderneming onder de in artikel 2 vastgestelde definities vallen en  aan de in de artikel 3 gestelde eisen voldoen, tot het bedrag van de overeenstemmende verschuldigde belasting.
(b) ofwel de winst belasten tegen een wettelijk vennootschapsbelastingtarief dat niet lager is dan 70% van het gemiddelde wettelijke vennootschapsbelastingtarief dat van toepassing is in de lidstaten, maar in dat geval de moedermaatschappij en de vaste inrichting toestaan van de verschuldigde belasting af te trekken het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op die winst en betaald is door de dochteronderneming en enigerlei kleindochteronderneming, op voorwaarde dat bij iedere schakel een vennootschap en haar kleindochteronderneming onder de in artikel 2 vastgestelde definities vallen en aan de in de artikel 3 gestelde eisen voldoen, tot het bedrag van de overeenstemmende verschuldigde belasting.

(1) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Financiële regels van toepassing op de jaarlijkse begroting van de Unie ***I
PDF 1330kWORD 1491k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 26 oktober 2011 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de jaarlijkse begroting van de Unie (COM(2010)0815 – C7-0016/2011 – 2010/0395(COD))(1)
P7_TA(2011)0465A7-0325/2011

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. In verband met nieuwe wijzigingen, waaronder aanpassingen aan het Verdrag van Lissabon, is het omwille van de duidelijkheid dienstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 te vervangen door deze verordening.
(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van 25 juni 2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. In verband met nieuwe wijzigingen, waaronder aanpassingen aan het Verdrag van Lissabon, is het omwille van de duidelijkheid dienstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 te vervangen door deze verordening, in overeenstemming met de in het kader van het Verdrag van Lissabon door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurde gewone wetgevingsprocedure.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 stelde de begrotingsbeginselen en de financiële voorschriften vast die in alle wetgevingshandelingen en door alle instellingen in acht moeten worden genomen. De grondbeginselen, het concept en de structuur van die verordening en de basisregels van het begrotings- en financieel beheer moeten worden behouden. De uitzonderingen op de grondbeginselen moeten worden herbekeken en zoveel mogelijk worden vereenvoudigd, rekening houdende met hun relevantie, hun meerwaarde voor de jaarlijkse begroting van de Unie (hierna „de begroting” genoemd) en de lasten die zij voor de betrokkenen meebrengen. Het is nodig dat de kernelementen van de financiële hervorming – de omschrijving van de rol van de financiële actoren, de integratie van controles bij de operationele diensten, de intern controleurs, de activiteitsgestuurde begroting, de modernisering van de boekhoudbeginselen en –regels en de basisbeginselen voor subsidies – worden behouden en versterkt.
(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 stelde de begrotingsbeginselen en de financiële voorschriften vast die van toepassing zijn voor de opstelling en uitvoering van de algemene begroting, een goed en efficiënt beheer alsook de controle en bescherming van de financiële belangen van de Unie garanderen en voor meer transparantie zorgen, en die in alle wetgevingshandelingen en door alle instellingen in acht moeten worden genomen. De grondbeginselen, het concept en de structuur van die verordening en de basisregels van het begrotings- en financieel beheer moeten worden behouden. De uitzonderingen op de grondbeginselen moeten worden herbekeken en zoveel mogelijk worden vereenvoudigd, rekening houdende met hun relevantie, hun meerwaarde voor de jaarlijkse begroting van de Unie (hierna „de begroting” genoemd) en de lasten die zij voor de betrokkenen meebrengen. Het is nodig dat de kernelementen van de financiële hervorming – de omschrijving van de rol van de financiële actoren, de integratie van controles bij de operationele diensten, de intern controleurs, de activiteitsgestuurde begroting, de modernisering van de boekhoudbeginselen en –regels en de basisbeginselen voor subsidies – worden behouden en versterkt.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
4 bis. Wat de kaderprogramma's van de Unie voor onderzoek betreft, moet een verdere vereenvoudiging en harmonisatie van de regels en procedures worden doorgevoerd, zoals gevraagd in de resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2010 inzake het vereenvoudigen van de tenuitvoerlegging van de kaderprogramma's voor onderzoek1 en in het eindverslag van de groep deskundigen inzake de tussentijdse evaluatie van het zevende kaderprogramma, dat op 12 november 2010 is gepubliceerd op grond van artikel 7, lid 2, van Besluit nr. 1982/2006/EG.

1 Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0401.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 werd beperkt tot de grote beginselen en basisregels voor het gehele door de Verdragen bestreken begrotingsterrein, terwijl de uitvoeringsvoorschriften werden vastgesteld in Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, om een betere hiërarchie van de regelgeving te garanderen en zodoende de leesbaarheid van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 te verbeteren. Krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna het „VWEU” genoemd) kan aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling. Bijgevolg moeten sommige bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 in deze verordening worden opgenomen. De uitvoeringsvoorschriften die door de Commissie voor de toepassing van deze verordening worden vastgesteld, moeten beperkt blijven tot technische en operationele aspecten.
(5)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 werd beperkt tot de grote beginselen en basisregels voor het gehele door de Verdragen bestreken begrotingsterrein, terwijl de uitvoeringsvoorschriften werden vastgesteld in Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, om een betere hiërarchie van de regelgeving te garanderen en zodoende de leesbaarheid van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 te verbeteren. Krachtens artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna het „VWEU” genoemd) kan een wetgevingshandeling aan de Commissie de bevoegdheid overgedragen niet-wetgevingshandelingen vast te stellen, maar dit uitsluitend ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling. Bijgevolg moeten sommige bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 in deze verordening worden opgenomen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  De regels inzake de renteopbrengst van betaalde voorfinanciering dienen te worden vereenvoudigd omdat zij buitensporige administratieve lasten veroorzaken voor zowel de ontvangers van EU-middelen als de diensten van de Commissie en leiden tot misverstanden tussen deze diensten en de operatoren en partners. Overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer moet de verplichting dat voorfinancieringen rente moeten voortbrengen en dat deze rente moet worden teruggevorderd, daarom worden opgeheven, in het bijzonder om de zaken voor de begunstigden van subsidies eenvoudiger te maken. Het moet evenwel mogelijk zijn een dergelijke verplichting op te nemen in een delegatieovereenkomst, zodat de renteopbrengst van voorfinancieringen kan worden hergebruikt voor de programma's die door sommige delegatieverkrijgers worden beheerd of kan worden teruggevorderd.
(8)  De regels inzake de renteopbrengst van betaalde voorfinanciering dienen te worden vereenvoudigd omdat zij buitensporige administratieve lasten veroorzaken voor zowel de ontvangers van EU-middelen als de diensten van de Commissie en leiden tot misverstanden tussen deze diensten en de operatoren en partners. Overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer moet de verplichting dat voorfinancieringen rente moeten voortbrengen en dat deze rente moet worden teruggevorderd, daarom onmiddellijk worden opgeheven, in het bijzonder om de zaken voor de begunstigden van subsidies eenvoudiger te maken. Het moet evenwel mogelijk zijn een dergelijke verplichting op te nemen in een delegatieovereenkomst, zodat de renteopbrengst van voorfinancieringen kan worden hergebruikt voor de programma's die door sommige delegatieverkrijgers worden beheerd of kan worden teruggevorderd.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Aangezien het Verdrag voorschrijft dat het meerjarig financieel kader in de vorm van een verordening wordt neergelegd, is het noodzakelijk sommige bepalingen van het meerjarig financieel kader voor 2007-2013 in deze verordening op te nemen. Om de begrotingsdiscipline te verzekeren is met name vereist dat een verband wordt gelegd tussen het meerjarig financieel kader en de jaarlijkse begrotingsprocedure. Voorts moeten ook bepalingen worden opgenomen waarbij het Europees Parlement en de Raad zich ertoe verbinden de bij de basisbesluiten inzake de structuurmaatregelen, plattelandsontwikkeling en het Europees Visserijfonds voorziene toewijzingen aan vastleggingskredieten in acht te nemen.
(11)  Aangezien het meerjarig financieel kader in de toekomst conform het Verdrag in de vorm van een verordening zal worden neergelegd en het interinstitutioneel akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer dienovereenkomstig moet worden gewijzigd, is het logisch sommige bepalingen van het interinstitutioneel akkoord in deze verordening op te nemen. Om de begrotingsdiscipline te verzekeren is met name vereist dat een verband wordt gelegd tussen het meerjarig financieel kader en de jaarlijkse begrotingsprocedure. Voorts moeten ook bepalingen worden opgenomen waarbij het Europees Parlement en de Raad zich ertoe verbinden de bij de basisbesluiten inzake de structuurmaatregelen, plattelandsontwikkeling en het Europees Visserijfonds voorziene toewijzingen aan vastleggingskredieten in acht te nemen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Ontvangsten afkomstig van niet-statelijke derden in verband met het nastreven van de legitieme doelstellingen van de Unie, zoals de bestrijding van smokkel en namaak van sigaretten (bijvoorbeeld de „Phillip Morris-overeenkomst), moeten worden behandeld als bestemmingsontvangsten, in het bijzonder indien zij het resultaat zijn van overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van alternatieve geschillenbeslechting.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Wat de bepalingen inzake evenredigheid betreft, dient het begrip aanvaardbaar foutenrisico te worden geïntroduceerd in het kader van de door de ordonnateur te maken risicoafweging. De instellingen moeten kunnen afwijken van de algemene materialiteitsdrempel van 2 % die de Rekenkamer hanteert om uitsluitsel te geven over de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Niveaus van aanvaardbaar risico verschaffen de kwijtingverlenende autoriteit een meer geschikte basis om de kwaliteit van de risicobeheersing door de Commissie te beoordelen. Het Europees Parlement en de Raad zouden daarom de hoogte van het aanvaardbaar foutenrisico per beleidsterrein moeten vaststellen, rekening houdende met de kosten en de baten van controles.
(16)  Om het foutenrisico te kunnen beoordelen, waarbij het beginsel van goed financieel beheer en nodige controles wordt in acht genomen, en dienovereenkomstig te kunnen reageren, moet er een beheersinstrument worden ingevoerd dat het foutenrisico weergeeft.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Overeenkomstig het transparantiebeginsel dat is vastgelegd in artikel 15 van het VWEU en eist dat de instellingen zo open mogelijk werken, moeten de burgers inzake de uitvoering van de begroting van de Unie kunnen weten waar en voor welk doel middelen van de Unie worden besteed. Dergelijke informatie bevordert het democratisch debat, draagt bij aan de deelname van de burgers aan het besluitvormingsproces van de Unie en versterkt de institutionele controle en toezicht op de uitgaven van de Unie. Dit doel moet worden verwezenlijkt door de openbaarmaking, bij voorkeur via moderne communicatiemiddelen, van relevante informatie over eindcontractanten en eindbegunstigden van middelen van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met hun legitieme belangen van vertrouwelijkheid en veiligheid en, wanneer het natuurlijke personen betreft, hun rechten inzake eerbiediging van hun privéleven en de bescherming van hun persoonsgegevens. Daarom moeten de instellingen een selectieve aanpak hanteren die in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Openbaar te maken besluiten moeten gebaseerd zijn op relevante criteria teneinde zinnige informatie te verstrekken.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23bis)  Voor subsidies van zeer kleine en kleine bedragen kunnen vereenvoudigde procedures inzake boekhouding en goedkeuring worden toegepast om een op de begunstigden gerichte benadering in het leven te roepen.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 ter (nieuw)
(23 ter)  Ook kunnen subsidies worden goedgekeurd voor fundamenteel onderzoek, waarbij geen prestatie of resultaat kan worden voorgelegd als gevolg van de onderzoeksactiviteit.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  De ervaring opgedaan met publiek-private partnerschappen (PPP's) als door de Unie opgerichte organen in de zin van artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, leert dat het dienstig is het instrumentarium uit te breiden met organen waarvan de regels voor privaatrechtelijke partners flexibeler en toegankelijker zijn dan die welke op de instellingen van de Unie van toepassing zijn. Dergelijke alternatieve organen moeten onder indirect beheer staan. Eén van de alternatieve mogelijkheden moet een orgaan zijn dat wordt opgericht bij een basisbesluit en onderworpen is aan financiële regels die steunen op de noodzakelijke beginselen om een goed financieel beheer van gelden van de Unie te waarborgen. Deze beginselen moeten worden vastgesteld in een gedelegeerde verordening en geënt zijn op die welke gelden voor derde entiteiten waaraan taken tot uitvoering van de begroting zijn toevertrouwd. Een andere alternatieve mogelijkheid moet bestaan in de tenuitvoerlegging van PPP's door organen die onder het privaatrecht van een lidstaat vallen.
(24)  De ervaring opgedaan met publiek-private partnerschappen (PPP's) als door de Unie opgerichte organen in de zin van artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, leert dat het dienstig is het instrumentarium uit te breiden met organen waarvan de regels voor privaatrechtelijke partners flexibeler en toegankelijker zijn dan die welke op de instellingen van de Unie van toepassing zijn. Dergelijke alternatieve organen moeten onder indirect beheer staan. Eén van de alternatieve mogelijkheden moet een orgaan zijn dat wordt opgericht bij een basisbesluit en onderworpen is aan financiële regels die steunen op de noodzakelijke beginselen om een goed financieel beheer van gelden van de Unie te waarborgen. Deze beginselen moeten worden vastgesteld in een gedelegeerde verordening, waarover het advies moet worden ingewonnen van de Europese Rekenkamer, en geënt zijn op die welke gelden voor derde entiteiten waaraan taken tot uitvoering van de begroting zijn toevertrouwd.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  De basisverplichtingen op het gebied van controle en auditing die op de lidstaten rusten wanneer zij op indirecte wijze de begroting uitvoeren in het kader van gedeeld beheer, die momenteel slechts in sectorspecifieke verordeningen zijn vastgelegd, moeten voor de toepassing van artikel 317 VWEU bij deze verordening worden vastgesteld. Daartoe moeten bepalingen worden opgenomen die een samenhangend, voor alle beleidsterreinen geldend kader creëren en die betrekking hebben op een geharmoniseerde administratieve structuur op het niveau van de lidstaten, gemeenschappelijke beheer- en controleverplichtingen voor die structuren, een jaarlijkse beheersverklaring met een onafhankelijke accountantsverklaring en een jaarlijkse verklaring waarmee de lidstaten de verantwoordelijkheid op zich nemen voor het beheer van de aan hen toevertrouwde middelen van de Unie, goedkeuring van de rekeningen en door de Commissie toegepaste schorsings- en correctiemechanismen. Nadere bepalingen moeten zoals voorheen in sectorspecifieke verordeningen worden vastgesteld.
(25)  De basisverplichtingen op het gebied van controle en auditing die op de lidstaten rusten wanneer zij op indirecte wijze de begroting uitvoeren in het kader van gedeeld beheer, die momenteel slechts in sectorspecifieke verordeningen zijn vastgelegd, moeten voor de toepassing van artikelen 317 en 290 VWEU bij deze verordening worden vastgesteld. Daartoe moeten bepalingen worden opgenomen die een samenhangend, voor alle beleidsterreinen geldend kader creëren en die betrekking hebben op een geharmoniseerde administratieve structuur op het niveau van de lidstaten, die geen bijkomende controlestructuren creëert maar de lidstaten in staat stelt organen te erkennen die bevoegd zijn voor het gebruik van uniale middelen. De lidstaten kunnen de entiteit of organisatie aanwijzen die de taken van erkennende autoriteit op zich neemt; deze entiteit of organisatie kan zich op hetzelfde administratieve niveau bevinden als het erkende orgaan of op het moment van haar aanwijzing al verantwoordelijk zijn voor het toezicht op andere autoriteiten; de lidstaten kunnen echter ook voor een andere structuur kiezen, op voorwaarde dat deze in overeenstemming is met de bepalingen van deze verordening. Daarnaast moet deze verordening ook bepalingen omvatten met betrekking tot gemeenschappelijke beheer- en controleverplichtingen voor die structuren, een jaarlijkse beheersverklaring met een onafhankelijke accountantsverklaring en een jaarlijkse verklaring waarmee de lidstaten de verantwoordelijkheid op zich nemen voor het beheer van de aan hen toevertrouwde middelen van de Unie, goedkeuring van de rekeningen en door de Commissie toegepaste schorsings- en correctiemechanismen, zodat een coherent wetgevingskader tot stand komt dat de algemene rechtszekerheid, de doeltreffendheid van controles en herstelmaatregelen en de bescherming van de financiële belangen van de Unie verbetert. Nadere bepalingen moeten zoals voorheen in sectorspecifieke verordeningen worden vastgesteld.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 33 bis (nieuw)
(33 bis)  Alle ontwerpvoorstellen die bij de wetgevingsautoriteit worden ingediend, moeten geschikt zijn voor gebruiksvriendelijke informatietechnologietoepassingen („e-bestuur”) en met het oog op een grotere efficiëntie moet de interoperabiliteit van bij het beheer van de begroting verwerkte gegevens gegarandeerd worden. Voor gegevens die in elektronisch formaat beschikbaar zijn, moeten uniforme datatransmissienormen voorzien worden. Voor het verwezenlijken van deze doelstellingen moet een overgangsperiode van twee jaar vanaf de inwerkingtreding van deze verordening toegekend worden.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 38 bis (nieuw)
(38 bis)  Vaste en forfaitaire bedragen moeten op vrijwillige basis en alleen waar nodig worden gebruikt. De gebruikte terminologie met betrekking tot vaste en forfaitaire bedragen moet worden verduidelijkt.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 38 ter (nieuw)
(38 ter)  Er moet een verdere verduidelijking of een redelijke definitie van subsidiabele kosten worden voorgesteld, aangezien dit bevorderlijk is voor de naleving van het beginsel van de totale kosten, te weten directe en indirecte kosten, vóór en na het onderzoek.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 43 bis (nieuw)
(43 bis)  Om haar gecontroleerden voldoende tijd te geven om bevindingen van de Rekenkamer aan te pakken, die een invloed zouden kunnen hebben op de definitieve rekeningen van de gecontroleerde of de wettigheid en/of de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, zorgt de Rekenkamer ervoor dat alle dergelijke bevindingen tijdig aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan worden overgemaakt.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 44
(44)  De bepalingen betreffende de voorlopige en de definitieve rekeningen dienen te worden bijgewerkt, in het bijzonder om te voorzien in de begeleidende informatie bij de rekeningen die met het oog op de consolidatie aan de rekenplichtige van de Commissie worden gezonden. Er dient ook een bepaling te worden opgenomen betreffende de bevestigingsbrief die de instellingen en organen die uit de begroting worden gefinancierd tezamen met hun definitieve rekeningen aan de Rekenkamer zenden en betreffende de bevestigingsbrief die de Unie tezamen met haar geconsolideerde definitieve rekeningen zendt. Tot slot dient de datum waartegen de Rekenkamer haar opmerkingen maakt over de voorlopige rekeningen van de instellingen, met uitzondering van de Commissie, en de uit de begroting gefinancierde organen te worden vervroegd om hen in staat te stellen bij de opstelling van hun definitieve rekeningen de opmerkingen van de Rekenkamer in aanmerking te nemen.
(44)  De bepalingen betreffende de voorlopige en de definitieve rekeningen dienen te worden bijgewerkt, in het bijzonder om te voorzien in de begeleidende informatie bij de rekeningen die met het oog op de consolidatie aan de rekenplichtige van de Commissie worden gezonden. Er dient ook een bepaling te worden opgenomen betreffende de bevestigingsbrief die de instellingen en organen die uit de begroting worden gefinancierd tezamen met hun definitieve rekeningen aan de Rekenkamer zenden en betreffende de bevestigingsbrief die de Unie tezamen met haar geconsolideerde definitieve rekeningen zendt. Tot slot dient de datum waartegen de Rekenkamer haar opmerkingen maakt over de voorlopige rekeningen van de instellingen, met uitzondering van de Commissie, en de uit de begroting gefinancierde organen te worden vervroegd om hen in staat te stellen bij de opstelling van hun definitieve rekeningen de opmerkingen van de Rekenkamer in aanmerking te nemen. Teneinde de kwijtingsprocedure af te ronden in de loop van het jaar na het gecontroleerde jaar, zal een werkgroep worden opgericht die voorstellen moet formuleren om de duur van deze procedure te verkorten.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 45
(45)  Wat de informatieverstrekking met het oog op de kwijting betreft, moet de Commissie krachtens artikel 318 VWEU met name een op de bereikte resultaten gebaseerd evaluatieverslag over de financiën van de Unie bij het Europees Parlement en de Raad indienen. In deze verordening dienen, met inachtneming van andere bestaande rapportageverplichtingen, passende voorschriften voor dat verslag te worden opgenomen.
(45)  Wat de informatieverstrekking met het oog op de kwijting betreft, moet de Commissie krachtens artikel 318 VWEU met name een op de bereikte resultaten gebaseerd evaluatieverslag over de financiën van de Unie bij het Europees Parlement en de Raad indienen. In deze verordening dienen, met inachtneming van andere bestaande rapportageverplichtingen, passende voorschriften voor dat verslag te worden opgenomen. Het verslag moet in het bijzonder elementen bevatten met betrekking tot de verwezenlijkingen op het vlak van de genderproblematiek in het personeelsbeleid.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 48
(48)  De bijzondere bepalingen betreffende de uitvoering van externe acties dienen te worden aangepast aan de wijzigingen die inzake de wijzen van uitvoering worden voorgesteld.
(48)  De bijzondere bepalingen betreffende de uitvoering van externe acties dienen te worden aangepast aan de wijzigingen die inzake de wijzen van uitvoering worden voorgesteld en er dient een gedifferentieerde aanpak te worden voorgesteld wanneer de Europese Unie moet reageren op humanitaire noodsituaties, internationale crisissen of ten aanzien van derde landen die in een overgangsproces naar democratie zitten.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 54 bis (nieuw)
(54 bis)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden voor gedelegeerde handelingen het nodige overleg pleegt, ook op deskundigenniveau.
De Commissie moet bij de voorbereiding en formulering van gedelegeerde handelingen zorgen voor een gelijktijdige, tijdige en adequate toezending van de desbetreffende documenten aan het Europees Parlement en de Raad.

Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 55
(55)  Deze verordening dient uitsluitend te worden herzien als zulks noodzakelijk is. Te frequente herzieningen leiden tot buitensporige kosten om de administratieve structuren en procedures aan de nieuwe regels aan te passen. Bovendien kan de tijd tussen twee herzieningen te kort zijn om valabele conclusies te verbinden aan de toepassing van de geldende regels.
Schrappen

Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 56 bis (nieuw)
(56 bis)  De leesbaarheid van deze verordening moet worden verbeterd aan de hand van een index die onder meer de benamingen van elk artikel en een verklarende woordenlijst van financiële termen bevat,
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 1
Deze verordening regelt de opstelling en uitvoering van de jaarlijkse begroting van de Unie (hierna „de begroting” genoemd) en de indiening en controle van de rekeningen.

1.  Deze verordening regelt de opstelling en uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie (hierna „de begroting” genoemd) en de indiening en controle van de rekeningen.
2.  In deze verordening:
- verwijst de term „instelling” naar het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad, de Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese dienst voor extern optreden („EDEO”);
- wordt de Europese Centrale Bank niet beschouwd als een instelling van de Unie.
Elke verwijzing naar „de Unie” wordt begrepen als een verwijzing naar de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 2
Iedere bepaling betreffende de uitvoering van de begroting aan de ontvangsten- of uitgavenzijde in een ander wetgevingsbesluit moet de in titel II vermelde begrotingsbeginselen eerbiedigen.

Iedere bepaling betreffende de uitvoering van de begroting aan de ontvangsten- of uitgavenzijde in een ander wetgevingsbesluit moet voldoen aan de bepalingen van deze verordening en aan de gedetailleerde regels voor de toepassing van deze verordening overeenkomstig de gedelegeerde verordening bedoeld in artikel 199.

Deze verordening is van toepassing op het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad, de Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's. de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese dienst voor extern optreden (hierna „de instelling(en)” genoemd).

Elk bij de wetgevende autoriteit ingediend voorstel of elke wijziging van een voorstel vermeldt duidelijk de bepalingen die afwijkingen bevatten van deze verordening of van gedelegeerde verordeningen die overeenkomstig deze verordening zijn vastgesteld, en noemt in de bijbehorende toelichting de specifieke redenen die deze afwijkingen rechtvaardigen.

Deze verordening is niet van toepassing op de Europese Centrale Bank.

Deze verordening is van toepassing op de uitvoering van de administratieve uitgaven uit de kredieten waarin de begroting voorziet voor het Voorzieningsagentschap van Euratom.

Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 bis (nieuw)
Artikel 2 bis

Bescherming van persoonsgegevens

Deze verordening doet geen afbreuk aan de voorschriften van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, alsook de voorschriften van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.

Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  De begroting is het besluit waarbij voor elk begrotingsjaar alle noodzakelijk geachte uitgaven en ontvangsten van de Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden geraamd en goedgekeurd.
1.  Alle uitgaven en ontvangsten moeten op de begroting en de bijlagen daarbij worden opgenomen, met inbegrip van de ramingen en alle noodzakelijk geachte goedgekeurde uitgaven en ontvangsten van de Unie voor elk begrotingsjaar.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  De uitgaven en de ontvangsten van de Unie omvatten:
2.  De uitgaven en de ontvangsten van de Unie omvatten:
(a) de uitgaven en de ontvangsten van de Unie, met inbegrip van de administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, alsmede de beleidsuitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien wanneer deze ten laste van de begroting komen;
(a) de uitgaven en de ontvangsten van de Unie;
(b) de uitgaven en de ontvangsten van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
(b) de uitgaven en ontvangsten in verband met de tenuitvoerlegging van het respectievelijke Europese ontwikkelingsfonds.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. De in lid 2 bedoelde uitgaven van de Unie omvatten:

a) administratieve uitgaven, met inbegrip van de uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, alsmede de werkingsuitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien wanneer deze ten laste van de begroting komen; en
b) operationele uitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien wanneer deze ten laste van de begroting komen, met inbegrip van bijbehorende ondersteunende uitgaven.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter. In de begroting worden eveneens de garantie voor de leningsoperaties van de Unie in het kader van het beheer van de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit en het Europees mechanisme voor financiële stabiliteit alsook de overmakingen aan het Garantiefonds voor externe maatregelen opgenomen.

Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 4
4.  Rente op middelen die eigendom van de Unie zijn, is niet verschuldigd aan de Unie tenzij anders is bepaald in de overeenkomsten die zijn gesloten met de in artikel 55, lid 1, onder b), punten ii) tot en met viii), opgesomde entiteiten, in subsidiebesluiten of in met begunstigden gesloten subsidieovereenkomsten. In die gevallen wordt de rente hergebruikt voor het corresponderende programma of teruggevorderd.
4.  Rente op middelen die eigendom van de Unie zijn, is niet verschuldigd aan de Unie tenzij anders is bepaald in de overeenkomsten die zijn gesloten met de in artikel 55, lid 1, onder b), punten ii) tot en met viii), opgesomde entiteiten. In die gevallen wordt de rente hergebruikt voor het corresponderende programma en verrekend met de bedragen waar de desbetreffende begunstigde recht op heeft, of, indien dit onmogelijk, onpraktisch of inefficiënt is, teruggevorderd.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 bis (nieuw)
Artikel 5 bis

Verstrijken van een termijn

1.  Een in dagen aangegeven termijn verstrijkt met het beëindigen van de laatste dag van de betreffende periode.
2.  Een termijn die wordt aangegeven in weken, maanden of een tijdsduur van meer dan een maand (jaar, halfjaar, kwartaal) verstrijkt met het beëindigen van de dag van de laatste week of de laatste maand die, wat de aanduiding of het cijfer betreft, overeenkomt met de dag waarop de gebeurtenis of het tijdstip plaatsvindt.
3.  Indien bij een termijn die is aangegeven in maanden de dag waarop deze zal verstrijken niet valt in de laatste maand, loopt de termijn af op de laatste dag van die maand.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 ter (nieuw)
Artikel 5 ter

Verlenging van de termijn

Indien een termijn wordt verlengd, wordt de nieuwe termijn berekend vanaf het tijdstip waarop de eerdere termijn verstrijkt.

Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 quater (nieuw)
Artikel 5 quater

Zon- en feestdagen; zaterdagen

Indien een handeling moet worden verricht op een specifieke dag of binnen een termijn, en indien die specifieke dag of de laatste dag van de termijn op een zondag, een officiële feestdag of een zaterdag valt, verstrijkt de termijn op de eerstvolgende werkdag.

Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis) of, in met redenen omklede gevallen, bedragen voor bouwprojecten in de zin van artikel 195, lid 3, die nog niet zijn afgerond, indien de voorbereidende stadia van de vastleggingsprocedure op 31 december nog niet zijn beëindigd en de bedragen nodig zijn om de voortgang van de werkzaamheden te versnellen of vroegtijdig schulden af te lossen; deze bedragen kunnen tot 31 december van het volgende jaar worden vastgelegd; en
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter b bis (nieuw)
b bis) overeenkomstige bedragen uit een eigenmiddelenstelsel.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4
4.  De niet-gesplitste kredieten die overeenkomen met bij de afsluiting van het begrotingsjaar rechtmatig aangegane verplichtingen, worden van rechtswege en uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar overgedragen.
4.  De niet-gesplitste kredieten die overeenkomen met bij de afsluiting van het begrotingsjaar rechtmatig aangegane verplichtingen, worden van rechtswege en uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar overgedragen. Hetzelfde is van toepassing op vrijgemaakte en ongebruikte kredieten (vastleggingen en betalingen) die niet onder de leden 2 en 3 vallen, en op beschikbare, onuitgegeven marges onder het algemene maximum van het meerjarig financieel kader voor elke rubriek, die een „algemene MFK-marge” zullen vormen en in het volgende begrotingsjaar volgens behoefte zullen worden toegewezen aan de verschillende rubrieken.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 6
6.  Onverminderd artikel 10 kunnen in een reserve opgenomen kredieten en de kredieten voor personeelsuitgaven niet worden overgedragen.
6.  Onverminderd artikel 10 kunnen in een reserve opgenomen kredieten en de kredieten voor personeelsuitgaven niet worden overgedragen. Voor de toepassing van dit artikel omvatten personeelsuitgaven de bezoldigingen en vergoedingen van de leden en het personeel van de instellingen waar het personeelsstatuut op van toepassing is.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis

Overdracht van ongebruikte kredieten

Ongebruikte kredieten, zowel vastleggingen als betalingen, en vrijgemaakte kredieten uit het jaar N kunnen middels een besluit van de begrotingsautoriteit worden overgedragen naar de begroting van het jaar N+1 of naar één van de latere begrotingen in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

Vóór 1 oktober van het jaar N legt de Commissie haar raming van de ongebruikte en vrijgemaakte vastleggings- en betalingskredieten van het jaar N aan de begrotingsautoriteit voor.

Elke tak van de begrotingsautoriteit geeft uiteindelijk aan hoe de ongebruikte kredieten hetzij in de begroting voor het jaar N+1, hetzij in latere jaren, moeten worden toegewezen.

Het besluit wordt door de twee takken van de begrotingsautoriteit gezamenlijk genomen volgens de procedure overeenkomstig artikel 314 van het VWEU.

De ongebruikte en vrijgemaakte kredieten worden opgenomen in één van de begrotingen, bovenop de maxima van het meerjarig financieel kader.

Ongebruikte en vrijgemaakte kredieten kunnen aan een specifiek programma toegewezen worden of in een voorlopig hoofdstuk worden opgenomen. In dit geval worden de middelen van de lidstaten pas gevorderd nadat de begrotingsautoriteit een beslissing heeft genomen over de specifieke bestemming ervan.

Overdracht van marges van het meerjarig financieel kader

Indien na vaststelling van de jaarlijkse begroting marges overblijven onder de afzonderlijke maxima van het financieel kader, kan de begrotingsautoriteit vóór het einde van het begrotingsjaar besluiten om de ongebruikte marges over te dragen naar om het even welk maximum van een van de volgende jaren van het meerjarig financieel kader. Het totaalbedrag van het meerjarig financieel kader blijft onveranderd.

Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 3
3.  Indien de continuïteit van het optreden van de Unie en de eisen van beheer zulks noodzakelijk maken, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, zowel voor de vastleggingen als voor de betalingen, twee of meer voorlopige twaalfden toestaan boven die welke automatisch beschikbaar komen ingevolge de leden 1 en 2. Hij zendt het desbetreffende besluit onverwijld aan het Europees Parlement.
3.  Indien de continuïteit van het optreden van de Unie en de eisen van beheer zulks noodzakelijk maken, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, zowel voor de vastleggingen als voor de betalingen, uitgaven ter hoogte van meer dan één voorlopige twaalfde, maar niet meer dan het totaal van twee voorlopige twaalfden toestaan boven die welke automatisch beschikbaar komen ingevolge de leden 1 en 2. Hij zendt het desbetreffende besluit onverwijld aan het Europees Parlement.
Het besluit wordt van kracht op de dertigste dag volgende op de vaststelling ervan indien het Europees Parlement vóór die tijd niet bij meerderheid van zijn leden besluit de betrokken uitgaven te verminderen.

Het besluit wordt van kracht op de dertigste dag volgende op de vaststelling ervan indien het Europees Parlement vóór die tijd niet bij meerderheid van zijn samenstellende leden besluit de betrokken uitgaven te verminderen.

Indien het Europees Parlement besluit de betrokken uitgaven te verminderen, herziet de Raad zijn besluit met inachtneming van het door het Europees Parlement goedgekeurde bedrag.

Indien het Europees Parlement besluit de betrokken uitgaven te verminderen, is dat verlaagde bedrag van toepassing.

De bijkomende twaalfden worden als een geheel toegestaan en kunnen niet worden opgedeeld.

Indien voor een bepaald hoofdstuk het bedrag van de twee voorlopige twaalfden dat overeenkomstig de eerste alinea is toegestaan, niet toereikend is voor de uitgaven die nodig zijn om een breuk in de continuïteit van het optreden van de Unie op het door het betrokken hoofdstuk bestreken gebied te voorkomen, kan bij wijze van uitzondering een overschrijding van het aan kredieten geboekte bedrag in het relevante hoofdstuk van de begroting van het voorgaande begrotingsjaar worden toegestaan. De begrotingsautoriteit neemt een besluit volgens de procedures van onderhavig lid. Het totale bedrag van de in de begroting van het voorafgaande begrotingsjaar opgenomen kredieten mag evenwel in geen geval worden overschreden.

Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 15
Saldo van het begrotingsjaar

Overdracht van het begrotingssaldo

1.  Het saldo van elk begrotingsjaar wordt, naargelang het een overschot of een tekort betreft, in de begroting van het volgende begrotingsjaar als ontvangst of als betalingskrediet opgenomen.
1.  Het saldo van elk begrotingsjaar wordt na de overdrachten overeenkomstig de artikelen 9 en 10, naargelang het een overschot of een tekort betreft, in de begroting van het volgende begrotingsjaar als bijkomende ontvangst of enkel als betalingskrediet opgenomen, in strikte overeenstemming met artikel 7 van het besluit van de Raad inzake eigen middelen, en zonder een quasi-automatische aanpassing van de bijdragen van de lidstaten aan de begroting van de Unie.
2.  De ramingen van deze ontvangsten of betalingskredieten worden tijdens de begrotingsprocedure in de begroting opgenomen en door middel van de procedure van de nota van wijzigingen die wordt ingediend overeenkomstig artikel 35. Zij worden opgesteld overeenkomstig de verordening van de Raad houdende toepassing van het besluit betreffende het stelsel van eigen middelen van de Unie.
2.  De ramingen van deze ontvangsten of betalingskredieten worden tijdens de begrotingsprocedure in de begroting opgenomen en door middel van de procedure van de nota van wijzigingen die wordt ingediend overeenkomstig artikel 35.
3.  Na de indiening van de rekeningen van het begrotingsjaar wordt het verschil ten opzichte van de ramingen in de begroting van het volgende begrotingsjaar opgenomen door middel van een gewijzigde begroting, die uitsluitend voor dat doel wordt opgesteld en wordt aangewend. Het ontwerp van gewijzigde begroting moet in dat geval binnen twee weken na de indiening van de voorlopige rekeningen door de Commissie worden ingediend.
3.  Na de indiening van de rekeningen van het begrotingsjaar wordt het verschil ten opzichte van de ramingen in de begroting van het volgende begrotingsjaar opgenomen door middel van een gewijzigde begroting, die voor dat doel wordt opgesteld en wordt aangewend, en bij een overschot, voor de overeenkomstige bijkomende kredieten. Het ontwerp van gewijzigde begroting moet in dat geval binnen 45 dagen na de indiening van de voorlopige rekeningen door de Commissie worden ingediend.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 bis (nieuw)
Artikel 15 bis

Reserve voor betalingen en vastleggingen

Het overschot en de niet uitgegeven vastleggingen van de voorgaande begrotingsjaren van het huidige meerjarig financieel kader alsook de vrijgemaakte kredieten worden in de reserve voor betalingen en vastleggingen geplaatst.

Deze reserve wordt in eerste instantie gebruikt voor bijkomende en/of onvoorziene behoeften en ter compensatie van negatieve reserves, volgens de in artikel 44 vastgelegde procedure.

Het besluit om deze reserve beschikbaar te maken wordt door de twee takken van de begrotingsautoriteit samen genomen, op voorstel van de Commissie.

Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 16
Het meerjarig financieel kader en de begroting worden in euro opgesteld, uitgevoerd en onderworpen aan rekening en verantwoording.

Het meerjarig financieel kader en de begroting worden in euro opgesteld, uitgevoerd en onderworpen aan rekening en verantwoording.

De rekenplichtige en, in het geval van gelden ter goede rekening, de beheerder van gelden ter goede rekening en, ten behoeve van het administratieve beheer van de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden (hierna „de EDEO” genoemd), de bevoegde ordonnateur zijn evenwel gemachtigd voor de in artikel 65 bedoelde kasbehoeften transacties in nationale munteenheden te verrichten onder in de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199 nader te bepalen voorwaarden.

De rekenplichtige en, in het geval van gelden ter goede rekening, de beheerder van gelden ter goede rekening en, ten behoeve van het administratieve beheer van de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden, de bevoegde ordonnateur zijn evenwel gemachtigd voor de in artikel 65 bedoelde kasbehoeften transacties in nationale munteenheden te verrichten onder in de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199 nader te bepalen voorwaarden.

De resultaten van dergelijke transacties in munteenheden worden vermeld in een afzonderlijke rubriek in de jaarrekeningen van de respectievelijke instelling; dit is mutatis mutandis ook van toepassing op de in artikel 196 ter bedoelde organen.

De Commissie ziet er met passende middelen op toe dat wisselkoersschommelingen bij de bezoldiging en vergoedingen van het personeel van de Unie ten minste maandelijks worden gecompenseerd, om een gelijke behandeling te garanderen van transacties en bezoldigingen berekend op basis van de euro die noodzakelijkerwijs in een andere munteenheden plaatsvinden. De berekening ervan is gebaseerd op het percentage van InforEuro.

Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2 – letter e bis (nieuw)
e bis) boetes opgelegd in het kader van mededinging, andere boetes en schuldvorderingen voortvloeiend uit buitengerechtelijke schikkingen of enig ander soortgelijk akkoord gesloten met, of nabetalingen voldaan door niet-statelijke derden;
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2 – alinea 2 (nieuw)
In het onder b) genoemde geval kunnen echter vastleggingskredieten worden vrijgemaakt na de ondertekening door de lidstaat van een bijdrageovereenkomst uitgedrukt in euro. Dit is niet van toepassing op gevallen als bedoeld in artikel 173, lid 2, en artikel 175, lid 2.

Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 3
3.  Interne bestemmingsontvangsten zijn:
3.  Interne bestemmingsontvangsten zijn:
a) ontvangsten afkomstig van derden wegens op hun verzoek verrichte leveringen, diensten en werken;
a) ontvangsten afkomstig van derden wegens op hun verzoek verrichte leveringen, diensten en werken;
b) de opbrengst van de verkoop bij vervanging of het buiten dienst stellen van voertuigen, uitrusting, installaties, materiaal en wetenschappelijke en technische apparaten na volledige afschrijving van de boekwaarde;
b) de opbrengst van de verkoop bij vervanging of het buiten dienst stellen van voertuigen, uitrusting, installaties, materiaal en wetenschappelijke en technische apparaten na volledige afschrijving van de boekwaarde;
c) terugbetalingen van onverschuldigd betaalde bedragen;
c) terugbetalingen van onverschuldigd betaalde bedragen, behoudens het bepaalde in artikel 77;
c bis) ontvangsten afkomstig van rente op prefinanciering, behoudens het bepaalde in artikel 5;
d) de opbrengst van leveringen, diensten en werken ten behoeve van andere diensten, instellingen of organen, met inbegrip van vergoedingen voor dienstreizen betaald voor rekening van en terugbetaald door andere instellingen of organen;
d) de opbrengst van leveringen, diensten en werken ten behoeve van andere diensten, instellingen of organen, met inbegrip van vergoedingen voor dienstreizen betaald voor rekening van en terugbetaald door andere instellingen of organen;
e) ontvangen verzekeringsuitkeringen;
e) ontvangen verzekeringsuitkeringen;
f) ontvangsten uit de verkoop, verhuur of andere overeenkomsten betreffende rechten uit hoofde van onroerend goed;
f) ontvangsten uit de verkoop, verhuur, terugbetaling of andere overeenkomsten betreffende rechten uit hoofde van onroerend goed;
g) opbrengsten van de verkoop van publicaties en films, inclusief die op elektronische drager.
g) opbrengsten van de verkoop van publicaties en films, inclusief die op elektronische drager.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Alle individuele schenkingen aan de Commissie van méér dan 999 EUR of alle door één schenker in de loop van om het even welk jaar geschonken bedragen die in het totaal meer dan 999 EUR bedragen, kunnen via een specifieke website worden nagetrokken.

Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1
1.  In de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199 kunnen de gevallen worden vastgesteld waarin bepaalde ontvangsten in mindering mogen worden gebracht op het bedrag van betalingsverzoeken, in welk geval de betalingsopdracht voor het nettobedrag wordt gegeven.
1.  Op het bedrag van betalingsverzoeken kunnen de volgende bedragen in mindering worden gebracht, waarvoor in dat geval een betalingsopdracht voor het nettobedrag wordt gegeven:
a) de aan partijen bij aanbestedingscontracten of begunstigden van subsidies opgelegde boeten;
b) de op facturen en kostendeclaraties in mindering gebrachte kortingen, terugbetalingen en rabatten;
c) rente op betaalde voorfinancieringen;
d) verrekeningen voor onverschuldigd betaalde bedragen.
De in alinea 1, onder d) bedoelde verrekeningen kunnen plaatsvinden door rechtstreekse inhouding op een nieuwe, soortgelijke tussentijdse betaling of saldobetaling aan dezelfde begunstigde ten laste van het hoofdstuk, het artikel en het begrotingsjaar waarop het teveel betaalde is geboekt.

Op de in lid 1, onder c) en d) genoemde bedragen zijn de boekhoudregels van de Unie van toepassing.

Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1
1.  De kredieten worden gespecificeerd per titel en hoofdstuk; de hoofdstukken worden verder onderverdeeld in artikelen en posten.
1.  De kredieten worden gespecificeerd per titel en hoofdstuk; de hoofdstukken worden verder onderverdeeld in artikelen en posten. Bij de presentatie van de kredieten wordt een onderscheid gemaakt tussen werkingskredieten en investeringen.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2
2.  De Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting kredieten overschrijven, hetzij autonoom in de in artikel 23 bepaalde gevallen, hetzij na daartoe een verzoek om goedkeuring tot de begrotingsautoriteit te hebben gericht in de in artikel 24 bedoelde gevallen.
2.  De Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting kredieten overschrijven in de in artikel 23 bepaalde gevallen; in de in artikel 24 bedoelde gevallen, richt de Commissie of een andere instelling een verzoek om goedkeuring tot de begrotingsautoriteit.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 3
3.  Slechts begrotingsonderdelen waarvoor in de begroting een krediet is toegestaan of die de vermelding pro memorie (p.m.) dragen, kunnen door middel van overschrijvingen van kredieten worden voorzien.
Schrappen

Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 4
4.  De kredieten die overeenkomen met bestemmingsontvangsten kunnen slechts worden overgeschreven voor zover die ontvangsten hun bestemming behouden.
Schrappen

Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 3
3.  Iedere andere instelling dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting overschrijvingen van de ene titel naar de andere boven de grens van 10% van de kredieten van het begrotingsjaar op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven, aan de begrotingsautoriteit voorstellen. Deze overschrijvingen geschieden volgens de procedure van artikel 24.
3.  Iedere andere instelling dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting overschrijvingen van de ene titel naar de andere boven de grens van 15% van de kredieten van het begrotingsjaar op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven, aan de begrotingsautoriteit voorstellen. Deze overschrijvingen geschieden volgens de procedure van artikel 24.
Amendementen 54, 262, 267 en 268
Voorstel voor een verordening
Artikel 23
1.  De Commissie kan binnen haar afdeling van de begroting autonoom:
1.  De Commissie kan binnen haar afdeling van de begroting:
a) in ieder hoofdstuk vastleggingskredieten overschrijven;
a) in ieder hoofdstuk vastleggingskredieten overschrijven;
b) in iedere titel betalingskredieten overschrijven;
b) in iedere titel betalingskredieten overschrijven, na voorafgaande kennisgeving aan het Parlement en de Raad en op voorwaarde dat noch het Parlement, noch de Raad binnen drie weken bezwaar maakt tegen de overschrijving;
c) wat de personeelskosten en de huishoudelijke uitgaven betreft die gemeenschappelijk zijn voor verschillende titels, kredieten overschrijven van de ene titel naar de andere;
c) wat de personeelskosten en de huishoudelijke uitgaven betreft, kredieten overschrijven van de ene titel naar de andere tot maximaal 15% van de kredieten van het jaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven en tot maximaal 30% van de kredieten van het jaar die staan vermeld op het begrotingsonderdeel waarnaar de kredieten worden overgeschreven;
d) wat de beleidsuitgaven betreft, kredieten overschrijven van het ene hoofdstuk naar het andere binnen eenzelfde titel tot in totaal maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar van het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven.
d) wat de beleidsuitgaven betreft, kredieten overschrijven van het ene hoofdstuk naar het andere binnen eenzelfde titel tot in totaal maximaal 15 % van de kredieten van het begrotingsjaar van het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;
Drie weken voordat zij de in de eerste alinea, punt b), vermelde overschrijvingen verricht, brengt de Commissie de begrotingsautoriteit op de hoogte van Indien binnen die termijn van drie weken door een van de twee takken van de begrotingsautoriteit naar behoren gemotiveerde redenen aangevoerd, geldt de procedure van artikel 24.

2.  De Commissie kan binnen haar afdeling van de begroting, mits zij de begrotingsautoriteit onmiddellijk op de hoogte brengt van haar besluit, de volgende overschrijvingen van kredieten van de ene titel naar de andere verrichten:
2.  De Commissie kan binnen haar afdeling van de begroting besluiten overschrijvingen van de ene titel naar de andere te verrichten van kredieten van de in artikel 43 genoemde titel „Voorzieningen”, wanneer de vaststelling van een basisbesluit overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure van artikel 294 VWEU de enige voorwaarde is om de reserve op te heffen, mits zij de begrotingsautoriteit onmiddellijk op de hoogte brengt van haar voornemen om dit te doen.
a) overschrijvingen van kredieten van de in artikel 43 genoemde titel „Voorzieningen”, wanneer de vaststelling van een basisbesluit overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure van artikel 294 VWEU de enige voorwaarde is om de reserve op te heffen;
b) in geval van internationale humanitaire rampen en crisissituaties die zich na 1 december van het begrotingsjaar voordoen, kan de Commissie in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen ongebruikte begrotingskredieten die voor het lopende begrotingsjaar nog beschikbaar zijn in begrotingstitels die onder rubriek 4 van het meerjarig financieel kader vallen, overschrijven naar de begrotingstitels die voor steunverlening in crisissituaties en humanitaire operaties zijn bedoeld.
2 bis. In geval van internationale humanitaire rampen en crisissituaties die zich na 1 december van het begrotingsjaar voordoen, kan de Commissie in uitzonderlijke gevallen en onder vermelding van de redenen voor haar stap ongebruikte begrotingskredieten die voor het lopende begrotingsjaar nog beschikbaar zijn in begrotingstitels die onder rubriek 4 van het meerjarig financieel kader vallen, overschrijven naar de begrotingstitels die voor steunverlening in crisissituaties en humanitaire operaties zijn bedoeld.

De Commissie brengt de twee takken van de begrotingsautoriteit onmiddellijk op de hoogte van deze overschrijvingen of van een dergelijk gebruik van kredieten voor het volgende jaar.

2 ter. De Commissie kan de informatie ter rechtvaardiging van de overschrijving verstrekken in de vorm van een intern werkdocument.

2 quater. De Commissie kan binnen haar afdeling van de begroting nog andere dan de in lid 1 bedoelde overschrijvingen voorstellen aan de begrotingsautoriteit.

Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – titel
Aan de begrotingsautoriteit voor te leggen overschrijvingen door de Commissie

Aan de begrotingsautoriteit voor te leggen overschrijvingen door de instellingen

Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
1.  De Commissie dient haar voorstellen tot overschrijving tegelijkertijd bij het Europees Parlement en de Raad in.
1.  De instellingen dienen hun voorstellen tegelijkertijd bij de twee takken van de begrotingsautoriteit in.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2
2.  De begrotingsautoriteit besluit op de in de leden 3 tot en met 6 beschreven wijze over de kredietoverschrijvingen, tenzij in titel I van deel twee anders is bepaald.
2.  De begrotingsautoriteit besluit op de in de leden 3, 4 en 6 beschreven wijze over de kredietoverschrijvingen, tenzij in titel I van deel twee anders is bepaald.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 3
3.  Behoudens in dringende omstandigheden wordt door de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, en het Europees Parlement een besluit over het Commissievoorstel genomen binnen zes weken vanaf de datum waarop beide instellingen het voorstel voor elke aan hen voorgelegde overschrijving hebben ontvangen.
3.  Behoudens in naar behoren gemotiveerde dringende omstandigheden wordt door de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, en het Europees Parlement een besluit over het voorstel van de instelling genomen binnen zes weken vanaf de datum waarop beide instellingen het voorstel voor elke aan hen voorgelegde overschrijving hebben ontvangen.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4
4.  Een voorstel tot overschrijving is goedgekeurd indien binnen de termijn van zes weken:
4.  Een voorstel tot overschrijving is goedgekeurd indien binnen de termijn van zes weken:
a) het Europees Parlement en de Raad ermee instemmen, ofwel
- beide takken van de begrotingautoriteit ermee instemmen, ofwel
b) het Europees Parlement of de Raad ermee instemt en de andere instelling zich van een besluit onthoudt, ofwel
- één van de twee takken van de begrotingsautoriteit ermee instemt en de andere instelling zich van een besluit onthoudt, ofwel
c) het Europees Parlement en de Raad zich van een besluit onthouden dan wel geen besluit hebben genomen dat ingaat tegen het Commissievoorstel.
- beide takken van de begrotingsautoriteit zich van een besluit onthouden dan wel geen besluit hebben genomen dat ingaat tegen het overschrijvingsvoorstel.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 5
5.  Tenzij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt, bedraagt de termijn niet zes weken zoals bepaald in lid 4, maar slechts drie weken indien:
Schrappen

a) de overschrijving minder dan 10 % vertegenwoordigt van de kredieten van het begrotingsonderdeel van waaruit de overschrijving plaatsvindt, en niet meer dan 5 miljoen euro bedraagt, of
b) de overschrijving enkel betrekking heeft op betalingskredieten en het totaalbedrag van de overschrijving niet meer dan 100 miljoen euro bedraagt.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 6
6.  Indien het Europees Parlement of de Raad de overschrijving heeft gewijzigd terwijl de andere instelling ermee heeft ingestemd of zich van een besluit onthoudt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de overschrijving heeft gewijzigd, wordt het laagste bedrag waaraan hetzij het Europees Parlement, hetzij de Raad zijn goedkeuring heeft gehecht, geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de Commissie haar voorstel intrekt.
6.  Indien één van beide takken van de begrotingsautoriteit de overschrijving heeft gewijzigd terwijl de andere tak ermee heeft ingestemd of zich van een besluit onthoudt, of indien beide takken de overschrijving hebben gewijzigd, wordt het laagste bedrag waaraan hetzij het Europees Parlement, hetzij de Raad zijn goedkeuring heeft gehecht, geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de instelling haar voorstel intrekt.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 bis (nieuw)
Artikel 24 bis

Specifieke voorschriften voor overschrijvingen

1.  Slechts begrotingsonderdelen waarvoor in de begroting een krediet is toegestaan of die de vermelding pro memorie (p.m.) dragen, kunnen door middel van overschrijvingen van kredieten worden voorzien.
2.  De kredieten die overeenkomen met bestemmingsontvangsten kunnen slechts worden overgeschreven voor zover die ontvangsten hun bestemming behouden.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 2
2.  Overschrijvingen die het gebruik van de reserve voor noodhulp mogelijk moeten maken, worden goedgekeurd door de begrotingsautoriteit op voorstel van de Commissie of door de Commissie zelf tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar van het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven.
2.  Overschrijvingen die het gebruik van de reserve voor noodhulp mogelijk moeten maken, worden goedgekeurd door de begrotingsautoriteit op voorstel van de Commissie. Voor elke maatregel moet een afzonderlijk voorstel worden ingediend.
De in artikel 24, leden 3 en 4, bepaalde procedure is van toepassing. Indien het Commissievoorstel niet door het Europees Parlement en de Raad wordt goedgekeurd en het Europees Parlement en de Raad niet tot een gemeenschappelijk standpunt inzake het gebruik van deze reserve komen, onthouden zij zich van een besluit inzake het overschrijvingsvoorstel van de Commissie.

De in artikel 24, leden 3 en 4, bepaalde procedure is van toepassing. Indien het Commissievoorstel niet door beide takken van de begrotingsautoriteit wordt goedgekeurd en beide takken van de begrotingsautoriteit niet tot een gemeenschappelijk standpunt inzake het gebruik van deze reserve komen, onthouden zij zich van een besluit inzake het overschrijvingsvoorstel van de Commissie.

Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 3
3.  Er worden specifieke, meetbare, haalbare, relevante en van een datum voorziene doelstellingen vastgelegd voor alle werkgebieden die door de begroting worden bestreken. De verwezenlijking van die doelstellingen worden gecontroleerd door per activiteit vastgestelde resultatenindicatoren en er wordt aan de begrotingsautoriteit informatie verstrekt door de met de uitgave belaste administratieve diensten. Die informatie wordt elk jaar zo spoedig mogelijk verstrekt, en uiterlijk in de documenten die de ontwerpbegroting vergezellen.
3.  Er worden specifieke, meetbare, haalbare, relevante en van een datum voorziene doelstellingen vastgelegd voor alle werkgebieden die door de begroting worden bestreken. De verwezenlijking van die doelstellingen wordt gecontroleerd door per activiteit vastgestelde resultatenindicatoren en er wordt aan de begrotingsautoriteit informatie verstrekt door de met de uitgave belaste administratieve diensten. Die informatie, als omschreven in artikel 34, lid 2 bis, onder d), wordt elk jaar zo spoedig mogelijk verstrekt, en uiterlijk in de documenten die de ontwerpbegroting vergezellen.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis. Tijdens de begrotingsprocedure verstrekt de Commissie de benodigde gegevens voor een vergelijking tussen de ontwikkeling van de kredietbehoeften en de oorspronkelijke ramingen in de financiële memoranda. Deze gegevens omvatten inlichtingen over de gemaakte vorderingen en de stand van de werkzaamheden van de wetgevende autoriteit met betrekking tot de ingediende voorstellen. De kredietbehoeften worden eventueel herzien op basis van de stand van de beraadslagingen over het basisbesluit.

Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2
2.  Om het gevaar van fraude en onregelmatigheden te verkleinen, worden in het in lid 1 bedoelde financieel memorandum informatie betreffende het ingestelde internecontrolesysteem en een risico-evaluatie verstrekt, en worden bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen opgegeven.
2.  Om het gevaar van fraude en onregelmatigheden te verkleinen, worden in het in lid 1 bedoelde financieel memorandum informatie betreffende het ingestelde internecontrolesysteem, een raming van de kosten en baten van door dergelijke systemen uitgevoerde controles en een risico-evaluatie verstrekt, en worden bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen opgegeven.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis) nauwkeurige, samenhangende en transparante voorschriften voor controles met betrekking tot de rechten van de betrokkenen;
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2 – letter d
d) preventie, opsporing en correctie van fraude en onregelmatigheden;
d) preventie, opsporing en follow-up van de correctie van fraude en onregelmatigheden, onverminderd de verantwoordelijkheden van de financiële actoren als omschreven in Hoofdstuk 3;
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Een effectieve interne controle is gebaseerd op beproefde internationale methoden en omvat in het bijzonder de volgende elementen:

a) een scheiding van taken;
b) een passende risicobeheersings- en controlestrategie, waaronder controles op het niveau van de begunstigden;
c) de vermijding van belangenconflicten;
d) passende controlesporen en de integriteit van de gegevens in gegevenssystemen;
e) procedures voor de bewaking van de prestaties en voor de follow-up van vastgestelde zwakheden van de interne controle en uitzonderingen;
f) een periodieke evaluatie van de goede werking van het interne controlesysteem.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter. Een efficiënte interne controle is gebaseerd op de volgende elementen:

a) de uitvoering van een passende, door de relevante, bij de controleketen betrokken actoren onderling gecoördineerde risicobeheersings- en controlestrategie;
b) de toegankelijkheid van de controleresultaten voor alle relevante, bij de controleketen betrokken actoren;
c) gebruikmaking, waar passend, van beheersverklaringen van uitvoerende partners en onafhankelijke auditadviezen, mits de kwaliteit van de onderliggende werkzaamheden adequaat en aanvaardbaar is en dat het is verricht overeenkomstig gevestigde normen;
d) de tijdige toepassing van corrigerende maatregelen, waaronder passende en afschrikkende sancties;
e) duidelijke en ondubbelzinnige wetgeving als grondslag voor het beleid;
f) het wegnemen van dubbele controles;
g) het beginsel van verbetering van de kosten-batenverhouding van de controles, rekening houdend met het foutenrisico als omschreven in artikel 29.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 29
Aanvaardbaar foutenrisico

Foutenrisico

De wetgevende autoriteit stelt volgens de procedure van artikel 322 VWEU op een passend niveau van aggregatie van de begroting vast hoe hoog het aanvaardbaar foutenrisico is. Bij de kwijtingsprocedure overeenkomstig artikel 157, lid 2 wordt met dat besluit rekening gehouden.

Wanneer de Commissie herziene of nieuwe voorstellen voor uitgaven indient, raamt zij de kosten van de administratie- en controlestelsels en het foutenrisico in verband met de voorgestelde wetgeving per type en per lidstaat.

Voor de bepaling van de hoogte van het aanvaardbaar foutenrisico wordt uitgegaan van een kosten-batenanalyse van controles. De lidstaten en de in artikel 55, lid 1, onder b), genoemde entiteiten en personen brengen wanneer de Commissie daarom verzoekt aan haar verslag uit over de door hen gedragen kosten van controles en over het aantal uit de begroting van de Unie gefinancierde activiteiten en de omvang ervan.

Indien het foutenpercentage bij de uitvoering van het programma aanhoudend hoog is, brengt de Commissie de zwakke punten in de controlesystemen in kaart, onderzoekt zij de kosten en baten van eventuele corrigerende maatregelen en neemt zij passende maatregelen, bijvoorbeeld een vereenvoudiging van de toepasselijke bepalingen, een bijsturing van het programma, een verscherping van de controles of stelt, zo nodig, de stopzetting van de activiteit voor.

Het aanvaardbaar foutenrisico zal aandachtig worden bewaakt en worden herzien bij belangrijke veranderingen in de controleomgeving.

De door de lidstaten erkende organen ingediende verklaringen betreffende het beheer van de systemen maken een integrerend onderdeel uit van doeltreffende nationale beheers- en controlesystemen.

Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 bis (nieuw)
Artikel 29 bis

Scheiding van functies

De functies van rekenplichtige en betaler zijn gescheiden.

Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 2 – alinea 3
De geconsolideerde jaarrekeningen en het door iedere instelling opgestelde verslag over het begrotings- en financieel beheer worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

De geconsolideerde jaarrekeningen en het door iedere instelling opgestelde verslag over het begrotings- en financieel beheer worden na goedkeuring meteen bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Amendement 280
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2
2.  De Commissie stelt op passende wijze haar informatie over de ontvangers van begrotingsmiddelen ter beschikking wanneer de begroting op een gecentraliseerde wijze en rechtstreeks door haar diensten of door delegaties van de Unie overeenkomstig artikel 53, tweede alinea, wordt uitgevoerd; in geval van andere beheersvormen stelt de Commissie op passende wijze de informatie over de ontvangers van middelen ter beschikking die haar wordt toegezonden door de instanties waaraan taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting zijn gedelegeerd.
2.  De Commissie stelt op passende wijze haar informatie over haar contractanten en begunstigden van begrotingsmiddelen alsook over de precieze aard en het precieze doel van de maatregel die uit de begroting wordt gefinancierd ter beschikking wanneer de begroting op een gecentraliseerde wijze wordt uitgevoerd; in geval van andere beheersvormen stelt de Commissie op passende wijze de informatie over de contractanten en begunstigden van middelen ter beschikking die haar wordt toegezonden door de instanties waaraan taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting zijn gedelegeerd.
Deze verplichting geldt ook voor de andere instellingen ten aanzien van hun contractanten en, indien van toepassing, hun begunstigden.

Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3
3.  Deze informatie wordt ter beschikking gesteld met inachtneming van de geheimhoudingsvereisten, met name de bescherming van persoonsgegevens als vastgesteld in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad, en met inachtneming van de beveiligingsvereisten, rekening houdend met het bijzondere karakter van elk van de in artikel 53 genoemde beheersvormen en, voor zover van toepassing, in overeenstemming met de toepasselijke sectorale voorschriften.
3.  Deze informatie wordt ter beschikking gesteld met inachtneming van de geheimhoudings- en beveiligingsvereisten en, wanneer het natuurlijke personen betreft, het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van de persoonsgegevens, als vastgesteld in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad.
Wanneer het natuurlijke personen betreft, wordt de bekendgemaakte informatie beperkt tot de naam van de contractant of de begunstigde, de woonplaats, het toegekende bedrag en de bestemming ervan, en is de bekendmaking van deze gegevens gebaseerd op relevante criteria zoals de periodiciteit, het type of de omvang van de toekenning. Het detailgehalte van de bekendgemaakte informatie en de bekendmakingscriteria houden rekening met het bijzonder karakter van de sector en van elk van de in artikel 55 genoemde beheersvormen; het detailgehalte en de criteria worden vastgesteld aan de hand van de in artikel 199 bedoelde gedelegeerde verordening en, indien van toepassing, de toepasselijke sectorale voorschriften.

Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 1
Het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de EDEO stellen een raming op van hun ontvangsten en uitgaven, die zij vóór 1 juli van elk jaar aan de Commissie toezenden.

Het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de EDEO stellen een raming op van hun ontvangsten en uitgaven, die zij vóór 1 juli van elk jaar aan de Commissie en tegelijkertijd ter informatie aan de begrotingsautoriteit toezenden.

Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 3
Deze ramingen worden door deze instellingen vóór 1 juli van elk jaar tevens ter informatie toegezonden aan de begrotingsautoriteit. De Commissie stelt haar eigen raming op en zendt deze ook voor dezelfde datum aan de begrotingsautoriteit toe.

De Commissie stelt haar eigen raming op en zendt deze na goedkeuring onverwijld aan de begrotingsautoriteit toe.

Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 33
Elk in artikel 200 bedoeld orgaan zendt de Commissie en de begrotingsautoriteit overeenkomstig zijn oprichtingsbesluit uiterlijk op 31 maart van elk jaar een raming van zijn uitgaven en ontvangsten, met inbegrip van de tabel van zijn personeelsbestand, alsmede zijn ontwerpwerkprogramma toe.

Elk in artikel 200 bedoeld orgaan zendt de Commissie en de begrotingsautoriteit overeenkomstig zijn oprichtingsbesluit tegelijkertijd en uiterlijk op 31 maart van elk jaar een raming van zijn uitgaven en ontvangsten, met inbegrip van de tabel van zijn personeelsbestand, alsmede zijn ontwerpwerkprogramma toe.

Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1 – alinea 2
De ontwerpbegroting bevat een algemene, samenvattende staat van de uitgaven en ontvangsten van de Unie en de in artikel 32 bedoelde ramingen.

De ontwerpbegroting bevat een algemene, samenvattende staat van de uitgaven en ontvangsten van de Unie, met inbegrip van een algemene, samenvattende staat van de reserve voor betalingen en vastleggingen, en de in artikel 32 bedoelde ramingen.

Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2 – alinea 1
2.  Waar zulks relevant is, voegt de Commissie bij de ontwerpbegroting een financiële programmering voor de volgende jaren.
2.  De Commissie voegt bij de ontwerpbegroting een financiële programmering voor de volgende jaren.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie tevens:

a) een analyse van het financiële beheer van het afgelopen begrotingsjaar en van de staat van nog betaalbaar te stellen bedragen;
b) in voorkomend geval, een advies over de ramingen van de overige instellingen, dat met redenen omklede afwijkende ramingen kan inhouden;
c) ieder nuttig geacht werkdocument over het personeelsbestand van de instellingen en de subsidies die de Commissie aan de in artikel 196 ter bedoelde organen en de Europese Scholen toekent; een dergelijk werkdocument, dat het laatste goedgekeurde personeelsbestand bevat, geeft een overzicht van:
i) al het personeel dat bij de Unie in dienst is, met inbegrip van juridisch afzonderlijke entiteiten, aangegeven volgens het soort arbeidsovereenkomst;
ii) een toelichting op het beleid inzake vast en extern personeel en gendergelijkheid;
iii) het aantal posten dat is vervuld aan het begin van het jaar waarin de ontwerpbegroting wordt gepresenteerd, waarbij de verdeling per rang en administratieve eenheid wordt aangegeven,
iv) een uitsplitsing van de personeelsposten naar beleidsterrein;
v) voor elke categorie van extern personeel, het oorspronkelijk geraamde aantal voltijdsequivalenten op basis van de goedgekeurde kredieten, alsmede het aantal personen dat feitelijk geplaatst is aan het begin van het jaar waarin de ontwerpbegroting wordt gepresenteerd, waarbij de uitsplitsing per functiegroep wordt weergeven en waar passend per rang; en
d) de activiteitenoverzichten met:
i) gegevens over de verwezenlijking van alle eerder vastgestelde specifieke, meetbare, haalbare, relevante en van een datum voorziene doelstellingen voor de verschillende activiteiten alsmede de nieuwe doelstellingen, afgemeten aan indicatoren;
ii) een volledige motivering en een kosten-batenanalyse van voorgestelde wijzigingen in het niveau van de kredieten;
iii) een duidelijke rechtvaardiging van maatregelen op het niveau van de Unie overeenkomstig, onder meer, het subsidiariteitsbeginsel;
iv) gegevens over de uitvoeringsgraad van de activiteiten van het voorgaande jaar en de uitvoeringsgraad voor het lopende jaar.
De resultaten van de evaluaties worden onderzocht en gebruikt om de voordelen aan te tonen die een voorgestelde wijziging van de begroting kan opleveren.

Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter. Indien de Commissie de uitvoering van de begroting toevertrouwt aan publiek-particuliere partnerschappen (ppp) voegt zij bij de ontwerpbegroting een werkdocument met:

a) een jaarverslag van de prestaties van de bestaande ppp's in het voorgaande jaar;
b) de doelstellingen voor het jaar waar de ontwerpbegroting betrekking op heeft, waarbij zij eventuele specifieke begrotingsbehoeften aangeeft in verband met het behalen van die doelstellingen;
c) de administratieve kosten en de uitgevoerde begroting in totaal en per type, zoals omschreven in artikel 196 bis, alsmede per individueel ppp in het voorgaande jaar;
d) de hoogte van de financiële bijdragen van de begroting van de Unie en de waarde van de bijdragen in natura van de andere partners van elk ppp;
e) een overzicht van de personeelsformatie krachtens lid 2 bis, onder c), mutatis mutandis, van dergelijke ppp's waarvan het personeel geheel of gedeeltelijk wordt betaald met middelen van de Unie; met deze overzichten van de personeelsformatie wordt rekening gehouden bij de opstelling van het in lid 2 bis, onder c), bedoelde werkdocument.
Indien ppp's gebruik maken van financiële instrumenten, worden in het werkdocument de gegevens voor de uitvoering van en onverminderd lid 2 quater per ppp en per financieel instrument vermeld.

Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2 quater (nieuw)
2 quater. Indien de Commissie gebruik maakt van financiële instrumenten, voegt zij bij de ontwerpbegroting een werkdocument met een overzicht van:

a) het kapitaal dat is uitgegeven in de vorm van financiële instrumenten en dat is gefinancierd uit de begroting van de Unie, alsmede het algehele geïnvesteerde kapitaal per financieel instrument, ook door derde partijen, in totaal en als hefboompercentage per financieel instrument, de waarde van de deelnemingen in aandelenkapitaal- of quasi-aandelenkapitaalinvesteringen;
b) ontvangsten en terugbetalingen ontvangen in het voorgaande jaar en een raming voor het jaar waarop de ontwerpbegroting betrekking heeft;
c) het totale bedrag aan voorwaardelijke en bestaande verplichtingen van de Unie voortvloeiend uit de tenuitvoerlegging van financiële instrumenten in de voorgaande jaren, in totaal uitgesplitst naar:
i) alle mogelijke verplichtingen tegenover derde partijen in verband met garanties;
ii) alle mogelijke verplichtingen in verband met de hoogste opname van kredietlijnen verleend aan derde partijen,
iii) al het mogelijke verlies van achtergestelde schulden of deelnemingen of quasi-deelnemingen in aandelenkapitaal, of
iv) enige andere mogelijke of voorwaardelijke verplichtingen, alsmede enige relevante of mogelijk relevante informatie voor de beoordeling van risico's;
d) de financiële voorzieningen die op de begroting zijn gemaakt voor verwachte en onverwachte risico's, in totaal en per financieel instrument;
e) het percentage en het absolute aantal gevallen waarin garanties zijn opgenomen of achtergestelde schulden of deelnemingen of quasi-deelnemingen in aandelenkapitaal verloren zijn gegaan ten gevolge van waardevermindering of faillissement, in totaal en per financieel instrument voor het voorgaande jaar en de totale looptijd van het respectievelijke financiële instrument;
f) de gemiddelde duur tussen de betaling van financiële instrumenten in de vorm van achtergesteld schuldenkapitaal (mezzanine) aan de begunstigden en de opneming van dergelijk kapitaal; indien dit meer dan drie jaar in beslag neemt, stelt de Commissie een actieplan op voor de verkorting van deze duur, in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure;
g) de geografische verdeling van de uitvoering (absorptie) van financiële instrumenten per lidstaat en per financieel instrument;
h) de administratieve uitgaven in verband met beheerskosten, terugbetaling of andere bedragen betaald voor het beheer van financiële instrumenten, indien dit is toevertrouwd aan derde partijen, in totaal en per beherende partij en per beheerd financieel instrument;
i) een overzicht van de personeelsformatie krachtens lid 2 bis, onder c), mutatis mutandis, indien het personeel geheel of gedeeltelijk wordt betaald met middelen van de Unie; met deze overzichten van de personeelsformatie wordt rekening gehouden bij de opstelling van het in lid 2 bis, onder c), bedoelde werkdocument.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 3
3.  Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie tevens alle andere werkdocumenten die zij dienstig acht ter ondersteuning van haar begrotingsverzoeken.
Niet van toepassing op de Nederlandse tekst

Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 4 – alinea 2 – letter d
d) al het personeel in de delegaties van de Unie op het moment van indiening van de ontwerpbegroting, uitgesplitst naar geografisch gebied, afzonderlijk land en missie, met opgave van het aantal ambten in de personeelsformatie, arbeidscontractanten, lokale functionarissen en gedetacheerde nationale deskundigen, alsmede de in de ontwerpbegroting gevraagde kredieten voor andere soorten personeel, met de bijbehorende ramingen van de voltijdsequivalente personeelsleden die binnen de grenzen van de gevraagde kredieten kunnen worden aangeworven.
d) al het personeel in de delegaties van de Unie op het moment van indiening van de ontwerpbegroting, uitgesplitst naar geografisch gebied, gender, afzonderlijk land en missie, met opgave van het aantal ambten in de personeelsformatie, arbeidscontractanten, lokale functionarissen en gedetacheerde nationale deskundigen, alsmede de in de ontwerpbegroting gevraagde kredieten voor andere soorten personeel, met de bijbehorende ramingen van de voltijdsequivalente personeelsleden die binnen de grenzen van de gevraagde kredieten kunnen worden aangeworven.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis. Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie een voorstel voor de beschikbaarstelling van de reserve voor betalingen en vastleggingen voor zich voordoende behoeften die oorspronkelijk niet voorzien waren in de jaarlijkse begroting of de verordening tot vaststelling van het meerjarig financieel kader.

Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter. Daarnaast bezorgt de Commissie het Europees Parlement en de Raad samen met de ontwerpbegroting een werkdocument over het vastgoedbeleid, opgesteld door elke instelling en orgaan als bedoeld in artikel 196 ter, dat de volgende informatie bevat:

a) voor elk gebouw, de uitgaven en gebieden die gedekt zijn door de kredieten van de overeenkomstige begrotingslijnen;
b) de verwachte evolutie van de globale programmering van gebieden en locaties voor de komende jaren, met een beschrijving van de in artikel 195, lid 3, bedoelde vastgoedprojecten in de planningfase die reeds geïdentificeerd zijn;
c) de definitieve voorwaarden en kosten evenals relevante informatie betreffende de uitvoering van nieuwe vastgoedprojecten die overeenkomstig de in artikel 195, lid 3, vastgestelde procedure aan de begrotingsautoriteit zijn voorgelegd en niet in werkdocumenten van de vorige jaren zijn opgenomen;
d) de definitieve voorwaarden en kosten betreffende contractuitbreidingen die niet onderworpen zijn aan de in artikel 195, lid 3, vastgestelde procedure, maar een jaarlijkse kost van meer dan 500 000 EUR vertegenwoordigen.
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 35
Tot wanneer het in artikel 314 VWEU genoemde bemiddelingscomité is bijeengekomen, kan de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van de overige instellingen met betrekking tot hun respectieve afdeling, gelijktijdig bij het Europees Parlement en de Raad nota's van wijzigingen indienen waarmee de ontwerpbegroting wordt gewijzigd op grond van nieuwe gegevens die ten tijde van de opstelling van het ontwerp niet bekend waren; dit kan onder meer een nota van wijzigingen zijn tot actualisering van de geraamde landbouwuitgaven.

Op grond van nieuwe gegevens die ten tijde van de opstelling van de ontwerpbegroting niet bekend waren, kan de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van de overige instellingen met betrekking tot hun respectieve afdeling, gelijktijdig bij het Europees Parlement en de Raad nota's van wijzigingen indienen waarmee de ontwerpbegroting wordt gewijzigd, tijdig voordat het in artikel 314 VWEU genoemde bemiddelingscomité is bijeengekomen. Dit kan onder meer een nota van wijzigingen omvatten tot actualisering van de geraamde landbouwuitgaven.

Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 36
Goedkeuring van het resultaat van het bemiddelingscomité

Schrappen

Zodra het bemiddelingscomité overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk ontwerp, streven het Europees Parlement en de Raad er overeenkomstig artikel 314, lid 6, VWEU naar zo spoedig mogelijk het resultaat van het bemiddelingscomité overeenkomstig hun respectieve reglement van orde goed te keuren.

Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 38
1.   De Commissie presenteert een ontwerp van gewijzigde begroting voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees solidariteitsfonds en een ontwerp van gewijzigde begroting voor elk van de volgende doeleinden:
a) overschot,
b) herziening van de raming van de traditionele eigen middelen en de BTW- en BNI-grondslagen,
c) verhoging van de raming van de ontvangsten en verlaging van de betalingskredieten.
1.  De Commissie kan in geval van onvermijdbare, uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden ontwerpen van gewijzigde begroting indienen.
De Commissie kan in geval van onvermijdbare, uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden per jaar twee bijkomende ontwerpen van gewijzigde begroting indienen.

Verzoeken om gewijzigde begrotingen die in de in de eerste alinea genoemde omstandigheden door andere instellingen dan de Commissie worden gedaan, worden doorgegeven aan de Commissie.

Verzoeken om gewijzigde begrotingen die in de in de eerste alinea genoemde omstandigheden door andere instellingen dan de Commissie worden gedaan, worden doorgegeven aan de Commissie.

Alvorens een ontwerp van gewijzigde begroting in te dienen, onderzoeken de Commissie en de overige instellingen de mogelijkheid om de desbetreffende kredieten te herschikken, op basis van de verwachting dat bepaalde kredieten niet volledig zullen worden opgebruikt.

Alvorens een ontwerp van gewijzigde begroting in te dienen, onderzoeken de Commissie en de overige instellingen de mogelijkheid om de desbetreffende kredieten te herschikken, op basis van de verwachting dat bepaalde kredieten niet volledig zullen worden opgebruikt.

2.   De Commissie dient alle ontwerpen van gewijzigde begroting uiterlijk op 1 september van elk jaar gelijktijdig bij het Europees Parlement en de Raad in, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden. Zij kan bij de door andere instellingen ingediende verzoeken om gewijzigde begrotingen een advies voegen.
2.   Behalve in behoorlijk met redenen omklede uitzonderlijke omstandigheden of in geval van de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Solidariteitsfonds, waarvoor op elk moment van het jaar een ontwerp van gewijzigde begroting kan worden ingediend, dient de Commissie haar ontwerpen van gewijzigde begroting gelijktijdig in april en/of in augustus bij het Europees Parlement en de Raad in. Zij kan bij de door andere instellingen ingediende verzoeken om gewijzigde begrotingen een advies voegen.
3.  Het Europees Parlement en de Raad beraadslagen hierover met de vereiste spoed.
3.  Het Europees Parlement en de Raad beraadslagen hierover met de vereiste spoed.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 1 – letter a
a) een algemene staat van uitgaven en ontvangsten;
a) een algemene staat van uitgaven en ontvangsten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen werkingskosten en investeringen;
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Administratieve uitgaven worden als volgt ingedeeld:

a) uitgaven voor het door de personeelsformatie toegestane aantal ambten: bij elke rubriek worden de daarmee overeenstemmende kredieten en het aantal posten vermeld;
b) uitgaven voor extern personeel en andere uitgaven als bedoeld in artikel 23, lid 1, onder c), en gefinancierd uit hoofde van de rubriek „Administratie” van het meerjarig financieel kader;
c) uitgaven voor gebouwen en andere, hiermee verband houdende uitgaven, waaronder die voor schoonmaak en onderhoud, huur, telecommunicatie, water, gas en elektriciteit;
d) extern personeel en technische ondersteuning, direct verband houdend met de tenuitvoerlegging van programma's.
De administratieve uitgaven van de Commissie die in verschillende titels voorkomen, worden opgenomen in een afzonderlijke samenvattende staat, ingedeeld naar type.

Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter. Indien dit mogelijk en aangewezen is, stemmen artikelen en posten overeen met individuele verrichtingen die zijn uitgevoerd in het kader van een individuele activiteit. De gedelegeerde verordening bedoeld in artikel 199 bevat de richtsnoeren voor de indeling van de artikelen en posten, die erop is gericht de begroting zo transparant en compact mogelijk te maken.

Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – alinea 2
Het gebruik van deze reserve moet vóór het einde van het begrotingsjaar plaatsvinden door middel van overschrijvingen volgens de procedure van de artikelen 21 en 23.

Het gebruik van deze reserve moet zo snel mogelijk en vóór het einde van het begrotingsjaar plaatsvinden, in eerste instantie door middel van de reserve voor betalingen en vastleggingen, zoals bepaald in artikel 15, lid 3 bis, of door middel van overschrijvingen volgens de procedure van de artikelen 21 en 23.

Amendementen 95 en 287
Voorstel voor een verordening
Artikel 46 – lid 1
1.  In de begroting worden opgenomen:
1.  In de begroting worden opgenomen:
a) in de algemene staat van ontvangsten en uitgaven:
a) in de algemene staat van ontvangsten en uitgaven:
i) de geraamde ontvangsten van de Unie voor het betrokken begrotingsjaar;
i) de geraamde ontvangsten van de Unie voor het betrokken begrotingsjaar;
ii) de geraamde ontvangsten van het vorige begrotingsjaar en de ontvangsten van het begrotingsjaar n - 2;
ii) de geraamde ontvangsten van het vorige begrotingsjaar en de ontvangsten van het begrotingsjaar n - 2;
iii) de vastleggings- en betalingskredieten voor het betrokken begrotingsjaar;
iii) de vastleggings- en betalingskredieten voor het betrokken begrotingsjaar;
iv) de vastleggings- en betalingskredieten van het vorige begrotingsjaar;
iv) de vastleggings- en betalingskredieten van het vorige begrotingsjaar;
v) de in het begrotingsjaar n - 2 vastgelegde uitgaven en gedane betalingen;
(v) de in het begrotingsjaar n - 2 vastgelegde uitgaven en gedane betalingen, waarbij de betalingen tevens uitgedrukt worden als een percentage van de begroting;
vi) een passende toelichting bij elk in artikel 41, lid 1, bedoeld onderdeel;
vi) een passende toelichting bij elk in artikel 41, lid 1, bedoeld onderdeel;
b) in elke afdeling van de begroting worden de ontvangsten en uitgaven volgens dezelfde structuur als onder a) aangegeven;
b) in elke afdeling van de begroting worden de ontvangsten en uitgaven volgens dezelfde structuur als onder a) aangegeven;
c) met betrekking tot het personeelsbestand:
c) met betrekking tot het personeelsbestand:
i) een personeelsformatie waarin, voor elke afdeling van de begroting, per rang in elke categorie en in elke groep, het aantal binnen de grenzen van de begrotingskredieten toegestane vaste en tijdelijke ambten is vastgesteld;
i) een personeelsformatie waarin een volledig overzicht wordt gegeven van het totaal aan personeelsmiddelen en waarin, voor elke afdeling van de begroting, per rang in elke categorie en in elke groep, het aantal binnen de grenzen van de begrotingskredieten toegestane vaste en tijdelijke ambten is vastgesteld, vergezeld van een document met de voltijdsequivalenten van arbeidscontractanten en lokale functionarissen;
ii) een personeelsformatie van de uit de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling bezoldigde personeelsleden voor eigen werkzaamheden, en een personeelsformatie van de uit dezelfde kredieten bezoldigde personeelsleden voor werkzaamheden onder contract, onderverdeeld naar categorie en naar rang en met onderscheid tussen vaste en tijdelijke ambten, waarvoor de uitgaven zijn toegestaan binnen de grenzen van de begrotingskredieten;
ii) een personeelsformatie van de uit de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling bezoldigde personeelsleden voor eigen werkzaamheden, en een personeelsformatie van de uit dezelfde kredieten bezoldigde personeelsleden voor werkzaamheden onder contract, onderverdeeld naar categorie en naar rang en met onderscheid tussen vaste en tijdelijke ambten, waarvoor de uitgaven zijn toegestaan binnen de grenzen van de begrotingskredieten;
iii) de onderverdeling van het wetenschappelijk en technisch personeel kan onder de bij elke begroting vastgestelde voorwaarden volgens groepen van rangen worden aangegeven. In de personeelsformatie wordt het aantal wetenschappelijk of technisch hooggekwalificeerde personeelsleden vermeld aan wie uit hoofde van de specifieke bepalingen van het statuut bijzondere voordelen worden toegekend;
iii) de onderverdeling van het wetenschappelijk en technisch personeel kan onder de bij elke begroting vastgestelde voorwaarden volgens groepen van rangen worden aangegeven. In de personeelsformatie wordt het aantal wetenschappelijk of technisch hooggekwalificeerde personeelsleden vermeld aan wie uit hoofde van de specifieke bepalingen van het statuut bijzondere voordelen worden toegekend;
iv) een personeelsformatie waarin voor alle in artikel 200 bedoelde organen die subsidies ten laste van de begroting ontvangen, per rang voor elke categorie het aantal ambten wordt vastgesteld. In de personeelsformaties wordt naast het aantal voor het begrotingsjaar toegestane ambten het aantal ambten vermeld dat voor het vorige begrotingsjaar was toegestaan;
iv) een personeelsformatie waarin voor alle in artikel 196 ter bedoelde organen die subsidies ten laste van de begroting ontvangen, per rang voor elke categorie het aantal ambten wordt vastgesteld. In de personeelsformaties wordt naast het aantal voor het begrotingsjaar toegestane ambten het aantal ambten vermeld dat voor het vorige begrotingsjaar was toegestaan;
c bis) voor wat financiering van internationale organisaties betreft, verstrekt de Commissie in een bijlage bij haar afdeling de volgende details:
i) een overzicht van al deze bijdragen, uitgesplitst per Unieprogramma/-fonds en per internationale organisatie;
ii) een motivering van de redenen waarom het voor de Unie efficiënter was deze internationale organisaties te financieren in plaats van rechtstreeks zelf op te treden;
d) met betrekking tot de opgenomen en verstrekte leningen:
d) met betrekking tot de opgenomen en verstrekte leningen:
i) in de algemene staat van ontvangsten, de met deze verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen die dienen voor het boeken van de eventuele aflossingen door begunstigden die aanvankelijk in gebreke waren gebleven, zodat de honoreringsgarantie moest worden toegepast. Deze begrotingsonderdelen worden van de vermelding „pro memorie” (p.m.) en van de passende toelichtingen voorzien;
i) in de algemene staat van ontvangsten, de met deze verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen, in het bijzonder betreffende de tenuitvoerlegging van de financiële instrumenten (artikelen 130 en 131) die dienen voor het boeken van de eventuele aflossingen door begunstigden die aanvankelijk in gebreke waren gebleven, zodat de honoreringsgarantie moest worden toegepast, alsmede enige ontvangsten afkomstig van de tenuitvoerlegging van financiële instrumenten. Deze begrotingsonderdelen worden van de vermelding „pro memorie” (p.m.) en van de passende toelichtingen voorzien;
ii) in de afdeling van de Commissie:
ii) in de afdeling van de Commissie:
- de begrotingsonderdelen betreffende de honoreringsgaranties van de Unie voor deze verrichtingen. Zij worden van de vermelding „pro memorie” (p.m.) voorzien zolang uit dien hoofde geen daadwerkelijke last is gebleken die uit de definitieve middelen moet worden gedekt;
- de begrotingsonderdelen betreffende de honoreringsgaranties en financiële instrumenten van de Unie voor deze verrichtingen. Zij worden van de vermelding „pro memorie” (p.m.) voorzien zolang uit dien hoofde geen daadwerkelijke last is gebleken die uit de definitieve middelen moet worden gedekt;
- toelichtingen met verwijzing naar het basisbesluit en vermelding van het bedrag van de overwogen verrichtingen, de duur ervan en de financiële waarborg die de Unie voor de afwikkeling van deze verrichtingen op zich nemen;
- toelichtingen met verwijzing naar het basisbesluit en vermelding van het bedrag van de overwogen verrichtingen, de duur ervan en de financiële waarborg of andere financiële instrumenten die door de Unie ten uitvoer zijn gelegd in verband met deze verrichtingen;
- een omvattende berekening van de hoogte van de totale middelen ten behoeve van financiële instrumenten als percentage van de begroting van de Unie;
iii) in een bijlage bij de afdeling van de Commissie, ter indicatie:
iii) in een bijlage bij de afdeling van de Commissie, ter indicatie:
- alle deelnemingen in aandelen door middel van financieringsinstrumenten of ppp's, vergezeld van een specifieke toelichting betreffende de prestaties daarvan;
- de lopende kapitaalverrichtingen en het lopende beheer van de schulden,
- de lopende kapitaalverrichtingen en het lopende beheer van de schulden,
- de kapitaalverrichtingen en het beheer van de schulden voor het betrokken begrotingsjaar;
- de kapitaalverrichtingen en het beheer van de schulden voor het betrokken begrotingsjaar;
e) alle GBVB-uitgaven in één begrotingshoofdstuk, „GBVB” getiteld, met specifieke begrotingsartikelen. Die artikelen hebben betrekking op GBVB-uitgaven en bevatten specifieke begrotingslijnen waarin in ieder geval de belangrijkste missies worden vermeld.
e) alle GBVB-uitgaven in één begrotingshoofdstuk, „GBVB” getiteld, met specifieke begrotingsartikelen. Die artikelen hebben betrekking op GBVB-uitgaven en bevatten een specifieke begrotingslijn per missie;
e bis) alle ontvangsten en uitgaven in het kader van de respectieve Europese ontwikkelingsfondsen, die worden opgenomen op een speciaal begrotingsonderdeel binnen de afdeling van de Commissie.
Amendement 281
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 1 – alinea 2 – letter b
b) het totale aantal toegestane ambten per personeelsformatie wordt niet overschreden.
b) de instelling of het orgaan heeft deelgenomen aan een benchmark-studie met andere organen van de Unie en andere instellingen, waarmee is begonnen met de personeelsscreening van de Commissie.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 49
Wanneer bij de uitvoering van een handeling van de Unie de in de begroting beschikbare kredieten of de in het meerjarig financieel kader beschikbare toewijzingen zouden worden overschreden, kan die handeling in financieel opzicht pas ten uitvoer worden gelegd nadat de begroting is gewijzigd en, in voorkomend geval, het meerjarig financieel kader in die zin is herzien.

