Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 16 februari 2012 - Straatsburg
Depositogarantiestelsels ***I
 Richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2013 - Andere afdelingen dan de Commissie
 Meerjarenplan voor het westelijke horsmakreelbestand
 Bijdrage van het gemeenschappelijk visserijbeleid aan de productie van collectieve goederen
 Recente politieke ontwikkelingen in Hongarije
 Situatie in Rusland
 Overeenkomst EU-Marokko inzake liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouw- en visserijproducten
 Overeenkomst EU-Marokko inzake liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouw- en visserijproducten ***
 Situatie in Syrië
 19e zitting van de Mensenrechtenraad van de VN
 Toegang tot boeken voor blinden
 Regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels
 Regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels ***
 Toekomst van wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid (GMES)
 Doodstraf in Belarus, met name de zaak van Dmitri Konovalov en Vladislav Kovalev
 Egypte: recente ontwikkelingen
 Doodstraf in Japan

Depositogarantiestelsels ***I
PDF 806kWORD 358k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de depositogarantiestelsels (herschikking) (COM(2010)0368 – C7-0177/2010 – 2010/0207(COD))
P7_TA(2012)0049A7-0225/2011

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2010)0368),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0177/2010),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn ingebracht door het Deense parlement, de Duitse Bondsdag, de Duitse Bondsraad en het Zweedse parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerpwetgevingsbesluit niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 16 februari 2011(1),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(2),

–  gezien de brief d.d. 24 februari 2011 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 87, lid 3 van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 87, 55 en 37 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie juridische zaken (A7-0225/2011),

A.  overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 februari 2012 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2012/…/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de depositogarantiestelsels (herschikking)

P7_TC1-COD(2010)0207


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid op artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels(5) moet op verscheidene punten ingrijpend worden gewijzigd. Omwille van de duidelijkheid dient tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)  Teneinde de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen te vergemakkelijken, is het noodzakelijk deom mogelijke marktverstorende verschillen tussen de wetgevingen van de lidstaten inzakeop te heffen voor wat betreft de regeling voor depositogarantiestelsels waaraan deze instellingen zijn onderworpen. [Am. 1]

(2 bis)   Om toekomstige aanspraken op depositogarantiestelsels te voorkomen, moet het accent sterk liggen op preventieve maatregelen en toezicht, waarbij een gecoördineerde en transparante beoordeling van het bedrijfsmodel van nieuwe en bestaande spelers wordt gewaarborgd, op basis van een gezamenlijke aanpak zoals overeen te komen tussen de bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(6) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (EBA) en de bevoegde autoriteiten, welke eventueel kan leiden tot aanvullende toezichtvereisten, beperkingen op activiteiten, verplichte veranderingen in het bedrijfsmodel of zelfs uitsluiting van kredietinstellingen die onverantwoordelijke risico's nemen.[Am. 2]

(3)  De onderhavige richtlijn vormt met betrekking tot de sector kredietinstellingen, ten aanzien van zowel de vrijheid van vestiging als het vrij verrichten van diensten, het essentiële instrument voor de totstandbrenging van de interne markt en vergroot de stabiliteit van het bankwezen en de bescherming van de spaarders. Met het oog op de kosten van het faillissement van een kredietinstelling voor de economie in zijn geheel en het negatieve effect daarvan op de financiële stabiliteit en het vertrouwen van de deposanten, is het wenselijk om niet alleen een vergoedingsregeling voor deposanten te treffen maar ook om voldoende flexibiliteit te creëren om de depositogarantiestelsels in staat te stellen preventieve en ondersteunende maatregelen uit te voeren. Aangezien in dit geval de aangesloten kredietinstellingen zelf de kosten van de depositogarantiestelsels dragen, zijn er passende prikkels om problemen bij aangesloten kredietinstellingen vroegtijdig te herkennen en om dreigende garantiezaken met passende maatregelen tegen te gaan, zoals het stellen van voorwaarden aan herstructurering. Depositogarantiestelsels die ook preventieve actie kunnen ondernemen, vormen daarom een belangrijke aanvulling op het optreden door toezichthoudende autoriteiten in het reguliere toezicht en in het kader van de liquidatieprocedure van kredietinstellingen. Ondersteunende maatregelen zoals voorzien door de depositogarantiestelsels moeten echter altijd aan voorwaarden worden onderworpen, en hun maatregelen moeten altijd in overeenstemming zijn met het mededingingsrecht.[Am. 3]

(3 bis)  Passende prikkels voor een doelmatige werking van de depositogarantiestelsels worden met name gevormd wanneer er zo veel mogelijk overeenstemming is tussen hun bevoegdheden en de plaats waar de kosten van het faillissement van een kredietinstelling ontstaan. Om rekening te houden met de progressieve integratie in de interne markt, moet het derhalve mogelijk zijn om depositogarantiestelsel van verschillende lidstaten samen te voegen of om op vrijwillige basis afzonderlijke grensoverschrijdende stelsels op te zetten. Eerste vereisten voor de toestemming van de bevoegde autoriteiten moeten zijn: voldoende stabiliteit en een evenwichtig samenstel van de nieuwe en bestaande depositogarantiestelsels. Negatieve effecten op de financiële stabiliteit moeten worden voorkomen, zoals in geval waarin verscheidene kredietinstellingen met een hoog risico worden gedekt, die binnen hun eigen depositogarantiestelsel slechts een gemiddeld risico tonen, terwijl bijdragen worden onttrokken aan de bestaande garantiestelsels.[Am. 4]

(4)  In Richtlijn 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 tot wijziging van Richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijn betreft(7) is bepaald dat de Commissie, indien nodig, voorstellen tot wijziging van Richtlijn 94/19/EG moet doen. Deze richtlijn betreft de harmonisatie van de financieringsmechanismen van depositogarantiestelsels, mogelijke modellen voor de invoering van risicoafhankelijke bijdragen, de kosten en baten van de mogelijke invoering van een Europees brede depositogarantiestelsel, het effect van uiteenlopende wetgevingen met betrekking tot verrekening en tegenvorderingen op de doeltreffendheid van het systeem, en de harmonisatie van de reeks van gedekte producten en deposanten.

(5)  Richtlijn 94/19/EG berust op het beginsel van minimumharmonisatie. Bijgevolg zijnbestaan in de Unie tegenwoordig allerlei depositogarantiestelsels met sterk uiteenlopende kenmerken opgezet. Daardoor zijn voor kredietinstellingenDoor het opstellen van gemeenschappelijke vereisten die in de hele Unie op depositogarantiestelsels van toepassing zijn, onder meer met betrekking tot de gedekte deposito's, de dekking, de streefwaarde, de voorwaarden aan het gebruik van middelen en de modaliteiten voor terugbetaling, wordt voorzien in een eenvormig beschermingsniveau voor de deposanten in de hele Unie terwijl een gelijke stabiliteit van de depositogarantiestelsels wordt gewaarborgd. Tegelijkertijd is de toepassing van deze gemeenschappelijke eisen voor depositogarantiestelsels van het grootste belang om marktverstoringen ontstaan en hebben deposanten niet optimaal kunnen profiterenweg te nemen. Deze richtlijn draagt derhalve bij aan de voltooiing van de interne markt. [Am. 5]

(6)  Deze richtlijn moet een gelijk speelveld tussen de kredietinstellingen mogelijk maken, deposanten in staat stellen de kenmerken van depositogarantiestelsels gemakkelijk te begrijpen, en ervoor zorgenbijdragen aan het informeren van deposanten over gedekte en ongedekte financiële producten en moet waarborgen dat informatie over de werking van depositogarantiestelsels moet verstrekt. De mogelijkheid om faillissementen van kredietinstellingen te voorkomen door passende maatregelen van het depositogarantiestelsel, moet het vertrouwen in de financiële stabiliteit beschermen en het belang dienen van de particuliere deposanten, lokale overheden die behoefte hebben aan bescherming en in het bijzonder ook kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's). Hierdoor kan een groot deel van de negatieve gevolgen van een faillissement van een kredietinstelling, zoals het plotselinge verlies van een bankrekening, worden vermeden. In geval van het verval van een garantie moet de richtlijn erin voorzie dat deposanten snel een terugbetaling ontvangen van een solide en geloofwaardig depositogarantiestelsel, zulks in het belang van de financiële stabiliteit. Daarom moet de depositobescherming zoveel mogelijk worden geharmoniseerd en vereenvoudigd. [Am. 6]

(7)  Bij de sluiting van een insolvente kredietinstelling moeten de deposanten bij bijkantoren in een andere lidstaat dan die van het hoofdkantoor van de kredietinstelling door hetzelfde garantiestelsel worden beschermd als de overige deposanten van de kredietinstelling.

(8)  Alle kredietinstellingen moeten op grond van deze richtlijn in beginsel aan een depositogarantiestelsel deelnemen.Een lidstaat die bijkantoren van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een derde land toelaat, dient te besluiten hoe de onderhavige richtlijn op deze bijkantoren zal worden toegepast en dient daarbij rekening te houden met de noodzaak de deposanten te beschermen en de integriteit van het financieel stelsel in stand te houden. Het is van essentieel belang dat deposanten bij zulke bijkantoren volledig op de hoogte zijn van de garantieregelingen die te hunnen aanzien gelden.

(9)  Hoewel alle kredietinstellingen in beginsel deel moeten nemen aan een depositogarantiestelsel, moet worden onderkend dat er stelsels zijn die de kredietinstelling zelf beschermen (institutionele protectiestelsels) en in het bijzonder haar liquide middelen en solvabiliteit waarborgen. Dergelijke stelsels garanderen deposanten een bescherming die verder reikt dan de door een depositogarantiestelsel geboden bescherming. Als deze stelsels losstaan van depositogarantiestelsels, moet er bij de vaststelling van de bijdragen van hun deelnemers aan depositogarantiestelsels rekening mee worden gehouden dat ze extra stelselbescherming bieden. De geharmoniseerde dekking mag niet gelden voor stelsels die de kredietinstelling zelf beschermen, tenzij deze voorzien in een terugbetaling aan deposanten. Deposanten moeten een vordering op alle stelsels kunnen instellen, en met name indien een onderlinge-garantiestelsel geen bescherming kan garanderen. Er mag derhalve geen stelsel van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten. [Am. 7]

(9 bis)  Elke kredietinstelling moet deel uitmaken van een krachtens deze richtlijn erkend depositogarantiestelsel, om zo een hoog niveau van consumentenbescherming en gelijke randvoorwaarden voor de kredietinstellingen te garanderen en concurrentie tussen regelgevingssystemen te voorkomen. Een depositogarantiestelsel moet deze bescherming te allen tijde kunnen garanderen.[Am. 8]

(9 ter)  De hoofdtaak van een depositogarantiestelsel is het beschermen van de deposanten tegen de gevolgen van de insolventie van een kredietinstelling. Depositogarantiestelsels moeten deze bescherming op verschillende manieren kunnen garanderen. Aan het ene uiteinde van het spectrum van activiteiten van depositogarantiestelsels moeten daarom stelsels met een zuivere compensatiefunctie („paybox”) mogelijk zijn.[Am. 9]

(9 quater)  Het moet evenwel ook voor depositogarantiestelsels mogelijk zijn om verder te gaan dan een zuivere compensatiefunctie door aangesloten kredietinstellingen te verplichten aanvullende informatie ter beschikking te stellen en op die basis vroegtijdige-waarschuwingssystemen op te zetten. Op deze wijze kunnen risicoafhankelijke bijdragen vroegtijdig worden aangepast of kunnen preventieve maatregelen tegen erkende risico's worden voorgesteld. Indien scheve verhoudingen dreigen te ontstaan, moeten de depositogarantiestelsels de mogelijkheid hebben om te besluiten tot ondersteunende maatregelen of om hun middelen te gebruiken ten behoeve van het op ordentelijke wijze liquideren van problematische kredietinstellingen, ten einde de kosten van het terugbetalen aan de depositanten en andere negatieve gevolgen van insolventie te voorkomen.[Am. 10]

(9 quinquies)  Aan het andere uiteinde van het spectrum van activiteiten van depositogarantiestelsels, moet het mogelijk zijn om de vorm van een institutioneel protectiestelsel aan te nemen, als bedoeld in artikel 80, lid 8, van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen(8). Institutionele protectiestelsels beschermen de kredietinstelling zelf, doordat ze haar liquiditeit en solvabiliteit veiligstellen. Zij moeten door de bevoegde autoriteiten als depositogarantiestelsels worden erkend indien zij voldoen aan alle criteria zoals neergelegd in artikel 80, lid 8, van Richtlijn 2006/48/EG en in de deze richtlijn. Door deze criteria wordt er met name voor gezorgd dat net als in andere depositogarantiestelsels altijd voldoende middelen ter beschikking staan voor een eventuele uitbetaling.[Am. 11]

(10)  Institutionele protectiestelsels worden genoemd in artikel 80, lid 8, van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking)(9) en kunnen door de bevoegde autoriteiten worden erkend als depositogarantiestelsel indien ze aan alle criteria in dat artikel en de onderhavige richtlijn voldoen. [Am. 12]

(11)  Tijdens de recente financiële crisis hebben ongecoördineerde verhogingen van de dekking in de gehele Unie in enkele gevallen ertoe geleid dat deposanten hun geld overbrachten naar banken in landen met hogere depositogaranties. Dergelijke ongecoördineerde verhogingen hebben liquiditeit aan banken in een crisissituatie. In een stabiele situatie is het mogelijk dat uiteenlopende dekkingsniveaus ertoe leiden dat deposanten de hoogste depositobescherming kiezen in plaats van het voor hen meest geschikte depositoproduct. Het is mogelijk dat dergelijke verschillende dekkingsniveaus leiden tot concurrentieverstoringen in de interne markt. Het is derhalve noodzakelijk dat bij alle erkende depositogarantiestelsels een geharmoniseerd niveau voor de bescherming van deposito's wordt gewaarborgd, ongeacht waar deze deposito's zich in de Unie bevinden. Het dient echter mogelijk te zijn om bepaalde deposito's die betrekking hebben op de persoonlijke situatie van deposanten, te dekken op een hogere dekkingsniveau, zij het voor een beperkte tijd. [Am. 13]

(11 bis)  Tijdens de financiële crisis zijn de bestaande depositogarantiestelsels niet in staat gebleken alle verliezen te dragen en daarmee de deposanten te beschermen. Het is daarom noodzakelijk dat de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel een bepaalde streefwaarde belopen en dat er buitengewone bijdragen kunnen worden geïnd. Indien nodig, moeten depositogarantiestelsels beschikken over een adequaat alternatief financieringsplan op basis waarvan zij kortetermijnfinanciering kunnen aantrekken, waarmee zij vorderingen kunnen honoreren die tegen hen worden ingesteld.[Am. 14]

(12)  Voor alle deposanten moeten dezelfde juridische aanspraak jegens het depositogarantiestelsel in overeenstemming met de in deze richtlijn vastgestelde dekking gelden, ongeacht of de valuta van de lidstaat de euro is of niet en ongeacht of een bank deelneemt aan een stelsel dat de kredietinstelling zelf beschermt. Lidstaten die de euro niet als munt hebben, moeten echter de mogelijkheid hebben om de uit de omzetting resulterende bedragen af te ronden, zonder dat dit ten koste gaat van een gelijkwaardige bescherming van de deposanten. [Am. 15]

(13)  Enerzijds mag het bij deze richtlijn vastgestelde dekking geen te groot aandeel van de deposito's onbeschermd laten, zowel omwille van de bescherming van de consument als van de stabiliteit van het financieel stelsel en, anderzijds dient rekening te worden gehouden met de kosten van financiering van de depositogarantiestelsels. Derhalve lijkt het redelijk de geharmoniseerde dekking op EUR 100 000 vast te stellen.

(14)  Deze richtlijn handhaaft het beginsel van een geharmoniseerde limiet per deposant en niet per deposito. In dit perspectief moet rekening worden gehouden met de deposito's van deposanten die hetzij niet als rekeninghouder worden vermeld hetzij niet de enige rekeninghouder zijn. De limiet moet derhalve op iedere identificeerbare deposant van toepassing zijn. Het beginsel dat de limiet op elke identificeerbare deposant moet worden toegepast, dient evenwel niet te gelden voor instellingen voor collectieve belegging, waarvoor bijzondere regels inzake bescherming gelden die voor dergelijke deposito's niet bestaan.

(15)  De lidstaten mogen niet worden belet om stelsels op te zetten die pensioenen in het algemeen veiligstellen, welke stelsels los moeten staan vanmoeten er voorts voor zorgen dat deposito's die uit bepaalde transacties voortkomen gedurende een bepaalde periode volledig door de depositogarantiestelsels worden afgedekt. De lidstaten mogen niet worden belet om bepaalde deposito's te beschermen die een sociaal doel dienen of die verband houden met onroerendgoedtransacties voor particuliere, niet-zakelijke doeleinden.Tot dergelijke deposito's behoren deposito's die verband houden met de aankoop of verkoop van particuliere woningen, deposito's welke om bepaalde sociale, in het nationaal recht vastgestelde gronden worden beschermd en die, welke samenhangen met levensbepalende gebeurtenissen zoals geboorte, huwelijk, scheiding en met name de pensioensvoorziening of voortkomen uit de uitbetaling van bepaalde verzekeringsuitkeringen of vergoedingen. In alle gevallen moet aan de staatssteunregels zijn voldaan. [Am. 16]

(16)  Het is noodzakelijk om in het kader van deze richtlijn de methoden ter financiering van de garantiestelsels voor deposito's of voor kredietinstellingen zelf te harmoniseren. De kosten voor de financiering van deze stelsels moeten in hoofdzaak in beginsel door de kredietinstellingen zelf worden gedragen, enerzijds, en de financieringscapaciteit van deze stelsels moet in verhouding staan tot de op hen rustende verplichtingen, anderzijds. Om ervoor te zorgen dat deposantende depositogarantiestelsels in alle lidstaten een even grote bescherming genieten en dathoge stabiliteit bereiken, moet voor alle depositogarantiestelsels elkaar alleen een bedrag lenen indien het betrokken depositogarantiestelsel aanzienlijke financieringsinspanningen heeft geleverd, moet de financiering van depositogarantiestelsels vergaand worden geharmoniseerd. Daarbij mag evenwel de stabiliteit van het bankwezen in de betrokken lidstaat niet in gevaar komeneen gelijke ex ante financiële streefwaarde worden vastgesteld. [Am. 17]

(17)  Teneinde de depositobescherming te beperken tot hetgeen nodig is om de rechtszekerheid en de transparantie voor deposanten te waarborgen, en teneinde te voorkomen dat beleggingsrisico's naar depositogarantiestelsels worden overgeheveld, moeten bepaalde financiële producten met een beleggingskarakter van dekking worden uitgesloten, en met name die welke niet à pari terugbetaalbaar zijn en die enkel aan toonder en niet op naam zijn gesteld. [Am. 37]

(18)  Bepaalde deposanten, en met name overheden en andere financiële instellingen, mogen niet in aanmerking komen voor depositobescherming. Omdat zij, afgezet tegen het totale aantal deposanten, gering in aantal zijn, blijven de gevolgen van een bankfaillissement voor de financiële stabiliteit tot een minimum beperkt. Bovendien hebben overheden veel gemakkelijker toegang tot krediet dan burgers. De lidstaten moeten er echter voor zorgen dat ook deposito's van lokale overheden die bescherming behoeven, gedekt zijn. Niet-financiële bedrijven vallen in beginsel onder de dekking, ongeacht hun omvang. [Am. 18]

(19)  Deposanten wiens activiteiten betrekking hebben op het witwassen van geld als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme(10) moeten worden uitgesloten van uitkeringen van depositogarantiestelsels.

(20)  Voor de kredietinstellingen staan de kosten van deelneming aan een garantiestelsel in generlei verhouding tot de kosten die het gevolg zouden zijn van het massaal opnemen van bankdeposito's, niet alleen bij een in moeilijkheden verkerende instelling maar ook bij gezonde instellingen, als gevolg van een verlies van het vertrouwen in de soliditeit van het bankwezen bij de deposanten.

(21)  Het is noodzakelijk dat de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel een bepaalde streefwaarde belopen en dat er buitengewone bijdragen kunnen worden geïnd. Indien nodig, moeten depositogarantiestelsels beschikken over een adequaat alternatief financieringsplan op basis waarvan zij kortetermijnfinanciering kunnen verwerven waarmee zij vorderingen kunnen honoreren die tegen hen worden ingesteld.

(22)  DeDepositogarantiestelsels moeten beschikken over voldoende financiële middelen van een depositogarantiestelsel moeten in hoofdzaak worden gebruikt voor terugbetalingen aan deposanten in geval van het faillissement van eenZe mogen echter ook worden gebruikt voor de financiering van de overdracht van deposito's aan een andere kredietinstelling., mits de.In veel gevallen moeten echter ondersteunende maatregelen worden genomen om het faillissement van een kredietinstelling af te wenden, omdat dergelijke maatregelen vaak meer effectief zijn dan terugbetaling aan deposanten. Bovendien kunnen dankzij zulke maatregelen verdere kosten en negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit worden vermeden en kan het vertrouwen van de deposanten worden versterkt. Derhalve moeten de middelen van de depositogarantiestelsels ook kunnen worden gebruikt voor ondersteunende maatregelen. Aan ondersteunende maatregelen moeten altijd verplichtingen verbonden zijn voor de instelling die hiervan gebruik maakt. Ze moeten echter ook in samenhang met de liquidatieprocedure van een kredietinstelling kunnen worden gebruikt, mits dit voor het depositogarantiestelsel het goedkoopste alternatief is. De door het depositogarantiestelsel gedragen kosten mogen dus niet hoger liggen dan het bedrag aan gedekte deposito's bij de betrokken kredietinstelling. Ze mogen ook tot op zekere hoogte, als omschreven in de richtlijn, worden gebruikt om een bankfaillissement te voorkomen. Dergelijke maatregelen moeten voldoen aan de staatssteunregels. Een en ander laatDeze mogelijkheden voor activiteiten door depositogarantiestelsels moeten het toekomstige beleid van de Commissie inzake de oprichting van nationale resolutiefondsen voor banken onverlet laten. [Am. 19]

(22 bis)  Het moet mogelijk zijn om de middelen van depositogarantiestelsels te gebruiken ter financiering van de continuïteit van het rekeningbeheer ten aanzien van het aandeel aan gedekte deposito's waarover een instelling beschikt.[Am. 20]

(23)  In tabel 1 in bijlage I, punt 14, bij Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen(11) wordt aan de verschillende activa een bepaalde risicograad toegekend. Met inachtneming van deze tabel moet ervoor worden gezorgd dat depositogarantiestelsels alleen beleggen in activa met een lage risicograad.

(24)  Bijdragen aan depositogarantiestelsels moeten afhankelijk zijn van de omvang van het risico waaraan de deelnemers zich hebben blootgesteld. Aldus kan rekening worden gehouden met het risicoprofiel van individuele banken, met inbegrip van hun verschillende bedrijfsmodellen, worden bijdragen eerlijker berekend en ontstaan er prikkels om met een minder riskant bedrijfsmodel te werken. Voor dat doel dient een geharmoniseerde methode voor de berekening van op risico gebaseerde bijdragen aan de depositogarantiestelsels te worden vastgesteld. Met de ontwikkeling van een voor alle lidstaten verplichte reeks kernindicatoren en een andere reeks facultatieve aanvullende indicatoren op basis van een tussen EBA en de bevoegde autoriteiten overeengekomen gezamenlijke benadering, zou zo'n harmonisatie geleidelijk worden bereikt. De aard van de door de aangesloten kredietinstellingen aangegane risico's kan evenwel variëren naar gelang de marktomstandigheden en de activiteiten van de kredietinstellingen. Het is derhalve nuttig om, in aanvulling van de standaardmethode, de depositogarantiestelsels de mogelijkheid te geven om hun eigen op risico gebaseerde procedures te gebruiken, voor zover deze alternatieve op risico gebaseerde methoden in overeenstemming zijn met de richtsnoeren die nog moeten worden ontwikkeld door EBA na raadpleging van het Europees Forum van depositoverzekeraars (European Forum of Deposit Insurers - EFDI). Dergelijke alternatieve risicogebaseerde methoden houden rekening met het risicoprofiel van individuele banken, leiden tot een nauwkeurigere berekening van bijdragen, die beter afgestemd op de marktomstandigheden in de lidstaten, en voorzien in prikkels om met een minder riskant bedrijfsmodel te werken. Om rekening te houden met in het bijzonder risico-arme sectoren betreffende leningen, die onder nationaal recht worden gereguleerd, moet worden voorzien in dienovereenkomstige verlagingen van de bijdragen die moeten worden betaald.[Am. 21]

(24 bis)  Winstgevendheid is in sommige gevallen gebruikt als risicoverminderingsindicator ten behoeve van op risico gebaseerde premies. Dit doet geen recht aan het bedrijfsmodel van onderlinge maatschappijen die niet uit zijn op winstmaximalisatie. Verder kan van het streven naar winstverhoging een perverse prikkel uitgaan om riskantere strategieën goed te keuren. De degelijkheid van een bedrijfsmodel dient holistisch te worden bekeken.[Am. 22]

(25)  De bescherming van deposito's vormt een wezenlijk onderdeel van de voltooiing van de interne markt, alsmede een onmisbare aanvulling op het stelsel van toezicht op kredietinstellingen, wegens de solidariteit die daarmee tussen alle kredietinstellingen op eenzelfde financiële markt wordt geschapen ingeval een van die instellingen niet aan haar verplichtingen kan voldoen. Daarom moeten depositogarantiestelsels elkaar in het geval van nood een bedrag kunnen lenen.

(26)  De uitbetalingstermijn van ten hoogste zes weken vanaf 31 december 2010 is strijdig met de noodzaak het vertrouwen van deposanten in stand te houden en voldoet niet aan hun behoeften. De uitbetalingstermijn dient daarom te worden verkort tot één weekvijf werkdagen maar niet minder dan een week. [Am. 23 en 150/rev]

(26 bis)  In veel gevallen ontbreken echter de procedures die vereist zijn voor een korte terugbetalingstermijn. Indien echter aan de deposanten een korte terugbetalingstermijn wordt gegarandeerd en deze vervolgens in geval van een faillissement van een kredietinstelling niet wordt nagekomen, kan dit het vertrouwen van de deposanten in depositogarantiestelsels blijvend schaden en zodoende hun stabiliserende werking en hun doel ondermijnen. Derhalve moet de lidstaten de mogelijkheid worden geboden voor een overgangsperiode tot 31 december 2016 een terugbetalingstermijn van 20 werkdagen te hanteren indien na controle door de bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld dat de verkorte uitbetalingstermijn niet haalbaar is. In dit geval moeten de procedures die vereist zijn voor de terugbetalingstermijn van vijf werkdagen tot 31 december 2016 worden ontwikkeld en getest. Om daarbij te verzekeren dat deposanten gedurende de overgangsperiode tot 31 december 2016 in geval van een faillissement van een kredietinstelling niet in financiële moeilijkheden raken, moeten zij echter in staat worden gesteld om een uitbetaling tot maximaal 5 000 EUR binnen vijf werkdagen maar niet minder dan een week van het bevoegde depositogarantiestelsel te verkrijgen op hun tegoed dat in aanmerking komt voor terugbetaling.[Am. 24 en 150/rev]

(27)  Depositogarantiestelsels in lidstaten waarin een kredietinstelling bijkantoren heeft gevestigd of rechtstreeks diensten verricht, moeten er namens het stelsel in de lidstaat waarin de kredietinstelling vergunning is verleend, voor zorgen dat deposanten informatie krijgen en terugbetalingen ontvangen. Om hun taken te kunnen uitvoeren, moeten de depositogarantiestelsels waarop dit van toepassing kan zijn, vooraf afspraken daarover maken.

(28)  Voorlichting van de deposant vormt een wezenlijk onderdeel van diens bescherming. Daarom moeten deposanten op hun rekeningafschriften en potentiële deposanten middels een door hen mede te ondertekenen gestandaardiseerd informatieblad in kennis worden gesteld van hun dekking en het verantwoordelijke depositogarantiestelsel. De inhoud van dergelijke informatie moet voor alle deposanten en potentiële deposanten gelijk zijn. De ongereglementeerde aanwending voor reclamedoeleinden van vermeldingen van het bedrag en de reikwijdte van het depositogarantiestelsel zou de stabiliteit van het bankwezen of het vertrouwen van de deposanten kunnen ondermijnen. Daarom moet een verwijzing naar een depositogarantiestelsel in reclame beperkt blijven tot een korte feitelijke vermelding. Stelsels die de kredietinstelling zelf beschermen, moeten deposanten duidelijk informeren over de hun functiewettelijke aanspraak in het kader van de in de onderhavige richtlijn vastgestelde dekking en over de werking daarvan, zonder een onbeperkte depositobescherming te beloven. [Am. 25]

(29)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(12) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig de onderhavige richtlijn.

(30)  Het is mogelijk dat de onderhavige richtlijn niet leidt tot aansprakelijkheid van de lidstaten of van hun bevoegde autoriteiten jegens de deposanten, voor zover zij zorg hebben gedragen voor de instelling of de officiële erkenning van een of meer garantiestelsels voor deposito's of voor kredietinstellingen zelf, die de schadeloosstelling of de bescherming van de deposanten onder de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden garanderen.

(31)  De Commissie is in haar voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2009 tot oprichting van een Europese Bankautoriteit(13) met ontwerp-wetgeving tot instelling van een Europees Systeem van Financiële Toezichthouders gekomen en heeft nadere bijzonderheden verstrekt over de architectuur van een dergelijk nieuw toezichtskader, dat ook de instelling van een Europese Bankautoriteit omvat.

(32)  Met inachtneming van het toezicht van de lidstaten op depositogarantiestelsels moet EBA haar bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstelling om de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen te vergemakkelijken en tegelijk te zorgen voor een effectieve bescherming voor deposanten Daartoe moet de autoriteit bevestigen dat aan de in de onderhavige richtlijn vastgestelde voorwaarden waaronder depositogarantiestelsels een bedrag van elkaar mogen lenen, is voldaan en, binnen de strikte limieten van de onderhavige richtlijn, de door elk stelsel te lenen bedragen, het initiële rentepercentage en de duur van de lening vermelden.en het risico voor de belastingbetalers tot een minimum te beperken. In dit verband moet EBA ook informatie vergaren over depositogarantiestelsels, en met name over het bedrag aan deposito's dat door deze stelsels wordt gedekt en door de bevoegde autoriteiten is bevestigd. Zij moet de andere depositogarantiestelsels in kennis stellen van hun verplichting om een bedrag uit te lenen. [Am. 26]

(33)  Om een gelijk speelveld te waarborgen en deposanten in geheel Europa adequaat te beschermen, moet een effectief instrument voor de vaststelling van geharmoniseerde technische normen op het gebied van financiële diensten worden ingevoerd. Dergelijke normen moeten worden ontwikkeld met het oog op de standaardisatie van de berekening van risicoafhankelijke bijdragen. [Am. 27]

(34)  Om een efficiënte en effectieve werking van depositogarantiestelsels en een evenwichtige afweging van hun posities in de verschillende lidstaten te waarborgen, moet EBA geschillen tussen depositogarantiestelsels op bindende wijze kunnen beslechten.

