Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2307(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0101/2012

Ingediende teksten :

A7-0101/2012

Debatten :

PV 20/04/2012 - 7
CRE 20/04/2012 - 7

Stemmingen :

PV 20/04/2012 - 10.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0146

Aangenomen teksten
PDF 434kWORD 108k
Vrijdag 20 april 2012 - Straatsburg
Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020
P7_TA(2012)0146A7-0101/2012

Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 (2011/2307(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020” (COM(2011)0244),

–  gezien de visie voor 2050 en de kerndoelen van 2020 die in maart 2010 door de staatshoofden en regeringsleiders van de EU werden vastgesteld,

–  gezien de conclusies van de Raad (Milieu) van 21 juni en 19 december 2011 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020,

  in het bijzonder gezien het resultaat van de tiende conferentie der partijen (COP 10) bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD), met name het strategisch plan voor biodiversiteit in de periode 2011-2020 en de doelstellingen van Aichi, het protocol van Nagoya betreffende toegang tot genetische hulpbronnen en de billijke en eerlijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik ervan, en de strategie om middelen vrij te maken voor de mondiale biodiversiteit,

–  gezien de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) en het Verdrag inzake trekkende diersoorten (CMS),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten” (COM(2010)0672), en gezien de voorstellen van de Commissie voor een hervorming van het GLB na 2013,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld „Een begroting voor Europa 2020” (COM(2011)0500) en de ondersteunende documenten,

–  gezien het strategisch financieel kader 2014-2020,

–  gezien het „Samenvattend verslag over de staat van instandhouding van habitattypes en soorten, als vereist krachtens artikel 17 van de habitatrichtlijn” (COM(2009)0358),

–  gezien zijn resolutie van 21 september 2010 over de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving tot behoud van de biodiversiteit(1),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2010 over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013(2) en zijn resolutie van 23 juni 2011 over „het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten”(3),

–  gezien het werkdocument van de Diensten van de Commissie getiteld „Natura 2000 financieren – investeren in Natura 2000: voordelen tot stand brengen voor natuur en mens (SEC(2011)1573),

–  gezien de studie getiteld „De economische aspecten van ecosystemen en biodiversiteit (TEEB)”(4),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de standpunten van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, en de Commissie visserij (A7-0101/2012),

A.  overwegende dat de EU de biodiversiteitsdoelstelling voor 2010 niet heeft gehaald;

B.  overwegende dat de Verenigde Naties de periode 2010-2020 hebben uitgeroepen tot het Decennium van de biodiversiteit;

C.  overwegende dat biodiversiteit essentieel is voor het bestaan van menselijk leven en het welzijn van samenlevingen, zowel direct als indirect door de ecosysteemdiensten die erdoor worden verleend – zo worden de voordelen die het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden van de Europese Unie oplevert, op 200 tot 300 miljard euro geraamd en worden 4,5 tot 8 miljoen voltijdse banen rechtstreeks ondersteund door de uitgaven van bezoekers in en rond deze gebieden;

D.  overwegende dat biodiversiteitsverlies momenteel het wereldwijde BBP jaarlijks met 3 % doet afnemen;

E.  overwegende dat bijna 65 % van de habitattypen en 52 % van de soorten die zijn opgenomen in de bijlagen bij de habitatrichtlijn in een ongunstige staat van instandhouding verkeren;

F.  overwegende dat 88 % van de visbestanden intensiever bevist wordt dan de maximaal duurzame vangst;

G.  overwegende dat al meer dan 11 000 uitheemse soorten de grenzen van Europa zijn overgestoken en dat minstens 15 % daarvan bestaat uit invasieve soorten en schade toebrengt aan de biodiversiteit;

H.  overwegende dat landbouwers een essentiële rol spelen in de verwezenlijking van de biodiversiteitsdoelstelling van de EU, overwegende dat in 1992 een eerste aanzet werd gegeven tot het integreren van de bescherming van de biodiversiteit in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), en overwegende dat bij de hervorming in 2003 vervolgens maatregelen werden opgenomen zoals randvoorwaarden, de bedrijfstoeslagregeling (ontkoppeling) en plattelandsontwikkeling, die gunstige gevolgen hebben voor de biodiversiteit;

I.  overwegende dat betalingen voor ecosysteemdiensten een veelbelovend innovatief financieringsinstrument voor de instandhouding van de biodiversiteit zijn;

J.  overwegende dat habitats en soorten worden bedreigd door klimaatverandering; overwegende dat natuurbehoud en biodiversiteit van cruciaal belang zijn voor de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering;

Algemene opmerkingen

1.  betreurt het feit dat de EU haar biodiversiteitsdoelstelling voor 2010 niet heeft gehaald;

2.  verwelkomt en steunt de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020, met inbegrip van alle doelstellingen en maatregelen ervan; is niettemin van mening dat sommige maatregelen zouden moeten worden aangescherpt en duidelijk omschreven en dat er meer concrete maatregelen getroffen zouden moeten worden om ervoor te zorgen dat de strategie doeltreffend wordt uitgevoerd;

3.  onderstreept dat er dringend maatregelen nodig zijn en dat er hogere politieke prioriteit moet worden gegeven aan biodiversiteit teneinde het 2020-kerndoel van de EU voor biodiversiteit te behalen en aan de wereldwijde verplichtingen aangaande biodiversiteit te voldoen; benadrukt dat het behoud van biodiversiteit een gezamenlijke uitdaging is die moet worden aangegaan met de inzet en participatie van verschillende betrokken partijen;

4.  juicht de mededeling van de Commissie inzake biodiversiteit 2020 toe, en merkt op dat klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, bedreiging door invasieve soorten en overconsumptie van natuurlijke hulpbronnen transnationale en transregionale uitdagingen zijn, die iedere burger in de EU raken, zowel in de stad als op het platteland, en dat er op ieder overheidsniveau - plaatselijk, regionaal en nationaal - dringend maatregelen nodig zijn om de gevolgen van deze problemen aan te pakken;

5.  verzoekt de lidstaten daarom de strategie te integreren in hun plannen, programma's en/of nationale strategieën;

6.  is van mening dat biodiversiteitswaarborgen in bestaande EU-wetgeving niet afgezwakt mogen worden;

7.  onderstreept dat de nieuwe strategie niet ook mag mislukken; roept de Commissie daarom op om tweejaarlijkse voortgangsverslagen voor te leggen aan het Parlement waarin de Raad en de Commissie de stand van zaken toelichten;

8.  benadrukt het feit dat de echte test voor het engagement van de EU om de biodiversiteitsdoelstelling te halen – en de echte sleutel tot deze kwestie – niet de nieuwe strategie is, maar veeleer de komende hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid en van het meerjarig financieel kader; wijst er voorts op dat het feit dat de bescherming van de biodiversiteit onvoldoende in andere EU-beleidsterreinen is geïntegreerd, de mislukking van de eerste strategie heeft veroorzaakt;

9.   is van mening dat de problemen die zijn ondervonden bij het bereiken van het streefdoel voor 2010 een grondige analyse vereisen van de tot nu toe gebruikte methoden; stelt dat er strategische studies moeten worden uitgevoerd die alle factoren omvatten die van invloed zouden kunnen zijn op beschermde gebieden, en dat deze studies opgenomen dienen te worden in de planologie en gepaard zouden moeten gaan met voorlichtings- en informatiecampagnes over het belang van plaatselijke natuurlijke rijkdommen en de instandhouding ervan;

10.  wijst erop dat een verlies aan biodiversiteit niet enkel betrekking heeft op soorten en habitats, maar ook op de genetische diversiteit; roept de Commissie op om een strategie voor de instandhouding van de genetische diversiteit te ontwikkelen;

11.  wijst erop dat het natuurlijk erfgoed een aanzienlijk ecologisch kapitaal vertegenwoordigt dat fundamenteel is voor het welzijn van de mensheid; is van mening dat alle lidstaten moeten samenwerken en hun optreden op elkaar af moeten stemmen om een beter gebruik van de natuurlijke hulpbronnen te maken en netto verliezen aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten zowel op het platteland als in stedelijke gebieden te voorkomen;