Wanneer bij de uitvoering van een handeling van de Unie de in de begroting beschikbare kredieten of de in het meerjarig financieel kader beschikbare toewijzingen zouden worden overschreden, kan die handeling in financieel opzicht pas ten uitvoer worden gelegd nadat de begroting is gewijzigd en, in voorkomend geval, het meerjarig financieel kader in die zin is herzien. Voor de toepassing van dit artikel en onverminderd artikel 4, lid 2, wordt geacht sprake te zijn van een handeling van de Unie in geval van transacties tot het opnemen of verstrekken van leningen die gevolgen hebben voor de totale marge van het MFK (artikel 9, lid 4) van het lopende of de volgende jaren waarop het meerjarig financieel kader van toepassing is.

Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 2
2.  De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de kredieten worden besteed volgens het beginsel van goed financieel beheer.
2.  De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de kredieten worden besteed volgens het beginsel van goed financieel beheer en komen hun controle- en auditverplichtingen na overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 51 – lid 1 – alinea 2
Een basisbesluit is een wetgevingshandeling die een rechtsgrond geeft aan de actie en aan de uitvoering van de desbetreffende in de begroting opgenomen uitgave.

Een basisbesluit is een wetgevingshandeling die een rechtsgrond geeft aan de actie en aan de uitvoering van de desbetreffende in de begroting opgenomen uitgave. Artikel 2 is van toepassing.

Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 51 – lid 3
3.  In het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie kan een basisbesluit een van de in artikel 26, lid 2, artikel 28, lid 1, artikel 29, artikel 31, lid 2, artikel 33 en artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde vormen aannemen.
3.  In het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna „VWEU”) kan een basisbesluit een van de volgende vormen aannemen:
- besluit van de Raad tot vaststelling en uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (artikel 26, lid 2, VEU);
- besluit van de Raad betreffende een door een internationale situatie vereist operationeel optreden (artikel 28, lid 1, VEU);
- besluit van de Raad tot bepaling van de aanpak van de Unie ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard (artikel 29 VEU);
- besluiten van de Raad ter bepaling van een optreden of een standpunt van de Unie, of ter uitvoering van een dergelijk optreden of standpunt (artikel 31, lid 2, eerste tot en met derde streepje, VEU) of ter benoeming van een speciale vertegenwoordiger (artikel 31, lid 2, vierde streepje, en artikel 33 VEU);
- sluiting van overeenkomsten met één of meer staten of internationale organisaties (artikel 37 VEU).
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 51 – lid 5 – letter b - alinea's 2 bis en 2 ter (nieuw)
Het totale bedrag van de kredieten voor de onder a) bedoelde proefprojecten mag niet hoger zijn dan 40 miljoen EUR per begrotingsjaar.

Het totale bedrag van de kredieten voor de in de eerste alinea van dit punt bedoelde nieuwe voorbereidende acties mag niet hoger zijn dan 50 miljoen EUR per begrotingsjaar en het totale bedrag van de daadwerkelijk vastgelegde kredieten voor voorbereidende acties mag niet hoger zijn dan 100 miljoen EUR.

Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 51 – lid 5 – letter c
c) kredieten voor voorbereidende maatregelen op het gebied van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Deze maatregelen worden beperkt tot een korte periode en dienen om de voorwaarden vast te stellen voor het optreden van de Europese Unie ter verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB en voor de goedkeuring van de nodige juridische instrumenten.
c) kredieten voor voorbereidende maatregelen op het gebied van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (betreffende algemene bepalingen inzake het extern optreden van de Unie en specifieke bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid). Deze maatregelen worden beperkt tot een korte periode en dienen om de voorwaarden vast te stellen voor het optreden van de Europese Unie ter verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB en voor de goedkeuring van de nodige juridische instrumenten.
Voorbereidende maatregelen voor crisisbeheersingsoperaties van de Unie dienen onder meer om na te gaan wat de operationele behoeften zijn, te zorgen voor een snelle terbeschikkingstelling van de eerste middelen of ter plaatse de voorwaarden voor de start van de operatie te scheppen.

Voorbereidende maatregelen voor crisisbeheersingsoperaties van de Unie dienen onder meer om na te gaan wat de operationele behoeften zijn, te zorgen voor een snelle terbeschikkingstelling van de eerste middelen of ter plaatse de voorwaarden voor de start van de operatie te scheppen.

Voorbereidende maatregelen worden overeengekomen door de Raad, op voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid.

Voorbereidende maatregelen worden overeengekomen door de Raad, in nauwe samenwerking met de Commissie, en het Europees Parlement wordt ruim op tijd vooraf geraadpleegd en uitvoerig geïnformeerd over de voorbereidende maatregelen, met name die welke betrekking hebben op acties in het kader van het GVBV en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

Met het oog op een snelle uitvoering van de voorlopige maatregelen wordt de Commissie zo spoedig mogelijk door de hoge vertegenwoordiger geïnformeerd over het voornemen van de Raad om tot een voorbereidende maatregel over te gaan en in het bijzonder over de hiervoor naar raming benodigde middelen. In overeenstemming met deze verordening neemt de Commissie alle nodige maatregelen om een snelle terbeschikkingstelling van de middelen te waarborgen;

Met het oog op een snelle uitvoering van de voorlopige maatregelen worden het Europees Parlement en de Commissie zo spoedig mogelijk door de hoge vertegenwoordiger geïnformeerd over het voornemen van de Raad om tot een voorbereidende maatregel over te gaan en in het bijzonder over de hiervoor naar raming benodigde middelen. In overeenstemming met de bepalingen van deze verordening neemt de Commissie alle nodige maatregelen om een snelle terbeschikkingstelling van de middelen te waarborgen;

Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 1
1.  Het is alle financiële actoren en elke andere persoon die bij de uitvoering, het beheer, de audit of de controle van de begroting betrokken is, verboden enige handeling te verrichten waarbij hun eigen belangen in conflict kunnen komen met die van de Unie. Indien een dergelijk geval zich voordoet, dient de betrokkene van deze handeling af te zien en zich tot het bevoegde gezag te wenden.
1.  Het is alle financiële actoren en elke andere persoon die bij de uitvoering, het beheer, met inbegrip van voorbereidende handelingen op dit gebied, de audit of de controle van de begroting betrokken is, verboden enige handeling te verrichten waarbij hun eigen belangen in conflict kunnen komen met die van de Unie. Indien een dergelijk geval zich voordoet, dient de betrokkene van deze handeling af te zien en zich tot zijn hiërarchieke meerdere te wenden, die schriftelijk meedeelt of er sprake is van een belangenconflict. Indien er sprake blijkt te zijn van een belangenconflict beëindigt de betreffende persoon zijn of haar activiteiten in verband met de onderhavige zaak. De hiërarchieke meerdere neemt persoonlijk de nodige verdere maatregelen.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 2
2.  Een belangenconflict doet zich voor wanneer de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van de in lid 1 bedoelde financiële actor of andere persoon in gevaar wordt gebracht als gevolg van familiebanden, vriendschap, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elke andere eventuele belangengemeenschap met de begunstigde.
2.  Een belangenconflict doet zich voor wanneer de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van de in lid 1 bedoelde financiële actor of andere persoon in gevaar wordt gebracht of in de ogen van het publiek als zodanig kan worden beschouwd als gevolg van familiebanden, vriendschap, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elke andere eventuele belangengemeenschap met de begunstigde.
Er is kans op belangenconflicten in onder meer de volgende gevallen:

a) het aan zichzelf of aan derden die door bloedverwantschap of huwelijk verwant zijn of om andere specifieke redenen verlenen van ongerechtvaardigde directe of indirecte voordelen;
b) een weigering om aan een mogelijke begunstigde, ontvanger, kandidaat of inschrijver de rechten of voordelen te verlenen waarop zij recht hebben, of het in te hoge mate toekennen daarvan;
c) het verrichten van ongepaste of onrechtmatige handelingen dan wel het niet-verrichten van noodzakelijke handelingen.
Er wordt geacht sprake te zijn van een belangenconflict indien een mogelijke begunstigde, aanvrager, kandidaat of inschrijver een personeelslid is waarop het Personeelsstatuut van toepassing is, dan wel een arbeidscontractant, lokale functionaris of gedetacheerde nationale deskundige.

Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 1 – letter a
a) via haar diensten, via de delegaties van de Unie overeenkomstig de tweede alinea van artikel 53 of via uitvoerende agentschappen als bedoeld in artikel 59;
a) via haar diensten, via personeel in de delegaties van de Unie onder leiding van het respectieve delegatiehoofd overeenkomstig de tweede alinea van artikel 53 of via uitvoerende agentschappen als bedoeld in artikel 59;
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 1 – letter b
b) op indirecte wijze, onder gedeeld beheer met de lidstaten of door taken tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan:
b) op indirecte wijze, onder gedeeld beheer met de lidstaten of, afhankelijk van een specifieke bepaling in het basisbesluit waarin tevens, behalve in de gevallen i) en iv), het type uitvoeringspartners en de soorten acties worden omschreven, door bepaalde specifieke taken tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan:
i) derde landen of de door hen aangewezen organen;
i) derde landen of de door hen aangewezen organen;
ii) internationale organisaties en hun agentschappen;
ii) internationale organisaties en hun agentschappen;
iii) financiële instellingen waaraan overeenkomstig titel VIII de uitvoering van financieringsinstrumenten is toevertrouwd;
iv) de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds of elke andere dochter van de Bank;
iv) de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;
v) de in de artikelen 200 en 201 bedoelde organen;
v) de in de artikelen 196 ter en 196 quater bedoelde organen;
vi) publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak, mits deze laatste voldoende financiële garanties bieden;
vi) publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak, mits deze laatste voldoende financiële garanties bieden;
vii) privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;
viii) personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in het betrokken basisbesluit in de zin van artikel 51 van deze verordening.
viii) personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in het betrokken basisbesluit in de zin van artikel 51 van deze verordening.
De Commissie blijft verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting (artikel 317 VWEU) en stelt het Europees Parlement in kennis van de acties uitgevoerd door de entiteiten genoemd in punt i) tot en met viii). Het financieel memorandum (artikel 27) omvat een grondige motivering voor de keuze van een particuliere entiteit als genoemd in punt i) tot en met viii).

Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis. In het financieringsbesluit dat bij het jaarlijks activiteitenverslag wordt gevoegd (artikel 63, lid 9) worden de doelstellingen, de verwachte resultaten, de methode van uitvoering en het totaalbedrag van het financieringsplan vermeld. Tevens bevat het een beschrijving van de te financieren maatregelen en een vermelding van het aan elke maatregel toegewezen bedrag, alsmede een indicatief tijdschema voor de uitvoering.

In gevallen van indirect beheer worden tevens de gekozen uitvoerende partner, de gehanteerde criteria en de aan de partner toevertrouwde taken vermeld.

Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter. De in lid 1, onder b), punt i) tot en met viii) genoemde entiteiten en personen werken ten volle mee aan de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie. De Europese Rekenkamer en OLAF moeten in alle gevallen het recht hebben om hun bevoegdheden uit hoofde van het VWEU ten volle uit te oefenen met betrekking tot de op deze wijze beheerde middelen.

De Commissie laat het toevertrouwen van uitvoerende taken afhangen van de aanwezigheid van transparante, niet-discriminerende, efficiënte en doeltreffende beroepsprocedures met betrekking tot de feitelijke uitvoering van die taken, dan wel de uitvoering van een actieplan om dergelijke procedures te versterken.

De rekenplichtige houdt een lijst bij van entiteiten en personen aan wie bepaalde specifieke uitvoerende taken zijn toevertrouwd, en deze lijst wordt als bijlage bij de jaarrekeningen gevoegd. Alle overeenkomsten die met dergelijke entiteiten en personen worden gesloten worden op diens verzoek aan de begrotingsautoriteit beschikbaar gesteld.

De in lid 1, onder b, punt i) tot en met viii) genoemde entiteiten en personen waaraan uitvoeringstaken worden gedelegeerd, zorgen, in overeenstemming met artikel 31, lid 2, voor een adequate jaarlijkse bekendmaking achteraf van de begunstigden van begrotingsmiddelen. De Commissie wordt op de hoogte gesteld van de getroffen maatregelen.

Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 1
Verantwoordelijkheid voor de begrotingsuitvoering onder gedeeld beheer

1.  De lidstaten handelen met inachtneming van de beginselen van gezond financieel beheer, transparantie en non-discriminatie en geven zichtbaarheid aan het optreden van de Unie wanneer zij middelen van de Unie beheren. Zij komen daartoe de controle- en auditverplichtingen na en nemen de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden op zich die in deze verordening zijn vastgesteld. Aanvullende voorschriften kunnen worden vastgesteld in sectorspecifieke regelgeving.
1.  Wanneer de Commissie de begroting onder gedeeld beheer uitvoert, worden de taken tot uitvoering van de begroting aan de lidstaten gedelegeerd. De lidstaten handelen met inachtneming van de beginselen van gezond financieel beheer, transparantie en non-discriminatie en geven zichtbaarheid aan het optreden van de Unie wanneer zij middelen van de Unie beheren. Daartoe komen de Commissie en de lidstaten hun respectieve controle- en auditverplichtingen na en nemen zij de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden op zich die in deze verordening zijn vastgesteld. Aanvullende voorschriften worden vastgesteld in sectorspecifieke regelgeving.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 2
Specifieke taken van de lidstaten

In het kader van de hun toevertrouwde taken voor de uitvoering van de begroting doen de lidstaten aan preventie, opsporing en correctie van onregelmatigheden en fraude. Daartoe verrichten zij vooraf en achteraf controles, met inbegrip van controles ter plaatse waar zulks dienstig is, om een effectieve en correcte uitvoering van uit de begroting gefinancierde acties te waarborgen, gaan zij over tot terugvordering van onterecht betaalde bedragen en stellen zij in voorkomend geval gerechtelijke procedures in.

De lidstaten nemen, wanneer zij taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting uitoefenen, alle nodige wetgevende, regelgevende, administratieve of andere maatregelen ter bescherming van de financiële belangen van de Unie. Hiertoe dienen zij met name:

a) zich ervan te vergewissen dat uit de begroting gefinancierde acties daadwerkelijk en naar behoren worden uitgevoerd, en daartoe organen te erkennen die bevoegd zijn om de middelen van de Unie te beheren en te controleren;
b) onregelmatigheden en fraude te voorkomen, te achterhalen en aan te pakken.
Daartoe voeren zij, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, en in overeenstemming met de lid 2, onder a, en leden 3 t/m 5, alsmede met de relevante sectorspecifieke regelgeving, vooraf en achteraf controles uit, met inbegrip van controles ter plaatse op representatieve steekproeven van verrichtingen, waar zulks dienstig is. Daarnaast gaan zij over tot terugvordering van onterecht betaalde bedragen en stellen zij in voorkomend geval gerechtelijke procedures in. De Commissie kan de systemen beoordelen die in de lidstaten zijn opgezet op verzoek van een lidstaat, op basis van haar eigen risicobeoordeling of overeenkomstig sectorspecifieke voorschriften.

Indien lidstaten fouten en/of onregelmatigheden die zij ontdekken onmiddellijk aan de Commissie bekend maken en verhelpen, met name door onterecht betaalde bedragen terug te vorderen, zijn zij vrijgesteld van financiële correcties in verband met deze fouten en/of onregelmatigheden tot het tijdstip van bekendmaking.

De lidstaten leggen de ontvangers doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties op waarin is voorzien bij sectorspecifieke regelgeving en nationale wetgeving.

De lidstaten leggen de ontvangers doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties op indien hierin is voorzien bij sectorspecifieke regelgeving en specifieke bepalingen in nationale wetgeving.

Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 3
Rol en bevoegdheden van de erkennende autoriteit

3.  Overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving erkennen de lidstaten een of meer overheidsorganen die als enige bevoegd zijn om de middelen waarvoor de erkenning is verleend, adequaat te beheren en te controleren. Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de betrokken organen om naast het beheer van middelen van de Unie andere taken te verrichten of sommige taken aan andere organen toe te vertrouwen.
3.  Overeenkomstig criteria en procedures die zijn vastgelegd in sectorspecifieke regelgeving erkennen de lidstaten erkende organen die bevoegd zijn om de middelen van de Unie te beheren en intern te controleren. Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de betrokken organen om naast het beheer van middelen van de Unie andere taken te verrichten of sommige taken aan andere organen toe te vertrouwen. De erkennende autoriteit is daarnaast verantwoordelijk voor het uitoefenen van toezicht op de naleving van de erkenningsnormen door de erkende organen, op basis van bestaande controles en controleresultaten. Zij neemt alle dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de door haar erkende organen opgedragen taken worden verholpen, met inbegrip van schorsing en intrekking van de erkenning. De rol van de Commissie in het in lid 2 bedoelde erkenningsproces wordt nader omschreven in de sectorspecifieke regelgeving, rekening houdend met de risico's in het betreffende beleidsterrein.
De erkenning door een nationale autoriteit vindt plaats op grond van sectorspecifieke regelgeving die moet waarborgen dat het orgaan in staat is om de middelen adequaat te beheren. De sectorspecifieke regelgeving kan eveneens een rol in het erkenningsproces toekennen aan de Commissie.

De erkennende autoriteit is verantwoordelijk voor het uitoefenen van toezicht op het orgaan en voor het nemen van alle dienstige maatregelen om tekortkomingen in de werking ervan te verhelpen, met inbegrip van schorsing en intrekking van de erkenning.

Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 4
Rol en bevoegdheden van erkende organen

4.  De overeenkomstig lid 3 van dit artikel erkende organen:
4.  De lidstaten, op passend niveau, en wel door middel van de overeenkomstig lid 3 van dit artikel erkende organen:
a) stellen een doeltreffend en efficiënt internecontrolesysteem in en zien toe op de werking ervan;
a) stellen een doeltreffend en efficiënt internecontrolesysteem in en zien toe op de werking ervan;
b) gebruiken een stelsel van jaarrekeningen dat tijdig nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie verstrekt;
b) gebruiken een stelsel van jaarrekeningen dat tijdig nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie verstrekt;
c) onderwerpen zich aan onafhankelijke externe accountantscontrole, uitgevoerd volgens internationaal aanvaarde controlenormen door een instantie die functioneel onafhankelijk is van het erkende orgaan;
c) verstrekken de vereiste gegeven en informatie in overeenstemming met lid 5;
d) zorgen er overeenkomstig artikel 31, lid 2, voor dat achteraf wordt bekendgemaakt wie in een begrotingsjaar middelen van de Unie heeft ontvangen;
d) zorgen er overeenkomstig artikel 31, lid 2, voor dat achteraf wordt bekendgemaakt wie middelen van de Unie heeft ontvangen. De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig nationale bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG.
f) zien erop toe dat persoonsgegevens volgens de beginselen van Richtlijn 95/46/EG worden beschermd.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 5
Inhoud, tijdschema en controle van door de erkende organen gemelde gegevens

5.  De overeenkomstig lid 3 van dit artikel erkende organen bezorgen de Commissie vóór 1 februari van het volgende begrotingsjaar:
5.  De overeenkomstig lid 3 erkende organen bezorgen de Commissie vóór 1 maart van het volgende begrotingsjaar:
a) de rekeningen betreffende de voor de uitvoering van de toevertrouwde taken gedane uitgaven;
a) de jaarrekeningen van de erkende organen inzake de uitgaven die zij hebben gedaan in het kader van de uitvoering van de aan hen toevertrouwde taken en bij de Commissie zijn ingediend met het oog op vergoeding, met inbegrip van vooruitbetalingen en bedragen waarvoor terugvorderingsprocedures lopen of zijn afgerond. Deze gegevens gaan vergezeld van een beheersverklaring waarin degenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de middelen bevestigen dat:
– de informatie op juiste, volledige en accurate wijze is gepresenteerd;
– de uitgaven zijn gebruikt voor de beoogde doelen, zoals omschreven in de sectorspecifieke regelgeving;
– de ingevoerde controleprocedures de nodige garanties verstrekken in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen; In een bijlage bij de verklaring worden, indien van toepassing, het foutenpercentage per type en een analyse van de fouten en voorbehouden verstrekt;
b) een samenvatting van de resultaten van alle beschikbare verrichte audits en controles, in voorkomend geval met een analyse van vastgestelde tekortkomingen met een systematisch of repetitief karakter en met opgave van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen;
b) een samenvatting van de definitieve controleverslagen en van de verrichte controles, met een analyse van tekortkomingen met een systemisch of repetitief karakter en met opgave van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen en de resultaten daarvan;
c) een beheersverklaring betreffende de volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid van de rekeningen, de goede werking van het internecontrolesysteem, de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen en de eerbiediging van het beginsel van goed financieel beheer;
De onder a) vermelde jaarrekeningen en de onder b) vermelde samenvatting gaan vergezeld van een advies door een onafhankelijk controleorgaan, opgesteld overeenkomstig internationaal gangbare controlenormen, waarin wordt aangegeven of de boekhoudgegevens een getrouw en eerlijk beeld geven, en of uitgaven waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht wettig en regelmatig zijn, alsmede of er sprake is van een goede werking van de ingestelde controleprocedures. Indien de beweringen in de beheersverklaring in het onderzoek in twijfel worden getrokken, wordt dit in het advies vermeld. In een bijlage bij het advies worden het foutenpercentage per type en een analyse van de fouten en voorbehouden verstrekt.

d) een verklaring van een onafhankelijk controleorgaan over alle onderdelen van de onder c) van dit lid bedoelde beheersverklaring.
Lidstaten die per beleidsterrein meer dan één orgaan hebben erkend, bezorgen de Commissie vóór 15 februari van het volgende begrotingsjaar voor het betrokken beleidsterrein een verslag waarin op nationaal niveau een synthese wordt gemaakt van alle beheersverklaringen en de daarover uitgebrachte onafhankelijke accountantsverklaringen.

Lidstaten die per beleidsterrein meer dan één orgaan voor het beheer van fondsen hebben erkend, bezorgen de Commissie vóór 15 maart van het volgende begrotingsjaar voor het betrokken beleidsterrein een verslag waarin op nationaal niveau een synthese wordt gemaakt van alle beheersverklaringen en de overeenkomstige uitgebrachte onafhankelijke accountantsverklaringen.

De lidstaten publiceren deze informatie op het daarvoor geëigende niveau uiterlijk 6 maanden na deze documenten bij de Commissie te hebben ingediend.

Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 6
Specifieke taken van de Commissie

6.   De Commissie:
6.   Om ervoor te zorgen dat de middelen worden gebruikt in overeenstemming met de toepasbare voorschriften moet de Commissie:
-  a) de manier controleren waarop de lidstaten hun verantwoordelijkheden nakomen, met name door tijdens de tenuitvoerlegging van programma's controles uit te voeren;
a) zorgt ervoor dat door middel van passende procedures de rekeningen van de erkende organen tijdig worden goedgekeurd, dat de volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid ervan worden gewaarborgd, en dat gevallen van onregelmatigheid tijdig kunnen worden afgewikkeld;
a) procedures toepassen voor tijdige goedkeuring van de rekeningen van de erkende organen, om vast te stellen of de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn;
b) sluit betalingen die in strijd met het recht van de Unie zijn verricht, van financiering door de Unie uit.
b) betalingen die in strijd met het recht van de Unie zijn verricht, van financiering door de Unie uitsluiten;
b bis) betalingstermijnen onderbreken of betalingen opschorten in geval van ernstige tekortkomingen bij het toezicht door een lidstaat of bij het functioneren van een overeenkomstig lid 3 erkend orgaan, indien de vereiste acties niet onmiddellijk zijn ondernomen.
De voorwaarden waaronder betalingen aan de lidstaten kunnen worden opgeschort door de Commissie of onderbroken door de gedelegeerd ordonnateur, worden bij sectorspecifieke regelgeving vastgesteld.

De Commissie kan besluiten de onderbreking of schorsing van betalingen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken nadat een lidstaat zijn opmerkingen heeft ingediend. In het jaarlijks activiteitenverslag van de bevoegde gedelegeerd ordonnateur van de Commissie komen alle verplichtingen uit hoofde van dit lid aan bod.

Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 6 bis (nieuw)
Specifieke bepalingen inzake Europese territoriale samenwerking

6 bis. In sectorspecifieke regelgeving wordt rekening gehouden met de behoeften van programma's voor Europese territoriale samenwerking, met name wat betreft de inhoud van de jaarlijkse beheersverklaring, het erkenningsproces en de controlefunctie.

Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 6 ter (nieuw)
Nationale betrouwbaarheidsverklaringen

6 ter. De lidstaten geven een nationale verklaring af over de uitgaven die zijn gedaan in het kader van de methode van gedeeld beheer. Deze verklaring wordt ondertekend op passend politiek niveau en is gebaseerd op de in lid 5, onder c) bedoelde informatie en heeft in ieder geval betrekking op het doeltreffend functioneren van de interne controlesystemen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Een onafhankelijk adviesorgaan brengt advies uit over deze verklaring, die uiterlijk 15 maart van het jaar volgend op het betreffende begrotingsjaar bij de Commissie wordt ingediend.

De Rekenkamer en het Contactcomité van de hoogste controle-instanties van de Europese Unie worden geraadpleegd over de richtsnoeren voor de opstelling van deze nationale verklaringen.

Indien een lidstaat een nationale verklaring heeft afgegeven overeenkomstig onderhavig lid, wordt hiermee rekening gehouden bij het bepalen van de in lid 6 van dit artikel genoemde strategieën van de Commissie op het gebied van audit en controle en de vaststelling van risico op het niveau van de lidstaten overeenkomstig artikel 29; de verklaring wordt, mutatis mutandis, doorgestuurd naar de begrotingsautoriteit overeenkomstig artikel 63, lid 9.

Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 1
1.  Entiteiten waaraan en personen aan wie overeenkomstig artikel 55, lid 1, onder b), taken tot uitvoering van de begroting zijn toevertrouwd, handelen met inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie en geven zichtbaarheid aan het optreden van de Unie wanneer zij middelen van de Unie beheren. Zij waarborgen daarbij een niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie dat gelijkwaardig is aan het bij deze verordening voorgeschreven niveau, rekening houdende met:
1.  Entiteiten waaraan en personen aan wie overeenkomstig artikel 55, lid 1, onder b), taken tot uitvoering van de begroting zijn toevertrouwd, anders dan de lidstaten, handelen met inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie en geven zichtbaarheid aan het optreden van de Unie wanneer zij middelen van de Unie beheren. Zij waarborgen daarbij een niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie dat gelijkwaardig is aan het bij deze verordening voorgeschreven niveau, rekening houdende met:
a) de aard van de hen toevertrouwde taken en de betrokken bedragen;
a) de aard van de hen toevertrouwde taken en de betrokken bedragen;
b) de financiële risico's;
b) de financiële risico's;
c) de mate van zekerheid die wordt verschaft door hun systemen, regels en procedures, in combinatie met de maatregelen die door de Commissie worden genomen om de uitvoering van de toevertrouwde taken te superviseren en te ondersteunen.
c) de mate van zekerheid die wordt verschaft door hun systemen, regels en procedures, in combinatie met de maatregelen die door de Commissie worden genomen om de uitvoering van de toevertrouwde taken te superviseren en te ondersteunen.
Amendementen 117 en 282
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 2
2.  De in lid 1 bedoelde entiteiten en personen, met het oog op dat doel:
2.  De in lid 1 bedoelde entiteiten en personen, met het oog op dat doel, en overeenkomstig normen die overeenstemmen met de normen die doorgaans in de Unie worden toegepast, of indien deze niet bestaan, met internationaal gangbare normen, en omschreven in de overeenkomst waarmee de gespecificeerde uitvoeringstaken worden toevertrouwd:
a) stellen een doeltreffend en efficiënt internecontrolesysteem in en zien toe op de werking ervan;
a) stellen een doeltreffend en efficiënt internecontrolesysteem in en zien toe op de werking ervan;
b) gebruiken een stelsel van jaarrekeningen dat tijdig nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie verstrekt;
b) gebruiken een stelsel van jaarrekeningen dat tijdig nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie verstrekt;
c) onderwerpen zich aan onafhankelijke externe accountantscontrole, uitgevoerd volgens internationaal aanvaarde controlenormen door een instantie die functioneel onafhankelijk is van de betrokken entiteit of persoon;
c) onderwerpen zich aan onafhankelijke externe accountantscontrole, uitgevoerd volgens internationaal aanvaarde controlenormen door een instantie die functioneel onafhankelijk is van de betrokken entiteit of persoon;
d) passen regels en procedures toe die moeten voorzien in een adequate financiering uit middelen van de Unie via subsidies, overheidsopdrachten en financieringsinstrumenten;
d) passen regels en procedures toe die moeten voorzien in een adequate financiering uit middelen van de Unie via subsidies, overheidsopdrachten en financieringsinstrumenten;
e) zorgen er overeenkomstig artikel 31, lid 2, voor dat achteraf wordt bekendgemaakt wie in een begrotingsjaar middelen van de Unie heeft ontvangen;
e) zorgen er overeenkomstig artikel 31, lid 2, voor dat achteraf wordt bekendgemaakt wie middelen van de Unie heeft ontvangen en waarborgen de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig de beginselen van Richtlijn 95/46/EG;
f) beschermen op afdoende wijze persoonsgegevens.
f) beschermen op afdoende wijze persoonsgegevens zoals bepaald in Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001.
De in artikel 55, lid 1, onder b), viii), bedoelde personen mogen stapsgewijs aan deze eisen voldoen. De financiële regels die zij vaststellen, dienen van tevoren door de Commissie te worden goedgekeurd.

De financiële regels die zij vaststellen, dienen van tevoren door de Commissie te worden goedgekeurd,onverminderd het bepaalde in artikel 196ter en artikel 196 quater. De in artikel 55, lid 1, onder b), punt viii), bedoelde personen mogen binnen de eerste zes maanden van hun mandaat stapsgewijs aan de onder a) t/m e) van dit lid genoemde eisen voldoen.

Amendement 300
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 2 – alinea 2 bis (nieuw)
Met het oog op de rechtszekerheid worden achteraf geen strengere regels voor deelname toegepast en wordt de begunstigden niet gevraagd financiële staten die reeds door de Commissie zijn goedgekeurd, opnieuw te berekenen.

Amendement 288
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. Het melden van vermoede onregelmatigheden met Uniegelden in de lidstaten wordt door de instellingen en organen van de Unie actief aangemoedigd

Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 4 – alinea 2
De gedelegeerd ordonnateur kan betalingen aan dergelijke entiteiten of personen geheel of gedeeltelijk onderbreken om nadere verificaties te verrichten wanneer hij kennis krijgt van informatie waaruit blijkt dat de werking van het internecontrolesysteem een belangrijke tekortkoming vertoont of dat door de betrokken entiteit of persoon gecertificeerde uitgaven verband houden met een grove onregelmatigheid en niet zijn gecorrigeerd, mits de onderbreking noodzakelijk is om te voorkomen dat de financiële belangen van de Unie ernstig worden geschaad.
Onverminderd het bepaalde in artikel 89 kan de gedelegeerd ordonnateur betalingen aan dergelijke entiteiten of personen geheel of gedeeltelijk onderbreken om nadere verificaties te verrichten wanneer hij kennis krijgt van informatie waaruit blijkt dat de werking van het internecontrolesysteem een belangrijke tekortkoming vertoont of dat door de betrokken entiteit of persoon gecertificeerde uitgaven verband houden met een grove onregelmatigheid en niet zijn gecorrigeerd, mits de onderbreking noodzakelijk is om te voorkomen dat de financiële belangen van de Unie ernstig worden geschaad.

Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 5
5.  De in lid 1 bedoelde entiteiten en personen bezorgen de Commissie:
5.  De in lid 1 bedoelde entiteiten en personen bezorgen de Commissie:
a) een verslag over de uitvoering van de hun toevertrouwde taken;
a) een verslag over de uitvoering van de hun toevertrouwde taken;
b) de rekeningen betreffende de voor de uitvoering van de toevertrouwde taken gedane uitgaven;
b) de rekeningen betreffende de voor de uitvoering van de toevertrouwde taken gedane uitgaven;
c) een samenvatting van de resultaten van alle beschikbare verrichte audits en controles, in voorkomend geval met een analyse van vastgestelde tekortkomingen met een systematisch of repetitief karakter en met opgave van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen;
c) een samenvatting van de resultaten van alle beschikbare verrichte audits en controles, in voorkomend geval met een analyse van vastgestelde tekortkomingen met een systematisch of repetitief karakter en met opgave van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen;
d) een beheersverklaring betreffende de volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid van de rekeningen, de goede werking van het internecontrolesysteem, de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen en de eerbiediging van het beginsel van goed financieel beheer;
d) een beheersverklaring die redelijke zekerheid verschaft dat:
i) de in het verslag opgenomen gegevens een getrouw en eerlijk beeld geven;
ii) de in de rekeningen genoemde bedragen voor het beoogde doel en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer zijn ingezet;
iii) de ingevoerde controleprocedures de nodige garanties verstrekken in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.
e) een verklaring van een onafhankelijk controleorgaan over alle onderdelen van de onder d) van dit lid bedoelde beheersverklaring.
e)  Deze documenten gaan vergezeld van een advies door een onafhankelijk controleorgaan, opgesteld overeenkomstig internationaal gangbare controlenormen, over de volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid van de rekeningen, de goede werking van de controleprocedures en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Het controleorgaan brengt verslag uit indien de beweringen in de beheersverklaring in het onderzoek in twijfel worden getrokken.
Deze verschillende elementen worden aan de Commissie bezorgd uiterlijk op 1 februari van het volgende begrotingsjaar, met uitzondering van de onder e) bedoelde accountantsverklaring die uiterlijk op 15 maart wordt bezorgd.

Deze verschillende elementen worden aan de Commissie bezorgd uiterlijk op 1 februari van het volgende begrotingsjaar, met uitzondering van de onder e) bedoelde accountantsverklaring die uiterlijk op 15 maart wordt bezorgd.

Deze verplichtingen gelden onverminderd de bepalingen van met internationale organisaties en derde landen gesloten overeenkomsten. Deze bepalingen omvatten ten minste de verplichting voor de entiteiten om de Commissie jaarlijks een verklaring te bezorgen dat de bijdrage van de Unie in het betrokken begrotingsjaar is gebruikt, en dat daarover rekening en verantwoording is afgelegd, in overeenstemming met de voorschriften van lid 2 van dit artikel en met de uit de overeenkomst met de betrokken internationale organisatie of het betrokken derde land voortvloeiende verplichtingen.

Deze verplichtingen gelden onverminderd de bepalingen van met internationale organisaties en derde landen gesloten overeenkomsten. Deze bepalingen omvatten ten minste de verplichting voor de entiteiten om de Commissie jaarlijks een verklaring te bezorgen dat de bijdrage van de Unie in het betrokken begrotingsjaar is gebruikt, en dat daarover rekening en verantwoording is afgelegd, in overeenstemming met de voorschriften van lid 2 van dit artikel en met de uit de overeenkomst met de betrokken internationale organisatie of het betrokken derde land voortvloeiende verplichtingen, en gecontroleerd door de bevoegde hoogste controle-instantie. De resultaten van de controles worden meegedeeld aan de kwijtingsautoriteit. Dit laat de onderzoeksbevoegdheden van de Europese Rekenkamer en OLAF onverlet.

Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 6
6.  De Commissie:
6.  De Commissie:
a) zorgt voor het toezicht op en de evaluatie van de uitvoering van de toevertrouwde taken;
a) ziet erop toe dat de entiteiten hun verantwoordelijkheden nakomen, met name door tijdens de tenuitvoerlegging van programma's controles en evaluaties uit te voeren;
b) zorgt ervoor dat door middel van passende procedures de rekeningen van de entiteiten en personen tijdig worden goedgekeurd, dat de volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid ervan worden gewaarborgd, en dat gevallen van onregelmatigheid tijdig kunnen worden afgewikkeld;
b) zorgt ervoor dat door middel van passende procedures de rekeningen van de entiteiten tijdig worden goedgekeurd, om vast te stellen of de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn, en te waarborgen dat gevallen van onregelmatigheid tijdig kunnen worden afgewikkeld;
c) sluit betalingen die in strijd met de toepasselijke regels zijn verricht, van financiering door de Unie uit.
c) sluit betalingen die in strijd met het recht van de Unie zijn verricht, van financiering door de Unie uit.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 7
7.  De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op entiteiten en personen die het voorwerp zijn van een afzonderlijke procedure van kwijting door de begrotingsautoriteit.
7.  De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op entiteiten van de Unie die het voorwerp zijn van een afzonderlijke kwijtingsprocedure indien deze entiteiten de begroting van de Unie uitvoeren.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis. De leden 1, 2 en 3 zijn mutatis mutandis van toepassing op het indirecte beheer van de kredieten die door het Europees Parlement zijn toegewezen aan zijn fracties. Het Europees Parlement stelt in dit verband uitvoeringsmaatregelen vast waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke vereisten van de fracties.

Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis. De bevoegde ordonnateur kan bij de vervulling van zijn taak worden bijgestaan door personeelsleden die onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde handelingen verrichten die nodig zijn voor de uitvoering van de begroting en de verstrekking van informatie over de financiën en het beheer. Ter voorkoming van belangenconflicten gelden voor de personeelsleden die de gedelegeerde of gesubdelegeerde ordonnateurs bijstaan, de in artikel 54 bedoelde verplichtingen.

Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 6 ter (nieuw)
6 ter. Telkens wanneer een gedelegeerde ordonnateur in functie treedt, van functie verandert of zijn functie beëindigt, stelt elke instelling de begrotingsautoriteit hiervan in kennis.

Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 6 quater (nieuw)
6 quater. Elke instelling stelt in haar interne regels de maatregelen betreffende het beheer van de kredieten vast die haar voor de goede uitvoering van haar begrotingsafdeling nodig lijken. Deze interne regels worden in de loop van de kwijtingsprocedure aan het Europees Parlement meegedeeld.

Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 6 – alinea 2
De controles vooraf en de controles achteraf worden niet door dezelfde personeelsleden uitgevoerd. De voor de controles achteraf verantwoordelijke personeelsleden zijn geen ondergeschikten van de voor de controles vooraf verantwoordelijke personeelsleden.

De controles vooraf en de controles achteraf worden niet door dezelfde personeelsleden uitgevoerd. De voor de controles achteraf verantwoordelijke personeelsleden zijn geen ondergeschikten van de voor de controles vooraf verantwoordelijke personeelsleden en vice versa.

Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 8
8.  Elk bij het financieel beheer en de controle van de verrichtingen betrokken personeelslid dat van oordeel is dat een besluit dat zijn meerdere hem verplicht toe te passen of te accepteren onregelmatig is of strijdig met het beginsel van goed financieel beheer of de beroepscode die hij gehouden is te respecteren, deelt dit schriftelijk aan de gedelegeerd ordonnateur mee en, wanneer deze niet optreedt, aan de in artikel 70, lid 6, bedoelde instantie. In geval van illegale activiteiten, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, waarschuwt hij de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties.
8.  Elk bij het financieel beheer en de controle van de verrichtingen betrokken personeelslid dat van oordeel is dat een besluit dat zijn meerdere hem verplicht toe te passen of te accepteren onregelmatig is of strijdig met het beginsel van goed financieel beheer of de beroepscode die hij gehouden is te respecteren, deelt dit schriftelijk aan de gedelegeerd ordonnateur mee en, wanneer deze niet optreedt, aan de in artikel 70, lid 6, bedoelde instantie.
In geval van illegale activiteiten, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, waarschuwt dit personeelslid de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties. Bij fraudegevallen geldt deze laatste verplichting ook voor de onafhankelijke accountants die betrokken zijn bij het financieel beheer van de Unie. Door deze informatieverstrekking kan hun aansprakelijkheid niet in het geding komen.

Voor de toepassing van dit lid geniet het betrokken personeelslid van de relevante bepalingen van het Statuut.

Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis. De rekenplichtige van de Commissie stelt regels vast voor het beheer en het gebruik van de trustrekeningen.

Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 69 – lid 2
2.  Onverminderd het bepaalde in de artikelen 70, 71 en 72, is elke ordonnateur, rekenplichtige of beheerder van gelden ter goede rekening tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut. Gevallen van illegale activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, worden voorgelegd aan de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties.
2.  Onverminderd het bepaalde in de artikelen 70, 71 en 72, is elke ordonnateur, rekenplichtige of beheerder van gelden ter goede rekening tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut. Gevallen van illegale activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, worden voorgelegd aan de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties, in het bijzonder aan OLAF.
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Afdeling 4 – Titel
INVORDERINGSOPDRACHTEN

INVORDERINGSOPDRACHTEN EN FINANCIËLE CORRECTIES

Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel -76 (nieuw)
Artikel -76

Definities

In deze afdeling:

a) zijn „invorderingsopdrachten” instrumenten die worden toegepast om de ontvangst van onregelmatige uitgaven te corrigeren; in beginsel dienen de ontvangers van dergelijke uitgaven de onterecht ontvangen bedragen terug te betalen. Indien het onmogelijk is de hoogte van de betreffende uitgaven vast te stellen, kan de hoogte van het in te vorderen bedrag met andere wetenschappelijke middelen worden bepaald. Dergelijke middelen moeten in beginsel worden omschreven voordat de uitgaven worden vastgelegd;
b) zijn „financiële correcties” instrumenten die voornamelijk bedoeld zijn om tekortkomingen in de beheerssystemen aan te pakken. Hiermee kunnen middelen worden ontnomen van lidstaten of derde landen of anderen die nalaten erop toe te zien dat de regels van de Unie correct worden toegepast. Tevens kunnen ze worden ingezet ter bevordering van de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie dat is vastgelegd in de rechtsgrond voor de respectievelijke bijdrage van de Unie.
In de rekeningen worden alle financiële correcties die zijn goedgekeurd en die moeten worden uitgevoerd aangegeven per fonds en per lidstaat, overeenkomstig artikel 132.

Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 76 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
De bij de schuldvordering behorende debetnota wordt aan de debiteur betekend en is voor de Commissie wat de inhoud betreft verbindend op het moment van betekening.

Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 76 – lid 2
2.  De instelling kan de vaststelling van een schuldvordering jegens andere personen dan staten formeel neerleggen in een besluit dat een executoriale titel in de zin van artikel 299 VWEU vormt.
2.  De Raad, de Commissie of de Europese Centrale Bank kunnen de vaststelling van een schuldvordering jegens andere personen dan staten formeel neerleggen in een besluit dat een executoriale titel in de zin van artikel 299 VWEU vormt. Voor wat betreft de andere instellingen kan de Commissie namens hen een executoriale titel vaststellen in de zin van artikel 299 VWEU, onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199.
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 1 – alinea 2
De rekenplichtige gaat over tot invordering door verrekening van de schuldvorderingen van de Unie wanneer de debiteur zelf een zekere, vaststaande en invorderbare vordering op de Unie heeft.

De rekenplichtige gaat over tot invordering door verrekening van de schuldvorderingen van de Unie wanneer de debiteur zelf een vordering op de Unie heeft. Deze vorderingen moeten zeker, vaststaand en invorderbaar zijn.

Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 2
2.  Wanneer de bevoegde gedelegeerd ordonnateur overweegt geheel of gedeeltelijk van het invorderen van een vastgestelde schuldvordering af te zien, verifieert hij of dit regelmatig is en strookt met het beginsel van goed financieel beheer en het evenredigheidsbeginsel, volgens de procedures en conform de criteria vastgesteld in de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199. Het besluit wordt gemotiveerd. De ordonnateur kan dit besluit slechts delegeren onder de in de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199 genoemde voorwaarden.
2.  Wanneer de bevoegde gedelegeerd ordonnateur overweegt geheel of gedeeltelijk van het invorderen van een vastgestelde schuldvordering af te zien, verifieert hij of dit regelmatig is en strookt met het beginsel van goed financieel beheer en het evenredigheidsbeginsel. Het besluit wordt gemotiveerd en wordt toegevoegd aan de in artikel 63, lid 9, bedoelde jaarlijkse activiteitenverslagen. De ordonnateur kan dit besluit delegeren.
De bevoegde ordonnateur kan een vastgestelde schuldvordering geheel of gedeeltelijk annuleren overeenkomstig de in de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199 neergelegde voorwaarden. De gedeeltelijke annulering van een vastgestelde schuldvordering leidt niet tot afstand van een ten gunste van de Unie vastgesteld recht.

De bevoegde ordonnateur kan een vastgestelde schuldvordering geheel of gedeeltelijk annuleren De gedeeltelijke annulering van een vastgestelde schuldvordering leidt niet tot afstand van een ten gunste van de Unie vastgesteld recht.

De regels voor de procedures en de criteria voor een besluit als hierboven bedoeld, alsmede het delegeren daarvan door de ordonnateur en het annuleren van een vastgestelde schuldverordening, worden vastgelegd in de gedelegeerde verordening bedoeld in artikel 199.

Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. De in verband met onregelmatigheden of nalatigheden door de lidstaten teruggevorderde bedragen en de desbetreffende rentevergoedingen worden overgemaakt aan de beheersautoriteit en door haar geboekt als ontvangsten voor de maand waarin zij daadwerkelijk zijn geïnd.

Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter. Bij de overmaking aan de begroting van de Unie van de teruggevorderde bedragen mag de lidstaat daarvan 20% inhouden als forfaitaire vergoeding voor de terugvorderingskosten, behalve voor de bedragen waarbij sprake is van onregelmatigheden of nalatigheden die te wijten zijn aan overheidsdiensten of andere instanties van de betrokken lidstaat.

Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 2 quater (nieuw)
2 quater. In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten besluiten de terugvordering niet voort te zetten. Een dergelijk besluit kan alleen in de volgende gevallen worden genomen:

a) indien het totaal van de reeds gemaakte en de nog te verwachten terugvorderingskosten hoger is dan het terug te vorderen bedrag, of
b) indien de invordering onmogelijk blijkt als gevolg van de overeenkomstig het nationale recht van de betrokken lidstaat geconstateerde en erkende insolventie van de debiteur of van de personen die juridisch aansprakelijk zijn voor de onregelmatigheid.
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 bis (nieuw)
Artikel 77 bis

Financiële correcties door lidstaten bij gedeeld beheer uit hoofde van Deel 2, Titel II

1.  In eerste instantie is het aan de lidstaten om onregelmatigheden te onderzoeken, op te treden wanneer een belangrijke wijziging wordt geconstateerd die de aard of de voorwaarden van de uitvoering of de controle van concrete acties of operationele programma's uit hoofde van Deel 2, Titel II, beïnvloedt, en de nodige financiële correcties te verrichten overeenkomstig de leden 2 tot en met 4.
Tevens vorderen zij middelen terug die getroffen zijn door onregelmatigheden bij uitgaven uit hoofde van Deel 2, Titel I.

2.  De lidstaat past de financiële correcties toe die noodzakelijk zijn in verband met eenmalige of systematische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma's zijn geconstateerd. De door de lidstaat verrichte correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan het operationele programma. De lidstaat houdt rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de fondsen.
Indien de relevante rechtsgrond hierin voorziet, kunnen de middelen die op deze wijze beschikbaar komen opnieuw worden gebruikt door de lidstaat voor uitgaven binnen de betreffende operationele programma's (vervangende transactie).

3.  De overeenkomstig lid 2 ingetrokken bijdrage mag niet opnieuw worden gebruikt:
a) voor de transactie of transacties waar de correctie betrekking op had, noch
b) in het geval van een financiële correctie voor een systematische onregelmatigheid, voor bestaande transacties binnen het geheel of een deel van de specifieke prioriteit waar de systematische onregelmatigheid is vastgesteld, noch
c) voor gevallen waarin een financiële correctie is uitgevoerd binnen een vervangende transactie.
4.  Bij een systemische onregelmatigheid breidt de lidstaat zijn onderzoek uit tot alle acties die daarbij betrokken kunnen zijn.
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 ter (nieuw)
Artikel 77 ter

Criteria voor financiële correcties door de Commissie

1.  De Commissie past financiële correcties toe door de bijdrage van de Unie aan een operationeel programma volledig of gedeeltelijk in te trekken als zij, na het nodige onderzoek, tot de conclusie komt dat:
a) het beheers- en controlesysteem van het programma ernstige tekortkomingen vertoont die de reeds voor het programma betaalde bijdrage van de Unie in gevaar brengen;
b) de uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat onregelmatigheden vertonen die niet door de lidstaat zijn gecorrigeerd voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid;
c) een lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 77 bis heeft voldaan voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid.
2.  De Commissie baseert haar financiële correcties op geconstateerde afzonderlijke onregelmatigheden, waarbij zij rekening houdt met de systemische aard van de onregelmatigheid om te bepalen of het nodig is een forfaitaire of geëxtrapoleerde correctie toe te passen.
Forfaitaire correcties worden alleen toegepast wanneer het onmogelijk is, gezien de aard van het geval, om ofwel de omvang en de hoogte van de geconstateerde onregelmatigheid te bepalen of om het te corrigeren bedrag te extrapoleren.

3.  De Commissie houdt bij de vaststelling van het bedrag van een correctie rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheid, en met de omvang en de financiële consequenties van de tekortkomingen die in het betrokken operationele programma zijn geconstateerd. Tenzij anders bepaald in de betreffende rechtsgrond zijn de volgende correctiepercentages van toepassing:
a) correctie van 100%
De correctie kan op 100% worden vastgesteld wanneer het beheers- en controlesysteem van de lidstaat zulke ernstige tekortkomingen vertoont dat deze ertoe leiden dat de communautaire voorschriften in het geheel niet in acht zijn genomen, waardoor alle betalingen onregelmatig zijn;

b) correctie van 25%
Wanneer de toepassing door een lidstaat van zijn beheers- en controlesysteem ernstige tekortkomingen vertoont en er aanwijzingen zijn van wijdverbreide onregelmatigheden en nalatigheid bij het tegengaan van onregelmatige of frauduleuze praktijken, is een correctie van 25% gerechtvaardigd, omdat in een dergelijk geval redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de mogelijkheid om straffeloos onregelmatige aanvragen in te dienen tot buitengewoon grote verliezen voor het Fonds zal leiden. Een correctie van 25% is ook passend voor onregelmatigheden in een afzonderlijk geval die even ernstig zijn maar niet het hele project ondeugdelijk maken;

c) correctie van 10%
Wanneer één of meer essentiële onderdelen van het systeem niet functioneren of zo slecht of zo zelden functioneren dat zij in het geheel niet effectief zijn als het erom gaat uit te maken of de aanvraag subsidiabel is dan wel een onregelmatigheid te voorkomen, is een correctie van 10% gerechtvaardigd, omdat dan redelijkerwijs mag worden geconcludeerd dat er een groot risico van wijdverbreide verliezen voor het Fonds bestaat. Een correctie van 10% is ook passend voor afzonderlijke, tamelijk ernstige onregelmatigheden in verband met essentiële onderdelen van het systeem;

d) correctie van 5%
Wanneer alle essentiële onderdelen van het systeem functioneren, maar dit niet gebeurt met de consistentie, frequentie of grondigheid als voorgeschreven bij de wetgeving, is een correctie van 5% gerechtvaardigd, aangezien dan redelijkerwijs mag worden geconcludeerd dat onder deze omstandigheden niet voldoende zekerheid is geboden wat de regelmatigheid van de aanvragen betreft en dat het risico voor het Fonds aanzienlijk is. Een correctie van 5% kan ook passend zijn indien bij afzonderlijke projecten sprake is van minder ernstige onregelmatigheden in verband met essentiële onderdelen.

Het feit dat de wijze waarop een systeem functioneert, voor verbetering vatbaar is, levert op zich niet voldoende gronden voor een financiële correctie op. Er moet sprake zijn van een ernstige tekortkoming ten aanzien van de naleving van expliciete voorschriften van de Unie of van normen inzake goede praktijken, en die tekortkoming moet het Fonds blootstellen aan een werkelijk risico dat een verlies zal worden geleden of een onregelmatigheid zal plaatsvinden.

e) correctie van 2%
Wanneer adequate prestaties zijn geleverd wat de essentiële onderdelen van het systeem betreft, maar een of meer aanvullende onderdelen absoluut niet hebben gefunctioneerd, is een correctie van 2% gerechtvaardigd gezien het kleinere risico van verliezen voor het Fonds en de geringere ernst van de inbreuk.

Een correctie van 2% zal tot 5% worden verhoogd wanneer dezelfde tekortkoming wordt geconstateerd met betrekking tot uitgaven die zijn gedaan na de datum waarop de eerste correctie is opgelegd, en de lidstaat na die eerste correctie heeft verzuimd adequate corrigerende maatregelen te nemen ten aanzien van het gedeelte van het systeem waarbij de betrokken tekortkoming is geconstateerd.

Een correctie van 2% is ook gerechtvaardigd wanneer de Commissie, zonder enige correctie op te leggen, de lidstaat erover heeft geïnformeerd dat verbeteringen moeten worden aangebracht in aanvullende onderdelen van het systeem die, hoewel zij wel degelijk bestaan, niet op bevredigende wijze functioneren, en de lidstaat de nodige maatregelen achterwege heeft gelaten.

Correcties in verband met tekortkomingen van aanvullende onderdelen van beheers- en controlesystemen worden uitsluitend opgelegd wanneer geen tekortkomingen zijn geconstateerd bij essentiële onderdelen. Als zowel essentiële als aanvullende onderdelen tekortkomingen vertonen, blijven de correcties beperkt tot het percentage dat voor de essentiële onderdelen geldt.

4.  Wanneer een lidstaat zijn in de toepasselijke rechtsgrond vermelde verplichtingen niet nakomt, kan de Commissie, proportioneel aan de mate van niet-nakoming van deze verplichtingen, een financiële correctie toepassen door de bijdrage van de structuurfondsen aan de betrokken lidstaat geheel of gedeeltelijk in te trekken.
Tenzij anders bepaald in de betreffende rechtsgrond zijn de financiële correcties van toepassing op:

a) niet-naleving van regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten, en
b) verschillen tussen de overeengekomen doelniveaus en de bereikte niveaus, alsmede
c) andere verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit de toepassing van de rechtsgrond of die zijn vastgelegd in een financieringsovereenkomst, indien het schenden van dergelijke verplichtingen het beleid van de Unie waar de financiering op is gebaseerd geheel of gedeeltelijk belemmert of indien de bescherming van de financiële belangen van de Unie dit vereist,
vastgelegd in de gedelegeerde verordening waarnaar wordt verwezen in artikel 199.
5.  Wanneer de Commissie haar standpunt baseert op feiten die zijn geconstateerd door andere auditors dan die van haar eigen diensten, trekt zij met betrekking tot de financiële consequenties haar eigen conclusies, na onderzoek van de op grond van artikel 77 bis door de betrokken lidstaat genomen maatregelen, de overeenkomstig artikel 56 verstrekte verslagen en de eventuele antwoorden van de lidstaat.
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 quater (nieuw)
Artikel 77 quater

Verlaging van de financiële correcties

1.  Het bedrag van de financiële correcties voor een specifiek fonds in een lidstaat waarop een dergelijke correctie van toepassing is, wordt verlaagd wanneer het beheersorgaan een getrouwe beheersverklaring heeft afgegeven:
a) wanneer de Commissie voor de twee opeenvolgende vorige jaren heeft vastgesteld dat een lidstaat een foutenpercentage van minder dan 2% heeft gehaald, met 10%,
b) wanneer de Commissie voor de vijf opeenvolgende vorige jaren heeft vastgesteld dat een lidstaat een foutenpercentage van minder dan 2% heeft gehaald, met 20%,
c) wanneer de Commissie voor de tien opeenvolgende vorige jaren heeft vastgesteld dat een lidstaat een foutenpercentage van minder dan 2% heeft gehaald, met 50%,
tenzij er bij de vaststelling van het foutenpercentage zelf sprake is van fraude of ander opzettelijk of duidelijk nalatig wangedrag.
2.  De financiële correctie wordt met vijftien procent per fonds verlaagd wanneer een lidstaat een nationale verklaring heeft overgelegd betreffende de uitgaven onder het systeem van gedeeld beheer als bedoeld in artikel 56, lid 6 ter.
3.  Zonder afbreuk te doen aan andere maatregelen van de Commissie, wordt een beheersorgaan dat een valse beheersverklaring indient uitgesloten van verlagingen als bedoeld in dit artikel.
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 quinquies (nieuw)
Artikel 77 quinquies

Procedure van hoor en wederhoor

1.  Voordat de Commissie tot een financiële correctie besluit, leidt zij de procedure van hoor en wederhoor in door de lidstaat in kennis te stellen van haar voorlopige conclusies.
Binnen twee maanden na ontvangst van de voorlopige conclusies:

a) bevestigt de lidstaat de voorlopige conclusies te hebben ontvangen en ermee in te stemmen; of
b) als de Commissie een geëxtrapoleerde of forfaitaire financiële correctie voorstelt, wordt de lidstaat in de gelegenheid gesteld om, door onderzoek van de betrokken documentatie, aan te tonen dat de werkelijke omvang van de onregelmatigheid geringer is dan de Commissie in haar beoordeling stelt.
In overleg met de Commissie mag de lidstaat dit onderzoek beperken tot een passend deel of passende steekproef van de betrokken documentatie; of

c) nodigt de Commissie de lidstaat uit tot een hoorzitting, die wordt voorgezeten door een voorgeselecteerd panel bestaande uit deskundigen van zowel de lidstaten als de Commissie, waar beide partijen in een geest van samenwerking in het kader van het partnerschap proberen overeenstemming te bereiken over de opmerkingen en de daaruit te trekken conclusies.
De termijn voor de sub a) en b) bedoelde procedures wordt voor elke partij slechts één maal met maximum twee maanden verlengd na een met redenen omklede kennisgeving door de betrokken partij aan de andere partij.

De termijn voor sub c) bedoelde procedures mag niet meer bedragen dan vier maanden, tenzij een meerderheid van de leden van het deskundigenpanel een verlenging tot maximum 6 maanden toestaat, te rekenen vanaf de datum van de hoorzitting waarop tot deze verlenging wordt besloten.

2.  De Commissie houdt rekening met alle door de lidstaat binnen de in lid 1 genoemde termijn aangevoerde bewijsstukken. Als er geen overeenstemming wordt bereikt, neemt de Commissie uiterlijk drie maanden na de einddatum van het onderzoek of de hoorzitting een besluit over de financiële correctie, rekening houdend met alle informatie en opmerkingen die in de loop van de procedure zijn voorgelegd.
3.  In geval van overeenstemming mag de lidstaat de betrokken middelen van de Unie opnieuw gebruiken, overeenkomstig artikel 77 bis, lid 2, tweede alinea.
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 sexies (nieuw)
Artikel 77 sexies

Terugbetaling

1.  Elke aan de algemene begroting van de Europese Unie te verrichten terugbetaling geschiedt vóór de vervaldag die is vermeld in de invorderingsopdracht die is opgesteld overeenkomstig artikel 76. Deze vervaldatum is de laatste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de invorderingsopdracht is gegeven.
2.  Elke vertraging van de terugbetaling geeft aanleiding tot rente wegens te late betaling, te rekenen vanaf de vervaldatum tot en met de datum van de daadwerkelijke betaling. De toe te passen rentevoet is anderhalf procentpunt hoger dan die welke de Europese Centrale Bank toepast bij haar voornaamste herfinancieringstransacties op de eerste werkdag van de maand waarin de vervaldatum valt.
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 81 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. In het financieringsbesluit worden de doelstellingen, de verwachte resultaten, de methode van uitvoering en het totaalbedrag van het financieringsplan vermeld. Tevens bevat het een beschrijving van de te financieren maatregelen en een vermelding van het aan elke maatregel toegewezen bedrag, alsmede een indicatief tijdschema voor de uitvoering.

In gevallen van indirect beheer worden tevens de gekozen uitvoerende partner, de gehanteerde criteria en de aan de partner toevertrouwde taken vermeld.

Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 83 – lid 1
1.  Voor elke maatregel waardoor een uitgave ten laste van de begroting ontstaat, verricht de bevoegde ordonnateur een begrotingsvastlegging alvorens een individuele juridische verbintenis met derden te sluiten of middelen naar een trustfonds over te maken op grond van artikel 178.
1.  Ongeacht de bepalingen van artikel 82, lid 3, verricht de bevoegde ordonnateur voor elke maatregel waardoor een uitgave ten laste van de begroting ontstaat, een begrotingsvastlegging alvorens een individuele juridische verbintenis met derden te sluiten of middelen naar een trustfonds over te maken op grond van artikel 178.
Bij operaties echter op het gebied van humanitaire hulp, civiele bescherming en steun voor crisisbeheersing, en op voorwaarde dat het voor een efficiënte interventie van de Unie noodzakelijk is onmiddellijk een juridische verbintenis met derden te sluiten zonder dat het mogelijk is vooraf de betrokken begrotingsvastlegging te verrichten, kan deze worden verricht onmiddellijk na het sluiten van een juridische verbintenis met derden.

Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 83 – lid 3 – alinea 4
Elke individuele juridische verbintenis die volgt op een globale vastlegging wordt vóór ondertekening door de bevoegde ordonnateur in de begrotingsboekhouding ingeschreven ten laste van de globale vastlegging. Waar het gaat om operaties op het gebied van humanitaire hulp en civiele bescherming, steun voor crisisbeheersing en spoedeisende gevallen mogen de bedragen onmiddellijk na de ondertekening van de individuele juridische verbintenis worden ingeschreven.

Elke individuele juridische verbintenis die volgt op een globale vastlegging wordt vóór ondertekening door de bevoegde ordonnateur in de begrotingsboekhouding ingeschreven ten laste van de globale vastlegging.

Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 87 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Betalingen gebeuren door overschrijving, door middel van een cheque of van een debetkaart.

Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 87 – lid 4
4.  De voorfinancieringsbetalingen worden door de bevoegde ordonnateur regelmatig vereffend. Daartoe worden de nodige bepalingen opgenomen in de contracten, subsidiebesluiten en –overeenkomsten en in de delegatieovereenkomsten waarbij uitvoeringstaken worden toevertrouwd aan de in artikel 55, lid 1, onder b), genoemde entiteiten en personen.
4.  De voorfinancieringsbetalingen worden door de bevoegde ordonnateur regelmatig vereffend, overeenkomstig de economische omvang en het tijdschema van het onderliggende project. Bij voorfinancieringsbedragen van meer dan 2 miljoen EUR en die meer dan 50% van de totale te financieren operatie bedragen, worden op zijn minst één maal per jaar gedurende de volledige looptijd van de operatie controles achteraf verricht. Daartoe worden de nodige bepalingen opgenomen in de contracten, subsidiebesluiten en –overeenkomsten en in de delegatieovereenkomsten waarbij uitvoeringstaken worden toevertrouwd aan de in artikel 55, lid 1, onder b), genoemde entiteiten en personen.
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 89
Tot betaalbaarstelling, afgifte van betalingsopdrachten en betaling van uitgaven wordt overgegaan binnen de in de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199 vastgestelde termijnen. In die verordening worden tevens de voorwaarden aangegeven waaronder te laat betaalde crediteuren recht hebben op achterstandsrente ten laste van het begrotingsonderdeel dat de hoofdsom van de betrokken uitgaven draagt.

1.  De termijnen voor het verrichten van betalingen bedragen:
a) 90 kalenderdagen voor contracten, subsidieovereenkomsten en besluiten waarvan de geleverde technische prestaties of acties bijzonder moeilijk te evalueren zijn en waarvan de betaling afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring van een verslag of certificaat;
b) 60 kalenderdagen voor alle andere contracten, subsidieovereenkomsten en besluiten waarvan de betaling afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring van een verslag of certificaat;
c) 30 kalenderdagen in alle andere gevallen.
Deze termijnen zijn niet van toepassing op betalingen die onder gedeeld beheer worden verricht.

2.  De bevoegde gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur kan de betalingstermijn evenwel op ieder moment opschorten, indien hij de crediteuren ervan in kennis stelt dat aan het verzoek om betaling niet kan worden voldaan omdat het bedrag niet verschuldigd is dan wel omdat de vereiste bewijsstukken niet zijn overgelegd. Wanneer de bevoegde ordonnateur kennis krijgt van informatie op grond waarvan de subsidiabiliteit van in een verzoek om betaling opgenomen uitgaven kan worden betwijfeld, kan hij de betalingstermijn opschorten, zodat aanvullende verificaties kunnen worden verricht, waaronder begrepen in de vorm van controles ter plaatse, om vóór de betaling zekerheid te verkrijgen over de subsidiabiliteit van de uitgaven.
De betreffende crediteuren worden schriftelijk in kennis gesteld van de redenen voor de opschorting.

Wanneer de opschorting langer duurt dan twee maanden, neemt het bevoegde goedkeuringscomité een besluit over de voortzetting van de opschorting op basis van een aanvraag van de crediteur.

Bij het verstrijken van de in lid 1 vastgelegde termijnen kan de crediteur rente in rekening brengen.

Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 7 – Titel
COMPUTERSYSTEMEN

COMPUTERSYSTEMEN EN ELEKTRONISCH BESTUUR

Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 91
Mits de betrokken instellingen daarmee van tevoren instemmen, kan alle documentenverkeer tussen instellingen via elektronische weg plaatsvinden.

Mits de betrokken instellingen en lidstaten daarmee van tevoren instemmen, kan alle documentenverkeer tussen hen via elektronische weg plaatsvinden.

Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 91 bis (nieuw)
Artikel 91 bis

Elektronisch bestuur (e-bestuur)

Alle ontwerpvoorstellen die bij de wetgevingsautoriteit worden ingediend, zijn geschikt voor gebruiksvriendelijke informatietechnologietoepassingen op alle niveaus, met name op het niveau van de eindontvangers van financiële middelen.

Wanneer middelen worden beheerd in gedeeld beheer als bedoeld in artikel 56, zorgen de Commissie en de lidstaten bij het beheer van de begroting voor de interoperabiliteit van de verzamelde of op een andere wijze ontvangen en doorgezonden gegevens.

Wanneer gegevens in een elektronisch formaat beschikbaar zijn, moet worden voorzien in de mogelijkheid deze in dit formaat door te zenden. Indien nodig komen de lidstaten en de Commissie uniforme datatransmissienormen overeen.

De directoraten van de Commissie, de uitvoerende agentschappen en de in artikel 200 bedoelde entiteiten passen uniforme normen toe voor elektronische informatie die wordt verstrekt aan derden in het kader van aanbestedings- en subsidieprocedures. In de uiterste mate van het mogelijke ontwerpen en hanteren zij uniforme normen voor de indiening, opslag en verwerking van gegevens in het kader van aanbestedings- en subsidieprocedures, en hiertoe wijzen zij één „elektronisch gegevensuitwisselingsterrein” aan voor potentiële begunstigden, begunstigden, kandidaten en inschrijvers.

De Commissie stelt een „Chief Intelligence Officer” (CIO) aan die toeziet op de toepassing van deze bepaling en in het kader van de uitvoering van de begroting regelmatig aan de begrotingsautoriteit verslag uitbrengt over de verwezenlijkingen terzake.

Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 7 bis (nieuw)
HOOFDSTUK 7 BIS

ADMINISTRATIEVE BEGINSELEN

Artikel 91 ter

Recht op behoorlijk bestuur

Wanneer ingevolge een duidelijke materiële fout van de aanvrager of inschrijver die te goeder trouw handelt, is nagelaten bewijsstukken over te leggen, verklaringen af te leggen, aanvraagformulieren in te vullen of andere procedurele stappen te ondernemen, verzoekt de bevoegde ambtenaar de aanvrager of inschrijver het nodige te doen om dat te verhelpen. Indien nodig wordt de aanvrager of inschrijver gewezen op zijn procedurele rechten of plichten.

De verplichting om bewijsstukken en/of documentatie over te leggen, de vorm en de vereiste inhoud ervan worden zo vroeg mogelijk kenbaar gemaakt en met potentiële aanvragers en inschrijvers besproken.

Desgevallend worden inschrijvers en aanvragers onmiddellijk na ontvangst van een ingediende aanvraag of inschrijving in kennis gesteld van de tijd die nodig is om de procedure te verwerken en voorlopig af te ronden, alsook van de volledigheid van de ingediende aanvraag of inschrijving.

Artikel 91 quater

Vermelding van verhaalmiddelen

Wanneer een procedurele handeling van een ordonnateur negatieve gevolgen heeft voor de rechten van een aanvrager, inschrijver, begunstigde of contractant, vermeldt deze handeling de beschikbare administratieve en/of gerechtelijke verhaalmiddelen om haar aan te vechten.

Meer bepaald worden de aard van het verhaal, de instantie of instanties waar verhaal kan worden aangetekend en de termijn om verhaal aan te tekenen, vermeld.

Tenzij anders bepaald, komt deze verhaalmogelijkheid te vervallen twee maanden na de uitvoerige kennisgeving aan de aanvrager of inschrijver van de beschikbare verhaalmiddelen.

Amendement 291
Voorstel voor een verordening
Artikel 93 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. De contactgegevens van de intern controleur worden beschikbaar gesteld aan elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij uitgavenverrichtingen, zodat er vertrouwelijk contact kan worden opgenomen met de intern controleur.

De intern controleur of een natuurlijk of rechtspersoon die hem inlichtingen verstrekt mag hier geen negatieve gevolgen van ondervinden.

De intern controleur heeft de plicht de identiteit van zijn informanten vertrouwelijk te houden.

De intern controleur van elke instelling heeft het recht de kwijtingsautoriteit in te lichten in gevallen waarin hij dit nuttig acht.

Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 93 – lid 4
4.  De instelling zendt de met de kwijting belaste autoriteit jaarlijks een overzicht toe van het aantal en de soorten uitgevoerde interne controles, de gedane aanbevelingen en het gevolg dat aan die aanbevelingen is gegeven.
4.  Alle controleverslagen worden onmiddellijk na hun opstelling ter beschikking gesteld van de kwijtingsautoriteit. De instelling zendt de met de kwijting belaste autoriteit jaarlijks een overzicht toe van het aantal en de soorten uitgevoerde interne controles, de gedane aanbevelingen en het gevolg dat aan die aanbevelingen is gegeven.
In het overzichtsverslag wordt de kwijtingsautoriteit gewezen op herzieningen die wijzigingen aanbevelen voor grote aankoopprojecten of subsidies of die aanzienlijke begrotingsbesparingen aanbevelen.

Wanneer er een comité voor follow-up van de controles bestaat, brengt dit comité in een afzonderlijke verklaring verslag uit over de impact voor de instelling van de ondernomen acties ingevolge de aanbevelingen, alsook over mogelijke verdere verbeteringen.

Amendement 269
Voorstel voor een verordening
Artikel 93 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis. De verslagen en de bevindingen van de intern controleur en ook het verslag van de instelling zijn slechts voor het publiek toegankelijk nadat de intern controleur de maatregelen voor hun uitvoering heeft gevalideerd.

Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 95 – lid 3
3.  Onverminderd de artikelen 100 tot en met 103 vallen subsidies en dienstverleningsovereenkomsten tussen de Commissie, enerzijds, en de Europese Investeringsbank, het Europees Investeringsfonds of elke andere dochter van de Europese Investeringsbank, anderzijds, niet onder deze titel.
3.  Onverminderd de artikelen 100 tot en met 103 vallen subsidies niet onder deze titel.
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 102 – lid 1
1.  Er wordt een centrale gegevensbank opgericht die wordt beheerd door de Commissie, met inachtneming van de voorschriften van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens. De gegevensbank bevat gegevens over de gegadigden en de inschrijvers die zich in een van de in artikel 100, artikel 103, lid 1, onder b), en artikel 103, lid 2, onder a), bedoelde situaties bevinden. Het gaat om een gezamenlijke gegevensbank van de instellingen, de uitvoerende agentschappen en de in artikel 200 bedoelde organen.
1.  Er wordt een centrale gegevensbank opgericht die wordt beheerd door de Commissie, met inachtneming van de voorschriften van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens. De gegevensbank bevat gegevens over de gegadigden en de inschrijvers die zich in een van de in artikel 100, artikel 101, artikel 103, lid 1, onder b), en artikel 103, lid 2, onder a), bedoelde situaties bevinden. Het gaat om een gezamenlijke gegevensbank van de instellingen, de uitvoerende agentschappen en de in artikel 196 ter bedoelde organen, die voor het publiek toegankelijk is. De kwijtingsautoriteit wordt in kennis gesteld van het aantal te registreren gevallen en, indien er een verschil is, van het aantal daadwerkelijk in de gegevensbank geregistreerde gevallen.
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 102 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis. Toegang tot autoriteiten van derde landen kan alleen worden toegestaan indien is voldaan aan de in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 45/2001 genoemde regels en na een evaluatie van geval tot geval.

Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 103 – lid 3
3.  De instelling kan overgaan tot bekendmaking van de besluiten of een samenvatting daarvan waarin de naam van de marktdeelnemer, een korte beschrijving van de feiten, de duur van de uitsluiting of het bedrag van de financiële sancties worden vermeld.
3.  Om de financiële belangen van de Unie beter te beschermen, kunnen instellingen overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel beslissen hun in lid 1 bedoelde besluiten tot oplegging van een administratieve of financiële sanctie te publiceren nadat de in lid 1 bedoelde procedure volledig is afgerond.
De beslissing om een in de eerste alinea genoemd besluit tot oplegging van een administratieve of financiële sanctie te publiceren, houdt met name rekening met de ernst van de fouten, met inbegrip van de gevolgen ervan voor de financiële belangen en de reputatie van de Unie, de tijd die is verstreken sinds de fout zich heeft voorgedaan, de duur en herhaling van de fout, het opzet of de mate van nalatigheid van de betrokken entiteit en de door de entiteit genomen maatregelen om de situatie te verhelpen.

De beslissing tot publicatie wordt opgenomen in het besluit tot oplegging van een administratieve of financiële sanctie en voorziet uitdrukkelijk in de publicatie van het besluit tot oplegging van de sanctie of van een samenvatting daarvan op de website van de instelling.

Om voldoende afschrikkend te zijn, bevat de gepubliceerde samenvatting de naam van de persoon die verantwoordelijk is voor de fout, een korte beschrijving van die fout, het betrokken programma en de duur van de uitsluiting en/of het bedrag van de financiële sancties.

Het besluit wordt gepubliceerd na uitputting van de wettelijke verhaalmiddelen tegen het besluit of na het verstrijken van de verhaaltermijnen, en het blijft op de website gepubliceerd tot het einde van de uitsluitingsperiode of tot 6 maanden na de betaling van de financiële sancties indien dit de enige getroffen maatregel is.

Wanneer het natuurlijke personen betreft, wordt het besluit tot publicatie genomen met inachtneming van het recht op privacy en met eerbiediging van de rechten waarin Verordening (EG) nr. 45/2001 voorziet.

Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 105 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis. De Commissie waarborgt met passende middelen en overeenkomstig artikel 91 bis dat inschrijvers de inhoud van hun inschrijving en alle bewijsstukken in elektronisch formaat kunnen indienen (e-aanbesteding) indien zij dit wensen, en slaat deze bewijsstukken met de toestemming van de inschrijver met het oog op toekomstige e-aanbestedingsprocedures op in een centrale gegevensbank voor alle instellingen en entiteiten waarop deze verordening van toepassing is. De gegevens worden na zes maanden gewist, tenzij de inschrijver erom verzoekt dat deze verder opgeslagen blijven. Het is de taak van de inschrijver de opgeslagen gegevens bij te houden en bij te werken.

De Commissie brengt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en regelmatig daarna verslag uit aan het Parlement en de Raad over de voortgang met de tenuitvoerlegging van deze bepaling.

Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 107 – lid 2 – alinea 1
2.  De aanbestedende dienst deelt aan elke afgewezen gegadigde of inschrijver de redenen mede waarom zijn inschrijving of offerte niet in aanmerking werd genomen, en stelt elke inschrijver die voldoet aan de uitsluitings- en selectiecriteria op zijn schriftelijk verzoek in kennis van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte en van de naam van degene aan wie de opdracht werd gegund.
2.  De aanbestedende dienst deelt aan elke afgewezen gegadigde of inschrijver de redenen mede waarom zijn inschrijving of offerte niet in aanmerking werd genomen evenals de datum waarop de in artikel 112, lid 2, bedoelde wachttermijn verstrijkt, en stelt elke inschrijver die voldoet aan de uitsluitings- en selectiecriteria op zijn schriftelijk verzoek in kennis van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte en van de naam van degene aan wie de opdracht werd gegund.
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 109 – lid 1
1.  De aanbestedende dienst verlangt vooraf een zekerheidstelling van de contractanten in de in de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199 bepaalde gevallen.
Schrappen

Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 109 – lid 2
2.  De aanbestedende dienst kan, indien dit passend en evenredig wordt geacht, van de contractanten een dergelijke zekerheidstelling verlangen om:
2.  In tegenstelling tot bij opdrachten voor een zeer gering bedrag, kan de aanbestedende dienst, indien dit passend en evenredig wordt geacht, per geval en na een risico-analyse, van de contractanten een zekerheidstelling verlangen om:
a) de goede uitvoering van de opdracht te verzekeren of
a) de goede uitvoering van de opdracht te verzekeren of
b) de aan de voorfinanciering verbonden financiële risico's te beperken.
b) de aan de voorfinanciering verbonden financiële risico's te beperken.
De Commissie kan in de gedelegeerde verordening waarnaar wordt verwezen in artikel 199 criteria voor de risico-analyse vaststellen.

Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 113
De deelneming aan de inschrijvingen staat onder gelijke voorwaarden open voor alle natuurlijke en rechtspersonen die binnen de werkingssfeer van de Verdragen vallen en voor alle natuurlijke en rechtspersonen van een derde land dat een bijzondere overeenkomst heeft gesloten met de Unie, zulks onder de voorwaarden van deze overeenkomst.

De deelneming aan de inschrijvingen staat onder gelijke voorwaarden open voor alle natuurlijke en rechtspersonen die binnen de werkingssfeer van de Verdragen vallen en voor alle natuurlijke en rechtspersonen van een derde land dat een bijzondere overeenkomst heeft gesloten met de Unie, zulks onder de voorwaarden van deze overeenkomst en enkel als deze overeenkomst uitdrukkelijk voorziet in controlebevoegdheden die gelijk zijn aan de normen van de Europese Unie, met name een recht op toegang tot en inzage van alle relevante documenten en locaties door de Europese Rekenkamer en OLAF.

Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 115 – lid 1 – letter b
b) de werking van een orgaan dat een doelstelling van algemeen Europees belang of een in het kader van het beleid van de Unie passende doelstelling nastreeft (exploitatiesubsidies).
b) de werking van een orgaan dat een doelstelling van algemeen Europees belang of een in het kader van het beleid van de Unie passende doelstelling nastreeft en ondersteunt (exploitatiesubsidies).
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 115 – lid 2 – letter c
c) financieringsinstrumenten als bedoeld in deel een, titel VIII, en aandelenbezit in of deelnemingen in het aandelenkapitaal van internationale financiële instellingen, zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) of gespecialiseerde organen van de Unie zoals het Europees Investeringsfonds;
c) financieringsinstrumenten als bedoeld in deel een, titel VIII, leningen, risicodelende instrumenten van de Unie of de financiële bijdragen van de Unie aan dergelijke instrumenten, aandeleninstrumenten volgens het beginsel van een particuliere belegger en met eigen vermogen gelijk te stellen financiering, en aandelenbezit in of deelnemingen in het aandelenkapitaal van internationale financiële instellingen, zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) of gespecialiseerde organen van de Unie zoals het Europees Investeringsfonds;
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 115 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Worden gelijkgesteld aan subsidies en vallen onder deze titel:

a) het voordeel dat verbonden is aan de subsidiëring van de rente op bepaalde leningen;
b) andere beleggingen in aandelen of deelnemingen in aandelenkapitaal dan de in lid 2, onder c), bedoelde.
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 115 bis (nieuw)
Artikel 115 bis

Begunstigden

1.  Voor de toepassing van deze titel wordt onder „begunstigde” verstaan: een of meerdere entiteiten waaraan de subsidie wordt toegekend.
2.  Wanneer de actie wordt uitgevoerd door een of meerdere juridische entiteiten die worden vertegenwoordigd door of zijn aangesloten bij een coördinerende juridische entiteit, kan de subsidieovereenkomst worden ondertekend door de coördinerende juridische entiteit namens haar aangesloten leden die als medebegunstigden worden beschouwd.
3.  Wanneer de subsidie wordt toegekend aan meerdere (mede)begunstigden, identificeert de subsidieovereenkomst deze begunstigden en stelt ze de rechten tussen hen en de Commissie vast. Met name, maar niet exclusief, wordt het volgende bepaald:
a) het toepasselijk recht en het rechtsforum;
b) de financiële aansprakelijkheid van de coördinerende juridische entiteit en haar aangesloten leden tegenover de Commissie voor de uitvoering van de gehele actie;
c) de mogelijkheid, op grond van een meerderheidsbeslissing van de medebegunstigden, om hun onderlinge rechten en plichten te wijzigen; elke wijziging van het aantal of de identiteit van deelnemende begunstigden is onderworpen aan de goedkeuring van de bevoegde ordonnateur; de wijziging wordt toegestaan tenzij het risico bestaat dat deze wijziging het doel van de subsidie in het gedrang brengt of een negatieve en feitelijke invloed heeft op de wettelijke rechten van de Commissie uit hoofde van de subsidieovereenkomst.
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 116
Subsidies kunnen de volgende vormen hebben:

Subsidies kunnen de volgende vormen hebben:

a) terugbetaling van een bepaald deel van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten;
a) terugbetaling van een bepaald deel van het subsidiabele gedeelte van de werkelijk gemaakte totale economische kosten;
a bis) terugbetaling van een bepaald deel van een standaardschaal van eenheidskosten;
b) vaste bedragen;
b) vaste bedragen;
c) een standaardschaal van eenheidskosten;
d) forfaitaire financiering;
d) forfaitaire financiering;
e) een combinatie van de onder a) tot en met d) genoemde vormen.
e) een combinatie van de onder a) tot en met d) genoemde vormen, waarbij rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de begunstigden met betrekking tot hun gebruikelijke boekhoudbeginselen.
Amendement 270
Voorstel voor een verordening
Artikel 116 bis (nieuw)
Artikel 116 bis

Vaste bedragen, standaardschalen van eenheidskosten en forfaitaire financiering

1.  Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de basishandeling, wordt het gebruik van vaste bedragen, standaardschalen van eenheidskosten of forfaitaire financiering toegestaan bij wijze van besluit van de Commissie dat de eerbiediging waarborgt van het beginsel van gelijke behandeling van begunstigden voor dezelfde categorie acties of werkprogramma's.
Wanneer het maximale bedrag per subsidie ten hoogste EUR 50 000 is, kan de toestemming worden verleend door de bevoegde ordonnateur.