(34 bis)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 7 juli 2010 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende grensoverschrijdende crisisbeheersing in de banksector aangedrongen op de noodzaak van een Europees mechanisme voor de afwikkeling van bankcrises. De instelling van een dergelijk mechanisme voor de afwikkeling van bankcrises mag geen afbreuk doen aan de bescherming van de deposanten middels een depositogarantiestelsel.[Am. 28]

(35)  Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om ten aanzien van artikel 5, lid 5, gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vast te stellen, teneinde de in de onderhavige richtlijn vastgestelde dekking voor het totaal aan deposito's van dezelfde deposant aan te passen aan de inflatie in de Europese Unie op basis van veranderingen van het consumentenprijsindexcijfer. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.[Am. 29]

(35 bis)  Aan de Commissie moet verder de bevoegdheid worden overgedragen om ontwerp technische reguleringsnormen van EBA vast te stellen met betrekking tot de definities en een standaardmethode voor het berekenen van op risico gebaseerde bijdragen van de kredietinstellingen aan het depositogarantiestelsel, zoals beschreven in deze richtlijn, in overeenstemming met artikelen 10 bis en 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. EBA dient zulke ontwerpen van technische reguleringsnormen te ontwikkelen en deze uiterlijk 31 december 2012 ter vaststelling bij de Commissie in te dienen.[Am. 30]

(36)  Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie kunnen de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk de harmonisatie van de regels voor de werking van depositogarantiestelsels, alleen door de Unie worden bereikt. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat de onderhavige richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(37)  De verplichting tot omzetting van de onderhavige richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(38)  De onderhavige richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  De onderhavige richtlijn bevat regels inzake de werking van het Europees systeem van nationale depositogarantiestelsels dat moet zorgen voor een gemeenschappelijk vangnet dat deposanten in de Unie een hoog niveau van bescherming biedt. [Am. 31]

2.  De onderhavige richtlijn is van toepassing op alle overeenkomstig artikel 3, lid 1, erkende depositogarantiestelsels die bij wet of bij overeenkomst zijn ingesteld en open de bij hen aangesloten kredietinstellingen. Depositogarantiestelsels kunnen de vorm van een verplicht of contractueel stelsel aannemen of als institutionele protectiestelsels die als depositogarantiestelsel zijn erkendals bedoeld in artikel 80, lid 8, van Richtlijn 2006/48/EG. [Am. 32]

3.  De bevoegde autoriteiten mogen een institutioneel protectiestelsel als genoemd in artikel 80, lid 8, van Richtlijn 2006/48/EG als depositogarantiestelsel erkennen indien het aan alle criteria van dat artikel en van de onderhavige richtlijn voldoet. [Am. 33]

4.  Een institutioneel beschermingsstelsel datVoor de toepassing van deze richtlijn, worden beschermingsstelsels die niet in het kader van lid 3 wordtartikel 3, lid 1 worden erkend en dat geen deposito's garandeert is, afgezien vanenkel onderworpen aan artikel 14, lid 5, tweede alinea, en vanartikel 14, lid 6 bis, en bijlage III, punt 9, niet aan de onderhavige richtlijn onderworpen. [Am. 34]

4 bis.   Indien een Europees fonds voor de afwikkeling van bankcrises wordt opgericht, draagt de Commissie in samenwerking met EBA ervoor zorg dat het beschermingsniveau van de deposanten hoog blijft.[Am. 35]

Artikel 2

Definities

1.  In deze richtlijn wordt verstaan onder:

  a) „deposito”:
   i) een creditsaldo dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, met inbegrip van termijndeposito's, spaardeposito's en geregistreerde deposito's, en dat de kredietinstelling onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, of
   ii) schulden belichaamd in door de kredietinstelling uitgegeven schuldbewijzen.[Am. 36]

Aandelen van „building societies” in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland worden als deposito's behandeld, tenzij het gaat om aandelen met een vermogenskarakter, als bedoeld in artikel 2.

   het bestaan ervan kan alleen worden aangetoond met een ander schuldbewijs dan een rekeningafschriftwanneer het op toonder en niet op een naam staat; [Am. 37]
   wanneer de hoofdsom ervan niet à pari terugbetaalbaar is;
   wanneer de hoofdsom ervan alleen à pari terugbetaalbaar is in het kader van een bepaalde garantie of regeling van de kredietinstelling of een derde;
   b) „in aanmerking komende deposito's”: deposito's die niet op grond van artikel 4 zijn uitgesloten van bescherming;
   c) „gedekte deposito's”: het gedeelte van een in aanmerking komende deposito die de in artikel 5 genoemde dekkingsniveau niet te boven gaat;
   c bis) 'deposant„: de houder of, in geval van een gezamenlijke rekening, alle houders van een deposito;[Am. 38]
   d) ”gemeenschappelijke rekening„: een rekening die op naam van twee of meer personen is geopend of ten aanzien waarvan twee of meer personen rechten hebben, en waarover met de handtekening van een of meer van die personen kan worden beschikt;
  e) ”niet-beschikbaar deposito„: een deposito dat verschuldigd en betaalbaar is, maar door een kredietinstelling niet onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden betaald is, waarbij:
   i) de daartoe aangewezen bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld dat, naar hun oordeel,volgens informatie waarover zij op dat moment kunnen beschikken, de kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, momenteel niet in staat lijkt te zijnis de deposito's terug te betalen en daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat lijkt te zijn. [Am. 39]

De bevoegde autoriteiten doen een dergelijke vaststelling zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk vijf werkdagen nadat zij voor het eerst hebben geconstateerd dat een kredietinstelling heeft nagelaten een verschuldigd en betaalbaar deposito terug te betalen; ofwel

   ii) indien geen vaststelling als bedoeld onder i) is gemaakt, een rechterlijke instantie een uitspraak heeft gedaan om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële positie van de kredietinstelling, Xdie leidt tot schorsing van de mogelijkheid voor deposanten om vorderingen in te stellen jegens deze kredietinstelling;

f –bis) 'preventieve en ondersteunende maatregel„: een maatregel van depositogarantiestelsels ter voorkoming van een faillissement van de aangesloten kredietinstellingen, waaronder:

   f) „kredietinstelling”: een onderneming in de zin van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG;
   (i) nagaan van de financiële situatie en de risicosituatie van de aangesloten kredietinstellingen of het ondernemingsplan bij de oprichting van een nieuwe instelling, alsook informatierechten met betrekking tot aanzienlijke veranderingen van eigendom en controle;
   (ii) verplichten van de aangesloten kredietinstellingen informatie te verstrekken met betrekking tot hun financiële en risicosituatie, alsmede met betrekking tot hun ontwikkeling en over voorgenomen veranderingen in hun bedrijfsmodel;
   (iii) invoeren van regels ter verlaging van het volume van de gegarandeerde deposito's of ter volledige of gedeeltelijke beperking van bepaalde bedrijfsactiviteiten, indien er op grond van een controle of uit andere bronnen aanwijzingen zijn dat er wellicht een dreigend of acuut risico bestaat dat er een beroep zal worden gedaan op het depositogarantiestelsel;
   (iv) vorderen van bijdragen afhankelijk van de individuele risicosituatie van de instelling;
   (v) een overeenkomst betreffende de uitwisseling van informatie met bevoegde autoriteiten, met inbegrip van vertrouwelijke informatie;
   (vi) verschaffen van garanties, leningen en alle soorten liquiditeits- en kapitaalondersteuning, waaronder ook de uitbetaling van rechten van derden. [Am. 149/rev]
  f bis) 'maatregelen in verband met de liquidatieprocedure van kredietinstellingen„: maatregelen om te voorkomen dat beroep wordt gedaan op een depositogarantiestelsel, waaronder:
   i) ondersteuning bij overname van een kredietinstelling die in moeilijkheden is geraakt;
   ii) een overdracht van deposito's en de betreffende vermogensbestanddelen, inclusief de bedrijfsactiviteiten, naar een overgangskredietinstelling;
   iii) gedwongen fusie met andere kredietinstellingen;
   iv) liquidatieprocedure met medewerking van het depositogarantiestelsel.[Am. 40]
   g) „bijkantoor”: een bijkantoor in de zin van artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2006/48/EG;
   h) „streefwaarde”: 1,5 % van de in aanmerking komendegedekte deposito's voor de dekking waarvan een depositogarantiestelsel instaat; [Am. 41]
   i) „beschikbare financiële middelen”: contant geld, deposito's en activa met een lage risicograad met een resterende looptijd van ten hoogste 24 maanden, welke binnen de in artikel 7, lid 1, genoemde termijn geliquideerd kunnen worden en tot 10 % van tot zekerheid strekkende activa; [Am. 42]   i bis) „tot zekerheid strekkende activa”: betalingsverplichtingen die stoelen op onderpand van hoge kwaliteit en die aan de volgende voorwaarden voldoen:
   i) het onderpand bestaat uit activa met een laag risico waarop geen rechten van derden rusten en waarover vrij kan worden beschikt en waarvan exclusief gebruik kan worden gemaakt door het depositogarantiestelsel dat een onherroepelijk recht heeft om desgewenst betaling te eisen,
   ii) een kredietinstelling heeft recht op de opbrengst van de activa die door die kredietinstelling als onderpand zijn gesteld;
   iii) de marktwaarde van het onderpand wordt regelmatig geanalyseerd en kredietinstellingen zorgen ervoor dat de actuele marktwaarde van het onderpand ten minste gelijk is aan de verplichting van die kredietinstelling jegens het stelsel; en
   iv) bij de waardering van onderliggende activa wordt een surpluspercentage („valuation haircut”) toegepast en het depositogarantiestelsel verlangt dat de aldus aangepaste marktwaarde van de onderliggende activa wordt gehandhaafd.[Am. 43]
   j) „activa met een lage risicograad”: activa die in de eerste of in de tweede categorie van tabel 1 in bijlage I, punt 14, bij Richtlijn 2006/49/EG vallen, maar uitgesluit andere niet gekwalificeerde posten als bedoeld in punt 15 van deze bijlage omvatten;

k)  „lidstaat van herkomst”: de lidstaat in de zin van artikel 4, lid 7, Richtlijn 2006/48/EG;

l)  „lidstaat van ontvangst”: de lidstaat in de zin van artikel 4, lid 8, Richtlijn 2006/48/EG;

   m) „bevoegde autoriteiten”: de autoriteiten in de zin van artikel 4, lid 4, van Richtlijn 2006/48/EG.

2.  Wanneer in de onderhavige richtlijn naar Verordening (EU) nr. 1093/2010 wordt verwezen, worden de organen die depositogarantiestelsels beheren, voor de toepassing van deze verordening de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de Verordening (EU) nr. 1093/2010 geacht te zijn.

Artikel 3

Deelneming en toezicht

1.  Elke lidstaat zorgt ervoor dat op zijn grondgebied een of meer depositogarantiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend.

Dit vormt geen beletsel voor eende oprichting van grensoverschrijdende depositogarantiestelsels door de lidstaten of de fusie van stelsels uit verschillende lidstaten door die lidstaten zelf. Goedkeuring voor zulke grensoverschrijdende of fuserende depositogarantiestelsels wordt verkregen van de bevoegde autoriteiten, in samenwerking met medewerking van EBA. [Am. 44]

Wanneer wordt nagegaan of depositogarantiestelsels formeel moeten worden erkend, dient de bevoegde autoriteit in het bijzonder aandacht te besteden aan de stabiliteit van het depositogarantiestelsel en stelt zeker dat zijn lidmaatschap gebalanceerd is.[Am. 45]

Kredietinstellingen mogen alleen deposito's aanvaarden indien zij aan een van deze stelsels deelnemen.

2.  Indien een kredietinstelling niet voldoet aan de verplichtingen die uit hoofde van haar deelneming aan een depositogarantiestelsel op haar rusten, worden de bevoegde autoriteiten die de vergunning hebben verleend, daarvan onverwijld in kennis gesteld en nemen deze, in samenwerking met het garantiestelsel,depositogarantiestelsel, terstond alle passende maatregelen, met inbegrip van sancties, om ervoor te zorgen dat de kredietinstelling haar verplichtingen nakomt. [Am. 46]

3.  Indien de kredietinstelling in weerwil van deze maatregelen aan haar verplichtingen blijft verzaken, kan het garantiestelsel, voor zover uitsluiting van deelneming bij de nationale wetgeving is toegestaan, met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten, met een opzeggingstermijn van ten minste één maand kennis geven van zijn voornemen de kredietinstelling van deelneming aan het stelsel uit te sluiten. Deposito's die vóór het verstrijken van deze opzeggingstermijn zijn verricht, vallen nog volledig onder de dekking van het stelsel. Indien de kredietinstelling na het verstrijken van de opzeggingstermijn niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, gaat het depositogarantiestelseltot uitsluiting over.

4.  Deposito's die worden gehouden op het tijdstip van de intrekking van de vergunning van een kredietinstelling waaraan op grond van artikel 6 van Richtlijn 2006/48/EG vergunning is verleend, blijven onder de dekking van het depositogarantiestelsel vallen.

5.  De bevoegde autoriteiten oefenen overeenkomstig de bestaande regels van het Europese Systeem van financiële toezicht (ESFS) doorlopend toezicht uit op de naleving van de onderhavige richtlijn door de in artikel 1 bedoelde depositogarantiestelsels. [Am. 47]

EBA zal toezicht houden op grensoverschrijdende depositogarantiestelsels in samenwerking met een college bestaande uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de landen waar de aangesloten kredietinstellingen zijn gevestigd.[Am. 48]

6.  De lidstaten dragen er zorg voor dat de door de depositogarantiestelsels krachtens artikel 11, lid 3 bis aangenomen alternatieve methoden in overeenstemming zijn met de bepalingen van dat artikel en met de door EBA overeenkomstig artikel 11, lid 5 opgestelde richtsnoeren, dat de depositogarantiestelsels tests op hun systemen uitvoeren en dat zij onmiddellijk geïnformeerd worden ingeval de bevoegde autoriteiten problemen in een kredietinstelling op het spoor komen die waarschijnlijk tot de interventie van depositogarantiestelsels zullen leiden. EBA coördineert de maatregelen van de lidstaten.[Am. 49]

Dergelijke tests vinden plaats om de drie jaar of vaker wanneer de omstandigheden zulks vereisen plaats. De eerste test vindt vóór 31 december 2013 plaats. [Am. 50]

EBA stuurt aan het bij verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's(14) opgerichte Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) op eigen initiatief of op verzoek van het ESRB de informatie met betrekking tot de depositogarantiestelsels, die nodig is voor de analyse van systeemrisico's.[Am. 51]

EBA houdt periodiekminstens elke vijf jaar collegiale toetsingen ter zake overeenkomstig artikel 15 van de [EBA-verordening].artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Het bereik van deze collegiale toetsingen omvat onder meer de praktijken op het gebied van corporate governance, als bedoeld in lid 7 bis. Depositogarantiestelsels zijn bij de uitwisseling van informatie met EBA gebonden aan het in artikel 70 van verordening (EU) nr. 1093/2010 genoemde beroepsgeheim.

EBA is bevoegd om jaarlijks op basis van geactualiseerde cijfers de stressbestendigheid van depositogarantiestelsels te onderzoeken aan de hand van verschillende scenario's met van tevoren bepaalde breekpunten, om na te gaan of aanpassing van het huidige berekeningsmodel en de streefwaarde geboden is. In dat verband wordt de stressbestendigheidstest gebaseerd op een scenario met lage impact, een scenario met gemiddelde impact en een scenario met hoge impact.[Am. 52]

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels te allen tijde en op hun verzoek alle informatie van hun deelnemers ontvangen die nodig is om terugbetalingen aan deposanten voor te bereiden, zulks met inbegrip van de markeringen als bedoeld in artikel 4, lid 2. De informatie die nodig is om stresstests uit te voeren, wordt doorlopend bij de depositogarantiestelsels ingediend. Dergelijke informatie wordt geanonimiseerd. De verkregen informatie mag alleen worden gebruikt om stresstests uit te voeren, om de historische ontwikkeling van de veerkracht van depositogarantiestelsels te analyseren of om terugbetalingen voor te bereiden, en wordt niet langer bewaard dan voor die doeleinden noodzakelijk isvertrouwelijk behandeld. [Am. 53]

7 bis.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun depositogarantiestelsels degelijke praktijken op het gebied van corporate governance hebben ingevoerd, en in het bijzonder, dat:

   a) in de directie van depositogarantiestelsels ten minste één niet bij het dagelijks bestuur betrokken lid zitting heeft en de benoeming van directieleden volgens een open en transparante procedure verloopt;
   b) zij een jaarverslag over hun activiteiten opstellen.[Am. 54]

Artikel 4

Niet in aanmerking komende deposito's

1.  Van terugbetaling door een garantiestelsel zijn uitgesloten:

   a) onverminderd artikel 6, lid 3, in eigen naam en voor eigen rekening door andere kredietinstellingen verrichte deposito's;
   b) alle instrumenten die zouden vallen onder de definitie van „eigen vermogen” in de zin van artikel 57 van Richtlijn 2006/48/EG ;
   c) deposito's uit hoofde van transacties in verband waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken wegens het witwassen van geld in de zin van artikel 1, onder C, van Richtlijn 91/308/EEGartikel 1, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG; [Am. 55]
   c bis) deposito's ten aanzien waarvan de deposant en de kredietinstelling contractueel zijn overeengekomen dat zij zullen worden gebruikt voor het nakomen van specifieke verplichtingen van de deposant jegens de kredietinstelling of een derde, mits op grond van de wet of de contractuele overeenkomst het bedrag van de deposito's in omstandigheden waarin het deposito anders een niet-beschikbaar deposito zou zijn geworden, door de deposant kan worden verrekend of automatisch wordt verrekend met die verplichtingen;[Am. 56]
   d) deposito's van financiële instellingen als gedefinieerd in artikel 4, lid 5, van Richtlijn 2006/48/EG;
   e) deposito's van beleggingsondernemingen als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1), van Richtlijn 2004/39/EG van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten(15);
   f) deposito's waarvan de houder zich nooit heeft gelegitimeerdniet in overeenstemming met artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2005/60/EG heeft gelegitimeerd op het moment waarop deze niet-beschikbaar zijn gewordenvan activering, tijdens en na de uitbetaling van depositogaranties; [Am. 57]
   g) deposito's van verzekeringsondernemingen;
   h) deposito's van instellingen voor collectieve belegging;
   i) deposito's van pensioenfondsen, met uitzondering van deposito's in persoonlijke of bedrijfspensioenregelingen van een werkgever die geen grote onderneming is; [Am. 58]
   j) deposito's van de staat en van centrale overheden en van provinciale, regionale, plaatselijke of gemeentelijke overheden; [Am. 59]
   k) door een kredietinstelling uitgegeven schuldbewijzen en schulden die voortvloeien uit eigen accepten en promessen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietinstellingen de in lid 1 genoemde deposito's zodanig markeren dat dergelijke deposito's onmiddellijk te identificeren zijn.

2 bis.   De lidstaten zorgen er evenwel voor dat deposito's van lokale overheden in aanmerking komen voor terugbetaling door een depositogarantiestelsel, mits aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) ze hebben in de regel geen professionele thesauriër in dienst; of
   b) het wegvallen van de deposito's zou de instandhouding van lokale overheidsdiensten aanzienlijk beïnvloeden.[Am. 60]

Artikel 5

Dekking

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de dekking voor het totaal van de deposito's van eenzelfde deposant ten minste 100 000 euro bedraagt wanneer de deposito's niet-beschikbaar zijn.

1 bis.   Bovendien zien de lidstaten erop toe dat de volgende deposito's volledig zijn beschermd:

   a) deposito's die het resultaat zijn van onroerendgoedtransacties met betrekking tot particuliere woningen, en wel voor een duur van hoogstens twaalf maanden na de creditering van het bedrag of vanaf het moment waarop die deposito's legaal kunnen worden overgemaakt;
   b) deposito's waarmee in het nationaal recht vastgestelde doelstellingen worden gerealiseerd die met bepaalde gebeurtenissen zijn verbonden, zoals huwelijk, scheiding, pensionering, ontslag, ontslag wegens boventalligheid, arbeidsongeschiktheid of overlijden van een deposant, voor een duur van hoogstens twaalf maanden na creditering van het bedrag;
   c) deposito's waarmee in het nationaal recht vastgestelde doelstellingen worden gerealiseerd en die gebaseerd zijn op de uitbetaling van verzekeringsuitkeringen of vergoedingen voor schade door criminele activiteiten of onterechte veroordeling, voor een duur van hoogstens twaalf maanden na creditering van het bedrag of vanaf het moment waarop die deposito's legaal kunnen worden overgemaakt.[Am. 61]

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels niet afwijken vande deposanten wettelijk aanspraak kunnen maken op de in lid 1 vastgestelde dekking. De lidstaten mogen evenwel bepalen dat de volgende deposito's zijn gedekt, mits de artikelen 9, 10 en 11 niet worden toegepast op de kosten die verbonden zijn aan de terugbetalingen in kwestie: [Am. 62]

   a) deposito's die het resultaat zijn van onroerendgoedtransacties voor particuliere, niet-zakelijke doeleinden, en wel voor een duur van ten hoogste twaalf maanden na de creditering van het bedrag; [Am. 63]
   b) deposito's waaraan in het nationaal recht vastgelegde, sociale overwegingen ten grondslag liggen en die verband houden met bepaalde gebeurtenissen in het leven, zoals een huwelijk, een echtscheiding, invaliditeit of het overlijden van een deposant. De dekking geldt voor een periode van ten hoogste twaalf maanden nadat een dergelijke gebeurtenis heeft plaatsgevonden. [Am. 64]

3.  Het bepaalde in lid 2lid 1 weerhoudt de lidstaten er niet van stelsels ter bescherming van ouderdomsvoorzieningen en -pensioenen te handhaven of in te voeren, mits dergelijke stelsels niet slechts deposito's beschermen, maar een veelomvattend dekkingsniveau bieden voor alle ter zake relevante producten en situaties. [Am. 65]

3 bis.   Voor deposito's die voor 31 december 2010 bij kredietinstellingen of filialen van buitenlandse kredietinstellingen in de lidstaten bestonden, alsmede voor de deposito's van deposanten met hoofdverblijfplaats in een lidstaat die, vóór 1 januari 2008, beschikten over een bij wet vastgelegd depositogarantiestelsel met een vaste dekking tussen 100 000 euro en 300 000 euro voor deposito's, mogen de betrokken lidstaten, in afwijking van lid 1, besluiten dat de tot dusver geldende dekking ongewijzigd van toepassing zal blijven. In dat geval worden de streefwaarde en de op risico gebaseerde bijdragen van de kredietinstellingen overeenkomstig aangepast.[Am. 66]

4.  Deposito's worden uitbetaald in euro of in de munteenheid van de lidstaat waarin de rekening is aangehouden. Indien de in lid 1 genoemde in euro uitgedrukte bedragen worden omgezet in andere munteenheden zijn de bedragen die daadwerkelijk aan de deposanten worden uitbetaald, gelijkwaardig met de in de onderhavige richtlijn bepaalde bedragen.Ingeval de deposito's luiden in een andere munteenheid, mogen de deposanten kiezen of de bedragen worden uitbetaald in één van de volgende munteenheden:

   a) de munteenheid waarin de rekening werd aangehouden, tegen een met de bevoegde autoriteiten overeengekomen datum die later is dan de in artikel 7, lid 1, bepaalde termijn; of
   b) de munteenheid van de lidstaat waarin de rekening is aangehouden.

In het geval als bedoeld onder b) van de eerste alinea, wordt de wisselkoers gebruikt voor de munteenheid waarin het deposito werd aangehouden tot op de datum waarop de bevoegde autoriteiten tot de in artikel 2, lid 1, onder e), punt i), bedoelde vaststelling overgaan of een rechterlijke instantie de uitspraak als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder e), punt ii), doet.[Am. 67]

5.  De lidstaten die de in euro uitgedrukte bedragen omzetten in hun nationale munteenheid, hanteren bij de eerste omzetting de wisselkoers die geldt op ...(16).

Zij mogen de bedragen na omzetting afronden, mits de afronding niet leidt tot een verschil groter dan 2 500 euro.

Onverminderd de tweede alinea, passen de lidstaten de in een andere munteenheid omgezette dekkingssom om de vijf jaar aan aan het in lid 1 genoemde bedrag. Zij mogen de dekkingssom, na het advies van de Commissie te hebben ingewonnen, eerder aanpassen bij onvoorziene gebeurtenissen, zoals wisselkoersschommelingen.

6.  Het in lid 1 vermelde bedrag wordt regelmatig en ten minste om de vijf jaar door de Commissie, in samenwerking met EBA, getoetst. In voorkomend geval dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in voor een richtlijn tot aanpassing van het in lid 1 genoemde bedrag, rekening houdende met name met de ontwikkeling van de sector banken en met de economische en monetaire situatie in de Unie. De eerste toetsing geschiedt niet vóór 31 december 2015 tenzij onvoorziene gebeurtenissen een eerdere toetsing noodzakelijk maken. [Am. 68]

7.  De Commissie kan deis bevoegd om overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de periodieke bijwerking, ten minste om de vijf jaar, van het in lid 1 bedoelde bedragen aanpassenbedrag om rekening te houden met de inflatie in de Unie conform de veranderingen in de door de Commissie gepubliceerde geharmoniseerde consumentenprijsindex sinds de voorgaande aanpassing.

Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen, wordt vastgesteld volgens artikel 16. [Am. 69]

Artikel 6

Bepaling van het terugbetaalbare bedrag

1.  De limiet bedoeld in artikel 5, lid 1, geldt voor de totale deposito's bij dezelfde kredietinstelling, ongeacht het aantal deposito's, de valuta en de plaats waar zij zich in de Unie bevinden.

2.  Het aandeel van elke deposant in een gemeenschappelijke rekening wordt in aanmerking genomen bij de berekening van de limiet van artikel 5, lid 1.

Bij ontstentenis van specifieke bepalingen wordt de rekening gelijkelijk over de deposanten verdeeld.

De lidstaten mogen bepalen dat deposito's op een rekening waarop twee of meer personen als leden van een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkende „partnership”, vereniging of andere soortgelijke groepering aanspraak kunnen maken, voor de berekening van de limiet bedoeld in artikel 5, lid 1, mogen worden samengevoegd en als een door één deposant verricht deposito worden behandeld.

3.  Wanneer de deposant niet de rechthebbende is van de bedragen op de rekening, wordt de rechthebbende door de garantie gedekt, mits de identiteit van die persoon is of kan worden vastgesteld vóór de datum waarop de bevoegde autoriteiten tot de in artikel 2, lid 1, onder e), punt i), bedoelde vaststelling overgaan, of de rechterlijke instantie de uitspraak als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder e), punt ii), doet. Is er meer dan één rechthebbende, dan wordt het aandeel van elk van hen uit hoofde van de regeling krachtens welke de middelen worden beheerd, in aanmerking genomen bij de berekening van de limiet van artikel 5, lid 1.

4.  De peildatum voor de berekening van het terugbetaalbare bedrag is de datum waarop de bevoegde autoriteiten tot de in artikel 2, lid 1, onder e), punt i), bedoelde vaststelling overgaan of een rechterlijke instantie de uitspraak als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder e), punt ii), doet. Bij de berekening van het terugbetaalbare bedrag wordt geen rekening gehouden met verplichtingen van de deposant jegens de kredietinstelling, met uitzonderingen van verplichtingen van de deposant die op de peildatum verschuldigd zijn. [Am. 70]

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels kredietinstellingen te allen tijde mogen verzoeken hun het totale bedrag aan deposito's van elke deposant mee te delen.

6.  Het depositogarantiestelsel vergoedt de rente op deposito's die opgebouwd is tot, maar niet gecrediteerd is op de datum waarop de bevoegde autoriteiten tot de in artikel 2, lid 1, onder e), punt i), bedoelde vaststelling overgaan of een rechterlijke instantie de uitspraak als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder e), punt ii), doet. Daarbij wordt de limiet van artikel 5, lid 1, niet overschreden.

Indien de rente afhangt van de waarde van een ander financieel instrument en daarom niet kan worden bepaald zonder de uitbetaling binnen de in artikel 7, lid 1, genoemde termijn in gevaar te brengen, blijft de vergoeding van deze rente beperkt tot de krachtens het nationaal recht geldende standaardrente.

7.  De lidstaten mogen bepalen dat met bepaalde categorieën deposito's die een in het nationaal recht vastgelegd sociaal doel dienen en waarvoor een derde een garantie heeft gegeven die voldoet aan de staatssteunregels, geen rekening wordt gehouden bij de vaststelling van de totale deposito's van dezelfde deposant bij dezelfde kredietinstelling als bedoeld in lid 1. In dergelijke gevallen blijft de garantie van de derde beperkt tot de in artikel 5, lid 1, vastgestelde dekkingsgraad.

7 bis.   De lidstaten kunnen besluiten dat ten behoeve van de terugbetaling overeenkomstig artikel 7, lid 1, de deposito's van een deposant bij dezelfde kredietinstelling niet worden samengevoegd indien het volgens de wettelijke bepalingen van de lidstaat is toegestaan dat kredietinstellingen onder verschillende merknamen opereren. Deposito's bij dezelfde kredietinstelling en onder dezelfde merknaam worden samengevoegd en hiervoor geldt de in artikel 5, lid 1, vastgestelde dekking. Indien deze berekening leidt tot een hoger bedrag van gedekte deposito's per deposant en per kredietinstelling dan voorzien in artikel 5, worden de volgens de artikelen 9 en 11 berekende bijdragen aan het depositogarantiestelsel overeenkomstig verhoogd.

Indien een lidstaat besluit geen afzonderlijke depositobescherming toe te staan voor onder verschillende merknamen opererende onderdelen van dezelfde kredietinstelling, bestaat er geen afzonderlijke garantie voor de houder en de merknamen. De samenvoeging van deposito's bij onder verschillende merknamen opererende onderdelen van dezelfde kredietinstelling is niet toegestaan in grensoverschrijdende gevallen.

Kredietinstellingen uit lidstaten die deze bepaling toepassen, kunnen een dekkingsgraad niet aanbieden in hun bijkantoren in lidstaten waar kredietinstellingen niet onder verschillende namen actief mogen zijn.[Am. 71]

Artikel 7

Terugbetaling

1.  Het depositogarantiestelsel is in staat niet-beschikbare deposito's binnen een termijn van zeven dagende vijf werkdagen, en uiterlijk binnen een week, terug te betalen, te rekenen vanaf de datum waarop de bevoegde autoriteiten tot de in artikel 2, lid 1, onder e), punt i), bedoelde vaststelling overgaan of een rechterlijke instantie de uitspraak als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder e), punt ii), doet.

De lidstaten mogen bepalen dat de in artikel 6, lid 3, bedoelde deposito's aan een langere terugbetalingsperiode worden onderworpen. Deze periode bedraagt echter niet meer dan drie maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de bevoegde autoriteiten tot de in artikel 2, lid 1, onder e), punt i), bedoelde vaststelling overgaan of een rechterlijke instantie de uitspraak als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder e), punt ii), doet.

De lidstaten kunnen tot 31 december 2016 de toepassing van een terugbetalingstermijn van twintig werkdagen toestaan, mits de bevoegde autoriteiten na grondige controle vaststellen dat de depositogarantiestelsels nog niet in staat zijn een terugbetalingstermijn van vijf werkdagen en uiterlijk een week te garanderen.

Een deposant die niet de rechthebbende is van de bedragen op de rekeningen als bedoeld in artikel 6, lid 3, ontvangt een terugbetaling binnen de in de eerste alinea genoemde termijn. Bij terugbetalingen aan de rechthebbenden wordt met deze uitkering rekening gehouden.

1 bis.  Indien lidstaten tot 31 december 2016 een terugbetalingstermijn van twintig werkdagen op grond van de derde alinea van lid 1 toestaan, betaalt het depositogarantiestelsel aan de deposant die daarom verzoekt, op zijn of haar terugbetaalbare tegoed een eenmalige uitbetaling uit van maximaal 5 000 euro binnen een termijn van vijf werkdagen, en uiterlijk binnen een week.[Am. 150/rev]

1 ter.   Terugbetaling of uitbetaling, als bedoeld in lid 1, mag worden uitgesteld indien:

   a) het onzeker is of een persoon wettelijk gerechtigd is een terugbetaling te ontvangen, of het deposito is onderwerp van een rechtsgeschil;
   b) het deposito onderwerp van economische sancties is, die zijn opgelegd door nationale regeringen of internationale organen;
   c) er de laatste 24 maanden geen transactie heeft plaatsgevonden met betrekking tot het deposito (de rekening slaapt);
   d) het terug te betalen bedrag geacht wordt deel uit te maken van een tijdelijk hoog saldo, zoals omschreven in artikel 5, lid 1 bis;
   e) het terug te betalen bedrag dient te worden uitbetaald door het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst, in overeenstemming met artikel 12, lid 2.[Am. 75]

2.  Deposanten ontvangen een terugbetaling zonder dat zij het depositogarantiestelsel daarom hoeven te verzoeken. Daartoe verstrekt de kredietinstelling de nodige informatie over deposito's en deposanten zodra het stelsel daarom verzoekt.

3.  Correspondentie tussen het depositogarantiestelsel en de deposant wordt gevoerd in de officiële taal van de Unie die door de kredietinstelling waar het gegarandeerde deposito zich bevindt, wordt gebruikt om met de deposant te communiceren, dan wel in de officiële taal of talen van de lidstaat waar het gegarandeerde deposito zich bevindt. Indien een bank rechtstreeks in een andere lidstaat actief is zonder er bijkantoren te hebben gevestigd, wordt de informatie verstrekt in de taal die door de deposant bij de opening van de rekening is gekozen. [Am. 76]

4.  Wanneer aan een deposant of aan eender welke persoon die gerechtigd is tot of belang heeft bij op een rekening gehouden bedragen, een misdrijf ten laste is gelegd dat voortvloeit uit of verband houdt met het witwassen van geld als gedefinieerd in artikelartikel 1, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG, mag een depositogarantiestelsel, niettegenstaande de in lid 1 bedoelde termijn, uitkeringen die de deposant betreffen tijdelijk opschorten in afwachting van de beslissing van de rechter. [Am. 77]

4 bis.   Er vindt geen terugbetaling plaats indien er de laatste 24 maanden geen transactie met betrekking tot het deposito heeft plaatsgevonden en de waarde van het deposito lager ligt dan de administratiekosten die zouden gepaard gaan met een dergelijke terugbetaling.[Am. 78]

Artikel 8

Vorderingen tegen depositogarantiestelsels

1.  De lidstaten waarborgen dat de rechten van deposanten hun recht op schadeloosstelling middelshet onderwerp kunnen vormen van een vordering tegen het depositogarantiestelsel kunnen doen gelden. [Am. 79]

2.  Onverminderd eventuele andere rechten waarover zij krachtens de nationale wetgeving beschikken, en met inachtneming van het bepaalde in lid 3 hebben depositogarantiestelsels die uitkeringen in een nationaal kader uit hoofde van de garantie doen, het recht om in liquidatieprocedures gesubrogeerd te worden in de rechten van de deposanten, voor een bedrag gelijk aan het bedrag van hun uitkering.

Rechten die aan het in dit lid bedoelde subrogatierecht onderworpen zijn, zijn achtergesteld direct achter het recht van de deposanten als bedoeld in lid 1 maar komen in rangorde vóór alle andere rechten jegens de liquidator.[Am. 80]

3.  Wanneer depositogarantiestelsels in het kader van de procedure van artikel 10 een bedrag aan een ander stelsel lenen, hebben zij naar rata van het geleende bedrag het recht om in liquidatieprocedures gesubrogeerd te worden in de rechten van de deposanten, voor een bedrag gelijk aan het bedrag van hun uitkeringen.

Het subrogatierecht wordt niet uitgeoefend voordat de lening overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder b), verschuldigd is. Indien de liquidatieprocedure daarvóór eindigt, wordt het subrogatierecht uitgebreid tot de liquidatieopbrengsten die aan het lenende stelsel zijn uitgekeerd.

Rechten die aan het in dit lid bedoelde subrogatierecht onderworpen zijn, zijn achtergesteld direct achter het recht van de deposanten als bedoeld in lid 1, maar komen in rangorde vóór alle andere rechten jegens de liquidator.

4.  De lidstaten mogen de termijn beperken waarbinnen deposanten wier deposito's door het stelsel niet binnen de in artikel 7, lid 1, genoemde termijn zijn terugbetaald of erkend, om terugbetaling van hun deposito's kunnen verzoeken. Bepalend voor deze termijn is de datum waarop de rechten waarin het depositogarantiestelsel krachtens lid 2 heeft gesubrogeerd, in een liquidatieprocedure overeenkomstig het nationaal recht moeten zijn aangemeld.

Bij de vaststelling van de termijn houden de lidstaten rekening met de tijd die het depositogarantiestelsel nodig heeft om dergelijke vorderingen vóór de aanmelding te verzamelen.

Artikel 9

Financiering van depositogarantiestelsels

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels beschikken over adequate systemen voor de vaststelling van hun mogelijke verplichtingen. De beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels staan in verhouding tot deze verplichtingen.

Depositogarantiestelsels verwerven de beschikbare financiële middelen door jaarlijks op 30 juni en 30 decemberten minste eenmaal per jaar een periodieke bijdrage van hun deelnemers te heffen. Dit staat aanvullende financiering uit andere bronnen niet in de weg. Er mogen geen eenmalige toetredingskosten worden gevraagd. [Am. 81]

De beschikbare financiële middelen bereiken in elk geval de streefwaarde. Wanneer de financieringscapaciteit achterblijft bij de streefwaarde, wordt de betaling van bijdragen in elk geval hervat totdat de streefwaarde opnieuw is bereikt. Voor de periodieke bijdrage wordt rekening gehouden met de conjunctuurcyclus, en ze bedraagt ten minste 0,1% van de gedekte deposito's. De verplichting tot het betalen van bijdragen geldt alleen wanneer het bedrag van de door het depositogarantiestelsel aangehouden middelen onder de streefwaarde ligt. Bedragen de beschikbare financiële middelen, nadat de streefwaarde voor het eerst is bereikt, als gevolg van het gebruik van middelen minder dan twee derde van de streefwaarde, dan beloopt de periodieke bijdrage ten minste 0,25% van de in aanmerking komendegedekte deposito's. [Am. 82]

2.  Het totale bedrag aan deposito's en beleggingen van een stelsel bij één orgaan stijgt niet uit boven de 5% van zijn beschikbare financiële middelen.De beschikbare financiële middelen van de depositogarantiestelsels worden op een risico-averse en voldoende gediversifieerde wijze belegd, en overstijgen niet 5% van de beschikbare financiële middelen van het stelsel, tenzij voor deze deposito's of beleggingen een risicogewicht van 0 % van toepassing is op grond van bijlage VI, deel 1, van Richtlijn 2006/48/EG. Te dien einde worden ondernemingen die tot één groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen in de zin van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad(17) of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, als één en hetzelfde orgaan beschouwd. [Am. 83]

3.  Indien de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel ontoereikend zijn voor terugbetalingen aan deposanten wanneer deposito's onbeschikbaar worden, betalen zijn deelnemers buitengewone bijdragen van niet meer dan 0,5% van hun in aanmerking komendegedekte deposito's per kalenderjaar. Deze betaling wordt één dag voor de in artikel 7, lid 1, genoemde termijn verricht. [Am. 84]

4.  Het totale bedrag aan bijdragen als bedoeld in de leden 1 en 23, mag niet meer dan 1 % van de in aanmerking komendegedekte deposito's per kalenderjaar belopen. [Am. 85]

De bevoegde autoriteiten mogen een kredietinstelling geheel of gedeeltelijktijdelijk ontslaan van de in lid 2 genoemde verplichting indien de som van de in de leden 1 en 2 genoemde betalingen het gevaar zou meebrengen dat niet meer kan worden voldaan aan vorderingen van andere crediteuren op de instelling. Een dergelijke ontheffing wordt voor een periode van maximaal zes maanden verleend, maar mag op verzoek van de kredietinstelling worden verlengd. Het betrokken bedrag wordt op een later tijdstip afgedragen, wanneer daardoor de honorering van vorderingen van andere crediteuren niet langer in gevaar wordt gebracht. De financiële middelen als bedoeld in de leden 1, 2 en 3, worden in hoofdzaak gebruikt voor garanties en terugbetalingen aan deposanten uit hoofde van de onderhavige richtlijn. Hoogstens een derde van de beschikbare financiële middelen kunnen voor preventieve en ondersteunende maatregelen in de zin van deze richtlijn worden gebruikt. In dit geval legt het depositogarantiestelsel binnen een maand een verslag voor aan de bevoegde autoriteit waarin het aantoont dat de limiet van een derde van de beschikbare middelen werd nageleefd.[Am. 86]

5.  De financiële middelen als bedoeld in de leden 1, 2 en 3 van het onderhavige artikel, worden in hoofdzaak gebruikt voor terugbetalingen aan deposanten uit hoofde van de onderhavige richtlijn.