Doelstellingen – Integratie van biodiversiteit in alle beleidsterreinen van de EU

12.  benadrukt dat het belangrijk is om biodiversiteitsbescherming in alle beleidsterreinen van de EU – zoals landbouw, bosbouw, visserij, regionaal beleid en cohesie, energie, industrie, vervoer, toerisme, ontwikkelingssamenwerking, onderzoek en innovatie – te integreren om het sectorale beleid en het begrotingsbeleid van de EU meer samenhang te geven en om ervoor te zorgen dat de bindende toezeggingen op het gebied van de bescherming van biodiversiteit worden nageleefd;

13.  onderstreept dat de EU-biodiversiteitsstrategie volledig geïntegreerd moet worden in de strategieën voor de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering;

14.  herinnert eraan dat het voorzorgsbeginsel een rechtsgrondslag vormt die in alle wetgeving en beslissingen ten aanzien van biodiversiteit toegepast moet worden;

15.  onderstreept dat de bescherming, waardering, het in kaart brengen en het herstel van diensten voor biodiversiteit en ecosystemen essentieel zijn om de doelstellingen van het Stappenplan voor een hulpbronnenefficiënt Europa te bereiken, en roept de Commissie en de lidstaten op te overwegen een tijdlijn te presenteren, als onderdeel van specifieke maatregelen, voor het in kaart brengen en beoordelen van diensten voor ecosystemen in de EU, hetgeen het mogelijk zou maken doelgerichte en efficiënte maatregelen te treffen voor het tot stilstand brengen van de vermindering van diensten voor biodiversiteit en ecosystemen;

16.  benadrukt dat het verlies van biodiversiteit leidt tot gigantische economische kosten voor de maatschappij, die tot nu toe onvoldoende zijn geïntegreerd in de economische en andere beleidsterreinen; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan om waarde toe te kennen aan diensten voor ecosystemen en deze waarden op te nemen in de boekhoudsystemen als uitgangspunt voor duurzamer beleid; is van mening dat een economisch model dat een gepast behoud van biodiversiteit veronachtzaamt niet levensvatbaar is; benadrukt ook dat met maatregelen tot herstel van ecosystemen en biodiversiteit in aanzienlijke mate nieuwe vaardigheden, banen en zakelijke kansen kunnen worden gecreëerd;

17.  beklemtoont de nood aan een grondige effectbeoordeling van de negatieve effecten op de biodiversiteit voor verschillende sectoren van de economie;

18.  benadrukt dat de biodiversiteitsstrategie deel uitmaakt van het vlaggenschipinitiatief „Efficiënt gebruik van hulpbronnen” en herinnert eraan dat regionaal beleid, vanwege de maatregelen die in het kader daarvan worden ondersteund om kwesties op het gebied van klimaat, energie en milieu aan te pakken, een essentiële rol speelt bij het waarborgen van duurzame groei;

19.  houdt vol dat een groot aantal van de opkomende infectieziekten zoönose zijn (die worden overgedragen tussen wilde dieren, huisdieren en mensen) en erkent dat de handel in wilde dieren en veranderingen in bodemgebruik en landbeheer kunnen leiden tot nieuwe of andere interacties tussen de mens, huisdieren en wilde dieren die de overdracht van ziektes en het verlies van biodiversiteit kunnen bevorderen; benadrukt dat het opnemen van biodiversiteitsstrategieën in het beleid inzake diergezondheid, dierenwelzijn en handel van het hoogste belang is;

20.  is niettemin van mening dat een gedegen beoordeling van de ecologische, economische en sociale effecten nodig is in gevallen waarin gegevens ontbreken;

Behoud en herstel van de natuur

21.  onderstreept de noodzaak om de achteruitgang in de status van alle onder de natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan te brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van die status op EU-niveau te bereiken; beklemtoont dat dit dient te gebeuren in de vorm van een verbetering in ten minste een van de parameters betreffende de staat van instandhouding die zijn bepaald in artikel 1 van de habitatrichtlijn, zonder de andere parameters af te zwakken;

22.  roept de Commissie en de lidstaten op om zich te verbinden aan het aannemen van geïntegreerde strategieën om de natuurlijke waarden en het cultureel erfgoed van elk geografisch gebied, evenals de benodigde voorwaarden voor het behoud van die gebieden, in kaart te brengen;

23.  benadrukt dat biodiversiteitsdoelstellingen verwezenlijkt moeten worden door concrete actie om doeltreffend te zijn; betreurt dat, ondanks de ondernomen actie om het verlies van biodiversiteit tegen te gaan, binnen de EU slechts 17 % van de habitats en soorten en 11 % van de belangrijke ecosystemen die onder EU-wetgeving beschermd zijn in goede staat verkeren; verzoekt de Commissie op zo kort mogelijke termijn te analyseren waarom de huidige inspanningen tot nu toe niet succesvol zijn en te onderzoeken of er geen andere, doeltreffender instrumenten beschikbaar zijn;

24.  beklemtoont dat, om een duidelijke weg te banen voor de verwezenlijking van de visie voor 2050, minstens 40 % van alle habitats en soorten tegen 2020 in een gunstige staat van instandhouding moeten verkeren; herinnert eraan dat 100 % (of nagenoeg 100 %) van de habitats en soorten tegen 2050 in een gunstige staat van instandhouding moeten verkeren;

25.  toont zich bezorgd over de steeds grotere achteruitgang van essentiële habitats, zoals wetlands, die voorrang moeten krijgen en waarvoor dringende maatregelen getroffen moeten worden die werkelijk in verhouding staan tot de bijzondere beschermingsstatus die de EU aan deze gebieden heeft toegekend;

26.  erkent dat infrastructuurbouw, urbanisatie, industrialisering en fysiek ingrijpen in het landschap in het algemeen tot de belangrijkste oorzaken behoren van de fragmentatie van ecosystemen en habitats; verzoekt de plaatselijke, regionale en nationale overheden, in de context van hun algemene stedenbouwkundige regels en uitvoeringsmaatregelen en binnen het kader van hun bevoegdheden, om in hun planning en ontwikkelingsprojecten op zowel grote als kleine schaal rekening te houden met deze factoren die een gevaar vormen voor ecosystemen en habitats; erkent de druk en de noodzaak die op plaatselijk en regionaal niveau bestaan om te zorgen voor substantiële economische ontwikkeling en adviseert dat plaatselijke en regionale overheden behoedzaam streven naar een balans tussen ontwikkeling en de noodzaak van bescherming van biodiversiteit en natuurlijke habitats; steunt verdere hervorming en toepassing van ontwikkelingsbeleid op regionaal en plaatselijk niveau om voordelen uit biodiversiteit te halen en om een einde te maken aan een verdere afname van het aantal habitats, vooral in tijden van economische en financiële crisis;

27.  steunt een toename van het gebruik van milieueffectbeoordelingen (MEB's), duurzaamheidseffectbeoordelingen (DEB's), strategische milieueffectbeoordelingen (SMEB's) en andere instrumenten om bij plaatselijke en regionale beslissingsprocessen rekening te houden met de afname van de biodiversiteit en de gevolgen van de klimaatverandering; wijst erop dat alle regio's zullen profiteren van projecten ten bate van het indammen van de klimaatverandering en bescherming van de afname van de biodiversiteit, inclusief de minder ontwikkelde regio's;

28.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de toewijzing van Natura 2000-gebieden in 2012 is afgerond in overeenstemming met Aichi-doelstelling 11; betreurt ten zeerste dat de toewijzing van zeegebieden vertraging heeft opgelopen; is bezorgd over de herinvoering van de jacht in de Donaudelta en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan voor de biodiversiteit; verzoekt de Commissie om na te gaan of de lidstaten artikel 7 van de vogelrichtlijn (2009/147/EC(5)) ten uitvoer leggen, in het bijzonder ten aanzien van de jacht;