2.  De toestemming wordt ten minste gestaafd door de volgende elementen:
a) motivering van de geschiktheid van deze financieringsvormen ten aanzien van de aard van de gesteunde acties of werkprogramma's en ten aanzien van de mogelijke onregelmatigheden en fraude en de controlekosten;
b) identificatie van de kosten of categorieën kosten die worden gedekt door vaste bedragen, standaardschalen van eenheidskosten of forfaitaire financiering, met uitsluiting van niet-subsidiabele kosten overeenkomstig de toepasselijke regels van de Unie;
c) beschrijving van de methoden ter vaststelling van vaste bedragen, standaardschalen van eenheidskosten of forfaitaire financiering, die voorwaarden vaststellen om redelijkerwijs de naleving te waarborgen van de regels dat geen winst mag worden gemaakt en dat medefinanciering vereist is en dat dubbele financiering van kosten moet worden vermeden. Deze methoden zijn gebaseerd op:
i) statistische gegevens of soortgelijke objectieve middelen, of
ii) een aanpak per begunstigde, met verwijzing naar gecertificeerde of controleerbare gegevens van de begunstigde uit het verleden of naar zijn gebruikelijke kostenberekeningsmethoden.
3.  Wanneer de methode van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde is toegestaan, kan de bevoegde ordonnateur de overeenstemming van deze methoden met de in lid 2 vastgestelde voorwaarden vooraf beoordelen of ook via een geschikte strategie voor controles achteraf.
Wanneer de overeenstemming van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde met de in lid 2 vastgestelde voorwaarden vooraf is bevestigd, zijn voor de grootte van de vaste bedragen, standaardschalen van eenheidskosten of forfaitaire financiering die aan de hand van deze methoden zijn vastgesteld geen controles achteraf meer nodig.

De bevoegde ordonnateur mag ervan uitgaan dat de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde met de in lid 2 vastgestelde voorwaarden overeenstemmen als deze door de nationale autoriteiten onder gelijkaardige financieringsstelsels aanvaard zijn.

Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 117 – lid 3
3.  Onverminderd de specifieke regels van deel twee, titel IV, moeten subsidies gepaard gaan met medefinanciering.
3.  Onverminderd de specifieke regels van deel twee, titel IV, moeten subsidies gepaard gaan met medefinanciering.
De eerste alinea is niet van toepassing op politieke partijen en politieke stichtingen op het niveau van de Unie.

Voor de absolute waarde van subsidies wordt een algemeen maximum in acht genomen, dat wordt vastgesteld op basis van de geraamde subsidiabele kosten.

De begunstigde kan andere financieringsbronnen van derden in de plaats stellen van zijn eigen financiële middelen, op voorwaarde dat het medefinancieringsbeginsel wordt geëerbiedigd.

Subsidies mogen niet meer bedragen dan de voor financiering in aanmerking komende kosten.

Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 117 – lid 4
4.  Subsidies mogen niet tot doel of tot gevolg hebben dat zij de begunstigde binnen het kader van de actie of het werkprogramma winst opleveren.
4.  Subsidies mogen niet tot doel of tot gevolg hebben dat zij de begunstigde binnen het kader van de actie of het werkprogramma winst opleveren.
De eerste alinea is niet van toepassing op:

De eerste alinea is niet van toepassing op:

a) acties die beogen de financiële capaciteit van een begunstigde te vergroten of inkomsten voort te brengen;
a) acties die beogen de financiële capaciteit van een begunstigde te vergroten of inkomsten voort te brengen, of acties die inkomsten voortbrengen om de actie te laten voortbestaan na de periode van financiering door de Unie die in het subsidiebesluit of in de subsidieovereenkomst is vastgesteld;
b) aan natuurlijke personen toegekende studie-, onderzoeks- of opleidingsbeurzen.
b) aan natuurlijke personen toegekende studie-, onderzoeks- of opleidingsbeurzen;
b bis) andere directe steun die wordt betaald aan natuurlijke personen in grote nood zoals werklozen en/of vluchtelingen in het kader van externe actieprogramma's van de Unie;
b ter) subsidies op basis van forfaits en/of vaste bedragen en/of eenheidskosten, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 116 bis, lid 2;
b quater) subsidies van zeer kleine bedragen.
Wanneer winst wordt gemaakt, heeft de Commissie het recht het percentage van de winst terug te vorderen dat overeenkomt met de bijdrage van de Unie in de door de begunstigde werkelijk gemaakte subsidiabele kosten om de actie of het werkprogramma uit te voeren.

Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Artikel 117 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis. Voor de toepassing van deze titel wordt onder „winst” verstaan:

a) bij een subsidie voor een actie: een overschot van de ontvangsten ten opzichte van de door de begunstigde gemaakte kosten bij de indiening van het laatste betalingsverzoek;
b) bij een exploitatiesubsidie: een overschot op de exploitatiebegroting van de begunstigde. Begunstigden hebben het recht 3% winst over te dragen naar het jaar N+2.
De begunstigde moet eerst de overgedragen middelen gebruiken. De garantieregels zijn mutatis mutandis van toepassing wanneer het overgedragen bedrag hoger is dan de vastgestelde drempels voor subsidies van zeer kleine en/of kleine bedragen.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Artikel 117 – lid 6
6.  Voor vaste bedragen, standaardschalen van eenheidskosten en forfaitaire financiering geldt dat op de nakoming van de in lid 3 en lid 4 vastgestelde regels dat geen winst mag worden gemaakt en dat medefinanciering vereist is, redelijkerwijs wordt toegezien op het tijdstip waarop zij worden vastgesteld of de subsidieaanvraag wordt beoordeeld.
Schrappen

Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Artikel 117 bis (nieuw)
Artikel 117 bis

Subsidiabele kosten

1.  Voor de absolute waarde van subsidies wordt een algemeen maximum in acht genomen, dat wordt vastgesteld op basis van de geraamde subsidiabele kosten.
Subsidies mogen niet meer bedragen dan de subsidiabele kosten.

2.  Subsidiabele kosten zijn de door de begunstigde van een subsidie daadwerkelijk gemaakte kosten die aan alle onderstaande criteria voldoen:
a) zij worden gemaakt tijdens de looptijd van de actie of het werkprogramma, met uitzondering van de kosten die betrekking hebben op de eindverslagen en controlecertificaten;
b) zij zijn aangegeven in de geraamde totale begroting van de actie of het werkprogramma;
c) zij zijn noodzakelijk ter uitvoering van de actie die of het werkprogramma dat het voorwerp is van de subsidie;
d) zij zijn aanwijsbaar en verifieerbaar, zijn met name opgenomen in de boekhouding van de begunstigde en zijn vastgesteld overeenkomstig de boekhoudkundige normen die van toepassing zijn in het land waar de begunstigde is gevestigd en overeenkomstig de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde; en
e) zij zijn in overeenstemming met de vereisten van de geldende sociale en belastingwetgeving.
3.  Zonder afbreuk te doen aan lid 1 en aan de basishandeling waarop artikel 2 van toepassing is, wordt in de oproep tot het indienen van voorstellen nader bepaald welke categorieën kosten in aanmerking komen voor financiering door de Unie.
De volgende kosten worden door de bevoegde gedelegeerd ordonnateur als subsidiabel beschouwd:

a) de kosten die verband houden met een bankgarantie of een vergelijkbare zekerheid die de begunstigde van de subsidie overeenkomstig artikel 125 moet stellen;
b) de kosten die verband houden met externe controles die de bevoegde ordonnateur hetzij bij het verzoek om financiering hetzij bij ontvangst van de kostenverklaring verlangt;
c) de betaalde belasting over de toegevoegde waarde (BTW) die volgens de toepasselijke nationale wetgeving niet aan de begunstigde kan worden terugbetaald; De terugbetalingswijzen worden vastgesteld in de gedelegeerde verordening waarnaar wordt verwezen in artikel 199.
d) de afschrijvingskosten, op voorwaarde dat de begunstigde deze werkelijk heeft gemaakt;
e) de administratieve uitgaven, kosten van personeel en uitrusting, met inbegrip van de salariskosten van het personeel van de nationale overheid, voor zover deze verband houden met de kosten van activiteiten die de betrokken overheidsinstantie niet zou ondernemen indien het betrokken project niet zou worden uitgevoerd;
f) in tegenstelling tot bij exploitatiesubsidies, de gemaakte kosten die nodig zijn voor de continue werking van de onderneming, maar die niet onmiddellijk kunnen worden geassocieerd met de aangeboden producten/diensten („indirecte” of „overheadkosten”) ten belope van maximaal 10% van de totale directe subsidiabele kosten van de actie, voor zover deze niet meer bedragen dan 250 000 EUR, en daarna maximaal 8% op forfaitaire basis. Dit percentage kan overeenkomstig de gedelegeerde verordening waarnaar wordt verwezen in artikel 199 met name worden verhoogd voor coördinerende juridische entiteiten. Het maximum mag worden overschreden bij een met redenen omkleed besluit van de Commissie.
4.  De kosten die worden gemaakt door aangesloten leden als bedoeld in artikel 115 bis, worden als subsidiabel aanvaard, op voorwaarde dat de betrokken aangesloten leden in de subsidieovereenkomst of het subsidiebesluit geïdentificeerd zijn en de regels aanvaarden die krachtens de subsidieovereenkomst of het subsidiebesluit op de begunstigde van toepassing zijn, met inbegrip van de regels betreffende de rechten van de Commissie, OLAF en de Rekenkamer om de besteding van uitgaven overeenkomstig de subsidieregels te controleren.
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 117 ter (nieuw)
Artikel 117 ter

Medefinanciering in natura

1.  Voor de berekening van de door de subsidie voortgebrachte winst, wordt geen rekening gehouden met medefinanciering in de vorm van bijdragen in natura.
2.  De bevoegde ordonnateur mag bijdragen in natura als medefinanciering aanvaarden, indien dit noodzakelijk of passend wordt geacht. Wanneer medefinanciering in natura wordt aangeboden ter ondersteuning van subsidies van kleine bedragen en de ordonnateur van plan is dit te weigeren, motiveert hij waarom dit niet noodzakelijk of ongepast is.
Dergelijke bijdragen mogen niet hoger zijn dan:

a) hetzij de werkelijk gedragen kosten, naar behoren gestaafd door boekhoudstukken;
b) hetzij, indien dergelijke stukken ontbreken, de op de beschouwde markt algemeen aanvaarde kosten.
Bijdragen in natura worden in de begrotingsraming afzonderlijk vermeld om een beeld te hebben van de totale middelen die aan de actie zijn toegewezen. Hun eenheidswaarde wordt in de voorlopige begroting geraamd en mag nadien niet worden gewijzigd.

Bijdragen in natura moeten voldoen aan de nationale bepalingen inzake belastingen en sociale zekerheid.

Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 118 – lid 1 – alinea 3
Voor hulp in crisissituaties, civielebeschermingsoperaties en humanitaire hulp is de eerste alinea niet van toepassing.

Voor hulp in crisissituaties, met name civielebeschermingsoperaties die in deze context plaatsvinden, en humanitaire hulp is de eerste alinea niet van toepassing.

Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 120 – lid 1 – alinea 2
In dit geval mogen de voor financiering in aanmerking komende kosten evenwel niet vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag zijn gedaan, behalve in naar behoren gemotiveerde, uitzonderlijke gevallen die in het basisbesluit worden bepaald of in uiterst dringende spoedgevallen voor hulp in crisissituaties, civielebeschermingsoperaties en humanitaire hulp.

In dit geval mogen de voor financiering in aanmerking komende kosten evenwel niet vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag zijn gedaan, behalve in naar behoren gemotiveerde, uitzonderlijke gevallen die in het basisbesluit worden bepaald of in uiterst dringende spoedgevallen voor hulp in crisissituaties, civielebeschermingsoperaties, humanitaire hulp of in situaties die dreigen te escaleren tot een gewapend conflict.

Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 121
Artikel 121

Schrappen

Beginsel van degressiviteit

Tenzij anders is bepaald in het basisbesluit of, voor subsidies toegekend op grond van artikel 51, lid 5, onder d), in het financieringsbesluit ten gunste van organisaties die een doel van algemeen belang voor de Unie nastreven, hebben subsidies voor huishoudelijke uitgaven in geval van verlenging voor een termijn van vier jaar een degressief karakter na het vierde jaar.

Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 122 – lid 1
1.  Subsidieaanvragen worden schriftelijk ingediend.
1.  Subsidieaanvragen worden schriftelijk of, indien mogelijk, in een veilig elektronisch formaat ingediend. Wanneer de Commissie het haalbaar acht, voorziet zij in de mogelijkheid van online aanvragen.
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 122 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis. De maximale termijn voor de verwerking van aanvragen bedraagt zes maanden, of wanneer er een besluit van een instantie vereist is negen maanden, te rekenen vanaf de uiterste datum voor de indiening van de aanvraag. Deze termijn kan uitzonderlijk worden overschreden wanneer de specifieke aard en het thema van de subsidie dit vereisen. Is dit het geval, dan wordt de vermoedelijke termijn vermeld in de respectieve oproep tot het indienen van voorstellen. Wanneer de termijn om andere redenen niet in acht kan worden genomen, vermeldt de gedelegeerd ordonnateur dit in zijn jaarlijks activiteitenverslag, samen met de redenen en voorstellen om dit in de toekomst te verhelpen. In het volgende jaarlijkse activiteitenverslag vermeldt hij het resultaat van de terzake genomen maatregelen.

Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 122 – lid 3
3.  De artikelen 100 tot en met 103 zijn ook van toepassing op subsidieaanvragers. De aanvragers moeten bewijzen dat zij niet in een van de in de artikelen 100 tot en met 103 bedoelde situaties verkeren. De ordonnateur kan evenwel beslissen een dergelijk bewijs, zoals nader bepaald in de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199, niet te verlangen:
3.  De artikelen 100 tot en met 103 zijn ook van toepassing op subsidieaanvragers. De aanvragers moeten bewijzen dat zij niet in een van de in de artikelen 100 tot en met 103 bedoelde situaties verkeren. De ordonnateur verlangt een dergelijk bewijs niet:
a) voor subsidies van zeer kleine bedragen;
a) voor subsidies van kleine bedragen;
b) wanneer dat bewijs recentelijk is geleverd in een andere toekenningsprocedure;
b) wanneer dat bewijs recentelijk is geleverd in een andere toekenningsprocedure.
c) wanneer het materieel onmogelijk is een dergelijk bewijs te leveren.
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Artikel 122 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. Uit de aanvraag blijkt de juridische status van de aanvrager en diens financiële en operationele vermogen om de voorgestelde actie of het voorgestelde werkprogramma uit te voeren.

Daartoe dient de aanvrager een verklaring op erewoord in en, tenzij de subsidie een subsidie van een klein bedrag is, alle andere bewijsstukken die de bevoegde ordonnateur op grond van zijn risicoanalyse heeft gevraagd. De vereiste stukken worden in de oproep tot het indienen van voorstellen bekendgemaakt.

De bewijsstukken kunnen met name bestaan uit de resultatenrekening of de balans van het laatste afgesloten boekjaar.

De verificatie van het financiële vermogen geldt niet voor natuurlijke personen die een beurs ontvangen, overheidsinstanties of internationale organisaties. De bevoegde ordonnateur mag overheidsinstanties of internationale organisaties van de verplichting inzake controle vrijstellen, wanneer zijn risicoanalyse dit toelaat.

Wanneer de aanvraag betrekking heeft op subsidies voor een actie waarvoor het bedrag hoger is dan 750 000 EUR of exploitatiesubsidies van meer dan 100 000 EUR, wordt een controleverslag ingediend dat door een erkende externe accountant is opgesteld. Dit verslag certificeert de rekeningen van het laatste beschikbare boekjaar, en de gedelegeerd ordonnateur aanvaardt of verwerpt dit controleverslag uitdrukkelijk binnen de 90 dagen. Eens dit verslag door de gedelegeerd ordonnateur is goedgekeurd, is het bindend en zijn er geen controles of beoordelingen achteraf meer nodig, tenzij er voldoende nieuwe aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude zijn.

Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 125
De bevoegde ordonnateur kan, wanneer zulks passend en evenredig wordt geoordeeld, van de begunstigde een voorafgaande zekerheidstelling verlangen om de aan de voorfinanciering verbonden financiële risico's te beperken.

De bevoegde ordonnateur kan, wanneer zulks per geval en na een risico-analyse passend en evenredig wordt geoordeeld, van de begunstigde een voorafgaande zekerheidstelling verlangen om de aan de voorfinanciering verbonden financiële risico's te beperken.

Bij subsidies van zeer kleine of kleine bedragen wordt geen zekerheidstelling verlangd indien de begunstigde gedurende de afgelopen vijf jaren jaarlijks ten minste één subsidie heeft ontvangen.

Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 126 – lid 1
1.  Het bedrag van de subsidie wordt eerst definitief vastgesteld nadat de bevoegde ordonnateur de eindverslagen en -rekeningen heeft aanvaard, onverminderd latere controles door de instelling.
1.  Het bedrag van de subsidie wordt eerst definitief vastgesteld nadat de bevoegde gedelegeerd ordonnateur de eindverslagen en -rekeningen heeft aanvaard, onverminderd latere controles door de instelling, wat tijdig moet gebeuren.
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Artikel 126 – lid 2
2.  Wanneer tijdens de toekenningsprocedure of de uitvoering van de subsidie wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraude worden gepleegd, kan de bevoegde ordonnateur, nadat de begunstigde in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen te formuleren, de in artikel 110 genoemde maatregelen nemen.
2.  Wanneer blijkt dat de toekenningsprocedure gepaard is gegaan met wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraude, schort de bevoegde ordonnateur de procedure op en kan hij alle maatregelen nemen die nodig zijn, waaronder annulering van de procedure. Hij stelt OLAF onmiddellijk in kennis van vermoedelijke fraudegevallen.
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Artikel 126 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Wanneer na de toekenning van de subsidie blijkt dat tijdens de toekenningsprocedure of de uitvoering van de subsidie wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraude zijn gepleegd, kan de bevoegde ordonnateur, nadat de aanvrager of de begunstigde in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen te formuleren, afhankelijk van het stadium van de procedure, ervan afzien de subsidieovereenkomst te ondertekenen of het subsidiebesluit te betekenen, de uitvoering van de subsidie opschorten of desgevallend de subsidieovereenkomst of het subsidiebesluit beëindigen.

Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Artikel 126 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter. Wanneer deze fouten, onregelmatigheden of fraude toe te schrijven zijn aan de begunstigde of wanneer de begunstigde zijn verplichtingen uit hoofde van een subsidieovereenkomst of subsidiebesluit niet nakomt, kan de bevoegde ordonnateur, nadat de begunstigde in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen te formuleren, bovendien de subsidie verlagen of bedragen terugvorderen die onterecht zijn betaald uit hoofde van de subsidieovereenkomst of het subsidiebesluit, in verhouding tot de ernst van de fouten, onregelmatigheden of fraude of van de niet nagekomen verplichtingen.

Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Artikel 126 – lid 3
3.  Wanneer controles of audits voor een begunstigde terugkerende fouten aan het licht brengen met gevolgen voor niet-gecontroleerde projecten waaraan die begunstigde deelneemt of heeft deelgenomen, kan de ordonnateur de bevindingen bij uitbreiding toepassen op de niet-gecontroleerde projecten die op grond van de subsidieovereenkomst nog gecontroleerd kunnen worden en terugbetaling van het betrokken bedrag eisen.
3.  Bij stelselmatige of terugkerende fouten of onregelmatigheden die toe te schrijven zijn aan de begunstigde, de materialiteitsdrempel overschrijden en een impact hebben op een aantal subsidies die hem onder gelijkaardige voorwaarden zijn toegekend, kan de bevoegde ordonnateur, nadat de begunstigde in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen te formuleren, de uitvoering van alle betrokken subsidies opschorten of desgevallend de betrokken subsidieovereenkomsten of subsidiebesluiten met deze begunstigde beëindigen, in verhouding tot de ernst van de fouten, onregelmatigheden of fraude. Bovendien kan de bevoegde ordonnateur financiële correcties toepassen voor alle subsidies die door de bovenstaande stelselmatige of terugkerende fouten of onregelmatigheden zijn getroffen en die overeenkomstig de subsidieovereenkomsten of subsidiebesluiten kunnen worden gecontroleerd, hetzij door de subsidies te verlagen hetzij door bedragen terug te vorderen die onterecht zijn betaald uit hoofde van de subsidieovereenkomsten of subsidiebesluiten.
Het bedrag van de toe te passen financiële correcties wordt voor zover mogelijk en haalbaar vastgesteld op basis van de ten onrechte verklaarde kosten die zogezegd voor elke betrokken subsidie in aanmerking komen. Wanneer het niet mogelijk of haalbaar is het bedrag van de niet in aanmerking komende kosten nauwkeurig te kwantificeren, kunnen de financiële correcties gebaseerd worden op extrapolatie of een forfaitair bedrag, waarbij rekening wordt gehouden met het evenredigheidsbeginsel.

De begunstigde kan in een procedure van hoor en wederhoor de toegepaste correctie betwisten, waarbij hij aantoont dat de berekening ervan onjuist is en een nieuwe berekening verstrekt.

3 bis. De begunstigde kan in een procedure van hoor en wederhoor bij het bevoegde overlegcomité de overeenkomstig leden 2 bis tot en met 3 genomen besluiten betwisten.

De begunstigde kan met name de toegepaste correctie betwisten, waarbij hij op grond van waarschijnlijkheid aantoont dat er geen sprake is van terugkerende of stelselmatige fouten of dat de berekening van de correcties onjuist is, en kan een nieuwe berekening verstrekken. De begunstigde heeft enkel recht op terugbetaling van de kosten van juridische vertegenwoordiging wanneer hij gelijk haalt.

Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Artikel 126 bis (nieuw)
Artikel 126 bis

Termijnen voor het bijhouden van gegevens

1.  Begunstigden moeten gegevens, bewijsstukken, statistische gegevens en andere gegevens met betrekking tot een subsidie gedurende vijf jaar na de betaling van het saldo bijhouden, en gedurende drie jaar voor kleine subsidies.
2.  Gegevens met betrekking tot controles, verhaalprocedures, geschillen of de regeling van claims die voortvloeien uit de uitvoering van het project, moeten worden bijgehouden tot deze controles, verhaalprocedures, geschillen of claims afgehandeld zijn.
3.  De Commissie kan in de gedelegeerde verordening waarnaar wordt verwezen in artikel 199 termijnen vaststellen voor het bijhouden van gegevens door de erkende organen en de Commissie.
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Artikel 128
Artikel 128

Artikel 128

Definitie

Toepassingsgebied

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „prijs” verstaan, een naar aanleiding van een wedstrijd toegekende geldelijke beloning.

Een prijs is een geldelijke beloning die naar aanleiding van een wedstrijd wordt toegekend. Het gebruik van prijzen wordt aangemoedigd, maar kan niet in de plaats komen van een goed gestructureerde financiering.

Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Artikel 129 – lid 1
1.  Met betrekking tot prijzen gelden het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.
1.  Met betrekking tot prijzen gelden het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, en het feit dat ze Europese toegevoegde waarde moeten bevorderen. Prijzen van meer dan 5 000 000 EUR kunnen enkel worden toegekend op grond van een rechtshandeling van de Unie in de zin van de artikelen 288, 289 en 290 VWEU, die uitdrukkelijk de deelnemingsvoorwaarden, de toekenningscriteria, het bedrag van de prijs en de procedure voor de selectie van de deskundigen vaststelt. Prijzen vervallen automatisch bij het verstrijken van de verordening tot vaststelling van het meerjarig financieel kader waarin hun uitvoering begon of vijf jaar na hun bekendmaking, afhankelijk van welk feit zich het laatst voordoet.
Ontvangsten die voortvloeien uit het verstrijken van een prijs worden als interne bestemmingsontvangsten behandeld.

Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Artikel 129 – lid 2 – alinea 1
2.  Prijzen worden opgenomen in het in artikel 118 bedoelde werkprogramma dat door de Commissie wordt vastgesteld en zijn onderworpen aan artikel 118, lid 2.
2.  Voor deze prijzen wordt een werkprogramma vastgesteld dat aan het begin van het jaar van uitvoering wordt bekendgemaakt. Het werkprogramma wordt uitgevoerd via de bekendmaking van wedstrijden.
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Artikel 129 – lid 2 – alinea 3
Prijzen mogen niet direct, zonder wedstrijd, worden toegekend en dienen op dezelfde wijze als oproepen tot het indienen van voorstellen te worden bekendgemaakt.

Prijzen mogen niet direct, zonder wedstrijd, worden toegekend en moeten jaarlijks worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 31, leden 2 en 3.

Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Artikel 129 – lid 3
3.  Inzendingen voor een wedstrijd worden door een deskundigenpanel beoordeeld op grond van het gepubliceerde wedstrijdreglement.
3.  Prijzen worden toegekend door de bevoegde ordonnateur of door een wedstrijdjury. Deze kunnen vrijelijk beslissen al dan niet prijzen toe te kennen, afhankelijk van hun beoordeling van de kwaliteit van de inzendingen aan de hand van het wedstrijdreglement.
Prijzen worden vervolgens toegekend door de bevoegde ordonnateur, op grond van de beoordeling van het deskundigenpanel, dat vrijelijk kan beslissen al dan niet de toekenning van prijzen aan te bevelen, afhankelijk van zijn beoordeling van de kwaliteit van de inzendingen. De bevoegde gedelegeerd ordonnateur voegt het toekenningsbesluit, de lijst van deskundigen die aan de beoordeling hebben deelgenomen en een motivering van hun selectie bij zijn jaarlijkse activiteitenverslag.

Amendement 271
Voorstel voor een verordening
Artikel 130 – lid 1
1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „financieringsinstrument” verstaan, een met begrotingsmiddelen bekostigde en voor een specifiek beleidsdoel bestemde financiële steunmaatregel van de Unie, in de vorm van een lening, garantie, financiering met eigen vermogen, met eigen vermogen gelijk te stellen financiering, deelneming in het aandelenkapitaal of ander risicodragend instrument, eventueel in combinatie met een subsidie.
1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „financieringsinstrument” verstaan, een met begrotingsmiddelen bekostigde en voor een of meer specifieke beleidsdoelen bestemde financiële steunmaatregel van de Unie indien deze uitdrukkelijk is toegestaan in de voornaamste basishandeling voor een specifieke sector, in de vorm van een lening, garantie, financiering met eigen vermogen, met eigen vermogen gelijk te stellen financiering, deelneming in het aandelenkapitaal of ander risicodragend instrument, eventueel in combinatie met een subsidie. De basishandeling vermeldt uitdrukkelijk het soort financieringsinstrument dat mag worden gebruikt om de beleidsdoelstellingen te verwezenlijken.
De volgende definities zijn van toepassing:

a) „met eigen vermogen gelijk te stellen investering”: de financieringswijze die een combinatie van deelneming in het aandelenkapitaal en een lening omvat en waarbij de deelneming de investeerders in staat stelt een hoog rendement op hun investering te verwerven bij welslagen van de onderneming of waarbij het leninggedeelte de investeerder een premie bovenop het investeringsrendement verschaft, zoals mezzanineschuld of achtergestelde schuld;
b) „risicodelend instrument”: een financieringsinstrument dat de gehele of gedeeltelijke dekking van een bepaald risico garandeert, in voorkomend geval in ruil voor een overeengekomen vergoeding;
c) „risicodelend instrument voor projectobligaties”: een kredietverbetering in de vorm van een lening of garantie. Het biedt dekking voor het schuldendienstrisico van een project en beperkt het kredietrisico van obligatiehouders.
Indien meerdere overheidsorganen samen deelnemen aan een operatie die door een risicodelend instrument wordt gedekt, dan kan het door de begroting van de Unie gedragen risico niet hoger zijn dan het bedrag van de subsidie van de Unie.

Amendement 272
Voorstel voor een verordening
Artikel 130 – lid 3
3.  De Commissie kan financieringsinstrumenten gebruiken bij direct beheer of bij indirect beheer, waarbij zij taken toevertrouwt aan de in artikel 55, lid 1, onder b), iii) en iv), bedoelde entiteiten.
3.  De Commissie kan financieringsinstrumenten gebruiken bij direct beheer of bij indirect beheer, indien dit in de basishandeling omschreven is, waarbij zij taken toevertrouwt aan de in artikel 55, lid 1, onder b), iv) en vi), bedoelde entiteiten. Het statuut en de aard van de entiteit waaraan het beheer wordt toevertrouwd moeten worden vastgesteld in de basishandeling.
De Commissie blijft de verantwoordelijkheid houden ervoor te zorgen dat het uitvoeringskader voor financieringsinstrumenten strookt met de beginselen van een gezond financieel beheer en ertoe bijdraagt dat de gedefinieerde beleidsdoelen worden bereikt. De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de financieringsinstrumenten, onverlet de krachtens de toepasselijke wetgeving geldende wettelijke en contractuele verantwoordelijkheid van de entiteit waaraan het beheer wordt toevertrouwd.

Het Europees Parlement wordt regelmatig op de hoogte gehouden over de uitvoering van de financieringsinstrumenten.

Amendement 273
Voorstel voor een verordening
Artikel 130 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. Financiële verrichtingen die begunstigd worden door een financieringsinstrument van de Unie dat wordt uitgegeven in de vorm van, dan wel in combinatie met, een bijdrage of subsidie mogen geen aanleiding geven tot belastingontwijking ten laste van de Europese begunstigden en andere betrokken landen en wetgeving.

De financiële entiteiten die de respectieve financiële instrumenten beheren zijn met eventuele overtreders hoofdelijk aansprakelijk voor alle financiële verliezen als gevolg van de overtreding van deze bepaling.

Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Artikel 131 – lid 1
1.  Financieringsinstrumenten worden aan eindontvangers van middelen van de Unie verstrekt met inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer, transparantie en gelijke behandeling, en van de doelstellingen die in het op die instrumenten toepasselijke basisbesluit zijn vastgesteld.
1.  Financieringsinstrumenten worden aan eindontvangers van middelen van de Unie verstrekt met inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer, transparantie, evenredigheid, niet-discriminatie en gelijke behandeling, en van de doelstellingen die in het op die instrumenten toepasselijke basisbesluit zijn vastgesteld.
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Artikel 131 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis. Ontvangsten en terugbetalingen in het kader van een financieringsinstrument vormen interne bestemmingsontvangsten als bedoeld in artikel 18, lid 3, en worden automatisch overgedragen om opnieuw te worden geïnvesteerd.

In geen enkel geval wordt de bijdrage van de Unie aan een project aan derden uitgekeerd in de vorm van dividenden of winst.

Amendement 274
Voorstel voor een verordening
Artikel 131 – lid 1 bis (nieuw)
1 ter. De Commissie zorgt er bij de uitvoering van financieringsinstrumenten voor dat het verwezenlijken van de voor een financieringsinstrument vastgestelde beleidsdoelstellingen een gemeenschappelijk belang dient, wat bevorderd kan worden door bepalingen zoals vereisten inzake mede-investering en risicodeling of financiële stimuli, waarbij belangenconflicten met andere activiteiten van de entiteit waaraan de uitvoering is toevertrouwd, worden voorkomen.

Behalve in gevallen waarin de markt niet werkt of bij microkredietfaciliteiten moet van financieringsinstrumenten een multiplicatoreffect uitgaan, wat betekent dat de bijdrage van de Unie aan een financieringsinstrument een totale investering teweegbrengt die de omvang van de bijdrage van de Unie overschrijdt.

De Commissie brengt aan de begrotingsautoriteit verslag uit wanneer het minimaal verwachte rendement van een welbepaald financieringsinstrument tussentijds niet wordt gehaald.

Bij deze tussentijdse evaluatie wordt verder verslag uitgebracht over:

- de vooruitgang die is bereikt bij de verwezenlijking van het beleidsdoel;
- het totale bedrag dat aan het financieringsinstrument is besteed;
- het totale bedrag dat gedurende het uitvoeringsproces is uitbetaald;
- waar van toepassing, het totale bedrag waarbij de terugbetaling gevaar loopt of terugbetaling niet gebeurt of is gebeurd;
- waar van toepassing, de aandelenkapitaalwaarde die gedurende het uitvoeringsproces is gegenereerd.
Amendement 304/rev.
Voorstel voor een verordening
Artikel 131 – lid 1 quater (nieuw)
1 quater. De Commissie brengt jaarlijks aan de begrotingsautoriteit verslag uit over de activiteiten die door financieringsinstrumenten worden gesteund, over de bij de uitvoering ervan betrokken financiële instellingen, over de prestaties van de financieringsinstrumenten, met inbegrip van gedane herinvesteringen, over de balans van de trustrekeningen, over ontvangsten en terugbetalingen, over het behaalde multiplicatoreffect en over de waarde van de deelnemingen. De Commissie hecht haar verslag aan het in artikel 63, lid 9, bedoelde jaarlijkse verslag over de werkzaamheden.

Amendement 275
Voorstel voor een verordening
Artikel 131 – lid 2
2.  Onverminderd het bepaalde in artikel 46, lid 1, onder d) en e), mogen de begrotingsuitgaven voor een financieringsinstrument de grenzen van de vastlegging die daarvoor in de begroting is gedaan, niet overschrijden.
2.  Onverminderd de opgenomen en verstrekte leningen en garanties die aan de EIB worden verstrekt voor leningen ten laste van de eigen middelen van de EIB, mogen de begrotingsuitgaven voor een financieringsinstrument en de financiële aansprakelijkheid van de Unie het bedrag van de vastlegging die daarvoor in de begroting is gedaan, niet overschrijden, waardoor voorwaardelijke verplichtingen voor de begroting van de Unie worden uitgesloten.
Amendement 276
Voorstel voor een verordening
Artikel 131 – lid 3
3.  Financiële intermediairs die betrokken zijn bij de uitvoering van financiële verrichtingen in het kader van financieringsinstrumenten zijn gehouden tot naleving van de voorschriften inzake het voorkomen van het witwassen van geld en het bestrijden van terrorisme. Zij mogen niet gevestigd zijn in rechtsgebieden die niet samenwerken met de Unie wat betreft de toepassing van internationaal aanvaarde belastingregels.
3.  De in artikel 55, lid 1, onder b), punten iv) en vi) bedoelde entiteiten en alle financiële intermediairs die betrokken zijn bij de uitvoering van financiële verrichtingen in het kader van financieringsinstrumenten zijn gehouden tot naleving van de voorschriften inzake het voorkomen van het witwassen van geld en het bestrijden van terrorisme. Zij mogen niet gevestigd zijn in en samenwerken met entiteiten die gevestigd zijn in rechtsgebieden die niet samenwerken met de Unie wat betreft de toepassing van internationaal erkende belastingregels.
Amendement 277
Voorstel voor een verordening
Artikel 131 – lid 4
4.  In elke overeenkomst tussen een entiteit in de zin van artikel 55, lid 1, onder b), iii) en iv), en een financieel intermediair in de zin van lid 3 wordt uitdrukkelijk bepaald dat de Commissie en de Rekenkamer bevoegd zijn bij alle derde partijen die middelen van de Unie hebben ontvangen, controles op stukken, controles ter plaatse en controles op informatie, zelfs opgeslagen op elektronische media, uit te voeren.
4.  Elke entiteit in de zin van artikel 55, lid 1, onder b), iv) en vi), en financieel intermediair in de zin van lid 3 die betrokken is bij het beheer van financieringsinstrumenten van de Unie is in de mogelijkheid desgewenst de Commissie, de Rekenkamer en OLAF bij de uitoefening van hun controlebevoegdheid toegang te geven, bij, alle derde partijen die middelen van de Unie hebben ontvangen en/of betrokken zijn bij het beheer van middelen van de Unie, en wel ten aanzien van controles op stukken, controles ter plaatse en controles op informatie, zelfs opgeslagen op elektronische media.
Amendement 200
Voorstel voor een verordening
Artikel 131 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis. De Commissie brengt jaarlijks aan de begrotingsautoriteit verslag uit over de activiteiten die door financieringsinstrumenten worden gesteund, over de bij de uitvoering ervan betrokken financiële instellingen, over de prestaties van de financieringsinstrumenten, met inbegrip van gedane herinvesteringen, over de balans van de trustrekeningen, over ontvangsten en terugbetalingen, over het behaalde multiplicatoreffect en over de waarde van de deelnemingen. De Commissie voegt dit verslag bij het overzicht van de in artikel 63, lid 9, bedoelde jaarlijkse activiteitenverslagen.

Amendement 278
Voorstel voor een verordening
Artikel 131 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter. Het in lid 1 ter bedoelde tussentijdse verslag bevat ook een lijst van de eindbegunstigden van de financieringsinstrumenten en van de financieringsbedragen die zij ontvingen.

De specifieke rechtsvorm van de financieringsinstrumenten, oprichtingsdoelen en, indien van toepassing, het rechtsforum van hun statutaire zetel worden op de website van de Commissie gepubliceerd.

Amendement 293
Voorstel voor een verordening
Artikel 133 – lid 2
2.  Het in lid 1 bedoelde verslag bevat minstens informatie over het kredietbestedingspercentage en beknopte informatie over kredietoverschrijvingen tussen begrotingsonderdelen.
2.  Het in lid 1 bedoelde verslag bevat zowel in absolute cijfers als in percentages minstens informatie over het kredietbestedingspercentage en beknopte informatie over kredietoverschrijvingen tussen begrotingsonderdelen.
Amendement 201
Voorstel voor een verordening
Artikel 134 – alinea 1
De in artikel 132 bedoelde financiële staten zijn in overeenstemming met de boekhoudregels van de Unie die door de rekenplichtige van de Commissie worden vastgesteld en geven een getrouw beeld van de activa en passiva, de lasten en baten, en de kasstromen.

De in artikel 132 bedoelde financiële staten zijn gebaseerd op de internationale boekhoudnormen voor de openbare sector en geven een getrouw beeld van de activa en passiva, de lasten en baten, en de kasstromen.

Amendement 202
Voorstel voor een verordening
Artikel 135
De in artikel 132 bedoelde financiële staten verschaffen informatie, onder andere over het gevoerde boekhoudbeleid, die relevant, betrouwbaar, vergelijkbaar en begrijpelijk is. Zij worden opgemaakt volgens de algemeen erkende boekhoudbeginselen die in de boekhoudregels van de Unie zijn neergelegd.

De in artikel 132 bedoelde financiële staten verschaffen informatie, onder andere over het gevoerde boekhoudbeleid, die relevant, betrouwbaar, vergelijkbaar en begrijpelijk is. Zij worden opgemaakt volgens de algemeen erkende boekhoudbeginselen die in de boekhoudregels van de Unie zijn neergelegd en zijn gebaseerd op de internationale boekhoudnormen voor de openbare sector.

Amendement 203
Voorstel voor een verordening
Artikel 135 bis (nieuw)
Artikel 135 bis

Afwijkingen van de boekhoudbeginselen

Wanneer de rekenplichtigen in een bijzonder geval van oordeel zijn dat van de inhoud van de in de artikelen 187 tot en met 194 genoemde boekhoudbeginselen moet worden afgeweken, wordt deze afwijking vermeld en naar behoren gemotiveerd in de in artikel 136 bedoelde bijlage bij de financiële staten.

Amendement 294
Voorstel voor een verordening
Artikel 136 – lid 1 – letter a
a) de balans en de staat van de financiële resultaten, die de vermogenssituatie en de financiële situatie, alsook het economisch resultaat op 31 december van het afgelopen begrotingsjaar weergeven. Zij worden ingericht volgens de toepasselijke boekhoudregels die door de rekenplichtige van de Commissie worden vastgesteld;
(a) de balans en de staat van de financiële resultaten, die de vermogenssituatie (met inbegrip van de pensioenverplichtingen) en de financiële situatie, alsook het economisch resultaat op 31 december van het afgelopen begrotingsjaar weergeven. Zij worden ingericht volgens de toepasselijke boekhoudregels die door de rekenplichtige van de Commissie worden vastgesteld;
Amendement 204
Voorstel voor een verordening
Artikel 136 – lid 2
2.  De opmerkingen bij de financiële staten vullen de in de in lid 1 bedoelde staten opgenomen informatie aan, lichten deze toe en verstrekken alle door de toepasselijke boekhoudregels van de rekenplichtige van de Commissie voorgeschreven aanvullende inlichtingen.
2.  De opmerkingen bij de financiële staten vullen de in de in lid 1 bedoelde staten opgenomen informatie aan, lichten deze toe en verstrekken alle vereiste aanvullende inlichtingen.
Amendement 205
Voorstel voor een verordening
Artikel 138 – alinea 3
De rekenplichtige van de Commissie consolideert deze voorlopige rekeningen met de voorlopige rekeningen van de Commissie en zendt de Rekenkamer uiterlijk op 31 maart van het begrotingsjaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar de voorlopige rekeningen van de Commissie en de voorlopige geconsolideerde rekeningen van de Unie toe.

De rekenplichtige van de Commissie consolideert deze voorlopige rekeningen met de voorlopige rekeningen van de Commissie en zendt de Rekenkamer en het Europees Parlement uiterlijk op 31 maart van het begrotingsjaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar de voorlopige rekeningen van de Commissie en de voorlopige geconsolideerde rekeningen van de Unie toe.

Amendement 206
Voorstel voor een verordening
Artikel 139 – lid 1
1.  Uiterlijk op 1 juni maakt de Rekenkamer haar opmerkingen over de voorlopige rekeningen van de andere instellingen en van elk in artikel 132 bedoeld orgaan, en uiterlijk op 15 juni haar opmerkingen over de voorlopige rekeningen van de Commissie en de voorlopige geconsolideerde rekeningen van de Unie bekend.
1.  Uiterlijk op 1 juni maakt de Rekenkamer haar opmerkingen over de voorlopige rekeningen van de andere instellingen en van elk in artikel 132 bedoeld orgaan, over de voorlopige rekeningen van de Commissie en over de voorlopige geconsolideerde rekeningen van de Unie bekend.
Amendement 207
Voorstel voor een verordening
Artikel 139 – lid 2 – alinea 1
2.  De andere instellingen dan de Commissie en elk van de in artikel 132 bedoelde organen stellen hun definitieve rekeningen op en zenden deze uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar aan de rekenplichtige van de Commissie, aan de Rekenkamer, het Europees Parlement en de Raad toe met het oog op de opstelling van de definitieve geconsolideerde rekeningen.
2.  De andere instellingen dan de Commissie en elk van de in artikel 132 bedoelde organen stellen hun definitieve rekeningen op en zenden deze uiterlijk op 28 februari van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar aan de rekenplichtige van de Commissie, aan de Rekenkamer, het Europees Parlement en de Raad toe met het oog op de opstelling van de definitieve geconsolideerde rekeningen.
Amendement 208
Voorstel voor een verordening
Artikel 139 – lid 5 – alinea 1
5.  De Commissie keurt de definitieve geconsolideerde rekeningen en haar eigen definitieve rekeningen goed en zendt deze voor 31 juli van het begrotingsjaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.
5.  De Commissie keurt de definitieve geconsolideerde rekeningen en haar eigen definitieve rekeningen goed en zendt deze voor 31 maart van het begrotingsjaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.
Amendement 209
Voorstel voor een verordening
Artikel 139 – lid 6
6.  De definitieve geconsolideerde rekeningen worden voor 15 november van het begrotingsjaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt, vergezeld van de betrouwbaarheidsverklaring die door de Rekenkamer wordt verstrekt overeenkomstig artikel 287 VWEU en artikel 160 C van het Euratom-Verdrag.
6.  De definitieve geconsolideerde rekeningen worden voor 31 juli van het begrotingsjaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt, vergezeld van de betrouwbaarheidsverklaring die door de Rekenkamer wordt verstrekt overeenkomstig artikel 287 VWEU en artikel 160 C van het Euratom-Verdrag.
Amendement 210
Voorstel voor een verordening
Artikel 141 – lid 3
3.  De kwantitatieve gegevens en het verslag over de uitvoering van de begroting worden tegelijk aan de Rekenkamer toegezonden.
3.  De kwantitatieve gegevens en het verslag over de uitvoering van de begroting worden tegelijk aan de Rekenkamer toegezonden en op het internet bekend gemaakt.
Amendement 211
Voorstel voor een verordening
Artikel 141 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. In de loop van het begrotingsjaar wordt een vereenvoudigde geconsolideerde tussentijdse boekhoudkundige situatie van de Europese Unie opgemaakt voor de periode van 1 januari tot en met 30 juni. Deze tussentijdse boekhoudkundige situatie wordt door de Commissie vastgesteld en in beperkte mate door de Europese Rekenkamer onderzocht. Deze geconsolideerde tussentijdse boekhoudkundige situatie per 30 juni wordt vergezeld van het verslag van de Europese Rekenkamer en eventueel vergezeld van de opmerkingen van de Commissie uiterlijk op 30 oktober van hetzelfde jaar aan het Europees Parlement toegezonden.