Ze mogen echter ook worden gebruikt voor de financiering van de overdracht van deposito's aan een andere kredietinstelling, mits de door het depositogarantiestelsel gedragen kosten niet hoger liggen dan het bedrag aan gedekte deposito's bij de betrokken kredietinstelling. In dit geval dient het depositogarantiestelsel binnen een maand na de overdracht van deposito's bij de Europese Bankautoriteit een verslag in waarin wordt aangetoond dat de bovengenoemde limiet niet is overschreden. [Am. 87]

De lidstaten kunnen depositogarantiestelsels toestaan hun financiële middelen te gebruiken om een bankfaillissement te voorkomen zonder te worden beperkt in de financiering van de overdracht van deposito's aan een andere kredietinstelling, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: [Am. 88]

   a) de financiële middelen van een stelsel bedragen na zo'n maatregel meer dan 1% van de in aanmerking komende deposito's; [Am. 89]
   b) het depositogarantiestelsel dient binnen een maand na zijn beslissing om zo'n maatregel te treffen, bij de Europese Bankautoriteit een verslag in waarin wordt aangetoond dat de bovengenoemde limiet niet is overschreden. [Am. 90]

Het onder a) genoemde percentage mag op ad-hocbasis en mits de bevoegde autoriteiten na een met redenen omkleed verzoek van het betrokken depositogarantiestelsel toestemming verlenen, worden vastgesteld op 0,75% à 1 %. [Am. 91]

5 bis.   Depositogarantiestelsels kunnen de financiële middelen die boven de limiet van lid 5 uitkomen, gebruiken voor preventieve en ondersteunende maatregelen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) het depositogarantiestelsel beschikt tegenover aangesloten kredietinstellingen over geschikte systemen voor de bewaking en classificatie van risico's die mogelijkheden bieden om invloed uit te oefenen;
   b) het depositogarantiestelsel beschikt over de procedures en structuren die nodig zijn voor de selectie, uitvoering en controle van preventieve en ondersteunende maatregelen;
   c) voor de toekenning van preventieve en ondersteunende maatregelen door het depositogarantiestelsel is de kredietinstelling die wordt ondersteund aan voorwaarden onderworpen die minstens een sterkere risicobewaking en uitgebreidere controlerechten van het depositogarantiestelsel omvatten;
   d) de aangesloten kredietinstellingen dragen de voor preventieve en ondersteunende maatregelen gebruikte middelen onmiddellijk in de vorm van buitengewone bijdragen over aan het depositogarantiestelsel, indien het nodig is deposanten terug te betalen en de financiële middelen van het depositogarantiestelsel minder dan twee derde van de streefwaarde bedragen; en
   e) naar beoordeling van de bevoegde autoriteit is gegarandeerd dat de aangesloten kredietinstellingen in staat zijn de buitengewone bijdragen in overeenstemming met het gestelde onder d) te betalen.[Am. 92]

5 ter.  De financiële middelen kunnen ook voor maatregelen in verband met de liquidatieprocedure van kredietinstellingen worden gebruikt, indien de door het depositogarantiestelsel gedragen kosten niet hoger zijn dan de door de betreffende kredietinstelling gedekte deposito's. Indien de liquidatie op deze wijze plaats vindt, dient het depositogarantiestelsel binnen een maand na de overdracht van deposito's bij EBA een verslag in waarin wordt bevestigd dat de gedragen kosten niet de som van de gedekte deposito's hebben overschreden.[Am. 93]

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels over een adequaat alternatief financieringsplan beschikken op basis waarvan zij zo nodig kortetermijnfinanciering kunnen verwerven waarmee vorderingen op deze stelsels kunnen worden gehonoreerd.

7.  De lidstaten stellen EBA maandelijkselk kwartaal in kennis van het bedrag aan in aanmerking komende deposito's en aan gedekte deposito's in hun grondgebied en van het bedrag aan beschikbare financiële middelen van hun depositogarantiestelsels. Deze informatie wordt bevestigd door de bevoegde autoriteiten en wordt tezamen met deze bevestiging binnen tien dagen na afloop van elke maandeen maand ingediend bij EBA. [Am. 94]

De lidstaten zorgen ervoor dat de in de eerste alinea bedoelde informatie ten minste op jaarbasis wordt gepubliceerd op de website van de depositogarantiestelsels en van EBA. [Am. 95]

7 bis.   Depositogarantiestelsels voldoen aan specifieke voorschriften inzake governance en vormen een bijzondere commissie, bestaande uit hoge vertegenwoordigers van het depositogarantiestelsel, zijn deelnemers en de relevante autoriteiten die transparante beleggingsrichtsnoeren voor de beschikbare financiële middelen opstellen en goedkeuren. In deze richtsnoeren wordt rekening gehouden met factoren als matching-duur, kwaliteit, diversifiëring en de correlatie van de beleggingen.[Am. 96]

Artikel 10

Leningen die depositogarantiestelsels aan elkaar verstrekken

1.  Een stelsel heeft het recht om van alle andere in artikel 1, lid 2, bedoelde depositogarantiestelselsLidstaten kunnen aan depositogarantiestelsels het op vrijwillig basis verstrekken van kredieten aan andere depositogarantiestelsels in de Unie een bedrag te lenentoestaan, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan: [Am. 97]

   a) het lenende stelsel kan niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 8, lid 1, voldoen vanwege eerdere betalingen die onder artikel 9, lid 5, vallen; [Am. 87]
   b) de situatie als bedoeld onder a) is toe te schrijven aan een gebrek aan beschikbare financiële middelen als bedoeld in artikel 9;
   c) het lenende stelsel heeft de in artikel 9, lid 3, bedoelde buitengewone bijdragen geheven;
   d) het lenende stelsel gaat de juridische verplichting aan dat de geleende middelen worden gebruikt voor de betaling van vorderingen in het kader van artikel 8, lid 1;
   e) het lenende stelsel is niet al onderworpen aan een verplichting om een lening bij andere depositogarantiestelsels in het kader van het onderhavige artikel af te lossen;
   f) het lenende stelsel deelt de bevoegde autoriteiten het gevraagde geldbedrag mee; [Am. 98]
   g) het totale geleende bedrag mag niet meer dan 0,5 % van de in aanmerking komendegedekte deposito's van het lenende stelsel belopen; [Am. 99]
   h) het lenende stelsel stelt EBA onverwijld in kennis en deelt haar de redenen mee waarom aan de in deze alinea opgenomen voorwaarden is voldaan en welk geldbedrag is gevraagd.

Het in de eerste alinea, onder f), bedoelde bedrag wordt als volgt vastgesteld:

[bedrag aan gedekte deposito's dat in het kader van artikel 8, lid 1, moet worden terugbetaald] – [beschikbare financiële middelen + maximumbedrag aan buitengewone bijdragen als bedoeld in artikel 9, lid 3]. [Am. 100]

De andere depositogarantiestelsels fungeren als uitlenende stelsels. Daartoe wijzen de lidstaten waarin meer dan een stelsel is gevestigd, een stelsel aan dat als het uitlenende stelsel van deze lidstaat zal fungeren, en stellen zij de Europese Bankautoriteit daarvan in kennis. De lidstaten mogen bepalen of en hoe het uitlenende stelsel door andere, in dezelfde lidstaat gevestigde depositogarantiestelsels wordt vergoed. [Am. 101]

Depositogarantiestelsels die een lening bij andere depositogarantiestelsels in het kader van het onderhavige artikel moeten aflossen, lenen geen geldbedrag aan andere depositogarantiestelsels.

2.  Aan de lening worden de volgende voorwaarden verbonden:

   a) elk stelsel leent het bedrag uit naar rata van het bedrag aan in aanmerking komende deposito's bij elk stelsel, zonder rekening te houden met het lenende stelsel en de depositogarantiestelsels als bedoeld onder a). De bedragen worden berekend overeenkomstig de meest recente, bevestigde maandelijkse informatie als bedoeld in artikel 9, lid 7; [Am. 102]
   b) het lenende stelsel lost de lening uiterlijk na vijf jaar af, waaronder bij wijzeaflossing in jaarlijkse termijnen aflossen, wwaarbij de rente pas bij de aflossing hoeft te worden betaald;
   c) het rentetarief komt overeen metis ten minste gelijk aan het rentetarief voor de marginale beleningsfaciliteit van de Europese Centrale Bank tijdens de kredietperiode; [Am. 103]
   c bis) de lenende instelling deelt EBA de initiële rente en de duur mee.[Am. 104]

3.  EBA bevestigt dat aan de eisen van lid 1leden 1 en 2 is voldaan, en deelt de door elk stelsel uit te lenen bedragen mee zoals berekend overeenkomstig lid 2, onder a), alsmede de initiële rente ingevolge lid 2, onder c), en de duur van de lening. [Am. 105]

EBA zendt haar bevestiging tezamen met de in lid 1, onder h), bedoelde informatie toe aan de kredietverstrekkende depositogarantiestelsels. Zij ontvangen deze bevestiging en informatie binnen twee werkdagen. De uitlenende depositogarantiestelsels gaan onverwijld, doch binnen twee werkdagen na de ontvangst ervan over tot uitbetaling van de lening aan het lenende stelsel. [Am. 106]

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bijdragen die het lenende stelsel heft, toereikend zijn om het geleende bedrag terug te betalen en de streefwaarde zo spoedig mogelijk weer te bereiken.

Artikel 11

Berekening van bijdragen aan depositogarantiestelsels

1.  De in artikel 9 bedoelde bijdragen aan depositogarantiestelsels worden voor elke deelnemer bepaald op basis vanin verhouding tot de omvang van het risico waaraan hij zich heeft blootgesteld. Kredietinstellingen betalen niet minder dan 75 % en niet meer dan 200%250 % van het bedrag dat een bank met een gemiddeld risico zou moeten bijdragen. De lidstaten mogen bepalen dat deelnemers aan de in artikel 1, leden 3 en lid 4, genoemde institutionele beschermingsstelsels lagere bijdragen aan depositogarantiestelsels betalen, maar niet minder dan 37,5 % van het bedrag dat een bank met een gemiddeld risico zou moeten bijdragen.

De lidstaten mogen voorzien in lagere bijdragen voor risicoarme sectoren die worden geregeld door nationaal recht.[Am. 107]

1 bis.   De lidstaten kunnen bepalen dat op alle kredietinstellingen die overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG bij hetzelfde centrale orgaan zijn aangesloten, de risicoweging wordt toegepast die voor het centrale orgaan en de daarbij aangesloten instellingen op geconsolideerde grondslag is bepaald. De lidstaten kunnen bepalen dat kredietinstellingen ongeacht de omvang van hun gedekte deposito's een minimumbijdrage moeten betalen.[Am. 112]

2.  Op basis van de inIn de bijlagen I en II genoemde elementen wordtwordt de standaardmethode voor de bepaling van de omvang van het risico bepaaldbeschreven en wordenwordt uiteengezet hoe de bijdragen van de leden van het depositogarantiestelsel worden berekend. [Am. 108]

3.  Lid 2 is niet van toepassing op depositogarantiestelsels als bedoeld in artikel 1, lid 2. [Am. 109]

3 bis.   Onverminderd leden 1 en 2 kunnen de depositogarantiestelsels hun eigen alternatieve, op risico gebaseerde methoden gebruiken voor het bepalen en het bereken van de op risico gebaseerde bijdragen van hun deelnemer. De berekening van de bijdragen zal evenredig zijn aan het bedrijfsrisico van de deelnemers en houdt op gepaste wijze rekening met de risicoprofielen van de verschillende bedrijfsmodellen. Een alternatieve methode kan ook rekening houden met de activazijde van de balans en risico-indicatoren, zoals kapitaaltoereikendheid, kwaliteit van de activa en liquiditeit.

Elke alternatieve methode moet door de betreffende bevoegde autoriteiten en EBA worden goedgekeurd en moeten voldoen aan de door EBA overeenkomstig artikel 11, lid 5, ontwikkelde richtsnoeren. EBA beoordeelt ten minste elke vijf jaar de naleving van de richtsnoeren, en in elk geval wanneer de alternatieve methode van het depositogarantiestelsel een wijziging ondergaat.[Am. 110]

4.  Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de elementenOm te zorgen voor een effectieve harmonisatie van de definities en het vaststellen van de standaardmethoden als beschreven in bijlage II, deel A, verder uit te werken. Deze ontwerp-reglementeringsnormen worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7 tot en met 7 quinquies van de [EBA-verordening].leden 1 en 2 van dit artikel, ontwikkelt EBA ontwerp technische reguleringsnormen. Indien nodig kan EBA wijzigingen van de definities en methoden voorstellen om volledige vergelijkbaarheid te waarborgen en om verstorende elementen te vermijden.

EBA mag zelf ontwerp-reglementeringsnormen opstellen, die bijlegt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2012 ter vaststelling aan de Commissie moeten worden ingediendvoor.

De Commissie is bevoegd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vast te stellen.[Am. 111]

4 bis.   EBA houdt in haar risicoanalyses en bij de opstelling van de ontwerpen van technische reguleringsnormen rekening met de door de kredietinstellingen ingevoerde mechanismen voor bestuurlijke controle. Zij ziet toe op de verspreiding van voorbeelden van beste praktijken via het ESFS.[Am. 113]

5.  EBA geeft uiterlijk 31 december 2012 richtsnoeren uit voor de toepassing van bijlage II, deel B, en voor de alternatieve op risico gebaseerde methode zoals ontwikkeld door de depositogarantiestelsels onder lid 3bis, overeenkomstig [artikel 8 van de EBA-verordening]artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. [Am. 114]

Artikel 12

Samenwerking binnen de Unie

1.  De depositogarantiestelsels dekken de deposanten bij door kredietinstellingen in andere lidstaten opgerichte bijkantoren.

2.  Deposanten bij bijkantoren die zijn opgericht door kredietinstellingen in andere lidstaten, of in lidstaten waarin een kredietinstelling actief is waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, ontvangen een terugbetaling van het stelsel van de lidstaat van ontvangst namens het stelsel in de lidstaat van herkomst. Het stelsel van de lidstaat van herkomst vergoedtschiet de nodige fondsen voor om het stelsel van de lidstaat van ontvangst in staat te stellen te voldoen aan de verplichting van het stelsel van de lidstaat van herkomst tot terugbetaling aan de deposanten overeenkomstig lid 1. [Am. 115]

Voorts verstrekt het stelsel van de lidstaat van ontvangst de betrokken deposanten namens het stelsel van de lidstaat van herkomst informatie en is het gerechtigd de correspondentie van deze deposanten namens het stelsel van de lidstaat van herkomst in ontvangst te nemen.

3.  Indien een kredietinstelling een stelsel verlaat en zich aansluit bij een ander stelsel, worden de betaalde bijdragen die in de zes maandenvan het afgelopen jaar vóór de beëindiging van de deelname zijn betaald,naar verhouding terugbetaald of aan het andere stelsel overgedragen, voor zover het geen hogere periodieke bijdragen als bedoeld in artikel 9, lid 1, derde alinea, of buitengewone bijdragen als bedoeld in artikel 9, lid 3, betreft. Dit geldt echter niet indien een kredietinstelling op grond van artikel 3, lid 3, van een stelsel is uitgesloten. [Am. 116]

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels van de lidstaat van herkomst de in artikel 3, lid 7, bedoelde informatie verstrekken aan die in de lidstaten van ontvangst. Daarbij zijn de in dat artikel gestelde beperkingen van toepassing.

Kredietinstellingen die overeenkomstig het in deze richtlijn bepaalde vrijwillig willen overstappen van het ene depositogarantiestelsel naar het andere, moeten met een opzeggingstermijn van ten minste zes maanden kennis geven van dit voornemen. Tijdens deze periode blijft de kredietinstelling bijdragen aan het oorspronkelijke depositogarantiestelsel voor zowel in termen van ex-ante als ex-post financiering.[Am. 117]

5.  Om effectieve samenwerking tussen depositogarantiestelsels te bevorderen, en zulks met name met het oog op het onderhavige artikel en op artikel 10, sluiten de depositogarantiestelsels of eventueel de bevoegde autoriteiten schriftelijke samenwerkingsovereenkomsten. In dergelijke overeenkomsten wordt rekening gehouden met het bepaalde in Richtlijn 95/46/EG.

Depositogarantiestelsels stellen EBA in kennis van het bestaan en de inhoud van dergelijke overeenkomsten. EBA mag uit hoofde van artikel 6, lid 2, onder f), en artikel 19 van de Regulation (EU) nr. 1093/2010 adviezen uitbrengen over dergelijke overeenkomsten. Indien de bevoegde autoriteiten of de depositogarantiestelsels geen overstemming kunnen bereiken of indien er een geschil bestaat over de interpretatie van een dergelijke overeenkomst, beslecht zij de meningsverschillen uit hoofde van artikel 11 van de Regulation (EU) nr. 1093/2010.

Het ontbreken van dergelijke overeenkomsten heeft geen negatieve gevolgen voor de vorderingen van deposanten uit hoofde van artikel 8, lid 2, of van kredietinstellingen uit hoofde van lid 3 van het onderhavige artikel.

Artikel 13

Bijkantoren van kredietinstellingen die in derde landen zijn gevestigd

1.  De lidstaten vergewissen zich ervan dat bijkantoren die zijn opgericht door kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Unie (derde-land kredietinstellingen), over een bescherming beschikken die gelijkwaardig is aan de in deze richtlijn voorgeschreven bescherming.

Indien dat niet het geval is, mogen de lidstaten, onverminderd artikel 38, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG, bepalen dat bijkantoren die zijn opgericht door derde-land kredietinstellingen, aan een op hun grondgebied functionerend depositogarantiestelsel moeten deelnemen.

1 bis.   Om te zorgen voor een consistente harmonisatie van de toepassing van lid 1, ontwikkelt EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen waarmee algemene equivalentiecriteria worden vastgesteld.

EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [...] aan de Commissie voor.

De Commissie is bevoegd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vast te stellen.[Am. 118]

2.  Aan deposanten en potentiële deposanten bij bijkantoren van derde-land kredietinstellingen die niet deelnemen aan een stelsel in een lidstaat worden door de kredietinstelling alle nuttige inlichtingen verstrekt betreffende de garantieregelingen die voor hun deposito's gelden.

3.  De in lid 2 bedoelde inlichtingen worden op de bij de nationale wetgeving voorgeschreven wijze beschikbaar gesteld in de officiële taal of talen van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, en indien de deposant daarom verzoekt en het bijkantoor in staat is om aan dit verzoek te voldoen, in andere talen, en worden helder en bevattelijk geformuleerd. [Am. 151/rev]

Artikel 14

Informatie voor de deposant

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietinstellingen aan feitelijke en potentiële deposanten de informatie ter beschikking stellen, die nodig is om te bepalen aan welk depositogarantiestelsel in de Unie de kredietinstelling en haar bijkantoren deelnemen. Indien op grond van artikel 4, lid 1, onder a) tot en met g) en onder i) tot en met k), en artikel 4, lid 2, voor een deposito geen garantie uit het depositogarantiestelsel geldt, informeert de kredietinstelling de deposant daarover, waarbij de kredietinstelling de deposant de gelegenheid bied om zijn deposito's zonder boete en met alle behaalde rente en winsten terug te trekken. [Am. 119]

2.  Informatie aan potentiële deposanten wordt aan hen ter beschikking gesteld, en door hen tegengetekend, voordat zij een contract inzake het nemen van deposito's aangaan. Daarvoor wordt model gebruikt, zoals dat in bijlage III is opgenomen.

3.  Deposanten ontvangen informatie op hun rekeningafschrift. Deze informatie bestaat uit een bevestiging dat de deposito's in aanmerking komen deposito's zijn. Bovendien wordt verwezen naar het informatieblad zoals opgenomen in bijlage III en wordt aangegeven waar dit kan worden opgevraagd. Het informatieblad zoals opgenomen in bijlage III moet eveneens ten minste één keer per jaar bij een van hun rekeningafschriften worden gevoegd. Ook magwordt de website van het bevoegde depositogarantiestelsel worden vermeld.

De website moet de nodige informatie voor deposanten bevatten, met name informatie over de bepalingen inzake de procedure en de voorwaarden die gelden voor depositogaranties, zoals onder deze richtlijn is beoogd.[Am. 120]

4.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt op de bij de nationale wetgeving voorgeschreven wijze ter beschikking gesteld in de officiële taal of talen van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, en, indien de deposant daarom verzoekt en het bijkantoor in staat is om dit verzoek in te willigen, in andere talen. [Am. 121]

5.  De lidstaten beperken de aanwending voor reclamedoeleinden van de in lid 1leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie tot het louter vermelden van het stelsel dat een garantie biedt voor het product waarop de reclame betrekking heeft. [Am. 122]

Kredietinstellingen die aan een in artikel 1, leden 3 en 4, genoemd stelsel deelnemen, verstrekken de deposanten op gemakkelijk begrijpelijke wijze adequate informatie over de werking van het stelseldepositogarantiestelsel. Daarbij moet echter ook worden ingegaan op de maximale dekking en op verdere mogelijkheden om informatie over het depositogarantiestelsel te verkrijgen. In dergelijke informatie mag niet worden gesteld dat voor de deposito's een onbeperkte dekking geldt. [Am. 123]

6.  Bij fusies van kredietinstellingen ontvangen hun deposanten ten minste één maand voordat de fusie rechtens ingaat, informatie daarover. De deposanten worden ervan in kennis gesteld dat bij het ingaan van de fusie al hun deposito's bij elk van de fuserende banken na de fusie worden samengevoegd teneinde hun dekking in het kader van het depositogarantiestelsel te bepalen. De deposanten krijgen na kennisgeving van de fusie drie maanden de tijd om deposito's die de in artikel 5, lid 1, vastgelegde dekking overschrijden, over te brengen naar een andere bank of een ander bankmerk, zonder boetes en met behoud van het recht op alle behaalde rente en winsten. Gedurende die drie maanden, wordt de dekkingsgraad, als het in artikel 5, lid 1 vastgestelde bedrag wordt overschreden, uitgebreid door het in artikel 5, lid 1 vastgestelde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal kredietinstellingen dat gefuseerd is.[Am. 124]

6 bis.   Indien een kredietinstelling niet langer deelneemt aan het depositogarantiestelsel of hiervan wordt uitgesloten, worden de deposanten van dit stelsel binnen een maand hiervan in kennis gesteld door de niet langer deelnemende kredietinstelling.[Am. 125]

7.  Indien een deposant middels internet bankiert, wordt de overeenkomstig de onderhavige richtlijn te verstrekken informatie elektronischop een passende manier en op een dusdanige wijze verstrekt dat zij onder de aandacht komt van de deposant, en, indien de deposant hierom verzoekt, op papier. [Am. 126]

7 bis.   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er passende procedures bestaan om depositogarantiestelsels in staat te stellen informatie te delen en doeltreffend te communiceren met andere depositogarantiestelsels, aangesloten kredietinstellingen en de desbetreffende bevoegde autoriteiten binnen hun eigen jurisdictie en, waar van toepassing, grensoverschrijdend met andere organen. [Am. 127]

Artikel 15

Lijst van kredietinstellingen waaraan vergunning is verleend

De Commissie doet in de lijst van kredietinstellingen waaraan vergunning is verleend, welke lijst zij overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2006/48/EG dient op te stellen, op transparante wijze opgaaf van de status van elke kredietinstelling ten aanzien van de onderhavige richtlijn. [Am. 128]

Artikel 16

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel gestelde voorwaarden.

1 bis.  De in artikel 5, lid 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen bedoeld vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor onbepaalde tijd met ingang van …(18).

1 ter.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 7 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

2.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdige kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

3.  De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt de Commissie verleend onder de in de artikelen 17 en 18 gestelde voorwaarden.Een overeenkomst artikel 5, lid 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt of indien het Europees Parlement en de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie ervan in kennis hebben gesteld dat zij geen bezwaar wensen te maken. Die termijn kan op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden worden verlengd.[Am. 129]

Artikel 17

Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bij artikel 16 verleende bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken.

2.  De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt de andere instelling en de Commissie hiervan binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en waarom.

3.  Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het treedt onmiddellijk dan wel op een in dat besluit bepaalde latere datum in werking. Het besluit laat de geldigheid van de reeds in werking zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. [Am. 130]

Artikel 18

Bezwaar tegen gedelegeerde handelingen

1.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen bezwaar aantekenen tegen de gedelegeerde handeling binnen twee maanden na de datum van kennisgeving. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze periode met een maand worden verlengd.

2.  Indien bij het verstrijken van deze termijn het Europees Parlement noch de Raad bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, wordt deze bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt zij in werking op de daarin vermelde datum.

Indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie hebben meegedeeld dat zij voornemens zijn geen bezwaar aan te tekenen, kan de gedelegeerde handeling vóór het verstrijken van de termijn worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en in werking treden.

3.  Indien het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt tegen een gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. De instelling die bezwaar aantekent tegen de gedelegeerde handeling geeft aan waarom zij dit doet. [Am. 131]

Artikel 19

Overgangsbepalingen

1.  De in artikel 9 bedoelde bijdragen aan depositogarantiestelsels worden zo gelijkmatig mogelijk verdeeld, tot de in artikel 9, lid 1, derde alinea, bedoelde streefwaarde is bereikt. [Am. 132]

1 bis.   Wanneer een depositogarantiestelsel de gedekte deposito's van de deelnemende kredietinstellingen op het moment waarop de onderhavige richtlijn in werking treedt niet kan bepalen, heeft de streefwaarde overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder h), betrekking op de in aanmerking komende deposito's van het stelsel. Vanaf 1 januari 2015 gelden de gedekte deposito's als grondslag voor de streefwaarde voor alle depositogarantiestelsels.[Am. 133]

2.  Deposanten die houder zijn van door dezelfde kredietinstelling uitgegeven schuldbewijzen en schulden die voortvloeien uit eigen accepten en promessen, deposito's die enkel aan toonder en niet op naam zijn gesteldwaarvan het bestaan kan alleen worden aangetoond met een ander schuldbewijs dan een rekeningafschrift, deposito's waarvan de hoofdsom niet à pari terugbetaalbaar is, en deposito's waarvan de hoofdsom alleen à pari terugbetaalbaar is in het kader van een bepaalde garantie of regeling van de kredietinstelling of een derde, worden ervan in kennis gesteld dat hun deposito's niet meer in het kader van een depositogarantiestelsel zijn gedekt.

3.  Wanneer bepaalde deposito's na de omzetting van de onderhavige richtlijn of van Richtlijn 2009/14/EG in nationaal recht niet meer geheel of gedeeltelijk door een depositogarantiestelsel worden gedekt, kunnen de lidstaten toestaan dat dergelijke deposito's tot en met 31 december 2014 zijn gedekt indien deze deposito's vóór 30 juni 2010 zijn gestort. De lidstaten zorgen ervoor dat geen stelsel na 31 december 2014 hogere of bredere garanties biedt dan die waarin de onderhavige richtlijn voorziet, ongeacht wanneer de deposito's zijn gestort.

4.  De Commissie dient uiterlijk 31 december 20152 januari 2014 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag over de wenselijkheid om bestaande depositogarantiestelsels te vervangen door één stelsel voor de gehele Unie, alsmede een eventueel wetgevingsvoorstel ter zake in, waarin wordt aangegeven hoe de in de Unie opererende depositogarantiestelsels kunnen, onder coördinatie van EBA, samenwerken via een Europees stelsel om risico's als gevolg van grensoverschrijdende activiteiten te voorkomen en de deposito's tegen dergelijke risico's te beschermen. [Am. 134]

5.  De Commissie dient in samenwerking met EBA uiterlijk 31 december 2015 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de vorderingen bij de implementatie van deze richtlijn. In dit verslag moet in het bijzonder nagegaan ofhet volgende worden behandeld:

   de streefwaarde kan worden gebaseerd op basis van de gedekte deposito's zonder dat dit ten koste gaat van met een beoordeling van de geschiktheid van het vastgestelde percentage of een beoordeling van andere regulerende mogelijkheden, waarbij die streefwaarde het bedrag aan niet-gedekte deposito's in de afgelopen tien jaar binnen een verplicht, contractueel of institutioneel protectiestelsel, als bedoeld in artikel 80, lid 8, van Richtlijn 2006/48/EG dient te weerspiegelen,
   het gecumuleerde effect van de regelgevingverplichtingen van de kredietinstellingen, zoals kapitaalvereisten,
   de inter-connectie tussen de regelgeving betreffende depositogarantiestelsels en de toekomstige regelgeving betreffende crisisbeheersing,
   het effect op de diversiteit van de bankmodellen, rekening houdend met de noodzaak deze in stand te houden,
   de geschiktheid van het huidige dekkingsniveau voor deposanten.

Dit verslag dient ook een beoordeling te bevatten, of de zaken als bedoeld in de eerste alinea zijn uitgevoerd op een wijze waardoor de bescherming van deposanten wordt gehandhaafd. [Am. 135]

Artikel 20

Omzetting

1.  De lidstaten doen uiterlijk op 31 december 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2012 aan deze richtlijn te voldoen aan artikel 1, artikel 2, lid 1, onder a), c), d), f) en h) tot en met m), artikel 2, lid 2, artikel 3, leden 1, 3, 5, 6 en 7, artikel 4, lid 1, onder d) tot en met k), artikel 5, leden 2 tot en met 5, artikel 6, leden 4 tot en met 7, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, leden 2, 3 en 4, de artikelen 9 tot en met 12, artikel 13, leden 1 en 2, artikel 14, leden 1, 2, 3, 5, 6 en 7, artikel 19 en de bijlagen I, II en III. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn. [Am. 136]

In afwijking van de eerste alinea doen de lidstaten uiterlijk op 31 december 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om te voldoen aan artikel 9, lid 1, derde alinea, artikel 9, lid 3, en artikel 10. [Am. 137]

In afwijking van de eerste alinea doen de lidstaten uiterlijk op 31 december 2013 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om te voldoen aan artikel 7, lid 1, en artikel 9, lid 5. Het in artikel 9, lid 5, onder a), genoemde percentage van de in aanmerking komende deposito's geldt echter niet vóór 1 januari 2014. Tot en met 31 december 2017 geldt een percentage van 0,5%. Vanaf die datum tot en met 31 december 2020 geldt een percentage van 0,75%. [Am. 138]

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen, gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 21

Intrekking

Richtlijn 94/19/EG en de achtereenvolgende wijzigingen op die richtlijn worden ingetrokken met ingang van 31 december 2012, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV genoemde richtlijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijn.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 2, lid 1, onder b), e) en g), artikel 4, lid 1, onder a), b) en c), artikel 5, lid 1, artikel 6, leden 1, 2 en 3, artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 1, artikel 12, lid 1, artikel 13, lid 3, artikel 14, lid 4, en de artikelen 15 tot en met 18 zijn vanaf 1 januari 2013 van toepassing.

Artikel 23

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te […]

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter
[…] […]

BIJLAGE I

Bepaling van risicoafhankelijke bijdragen aan depositogarantiestelsels

1.  De volgende formules moeten worden gebruikt:

   a) risicoafhankelijke bijdragen van een deelnemer

Ci = TC * RSi

   b) risicoaandeel van een deelnemer

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000001.jpg

   c) risicogewogen bijdrage van een deelnemer

RAi = CB *20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000002.jpg

Daarbij zijn:

Ci de bijdrage van de i-e deelnemer aan een depositogarantiestelsel

TC de totale door het stelsel te innen bijdragen

RSi het risicoaandeel van de i-e deelnemer

RAi de risicogewogen bijdrage van de i-e deelnemer

RAk de risicogewogen bijdragen van elk van de n-deelnemers

CB de bijdragegrondslag (d.w.z. uiterlijk per 1 januari 2015 de gedekte deposito's of, zolang deze niet voor alle aan het garantiestelsel deelnemende instellingen kunnen worden berekend, de in aanmerking komende deposito's) [Am. 139]

βi de risicocoëfficiënt die overeenkomstig bijlage II is toegekend aan de i-e deelnemer

2.  De volgende formules moeten worden gebruikt:

   a) totale samengestelde score van een deelnemer

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000003.jpg20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000004.jpg20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000005.jpg= ¾+ ¼

   b) samengestelde subscore van een deelnemer wat betreft de kernindicatoren

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000006.jpg20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000007.jpg20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000008.jpg20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000009.jpg20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000010.jpg= ¼ [+++]

   c) samengestelde subscore van een deelnemer wat betreft de aanvullende indicatoren

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000011.jpg20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000012.jpg20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000013.jpg20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000014.jpg20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000015.jpg=[++ … +]

Daarbij zijn:

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000016.jpg totale samengestelde score van de i-e deelnemer

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000017.jpg totale samengestelde subscore van de i-e deelnemer wat betreft de kernindicatoren

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000018.jpg totale samengestelde subscore van de i-e deelnemer wat betreft de aanvullende indicatoren

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000019.jpg variabele voor het risico van de i-e deelnemer wat betreft een afzonderlijke kern- of aanvullende indicator van bijlage II

x symbool van een bepaalde kern- of aanvullende indicator

BIJLAGE II

Indicatoren, scores en gewichten voor de berekening van risicoafhankelijke bijdragen

DEEL A

Kernindicatoren

1.  De volgende kernindicatoren moeten worden gebruikt voor de berekening van risicoafhankelijke bijdragen:

Risicoklasse

Indicator

Ratio

Kapitaaltoereikendheid

Bestanddelen van het eigen vermogen als genoemd in artikel 57, onder a) tot en met c bis), van Richtlijn 2006/48/EG en risicogewogen activa als bedoeld in artikel 76 van Richtlijn 2006/48/EG

Eigen vermogen

Risicogewogen activa

Kwaliteit van de activa

Niet-presterende leningen

Niet-presterende leningen

Brutoleningen

Winstgevendheid

Voor risico aangepast rendement op activa [Am. 140]

Netto-inkomsten

Gemiddelde totale activa

Liquiditeit

Door de lidstaten zelf te bepalen, zulks onverminderd artikel 11, lid 4

2.  De volgende scores moeten worden gebruikt voor de risicoprofielen bij kernindicatoren:

Risiconiveau

Kapitaaltoereikendheid

Kwaliteit van de activa

Winstgevendheid

Liquiditeit

Zeer laag risico

1

1

1

1

Laag risico

2

2

2

2

Gemiddeld risico

3

3

3

3

Hoog risico

4

4

4

4

Zeer hoog risico

5

5

5

5

3.  De volgende scores moeten aan een deelnemer worden toegekend op basis van de actuele waarden van de indicatoren in een bepaalde risicoklasse:

Element

Symbool (x)

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000020.jpg= 1

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000021.jpg= 2

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000022.jpg= 3

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000023.jpg= 4

20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000024.jpg= 5

Kapitaaltoereikendheid

CA

x > 12,3%

12,3% ≥ x > 9,6%

9,6% ≥ x > 8,2%

8,2% ≥ x > 7%

x ≤ 7%

Kwaliteit van de activa

AQ

x ≤ 1%

1% < x ≤ 2,1%

2,1% < x ≤ 3,7%

3,7% < x ≤ 6%

x > 6%

Winstgevendheid

P

x > 1,2%

1,2% ≥ x > 0,9%

0,9% ≥ x > 0,7%

0,7% ≥ x > 0,5%

x ≤ 0,5%

Liquiditeit

L

De lidstaten mogen de drempelwaarden voor elke 20120216-P7_TA(2012)0049_NL-p0000025.jpgzelf bepalen, zulks onverminderd artikel 11, lid 4

4.  De volgende risicogewichten (coëfficiënten) moeten aan een deelnemer worden toegekend afhankelijk van zijn samengestelde score:

Samengestelde score (ρ)

1 < ρ ≤ 1,5

1,5 < ρ ≤ 2,5

2,5 < ρ ≤ 3,5

3,5 < ρ ≤ 4,5

4,5 < ρ ≤ 5

Risicocoëfficiënt

75%

100%

125%

150%

200%

DEEL B

Aanvullende indicatoren

1.  De lidstaten moeten aanvullende indicatoren voorVoor de berekening van risicoafhankelijke bijdragen vaststellen. Daarvoor kunnen aanvullend alle volgende indicatoren of een aantal ervan worden gebruikt: [Am. 141]

Risicoklasse

Indicator/ratio

Definitie

Kapitaaltoereikendheid

Totaal kapitaal

Totaal kapitaal

Risicogewogen activa

Extra kapitaal *

Extra kapitaal *

of

Extra kapitaal *

Totale activa

Risicogewogen activa

Kwaliteit van de activa

Voorziening voor verliezen op leningen

Voorziening voor verliezen op leningen

of

Voorziening voor verliezen op leningen

Netto rentebaten

Bedrijfsopbrengsten

Risicogewogen activa

Risicogewogen activa

Totale activa

Winstgevendheid

Kosten/inkomsten

Bedrijfskosten

Bedrijfsopbrengsten

Nettomarge

Nettomarge

Totaal kapitaal

Liquiditeit

Door de lidstaten zelf te bepalen, zulks onverminderd artikel 11, lid 5

* Extra kapitaal = kapitaal – eigen vermogen als genoemd in artikel 57, onder a) tot en met h), van Richtlijn 2006/48/EG

2.  De volgende scores moeten worden gebruikt voor de risicoprofielen bij aanvullende indicatoren:

Risiconiveau

Kapitaaltoereikendheid

Kwaliteit van de activa

Winstgevendheid

Liquiditeit

Zeer laag risico

1

1

1

1

Laag risico

2

2

2

2

Gemiddeld risico

3

3

3

3

Hoog risico

4

4

4

4

Zeer hoog risico

5

5

5

5

3.  De volgende risicogewichten (coëfficiënten) moeten aan een deelnemer worden toegekend afhankelijk van zijn samengestelde score:

Samengestelde score (ρ)

1 < ρ ≤ 1,5

1,5 < ρ ≤ 2,5

2,5 < ρ ≤ 3,5

3,5 < ρ ≤ 4,5

4,5 < ρ ≤ 5

Risicocoëfficiënt (β)

75%

100%

125%

150%

200%

BIJLAGE III

Model informatie voor de deposant

Als eenuw kredietinstelling eenuw verschuldigd en betaalbaar deposito niet heeft terugbetaald om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële situatie, ontvangen de deposantenontvangt u, als deposant een terugbetaling van een depositogarantiestelsel. De/het [product invullen] van de [naam invullen van de kredietinstelling waar de rekening wordt aangehouden] wordt in het algemeen gedekt door dit depositogarantiestelsel, overeenkomstig Richtlijn 2012/…/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de depositogarantiestelsels(19). [Am. 142]

De terugbetaling bedraagt ten hoogste 100 000 euro per bank. Om te bepalen welk bedrag wordt gedekt, worden alleal uw deposito's bij dezelfde bank bij elkaar opgeteld. Als een deposantu bijvoorbeeld een spaarrekeningdepositorekening met 90 000 euro en een lopende rekening met 20 000 euro40 000 euro heeft, dan ontvangt hij of ziju dus een terugbetaling van slechts 100 000 euro. [Am. 143]

[Alleen indien van toepassing] Dit geldt ook als een kredietinstelling onder verschillende namenmerknamen voor zijn cliënten actief is. De [naam invullen van de kredietinstelling waar de rekening wordt aangehouden] opereert ook onder de naam [alle andere bedrijfsnamen van dezelfde kredietinstelling invullen]. Heeft u deposito's bij organisaties met deze bedrijfsnaam, dan zijn deze deposito's samenelk gedekt tot 100 000 euro. [Am. 144]

Bij gezamenlijke rekeningen geldt de limiet van 100 000 euro voor elke deposant afzonderlijk.