29.  benadrukt dat er dringend meer inspanningen geleverd moeten worden om oceanen en mariene milieus te beschermen, zowel via EU-maatregelen als via verbetering van de internationale governance van oceanen en gebieden die buiten de nationale rechtsgebieden vallen;

30.  dringt er bij de lidstaten op aan zich aan de wettelijke uiterste termijn te houden wat betreft het opstellen van beheerplannen of gelijkwaardige instrumenten voor alle Natura 2000-gebieden, zoals bepaald in artikel 4 en 6 van de habitatrichtlijn (92/43/EEG(6));

31.  gelooft dat betere grensoverschrijdende samenwerking heel goed zou zijn voor het halen van de Natura 2000-doelstellingen; wijst op de noodzaak van nauwere samenwerking tussen Europese, nationale, regionale en plaatselijke overheden bij de bescherming van de biodiversiteit en de natuurlijke hulpbronnen; benadrukt in dit verband de mogelijkheden die grensoverschrijdende, interregionale en transnationale samenwerking biedt in de strijd tegen biodiversiteitsverlies en is van mening dat betere benutting van het potentieel van territoriale samenwerking en uitwisseling van informatie, ervaringen en beproefde praktijken in aanzienlijke mate zou bijdragen aan de verwezenlijking van dat doel; wijst erop dat het opnemen van biodiversiteitsgerelateerde prioriteiten in regionale macrostrategieën een belangrijke stap is in de richting van herstel en bescherming van biodiversiteit;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een goede instandhouding van het Natura 2000-netwerk te verzekeren door voldoende financiering toe te wijzen aan die gebieden; verzoekt in het bijzonder de Commissie en de lidstaten om in samenwerking met de verschillende belanghebbenden dwingende nationale instrumenten te ontwikkelen met behulp waarvan de belangrijkste instandhoudingsmaatregelen en de bijbehorende geplande financieringsmiddelen (uit fondsen van de EU of uit de begrotingen van de lidstaten zelf) worden vastgesteld;

33.  is van mening dat de handhaving van de EU-wetgeving, met name wat betreft het milieu, verbeterd moet worden;

34.  roept de Commissie op om, gezien de grote verschillen tussen de lidstaten op het vlak van de tenuitvoerlegging van Natura 2000-wetgeving, waar nodig, meer duidelijkheid of richtsnoeren te verschaffen, op basis van beste praktijken; vraagt de Commissie ook meer richtsnoeren of beste praktijken te verschaffen voor het beheer van de gebieden die grenzen aan Natura 2000-gebieden;

35.  verzoekt de Commissie om haar capaciteit voor het verwerken en doeltreffend onderzoeken van klachten en inbreuken op de correcte tenuitvoerlegging van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn te vergroten en om adequate richtsnoeren te ontwikkelen voor de lidstaten ten aanzien van de controle ter plaatse van de tenuitvoerlegging van die richtlijnen; verzoekt de Commissie bovendien om maatregelen op te nemen die de tenuitvoerlegging en de gezamenlijke handhaving van de vogel- en de habitatrichtlijn verbeteren in het kader van haar werkzaamheden rond de verbeterde tenuitvoerlegging van en de controle op de milieuwetgeving; vindt het gezien zijn resolutie van 20 november 2008 over de toetsing van Aanbeveling 2001/331/EG betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten(7), van essentieel belang het EU-netwerk voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de toepassing van het communautaire milieurecht (IMPEL) te versterken en dringt er bij de Commissie op aan om verslag uit te brengen over de verschillende manieren om dat te doen, met inbegrip van de haalbaarheid van het oprichten van een communautaire milieu-inspectie, en dringt er bij de Commissie op aan om met een voorstel te komen voor een richtlijn betreffende milieu-inspecties;

36.  onderschrijft het initiatief van de Commissie voor opleidingsprogramma's voor rechters en openbare aanklagers; wijst er echter op dat de Commissie en de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat dergelijke opleidingsprogramma's ook beschikbaar zijn voor beroepsmensen die met Natura 2000-gebieden te maken hebben, zoals regionale en lokale overheden die verantwoordelijk zijn voor wetshandhaving en andere administratieve instanties die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de vogel- en de habitatrichtlijn;

37.  is van mening dat het noodzakelijk is om te beschikken over digitale, toegankelijke kaarten met nauwkeurige informatie over de belangrijkste natuurlijke rijkdommen, beschermde gebieden, grondbestemmingen, watermassa's en risicogebieden om de naleving van de milieuwetgeving, en in het bijzonder de wetgeving inzake biodiversiteit, door de regionale en lokale overheden te bevorderen;

38.  stelt vast dat de bevolking in de EU zich weinig bewust is van het belang van biodiversiteit en de zware kosten die het verlies ervan met zich mee zou brengen voor het milieu en op sociaaleconomisch vlak; wijst op de behoefte aan een meer omvattende communicatiestrategie, in overeenstemming met Aichi-doelstelling 1;

39.  juicht het voornemen van de Commissie toe om tegen 2013 samen met de lidstaten een grootschalige communicatiecampagne voor Natura 2000 te lanceren, om de toepassing van de bepalingen van de EU-milieuwetgeving te verbeteren en om ervoor te zorgen dat milieubescherming, duurzame economische groei en sociale ontwikkeling hand in hand kunnen gaan als gelijkwaardige, niet-tegenstrijdige beginselen; dringt met dat als doel aan op de promotie van succesvolle projecten en de verspreiding van informatie naar het publiek betreffende de haalbaarheid van milieuvriendelijke economische ontwikkeling in gebieden van natuurlijk belang en cultureel erfgoed zoals die van het Natura 2000-netwerk;

40.  beklemtoont de noodzaak van voorlichtingscampagnes over biodiversiteit voor alle leeftijdsgroepen en alle lagen van de bevolking, met dien verstande dat kinderen en tieners die zeer betrokken zijn bij het onderwerp hierover eerst en vooral op school onderricht moeten krijgen; is van oordeel dat alle onderwijs- en scholingsprogramma's, met name die op het gebied van landbouw, bosbouw en aanverwante terreinen, sterker op de rol van biodiversiteit moeten worden gericht;

41.  erkent dat ngo's een belangrijke rol moeten spelen bij de bescherming van de biodiversiteit, zowel in het besluitvormingsproces als bij het veldwerk en de publieksvoorlichting;

42.  bepleit dat de governance zich ook uitstrekt tot de mobilisatie van burgers, en tot non-profitorganisaties en economische actoren, wat deze laatsten betreft met nadruk op de integratie van biodiversiteit in bedrijfsstrategieën; erkent de waarde, de kennis en het werk van vrijwilligerswerk en gemeenschapswerk op het gebied van de bescherming van de biodiversiteit en verzoekt de plaatselijke en regionale overheden om deze groepen te betrekken bij de planning- en overlegfase van projecten door partnerschappen tussen overheden, de particuliere sector en niet-gouvernementele organisaties in het leven te roepen;

43.  erkent dat het bijzonder belangrijk is om nauw samen te werken met plaatselijke actoren en de rechtstreekse beheerders van het land in kwestie en moedigt de Commissie daarom aan om daartoe meer inspanningen te leveren, waarbij aandacht moet gaan naar de ervaring en de bijzondere kennis die deze actoren kunnen aandragen tijdens het opstellen van wetgeving met de bedoeling de goede staat te verzekeren van de habitats waar de biodiversiteit te vinden is die we in stand willen houden in de EU;

44.  blijft van oordeel dat een van de redenen dat we er niet in zijn geslaagd de tendens van verlies aan biodiversiteit en achteruitgang van de ecosystemen in de wereld te keren ons onvolledige begrip is van de complexiteit van biodiversiteit en van de wisselwerking tussen de verschillende onderdelen ervan enerzijds en tussen deze onderdelen en het levende milieu, met inbegrip van de waarde van biodiversiteit voor de huidige en de toekomstige menselijke generaties, anderzijds; herhaalt dat de tenuitvoerlegging van het beleid staat of valt met onderzoek op het gebied van biodiversiteit;