Amendement 212
Voorstel voor een verordening
Artikel 143 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
De rekenplichtige motiveert en documenteert elke afwijking en stelt de Rekenkamer van deze motivering in kennis op het ogenblik dat een bepaalde boekhoudregel wordt goedgekeurd of bijgewerkt.

Amendement 213
Voorstel voor een verordening
Artikel 145 – lid 3
3.  Het boekhoudsysteem maakt het mogelijk alle boekingen terug te vinden.
3.  Het boekhoudsysteem maakt het mogelijk alle gecontroleerde boekingen duidelijk terug te vinden.
Amendement 214
Voorstel voor een verordening
Artikel 147 – lid 1
1.  De begrotingsboekhouding maakt het mogelijk de uitvoering van de begroting in detail te volgen.
(niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 296
Voorstel voor een verordening
Artikel 149 – lid 2
2.  De instellingen brengen de interne voorschriften die zij op financieel gebied vaststellen ter kennis van de Rekenkamer en van de begrotingsautoriteit.
2.  De instellingen brengen de interne voorschriften die zij op financieel gebied vaststellen ter kennis van de Rekenkamer en van de begrotingsautoriteit, binnen een week nadat ze deze voorschriften hebben aangenomen.
Amendement 215
Voorstel voor een verordening
Artikel 150 – lid 1
1.  De controle door de Rekenkamer van de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven vindt plaats in het licht van de bepalingen van de Verdragen, de begroting, deze verordening, de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199, en alle ter uitvoering van de Verdragen genomen besluiten.
1.  De controle door de Rekenkamer van de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven vindt plaats in het licht van de bepalingen van de Verdragen, de begroting, deze verordening, de gedelegeerde verordening als bedoeld in artikel 199, en alle ter uitvoering van de Verdragen genomen besluiten. De Rekenkamer heeft een permanente controleopdracht.
Amendement 216
Voorstel voor een verordening
Artikel 150 – lid 2 – alinea 1
2.  Bij de vervulling van haar taak kan de Rekenkamer onder de in artikel 152 vastgestelde voorwaarden kennis nemen van alle documenten en inlichtingen betreffende het financieel beheer van de diensten en organen betreffende alle door de Unie gefinancierde of medegefinancierde maatregelen. Zij is bevoegd ieder personeelslid dat verantwoordelijkheid draagt voor uitgaven- of ontvangstenverrichtingen te horen en alle controlemogelijkheden te benutten die de bedoelde diensten en organen zijn toegekend. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid.
2.  Bij de vervulling van haar taak kan de Rekenkamer onder de in artikel 152 vastgestelde voorwaarden kennis nemen van alle documenten en inlichtingen betreffende het financieel beheer van de diensten en organen betreffende alle door de Unie gefinancierde of medegefinancierde maatregelen. Zij is bevoegd ieder personeelslid dat verantwoordelijkheid draagt voor uitgaven- of ontvangstenverrichtingen te horen en alle controlemogelijkheden te benutten die de bedoelde diensten en organen zijn toegekend. De controle in de lidstaten geschiedt in overleg met de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instellingen van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid.
Amendement 217
Voorstel voor een verordening
Artikel 152 – lid 1 – alinea 1
1.  De Commissie, de andere instellingen, de organen die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren en de eindbegunstigden van uit de begroting verrichte betalingen, verlenen de Rekenkamer alle faciliteiten en verstrekken haar alle inlichtingen welke zij bij de vervulling van haar taak nodig meent te hebben. Zij houden ter beschikking van de Rekenkamer alle bescheiden inzake plaatsing en uitvoering van overheidsopdrachten die uit de begroting worden gefinancierd, en alle geld- en goederenrekeningen, alle boekingsbescheiden en bewijsstukken, alsmede de daarop betrekking hebbende administratieve documenten, alle documentatie betreffende de ontvangsten en uitgaven van de Unie, alle inventarislijsten en alle organigrammen welke de Rekenkamer voor de controle, aan de hand van stukken of ter plaatse, van het verslag over het resultaat van de begrotingsuitvoering nodig meent te hebben en, voor hetzelfde doel, alle op geautomatiseerde gegevensdragers opgestelde of bewaarde documenten en gegevens.
1.  De Commissie, de andere instellingen, de organen die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren en de eindbegunstigden van uit de begroting verrichte betalingen, verlenen de Rekenkamer alle faciliteiten en verstrekken haar alle inlichtingen welke zij bij de vervulling van haar taak nodig meent te hebben. Zij houden ter beschikking van de Rekenkamer alle bescheiden inzake plaatsing en uitvoering van overheidsopdrachten die uit de begroting worden gefinancierd, en alle geld- en goederenrekeningen, alle boekingsbescheiden en bewijsstukken, alsmede de daarop betrekking hebbende administratieve documenten, alle documentatie betreffende de ontvangsten en uitgaven van de Unie, alle inventarislijsten en alle organigrammen welke de Rekenkamer voor de controle, aan de hand van stukken of ter plaatse, van het verslag over het resultaat van de begrotingsuitvoering nodig meent te hebben en, voor hetzelfde doel, alle op gegevensdragers opgestelde of bewaarde documenten en gegevens.
Amendement 218
Voorstel voor een verordening
Artikel 153 – lid 1
1.  De Rekenkamer doet uiterlijk op 15 juni aan de Commissie en op 1 juni aan de andere instellingen en de in artikel 132 bedoelde organen de opmerkingen toekomen die naar haar mening in het jaarverslag dienen te worden opgenomen. Deze opmerkingen zijn vertrouwelijk en het voorwerp van een procedure van hoor en wederhoor. Alle instellingen zenden hun antwoorden uiterlijk op 15 oktober aan de Rekenkamer. Tegelijkertijd zenden de andere instellingen hun antwoord aan de Commissie.
1.  De Rekenkamer doet uiterlijk op 15 juni aan de Commissie en op 15 juni aan de andere instellingen en de in artikel 132 bedoelde organen de opmerkingen toekomen die naar haar mening in het jaarverslag dienen te worden opgenomen of die de bevoegde rekenplichtige bij de voorbereiding van de rekeningen in aanmerking dient te nemen. Deze opmerkingen zijn vertrouwelijk en het voorwerp van een procedure van hoor en wederhoor. Alle instellingen zenden hun antwoorden uiterlijk op 30 september aan de Rekenkamer. Tegelijkertijd zenden de andere instellingen hun antwoord aan de Commissie.
Amendement 219
Voorstel voor een verordening
Artikel 153 – lid 2
2.  Na afwikkeling van de procedure van hoor en wederhoor zenden alle betrokken instellingen of organen hun antwoord uiterlijk op 15 oktober aan de Rekenkamer. Tegelijkertijd zenden de andere instellingen en organen hun antwoord aan de Commissie.
Schrappen

Amendement 220
Voorstel voor een verordening
Artikel 153 – lid 5
5.  De Rekenkamer zendt haar jaarverslag met de antwoorden van de instellingen uiterlijk op 15 november toe aan de autoriteiten die kwijting verlenen en aan de andere instellingen, en draagt zorg voor de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
5.  De Rekenkamer zendt haar jaarverslag met de antwoorden van de instellingen uiterlijk op 31 oktober toe aan de autoriteiten die kwijting verlenen en aan de andere instellingen, en draagt zorg voor de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Amendement 221
Voorstel voor een verordening
Artikel 155
Artikel 155

Schrappen

Overzichten van preliminaire bevindingen

1.  De Rekenkamer brengt de overzichten van voorlopige bevindingen van haar controles ter kennis van de betrokken instellingen, organen of lidstaten. De overzichten van preliminaire bevindingen die naar de mening van de Rekenkamer in het jaarverslag dienen te worden opgenomen, worden uiterlijk op 1 juni van het begrotingsjaar na dat waarop zij betrekking hebben, meegedeeld. De overzichten van preliminaire bevindingen zijn vertrouwelijk.
2.  De betrokken instellingen, organen of lidstaten beschikken over een termijn van twee en een halve maand om de Rekenkamer hun eventuele commentaar op deze overzichten van preliminaire bevindingen mede te delen.
Amendement 264
Voorstel voor een verordening
Artikel 156
1.  Vóór 15 mei van het jaar n + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar n.
1.  Vóór 15 april van het jaar n + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar n aan:
- de in artikel 1, lid 2, eerste streepje, bedoelde instellingen,
- de in artikel 196 ter, lid 1, bedoelde entiteiten,
- overige organen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van middelen van de Unie, indien de wetgeving van de Unie bepaalt dat het Europees Parlement aan deze organen kwijting moet verlenen.
2.  Indien de in lid 1 bedoelde datum niet in acht kan worden genomen, deelt het Europees Parlement of de Raad de Commissie de redenen mede waarom het besluit moet worden uitgesteld.
2.  Indien de in lid 1 bedoelde datum niet in acht kan worden genomen, deelt het Europees Parlement of de Raad de betrokken instellingen, entiteiten en organen de redenen mede waarom het besluit moet worden uitgesteld.
 3.  Ingeval het Europees Parlement het besluit waarbij kwijting wordt verleend uitstelt, tracht de Commissie zo spoedig mogelijk maatregelen te treffen om de factoren die dat besluit in de weg staan, op te heffen.
 3.  Ingeval het Europees Parlement het besluit waarbij kwijting wordt verleend uitstelt, trachten de betrokken instellingen, entiteiten en organen zo spoedig mogelijk maatregelen te treffen om de factoren die dat besluit in de weg staan, op te heffen.
Amendement 265
Voorstel voor een verordening
Artikel 157 – lid 3
3.  De Commissie verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar, overeenkomstig artikel 319 VWEU.
3.  De betrokken instellingen, entiteiten en organen verstrekken het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar, overeenkomstig artikel 319 VWEU.
Amendement 266
Voorstel voor een verordening
Artikel 158
1.  Overeenkomstig artikel 319 VWEU en artikel 180 ter van het Euratom-Verdrag stellen de Commissie en de andere instellingen alles in het werk om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat en de opmerkingen waarvan de door de Raad aangenomen aanbeveling tot kwijting vergezeld gaat.
1.  Overeenkomstig artikel 319 VWEU en artikel 180 ter van het Euratom-Verdrag stellen de Commissie en de andere betrokken instellingen, entiteiten en organen alles in het werk om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat en de opmerkingen waarvan de door de Raad aangenomen aanbeveling tot kwijting vergezeld gaat.
2.  Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad brengen de instellingen verslag uit over de maatregelen die naar aanleiding van deze opmerkingen zijn genomen, met name over de instructies die door de instellingen zijn gegeven aan hun diensten die met de uitvoering van de begroting zijn belast. De lidstaten werken met de Commissie samen door haar de maatregelen mede te delen die zij hebben genomen om aan deze opmerkingen gevolg te geven, zodat de Commissie hiermee in haar verslag rekening kan houden. De verslagen van de instellingen worden ook aan de Rekenkamer toegezonden.
 2.  Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad brengen de betrokken instellingen, entiteiten en organen verslag uit over de maatregelen die naar aanleiding van deze opmerkingen zijn genomen, met name over de instructies die zij hebben gegeven aan hun diensten die met de uitvoering van de begroting zijn belast. De lidstaten werken met de Commissie samen door haar de maatregelen mede te delen die zij hebben genomen om aan deze opmerkingen gevolg te geven, zodat de Commissie hiermee in haar verslag rekening kan houden. De verslagen van de instellingen worden ook aan de Rekenkamer toegezonden.
Amendement 224
Voorstel voor een verordening
Artikel 167 – lid 1
1.  Deel een en deel drie van deze verordening zijn van toepassing op de uitgaven van de diensten en organen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1290/2005 inzake het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad23 inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad24 inzake het Europees Sociaal Fonds, Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad25 inzake het Cohesiefonds, Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad26 inzake het Europees Visserijfonds, en van de overeenkomstig artikel 56 van deze verordening gedeeld beheerde fondsen op het gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, (hierna „de fondsen” genoemd), alsook op hun ontvangsten, behoudens de in deze titel genoemde afwijkingen.
1.  Deel een en deel drie van deze verordening zijn van toepassing op de uitgaven van de diensten en organen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1290/2005 inzake het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad23 inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad24 inzake het Europees Sociaal Fonds, Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad25 inzake het Cohesiefonds, Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad26 inzake het Europees Visserijfonds, en van de overeenkomstig artikel 56 van deze verordening gedeeld beheerde fondsen op het gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, met inbegrip van de fondsen in het kader van het programma „solidariteit en beheer van de migratiestromen”, (hierna „de fondsen” genoemd), alsook op hun ontvangsten, behoudens de in deze titel genoemde afwijkingen.
Amendement 225
Voorstel voor een verordening
Artikel 168
Artikel 168

Schrappen

Inachtneming van de toewijzingen aan vastleggingskredieten

Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe de bij de basisbesluiten inzake de structuurmaatregelen, plattelandsontwikkeling en het Europees Visserijfonds voorziene toewijzingen aan vastleggingskredieten in acht te nemen.

Amendement 226
Voorstel voor een verordening
Artikel 169 – lid 3
3.  Overeenkomstig de regelgeving als bedoeld in artikel 167, heeft de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van uit hoofde van een interventie verrichte vooruitbetalingen geen vermindering van de deelname van de fondsen aan de betrokken interventie tot gevolg.
De terugbetaalde bedragen vormen bestemmingsontvangsten zoals bedoeld in artikel 18, lid 3, onder c).

3.  De behandeling van de terugbetaling door de lidstaten en de gevolgen daarvan voor het bedrag van de bijdrage uit de fondsen worden geregeld in de in artikel 167 bedoelde regelgeving.
De behandeling van de terugbetaling door de lidstaten en de gevolgen daarvan voor het bedrag van de bijdrage uit de fondsen worden geregeld in de in artikel 167 bedoelde regelgeving.

Amendement 227
Voorstel voor een verordening
Titel III – Hoofdstuk 1 – nieuw kopje (vóór artikel 173)
HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Amendement 228
Voorstel voor een verordening
Artikel 175 – lid 2 – alinea 1
2.  Worden gelijkgesteld met bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 18, lid 2, de kredieten voor:
2.  De kredieten voor
a) procedures voor het toekennen van opdrachten of subsidies waaraan het GCO deelneemt; of
a) procedures voor het toekennen van opdrachten of subsidies waaraan het GCO deelneemt, of
b) activiteiten van het GCO voor rekening van derden; of
b) activiteiten van het GCO voor rekening van derden, of
c) activiteiten uit hoofde van een administratieve overeenkomst met andere instellingen of andere diensten van de Commissie voor de verstrekking van technische en wetenschappelijke diensten.
c) activiteiten uit hoofde van een administratieve overeenkomst met andere instellingen of andere diensten van de Commissie voor de verstrekking van technische en wetenschappelijke diensten,
worden gelijkgesteld met bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 18, lid 2.
Amendement 279
Voorstel voor een verordening
Titel III – Hoofdstuk 2 (nieuw)
HOOFDSTUK 2

Financiering en subsidiabele kosten

Artikel 175 bis

Gemiddelde personeelskosten

1.  Voor de aanvaarding van gemiddelde personeelskosten gelden de volgende criteria:
a) de gemiddelde personeelskosten berusten op de gebruikelijke kostenberekeningsmethode van de begunstigde; dit omvat op kostenplaats gebaseerde methoden.
b) de gemiddelde personeelskosten zijn gebaseerd op de reële personeelskosten van de begunstigde die zijn opgetekend in zijn jaarrekeningen, of analytische boekhouding in overeenstemming met de toepasselijke nationale voorschriften, waar nodig met inbegrip van begrote of geraamde bedragen;
c) de methode op basis van gemiddelde personeelskosten houdt in de gemiddelde personeelscijfers geen rekening met niet-subsidiabele kosten als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013)1en in Verordening (Euratom) nr. 1908/2006 van de Raad van 19 december 2006 tot vaststelling van de regels voor deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor atoomenergie voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2011)2 en in de modelsubsidieovereenkomsten, kosten die onder andere kostencategorieën worden gevorderd, worden niet in aanmerking genomen;
d) het aantal productieve uren dat wordt gehanteerd om de gemiddelde uurcijfers te berekenen, komt overeen met de gebruikelijke beheersmethode van de begunstigde, op voorwaarde dat deze gebaseerd is op een controleerbare boekhouding.
2.  De in lid 1 vermelde criteria zijn van toepassing, op voorwaarde dat alle andere aspecten van de methode in overeenstemming zijn met de bepalingen van de modelsubsidieovereenkomsten.
3.  De in lid 1 vermelde criteria gelden als referentie voor alle gemiddelde kosten die in het kader van de subsidieovereenkomst worden aangerekend: deze waarvan de methode vooraf is gecertificeerd en deze die vooraf niet zijn gecertificeerd, met inbegrip van de reeds ondertekende subsidieovereenkomsten. Bijgevolg gelden deze criteria ook in het kader van controles achteraf door de Commissie, met inbegrip van de reeds ondertekende subsidieovereenkomsten.
4.  Aangerekende personeelskosten op basis van methoden die in overeenstemming zijn met de in lid 1 vermelde criteria worden geacht niet wezenlijk te verschillen van de werkelijke kosten.
5.  Bij goedkeuring vooraf van de methode overeenkomstig de in lid 1 vermelde criteria, blijft de goedkeuring geldig voor de volledige looptijd van de kaderprogramma's, tenzij de methode door de begunstigde wordt gewijzigd of de diensten van de Commissie bij controles zwakke punten in de methode vaststellen die het gevolg zijn van onnauwkeurigheid, oneigenlijk gebruik of elk ander feit dat de basis wegneemt waarop deze goedkeuring werd verleend.
6.  Begunstigden van wie de methode voor de gemiddelde personeelskosten is goedgekeurd volgens de voorwaarden die zijn vastgesteld in het Besluit van de Commissie C(2009)4705 mogen de goedgekeurde methode blijven gebruiken of naar hun gebruikelijke berekeningsmethode teruggrijpen indien deze in overeenstemming is met de in dit artikel vastgestelde criteria.
1 PB L 391 van 30.12.2006, blz. 1.
2 PB L 400 van 30.12.2006, blz. 1.
Artikel 175 ter

Zaakvoerders van KMO's (kleine en middelgrote ondernemingen) en natuurlijke personen

1.  In alle subsidies voor indirecte acties uit hoofde van de kaderprogramma's, heeft de financiële bijdrage van de Unie voor de eigen werkzaamheden in het kader van het project van KMO-zaakvoerders die geen salaris ontvangen en voor natuurlijke personen die geen salaris ontvangen de vorm van een forfaitair bedrag.
2.  De waarde van de eigen werkzaamheden van deze KMO-zaakvoerders en natuurlijke personen is gebaseerd op een forfaitair bedrag dat wordt vastgesteld door het aantal voor het project gewerkte uren te vermenigvuldigen met het uurtarief dat als volgt wordt berekend:
a) het standaard aantal productieve uren bedraagt 1 575;
b) het totale aantal uren dat per jaar voor een project van de Unie wordt aangerekend kan niet hoger zijn dan het standaard aantal productieve uren per KMO-zaakvoerder of natuurlijke persoon.
De waarde van de eigen werkzaamheden wordt beschouwd als een directe subsidiabele kost van het project.

3.  Deze financieringsvorm geldt ook voor KMO-zaakvoerders en natuurlijke personen die geen salaris ontvangen uit hoofde van reeds ondertekende subsidieovereenkomsten in de context van de kaderprogramma's, tenzij voor deze begunstigden reeds een certificatie van de methode voor de gemiddelde personeelskosten is ingediend en door de Commissie is goedgekeurd. In het laatste geval kunnen de begunstigden ervoor kiezen de gecertificeerde methode te blijven toepassen.
Amendement 230
Voorstel voor een verordening
Titel III – Hoofdstuk 3 (nieuw)
HOOFDSTUK 3

Overlegcomité onderzoek

Artikel 175 quater

Overlegcomité onderzoek

1.  Er wordt een gespecialiseerd overlegcomité voor onderzoekskwesties („overlegcomité onderzoek”) opgericht tussen de directoraten-generaal die bevoegd zijn voor de uitvoering van de respectieve kaderprogramma's; hun mandaat bestaat erin een definitief en uniform standpunt aan te nemen over elke juridische en financiële kwestie met betrekking tot de uitvoering van de gehele projectcyclus, alsook met betrekking tot alle werkings- en procedurekwesties waarvoor via de gebruikelijke werkwijzen tussen de diensten geen consensus kon worden bereikt.
Het overlegcomité onderzoek treedt op als het in artikel 126 ter bedoelde bevoegd overlegcomité voor alle zaken met betrekking tot onderzoeksprojecten en onderzoeksprogramma's, met inbegrip van het kaderprogramma.

Een lid van het overlegcomité onderzoek kan uit hoofde van de toepassing van de artikelen 70 en 71 niet aansprakelijk worden gesteld voor besluiten die hij als lid van het overlegcomité onderzoek heeft genomen.

2.  Het overlegcomité onderzoek bestaat uit de directeurs-generaal van de directoraten-generaal onderzoek en innovatie, onderwijs en cultuur, ondernemingen en industrie, informatiemaatschappij en media, mobiliteit en vervoer, en energie, of uit een gemachtigde vertegenwoordiger per directoraat-generaal. Het komt minstens vier maal per jaar bijeen en kan via een schriftelijke procedure consensusbesluiten nemen.
3.  Voor deze procedure gelden de volgende regels:
a) het overlegcomité onderzoek wordt voorgezeten door de directeur-generaal onderzoek en innovatie of door zijn vertegenwoordiger;
b) indien nodig kan het overlegcomité onderzoek het advies inwinnen van de horizontale centrale diensten van de Commissie, met name de juridische dienst en het directoraat-generaal begroting;
c) het overlegcomité onderzoek kan belanghebbenden of hun vertegenwoordigers of alle deskundigen die het nuttig acht uitnodigen om hun advies uit te brengen;
d) besluiten worden bij consensus genomen of, indien dit niet mogelijk is, door een meerderheid, en zijn bindend voor de in lid 1 vermelde directoraten-generaal;
e) de aangenomen definitieve en uniforme standpunten zijn eveneens bindend voor de uitvoerende agentschappen die delen van het kaderprogramma uitvoeren;
f) een welbepaalde sector binnen het directoraat-generaal onderzoek en innovatie staat in voor secretariaatsondersteuning voor het overlegcomité onderzoek. De besluiten van het overlegcomité onderzoek worden openbaar gemaakt in de vorm van een elektronische databank, waarbij rekening wordt gehouden met de toepasselijke regelgeving inzake gegevensbescherming;
g) het overlegcomité onderzoek stelt zijn reglement van orde vast overeenkomstig de bepalingen van artikel 126 quater.
Amendement 231
Voorstel voor een verordening
Titel IV – Hoofdstuk 2 – Afdeling 1 (nieuw) – kopje (nieuw) (vóór artikel 177)
Afdeling 1

Algemene bepalingen

Amendement 232
Voorstel voor een verordening
Artikel 177 bis (nieuw)
Artikel 177 bis

Gebruik van begrotingssteun

1.  Indien hierin wordt voorzien in de relevante basisbesluiten, kan de Commissie aan derde landen sectorale of algemene begrotingssteun verlenen indien het beheer van de overheidsfinanciën door het partnerland in afdoende mate transparant, betrouwbaar en doeltreffend is.
2.  De Commissie neemt in de overeenkomstige financieringsovereenkomsten, gesloten krachtens artikel 176, lid 2, onder b) passende bepalingen op, die inhouden dat het betreffende begunstigde land toezegt om de relevante financiering voor acties geheel of gedeeltelijk te zullen terugbetalen, indien wordt vastgesteld dat het beheer van de betreffende middelen van de Unie geschaad is door ernstige onregelmatigheden.
Voor de verwerking van de terugbetaling als bedoeld in de eerste alinea kan artikel 77, lid 1, betreffende invordering door verrekening worden toegepast.

3.  De Commissie steunt de ontwikkeling van parlementaire controle en auditbevoegdheden en streeft naar grotere transparantie en openbare toegankelijkheid van informatie.
Amendement 233
Voorstel voor een verordening
Titel IV – Hoofdstuk 2 – Afdeling 2 (nieuw) – kopje (nieuw) (vóór artikel 178)
Afdeling 2

Door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen

Amendement 234
Voorstel voor een verordening
Artikel 178 – alinea 2
De bijdragen van de Unie en de donoren worden op een specifiek daartoe bestemde bankrekening gestort. Deze bijdragen worden niet opgenomen in de begroting en worden door de Commissie beheerd onder verantwoordelijkheid van de gedelegeerd ordonnateur. Aan de in artikel 55, lid 1, onder b), genoemde entiteiten of personen kunnen taken tot uitvoering van de begroting worden toevertrouwd in overeenstemming met de geldende voorschriften voor indirect beheer.

De bijdragen van de Unie en de donoren worden op een specifiek daartoe bestemde bankrekening gestort. Deze bijdragen worden niet opgenomen in de begroting en worden door de Commissie beheerd onder verantwoordelijkheid van de gedelegeerd ordonnateur. Artikel 55, lid 3, is van toepassing.

Amendement 235
Voorstel voor een verordening
Titel IV – Hoofdstuk 2 – Afdeling 3 (nieuw)– kopje (nieuw) (vóór artikel 179)
Afdeling 3

Andere beheerswijzen

Amendement 236
Voorstel voor een verordening
Artikel 195 – lid 3
3.  De instellingen stellen de begrotingsautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van ieder onroerendgoedproject dat aanzienlijke financiële gevolgen voor de begroting kan hebben.
3.  De instellingen en organen in de zin van artikel 196 ter stellen de begrotingsautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van ieder onroerendgoedproject dat aanzienlijke financiële gevolgen voor de begroting kan hebben.
Indien een tak van de begrotingsautoriteit advies wil uitbrengen, stelt deze tak binnen twee weken na ontvangst van de gegevens over het onroerendgoedproject de betrokken instelling in kennis van zijn voornemen om een dergelijk advies te verstrekken. Indien geen van de takken van de begrotingsautoriteit reageert, kan de betrokken instelling de voorgenomen transactie uitvoeren uit hoofde van haar administratieve autonomie, onder voorbehoud van artikel 335 VWEU en artikel 185 van het Euratom-Verdrag wat betreft de vertegenwoordiging van de Unie.

Zij stellen de begrotingsautoriteit met name in kennis van:

Het advies wordt binnen twee weken vanaf de kennisgeving aan de betrokken instelling toegezonden.

a) bouw- en renovatieprojecten, vóór het publiceren van de uitnodigingen tot inschrijving, over de specifieke planningsregelingen, en nadat gedetailleerde kostenplannen zijn opgesteld maar vóór het sluiten van contracten, over alle aspecten die verband houden met de besluitvorming en over de financiering van het project, alsook, na de voltooiing van de werkzaamheden, over de mate waarin de werkzaamheden zijn verlopen zoals gepland en over de begroting;
b) andere onroerendgoedopdrachten, vóór het publiceren van de uitnodigingen tot inschrijving of vóór het verkennen van de lokale markt, over de specifiek vereiste bouwoppervlakte, en vóór het sluiten van contracten, over alle aspecten die verband houden met de besluitvorming en over de financiering van het project, alsook, na de voltooiing van de werkzaamheden, over de naleving van de begroting en de uitvoering van het project.
Desgevallend kunnen de instellingen en organen informatie verstrekken in het werkdocument over het vastgoedbeleid waarnaar wordt verwezen in artikel 34, lid 4 bis.

Alvorens een contract te sluiten, is de goedkeuring van de begrotingsautoriteit vereist. De begrotingsautoriteit neemt een besluit inzake het verlenen van goedkeuring binnen de acht weken na ontvangst van het verzoek en van alle informatie die verband houdt met de besluitvorming.

De instellingen vragen de goedkeuring van de begrotingsautoriteit voor de verwerving van onroerende activa en alle andere vastgoedprojecten die met een lening worden gefinancierd.

Amendement 237
Voorstel voor een verordening
Artikel 195 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. Onroerendgoedprojecten die aanzienlijke financiële gevolgen voor de begroting kunnen hebben, zijn:

i) de verwerving, verkoop, renovatie of bouw van onroerend goed voor een bedrag van meer dan 2 miljoen EUR, of de verlenging van bestaande onroerendgoedopdrachten voor een bedrag van meer dan 2 miljoen EUR per jaar;
ii) de verwerving van grond;
iii) alle nieuwe onroerendgoedopdrachten (met inbegrip van vruchtgebruik en erfpacht) voor nieuwe eigendommen met een jaarlijkse last van minstens 500 000 EUR;
iv) alle onroerendgoedprojecten die van interinstitutionele aard zijn.
Amendement 238
Voorstel voor een verordening
Artikel 195 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter. Een onroerendgoedproject kan gefinancierd worden uit de begroting of, in afwijking van artikel 14, met de goedkeuring van de begrotingsautoriteit via leningen. Leningen worden binnen een passende termijn terugbetaald.

Het financieringsplan dat de betrokken instelling samen met het goedkeuringsverzoek moet indienen, vermeldt met name het maximale financieringspeil, de financieringstermijn en het soort financiering.

Amendement 239
Voorstel voor een verordening
Titel VII bis (nieuw)
TITEL VII bis

AGENTSCHAPPEN, ORGANEN EN PUBLIEK-PRIVATE PARTNERSCHAPPEN

Amendement 240
Voorstel voor een verordening
Artikel 196 bis (nieuw)
Artikel 196 bis

Soorten publiek-private partnerschappen

De volgende soorten publiek-private partnerschappen mogen worden tot stand gebracht:

a) bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid die bijdragen uit de begroting ontvangen overeenkomstig artikel 196 ter;
b) organen met rechtspersoonlijkheid die zijn opgericht bij een basisbesluit dat hun statuut en het toepassingsgebied en de aard van hun operaties vaststelt, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap in de zin van artikel 196 ter en 196 quater is toevertrouwd, en waarbij Europese toegevoegde waarde wordt gecreëerd en de interventie van publieke fondsen gerechtvaardigd is.
Amendement 241
Voorstel voor een verordening
Artikel 196 ter (nieuw)
Artikel 196 ter

Financiële kaderregeling voor de bij specifieke bepalingen van het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte agentschappen, organen en publiek-private partnerschappen

1.  Bij een gedelegeerde verordening overeenkomstig de artikelen 202, 203 en 204 van deze verordening wordt, na raadpleging van de Rekenkamer, een financiële kaderregeling vastgesteld voor de bij specifieke bepalingen van het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte entiteiten met rechtspersoonlijkheid.
Deze financiële kaderregeling is gebaseerd op de in deze verordening vervatte beginselen en regels.

De financiële regels voor deze organen mogen slechts van de financiële kaderregeling afwijken indien hun specifieke behoeften dit vereisen. Er kan niet worden afgeweken van de in deel een, titel II, vastgestelde begrotingsbeginselen, van het beginsel van gelijke behandeling van marktdeelnemers en van specifieke bepalingen van de basisbesluiten waarbij die organen zijn opgericht. Wanneer de financiële regels van deze ppp's afwijken van de financiële kaderregeling, wordt de Commissie in kennis gesteld van deze afwijkingen en van de redenen hiervoor. De Commissie heeft het recht binnen de zes weken na de kennisgeving tegen dergelijke afwijkingen bezwaar te maken.

De regels van deze organen mogen van het personeelsstatuut afwijken.

1 bis. Het Europees Parlement en de Raad worden jaarlijks en uiterlijk op 31 oktober in een werkdocument in kennis gesteld van afwijkingen en de specifieke redenen hiervoor. Het werkdocument vermeldt eveneens de vorderingen inzake de verwezenlijking van de doelstelling waarvoor de afzonderlijke entiteiten werden opgericht, evenals de relevantie van bovengenoemde afwijkingen voor de gemaakte vorderingen, de in artikel 34, lid 2 ter, bedoelde informatie; en de verwezenlijking van de eerder vastgestelde specifieke doelstellingen in het jaar waarop de kwijting betrekking heeft. Wanneer de doelstellingen niet volledig zijn verwezenlijkt, vermeldt het beheersorgaan van de entiteit de specifieke redenen hiervoor en stelt het maatregelen voor om dat te verhelpen: een van deze maatregelen kan een met redenen omkleed verzoek zijn voor een tijdelijke verhoging van de administratieve middelen voor ten hoogste één opeenvolgend jaar.

Verder presenteert het werkdocument de bestuursstructuren van alle entiteiten die overeenkomstig dit artikel zijn opgericht, met inbegrip van een globaal overzicht van de omvang van de afzonderlijke bestuursstructuren ten opzichte van de respectieve personeelssterkte.

2.  De kwijting voor de uitvoering van de begroting van de in lid 1 bedoelde entiteiten wordt verleend door het Europees Parlement, op aanbeveling van de Raad. Wanneer het Europees Parlement dit nodig acht, kan het een beheersorgaan van een entiteit in de loop van de kwijtingsprocedure uitnodigen, met name wanneer de in lid 1 bis beschreven doelstellingen gedurende twee opeenvolgende jaren niet zijn verwezenlijkt.
3.  Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde entiteiten oefent de interne controleur van de Commissie dezelfde bevoegdheden uit als die welke hem zijn toegekend met betrekking tot de diensten van de Commissie.
4.  Elk agentschap stelt door middel van een contract en na raadpleging van de Rekenkamer een onafhankelijke financieel controleur aan die tot taak heeft na te gaan of de rekeningen van het orgaan in overeenstemming zijn met artikel 134 en een beoordeling uit te voeren van de wettigheid en de regelmatigheid van de uitgaven en ontvangsten van het orgaan. De Rekenkamer onderzoekt de door deze onafhankelijke financiële controleurs opgestelde verslagen en mag uitgaan van deze verslagen om haar oordeel te vormen, naast het uitvoeren van alle andere procedures die ze nodig acht.
Amendement 242
Voorstel voor een verordening
Artikel 196 quater (nieuw)
Artikel 196 quater

Financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen die niet gebaseerd zijn op specifieke bepalingen van het VWEU

1.  De overeenkomstig de artikelen 288 en 289 VWEU bij een basisbesluit opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd, stellen hun financiële regels vast, die onder meer betrekking hebben op de opstelling, de uitvoering, de boekhouding en de kwijting van de begroting van het ppp.
2.  Deze regels omvatten een geheel van beginselen dat een goed financieel beheer van de middelen van de Unie waarborgt en is gebaseerd op de artikelen 55 en 57 en op een financiële modelregeling, door de Commissie vast te stellen bij een gedelegeerde verordening overeenkomstig de artikelen 202, 203 en 204, na raadpleging van de Rekenkamer.
Wanneer de financiële regels van deze ppp's afwijken van de financiële modelregeling, wordt de Commissie in kennis gesteld van deze afwijkingen en van de redenen hiervoor. De Commissie heeft het recht binnen de zes weken na de kennisgeving tegen dergelijke afwijkingen bezwaar te maken.

De regels van deze organen mogen van het personeelsstatuut afwijken indien de handelingen tot oprichting van deze organen overeenkomstig artikel 1 bis, lid 2, van het personeelsstatuut niet in de toepassing van het personeelsstatuut voorzien.

3.  Het Europees Parlement en de Raad worden jaarlijks en uiterlijk op 31 oktober in een werkdocument in kennis gesteld van afwijkingen en de specifieke redenen hiervoor. Het werkdocument vermeldt eveneens de vorderingen inzake de verwezenlijking van de doelstelling waarvoor de afzonderlijke organen werden opgericht, evenals de relevantie van bovengenoemde afwijkingen voor de gemaakte vorderingen, de in artikel 34, lid 2 ter, bedoelde informatie en de verwezenlijking van de eerder vastgestelde specifieke doelstellingen in het jaar waarop de kwijting betrekking heeft. Wanneer de doelstellingen niet volledig zijn verwezenlijkt, vermeldt het beheersorgaan van het orgaan de specifieke redenen hiervoor en stelt het maatregelen voor om hieraan te verhelpen; een van deze maatregelen kan een met redenen omkleed verzoek zijn voor een tijdelijke verhoging van de administratieve middelen voor ten hoogste één opeenvolgend jaar. Verder presenteert het werkdocument de bestuursstructuren van alle entiteiten die overeenkomstig dit artikel zijn opgericht, met inbegrip van een globaal overzicht van de omvang van de afzonderlijke bestuursstructuren ten opzichte van de respectieve personeelssterkte.
4.  De kwijting voor de uitvoering van de begroting van de in lid 1 bedoelde organen wordt verleend door het Europees Parlement, op aanbeveling van de Raad.
5.  Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde organen oefent de intern controleur van de Commissie dezelfde bevoegdheden uit als die welke hem zijn toegekend met betrekking tot de diensten van de Commissie.
Amendement 243
Voorstel voor een verordening
Artikel 199
De Commissie stelt de uitvoeringsvoorschriften voor de toepassing van deze verordening vast in een gedelegeerde verordening overeenkomstig de artikelen 202, 203 en 204. Deze gedelegeerde verordening bevat ook regels voor de uitvoering van de administratieve uitgaven uit de kredieten waarin de begroting voorziet voor het Voorzieningsagentschap van Euratom.

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig de artikelen 202, 203 en 204 een gedelegeerde verordening vaststellen betreffende gedetailleerde regels ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de volgende artikelen: 5, 8, 9, 16, 18, 19, 20, 22, 23, 25, 26, 27, 30, 31, 34, 38, 41, 46, 50, 51, 55, 56, 57, 58, 61, 63, 65, 66, 67, 69, 70, 71, 72, 75, 76, 77, 77 ter, 78, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 89, 90, 92, 93, 94, 95, 97, 98, 99, 100, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 107, 108, 109, 110, 111, 112, 113, 114, 115, 116, 117, 117 bis, 118, 119, 120, 122, 123, 124, 125, 126, 126 bis, 126 quater, 127, 133, 135, 136, 137, 139, 142, 145, 147, 148, 173, 175, 176, 178, 179, 180, 181, 182, 183, 184, 187, 188, 191, 193, 195, 196, 197.

De doelstellingen, inhoud en strekking van de delegatie met betrekking tot de bovengenoemde artikelen zijn opgenomen in een bijlage bij deze verordening.

Deze gedelegeerde verordening bevat ook regels voor de uitvoering van de administratieve uitgaven uit de kredieten waarin de begroting voorziet voor het Voorzieningsagentschap van Euratom.

Amendement 244
Voorstel voor een verordening
Artikel 200
Artikel 200

Schrappen

Financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte agentschappen en organen

1.  De Commissie stelt een financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte agentschappen en organen met rechtspersoonlijkheid die bijdragen uit de begroting ontvangen, vast bij een gedelegeerde handeling overeenkomstig de artikelen 202, 203 en 204 van deze verordening.
De financiële kaderregeling is gebaseerd op de in deze verordening vervatte beginselen en regels.

De financiële regels voor deze organen mogen slechts van de financiële kaderregeling afwijken voor zover hun specifieke behoeften zulks vereisen, en met voorafgaande instemming van de Commissie. Er kan niet worden afgeweken van de in deel een, titel II, vastgestelde begrotingsbeginselen, van het beginsel van gelijke behandeling van marktdeelnemers en van specifieke bepalingen van de basisbesluiten waarbij die organen zijn opgericht.

2.  De kwijting voor de uitvoering van de begroting van de in lid 1 bedoelde organen wordt verleend door het Europees Parlement, op aanbeveling van de Raad.
3.  Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde organen oefent de intern controleur van de Commissie dezelfde bevoegdheden uit als die welke hem zijn toegekend met betrekking tot de diensten van de Commissie.
4.  Tenzij anders is bepaald in het basisbesluit tot oprichting van een in lid 1 bedoeld orgaan, onderzoekt de Rekenkamer de wettigheid en de regelmatigheid van de uitgaven en ontvangsten van dat orgaan voordat de rekeningen ervan worden geconsolideerd met die van de Commissie. Voor dit onderzoek wordt uitgegaan van het controleverslag van een onafhankelijke externe controleur die door het orgaan wordt aangesteld om na te gaan of de rekeningen van het orgaan in overeenstemming zijn met artikel 134.
Amendement 245
Voorstel voor een verordening
Artikel 201
Artikel 201

Schrappen

Financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen

De bij een basisbesluit opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap in de zin van artikel 55, lid 1, onder b), v), is toevertrouwd, stellen hun financiële regels vast.

Deze regels omvatten een geheel van beginselen dat een goed financieel beheer van de middelen van de Unie waarborgt en is gebaseerd op artikel 57 en een financiële modelregeling, door de Commissie vast te stellen bij een gedelegeerde handeling overeenkomstig de artikelen 202, 203 en 204.

Amendement 246
Voorstel voor een verordening
Artikel 202 – lid 1
1.  De bevoegdheid tot vaststelling van de gedelegeerde handeling bedoeld in de artikelen 199, 200 en 201 wordt aan de Commissie verleend voor onbepaalde tijd.
1.  De bevoegdheid tot vaststelling van de gedelegeerde verordeningen bedoeld in de artikelen 196 ter, 196 quater en 199 wordt aan de Commissie verleend voor een periode van drie jaar, te rekenen vanaf *, volgens de voorwaarden die in de artikelen 203 en 204 zijn vastgelegd.
* Datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Amendement 247
Voorstel voor een verordening
Artikel 202 – lid 2
2.  Zodra de Commissie de gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij daar tegelijkertijd het Europees Parlement en de Raad van in kennis.
2.  Zodra de Commissie een gedelegeerde verordening vaststelt, stelt zij daar tegelijkertijd het Europees Parlement en de Raad van in kennis.
Bij haar voorbereidende werkzaamheden pleegt de Commissie passend overleg, onder meer met het Europees Parlement en met deskundigen, en zorgt zij voor een gelijktijdige, snelle en adequate toezending van de desbetreffende documenten aan het Europees Parlement en de Raad.