[Alleen indien van toepassing] Voor deposito's op een rekening waarop twee of meer personen aanspraak kunnen maken als leden van een „partnership”, vereniging of andere, soortgelijke organisatie zonder rechtspersoonlijkheid, geldt het volgende: voor de berekening van de limiet van 100 000 euro worden deze deposito's bij elkaar opgeteld en behandeld als deposito's van één deposant.

In het algemeen vallen alle kleine deposanten en bedrijven [voor zover van toepassing in de lidstaat: alsmede kwetsbare lokale overheden] onder het depositogarantiestelsel. Voor bepaalde deposito's geldt een uitzondering. Deze worden op de website van het desbetreffende depositogarantiestelsel vermeld [website van het verantwoordelijke depositogarantiestelsel invoegen]. Ook zal uw kredietinstelling u op verzoek meedelen of bepaalde deposito's al dan niet zijn gedekt. Als de deposito's onder de dekking vallen, zal de kredietinstelling dit ook bevestigenspecifiek vermelden op hetuw rekeningafschrift. [Am. 145]

Het depositogarantiestelsel is [naam, adres, telefoonnummer, e-mail en website invullen]. Het zal uw deposito's binnen zes weken - en vanaf 31 december 2013 zelfs binnen één week -vijf [indien van toepassing: 20] werkdagen terugbetalen (maximaal 100 000 euro).[indien van toepassing: Op aanvraag bij het depositogarantiestelsel wordt uw creditsaldo van maximaal 5 000 euro binnen vijf werkdagen uitbetaald. Vanaf 2017 worden uw deposito's (tot een maximum van 100 000 euro) binnen vijf werkdagen terugbetaald.] [Am. 146]

Als u binnen dezebovenstaande termijn geen terugbetaling heeft ontvangen, moet u zelf contact opnemen met het depositogarantiestelsel. Het kan namelijk zo zijn dat, omdat u uw geld niet meer kunt terugvragen na het verstrijken van een bepaalde termijn van [betreffende termijn invullen die van kracht is in de lidstaat, alsook precieze verwijzing naar de nationale wettelijke bepaling en het specifieke artikel dat deze bepalingen beheerst]. Verdere informatie kunt u vinden op: [website van het bevoegde depositogarantiestelsel invullen]. [Am. 147]

[Alleen indien van toepassing] Uw deposito is gegarandeerd doorkredietinstelling is aangesloten bij een institutioneel garantiestelsel [dat erkend is/niet erkend is als depositogarantiestelsel]. Dit houdt in dat alle kredietinstellingen die aangesloten zijn bij dit stelsel, elkaar helpen om een faillissement van de bank te voorkomen. Mocht een instelling echter toch failliet gaan, dan worden uw deposito's tot een bedrag van EUR 100 000 terugbetaald in het kader van depositogarantiestelsels die volgens nationaal recht zijn erkend. [Am. 148]

BIJLAGE IV

DEEL A

Ingetrokken richtlijn en de achtereenvolgende wijzigingen op die richtlijn (als bedoeld in artikel 21)

Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels

Richtlijn 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 tot wijziging van Richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijn betreft

DEEL B

Uiterste omzettingsdata (als bedoeld in artikel 21)

Richtlijn

Uiterste omzettingsdatum

94/19/EG

1.7.1995

2009/14/EG

30.6.2009

2009/14/EG (artikel 1, punt 3, onder i), tweede alinea, artikel 7, lid 1 bis en lid 3, en artikel 10, lid 1, van Richtlijn 94/19/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2009/14/EG)

31.12.2010

BIJLAGE V

Concordantietabel

Onderhavige richtlijn

Richtlijn 2009/14/EG

Richtlijn 94/19/EG

Artikel 1

-

-

Artikel 2, lid 1, onder a)

Artikel 1, punt 1

Artikel 2, lid 1, onder d)

Artikel 1, punt 2

Artikel 2, lid 1, onder e)

Artikel 1, punt 1

Artikel 1, punt 3

Artikel 2, lid 1, onder f)

Artikel 1, punt 4

Artikel 2, lid 1, onder g)

Artikel 1, punt 5

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 5

Artikel 3, lid 6

Artikel 1, punt 6, onder a)

Artikel 4, lid 1, onder a), b) en c)

Artikel 2

Artikel 4, lid 1, onder d)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 1

Artikel 4, lid 1, onder f)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 10

Artikel 4, lid 1, onder g)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 2

Artikel 4, lid 1, onder h)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 5

Artikel 4, lid 1, onder i)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 6

Artikel 4, lid 1, onder j)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punten 3 en 4

Artikel 4, lid 10, onder k)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 12

Artikel 5, lid 1

Artikel 1, punt 3, onder a)

Artikel 7, lid 1

Artikel 5, lid 4

Artikel 1, punt 3, onder a)

Artikel 5, lid 6

Artikel 7, leden 4 en 5

Artikel 5, lid 7

Artikel 1, punt 3, onder d)

Artikel 6, leden 1, 2 en 3

Artikel 8

Artikel 7, lid 1

Artikel 1, punt 6, onder a)

Artikel 10, lid 1

Artikel 7, lid 3

Artikel 10, lid 4

Artikel 7, lid 4

Artikel 10, lid 5

Artikel 8, lid 1

Artikel 7, lid 6

Artikel 8, lid 2

Artikel 11

Artikel 12, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 13

Artikel 6

Artikel 14, leden 1, 2 en 3

Artikel 1, punt 5

Artikel 9, lid 1

Artikel 14, lid 4

Artikel 9, lid 2

Artikel 14, lid 5

Artikel 9, lid 3

Artikel 15

Artikel 13

Artikelen 16, 17 en 18

Artikel 1, punt 4

(1) PB C 99 van 31.3.2011, blz. 1.
(2) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.
(3) PB C 99 van 31.3.2011, blz. 1.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 16 februari 2012.
(5) PB L 135 van 31.5.1994, blz. 5.
(6) PB L 331 van 15.12.2010, blz.12.
(7) PB L 68 van 13.3.2009, blz. 3.
(8) PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1.
(9) PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1.
(10) PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.
(11) PB L 177 van 30.6.2006, blz. 201.
(12) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
(13) Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese Bankautoriteit, COM(2009)501.
(14) PB C 331 van 15.12.2010, blz. 1.
(15) PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.
(16)* Datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
(17) Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1).
(18)* Datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
(19)* Nummer en de publicatiereferentie van deze richtlijn.


Richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2013 - Andere afdelingen dan de Commissie
PDF 211kWORD 40k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2013, afdeling I – Europees Parlement, afdeling II – Raad, afdeling IV – Hof van Justitie, afdeling V – Rekenkamer, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité, afdeling VII – Comité van de Regio's, afdeling VIII – Europese Ombudsman, afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, afdeling X – Europese Dienst voor extern optreden (2012/2001(BUD))
P7_TA(2012)0050A7-0030/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–  gezien Besluit 2012/5/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 tot wijziging van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer ten aanzien van het meerjarig financieel kader om in de extra financieringsbehoeften van het ITER-project te voorzien(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2010, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de artikelen 23 en 79 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0030/2012),

A.  overwegende dat het meerjarig financieel kader (MFK) voor de EU-begroting van 2013 voorziet in een maximum in rubriek 5 van 9 181 miljoen EUR in lopende prijzen(4);

B.  overwegende dat de toetreding van Kroatië een impact op de begroting 2013 zal hebben, namelijk door de middelen voor de nieuwe leden en de aanwerving van personeel in alle instellingen;

C.  overwegende dat, nu de overheidsschulden zorgen voor een zware last en er een soberheidsbeleid wordt gevoerd om de nationale begrotingen op orde te krijgen, het Europees Parlement en alle instellingen blijk moeten geven van verantwoordelijkheid en terughoudendheid op budgettair gebied; kennis nemende van de brief d.d. 23 januari 2012 van commissaris Lewandowski aan de voorzitters van de Europese instellingen;

D.  overwegende dat het Europees Parlement in dit stadium van de jaarlijkse procedure in afwachting is van de ramingen van de overige instellingen en van de voorstellen van zijn eigen Bureau voor de begroting 2013;

Algemeen kader en prioriteiten voor de begroting van 2013

1.  is van mening dat de instellingen, nu de economische omstandigheden een uitdaging blijven vormen, hun administratieve begroting moeten bevriezen; benadrukt evenwel het feit dat wettelijk bindende verplichtingen moeten worden nagekomen en dat als gevolg hiervan kredieten eventueel moeten worden verhoogd;

2.  verzoekt de instellingen de interinstitutionele samenwerking op te voeren, om de beste praktijken te delen, naar besparingsmogelijkheden te zoeken en daarom hun beleid op het gebied van personeel, organisatie, technologie en gebouwen te moderniseren;

   3. wijst erop dat interinstitutionele samenwerking belangrijk is om de toetreding van Kroatië zo soepel mogelijk te laten verlopen;
   4. benadrukt het feit dat het belangrijk is dat een antidiscriminatiebeleid wordt gevoerd om de toegang, aanwerving en integratie van personen met een handicap te faciliteren;
   5. benadrukt het feit dat in alle instellingen een effectief milieubeleid nodig is;

Parlement

6.  herinnert aan de aanzienlijke besparingen die in de begroting 2012 zijn gerealiseerd dankzij structurele veranderingen en een reorganisatie; spoort ertoe aan de structurele en organisationele hervormingen voort te zetten en steunt innovatie op andere gebieden; is van mening dat reële besparingen mogelijk zijn door overlappingen tussen begrotingslijnen en inefficiënties in de begrotingslijnen op te sporen; vraagt daarom een gedetailleerd rapport van de secretaris-generaal aan de Begrotingscommissie met een duidelijk overzicht van de begrotingslijnen waar in 2011 sprake was van onderbesteding en een objectieve analyse van de redenen hiervoor;

7.   meent dat de echtste en grootste bezuiniging zou kunnen worden verwezenlijkt door ervoor te zorgen dat het Europees Parlement één zetel heeft; pleit er daarom voor dat de situatie onverwijld wordt geëvalueerd;

8.  is van mening dat voor significante besparingen op lange termijn een onafhankelijke evaluatie van de EP-begroting moet worden overwogen; is van mening dat de oprichting van een werkgroep moet worden overwogen; verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau zo spoedig mogelijk concrete voorstellen voor de oprichting van deze werkgroep toe te zenden en uiterlijk eind 2012 mogelijkheden voor besparingen te presenteren; vraagt ook de snelle uitvoering van alle conclusies waartoe de werkgroep komt;

9.  is tevreden met de intensievere samenwerking tussen de Begrotingscommissie en het Bureau tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure;moedigt krachtig een verdere intensivering aan van de samenwerking tussen de secretaris-generaal, het Bureau en de Begrotingscommissie gedurende het hele jaar, om een soepele begrotingsprocedure en een effectieve uitvoering van de begroting te garanderen; verwacht dat het Bureau een voorzichtige, op behoeften gebaseerde ontwerpraming indient waarin rekening wordt gehouden met verhogingen die vervolgens nodig kunnen zijn als gevolg van wettelijk bindende verplichtingen; is van mening dat alles in het werk moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat alle andere verhogingen, die gericht moeten zijn, worden gecompenseerd door besparingen op andere terreinen;

10.  vraagt dat alle begrotingslijnen in verband met reizen in 2013 worden bevroren en dat er geen indexering komt van welke individuele vergoedingen van de leden ook tot het einde van de zittingsperiode; wacht met belangstelling het rapport van de secretaris-generaal af over verplaatsingen, dat uiterlijk op 31 maart 2012 bij het Bureau en de Begrotingscommissie moet worden ingediend;

11.  is van mening dat de besparingen de wetgevingsactiviteit van het EP niet in het gedrang mogen brengen; is ervan overtuigd dat de wetgevingsactiviteit van de leden kan worden opgevoerd door de voltooiing van het kennisbeheersysteem (knowledge management system, KMS); is tevreden met de door de administratie verstrekte informatie, vraagt bijgewerkte informatie over de stand van het project en verwacht dat het systeem volledig operationeel is en toegankelijk voor de EU-burgers;vraagt dat de inspanningen worden opgevoerd om de uitvoering van het project te bespoedigen;herhaalt zijn verzoek om informatie over de vraag hoe de invoering van het KMS besparingen mogelijk maakt;

12.  herinnert aan de begrotingsresoluties van het Parlement, inclusief de recentste resolutie van 26 oktober 2011(5), waarin wordt gevraagd om vroegtijdige informatie, een dialoog en een transparant besluitvormingsproces voor het gebouwenbeleid; vraagt dat om de zes maanden precieze informatie over de vooruitgang met de projecten op het gebied van gebouwen en de financiële gevolgen hiervan wordt verstrekt; bepaalt dat tijdens de lopende zittingsperiode geen bijkomende, ongeplande bouwprojecten mogen worden ondernomen;

Andere instellingen

13.  moedigt alle instellingen aan te zoeken naar bijkomende besparingen om de begrotingsdiscipline te handhaven en hun begroting te bevriezen, rekening houdend met de wettelijke verplichtingen en met nieuwe financiële uitdagingen als de uitbreiding met Kroatië;

14.  neemt kennis van het verzoek van het Hof van Justitie van de Europese Unie (afdeling IV) om zijn statuut te wijzigen op een manier die rechtstreekse gevolgen heeft voor de begroting; is van mening dat de nodige financiering veilig moet worden gesteld om de soepele werking van de instelling en bijgevolg een behoorlijke gerechtelijke bescherming van de EU-burgers te garanderen;

15.  begrijpt de uitdagingen waarmee de EDEO te maken heeft gekregen bij de opstelling van zijn eerste begroting voor 2011; vraagt voor deze nieuwe instelling een gezonde financiële budgettering en vraagt de EDEO te onderzoeken hoe met de lidstaten indien mogelijk een grotere budgettaire synergie kan worden gecreëerd;

o
o   o

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de EDEO.

(1) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(2) PB L 4 van 7.1.2012, blz. 12.
(3) PB C 326 van 10.11.2011, blz. 1.
(4) Het maximum van rubriek 5 is inclusief de bijdrage van het personeel aan het pensioenstelsel.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0461.


Meerjarenplan voor het westelijke horsmakreelbestand
PDF 118kWORD 38k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de stand van zaken betreffende het voorgestelde meerjarenplan voor het westelijke horsmakreelbestand en de visserijtakken die dit bestand exploiteren (2011/2937(RSP))
P7_TA(2012)0051B7-0064/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2009)0189) en artikel 37 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0010/2009),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 maart 2010(1),

–  gezien zijn standpunt, in eerste lezing vastgesteld op 23 november 2010 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2011 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor het westelijke horsmakreelbestand en de visserijtakken die dat bestand exploiteren(2),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2010 over het Groenboek van de Commissie over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid(3),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 13 juli 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2011)0425),

–  gezien de mondelinge vragen aan de Commissie en de Raad over de stand van zaken betreffende het voorgestelde meerjarenplan voor het westelijke horsmakreelbestand en de visserijtakken die dit bestand exploiteren (O-000308/2011 – B7-0023/2012, O-000309/2011 – B7-0024/2012),

–  gezien artikel 115, lid 5 en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie, overeenkomstig het uitvoeringsplan dat is vastgesteld op de Wereldtop van de Verenigde Natie van 2002 te Johannesburg, mee moet zorgen voor het behoud of het herstel van de visbestanden op een niveau dat een maximale duurzame opbrengst kan opleveren, met als doel de urgente verwezenlijking - waar mogelijk uiterlijk in 2015 - van de doelstellingen inzake uitgeputte bestanden;

B.  overwegende dat het gemeenschappelijk visserijbeleid overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen moet garanderen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt;

C.  overwegende dat het westelijke horsmakreelbestand economisch gezien het belangrijkste bestand is dat in de wateren van de Unie voorkomt;

D.  overwegende dat de Commissie in april 2009 een beheersplan heeft voorgesteld (COM(2009)0189) dat gebaseerd is op het voorbereidende werk van de regionale adviesraad voor pelagische bestanden en het advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (STEFC);

E.  overwegende dat meerjarenplannen de hoeksteen van het GVB vormen en een essentieel instandhoudingsinstrument zijn waarmee algemene bepalingen worden vastgesteld die nodig zijn voor het nastreven van de doelen van het GVB; dat meerjarenplannen daarom volgens de gewone wetgevingprocedure moeten worden vastgesteld, overeenkomstig artikel 43, lid 2, VWEU;

F.  overwegende dat er over het westelijke horsmakreelbestand onvoldoende biologische gegevens zijn om het bestand volledig te kunnen evalueren; dat in het advies van het STEFC echter staat dat een oogstcontroleregeling op basis van de trend in de eiproductie borg kan staan voor duurzaam bestandsbeheer; dat de oogstcontrole gelijkelijk gebaseerd moet zijn op vanuit het voorzorgsbeginsel verstrekt advies over gemiddelde rekruteringsvoorwaarden en op recente totaal toegestane vangsten die zijn aangepast met een factor die de recente trend in de op basis van de eiproductie gemeten omvang van het bestand weergeeft;

G.  overwegende dat het vaststellen en toewijzen van vangstmogelijkheden in het kader van het GVB een rechtstreekse impact hebben op de sociaaleconomische situatie van de visserijvloten van de lidstaten, met name voor kleinschalige kustvloten;

H.  overwegende dat de Raad zichzelf niet het recht mag voorbehouden om unilateraal over te gaan tot aanpassing van de parameters die in het voorstel voor de vaststelling van de totaal toegestane vangsten zijn gedefinieerd, aangezien dat kernpunten zijn van het voorgestelde langetermijnplan;

I.  overwegende dat het Parlement in zijn standpunt in eerste lezing de Raad een zekere flexibiliteit had gelaten ten aanzien van de formule voor het berekenen van de totale verwijderde hoeveelheid overeenkomstig wetenschappelijk onderbouwde oogstregels, zulks om een compromisoplossing mogelijk te maken en bij te dragen aan een constructieve en positieve benadering van dit wetgevingsvoorstel;

J.  overwegende dat de biologische referenties en parameters die deel uitmaken van de oogstregeling gebaseerd moeten zijn op de meest recente wetenschappelijke inzichten en dat de Commissie moet worden gemachtigd om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van bepaalde biologische referenties en parameters in de oogstregeling en om snel in te grijpen wanneer de situatie verandert;

1.  benadrukt dat het plan is erop gericht enerzijds de biomassa van de westelijke horsmakreel op een niveau te houden dat de duurzame exploitatie van dit bestand garandeert en anderzijds de hoogste langetermijnopbrengst op te leveren;

2.  meent dat de oogstcontrole gelijkelijk gebaseerd moet zijn op vanuit het voorzorgsbeginsel verstrekt advies en op recente totaal toegestane vangsten die zijn aangepast met een factor die de recente trend in de op basis van de eiproductie gemeten omvang van het bestand weergeeft;

3.  benadrukt dat de oogstcontroleregelingen essentiële elementen van de meerjarenplannen vormen, die volgens de gewone wetgevingsprocedure moeten worden vastgesteld;

4.  benadrukt dat beheersplannen voor de lange termijn die voor zoveel mogelijk visbestanden gelden cruciaal zijn voor het behoud van de visbestanden, zoals de Commissie heeft beklemtoond in haar voorstel voor een hervormd gemeenschappelijk visserijbeleid;

5.  benadrukt dat de huidige interinstitutionele impasse moet worden doorbroken omwille van de duurzaamheid van de visbestanden en om de vissers in staat te stellen hun toekomstige activiteiten beter te plannen;

6.  verzoekt de Commissie meer initiatieven te nemen om een politieke dialoog tussen de drie instellingen te bevorderen, zodat hun respectieve rol in het besluitvormingsproces wordt verduidelijkt en de kwestie van de toekomstige opzet van de meerjaarlijkse beheersplannen aan de orde kan worden gesteld;

7.  verzoekt de Commissie om met spoed de stappen te zetten die zij bij diverse gelegenheden heeft aangekondigd en toegezegd om nieuwe interinstitutionele patstellingen met betrekking tot de toekomstige beheersplannen voor de lange termijn te voorkomen;

8.  verzoekt de Raad zijn standpunt over het voorgestelde meerjarenplan voor het westelijke horsmakreelbestand bekend te maken, zodat het Parlement zijn tweede lezing kan starten en verder kan met dit dossier;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 354 van 28.12.2010, blz. 68.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0421.
(3) PB C 348 E van 21.12.2010, blz. 15.


Bijdrage van het gemeenschappelijk visserijbeleid aan de productie van collectieve goederen
PDF 126kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de bijdrage van het gemeenschappelijk visserijbeleid aan de productie van collectieve goederen. (2011/2899(RSP))
P7_TA(2012)0052RC-B7-0579/2011

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een biodiversiteitsstrategie voor 2020” (COM(2011)0244),

–  gezien de Mededeling van de Commissie getiteld „Rio+20: naar een groene economie en betere governance” (COM(2011)0363),

–  gezien de mededeling van de Commissie over „Europa 2020” (COM(2010)2020),

–  gezien de Kaderrichtlijn mariene strategie (Richtlijn 2008/56/EG)(2),

–  gezien het door de Commissie op 13 juli 2011 voorgelegde pakket voor de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982,

–  gezien de Gedragscode van de FAO van 31 oktober 1995 voor een verantwoorde visserij,

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de visserij een van de oudste menselijke activiteiten is en dat vis een belangrijk en onmisbaar bestanddeel is van de voeding van de mens waarvan de beschikbaarheid verzekerd moet worden en waarvan het belang naar behoren erkend en gewaardeerd moet worden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB);

B.  overwegende dat de visserijsector, die zowel het vissen op wilde soorten als de aquacultuur omvat, via de drie hoofdstromen vissen, verwerking en marketing bijdragen aan de productie van onmisbare collectieve goederen; dat gezonde visbestanden, gezonde mariene ecosystemen en het behoud van de mariene biodiversiteit belangrijke collectieve goederen zijn die in stand moeten worden gehouden;

C.  overwegende dat duurzame aquacultuur in zee of in zoetwater en zowel langs de kust als in volle zee, een belangrijk onderdeel van de visserijsector is;

D.  overwegende dat de kleinschalige kustvisserij een bijzonder belangrijke rol speelt in het economische, sociale en culturele leven en voor het milieu, die in het GVB naar behoren erkend moet worden en tot uiting moet komen; dat de kustgemeenschappen zwaar getroffen zijn door het verval van de visserijsector als geheel, dat ernstige gevolgen heeft gehad voor kleine vissershavens in de hele EU;

E.  overwegende dat het hervormde GVB de ecologische, sociale en economische duurzaamheid van de visserijsector moet waarborgen in de verschillende hydrografische bekkens, mede door middel van de invoering van een gedecentraliseerd beheersmodel waarmee de besluitvorming dichter bij de plaats van activiteit wordt gebracht en de belanghebbenden zelf meer verantwoordelijkheid krijgen;

F.  overwegende dat de visserijsector activiteiten omvat die afhankelijk zijn van functionerende ecosystemen, aangezien rijke visbestanden en in goede conditie verkerende mariene ecosystemen van essentieel belang zijn voor de duurzaamheid op lange termijn van de extractie, verwerking en afzet van visserijproducten;

G.  overwegende dat de Europese visserijsector bijdraagt aan de sociale ontwikkeling omdat hij direct en indirect werkgelegenheid schept, en tot de economische groei dankzij de 6,4 miljoen vis die hij jaarlijks opbrengt;

H.  overwegende dat de multifunctionele aard van de visserijsector tot uiting komt op verschillende gebieden, bijvoorbeeld in de impact die hij heeft op sociaaleconomische, historische, culturele, wetenschappelijke en milieuvraagstukken;

I.  overwegende dat visserijactiviteiten vooral van belang zijn voor kustgebieden en eilanden, waar zij bijdragen tot een effectief beheer en tot de sociale en economische dynamiek; dat dit bijzonder belangrijk is voor de kust- en eilandgemeenschappen, die vaak benadeeld zijn als gevolg van schaarse werkgelegenheid en zwakke plaatselijke economieën;

J.  overwegende dat er een nauwe link moet bestaan tussen het GVB en andere belangrijke initiatieven van de EU op het gebied van maritieme zaken, met name die welke worden genoemd in de mededeling van de Commissie „Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie” (COM(2007)0575), waarin staat dat de Europese visserijsector ook de aanzet kan geven tot een steeds breder scala aan wetenschappelijke studies die onze kennis vergroten van de dynamiek van oceanen, van ecosystemen en van de biologie van aquatische soorten die direct of indirect te maken hebben met visserijactiviteiten;

K.  overwegende dat een dynamische, goed beheerde visserijsector een steeds grotere bijdrage aan de Europese samenleving en economie zou kunnen leveren, en daarmee een belangrijke rol zou kunnen spelen in de Europa 2020-strategie;

1.  benadrukt dat de visserij een belangrijke sector van de EU-industrie is die de Europese burgers hoogwaardig voedsel levert en economische en sociale toegevoegde waarde creëert voor de Europese Unie; is derhalve van mening dat het hervormde GVB er borg voor moet staan dat de visbestanden duurzaam geëxploiteerd worden en op een gezond niveau worden gehouden, zodat de visserijactiviteiten op lange termijn kunnen blijven bestaan in de gebieden en gemeenschappen waar die van oudsher worden uitgeoefend;

2.  is van oordeel dat ecologische, economische en sociale duurzaamheid belangrijke doelstellingen van het GVB zijn en benadrukt dat de totstandbrenging van een duurzame visserijsector de hoogste prioriteit van het GVB moet zijn, opdat de huidige en toekomstige generaties kunnen blijven profiteren van de ecologische, sociale en economische voordelen die het vissen biedt;

3.  benadrukt dat visserij, mits goed beheerd, een grotere bijdrage zou kunnen leveren aan de Europese samenleving op gebieden als voedselzekerheid, werkgelegenheid, instandhouding van dynamische visserijgemeenschappen, en op vele andere wijzen; onderstreept dat gezonde visbestanden, gezonde mariene ecosystemen en instandhouding van mariene biodiversiteit op zichzelf collectieve goederen zijn die alleen geproduceerd worden als de visbestanden duurzaam worden beheerd en elke onnodige negatieve impact op het milieu zoveel mogelijk wordt voorkomen;

4.  acht het van cruciaal belang dat zeeën, die meer dan twee derde van het oppervlak van onze planeet beslaan, worden beschouwd als hulpbronnen die een essentiële rol spelen bij de productie van andere natuurlijke hulpbronnen (bijvoorbeeld visserij); acht het dan ook strategisch gezien onontbeerlijk dat in het GVB duidelijke en precieze maatregelen worden opgenomen om er via een op ecosystemen gebaseerde benadering voor te zorgen dat dit beleid de gewenste strategische rol kan spelen;

5.  benadrukt dat het GVB bijdraagt aan het halen van de doelstellingen van de EU- biodiversiteitsstrategie voor 2020 en aan de intentie van de EU om vóór 2020 een halt toe te roepen aan het verlies van biodiversiteit en de achteruitgang van ecosysteemdiensten door maatregelen te nemen ter waarborging van duurzame visserij, voorzorgsmaatregelen te treffen ter uitbanning van destructieve visserij, door te zorgen voor het herstel van overbeviste bestanden en door maatregelen te treffen ter bescherming van soorten waarop de visserij niet is gericht;

6.  herinnert eraan dat de visserijsector (inclusief aquacultuur) op economisch vlak naar schatting 34,2 miljard EUR aan inkomsten genereert, en dat de sector op sociaal vlak meer dan 350.000 banen creëert in de visserij zelf, de visverwerkingsindustrie en de afzet, in het bijzonder in kustgebieden en afgelegen gebieden en op eilanden;

7.  benadrukt dat de visserijsector een multifunctionele dimensie heeft en dat hij, afgezien van zijn drie traditionele activiteitengebieden en zijn zichtbare impact op economisch, ecologisch en sociaal vlak, ook een belangrijke rol speelt op tal van andere terreinen, zoals milieu, cultuur, recreatie en toerisme, wetenschap, energie en onderwijs, en wijst met name op de belangrijke rol die de kleinschalige visserij in dit verband speelt;

8.  verzoekt de Commissie naar behoren rekening te houden met het feit dat de visserijsector een belangrijke rol speelt op de volgende gebieden:

   i) op cultureel gebied - vanwege zijn rol in de gastronomie, de etnografie, de geschiedenis, de literatuur, de museumkunde, enz.;
   ii) op het gebied van recreatie en toerisme - vanwege de talrijke activiteiten die hij biedt, zoals excursies op zee met plaatselijke vissers, het observeren van walvissen en zeevogels, ecologisch duiken, enz.;
   iii) op wetenschappelijk gebied – door mariene en andere wetenschappers te helpen bij hun onderzoek;
   iv) op energiegebied - door de ontwikkeling van nieuwe technologieën te bevorderen waarvan de maatschappij in haar geheel later kan profiteren;
   v) op milieugebied - via het in stand houden van biologisch gevoelige geografische gebieden en kweek- en kraamgebieden langs de kust, alsook het schoonmaken van de zeeën;
   vi) op educatief gebied - door het vermogen om te genieten van het buiten zijn te ontwikkelen en respect voor de zee bij te brengen;

9.  benadrukt dat de visserijsector vanwege zijn multifunctionele dimensie zorgt voor collectieve goederen die ten goede komen aan de EU-burgers in het algemeen en niet alleen aan degenen die direct of indirect betrokken zijn bij de visserij, en dat dit feit moet worden erkend en naar waarde moet worden geschat; merkt voorts op dat een aanzienlijk aantal EU-burgers, en met name de bewoners van kustgebieden, profiteren van de multifunctionele dimensie van de visserijactiviteiten; is van mening dat bij de financiering van het GVB ten volle rekening moet worden gehouden met de multifunctionele dimensie van de visserijsector; onderstreept dat de productie van deze extra collectieve goederen niet moet worden gebruikt als excuus om noodzakelijke hervormingen van het GVB uit te stellen;

10.  verzoekt de Commissie bijstand te verlenen aan kleine vissershavens die zwaar getroffen zijn door de dalende vangsten die het gevolg zijn van overbevissing;

11.  benadrukt dat de visserijsector (die zowel het vissen op wilde soorten als de aquacultuur omvat) een van de belangrijkste pijlers van de voedselzekerheid in de Europese Unie is, en dat de GVB-hervorming de duurzaamheid en de stabiliteit van de sector dus moet garanderen, zodat deze in de toekomst visserijproducten van voldoende kwaliteit kan leveren, in hoeveelheden die volstaan om te voorzien in de vraag van meer dan een half miljard Europese burgers;

12.  wijst nadrukkelijk op de mogelijkheden die mariene en zoetwateraquacultuur biedt als aanvulling op de belangrijke bijdrage die de visserij al levert aan de voedselzekerheid in de EU; benadrukt dat er een specifiek beleid moet komen om de ecologische duurzaamheid van de aquacultuursector te waarborgen; verzoekt de Commissie algemene kwalitatieve criteria voor de aquacultuur vast te stellen waaraan binnen de hele EU voldaan moet worden en waarbij rekening wordt gehouden met de ecologische en sociale gevolgen van aquacultuur; verzoekt de Commissie voorts te garanderen dat geïmporteerde aquacultuurproducten overeenkomstig de desbetreffende Europese duurzaamheids- en kwaliteitsnormen zijn geproduceerd, d.w.z. overeenkomstig de normen inzake milieu en dierenwelzijn;

13.  benadrukt dat de recreatievisserij niet aan de orde is gesteld in de voorstellen die de Commissie op 13 juli 2011 heeft ingediend; benadrukt dat deze vorm van visserij apart moet worden behandeld in het kader van de hervorming van het GVB;

14.  onderstreept dat verdere diversificatie van direct of indirect aan de visserij gelieerde activiteiten de uittocht van werknemers uit de sector kan helpen vertragen, de gewoonten en tradities in de verschillende regio's levend kan houden en een halt kan toeroepen aan de ontvolking van sommige kustgebieden;

15.  wijst erop dat het beheer van de visserij steeds meer steunt op wetenschappelijke gegevens, hetgeen toegepast onderzoek op dit gebied stimuleert, kennis bevordert en technologische ontwikkeling en innovatie in de hand werkt, wat spoort met de EU 2020-strategie voor de bevordering van slimme groei;

16.  wijst erop dat de visserijsector afhankelijk is van de gezondheid van de bestanden en van het evenwicht van het ecosysteem, en dat de hervorming van het GVB ervoor moet zorgen dat de rol van de sector als hoeder en beheerder van de mariene hulpbronnen weer centraal komt te staan, om zo een doeltreffendere, groenere en concurrentiekrachtigere economie tot stand te brengen, overeenkomstig de doelstellingen van de EU 2020-strategie voor de bevordering van duurzame groei;

17.  wijst erop dat de visserijactiviteiten met al hun dimensies, waaronder duurzame aquacultuur, met hun directe en indirecte impact en de collectieve goederen die zij produceren, voor sociale en territoriale cohesie zorgen, beroepsopleiding stimuleren en de sociale en economische dynamiek bevorderen, overeenkomstig de doelstellingen van de EU 2020-strategie voor de bevordering van inclusieve groei;

18.  benadrukt dat de visserijsector zowel als zodanig als via het geïntegreerd maritiem beleid (GMB) moet bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Rio +20 voor een open economie, alsook aan het scheppen van banen en het uitbannen van armoede;

19.  verklaart dat visserijactiviteiten een belangrijke rol spelen in de bredere context van het GMB en een essentiële factor vormen van het beleid inzake maritieme ruimtelijke ordening en in het kader van het Europees Maritiem en Visserijfonds;

20.  verzoekt de Commissie de multifunctionaliteit van de visserijsector en de waarde van het brede scala aan collectieve goederen die de sector produceert te erkennen;

21.  verzoekt de Commissie er in haar toekomstige beleidsvoorstellen en -besluiten voor te zorgen dat het GVB bijdraagt aan het halen van algemene beleidsdoelstellingen, zoals de EU 2020-strategie; is van mening dat in dit cruciale proces van hervorming van het GVB moet worden erkend dat het GVB een bron van ontwikkeling is in de context van het Europees Groeiproject en dat moet worden gezorgd voor de voorwaarden waarmee het zijn volledige potentieel kan ontwikkelen; verzoekt de Commissie bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van dit beleid rekening te houden met de specifieke kenmerken van visserij en van kustgebieden;

22.  verzoekt de Commissie het conditionaliteitsconcept, dat ook in het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt gebruikt, in het hervormde GVB op te nemen, zodat gezorgd wordt voor positieve discriminatie voor milieuvriendelijke visserijpraktijken, bijvoorbeeld door makkelijkere toegang tot subsidies;

23.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van parallelle activiteiten te bevorderen door een legale oplossing te vinden waarmee vissers de mogelijkheid krijgen om, zonder daar financieel voor te worden bestraft, andere bronnen van inkomsten te ontwikkelen binnen het brede scala aan visserijgerelateerde activiteiten;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.
(2) PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.