45.  onderstreept dan ook dat meer moet worden geïnvesteerd in onderzoek naar biodiversiteit, met inbegrip van een of meer relevante „maatschappelijke uitdagingen” die in Horizon 2020 aan de orde worden gesteld, om fragmentatie van onderzoeksbeleid te vermijden; is van mening dat een dergelijke toename in financiering voor biodiversiteitsonderzoek bereikt zou kunnen worden binnen de algemeen bestaande middelen als gevolg van de lage introductie; gelooft dat onderzoek zou kunnen leiden tot een beter begrip van biodiversiteit en het belang ervan voor alle aspecten van menselijke activiteiten enerzijds, en, middels innovatieve concepten, zal bijdragen aan nieuwe en verbeterde beleidsmaatregelen, alsook beheers- en ontwikkelingsstrategieën anderzijds;

46.  benadrukt de noodzaak voor een multidisciplinaire en grensoverschrijdende onderzoeksbenadering betreffende biodiversiteit, die inherent verbonden is met terreinen als ecologie, genetica, epidemiologie, klimaatwetenschap, economie, sociale antropologie en theoretische modellering; benadrukt de noodzaak voor op wetenschap gebaseerd beleid in het duurzaam beheer van ecosystemen en natuurlijke bronnen, in het bijzonder in de sectoren van economisch en sociaal belang zoals landbouw, visserijen en bosbouw;

47.  acht het van groot belang dat meer bekendheid wordt gegeven aan de beschikbare wetenschappelijke gegevens met betrekking tot biodiversiteit, aan voorbeelden van beste praktijken voor het tot stilstand brengen van het verlies aan biodiversiteit en het herstellen van biodiversiteit, en aan informatie over innovatie en ontwikkeling op basis van de natuur, en dat gezorgd wordt voor de uitwisseling hiervan tussen beleidsmakers en de belangrijkste betrokken partijen, en dat de relevante ICT's een cruciale rol toekomt bij het aanbieden van nieuwe mogelijkheden en instrumenten; verwelkomt daarom de instelling, door de Commissie, van het zakelijke biodiversiteitsplatform van de EU, en moedigt de Commissie aan om het platform verder te ontwikkelen en verdere samenwerking tussen overheden en bedrijven binnen Europa, met inbegrip van KMO's, te bevorderen;

48.  vraagt het webportaal van het Biodiversiteitsinformatiesysteem voor Europa (BISE) beschikbaar te maken in alle officiële EU-talen om bij te dragen aan de uitwisseling van gegevens en informatie;

Ecosystemen en ecosysteemdiensten handhaven en herstellen

49.  merkt de eis onder het CBD op dat tegen 2020 15 % van de aangetaste ecosystemen dient te zijn hersteld; beschouwt dit echter als een minimum en hoopt dat de EU zich een aanzienlijk hoger herstelpercentage ten doel stelt dat haar eigen ambitieuzere hoofdstreefdoel en haar visie voor 2050 weerspiegelt, rekening houdend met landenspecifieke omstandigheden op het vlak van natuur; dringt er bij de Commissie op aan om duidelijk te bepalen wat er wordt bedoeld met „aangetaste ecosystemen” en om een maatstaf vast te stellen op basis waarvan vooruitgang kan worden gemeten;

50.  dringt er bij de Commissie op aan om uiterlijk in 2012 een specifieke strategie voor groene infrastructuur aan te nemen waarin de bescherming van de biodiversiteit een hoofddoelstelling is; onderstreept dat deze strategie doelstellingen moet omvatten die betrekking hebben op zowel stedelijke als landelijke gebieden, onder andere om zo beter te voldoen aan de bepalingen van artikel 10 van de habitatrichtlijn;

51.  betreurt dat de ontwikkeling van de Strategie voor groene infrastructuur van de Commissie pas voor 2012 is gepland, terwijl in het voorstel voor het Europees infrastructuurpakket wel al energie- en vervoerscorridors zijn geïdentificeerd; verzoekt de Commissie dan ook haar werkzaamheden aan de Strategie voor groene infrastructuur te versnellen en te zorgen voor de verwezenlijking van de voorgestelde doelstelling 2; is het ermee eens dat synergieën tussen energie-, transport- en ICT-projecten gemaximaliseerd moeten worden om zo de negatieve impact op biodiversiteit te beperken, en dat enkel acties die conform met de Unie-wetgeving en in lijn met het relevante Unie-beleid zijn, gefinancierd mogen worden met EU-fondsen;

52.  benadrukt dat het creëren van natuur niet beperkt mag blijven tot de aangewezen gebieden, maar ook aangemoedigd moet worden op andere plekken, zoals in steden, naast autosnelwegen en spoorwegen en op industrieterreinen, om zo een heuse groene infrastructuur tot stand te brengen;

53.  dringt er bij de Commissie op aan om een doeltreffend regelgevingskader uit te werken op basis van het initiatief „Geen nettoverliezen”, waarin rekening wordt gehouden met de in de lidstaten opgedane ervaring en om daarbij ook gebruik te maken van de normen die zijn vastgesteld in het „Business and Biodiversity Offset Programme”; wijst in dit verband op het belang van de toepassing van een dergelijke aanpak op alle habitats en soorten in de EU die niet zijn afgedekt door de EU-wetgeving;

54.  verzoekt de Commissie om bijzondere aandacht te besteden aan soorten en habitats met „functies” van onschatbare economische waarde, aangezien inspanningen om de biodiversiteit in stand te houden in de toekomst gericht zullen zijn op gebieden die op korte termijn economische voordelen zullen opleveren, of waarvan gedacht wordt dat zij dat zullen doen;

55.  erkent dat diensten voor biodiversiteit en ecosystemen in aanzienlijke niet-geldelijke voordelen voor industrieën en andere economische actoren voorzien; nodigt de organisaties die de privésector vertegenwoordigen uit om met voorstellen te komen om biodiversiteit het best te behouden en te herstellen op een betekenisvolle schaal;

56.  erkent de noodzaak om groene infrastructuur, eco-innovatie en de invoering van innoverende technologieën te stimuleren met als doel het creëren van een groenere economie, en verzoekt de Commissie op dit gebied een gids voor goede praktijken op te stellen; dringt er bij de Commissie, de lidstaten en plaatselijke en regionale overheden op aan om de aanbevelingen in de TEEB-studie in aanmerking te nemen, die is bedoeld als nuttig adviserend hulpmiddel voor plaatselijke en regionale beleidsmakers, administratieve krachten en leidinggevenden; benadrukt de noodzaak om de opleiding van begunstigden van de structuurfondsen en het cohesiefonds, en plaatselijke en regionale overheden, die is gericht op het omgaan met de complexe Europese en nationale wetgeving betreffende het beschermen van de natuur en op het vergroten van het bewustzijn over het belang van de afname van de biodiversiteit, uit te breiden en te intensiveren; nodigt de Commissie uit om mechanismen voor technische assistentie in het leven te roepen voor het bevorderen van de kennis op regionaal en plaatselijk niveau over implementatiegerelateerde problemen;

Landbouw

57.  herinnert eraan dat meer dan de helft van het Europees grondgebied wordt beheerd door landbouwers, dat met landbouwgrond belangrijke ecosysteemdiensten worden geleverd, dat deze grond aanzienlijke sociaaleconomische waarde heeft en dat de financiering van het GLB een groot bestanddeel van de begroting van de EU vormt; benadrukt dat de doelstellingen van het GLB zich niet beperken tot voedselvoorziening en plattelandsontwikkeling, maar dat het een uitermate belangrijk instrument is voor biodiversiteit, natuurbehoud, het indammen van klimaatverandering en het onderhoud van ecosysteemdiensten; stelt vast dat in het GLB al maatregelen worden opgenomen gericht op milieubescherming, zoals ontkoppeling, randvoorwaarden en agromilieumaatregelen; betreurt het echter dat deze maatregelen tot nu toe onvoldoende zijn gebleken om het algehele verlies aan biodiversiteit in de EU te stoppen en dat de biodiversiteit van landbouwgronden voortdurend achteruitgaat; verzoekt daarom om een herziening van het GLB in de richting van de voorziening voor compensatie aan boeren voor het ter beschikking stellen van openbare goederen, aangezien de markt er momenteel niet in slaagt de economische waarde van de belangrijke openbare goederen die de landbouw kan leveren te integreren;