Amendement 248
Voorstel voor een verordening
Artikel 202 – lid 3
3.  De bevoegdheid tot vaststelling van de gedelegeerde handeling wordt de Commissie verleend onder de in de artikelen 203 en 204 gestelde voorwaarden.
3.   Wanneer deze verordening wordt herzien, dient de Commissie een herziene gedelegeerde verordening in.
Amendement 249
Voorstel voor een verordening
Artikel 203 – titel
Intrekking van de delegatie

Intrekking van de delegatie en intrekking van de gedelegeerde verordening

Amendement 250
Voorstel voor een verordening
Artikel 203 – lid 1
1.  De in artikel 199 bedoelde delegatie van bevoegdheden kan door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken.
1.  De in de artikelen 196 ter, 196 quater en 199 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan geheel of gedeeltelijk, met gevolgen voor de toekomst, door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Bovendien kunnen het Europees Parlement of de Raad de gedelegeerde verordeningen die uit hoofde van de in de vorige zin ingetrokken gedelegeerde bevoegdheden zijn vastgesteld, geheel of gedeeltelijk intrekken.
Amendement 251
Voorstel voor een verordening
Artikel 203 – lid 2
2.  De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt de andere instelling en de Commissie hiervan op de hoogte binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en waarom.
2.  De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de bevoegdheidsdelegatie en/of de gedelegeerde verordening geheel of gedeeltelijk wenst in te trekken, brengt de andere instelling en de Commissie hiervan op de hoogte binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen, en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden en, indien van toepassing, welke gedelegeerde verordening of welk deel ervan mogelijk worden ingetrokken en waarom.
Amendement 252
Voorstel voor een verordening
Artikel 203 – lid 3
3.  Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het besluit treedt onmiddellijk of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld in werking. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
3.  Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Bovendien kan het besluit ook een einde maken aan de geldigheid van een van kracht zijnde gedelegeerde verordening of delen ervan. Het besluit treedt onmiddellijk of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld in werking. Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Amendement 253
Voorstel voor een verordening
Artikel 203 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. Binnen een redelijke termijn na het nemen van een besluit over de intrekking van een deel van de gedelegeerde bevoegdheid en, indien van toepassing, de gehele of gedeeltelijke intrekking van de gedelegeerde verordening, dient de Commissie een voorstel in voor de herziening van deze verordening en/of voor een herziene gedelegeerde verordening.

Amendement 254
Voorstel voor een verordening
Artikel 204 – titel
Bezwaren tegen gedelegeerde handelingen

Bezwaren tegen een gedelegeerde verordening

Amendement 255
Voorstel voor een verordening
Artikel 204 – lid 1
1.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving bezwaar maken tegen de gedelegeerde handeling.
1.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen binnen een termijn van drie maanden na de datum van kennisgeving bezwaar maken tegen een gedelegeerde verordening die de Commissie overeenkomstig de artikelen 196 ter, 196 quater en 199 heeft voorgesteld.
Amendement 256
Voorstel voor een verordening
Artikel 204 – lid 2 – alinea 1
2.  Indien bij het verstrijken van deze termijn het Europees Parlement noch de Raad bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, wordt deze bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt zij in werking op de daarin vermelde datum.
2.  Indien bij het verstrijken van deze termijn het Europees Parlement noch de Raad bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde verordening, wordt deze bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt zij in werking op de daarin vermelde datum.
Amendement 257
Voorstel voor een verordening
Artikel 204 – lid 3
3.  Indien het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt tegen een gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. De instelling die bezwaar maakt tegen de gedelegeerde handeling, vermeldt de redenen daarvoor.
3.  Indien hetzij het Europees Parlement hetzij de Raad bezwaar maakt tegen de gedelegeerde verordening en er wijzigingen aan voorstelt binnen de in lid 1 genoemde termijn, neemt de Commissie kennis van deze wijzigingen en kan zij een herziene gedelegeerde verordening vaststellen. Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig onderhavig artikel bezwaar maken tegen deze herziene gedelegeerde verordening.
Amendement 258
Voorstel voor een verordening
Artikel 204 – lid 3 bis (nieuw)
3bis. Het Europees Parlement of de Raad kan de Commissie te allen tijde verzoeken een geheel of gedeeltelijk herziene gedelegeerde verordening voor te stellen. Ze stellen elkaar zo spoedig mogelijk in kennis van hun voornemen voor een dergelijk verzoek.

Amendement 259
Voorstel voor een verordening
Artikel 205
Herziening

Herziening

Deze verordening wordt herzien telkens wanneer zulks nodig is, volgens de procedure van artikel 322 VWEU en artikel 183 van het Euratom-Verdrag.

Om de drie jaar of telkens wanneer zulks nodig is, wordt deze verordening onderworpen aan een herziening volgens de procedure van artikel 322, lid 1, VWEU en artikel 183 van het Euratom-Verdrag.

De in deze verordening vastgestelde drempels kunnen worden aangepast aan de evolutie van de inflatie, via een gedelegeerde verordening waarnaar wordt verwezen in artikel 199, overeenkomstig de artikelen 202, 203 en 204.

Amendement 260
Voorstel voor een verordening
Artikel 208
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

1.  Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

2.  Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.
Artikel 56 is wat betreft de in artikel 167 genoemde fondsen slechts van toepassing op vanaf 1 januari 2014 gedane vastleggingen.

3.  Artikel 56 is slechts van toepassing vanaf 1 januari 2014; tot dan blijft artikel 53 ter van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van kracht.
De lidstaten kunnen evenwel al artikel 56, lid 2, toepassen vanaf 1 januari 2012.

Wanneer de lidstaten een nationale verklaring indienen in de zin van artikel 56, lid 6 ter, dan is ook de laatste alinea van artikel 56, lid 6 ter, van toepassing vanaf 1 januari 2012.

De taken van de bestaande organen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad1 worden niet aangetast door de erkenning van deze organen. Vanaf 1 januari 2014 zijn de erkende organen bevoegd om hun taken te verrichten.

4.  Artikel 5, lid 4, treedt onmiddellijk in werking vanaf de publicatie van deze verordening.
Wanneer begunstigden artikel 5, lid 5, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 hebben toegepast zonder gebruik te maken van een rentedragende rekening, wordt dit niet beschouwd als een fout of een onregelmatigheid.

1 PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
Amendement 261
Voorstel voor een verordening
Bijlage (nieuw)
Bijlage over de gedelegeerde verordening overeenkomstig artikel 199 van deze verordening

Artikel 5

In de gedelegeerde verordening kunnen regels worden vastgelegd met betrekking tot de opneming in de boeken van rente op voorfinancieringen.

Artikel 8

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende kredieten voor een begrotingsjaar.

Artikel 9

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten voor de annulering en overdracht van kredieten.

Artikel 16

In de gedelegeerde verordening kunnen regels vastgesteld zijn voor de omrekening tussen de euro en andere valuta's.

Artikel 18

In de gedelegeerde verordening kan de structuur worden bepaald voor de opname van externe en interne bestemmingsontvangsten en de opvoering van de desbetreffende kredieten en kunnen regels worden vastgesteld voor de bijdragen van de lidstaten voor bepaalde onderzoeksprogramma's. Bovendien kan de gedelegeerde verordening deze verordening aanvullen met betrekking tot de opbrengst van de sancties tegen lidstaten met een buitensporig tekort en met betrekking tot bestemmingsontvangsten die voortvloeien uit de deelname van EVA-Staten aan bepaalde programma's van de Unie.

Artikel 19

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten voor het aanvaarden van schenkingen aan de Unie.

Artikel 20

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de rekeningen voor terugvorderbare belastingen.

Artikel 22

In de gedelegeerde verordening kunnen gedetailleerde regels vastgesteld zijn voor de berekening van de percentages van overschrijvingen van andere instellingen dan de Commissie en de motivering van de overschrijvingsverzoeken.

Artikel 23

In de gedelegeerde verordening kunnen gedetailleerde regels vastgesteld zijn voor de berekening van de percentages van interne overschrijvingen door de Commissie en de motivering van de overschrijvingsverzoeken.

Artikel 25

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende verzoeken om kredietoverschrijvingen uit de reserve voor spoedhulp.

Artikel 26

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende evaluaties vooraf, tussentijds en achteraf.

Artikel 27

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de vereisten voor het financieel memorandum.

Artikel 30

In de gedelegeerde verordening kunnen gedetailleerde regels vastgesteld zijn betreffende de voorlopige bekendmaking van de begroting.

Artikel 31

In de gedelegeerde verordening kunnen gedetailleerde regels vastgesteld zijn betreffende de openbaarmaking van informatie over de ontvangers van middelen die bij indirect beheer zijn toegekend.

Artikel 34

In de gedelegeerde verordening kunnen gedetailleerde regels vastgesteld zijn betreffende de financiële programmering.

Artikel 38

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de ontwerpen van gewijzigde begroting.

Artikel 41

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de classificatie van de begroting

Artikel 46

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de inrichting van de begroting, met inbegrip van een definitie van werkelijke uitgaven van het laatste afgesloten begrotingsjaar, de begrotingstoelichting en de personeelsformatie.

Artikel 50

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de begrotingsuitvoering volgens goed financieel beheer en de kennisgeving van de doorgifte van persoonsgegevens voor controledoeleinden.

Artikel 51

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het basisbesluit en de in artikel 51 opgenomen uitzonderingen.

Artikel 55

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de wijzen van uitvoering van de begroting, met inbegrip van direct gecentraliseerd beheer, de bevoegdheidsdelegatie aan uitvoerende agentschappen, specifieke voorschriften voor indirect beheer met internationale organisaties en de aanwijzing van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak.

Artikel 56

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende gedeeld beheer met lidstaten, met inbegrip van de sectorspecifieke voorwaarden waaronder betalingen aan de lidstaten kunnen worden opgeschort, de samenstelling van een register van organen die verantwoordelijk zijn voor het beheer, de certifiëring en de controleactiviteiten uit hoofde van sectorale verordeningen, maatregelen ter bevordering van de beste werkmethoden en de vaststelling van procedures voor de goedkeuring van de rekeningen.

Artikel 57

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het indirect beheer met andere entiteiten en personen dan lidstaten, met inbegrip van de inhoud van de overeenkomst waarmee de gespecificeerde uitvoeringstaken worden toevertrouwd, de vaststelling van de voorwaarden voor indirect beheer waarbij de systemen, regels en procedures van de Commissie gelijkwaardig zijn met die van andere entiteiten en personen dan lidstaten, de beheersverklaring en de vaststelling van procedures voor de goedkeuring van de rekeningen.

Artikel 58

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de evaluatie vooraf van regels en procedures onder indirect beheer.

Artikel 61

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de rechten en verplichtingen van de financiële actoren.

Artikel 63

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende controles vooraf en achteraf, de bewaring van bewijsstukken, de beroepscode, nalatigheid van de bevoegde ordonnateur, de toezending van informatie aan de rekenplichtige en verslagen over de onderhandelingsprocedures.

Artikel 65

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de bevoegdheden en taken van de rekenplichtige, met inbegrip van zijn aanstelling en de beëindiging van zijn functie, het advies over de boekhoud- en inventarissystemen, het beheer van de kasmiddelen en bankrekeningen, handtekeningen in verband met de rekeningen, het beheer van het saldo van de rekeningen, overschrijvingen en omrekeningen, wijzen van betaling, dossiers van juridische entiteiten en de bewaring van bewijsstukken.

Artikel 66

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de personen die gemachtigd zijn om over de rekeningen te beschikken in een plaatselijke entiteit.

Artikel 67

In de gedelegeerde verordening kunnen de voorwaarden worden bepaald voor het beheer van gelden ter goede rekening alsook de regels voor externe maatregelen, met inbegrip van regels betreffende de keuze van de beheerders van gelden ter goede rekening, de verstrekking van middelen voor het beheer van gelden ter goede rekening en controles door de ordonnateurs en rekenplichtigen.

Artikel 69

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de verantwoordelijkheid van de ordonnateurs, rekenplichtigen en beheerders van gelden ter goede rekening ingeval van illegale activiteiten, fraude of corruptie.

Artikel 70

In de gedelegeerde verordening kunnen gedetailleerde regels worden vastgesteld die van toepassing zijn op de gedelegeerd ordonnateurs, met inbegrip van de bevestiging van instructies en de rol van de instantie voor financiële onregelmatigheden.

Artikel 71

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de verantwoordelijkheid van de ordonnateurs ingeval van andere vormen van fouten.

Artikel 72

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de verantwoordelijkheid van de beheerders van gelden ter goede rekening ingeval van andere vormen van fouten.

Artikel 75

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de raming van schuldvorderingen en de vaststelling van schuldvorderingen, met inbegrip van procedure en bewijsstukken en achterstandsrente.

Artikel 76

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de opstelling van de invorderingsopdracht.

Artikel 77

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de manier van invordering, met inbegrip van invordering door verrekening, de inningsprocedure bij uitblijven van vrijwillige betaling, aanvullende betalingstermijnen, de inning van boeten en andere sancties, het afzien van invordering en de annulering van een vastgestelde schuldvordering.

Artikel 77 ter

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten voor de uitvoering van de criteria en procedures voor financiële correcties door de Commissie.

Artikel 78

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de verjaringstermijn.

Artikel 80

In de gedelegeerde verordening kunnen regels vastgesteld zijn met betrekking tot de bedragen uit boeten, sancties, en de rente hierover.

Artikel 81

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het financieringsbesluit.

Artikel 82

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de soorten vastleggingen, de goedkeuring van de globale vastlegging, dezelfde ondertekenaar, en door voorlopige vastleggingen gedekte administratieve uitgaven.

Artikel 83

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de vastlegging en de juridische verbintenis, met inbegrip van de inschrijving van individuele verbintenissen.

Artikel 84

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten voor de verificaties betreffende de verschillende vastleggingen.

Artikel 85

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de betaalbaarstelling, met inbegrip van de betaalbaarverklaring voor personeelsuitgaven en voor tussentijdse betalingen en saldobetalingen van opdrachten en subsidies, de „voor conform”-verklaring van voorfinancieringen en tussentijdse betalingen en de vorm van de betaalbaarverklaring en „voor conform”-verklaring.

Artikel 86

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de betalingsopdracht, met inbegrip van de vaststelling van de verplichte vermeldingen van de betalingsopdrachten en de controles van de betalingsopdrachten door de ordonnateur.

Artikel 87

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de soorten betalingen en de bewijsstukken.

Artikel 89

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de betalingstermijnen.

Artikel 90

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het elektronisch beheer van verrichtingen.

Artikel 92

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de aanwijzing van de interne controleur.

Artikel 93

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de bevoegdheden en taken van de interne controleur.

Artikel 94

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de onafhankelijkheid en de verantwoordelijkheid van de interne controleur.

Artikel 95

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de verschillende overheidsopdrachten, met inbegrip van raamovereenkomsten en specifieke overeenkomsten.

Artikel 97

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende eisen voor de bekendmaking van opdrachten en van aankondigingen.

Artikel 98

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de typen procedures voor het plaatsen van opdrachten, gezamenlijke aanbestedingsprocedures met lidstaten en opdrachten voor een gering bedrag.

Artikel 99

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de inhoud van inschrijvingsdocumenten, met inbegrip van de mogelijkheden en voorwaarden voor de herziening van de prijs en de technische specificaties.

Artikel 100

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de criteria voor de uitsluiting van deelname aan inschrijvingen. Er kan in vastgelegd worden welk bewijs voldoende is om aan te tonen dat er geen sprake is van een uitsluitingsituatie. Bovendien kan de duur van de uitsluiting in geval van een uitsluitingsituatie erin worden bepaald.

Artikel 101

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de criteria voor uitsluiting tijdens de aanbestedingsprocedure. Er kan in vastgelegd worden welk bewijs voldoende is om aan te tonen dat er geen sprake is van een uitsluitingsituatie. Bovendien kan de duur van de uitsluiting in geval van een uitsluitingsituatie erin worden bepaald.

Artikel 102

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de centrale gegevensbank van uitsluitingen.

Artikel 103

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende verschillende administratieve en financiële sancties voor inschrijvers of gegadigden die zich schuldig hebben gemaakt aan valse verklaringen of die aanzienlijke fouten hebben begaan of onregelmatigheden of fraude hebben gepleegd, of die ernstig in gebreke zijn gebleven wegens niet-nakoming van hun contractuele verplichtingen.

Artikel 104

In de gedelegeerde verordening kunnen de selectie- en gunningscriteria vastgesteld worden. Bovendien kunnen de documenten erin gedefinieerd worden die bewijs leveren van de financiële en economische geschiktheid en de technische en beroepsmatige geschiktheid aantonen. De gedelegeerde verordening kan eveneens gedetailleerde regels bevatten betreffende elektronische veilingen en abnormaal lage offertes.

Artikel 105

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de indiening van inschrijvingen. Daarin kunnen de termijnen voor de indiening van de offertes en de deelnemingsverzoeken, de termijnen voor toegang tot de inschrijvingsdocumenten en de termijnen in dringende gevallen worden vastgesteld. Ook de verschillende wijzen van mededeling kunnen erin worden bepaald. Bovendien kunnen er regels in worden vastgesteld met betrekking tot de mogelijkheid van een inschrijvingsgarantie, de deelnemingsverzoeken en het evaluatiecomité voor offertes en deelnemingsverzoeken.

Artikel 106

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling. In de verordening kunnen de toegelaten contacten tussen de aanbestedende dienst en de inschrijvers gedurende de procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht, de minimumeisen voor het proces-verbaal van een evaluatie en de minimale informatie opgenomen in een besluit genomen door de aanbestedende dienst worden gedefinieerd.

Artikel 107

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het gunningsbesluit, de kennisgeving aan inschrijvers en de ondertekening en uitvoering van de overeenkomst.

Artikel 108

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de kennisgeving aan inschrijvers, met inbegrip van de kennisgeving met betrekking tot de annulering van de procedure.

Artikel 109

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de garanties die de contractanten moeten leveren.

Artikel 110

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de schorsing van een overeenkomst ingeval van fouten, onregelmatigheden of fraude.

Artikel 111

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de functie van aanbestedende dienst, met inbegrip van de identificatie van het adequate niveau voor de berekening van de drempelwaarden.

Artikel 112

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de toepasselijke drempelwaarden, afzonderlijke opdrachten en opdrachten per partij en de raming van de waarde van bepaalde opdrachten.

Artikel 113

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende deelneming aan inschrijvingen en bewijs van toegang tot de opdrachten.

Artikel 114

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de regels voor het plaatsen van opdrachten van de Wereldhandelsorganisatie.

Artikel 115

In de gedelegeerde verordening kan in meer detail het toepassingsgebied en de inhoud van subsidies worden verduidelijkt, en er kan in worden opgenomen wat de regels zijn om te bepalen of subsidieovereenkomsten of subsidiebesluiten moeten worden gebruikt. Bovendien kan de gedelegeerde verordening bijzonderheden bevatten betreffende het gebruik van partnerschapskaderovereenkomsten.

Artikel 116

In de gedelegeerde verordening kunnen regels worden vastgelegd voor de verschillende vormen van subsidies.

Artikel 117

De gedelegeerde verordening kan een aanvulling vormen op de algemene beginselen die van toepassing zijn op subsidies, met inbegrip van het winstverbod en het beginsel van medefinanciering.

Artikel 117 bis

De gedelegeerde verordening kan verdere specificaties bevatten betreffende in aanmerking komende kosten.

Artikel 118

In de gedelegeerde verordening kunnen de vereisten worden vastgelegd met betrekking tot het jaarlijkse werkprogramma, de inhoud van oproepen tot het indienen van voorstellen, de uitzonderingen op de oproepen tot het indienen van voorstellen, de inlichtingen voor aanvragers en de bekendmaking van het besluit tot toekenning van subsidies.

Artikel 119

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het beginsel van niet-cumuleerbaarheid.

Artikel 120

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende toekenning met terugwerkende kracht.

Artikel 122

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de voorwaarden inzake subsidieaanvragen, bewijs van niet-uitsluiting, aanvragers zonder rechtspersoonlijkheid, juridische entiteiten die één aanvrager vormen, administratieve en financiële sancties, geschiktheidscriteria en zeer kleine subsidiebedragen.

Artikel 123

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende selectie- en gunningscriteria.

Artikel 124

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de beoordeling en toekenning van subsidies en inlichtingen voor aanvragers.

Artikel 125

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de zekerheid voor voorfinancieringen.

Artikel 126

In de gedelegeerde verordening kunnen regels worden vastgelegd voor de betaling van subsidies en controles, met inbegrip van regels betreffende bewijsstukken en de opschorting en verlaging van subsidies.

Artikel 126 bis

In de gedelegeerde verordening kunnen de termijnen worden bepaald voor het bijhouden van gegevens door de erkende organen en de Commissie.

Artikel 126 quater

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de bevoegdheden en de samenstelling van de overlegcomités.

Artikel 127

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende uitvoeringsopdrachten en steun aan derden.

Artikel 133

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het verslag over het begrotings- en financieel beheer.

Artikel 135

In de gedelegeerde verordening kunnen de algemeen erkende boekhoudbeginselen worden gespecificeerd, met inbegrip van het beginsel van continuïteit van de activiteiten, het voorzichtigheidsbeginsel, het beginsel van een samenhangende voorbereiding, het beginsel van vergelijkbaarheid van de informatie, het beginsel van het relatieve belang, het samentellingsbeginsel, het beginsel van niet-compensatie, het beginsel van inhoud boven vorm, en regels betreffende bewijsstukken.

Artikel 136

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de financiële memoranda, met inbegrip van de staat van de financiële resultaten, de kasstaat, opmerkingen bij de financiële staten en toelichtingen.

Artikel 137

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de inhoud van de begrotingsrekeningen.

Artikel 139

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de goedkeuring van rekeningen, met inbegrip van de doorzending van de geconsolideerde definitieve rekeningen.

Artikel 142

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de organisatie van de begrotingsrekeningen, met inbegrip van het gebruik van computersystemen.

Artikel 145

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de boekingen. Bovendien kan de verordening gedetailleerde regels bevatten betreffende het bijhouden van de boeken, de algemene staat van de rekeningen, boekhoudkundige afstemmingen, registratie in het journaal en de afstemming van de rekeningen.

Artikel 147

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het voeren en de inhoud van de begrotingsrekeningen.

Artikel 148

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de inventaris van de vaste activa en de procedure voor de doorverkoop en vervreemding van goederen, met inbegrip van regels betreffende de inventaris bij delegaties.

Artikel 173

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende soorten acties die worden onderzocht.

Artikel 175

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek.

Artikel 176

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de maatregelen die voor financiering in aanmerking komen in het kader van externe maatregelen.

Artikel 178

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende trustfondsen voor externe maatregelen.

Artikel 179

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de uitvoering van externe maatregelen via indirect beheer.

Artikel 180

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende overeenkomsten met entiteiten over de uitvoering van externe maatregelen, met inbegrip van regels betreffende speciale leningen en bankrekeningen.

Artikel 181

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende aanbestedingen voor externe maatregelen.

Artikel 182

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de deelneming aan inschrijvingsprocedures.

Artikel 183

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de volledige financiering van een externe maatregel en financieringsaanvragen.

Artikel 184

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende subsidieprocedures die bij indirect beheer moeten worden toegepast.

Artikel 187

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het bereik van de Europese bureaus en de delegatie van bevoegdheden van de instellingen aan de Europese bureaus.

Artikel 188

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de kredieten voor de Europese bureaus, met inbegrip van de delegatie van bepaalde functies door de rekenplichtige, kasmiddelen en bankrekeningen.

Artikel 191

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende de delegatie van ordonnateursbevoegdheden aan de directeur van een interinstitutioneel bureau.

Artikel 193

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende het toepassingsgebied van administratieve kredieten en huurwaarborgen.

Artikel 195

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende specifieke administratieve kredieten, met inbegrip van gebouwen en voorschotten voor de personeelsleden van de instellingen.

Artikel 196

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende externe deskundigen.

Artikel 197

De gedelegeerde verordening kan gedetailleerde regels bevatten betreffende overgangsbepalingen, met inbegrip van de uitbetaling van de waarborgrekening en de aanpassing van drempelwaarden en bedragen.

(1) De zaak werd toen terugverwezen naar de bevoegde commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea van het Reglement (A7-0325/2011).


Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen
PDF 262kWORD 105k
Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2011 over de agenda voor nieuwe vaardigheden en banen (2011/2067(INI))
P7_TA(2011)0466A7-0320/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2010 getiteld „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid” (COM(2010)0682),

–  gezien zijn standpunt van 8 september 2010 over het voorstel voor een beschikking van de Raad over de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten: deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020(1),

–  gezien Beschikking 2010/707/EU van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(2),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling(3),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over atypische arbeidsovereenkomsten, verzekerde beroepstrajecten, flexizekerheid en nieuwe vormen van sociale dialoog(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 december 2010 over „Werkgelegenheidsbeleid voor een concurrerende, koolstofarme, hulpbronnenefficiënte en groene economie”,

–  gezien de studie van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) van 2010 getiteld „Skills for Green Jobs”,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over bevordering van de mobiliteit van werknemers binnen de Europese Unie(6),

–  gezien het Communiqué van Brugge over intensievere Europese samenwerking inzake onderwijs en opleiding voor de periode 2011-2020, dat op 7 december 2010 werd aangenomen(7),

–  gezien de „Medium-Term Forecast up to 2020: Skills Supply and Demand in Europe” van het Cedefop van 2010(8),

–  gezien de Cedefop-studie van mei 2009 getiteld „Skills for Europe's future: anticipating occupational skill needs”,

–  gezien de kaderovereenkomst van 25 maart 2010 over inclusieve arbeidsmarkten die door het EVV, BUSINESSEUROPE, de UEAPME en het CEEP is ondertekend,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 januari 2011 getiteld „Jaarlijkse groeianalyse: naar een krachtiger alomvattend antwoord van de EU op de crisis” (COM(2011)0011) en het daarbij gevoegde ontwerp voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 februari 2011 getiteld „Evaluatie van de ”Small Business Act' voor Europa' (COM(2011)0078),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2010 getiteld „Conclusies van het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang: de toekomst van het cohesiebeleid” (COM(2010)0642),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over „Vooruitgang bij de verwezenlijking van de gemeenschappelijke Europese doelstellingen inzake onderwijs en opleiding” (SEC(2011)0526),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de inwerkingtreding daarvan in de Unie op 21 januari 2011, overeenkomstig Besluit nr. 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap(9),

–  gezien het rapport van de Europese Vereniging van Dienstverleners voor personen met een handicap (EASPD), volgens welk rapport het door de stijgende werkloosheid in Europa voor personen met een handicap steeds moeilijker wordt om arbeidsplaatsen te vinden of te behouden en het werkloosheidsniveau onder personen met een handicap in veel staten hoger is dan dat onder personen zonder handicap,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 over de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 (COM(2010)0491),

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 maart 2011 over het Europees pact voor gendergelijkheid voor de periode 2011-2020,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2008 over een aanbeveling van de Commissie over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (COM(2008)0639) en de resolutie van het Europees Parlement hierover van 6 mei 2009(10),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0320/2011),

A.  overwegende dat door de mondiale economische crisis de werkloosheid in de Europese Unie volgens recente cijfers van Eurostat is oplopen tot 9,5%, wat betekent dat er in totaal 22,828 miljoen mensen werkloos zijn, waarvan 19,4% langdurig werkloos is; overwegende dat de jeugdwerkloosheid 20,4% bedraagt, en in sommige lidstaten zelfs 40%;

B.  overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), die een drijvende kracht voor economische groei, het scheppen van arbeidsplaatsen en de verwezenlijking van de 2020-doelstellingen zijn, door de economische crisis meer dan 3,5 miljoen arbeidsplaatsen zijn kwijtgeraakt;

C.  overwegende dat er in de primaire en secundaire sector ten gevolge van de economische crisis van 2008 meer banen verloren gaan dan verwacht en dat daar tegen 2020 naar verwachting nog eens 2,5 miljoen banen verloren zullen gaan;

D.  overwegende dat de economische recessie van 2008 van invloed was op zowel de vraag naar als het aanbod van vaardigheden in de werkgelegenheidssector, wat de onzekerheid over de werkgelegenheidskansen sterk heeft doen toenemen en waardoor het voor mensen nog belangrijker is geworden om beter geïnformeerd te zijn over de werkgelegenheidskansen op de arbeidsmarkt;

E.  overwegende dat de bezuinigingsmaatregelen die in een groot aantal lidstaten worden doorgevoerd, samenvallen met en ten dele de oorzaak vormen van een sterke toename van de werkloosheid;

F.  overwegende dat beleidsmakers burgers moeten beschermen tegen het risico van werkloosheid, door te garanderen dat de beroepsbevolking over de geschikte vaardigheden beschikt voor een optimale inzetbaarheid;

G.  overwegende dat het vanwege de voordelen van nieuwe technologieën en de veranderingen in de structuur van de Europese economieën voor individuele personen onontbeerlijk is dat zij hun vaardigheden gedurende hun beroepsleven op peil houden en verbeteren;

H.  overwegende dat een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie gericht is op het bevorderen van een sociale, milieuvriendelijke en concurrerende economie die de natuurlijke hulpbronnen ontziet;

I.  overwegende dat de dienstensector, zoals de verkoop-, veiligheids-, schoonmaak-, horeca-, zorg- en personeledienstensector, tussen nu en 2020 naar verwachting nog steeds voor een sterke banengroei zal zorgen en de snelst groeiende sector zou kunnen zijn;

J.  overwegende dat de agrolevensmiddelensector wereldwijd weer belangrijker wordt, waardoor vaardigheden van een andere aard en van hoger niveau nodig zijn, waardoor echter het aantal laaggekwalificeerde banen sterk terugloopt;

K.  overwegende dat voor het bewerkstelligen van duurzame groei en de overstap naar een koolstofarme economie, milieubescherming en de ontwikkeling van nieuwe groene technologieën de juiste vaardigheden beschikbaar moeten zijn;

L.  overwegende dat technologische veranderingen en nieuwe patronen voor arbeidsorganisatie in de sectoren natuurlijk gevolgen hebben voor de arbeidspatronen wat betreft de benodigde vaardigheden voor beroepen en de gevraagde kwalificatieniveaus;

M.  overwegende dat in de economie steeds meer vraag bestaat naar creatieve, interactieve communicatie en probleemoplossende vaardigheden op de werkplek, terwijl laaggekwalificeerde werknemers of werknemers die routinewerkzaamheden uitvoeren het meeste risico lopen hun baan te verliezen;

N.  overwegende dat werknemers met een laag kwalificatie- en vaardighedenniveau, naast werknemers uit andere kwetsbare groepen, meer risico op ontslag, onzekere arbeidsvoorwaarden en armoede lopen, tenzij zij de nodige scholings- en omscholingsmogelijkheden krijgen die hen in staat stellen in te blijven spelen op de behoeften van de markt;

O.  overwegende dat de doeltreffendheid van de beroepsopleiding en het hoger onderwijs op lange termijn van verscheidene dingen afhangt, zoals de beschikbaarheid van onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit, gelijke kanszorg verzorgingsdiensten, aanhoudende publieke investeringen, de staat en het doeltreffend beheer van de openbare financiën, en een betere verbinding tussen individuele en arbeidsmarktbehoeften;

P.  overwegende dat de EU verplicht is het onderwijsniveau te verbeteren en tegen 2020 het aantal voortijdige schoolverlaters tot 10% of minder te reduceren en het aantal jongeren dat tertiair of gelijkwaardig onderwijs met succes volgt, op te voeren tot ten minste 40%;

Q.  overwegende dat wordt verwacht dat het aantal banen waarvoor hogere technische en wetenschappelijke kwalificaties vereist zijn, zal stijgen, dat in 2020 ongeveer de helft van de banen voor werknemers met middelbare beroepsvaardigheden zal zijn en tegen 2020 voor 35% van alle banen een hogere opleiding vereist zal zijn, terwijl dat op dit moment geldt voor 29%, en overwegende dat er in alle beroepen en vaardigheden aanvullende kwalificaties voor een duurzame economie nodig zullen zijn;

R.  overwegende dat migratie binnen, naar en uit de EU, alsook demografische veranderingen op velerlei wijzen van invloed zal zijn op de toekomstige grootte en samenstelling van de beroepsbevolking in de lidstaten en belangrijke implicaties heeft voor de vraag naar en het aanbod aan vaardigheden, met name in de lidstaten waar het aantal inwoners snel terugloopt of die aan braindrain op grote schaal onderhevig zijn;

S.  overwegende dat de vaardigheden en bekwaamheden van werknemers vaak onvoldoende worden erkend en niet optimaal worden benut, en overwegende dat migrerende werknemers het vaak moeilijk hebben om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt, onderwijs en opleiding, ook wegens een gebrek aan kennis van hun arbeids- en sociale rechten en hun gebrek aan betrokkenheid bij werknemersorganisaties; overwegende dat een integratiebeleid waarmee de toegang van migranten tot onderwijs, beroepsopleidingen en werk wordt bevorderd, daarom een belangrijke bijdrage kan leveren aan het voldoen aan toekomstige behoeften op de arbeidsmarkt;

T.  overwegende dat vrouwen, ondanks het feit dat microkredieten een belangrijk instrument zijn voor vrouwelijk ondernemerschap en voor de oprichting van gezinsbedrijven, in de Europese Unie nog steeds ondervertegenwoordigd zijn binnen het bedrijfsleven, waar zij gemiddeld 30% van het totale aantal ondernemers vormen;

U.  overwegende dat overwegende dat meer dan 60% van de aan universiteiten afstuderende studenten vrouwen zijn, dat te weinig vrouwen en meisjes kiezen voor een natuurwetenschappelijke richting, wat zorgt voor een sterke sectorale segregatie, en dat de genderkloof qua arbeidsparticipatie in de IT-sector mettertijd eerder is toe- dan afgenomen;

V.  overwegende dat vrouwen op de arbeidsmarkt benadeeld worden en dat ze onevenredig vertegenwoordigd zijn als het om deeltijdwerk en nieuwe, vaak onzekere, arbeidsorganisatievormen gaat en dat ze daardoor geen volledige toegang hebben tot sociale rechten, sociale bescherming en sociale voordelen;

W.  overwegende dat duurzame economie groei het aantal fatsoenlijke banen kan doen toenemen en kan bijdragen tot het herstel van de economieën in de hele EU;

X.  overwegende dat de EU nog steeds minder dan haar economische partners en concurrenten in de wereld investeert in onderzoek, innovatie en onderwijs, die van fundamenteel belang zijn voor groei en verbetering van de levenstandaard; overwegende dat er behoefte is aan belangrijke investeringen in de kenniseconomie, in technische opleidingen en in aanvulling van de beroepsopleiding;

Y.  overwegende dat gerichte en aangepaste bijscholing noodzakelijk is om mensen te helpen nieuwe vaardigheden op te doen zodat zij kunnen profiteren van de overstap naar een meer duurzame economie; overwegende dat er overtuigende economische argumenten zijn voor bijscholing, arbeidsmarktintegratie en sociale integratie; overwegende dat wanneer er minder wordt geïnvesteerd in bijscholing, dit negatieve gevolgen zal hebben op lange termijn;

Uitdagingen voor het werkgelegenheidsbeleid

1.  herinnert eraan dat de lidstaten in het kader van de Europa 2020-strategie een arbeidsparticipatiedoelstelling van 75% voor de leeftijdsgroep van 20 tot 64 jaar in 2020 zijn overeengekomen, en dat deze doelstelling onverbrekelijk verbonden is met economische groei en houdbare socialezekerheidsstelsels en overheidfinanciën in Europa; herinnert eraan dat de arbeidsparticipatie van vrouwen thans 58,2% bedraagt; benadrukt dat een drastische vermindering van de jeugdwerkloosheid, een grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en een effectieve uitvoering van de integratiedoelstelling van de strategie enkele van de noodzakelijke voorwaarden zijn om de arbeidsparticipatiedoelstelling te kunnen halen; benadrukt dat in de meeste nationale hervormingsprogramma's niet wordt voldaan aan beide doelstellingen inzake arbeidsparticipatie en armoede, en vraagt alle betrokken partijen hun inspanningen op te voeren om de Europa 2020-strategie te doen slagen;

2.  herhaalt de vijf kerndoelen van de Europese Unie: stimuleren van werkgelegenheid, verbeteren van de voorwaarden voor innovatie, onderzoek en ontwikkeling, bereiken van de doelstellingen voor klimaatverandering en energie, verbeteren van onderwijsniveaus en bevorderen van sociale inclusie;

3.  herinnert eraan dat er grote belemmeringen bestaan voor een aanzienlijke verhoging van de arbeidsparticipatie in de EU, de bestrijding van structurele werkloosheid, het scheppen van nieuwe banen en het vergroten van het concurrentievermogen en de productiviteit; is van mening dat, naast het beter laten functioneren van de arbeidsmarkten, de prioritair aan te pakken uitdagingen het thans ontoereikende vaardighedenniveau van veel werknemers en de lage rangschikking in onderwijsniveaus in sommige Europese landen, vergeleken met internationale cijfers, omvatten; meent dat een geïntegreerde aanpak van de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden essentieel zal zijn om het potentieel van een nieuwe, duurzame economie optimaal te benutten, en vraagt de Commissie in haar geplande mededeling over banen in de nieuwe duurzame economie in te gaan op de verzoeken van het Parlement in dit verband;

4.  wijst erop dat arbeidsparticipatie en economische prestaties elkaar wederzijds versterken en in het bijzonder hoge groei- en werkgelegenheidsniveaus genereren; beveelt de lidstaten echter ten zeerste aan de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020 voor het werkgelegenheidsbeleid en de globale richtsnoeren voor het economisch beleid te volgen, en het beleid tegelijk af te stemmen op de nationale, regionale en lokale omstandigheden en de bijzondere situatie in de afzonderlijke lidstaten;

5.  benadrukt dat de lidstaten het nog altijd voor het zeggen hebben waar het centrale elementen van het sociaal beleid betreft, zoals belastingen, socialebijstandprogramma's, bepaalde onderdelen van het arbeidsrecht, gezondheidszorg en onderwijs; acht het van essentieel belang dat sociaal beleid is afgestemd op nationale, regionale en lokale omstandigheden en met name de situatie in afzonderlijke lidstaten;

6.  vraagt om een betere coördinatie van het economisch beleid tussen de lidstaten om groei en werkgelegenheid te stimuleren en effectieve concurrentie te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale ongelijkheden in Europa wat betreft werkgelegenheid en werkloosheid; vraagt de lidstaten met klem de regels inzake begrotingsdiscipline na te leven om het risico van een buitensporig tekort te beperken, waarbij tegelijkertijd ruimte wordt gelaten voor overheidsinvesteringen overeenkomstig de doelstellingen van de EU voor groei en werkgelegenheid; benadrukt evenwel het belang van de sociale effectbeoordeling waarin het Verdrag voorziet, en vraagt de Commissie en de lidstaten te evalueren wat de sociale kosten zijn van besparingen op met name onderwijs en actief arbeidsmarktbeleid, die de vooruitgang bij de aanpak van het tekort aan vakmensen in Europa en het veiligstellen van de economische prestaties op de helling kunnen zetten;

7.  steunt het vlaggenschipinitiatief van de Commissie in het kader van de Europa 2020-strategie als kader om concurrentievermogen en werkgelegenheid te bevorderen en over te schakelen op een duurzame, slimmere, en inclusieve economie; wijst erop dat de regionale dimensie bij de uitvoering van de agenda belangrijk is; vraagt de Commissie de prioritaire acties voor werkgelegenheid en vaardigheden in het kader van het vlaggenschipinitiatief uit te voeren en het nodige belang toe te kennen aan de bevordering van zowel aanbod als vraag in de context van een duurzame en inclusieve kenniseconomie;

8.  wijst erop dat „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen” in relatie tot het kaderprogramma voor onderzoek van de EU moet worden beschouwd, en dat de synergie hiertussen groei en arbeidsplaatsen kan creëren;

9.  benadrukt dat er in het licht de recente economische en arbeidsmarktontwikkelingen, alsook toekomstige uitdagingen zoals demografische veranderingen en de overschakeling op een duurzame economie, betere strategieën inzake werkgelegenheid, onderwijs en arbeidsorganisatie nodig zijn om het concurrentievermogen van de EU en de werk- en leefomstandigheden te verbeteren, nieuwe banen te scheppen en dus „slimme groei” tot stand te brengen, waarbij volledige werkgelegenheid hand in hand gaat met welvaart en duurzame productie gepaard gaat met duurzame levenswijzen; onderstreept in dit verband het belang van universele toegang tot een leven lang leren, kwalificaties en vaardigheden voor alle leeftijdsgroepen; wijst met nadruk op de economische argumenten voor verhoging van het kwalificatieniveau, arbeidsintegratie en sociale inclusie, een doeltreffende bestrijding van discriminatie en een betere benutting van de kwaliteiten van alle werknemers; herinnert eraan dat evenwicht tussen werk en privéleven, onderwijs en verbetering van het menselijk kapitaal ook niet-economische voordelen voor het individu hebben;

10.  benadrukt dat de nationale flexizekerheidsregelingen opnieuw moeten worden bekeken in het licht van de nieuwe sociaaleconomische context, moeten worden behouden en zo nodig moeten versterkt en aangepast aan de specifieke behoeften in elke afzonderlijke lidstaat, om te zorgen voor een flexibele, inclusieve en actieve arbeidsmarkt, efficiënte opleidingen die voor iedereen toegankelijk zijn en solide socialezekerheidsstelsels; doet een beroep op de lidstaten om niet alleen hun arbeidsmarkt te hervormen, maar tevens armoedebestendige socialezekerheids- en werkloosheidsregelingen te versterken en de kwaliteit van de openbare arbeidsbemiddelingsdiensten te verbeteren; benadrukt dat flexizekerheid niet mag worden gezien als standaardoplossing;

11.  benadrukt het belang van informele scholing en scholing in vaardigheden door sterkere samenwerking tussen generaties, waarbij jongeren nieuwe vaardigheden kunnen leren van ervaren oudere werknemers;

12.  betreurt dat het combineren van werk en gezin voor veel werknemers nog steeds een moeilijke taak is; vraagt de lidstaten alle ouders, en met name vrouwen, eenoudergezinnen, kansarmen en mensen met een handicap, kansen te geven om zich niet alleen in het beroepsleven, maar ook in een leven lang leren-processen te integreren; benadrukt dat als noodzakelijke voorwaarden de arbeidsorganisatie en de opleidingsmogelijkheden combineerbaar moeten zijn met ouderschap, dat de kinderopvangstructuren effectiever moeten worden en dat ouders de nodige ondersteuning moeten krijgen; roept de lidstaten bovendien op beleidsmaatregelen te nemen en programma's in gebruik te nemen ter ondersteuning van mantelzorgers;

13.  acht het gewenst om arbeidsomstandigheden te bevorderen die thuiswerken mogelijk maken als dat bevorderlijk is voor het evenwicht tussen werk en gezin;

Antwoorden
De beschikbaarheid van geschoolde arbeidskrachten garanderen

14.  is verheugd over de oprichting van de Europese Waarnemingspost voor de werkgelegenheid en over het initiatief van de Commissie om een „EU skills panorama” te maken en EURES, het Europese netwerk van arbeidsbemiddelingsdiensten, te hervormen om de transparantie en de toegang voor werkzoekenden te verbeteren en beroepsmobiliteit binnen de EU te stimuleren; wijst erop dat EURES een sleutelrol speelt bij de adviesverlening aan mobiele werknemers en werkzoekenden ten aanzien van hun rechten en dus ook bij de totstandbrenging van een ware interne markt, en is tevreden met de start van het proefproject „Je eerste EURES-baan” voor jonge werkzoekenden in de 27 lidstaten; wijst ook op de rol van EURES in grensoverschrijdende regio's en is van mening dat de grensoverschrijdende EURES-partnerschappen de nodige middelen moeten krijgen om te kunnen reageren op de uitdagingen van de Europese arbeidsmarkt;