Recente politieke ontwikkelingen in Hongarije
PDF 127kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de recente politieke ontwikkelingen in Hongarije (2012/2511(RSP))
P7_TA(2012)0053B7-0095/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), de artikelen 49, 56, 114, 167 en 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), die betrekking hebben op de eerbiediging, bevordering en bescherming van grondrechten,

–  gezien de op 18 april 2011 door het parlement van de Republiek Hongarije aangenomen basiswet die op 1 januari 2012 in werking trad (hierna „de nieuwe grondwet” genoemd), en de overgangsbepalingen van de basiswet die op 30 december 2011 door het parlement zijn aangenomen (hierna „overgangsbepalingen” genoemd„),

–  gezien de adviezen CDL(2011)016 en CDL(2011)001van de Europese Commissie voor democratie middels het recht (Commissie van Venetië) over de nieuwe Hongaarse grondwet en de drie juridische vraagstukken die bij het ontwerpproces van deze nieuwe grondwet zijn gerezen,

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije(1) en zijn resolutie van 5 juli 2011 over de herziene Hongaarse grondwet(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie getiteld „Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest” (COM(2003)0606),

–  gezien de oprichting door de vicevoorzitter van de Commissie, Neelie Kroes, in oktober 2011, van een groep op hoog niveau inzake vrijheid en pluriformiteit van de media,

–  gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement op 18 januari 2012 over de recente politieke ontwikkelingen in Hongarije, alsook de hoorzitting die op 9 februari 2012 plaatsvond in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien het besluit van de Commissie van 17 januari 2012 om versnelde inbreukprocedures tegen Hongarije in te leiden inzake de onafhankelijkheid van de Hongaarse centrale bank en de gegevensbeschermingsautoriteiten, alsook inzake de maatregelen met betrekking tot de rechterlijke macht,

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie berust op de waarden van democratie en de rechtsstaat, zoals bepaald in artikel 2 VEU, op de ondubbelzinnige eerbiediging van de grondrechten en fundamentele vrijheden, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in het EVRM, en op de erkenning van de rechtswaarde van genoemde rechten, vrijheden en beginselen, waarvan de op handen zijnde toetreding van de EU tot het EVRM verder blijk geeft;

B.  overwegende dat de huidige en toekomstige lidstaten en de EU de plicht hebben erop toe te zien dat de inhoud en procedures van wetgeving van de lidstaten in overeenstemming zijn met de wetgeving en waarden van de EU, zoals met name vastgelegd in de criteria van Kopenhagen, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het EVRM, en dat de letter en geest van aangenomen wetgeving niet in strijd zijn met deze waarden en instrumenten;

C.  overwegende dat Hongarije op 18 april 2011 een nieuwe grondwet heeft aangenomen, over de aanneming en sommige bepalingen waarvan het Europees Parlement zijn afkeuring heeft uitgesproken in zijn resolutie van 5 juli 2011, waarin de Hongaarse regering wordt opgroepen in te gaan op de door de Commissie van Venetië aan de orde gestelde kwesties en zorgen, en waarin de Commissie wordt verzocht de nieuwe grondwet en de daarin uiteengezette kardinale wetten grondig te bekijken en te analyseren teneinde na te gaan of zij in overeenstemming zijn met de letter en geest van het communautair acquis en met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in het bijzonder;

D.  overwegende dat de aanneming van de kardinale wetten tot zorgen heeft geleid met betrekking tot diverse terreinen, met name met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de onafhankelijkheid van de centrale bank, de onafhankelijkheid van de gegevensbeschermingsautoriteiten, eerlijke voorwaarden voor politieke concurrentie en politieke machtswisselingen, alsook met betrekking tot de zogeheten stabiliteitswet die bepaalt dat het stelsel van inkomstenbelasting alleen met een twee derde meerderheid kan worden gewijzigd, en met betrekking tot de kardinale wetten die de huidige meerderheid het exclusieve recht verlenen om ambtenaren aan te stellen voor een ongebruikelijk lange periode en waarmee bijgevolg de bestuursmogelijkheden van toekomstige regeringen wordt beïnvloed;

E.  overwegende dat het hoofd van de nationale gerechtelijke instantie en de hoofdaanklager het recht krijgen om zaken aan rechtbanken toe te wijzen, hetgeen een inbreuk betekent op het beginsel van het recht op toegang tot de rechter en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

F.  overwegende dat overeenkomstig de nieuwe grondwet en zijn overgangsbepalingen de naam van het hooggerechtshof is veranderd in „Kúria” en dat het zesjarige mandaat van de voormalige president van het hooggerechtshof voortijdig na twee jaar is beëindigd;

G.  overwegende dat in de nieuwe grondwet wordt bepaald dat de verplichte pensioenleeftijd van rechters en aanklagers wordt verlaagd van zeventig naar tweeënzestig jaar, behalve voor de president van de Kúria en de hoofdaanklager, hetgeen discriminerend kan zijn en zal leiden tot de pensionering van circa 300 rechters, wat een ernstige inbreuk vormt op het onafhankelijk functioneren van de rechterlijke macht;

H.  overwegende dat overeenkomstig de bepalingen van de nieuwe grondwet het voormalige systeem met vier parlementaire commissarissen is vervangen door een systeem met één commissaris, waarbij het zesjarige mandaat van de commissaris voor gegevensbescherming en vrijheid van informatie voortijdig is beëindigd en zijn bevoegdheden zijn overgedragen aan een nieuw opgerichte autoriteit, hetgeen een ernstige inbreuk op zijn onafhankelijkheid vormt;

I.  overwegende dat het Hongaars parlement diverse wetten met een retroactieve werking heeft aangenomen en hiermee een van de basisbeginselen van het Europees recht heeft geschonden, namelijk het beginsel om geen retroactieve wetten aan te nemen;

J.  overwegende dat de recent aangenomen wet inzake kerken en geloofsgemeenschappen ongebruikelijk restrictieve regels omvat met betrekking tot de registratie van kerken, en registratie afhankelijk maakt van goedkeuring door een twee derde meerderheid van het parlement;

K.  overwegende dat krachtens de bepalingen van de grondwet de bevoegdheden van het Hongaars constitutioneel hof om wetten inzake de begroting te toetsen aanzienlijk zijn ingeperkt;

L.  overwegende dat een aanzienlijk aantal kwesties voor nadere uitwerking wordt doorverwezen naar kardinale wetten die een twee derde meerderheid vereisen, met inbegrip van zaken die aan het gewone politieke proces zouden moeten worden overgelaten en waarover doorgaans bij gewone meerderheid wordt besloten, hetgeen reden is tot zorg zoals tot uiting komt in het verslag van de Commissie van Venetië;

M.  overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie, Viviane Reding, heeft onderstreept dat de Commissie voornemens is na te gaan of de reorganisatie van het rechtssysteem in Hongarije gevolgen heeft voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie, Neelie Kroes, en de voorzitter van de groep op hoog niveau inzake vrijheid en pluriformiteit van de media, Vaira Vike Freiberga, herhaaldelijk hun zorg hebben geuit over de vrijheid en de pluriformiteit van de media in Hongarije;

N.  overwegende dat de voorzitter van de Commissie, José Manuel Barroso, op 18 januari 2012 heeft onderstreept dat er naast de zorgen over de juridische aspecten tevens bezorgdheid bestaat over de kwaliteit van de democratie in Hongarije, en de Hongaarse autoriteiten heeft opgeroepen de beginselen van democratie en vrijheid te eerbiedigen en deze niet alleen in theorie, maar ook in praktijk en in het politieke en maatschappelijke leven in Hongarije toe te passen;

O.  overwegende dat de Commissie op 17 januari 2012 inbreukprocedures tegen Hongarije heeft ingeleid met betrekking tot drie onderwerpen: de onafhankelijkheid van de Hongaarse centrale bank, de in de nieuwe grondwet vastgelegde verlaging van de verplichte pensioenleeftijd van rechters, en de onafhankelijkheid van de gegevensbeschermingsautoriteit; overwegende dat de Commissie de Hongaarse autoriteiten tevens om nadere uitleg heeft gevraagd inzake de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

P.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 15 december 2010 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2009) - effectieve tenuitvoerlegging na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon(3), heeft aangedrongen op een „follow-up bij de mededeling uit 2003 over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie om een transparante en coherente manier vast te leggen om mogelijke schendingen van de mensenrechten aan te pakken en om artikel 7 van het VEU op pertinente wijze te gebruiken op basis van de nieuwe structuur met betrekking tot de grondrechten”;

Q.  overwegende dat de regering van Hongarije, en met name de Hongaarse premier in zijn brief aan de Commissie en tijdens zijn toespraak in het Europees Parlement, zich bereid heeft verklaard om de problemen die tot de inbreukprocedures hebben geleid aan te pakken, de desbetreffende wetgeving te wijzigen en verder met de Europese instellingen samen te werken buiten het kader van de juridische procedures;

R.  overwegende dat het Europees Parlement een rol vervult bij het toezicht op de eerbiediging van de fundamentele rechten, vrijheden en beginselen in alle 27 lidstaten, zoals vastgelegd in het Europees acquis;

1.  is ernstig bezorgd over de situatie in Hongarije met betrekking tot het functioneren van de democratie, de rechtsstaat, de eerbiediging en bescherming van mensenrechten en sociale rechten, het systeem van wederzijdse controle en evenwicht (checks and balances), gelijkheid en non-discriminatie;

2.  dringt er, in het gemeenschappelijk belang van de Hongaarse burgers en de Europese Unie, bij de Hongaarse regering op aan om zich te voegen naar de aanbevelingen, de bezwaren en de eisen van de Commissie, de Raad van Europa en de Commissie van Venetië met betrekking tot de hierboven genoemde kwesties, en de wetten in kwestie dienovereenkomstig te wijzigen, met inachtneming van de fundamentele waarden en normen van de Europese Unie;

3.  neemt kennis van de toezegging van de Commissie, de Raad van Europa en de Commissie van Venetië om grondig te controleren of de Hongaarse wetgeving niet alleen met de letter, maar ook met de geest van het Europees recht in overeenstemming is;

4.  verzoekt de Commissie om als hoeder van de verdragen nauwlettend toe te zien op de mogelijke wijzigingen en de toepassing van genoemde wetten en de naleving van de letter en de geest van de Europese verdragen, alsook om een grondig onderzoek uit te voeren om te waarborgen:

   a) dat de rechterlijke macht volledig onafhankelijk functioneert, en er daarbij met name voor te zorgen dat de nationale gerechtelijke autoriteit, het Openbaar Ministerie en de rechtbanken in het algemeen zonder politieke inmenging worden bestuurd, en dat het mandaat van onafhankelijk benoemde rechters niet op willekeurige wijze kan worden ingekort;
   b) dat de regulering van de Hongaarse centrale bank in overeenstemming blijft met de Europese wetgeving;
   c) dat de institutionele onafhankelijkheid van gegevensbescherming en vrijheid van informatie wordt hersteld en wordt gewaarborgd door de letter en de toepassing van de desbetreffende wetgeving;
   d) dat het recht van het constitutioneel hof om wetgeving te toetsen volledig wordt hersteld, met inbegrip van het recht om begrotings- en belastingwetten te toetsen;
   e) dat de vrijheid en de pluriformiteit van de media worden gegarandeerd door de letter en de tenuitvoerlegging van de Hongaarse mediawet, met name met betrekking tot de deelname van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de oppositie aan de Mediaraad;
   f) dat de nieuwe kieswet in overeenstemming is met de Europese democratische normen en het beginsel van politieke machtswisselingen eerbiedigt;
   g) dat het recht om op democratische wijze politieke oppositie te voeren wordt gewaarborgd zowel binnen het kader van instituties als daarbuiten;
   h) dat de wet inzake kerken en geloofsgemeenschappen de basisbeginselen van gewetensvrijheid eerbiedigt en de registratie van kerken niet afhankelijk maakt van de goedkeuring door een twee derde meerderheid in het Hongaarse parlement;

5.  verzoekt de Commissie om advies in te winnen bij de Commissie van Venetië over het wetgevingspakket in zijn geheel, bestaande uit de nieuwe grondwet, de overgangsbepalingen en de kardinale wetten, en om zich samen met de Raad van Europa over deze kwesties te blijven buigen;

6.  verzoekt de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken om, in samenwerking met de Commissie, de Raad van Europa en de Commissie van Venetië, te blijven volgen of en hoe de aanbevelingen van de Commissie en het Europees Parlement zoals uiteengezet onder punt 4 van deze resolutie zijn uitgevoerd, en om de bevindingen hieromtrent in een verslag te presenteren;

7.  verzoekt de Conferentie van voorzitters om naar aanleiding van het onder punt 6 genoemde verslag te overwegen of noodzakelijke maatregelen in gang moeten worden gezet krachtens artikel 74 sexies van het Reglement en artikel 7, lid 1, VEU;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Raad van Europa, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Bureau voor de grondrechten, de OVSE en de secretaris-generaal van de VN.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0094.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0483.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0483.


Situatie in Rusland
PDF 127kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de komende presidentsverkiezingen in Rusland (2012/2505 (RSP))
P7_TA(2012)0054RC-B7-0052/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de Europese Unie en de Russische Federatie, die in 1997 in werking is getreden en waarvan de looptijd verlengd is in afwachting van een nieuwe overeenkomst,

–  gezien de lopende onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst, die een nieuw, breed opgezet kader moet bieden voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland, en gezien het „moderniseringspartnerschap”, dat in 2010 van start is gegaan,

–  gezien zijn eerdere verslagen en resoluties over Rusland, met name de resolutie van 14 december 2011 over de komende top EU-Rusland op 15 december 2011 en de uitslag van de verkiezingen voor de Doema van 4 december 2011(1) en de resolutie van 7 juli 2011 over de voorbereidingen voor de verkiezingen voor de Doema in december 2011(2),

–  gezien het Final Observation Report van de OVSE/ODIHR van 12 januari 2012 over de verkiezingen voor de Doema van 4 december 2011,

–   gezien het Final Observation Report van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa (PACE) van 23 januari 2012 over de Russische parlementsverkiezingen en de verklaring van de delegatie die Rusland na de verkiezingen heeft bezocht van 21 januari 2012,

–  gezien het tussen de EU en Rusland gevoerde mensenrechtenoverleg, en met name de laatste bijeenkomst daaromtrent, die op 29 november 2011 heeft plaatsgevonden,

–   gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, van 6 december 2011 over de parlementsverkiezingen in de Russische Federatie, en haar toespraken van 14 december 2011 in Straatsburg over de top EU-Rusland en van 1 februari 2012 over de politieke situatie in Rusland,

–   gezien de verklaring van de voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy, van 15 december 2011 na afloop van de top EU-Rusland,

–  gezien artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat nauwere samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen tussen de EU en Rusland van cruciaal belang zijn voor de stabiliteit, veiligheid en welvaart van Europa; overwegende dat een strategisch partnerschap tussen de EU en de Russische Federatie alleen kan worden ontwikkeld op basis van gedeelde waarden;

B.  overwegende dat er bezorgdheid blijft bestaan over de ontwikkelingen in de Russische Federatie ten aanzien van de eerbiediging en de bescherming van de rechten van de mens en de naleving van algemeen aanvaarde democratische beginselen, verkiezingsregels en procedures; overwegende dat de Russische Federatie volwaardig lid is van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en zich daarmee heeft verplicht tot naleving van de beginselen van democratie en mensenrechten;

C.  overwegende dat het Europees Hof voor de rechten van de mens op 12 april 2011 zijn veroordeling heeft uitgesproken over de omslachtige procedure voor de registratie van politieke partijen in Rusland, die niet voldoet aan de verkiezingsnormen die de Raad van Europa en de OVSE hebben vastgesteld; overwegende dat het hanteren van beperkingen voor de registratie van politieke partijen en kandidaten de politieke concurrentie en diversiteit in Rusland niet ten goede komt;

D.  overwegende dat de verkiezingswetgeving onlangs in beperkte mate verbeterd is, maar dat de regels in het algemeen nog altijd veel te ingewikkeld zijn, en overwegende dat de inconsistente toepassing van de regels de oppositie discrimineert;

E.  overwegende dat president Medvedev op 22 december 2011 in een toespraak tot het parlement een aantal veranderingen heeft aangekondigd in het politieke systeem, waaronder de oprichting van een nieuwe, onafhankelijke publieke televisieomroep, vereenvoudigde procedures voor partijen en presidentskandidaten, de wederinstelling van de rechtstreekse verkiezing van regionale gouverneurs en een onderzoek naar verkiezingsfraude;

F.  overwegende dat volgens het Final Observation Report van de OVSE/ODIHR bij de parlementsverkiezingen van 4 december 2011 de normen inzake vrije en eerlijke verkiezingen niet volledig zijn gerespecteerd en dat er sprake was van convergentie van de staat en de regerende partij, alsook een in onvoldoende mate onafhankelijke verkiezingsadministratie, partijdige media en staatsinmenging op verschillende niveaus; overwegende dat uit het rapport verder blijkt dat de parlementsverkiezingen werden gekenmerkt door een groot aantal procedurele fouten, gevallen van duidelijke manipulatie en ernstige gevallen van het vullen van stembussen met valse stembiljetten;

G.  overwegende dat de Russische verkiezingswaarnemingsorganisatie Golos in haar eindrapport stelt dat „de verkiezingen […] noch vrij, noch eerlijk waren en evenmin voldeden noch aan de vereisten van het Russische kieswetboek, noch aan de internationale normen op het gebied van verkiezingen” en dat „de basisprincipes van verkiezingen, namelijk waarachtige mededinging en gelijke rechten voor alle betrokken partijen, een neutrale administratie, onafhankelijke kiescommissies, stemming overeenkomstig de wet en een correct proces voor de telling van de stemmen, niet zijn geëerbiedigd”;

H.  overwegende dat de Russische bevolking – en in het bijzonder de „wittelintenbeweging” – na de parlementsverkiezingen van 4 december 2011 in een aantal massale demonstraties uiting heeft gegeven aan haar verlangen naar meer democratie, vrije en eerlijke verkiezingen en een alomvattende hervorming van het verkiezingssysteem;

I.  overwegende dat politiek pluralisme een van de hoekstenen van de democratie en van een moderne samenleving is, en een bron van politieke legitimiteit vormt; overwegende dat er bij de voorbereidingen van de presidentsverkiezingen voor moet worden gezorgd dat deze vrij en eerlijk verlopen en dat alle kandidaten dezelfde kansen hebben; overwegende dat de registratieprocedures wederom een aantal kandidaten hebben verhinderd om deel te nemen aan de verkiezingen;

J.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Rusland zich de afgelopen decennia hebben ontwikkeld, hetgeen heeft geleid tot een vergaande, velerlei aspecten omvattende wederzijdse afhankelijkheid, die in de toekomst ongetwijfeld nog groter zal worden; overwegende dat de sluiting van een strategische partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de Russische Federatie nog altijd van het allergrootste belang is voor de verdere ontwikkeling en intensivering van de samenwerking tussen de beide partners;

K.  overwegende dat Rusland de VN-Veiligheidsraad tweemaal heeft verhinderd een resolutie goed te keuren over de Syrische crisis waarin wordt opgeroepen tot steun voor het plan van de Arabische Liga, dat ook wordt gesteund door de EU;

1.  neemt nota van de rapporten van de OVSE/ODIHR en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de parlmentsverkiezingen, waarin staat dat de verkiezingen niet aan de door de OVSE vastgestelde normen hebben voldaan en dat ze zijn gekenmerkt door convergentie van de staat en de regerende partij, procedurele fouten, gevallen van manipulatie en een in onvoldoende mate onafhankelijke verkiezingsadministratie;

2.  vreest dat de verkiezingsuitslag (de samenstelling van het parlement) geen verbeteringen mogelijk zal maken wat de rol en de invloed van het parlement in het Russische politieke systeem betreft;

3.  vraagt zijn delegatie in de parlementaire samenwerkingscommissie EU-Rusland de democratie, de grondrechten en de rechtsstaat consequent met hun Russische tegenhangers te bespreken; vraagt voorts dat de activiteiten van de parlementaire samenwerkingscommissie EU-Rusland worden geëvalueerd en dat de dialoog met de niet-parlementaire oppositie en het maatschappelijk middenveld wordt geïntensiveerd;

4.  neemt kennis van de recente roep om ongeldigverklaring van de parlementsverkiezingen en vraagt de Russische autoriteiten door te gaan met het diepgaand en op transparante wijze onderzoeken van alle meldingen van fraude en intimidatie, teneinde de verantwoordelijken te straffen en de stemming daar waar onregelmatigheden zijn aangetoond over te doen; onderstreept dat de Russische verkiezingswetgeving in een klachten- en rectificatieprocedure voorziet; wijst er evenwel op dat de behandeling van klachten door de centrale verkiezingscommissie niet altijd doorzichtig was en dat niet altijd alle klachten serieus en binnen een redelijke termijn zijn afgewikkeld; betreurt het feit dat bijna 3 000 aanvechtingen met betrekking tot gevallen van verkiezingsmisdrijf, fraude en schending in afzonderlijke districten door de bevoegde rechtbanken zijn verworpen, terwijl een aantal nog in behandeling is;

5.  is verheugd over de mededeling van president Medvedev dat het politieke systeem grondig zal worden gewijzigd, waarbij onder andere voor een absoluut noodzakelijke vereenvoudiging van de regels voor de registratie van politieke partijen zal worden gezorgd; dringt er daarnaast op aan nu echt werk te maken van de problemen op het gebied van de persvrijheid en de vrijheid van vergadering en van meningsuiting; herhaalt dat de EU bereid is met Rusland samen te werken, onder meer in het kader van het „moderniseringspartnerschap”, teneinde te komen tot een betere eerbiediging van de mensenrechten en de grondrechten, en tot een doeltreffender en onafhankelijker opererende rechtsstaat in Rusland;

6.  verzoekt de Russische regering overeenkomstig de aanbevelingen van de OVSE een pakket wetgevingsvoorstellen in te dienen om een echt democratisch politiek systeem te ontwikkelen, met hervormingen om de registratie van politieke partijen en presidentskandidaten te vergemakkelijken en iets te doen aan de restrictieve toepassing van de registratieregels, teneinde zo spoedig mogelijk echte vrije en eerlijke verkiezingen mogelijk te maken;

7.  benadrukt dat de vreedzame demonstraties in Rusland aantonen dat de Russische bevolking vrije en eerlijke verkiezingen wil; verzoekt de Russische autoriteiten de recente demonstraties te beschouwen als een gelegenheid om de nodige hervormingen door te voeren ten behoeve van meer democratie, politieke inspraak en de rechtsstaat, waaronder een hervorming van de verkiezingswetgeving overeenkomstig de normen van de Raad van Europa en de OVSE; vraagt de Russische autoriteiten in de praktijk aan deze normen te voldoen om in maart vrije en democratische presidentsverkiezingen met gelijke kansen voor alle kandidaten te garanderen;

8.  veroordeelt het harde politieoptreden bij vreedzame betogingen tegen de verkiezingsonregelmatigheden en -fraude die door internationale waarnemers zijn gemeld en met video-opnamen van gewone burgers zijn gestaafd; verzoekt de Russische autoriteiten de vrijheid van vergadering en de vrijheid van meningsuiting onvoorwaardelijk te eerbiedigen, overeenkomstig de grondwet van de Russische Federatie;

9.  brengt in herinnering dat de voorbereiding van de parlementsverkiezingen vooral heeft geleden onder een gebrek aan politiek pluralisme; maakt zich zorgen over het feit dat oppositiekandidaten niet in de gelegenheid worden gesteld aan de presidentsverkiezingen op 4 maart 2012 deel te nemen, hetgeen neerkomt op een zoveelste ondermijning van de politieke concurrentie en diversiteit;

10.  spoort de Russische autoriteiten aan de dialoog met de oppositie aan te gaan, en betreurt het besluit om oppositieleider Grigory Yavlinsky te verbieden zich te registreren voor de presidentsverkiezingen, waardoor zijn partij ook geen waarnemers kan uitsturen;

11.  verzoekt de OVSE, de Raad van Europa en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid voor een follow-up van de onderzoeken naar onregelmatigheden te zorgen en de voorbereiding van de presidentsverkiezingen en de handhaving van de verkiezingsregels nauwkeurig te volgen, zoals reeds met de Russische autoriteiten is overeengekomen;

12.  wijst erop dat naar verwachting ongeveer 600 internationale waarnemers de Russische presidentsverkiezingen zullen volgen (van de OVSE/ODIHR, de PACE, de Shanghai Cooperation Organization en het GOS); onderstreept dat de internationale en nationale verkiezingswaarnemers ditmaal overal hun werk moeten kunnen doen om een doeltreffend toezicht op het verkiezingsproces overeenkomstig de normen van de OVSE/ODIHR en de Raad van Europa te garanderen; vraagt de Russische autoriteiten zich te onthouden van de inmenging en obstructie waarvan bij de parlementsverkiezingen sprake was;

13.  herhaalt zijn verzoek aan de onderzoekscommissie om zonder taboes een allesomvattend en grondig onderzoek naar de dood van Sergei Magnitsky te voeren, snel concrete conclusies te presenteren en al het nodige te doen om de verantwoordelijken voor het gerecht te brengen; wenst dat de Raad, indien de Russische autoriteiten werkeloos blijven, nadenkt over maatregelen als een reisverbod voor de gehele EU en het bevriezen van de financiële activa van de personen die schuldig zijn bevonden aan het martelen en de dood van Sergej Magnitsky alsmede aan het in de doofpot stoppen van de zaak;

14.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het feit dat de wetgeving ter beteugeling van extremisme, waarmee een illegale invulling is gegeven aan de strafwet, wordt misbruikt tegen maatschappelijke organisaties als Memorial en religieuze minderheden als Jehova's getuigen en Falun Dafa, en over het onjuiste verbod op hun materiaal op grond van extremisme;

15.  veroordeelt krachtig de goedkeuring door het parlement van Sint-Petersburg van een wet tegen propaganda over seksuele gerichtheid; veroordeelt ook soortgelijke wetten die zijn goedgekeurd in de regio's Rjazan, Arkhangelsk en Kostroma; verzoekt alle Russische autoriteiten, overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, een einde te maken aan de beperking van de vrijheid van meningsuiting met betrekking tot seksuele gerichtheid en genderidentiteit; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger de boodschap over te brengen dat de Europese Unie zich tegen deze wetten verzet;

16.  verzoekt Rusland met klem zich aan te sluiten bij de internationale consensus en de Veiligheidsraad in de gelegenheid te stellen op basis van de voorstellen van de Arabische Liga te werken aan een oplossing van de crisis in Syrië; onderstreept dat Rusland, als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad, serieus invulling moet geven aan zijn verantwoordelijkheid voor internationale vrede en veiligheid; verzoekt Rusland onmiddellijk een einde te maken aan alle verkoop van wapens en militaire uitrusting aan de Syrische regering;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van de Russische Federatie, de Raad van Europa en de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0575.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0335.


Overeenkomst EU-Marokko inzake liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouw- en visserijproducten
PDF 127kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de overeenkomst tussen de EU en Marokko over wederzijdse liberalisatiemaatregelen inzake landbouw- en visserijproducten (2012/2522(RSP))
P7_TA(2012)0055RC-B7-0048/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van Barcelona van 28 november 1995, die de aanzet gaf tot het partnerschap tussen de Europese Unie en de landen van het zuidelijke Middellandse- Zeegebied,

–  gezien de Euro-Mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds,

–  gezien het besluit van de Raad van 14 oktober 2005 om toestemming te verlenen voor onderhandelingen met Marokko over liberalisering van het onderlinge handelsverkeer in landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten,

–  gezien het besluit van de Raad van 14 december 2011 om toestemming te verlenen voor onderhandelingen met Egypte, Jordanië, Marokko en Tunesië met als doel het instellen van „diepe en brede” vrijhandelszones, als onderdeel van de bestaande Euro-Mediterrane associatieovereenkomsten met deze landen,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 8 maart 2011 over „Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse-Zeegebied”, (COM(2011)0200),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 mei 2011 over „Een nieuwe respons op een veranderend nabuurschap”, (COM(2011)0303),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(1),

–  gezien de goedkeuringsprocedure overeenkomstig artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (hierna „de overeenkomst” genoemd) (15974/2010),

–  gezien artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de veranderingen in het politieke landschap van het zuidelijke Middellandse- Zeegebied ten gevolge van de Arabische lente nopen tot een krachtige, doeltreffende en snelle reactie van de EU;

B.  overwegende dat deze reactie in ieder geval zou moeten bestaan uit de versterking van de handelsbetrekkingen en een evenwichtige en progressieve liberalisering van de handel met deze landen;

C.  overwegende dat handel en investeringen fungeren als motor voor groei en een bijdrage kunnen leveren aan de bestrijding van armoede, het creëren van saamhorigheid en het versterken van de banden tussen landen, en bovendien een positief effect kunnen hebben op de politieke stabiliteit;

D.  overwegende dat artikel 16 van de op 1 maart 2000 van kracht geworden associatieovereenkomst EU-Marokko bepaalt dat de Europese Gemeenschappen en Marokko de onderlinge handel in landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten geleidelijk zullen liberaliseren;

E.  overwegende dat de EU een groot handelsoverschot heeft met Marokko, ten belope van 5,4 miljard EUR in 2010;

F.  overwegende dat de EU op de handelsbalans voor landbouw- en visserijproducten met de zuidelijke Middellandse-Zeelanden een significant overschot heeft van meer dan 4 miljard EUR, maar dat zij op de bilaterale handelsbalans voor landbouwproducten, visserijproducten en verwerkte levensmiddelen met Marokko in 2010 een tekort van 871 miljoen EUR had; overwegende dat 18% van de export van Marokko bestaat uit de handel in landbouw- en visserijproducten;

G.  overwegende dat landbouw tussen de 15% en 20% van het bbp van Marokko uitmaakt en 12% van Marokko's export, en dat 38% van Marokko's beroepsbevolking in deze sector werkzaam is, met uitschieters naar 75% in sommige plattelandsgebieden; overwegende dat hieruit blijkt dat de stabiliteit en de uitbreiding van deze sector uitermate belangrijk is voor de politieke stabiliteit van het land;

H.  overwegende dat op grond van de voorgestelde overeenkomst per direct 55% van de tarieven voor landbouw- en visserijproducten uit Marokko wordt geliberaliseerd (was 33%) en 70% van de tarieven voor landbouw- en visserijproducten uit de EU binnen tien jaar (was 1%);

I.  overwegende dat de gevoelige producten in het oog moeten worden gehouden en dat een strikte toepassing van de quota noodzakelijk is, wil de overeenkomst evenwichtig functioneren;

J.  overwegende dat alle landbouwproducten die uit derde landen in de EU worden geïmporteerd moeten voldoen aan de EU-regels inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SFM);

K.  overwegende dat Marokko een van de vier zuidelijke Middelandse-Zeelanden is ten aanzien waarvan de Raad een onderhandelingsmandaat voor een „diepe en brede” vrijhandelsovereenkomst (DCFTA) heeft goedgekeurd; overwegende dat de handel in landbouwproducten in deze onderhandelingen aan de orde zal komen;

Algemene overwegingen

1.  is van mening dat liberalisering van de handel en geleidelijke integratie in de interne markt van de EU krachtige instrumenten kunnen zijn om de zuidelijke Middellandse-Zeelanden te ontwikkelen en om de op grote schaal voorkomende armoede en werkloosheid, met daaruit voortvloeiend economische, migratie- en veiligheidsproblemen, te helpen verlichten; is van oordeel dat dit potentieel alleen kan worden gerealiseerd indien de EU bereid is voldoende grote handelsconcessies te doen;

2.  herinnert aan de belofte die de EU na de Arabische Lente heeft gedaan om de zuidelijke Middellandse-Zeelanden te helpen bij de overgang naar democratie door handels- en economische instrumenten te gebruiken om meer vrijheid en grotere economische kansen te creëren; is van oordeel dat Marokko belangrijke stappen heeft gezet op het pad van consolidering van democratie in de vorm van hervorming van de grondwet en het houden van eerlijke verkiezingen; ziet de overeenkomst in dit verband als een welkome stap ter ondersteuning van politieke stabilisatie en een beide partijen ten goede komende duurzame economische ontwikkeling;

3.  acht het van cruciaal belang dat handels- en investeringsinitiatieven alle onderdelen van de samenleving ten goede komen en in het bijzonder gericht zijn op kmo's en kleine landbouwers; wijst er in dit verband op dat 80% van de Marokkaanse landbouwers minder dan vijf hectare land bezit en is tegen deze achtergrond blij met de steun van de Confédération marocaine de l'agriculture et du développement rural (Comader) voor de overeenkomst; brengt in herinnering dat voedselzekerheid een sociale, milieu- en culturele dimensie heeft, naast uiteraard de economische aspecten;

De overeenkomst

4.  onderstreept dat de overeenkomst, gezien het belang van de landbouwsector in Marokko voor met name de werkgelegenheid, een essentiële rol zal spelen voor de economische ontwikkeling en de politieke stabilisering van het land, aangezien deze nieuwe kansen biedt voor exporten naar de EU, die voor Marokkanse producten de belangrijkste afzetmarkt is; onderstreept dat de overeenkomst ook kansen aan de landbouwindustrie van de EU zal bieden, in het bijzonder de sector verwerkte levensmiddelen; wijst erop dat de EU-exporteurs uiteindelijk de voordelen kunnen plukken van de afschaffing van de Marokkaanse invoerheffingen voor 70% van de landbouw- en visserijproducten, hetgeen bij volledige toepassing tot een geschatte besparing van 100 miljoen EUR per jaar in douaneheffingen zal leiden;

5.  is verheugd over de aanvullende niet-tarifaire maatregelen in de overeenkomst, zoals toekomstige onderhandelingen over extra bescherming voor Europese geografische aanduidingen, verbeterde vrijwaringsmechanismen, en sanitaire en fytosanitaire maatregelen; wijst er voorts op dat de EU en Marokko overeenstemming hebben bereikt over een geschilbeslechtingsmechanisme, waar elke partij een beroep op kan doen wanneer de bepalingen van de overeenkomst door de andere partij niet worden gerespecteerd;

6.  wijst op de bezorgdheid die in bepaalde EU-sectoren te beluisteren valt over de groter wordende rechtenvrije contingenten voor de invoer van gevoelige fruit- en groentesoorten; verzoekt de Commissie derhalve een beoordeling te presenteren van de impact van deze ontwikkeling op Europese producenten en in het bijzonder op de inkomens van landbouwers, en het Parlement regelmatig op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen ten aanzien van deze kwestie;

7.  maakt zich zorgen over de aanhoudende klachten van Europese industriegroepen met betrekking tot vermeende fraude met het invoerprijssysteem, en dringt aan op garanties dat de in het kader van de overeenkomst vergrootte tariefcontingenten door de EU goed zullen worden gereguleerd en dat de regels betreffende de implementatie van het invoerprijsmechanisme niet verkeerd zullen worden geïnterpreteerd; onderstreept dat Europese ondernemers klachten hebben ingediend bij OLAF en bij de Commissie verzoekschriften van het EP, en dat deze commissie de Europese Commissie heeft verzocht het invoerprijsmechanisme te wijzigen om een einde te maken aan de fraude; wijst in dit verband op de voorstellen om in het kader van de komende hervorming van het GLB de regels voor de toepassing van het invoerprijssysteem aan te laten sluiten bij het communautaire douanehandvest; is van mening dat dit hand in hand moet gaan met een wijziging van de uitvoeringsverordening van de gemeenschappelijke landbouwmarktordening, in het bijzonder de introductie van doeltreffende controlemaatregelen;

8.  wijst erop dat de overeenkomst een aantal specifieke institutionele regelingen en mechanismen bevat, zoals bepalingen betreffende samenwerking om marktverstoringen te vermijden, de door de Commissie met derde landen (waaonder Marokko) in het leven geroepen deskundigengroepen, de in het kader van het beheer van de associatie-overeenkomst opgerichte subcommissie Landbouwhandel, de regels betreffende de uitwisseling van informatie over beleid en productie, en de vrijwaringsclausule onder artikel 7 van het protocol; verzoekt de Commissie indien nodig van deze mechanismen gebruik te maken;

Handels- en economische kwesties van meer algemene aard

9.  onderstreept dat toegang tot de interne markt van de EU afhankelijk moet worden gemaakt van de nakoming van bepaalde sanitaire, fytosanitaire en milieunormen, en is ingenomen met het positieve verslag van het Voedsel- en Veterinair Bureau 2011; is er verheugd over dat de overeenkomst de nadruk legt op sanitaire en fytosanitaire maatregelen, en dringt erop aan technische bijstand centraal te stellen in de onderhandelingen over een „diepe en brede” vrijhandelsovereenkomst (DCFTA); vraagt de Commissie om bevordering van equivalente maatregelen en controles tussen Marokko en de Europese Unie op het gebied van milieu- en voedselveiligheidsnormen, teneinde een eerlijke concurrentie tussen de twee markten te waarborgen;

10.  is verheugd over de hervormingen in de Marokkaanse landbouwsector, met name het „Plan vert” (het „groene plan”), waarmee moderne technologie en financiering binnen het bereik van kleine boeren moeten komen; dringt aan op permanente steun van de EU voor het verbeteren van productiemethoden door middel van de uitwisseling van goede praktijken, alsook voor de inspanningen van Marokko op het gebied van waterbeheer;

11.  weet dat Marokko de meeste ter zake doende verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) heeft geratificeerd en onlangs wettelijke maatregelen tegen kinderarbeid heeft genomen; wijst er desniettemin op dat er wat betreft vrijheid van vereniging en kinderarbeid nog verbeteringen mogelijk zijn; stelt zich op het standpunt dat de DCFTA's tevens hulp bij de uitvoering van IAO-verdragen zouden moeten omvatten, alsmede ratificatie van nog niet ondertekende belangrijke IAO-verdragen (zoals het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht (nr. 87)) en, in het hoofdstuk betreffende duurzame ontwikkeling, initiatieven inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen;

12.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat de toekomstige overeenkomst geheel en al met het internationaal recht te verenigen is en ten goede komt aan alle betrokken plaatselijke bevolkingsgroepen;

o
o   o

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de ondervoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de delegatie voor de betrekkingen met de Maghreblanden, het presidium van de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, en de regering en het parlement van Marokko.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0446.