58.  benadrukt het verband tussen waterbeheer en biodiversiteit als een onmisbare component voor duurzaam leven en duurzame ontwikkeling;

59.  benadrukt de noodzaak van een overstap van een op middelen gebaseerde aanpak naar een op resultaten gebaseerde aanpak om de efficiëntie van de toegepaste instrumenten te beoordelen;

60.  pleit voor een groenere benadering van pijler I om zo te zorgen voor biodiversiteitsbehoud in het agrarische landschap in bredere zin, verbetering van de infrastructuur en aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering; is verheugd over het hervormingsvoorstel van de Commissie voor het GLB dat voorziet in een „groenere” benadering van het GLB door betalingen binnen pijler I toe te wijzen aan een pakket van fundamentele goede werkmethoden die op het niveau van de landbouwbedrijven worden toegepast, bestaande uit onder meer vruchtwisseling en diversificatie, blijvend grasland, en een minimaal „ecologisch aandachtsgebied”; benadrukt dat dergelijke vergroenende maatregelen werkbaar dienen te zijn en geen onnodige bureaucratie moeten creëren; herhaalt zijn oproep voor steun op basis van het areaal voor het Natura 2000-netwerk onder de regeling inzake rechtstreekse betalingen; is van mening dat hulpbronefficiënte en milieu- en klimaatvriendelijke landbouwpraktijken garant zullen staan voor zowel de duurzaamheid van landbouwbedrijven als de voedselzekerheid op lange termijn en erkent dat het GLB in het bereiken hiervan een belangrijke rol moet spelen;

61.  pleit ervoor dat de „vergroenende” praktijken worden afgestemd op landbouwdiversiteit in de verschillende lidstaten, rekening houdend met, bijvoorbeeld, de specifieke situatie van de Mediterrane landen, waar geen rekening mee wordt gehouden in de voorgestelde drempels met betrekking tot de diversificatie van gewassen en land van ecologisch belang; stelt vast dat samengestelde gewassen, permanente gewassen (olijfgaarden, wijngaarden, appelboomgaarden) of rijstvelden enkele voorbeelden van praktijken zijn die compatibel moeten zijn met „vergroening”, gezien de hoge ecologische waarde en waarde voor het natuurbehoud die sommige van deze landbouwsystemen kunnen hebben;

62.  stelt dat de steun voor overheidsactoren en particuliere spelers die de biodiversiteit van bossen wat betreft soorten, habitats en ecosysteemdiensten beschermen, moet worden verhoogd in het nieuwe GLB, en dat de subsidiabiliteit moet worden uitgebreid naar gebieden die Natura 2000-gebieden verbinden;

63.  pleit voor onderbouwing van alle GLB-betalingen, met inbegrip van diegene die vanaf 2014 worden gedaan, door middel van robuuste randvoorwaarden die bijdragen aan het behoud van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, door inachtneming van de vogel- en habitatrichtlijnen (zonder de huidige normen af te zwakken, van toepassing van 2007 tot 2013), de wetgeving inzake bestrijdingsmiddelen en de kaderrichtlijn water(8); verzoekt om eenvoudige en transparante regelgeving voor de betrokkenen;

64.  pleit voor een aanscherping van pijler II in alle lidstaten van de EU en voor drastische verbeteringen in de aandacht voor het milieu in deze pijler en de effectiviteit van de agromilieumaatregelen daarvan, met inbegrip van verplichte minimumuitgaven voor milieumaatregelen, zoals agromilieumaatregelen, en maatregelen inzake bos en Natura 2000, en steun voor hoge natuurwaarde en biologische landbouw; benadrukt dat de milieumaatregelen van de twee pijlers elkaar moeten versterken;

65.  neemt kennis van het kritische verslag van de Europese Rekenkamer betreffende agromilieuregelingen; stelt vast dat een zeer beperkt aantal milieudoelstellingen is bereikt met de beschikbare 22,2 miljard euro voor 2007-2013; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat toekomstige agromilieufinanciering enkel wordt goedgekeurd onder strikte milieuvoorwaarden;

66.  beklemtoont dat de stijgende vraag naar landbouwbrandstoffen en de verhoogde productiedruk in ontwikkelingslanden die daaruit voortvloeit, de biodiversiteit bedreigen, met name in ontwikkelingslanden, ten gevolge van de degradatie en omvorming van habitats en ecosystemen zoals, onder andere, wetlands en bossen;

67.  is van mening dat de inspectie van landbouwpraktijken aangescherpt moet worden om verlies van biodiversiteit te voorkomen, stelt, met name, dat het lozen van gier gecontroleerd en zelfs verboden moet worden in de meest gevoelige gebieden om ecosystemen te behouden;

68.  roept de Commissie en de lidstaten op het fenomeen van het onbeheerd achterlaten van grond in sommige delen van Europa te onderzoeken om aldus het beoogde behoud van biodiversiteit te ondersteunen en verwoestijning te voorkomen terwijl nieuwe sociaaleconomische mogelijkheden voor plattelandsontwikkeling ontstaan; benadrukt echter de noodzaak van het respecteren van bestaand grondbezit; benadrukt ook dat Europese landbouwers een belangrijke rol spelen als „hoeders” van het landschap;

69.  waarschuwt dat verschillende soorten en habitats met een grote waarde vanuit behoudsperspectief, met inbegrip van die soorten die door EU-wetgeving worden beschermd, afhankelijk zijn van agromilieusystemen waarin de aanwezigheid van de mens een sleutelrol speelt; benadrukt in dit verband het belang van het tot staan brengen en keren van het onbeheerd achterlaten van grond; roept op tot het verlenen van meer steun aan kleine, middelgrote en extensieve landbouw- en familiebedrijven, die het werkelijke behoud van natuurlijke hulpbronnen begunstigen;

70.  roept de Commissie op om in de context van de nieuwe GLB-hervorming haar inspanningen te verhogen voor de steun aan de agrarische sectoren die een bewezen bijdrage leveren aan het behoud van biodiversiteit, en in het bijzonder de bijenteelt; wijst erop dat wilde en inheemse insecten, zoals bijen, zorgen voor 80 % van de bestuiving van zaadplanten, en dat de achteruitgang waarmee ze worden bedreigd een enorme uitdaging betekent voor onze maatschappijen, waarvan de landbouwproductie en daarom ook de voeding, grotendeels afhangt van de bestuiving van zaadplanten; benadrukt daarom dat bij de maatregelen die moeten worden genomen voor de bescherming van biodiversiteit, bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de bijenteelt;

71.  benadrukt dat het belangrijk is dat de achteruitgang van de diversiteit van soorten en gewasvariëteiten, die leidt tot een uitholling van de genetische basis waarvan mens en dier voor hun voeding afhankelijk zijn, een halt wordt toegeroepen en gekeerd wordt; pleit voor de noodzakelijke bevordering van het gebruik van traditionele landbouwvariëteiten die specifiek zijn voor bepaalde regio's; roept op tot aangepaste wetgeving en stimulansen voor de handhaving en de verdere ontwikkeling van een breed gamma aan genetische hulpbronnen voor het landbouwbedrijf, d.w.z. lokaal aangepaste rassen en soorten;

72.  beklemtoont dat er behoefte is aan effectievere samenwerking op Europees niveau op het vlak van wetenschappelijk en toegepast onderzoek naar de genetische diversiteit van planten en dieren met het oog op het behoud ervan, op de versterking van hun vermogen zich aan te passen aan de klimaatverandering en hun effectieve opname in programma's voor genetische verbetering;