15.  onderstreept hoe belangrijk het is de deelneming aan een leven lang leren en meer specifiek aan beroepsonderwijs en -opleiding te versterken om de inzetbaarheid te bevorderen, werknemers meer vaardigheden bij te brengen en het concurrentievermogen te versterken; wijst erop dat ook het percentage mensen dat vervolgopleidingen volgt moet worden verhoogd, zodat gekwalificeerde mensen ook op een gevorderde leeftijd nog voor hen geschikt werk kunnen vinden en doen; is in dit verband van mening dat er stimulansen moeten worden geboden aan zowel werknemers als werkgevers, met name in kmo's; meent voorts dat meer alomvattende strategieën voor een leven lang leren moeten worden ontwikkeld en dat de stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding moeten worden afgestemd op de snel veranderende behoeften van de arbeidsmarkt, de technologische ontwikkelingen en nieuwe vormen van arbeidsorganisatie;

16.  betreurt het dat de lidstaten in deze crisisperiode de begrotingen voor onderwijs en beroepsopleiding hebben ingekrompen; roept de Commissie en de lidstaten op om meer te investeren in onderwijs- en beroepsopleidingssystemen;

17.  wenst dat de verwachte vraag naar vaardigheden in Europa per bedrijfstak en per kwalificatieniveau beter wordt gemonitord en dat de bevindingen onmiddellijk worden omgezet in het beleid inzake onderwijs en een leven lang leren en andere relevante beleidsgebieden van de lidstaten; benadrukt dat het belangrijk is de aantrekkelijkheid van banen en carrières voor jonge werknemers te verbeteren, en dat met name jonge mensen voortdurend over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt moeten worden geïnformeerd, zodat ze zich kunnen richten op de ontwikkeling van vaardigheden die daadwerkelijk nodig zijn; is van mening dat een „kennisalliantie” tussen bedrijven, sociale partners en onderwijsinstellingen een nuttig instrument zou zijn om lacunes op het gebied van innovatie en vaardigheden aan te pakken, aangezien dit een aanzienlijke bijdrage zou leveren aan de bevordering van de economie en de belangen van de maatschappij als geheel, in het bijzonder gezien de cruciale uitdaging om in de mondiale economie armoede uit te bannen en volledige werkgelegenheid, sociale inclusie en duurzame economische groei te bewerkstelligen;

18.  benadrukt dat het van belang is behoeften aan vaardigheden vroegtijdig vast te stellen, met ten minste een tijdpad van tien jaar voor ogen, nodigt de lidstaten en, al naar het geval, de regio's uit om waarnemingscentra voor werkgelegenheid op te richten die zich in de toekomstige behoeften verdiepen; benadrukt voorts dat het belangrijk is betrouwbaardere systemen te ontwikkelen voor de anticipatie op een toekomstige behoefte aan vaardigheden in de EU en de lidstaten, en te blijven investeren in het opwaarderen van vaardigheden en vooral in het koppelen van arbeidsplaatsen aan kwalificaties; wijst andermaal op de noodzaak te waarborgen dat het publiek in dit verband toegang heeft tot kwaliteitsinformatie, en vraagt in dit verband om uitwisseling van ervaringen en goede praktijken; beklemtoont dat daartoe sterkere en effectievere samenwerking nodig is tussen onderwijs- en opleidingsinstellingen, waaronder enerzijds universiteiten en onderzoekscentra en anderzijds openbare arbeidsbemiddelingsdiensten, de sociale partners en ondernemingen en werkgevers;

19.  onderstreept de noodzaak om het profiel en de attractiviteit van beroepen en banen waarvoor een tekort aan arbeidskrachten bestaat, te verbeteren;

20.  verzoekt de Commissie om het programma Leonardo da Vinci, dat mensen in staat stelt om nieuwe vaardigheden, kennis en diploma's te verwerven en dat beroepsonderwijs aantrekkelijker maakt, meer zichtbaarheid en financiële steun te geven; wijst er verder op dat opleiding op de werkplek bijzonder belangrijk is, en dringt aan op steun voor nationale regelingen die dit soort beroepsontwikkelingsmogelijkheden bevorderen;

21.  merkt op dat dit subprogramma van Erasmus een uitvoeringspercentage van bijna 100% scoort; herinnert eraan dat duidelijk is aangetoond dat Erasmus studeren in het buitenland aanzienlijk vergemakkelijkt en studenten uitrust met een breder scala aan vaardigheden, hetgeen de arbeidskansen voor deze studenten nadien aanzienlijk vergroot en aldus wezenlijk bijdraagt aan het Europese concurrentievermogen;

22.  onderstreept het belang van een kwalitatief hoogwaardig openbaar onderwijsstelsel, dat een vrije, gelijke toegang voor iedereen garandeert;

23.  meent dat het van essentieel belang is een omgeving voor nauwe samenwerking tussen onderzoeksinstituten en de industrie te creëren en bedrijven aan te moedigen in onderzoek en ontwikkeling te investeren en hen hierbij te ondersteunen; herinnert eraan dat instellingen voor hoger onderwijs en opleidingsinstellingen een centrale rol spelen in de regionale economieën van de lidstaten en dat zij unieke plekken zijn waar innovatie, onderwijs en onderzoek samenkomen en kunnen leiden tot het creëren van werkgelegenheid, het ontwikkelen van ondernemers- en andere vaardigheden en meer werkgelegenheid; erkent de rol die het initiatief inzake de dialoog tussen universiteiten en het bedrijfsleven in dit verband speelt; verzoekt de lokale en regionale autoriteiten om het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) actief aan de man te brengen en alle economische sectoren aan te moedigen te streven naar EMAS-registratie;

24.  verzoekt de Commissie in de context van de agenda voor nieuwe vaardigheden en banen door te gaan met het bevorderen van de oprichting van Europese „sectorale raden voor werkgelegenheid en vaardigheden”, die moeten worden aangemoedigd als platforms voor het verzamelen en uitwisselen van in de lidstaten en regio's beschikbare informatie, zodat de inspanningen van alle deelnemende partijen beter gecoördineerd kunnen worden, alsook als instrument ter ondersteuning van de sociale dialoog;

25.  acht een substantiële toename van de investeringen in onderwijs, onderzoek en innovatie fundamenteel, en is dan ook van mening dat, om de lidstaten hierin te stimuleren, bij het evalueren van de middellangetermijnbegrotingsdoelstelling van de lidstaten extra aandacht moet worden geschonken aan de overheidsuitgaven voor onderwijs, onderzoek en beroepsopleiding;

26.  stelt vast dat instrumenten zoals enquêtes naar de beroepsprofielen en banen die in verschillende sectoren gevraagd worden – uitgevoerd op basis van sociaal partnerschap – dan ook adequate steun moeten krijgen;

27.  roept de comités van de Europese sociale dialoog op bij te dragen aan een betere afstemming tussen de bestaande opleidingen en de huidige en toekomstige vraag, in de vorm van een routekaart met duidelijke doelstellingen en indicatoren waarmee de vooruitgang kan worden gevolgd;

28.  benadrukt de noodzaak om werkgevers te betrekken bij het beheer van onderwijsinstellingen, bij het opstellen van cursussen, onderwijsmethoden, stages, beoordeling en kwalificatie; benadrukt het belang om werkgevers te belonen die opleidingen bieden voor laaggeschoolden of ongeschoolden en hen derhalve kansen bieden om direct op de werkplek praktijkervaring op te doen;

29.  betreurt dat het aantal voortijdige schoolverlaters in de EU te hoog blijft; wijst erop dat een daling van het percentage voortijdige schoolverlaters met slechts één procentpunt circa 500 000 potentiële werknemers zou kunnen opleveren; vraagt de lidstaten efficiëntere beleidsmaatregelen op basis van modern onderwijs en beroepsopleiding van hoge kwaliteit te nemen om schooluitval te voorkomen en obstakels die het voortzetten van de opleiding in de weg staan, weg te nemen, om leerlingen met leermoeilijkheden of een handicap leer- en opleidingsalternatieven en omscholingsmogelijkheden te bieden, en om ervoor te zorgen dat de overgang van de initiële opleiding naar het beroepsleven vlotter verloopt; onderstreept dat onderwijs aan jonge kinderen niet alleen belangrijk is voor de ontwikkeling van hun toekomstige functionele vaardigheden, maar ook van hun vermogen om te leren, zich te specialiseren en zich verder te ontwikkelen, en vraagt dat er een samenhangende, holistische langetermijnvisie wordt ontwikkeld op het gebied van opvang en onderwijs voor jonge kinderen, zoals voorgesteld in de desbetreffende mededeling van de Commissie;

30.  betreurt het feit dat een groot aantal personen met een handicap die in staat zijn werkzaamheden te verrichten, niet zijn opgenomen in de arbeidsmarkt en roept de lidstaten op beleid in te voeren voor alternatieven voor onderwijs, kwalificatie en tewerkstelling van personen met een handicap;

31.  roept de lidstaten ertoe op openbaar gefinancierde en goed gereguleerde instellingen voor initieel onderwijs, waaronder voorscholen, basis- en voortgezet onderwijs, beroepsopleidingen en tertiair onderwijs, met gekwalificeerd en goed opgeleid onderwijs- en onderwijsondersteunend personeel, werkend onder goede arbeidsvoorwaarden, te ondersteunen;

32.  benadrukt het belang van voor iedereen toegankelijke openbare onderwijsstelsels met voor iedereen gelijke mogelijkheden;

33.  is verheugd over het voorstel van de Commissie om een lijst van Europese centres of excellence op te stellen en deze binnen nieuwe academische specialisaties voor de banen van de toekomst te promoten en om de mobiliteit van jongeren in dit verband te bevorderen; onderstreept dat het van belang is de vereiste voorwaarden te scheppen voor de groei van clusters van innovatieve ondernemingen, die een doorslaggevende rol kunnen spelen in de ontwikkeling van de lokale economie en voor nieuwe banen in de regio's kunnen zorgen; in een situatie van versnelde economische herstructurering zijn de randvoorwaarden voor duurzame groei: gekwalificeerde werknemers en een deskundig bestuur, innovatie, wetenschap, technologie en groene arbeidsplaatsen;

34.  moedigt de lidstaten ertoe aan ICT-vaardigheden, digitale geletterdheid, ondernemerschap en transversale sleutelcompetenties zoals communiceren in vreemde talen en competenties voor persoonlijke verwezenlijking en ontwikkeling, actief burgerschap, creativiteit, cultureel bewustzijn en interculturele vaardigheden, alsook sleutelcompetenties op het gebied van milieu, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling op alle niveaus van de opleidingsstelsels op te nemen; benadrukt dat het in dit verband belangrijk is dat zowel „harde” als „zachte” competenties worden erkend en gestimuleerd om de mogelijkheden van mensen op de arbeidsmarkt te verbeteren; wijst erop hoe nuttig het is in vreemde talen te kunnen communiceren, en ondersteunt het leren van talen en de ontwikkeling van talenonderwijs;

35.  onderstreept de behoefte aan onderwijs dat gericht is op innovatie; benadrukt dat zowel niet-schematisch als abstract denken moet worden bevorderd, evenals technisch onderwijs om aan de behoeften van de toekomst te voldoen;

36.  onderstreept dat ernaar gestreefd moet worden dat alle kinderen in een vroeg stadium fundamentele ICT-vaardigheden ontwikkelen en daarom moet ICT in het basisonderwijs worden geïntegreerd en dienen alle Europeanen gemakkelijk en goedkoop toegang te hebben tot het internet;

37.  roept de Commissie en de lidstaten op om maatregelen te nemen voor het waarborgen van de nodige hoeveelheid competente medewerkers in de ICT en de zorg, aangezien het gebrek aan ICT-specialisten in 2015 naar schatting 384 000 à 700 000 arbeidsplaatsen zal zijn, er in de zorgsector een tekort van ongeveer 1 miljoen werknemers verwacht wordt en nog eens 1 miljoen onderzoekers;

38.  stelt vast dat de internationalisering van het onderwijs van maatschappelijk, cultureel en economisch belang is, en dringt er dan ook bij de Commissie op aan de internationale mobiliteit onder onderzoekers, studenten, wetenschappers en docenten te vergemakkelijken, zowel binnen als buiten de EU;

39.  is bezorgd dat hoogopgeleide burgers banen beneden hun vaardigheidsniveau of ongeschoold werk aannemen, hetgeen tot een „brain waste” in de EU zou kunnen leiden;

40.  verzoekt de lidstaten nadrukkelijk opleidingsprogramma's voor leraren te ontwikkelen zodat ze over de nodige informatie beschikken om zich beter aan te kunnen passen aan de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en om voor elk onderwijsniveau de dienovereenkomstige vaardigheden te ontwikkelen;

41.  moedigt de lidstaten ertoe aan opleidingen op de werkplek, waaronder een alternerend onderwijs- en opleidingsstelsel, te bevorderen om jongeren zo vroeg mogelijk met de arbeidsmarkt kennis te laten maken, en een kwaliteitskader in te stellen voor stages en leerplaatsen, die zo veel mogelijk tot vaste banen moeten leiden; vraagt de betrokken partijen ook ervoor te zorgen dat stages en leerlingwezen worden begeleid door professionele mentoren en leiden tot de verwerving van echte vaardigheden en ervaring die aan de behoeften op de arbeidsmarkt beantwoorden en tot het scheppen van nieuwe banen; verzoekt de lidstaten minimumnormen voor stages ten aanzien van inkomen en sociale rechten vast te stellen, en dringt aan op de invoering van een bindend Europees kwaliteitskader voor stages, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en regels om te voorkomen dat de stagiairs worden ingezet ter vervanging van reguliere werknemers;

42.  vraagt de Commissie en de lidstaten om een op ervaringen gestoelde beleidsuitwisseling tot stand te brengen met betrekking tot de leermobiliteit en de overgang van onderwijs en opleiding naar werk, die bijdragen aan de ontwikkeling van vaardigheden en de inzetbaarheid van jongeren;

43.  spoort de Commissie aan om in het volgende wetgevingsinitiatief over beroepskwalificaties de wederzijdse erkenning van diploma's en beroepskwalificaties te versterken en vorderingen te maken met een mechanisme voor de versterkte erkenning van competenties en vaardigheden, met inbegrip van competenties die door informeel en niet-formeel leren zijn verworven, en de erkenningsmechanismen uit te breiden tot werknemers uit derde landen; is van mening dat dit mechanisme moet voortbouwen op relevante Europese kaders, zoals het Europees kwalificatiekader (EKK) en het Europees systeem van studiepuntenoverdracht voor beroepsonderwijs en -opleiding (ECVET);

44.  roept nationale statistiekbureaus ertoe op passende indicatoren voor het beoordelen van vaardigheden en de verschillende niveaus in hun nationale onderwijsstelsel te ontwikkelen;

45.  is van mening dat de Dienst voor extern optreden (EDEO), meer bepaald de delegaties van de EU in derde landen, een belangrijke rol kunnen spelen bij het verstrekken van informatie over de competenties die Europa nodig heeft en over de beschikbare banen, en om te helpen bij de procedures die gevolgd moeten worden om naar Europa te komen;

46.  merkt op dat er ten gevolge van de demografische veranderingen een groot potentieel aan oudere vrijwilligers bestaat, dat een enorme, ongebruikte hulpbron in onze gemeenschappen vormt; verzoekt de Commissie de mogelijkheden voor oudere vrijwilligers te bevorderen en een actieprogramma Senioren te ontwikkelen voor het toenemend aantal ervaren oudere burgers die bereid zijn vrijwilligerswerk te doen, een programma dat parallel kan lopen aan en een aanvulling kan vormen op het bovengenoemde programma „Jeugd in actie”, en voorts specifieke programma's te bevorderen voor generatie-overbruggend vrijwilligerswerk en voor mentorschap;

47.  is van mening dat er tegen de achtergrond van de strategie ter verlenging van het werkzame leven te weinig wordt gedaan voor het aanleren van digitale competenties door ouderen en roept de Commissie en de lidstaten op om brede onderwijsprogramma's te ontwikkelen die op deze groep gericht zijn;

48.  benadrukt de noodzaak om de ambachtelijke traditie en de daarbij behorende vaardigheden te behouden en om strategieën te ontwikkelen voor ambachtelijke bedrijven, opdat de culturele identiteit van de ambachtelijke sector behouden blijft; wijst er in dit verband op hoe belangrijk het is dat de alternerende beroepsopleiding en de mobiliteit van jonge ambachtslieden worden ondersteund; stelt vast dat de bevordering van stages als middel om jongeren in deze sector te integreren een actieve beleidsmaatregel kan zijn die het verdient te worden gestimuleerd en dringt er bij de lidstaten op in dit verband de passende stappen te ondernemen; onderstreept het belang van de geesteswetenschappen als terrein voor onderzoek naar het verleden en een beter behoud van de culturele identiteit;

De vraag naar arbeid en het scheppen van banen bevorderen

49.  wijst op het belang van kmo's voor de Europese economie, zowel vanwege hun grote aantal als vanwege hun strategische rol bij de werkloosheidsbestrijding; herinnert eraan dat kmo's 85% van de arbeidsplaatsen in de EU scheppen en 58% van de door EU-bedrijven toegevoegde waarde uitmaken; vraagt alle betrokken partijen met aandrang om alle maatregelen in te trekken die een belemmering kunnen vormen voor het oprichten van ondernemingen en voor het vrije verkeer van ondernemingen; vraagt de lidstaten en de Commissie de oprichting en de groei van kmo's te bevorderen, met bijzondere aandacht voor vrouwelijke ondernemers, in een kmo-vriendelijk regelgevings- en fiscaal kader te voorzien, gunstige voorwaarden voor toetreding tot de markt te creëren, een lijst op te stellen van alle belemmeringen die de aanwerving van werknemers in de weg staan, de administratieve lasten tot een minimum te beperken en de toegang van kmo's tot financiering te verbeteren;

50.  wijst op de noodzaak om doelgerichter innovaties en een concurrerende basis voor de industrie te realiseren om het scheppen van arbeidsplaatsen nieuw leven in te blazen; wijst erop dat er ondersteuning dient te komen voor de werkgelegenheid voor jongeren, businessmodellen met wetenschappelijk initiatief, alsook afzonderlijke stimuli voor het aannemen van een breder scala aan werklozen;

51.  juicht het initiatief van de Commissie toe om in de toekomst een vereenvoudigde vergunningsprocedure in te voeren voor een tijdelijk verblijf binnen de EU van medewerkers van een bedrijf die uit derde landen afkomstig zijn;

52.  roept de lidstaten en de Commissie ertoe op meer in het scheppen van banen te investeren en ondernemerschap, het oprichten van bedrijven en het werken als zelfstandige te ondersteunen zodat werkgelegenheid wordt geschapen en sociale uitsluiting wordt verminderd; is van mening dat totstandbrenging van het juiste klimaat en stimulering van de ontwikkeling van bedrijven en steun voor de invoering van nieuwe technologieën belangrijk, maar niet voldoende zijn voor de ontwikkeling van de Europese economieën; benadrukt daarom dat er meer nadruk moet worden gelegd op het bevorderen van ondernemersgeest en ondernemersvaardigheden op verschillende onderwijsniveaus, persoonlijke ondersteuning voor nieuwe ondernemers en een effectieve ontwikkeling van de vaardigheden van personeel van kmo's; onderstreept de rol van het Europees Instituut voor innovatie en technologie en de EIB, en met name programma's als JASMINE en JEREMIE, bij het stimuleren van het opzetten en ontwikkelen van bedrijven en het verlenen van steun aan kmo's;

53.  verzoekt de Commissie bij het ontwerpen van arbeidsgerelateerde wetgeving rekening te houden met de behoeften van kmo's en uit te gaan van het beginsel „eerst in het klein denken”;

54.  onderstreept hoe belangrijk een vrij en intelligent gereguleerd internet is voor het opzetten van nieuwe ondernemingen en voor het creëren van banen; acht het voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen via internet van cruciaal belang dat internetgebruikers vertrouwen houden in het systeem en in de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer;

55.  benadrukt dat de EU te weinig O&O-intensieve en innovatieve bedrijven kent en dat het grote tekort aan innovatieve en digitale vaardigheiden kmo's beletten om nieuwe en innovatieve bedrijfsmodellen en nieuwe technologieën toe te passen;

56.  verzoekt de Commissie en de lidstaten nadrukkelijk hun samenwerking voort te zetten om een geïntegreerde en concurrerende risicokapitaalmarkt te creëren omdat dit essentieel is voor de oprichting en de groei van innovatieve kmo's;

57.  is van mening dat een onbelemmerde en concurrerende interne markt moet worden voltooid om het vrije verkeer van werknemers te vergemakkelijken; meent voorts dat de voltooiing van de interne markt vergezeld moet gaan van arbeidswetgeving die zorgt voor gelijke voorwaarden, een sterke coördinatie van de sociale zekerheid en de mogelijkheid voor de werknemers om hun opgebouwde rechten, in het bijzonder pensioenrechten, over de grenzen heen te behouden of over te dragen; vraagt de Commissie en de lidstaten in dit verband nauw samen te werken met de sociale partners om hindernissen voor de mobiliteit van studenten en werknemers uit de weg te ruimen en de uitwisseling van best practices en ervaring op dit gebied aan te moedigen om na te gaan hoe de interne markt zich ontwikkelt op het punt van de sociale zekerheid voor de werknemers en de geldende belonings- en arbeidsvoorwaarden in het gastland; onderstreept in dit verband dat loondumping moet worden voorkomen;

58.  veroordeelt ten stelligste zwartwerk, dat een gevaar is voor zowel de maatschappij als de werknemers; vraagt de lidstaten regelmatig en vaker controles te verrichten, passende sancties op te leggen en voorlichtingscampagnes op te zetten om mensen bewust te maken van de rechten van werknemers en de nadelen op lange termijn voor mensen die in de zwarte economie werken; verzoekt de lidstaten voorts preventieve maatregelen en sancties te combineren met stimulansen om te voorkomen dat mensen hun toevlucht nemen tot zwartwerk en om ervoor te zorgen dat zwartwerk in reguliere banen wordt omgezet;

59.  is van mening dat er voor de gezondheidssector een cruciale rol is weggelegd bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; meent voorts dat de gezondheids- en sociale sector door de demografische veranderingen een belangrijke bron van werkgelegenheid is, die waarschijnlijk nog aan belang zal winnen, en tevens een onmisbare bijdrage levert aan de bevordering van sociale inclusie; roept op tot ontwikkeling van een zorgeconomie teneinde aan werkelijke behoeften te voldoen en voor iedereen toegankelijke zorgdiensten van hoge kwaliteit en goede arbeids- en betalingsvoorwaarden te waarborgen, om te voorkomen dat tot zwartwerk wordt overgegaan; vraagt de Commissie het IAO-verdrag, aangevuld door een aanbeveling, over huishoudelijk personeel te ondersteunen, teneinde de arbeidsomstandigheden van werknemers in deze sector verbeteren; vraagt de Commissie het initiatief te nemen tot een studie naar verpleeghulpen die bij cliënten thuis werken, in aanvulling op andere passende en duurzame oplossingen die zelfstandig wonen ondersteunen, om na te gaan of de EU-wetgeving deze categorie werknemers, die vaak vrouwen zijn, voldoende bescherming biedt;

60.  benadrukt de mogelijkheden voor het scheppen van arbeidsplaatsen in de sociale diensten, zorg- en onderwijsdiensten en de gezondheidszorg en eist een krachtige en duurzame investering in deze sleuteldiensten en infrastructuren, evenals in fatsoenlijke arbeidsomstandigheden ter ondersteuning van een goede dienstverlening; verheugt zich op het actieplan van de Commissie voor de aanpak van het gebrek aan arbeidskrachten in de gezondheidszorg;

61.  vraagt de Commissie, de lidstaten, de sociale partners en de andere betrokken partijen ervoor te zorgen dat EU-fondsen zoals het ESF, het EFRO en het Cohesiefonds, alsook faciliteiten zoals de microfinancieringsfaciliteit op efficiënte en eenvoudige wijze en in onderlinge samenhang worden gebruikt voor het scheppen van banen, ook in de sociale economie; wijst op de voordelen van investering van de structuurfondsen in onderwijs en beroepsopleidingen in sectoren met een hoge toegevoegde waarde op technologisch gebied, en in opleidingen die van bijzonder belang zijn voor de overgang naar duurzamere groeimodellen; vraagt bijzondere aandacht voor de lidstaten waar het werkloosheidsniveau hoog is en het maandelijkse minimuminkomen onder de armoedegrens ligt;

62.  benadrukt het feit dat synergie tussen de diverse Europese fondsen belangrijk is en onderstreept het feit dat een gedecentraliseerde aanpak bij het gebruik van de fondsen belangrijk is om aan de eisen van de arbeidsmarkt te voldoen; is ook van mening dat particulieren en bedrijven de passende stimuli moeten krijgen om in opleiding te investeren; wijst in dit verband in het bijzonder op de bijdrage van het cohesiebeleid aan het vlaggenschipinitiatief „efficiënt gebruik van hulpbronnen” en vraagt dat rekening wordt gehouden met het potentieel hiervan voor duurzame groei;

63.  is het ermee eens dat ervoor wordt gezorgd dat de instrumenten van het cohesiebeleid, inclusief het ESF, meer effect hebben, door ze te richten op een concentratie van de financiële middelen op een kleiner aantal prioriteiten, het versterken van de voorwaarden voor institutionele hervormingen, bevordering van het partnerschapsbeginsel, een gerichtheid op duidelijke en meetbare doelstellingen en de invoering van ontwikkelings- en partnerschapsinvesteringsovereenkomsten tussen de Commissie en de lidstaten;

64.  vraagt de Commissie de huidige EU-regelingen voor rechtstreekse steunverlening aan bedrijven te herbekijken en de mogelijkheid na te gaan een zo groot mogelijk deel van die steunverlening te besteden aan het creëren van nieuwe arbeidsplaatsen in bedrijven, het ontwikkelen van de vaardigheden van de werknemers, het verhogen van de kwalificaties en het verwezenlijken van programma's voor een leven lang leren;

De werking van de arbeidsmarkt verbeteren

65.  merkt op dat de agenda voor nieuwe vaardigheden en banen flexizekerheidsbeleid centraal stelt, en deelt het oordeel van de Commissie dat de crisis de nationale flexizekerheidsregelingen zwaar op de proef heeft gesteld, onder meer waar op de arbeidsmarkt maatregelen inzake externe flexibiliteit zijn getroffen en de nodige versterking van de socialezekerheidsstelsels achterwege is gebleven; benadrukt echter dat het noodzakelijk is de arbeidsmarkthervormingen voort te zetten zonder succesvol beleid en consensus en vertrouwen tussen nationale regeringen en de sociale partners aan te tasten; onderstreept dat flexizekerheidsbeleid aan sociale omstandigheden en de specifieke structuur van de nationale arbeidsmarkt, evenals aan de belangen van werkgevers en werknemers moet zijn aangepast;

66.  benadrukt evenwel dat flexizekerheid alleen de crisis niet kan verhelpen, en vraagt de Commissie, de lidstaten en de sociale partners de arbeidsmarkthervormingen voort te zetten en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de integratie van werknemers uit kwetsbare en kansarme groepen in de arbeidsmarkt; raadt aan daarvoor een bottom-upbenadering te hanteren om de dialoog en de participatie van alle politieke en sociale bestuurslagen te verbeteren;

67.  meent dat de vier componenten van flexizekerheid – flexibele en voldoende zekerheid biedende contractuele regelingen, actief arbeidsmarktbeleid, een leven lang leren en moderne socialezekerheidsstelsels – en hun onderlinge evenwicht moeten worden heroverwogen om aan de behoeften van werknemers en bedrijven op moderne arbeidsmarkten te beantwoorden, fatsoenlijke banen te scheppen en de inzetbaarheid van de werknemers, een adequate sociale bescherming, alsook de eerbiediging van het beginsel van een gelijke beloning voor gelijke arbeid in samenhang met gendergelijkheid te waarborgen; acht het met het oog op dit hele proces van essentieel belang dat arbeidsmarktinstellingen worden versterkt om ervoor te zorgen dat werknemers baat hebben bij het overstappen naar een andere baan, een ander beroep, een andere sector of een andere arbeidsstatus; meent voorts dat de sociale partners in het kader van de sociale dialoog een bijdrage aan de heroverweging moeten leveren;

68.  verzoekt de Commissie, overeenkomstig artikel 152 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), de bevordering van de rol van de sociale partners, met name per bedrijfstak, op het niveau van de Unie, te versnellen met inachtneming van hun autonomie;

69.  steunt, overeenkomstig artikel 155 VWEU, de dialoog tussen de sociale partners en moedigt ze aan contractuele betrekkingen, met inbegrip van overeenkomsten, aan te gaan; beveelt de sociale partners, met name per bedrijfstak, aan om voor de tenuitvoerlegging van de op het niveau van de Unie gesloten overeenkomsten gebruik te maken van de procedure zoals bedoeld in lid 2 van artikel 155 VWEU voor de zaken die onder artikel 153 VWEU vallen;

70.  moedigt de lidstaten ertoe aan om telewerken te bevorderen, d.w.z. alle vormen van werk op afstand, alsook alle oplossingen die het mogelijk maken om werk buiten de klassieke eenheid van tijd en plaats te organiseren en/of uit te voeren, met behulp van telecommunicatiemiddelen en van het internet in het kader van dienstverlening of binnen een arbeidsverhouding;

Inclusieve arbeidsmarkten bevorderen

71.  onderstreept dat Europa, teneinde sterker uit de economische crisis te voorschijn te komen, concurrerender en convergenter te worden, met hogere groeiniveaus, en onze socialezekerheidsstelsels op lange termijn veilig te stellen, het potentieel van zijn arbeidskrachten beter moet benutten, zowel het functioneren van zijn arbeidsmarkten als de sociale inclusie en sociale bescherming moet verbeteren, en de kwalificaties en vaardigheden van de arbeidskrachten moet verbeteren;

72.  onderstreept in dit verband dat de segmentering moet worden teruggedrongen door werknemers adequate zekerheid te bieden en de inclusie op de arbeidsmarkt te verbeteren teneinde alle werknemers met alle soorten contracten, en met name werknemers uit de meest kansarme en kwetsbare groepen, meer kansen te geven om de arbeidsmarkt te betreden en zich op te werken;

73.  benadrukt hoe belangrijk het is de rechten van mensen met een handicap bij de uitvoering van de agenda alsook in alle aspecten van de Europa 2020-strategie te mainstreamen; verzoekt de Commissie passende maatregelen te nemen om de ontwikkeling van en de toegang tot universeel ontworpen goederen en diensten, als bedoeld in artikel 29 van het VN-Verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap, te bevorderen, onder meer door de uitwisseling van goede praktijken;

74.  onderstreept dat de salarissen in veel lidstaten minder hard zijn gestegen dan de productiviteit en stelt zeer bezorgd vast dat er steeds meer „arme werkenden” zijn, die ondanks hun salaris onder de armoedegrens leven; vindt dat er dringend maatregelen moeten worden getroffen om hier een einde aan te maken;

75.  benadrukt hoe belangrijk het is de jeugdwerkloosheid als prioriteit aan te pakken; vraagt de Commissie en de lidstaten zich verder in te spannen om de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt te bevorderen, onder meer door stimulansen te bieden voor jongeren en werkgevers en door het aanbod van stages en mogelijkheden in het leerlingwezen verder te ontwikkelen; onderstreept in dit verband dat het van cruciaal belang is de overgang van school naar werk te faciliteren, in adviesverlening en persoonlijke begeleiding te voorzien en mogelijkheden te bieden om reële vaardigheden te verwerven en zich bij te scholen overeenkomstig de vereisten van de arbeidsmarkt; benadrukt dat dit vlaggenschipinitiatief nauw verbonden moet worden aan het vlaggenschipinitiatief „Jeugd in beweging”;

76.  benadrukt dat het belangrijk is om de nodige voorwaarden te scheppen opdat oudere werknemers langer op de arbeidsmarkt kunnen blijven, intergenerationele solidariteit en samenwerking te mainstreamen in de arbeidssfeer en initiatieven te nemen ter bevordering van langer doorwerken, zoals duobanen, herwaardering van vaardigheden en loopbanen, vrijwilligerswerk en gefaseerde pensionering, ook onder freelancers;

77.  verzoekt de lidstaten, gelet op de veroudering van de Europese bevolking, een reeks instrumenten te creëren om de toegang tot de arbeidsmarkt voor ouderen te vergemakkelijken en vraagt om bevordering van en ruime steun voor de begeleiding en activering van ouderen in het licht van het innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden, alsmede stimulansen voor werkgevers, nu de bedrijfswereld minder in oudere werknemers is geïnteresseerd; benadrukt het feit dat het belangrijk is dat de bedoelde personen bijkomende opleiding krijgen en nieuwe kwalificaties verwerven die hen in staat zullen stellen hun wederintrede op de arbeidsmarkt te doen; benadrukt in verband hiermee het feit dat het belangrijk is de kennis en ervaring van oudere mensen te gebruiken, bijvoorbeeld via coaching-projecten;

78.  vraagt de lidstaten, gezien de stijgende werkloosheid, de openbare arbeidsbemiddelingsdiensten te moderniseren en te versterken, zodat zij een grotere rol kunnen spelen als permanente dienstverleners voor zowel werknemers als werkgevers; is van mening dat de openbare arbeidsbemiddelingsdiensten, in nauwe samenwerking met de plaatselijke werkgevers, diensten kunnen verlenen op het gebied van beoordeling van competenties, opstellen van profielen en individuele beroepsoriëntatie en advies, en informatie kunnen verstrekken over ondernemerskansen en een reeks opleidings- en omscholingsprogramma's;

79.  spoort de Commissie en de lidstaten aan om de bijdrage van de sociale economie officieel te erkennen, die goed is voor 10% van de banen in de EU en een essentiële rol speelt in de economische, sociale en territoriale cohesie van de EU; is van mening dat de sociale economie verder moet worden ontwikkeld zo bij te dragen aan het scheppen van welvaart zonder sociale uitsluiting en de ontwikkeling van inclusieve arbeidsmarkten, om banen te behouden in sectoren en bedrijven die een crisis doormaken en/of met sluiting worden bedreigd, om de baanzekerheid te verbeteren, om vaardigheden te behouden en een weg naar werk te ontwikkelen voor bijzonder kansarme groepen;

80.  benadrukt dat beter en krachtiger beleid ter bevordering van gendergelijkheid en het combineren van werk, gezin en privéleven zou moeten bijdragen tot een grotere participatie van de actieve vrouwelijke en mannelijke bevolking op de arbeidsmarkt; benadrukt hoe belangrijk het is vrouwen de mogelijkheid te geven de arbeidsmarkt te betreden, te herintreden en hogerop te komen, met name vrouwen die het moeilijk hebben om na zwangerschaps- of moederschapsverlof weer een baan te vinden;

81.  is van mening dat er inspanningen moeten worden gedaan om technische studies (wiskunde, informatica, natuurwetenschappen en technologie) te promoten bij meisjes en genderstereotypen en beroepssegregatie van vrouwen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt te bestrijden; dringt er bij de lidstaten op aan doelgerichte maatregelen te nemen om de aanwezigheid van vrouwen in leidinggevende functies te bevorderen;

82.  is van mening dat de antidiscriminatiewetgeving van de EU het beschermingsniveau in de EU aanzienlijk heeft verhoogd; meent echter dat er meer moet worden gedaan om discriminatie, en ook meervoudige discriminatie, van verschillende groepen op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en op het werk te bestrijden teneinde het beginsel van gelijke behandeling in de praktijk te brengen; meent dat een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen ook moet worden bevorderd door gericht beleid inzake sociale bescherming met oog voor kinderopvang en gezinsbijstand, door de uitvoering van programma's voor gendermainstreaming en door het op vrijwillige basis aanwerven van vrouwen en mannen in niet-traditionele beroepen aan te moedigen, met bijzondere aandacht voor sectoren die van oudsher door mannen worden gedomineerd;

83.  wijst op de economische argumenten voor het bestrijden van discriminatie, naast het mensenrechtenaspect daarvan; verzoekt de lidstaten de nodige stappen te zetten om snel overeenstemming te bereiken over de aanneming van het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; verzoekt de Commissie om steun te blijven geven aan het overwinnen van technische moeilijkheden in de Raad teneinde die overeenstemming te bereiken, aangezien een sterk EU-antidiscriminatiebeleid de 2020-strategie zal ondersteunen;

84.  is van mening dat als de beroepskwalificaties- en vaardigheden van vrouwelijke werknemers in een veranderende economische ruimte behouden dienen te blijven en degenen die in het arbeidsproces willen terugkeren daarbij geholpen moeten worden, het van groot belang is dat ook werknemers die met moederschapsverlof zijn, deel kunnen nemen aan de opleidingsactiviteiten die hun werkgever organiseert;

85.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan dat zij inzetten op maatregelen om werk en gezinsleven beter op elkaar af te stemmen en investeren in de arbeidsparticipatie onder vrouwen en deze stimuleert door bevordering van diversiteitsmanagement, een aanmoedigingsbeleid voor werkende vrouwen en bevordering van nieuwe arbeidsplaatsen met flexibelere arbeidsomstandigheden;

86.  benadrukt dat het creëren van nieuwe banen gepaard moet gaan met het creëren van nieuwe manieren om werk te organiseren, die werkneemsters met kinderen de mogelijkheid bieden van alternatieve werktijden, kortere werktijden of telewerk;

87.  wijst erop dat mogelijkheden voor verhoging van de arbeidsparticipatie bij vrouwen niet alleen te vinden zijn in de hulpverlening en de zorg maar ook in de binnenlandse defensiesector, de logistieke sector (inclusief transport), de zakelijke dienstverlening, zoals het verzekeringswezen en de consultancy, en in de milieusector en bij de duurzame banen;

88.  spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan, programma's te ondersteunen en te ontwikkelen die specifiek gericht zijn op het aantrekken van vrouwen in technische beroepen, door middel van subsidies voor jonge universiteitsstudenten, en daarbij het goede voorbeeld te volgen van bepaalde lidstaten, zoals het „Excellence”-programma in Oostenrijk, in het kader waarvan men erin geslaagd is het aantal vrouwelijke universitaire docenten op het gebied van W&T te verdubbelen en hoogwaardige onderzoekscentra onder leiding van vrouwen mogelijk te maken;

89.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de particuliere en overheidssector aan te sporen alle mogelijke en noodzakelijke maatregelen te treffen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten en een einde te maken aan de grote verschillen op het gebied van toegang tot de arbeidsmarkt, beloning, carrièreverloop, arbeidsparticipatie en governance ten einde de arbeidsparticipatie bij vrouwen te verhogen; onderstreept in dit verband het belang van transparantie in de vorm van betere statistieken en een bruikbare definitie van de term „gelijkwaardig werk”; juicht de aankondiging van de Commissie toe dat zij het pensioenstelsel wil herzien voor degenen met een pensioenbreuk die het gevolg is van tijdelijke werkloosheid, ziekte of zorgplichten, die vooral vrouwen betreffen;

De kwaliteit van de banen en de arbeidsomstandigheden verbeteren

90.  is van mening dat de doelstelling van volledige werkgelegenheid moet worden aangevuld met grotere inspanningen om de kwaliteit van de banen en de arbeids- en levensomstandigheden van alle werknemers te verbeteren, met inbegrip van gezondheid en veiligheid op het werk en gendergelijkheid;

91.  meent dat de kwaliteit van de banen moet worden bevorderd als multidimensionaal concept dat zowel de arbeidsbetrekkingen als het werk zelf omvat; vraagt de Commissie haar inspanningen op te voeren om de EU-definitie van en de gemeenschappelijke indicatoren voor de kwaliteit van banen te herzien teneinde deze bruikbaarder te maken voor de evaluatie en benchmarking van het beleid van de lidstaten; is van mening dat de sociale dialoog een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van fatsoenlijk werk, kwalitatief hoogwaardige banen en een adequate sociale bescherming, en verzoekt daarom de voornaamste spelers op het gebied van de arbeidsverhoudingen op EU-niveau te werken aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijke Europese aanpak ter zake en actief deel te nemen aan de herziening van de definitie van en de indicatoren voor de kwaliteit van banen;

92.  is van mening dat de toegankelijkheid van de werkplek, met name de gebouwen en de IT, de een essentiële arbeidsvoorwaarde is en beslissend is voor de arbeidsintegratie van personen met een handicap;

93.  verwelkomt het voorstel van de Commissie om de gezondheids- en veiligheidswetgeving te herzien en waarschuwt dat onveilige arbeidsomstandigheden, voortdurend van baan veranderen en toenemende stress negatieve effecten hebben op de lichamelijke en geestelijke gezondheid van werknemers; verzoekt de Commissie actie te ondernemen tegen het probleem dat werkgerelateerde gevaren en ziekten niet worden erkend;

94.  benadrukt het belang van een samenspel tussen de inspanningen van de betrokken partijen om de kwaliteit van de banen te verbeteren en het gebruik van passende beleidsinstrumenten, waaronder wetgeving, beleidscoördinatie, uitwisseling van good practices en autonome overeenkomsten tussen de sociale partners;

95.  is van mening dat de kwaliteit van werkplekken aanzienlijk onder druk staat gezien het hoge aantal en het stijgende percentage beroepsziekten, vooral de verspreiding van aandoeningen aan het skelet en het spierstelsel, en dat daarom verdere inspanningen moeten worden geleverd ter vermindering hiervan om de vergrijzende samenleving duurzamer te maken;

96.  meent dat de rechten van de werknemers, overleg tussen de sociale partners (werknemers en werkgevers) en een adequate sociale bescherming die armoede onder werkenden voorkomt, centraal moeten staan in de kwaliteit van werkgelegenheid en dus ook in het concept kwaliteit van banen;

97.  moedigt de Commissie ertoe aan haar voorbereidende werkzaamheden af te ronden en de in de agenda aangekondigde wetgevingsvoorstellen in te dienen, met volledige inachtneming van de uitkomst van de economische en sociale effectbeoordeling en de autonomie van de sociale partners; is verheugd over de plannen van de Commissie om de doeltreffendheid van de wetgeving inzake de kwaliteit van banen en arbeidsomstandigheden te beoordelen, rekening houdend met de ontwikkelingen;

98.  onderstreept dat de vastgestelde werkgelegenheidsdoelen en de strategieën om deze doelen te verwezenlijken moeten worden gemonitord en gecoördineerd met de doelen die zijn vastgesteld op andere belangrijke gebieden, zoals de openbare financiën en het innovatiebeleid;

o
o   o

99.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 116.
(2) PB L 308 van 24.11.2010, blz. 46.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0262.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0263.
(5) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 6.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0455.
(7) Persbericht van de Commissie IP/10/1673.
(8) Cedefop-publicaties, ISBN 978-92-896-0536-6.
(9) PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35.
(10) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 23.

Juridische mededeling - Privacybeleid