Overeenkomst EU-Marokko inzake liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouw- en visserijproducten ***
PDF 195kWORD 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (15975/2010 – C7-0432/2010 – 2010/0248(NLE))
P7_TA(2012)0056A7-0023/2012

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (15975/2010),

–  gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds(15974/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0432/2010),

–  gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie visserij (A7-0023/2012),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van het Koninkrijk Marokko.


Situatie in Syrië
PDF 129kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de situatie in Syrië (2012/2543(RSP))
P7_TA(2012)0057RC-B7-0068/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië,

–  gezien de conclusies over Syrië van de Raad Buitenlandse Zaken van 10 oktober, 14 november en 1 december 2011 en 23 januari 2012, en de conclusies van de Europese Raad van 23 oktober en 9 december 2011,

–  gezien de verklaringen die de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) heeft afgelegd over Syrië op 8 oktober, 3 en 28 november en 2 december 2011, alsmede op 1 en 4 februari 2012,

–  gezien Besluit 2011/782/GBVB van de Raad van 1 december 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië en houdende intrekking van Besluit 2011/273/GBVB(1), en gezien het besluit van de Raad na afloop van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 januari 2012 om de beperkende maatregelen van de EU tegen het Syrische regime aan te scherpen,

–  gezien Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011(2),

–  gezien de verklaringen van de Arabische Liga over de situatie in Syrië van 27 augustus, 16 oktober en 12, 16 en 24 november 2011 en 22 januari en 12 februari 2012, haar actieplan van 2 november 2011 en de sancties tegen Syrië die de Arabische Liga op 27 november 2011 heeft goedgekeurd,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 3 augustus 2011,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad over de mensenrechtensituatie in de Arabische Republiek Syrië van 22 november 2011,

–  gezien het rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië van 23 november 2011,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad (UNHCR)over de mensenrechtensituatie in de Arabische Republiek Syrië van 2 december 2011,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het bijbehorende Facultatief Protocol inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten, alsmede het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide, waarbij Syrië in alle gevallen partij is,

–  gezien artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat sinds het begin van de gewelddadige onderdrukkingsacties tegen vreedzame betogers in maart 2011, de systematische moorden, het geweld en de martelingen in Syrië dramatisch zijn geëscaleerd en dat het Syrische leger en de veiligheidstroepen blijven reageren met het gericht doden van personen, martelingen en massale arrestaties; overwegende dat in heel Syrië steden en dorpen door regeringstroepen worden belegerd en gebombardeerd; overwegende dat het uiterst moeilijk is toegang te krijgen tot voedsel en medische benodigdheden; overwegende dat veel Syriërs als gevolg van geweld en ontheemding geconfronteerd worden met een verslechtering van hun humanitaire situatie;

B.  overwegende dat het dodental in Syrië volgens schattingen van de VN in de loop van de 11 maanden durende opstand is opgelopen tot boven de 5 400, maar dat geactualiseerde cijfers zeer moeilijk te krijgen zijn omdat bepaalde gebieden, zoals delen van Homs, volledig van de buitenwereld zijn afgesneden; overwegende dat er nog veel meer mensen gewond zijn geraakt, dat er meer dan 69.000 personen gevangen zijn genomen, waarvan er ongeveer 32.000 weer zijn vrijgelaten en dat er ongeveer 12.400 hun toevlucht hebben gezocht in buurlanden; overwegende dat het Kinderfonds van de Verenigde Naties rapporteert dat enkele honderden kinderen gedood zijn en nog eens honderd willekeurig gearresteerd, gemarteld en in gevangenschap seksueel zijn misbruikt;

C.  overwegende dat de inwoners van de belegerde stad Homs voortdurend zwaar onder vuur liggen en vrezen dat het regime zich voorbereidt om een laatst dodelijke grondaanval uit te voeren; overwegende dat de Arabische media op 12 februari 2012 berichtten dat Syrische tanks en artillerie naast het aanhoudende offensief tegen Homs, tevens zware bombardementen uitvoeren op de stad Hama; overwegende dat de Syrische autoriteiten volhouden actie te ondernemen tegen „terroristengroeperingen” en zeggen daarmee door te zullen gaan tot de „orde” is hersteld;

D.  overwegende dat de door president Bashar al-Assad veelvuldig beloofde hervormingen en amnestieën nooit zijn uitgevoerd en dat het bewind iedere geloofwaardigheid en legitimiteit heeft verloren, hetgeen ertoe heeft geleid dat een groot deel van de internationale gemeenschap de president ertoe oproept ontslag te nemen;

E.  overwegende dat een Franse journalist is omgekomen en een Nederlandse journalist gewond is geraakt terwijl zij hun vitale rol vervulden om onafhankelijke informatie over de gebeurtenissen in Syrië te verschaffen; overwegende dat de Syrische autoriteiten volharden in hun weigering internationale journalisten en waarnemers toegang te verlenen; overwegende dat getuigenissen van Syrische vluchtelingen, burgerrapporten van binnen Syrië en beelden die met behulp van mobiele telefoons worden doorgegeven via stand-alone satellietverbindingen nog steeds de belangrijkste bron van informatie zijn die uit het land komt;

F.  overwegende dat de Arabische Liga heeft besloten de VN-Veiligheidsraad te vragen een politieke oplossing in Syrië te steunen; overwegende dat de Russische Federatie en China op 4 februari 2012 in de VN-Veiligheidsraad hun veto hebben uitgesproken over een resolutie die de oproep van de Arabische Liga tot een allesomvattend en vreedzaam politiek proces onder leiding van de Syriërs steunde; overwegende dat de Arabische Liga haar waarnemersmissie in Syrië op 28 januari 2012 heeft opgeschort wegens de ernstige verslechtering van de situatie;

G.  overwegende dat er op 18 januari 2012 bijkomende beperkende maatregelen van de EU tegen het Syrische regime in werking zijn getreden, waaronder een verbod op de export van door het Syrische regime te gebruiken uitrusting voor toezicht op telecommunicatie, een verbod op de deelname aan bepaalde infrastructuurprojecten en investeringen in dergelijke projecten, en bijkomende beperkingen op de overmaking van gelden en het verlenen van financiële diensten;

H.  overwegende dat op 23 januari 2012 de lijst van personen, entiteiten en organen die onder de restrictiemaatregelen van de EU vallen is uitgebreid met 22 personen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten en met acht entiteiten die het regime financieel ondersteunen;

I.  overwegende dat de Verenigde Staten naar aanleiding van het toenemende geweld en de ernstige veiligheidsrisico's hebben besloten hun ambassade in Syrië te sluiten; overwegende dat Frankrijk, Italië, Nederland, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en België hun ambassadeurs hebben teruggeroepen; overwegende dat de leden van de Samenwerkingsraad van de Golf en Tunesië hun ambassadeurs hebben teruggeroepen en hebben besloten de Syrische ambassadeur in hun land uit te wijzen;

J.  overwegende dat sinds maart 2011 tienduizenden Syriërs naar Turkije zijn gevlucht; overwegende dat Turkije internationaal een steeds belangrijkere rol speelt in het verzet tegen het geweld in Syrië;

K.  overwegende dat de nijpende situatie in Syrië al een negatief effect heeft op de situatie in Libanon, waarbij men bang is dat deze crisis zich snel zal uitbreiden naar de buurlanden, waardoor de hele regio te maken zal krijgen met onvoorspelbare implicaties en gevolgen;

L.  overwegende dat Rusland wapens en ander militair materiaal aan het Syrische regime blijft verkopen en een marinebasis in Syrië heeft; overwegende dat de EU een embargo heeft ingesteld op de levering van militaire uitrusting voor Syrië en dat in Cyprus een Russisch schip is onderschept en vervolgens volgens de Cypriotische autoriteiten onder valse voorwendselen is doorgevaren naar Syrië; overwegende dat de omstandigheden van dit incident nooit formeel en publiek zijn opgehelderd door het bureau van de hoge vertegenwoordiger;

M.  overwegende dat de VN-Commissaris voor de mensenrechten na de buitengewone zitting van de UNHCR in december over Syrië, naar aanleiding van de conclusies in het rapport van de onafhankelijke onderzoekscommissie van de VN en de verklaring van de secretaris-generaal van de VN van 15 januari 2012 dat de weg van de onderdrukking leidt naar een impasse, heeft opgeroepen Syrië voor het Internationaal Strafhof te dagen voor een onderzoek naar beschuldigingen van misdaden tegen de menselijkheid;

1.  betreurt het feit dat Rusland en China in de VN-Veiligheidsraad hun veto hebben uitgesproken om de ontwerpresolutie over Syrië te blokkeren, en daarmee hebben gestemd tegen het voorstel van de Arabische Liga voor een vreedzame overgang, hetgeen door het Assad-regime is uitgelegd als een volmacht om de repressie in zijn land verder op te voeren onder gebruikmaking van zware wapens en van willekeurig geweld tegen ongewapende burgers; herhaalt zijn verzoek aan de leden van de VN-Veiligheidsraad, en meer bepaald Rusland en China, om hun verantwoordelijkheid op te nemen en onmiddellijk een einde te maken aan de gewelddadige onderdrukking van het Syrische volk; blijft de initiatieven van de EU en haar lidstaten op dit gebied steunen;

2.  roept de VV/HP ertoe op alles in het werk te stellen om de aanneming van een resolutie van de VN-Veiligheidsraad door te drukken in samenwerking met zowel Rusland als China;

3.  roept Rusland, de grootste buitenlandse wapenleverancier van de Syrische regering, ertoe op zijn wapenleveringen aan Syrië onmiddellijk stop te zetten, en verzoekt de EU een zwarte lijst aan te leggen van de bedrijven die wapens aan Syrië leveren; roept alle EU-actoren er in dit verband toe op zich volledig te houden aan de EU-gedragscode voor wapenuitvoer, die beoogt te voorkomen dat uitrusting wordt uitgevoerd die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt of de regionale instabiliteit kan vergroten;

4.  veroordeelt andermaal in de meest krachtige termen de wrede onderdrukking van de bevolking door het Syrische regime, met name in de stad Homs; geeft uiting aan zijn diepste bezorgdheid omtrent de ernstige schendingen van de mensenrechten door de Syrische autoriteiten, waarbij gebruik wordt gemaakt van massale arrestaties, standrechtelijke executies, willekeurige opsluiting, gedwongen verdwijningen, foltering en slechte behandeling van gevangenen, waaronder kinderen; benadrukt dat al wie tijdens het geweld gewond is geraakt, medische verzorging moet krijgen;

5.  is bezorgd over het feit dat volgens de oproep van UNICEF van 7 februari 2012 en het rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor Syrië van 23 november 2011 sinds het begin van het geweld in maart 2011 al bijna 400 kinderen om het leven zijn gekomen, en dat bijna 380 kinderen – van wie sommige jonger dan 14 jaar – lukraak opgepakt zijn en tijdens hun opsluiting onderworpen zijn aan foltering en seksueel geweld; veroordeelt ten stelligste alle schendingen van de mensenrechten, waaronder de rechten van kinderen, door de Syrische strijdkrachten en veiligheidstroepen, en verzoekt de Syrische regering een einde te maken aan de schendingen van de kinderrechten en andere mensenrechten;

6.  betuigt zijn oprecht medeleven met de nabestaanden van de slachtoffers; prijst de moed en vastberadenheid van het Syrische volk en betuigt zijn krachtige steun aan hun streven om te komen tot volledige eerbiediging van de rechtsstaat, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en om betere economische en sociale omstandigheden te kunnen waarborgen;

7.  herhaalt zijn oproep aan president Bashar al-Assad en zijn bewind om onmiddellijk afstand te doen van de macht om in Syrië een vreedzame overgang naar democratie mogelijk te maken;

8.  dringt er bij het Assad-regime op aan het geweld tegen het Syrische volk te beëindigen, troepen en tanks uit de steden weg te halen, alle opgesloten demonstranten, politieke gevangenen, mensenrechtenactivisten, bloggers en journalisten vrij te laten en internationale mensenrechten- en humanitaire organisaties, alsmede de internationale media onbeperkt toegang te verlenen;

9.  dringt aan op snelle, onafhankelijke en transparante onderzoeken naar de wijdverbreide, stelselmatige en grove schendingen van mensenrechten en fundamentele vrijheden door de Syrische autoriteiten, strijdkrachten en veiligheidstroepen om ervoor te zorgen dat iedereen die verantwoordelijk is voor dit soort daden, die zouden kunnen worden aangemerkt als misdaden tegen de menselijkheid, ten overstaan van de internationale gemeenschap verantwoording moet afleggen; is van mening dat de kern van de door de VN-Veiligheidsraad ontplooide initiatieven om de Syrische crisis te beëindigen moet bestaan uit duidelijke mechanismen voor het afleggen van verantwoording, en onderschrijft nogmaals de oproep van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN om Syrië voor het Internationaal Strafhof te dagen;

10.  spreekt opnieuw zijn steun uit voor de inspanningen van de Arabische Liga om een einde te maken aan het geweld en een politieke oplossing in Syrië naderbij te brengen; is verheugd over het besluit van de Arabische Liga om nauwer met de VN samen te werken; neemt nota van het besluit van de Arabische Liga om naar aanleiding van het steeds gewelddadigere optreden van de autoriteiten haar waarnemersmissie in Syrië op te schorten;

11.  is ingenomen met de steun van de VV/HV voor het opzetten van een contactgroep van landen onder de naam „Vrienden van het Syrische volk”, die zich willen inzetten voor democratische verandering in Syrië, en waarbij ook Turkije en de leden van de Arabische Liga moeten worden betrokken; is ingenomen met de aankondiging van de VV/HV dat zij zal deelnemen aan de eerste bijeenkomst van deze contactgroep in Tunesië op 24 februari 2012;

12.  verzoekt de Raad collectief te besluiten om alle ambassadeurs uit Syrië terug te roepen en de diplomatieke contacten met Syrische ambassadeurs in de EU-lidstaten te bevriezen; dringt er bij de VV/HV op aan de EU-delegatie in Damascus te versterken met humanitaire capaciteit, en om hetzelfde te doen op andere plaatsen waar dat noodzakelijk is;

13.  is ingenomen met de toezegging van de EU zich hard te zullen blijven maken voor meer internationale druk op het regime in Syrië; steunt het besluit van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 januari 2012 om nieuwe beperkende maatregelen aan het Syrische regime op te leggen, en dringt in dit verband aan op verdere gerichte sancties;

14.  is ingenomen met het besluit van de Europese Commissie van 3 februari 2012 om (ten bedrage van 3 miljoen EUR) humanitaire bijstand te verlenen teneinde het lijden van de bevolking in zowel Syrië als de buurlanden te verlichten;

15.  is verheugd over en steunt de inspanningen die de Syrische oppositie momenteel levert om in binnen- en buitenland tot een verenigd platform te komen, zich samen met de internationale gemeenschap actief in te zetten, in het bijzonder in het kader van de Arabische Liga, en te werken aan een gemeenschappelijke toekomstvisie voor Syrië en de overgang naar een democratisch systeem; dringt er bij de EU op aan haar politieke, technische, communicatie- en humanitaire steun aan de oppositie verder op te voeren;

16.  dringt aan op een vreedzame en waarachtige overgang naar democratie, die tegemoetkomt aan de gewettigde eisen van het Syrische volk en die stoelt op een op integratie gerichte dialoog waaraan wordt deelgenomen door alle democratische krachten en geledingen van de Syrische maatschappij om een proces van diepe democratische hervormingen op gang te brengen en recht te doen aan de noodzaak nationale verzoening te bewerkstelligen, en dat zich derhalve richt op het doen naleven van de rechten van minderheden; dringt er bij de EU op aan om steun te bieden aan alle inspanningen van de Syrische oppositie om haar krachten te bundelen en een duidelijke agenda voor een democratisch Syrië op te stellen;

17.  toont zich uiterst bezorgd over de mogelijkheid dat ook activisten van de oppositie in ballingschap het slachtoffer worden van intimidatie door de Syrische autoriteiten;

18.  is verheugd over de krachtige steun die Turkije aan de dag legt voor de Syrische bevolking, onder meer door het accepteren van vluchtelingen langs de Syrisch-Turkse grenzen en het toestaan ​​van georganiseerde Syrische oppositie; verzoekt de VV/HV alles in het werk te stellen om gesprekken op gang te brengen met Turkije, de Arabische Liga en de Syrische oppositie over de modaliteiten voor het opzetten van humanitaire corridors aan de Syrisch-Turkse grenzen;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van de Russische Federatie, de regering en het parlement van de Volksrepubliek China, de regering en het parlement van de Republiek Turkije, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Liga van Arabische Staten en de regering en het parlement van de Arabische Republiek Syrië.

(1) PB L 319 van 2.12.2011, blz. 56.
(2) PB L 16 van 19.1.2012, blz. 1.


19e zitting van de Mensenrechtenraad van de VN
PDF 154kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over het standpunt van het Parlement inzake de 19e zitting van de VN-Raad voor de rechten van de mens (2012/2530(RSP))
P7_TA(2012)0058B7-0071/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele verklaring van de rechten van de mens en alle VN-verdragen over de rechten van de mens en de facultatieve protocollen hierbij(1),

–  gezien het Europees Verdrag betreffende de rechten van de mens en het Handvest van de grondrechten van de EU,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Raad voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties (UNHRC), met name zijn resolutie van 10 maart 2011 over de prioriteiten van de 16e zitting van de VN-Raad voor de rechten van de mens en de herziening in 2011(2),

–  gezien de delegatie van de Subcommissie mensenrechten van het Europees Parlement, die zich tijdens de 16e zitting van de UNHRC naar Genève heeft begeven, en haar verslag aan de Subcommissie, en gezien de gezamenlijke delegatie van de Commissie buitenlandse zaken en de Subcommissie mensenrechten naar de 66e zitting van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie(3),

–  gezien resolutie 16/21 van de UNHRC van 25 maart 2011 over de herziening van de werkzaamheden en de werking van de Raad voor de rechten van de mens,

–  gezien zijn resolutie van 11 mei 2011 over de EU als wereldspeler: de rol van de EU in multilaterale organisaties(4),

–  gezien de komende 7e ronde van de UNHRC, met name de 19e zitting die van 27 februari tot en met 23 maart 2012 zal worden gehouden, en gezien de 13e en 14e zitting van de universele periodieke doorlichting (UPR), die in de loop van 2012 zal worden georganiseerd,

–  gezien de vorige gewone en speciale zittingen van de UNHRC, alsmede de eerste ronde van de UPR, die in december 2011 werd voltooid,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2011 met als titel „Een centrale plaats voor mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU - Voor een meer doeltreffende aanpak” (COM(2011)0886),

–  gezien de artikelen 2, 3, lid 5, 18, 21, 27 en 47 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de eerbiediging, bevordering en waarborging van het universele karakter van de mensenrechten een onderdeel is van het ethische en wettelijke acquis van de Europese Unie en één van de hoekstenen van de Europese eenheid en integriteit(5),

B.  overwegende dat de lopende herziening van het EU-beleid inzake de mensenrechten zou moeten bijdragen tot een actiever, samenhangender en doelmatiger extern beleid op het wereldtoneel;

C.  overwegende dat de EU en haar lidstaten moeten instaan voor de eerbiediging van de mensenrechten in hun eigen beleid ten einde de samenhang tussen het interne en externe beleid te versterken en aldus de geloofwaardigheid van de EU in de UNHRC te vergroten;

D.  overwegende dat alle internationale actoren zich moeten inzetten voor het afschaffen van dubbele maatstaven en voor het voorkomen van selectiviteit en politisering van mensenrechtenkwesties;

E.  overwegende dat de UNHRC een uniek platform is voor de universele rechten van de mens en een specifiek forum vormt voor de behartiging van de mensenrechten binnen het stelsel van de Verenigde Naties; overwegende dat aan de UNHRC de belangrijke taak is toebedeeld om de bevordering, bescherming en eerbiediging van de mensenrechten over de gehele wereld te schragen;

F.  overwegende dat rekening moet worden gehouden met de implicaties van de werkzaamheden in het Derde Comité van de Algemene Vergadering en in de UNHRC voor het debat in de VN-Veiligheidsraad;

G.  overwegende dat een delegatie van de Subcommissie mensenrechten van het Parlement zich gedurende de 19e zitting van de UNHRC naar Genève zal begeven, zoals ook in de afgelopen jaren voor de zittingen van de UNHRC het geval was;

1.  neemt nota van het lopende proces ter bekrachtiging van de prioriteiten van de EU voor de 19e zitting van de UNHRC en is verheugd over het feit dat Birma/Myanmar, de Democratische Republiek Korea, Syrië, Libië en Iran als de voornaamste kwesties zijn aangemerkt;

2.  is ingenomen met het feit dat op de agenda voor de 19e gewone zitting onder andere paneldiscussies staan over de mainstreaming van de mensenrechten, de vrijheid van meningsuiting op het internet, de vrijheid van godsdienst, levensovertuiging en geweten, discriminatie en geweld naar aanleiding van seksuele gerichtheid en genderidentiteit, mensenrechten en HIV/AIDS, en de Verklaring van de rechten van minderheden, alsmede uitgebreide bijeenkomsten over de rechten van het kind, foltering, mensenrechten en terrorismebestrijding, verdwijningen en willekeurige detentie; doet een beroep op de lidstaten om een constructieve bijdrage aan deze debatten te leveren en duidelijk te maken dat de universele en ondeelbare mensenrechten voor alle mensen gelden ongeacht hun seksuele geaardheid en genderidentiteit;

3.  is ingenomen met de voordrachten van deze zitting voor de mandaten van onafhankelijk deskundige voor de bevordering van een democratische en rechtvaardige internationale orde, speciaal rapporteur over de bevordering van de waarheid, gerechtigheid, schadeloosstelling en de waarborgen ter voorkoming van herhaling, speciaal rapporteur over de situatie van de mensenrechten in Syrië en onafhankelijk deskundige voor de situatie van de mensenrechten in Soedan; neemt kennis van de rapporten die door de speciale rapporteurs zullen worden ingediend over onder andere de situatie van de mensenrechten in de Democratische Republiek Korea, Iran en Birma/Myanmar, en de rapporten over foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, over de situatie van verdedigers van de mensenrechten en over de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging; doet een beroep op de EU-lidstaten een actieve bijdrage aan deze debatten te leveren;

De werkzaamheden van de Raad voor de rechten van de mens

4.  is verheugd over de toenemende mainstreaming van de mensenrechten in de werkzaamheden van de VN, zoals bijvoorbeeld tot uiting komt in de aanzienlijke toename van de aanwezigheid in de Veiligheidsraad van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten - met inbegrip van zijn zeer competent geleide vertegenwoordiging op het niveau van de adjunct-secretaris-generaal in New York - of door de organisatie van een jaarlijkse paneldiscussie door de UNHRC om contact te onderhouden met de hoofden van de bestuursorganen en secretariaten van de VN-agentschappen en -fondsen, overeenkomstig het resultaat van het herzieningproces; moedigt de lidstaten van de VN-Veiligheidsraad met klem aan om te verzoeken om regelmatigere briefings door de Hoge Commissaris voor de mensenrechten ten einde op doeltreffende wijze schendingen van de mensenrechten aan te pakken, die aan de bron liggen van talrijke conflicten waarmee de VN-Veiligheidsraad te maken krijgt;

5.  herhaalt zijn oproep aan de EU-lidstaten om zich actief te verzetten tegen elke poging tot ondermijning van het concept van universaliteit, ondeelbaarheid en interdependentie van de mensenrechten, en om de UNHRC actief aan te sporen in gelijke mate aandacht te besteden aan de kwestie van discriminatie op alle gronden, waaronder gender, ras, leeftijd, seksuele geaardheid en godsdienst of levensovertuiging; is van oordeel dat UNHRC-resolutie 17/19 van 17 juni 2011 over de mensenrechten, seksuele geaardheid en genderidentiteit een tastbaar en duurzaam vervolg moet krijgen;

6.  doet andermaal een beroep op de EU-lidstaten om het voorbeeld te geven bij de ondersteuning van het universele karakter van de werkzaamheden van de Raad voor de rechten van de mens, met name door de ratificatie van alle internationale instrumenten inzake de mensenrechten die hij heeft vastgelegd; betreurt met name dat geen enkele EU-lidstaat het Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en leden van hun families heeft geratificeerd, dat meerdere lidstaten het Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning nog niet hebben goedgekeurd en/of geratificeerd en dat slechts één lidstaat het Facultatief protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten heeft geratificeerd, en verzoekt andermaal alle EU-lidstaten deze verdragen te ratificeren;

7.  blijft bezorgd over het aanhoudende „politieke blokdenken” dat, hoewel bescheiden verbetering zijn ingetreden, nog blijft domineren en aldus invloed heeft op de selectie van landen en situaties waaraan de UNHRC aandacht besteedt hetgeen negatieve gevolgen voor zijn gezag en geloofwaardigheid heeft;

8.  betreurt het feit dat het herzieningproces nog niet heeft geleid tot de ontwikkeling van strengere lidmaatschapcriteria voor wat betreft de verplichtingen en prestaties ten aanzien van vraagstukken inzake de mensenrechten; dringt andermaal aan op competitieve verkiezingen voor alle regionale groepen en beveelt aan dat de EU en haar lidstaten zich duidelijk uitspreken tegen de praktijk van „clean slates” die regionale groepen volgen, en om in dit geval het voorbeeld te geven;

Schendingen van de mensenrechten in landen waar een Arabische lente heeft plaatsgevonden

9.  neemt kennis van het feit dat Libië opnieuw lid van de UNHRC is geworden en steunt de wederopneming van het land; betreurt echter dat niet van de gelegenheid gebruik is gemaakt om strikte en transparante criteria af te bakenen voor de wederopneming van geschorste leden, die logischerwijze gebaseerd zouden moeten zijn op de uitgangscriteria voor verkiezing; dringt er bij de UNHRC op aan onverwijld dergelijke criteria voor de toekomst op te stellen met het oog op een consequente evaluatie van de geschiktheid van een land om in de UNHRC zitting te nemen op basis van zijn staat van dienst op het stuk van de mensenrechten;

10.  is ingenomen met het feit dat de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor Libië na afloop van de 15e speciale zitting haar eerste rapport bij de UNHRC heeft ingediend over september 2011; ondersteunt de verlenging van haar mandaat en kijkt uit naar het schriftelijke eindrapport dat tijdens de 19e zitting zal worden ingediend; steunt de uitvoering van de aanbevelingen van de onderzoekscommissie en schaart zich ten stelligste achter haar oproep tot een uitgebreid, onpartijdig en openbaar onderzoek naar de vermeende schendingen van het internationale recht inzake de mensenrechten en het internationale humanitaire recht tijdens het conflict, ongeacht de daders, met volledige inachtneming van juridische waarborgen; is van oordeel dat de situatie van de mensenrechten in Libië aanleiding tot bezorgdheid blijft geven, met name ten aanzien van de detentieomstandigheden en behandeling van gedetineerden die door diverse milities worden vastgehouden zonder doelmatige controle door de overgangsregering, en verzoekt om verhoogde waakzaamheid en niet-aflatende bijstand door de internationale gemeenschap, zoals gevraagd door de Hoge Commissaris voor de mensenrechten in de VN-Veiligheidsraad op 25 januari 2012;

11.  veroordeelt met klem de wijdverbreide wrede repressie en systematische schendingen van de mensenrechten van de bevolking, ook van kinderen, door het Syrische regime, en doet een beroep op de Syrische autoriteiten om onmiddellijk een einde aan het geweld te maken en hun verplichtingen uit hoofde van het internationale recht inzake de mensenrechten na te komen om een vreedzame en democratische overgang mogelijk te maken;

12.  is ingenomen met de organisatie van de 16e, 17e en 18e speciale zitting, na respectieve initiatieven van de Verenigde Staten, Polen en de EU, over de situatie van de mensenrechten in Syrië; steunt de aanbevelingen van het rapport van november en kijkt uit naar de bijgewerkte versie die tijdens de 19e zitting zal worden voorgelegd en naar de interactieve dialoog tijdens dezelfde zitting;

13.  is verheugd over het besluit tot instelling van het mandaat van speciaal rapporteur over de situatie van de mensenrechten in Syrië, wanneer het mandaat van de onderzoekscommissie afloopt; betuigt met name zijn volledige steun aan de oproep van de onderzoekscommissie, de Hoge Commissaris en alle mandaathouders in het kader van speciale procedures aan de Syrische autoriteiten om ten volle aan het onderzoek mee te werken met het oog op het afleggen van volledige verantwoording en het voorkomen van straffeloosheid; is ingenomen met alle diplomatieke inspanningen in de VN-Veiligheidsraad door mevrouw Ashton, hoge vertegenwoordiger en vicevoorzitter van de EU (HV/VV), en de EU-lidstaten ten aanzien van China en Rusland met het oog op de onverwijlde goedkeuring van een resolutie over Syrië; betreurt ten zeerste het feit dat de VN-Veiligheidsraad vanwege het hernieuwde veto van de Russische Federatie en China niet in staat was om de oproep van de Arabische Liga te steunen tot een alomvattend, door Syrië geleid politiek proces in een klimaat van geweldloosheid;

14.  geeft andermaal uiting aan zijn bezorgdheid over de situatie van de mensenrechten in Bahrein en doet een beroep op de EU-lidstaten om zich binnen de UNHRC in te zetten voor de opstelling van een resolutie over de situatie van de mensenrechten in Bahrein; onderstreept de noodzaak van een follow-up binnen de UNHRC van de kwestie van de strijd tegen de straffeloosheid in Jemen na de protesten tegen de regering in 2011, en is van mening dat amnestie in strijd is met het internationale recht inzake de mensenrechten, indien hierdoor wordt voorkomen dat individuen worden vervolgd, die wellicht verantwoordelijk zijn voor misdaden tegen de menselijkheid, genocide, oorlogsmisdaden en grove schendingen van de mensenrechten;

15.  is verheugd over de verklaringen in 2011 van Navi Pillay, VN-Commissaris voor de mensenrechten, die de Egyptische autoriteiten ertoe heeft opgeroepen een einde te maken aan het buitensporige en meedogenloze gebruik van geweld tegen demonstranten op het Tahrir-plein en elders in het land, met inbegrip van het duidelijk misplaatste gebruik van traangas, rubberkogels en scherpe munitie, alsmede over haar oproep tot een onafhankelijk onderzoek naar diverse demonstraties en gebeurtenissen;

16.  verzoekt de EU en haar lidstaten in het kader van de tweede ronde van de universele periodieke doorlichting (UPR) van Algerije vooral aandacht te besteden aan de kwestie van de gedwongen verdwijningen en het accent te leggen op het gebrek aan follow-up door Algerije van de aanbevelingen die door de verdragspartijen in dit verband zijn goedgekeurd; dringt aan op het invoeren van een specifiek follow-upmechanisme in dit verband; verzoekt tegelijkertijd de EU en haar lidstaten om uiting te geven aan hun ernstige bezorgdheid over de recente goedkeuring van vijf wetten, met name een repressieve wet op verenigingen en een discriminerende wet inzake de vrouw;

17.  onderstreept de noodzaak van internationaal toezicht op de situatie van de mensenrechten in de Westelijke Sahara, vooral door een beroep te doen op speciaal rapporteurs van de Raad voor de rechten van de mens;