Bosbouw

73.  verzoekt om specifieke maatregelen gericht op de verwezenlijking van doelstelling 5 van Aichi volgens welke het tempo waarmee alle natuurlijke habitats, met inbegrip van bossen, verloren gaan tegen 2020 gehalveerd en waar mogelijk tot nul herleid wordt, en dat de degradatie en de versnippering aanzienlijk zijn beperkt;

74.  verzoekt de Commissie, wanneer het onderzoek naar de effecten van de Europese consumptie op de ontbossing is afgerond, de bevindingen hieruit op te volgen met nieuwe beleidsinitiatieven om de vastgestelde effecten aan te pakken;

75.  verzoekt de lidstaten om bosbeheerplannen goed te keuren en toe te passen, rekening houdend met passende openbare raadplegingen en die doeltreffende maatregelen omvatten voor de instandhouding en het herstel van beschermde soorten en habitats en de daaraan gerelateerde ecosysteemdiensten;

76.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan de vaststelling van plannen voor bosbeheer aan te moedigen, onder andere door middel van maatregelen voor plattelandsontwikkeling en het LIFE+-programma; benadrukt de noodzaak om bijzondere biodiversiteitsmaatregelen op te nemen in de plannen voor bosbeheer, met name speciale maatregelen voor de instandhouding van beschermde soorten en natuurlijke habitats, om hun staat van instandhouding te verbeteren, zowel binnen als buiten Natura 2000-gebieden;

77.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij hun bosbouwbeleid zodanig ontwerpen dat dit het belang van bossen voor het beschermen van de biodiversiteit, voor het voorkomen van bodemerosie, voor koolstofopslag en luchtzuivering en voor de handhaving van de waterkringloop, volledig in acht neemt;

78.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat er in de bosbrandinformatiesystemen in hun plannen voor bosbeheer, op ecosystemen gebaseerde maatregelen zijn opgenomen die de weerbaarheid van bossen tegen branden verhogen;

Visserij

79.  verheugt zich over de voorstellen van de Commissie om het GVB te hervormen, die ervoor zouden moeten zorgen dat de ecosysteembenadering wordt uitgevoerd en geactualiseerde wetenschappelijke gegevens dienen als basis voor beheerplannen op de lange termijn inzake alle commercieel geëxploiteerde vissoorten; benadrukt dat we alleen door de duurzaamheid van de visbestanden op lange termijn te garanderen, de economische en sociale levensvatbaarheid van de Europese visserijsector kunnen verzekeren;

80.  benadrukt het feit dat geen enkel land in zijn eentje het probleem van het verlies aan biodiversiteit, met name in mariene ecosystemen, kan oplossen en dat de regeringen van de lidstaten doeltreffender moeten samenwerken en hun inspanningen doeltreffender moeten coördineren, om deze mondiale kwestie aan te pakken; benadrukt dat een krachtige uitvoering van het biodiversiteitsbeleid zowel ten goede komt aan de samenleving als aan de economie;

81.  roept de Commissie en de lidstaten op mariene beschermde zones in te voeren waarin economische activiteiten, waaronder visserij, onderworpen zijn aan een versterkt op ecosystemen gebaseerd beheer, waardoor het mogelijk wordt om de instandhouding van het milieu en het uitoefenen van duurzame visserij met elkaar te verenigen;

82.  benadrukt dat er nog steeds grote leemtes zijn in de kennis inzake de toestand van de mariene ecosystemen en visbestanden, en verzoekt de EU om meer inspanningen te leveren op het gebied van marien onderzoek;

83.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om hun inspanningen bij het verzamelen van wetenschappelijke gegevens inzake visbestanden, waar deze hiaten vertonen, te versterken, met het doel betrouwbaarder wetenschappelijk advies te geven;

84.  roept de Commissie en de lidstaten op om samen te werken met het oog op de oprichting van een Europese kustwacht teneinde de gemeenschappelijke capaciteit voor controle en inspectie te vergroten en de naleving te waarborgen;

85.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om hun inspanningen op te voeren om ervoor te zorgen dat de vangsten tegen 2015 onder de waarde van de maximaal duurzame opbrengst (MDO) blijven, en om bij de vaststelling van MDO's rekening te houden met ecologische overwegingen; benadrukt daartoe dat een gebrek aan toereikende wetenschappelijke gegevens niet aangewend mag worden als excuus om geen actie te ondernemen, en dat in zulke gevallen de visserijsterfte uit voorzorg moet worden verlaagd; herinnert aan de wettelijke verplichting – vastgelegd in de kaderrichtlijn voor een mariene strategie (MSFD)(9) – om ervoor te zorgen dat alle commercieel geëxploiteerde visbestanden zich tegen 2020 binnen de veilige biologische grenzen bevinden;

86.  wijst erop dat het engagement om ervoor te zorgen dat de visbestanden in 2015 in stand zijn gehouden of hersteld zijn op hogere niveaus dan waar de MDO kan worden gerealiseerd, overeenkomstig het hervormingspakket voor het GVB dat de Commissie voorstelt, is goedgekeurd door staatshoofden en regeringsleiders tijdens de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling in 2002 in Johannesburg;

87.  onderstreept dat visserijbeheer eraan moet bijdragen de totstandbrenging van een gunstige staat van instandhouding zoals bepaald in de vogel- en habitatrichtlijn en de doelstelling van de milieutoestand (GES) in het kader van de MSFD te bereiken; benadrukt dat beheersplannen voor de lange termijn op verschillende soorten moeten zijn gebaseerd in plaats van op een enkele soort, rekening houdend met alle aspecten van de visbestanden – met name de omvang, de leeftijd en het vruchtbaarheidscijfer – zodat ze een op het ecosysteem gebaseerde benadering beter weerspiegelen, en dat er strikte tijdschema's voor hun ontwikkeling opgesteld moeten worden;

88.  benadrukt dat het nieuwe GVB en alle daarop volgende maatregelen die zijn vastgesteld door de lidstaten, volledig moeten overeenstemmen met Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 2008/56/EG;

89.  benadrukt dat het doel van het voorkomen van teruggooi van minder waardevolle doelsoorten en ongewenste bijvangst van beschermde niet-doelsoorten, met inbegrip van walvisachtigen, zeeschildpadden en zeevogels, moet worden geïntegreerd in het GVB en dringend moet worden uitgevoerd; benadrukt bovendien dat het nieuwe GVB een duidelijke verplichting moet bevatten om niet-doelsoorten met een hoge overlevingskans terug te gooien;

90.  herinnert eraan dat maatregelen gericht op het uitbannen van de teruggooi van te jonge en ondermaatse vis of vangsten boven de quotabeperkingen zodanig ontworpen moeten worden dat wordt vermeden dat ze perverse stimulansen vormen voor het aanlanden en commercialiseren van bijvangst;

91.  onderstreept dat er streefdoelen en termijnen moeten worden opgesteld voor het verminderen van de overcapaciteit zodat een nettovermindering van de vlootcapaciteit kan worden nagestreefd;

92.  merkt op dat de biodiversiteit van het mariene milieu ernstig in gevaar wordt gebracht door illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) en benadrukt dat de samenwerking tussen de lidstaten en derde landen moet worden versterkt om IOO-visserij tegen te gaan;

93.  merkt op dat de aanleg van visreservaten (gebieden waarin de visserij verboden of beperkt wordt), een bijzonder doeltreffende en kostenefficiënte maatregel is om de visbestanden op lange termijn in stand te houden; verzoekt de lidstaten en de Raad in dit verband om visreservaten aan te duiden en de beheersregels die daarin worden toegepast, vast te leggen, met bijzondere aandacht voor kraamgebieden of paaiplaatsen voor visbestanden;

94.  verzoekt de Commissie betrouwbare indicatoren voor ecologische duurzaamheid, inclusief mariene duurzaamheid en duurzaamheid in kustgebieden, te ontwikkelen, om te beoordelen in hoeverre vooruitgang in de richting van de algemene doelstelling van bescherming van de biodiversiteit is geboekt;

