Verklaring van het Europees Parlement van 18 april 2012 over vis als goed van algemeen belang
Het Europees Parlement,
– gezien artikel 117 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS) van 1982, dat stelt dat „alle staten de plicht hebben om (...) maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee, of om met andere staten samen te werken voor het nemen van dergelijke maatregelen”,
– gezien de Overeenkomst om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen van 1993, en de Gedragscode voor een verantwoorde visserij van de FAO van 1995,
– gezien artikel 123 van zijn Reglement,
A. overwegende dat de mondiale visconsumptie een recordgemiddelde van 17 kilogram per persoon per jaar heeft bereikt, en dat vis instaat voor ruim 15 procent van de eiwitinname van meer dan 3 miljard mensen;
B. overwegende dat de duurzaamheid van de mondiale visserij een absolute voorwaarde is om de visbestanden in stand te houden en om de toegang tot deze bestanden voor de volgende generaties te waarborgen, en overwegende dat de concentratie van eigendom in particuliere handen, zoals die zich voordoet in de visserijsector, nefaste gevolgen heeft;
C. overwegende dat er een omvattend actieplan nodig is om ervoor te zorgen dat de rijkdommen van de zee worden beschermd, dat het algemeen belang ervan wordt erkend en dat de collectieve voordelen die eruit voortvloeien evenredig worden verdeeld;
1. vraagt dat de Commissie de EU en de lidstaten aanspoort tot normatieve maatregelen om vis te erkennen als goed van algemeen mondiaal belang, en dat zij de nodige maatregelen neemt om de rijkdommen van de zee te beschermen, de toegang tot en het duurzaam gebruik van de visbestanden door middel van internationale coördinatie te waarborgen, en een informatiecampagne voor de EU-burgers op te zetten;
2. verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars(1), te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.