Overige kwesties

18.  is verheugd over het besluit om een speciaal rapporteur te benoemen over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran; is ingenomen met het tussentijdse rapport van de speciaal rapporteur van het Derde Comité van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en kijkt uit naar de behandeling van dit rapport tijdens de 19e zitting; dringt er bij de Iraanse autoriteiten om aan om aan het onderzoek van de speciaal rapporteur mee te werken, onder andere door toegang tot het land te verlenen; dringt aan op een verlenging van het mandaat van de speciaal rapporteur in het licht van erbarmelijke situatie van de mensenrechten in Iran;

19.  looft de speciaal rapporteurs over de situatie van de mensenrechten in de Democratische Republiek Korea en over de situatie van de mensenrechten in Birma/Myanmar voor hun niet-aflatende inspanningen bij het vervullen van hun mandaat en dringt erop aan deze mandaten te verlengen; is ingenomen met de eerste positieve veranderingen in de houding van Birma/Myanmar ten gunste van meer medewerking aan de speciale procedures en herhaalt zijn oproep tot de vrijlating van alle gewetensgevangen die nog in hechtenis zijn, alsmede tot tastbare maatregelen ter bestrijding van de straffeloosheid in Birma, met name voor misdaden tegen de menselijkheid die in de etnische gebieden zijn begaan;

20.  herhaalt zijn oproep aan de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter en de EU-lidstaten om te streven naar een sterk gemeenschappelijk standpunt van de EU over de follow-up van de onderzoeksdelegatie inzake het conflict in de Gazastrook, met een openlijk verzoek om de aanbevelingen van deze delegatie ten uitvoer te leggen en rekenschap af te leggen voor alle schendingen van het internationale recht, ongeacht de vermeende daders, middels het verrichten van onafhankelijk, onpartijdig, transparant en doeltreffend onderzoek; stelt zich op het standpunt dat er geen sprake kan zijn van een doeltreffend vredesproces in het Midden-Oosten zonder dat verantwoording wordt afgelegd en recht wordt gedaan;

21.  betuigt zijn instemming met de recente formulering van het mandaat voor een onafhankelijk deskundige met het oog op de mensenrechtensituatie in Ivoorkust, waarmee nader gevolg wordt gegeven aan de aanbevelingen van de onderzoekscommissie, en ziet belangstellend uit naar diens verslag in de 19e zitting;

22.  onderstreept dat verdere steun nodig is voor de inspanningen ter versterking van het verantwoordingsproces in Sri Lanka en blijft roepen om instelling van een onderzoekscommissie naar alle misdaden die zijn gepleegd, zoals aanbevolen door het deskundigenpanel voor Sri Lanka dat door de VN-secretaris-generaal is ingesteld; vraagt de regering van Sri Lanka een uitnodiging te richten aan de speciale VN-rapporteur voor de bevordering en bescherming van het recht van vrije meningsuiting;

23.  is verontrust over de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Kazachstan; is van mening dat het verslag van het bureau van de procureur-generaal over de gebeurtenissen in Zhanaozen en Shetpe (West-Kazachstan) onvoldoende licht werpt op de rol van de Kazachse strijdkrachten bij de brute onderdrukking van de protesten van stakende oliewerkers, hun sympathisanten en medestanders op 16-18 december 2011, waarbij minstens 17 mensen om het leven zijn gekomen; is diep verontwaardigd over de daaropvolgende arrestaties van leidende figuren van de oppositiepartijen, mensenrechtenactivisten en journalisten; dringt aan op een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de gebeurtenissen en roept op tot de onmiddellijke vrijlating van alle politieke gevangenen, met inbegrip van de advocaat van de oliewerkers Natalia Sokolowa; wijst er met nadruk op dat de mensenrechtensituatie in Kazachstan op de agenda moet komen te staan van de komende zitting van de UNHRC;

24.  prijst het werk van het OHCHR over de mensenrechtensituatie in de Democratische Republiek Congo en onderstreept dat er opnieuw een mandaat moet worden geformuleerd voor een onafhankelijk deskundige die de mensenrechtensituatie in de DRC in het oog moet houden en bij de autoriteiten moet aandringen op uitvoering van de aanbevelingen van de internationale mensenrechteninstanties;

25.  verlangt dat de delegatie en de lidstaten van de EU aansturen op een HRC-resolutie over de situatie in Eritrea, aangezien dit land een steeds bedroevender figuur slaat op het punt van vrijheid van meningsuiting en vrijheid van religie, geloof of levensovertuiging;

26.  verwelkomt het verslag van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten in de VN-Veiligheidsraad over de situatie in Afghanistan, dat voortvloeit uit de werkzaamheden die haar Bureau in het kader van de UNAMA verricht; roept de EU-lidstaten op dit verslag publiekelijk te onderschrijven en zich in het debat hierover te mengen, ter ondersteuning van de aanbevelingen erin voor versterking van de rechtsstatelijkheid, tegengaan van straffeloosheid, vrouwenrechten en voor het werk van de Afghaanse mensenrechteninstelling; is voorstander van benoeming van een speciale rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Afghanistan;

27.  constateert dat het concept „verantwoordelijkheid voor bescherming (R2P)” goed aanslaat bij VN-organen als de Veiligheidsraad, de Algemene Vergadering en de Raad voor de rechten van de mens; benadrukt dat R2P een ruimer begrip is dat meer omvat dan alleen militair ingrijpen; merkt op dat ook een nieuwe interpretatie opgang doet („verantwoordelijkheid bij het beschermen”), die oorspronkelijk na de Libië-crisis door sommige BRIC-landen, met name Brazilië, in omloop werd gebracht; moedigt het verdere debat aan over de vraag hoe de VN-organen, met name de Veiligheidsraad, dit concept eventueel kunnen aanwenden met het oog op een grotere samenwerking tussen lidstaten in geval van crisis; onderstreept in het bijzonder de preventieve rol die het Internationale Strafhof vervult, met name het Bureau van de Aanklager, en het heilzame effect in dit opzicht van de verwijzingen naar het ICC door de VN-veiligheidsraad;

28.  onderstreept de noodzaak van internationale monitoring van de mensenrechtensituatie in China en vraagt de EU-lidstaten zich hiervoor actief in te zetten, in aanmerking genomen dat de dialoog EU-China inzake de mensenrechten tot dusver geen beduidende en tastbare resultaten heeft opgeleverd;

29.  stelt nogmaals dat de vrijheid van denken, geweten en godsdienst, waaronder begrepen het recht om van godsdienst of geloof te veranderen of afstand te doen, een van de fundamentele mensenrechten is; waardeert het werk van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van religie en overtuiging, en betreurt dat veel personen en gemeenschappen over de hele wereld dit recht wordt onthouden; betreurt het feit dat de vrijheid van godsdienst en meningsuiting op het grondgebied van het historische Tibet voortdurend wordt geschonden en dat als gevolg hiervan de laatste tijd steeds meer Tibetanen overgaan tot zelfverbranding, als extreme vorm van protest tegen de miskenning van hun rechten en vrijheden;

30.  spreekt zijn veroordeling uit over de recente uitlating van de Japanse minister van Justitie over mogelijke herinvoering van de doodstraf; verwelkomt het in Mongolië genomen besluit van 5 januari 2012 tot afschaffing van de doodstraf, volgend op het moratorium op toepassing van de doodstraf dat in januari 2010 werd afgekondigd, en moedigt de UNHRC en de Algemene VN-Vergadering aan te blijven ijveren voor een moratorium op en de afschaffing van de doodstraf over de gehele wereld;

31.  verwelkomt het besluit van het parlement van Guatemala om het Statuut van Rome te ratificeren;

32.  heeft veel waardering voor het werk van de VN-Entiteit voor Gendergelijkheid (VN-Vrouwen) die een impuls moet geven aan de invulling en bewaking van het „Beijing-acquis”, ook waar het gaat om seksuele en reproductieve rechten, en aan de uitvoering van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over de rol van vrouwen voor vrede en veiligheid, hetgeen alles voor de EU elementaire kwesties zijn;

Universele periodieke toetsing (UPR)

33.  is blij in de uitslag van de UNHRC-toetsing te zien bevestigd dat de tweede ronde van de UPR zich moet richten op onder meer de uitvoering van de overgenomen aanbevelingen van de eerste ronde, maar waarschuwt dat de aanbevelingen die door de beoordeelde staat niet zijn geaccepteerd, niet van het verdere proces mogen worden uitgesloten; vraagt de staten die aan de UPR deelnemen, bij hun beoordeling van derde landen in het bijzonder te letten op het gevolg en de invulling die zij geven aan de aanbevelingen van VN-verdragsorganen en Speciale Procedures, om zodoende belangrijke politieke steun te geven aan deze waardevolle, door deskundigen geleverde bijdragen;

34.  spoort de EU-lidstaten aan technische hulp te bieden bij het omzetten van UPR-aanbevelingen, overeenkomstig de toezeggingen die zijn gedaan in het kader van het oprichtingspakket en het herzieningsproces van de UNHRC; noemt het Vrijwillig Fonds voor financiële en technische bijstand bij de uitvoering van de UPR in dit verband een bruikbaar instrument, en moedigt de andere lidstaten aan om in navolging van het Britse en het Duitse voorbeeld eveneens in het Fonds te storten;

35.  meent dat de EU het profiel van het UPR-proces meer moet uitdragen, door aanbevelingen op te nemen in bilaterale en multilaterale dialogen met staten die lid zijn van de VN;

36.  is verheugd over de sterkere rol die overeenkomstig de beginselen van Parijs wordt gegeven aan nationale mensenrechteninstellingen, die nu gerechtigd zijn om in de plenaire vergadering direct na de beoordeelde staat het woord te voeren bij de behandeling van de UPR-toetsingsuitslag; betuigt nogmaals zijn steun aan ngo's op gebied van mensenrechten, en aan meer betrokkenheid van maatschappelijke organisaties en deskundigen bij de UPR;

37.  verwelkomt dat het UNHRC-toetsingsuitslag in de mogelijkheid voorziet een vrijwillig tussentijds bericht in te dienen over de opvolging van overgenomen aanbevelingen, en moedigt de EU-lidstaten aan het goede voorbeeld te geven;

Speciale Procedures

38.  stelt nogmaals dat de Speciale Procedures de kern uitmaken van het mensenrechtensysteem van de VN en dat de geloofwaardigheid en de effectiviteit van de UNHRC berusten op de volledige uitvoering van de Procedures en de samenwerking van de Raad met de mandaathouders;

39.  noemt het verheugend dat het toetsingsproces van de UNHRC de integriteit en de onafhankelijkheid van de mandaathouders, essentiële eigenschappen voor de Procedures, heeft bevestigd;

40.  verwelkomt de in het kader van de UNHRC-toetsing genomen maatregelen ter verbetering van de transparantie bij de keuze en benoeming van mandaathouders; verwelkomt eveneens dat aan nationale mensenrechteninstellingen die de beginselen van Parijs omarmen, een zwaardere rol in deze selectieprocedure wordt toebedeeld;

41.  betreurt dat de vroegtijdige waarschuwingscapaciteit van de Speciale Procedures niet verder is aangevuld met een mechanisme waardoor een bepaalde situatie automatisch onder de aandacht van de UNHRC wordt gebracht; betreurt het gemis van een mechanisme om de uitvoering van aanbevelingen van een Speciale Procedure te blijven volgen;

Betrokkenheid van de EU

42.  verwelkomt de aangekondigde verhoging van de EIDMR-middelen en onderstreept dat deze extra middelen ook moeten worden aangewend tot meerdere ondersteuning van de UNHRC; is ingenomen met de financiële bijdragen die het OHCHR sinds 2007 via het EIDMR heeft gekregen; verwacht dat de Commissie, gezien de vele nieuwe uitdagingen die zich de laatste tijd hebben voorgedaan, het bedrag van haar jaarlijkse bijdrage wel wil verhogen;

43.  herhaalt zijn waardering voor de actieve participatie van de EU in de werkzaamheden van de UNHRC, die ondermeer tot uitdrukking is gekomen door co-sponsoren van resoluties, het uitgeven van verklaringen en deelneming aan interactieve dialogen en debatten;

44.  vraagt de EU en haar lidstaten nogmaals dringend erop toe te zien dat de mensenrechten ook in hun interne beleid ten volle worden gerespecteerd, ter vermijding van dubbele maatstaven en versterking van de samenhang tussen binnenlands en buitenlands beleid, en verhoging van hun moreel gezag op het internationaal toneel; vraagt de HV/VV, mevrouw Ashton, aandacht te besteden aan de kwestie van ondernemingen in de EU die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen buiten de EU, en de invoering van sancties tegen zulke ondernemingen te entameren of althans van een systeem waarmee zicht kan worden gehouden op zulke gevallen en ervoor kan worden gezorgd dat deze ondernemingen geen EU-subsidies of enigerlei steun van de EDEO ontvangen;

45.  onderstreept nogmaals hoe belangrijk het is dat de EU krachtige gemeenschappelijke standpunten formuleert, om het gezamenlijke gewicht van de EU en haar lidstaten tot gelding te laten komen; wijst in dit verband op de capaciteitsuitbouw van de werkgroep mensenrechten van de Raad (COHOM), die zich beijvert voor de aanwijzing van belangrijke prioriteiten en voor een duidelijker werkverdeling, hetgeen de ontwikkeling van regio-overstijgende actie en samenwerking ten goede komt, en die lobbiet bij alle gematigde staten, ook in Genève en New York; is ingenomen met het feit dat COHOM de facto in Brussel blijft gestationeerd, maar dat voorgesteld wordt de COHOM eenmaal per jaar in Genève te laten vergaderen; staat achter het streven om „met vele stemmen één boodschap” te laten overkomen, maar betreurt dat het zoeken naar een gemeenschappelijk draagvlak maar al te vaak leidt tot aanvaarding van de kleinste gemene deler, met name in de definitieve conclusies van de Raad, en dringt aan op een moediger en ambitieuzere houding; moedigt in dit verband de EDEO, en dan vooral de delegaties van de EU in Genève en New York, aan meer samenhang te tonen, door tijdig en inhoudelijk overleg, en het EU-optreden meer zichtbaarheid te geven, zodat de EU in de wereld aan geloofwaardigheid wint;

46.  verwelkomt de toezegging van de HV/VV om te werken aan een jaarlijkse oefening ter aanwijzing van de prioriteiten voor de VN in het gehele circuit van vergaderingen rond de mensenrechten die in Genève en New York plaatsvinden, en acht nauwe samenwerking tussen de HV/VV en de commissaris belast met humanitaire hulp en burgerbescherming geboden omdat hun portefeuilles speciaal op het punt van mensenrechten sterk met elkaar zijn verweven;

47.  juicht de goedkeuring door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van Resolutie 65/276 over de deelname van de EU aan de werkzaamheden van de VN toe als een bescheiden start van een grotere inspanning om de rol van de Unie in de mensenrechtentaak van deze organisatie te vergroten; is van mening dat de EU nu krachtig moet doorzetten in de uitoefening van haar rechten en een ambitieuze strategie moet volgen om haar status in de VN te verhogen;

48.  verwelkomt ddde constructieve rol die de EU en haar lidstaten bij de herziening van de UNHRC hebben vervuld, met name waar zij opkwamen voor de onafhankelijkheid van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten en hun steun gaven aan de Speciale Procedures en de landenmandaten; herinnert eraan dat voldoende middelen nodig zijn om de regionale OHCHR-kantoren open te houden;

49.  onderstreept dat de capaciteit van de EU om helpend op te treden, dringend verbetering behoeft, mede door sterke allianties aan te gaan met belangrijke regionale partners en alle gematigde staten, alsmede met een mechanisme om de steun van de HV/VV te verwerven bij het lobbyen in de hoofdsteden van alle derde landen;

50.  is bijzonder verheugd over de verklaring van de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter aan het Parlement van 13 december 2011 waarmee gevolg werd gegeven aan het al lang bestaande verzoek van het Parlement voor de instelling van een speciale vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten; benadrukt dat de mandaathouder een kandidaat op deskundigenniveau moet zijn die zijn sporen op het gebied van de mensenrechten al heeft verdiend; dringt erop aan dat de benoeming zo snel mogelijk haar beslag krijgt, en dat voldoende middelen worden vrijgemaakt om vervulling van dit mandaat mogelijk te maken;

51.  draagt zijn delegatie naar de 19e zitting van de UNHRC op de in deze resolutie genoemde kwesties en standpunten te verwoorden; vraagt de delegatie om van deze missie verslag uit te brengen aan de Subcommissie mensenrechten; acht het beslist noodzakelijk dat de gewoonte om EP-delegaties te sturen naar de desbetreffende UNHRC- en AVVN-zittingen wordt voortgezet;

o
o   o

52.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid /vicevoorzitter van de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 66e Algemene Vergadering, de voorzitter van de VN-Raad voor de rechten van de mens, de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens en de Werkgroep EU-VN opgericht door de Commissie Buitenlandse Zaken.

(1) Het VN-Verdrag tegen foltering, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0097
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0334.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0229.
(5) Artikelen 2, 3, lid 5, en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.


Toegang tot boeken voor blinden
PDF 108kWORD 31k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over verzoekschrift 0924/2011, ingediend door Dan Pescod (Britse nationaliteit), namens de Europese Blindenunie (EBU)/Royal National Institute of Blind People (RNIB), over de toegang van blinden tot boeken en ander drukwerk (2011/2894(RSP))
P7_TA(2012)0059B7-0062/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 227 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de vragen van 13 januari 2012 aan de Raad en de Commissie naar aanleiding van verzoekschrift 0924/2011, ingediend door Dan Pescod (Britse nationaliteit), namens de Europese Blindenunie (EBU)/Royal National Institute of Blind People (RNIB), over de toegang van blinden tot boeken en ander drukwerk (O-000005/2012 – B7-0029/2012 en O-000006/2012 – B7-0030/2012),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de toegang van blinden en slechtzienden in de Europese Unie tot boeken en ander drukwerk erg beperkt is, omdat 95% van alle gepubliceerde werken nooit omgezet wordt in een voor blinden en slechtzienden toegankelijke versie, zoals braille, groteletterdruk of audio;

B.  overwegende dat er op mondiaal niveau momenteel geen internationale wettelijke normen bestaan die een specifieke uitzondering op de regelgeving inzake auteursrecht mogelijk maken voor grensoverschrijdende distributie van aan visueel gehandicapten aangepast materiaal;

C.  overwegende dat binnen de auteursrechtencommissie van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) momenteel overleg wordt gevoerd over een internationaal verdrag dat de toegang tot boeken voor blinden en andere visueel gehandicapten moet verbeteren;

D.  overwegende dat vertegenwoordigers van de Europese Unie zich altijd hebben uitgesproken tegen een wettelijk bindende tekst, en zich voorstander hebben betoond van niet-bindende aanbevelingen;

E.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 12 mei 2011 over „het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken”(1) de EU verzoekt een bindend WIPO-verdrag te steunen;

F.  overwegende dat in het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, meer precies de artikelen 21 en 30 daarvan, en in het Europees Handvest van de grondrechten de beginselen zijn vastgelegd inzake het verbod van discriminatie van personen met een handicap;

1.  verzoekt de Raad en de Commissie een bindend WIPO-verdrag met betrekking tot het auteursrecht op boeken en drukwerk voor blinden en visueel gehandicapten te steunen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0240.


Regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels
PDF 197kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting van het regionale verdrag over de pan-euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (2012/2519(RSP))
P7_TA(2012)0060B7-0061/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2005 over een terugblik op het proces van Barcelona(1) en zijn resolutie van 25 november 2009 over het euro-mediterrane economische en handelspartnerschap met het oog op de achtste Euromed-conferentie van de ministers van Handel(2),

–  gezien de Verklaring van Barcelona van 28 november 1995, waarmee een partnerschap tussen de Europese Unie en de zuidelijke en oostelijke Middellandse Zeelanden in het leven werd geroepen, en het op die conferentie vastgestelde werkprogramma,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en sociaal comité en het Comité van de regio's van 8 maart 2011 over „Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse-Zeegebied”, (COM(2011)0200),

–  gezien de routekaart inzake de euromediterrane handel tot 2011 en daarna, zoals in 2009 aangenomen door de achtste Euromed-conferentie van de ministers van Handel,

–  gezien de gezamenlijke mededeling aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 mei 2011 over „Een nieuwe respons op een veranderend nabuurschap”, (COM(2011)0303),

–  gezien de Euromediterrane associatieovereenkomsten tussen de Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Tunesië(3), Israël(4), Marokko(5), Jordanië(6), Egypte(7), Libanon(8) en Algerije(9), anderzijds en de Euromediterrane interim-associatieovereenkomst tussen de Gemeenschap en de PLO (ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit)(10),

–  gezien Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (96/142/EG),

–  gezien de duurzamheids-effectbeoordeling van het euromediterraans vrijhandelsgebied, die werd opgesteld door het Instituut voor ontwikkelingsbeleid en –beheer van de universiteit van Manchester,

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2007 over de instelling van een euromediterrane vrijhandelszone(11) en de overwegingen die daarin aan de orde komen,

–  gezien de conclusies van de euromediterrane ministerconferenties en de sectoriële ministerconferenties die sinds de start van het Proces van Barcelona hebben plaatsgevonden, en in het bijzonder de conclusies van de negende Euromedconferentie van de ministers van Handel op 11 november 2010,

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie van 25 februari 2010 in zaak C-386/08, Brita GmbH v. Hauptzollamt Hamburg Hafen,

–  gezien de verklaring van de EU voor de vierde bijeenkomst van de Associatieraad EU-Israël, die op 17 en 18 november 2003 in Brussel plaatsvond,

–  gezien de technische regeling EU-Israël bij het vierde protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de EU en Israël en het bericht van de Commissie aan importeurs, getiteld „Invoer uit Israël in de Gemeenschap”(12),

–  gezien de conclusies van de Raad betreffende het vredesproces in het Midden-Oosten, aangenomen op de 2985ste bijeenkomst van de Raad buitenlandse zaken op 8 december 2009 te Brussel,

–  gezien de mededeling van de Commissie betreffende de datum van toepassing van de protocollen inzake de oorsprong van producten die voorzien in een diagonale cumulatie tussen de Europese Unie, Algerije, Egypte, de Faeröer, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, Noorwegen, Syrië, Tunesië, Turkije, de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, IJsland en Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein)(13),

  gezien de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap enerzijds, en de regering van Denemarken en de landsregering van de Faeroër anderzijds(14),

–  gezien de artikelen 115, lid 5, en 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de pan-euromediterrane zone met een diagonale cumulatie van oorsprong gebaseerd is op een groot aantal bilaterale protocollen betreffende oorsprongsregels die zo ingewikkeld voor het bedrijfsleven zijn, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, maar ook landen, dat er geen beroep op kan worden gedaan;

B.  overwegende dat in oktober 2007 op de Euromed-conferentie van Lissabon van de ministers van handel het groene licht werd gegeven voor het opstellen van een verdrag waarin alle protocollen voor de pan-euromediterrane dialoog zouden worden ondergebracht in één vereenvoudigd instrument, waarmee het gebruik van de pan-euromediterrane cumulatie van oorsprong zou worden vergemakkelijkt; overwegende dat dit verdrag door de negende Unie voor de mediterrane conferentie van de ministers van handel van 11 november 2010 werd bekrachtigd;

C.  overwegende dat het geografische terrein van dit verdrag verbreed is, zodat het ook de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces omvat, waardoor een doeltreffende vergroting van de voordelen van de pan-euromediterrane cumulatie van oorsprong wordt bereikt;

D.  overwegende dat hier weliswaar van zeer positieve stappen kan worden gesproken, maar dat het gevaar bestaat dat een eventueel misbruik of omzeilen in van de voorschriften inzake de cumulatie van oorsprong ook gevolgen voor een groter geografisch gebied zal hebben;

E.  overwegende dat tussen de EU en zowel Israël als Palestina een associatieovereenkomst bestaat die beide voorzien in een vrijhandelsakkoord dat afzonderlijke en welomschreven bepalingen voor een preferentiële commerciële behandeling bevat;

F.  overwegende dat de Raad op 8 december 2009 in zijn conclusie over het vredesproces in het Midden-Oosten er opnieuw op wijst „dat de nederzettingen overeenkomstig de internationale wetgeving illegaal zijn, een belemmering vormen voor de vrede en een tweestatenoplossing onmogelijk dreigen te maken”;

G.  overwegende dat volgens het standpunt dat de EU inneemt producten die afkomstig zijn van plaatsen welke sinds 1967 onder Israëlisch bestuur zijn gekomen geen beroep kan worden gedaan op de preferentiële tariefbehandeling op grond van de associatieovereenkomst EU-Israël;

H.  overwegende dat de toepassing door Israël van de associatieovereenkomst EU-Israël ten aanzien van de bezette gebieden tot een ontoereikende uitvoering van de EU-wetgeving heeft geleid, die, zoals het Europese hof van Justitie in de zaak Brita GmbH tegen Hauptzollamt Hamburg-Hafen heeft bevestigd, de douaneautoriteiten van de lidstaten niet toestaat om op grond van de associatieovereenkomst EU-Israël een preferentiële behandeling te geven aan producten die afkomstig zijn uit de door Israël bezette gebieden;

I.  overwegende dat de Europese burgers duidelijk hebben gemaakt wat hun standpunt is met betrekking tot producten die uit de door Israël bezette Palestijnse gebieden afkomstig zijn;

J.  overwegende dat de EU met een aantal problemen is geconfronteerd bij de handhaving van de regels van oorsprong met betrekking tot producten die uit nederzettingen in de bezette gebieden afkomstig zijn; overwegende dat de EU in haar verklaring voor de vierde bijeenkomst van de Associatieraad EU-Israël in 2003 heeft benadrukt dat het van belang is de bilaterale kwestie van de oorsprongsregels op te lossen voordat het oorspongsprotocol wordt geamendeerd om de toepassing van de pan-euromediterrane cumulatie van oorsprong mogelijk te maken; overwegende dat de Commissie wegens het ontbreken van een dergelijke oplossing getracht heeft deze problemen aan te pakken door een juridisch niet-bindende bilaterale technische regeling met Israël te treffen waarbij Israël op elke verklaring van oorsprong de postcode aangeeft van de plaatsen waarin de producten waarop de verklaring betrekking heeft zijn geproduceerd, zodat de douaneautoriteiten van de EU op producten die in de Israëlische nederzettingen zijn geproduceerd onmiddellijk niet-preferentiële heffingen kunnen toepassen;

K.  overwegende dat deze technische regeling bestaat tussen de EU en Israël, enerzijds, en tussen de EVA-landen en Israël, anderzijds; overwegende dat het voorgestelde verdrag op generlei wijze deze regeling uitbreidt tot het geografische gebied waarop het betrekking heeft, dan wel bindend is voor de andere partijen;

L.  overwegende dat Israël en zijn exporteurs op grond van de voorschriften van de technische regeling er al toe verplicht zijn een onderscheid te maken tussen productiewerkzaamheden die zijn uitgevoerd in de gebieden die in 1967 onder Israëlisch bestuur zijn gebracht en productie die plaatsvindt op het internationaal erkende grondgebied van de staat Israël;

M.  overwegende dat het verdrag in zijn huidige vorm de Europese Unie of enige overeenkomstsluitende partij geen aanvullende rechtsmiddelen biedt in gevallen waarbij de voorschriften inzake de cumulatie geacht worden niet op de juiste wijze te zijn opgevolgd;

N.  overwegende dat de douaneautoriteiten van de afzonderlijke lidstaten de waarachtigheid moeten controleren van de opgaven omtrent de preferentiële oorsprong van producten die in de EU worden ingevoerd; overwegende dat de douaneautoriteiten, ondanks al hun inspanningen, niet elk afzonderlijk preferentieel bewijs van oorsprong en iedere preferentiële zending die vanuit Israël naar de EU wordt geïmporteerd kunnen controleren; overwegende dat het verdrag dit logistieke probleem nog eens kan verergeren door uitbreiding van het aantal partnerlanden die de be- of verwerking van door Israël uitgevoerde materialen cumuleren wanneer zij producten uitvoeren uit hoofde van hun overeenkomsten met de EU,

O.  overwegende dat, hoewel het probleem van bepaling van de echte oorsprong van door Israël uitgevoerde producten adequater moet worden aangepakt, dit niet ten koste mag gaan van de sociale en economische integratie van de gehele regio;

P.  overwegende dat de Arabische Lente heeft aangetoond dat er eerlijke en billijke regels nodig zijn waardoor de bevolking van ieder land aan de Middellandse Zee optimaal kan profiteren van haar eigen economische inspanningen en dat de EU deze inspanningen duidelijk moet ondersteunen; overwegende dat de EU naar aanleiding van de Arabische Lente heeft herhaald dat zij de handelsbetrekkingen met de Arabische landen wil verbeteren;

Q.  overwegende dat de Commissie in haar gezamenlijke mededeling van 8 maart 2011 getiteld „Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied” de goedkeuring van het verdrag als een van de instrumenten noemt die ervoor moeten zorgen dat handel en investeringen een zo groot mogelijke impact hebben in de regio;

R.  overwegende dat de euro-mediterrane vrijhandelszone in 2010 niet van de grond is gekomen; overwegende dat dit vooral was toe te schrijven aan het gebrek aan sociale, commerciële en economische zuid-zuidintegratie tussen de zuidelijke Middellandse Zeelanden;

S.  overwegende dat deze overeenkomst een zeer ingrijpend effect op nationaal en regionaal vlak zou kunnen hebben,

1.  is van mening dat internationale handel een vehikel kan zijn voor economische groei, economische diversificatie en armoedebestrijding, elk op zich noodzakelijke onderdelen voor de democratisering van het Middellandse Zeegebied; steunt de inspanningen van de Commissie om preferentiële toegang te verlenen tot de interne EU-markt aan goederen die geproduceerd en gecumuleerd zijn in het Middellandse Zeegebied;

2.  is verheugd over het initiatief ter vereenvoudiging van het systeem van cumulatie van oorsprongregels in de pan-euromediterrane zone; is van mening dat het regionale verdrag voor pan-euromediterrane preferentiële oorsprongsregels een belangrijke stap voorwaarts is in de richting van handelsbevordering en sociale en economische integratie in het zuidelijke Nabuurschap;

3.  is bezorgd over huidige stand van zaken ten aanzien van de totstandbrenging van een euro-mediterrane vrijhandelszone die er al in 2010 had moeten zijn, maar die niet van de grond is gekomen; betreurt het feit dat de verschillende actoren niet echt vooruitgang hebben geboekt bij het tot stand brengen van de noodzakelijke voorwaarden; is ook voorstander van de ontwikkeling van bilaterale en multilaterale economische zuid-zuidsamenwerking, die tastbare voordelen kan opleveren voor de burgers van de betrokken landen en het politieke klimaat in de regio kan verbeteren; erkent dat het gebrek aan intraregionale handel tussen de zuidelijke Middellandse Zeelanden een groot struikelblok is geweest voor dit project; dringt er op aan dat de totstandkoming van de euro-mediterrane vrijhandelszone een van de doelen van de EU en haar zuidelijke partners moet blijven; beschouwt dit verdrag als een belangrijke stap voorwaarts naar de totstandbrenging van deze vrijhandelszone en als een mogelijke stimulans voor de zuid-zuidhandel;

4.  hoopt dat in de nieuwe democratieën die in de regio zullen opkomen in het kielzog van de Arabische Lente zal worden gepleit voor mensenrechten en sociale rechten en dat de politieke dialoog zal worden verdiept zodat er een vriendelijker klimaat ontstaat voor de intraregionale handel omdat de oorzaak van het uitblijven van die handel voor een deel gelegen was in het beleid van de vroegere dictatoriale regimes; moedigt de nieuwe democratieën aan nauw samen te werken binnen de Agadir-groep en optimaal gebruik te maken van dit verdrag; verzoekt de Commissie deze nieuwe democratieën technische bijstand te verlenen zodat zij optimaal gebruik kunnen maken van de handelsinstrumenten waarover zij beschikken, met inbegrip van het verdrag;

5.  is verheugd over het feit dat het verdrag één enkel instrument is dat het noodzakelijke wetgevingskader biedt voor diagonale cumulatie, niet alleen tussen de traditionele zuidelijke mediterrane partners, maar ook tussen de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces en de EVA, waardoor de cumulatie een grotere geografische ruimte omvat en een grotere markt gecreëerd wordt voor gecumuleerde export;

6.  betreurt dat het verdrag niet wordt aangevuld met een geschillenregeling in geval van discussie over de controle van het bewijs van oorsprong; is van mening dat het Gemengd Comité als opgericht krachtens het verdrag niet een werkbaar instrument is om dergelijke discussies te beslechten; merkt op dat de regeling van geschillen moet plaatsvinden in overeenstemming met bilaterale geschillenregelingen indien deze bestaan;

7.  is van mening dat het verdrag al sterk zou zijn verbeterd door opneming van één enkele vorm van geschillenregeling waardoor geschillen over de oorsprong en de cumulatie van producten op een snelle en bevredigende wijze kunnen worden opgelost; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te overwegen om een dergelijke regeling alsnog op te nemen wanneer het verdrag in de toekomst wordt herzien;

8.  betreurt dat in het verdrag niet wordt voorzien in een herziening of evaluatieprocedure in de toekomst; is van mening dat een complex en vérstrekkend instrument als het verdrag op gezette tijden zou moeten worden herzien; verzoekt de Commissie te overwegen een herzieningsbepaling op te nemen;

9.  acht het belangrijk dat de sluiting van het verdrag zo spoedig mogelijk vergezeld gaat van een herziening van de oorsprongregels die van toepassing zijn op de partijen bij het verdrag en dat een dergelijke herziening zodanig wordt uitgevoerd dat de oorsprongregels voor de zuidelijke Middellandse Zeelanden in overeenstemming worden gebracht met de regels die voor de verordening betreffende het algemene preferentiestelsel (SAP) worden voorgesteld; gelooft dat minder gunstige oorsprongregels af zouden doen aan het volle potentieel van het verdrag en het zuidelijke nabuurschap zouden benadelen;

10.  is ernstig bezorgd over het feit dat bepaalde bedrijven blijven doorgaan met de export van uit de bezette gebieden afkomstige producten op grond van de associatie-overeenkomst EU-Israël; betreurt deze praktijk die zij als een slag in het gezicht van het internationale EU-beleid ziet en misbruik maakt van de uitgebreide mogelijkheden voor een legitieme preferentiële toegang tot de interne markt van de Unie; verzoekt daarom de Commissie een zwarte lijst op te stellen van bedrijven die in deze praktijken volharden en de lidstaten op de hoogte te stellen;

11.  wijst er nogmaals op dat het Europees Hof van Justitie in zijn arrest in de zaak Brita GmbH v. Hauptzollamt Hamburg-Hafen verklaard heeft dat douaneautoriteiten van de importerende lidstaten de preferentiële behandeling op grond van de associatie-overeenkomst EU-Israël mogen weigeren van producten die zijn verkregen in door Israël bezette gebieden, of waarvoor de Israëlische autoriteiten niet voldoende gegevens verstrekken om de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen;

12.  is van mening dat de tenuitvoerlegging van het verdrag er niet toe mag leiden dat er een situatie wordt bestendigd of ontstaat waarin dit misbruik van de regels wordt vergemakkelijkt of aangemoedigd; benadrukt dat het verdrag, zoals gesteld wordt in de preambule, in het algemeen niet tot een minder gunstige situatie mag leiden dan die welke bestond tussen vrijhandelspartners die diagonale cumulatie toepassen; verzoekt de Commissie samen te werken met het Europees Parlement zodat de twee instellingen hun politieke wil en gewicht kunnen inzetten om een oplossing te vinden voor dit misbruik van de regels van de interne markt; verzoekt de Commissie met nieuwe voorstellen te komen voor een meer waterdichte oplossing van dit probleem;

13.  merkt op dat de landen van de EU en van de EVA elk een technische regeling met Israël hebben waarin de kwestie van de territorialiteit wordt geregeld en die tot op zekere hoogte enig soelaas biedt; is van oordeel dat de oplossingen die deze technische regelingen bieden niet bevredigend zijn; wijst er bovendien op dat de technische regelingen niet bindend zijn voor de overige partijen bij het regionale verdrag; is derhalve bezorgd dat het regionale verdrag aanleiding zal geven tot proliferatie van situaties waarin overige partijen op moeilijkheden stuiten bij hun eigen cumulatie op grond van hun overeenkomsten met de EU wanneer zij op hun eigen grondgebied werken met producten, of deze bewerken, die geïmporteerd zijn op grond van hun overeenkomsten met Israël;

14.  dringt er bij de Commissie op aan de technische regeling te herzien, desnoods via heronderhandelingen, om haar effectiever en eenvoudiger te maken verzoekt de Commissie te streven naar een oplossing die ook toepasbaar zou zijn op producten die geïmporteerd worden uit derde landen, die de be- of verwerking op hun eigen grondgebied hebben gecumuleerd met materialen die uit hoofde van hun overeenkomsten met Israël zijn ingevoerd; verzoekt de Commissie om zich bij toekomstige herzieningen van het regionale verdrag te beijveren voor opneming van bepalingen die een uniforme toepassing van het territorialiteitsbeginsel door alle verdragsluitende partijen kunnen bewerkstelligen;

15.  merkt op dat overeenkomstig de procedures als vastgelegd in de technische regeling die momenteel van kracht is tussen de EU en Israël, enerzijds, en tussen de EVA en Israël, anderzijds, de Israëlische douaneautoriteiten en de exporteurs nu al een onderscheid maken tussen productiewerkzaamheden die verricht zijn in de Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden en productiewerkzaamheden die verricht zijn op het internationaal erkende grondgebied van de staat Israël; stelt vast dat deze procedures niet voorzien in doorgifte van het onderscheid dat gemaakt wordt door de Israëlische autoriteiten en exporteurs om de EU-douaneautoriteiten in staat te stellen hetzelfde onderscheid op correcte, eenvoudige en efficiënte wijze toe te passen; vraagt de Commissie samen te werken met de douaneautoriteiten van de lidstaten om een oplossing te vinden die erop gericht is deze technische regeling om te zetten in een eenvoudig, efficiënt en betrouwbaar mechanisme;

16.  is van mening dat een eenvoudig, efficiënt en betrouwbaar mechanisme om de huidige technische regeling te vervangen overeengekomen moet worden met Israël dat erin voorziet dat Israëlische exporteurs en douaneautoriteiten hetzelfde onderscheid moeten maken en duidelijk en op passende wijze moeten aanduiden wanneer de oorsprong van producten gelegen is in gebieden die sinds 1967 onder Israëlisch bestuur zijn geplaatst;

17.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat hun douaneautoriteiten de technische regeling daadwerkelijk toepassen naar de geest van het arrest van het Europees Hof van Justitie op de gecumuleerde producten die naar de EU worden geëxporteerd op grond van de diagonale cumulatie als bepaald in het regionale verdrag; is van mening dat de Commissie het voortouw moet nemen bij de coördinatie van dergelijke EU-brede inspanningen en ook stappen moet ondernemen om de verschillende douaneautoriteiten van de afzonderlijke EU-lidstaten ervan bewust te maken hoe de technische regeling moet worden toegepast op in Israël gecumuleerde producten; is van oordeel dat de douaneautoriteiten van de EU doeltreffender zouden moeten toezien op de toepassing van de technische regeling om misbruik van het preferentiestelsel te voorkomen;

18.  verzoekt de Commissie, aangezien het verdrag een dergelijke bepaling ontbeert, na drie jaar een effectbeoordeling uit te voeren waarin onder meer geëvalueerd wordt welke voordelen de goedkeuring van het verdrag heeft opgeleverd, alsmede het effect van de cumulatie tengevolge van het verdrag op de praktijken van bepaalde eerdergenoemde bedrijven;

19.  benadrukt dat vooral het bedrijfsleven in de zuidelijke Middellandse Zeelanden meer doordrongen moet worden van de kansen die de cumulatie door het vereenvoudigde nieuwe pan-euromediterrane verdrag biedt; steunt de Commissie in haar initiatieven om dit bewustzijn te vergroten;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de partijen bij het regionale verdrag betreffende de pan-euromediterrane preferentiële oorsprongsregels en de voorzitter van de parlementaire vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UfM).