Invasieve uitheemse soorten

95.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat maatregelen worden genomen om zowel de introductie van nieuwe invasieve uitheemse soorten in de EU als de uitbreiding van reeds gevestigde uitheemse soorten naar nieuwe gebieden te voorkomen; verzoekt met name om duidelijke richtlijnen in het kader van de GLB-verordening inzake plattelandsontwikkeling om ervoor te zorgen dat ontbossing de biodiversiteit niet schaadt en om financiële steun voor het planten van uitheemse en invasieve soorten te voorkomen; onderstreept dat er behoefte is aan ambitieuze strategieën en bijgewerkte inventarissen op EU- niveau en in de lidstaten; is van mening dat deze strategieën niet uitsluitend gericht moeten zijn op die soorten die als een „prioriteit” worden bestempeld zoals geopperd in doelstelling 5 van de biodiversiteitsstrategie; spoort de Commissie aan, met het oog op een versterking van de kennisbasis, om vergelijkbare activiteiten als die in het kader van het DAISIE-project (Delivering Alien Invasive Species Inventories for Europe) te ondersteunen, om uitheemse soorten te identificeren;

96.  dringt er bij de Commissie op aan om in 2012 een wetgevingsvoorstel in te dienen met een holistische benadering van het probleem van invasieve uitheemse planten- en diersoorten om een gemeenschappelijk EU-beleid op te stellen voor de preventie, het toezicht, de bestrijding en het beheer van deze soorten en voor snelle waarschuwingssystemen op dit gebied;

97.  erkent dat preventie kosteneffectiever en milieuvriendelijker is dan maatregelen die worden genomen na de introductie en vestiging van een invasieve uitheemse soort; roept de Commissie en de lidstaten daarom op voorrang te geven aan het voorkomen van de introductie van invasieve uitheemse soorten, zoals onderschreven in de hiërarchische benadering van dergelijke soorten aangenomen in het Biodiversiteitsverdrag;

98.  benadrukt de noodzaak ervoor te zorgen dat de handel in bedreigde soorten – opgenomen in de Rode Lijst van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen – onderworpen wordt aan verdere beperkingen en, met name, aan strenge regelgeving; roept de Commissie en de lidstaten verder op toezicht te houden en regelmatig verslag uit te brengen over de invoer van exoten en niet-inheemse soorten en zorg te dragen voor de volledige tenuitvoerlegging van de dierentuinenrichtlijn(10); verzoekt de Commissie een verbod op het vangen van dieren in het wild voor de handel in huisdieren te beoordelen en er voorstellen voor te maken;

99.  verzoekt de Commissie om kennis te nemen van bestaande nationale strategieën en actieplannen, en ervoor te zorgen dat er voldoende rekening wordt gehouden met eilandhabitats in de verwachte verordening inzake invasieve uitheemse soorten;

Klimaatverandering

100.  herinnert aan de samenhang tussen biodiversiteit en het klimaatsysteem; is zich bewust van het aanzienlijk negatief effect van klimaatverandering op de biodiversiteit, en onderstreept dat verlies van biodiversiteit inherent bijdraagt aan een verergering van de klimaatverandering vanwege de achteruitgang van de koolstofafvang door de natuurlijke omgeving; benadrukt dat de biodiversiteit dringend beschermd moet worden, onder meer als middel om de klimaatverandering te verzachten en natuurlijke koolstofputten te behouden;

Internationale dimensie

101.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij wetgeving voorstelt om het Protocol van Nagoya uit te voeren, zodat de Unie het protocol zo snel mogelijk kan ratificeren;

102.  benadrukt, gezien de mondiale aard van biodiversiteit en ecosysteemdiensten en hun cruciale rol in het bereiken van mondiale doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling, dat de EU-strategie de inspanningen van de EU moet opvoeren om het verlies van biodiversiteit te voorkomen en zo doeltreffender bij te dragen aan het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling tegen 2015;

103.  is van mening dat het behoud van de mariene diversiteit moet worden aangepakt op het hoogste niveau tijdens de Rio+20-top in juni 2012 in Rio de Janeiro;

104.  verwelkomt de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 6 december 2011 over het zorgen voor een duurzame mondiale visserij(11), waarin wordt benadrukt dat dringend inspanningen nodig zijn om tot een duurzaam gebruik van de wereldzeeën en -oceanen te komen;

105.  verwelkomt het plan – gepresenteerd in november 2011 – dat door vier VN-agentschappen (UNESCO, FAO, UNDP en IMO) is ontwikkeld om landen aan te zetten tot een hernieuwing van hun engagement om de afbraak van de oceanen te beperken en gevaren als overbevissing, vervuiling en afname van de biodiversiteit aan te pakken.

106.  spoort de Commissie en de lidstaten aan om een gemeenschappelijke benadering voor natuurbehoud in de EU te blijven bevorderen, juicht het toe dat de Commissie beseft dat zij moet samenwerken met de lidstaten om een effectieve bescherming te waarborgen van de biodiversiteit in de ultraperifere gebieden van de EU en de landen en gebieden overzee, die meer endemische soorten herbergen dan het gehele Europese continent; ziet graag een versterking van de specifieke instrumenten voor het waarborgen en beschermen van de biodiversiteit aldaar, met name van de BEST (vrijwillige regeling ten behoeve van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de Europese gebieden overzee)-voorbereidende actie, die sinds 2011 door het Parlement wordt gesteund en voorziet in de passende financiering voor de bescherming van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de ultraperifere gebieden van de EU en de landen en gebieden overzee;

107.  verzoekt de Commissie en de lidstaten van de EU om de multilaterale milieuovereenkomsten strikt toe te passen en te handhaven, met inbegrip van (maar niet beperkt tot) de CITES-overeenkomst en de CMS;

108.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om milieuduurzaamheid doeltreffend te mainstreamen in hun betrekkingen met derde landen en als onderdeel van mondiale processen zoals de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

109.  dringt er bij de Commissie op aan om de bijdrage van het handelsbeleid aan de instandhouding van de biodiversiteit te verhogen en steunt daarom haar voorstel om in alle nieuwe handelsovereenkomsten een hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling op te nemen dat voorziet in substantiële milieubepalingen die van belang zijn in de handelscontext, met inbegrip van biodiversiteitsdoelstellingen;

110.  erkent de toename van de illegale internationale handel in soorten die onder de CITES-overeenkomst vallen; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve om de capaciteit van Interpol in dat opzicht te verhogen en om van de illegale handel in wilde dieren een prioriteit te maken in bilaterale gesprekken met derde landen;

111.  erkent dat de EU een van de grootste invoerders van wilde dieren is en dat zij het behoud van biodiversiteit in andere delen van de wereld beïnvloedt door haar beleid en commerciële activiteiten; roept de EU op maatregelen te nemen om de negatieve invloed van de EU-consumptiepatronen op de biodiversiteit te verkleinen door initiatieven voor duurzame landbouw en handel in wilde dieren op te nemen in alle handelsovereenkomsten;

112.  verzoekt de „Rio+20 Earth Summit” om concrete plannen te maken inzake innovatieve en onafhankelijke financieringsmiddelen voor de bescherming van biodiversiteit in ontwikkelingslanden en dringt erop aan dat de EU en haar lidstaten in dit verband proactief handelen bij het behalen van resultaten;

113.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de EU-ontwikkelingssamenwerking „biodiversiteitsbestendig” te maken om zo het verlies van biodiversiteit te voorkomen, rekening houdend met het feit dat mensen met de laagste inkomens het sterkst afhankelijk zijn van ecosysteemdiensten;

114.  erkent dat het noodzakelijk is te komen tot een economie die stoelt op een kostenefficiënt gebruik van duurzame energie, in combinatie met aandacht voor biodiversiteitsdoelstellingen, en dat zo'n economie aan de verwezenlijking van die doelstellingen zou kunnen bijdragen; vindt het noodzakelijk in deze context om verdere waarborgen te introduceren voor bronnen, efficiëntie en biomassa gebruikt voor energie; dringt er bij de Commissie op aan, ook in dit verband, zo snel mogelijk te verduidelijken welke effecten biobrandstoffen hebben op biodiversiteit, met inbegrip van de effecten op indirect landgebruik, en dringt aan op de vaststelling van effectieve duurzaamheidscriteria voor de productie en het gebruik van alle biobrandstoffen, met inbegrip van vaste biomassa;

Financiering

115.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om alle subsidies te inventariseren die schadelijk zijn voor het milieu, overeenkomstig objectieve criteria, en verzoekt de Commissie om uiterlijk eind 2012 een actieplan (met inbegrip van een tijdschema) bekend te maken waarin die subsidies conform de doelstellingen van Nagoya worden uitgefaseerd;

116.  onderstreept het belang om uit alle mogelijke bronnen financiële steun van zowel de EU als de lidstaten aan te wenden waaronder de ontwikkeling van een specifiek instrument om biodiversiteit te financieren, en innovatieve financiële mechanismen te ontwikkelen – met name habitat banking in samenhang met compensatiemaatregelen – om de doelstellingen die op het gebied van biodiversiteit zijn vastgelegd, te bereiken;

117.  benadrukt dat het nodig is de begroting voor onderzoek naar het milieu en de biodiversiteit in het kader van het volgende kaderprogramma voor onderzoek te verhogen, in overeenkomst met de enorme behoeften en uitdagingen om zowel het verlies van biodiversiteit als de klimaatverandering aan te pakken, om zo bij te dragen aan het invullen van de vastgestelde leemtes in de kennis, en beleid te ondersteunen;

118.  roept de Commissie op om te herevalueren of het huidige regelgevingsstelsel adequaat impuls biedt aan strategieën die biodiversiteit verhogen, en om kosteneffectieve oplossingen voor te stellen om uitgaven voor biodiversiteit te verschuiven van bureaucratie naar bescherming en verbetering;

119.  deelt de opvatting dat goed ontworpen, op marktwerking stoelende instrumenten voor het internaliseren van de externe milieukosten van consumptie- en productieactiviteiten kunnen bijdragen aan het verwezenlijken van de doelstelling van het tot stilstand brengen van het verlies aan biodiversiteit, indien het wordt gecombineerd met stimulansen voor groene investeringen in de betrokken sectoren;

120.  verwelkomt de lancering van het „Business and Biodiversity Platform” door de Commissie om de particuliere sector bij de biodiversiteitsagenda te betrekken;

121.  dringt er bij de Commissie op aan om bij het Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de mogelijkheden voor de invoering van betalingen voor ecosysteemdiensten waarbij rekening gehouden moet worden met de rol van de instandhouding van de biodiversiteit;

122.  verzoekt de Commissie en de lidstaten deze nieuwe biodiversiteitsstrategie tegen 2020 volledig uit te voeren en te financieren, door ervoor te zorgen dat bij elke financieringsmaatregel van de EU de wetten inzake biodiversiteit en waterbescherming worden nageleefd;

123.  benadrukt de dwingende noodzaak ervoor te zorgen dat het volgende meerjarig financieel kader (2014-2020) inspanningen ondersteunt om de zes in de biodiversiteitsstrategie vastgestelde doelstellingen te behalen, en dat de financiering voor het LIFE-programma versterkt wordt; benadrukt dat het noodzakelijk is om de nadruk te leggen op projecten rond maatschappelijk verantwoord ondernemen die de biodiversiteit bevorderen;

124.  merkt verder op dat de enorme economische waarde van biodiversiteit een waardevol rendement biedt op de investering in haar behoud; dringt derhalve aan op opvoering van de financiering voor natuurbehoudsmaatregelen;

125.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met het oog op afdoende financiering van het Natura 2000-netwerk ervoor te zorgen dat in ten minste 5,8 miljard euro per jaar wordt voorzien via financiering vanuit de EU en de lidstaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten bovendien ervoor te zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar worden gesteld via verschillende EU-fondsen (bijvoorbeeld via de GLB-fondsen, het Europees fonds voor maritieme zaken en visserij, de cohesiefondsen en een versterkt LIFE+-fonds), met een betere coördinatie en samenhang tussen deze fondsen onder meer middels het concept van geïntegreerde projecten, waarmee tegelijkertijd de transparantie voor de verschillende regio's die subsidies van de EU ontvangen wordt verbeterd; verzoekt om betrokkenheid van de EIB bij de ontwikkeling van innovatieve financieringsinstrumenten en technische diensten en adviesdiensten voor cofinancieringsprojecten op het gebied van biodiversiteit;

126.  uit zijn teleurstelling over de voorgestelde toewijzing voor het nieuwe LIFE-programma, dat, ondanks zijn opmerkelijke succes de afgelopen twee decennia, nog steeds een onbeduidend deel van de EU-begroting krijgt toegewezen; is van mening dat de uitdagingen die in het plan voor biodiversiteit en natuurbehoud worden gesteld, vereisen dat de toewijzing van middelen aan het LIFE-programma aanzienlijk verhoogd wordt;

127.  constateert met bezorgdheid dat het aantal in het kader van het LIFE+-programma gefinancierde projecten in diverse lidstaten elk jaar lager is dan de indicatieve toewijzing; roept de Commissie op om de redenen voor deze onderbesteding te beoordelen en waar nodig veranderingen voor te stellen aan de regels die voor dit programma gelden, met name wat betreft het aandeel van cofinanciering;

128.  erkent het belang van groene overheidsopdrachten en is van mening dat er meer aandacht moet worden besteed aan het gebruik hiervan, met name in door de EU gesubsidieerde openbare instanties; adviseert dat de overheden die verantwoordelijk zijn voor de beheer- en controlesystemen die in de lidstaten zijn opgezet om subsidies uit de structuurfondsen en het cohesiefonds te beheren, hun steun geven aan projecten die in dergelijke procedures voorzien;

129.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om in het kader van het cohesiefonds in de financieringsperiode 2014-2020 te investeren in de bescherming en het herstel van biodiversiteit; adviseert tevens het potentieel van Natura 2000 voor plaatselijke economieën en arbeidsmarkten in beschouwing te nemen;

130.  erkent dat de „groene economie” een manier is om vaardigheden en werkgelegenheid te creëren en verzoekt om dit met financiering te ondersteunen zodat mede hierdoor op plaatselijk niveau kan worden gewerkt aan capaciteitsopbouw en uitbreiding van plaatselijke en traditionele kennis in de strijd om het beschermen van de biodiversiteit; benadrukt het feit dat ongeveer 30 % van alle toewijzingen voor het cohesiebeleid voor 2007-2013 beschikbaar is voor activiteiten die een bepaald effect hebben op duurzame groei; moedigt de lidstaten, en met name lokale en regionale autoriteiten, aan om in het belang van het tegengaan van biodiversiteitsverlies actiever te zijn en meer pogingen te doen om te investeren in natuurlijk kapitaal en voor de instandhouding van natuurlijke rijkdommen en de aanpassing aan de klimaatverandering gebruik te maken van voor de preventie van natuurrampen bestemde middelen voor regionaal beleid, met name met het oog op de programmeringsperiode 2014-2020;

131.  spoort de lidstaten aan de mogelijkheid om de huidige operationele programma's af te stemmen op de doelstellingen van Europa 2020 inzake duurzame groei ten volle te benutten door investeringsprioriteiten voor projecten te heroverwegen, en dringt er bij hen op aan de beschikbare hulpbronnen effectiever in te zetten;

o
o   o

132.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 19.
(2) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 103.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0297.
(4) http://www.teebweb.org
(5) PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.
(6) PB L 206 van 22.07.92, blz. 7.
(7) PB C 16 E van 22.1.2010, blz 67.
(8) Richtlijn 2000/60/EG (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(9) Richtlijn 2008/56/EG (PB L 164 van 25.06.08, blz. 19).
(10) Richtlijn 1999/22/EG (PB L 94 van 09.04.99, blz. 24).
(11) A/RES/66/68.

Juridische mededeling - Privacybeleid