(1) PB C 272 E van 9.11.2006, blz. 570.
(2) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 35.
(3) PB L 97 van 30.03.98, blz. 2.
(4) PB L 147 van 21.06.00, blz. 3.
(5) PB L 70 van 18.03.00, blz. 2.
(6) PB L 129 van 15.05.02, blz. 3.
(7) PB L 304 van 30.09.04, blz. 39.
(8) PB L 143 van 30.05.06, blz. 2.
(9) PB L 265 van 10.10.05, blz. 2.
(10) PB L 187 van 16.07.97, blz. 3.
(11) PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 210
(12) PB C 20 van 25.1.2005, blz. 2.
(13) PB C 156 van 26.5.2011, blz. 3.
(14) PB L 53 van 22.2.1997, blz. 2.


Regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels ***
PDF 191kWORD 29k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 betreffende het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van de regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (11343/2010 – C7-0207/2011 – 2010/0093(NLE))
P7_TA(2012)0061A7-0026/2012

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (11343/2010),

–  gezien het ontwerp van de regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (09429/2010),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de eerste alinea van artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0207/2011),

–  gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0026/2012),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de conventie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de landen die partij zijn bij de regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels en aan de voorzitters van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering.


Toekomst van wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid (GMES)
PDF 111kWORD 34k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de toekomst van het Europees programma voor wereldwijde milieu- en veiligheidsbewaking (GMES)(2012/2509(RSP))
P7_TA(2012)0062B7-0063/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en de door het programma geleverde diensten (vanaf 2014) van 30 november 2011 (COM(2011)0831),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2011 met als titel: „Een begroting voor Europa 2020” (COM(2011)0500),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2012 over een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de Europese burger(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 31 mei 2011 met als titel „Naar een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de Europese burger”,

–  gezien de mondelinge vraag aan de Commissie over de toekomst van het GMES (O-000325/2011 – B7-0027/2012),

–  gezien op de artikelen 115, lid 5, en 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het programma voor wereldwijde milieu- en veiligheidsbewaking (GMES) één van de twee kerninitiatieven van de Europese Unie is dat een wezenlijke rol speelt in de waarneming van de aarde, die op haar beurt een levensbelangrijk instrument vormt in de bestrijding van de klimaatverandering en de achteruitgang van het milieu, bescherming van de burgerbevolking en veiligheid, duurzame ontwikkeling, mobiliteit en crisisbeheer, en die belangrijke economische kansen biedt door op de consument gerichte diensten te ontwikkelen en de innovatie te stimuleren;

B.  overwegende dat GMES in politiek, strategisch en technisch opzicht van doorslaggevend belang is voor Europa, omdat het in termen van economische, sociale en technologische voordelen een bijzonder hoog rendement biedt;

C.  overwegende dat het GMES is opgezet als via de EU-begroting gefinancierd programma van de Unie dat tot 2013 beschikt over ca. EUR 3,2 mia. en dat onder verantwoordelijkheid van en door de EU wordt beheerd;

D.  overwegende dat het ontbreken van een geloofwaardig financieringsprogramma dat voorziet in stabiele financiële steun op lange termijn, uiteindelijk waarschijnlijk zou resulteren in hogere kosten, verschillen in de mate van toegankelijkheid en voordelen voor Europese burgers, onderbreking of zelfs opschorting van het programma en de gegevens die dit oplevert, en in laatste instantie tot gevolg zou hebben dat de tot dusverre gedane investeringen tevergeefs zijn geweest en dat Europa zijn onafhankelijkheid en technologische voorsprong in deze belangrijke ruimte-infrastructuur zou verspelen;

E.  overwegende dat de Raad er op 31 mei 2011 op heeft aangedrongen dat het GMES-programma ook in de toekomst overeenkomstig de verantwoordelijkheden van de Unie uit de EU-begroting wordt gefinancierd, en overwegende dat een aantal lidstaten reeds te kennen heeft gegeven gekant te zijn tegen regelgeving inzake de financiering van het GMES via een intergouvernementele overeenkomst en dat het voorgestelde GMES-Fonds daarom vermoedelijk niet de benodigde kredieten zal opleveren;

1.  betreurt dat de Commissie op 30 november 2011 slechts een mededeling heeft doen uitgaan en geen wetsvoorstel inzake GMES heeft ingediend, daar de huidige verordening (EU) nr. 911/2010 uitsluitend de aanvangswerkzaamheden dekt en eind 2013 afloopt;

2.  is het niet eens met de richting die de Commissie in haar mededeling heeft aangegeven inzake de toekomstige financiering en sturing van het GMES-programma, aangezien zij streeft naar intergouvernementele financiering van dit project; vreest dat deze richting buitengemeen schadelijk zal zijn voor de toekomstige ontwikkeling van dit programma, erop neerkomt dat het programma zijn Europese dimensie verliest, indruist tegen het doorzichtigheidsbeginsel en tegen volledige, open en gelijke toegankelijkheid voor allen, en zal worden opgevat als teken dat de EU afstand neemt van dit kerninitiatief;

3.  gelooft niet dat financiering van het GMES buiten het MFK om – met de financierings- en bestuursstructuur die de Commissie in haar mededeling voorstelt – een levensvatbaar alternatief vormt;

4.  wijst erop dat onzekerheid over de toekomst van het GMES-programma en de financiering daarvan in hoge mate schadelijk is voor de ontwikkeling en aanvaarding door de markt van GMES-diensten en –toepassingen, die naar verwachting economische groei en welzijn voor de Europese burgers zullen opleveren;

5.  verzoekt de Commissie dan ook spoedig een wetgevingsvoorstel in te dienen over de in het kader van het MFK te financieren sturing, financiering en werking van het GMES-programma, om ervoor te zorgen dat het programma naar behoren wordt ingezet en werkt, en ter verwezenlijking van de nagestreefde volledige operationaliteit per 2014;

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en aan de Raad, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0013.


Doodstraf in Belarus, met name de zaak van Dmitri Konovalov en Vladislav Kovalev
PDF 122kWORD 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de doodstraf in Belarus, met name de zaken Dzmitry Kanavalau en Uladzislau Kavalyou (2012/2539(RSP))
P7_TA(2012)0063RC-B7-0075/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2009 over Belarus(1) en zijn andere resoluties over dat onderwerp, met name die van 15 september 2011(2), 12 mei 2011(3), 10 maart 2011(4) en 20 januari 2011(5),

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over de Werelddag tegen de doodstraf(6) en zijn eerdere resoluties over de afschaffing van de doodstraf, met name die van 26 april 2007 over het initiatief voor een wereldwijd moratorium op de doodstraf(7),

–  gezien resolutie 65/206 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2010 waarin wordt opgeroepen tot een moratorium op de doodstraf en zijn eerdere resoluties uit 2007 en 2008 over de doodstraf,

–  gezien de resolutie van de Parlementaire Vergadering van 6-10juli 2010 van de OVSE over de doodstraf,

–  gezien resolutie 1857 (2012) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de situatie in Belarus van 25 januari 2012,

–  gezien de verklaring van 1 december 2011 van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, over de doodstraffen in Belarus,

–  gezien de verklaring van 24 januari 2012 van de voorzitter van het Europees Parlement, Martin Schulz, waarin hij het doodvonnis van Dzmitry Kanavalau and Uladzislau Kavalyou veroordeelt,

–  gezien het besluit van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van 23 januari 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Belarus,

–  gezien artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de verklaring van de Top Oostelijk Partnerschap die op 7-9 mei 2009 in Praag werd aangenomen en de verklaring over de toestand in Belarus die werd aangenomen ter gelegenheid van de Top Oostelijk Partnerschap in Warschau van 30 september 2011,

–  gezien artikel 122 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Belarus het enige land in Europa blijft dat de doodstraf kent en nog steeds terechtstellingen uitvoert;

B.  overwegende dat in juli 2011 Aleh Hryshkautsou en Andrei Burdyka terecht werden gesteld terwijl hun zaken nog voor het mensenrechtencomité van de VN aanhangig waren en dat volgens mensenrechtenactivisten sinds 1991 ongeveer 400 mensen in Belarus terecht zijn gesteld;

C.  overwegende dat de meest recente doodvonnissen op 30 november 2011 door het Hooggerechtshof van de Republiek Belarus werden uitgesproken tegen Dzmitry Kanavalau en Uladzislau Kavalyou omdat zij zich, naar beweerd werd, in 2005 schuldig hadden gemaakt aan terroristische aanslagen in Vitebsk, in 2008 in Minsk en in april 2011 in de metro van Minsk;

D.  overwegende dat er volgens geloofwaardige berichten (FIDH, Human Rights Watch) argumenten voor zijn dat de aanklagers en het Hooggerechtshof van Belarus een oneerlijk proces hebben gevoerd en dat het onderzoek ontsierd werd door ernstige schendingen van de mensenrechten en het opzettelijk negeren van belangrijke bewijsstukken die op de onschuld van de twee mannen wezen, en overwegende dat er volgens waarnemers van het proces gedurende het voorlopige onderzoek en het gerechtelijk onderzoek van het de zaak sprake was van ernstige overtredingen van de procedure;

E.  overwegende dat Dzmitry Kanavalau en Uladzislau Kavalyou geen toegang tot advocaten kregen en dat geloofwaardige berichten erop wijzen dat gedurende de ondervragingen gemarteld werd om bekentenissen te verkrijgen, dat er geen forensisch bewijs is die een van de twee mannen met de explosie in verband zou kunnen brengen en dat er geen sporen van explosieve stoffen op de kleren of de lichamen van de mannen zijn aangetroffen;

F.  overwegende dat alle belangrijke bewijsstukken waarnaar de aanklager gedurende het proces heeft verwezen onmiddellijk na de verkondiging van het besluit van het Hooggerechtshof zijn vernietigd;

G.  overwegende dat overeenkomstig artikel 14, deel 1, van het door de Republiek Belarus geratificeerde Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten „eenieder er recht op heeft om door een ter zake bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige rechtbank op een eerlijke wijze en in het openbaar te worden gehoord”;

H.  overwegende dat de ouders van de heer Kanavalau werden geïntimideerd en door functionarissen van de geheime dienst werden gecontroleerd en dat mannen in onopvallende kleding permanent bij hun huis aanwezig waren, waardoor het voor de familie al maandenlang niet mogelijk was om met de buitenwereld communiceren;

I.  overwegende dat de doodstraf in Belarus nog steeds een „staatsgeheim” blijft en dat volgens het Belarussische wetboek van strafrecht de data van de terechtstellingen niet bekend worden gemaakt aan gedetineerden die op voltrekking van de doodstraf wachten, de families van de veroordeelden en het publiek; overwegende dat de doodstraf achter gesloten deuren door de kogel wordt voltrokken, dat het lichaam van de terechtgestelde niet voor een begrafenis aan familieleden wordt vrijgegeven en de plaats van een graf niet medegedeeld wordt;

J.  overwegende dat de terechtstelling van de heer Kanavalau en de heer Kavalyou thans op handen is;

K.  overwegende dat de uitspraak van het Hooggerechtshof in deze zaak definitief is en dat geen beroep mogelijk is; overwegende dat op grond van de Belarussische wet een gratieverzoek door de president van het land in overweging kan worden genomen; overwegende dat Uladzislau Kavalyou bij Alyaksandr Lukashenka een gratieverzoek heeft ingediend waarin hij alle beschuldigingen ontkent en vraagt hem van alle verantwoordelijkheid voor de misdaden te ontslaan, maar tot dusver geen antwoord heeft ontvangen;

L.  overwegende dat de Belarussische autoriteiten de verklaring van Praag van de Top van het Oostelijk Partnerschap hebben ondertekend waarin zij hun gehechtheid aan de beginselen van het internationale recht en aan fundamentele waarden, zoals democratie, de rechtstaat en eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden, tot uiting hebben gebracht;

1.  brengt in herinnering dat de Europese Unie en andere internationale instellingen bij de Belarussische autoriteiten herhaaldelijk op afschaffing van de doodstraffen hebben aangedrongen;

2.  onderstreept dat deze onomkeerbare, wrede, inhumane en onterende straf, die het recht op leven schendt, onaanvaardbaar is; betreurt het feit dat de Belarussische autoriteiten nog steeds geen duidelijke stappen hebben gezet naar de afschaffing van de doodstraf of de onmiddellijke invoering van een moratorium op deze straf;

3.  veroordeelt de terdoodveroordeling van de heer Kavalyou en de heer Kanavalau en dringt er bij Alyaksandr Lukashenka op aan beide mannen gratie te verlenen en een moratorium af te kondigen op alle doodvonnissen en terechtstellingen, teneinde de doodstraf uit het strafrechtelijke systeem te lichten door ratificatie van het tweede facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en in overeenstemming met de internationale normen;

4.  verzoekt de Belarussische autoriteiten om uitvoering van een volledig, eerlijk en onpartijdig onderzoek van de beschuldigingen in dit verband en vraagt hen te waarborgen dat daadwerkelijk recht wordt gedaan aan de slachtoffers van de afschuwelijke terroristische daden in kwestie;

5.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan alle beschikbare instrumenten op het vlak van diplomatie en samenwerkingsbijstand aan te wenden teneinde zich in te zetten voor afschaffing van de doodstraf in Belarus;

6.  doet een beroep op de landen van het Oostelijk Partnerschap en Rusland er bij Belarus op aan te dringen het moratorium op de doodstraf in te voeren;

7.  spoort de maatschappelijke middengroepen van Belarus en niet-gouvernementele organisaties met nadruk aan om samen te werken ten behoeve van de afschaffing van de doodstraf;

8.  vraagt de Belarussische autoriteiten om hervatting van de werkzaamheden van de parlementaire werkgroep inzake de doodstraf die in 2010 van start zijn gegaan, de eigen wetgeving aan te passen aan de verplichtingen van het land op grond van internationale mensenrechtenverdragen en ervoor te zorgen dat de internationaal erkende normen voor een eerlijke procesvoering nauwgezet worden geëerbiedigd;

9.  moedigt de Belarussische autoriteiten aan de rol van het justitiële apparaat in Belarus en zijn activiteiten te bevorderen zonder ingrijpen of druk van de uitvoerende macht, de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur over de onafhankelijkheid van rechters en advocaten uit te voeren, te zorgen voor een passende publiciteit voor het justitiële proces en zich te conformeren aan de OVSE-verplichtingen inzake menselijke dimensies, met name op rechtsstatelijk gebied;

10.  veroordeelt de voortdurende vervolging om politieke redenen in Belarus van verdedigers van de mensenrechten en leden van de democratische oppositie, alsmede de pesterijen tegen activisten van het maatschappelijk midden en de onafhankelijke media; vraagt om de onmiddellijke vrijlating van allen die om politieke redenen veroordeeld zijn en gedetineerd zijn of andere vormen van straf ondergaan, onder wie Ales Bialiatski, voorzitter van het mensenrechtencentrum „Viasna” en ondervoorzitter van FIDH;

11.  eist de onmiddellijke vrijlating van alle politieke gevangenen; is verheugd over het besluit van de Raad buitenlandse zaken van de EU van 23 januari 2012 ter verbreding van sanctiecriteria voor maatregelen die de weg vrijmaken voor de toekomstige benoeming van personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten dan wel de repressie van de maatschappij en de democratische oppositie in Belarus, en herhaalt dat er geen sprake kan zijn van vooruitgang in de dialoog tussen Belarus en de EU zolang dit land geen vooruitgang heeft geboekt op de punten democratie, mensenrechten en de rechtsstaat en totdat alle politieke gevangenen, onder wie de twee voormalige kandidaten voor het presidentschap, Mikalai Statkevich en Andrei Sannikau, hoofden van de presidentsverkiezingscampagnes van de oppositiekandidaten Pavel Seviarynets en Dzmitry Bandarenka, en Syarhey Kavalenka, een politiek gevangene die van niet-naleving van zijn huisarrest wordt beschuldigd, een langdurige hongerstaking heeft gehouden die tot een kritieke verslechtering van zijn gezondheid heeft geleid en zijn leven rechtstreeks bedreigt, onvoorwaardelijk worden vrijgelaten en volledig in hun burgerrechten worden hersteld;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van de Republiek Belarus, de Raad van Europa en de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa.

(1) PB C 286 E van 22.10.2010, blz. 16
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0392.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0244.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0099.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0022.
(6) PB C 371 E van 20.12.2011, blz. 5.
(7) PB C 74 E van 20.3.2008, blz. 775.


Egypte: recente ontwikkelingen
PDF 121kWORD 42k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de recente ontwikkelingen in Egypte (2012/2541(RSP))
P7_TA(2012)0064RC-B7-0079/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, in het bijzonder die van 17 november 2011 over Egypte en met name over de blogger Alaa Abd El Fattah(1),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van 1966, waarbij Egypte partij is,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Catherine Ashton, van 2 februari 2012 over de tragedie in het voetbalstadion in Egypte en van 1 februari 2012 over de voortdurende onderdrukking van de burgerbevolking in Egypte,

–  gezien de Associatieovereenkomst EU-Egypte van 2004 en het in 2007 overeengekomen Actieplan,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 10 oktober 2011 en de conclusies van de Europese Raad over Egypte van 23 oktober 2011,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 mei 2011 met als titel „Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden”;

–  gezien de ontwikkeling van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) sinds 2004, en met name de voortgangsverslagen van de Commissie over de tenuitvoerlegging daarvan,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met de zuidelijke mediterrane landen,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenactivisten van 2004, die in 2008 zijn geactualiseerd,

–  gezien artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de situatie van de ngo's in Egypte alarmerend is; overwegende dat in oktober 2011 de oprichting is aangekondigd van een toetsingscommissie voor civiele instellingen en ngo's ter verscherping van het wettelijk toezicht op de buitenlandse financiering van maatschappelijke organisaties en politieke stichtingen en dat de Centrale Bank naar aanleiding daarvan is verzocht alle bankovermakingen van en naar ngo's te controleren; overwegende dat de kantoren van tien met buitenlands geld gefinancierde organisaties zijn doorzocht, dat deze organisaties zijn onderzocht en dat er vervolgens door de Opperste Raad van de Strijdkrachten (SCAF) op 29 december 2011 tegen hen een verbod is uitgevaardigd; overwegende dat de onder militair bewind staande regering van Egypte op 5 februari 2012 heeft aangekondigd dat zij 19 Amerikaanse burgers en 24 anderen zou gaan berechten in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de buitenlandse financiering van non-profitorganisaties die actief zijn in Egypte; overwegende dat Egyptische rechters bezig zijn met een onderzoek naar vermeende illegale buitenlandse financiering van prodemocratische niet-gouvernementele organisaties en politieke stichtingen, en dat 44 verdachten, waaronder 19 Amerikanen, 14 Egyptenaren, 5 Serviërs, 2 Duitsers, 2 Libanezen, 1 Jordaniër en 1 Palestijn voor de criminele rechtbank in Caïro zijn gedaagd en het bevel hebben gekregen het land niet te verlaten;

B.  overwegende dat de ngo's ook worden beschuldigd van het opzetten en aanhouden van kantoren in Egypte zonder toestemming van de regering, maar dat de door de organisaties conform de desbetreffende instructies ingediende aanvragen voor registratie door de Egyptische autoriteiten meer dan vijf jaar lang zijn genegeerd; overwegende dat deze beschuldigingen het eindresultaat zijn van de escalatie van het harde juridische optreden tegen nationale en internationale ngo's in Egypte, dat indruist tegen het internationale recht inzake de mensenrechten en de inspanningen ondermijnt om de democratische waarden te bevorderen en de mensenrechten te vrijwaren;

C.  overwegende dat ten minste 74 mensen zijn omgekomen en honderden gewond zijn geraakt na schermutselingen die uitbraken tijdens een voetbalwedstrijd in Port Said tussen Caïro club Al Ahly en de lokale club Al Masr;

D.  overwegende dat de politie daarbij opvallend passief is gebleven; overwegende dat de woede en speculatie dat deze schermutselingen mogelijkerwijs politiek zouden zijn gemotiveerd, in combinatie met eisen om een einde te maken aan het militaire bewind, hebben geleid tot straatdemonstraties om te protesteren tegen elke vorm van – militaire of andere – dictatuur in de dagen die volgden op de tragedie in het voetbalstadion en hebben geresulteerd in nog meer doden en gewonden; overwegende dat de politie op de demonstranten blijft vuren met traangas, maar ook met hagel en rubberkogels;

E.  overwegende dat de viceminister van Volksgezondheid Hesham Sheiha de stadiontragedie de grootste ramp in de geschiedenis van het Egyptische voetbal heeft genoemd; overwegende dat de SCAF helikopters heeft laten aanrukken om gewonde teamleden en fans van de bezoekende club naar een militair hospitaal te laten overvliegen; overwegende dat sport vooral in tijden van transitie en sociale onrust een verbindende functie zou moeten vervullen en een gevoel van normaliteit moet bieden en tot verzoening tussen verdeelde gemeenschappen zou moeten leiden;

F.  overwegende dat het welslagen van het Europese nabuurschapsbeleid en het succes van de hervormingen op het gebied van de mensenrechten, en specifiek van de rechten van vrouwen, staat of valt met de betrokkenheid van de burgermaatschappij bij de uitvoering van het beleid in de respectieve sectoren;

G.  overwegende dat de SCAF er een omstreden agenda op na blijkt te houden, aangezien de noodtoestand nog niet volledig is opgeheven en nog steeds kan worden toegepast in geval van „gewelddadigheid”, een begrip dat alle ruimte laat voor interpretatie en willekeurige toepassing; overwegende dat er volgens internationale en nationale organisaties in de afgelopen 10 maanden van het militaire bewind geen sprake is geweest van verbetering van de bescherming van de mensenrechten in Egypte; overwegende dat er nog steeds burgers worden berecht voor militaire tribunalen, en dat bloggers, journalisten en mensenrechtenactivisten worden onderworpen aan directe of indirecte intimidatie, hetgeen heeft bijgedragen aan de groeiende spanningen en heeft geleid tot verdere burgerprotesten; overwegende dat de SCAF heeft nagelaten onderzoeken in te stellen naar de berichten omtrent seksueel misbruik van vrouwelijke demonstranten, waarbij zogenaamde „maagdelijkheidtests” zijn uitgevoerd en doodsbedreigingen zijn geuit en andere schendingen van de mensenrechten hebben plaatsgevonden;

H.  overwegende dat bij de verkiezingen voor de Volksvergadering in de periode van november 2011 tot januari 2012 de Vrijheids- en rechtvaardigheidspartij van de Moslimbroederschap 47% van de stemmen heeft behaald en de door salafisten gedomineerde Noor-partij 25% van de stemmen kreeg, waarbij het aantal gekozen vrouwelijke parlementsleden van 64 naar 8 is teruggezakt; overwegende dat de presidentsverkiezingen naar verwachting in juni zullen plaatsvinden; overwegende dat er geen internationale instellingen, waaronder de EU, als waarnemers bij de verkiezingen zijn uitgenodigd;

I.  overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft opgeroepen tot de opheffing van de noodtoestand, die sinds 1981 van kracht was, tot versterking van de democratie en tot eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden in Egypte; overwegende dat de Europese Unie herhaaldelijk heeft verklaard gehecht te zijn aan de vrijheid van gedachte, de vrijheid van geweten en de vrijheid van godsdienst en heeft benadrukt dat regeringen overal ter wereld de plicht hebben deze vrijheden te waarborgen;

1.  betuigt zijn solidariteit met het Egyptische volk in deze cruciale democratische transitieperiode in het land; dringt er bij de Egyptische autoriteiten op aan volledig garant te staan voor de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de rechten van de vrouw, de vrijheid van godsdienst, geweten en denken, de bescherming van minderheden en de strijd tegen discriminatie op grond van seksuele geaardheid, de vrijheid van pers en media, de vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering, een eerlijke rechtsgang, en de vrijheid van meningsuiting, omdat deze rechten essentiële componenten zijn van een waarachtige democratie;

2.  roept op tot onmiddellijke opheffing van de strafrechtelijke vervolging van ngo's en politieke stichtingen; dringt er bij de Egyptische autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat alle inspecties van nationale of buitenlandse maatschappelijke organisaties worden uitgevoerd in volledige transparantie en onpartijdigheid, en conform de correcte juridische procedures en de internationale normen inzake mensenrechten en fundamentele vrijheden; is van mening dat deze aanvallen een ernstige schending vormen van het recht op vrijheid van vereniging, zoals bepaald in artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; verzoekt de Egyptische autoriteiten een nieuwe verenigingswet aan te nemen op basis van internationale mensenrechtennormen en in nauw overleg met ngo's en mensenrechtenorganisaties en prodemocratiegroepen; spreekt zijn volledige steun uit voor de inzet, het belang en de hoge kwaliteit van de activiteiten van deze organisaties bij de ondersteuning van de burgermaatschappij en het Egyptische volk om de vrede, de democratie en de mensenrechten te bevorderen;

3.  betreurt ten zeerste het hoge verlies aan mensenlevens en het grote aantal gewonden dat in Port Said is gevallen en betuigt zijn medeleven met de families van de slachtoffers; dringt aan op een onafhankelijk onderzoek naar de incidenten die tot deze tragedie hebben geleid en staat erop dat degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn worden berecht;

4.  maakt zich zorgen over de beschuldigingen dat de schermutselingen politiek gemotiveerd waren, en dringt er bij de Egyptische autoriteiten dringend op aan een ​​onafhankelijk onderzoek naar de gebeurtenissen van 1 februari 2012 in te stellen;

5.  spreekt zijn krachtige steun uit voor hervormingen die leiden tot de instelling van democratie, de rechtsstaat en sociale rechtvaardigheid in Egypte, overeenkomstig de wil van het Egyptische volk; herhaalt zijn oproep tot opheffing van de noodtoestand; benadrukt nogmaals het belang van goed bestuur, de bestrijding van corruptie, en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Egypte, dringt aan op duidelijkheid in het grondwettelijk proces, alsook met betrekking tot de tijdslijn en de toe te passen beginselen, om ervoor te zorgen dat elke grondwettelijke bepaling inclusief is en geen mogelijkheid laat voor discriminatie van wie dan ook in de Egyptische samenleving; benadrukt nogmaals de noodzaak om het opperste gezag zo snel mogelijk over te dragen aan een democratisch gekozen burgerregering;

6.  benadrukt het belang van het houden van vrije, eerlijke en transparante verkiezingen, en spoort de EU en haar lidstaten ertoe aan de Egyptische autoriteiten, politieke partijen en de burgermaatschappij te blijven steunen en bijstaan in hun inspanningen om dit doel te bereiken; dringt er bij de SCAF op aan onafhankelijke waarnemers toe te laten om als getuige te fungeren en toezicht te houden bij de komende presidentsverkiezingen; dringt er bij de VV/HP op aan de oprichting te ondersteunen van een taskforce waarbij ook het Europees Parlement moet zijn betrokken en die kan voorzien in de behoefte aan ondersteuning van het democratische overgangsproces, zoals verwoord door degenen die zich inzetten voor democratische veranderingen, en in het bijzonder voor vrije en democratische verkiezingen en institutionele opbouw, inclusief de ontwikkeling van een onafhankelijke rechterlijke macht;

7.  is verheugd over de vrijlating van de gevangen bloggers Alaa Abd El Fattah en Maikel Nabil Sanad; verzoekt de Egyptische autoriteiten eens te meer te waarborgen dat bloggers, journalisten en mensenrechtenactivisten in Egypte niet het slachtoffer worden van directe of indirecte pesterijen of intimidatie; is verheugd over de vrijlating van politieke gevangenen, maar herhaalt dat ze hoe dan ook niet hadden mogen worden berecht door militaire rechtbanken; is van mening dat de betrokken gevangenen derhalve hadden moeten worden vrijgesproken in plaats van begenadigd;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten en de Egyptische autoriteiten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0518.


Doodstraf in Japan
PDF 113kWORD 34k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over de doodstraf in Japan (2012/2542(RSP))
P7_TA(2012)0065RC-B7-0089/2012

Het Europees Parlement,

–  gezien resolutie 63/168 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties waarin wordt aangedrongen op de tenuitvoerlegging van resolutie 62/149 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 18 december 2007 waarin wordt opgeroepen tot een wereldwijd moratorium op de doodstraf en op executies,

–  gezien resolutie 65/206 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 21 december 2010 over een moratorium op de doodstraf,

–  gezien de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf,

–  gezien zijn resolutie van 27 september 2007 over een wereldwijd moratorium op de doodstraf(1),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2002 over de afschaffing van de doodstraf in Japan, Zuid-Korea en Taiwan(2),

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over de Werelddag tegen de doodstraf(3),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van Catherine Ashton, hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en Thorbjørn Jagland, secretaris-generaal van de Raad van Europa, ter gelegenheid van de Europese dag en de Werelddag tegen de doodstraf op 10 oktober 2011,

–  gezien de verklaring van de Europese Unie van 6 april 2011 over de afschaffing van de doodstraf waarin de landen die waarnemer bij de Raad van Europa zijn, met inbegrip van Japan, ertoe worden aangespoord de doodstraf af te schaffen,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat Japan in 1999 heeft geratificeerd,

–  gezien artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie met grote inzet ijvert voor de afschaffing van de doodstraf overal ter wereld en streeft naar de universele aanvaarding van het grondbeginsel van het recht op leven,

B.  overwegende dat 2011 het eerste jaar was waarin geen executie in Japan heeft plaatsgevonden sinds 1992; overwegende echter dat de nieuwe minister van Justitie Toshio Ogawa volgens persberichten heeft aangekondigd dat hij het „behoedzame” beleid van zijn voorganger Hiraoka Hideo niet wenst voort te zetten en bereid zou zijn opnieuw executiebevelen te ondertekenen;

C.  overwegende dat in de wereld aanzienlijke vooruitgang is geboekt op weg naar de afschaffing van de doodstraf en dat een toenemend aantal landen de doodstraf heeft afgeschaft;

D.  overwegende dat een officiële verbintenis van Japan, als een leidende democratie in Azië en een zeer belangrijk lid van de internationale gemeenschap, de doodstraf te zullen afschaffen, niet alleen strookt met de internationale tendens, maar tevens een krachtig signaal aan de hele wereld is dat het recht op leven moet worden geëerbiedigd en beschermd;

E.  overwegende dat in Japan momenteel rond 130 ter dood veroordeelden op hun executie wachten;

F.  overwegende dat gedetineerden en hun advocaten pas op de dag zelf van de executie op de hoogte worden gesteld en dat families pas worden geïnformeerd nadat de executie is voltrokken, hetgeen buitengewoon wreed is in het licht van de vele jaren dat de ter dood veroordeelden op hun executie hebben zitten te wachten;

1.  is verheugd over het feit dat de betrekkingen van de EU met Japan zijn gebaseerd op een gedeelde gehechtheid aan de vrijheid, de democratie, de rechtsstaat en de rechten van de mens;

2.  is ingenomen met het feit dat in Japan sedert juli 2010 geen executies meer hebben plaatsgevonden en dat in 2010 binnen het ministerie van Justitie een studiegroep inzake de doodstraf is opgezet;

3.  doet een dringend beroep op minister van Justitie Toshio Ogawa om niet langer executiebevelen goed te keuren en de werkzaamheden van de studiegroep te ondersteunen;

4.  verzoekt Japan te blijven streven naar een terugkeer naar het feitelijke moratorium dat van november 1989 tot maart 1993 van kracht was, en de openbare autoriteiten, parlementsleden, maatschappelijke organisaties en media ertoe aan te sporen een nationaal debat te houden over de inzet van de doodstraf in het land;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, de Secretaris-generaal van de VN en de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, alsmede aan de premier en minister van Justitie van Japan en het Japanse parlement.

(1) PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 306.
(2) PB C 261 E van 30.10.2003, blz. 597.
(3) PB C 371 E van 20.12.2011, blz. 5.

Juridische mededeling - Privacybeleid